SRU-K1-2012-2

A.R. No. 10-4768

11 oktober 2012

A.N.

Vonnis in kort geding inzake:

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

tegen

NAAMLOZE VENNOOTSCHAP CAVIA VASTGOED N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, advocaat.

De kantonrechter in het eerste kanton heeft, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uitgesproken.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis gedateerd 11 augustus 2011.

 

1. Het verder verloop van het geding

De verdere procesgang blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:

– de op 28 februari 2012 gehouden comparitie van partijen en het daartoe opgemaakt procesverbaal;
– de conclusie tot uitlating zijdens gedaagde met producties;
– de conclusie tot uitlating zijdens eiser.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

 

2. De beoordeling

2.1 Het spoedeisend belang is in voldoende mate gebleken uit de aard van de vordering/de stellingen.

2.2 Het geschil in casu komt neer op de vraag welke rechtsbetrekking tussen partijen was op 03 oktober 2010.

Eiser stelt in zijn verklaring op de comparitiezitting dat hij 5 dagen per week moest werken en op de zaterdag op afroep beschikbaar was.

Hij stelt zich tevens op het standpunt, dat het feit dat hij op non actief is gesteld, blijk geeft van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Bovendien is de consultantovereenkomst, in tegenstelling tot de arbeidsovereenkomst nimmer schriftelijk vastgelegd.

2.3 De kantonrechter overweegt dat bij een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten er, niet als bij een arbeidsovereenkomst, sprake is van het verrichten van arbeid en betaling voor de verrichte arbeid.

Bij het verrichten van enkele diensten is er echter geen sprake van een gezagsverhouding. Deze gezagsverhouding bij een arbeidsovereenkomst uit zich onder meer in een ondergeschiktheid van de werknemer ten opzichte van de werkgever en het opvolgen van door de werkgever gegeven opdrachten.

2.4 De kantonrechter oordeelt echter dat bij het bestaan van enig formeel gezag in de vorm van het geven van richtlijnen met betrekking tot de aanwezigheid van eiser en het uitvoeren van de werkzaamheden nog niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een arbeidsverhouding. Evenmin geven het feit dat eiser op non actief is gesteld of het feit dat de overeenkomst niet schriftelijk is vastgelegd in casu daartoe aanleiding.

Uit de stellingen en weren is namelijk gebleken dat na het einde van de proeftijd de betalingen werden verricht na indiening van een factuur, hetgeen in schril contrast staat tot de aard van de arbeidsovereenkomst.

Voorts is niet gesteld of gebleken dat de betalingen gedurende de proeftijd eveneens werden gedaan na te zijn gefactureerd door eiser.

Door eiser is op de facturen tevens omzetbelasting bedongen en is niet weersproken dat vanaf 29 mei 2010 geen loonbetalingen meer zijn verricht en ook geen loonbelasting en AOV is overgedragen.

2.5 Eiser stelt dat de door gedaagde overgelegde facturen niet zijn ondertekend en dientengevolge niet tot het bewijs van gedaagde’s stellingen kunnen bijdragen. Echter stelt hij niet dat deze facturen niet van hem afkomstig zijn. Deze facturen vermelden de huur van een betonmolen en vergoeding voor consultancy werkzaamheden.

De kantonrechter acht daarom voldoende aannemelijk dat de facturen van eiser afkomstig zijn.

2.6 De kantonrechter gaat voorbij aan eisers’stelling dat er geen proeftijd tussen partijen was overeengekomen, daar hij hieromtrent geen eensluidende verklaring aflegt.

2.7 Op grond van al het hiervoor overwogene acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk geworden dat de arbeidsrelatie tussen partijen na de proeftijd is omgezet in een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten, waardoor eiser niet langer aanspraak maakt op de door hem gevorderde voorzieningen.

2.8 Aan de overige stellingen en weren, zal als niet langer terzake doende, worden voorbijgegaan.

2.9 De gevraagde voorziening zal aldus worden geweigerd en de eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van het geding.

 

3. De beslissing

De kantonrechter:

3.1 wijst de vordering af.

3.2 veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis in kortgeding in gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, Kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste kanton en uitgesproken te Paramaribo op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2012 door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier.

w.g. D. Ramdin

w.g. S.S.S. Wijnhard

w.g. A. Charan

SRU-K1-2015-5

KANTONRECHTER IN KORT GEDING

A.R. No. 143020
30 maart 2015

Vonnis in de zaak van

NOREEN HOI-LAI CHEUNG, wonende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. M.D. Lau, advocaat,
eiseres in kort geding,
hierna te noemen: “Cheung”,

tegen

[gedaagde], wonende te [district],
procederend in persoon,
gedaagde in kort geding,
hierna te noemen “[gedaagde]”.

1. Het proces verloop:

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

– het verzoekschrift, met producties, dat op 2 juli 2014 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord, met producties,
– de conclusie van repliek, met producties,
– de conclusie van dupliek met productie,
– de conclusie tot uitlating productie zijdens eiseres,
– de rolbeschikking d.d. 20 november 2014, aangetekend op de kaft van het proces- dossier,
– het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 6 januari 2015,
– de respectieve conclusies tot uitlating na comparitie, zijdens elk der partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bij vervroeging bepaald op heden.

2. De feiten

1.1 [gedaagde] heeft als journalist in [tijdschrift], hierna: “[tijdschrift]”, in de editie van de maand april 2014 op de voorpagina de volgende passage opgenomen:

“Noreen Cheung(NDP). Twijfels over Amnestiewet”.

Voorts heeft hij op pagina 18 van die editie de volgende passages opgenomen: “Noreen Cheung(NDP) twijfelt nog steeds over de amnestiewet”en “het recht moet zijn beloop hebben” en voorts

“Als jonge politica kwam Noreen Cheung(34) vanuit het niets het parlement binnen, met dank aan partijvoorzitter Desi Bouterse”.

Voorts de passages:

“Ik wilde me er gewoon helemaal niet mee bemoeien, het is zo een gevoelig vraagstuk…. en plots vroeg men mij een standpunt in te nemen over die amnestiekwestie. Ik kon het gewoon niet. Nog steeds niet.” en

“na 2015 zit ik misschien niet meer in het parlement lacht ze” “het is de voorzitter die in eerste instantie bepaalt of ik überhaupt kan terugkomen. Het volk van Suriname heeft daarna de laatste stem”.

1.2 In de editie van mei 2014 heeft [gedaagde] een artikel geplaatst met als titel: “onbegrijpelijke boosheid”, waarin hij aangaf achter de inhoud van het eerdere artikel te staan.

1.3 Bij schrijven van 20 mei 2014 heeft Cheung aan [gedaagde] het verzoek gedaan correcties te plegen met betrekking tot het artikel in de editie van april 2014. In dat schrijven wordt onder andere gesteld dat het artikel zeer onzorgvuldig in elkaar is gezet waarbij Cheung opzettelijk in diskrediet is gebracht en waarbij [gedaagde] doet voorkomen alsof Cheung twijfels zou hebben aan de amnestiewet. Hierdoor is een onrechtmatige daad gepleegd jegens Cheung waardoor zij schade lijdt. [gedaagde] is gesommeerd om het artikel te rectificeren en aan Cheung verontschuldigingen aan te bieden.

1.4 Bij schrijven van 21 mei 2014 heeft [gedaagde] in antwoord op het schrijven van Cheung van 20 mei 2014, betwist dat er sprake is van onrechtmatig handelen. Hij stelt dat de zaken die in het interview met Cheung aan de orde zijn gekomen op een juiste wijze zijn weergegeven en dat er geen sprake is van schending van de eer en goede naam. Hij stelt dat er geen redenen zijn voor rectificatie of verontschuldigingen.

3. De vordering en de grondslag daarvan

Cheung vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • [gedaagde] beveelt om in de eerstvolgende editie van [tijdschrift] met dezelfde opmaak als de incriminerende berichten te publiceren bij wege van advertenties en op kosten van [gedaagde] het hierna volgend bericht: “Ik [gedaagde], uitgever van [tijdschrift] maak bekend dat het artikel “Noreen Cheung (NDP) Twijfels over de Amnestiewet”, gedaan in [tijdschrift] van april 2014, jaargang 8 nr. 96, in strijd is met hetgeen er door Cheung verklaard is. De tekst en inhoud van het artikel zijn onnodig lasterlijk en krenkend ten aanzien van mevrouw Cheung. Ik [gedaagde] corrigeer hierbij de voormelde uitingen gedaan onder de kop “Twijfels over de amnestiewet” en hetgeen geschreven onder de kop “onbegrijpelijke boosheid”, dat ik spijt heb van het gebeurde en biedt hiervoor aan mevrouw Noreen Cheung mijn oprechte verontschuldigingen aan”, welk bericht ook dient te worden geplaatst in de [ochtendbladen], alsook online t.w. op de facebook en twitterpagina van [tijdschrift] en de nieuwssites DWT online, DBS online en srherald.com, dit alles met de strekking tot verbetering van de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke en functionele integriteit van Cheung als persoon en parlementariër;
  • [gedaagde] beveelt om zich in de toekomst te onthouden van elke gedraging en handeling welke de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit van Cheung aantast,
  • Beide op straffe van een dwangsom, en voorts
  • [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding.3.2 De grondslag

    Cheung heeft als grondslag voor haar vordering aangevoerd dat het artikel zeer onzorgvuldig inelkaar is gezet waarbij Cheung opzettelijk in diskrediet is gebracht en waarbij [gedaagde] doet voorkomen alsof Cheung twijfels zou hebben aan de amnestiewet. Hierdoor is een onrechtmatige daad gepleegd jegens Cheung waardoor zij schade lijdt.

    4. Het verweer

    [gedaagde] heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

    5. De beoordeling

    5.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen.

    5.2 [gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat er geen sprake is van onzorgvuldigheid. Hij voert aan dat uit het relaas van Cheung, welk relaas op cd is overgelegd en tijdens de comparitie van partijen is besproken, wel blijkt dat er sprake bij Cheung is van twijfel en dat terecht in het artikel is opgenomen dat Cheung nog twijfelt aan de amnestiewet. Hij voert aan dat hij zich op geen enkele wijze schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatig handelen en dat het juist Cheung is die onrechtmatig jegens hem handelt door op facebook valse beschuldigingen aan het adres van [tijdschrift] te uiten.

    5.3 De toets die voortvloeit uit de artikelen 1393 BW en 1397 BW is derhalve die of er sprake is van schending van de eer en goede naam van de verzoeker door de publicatie en of het publiceren als een onrechtmatig handelen moet worden aangemerkt. Artikel 1397 BW bepaalt dat het oogmerk om te beledigen niet wordt aangenomen indien er is gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging.

    5.4 In haar repliek stelt Cheung ook het punt aan de orde met betrekking tot haar introductie als parlementariër. Met name de zinsnede “kwam Cheung vanuit het niets het parlement binnen…”. Ook deze benadering vindt zij beledigend. Immers, zo stelt zij, heeft zij aangegeven dat zij achter de schermen heeft gewerkt en later werd ontdekt. Dat [gedaagde] haar neerzet als iemand die volslagen onbekend was is een regelrechte belediging stelt zij.

    5.5 [gedaagde] heeft op de twee punten – met betrekking tot de twijfels en het onbekend zijn – ook specifiek verweer gevoerd.

    5.6 [gedaagde] voert als voornaamste verweer dat er helemaal geen sprake is van schending van de eer en goede naam van Cheung. Hij voert aan dat in het artikel zaken zijn opgenomen die zij zelf heeft gesteld, het is een verslag van een interview met haar en voorts dat het niet op een manier is opgesteld die schadelijk is voor haar eer en goede naam of maatschappelijke reputatie. Hij voert aan dat zij juist is neergezet als een persoon die haar mening geeft ongeacht wat de mening is van andere personen. Ten aanzien van de twijfel voert hij aan dat zij zelf heeft gezegd “net zoals eerder aangegeven, ik blijf bij mijn standpunt dat ik me niet wil bemoeien hiermee. Het is een heel gevoelig vraagstuk ook, ik kwam er ook zelf niet uit. Ik was ook in de war na mijn vaders dood… Ik weet niet of het goed of slechts is wat ik heb gedaan, het is nog altijd een vraagteken…”. Ten aanzien van het onbekend zijn voert hij aan dat Cheung tijdens het interview het volgende heeft gesteld: “Ik zal zeggen dat ik niemand verteld had, natuurlijk, dat ik actief was binnen de NDP. Natuurlijk komt het als een shock aan. Op het laatste moment toen het bekend werd dat ik wel belangstelling had – omdat het mij ook wel is aangeboden – …de shock was er bij iedereen, ook bij een deel van mijn familie. Bij iedereen. Omdat ik meestal sociaal bewogen was. Bekend om onder meer de JCI. Ook via mijn ex werkgever heb ik een groot bedrijfsnetwerk. Niemand had verwacht natuurlijk dat ik de politiek zou ingaan. ….dan was ik gekandideerd op nummer vier, daar hadden mensen moeite mee, was ik plots lid van de NDP, zelfs mijn vriendenkring ging uit mekaar … ik was eerlijk gezegd zelf verrast om gekandideerd te worden als nummer vier op de lijst in Paramaribo…”.

    5.7 [gedaagde] voert aan de hand van hiervoor genoemde citaten aan dat Cheung zelf heeft aangegeven dat bij haar twijfel bestaat over de amnestie wet en dat zij ook zelf heeft ervaren dat zij vanuit een onbekend zijn in de politiek ineens een prominente plek op de lijst kreeg.

    5.8 Op deze passages heeft Cheung geregeerd doch niet betwist dat zij tijdens het interview de genoemde uitlatingen heeft gedaan. Ook niet in haar conclusie na comparitie.

    5.9 Nu het aannemelijk is geworden dat deze uitlatingen door [gedaagde] zijn verwerkt in het interview is dat deel van het verweer aannemelijk geworden. Getoetst zou moeten worden of sprake is van een zodanige verdraaiing van haar verklaring dat er in het artikel zaken staan die zij niet zou hebben gezegd.

    5.10 De kantonrechter is van oordeel dat uit het eerste citaat inderdaad begrepen kan worden dat zij twijfels heeft over het gebeuren rond de amnestiewet immers stelt zij: “Ik kwam er zelf niet uit” en “het is nog altijd en vraagteken”; voorts is de kantonrechter van oordeel dat Cheung zelf heeft aangegeven dat zij helemaal niet bekend was als politica van de NDP en ineens op de vierde plaats stond, zij stelt immers: “ik zal zeggen dat ik niemand verteld had, dat ik actief was binnen de NDP. Natuurlijk komt het dan als een shock aan.” en “Niemand had verwacht natuurlijk dat ik de politiek zou ingaan……dan was ik gekandideerd op nummer vier, daar hadden mensen moeite mee, was ik plots lid van de NDP, zelfs mijn vriendenkring ging uit mekaar…. ik was eerlijk gezegd zelf verrast om gekandideerd te worden als nummer vier”. Ook ten aanzien van dit citaat is de kantonrechter van oordeel dat, gelijk [gedaagde] aanvoert, het niet onbegrijpelijk is dat begrepen wordt dat Cheung uit het niets op de kandidatenlijst is gekomen.

