SRU-K1-2003-1

Kantonrechter Eerste Kanton

18 september 2003, A.R. No. 025473

[eiser], wonende aan [adres] te [district 1], eiser in kort geding, gemachtigde: I. D. Kanhai, advocaat,

tegen

De Staat Suriname, zetelende te Paramaribo, gedaagde in kort geding, gemachtigde: Mr. C. Ch. Bhagwandin, advocaat,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft in naam van de Republiek het volgende vonnis uitgesproken.

Procesgang
Overeenkomstig het op 27 december 2002 ter griffie ingediende verzoekschrift, heeft eiser gevorderd om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren gedaagde zal worden veroordeeld om:

a. binnen 1 week tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de eiser te voldoen de somma van U. S. 21.601 en SF 3.900.000,- (een en twintig duizend zes honderd en een Amerikaanse dollars en drie miljoen negen honderd duizend Surinaamse guldens);

b. de gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Op eerstdienende dag heeft advocaat Mr. Ch. Bhagwandin zich als gemachtigde van de gedaagde gesteld. Vervolgens zijn de volgende conclusies genomen:

– een schriftelijke conclusie van antwoord, waarbij is geconcludeerd tot niet ontvankelijk – verklaring van de eiser althans tot ontzegging van de vordering;
– een schriftelijke conclusie van repliek;
– een schriftelijke conclusie van dupliek.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

Motivering
1. In het onderhavig geding gaat het om het volgende. De [straat 1], een voor het openbaar verkeer openstaande weg in [district 2], is enige tijd geleden over de gehele breedte van de weg en, in lengterichting, over een afstand van ongeveer 100 meter, verzakt. Eiser reed op maandag, 9 december 2002, omstreeks 22.30 uur, als bestuurder van een auto, merk Toyota, [kenteken] over genoemde [straat 1] , gaande in de richting van de [straat 2] en is daarbij over een bauxiethoop, die nabij de verzakking, over de volle breedte van de weg was geplaatst, gereden en is met zijn auto in de wegverzakking terecht gekomen. De auto is daarbij beschadigd.

2. Eiser stelt eigenaar te zijn van de auto en deze te gebruiken voor zijn dagelijkse werkzaamheden. Hij, eiser, stelt verder, voor zoveel hier van belang, dat de gedaagde het beheer van en het toezicht over de [weg] heeft en zich jegens hem onzorgvuldig heeft gedragen. Eiser houdt de gedaagde aansprakelijk voor de beweerdelijk door hem geleden schade, welke hij stelt op US$ 21.601, zijnde de waarde van de auto – deze zou onherstelbaar vernield zijn – en Sf. 3.900.000, zijnde vergoeding voor het gemis van de auto vanaf 9 december 2002 tot en met 25 december 2002. In dit geding vordert de eiser, kort gezegd, betaling van deze bedragen.

3. Gedaagde heeft de vordering weersproken. Hij, gedaagde, heeft met name bestreden dat eiser eigenaar is van de hierboven onder 1 omschreven auto. Eiser heeft tegenover deze betwisting niet aannemelijk gemaakt eigenaar te zijn van die auto. De gevraagde voorziening dient reeds op grond hiervan te worden geweigerd. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

Beslissing
Weigert de gevraagde voorziening.

Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van de gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf.

Aldus gewezen en op donderdag, 18 september 2003, in het openbaar uitgesproken door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr. E. S. Ombre, in tegenwoordigheid van de Fungerend – griffier Mr. S. Tika.

SRU-K1-2004-1

02 december 2004,
A.R. 42036

(Mr. E.S Ombre)

Stichting Itom Ameer, kantoorhoudende aan Brokopondolaan no 72, te Paramaribo, gemachtigde: Mr. M. G.A. Vos. advocaat, eiseres in kort geding,

tegen

[gedaagde], wonende aan [adres], te [district 1],

gemachtigde: Mr. E.A. Glunder, advocaat, gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft in naam van de Republiek het volgende vonnis uitgesproken.

Procesgang

Overeenkomstig het op 13 mei 2004 ter griffie ingediende verzoekschrift, heeft eiseres gevorderd om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren:

  • gedaagde te gelasten de litigieuze woning staande en gelegen aan [adres] te [district 1] onmiddellijk, althans binnen een door de Kantonrechter in goede justitie vast te stellen termijn, te ontruimen en deze ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen, met machtiging van alle van harentwege aldaar bevindende personen en goederen.
  • tevens eiseres te machtigen om de hulp van de Sterke Arm te mogen inroepen, indien en voorzover gedaagde mocht weigeren aan het te wijzen vonnis gevolg te geven.
  • voorts gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

Kosten rechtens.

Op de eerstdienende dag heeft advocaat Mr. E.A. Glunder zich als gemachtigde van de gedaagde gesteld. Vervolgens zijn de volgende conclusies genomen.

– een schriftelijke conclusie van antwoord, waaraan gehecht enkele produkties waarbij is geconcludeerd tot afwijzing van de vordering;
– een schriftelijke conclusie van repliek, waaraan gehecht enkele produkties,
– een schriftelijke conclusie van dupliek, waaraan gehecht een produktie,
– een schriftelijke conclusie tot uitlating produktie zijdens eiseres.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

Motivering

1. Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde bescheiden, een en ander voor zover niet betwist, staat het volgende vast:

1.1. Gedaagde heeft van de stichting Vijantimonica gelden geleend en heeft terzake van de geldleningen hypotheek gevestigd op het in het inleidend rekest nader omschreven perceelland, groot 528.52 m2 en gelegen in [district 2] en bekend als [adres].

1.2. Genoemde stichting heeft bovenvermeld perceelland op 27 juni 2002 in het openbaar doen verkopen, alwaar dit perceelland is gekocht door de eiseres. Het betreffende proces-verbaal van veiling en toewijzing is in de daartoe bestemde openbare registers overgeschreven op 22 november 2002.

1.3. Eiseres heeft een gedeelte van het onder 1.1 vermeld perceelland aan [naam 1] verkocht en op 29 december 2003 overgedragen.

1.4. Het aan genoemde [naam 1] verkochte gedeelte van het onder 1.1 vermelde perceelland is groot 223.5 m2 en ligt aan [straat 1]. Het resterend gedeelte van genoemd perceelland ligt aan [straat 2]. Gedaagde woont in een op het resterend gedeelte – nader aangeduid als perceel[straat 2] -staande woning.

1.5. Eiseres heeft de gedaagde herhaalde malen aangezegd de woning te ontruimen. Laatstelijk is dit geschied bij een per deurwaardersexploit uitgereikte brief dd. 12 september 2003.

2.1. De vordering, zoals gecorrigeerd, strekt, kort gezegd, ertoe gedaagde te veroordelen om perceel [straat 2] en de daarop staande woning te ontruimen. Gelet op haar stellingen heeft eiseres een spoedeisend belang bij die vordering.

2.2. De grondslag van de vordering komt op het volgende neer. Eiseres is eigenaar van het door de gedaagde bewoond pand. Gedaagde verblijft aldaar zonder recht of titel en onderhoudt het pand niet naar behoren. Zij, gedaagde, weigert het pand te ontruimen en handelt onrechtmatig jegens eiseres. Gedaagde heeft tegen de vordering verweer gevoerd. Op het gevoerde verweer wordt, voor zover relevant, hieronder teruggekomen.

3.1. Bij inleidend rekest heeft eiseres gesteld eigenaar te zijn van het onder 1.1 vermelde perceelland. Nadat gedaagde had aangevoerd dat dit perceelland aan bovengenoemde [naam 1] was verkocht, heeft eiseres voormelde stelling gecorrigeerd in dier voege dat zij thans eigenaar is van meergenoemd perceelland, met uitzondering van het aan bovengenoemde [naam 1], bij in de openbare registers onder C 1677 [nummer 1] overgeschreven, akte verkochte en overgedragen gedeelte. Volgens gedaagde zou het feit dat thans vaststaat dat eiseres geen eigenaar is van het onder 1.1 vermelde perceelland meebrengen dat zij onbevoegdelijk procedeert. Dit verweer wordt verworpen, nu niet gesteld of gebleken is dat gedaagde door de correctie onredelijk in haar verweer is benadeeld of dat het geding door de correctie onredelijk is vertraagd.

3.2.1. Gedaagde heeft verder een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 172 lid 1 juncto lid 3 BW. Naar zij, zakelijk weergegeven, stelt kwam haar echtgenoot in februari 2002 op de hoogte van de geldleningen en de hypotheek. Verder stelt zij, gedaagde, dat haar echtgenoot bij de Kantonrechter een vordering (AR 034348) aanhangig heeft gemaakt om de geldleenovereenkomst te vernietigen of nietig te verklaren. De stichting Vijantimonica en de stichting Itom Ameer hebben beide één en dezelfde voorzitter en daarom moet het aan hen bekend zijn dat er een bodemprocedure terzake van de geldleenovereenkomst en de executie van het pand loopt, hetgeen betekent – aldus gedaagde – dat eiseres te kwader trouw handelt door de ontruiming van de gedaagde te vorderen met het kennelijk doel de eventuele teruglevering casu quo herstel in de oude toestand te frustreren.