    5.11 De kantonrechter is van oordeel dat, indien [gedaagde] dat dan ook zo in het artikel opneemt, hem geen onzorgvuldigheid of onrechtmatig handelen kan worden verweten.

    5.12 De kantonrechter is om die reden van oordeel dat het verweer van [gedaagde] aannemelijk is geworden waardoor het gevorderde zal worden afgewezen.

    5.13 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en Cheung, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

    6. De beslissing

    6.1 Wijst het gevorderde af.

    6.2 Veroordeelt Cheung in de kosten van het geding aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

    Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van maandag 30 maart 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

    w.g. A. Sewgobind w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2019-3

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 19-1087
22 maart 2019

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

A. [eiser sub A],
B. [eiser sub B],
C. [eiseres sub C],
D. [eiseres sub D],
E. [eiseres sub E],
F. [eiser sub F],
allen in hun hoedanigheid van advocaat en lid van de Surinaamse Orde van Advocaten (SOvA),
en kandidaat voor de verkiezingen van de Raad van Bestuur SOvA,
domicilie kiezende aan de Frederik Derbystraat 13 – 13A te Paramaribo,
ten kantore van Sewcharan Advocaten,
eisers in conventie en gedaagden in reconventie,
hierna genoemd [eisers],
eiser sub A in conventie en gedaagde sub A in reconventie procederend in persoon;
gemachtigde voor eisers sub B tot en met sub F in conventie en gedaagden in reconventie: mr. B.A.H. Pick, advocaat,

tegen

A. DE SURINAAMSE ORDE VAN ADVOCATEN,
gevestigd en kantoorhoudend aan de Gongrijpstraat 193 te Paramaribo,
gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
hierna genoemd SOvA,
B. [gedaagde sub B],
in zijn hoedanigheid van advocaat, voorzitter van de Verkiezingscommissie ter verkiezing van de leden van de Raad van Bestuur van de SOvA,
kantoorhoudend aan de Watermolenstraat 37 boven te Paramaribo,
gedaagde,
C. [gedaagde sub C],
in haar hoedanigheid van advocaat, lid van de SOvA en kandidaat voor de functie van Deken,
wonende aan de Gongrijpstraat 193 te Paramaribo,
gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
hierna genoemd [gedaagde sub C],
gemachtigden voor SOvA: mr. Ch. Algoe en mr. M.D. Lau-Kersenberg, advocaten;
gedaagde sub B procederend in persoon;
gemachtigde voor [gedaagde sub C]: mr. I.A. Nazir; tevens procederend in persoon.

In conventie en in reconventie
1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat op 20 maart 2019 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend met producties;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 20 maart 2019;
– de mondelinge conclusies van antwoord, repliek en dupliek;
– de aantekeningen van de griffier ter zake het mondeling afpleiten.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie
2.1 [eisers] vorderen – samengevat – dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. gelast dat het besluit van de Verkiezingscommissie ter verkiezing van de leden van de Raad van Bestuur van de SOvA, zoals thans bekend is gemaakt op 18 maart 2019, inhoudende de goedkeuring van de kandidaatstelling van [gedaagde sub C] voor de functie van Deken van de SOvA bij de verkiezingen d.d. zaterdag 23 maart 2019 wordt geschorst of opgeschort totdat over de rechtsgeldigheid daarvan in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist;
II. gedaagden in conventie gelast dit vonnis te gehengen en gedogen;
III. gedaagden in conventie veroordeelt in de proceskosten.

2.2 [eisers] leggen – zakelijk weergegeven – aan hun vordering ten grondslag dat de kandidaatstelling van [gedaagde sub C] en beslissing van de verkiezingscommissie om haar als lid verkiesbaar te doen stellen in strijd is met het Verkiezingsreglement, hierna VR, en daarom niet rechtsgeldig is. Gedaagde sub B in conventie heeft in strijd met het VR en buiten de verkiezingscommissie om, [gedaagde sub C] toegelaten zich naderhand, na de uiterste datum van 08 maart 2019 als kandidaat voor de functie van Deken verkiesbaar te stellen.

In reconventie
2.3 SOvA vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
– [eiser sub A] gelast geldige documenten over te leggen afgegeven door de Ambassade van Nederland te Paramaribo waaruit blijkt dat hij afstand heeft gedaan van het Nederlanderschap onder verbeurte van een dwangsom van € 5000, – per dag;
– toestemming aan SOvA verleent om de SOvA verkiezing van 23 maart 2019 uit te stellen dan wel op te schorten totdat de bodemrechter heeft beslist over de grieven van eisers in kort geding;
– gedaagden in reconventie veroordeelt om het vonnis te gehengen en gedogen.

2.4 SOvA legt – zakelijk weergegeven – aan haar vordering ten grondslag dat [eiser sub A] op een presentielijst van december 2011 een ID-nummer heeft vermeld wat een registratienummer van een Nederlands rijbewijs is. Dit wijst volgens SOvA erop dat [eiser sub A] Nederlander is. Voorts voert SOvA aan dat nu reeds drie zaken bij de kort geding rechter zijn aangebracht en de organisatie niet in staat is om de gerezen problemen binnenshuis op te lossen, waardoor de gang naar de bodemrechter nodig is.

2.5 [gedaagde sub C] vordert bij eiswijziging, de kantonrechter begrijpt – samengevat – dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eisers]:
– verbiedt om haar negatief te bespreken of in de media of op lezingen en vergaderingen naar haar te verwijzen;
– veroordeelt om een schriftelijke verontschuldiging aan haar te doen toekomen voor het valselijk beschuldigen van haar, [gedaagde sub C], onder verbeurte van een dwangsom van € 100.000, – per dag.

2.6 [gedaagde sub C] legt aan haar vordering ten grondslag, de kantonrechter begrijpt – zakelijk weergegeven – dat eiseres zich beledigd voelt, omdat [eisers] haar in de onderhavige zaak niet hebben geduid zoals gebruikelijk in haar hoedanigheid van professional. Die duiding had “Mr. [gedaagde sub C]” moeten zijn en zij voelt zich hierdoor als vrouw gediscrimineerd. Ook verwijt zij [eisers] dat zij zich in het geding bedienen van roddelberichten.

2.7 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling
In conventie
3.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van de vordering zelf. Om die reden zal eiser worden ontvangen in het kort geding.

3.2 De standpunten van partijen in conventie en in reconventie lenen zich naar het oordeel van de rechter voor gezamenlijke bespreking vanwege de verwevenheid.

3.3 SOvA en gedaagde sub B in conventie hebben naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op 13 maart 2019 over de kandidaatstelling van [gedaagde sub C] is beslist en of dit de kandidaatstelling voor functie van Raadslid of Deken is geweest. De kantonrechter neemt in overweging dat juist in het geval van [gedaagde sub C] het voor de hand heeft gelegen dat SOvA en de verkiezingscommissie het van belang zouden achten dat zij een duidelijk standpunt innamen over de kandidaatstelling van [gedaagde sub C], zij het als Raadslid of als Deken. Reden hiervoor is dat de echtgenoot van [gedaagde sub C] ook gekandideerd is voor de functie van Deken. Artikel 39 lid 9 Advocatenwet, waarborgt dat onder anderen echtgenoten niet samen in het Tuchtcollege zitting hebben. Hoewel deze bepaling niet mede geldt voor de RvB van de SOvA, zou juist deze, overigens niet overbodige, afweging antwoord hebben kunnen geven op de vraag of in het geval van [gedaagde sub C] sprake is geweest van een kandidaatstelling in eerste en in tweede instantie, zoals [eisers] hebben gesteld, en waarom zulks is gebeurd. De kantonrechter acht het van belang hierbij op te merken dat elke advocaat in zijn of haar optreden mede betrokken is bij het openbaar belang. Van de aan de advocaat toegekende positie zal hij of zij op de juiste wijze gebruik dienen te maken, in het bijzonder omdat die een maatschappelijke opdracht vertegenwoordigt.

Bij de hiervoor overwogen omstandigheden kan niet beoordeeld worden of op basis van de feiten en omstandigheden en zonder nadere bewijslevering de vorderingen die bij wijze van voorziening zijn verzocht in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing in kort geding gerechtvaardigd is. De conclusie is dat de onderhavige zaak in ieder geval ongeschikt is nu in kort geding de noodzakelijke feitelijke opheldering niet kan worden verkregen. Met andere woorden: voor nader feitelijk onderzoek is in het kort geding geen plaats. Het gevorderde moet om die reden worden afgewezen.

3.4 [eisers] zullen in conventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

In reconventie
3.5 De kantonrechter overweegt dat de grondslag van de vordering van de SOvA ontoereikend en onvoldoende is gesteld. Een enkele presentielijst die ruim zeven jaar geleden (december 2011) door een derde is ingevuld, is als grondslag voor het gevorderde ondeugdelijk.
De vordering zal worden afgewezen.

3.6 [eisers] hebben als verweer gevoerd dat zij [gedaagde sub C] in het verzoekschrift hebben geduid volgens de regels voor vermelding van namen van procespartijen. Daarbij hebben zij ter zitting aan [gedaagde sub C] verontschuldigingen aangeboden voor mogelijk ongerief dat die duiding bij haar heeft veroorzaakt. De kantonrechter oordeelt dat [eisers] zich er terecht op beroepen dat zij op grond van de regels van het procesrecht partijen in het verzoekschrift hebben geduid. De kantonrechter overweegt ook dat de rechter volgens de wettelijke regelingen moet recht­spreken en in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid daarvan mag beoordelen. Verder heeft [gedaagde sub C] geen feiten en omstandigheden gesteld, specifiek van vergaderingen en lezingen bij welke gelegenheden [eisers] haar negatief zouden hebben besproken of beledigd. De kantonrechter komt aan een beoordeling dan ook niet toe. Het gevorderde zal als ongegrond, niet onderbouwd worden afgewezen.

3.7 Eisers in reconventie zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
In conventie
4.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

4.2 Veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding, aan de zijde van gedaagden in conventie tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In reconventie
4.3 Weigert de gevraagde voorzieningen.

4.4 Veroordeelt SOvA en [gedaagde sub C] in de kosten van het geding, aan de zijde van [eisers] tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.J.S. Bradley, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op vrijdag 22 maart 2019 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2015-4

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 15-0230
10 februari 2015

Vonnis in kort geding inzake:

[naam 1],
wonende aan [adres 1]
te [district 1]
eiser in conventie tevens gedaagde in reconventie in kort geding,
gemachtigde: mr. A.S.N. Adhin, advocaat,

tegen

A. De naamloze vennootschap “DE SURINAAMSCHE BANK N.V.”
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 26-30 te Paramaribo,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

B. [naam 2],
gevestigd en kantoorhoudende aan [adres 2]
te [district 1],
gemachtigde: mr. A.E. Veldman, advocaat,

gedaagden in kort geding.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

Partijen worden in het hierna volgende (gemakshalve) aangeduid als respectievelijk [naam 1], DSB en [naam 2];

1. Het verloop van de procedure
in conventie en reconventie:

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– Het inleidend verzoekschrift met bijlagen dat ter Griffie der Kantongerechten is ingediend op 19 januari 2015;
– De mondelinge conclusie van eis de dato 21 januari 2015;
– De mondelinge conclusie van antwoord, onder overlegging van producties zijdens [naam 2];
– De schriftelijke conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie zijdens DSB;
– De schriftelijke conclusie van repliek en uitlating producties, onder overlegging van producties zijdens [naam 1] ten aanzien van [naam 2];
– De schriftelijke conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie zijdens [naam 1] ten aanzien van DSB;
– De schriftelijke conclusie van dupliek en uitlating producties zijdens [naam 2],onder overlegging van een productie;
– De schriftelijke conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie onder overlegging van producties zijdens DSB;
– De schriftelijke conclusie tot uitlating met producties zijdens [naam] ten aanzien van [naam 2];
– De schriftelijke conclusie van dupliek in reconventie en uitlating producties zijdens [naam 1] ten aanzien van DSB;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. Waarvan kan worden uitgegaan
In conventie en in reconventie

2.1 Op 08 juli 2014 heeft DSB middels een tweetal afzonderlijk van elkaar gehouden openbare verkopingen ex artikel 1207 BW ten overstaan van [naam 2] aan [naam 1] als koper en als hoogste bieder gegund/toegewezen de respectieve percelen:

a. “het perceelland met daarop staande gebouwen en beplantingen, groot 10 ha. gelegen in [district 2] aan de rechteroever van de [rivier 1] [nummer 1], aangeduid op de kaart van de landmeter ing. G.J. Elizaer d.d. 15 juni 2001, met de letters ABCDEFGHIJKLMN, met inbegrip van het deel aangeduid met de letters BCDKLM dat voor weg bestemd is” voor de koopsom van SRD 285.000,-;

b. “het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 1.000 m2 gelegen in [district 3], aangeduid met [nummer 2], deel uitmakende van [plantage] aan de linkeroever van de [rivier 2] en [kreek]” voor de koopsom van SRD 26.000,-;

2.2 Eén dag na de veiling (dus op 09 juli 2014) heeft [naam 1] – op daartoe gedaan verzoek zijdens DSB en [naam 2] – op de rekening van [naam 2] gestort 10% van de koopsom voor beide percelen neerkomende op het bedrag van SRD 31.100,- (SRD 28.500,- + SRD 2.600,-);

2.3 Op 24 juli 2014 heft [naam 1] ten aanzien van het perceel bedoeld onder b ([perceel sub b]) middels storting van een bedrag ad SRD 31.413,- op de rekening van [naam 2] geheel voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de koopsom;

2.4 Op 22 augustus 2014 heeft [naam 1] ten aanzien van het perceel bedoeld onder a. ([perceel sub a]) middels storting van een bedrag ad SRD 274.784,- op de rekening van [naam 2] geheel voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de koopsom;

2.5 DSB heeft bij exploit d.d. 3 november 2014 [nummer 3] van deurwaarder R. Kappel aan [naam 1] geïnsinueerd en aangezegd dat hij ([naam 1]) na toewijzing van het bod ad SRD 285.000,- op het perceelland welke is omschreven onder 2.1 onder a) (het betreft in deze [perceel sub a]) ingebreke is gebleven en blijft te voldoen aan zijn betalingsverplichting. Bij voormeld exploit is tevens aan [naam 1] de herveiling aangezegd van betreffende perceelland welke in het openbaar zal plaatshebben te [district 1] op [datum] des voormiddags te 10.00 uur door en ten kantore van notaris mr. D. Alexander aan de Prins Hendrikstraat 32;