3.2.2. Eiseres heeft niet betwist dat gedaagde is gehuwd met [naam 2] en wel sedert 11 april 1993 en in algehele gemeenschap van goederen; Als door eiseres gesteld en door gedaagde niet betwist staat vast dat bovenvermelde vordering op 29 mei 2003 is ingediend. Eiseres beroept zich er op dat de vordering niet binnen de wettelijke termijn is ingediend; verder ontkent zij te kwader trouw te hebben gehandeld.

3.2.2. Ingevolge artikel 172 lid 3 BW is, voor zoveel hier van belang, voor de bezwaring van de aldaar bedoelde registergoederen de medewerking van beide echtgenoten vereist. Het gaat dus hier om de zakenrechtelijke rechtshandeling, in casu de hypotheekverlening. Het is deze handeling die ingevolge artikel 173 lid 1 BW door de andere echtgenoot middels een tot de wederpartij gerichte verklaring kan worden vernietigd. Er bestaat derhalve een gerede kans dat de hierboven vermelde vordering van gedaagde’s echtgenoot tot vernietiging, althans nietigverklaring van de geldleenovereenkomst op grond van het bepaalde in artikel 172 lid 1 juncto lid 3 BW. niet tot het gewenste resultaat zal leiden. Hierbij komt dat de vernietiging dient te geschieden door een tot de wederpartij gerichte verklaring en niet gesteld of gebleken is dat gedaagde’s echtgenoot, los van het inleidend verzoekschrift, een dergelijke verklaring tot de stichting Vijantimonica heeft gericht. Bij de conclusie van antwoord is een verzoekschrift gehecht dat, gelet op de inhoud, het inleidend rekest in de zaak AR 034348 betreft. Dit verzoekschrift bevat niet een verklaring waarin met zoveel woorden de hypotheekverlening wordt vernietigd en de inhoud daarvan kan, ook in zijn geheel genomen, niet als een dergelijke verklaring worden aangemerkt.

3.2.3. Gelet op hetgeen onder 3.2.2 is overwogen behoeft niet verder te worden ingegaan op hetgeen gedaagde verder met betrekking tot haar beroep op het bepaalde in artikel 172 lid 1 juncto lid 3 RW heeft gesteld. Dat beroep dient te worden verworpen.

3.3. Gedaagde heeft zich ook erop beroepen dat zij en haar gezin zijn benadeeld, omdat eiseres in een klap meer dan viermaal het geleende bedrag van US$ 11.500 heeft terugverdient, aangezien het pand was getaxeerd voor € 43.000. Gedaagde heeft voormelde taxatie, tegen eiseresses betwisting daarvan, niet aannemelijk gemaakt, zodat daaraan verder wordt voorbijgegaan.

4. Er is voldoende aannemelijk gemaakt dat gedaagde zich zonder recht of titel op perceel [straat 2] bevindt. Gelet op feit dat het hier een woonhuis betreft, welke door de gedaagde met haar gezin wordt bewoond, het feit dat de gedaagde nu langer dan een jaar bekend is dat eiseres verlangd dat zij dat woonhuis ontruimt en het belang van de eiseres om over de woning te kunnen beschikken, wordt de ontruimingstermijn bepaald als in het dictum is vermeld.

5. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

Beslissing

A. Veroordeelt de gedaagde om binnen 6 (zes) maanden na de betekening van dit vonnis het perceelland, groot 528,52 m2, gelegen nabij [district], bekend als [adres] aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels de dato twee mei negentienhonderd vier en zestig met de letters ABCD en op diens verzamelkaart van een mei negentienhonderd vier en zestig aangeduid met het [nummer 2], benevens de langs de grenslijn met de letters Abba, een en ander nader deel uitmakende van de noordelijke helft van een perceelland groot twee hectaren, een en vijftig aren en zestien centiaren, gelegen nabij [plaats] in [district 2], aangeduid op de daarvan vervaardigde kaart van de landmeter J.C. de la Parra de dato zestien november negentienhonderd drie en dertig door figuur BCEF, gedeelte van de [plantage], met uitzondering van het bij in de openbare registers onder C 1677 [nummer 1] overgeschreven, akte verkochte en overgedragen gedeelte, te ontruimen en ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen, met medeneming van alle van harentwege zich aldaar bevindende personen en goederen.

B. Machtigt de eiseres om, indien gedaagde mocht blijven te ontruimen, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm,

Verklaart dit vonnis tot zover vermeld sub A en B uitvoerbaar bij voorraad.

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van de eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 70,70 ( zeventig 70/100 Surinaamse dollar)

Weigert voor het overige de gevraagde voorziening.

 

 

SRU-K1-2005-4

A.R. No. 014371 13 oktober 2005
F.H.

SOCIETE PRODUITS NESTLE S.A.,
gevestigd en kantoorhoudende te 1800 Vevey, Zwitserland,
gemachtigde: Mr. H.R. Lim A Po, advocaat,
eiseres in kort geding,

tegen

PARBATI OVERSEAS TRADING N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Kwattaweg no. 22 te Paramaribo, gemachtigde: Mr. A.R. Baarh, advocaat,
gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft in Naam van de Republiek het volgende vonnis uitgesproken.

Procesgang
In deze zaak is tussenvonnis gewezen en op 21 maart 2002 uitgesproken. Bij dat tussenvonnis is de eiseres in de gelegenheid gesteld om door een uitgebreide en nauwkeurige beschrijving aan te geven op welk merk of op welke werken zij aanspraak maakt en om een uitgebreide en nauwkeurige omschrijving te geven van het( de) beweerde inbreukmakende teken(s); en voorts aan te geven waarom dit (deze) teken(s) inbreuk maken op haar merk(en). Hierna zijn de volgende conclusies genomen.
– een schriftelijke conclusie tot uitlating zijdens eiseres waaraan gehecht enkele producties;
– een schriftelijke conclusie uitlating producties zijdens gedaagde; De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

Motivering

1. Hier wordt overgenomen en volhard bij hetgeen in het tussenvonnis van 21 maart 2002 is overwogen en beslist.

2. Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde bescheiden, een en ander voor zover niet, althans niet gemotiveerd, betwist, staat het volgende vast:

2.1 Op 19 mei (lees kennelijk: 1995) is op verzoek van eiseres de inschrijving in het register van het Bureau voor Industriële Eigendom vernieuwd van het op 10 mei 1975 ten name van eiseres ingeschreven merk, bestaande uit het woord “MAGGI”.

2.2 Maggi S.A. heeft op 14 maart 1983 onder nummer 11.134 in het register van het Bureau voor Industriële Eigendom doen inschrijven een merk, bestaande uit de in een plat vlak uitgelegde verpakking van kipbouillontabletten. De verpakking vertoont de afbeelding van meerdere kippen in rood, met aan weerszijden het woord MAGGI, ook in rood, en alles tegen een gele achtergrond. Op 29 mei 1991 is dit merk van Maggi S.A overgegaan op de eiseres.

2.3 Op 14 mei 1991 is van Maggi S.A. op de eiseres overgegaan het op 9 september 1983 onder nummer 11.227 ingeschreven merk, bestaande uit de in een plat vlak uitgelegde verpakking van kipbouillontabletten. De verpakking vertoont (zie 3.1 van het inleidend rekest) de afbeelding van een ballonnetje in het rood met daarop in het geel het woord ”Maggi” en de afbeelding van één kip in het zwart, wit en rood, alles tegen een gele achtergrond.

2.4 Eiseres heeft op 2 juni 1991 de inschrijving in het register van het Bureau voor Industriële Eigendom vernieuwd van het op 15 juni 1977 te haren name ingeschreven merk bestaande uit de in een plat vlak uitgelegde verpakking van kipbouillontabletten. De verpakking vertoont, tegen een gele achtergrond, de afbeelding van een ballonnetje in het rood, met daarop in het geel het woord ”Maggi”.

2.5 Eiseres heeft sedert jaren in een aantal landen ondernemingen opgezet voor de productie en distributie onder het publiek van onder meer kipbouillon blokjes. In Suriname wordt aldus reeds sinds 1978 kipbouillon blokjes onder licentie en agentschap van eiseres geproduceerd en gedistribueerd onder het publiek door Surinaamse Levensmiddelen Industrie N.V., gevestigd te Paramaribo.

2.6 Eiseres brengt aldus sedert 1978 in Suriname regelmatig en frekwent kipbouillon blokjes op de mankt, waarbij elk blokje is verpakt in een van de hierboven omschreven verpakkingen.

2.7 Gedaagde brengt sedert december 2000 ook regelmatig en frekwent kipbouillon blokjes in Suriname op de markt, waarbij elk blokje aanvankelijk was verpakt in een groengeel gekleurd papieren omhulsel met daarop tegen meerdere witte achtergronden, aan twee weerszijden begrensd door groene lijnen, in het rood de merknaam ”Bongu”.

2.8 Thans brengt gedaagde regelmatig en frekwent kip-bouillon blokjes in Suriname op de markt, waarbij elk blokje is verpakt in een geel gekleurd papieren omhulsel. Aan weerszijden van de verpakking zijn onder elkaar zes tot zeven afbeeldingen van een kippetje in rood afgebeeld. Tussen deze kolommen, bestaande uit de afbeelding van kippetjes, staan drie kolommen van vier rode rechthoeken, met in elke rechthoek het woord ”BONGU” gedrukt. De bovenzijde van de rechthoek loopt niet recht door, maar vertoont in het middel een spitstoelopende verdikking. Het woord ”BONGU” is in gele letters gedrukt. Tussen de rechthoeken staat in kleine letters de tekst ”KIP CHICKEN CUBE”.

3.1 Eiseres heeft, kort samengevat, gevorderd:

  • dat gedaagde zal worden verboden om kipbouillon blokjes, verpakt in het onder 2.6 omschreven omhulsel, op de markt in Suriname te brengen, dan wel aan het publiek in Suriname ten verkoop aan te bieden, gevorderd zoals hierboven onder het hoofd procesgang is vermeld. Aan haar vordering heeft zij, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat
  • Primair
    dat gedaagde zal worden bevolen om de door haar aan andere personen of instellingen ten verdere verkoop en distributie geleverde of ter beschikking gestelde kip-bouilion blokjes, verpakt in het onder 2.6 omschreven omhulsel, voor zover nog bij die personen en instellingen aanwezig, terug te nemen of te doen terugnemen en vervolgens te vernietigen, althans te doen vernietigen.Subsidiair
    dat gedaagde zal worden bevolen om zorg te dragen dat de door haar aan andere personen of instellingen ten ten verdere verkoop en/of distributie geleverde of ter beschikking gestelde kipbouillon blokjes, verpakt in het onder 2.6 omschreven omhulsel, niet verder of langer wordt verkocht en/of gedistribueerd en dergelijke verkoop en distributie wordt gestaakt.
  • dat gedaagde zal worden bevolen om de nog bij haar in bezit zijnde kipbouillon blokjes, verpakt in het onder 2.6 omschreven omhulsel, te vernietigen, althans te doen vernietigen.
  • gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van Sf. 50.000.000 (Vijftig miljoen Surinaamse gulden) voor elke dag, dat zij, gedaagde, het hierboven sub I vermelde verbod overtreedt en/of de hiervoren sub II en/of sub III vermelde bevelen niet nakomt.Kosten rechtens.

3.2 Gedaagde heeft tegen de vordering gemotiveerd verweer gevoerd.

4.1 Op grond van de in zoverre niet betwiste stellingen van partijen staat vast dat eiseres in Suriname als eerste gebruik heeft gemaakt van de onder 2.1 tot en met 2.4 vermelde merken ter onderscheiding van haar waren, met name kipbouillon blokjes. Eiseres wordt dan ook voorshands aangemerkt als rechthebbende op die merken.

4.2 In dit geding is, onder andere, aan de orde de vraag of gedaagde, door te handelen als onder 2.6 is omschreven, inbreuk maakt op het merkrecht van de eiseres. In het onderhavig geval dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord indien het woord ”Bongu” dan wel de door gedaagde gebruikte verpakking geheel of in hoofdzaak overeenstemt met het woord ”Maggi” dan wel met de hierboven onder 2.3 tot en met 2.4 omschreven verpakkingen.

4.3.1 Gedaagde heeft aangevoerd dat de woorden Bongu” en ”Maggi” alleen de letter G gemeen hebben en dat de klank hemelsbreed verschilt.

4.3.2 Het is juist dat de woorden ”Bongu” en ”Maggi” alleen de letter G gemeen hebben. ”Bongu” bestaat uit de lettergrepen ”Bong” en ”gu”, terwijl ”Maggi” bestaat uit de lettergrepen ”Ma” en ”gie”. De lettergrepen ”gu” en ”gie” verschillen auditief niet veel van elkaar, maar het verschil tussen ”Bong” en ”Ma” is zo groot dat, naar het voorlopig oordeel van de Kantonrechter, ”Bongu” en ”Maggi”, wat de klank betreft, zozeer van elkaar verschillen dat niet van overeenstemming, ook niet in hoofdzaak, tussen deze twee woorden kan worden gesproken. Hieraan wordt toegevoegd dat van visuele of begripsmatige gelijkenis
niets is gebleken.

4.4.1 Vergelijking van de door gedaagde gebruikte verpakking met de onder 2.2 omschreven verpakking levert de volgende gelijkenissen en verschillen op. Beide verpakkingen vertonen een gele ondergrond. Het geel van eiseresses verpakking is echter duidelijk helderder dan dat van de verpakking van de gedaagde. Het woord ”Maggi” is op de verpakking van de eïseres in het rood gedrukt en wel direct tegen de gele ondergrond. Op de verpakking van de gedaagde is het woord ”Bongu” in het geel gedrukt, tegen een rode rechthoek als achtergrond. Qua lettertype bestaat er een duidelijk verschil tussen de woorden ”Maggi”en ”Bongu”op de hier bedoelde verpakkingen. Tussen de rechthoeken op de verpakking van de gedaagde staat in kleine letters de tekst ”KIP CHICKEN CUBE”. De verpakking van de eiseres vertoont, behalve het woord ”Maggi”, geen andere tekst.

4.4.2 De onder 4.4.1 beschreven verschillen overtreffen de gelijkenissen, zodat de conclusie luidt dat tussen de door gedaagde gebruikte verpakking en de onder 2.2 omschreven verpakking geen overeenstemming, ook niet in hoofdzaak, bestaat.

4.5.1 Vergelijking van de door gedaagde gebruikte verpakking met de onder 2.3 omschreven verpakking levert de volgende gelijkenissen en verschillen op. Beide verpakkingen vertonen een gele ondergrond. Het geel van eiseresses verpakking is echter duidelijk helderder dan dat van de verpakking van de gedaagde. Het woord ”Maggi” is op de verpakking van de eiseres in het geel gedrukt en wel in een rode ballon, die qua grootte opvalt. Op de verpakking van de gedaagde is het woord ”Bongu”ook in het geel gedrukt, maar tegen een, hierboven reeds beschreven, rode rechthoek als achtergrond. Qua grootte van de letters en qua lettertype bestaat er een duidelijk verschil tussen de woorden ”Maggi” en ”Bongu” op de hier bedoelde verpakkingen. Op de verpakking van de eiseres is de kop en het bovenste gedeelte van een kip afgebeeld. De afbeelding vertoont een rode lel en een rode krop en bestaat verder uit de kleuren wit en zwart. De figuur beslaat ongeveer een derde van de verpakking. Op de verpakking van de gedaagde is het silhouet van verschillende kippen afgebeeld. De afbeeldingen zijn geheel in het rood gedrukt en zijn, in vergelijking met de firguur op de verpakking van de eiseres, beduidend kleiner. Tussen de rechthoeken op de verpakking van de gedaagde staat in kleine letters de tekst ”KIP CHICKEN CUBE”. De verpakking van de eiseres vertoont, behalve het woord ”Maggi” geen andere tekst.

4.5.2 De onder 4.5.1 beschreven verschillen overtreffen de gelijkenissen, zodat de conclusie luidt dat tussen de door gedaagde gebruikte verpakking en de onder 2.3 omschreven verpakking geen overeenstemming, ook niet in hoofdzaak, bestaat.

4.6.1. Vergelijking van de door gedaagde gebruikte verpakking met de onder 2.4 omschreven verpakking levert de volgende gelijkenissen en verschillen op. Beide verpakkingen vertonen een gele ondergrond. Het geel van eiseresses verpakking is echter duidelijk helderder dan dat van de verpakking van de gedaagde. Het woord ”Maggi” is op de verpakking van de eiseres in het geel gedrukt en wel in een rode ballon. De ballon is ongeveer 7 cm lang en letters in het woord Maggi zijn beduidend groter dan de letters, waarmee het woord ”Bongu” is gedrukt. Op de verpakking van de gedaagde is het woord ”Bongu” ook in het geel gedrukt, maar tegen een, hierboven reeds beschreven, rode rechthoek als achtergrond. Qua lettertype bestaat er een duidelijk verschil tussen de woorden ”Maggi” en ”Bongu” op de hier bedoelde verpakkingen. Op de verpakking van de eiseres is alleen de rode ballon en het woord ”Maggi” gedrukt, terwijl op de verpakking van de gedaagde de hierboven omschreven rode driehoek, het woord ”Bongu” en de tekst ”KIP CHICKEN CUBE” voorkomen.

4.6.2 De onder 4.6.1 beschreven verschillen overtreffen de gelijkenissen, zodat de conclusie luidt dat tussen de door gedaagde gebruikte verpakking en de onder 2.4 omschreven verpakking geen overeenstemming, ook niet in hoofdzaak, bestaat.

4.7 De conclusie is dat het woord ”Bongu” dan wel de door gedaagde gebruikte verpakking noch geheel of in hoofdzaak overeenstemt met het woord ”Maggi” dan wel met de hierboven onder 2.3 tot en met 2.4 omschreven verpakkingen.

5.1 Eiseres heeft haar vordering nog hierop gebaseerd dat door het gebruik van de onder 2.6 bedoelde verpakking ongegronde verwarring wordt gewekt met haar product, waardoor haar bedrijfsdebiet wordt aangetast, althans kan worden aangetast. Gedaagde maakt zich – aldus eiseres – door het gebruik van bedoelde verpakking schuldig aan oneerlijke mededinging en een onrechtmatige daad jegens haar, eiseres.

5.2 Gelet op hetgeen onder 4.7 is overwogen behoeft eiseres geen verwarringsgevaar te duchten, zodat ook de hier besproken grond niet tot toewijzing van de gevraagde voorziening kan leiden.