3. De standpunten van partijen

4. In conventie

4.1 [naam 1] vordert in dit geding – kort samengevat – dat DSB en [naam 2] zullen worden verboden om vorenvermelde herveiling te houden, op straffe van een dwangsom van SRD. 500.000,- per keer dat voormeld verbod overtreden wordt. Tevens vordert hij dat zal worden gelast dat de processen-verbaal van de respectieve veilingen d.d. 08 juli 2014 ten aanzien van beide percelen voornoemd, tezamen met de daartoe bestemde akten, binnen 1 x 24 uur na het te wijzen vonnis, zal worden overgeschreven in de openbare registers ten kantore van het M.I. Gliss, op straffe van een dwangsom va SRD. 500.000,- per dag. Eveneens vordert hij – kort gezegd – restitutie van het door hem onverschuldigd betaalde bedrag ad SRD. 26.198,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover. Tenslotte vordert [naam 1] dat zal worden gelast dat DSB en [naam 2] in de dagbladen “De Ware Tijd” en “Times of Suriname” een advertentie plaatsen inhoudende dat de kennisgeving van de herveiling van [datum] van vorenvermeld perceel onder 2.1 onder a), ten onrechte geplaatst is en dat bij die gelegenheid aan [naam 1] de verontschuldigingen wordt aangeboden voor het daardoor ontstane en verband houdende ongerief;

4.2 Naast voormelde vaststaande feiten legt [naam 1] – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – aan zijn vordering ten grondslag dat een eenvoudig rekensommetje uitwijst dat in casu [naam 1] ten aanzien van beide percelen niet slechts de door hem geboden – en door DSB als zodanig aan hem gegunde – koopsom heeft betaald, doch meer dan dat. Ten aanzien van [perceel sub b] heeft [naam 1] SRD. 7.914,- boven op de koopsom van SRD. 26.000,- betaald terwijl hij ten aanzien van het [perceel sub a] maar liefst SRD. 18.284,- boven op de koopsom van SRD. 285.000,- heeft betaald. [naam 1] heeft echter moeten constateren dat DSB in gebreke blijft de respectieve registergoederen aan hem te leveren middels overschrijving van het proces- verbaal van de veiling in de daartoe bestemde akten in de openbare registers. Laatstelijk is bovendien niet alleen [naam 1] maar ook de totale gemeenschap in kennis gesteld van het voornemen van DSB om weder ten overstaan van [naam 2] de herveiling te doen plaatsvinden. Door het bericht in DWT – alsook in Times van Suriname van maandag 12 januari 2015 – is de naam van [naam 1] in diskrediet gebracht, daar hiermede geheel ten onrechte de indruk is gewekt naar het breder publiek toe (inclusief de cliëntèle van [naam 1]) dat [naam 1] zich zou hebben schuldig gemaakt aan wanbetaling. Het voormeld exploit van 3 november 2014 en het in correlatie daarmede staande krantenbericht van dinsdag 13 januari 2015 stipuleren dat de herveiling zal plaatsvinden vermits [naam 1] als hoogste bieder/koper in gebreke is gebleven en blijft om aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Ingevolge artikel 1207 BW dient de veilingverkoper/de bank uit de opbrengst der openbare verkoping te verhalen: de schuld, renten en kosten. [naam 1] heeft op voormelde veiling voor de respectieve registergoederen aangeboden als koopsom het bedrag ad SRD. 26.000,- voor het [perceel sub b] respectievelijk het bedrag ad SRD. 285.000,- voor het [perceel sub a]. Dit aanbod/deze koopsommen is/zijn door de veilingverkoper/DSB integraal aanvaard en is aan [naam 1] dan ook door DSB medegedeeld dat de beide percelen aan hem zijn gegund/toegewezen. Als gevolg van de gunning/toewijzing door de veilingverkoper/DSB is tussen partijen een koopovereenkomst tot stand gekomen. Zoals hiervoor aangegeven heeft [naam 1] meer dan de door hem aangeboden – en door DSB aanvaarde – koopsom voldaan voor beide percelen en dienen deze aan hem geleverd te worden door DSB. [naam 1] moet echter constateren dat [naam 2] en DSB/veilingverkoper zich op het standpunt stelt dat hij ([naam 1]) boven op de koopsom nog dient te voldoen de kosten van de openbare verkoping en het honorarium van de notaris. Artikel 1207 BW stipuleert echter uitdrukkelijk dat de hypotheekhouder/veilingverkoper/DSB uit de aangeboden/aanvaarde koopsom c.q. veilingopbrengst dient te verhalen zowel de hoofdsom als de renten en de kosten. Het is niet [naam 1] die de executie heeft doen plaatsvinden doch DSB en [nummer 2] vervult in deze een lijdelijke rol en handelt in opdracht van DSB. De executiekosten alsmede het honorarium van de notaris worden derhalve ten onrechte aan [naam 1] in rekening gebracht. Door de aangezegde herveiling alsmede de weigering tot levering van de beide percelen opleverende een onrechtmatig gedrag van DSB en [naam 2] is [naam 1] gerechtigd hiertegen in rechte op te komen;

4.3 DSB en [naam 2] hebben verweer gevoerd op welk veweer de kantonrechter in het hierna volgende – voor zover nodig – terug zal komen;

In reconventie
4.4 DSB vordert in dit geding – kort gezegd – schorsing van de koopovereenkomst de dato 08 juli 2014, althans opschorting daarvan totdat in bodemgeschil de overeenkomst zal zijn ontbonden, althans voor ontbonden zal zijn verklaard. Daarnevens vordert zij eveneens veroordeling van [naam 1] in de kosten van dit geding;

4.5 Naast voormelde vaststaande feiten legt DSB aan haar vordering ten grondslag – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing van belang – dat op voormelde openbare verkoop de dato 08 juli 2014 [naam 1] voormelde percelenland heeft gekocht voor respectievelijk SRD. 26.000,- en SRD. 285.000,-. [naam 1] was gehouden in totaal SRD 330.756,- te voldoen, zijnde de koopsom, vermeerderd met alle bijkomende kosten. Van opgemeld bedrag geeft [naam 1] slechts SRD. 308.698,- voldaan, latende een saldo van SRD. 22.058,-. Ondanks de betalingsverplichting vaststaaat weigert [naam 1] steevast tot betaling over te gaan, ondanks daartoe te zijn aangemaand. Met het niet betalen van alle kosten maakt [naam 1] zich schuldig aan wanprestatie, weshalve DSB gerechtigd is de ontbinding te vorderen van voormelde koopovereenkomst. DSB wenst deze dan ook te ontbinden althans in kort geding te schorsen althans op te schorten;

4.6 [naam 1] heeft verweer gevoerd, op welk verweer de kantonrechter in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – zal terugkomen;

5. De beoordeling van het geschil
In conventie:

5.1 Het spoedeisend belang van [naam 1] bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest alsmede de aard van het gevorderde;

5.2 [naam 2] heeft bij antwoord en niet ontvankelijkheidsverweer gevoerd waarbij hij heeft aangegeven – kort gezegd – dat niet aan hem het recht van parate executie toekomt, maar aan DSB die door de herveiling aan te zeggen van dat recht gebruik maakt. Aldus kan aan hem geen verbod worden opgelegd met betrekking tot de uitoefening van een recht dat hij niet bezit. Daartegenin heeft [naam 1] ingebracht – kort gezegd – dat [naam 2] heel actief participeert bij het innen van vermeende rechten/verworvenheden dan wel kosten voortvloeiende uit voormelde openbare verkopingen, welke openbare verkopingen in opdracht van DSB hebben plaatsgehad. De zo gewraakte herveiling waarvan [naam 1] een verbod vordert, vindt plaats op basis van de gedachtengang van [naam 2] dat door [naam 1] vermeende aan hem verschuldigde kosten nog niet zijn voldaan. [naam 2] is zeer actief geweest bij het innen van zijn declaraties en het bijhouden van hetgeen volgens hem nog openstaand zou zijn. [naam 2] heeft aan [naam 1] per deurwaardersexploit [kenmerk] d.d. 4 september 2014 van deurwaarder L. Tran van Can- Doesburg medegedeeld dat bij het niet voldoen van de kosten het proces van herveiling zal worden ingezet terwijl het de hypotheekhouder zou moeten zijn, die als belanghebbende, een dergelijke handeling zou moeten plegen. Naar het oordeel van de kantonrechter is uit het door [naam 1] geschetste samenstel van feiten en omstandigheden welke eveneens geschraagd worden door onderliggende producties – welker inhoud niet is betwist of van valsheid beticht – voldoende aannemelijk geworden dat [naam 2] in casu geen lijdelijke opstelling heeft gehad. Integendeel heeft hij zich heel actief bemoeid met het innen van de kosten en als stok achter de deur laten doorschemeren in het van hem afkomstig schrijven de dato 03 september 2014 – in niet mis te verstane bewoordingen – dat het proces van herveiling zal worden ingezet terwijl dat een bevoegdheid is dat aan de veilingverkoper toekomt. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [naam 2] in casu een zowat leidende rol heeft (gehad) in het geheel instede van een puur lijdelijke. Gelet op al het voorgaande zal het preliminair verweer van [naam 2] worden verworpen;

5.3 Tussen partijen is in dit geding in confesso dat het [perceel sub b] inmiddels op naam van [naam 1] geregistreerd staat, weshalve in het vervolg van dit geding het vizier merendeels op het perceelland gelegen in [district 2] gericht zal zijn, aangezien [naam 1] dan geen belang meer heeft bij toewijzing van het onderdeel van het gevorderde dat betrekking heeft op het [perceel sub b] voornoemd;

5.4 De centrale vraag die partijen in dit geding verdeeld houdt betreft de vraag of ingevolge het bepaalde in artikel 1207 BW de veilingverkoper de kosten van de veiling inclusief honorarium van de notaris uit de verkoopopbrengst dient te verhalen of deze apart kan vorderen van de veilingkoper. [naam 1] is de mening toegedaan dat die kosten (inclusief honorarium notaris) uit de veilingopbrengst dienen te worden gehaald door de veilingverkoper terwijl DSB en [naam 2] een daaraan tegengestelde opvatting huldigen,te weten dat de veilingkoper die apart dient te voldoen. [naam 1] baseert zijn opvatting op het bepaalde in artikel 1207 BW terwijl DSB en [naam 2] zich beroepen op het bepaalde in artikel 8 leden 1 en 4 van de Algemene Veilingvoorwaarden;

5.5 Naar het oordeel van de kantonrechter omvat het bepaalde in artikel 1207 BW niet mede de kosten van de gehouden veiling en het honorarium van de notaris. De formulering van artikel 1207 BW, te weten de passage “teneinde uit de opbrengst te verhalen zowel de hoofdsom als de renten en de kosten”, omvat naar het oordeel van de kantonrechter niet mede de kosten van de veiling en het honorarium van de notaris. Immers kan de situatie zich voordoen dat de opbrengst van de veiling niet toereikend is om de hoofdsom te voldoen en rijst de vraag waar de veilingverkoper dan die gemaakte kosten moet verhalen. de kantonrechter zal derhalve voorbij gaan aan de zienswijze van [naam 1] dienaangaande. Het standpunt van DSB en [naam 2], ingevolge de Algemene Veilingvoorwaarden, komt de kantonrechter aannemelijk voor. Door ongeconditioneerd te participeren aan de openbare verkoop is [naam 1] – naar dezerzijds voorlopig oordeel – accoord gegaan met de Algemene Veilingvoorwaarden en kan hij zich thans niet te goeder trouw beroepen op onbekendheid daarmede casu quo innerlijke tegenstrijdigheden daarin. Daarenboven is het – zoals [naam 2] terecht heeft aangevoerd– inmiddels (plaatselijk) gebruik dat de veilingkoper die kosten voor zijn/haar rekening neemt en gesteld noch gebleken is waarom in casu daarvan zou moeten worden afgeweken. Tevens is het naar het oordeel van de kantonrechter in casu geen sprake van collisie van rechtsregels, maar eerder sprake van completering van het bepaalde in artikel 1207 BW;

5.6 Al het voorgaande in onderling verband en samenwerking beschouwd leidt tot de slotsom dat [naam 1] gehouden is de veilingkosten en het honorarium van de notaris – naast de koopsom – te voldoen. Evenwel betekent het voorgaande niet dat de koopovereenkomst tussen DSB en [naam 1] niet tot stand is gekomen. Immers is op de veiling geboden, gegund en toegewezen en is de koopsom betaald. Partijen twisten alleen ten aanzien van de vergoeding van de veilingkosten en het honorarium van de notaris. Die componenten maken naar het oordeel van de kantonrechter geen deel uit van de koopsom en is de veilingverkoper derhalve niet bevoegd om rauwelijks tot herveiling over te gaan terwijl de koopovereenkomst tussen partijen nog in stand is. Gelet op het vorogaande zal het gevorderde verbod om tot herveiling over te gaan worden toegewezen;

5.7 Ten aanzien van de mede gevorderde overschrijving van het proces-verbaal van de veiling in de openbare registers oordeelt de kantonrechter dat dat niet kan worden toegewezen, zolang de veilingkosten (inclusief honorarium notaris) niet door [naam 1] zijn voldaan. Derhalve zal dat onderdeel van het gevorderde worden afgewezen;

5.8 Voor wat betreft de mede gevorderde restitutie ten aanzien van het vermeend onverschuldigd betaalde oordeelt de kantonrechter dat de exacte omvang daarvan niet duidelijk uit de verf is gekomen. [naam 1] gaat uit van een bedrag van SRD. 26.198,- terwijl DSB en [naam 2] van een ander bedrag uitgaan. Dat onderdeel van het gevorderde komt derhalve voor afwijzing in aanmerking. In dit kader geeft de kantonrechter partijen in overweging om de koppen bij elkaar te steken en een eventueel saldo aan deze of gene zijde te verrekenen met elkaar;

5.9 Ten aanzien van de mede gevorderde – althans zo vat de kantonrechter dat op – rectificatie oordeelt de kantonrechter dat de grondslag daarvan niet aannemelijk is geworden in rechte. In de advertentie is opgenomen “de in gebreke gebleven koper de heer [naam 1]’. Zoals hiervoor overwogen is dat niet incorrect aangezien [naam 1] inderdaad in gebreke is gebleven om de veilingkosten (inclusief honorarium notaris) te voldoen. Gelet op het voorgaande zal dat onderdeel van het gevorderde worden afgewezen;

5.10 Nu partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld ziet de kantonrechter daarin aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten voldoet.