6. De conclusie is dat de gevraagde voorziening dient te worden geweigerd. Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

Beslissing
Weigert de gevraagde voorziening.
Veroordeelt de eiseres in de proceskosten aan de zijde van de gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en op donderdag, 13 oktober 2005, in het openbaar uitgesproken door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr. E.S. Ombre, in tegenwoordigheid van de Fungerend-griffier Mr. S. Tika

SRU-K1-2008-2

KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 975295
12 augustus 2008

Vonnis in de zaak van

A.[eiser sub A],wonende te [district]
B. [eiser sub B],wonende te [woonplaats] in Nederland,
C. [eiser sub C],wonende te [woonplaats] in Nederland,
eisers,
hierna te noemen [eiser sub A] e.a.
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

[gedaagde],wonende te [woonplaats] in Nederland,
gedaagde,
hierna te noemen [gedaagde],
gemachtigde: mr. E.R. Kambel, advocaat.

Dit vonnis bouwt voort op de tussenvonnissen gewezen in deze zaak en uitgesproken op respectievelijk 9 mei 2000, 13 februari 2001, 28 november 2006 en 12 juni 2007.

1. Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/-handelingen:
– overlegging van het rapport door de [deskundige];
– de conclusie tot uitlating zijdens [eiser sub A] e.a.;
– de conclusie tot uitlating zijdens [gedaagde].

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1 Bij tussenvonnis gedateerd 12 juni 2007 heeft de kantonrechter onder meer een deskundige benoemd voor de vaststelling van de waarde van de ontbonden gemeenschappen en de nalatenschap van [naam]. Ter bevordering van het voorgaande heeft de deskundige een taxatierapport opgemaakt.

Bij het uitvoeren van de opdracht heeft de deskundige gekozen voor 3 benaderingen met name:

1. de waarde van het perceel groot 7000 m² in de periode van verkrijging (maart 1966) te weten € 7.000,=.

2. de waarde van het perceel zonder toegevoegde schoeiing en de bestaande infrastructuur en nutsvoorzieningen anno 2007 te weten € 87.500,=.

3. de waarde van het perceel met toegevoegde waarde als ophoging etc. € 280.000,=.

2.2 De kantonrechter zal bij de beoordeling van de waarde van de ontbonden gemeenschap uitgaan van de onder 2.1 punt 2 genoemde waarde van het perceel en wel om de volgende redenen. Zoals reeds in het tussenvonnis gedateerd 28 november 2006 was overwogen is de kantonrechter van oordeel dat op 26 mei 1966 tot de gemeenschap behoorde het perceel zonder ophoging van zand etc. Dit betekent dat de toegevoegde waarde van het perceel niet moet worden meegenomen zodat punt 3 onder 2.1 komt weg te vallen.Ook de waarde van het perceel genoemd in punt 1 onder 2.1 zal komen weg te vallen.De redelijkheid en billijkheid als ook de goede trouw brengen met zich dat aangezien de scheiding en deling van het perceel pas nu, anno 2008 plaatsvindt, met de meest recente waarde van het perceel rekening dient te worden gehouden, zonder zoals reeds eerder is overwogen de daarbij toegevoegde waarde met betrekking tot investeringen gepleegd door [eiser sub A] e.a.

2.3 Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de overige stellingen en weren van partijen geen nadere bespreking behoeven.

2.4 De kantonrechter zal op de tussen partijen gerezen zwarigheden als in het dictum te melden beslissen.

2.5 De proceskosten zullen ten laste komen van de huwelijksgoederengemeenschap.

3. De beslissing

3.1 Beveelt de boedelscheidende notaris een akte van scheiding en deling op te maken met in achtneming dat het perceelland wordt uitgekeerd aan eisers of een hunner tegen uitbetaling van de overbedeling aan gedaagde, uitgaande van de waarde van € 87.500,= voor het perceel.

3.2 Bepaalt dat de proceskosten zullen worden verhaald op de huwelijks-goederengemeenschap.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken te Paramaribo, ter openbare terechtzitting van dinsdag 12 augustus 2008, door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. J.M. Dipokromo-Foort.

w.g. J.M. Foort w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2006-4

A.R. No. 061219
2 juni 2006

[eiser], wonende en kantoorhoudende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. D.F. Chocolaad, advocaat,
eiser in kort geding,

tegen

DE DEVIEZENCOMMISSIE, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Havenlaan (complex Nieuwe Haven), voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F. Kruisland, advocaat,
gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uitgesproken;

1. De loop van het geding

Bij een op 17 maart 2006 ter Griffie van het Kantongerecht ingediend verzoekschrift heeft eiser, onder overlegging van bijbehorende producties, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

Primair:
te gelasten dat de dwangsommen zoals opgelegd bij vonnis dd. 20 december 2005 in de zaak bekend onder A.R. no. 05/3587 niet of niet verder worden ten uitvoer gelegd, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van SRD. 50.000 (VIJFTIG DUIZEND SURINAAMSE DOLLARS), voor ieder dag of keer dat de gedaagde weigert, nalaat of in gebreke blijft aan het ten deze te wijzen vonnis te voldoen.

Subsidiar:
De aangevangen excecutie van het vonnis dd. 20 december 2005 in de zaak bekend onder A.R. 05/3587 zal worden geschorst althans opgeschort totdat in hoger beroep uiteindelijk en definitief zal zijn beslist, zulks op straffe van een onmiddellijke opeisbare dwangsom van SRD 50.000,– (VIJFTIG DUIZEND SURINAAMSE DOLLARS) voor ieder dag of keer dat de gedaagde weigert, nalaat of ingebreke blijft aan het ten deze te wijzen vonnis te voldoen.

Voorts gedaagde zal worden veroordeeld in de gedingkosten.

Op de eerstdienende dag heeft advocaat mr. F. Kruisland zich als gemachtigde van de gedaagde aan deze zaak gesteld.

Vervolgens zijn de navolgende conclusies genomen:

– een schriftelijke conclusie van antwoord, met bijbehorende producties, waarbij is geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de eiser, althans weigering van de gevraagde voorzieningen als ongegrond;
– een schriftelijke conclusie van repliek en uitlating producties, met bijbehorende producties;
– een schriftelijke conclusie van dupliek;

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is vervolgens bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 In dit kort geding kan van het navolgende worden uitgegaan:

– Eiser bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken op 20 december 2005 in de zaak bekend onder A.R. no. 05/3587, na daartoe ingediend verzoekschrift door gedaagde, is bevolen om op een in het oog springende plaats van het dagblad “de Ware Tijd”, in de eerstkomende editie na deze uitspraak de volgende verklaring te plaatsen t.w. “Ik [eiser], verklaar bij deze dat de aantijging, althans uitspraak gedaan in de editie van het dagblad de West van zaterdag 27 augustus 2005 in het artikel “Donkere Wolken pakken zich samen boven Suriname” als zou de Deviezen Commissie slechts personen, die bereid zijn onder en boven tafel zaken te doen voor vergunningen voor de export van goud, in aanmerking hebben doen komen en voor vergunningen tot de export van goud, niet op waarheid berust en een inbreuk vormt op haar eer en goede naam en maatschappelijke reputatie en voorts zeer grievend voor de Deviezen Commissie is”.;
– Voormeld vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard op de minuut en op alle dagen en uren. Tevens is aan voormelde veroordeling gekoppeld een dwangsom, te betalen door eiser ad SRD 5.000,–, het bedrag van SRD 100.000,–, niet te bovengaand, voor elke dat dat hij, eiser – alstoen gedaagde – nalaat of ingebreke blijft aan voormeld bevel gevolg te geven.
– Eiser heeft het rechtsmiddel van hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis d.d. 20 december 2005;

2.2. Eiser stelt ten eerste dat hij terstond na deze uitspraak van de Kantonrechter in het Eerste Kanton bij schrijven d.d. 20 december 2005 de verklaring zoals daarin vervat heeft aangeboden aan het dagblad “de Ware Tijd” teneinde aldus te voldoen aan ‘s rechters bevel zoals luidende in het dictum van voormeld vonnis. Evenwel ontving hij op 22 december 2005 een schrijven van dezelfde datum afkomstig van de Hoofdredacteur van het dagblad de Ware Tijd waarbij aan hem het navolgende werd bericht: (citaat) “Hiermede deel ik U mede dat dezerzijds na ampele overweging is besloten de door u aangeboden advertentie inzake rectificatie van een in uw dagblad verschenen artikel voor plaatsing in de Ware Tijd te weigeren. Dit betekent dat de aangeboden announce niet in de Ware Tijd wordt opgenomen. De door U betaalde kosten voor plaatsing en de advertentie zelf worden hierbij geretourneerd”. (einde citaat).

Ten tweede stelt eiser dat gedaagde inmiddels bij exploit van deurwaarder R. Bhoelan d.d. 16 maart 2006 onder no. 54 het vonnis aan hem heeft doen betekenen, waarmede zij een aanvang heeft doen maken met de excecutie van gemeld vonnis, zulks ondanks het door eiser ingesteld hoger beroep en ondanks het feit dat gedaagde redelijkerwijs dient te weten dat er zich in casu een situatie voordoet als bedoeld in artikel 492 lid 3 juncto artikel 491 lid 1 van het Surinaame Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Ten derde voert eiser aan dat gedaagde in strijd met het recht bij voormeld exploit tevens aan eiser het bevel heeft gedaan om de maximaal toegestane dwangsom ad SRD. 100.000,– (EENHONDERDDUIZEND SURINAAMSE DOLLARS) aan gedaagde te betalen, zulks ondanks het feit dat gedaagde weet, althans behoort te weten dat dwangsommen niet beginnen te lopen en ook niet kunnen worden verbeurd alvorens het vonnis is betekend (vide H.R 27 april 1979, NJ 1980, 169). Ten vierde voert eiser aan dat hij niet in staat is aan de tegen hem uitgesproken veroordeling te voldoen en hij ex artikel 492 lid 3 jo artikel 491 lid 1 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd is op grond daarvan in kort geding te vorderen dat de dwangsommen niet of niet verder worde ten uitvoer gelegd.