5.11 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter, als niet langer relevant zijnde, achterwege laten;

In reconventie:

5.12 De kantonrechter neemt over al hetgeen in conventie is overwogen en besrlist;

5.13 Het spoedeisend belang zijdens DSB vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest;

5.14 Nu de vordering strekkende tot verbod van herveiling is toegewezen kan de gevorderde schorsing van de koopovereenkomst tussen DSB en [naam 1] niet voor toewijzing in aanmerking komen;

5.15 Gelet op het voorgaande zullen de gevraagde voorzieningen worden geweigerd en zal DSB, als de het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van [naam 1] gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van het vonnis;

5.16 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter, als niet langer relevant zijnde, achterwege laten.

6. De beslissing in kort geding
In conventie:
6.1 Verbiedt DSB en [naam 2] om op [datum] ten overstaan van de notaris mr. D. Alexander of diens plaatsvervanger(s) dan wel op welk ander(e) dag, tijdstip, ten overstaan van welke notaris en/of diens plaatsvervanger dan ook, de herveiling te plegen van “het perceelland, met de daarop staande gebouwen en beplantingen, groot 10 hectaren, gelegen in [district 2] aan de rechteroever van de [rivier 1] [nummer 1], aangeduid op de kaart van de landmeter ing. G.J. Elizaer d.d. 15 juni 2001, met de letters ABCDEFGHIJKLMN, met inbegrip van het deel aangeduid met de letters BCDKLM dat voor weg bestemd is”, op straffe van een dwangsom van SRD. 500.000,- (Vijfhonderdduizend Surinaamse Dollar) voor elke keer dat zij voormeld verbod overtreden;

6.2 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

6.3 Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt;

6.4 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

In reconventie:
6.5 Weigert de gevraagde voorzieningen;

6.6 Veroordeelt DSB in de gedingkosten aan de zijde van [naam 1] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op de terechtzitting van dinsdag 10 februari 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. S. Tika w.g. A. Charan

SRU-K1-2017-5

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 17-0362

23 februari 2017

Vonnis in de zaak van:

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur,

in recht vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal,
ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Costerstraat no.07 als ook aan de mr. E.J. Brumastraat no. 63, eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie,
hierna aangeduid als de Staat,
gemachtigden: mr. E. Naarendorp en mr. D.S. Kraag, advocaten,

tegen

A. DE BOND VAN LERAREN, rechtspersoon,

B. ALLIANTIE VOOR LEERKRACHTEN IN SURINAME, rechtspersoon,

beide kantoorhoudende aan de F. Derbystraat no. 33 te Paramaribo,
gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie,hierna aangeduid respectievelijk als BVL en ALS,
gemachtigde: mr. G. Sewcharan, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of handelingen:

– het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 24 januari 2017 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 25 januari 2017;
– de mondelinge behandeling ter terechtzitting d.d. 26 januari 2017, waarbij partijen de zaak mondeling hebben bepleit en waarna bij rolbeschikking een comparitie van partijen is bepaald;
– de processen-verbaal betreffende de gehouden comparitie van partijen respectievelijk d.d. 30 januari 2017, 6 februari 2017 en 13 februari 2017;
– de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en wijziging van het petitum aan de zijde van de Staat d.d. 14 februari 2017, met producties;
– de conclusie van antwoord in het incident in conventie en uitlating na gehouden comparitie van partijen aan de zijde van BVL en ALS d.d. 15 februari 2017, met producties;
– de conclusie tot uitlating aan de zijde van de Staat over de overgelegde producties d.d. 17 februari 2017;
– de rolbeschikking d.d. 21 februari 2017;
– de conclusies tot uitlating aan de zijde van ALS d.d. 21 februari 2017.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en in reconventie.

2.1 BVL en ALS zijn rechtspersoonlijkheid bezittende vakverenigingen van landsdienaren die overwegend werkzaam zijn bij onderwijsinstellingen van het Voortgezet onderwijs op Seniorenniveau (V.O.S.) respectievelijk het Voortgezet Onderwijs op Juniorenniveau (V.O.J.) en het Gewoon Lager Onderwijs (G.L.O.). Zij vertegenwoordigen een aanmerkelijk deel van de landsdienaren werkzaam in de onderwijssector.

2.2 Vanaf het jaar 2014/2015 zijn BvL en de Staat bezig met het onderhandelen over de herwaardering van de leden van de BvL
Uit die onderhandelingen vloeit voort een overeenkomst die de Staat enerzijds met BvL en FOLS anderzijds op 21 maart 2016 heeft gesloten. In de overeenkomst (overgelegd als productie 2 bij conclusies van antwoord door BvL en ALS) staat, voor zover voor de beslissing van belang, het volgende vermeld:
“De Regering van de Republiek Suriname – in deze vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur-, de Bond van Leraren en de Federatie voor Organisaties van Leerkrachten in Suriname zijn op 21 april 2016 overeengekomen dat:

  1. De Overeenkomst die op 03 juni 2015 zou worden ondertekend, nu wordt ondertekend.
  2. Met de invoering van het herwaarderingsprogramma voor de onderwijsgevenden in ons land, zoals het reeds is vastgesteld, op 1 oktober 2016 een begin zal worden gemaakt.
  3. De implementatie van het loonaspect van het herwaarderingsprogramma gefaseerd zal verlopen met dien verstande, dat voor de periode augustus 2016 en september 2016 het besteedbaar inkomen van de onderwijsgevenden op peil zal worden gehouden door middel van een tijdelijke verhoging van de huidige onbelaste toelage en ten bedrage van SRD 100 per maand waarvoor onderwijsgevenden vanaf december 2015 reeds in aanmerking komen. Deze toelage is toegekend om het besteedbaar inkomen van onderwijsgevenden met voornoemd bedrag te verhogen. Bij de bepaling van de tijdelijke verhoging in verband met de invoering van het herwaarderingsprogramma over de periode augustus 2016 en september 2016 zal het gemiddelde inflatiecijfer over de periode januari 2016 t/m juli 2016 als ijkpunt (referentie) dienen.
  4. Naast de overeenkomst met de gezamenlijke vakbeweging over verhoging van de heffingskorting van SRD 50,- naar SRD 125,- en welke in 2016 betrekking heeft op de maanden maart tot en met december, is met de onderwijsvakorganisaties overeengekomen dat de verhoogde heffingskorting voor de onderwijsgevenden terugwerkt tot half februari 2016”.

2.3 In een Addendum met betrekking tot de overeenkomst d.d. 21 april 2016 als hiervoor onder 2.2. vermeld, is het volgende opgenomen:
“De Regering en de Onderwijsvakorganisaties zijn ook overeengekomen dat een Commissie zal worden ingesteld ter voorbereiding van de implementatie van het herwaarderingsprogramma. De voorbereidende werkzaamheden dienen op uiterlijk 31 mei 2016 te zijn afgerond”.

2.4 Bij Presidentieel Besluit d.d. 27 april 2016 is de “Commissie Voorbereiding Implementatie Herwaardering Onderwijsgevenden in Suriname” ingesteld op grond van de volgende overwegingen:
“dat de te bereiken kwaliteit van ons onderwijs voor een groot deel afhangt van de onderwijsgevenden: de vakinhoudelijke kwaliteit van de onderwijsgevenden, de didactische kwaliteit van de onderwijsgevenden, de maatschappelijke en economische mogelijkheden of positie van de onderwijsgevenden;
Dat in verband met het gestelde het noodzakelijk is over te gaan tot het operationeel maken van een herwaarderingsprogramma voor onderwijsgevenden in Suriname;
Dat in verband met voorgaande overwegingen er behoefte bestaat om over te gaan tot het instellen van een Commissie Voorbereiding Implementatie Herwaardering Onderwijsgevenden in Suriname”.

2.5 Vervolgens hebben de Staat enerzijds en de BvL en FOLS anderzijds op 17 oktober 2016 een overeenkomst getekend (overgelegd als productie 2 bij conclusie van antwoord in conventie door BvL en ALS), waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“De Regering enerzijds en de Bond van Leraren (BvL) en de Federatie van Organisaties van Leerkrachten in Suriname (de FOLS) anderzijds, verklaren op 29 september 2016 het navolgende te zijn overeengekomen:

  1. De resterende heffingskorting van SRD 75,- (…) per maand als een onbelaste toelage over de periode 1 februari 2016 – 1 mei 2016 zal gespreid worden betaald in de maanden oktober 2016, november 2016 en december 2016.
  2. De tijdelijke verhoging van het besteedbaar inkomen van de onderwijsgevenden in Suriname over de periode augustus/september 2016 is bepaald op SRD 300,- (…) per maand. De uitbetaling van het hiervoor genoemde bedrag over de maand augustus/september 2016, als onderdeel van het herwaarderingsprogramma onderwijsgevenden, geschiedt in oktober en november 2016.
  3. Aan alle onderwijsgevenden zal over de maand december 2016, indien het herwaarderingsprogramma voor onderwijsgevenden in Suriname nog niet (volledig) geïmplementeerd, een bedrag van SRD 300,- (…) wordt uitgekeerd.
  4. De Regering enerzijds en de BvL en de FOLS anderzijds zullen alles in het werk stellen om de volledige implementatie van het herwaarderingsprogramma op 1 januari 2017 een feit te doen zijn.”

2.6 Bij Annex d.d. 21 oktober 2016 is het volgende opgenomen:
“Bij de overeenkomst van 29 september 2016 tussen de Regering van de Republiek Suriname, de Bond van Leraren (de BvL) en de Federatie van Organisaties van Leerkrachten in Suriname (de FOLS)

Samen te noemen partijen

  1. Partijen zijn op 21 oktober 2016 overeengekomen dat de feitelijke implementatie van het herwaarderingsprogramma op 1 januari 2017 zal plaatsvinden.
  2. Partijen gaan vooralsnog ervanuit dat dit herwaarderingsprogramma als ingangsdatum 1 oktober 2016 heeft”.

2.7 Bij schrijven d.d. 11 januari 2017 (overgelegd als productie 2 bij het inleidend verzoekschrift door de Staat) hebben de besturen van ALS en BvL aan de Staat, zijnde de Minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, medegedeeld dat hun leden vanaf die datum in actie zijn. De reden daartoe hebben de ALS en BvL als volgt in het schrijven verwoord:
“(…) Hierbij delen de besturen van de ALS en de BvL u mede dat vanaf heden de leden van beide organisaties in actie zijn vanwege de volgende redenen:

  1. De stappen die de regering ondernomen heeft in het kader van de herwaardering van alle onderwijsgevenden zonder zich te houden aan de overeenkomst van 21 april 2016 gesloten tussen de BvL, FOLS en de Staat van de Republiek Suriname.
  2. Uw opstelling en handelen in de kwestie openbare school Uitkijk;
  3. De onrechtvaardige mutatie van een drietal leerkrachten van de A.R. Leeuwinschool.
  4. Het opschorten van de acties zal afhangen van de opstelling van u en de regering in deze aangelegenheid. Nochtans roepen wij u en de regering op om samen met de ALS en de BvL te werken aan een oplossing”.

2.8 Per schrijven d.d. 13 januari 2017 heeft BvL aan de Staat, zijnde de Minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, het volgende bericht:
“Betreft: Uw schrijven kenmerk M-0066 m.b.t. werkneerlegging leden van de ALS en BvL.

Heer minister,

Wij hebben Uw brief in goede orde ontvangen en brengen het volgende ter verduidelijking onder uw aandacht:

  1. In de overeenkomst van 17 en 21 oktober 2016 zijn door de BvL, de FOLS en de Regering duidelijke afspraken gemaakt over de ingangsdatum met betrekking tot de implementatie van het herwaarderingsprogramma. Het is wederom gebleken dat de regering zich niet houdt aan zaken die overeen zijn gekomen. De feitelijke implementatie van het herwaarderingsprogramma zou 1 januari 2017 een feit moeten zijn, met als ingangsdatum 1 oktober 2016. Echter heeft de regering aangegeven dat dit in maart 2017 zal plaatsvinden. De Bond van Leraren en de ALS wijzen dit resoluut af en eisen dat de regering zich houdt aan de overeenkomst.
  2. In de reeks van voorlichtingssessies aan onderwijsgevenden betreffende de loonparagraaf worden loonreeksen gepresenteerd door de regering die niet tot stand zijn gekomen door overleg met de BvL. De BvL en de ALS verwerpen deze loonreeksen. Zij eisen dat de regering, conform de overeenkomst, met partijen gaat onderhandelen om tot een gemeenschappelijk product te komen.
    Er zal onderhandeld moeten worden met partijen over de condities voor overgang van FISO naar een mogelijke nieuwe entiteit.
  3. In de kwestie OS Uitkijk zijn er afspraken gemaakt met u en de raadsadviseur van de president, de heer Errol Alibux, dat in de periode november-december 2016 verder overleg met de ALS zou plaatsvinden, alvorens u een definitief besluit zou nemen met betrekking tot de aanwijzing van een nieuwe schoolleider voor de openbare school Uitkijk per 1 januari 2017. Ook dit overleg bleef helaas uit. U heeft zich niet gehouden aan de gemaakte afspraken hieromtrent en is de benoeming van een nieuwe schoolleider eenzijdig geschied.”

2.9 Op 20 januari 2017 en 21 januari 2017 hebben partijen besprekingen gevoerd. Per schijven d.d. 23 januari 2017 (overgelegd als productie 6 bij conclusie van antwoord in conventie door BvL en ALS) hebben BvL en ALS hun standpunten aan de Staat kenbaar gemaakt met betrekking tot de gevoerde besprekingen, en wel als volgt:
“(…)
Middels dit schrijven willen wij onder uw aandacht brengen het standpunt dat aangenomen is door de algemene ledenvergadering van de ALS en BvL op maandag 23 januari 2017.

De leden van de BvL en de ALS gaan niet akkoord met het feit dat de regering eenzijdig de loonparagraaf heeft ingevuld en verwerpen derhalve de loonreeksen, zoals door de regering is gepresenteerd gedurende de onlangs gehouden informatiesessies met de onderwijsgevenden.

Ten aanzien van het voorstel om SRD 500,- toe te kennen aan de onderwijsgevenden voor de periode januari en februari 2017 als voorloper op de implementatie van het herwaarderingsprogramma in maart 2017, kan het bestuur u mededelen dat de vergadering onder protest daarmee akkoord gaat.

Met betrekking tot de kwestie Uitkijk kan de vergadering meegaan dat de leerkrachten terug kunnen naar hun oorspronkelijke school, echter doet de algemene ledenvergadering een beroep op de regering om het besluit met betrekking tot de aanwijzing van de schoolleider te herzien in het belang van het onderwijs.

De algemene ledenvergadering is van oordeel dat de regering wederom met de vakbond aan tafel gaat zitten om zo tot een vergelijk te geraken met betrekking tot de invulling van de loonparagraaf van het herwaarderingsprogramma.