2.2 Gedaagde doet ten verwere het navolgende aanvoeren:

a). eiser is in zijn vordering niet ontvankelijk aangezien van tenuitvoerlegging van het vonnis van de Kantonrechter in het Eeerste Kanton d.d. 20 december 2005, voor wat de daarin opgelegde dwangsommen betreft, geen sprake is;

b). vaststaat tussen partijen dat eiser niet heeft voldaan aan de op hem rustende verbintenis, zoals neergelegd in het tussen partijen gewezen vonnis d.d. 20 mei (lees: december) 2005;

c). de weigering van de hoofdredacteur van het dagblad “De Ware Tijd” om de onderhavige verklaring van eiser als advertentie op te nemen levert geen beroep op overmacht in de zin van artikel 1266 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek op aangezien eiser terzake daarvan kontakt diende op te nemen met de uitgever en bij weigering door hem de Uitgever of Hoofdredacteur van voormeld dagblad in rechte diende aan te spreken;

d). artikel 611a lid 3 van het Nederlands Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geeft uitdrukkelijk aan dat de dwangsom niet wordt verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld, terwijl een dergelijke bepaling in het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet voorkomt; het beroep van eiser daarop is derhalve totaal ongegrond;

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Van het spoedeisend belang van eiser blijkt uit de stellingen van het inleidend rekest.

3.2. Met betrekking tot de vordering van eiser komt de Kantonrechter tot de slotsom dat drie vragen partijen in casu verdeeld houden. De eerste vraag betreft de vraag of slechts een reeds aangevangen executie van een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis kan worden gestaakt of dat ook de dreiging van executie van een vonnis aanleiding kan geven tot het instellen van een vordering tot staking van de executie. De tweede vraag die partijen verdeeld houdt betreft de vraag wat de konsekwenties zijn van de weigering van de Hoofdredacteur van het dagblad “De Ware Tijd” om voormelde advertentie in zijn medium te publiceren. De derde vraag waaromtrent partijen van mening verschillen betreft de vraag wanneer de dwangsom verbeurd is.

3.3. De eerste vraag beantwoordend komt de Kantonrechter tot de slotsom dat blijkens rechtsliteratuur niet alleen een reeds aangevangen executie van een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis kan worden gestaakt doch daarvoor eveneens in aanmerking komt de dreiging van executie van een dergelijk vonnis (zie o.a. HR 11-2-66, NJ 1966, 405). Voormelde dreiging komt de Kantonrechter in casu vrij reëel voor als in aanmerking genomen wordt dat het onderhavig vonnis reeds aan eiser is betekend bij exploit d.d. 16 maart 2006 en aan hem bevel is gedaan van betaling van – vermeend – verbeurde dwangsommen. Op grond van het voorgaande is de eiser ontvankelijk in de ingestelde vordering.

3.4. De tweede vraag beantwoordend komt de Kantonrechter tot de slotsom dat de konsekwentie van de weigering van de Hoofdredacteur van het dagblad “De Ware Tijd” oplevert onmacht om aan de veroordeling zoals neergelegd in het onderhavig vonnis te voldoen. Aan het voorgaande doet niet af het verweer van gedaagde hierop neerkomend dat eiser dan de uitgever van het dagblad “De Ware Tijd” diende te adiëren casu quo voormelde functionarissen in rechte diende aan te spreken teneinde voormelde publicatie gerealiseerd te krijgen, aangezien de Kantonrechter van oordeel is dat dat van de eiser in casu in redelijkheid niet kan worden gevergd. Naar het oordeel van de Kantonrechter is gesteld en in dit geding voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser heeft getracht uitvoering te geven aan het onderhavig vonnis doch daartoe niet in staat is gebleken vanwege factoren waar hij geen invloed op kan uitoefenen. Immers spreekt de inhoud van het schrijven afkomstig van de hoofdredacteur van het dagblad De Ware Tijd d.d. 22 december 2005 voor zich en nu gesteld noch gebleken is dat de uitgever casu quo een ander leidinggevende functionaris van voormeld medium zich van de inhoud daarvan gedistantieerd heeft, zal het er in dit geding voor worden gehouden dat het dagblad De Ware Tijd achter de inhoud van dat schrijven staat. Het voorgaande levert derhalve naar het oordeel van de Kantonrechter – zoals reeds hiervoor aangegeven – op de kwalificatie “onmacht om aan de veroordeling te voldoen”, hetgeen staking van de executie van de dwangsom rechtvaardigt (Amsterdam, 28-6-66, N.J. 1967, 299).

3.5. De derde vraag die partijen verdeeld houdt is van een ander omvang en strekking. Vooreerst dient naar het oordeel van de Kantonrechter de vraag beantwoord te worden of er in casu űberhaupt dwansommen verbeurd zijn. Pas dan komt de vraag aan de orde vanaf wanneer die dwangsommen verbeurd zijn. Nu de Kantonrechter zoals hiervoor aangegeven heeft aangenomen de kwalificatie “onmacht om aan de veroordeling te voldoen”, is het luce clarius dat in casu van verschuldigdheid van dwangsommen geen sprake kan zijn. Het antwoord op voormelde vraag is derhalve irrelevant voor de beslechting van dit geschil en de Kantonrechter zal derhalve aan dat onderdeel van het debat tussen partijen – als irrelevant – dan ook voorbijgaan.

3.6. Gelet op al het voorgaande zal de Kantonrechter het primair gevorderde als na te melden toewijzen, evenwel onder mitigering van de medegevorderde dwangsom tot SRD.20.000,– (TWINTIG DUIZEND SURINAAMSE DOLLARS) per dag of per keer, gemaximeerd tot SRD. 200.000,– (TWEEHONDERDDUIZEND SURINAAMSE DOLLARS), achtende de Kantonrechter daartoe termen aanwezig.

3.7. Gedaagde zal – als de in het ongelijk gestelde partij – worden veroordeeld om de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en zoals in het dictum te begroten, voor haar rekening te nemen.

3.8. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de Kantonrechter, als niet langer relevant, achterwege laten. Evenwel moet het de Kantonrechter wel van het hart dat hij niet aan de indruk ontkomt dat het in casu – op zijn zachtst gezegd – koren op de molen van eiser is dat het dagblad De Ware Tijd elke vorm van medewerking aan de uitvoering van het onderhavig vonnis d.d. 20 december 2005 weigert.

4. De beslissing

De Kantonrechter:

A. Gelast dat de dwangsommen zoals opgelegd bij vonnis d.d. 20 december 2005 in de zaak betekend onder A.R. no. 05/3587 niet worden ten uitvoer gelegd, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van SRD. 20.000,– (TWINTIGDUIZEND SURINAAMSE SOLLARS), voor ieder dag of keer dat de gedaagde weigert, nalaat of ingebreke blijft aan het bepaalde in dit vonnis te voldoen, gemaximeerd tot het bedrag van SRD 200.000,– (TWEEHONDER-DUIZEND SURINAAMSE DOLLARS);

B. Verklaart dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad;

C. Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 130,– (EENHONDERD EN DERTG SURINAAMSE DOLLARS);

D. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Charan, Plaatsvervangend-Kantonrechter in het Eerste Kanton en op de terechtzitting van vrijdag 02 juni 2006 in het openbaar uitgesproken te Paramaribo, door mr. J.R.. Von Niesewand, Kantonrechter in het Eerste Kanton, in tegenwoordigheid van de Griffier.

SRU-K1-2010-4

A.R. 10-0956
In naam van de Republiek

Kantongerecht in het Eerste Kanton
15 juli 2010

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiser sub A], wonende te [district],
B. [eiseres sub B], wonende te [district],
eisers in kort geding,
gemachtigde: Marnix Hugo Visser, kantoorhoudende aan de Wagenwegstraat no. 24 te Paramaribo, blijkens een onderhandse volmacht d.d. 3 maart 2010.

tegen

Stichting Dimax, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. J.P.F. Ferdinand, advocaat.

De kantonrechter in het eerste kanton heeft in naam van de Republiek het navolgende vonnis in kort geding uitgesproken.

1.Het verloop van het geding
1.1 Hiervan blijkt uit de volgende processtukken/handelingen:
– het verzoekschrift dat op 4 maart 2010 met producties is ingediend ter griffie;
– de conclusie van antwoord;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek met producties;
– de conclusie tot uitlating zijdens eisers;
– de conclusie tot uitlating zijdens gedaagde;
– de conclusie tot uitlating zijdens eisers.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eisers hebben een aan hen toebehorend onroerend goed hypothecair verbonden voor een door eiser sub A van gedaagde geleend geldsbedrag van € 60.000,–.

2.2 Bij exploot van de deurwaarder D.F. Hew A Kee d.d. 27 januari 2010 [nummer] heeft gedaagde eisers aangemaand te voldoen de som van € 40.000,– vermeerderd met de rente van 3 ½ % per maand vanaf (een niet genoemde datum) en geen betaling bekomende hen heeft aangezegd dat de openbare verkoop van het verbonden onroerend goed zal plaatsvinden op donderdag 18 maart 2010 om 10.00 uur te kantore van de alhier residerende notaris mr. C.A. Calor.

2.3 Na betaling door eisers van de kosten is de veiling stopgezet.

3. Het gevorderde en de grondslag daarvan

3.1 Eisers vorderen:

  • stopzetting van de veiling d.d. 18 maart 2010;
  • een verbod aan gedaagde om opnieuw tot de veiling van het onroerend goed over te gaan tot in de bodemprocedure zal zijn beslist;
  • veroordeling van gedaagde tot betaling van de kosten die betrekking hebben op de stopzetting van de veiling.

3.2 Mede is gevorderd dat het vonnis bij voorraad uitvoerbaar wordt verklaard en dat gedaagde in de kosten van de procedure wordt veroordeeld.

3.3 Eisers hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de voorgenomen veiling op 18 maart onrechtmatig is omdat:

  • niet de grosse van de hypotheekakte doch een computer-uitdraai van de concept hypotheekakte aan hen is betekend;
  • in strijd met het plaatselijk gebruik gedaagde in gebreke is gebleven een saldo-opgave aan eisers te betekenen;
  • in het exploot wordt verwezen naar een akte van notaris C.A. Calor terwijl de akte is gepasseerd ten overstaan van notaris E.M. Emanuels.
  • de overeengekomen en in rekening gebrachte rente ad 3 ½ % per maand in strijd is met de goede zeden en dus nietig is.

3.4 Op het verweer van gedaagde en op hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunten nog hebben aangevoerd zal, indien nodig, in het hierna volgende worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Eisers hebben het spoedeisend belang van hun vordering aannemelijk gemaakt.

4.2 Aangezien de veiling geen voortgang heeft gehad op 18 maart 2010 hebben eisers geen belang meer bij onderdeel A van hun vordering.

4.3 In verband met de onderdelen B en C van de vordering is de kantonrechter gehouden, ondanks de stopzetting van de veiling, de grondslagen der vordering te onderzoeken. Gedaagde heeft niet betwist dat niet – zoals de wet zulks voorschrijft – een afschrift der grosse doch slechts een computer-uitdraai van de hypotheekakte aan eisers is betekend. Voorts blijkt niet dat gedaagde aan het plaatselijk gebruik heeft voldaan door aan eisers een nauwkeurige saldo-opgave van de schuld te betekenen. OP grond van het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat de veiling d.d. 18 maart 2010 onrechtmatig zou zijn geweest als het was doorgegaan.Zulks houdt evenwel niet in dat gedaagde verboden kan worden in voorkomende gevallen op basis van de grosse van hypotheekakte over te gaan tot de openbare veiling omdat deze akte hem het recht van parate executie verschaft. Uiteraard zal gedaagde daarbij zorg moeten dragen voor de nakoming van alle formaliteiten die bij een executie in acht behoren te worden genomen.

4.4 Met betrekking tot de andere aangevoerde gronden waarop eisers hun vordering baseren merkt de kantonrechter op dat mr. Emanuels de akte als plaatsvervanger van notaris mr. Calor heeft gepasseerd. Op grond hiervan berust de minuut der akte bij notaris Calor, zodat het feit dat slechts zijn naam in het exploot is genoemd niet een dusdanig ernstige fout oplevert dat daardoor het exploot nietig verklaard moet worden.De kantonrechter is het wel met eisers eens dat de bedongen rente van 3 ½ % per maand onacceptabel is en dat bij de afwikkeling van de lening gedaagde een gemitigeerde rente aan eiser sub A in rekening zal dienen te brengen.

4.5 Op grond van het sub 4.3 overwogene is de kantonrechter van oordeel dat de kosten die eisers hebben moeten maken ter stopzetting van de veiling voor rekening van gedaagde komen. Blijkens de overgelegde kwitantie van het notariaat Calor bedragen deze kosten € 459,–.

4.6 Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

5. De beslissing in kort geding

5.1 Verklaart eisers niet ontvankelijk in onderdeel A van hun vordering.

5.2 Weigert het sub B gevorderde.

5.3 Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen de som van € 459,– (vierhonderdnegenenvijftig Euro).

5.4 Verklaart het vonnis voor wat betreft onderdeel 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Verwijst gedaagde in de kosten van deze procedure aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 197,– (honderdzevenennegentig Surinaamse Dollar).

5.6 Weigert het meer of anders gevorderde.

Aldus in kort geding gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton mr. R.G. Rodrigues, en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 15 juli 2010, door mr. S.M.M. Chu, kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, in tegenwoordigheid van de substituut-griffier, mr. S. Tika.

w.g. mr. S. Tika w.g. mr. R.G. Rodrigues
mr. S.M.M. Chu

SRU-K1-2005-3

KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. 042821

25 mei 2005

M.M

BESCHIKKING inzake:

[verzoekster]
wonende in Nederland,
voor wie als gemachtigde optreedt mr. I.S. Asarfi- Lalji, advocaat, verzoekster,

tegen

[verweerder] wonende in Nederland,
voor wie als gemachtigde optreedt mr. M. Vos, advocaat, verweerder,

1 Het verloop van de procedure

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:

– het verzoekschrift dat verzoekster op 9 juli 2004 op de Griffie der Kantongerechten heeft ingediend met producties;
– de raadkamerzitting;
– het proces-verbaal van de voortzetting van de raadkamerzitting;

1.2 De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1 Bij beschikking d.d. 10 juli 2001 A.R. 992578 van de kantonrechter in het Eerste Kanton is verzoekster tot voogdes en verweerder tot toeziende voogd benoemd over het uit hun huwelijk geboren, thans nog minderjarig kind, [naam 1];

2.2 Uit de overgelegde uittreksels uit de gemeente administratie van de [gemeente] blijkt dat verzoekster en de genoemde minderjarige in Nederland staan ingeschreven op het [adres] te [woonplaats].

3 Het verzoek, de grondslag daarvan en het verweer.

Verzoekster verzoekt:

3.1 dat zij wordt ontslagen uit de voogdij en dat [naam 2] tot voogd wordt benoemd over het genoemde minderjarig kind;

3.2 dat verweerder wordt ontslagen uit de toeziende voogdij over eerder genoemde minderjarige;

3.3 Op het verweer van verweerder zal voor zover nodig later worden teruggekomen’.

4 De beoordeling

Verweerder weerspreekt gemotiveerd dat verzoekster in Suriname woont en stelt dat de bevoegdheid van de kantonrechter bepaald wordt door de verblijfplaats van de genoemde minderjarige.

Verzoekster heeft onvoldoende gesteld over de aard van haar verblijf in Nederland, doch uit de door verweerder overgelegde uittreksels uit de gemeente administratie van de [gemeente], blijkt dat verzoekster en haar minderjarig kind in genoemde gemeente staan ingeschreven. De kantonrechter is van oordeel dat hieruit krachtens artikel 69 van het Burgerlijk Wetboek, het voornemen van verzoekster om haar hoofdverblijf aldaar te vestigen, geconcludeerd kan worden. Dit impliceert dat er in deze sprake is van verandering van woonplaats van verzoekster en de genoemde minderjarige. De kantonrechter zal zich derhalve onbevoegd verklaren om van het verzoek kennis te nemen.

5 De beslissing

5.1 Verklaart Ons onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen.

Aldus gegeven en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo op woensdag 25 mei 2005, door de kantonrechter in het Eerste Kanton mr J. Von Niesewand in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, J.Ngadimin-Salamin.

SRU-K1-2014-2

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 124377
9 januari 2014

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiser],
wonende in het [district 1],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. T.S. Sewdien, advocaat,

tegen

A. De Staat Suriname met name het Ministerie van Binnenlandse Zaken, vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,

B. Het Centraal Bureau voor Burgerzaken,
beiden gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagden in kort geding,
gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat.

1. De procesgang

1.1 Deze blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift met bij behorende producties dat op 6 november 2012 ter griffie van het kantongerecht is ingediend;
– de conclusie van antwoord;
– de conclusie van repliek;
– de mondelinge conclusie van dupliek;
– de op 25 april 2013 gegeven rolbeschikking;
– het proces-verbaal van de op 14 mei 2013 gehouden comparitie van partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Bij beschikking dd. 25 april 2012 bekend onder AR no. 112554, heeft de kantonrechter in het eerste kanton de openbare verkoop gelast van het onverdeeld aandeel van het hierna te noemen onroerend goed:
“de Westelijke helft in het perceelland, in zijn geheel groot vijf hectaren gelegen in het [district 1] aan de linkeroever van de [rivier] en bekend onder [nummer], welke verkocht gedeelte bekend staat onder [nummer-variant] (hierna het onroerend goed).

2.2 Uit een door eiser overgelegd borderel van het hypotheekkantoor blijkt dat het onroerend goed staat geregistreerd ten name van [naam 1] gehuwd in algemene gemeenschap van goederen met [naam 2].