De algemene ledenvergadering heeft ook nadrukkelijk bepaald dat de leden in actie zullen blijven totdat er overeenstemming is bereikt tussen de regering en de vakbonden met betrekking tot de invulling van de loonparagraaf van het herwaarderingsparagraaf. De BvL heeft daartoe een voorstel ingediend dat als basis kan dienen om tot een oplossing te geraken.

De besturen van de ALS en de BvL doen en ernstig beroep op u het daarheen te willen leiden dat er spoedig overleg zal plaatsvinden met de vakbond om tot een oplossing te komen”.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie en in reconventie

3.1 In conventie heeft de Staat oorspronkelijk gevorderd, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

– BvL en ALS te veroordelen om binnen 1 uur na het wijzen van dit vonnis althans binnen en door de kantonrechter in goede justitie te bepalen spoedige termijn, haar leden zijnde landsdienaren werkzaam op de openbare V.O.S., V.O.J. en GLO onderwijsinstellingen op te roepen en aan te zeggen om de in dit verzoekschrift aangeduide staking c.q. werkneerlegging te beëindigen en beëindigd te houden en onmiddellijk de werkzaamheden waartoe zij gehouden zijn te hervatten en deze op normale wijze te verrichten overeenkomstig het voor hen geldende werkrooster en het gebruik binnen het onderwijs en op de betreffende scholen, met veroordeling van zowel BvL als ALS tot betaling aan de Staat van een dwangsom ad SRD 100.000,- voor elk uur van een dag dat zij met de uitvoering dit vonnis in gebreke mocht zijn of blijven.

3.2 Aan de oorspronkelijk vordering in conventie heeft de Staat ten grondslag gelegd, dat de werkneerlegging door BvL en ALS onrechtmatig is. Daartoe heeft de Staat, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende gesteld:

– BvL en ALS hebben op 11 januari 2017 het werk volledig neergelegd zonder dat andere mogelijkheden om tot overeenstemming te komen waren uitgeput, en werd tijdens de gesprekken tussen partijen de werkneerlegging onverkort voortgezet;
– BvL en ALS hebben bij de algehele werkneerlegging geen redelijke termijnen van voorbereiding en uitvoering in acht genomen jegens eisers, noch hebben zij de duur van de werkneerlegging en eventuele andere acties aangegeven;
– de werkneerlegging heeft geleid en leidt nog steeds tot maatschappelijke ontregeling, omdat de leerlingen van diverse onderwijsinstellingen geen onderwijs wordt gegeven en het wordt niet uitgesloten geacht dat het huidig schooljaar verloren gaat, althans dat de achterstand in het onderwijsproces ernstige nadelige gevolgen zal hebben voor de doorstroming van leerlingen van en naar andere schooltypen;
– BvL en ALS hebben bij het gebruik maken van het grondrecht tot staking het veel grotere belang van studenten volledig uit het oog verloren.
– Studentenorganisaties hebben gedaagden benaderd een ander c.q. gewijzigd actiemodel te hanteren, waarbij er toch enigszins onderwijs wordt verzorgd, welk voorstel BvL en ALS hebben afgewezen.

Als spoedeisend belang heeft de Staat oorspronkelijk gesteld dat het door BvL en ALS gehanteerde stakingsparool op geen enkele wijze opweegt tegen de belangen van de leerlingen en studenten, die nu reeds twee weken verstoken zijn van onderwijs. De belangen van studenten die in examenklassen zitten worden door deze staking volkomen geschonden.

3.3 In conventie hebben BvL en ALS verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

3.4 In reconventie hebben BvL en ALS oorspronkelijk gevorderd, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

– de Staat te veroordelen om de overeenkomst van 21 april 2016, 17 oktober 2016, inclusief annex 21 oktober 2016 met onmiddellijke ingang na te komen, in dier voege dat de Staat binnen 1 (een) uur na het wijzen van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, de BvL uit te nodigen om in overleg te treden over de invulling van de loonparagraaf als onderdeel van het
herwaarderingsprogramma, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000.000,- voor elk uur dat zij nalaat aan dit vonnis te voldoen.

3.5 Oorspronkelijk hebben BvL en ALS aan de vordering in reconventie ten grondslag gelegd, dat de Staat wanprestatie jegens hen pleegt door hetgeen hij met hen is overeengekomen niet uit te voeren.

3.6 In reconventie heeft de Staat verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
In conventie en reconventie

4.1 In conventie

4.1.1 Bij conclusie na gehouden comparitie van partijen d.d. 14 februari 2017 heeft de Staat gevorderd om het petitum te wijzigen, en wel als volgt:

om BvL en ALS bij vonnis uitvoerbaar bij voorrad te verbieden:

– de opgeschorte staking te hervatten;
– een staking uit te roepen ter zake van hetzelfde onderwerp;
– BvL en ALS te veroordelen tot betaling van een dwangsom ad SRD 1.000.000,- voor elke uur van een dag dat zij met de uitvoering van het door de kantonrechter te wijzen vonnis in gebreke mocht blijken.

Als grondslag tot wijziging van het petitum c.q. wijziging van eis heeft de Staat, zoals de kantonrechter diens stellingen ter zake begrijpt, aangevoerd dat hangende het geding zich gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan die de aanpassing van het petitum rechtvaardigen. Die gewijzigde omstandigheden houden, aldus de stelling van de Staat, in dat de onderwijsstaking die de directe aanleiding vormde voor de vordering de facto is opgeschort en de hoofdlijnenovereenkomst die in april 2016 tussen partijen was bereikt, inmiddels in details is uitgewerkt.

Als spoedeisend belang voor de wijziging van het petitum stelt de Staat dat de concrete staking inmiddels is veranderd in een stakingsdreiging, daarin bestaande dat het stakingsparool niet is ingetrokken en BvL en ALS herhaaldelijk de bereidheid tot hervatting van de staking hebben uitgesproken.

4.1.2 BvL en ALS hebben zich verzet tegen de gevorderde wijziging van eis, in die zin dat zij hebben opgeworpen dat de Staat niet ontvankelijk moet worden verklaard in de gevorderde wijziging van eis. Daartoe hebben BvL en ALS aangevoerd dat de Staat een vermeerdering van eis vordert en zulks niet kan worden toegestaan.

4.1.3 De kantonrechter verwerpt het bezwaar van BvL en ALS, en wel op grond van de hierna volgende overweging. In kort geding bestaat de mogelijkheid voor de eisende partij om tot afloop van de zaak een wijziging van eis, inclusief een vermeerdering van eis te doen, ingeval zich hangende het geding gewijzigde omstandigheden voordoen. Nu zulks het geval is, zal de kantonrechter de door de Staat gevorderde wijziging van eis zoals hiervoor onder 4.1.1 weergegeven toestaan en zich hierna daarop toespitsen.

4.1.4 Met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen en de belangen van een derde belanghebbende groep, zijnde VOS-, VOJ- en GLO leerlingen/studenten die geen invloed op het belangengeschil tussen partijen kunnen uitoefenen, en met in achtneming van de regel dat de rechter in beginsel niet hoort te treden in de merites van de wederzijdse, ter zake van de aan de staking ten grondslag liggende belangengeschillen ingenomen standpunten, heeft de kantonrechter het voorstel aan partijen gedaan om overleg met elkaar te plegen ter zake de standpunten die hen verdeeld houden. Uit dien hoofde hebben partijen overleg met elkaar gepleegd en hebben BvL en ALS vanaf 30 januari 2017 de acties c.q. staking opgeschort. Ondanks het gepleegde overleg zijn partijen niet tot een vergelijk gekomen. Obstakels daartoe zijn geweest de verwijten die partijen over en weer naar elkaar toe maken en het wantrouwen dat partijen jegens elkaar hebben, waarbij de comparitie-gevolmachtigde van de Staat op de comparitiezitting d.d. 13 februari 2017 op niet mis te verstane wijze aan de kantonrechter heeft kenbaar gemaakt dat de Staat niet meer met de voorzitter van BvL in overleg wenst te treden. Nu partijen op grond van de hiervoor vermelde obstakels niet tot een vergelijk zijn gekomen en zullen komen, ziet de kantonrechter zich thans genoodzaakt om over te gaan het wijzen van vonnis in de onderhavige zaak.

4.1.5 Voor de beantwoording van de vraag of het spoedeisend belang van het door de Staat gevorderde aannemelijk is, neemt de kantonrechter de hiernavolgende feiten en omstandigheden in overweging.

In het schrijven d.d. 11 januari 2017 en 23 januari 2017 gericht aan de Staat, hebben BvL en ALS ondubbelzinnig aan de Staat kenbaar gemaakt dat zij in actie zullen blijven totdat er overeenstemming is bereikt tussen de regering en de vakbonden met betrekking tot de loonparagraaf van het herwaarderingsprogramma. Nu de Staat ter comparitiezitting heeft kenbaar gemaakt geen overleg meer met de voorzitter van de BvL te willen plegen en BvL zich op het standpunt stelt dat het stakingsrecht een grondrecht is waaraan geen beperkingen kunnen worden opgelegd, is voor de kantonrechter voldoende aannemelijk dat BvL en ALS de opgeschorte acties kunnen hervatten. Dit brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat er een stakingsdreiging aan de zijde van BvL en ALS is. Derhalve is het spoedeisend belang van de Staat voldoende aannemelijk en zal de Staat in het kort geding worden ontvangen.

4.1.6 Tussen partijen is niet in geschil of het stakingsrecht een grondrecht is, doch of aan dit grondrecht beperkingen kunnen worden opgelegd. Volgens het betoog van de Staat kunnen op grond van artikel 33 van de Grondwet van de Republiek Suriname (GW) wel beperkingen aan het stakingsrecht worden opgelegd. Dit, in tegenstelling tot BvL en ALS, die betogen dat de wet geen beperkingen aan het stakingsrecht oplegt. Ter zake dit geschilpunt is de kantonrechter het volgende van oordeel.

Uitgangspunt bij het stakingsrecht is artikel 33 GWW, welk artikel als volgt luidt: “Het stakingsrecht wordt erkend behoudens de beperkingen die uit het recht voortvloeien”.

Uit dit artikel leidt de kantonrechter af dat er wel beperkingen kunnen worden opgelegd aan het stakingsrecht, en wel uit het woord “het recht”, waaronder jurisprudentie valt, en er is jurisprudentie over het stakingsrecht. In dat licht verwijst de kantonrechter naar het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2000, ECLI: NL: PHR: 2000: AA4618 (Douwe Egberts arrest), waaruit blijkt dat op grond van de toetsing aan twee zware procedurele regels, te weten de aanzeggingsplicht en het ultimum remedium beginsel, wel beperkingen aan het stakingsrecht kunnen worden opgelegd, hetgeen blijkt uit de volgende overwegingen van de Hoge Raad:

“Het Hof heeft bij zijn beoordeling van de vraag of de onderhavige staking moet worden verboden, tot uitgangspunt genomen dat de staking wordt gedekt door art. 6, aanhef en onder 4, ESH. Voor de beoordeling van het principale beroep zal ook de Hoge Raad hiervan uitgaan. Dit uitgangspunt brengt mee dat deze staking, ondanks de met haar beoogde en op de koop toe genomen schadelijke gevolgen, in beginsel moet worden geduld als een rechtmatige uitoefening van het in deze verdragsbepaling erkend grondrecht. Voor het oordeel dat zij niettemin onrechtmatig is, is dan slechts plaats indien zwaarwegende procedureregels (“spelregels”) zijn veronachtzaamd dan wel – met inachtneming van de door art. 31 ESH gestelde beperkingen – op grond van afweging van alle omstandigheden van het gegeven geval in onderling verband en samenhang moet worden geoordeeld dat de Bonden in redelijkheid niet tot deze actie hadden kunnen komen (HR 30 mei 1986, nr. 12698, NJ 1986, 688). De door art. 31 ESH gestelde beperkingen spelen in het geval van een door art. 6 lid 4 gedekte staking dus pas een rol, indien vorenbedoelde procedurele regels in acht zijn genomen.

(…)
Tot die procedurele regels behoort ook de regel dat voor rechtmatigheid van de staking in een concreet geval is vereist dat het door art. 6 gewaarborgde recht op collectief onderhandelen niet daadwerkelijk op andere wijze tot gelding kan worden gebracht. Anders gezegd: een staking kan slechts rechtmatig zijn als zij als uiterste middel is toegepast. Dit volgt niet alleen, zoals het Hof in dit verband heeft overwogen, uit de opbouw van art. 6, maar ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling;

De vraag of een staking in een concreet geval anders dan als uiterste middel is gehanteerd, dient door de rechter met terughoudendheid te worden beantwoord. Dit volgt niet alleen hieruit dat het gaat om de uitoefening van een grondrecht, maar hangt ook samen met de omstandigheid dat de vraag of in een conflictsituatie nog een ander middel dan staking kan worden gebruikt, geredelijk kan afhangen van verschillen in waardering van de omstandigheden van taxaties omtrent de met dat middel te bereiken resultaten, terwijl de situatie veelal meebrengt dat de beslissing of het middel van staking moet worden toegepast dan wel nog andere mogelijkheden bestaan in korte tijd moeten worden gnomen”.

4.1.7 Dat er beperkingen aan het stakingsrecht kunnen worden opgelegd, leidt de kantonrechter ook af uit:

1) de hiernavolgende passage uit de Memorie van Toelichting op de Wet Vrijheid Vakvereniging op blz. 42-43;
“Artikel 11 is gebaseerd op artikel 33 van de Grondwet. De Wetgever heeft hier de gelegenheid om, wanneer het noodzakelijk is in de toekomst na een brede maatschappelijke discussie, het stakingsrecht te beperken. Volgens de uitspraken gedaan en de uitgangspunten ingenomen door de Committee on the Freedom of Association en de Committee of Experts van de ILO is de beperking toelaatbaar voor landsdienaren (civil servants), de essentiële diensten en bij een acute noodsituatie. Onder het beperken kan worden begrepen een compleet stakingsverbod, een gedeeltelijk stakingsverbod waarbij een verbod geldt ten aanzien van een “minimum service”of het onderwerpen van de staking aan een aantal spelregels. Deze spelregels kunnen betrekking hebben op de interne procedures binnen de vakvereniging om te komen tot het besluit tot staking, de afkondiging van de staking en waarborging van de openbare orde, veiligheid en gezondheid”.

en

2) het vonnis van het Hof van Justitie d.d. 20 januari 2012 G.R. 14415 (in de zaak tussen De Bond van Leraren en de Staat Suriname), waarin het Hof van Justitie het volgende ter zake dit onderwerp het volgende heeft overwogen:
(…) staat vast dat de Grondwet van Suriname aan werknemers en ambtenaren het stakingsrecht garandeert en dat dat recht kan worden beperkt door de wet. Zoals de kantonrechter terecht tot uitgangspunt heeft genomen, dient hetzelfde te worden aangenomen ten aanzien van andere collectieve acties, niet zijnde (algehele) werkstakingen, van werknemers en ambtenaren die ertoe dienen in geval van belangengeschillen met werkgevers hun standpunten kracht bij te zetten.

Zo kan een staking dan wel het organiseren daarvan of het oproepen daartoe door vakorganisaties op grond van artikel 1386 BW onrechtmatig zijn. Het oordeel over de “rechtmatigheid van een staking is afhankelijk van een afweging van de belangen van de werknemers bij de staking tegenover de gevolgen daarvan ten opzichte van werkgever en eventuele derden. In het onderhavige geval geldt dat de Staat niet alleen als werkgever optreedt maar tevens tot doel heeft het algemeen belang te dienen en de openbare orde te bewaken.

4.1.8 Zoals reeds eerder onder 4.1.4 is overwogen, mag de kantonrechter zich vanwege het feit dat het stakingsrecht een grondrecht is, niet inlaten met de geschilpunten die partijen verdeeld houden bij de onderhandelingen c.q. het overleg, omdat die bevoegdheid de kantonrechter niet toekomt. Daarom zal de kantonrechter zich, gelet op de stellingen van de Staat en uitgaande van de jurisprudentie, toespitsen op de vraag of het geoorloofd zal zijn dat BvL en ALS de opgeschorte staking – welke staking voortvloeide uit het vastlopen van de onderhandelingen met betrekking tot enkele punten van het herwaarderingsprogramma – hervatten. Daarbij zal de kantonrechter uitgaan van de in de jurisprudentie ontwikkelde toetsingscriteria of in de gegeven omstandigheden maatregelen noodzakelijk zijn voor de bescherming van rechten en vrijheden van derden, inhoudende de afweging van het belang van het gebruikmaken van het stakingsrecht door BvL en ALS tegenover het algemeen belang, het belang van derden evenals het belang van de Staat.

4.1.9 Het belang dat BvL en ALS hebben gesteld bij het gebruikmaken van het stakingsrecht waarbij zij gedurende twee weken volledig het werk hebben neergelegd, is zoals de kantonrechter het begrijpt, dat de leerkrachten het onder de huidige omstandigheden financieel niet meer kunnen volhouden, zij hierdoor gedemotiveerd raken om te werken en dit zijn invloed zal hebben op de kwaliteit van het onderwijsgebeuren. Tegenover dit belang van BvL en ALS staat het belang van een derde groep, zijnde de VOS-, VOJ- en GLO- studenten/leerlingen die vanwege deze acties reeds een achterstand van twee weken in het leerproces hebben opgelopen, welk achterstanden zij thans nog dienen in te lopen. BvL en ALS hebben de stelling van de Staat dat, ondanks studentenorganisaties hen hebben benaderd een ander c.q. gewijzigd actiemodel te hanteren, waarbij er toch enigszins onderwijs wordt verzorgd, niet weersproken. Hiervan uitgaande en uitgaande van de achterstanden die de VOS-, VOJ- en GLO-studenten/leerlingen nog binnen een bepaalde periode moeten inlopen, acht de kantonrechter het niet geoorloofd dat BvL en ALS de geschorste staking hervatten. Zulks, omdat het wederom verstoren van het arbeidsproces voor de studenten/leerlingen een verloren schooljaar tot gevolg zal hebben en zulks mogelijk ook psychische gevolgen voor deze groep jongeren zal hebben. De hiervoor vermelde feiten en omstandigheden in onderling samenhang beschouwd en gelezen, brengen de kantonrechter tot het oordeel dat het belang van BvL en ALS niet in evenredigheid staat tot het belang van de groep VOS-, VOJ- en GLO- studenten/leerlingen. Om die reden en ook mede vanwege het feit dat de Staat ingevolge artikel 39 GW de verantwoordelijkheid draagt voor het garanderen van dit sociaal grondrecht op onderwijs, acht de kantonrechter het noodzakelijk om BvL en ALS te verbieden de opgeschorte staking te hervatten en wel totdat in bodemprocedure over de rechtmatigheid van de door hen gevoerde acties over de periode 11 januari 2017 tot 30 januari 2017 definitief zal zijn beslist.

De kantonrechter laat het aan partijen over of zij al dan niet in bodemprocedure een vordering bij de kantonrechter zullen instellen om voor recht te verklaren of de door BvL en ALS gevoerde acties al dan niet onrechtmatig zijn geweest.

4.1.10 Voor wat betreft de medegevorderde dwangsommen kan deze niet worden toegewezen, omdat de leerkrachten verbonden aan BvL en ALS met het opschorten van de staking hebben getoond hun verantwoordelijkheid te kennen en niet de indruk hebben gewekt dat zij het vonnis naast zich zullen neerleggen. Eveneens komt niet voor toewijzing in aanmerking het opleggen van het verbod aan BvL en ALS om wederom over het herwaarderingsproces te staken. Dit, vanwege de obstakels van wantrouwen die nog tussen partijen bestaan, het feit dat het stakingsrecht de werknemers toekomt en vanwege het feit dat het herwaarderingsproces ook na implementatie daarvan een voortdurend proces zal zijn die bijgesteld zou kunnen worden.

4.1.11 Daar BvL en ALS met het doen opschorten van de acties op 30 januari 2017 hun verantwoordelijkheid als leerkrachten naar de Staat, studenten en leerlingen toe hebben getoond, acht de kantonrechter het redelijk en billijk de proceskosten in conventie tussen partijen te compenseren, en wel in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.2 In reconventie

4.2.1 Bij conclusie na gehouden comparitie van partijen d.d. 15 februari 2017 heeft ALS het door haar gevorderde in reconventie ingetrokken, omdat zij volgens haar betoog geen partij is geweest bij de overeenkomsten d.d. 21 april 2016 en 17 oktober 2016 waardoor zij geen nakoming van deze overeenkomsten kan vorderen. Naast deze intrekking heeft ALS tezamen met BvL bij de hiervoor bedoelde conclusie een wijziging van eis gevorderd, inhoudende een vermeerdering van eis. Deze wijziging van eis hebben BvL en ALS als een gehele wijziging van eis meegenomen, welke onder meer luidt als volgt:

– om de Staat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de dag en het uur, te veroordelen om:

I) de overeenkomst d.d. 21 april 2016 en 17 oktober 2016, inclusief annex d.d. 21 oktober 2016, met de BvL na te komen, met dien verstande dat de Staat met de BvL verder onderhandelt, gedurende een door de rechter in goede justitie te bepalen termijn, over de concrete aanvulling van de loonparagraaf c.q. de vaststellingen van de loonparagraaf, als onderdeel van het herwaarderingsprogramma en te gelasten dat de Staat niet eenzijdig tot implementatie overgaat van het concept- herwaarderingsprogramma d.d. 27 januari 2017 van de eenzijdig door hem vastgestelde loonreeks totdat beide partijen over en weer te kennen hebben gegeven dat de onderhandelingen beëindigd kunnen worden;

II) de Staat te verbieden om de onderwijsgevenden verbonden aan de BvL en de ALS, zonder nadrukkelijke schriftelijke instemming van de BvL en de ALS, uit het fiso- beloningssysteem te halen en hen, de onderwijsgevenden, eenzijdig een andere werkgever dan de Staat op te leggen c.q. toe te kennen;

III) de Staat een dwangsom van SRD 1.000.000,- op te leggen voor elk uur dat hij in strijd handelt met de in deze uit te spreken veroordeling;

IV) de Staat te veroordelen in de kosten van dit geding.

4.2.2 Bij akte d.d. 21 februari 2017 heeft ALS – nadat de kantonrechter ALS daartoe bij rolbeschikking d.d. 21 februari 2-17 in de gelegenheid heeft gesteld – verduidelijkt dat zij de gevorderde wijziging van eis in reconventie onder II tot en met IV tezamen met BvL heeft gevorderd.
Op grond van deze verduidelijking komt de kantonrechter tot de slotsom dat de wijziging van eis in reconventie onder II tot en met IV BvL en ALS regarderen.

4.2.3 BvL en ALS hebben aan de wijziging van eis in reconventie ten grondslag gelegd dat artikel 14 van de Wet Vrijheid Vakvereniging de Staat verplicht om te onderhandelen met de vertegenwoordiger van vakverenigingen, in casu BvL en ALS. Vanwege deze wettelijke plicht kan de Staat, aldus BvL en ALS, niet de eenmaal aangevangen onderhandelingen eenzijdig afbreken c.q. beëindigen of niet opstarten.
De Staat heeft tegen de wijziging van eis en de aanvulling van de grondslag geen bezwaar geopperd. Om die reden en om proceseconomische reden zal de kantonrechter de gevorderde wijziging van eis, inhoudende de vermeerdering van eis, toestaan en zich hierna daarop en op de gewijzigde grondslag ter zake toespitsen.

4.2.4 Het spoedeisend belang van BvL en ALS blijkt voldoende uit hun stellingen en de aard van het door hun gevorderde. Om die reden zullen zij in het kort geding worden ontvangen.

4.2.5 De Staat heeft opgeworpen dat BvL zich ten onrechte beroept op artikel 14 van de Wet Vrijheid Vakvereniging, omdat deze wettelijke bepaling specifiek betrekking heeft op onderhandelingen in het kader van een collectieve arbeidsovereenkomst.

Terzake het beroep van BvL en ALS op het hiervoor vermelde artikel en het verweer van de Staat daarop, stelt de kantonrechter het volgende voorop:

BvL en ALS zijn vakverenigingen voor landsdienaren. Uit de inhoud van de Wet Vrijheid Vakvereniging leidt de kantonrechter af dat deze wet slechts van toepassing is op vakverenigingen van werknemers die werkzaam zijn in ondernemingen en niet op vakverenigingen van landsdienaren. Dat deze wet niet van toepassing is op landsdienaren leidt de kantonrechter ook ondubbelzinnig af uit de twee hierna weergegeven passages uit de Memorie van Toelichting van de bedoelde wet:

1) op bladzijde 17: “Ook deze wet is van toepassing op de relaties die uitsluitend beheerst worden door de arbeidsovereenkomst zoals omschreven in het Surinaams Burgerlijk Wetboek. Bij gebleken noodzaak zal ook voor de landsdienaren een soortgelijke regeling worden getroffen”, en

2) op bladzijde 42: “Deze wet is niet van toepassing op de landsdienaren en de rechtsbetrekkingen die bestaan tussen de Staat en de landsdienaren”.

Hetgeen hiervoor is opgeworpen brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat BvL en ALS zich, zoals de Staat terecht heeft opgeworpen, onterecht beroepen op artikel 14 van de Wet Vrijheid Vakvereniging. Simpelweg, omdat deze wet niet op hen van toepassing is. Hierdoor is de grondslag van zowel de gevraagde voorziening onder I in reconventie als de gevraagde voorzieningen onder II tot en met IV in reconventie komen weg te vallen. Daarom zullen de door BvL en ALS gevraagde voorzieningen als ongegrond worden geweigerd.

4.2.6 Ten overvloede oordeelt de kantonrechter ter zake de gevraagde voorziening onder I het volgende.

BvL vordert nakoming van de overeenkomsten d.d. 21 april 2016 en 17 oktober 2016, welke overeenkomsten zij tezamen met FOLS heeft getekend. Uit de inhoud van deze overeenkomsten leidt de kantonrechter af dat BvL en de Staats reeds op één stonden over het herwaarderingsprogramma. Zoals de kantonrechter BvL nu begrijpt, kan zij zich niet verenigen met een deel van de inhoud van het herwaarderingsprogramma en wenst zij ter zake nog verder met de Staat daarover te onderhandelen. Tijdens de gehouden comparitie van partijen is aan het licht gekomen dat de Staat – met het oog op een streefdatum tot volledige implementatie van het herwaarderingsprogramma en het beroep van BvL dat de Staat de overeenkomsten binnen de overeengekomen termijn dient na te komen – reeds bezig is met de uitvoering van deze overeenkomsten en de uitvoering van deze overeenkomsten zich reeds in een vergevorderd stadium bevindt. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter kan BvL om voren vermelde reden niet in redelijkheid van de Staat verwachten om thans nog verder te onderhandelen voor het doe wijzigen van het herwaarderingsprogramma. Dit temeer daar BvL na invoering van het herwaarderingsprogramma tezamen met de Staat evaluatiemomenten zou kunnen inbouwen om daar waar nodig het programma bij te kunnen stellen. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat het herwaarderingsprogramma zoals dat is neergelegd in de bedoelde overeenkomsten alle leerkrachten van Suriname regardeert, de Staat verantwoordelijk is voor het totaal onderwijsgebeuren in Suriname en de Staat vanuit die verantwoordelijkheid ook rekening dient te houden met de belangen van leerkrachten die geen deel uitmaken van BvL.

4.2.7 In reconventie zullen BvL en ALS, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5 De beslissing
In conventie en in reconventie

5.1 In conventie

5.1.1 Staat toe de gevorderde wijziging van eis, zoals weergegeven onder 4.1.1 in dit vonnis.

5.1.2 Verbiedt BvL en ALS de opgeschorte staking te hervatten, totdat definitief over de rechtmatigheid over de gestaakte periode vanaf 11 januari 2017 tot en met 30 januari 2017 in bodemgeschil zal zijn beslist.

5.1.3 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.1.4 Compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.1.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

5.2 In reconventie

Ten aanzien van BvL:

5.2.1 Staat toe de gevorderde wijziging van eis, zoals weergegeven onder 4.2.1 in dit vonnis.

5.2.2 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2.3 Veroordeelt BvL in de proceskosten aan de zijde van de Staat gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Ten aanzien van ALS:

5.2.4 Verstaat dat het oorspronkelijk door ALS gevorderde op 15 februari 2017 is ingetrokken.

5.2.5 Staat toe de gevorderde wijziging van eis onder II tot en met IV, zoals weergegeven onder 4.2.1 in dit vonnis.

5.2.6 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2.7 Veroordeelt ALS in de proceskosten aan de zijde van de Staat gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 23 februari 2017 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. S.M.M. Chu

SRU-K1-2017-4

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 124160
9 maart 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[Eiser in de hoofdzaak],

hierna [Eiser in de hoofdzaak],

wonende in het [district],

eiser in de hoofdzaak,

gemachtigde: mr. J.R. Wouter, advocaat,

tegen

De Staat Suriname met name de Districtscommissaris van het district Wanica, vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,

hierna de Staat,

kantoorhoudende te Paramaribo,

gedaagde in de hoofdzaak;

gemachtigde: mr. D.F. Chocolaad, advocaat,

en

A. [Eiser in tussenkomst sub A]

B.[Eiser in tussenkomst sub B],

C.[Eiser in tussenkomst sub C],

Hierna [Eisers in tussenkomst]

allen wonende in het [district],

eisers in de zaak tot tussenkomst,

gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat,

tegen

[Eiser in hoofdzaak],

hierna [Eiser in de hoofdzaak],

wonende in het [district],

eiser in de hoofdzaak,

gemachtigde: mr. J.R. Wouter, advocaat,

en

De Staat Suriname met name de Districtscommissaris van het district Wanica, vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,

hierna de Staat,

kantoorhoudende te Paramaribo,

gedaagde in de hoofdzaak;

gemachtigde: mr. D.F. Chocolaad, advocaat.