2.3 Eiser heeft van gedaagde sub B verkregen een stamboom c.q. inlichtingenstaat, waarin vermeld staat dat [naam 1] gehuwd is geweest met [naam 2 – variant], die is geboren op [datum 1] in het [district 1 en overleden op [datum 2] te [district 2].

2.4 In verband met de uitvoering van de beschikking van de kantonrechter d.d. 25 april 2012 bekend onder AR no. 112554, is bij de notaris onduidelijkheid ontstaan over de naam van de echtgenote van [naam 1].

Vanwege voornoemde onduidelijkheid is van belang dat eiser van gedaagden verkrijgt een afschrift van geboorte – en een overlijdensakte van die [naam 2] (de echtgenote van [naam 1]).

2.5 Eiser heeft aan gedaagden het verzoek gedaan tot afgifte van een afschrift van geboorte – en een overlijdensakte van die die [naam 2], doch weigeren gedaagden het verzochte aan eiser af te geven.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van gedaagden, tot afgifte van een stamboom c.q. inlichtingenstaat, een geboorte- en een overlijdensakte van [naam 2 – variant] danwel [naam 2] geboren op [datum 1] in het [district 1] en overleden op [datum 2te [district 2], onder verbeurte van een dwangsom, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd.

3.2 Eiser stelt dat gedaagden ten onrechte weigeren om de voornoemde documenten aan hem af te geven. Zij, gedaagden, handelen derhalve onrechtmatig jegens hem.

3.3 Gedaagden hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van eiser en het door hem gevorderde.

4.2 Gedaagden hebben aangevoerd dat gedaagde sub B niet in rechte kan worden betrokken omdat die niet als persona standi in judicio kan worden gekwalificeerd.

De kantonrechter is het eens met deze visie van gedaagden. Een instituut danwel instantie kan pas als persona standi in judicio worden gekwalificeerd indien dit uitdrukkelijk bij wet is vastgesteld. Gesteld en evenmin is gebleken dat dit het geval is ten aanzien van gedaagde sub B, zodat eiser niet ontvankelijk zal worden verklaard in de door hem gevraagde voorziening ten aanzien van deze gedaagde.

4.3 Bij gehouden comparitie van partijen heeft gedaagde, in de persoon van [naam 3] verklaard dat gedaagde een beleid hanteert waarbij er geen informatie over personen aan derden worden verstrekt.
De kantonrechter gaat voorbij aan dit verweer van gedaagde, nu gesteld noch gebleken is op grond van welke wettelijke bepaling dit “beleid” van gedaagde steunt. De door eiser gevraagde voorziening ten aanzien van gedaagde sub A is derhalve toewijsbaar als na te melden.

4.5 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten betalen.

5. De beslissing

5.1 Verklaart eiser niet ontvankelijk in haar vordering tegen gedaagde sub B.

5.2 Veroordeelt gedaagde sub A om binnen een maand na betekening van dit vonnis aan eiser af te geven een stamboom c.q. inlichtingenstaat, een geboorte- en een overlijdensakte van [naam 2 – variant] danwel [naam 2] geboren op [datum 1] in het [district 1] en overleden op [datum 2] te [district 2].

5.3 Veroordeelt gedaagde sub A tot betaling van een dwangsom ad SRD1.000,= (duizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen tot een maximum van SRD100.000,= (honderdduizend Surinaamse Dollar).

5.4 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD170,= (honderd en zeventig Surinaamse Dollar).

5.6 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kortgeding, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 9 januari 2014 te Paramaribo, door de kantonrechter-plaatsvervanger,
mr. A.C. Johanns, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2005-2

A.R. No 042531

2 juni 2005

SURINAME OFFICE SUPPLIES N.V., rechtspersoon,
gevestigd aan de F. Derbystraat no 32-34,
te Paramaribo,
gemachtigde:Mr.H.P.Boldewijn, advocaat,

Eiseres in kort geding

tegen

CHM SURINAME N.V., rechtspersoon,
gevestigd aan de Prof. W. Kernkampweg no.50,
te Paramaribo
gemachtigde: Mr. B.A. Halfhide, advocaat,

Gedaage in kort geding,

De Kantonrechter in Eerste Kanton heeft in naam van de Republiek het volgende vonnis uitgesproken.

Procesgang
Overeenkomstig het op 17 juni 2004 ter griffie ingediende verzoekschrift, heeft eiseres gevorded om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op alle dagen en uren:

Primair
De opheffing te gelasten van de bij deurwaardersexploit d.d. 28 april 2004 no 168 gerealiseerde teruggave van de aldaar gemelde motorvoertuigen alsmede gedaagde te veroordelen om binnen 1 maal 24 uur na het van de kantonrechter verzochte vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, de ten rekeste gemelde motorvoertuigen aan eiseres af te staan zulks onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 5.000,= voor iedere dag of keer dat gedaagde handelt in strijd met het van de kantonrechter verzochte vonnis;

Subsidiair
Op te schorten de bij deurwaardersexploit d.d. 28 april 2004 me no. 168 gerealiseerde teruggave van de aldaar gemelde motorvoertuigen tot dat door de bodemrechter definitief zal zijn beslist omtrent de afwikkeling van het gewezen samenwerkingsverband tussen partijen als ten rekeste vermeld alsmede gedaagde te veroordelen om binnen 1 maal 24 uur na het van de kantonrechter verzochte vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, de ten rekeste gemelde motorvoertuigen aan eiseres af te staan zulks onder verbeurte van een dwangsom van SRD.5.000,= voor iedere dag of keer dat gedaagde handelt in strijd met het van de kantonrechter verzochte vonnis; Kosten rechtens.

Op de eerstdienende dag heeft advocaat Mr.B.A. Halfhide zich als gemachtigde van de gedaagde gesteld. Vervolgens zijn de volgende conclusies genomen:

  • een schriftelijke conclusie van antwoord, waarbij is geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de eiseres, althans ontzegging van de vordering;
  • een schriftelijke conclusie van repliek, waaraan gehecht een productie;
  • een schriftelijke conclusie van dupliek.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

Motivering

1. Gelet op haar stellingen heeft eiseres een spoedeisend belang bij hetgeen zij vordert.

2. Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde bescheiden, een en ander voor zover niet, althans niet gemotiveerd, betwist staat, voor zoveel hier van belang, tussen partijen het volgende vast:

2.1 Eiseres heeft op 23 juli 2002 van de gedaagde geleend €10.000 terug te betalen binnen drie maanden na genoemde datum met bijbetaling van een rentevergoeding ad 1,5% per maand. Indien gemeld bedrag niet binnen de gestelde termijn werd voldaan werd eiseres een boete verschuldigd van 3% per maand. Tot zekerheid voor de betaling van het geleende bedrag en al hetgeen eiseres krachtens de overeenkomst verschuldigd mocht zijn of worden heeft, zij, eiseres, aan gedaagde in fiduciaire eigendom overgedragen twee auto’s, te weten een Nissan Vanette, kenteken [nummer 1] BV respectievelijk een Toyota Hilux Surf, kenteken [nummer 2] MP. Vanaf genoemde datum is eiseres de auto’s als bruiklener voor gedaagde als eigenaar gaan houden.

2.2 Bovenvermelde overeenkomst van geldleen met fidicuaire eigendomsoverdracht is neergelegd in een onderhandse akte d.d. 23 juli 2002. Bij het aangaan van de overeenkomst zijn eiseres en de gedaagde vertegenwoordigd door [naam 1], volgens de akte handelende in zijn hoedanigheid van directeur en enig aandeelhouder van de eiseres, respectievelijk [naam 2], volgens de akte handelende in zijn hoedanigheid van directeur en enig aandeelhouder van de gedaagde.

2.3.1 Gedaagde heeft bij verzoekschrift d.d. 25 maart 2004 aan de Kantonrechter in het Eerste Kanton verzocht om de terugname (lees kennelijk: teruggave) van de hierboven onder 2.1 vermelde auto’s te bevelen. Aan haar verzoek heeft gedaagde, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat zij aan eiseres het onder 2.1. vermelde bedrag, onder de aldaar vermelde voorwaarden, had geleend; dat eiseres, ondanks aanmaning, het geleende bedrag niet had terugbetaald en eiseres aan haar, gedaagde, € 15.500, inclusief rente en boeterente tot 22 maart 2004 verschuldigd was; dat zij, gedaagde, vreesde dat eiseres zou trachten de in fiduciaire eigendom overgedragen auto’s, te vervreemden en dat zij, gedaagde, dan ook recht en belang had om ter verhaal van haar vordering deze voertuigen te verkopen en te dien einde de voertuigen terug te nemen.

2.3.2 De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft bij beschikking van 2 april 2004 het verzoek toegestaan en gedaagde heeft uit kracht van die beschikking meergenoemde auto’s door deurwaarder R. Bhoelan op 28 april 2004 doen weghalen bij de eiseres. De deurwaarder heeft de auto’s onder zich genomen en heeft ze aan de gedaagde afgestaan. Een en ander is door de deurwaarder gerelateerd in zijn exploit van 28 april 2004 no. 168.

3. Eiseres heeft gevorderd zoals hierboven onder het hoofd Procesgang is vermeld. Gedaagde heeft tegen de vordering verweer gevoerd.