De kantonrechter spreekt in Naam van de Republiek het hierna volgend vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis d.d. 13 december 2012.

 

1. Het verdere verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handeling:

– de conclusie van eis zijdens [Eisers in tussenkomst] e.a. met producties;
– de conclusie van antwoord zijdens [Eiser in de hoofdzaak];
– de conclusie van repliek zijdens [Eisers in tussenkomst] e.a.;
– de conclusie van dupliek zijdens [Eiser in de hoofdzaak] en de Staat;
– de op 5 december 2013 gegeven rolbeschikking;
– het proces-verbaal van de op 13 januari 2014 gehouden descente;
– het proces-verbaal d.d. 5 februari 2014 gehouden gesprek met vertegenwoordigers van het NIMOS;
– het rapport van NIMOS;
– de conclusies tot uitlating zijdens partijen.

1. 2 De uitspraak van het vonnis in het incident is bepaald op heden.

2. De feiten

Bij beschikking d.d. 24 november 2010 is aan [Eiser in de hoofdzaak] vergunning verleend om voor de tijd van drie jaren het beroep uit te oefenen van winkelier voor de verkoop van bouwmaterialen, zoals grind- en zandsoorten, steenslag, cement en betonproducten, bouw- en sierstenen, duikers, straattegels en betonpalen aan [adres] in het [district].

2.2. Aan [Eiser in de hoofdzaak] is bij beschikking d.d. 11 januari 2011 eveneens vergunning verleend om vanuit dezelfde lokatie het bedrijf van aannemer van grondverzetwerken in geheel Suriname uit te oefenen.

2.3 Op 21 februari 2011 heeft [Eiser in de hoofdzaak] bij de Staat een verzoek ingediend om hem, ten behoeve van zijn winkel, vergunning te verlenen voor gebruik van een poclain van het merk Fiat Hitachi F.H. 150LC3 chase 153L-0571 aangedreven door een 70 pk motor.

2.4 De Staat heeft van dit verzoek melding gemaakt middels publicatie in het A.R.S. d.d. 10 mei 2011 met vermelding dat een ieder bevoegd is binnen 30 dagen, na verschijning van deze bekendmaking, schriftelijk bezwaren kenbaar te maken tegen het verlenen van de gevraagde vergunning.

2.5 Bij beschikking d.d. 5 december 2011 is op het verzoek van [Eiser in de hoofdzaak] beslist en is aan hem tot wederopzegging vergunning verleend om aan [adres], ten behoeve van zijn winkel, een poclain van het merk Fiat Hitachi F.H. 150LC3 chase 153L-0571 aangedreven door een 70 pk motor in gebruik te mogen nemen, alleen voor het laden en lossen van betonproducten (duikers en stenen) en voorts onder de voorwaarden dat alleen monsters van zand- en zandsoorten mogen worden opgeslagen en dat de zandsoorten alleen in H.D.P.E. zakken of de zogenaamde rijstzakken mogen worden opgeslagen.

2.6 Tegen de hier voor genoemde beschikking heeft [Eiser in de hoofdzaak] bij beroepschrift d.d. 16 december 2011 beroep ingesteld bij de President van de Republiek Suriname.

2.7 Op het beroep van [Eiser in de hoofdzaak] is er niet beslist door de President.

2.8 [Eiser in de hoofdzaak] heeft sedert december 2011 de poclain ingezet voor het laden en lossen van zand- en zandsoorten en voorts deze zand- en zandsoorten gepeild bij zijn winkel aan de [adres].

2.9 Bij schrijven van de Staat d.d. 7 en 21 augustus 2012 is [Eiser in de hoofdzaak] aangezegd dat tegen hem met bestuursdwang zal worden opgetreden vanwege het overtreden van de vergunningsvoorwaarden d.d. 5 december 2011 [nummer]. Van [Eiser in de hoofdzaak] wordt verlangd dat hij alle zandsoorten die voor zijn winkel zijn opgehoopt met spoed zal verwijderen. Daarnaast is de opdracht van de Staat door de politie van post Livorno aan [eiser in de hoofdzaak] kenbaar gemaakt dat de poclain niet langer gebruikt mag worden voor het laden en lossen van deze zandsoorten.

 

3. De vorderingen, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 In de hoofdzaak vordert [Eiser in de hoofdzaak], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. te bepalen dat hij de door de Staat gestelde voorwaarden in de beschikking [nummer] dd. 5 december 2011 niet hoeft na te komen totdat de bodemrechter daarover heeft beslist;
b. de Staat te veroordelen om de uitspraak te gehengen en te gedogen;
c. gedaagde te veroordelen om zich te onthouden van de jegens hem aangekondigde maatregelen totdat de bodemrechter daarover zal hebben beslist;
d. de Staat te veroordelen tot betaling van een dwangsom.

3.2 [Eiser in de hoofdzaak] heeft het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd.
De voorwaarden zoals opgenomen in de beschikking d.d. 5 december 2011 zijn onnodig bezwarend en verhinderen hem om de zand- en zandsoorten vrijelijk aan het publiek te bieden, daar het laden en verkopen van deze producten met de hand practisch onmogelijk is. Hem is bij de verstrekking van de winkelvergunning d.d. 24 november 2010 nimmer voorgehouden dat een dergelijke voorwaarde hem zou worden opgelegd. De Staat heeft vanaf december 2011 stilzwijgend gedoogd dat hij de poclain tevens inzette voor het laden en lossen van deze zand- en zandsoorten. De handelingen van de Staat jegens hem zijn onrechtmatig en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur met name het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod op willekeur. Door niet te beslissen op het beroep van 5 december 2011 handelt de Staat ook onrechtmatig jegens hem. De Staat heeft tevens nagelaten om hem te horen bij het opleggen van de “nieuwe” voorwaarden, en het besluit is ook niet met redenen omkleed. Hij, [Eiser in de hoofdzaak], lijdt schade door de handelingen van de Staat.

3.3 In de zaak tot tussenkomst hebben [Eisers in tussenkomst] e.a. gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. het opleggen van een verbod aan [Eiser in de hoofdzaak] om bedrijfs-/handelsactiviteiten te ontplooien aan [adres]in het [district], indien die bedrijfsactiviteiten een geluidsniveau van boven 49 decibel bedragen en in strijd wordt gehandeld met het advies van NIMOS d.d. 18 maart 2011.
b. machtiging van [Eisers in tussenkomst] e.a. om de hulp van de sterke arm in te roepen teneinde de voormelde activiteiten te laten staken indien [Eiser in de hoofdzaak] in strijd handelt met het onder a bepaalde of het opleggen van een dwangsom.
c. veroordeling van de Staat om het voorgaande te gehengen en te gedogen, en bij schending van voormeld onder a omschreven verbod handelend op te treden middels Bestuursdwang op straffe van en dwangsom.

3.4 Partijen hebben over en weer verweer gevoerd. De kantonrechter kom zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De verdere beoordeling

In de hoofdzaak
4.1 De Staat heeft voor zover van belang aangevoerd dat er bezwaren zijn gemaakt door de buurtbewoners alwaar [Eiser in de hoofdzaak] zijn bedrijfsactiviteiten ontplooit. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de Staat overgelegd een bezwaarschrift d.d. 5 mei 2011 afkomstig van enkele buurtbewoners. In dat bezwaarschrift is zo ver van belang het volgende verwoord.

“Ondergetekenden wensen met nadruk aan te geven dat zij last hebben van de stoffen afkomstig van de verschillende zandsoorten. De stofwolken bestaande uit zand zijn de hele dag aanwezig, dringen omringende woonhuizen binnen met gezondheidsrisico’s voor omwonenden.

Ondergetekenden en hun familie hebben vaker ademhalingsproblemen dan wel worden zij thans geconfronteerd met luchtweginfecties, kortademigheid welke het leefmilieu negatief beïnvloeden dan wel de leefbaarheid, bewoonbaarheid van de omgeving ernstig aantasten dan wel in gevaar brengen. De rook, reuk, het lawaai en de trillingen veroorzaakt door de poclain (graafmachine) en de trucks veroorzaken geluidoverlast, hinder op elk uur waardoor ondergetekenden en hun familie ernstig schade ondervinden welke nadelig is voor de gezondheid.

4.1.1 De Staat voert voorts aan dat zij, rekening houdend met de Hinderwet, een gedegen belangenafweging heeft gepleegd bij het verstrekken van de vergunning aan [Eiser in de hoofdzaak]. Daarbij is dus niet alleen gedacht aan de zakelijke belangen van [Eiser in de hoofdzaak] maar ook aan de gezondheids- en woonbelangen van de omwonenden. De Staat beroept zich daarbij op het rapport van NIMOS (het Nationaal Instituut voor Milieu en Ontwikkeling in Suriname) d.d. 18 maart 2011, waarbij het volgende onder meer is geadviseerd dat de werkzaamheden voortgang kunnen vinden indien de zandsoorten verpakt worden in HDPE- zakken of de zogenaamde rijstzakken worden opgeslagen en wel binnen de wettelijk vastgestelde werktijden, voorts mogen er onder geen enkel beding zware machines worden gebruikt voor werkzaamheden.

4.2 [Eiser in de hoofdzaak] heeft de inhoud van voormelde rapport van NIMOS niet althans niet gemotiveerd betwist, zodat van de juistheid daarvan dient te worden uitgegaan. De kantonrechter stelt voorop dat bij het nemen van iedere beslissing door de Staat, rekening dient te worden gehouden met belangen van alle daarbij betrokken partijen.
Naar het oordeel van de kantonrechter, heeft de Staat bij het nemen van haar beslissing met betrekking tot de door [Eiser in de hoofdzaak] aangevraagde vergunning, dan ook terecht niet alleen rekening gehouden met de belangen van [Eiser in de hoofdzaak] doch ook met de belangen van de buurtbewoners. Immers het verstrekken van de gevraagde vergunning zou direct van invloed zijn op de gezondheid en (de kwaliteit van) het leven van de buurtbewoners voornoemd, hetgeen ook blijkt uit het rapport van NIMOS
De in de vergunning opgelegde voorwaarden zijn conform de adviezen van het NIMOS en derhalve niet onrechtmatig. Van onrechtmatig handelen jegens de Staat is dus geen sprake. Daaraan doet niet af dat [Eiser in de hoofdzaak] niet is gehoord bij het nemen van de beslissing en dat door de President niet is beslist op het beroep van [Eiser in de hoofdzaak]. De kantonrechter is van oordeel dat van een behoorlijke Staat mag worden verwacht dat zij handelen conform wet en recht in het onderhavig geval mocht dan ook, ingevolge het hoor- en rechtszekerheidsbeginsel, worden verwacht dat [Eiser in de hoofdzaak] werd gehoord bij het nemen van de beslissing en dat er een beslissing werd genomen op het beroep van [Eiser in de hoofdzaak] bij de President.
Het niet zijn gehoord door de Staat bij het nemen van de beslissing en het niet nemen van een beslissing op het beroep van [Eiser in de hoofdzaak] hebben evenwel niet tot gevolg dat laatstgenoemde ervan uit mocht gaan dat hij geen rekening hoefde te houden met de voorwaarden zoals verwoord in de gewraakte vergunning.
Op grond van het voorgaande dienen de door [Eiser in de hoofdzaak] in de hoofdzaak gevraagde voorzieningen te worden geweigerd.

In de zaak tot tussenkomst
4.3 De door [Eisers in tussenkomst] gevraagde voorziening heeft betrekking op het naleven van het rapport van NIMOS d.d. 18 maart 2011 door [Eiser in de hoofdzaak] bij de uitoefening van zijn bedrijfsactiviteiten.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft de Staat bij de verlening van de vergunning aan [Eiser in de hoofdzaak] bij beschikking d.d. 5 december 2011, mede naar aanleiding van het rapport van NIMOS voornoemd, voldoende rekening gehouden met de belangen van [Eisers in tussenkomst] e.a.
[Eiser in de hoofdzaak] zal dan ook worden veroordeeld om bij de uitoefening van zijn bedrijfsactiviteiten conform de aan hem verleende vergunning zoals hiervoor genoemd bij beschikking d.d. 5 december 2011 te werken. Bij het in strijd handelen met de vergunning zullen [Eisers in tussenkomst] e.a. worden gemachtigd om de hulp van de sterke arm in te roepen teneinde de bedrijfsactiviteiten van [Eiser in de hoofdzaak] te doen staken.

4.4 De door [Eisers in tussenkomst] e.a. gevraagde voorzieningen ten aanzien van de Staat, zal worden geweigerd, nu niet is gebleken dat de Staat heeft verzuimd om te handelen waar die handeling was vereist. Van onrechtmatig handelen van de Staat jegens [Eisers in tussenkomst] e.a. is dus ook niet gebleken.

In de hoofdzaak en in de zaak tot tussenkomst

4.5 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.6 [Eiser in de hoofdzaak] zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

 

5. De beslissing in kort geding

In de hoofdzaak

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

In de zaak tot tussenkomst

5.2 Veroordeelt [Eiser in de hoofdzaak] om zijn bedrijfsactiviteiten te verrichten conform de aan hem verleende vergunning bij beschikking d.d. 5 december 2011.

5.3 Machtigt [Eisers in tussenkomst] e.a. om de hulp van de sterke arm in te roepen teneinde de bedrijfsactiviteiten van [Eiser in de hoofdzaak] te doen staken, indien [Eiser in de hoofdzaak] in strijd handelt met het onder 5.2 bepaalde.

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

In de hoofdzaak en in de zaak tot tussenkomst.

5.5 Veroordeelt [Eiser in de hoofdzaak] in de proceskosten aan de zijde van de Staat en [Eisers in de tussenkomst] e.a. gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis in kort geding is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerst kanton, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 9 maart 2017, door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, mr. A.C. Johanns in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal I.S. Chhangur-Lachitjaran
A.C. Johanns

 

SRU-K1-2015-3

A.R. no.150068
26 februari 2015

Kantonrechter in Kort geding

Vonnis in de zaak van

STICHTING AUTEURSRECHTEN SURINAME, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, gemachtigde: mr. M. Gangapersad LLM, BSc, directeur van de Stichting,
eiseres in kort geding,
hierna te noemen: ”Sasur”,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo, gemachtigden:
mr. dr. J. V. van Dijk – Silos en mr. D. S. Kraag, advocaten,
gedaagde in kort geding, hierna te noemen: ”de Staat”.