4.1 Aan haar vordering heeft eiseres, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat het hier gaat om de fidiciaire eigendomsoverdracht van de auto’s en gedaagde conform artikelen 585 Rv e.v. revindicatoir beslag diende te leggen; dat in casu echter toestemming tot teruggave is verleend, hetgeen enkel van toepassing is bij huurkoop ex artikel 714a Rv e.v.; dat nu geen revindicatoir beslag is gelegd, de inbeslagname op onjuiste gronden is geschied en die inbeslagname dient te worden opgeheven.

4.2 Naar gedaagde, zakelijk weergegeven, heeft gesteld zijn de artikelen 585 Rv. e.v. niet geschreven voor zekerheidseigendom; dat zekerheidseigendom een ander karakter heeft dan eigendom waarvoor artikelen 585 Rv e.v. zijn geschreven; dat niet zonder meer geen revindicatoir beslag is gelegd, welk beslag van toepassing is op eigendom conform art. 625 BW; dat (het feit dat) in de praktijk de door gedaagde gevolgde procedure bij huurkoop gevolgd wordt er niet toe doet, aangezien in de wet niet geregeld is op welke wijze het goed dat in fiduciaire eigendom is overgedragen zou moeten worden teruggevorderd; dat een analoge wijze gedaagde niet in de weg staat, daar terugvordering van een in fiduciaire eigendom overgedragen goed geen regeling vindt in de wet.

5. Het is, naar het voorlopig oordeel van de Kantonrechter, niet juist dat in de wet niet geregeld is op welke wijze een goed dat in fiduciaire eigendom is overgedragen moet worden teruggevorderd. Immers, in de artikelen 585 Rv e.v. is geregeld op welke wijze (onder andere) iemand, die als eigenaar recht heeft op de aangifte van de zaak, de beschikking over die zaak kan krijgen. Daarbij komt dat de in fiduciaire eigendom overgedragen zaak in het vermogen van de fuduciaire eigenaar valt en er dus sprake is van eigendom. Die (zekerheids)eigendom wordt weliswaar in verschillende opzichten gerelativeerd, maar er is geen reden om aan te nemen dat de fiduciaire eigenaar niet bevoegd is om, zo daartoe gronden zijn, de aan hem overgedragen zaak in revindicatoir beslag te doen nemen.

6. Nu, gedaagde, naar zij zelf stelt, geen revindicatoir beslag heeft doen leggen en de terugneming van de auto’s als (fiduciaire) eigenaar krachtens het bevel tot terugname (lees:teruggave) niet op de wet berust, bestaat er een anmerkelijk kans dat in een bodemgeschil zal worden beslist dat die auto’s aan de eiseres terug dienen te worden gegeven. Tegenover eiseresses betwisting heeft gedaagde niet aannemelijk gemaakt dat de auto’s meer wrak dan wat anders waren. Vaststaat dat de auto’s door de eiseres bij haar bedrijfsvoering werden ingezet. Zij, eiseres, heeft daarom bij de treuggave van de auto’s een spoedeisend belang. Hieraan doet niet af dat de auto’s bij een monteur in reparatie waren en dat een van de auto’s niet in rijdbare staat was en moest worden weggesleept, omdat, als niet betwist vaststaat, de auto’s “simpelweg” voor een onderhoudsbeurt bij de monteur waren.

6. De conclusie is dat de primair gevraagde voorziening toewijsbaar is. Daarbij wordt het volgende aangetekend. De in het petitum bedoelde “gerealiseerde teruggave” is een feitelijke toestand. Bij een last tot opheffing (lees: beeindiging) daarvan, naast de veroordeling van gedaagde om de auto’s aan eiseres af te geven, heeft eiseres geen belang, omdat door het voldoen aan die veroordeling aan bedoelde feitelijke toestand een einde zal worden gemaakt. De termijn van teruggave zal worden vastgesteld zoals in het dictum is vermeld.

7. Aangezien de vordering reeds op de onder 4.1 vermelde grond kan worden toegewezen, behoeft niet op de overige gronden van de vordering te worden ingegaan.

8. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

Beslissing
Veroordeelt de gedaagde om de hierboven onder 2.1 vermelde auto’s binnen 1 maal 24 uur na de betekening van dit vonnis aan de eiseres af te staan.

Veroordeelt de gedaagde om aan de eiseres ten titel van dwangsom te betalen de som van SRD 5.000 (Vijfduizend Surinaamse dollars) voor iedere dag waarmee zij in gebreke blijft aan voormelde veroordeling te voldoen.

Verklaart dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad.

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van de eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 78,20 (achtenzeventig 20/100 Surinaamse dollar)

Weigert voor het overige de gevraagde voorziening.

Aldus gewezen en op donderdag, 2 juni 2005, in het openbaar uitgesproken door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr. E.S. Ombre, in tegenwoordigheid van de Fungerend-griffier Mr.S.Tika

SRU-K1-2005-1

BETALEND:

A.R. No. 053111

F.H.

13 september 2005

[eiseres], wonende aan [adres 1] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, I.D. Kandhai, advocaat,

eiseres in kort geding,

tegen

[gedaagde 1], wonende aan [adres 2] in [district],

[gedaagde 2], rechtspersoon gevestigd en kantoorhoudende te [district] aan [adres 2] in [district], voor wier beide als gemachtigde optreedt, mr. W.C. Pengel, advocaat,

gedaagden in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Gezien de stukken, waar ondermeer bepaald, afschrift van de door Ons tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis d.d. 2 september 2005;

 

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat hiervoor wordt verwezen naar het tussenvonnis van 2 september 2005;
Overwegende, dat ter voldoening aan laatstvermeld vonnis is op 7 september 2005 een comparitie van partijen gehouden. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt;
Overwegende, dat de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, eiseres op 28 october 1986 door overschrijving ten Hypotheekkantore in [land] in register C deel 1001 onder [nummer 1] van een afschrift der akte verkoop en koop voor notaris B.R. Oostvriesland te Paramaribo verleden, verkreeg: het erfpachtsrecht, vervallende op 4 october 2025 op het perceelland, groot 257 m2, gelegen te [district] aan de [strook] bekend onder wijk H [nummer 2], aangeduid op de kaart van de landmeter S.O. Esajas de dato 2 juni 1981 met de letters ABCD;

Overwegende, dat voorts uit het procesdossier blijkt, dat eiseres aan gedaagde sub a bij akte de dato 23 october 2002, waarvan de inhoud als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd wordt aangemerkt, onder het beding van wederinkoop, heeft verkocht vorenomschreven onroerend goed;

Overwegende, dat, naar tevens uit het procesdossier blijkt, eiseres aan gedaagde sub a bij akte, verleden ten overstaan van de te Paramaribo residerende notaris, Chr. A. Calor, de dato 23 october 2002, onherroepelijk last en volmacht gegeven heeft mede te werken aan de verkoop van vorenomschreven onroerend goed voor en namens haar aan zich zelf of aan derden, met dien verstande dat pas na eenendertig maart 2004 aan derden mag worden overgedragen en wel voor een zodanige prijs als de gevolmachtigde zal raadzaam achten, dat gedaagde sub a als gevolmachtigde van eiseres en in zijn hoednaigheid van bestuurslid van gedaagde sub b bij akte de dato 30 december 2004, verleden ten overstaan van de te [district] residerende notaris Chr.A.Calor, aan gedaagde sub b heeft verkocht vorenomschreven onroerend goed voor de som van SRD. 64.950,= welke akte overgeschreven is op 21 maart 2005 in register C [nummer 3] onder [nummer 4];

Overwegende, dat, nu het in casu betreft erfpachtsrecht, zowel ten aanzien van de overeenkomst van verkoop en koop als ten aanzien van de overdracht daarvan met inachtneming van de Agrarische wet i.c. artikel 13 (in het bijzonder de leden 1 en 2 daarvan) gehandeld had moeten worden;

Overwegende, dat nu dat niet blijkt te zijn geschied, m.a.w. nu genoemde wet niet in acht genomen is c.q. daarmede in strijd gehandeld is, zijn zowel de overeenkomst van verkoop en koop als de overdracht nietig en van onwaarde en ontberen zij mitsdien elk rechtsgevolg;

Overwegende, dat het erfpachtsrecht op vorenomschreven perceelland geacht wordt het vermogen van eiseres niet te hebben verlaten;

Overwegende, dat Wij dan ook beslissen zullen als in het dictum te melden; gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten hebben te dragen;

RECHTSDOENDE IN KORT GEDING

Verbieden gedaagden, zowel ieder afzonderlijk als gezamenlijk, met betrekking tot: “Het erfpachtsrecht, vervallende op 4 october 2025 op het perceelland, groot 257 m2, gelegen te [district] aan [adres 1] bekend onder wijk H [nummer 2], aangeduid op de kaart van de landmeter S.O. Esajas de dato 2 juni 1981 met de letters ABCD, welke beschikkingsdaad danook zonder in achtneming van artikel 13 (in het bijzonder de leden 1 en 2 daarvan) van de Agrarische wet te verrichten c.q. te plegen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,= per keer voor iedere keer dat gedaagden, zowel ieder afzonderlijk als gezamenlijk, in strijd handelen met dit vonnis;

Verklaren dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren;

Verwijzen gedaagden in de proceskosten, aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 75,20 (vijfenzeventig en twintig honderste Surinaamse dollars).

Aldus gewezen en uitgesproken ter Openbare Terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van dinsdag, 13 september 2005, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. J.R. von Niesewand, in tegenwoordigheid van mr. S. Simboedathpanday, Fungerend-Griffier.