1. Het proces verloop:

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 7 januari 2015 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
– de conclusie van antwoord,
– de conclusie van repliek, met producties,
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 De Staat heeft aan Sasur toestemming verleend om te bemiddelen met betrekking tot auteursrechten, welke toestemming is verleend bij beschikking van 21 april 2005, waarbij ten aanzien van de termijn voor de toestemming bij beschikking van 17 mei 2006 is bepaald dat de toestemming voor onbepaalde tijd is verleend.

2.2 Ook heeft de Staat een Commissie van Toezicht ingesteld met een takenpakket vervat in de artikelen 3, 4, 5 en 7 van de Bijlage bij SB 2008 no. 150. Deze bijlage houdt in het ”Reglement van Orde voor de Commissie van Toezicht”.

2.3 Bij resolutie van 15 januari 2005, houdende vaststelling van voorschriften met betrekking tot het als bedrijf verlenen van bemiddeling inzake muziekauteursrecht, gepubliceerd in SB 2005 no. 4, zijn vastgesteld: ”de voorschriften bemiddeling muziekauteursrecht”.

In artikel 2 van laatstgenoemde voorschriften is bepaald dat de voor onbepaalde tijd verleende toestemming haar kracht behoudt, totdat zij wordt ingetrokken op de in lid 2 van dit artikel vermelde grond.

De grond luidt: ”indien de Minister oordeelt, dat degene aan wie de toestemming is verleend, niet meer voldoende waarborg biedt voor de nakoming van de bepalingen van deze resolutie en voor een behoorlijke uitoefening van zijn bedrijf.”

2.4 De Staat heeft bij beschikking van 23 februari 2012 [nummer 1], de toestemming zoals bedoeld hierboven, ingetrokken waarbij als grond werd genoemd: ”dat naar recentelijk is gebleken er een ernstige controverse is ontstaan tussen voormelde stichting en de gebruikers van muziekwerken; dat de regering op grond van het voorgaande alle ruimte krijgt om op deugdelijke wijze voormelde controverse op te heffen”.

2.5 Bij vonnis van 15 maart 2012 van de rechter in kort geding in de zaak bekend onder ar no. 120804, heeft de kantonrechter in kort geding de werking geschorst van de beschikking van 23 februari 2012 totdat daarover definitief is beslist door de bodemrechter. De kortgeding rechter heeft hierbij overwogen:

” 4.3.1 in overweging 2.3 hiervoor is reeds overwogen dat ingevolge artikel 2 lid 2 en 3 van de bijlage bij resolutie van 15 januari 2005 no. 276/05,. de verleende toestemming kan worden ingetrokken indien de Minister oordeelt dat degene aan wie de toestemming is verleen niet meer voldoende waarborg biedt voor de nakoming van de bepalingen van deze resolutie en voor een behoorlijke uitoefening van zijn bedrijf. In dit kader benadrukt de voorzieningenrechter dat in het thans bestreden besluit de handhaving van de bij dit besluit ingetrokken toestemming aan de orde is/ omdat volgens gedaagde er sprake is van een controverse. Uit de gewraakte beschikking is het voor de voorzieningenrechter niet duidelijk geworden wat de rechtsgrondslag voor de intrekking van de toestemming is geweest Zo ontbreekt een verwijzing naar de relevante bepalingen waarin de bevoegdheid tot intrekking is geregeld. Evenwel heeft gedaagde bij conclusie van dupliek een uiteenzetting gegeven van de geconstateerde controverse doch het ontgaat de kantonrechter op welke manier de door gedaagde gestelde controverse kan worden ondergebracht onder de intrekkingsgrond zoals weergegeven in de bijlage van de resolutie van 15 januari 2005 no. 276/05. Gelet op het voorgaande ontbeert naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechte de gewraakte beschikking een deugdelijke motivering. Dit klemt temeer nu de intrekking van eerder genoemde toestemming naar zijn aard een ingrijpende bevoegdheid is/ mede gelet op het beginsel van rechtszekerheid en de belangen van eiseres. ”

Voorts heeft de kantonrechter in de tweede alinea van 4.3.2 overwogen:

”4.3.2 ..” Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mocht eiseres/ terecht zoals zij stelC er dus op vertrouwen dat – nu zij zich aan de regels heeft gehouden – de gegeven toestemming gestand zou blijven.

2.6 Na laatstgenoemd vonnis heeft de Staat de beschikking van 23 februari 2012 ingetrokken bij beschikking van 17 mei 2013.

2.7 Bij beschikking van 17 mei 2013, dezelfde beschikking als hiervoor bedoeld, met [nummer 2], heeft de Minister van Justitie de toestemmingsbeschikkingen wederom ingetrokken. Hierbij zijn de volgende gronden aangevoerd:
1. dat Sasur geen bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt na de kort geding procedure;
2. dat bij het verlenen van de beschikking van de Minister van Justitie van 21 april 2005 heel veel geruis in de samenleving is ontstaan nadat Sasur met haar activiteiten is aangevangen;
3. dat nadat die toestemming bij beschikking van 17 mei 2006 [nummer 3] voor onbepaalde tijd werd verleend, tumult binnen de Surinaamse samenleving is ontstaan en nog voortduurt;
4. dat het de taak van de Minister van Justitie en Politie is om op grond van artikel 16 van de Grondwet, waarbij een ieder recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid heeft, deze te garanderen;
5. dat artikel 42 van de Grondwet bepaalt dat de wet onder meer het algemeen belang met name de openbare orde waarborgt;
6. dat gegronde vrees bestaat dat door het aanhoudende tumult de veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht;
7. dat het noodzakelijk is ter garandering van ieders veiligheid, de verleende toestemming met onmiddellijke ingang in te trekken.

2.8 Sasur heeft na deze beschikking een vorder ing in kort geding ingesteld, bekend onder arno. 132218, primair strekkende tot intrekking en subsidiair schorsing van de beschikking van 17 mei 2013.

2.9 Bij vonnis van 11 juli 2013 heeft de kortgeding rechter in dit laatstgenoemd kort geding beslist dat partijen de vordering aan de bodemrechter moeten voorleggen. Als overwegingen zijn onder andere in het vonnis onder 4.3 opgenomen: ”… Van het voorgaande is – zoals gedaagde terecht heeft aangevoerd – in dit geding hoewel dat weliswaar is gestekt niet gebleken/ immers is eiseres een stichting hetwel wordt geacht een ideeel doel te hebben zonder winstoogmerk. Aangezien zij de belangen van derden behartigt,. rijst de vraag bij de kantonrechter waarom in casu de loop van de gewone procedure zonder groot of onherstelbaar nadeel niet kan worden afgewacht….”

2.10 Sasur is tegen dit vonnis in appel gegaan en het Hof heeft bij vonnis van 20 juni 2014 het vonnis van de kantonrechter vernietigd. Ten aanzien van het primair gevorderde heeft het Hof zich onbevoegd verklaard en ten aanzien van het subsidiair gevorderde heeft het Hof Sasur niet-ontvankelijk verklaard.

2.11 Een der overwegingen die aan die beslissing op de subsidiaire vordering ten grondslag liggen luidt alsvolgt:

– in 6.9 de derde alinea: ”Sasur heeft na betwisting door de Staat dat zij Sasur een eigen recht kan laten gelden/slechts verwezen naar de door haar gesloten overeenkomsten zonder echter deze overeenkomsten in deze procedure over te leggen. Naar het oordeel van het Hof is deze blote stelling/ zonder nadere motivering/onvoldoende om aannemelijk te maken dat de auteursgerechtigden Sasur niet slechts hebben gemachtigd om namens hen op te treden, maar tevens hun aanspraken op basis van de Auteurswet aan Sasur hebben overgedragen..”…” Dit leidt tot de gevolgtrekking dat naar het voorlopig oordeel van de Hof niet aannemelijk is geworden dat in casu sprake is van een eigen belang van Sasur, hetgeen tot gevolg heeft dat Sasur niet­ontvankelijk is in de subsidair gevorderde voorziening.”

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering

Sasur vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
– Opschort de beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 17 mei 2013 met [nummer 2], totdat daarover bij vonnis ten principale is beslist;
– De Staat verbiedt de aan Sasur gegeven bevoegdheid om bedrijfsmatig te bemiddelen inzake muziekauteursrecht zoals bedoeld in artikel 30 bis van de wet Auteursrecht 1013 of enige opvolger van die wet, in te trekken anders dan op wettelijk valide gronden, op straffe van een dwangsom;
– De Staat veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2 De grondslag
Sasur heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat er nimmer een grond was voor intrekking van de toestemming. Desondanks heeft de Staat toch de toestemming ingetrokken in 2012 en wederom in 2013. Deze tweede intrekking in 2013 vond plaats in een periode dat de Staat juist had beloofd om een bemiddelende rol te vervullen tussen Sasur en onwillige muziekgebruikers. In dat kader was door de Staat tijdens een overleg gevraagd dat de actoren hun knelpunten op papier zetten.In die fase van overleg is de intrekking van 17 mei 2013 aan Sasur betekend. Zonder dat Sasur daaraan voorafgaand is gehoord door de Staat of door de Commissie van Toezicht. Dit handelen is in strijd met de Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwensbeginsel, het hoorbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Sasur stelt voorts als grondslag dat de intrekking gestoeld zou moeten zijn op gronden genoemd in SB 2008 no. 134 en niet op de grond ”ieders veiligheid te garanderen”. De Staat heeft andere instrumenten om ieders veiligheid te garanderen stelt zij. Nu op de bedrijfsvoering van Sasur niets aan te merken viel volgens het Surinaams toezichthoudend orgaan en de internationale toezichthoudende organen, was er geen wettelijke grond om de toestemming in te trekken. Om die reden is de intrekking onrechtmatig. Sasur stelt dat zij grote schade lijdt door de intrekking.

3.3 Het verweer
De Staat heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

4. De beoordeling
Het verweer van de Staat

4.1 De Staat heeft als verweer onder andere de volgende tien punten aangevoerd:
1. Dat het niet juist is dat Sasur de auteursrechten op het wereldrepertoire zou hebben verkregen; dit blijkt noch uit de overeenkomst met IPRS, noch uit de overeenkomst met BUMA;
2. Sasur kan niet op eigen naam in rechte optreden teneinde de muziekauteursrechten van derden te handhaven, immers is er geen sprake van overdracht van de auteursrechten aan Sasur;
3. De Commissie van Toezicht was in 2008 benoemd voor drie jaar; hierdoor is er vanaf 2011 geen Commissie van Toezicht meer die toezicht heeft gehouden op de werkzaamheden van Sasur;
4. De Staat was hierna met het toezicht belast en genoodzaakt de toestemming in te trekken omdat er een eindeloos getouwtrek was welke reeds enkele malen dreigde te escaleren, en herhaalde pogingen van de Staat om het muziekauteursrechtenveld in rustig vaarwater te krijgen op niets uitliepen waarbij de wijze van optreden door Sasur slechts averechts werkte;
5. Het is gebleken dat toestemming bij voorkeur gegeven moet worden aan een organisatie waarvan de leden muziekauteurs zijn, hetgeen in het geval van Sasur niet het geval is;
6. Het is niet juist dat het hoorbeginsel is geschonden; de Staat heeft juist vele pogingen ondernomen om rust te brengen in het auteursrechten veld;
7. Sasur heeft geen schade omdat de muziekauteurs nog steeds op grond van de Auteurswet overeenkomsten kunnen sluiten met muziekgebruikers; ook kunnen de reeds gesloten mandaatsovereenkomsten nog worden gebruikt en naleving kan worden afgedwongen; door de intrekking van de toestemming zijn deze overeenkomsten niet aangetast;
8. De bodemprocedure is in de stand van repliek en deze procedure moet worden afgewacht;
9. De in dit geding gevraagde voorzieningen hebben het karakter van een verkapt hoger beroep. Sasur heeft geen gewijzigde feiten of omstandigheden gesteld die ten tijde van de behandeling van de eerder gemelde procedures niet aan de orde zijn geweest. De voorzieningenrechter heeft reeds in hoogste instantie beslist en thans dient het besluit van de bodemrechter te worden afgewacht; door deze vordering weer in te stellen maakt Sasur misbruik van procesrecht ;
10. De taak van de Staat om de veiligheid te garanderen kan niet worden beperkt en de intrekkingsgronden genoemd in de beschikking moeten daarom als valide worden aangemerkt.

De reactie van Sasur op het verweer

Sasur heeft op het verweer gereageerd en op de onder 4.1 opgesomde verweerpunten onder andere de volgende zaken naar voren:
Punt 1. Dat uit de overgelegde overeenkomsten van BUMA en IPRS juist wel blijkt dat de auteursrechten aan Sasur zijn overgedragen;
Punt 2. Dat Sasur door genoemde overdracht juist wel kan optreden in eigen naam;
Punt 3. Het gestelde omtrent de Commissie van Toezicht is niet juist; De commissie is in feruari 2009 ingesteld voor een periode van 1jaar; de in de wet genoemde termijn is vijf jaar en geen drie jaar; uit overgelegde krantenartikelen blijkt dat in elk geval in oktober 2011 en november 2011 de Commissie nog in stand was; dat Sasur in 2012 en 2013 nog brieven heeft verzonden naar de Commissie; dat, indien de Staat de Commissie niet conform de wet heeft bemenst, dat gegeven niet op het conto van Sasur kan worden geschreven;
Punt 4. Dat het toezicht op grond van de Wet is toevertrouwd aan de Commissie en de Staat niet ervan uit kan gaan dat de Minister met het toezicht belast is wanneer de Commissie niet bemenst is; er dient voorbij gegaan te worden aan de stelling dat er een eindeloos getouwtrek is ontstaan; in de praktijk was juist overleg onder auspicien van het Ministerie van Justitie en Politie en de Commissie van Toezicht; tijdens dit overleg heeft de Staat zoals zij dit zelf stelt pogingen ondernomen om het auteursrechtenveld in rustig vaarwater te krijgen; Sasur stelt dat, nu Sasur altijd volgens de regels heeft gewerkt en zich heeft geconfirmeerd aan de instructies van de Staat en de Commissie van Toezicht, het feit dat de pogingen van de Staat op niets uitliepen, onder de verantwoordelijkheid van de Staat vallen en niet onder die van Sasur; om die reden is het onrechtmatig om dan de toestemming van Sasur in te trekken; Het is niet juist te stellen dat de handelswijze van Sasur tot maatschappelijke onrust heeft geleid; de Staat en de Commissie van Toezicht hebben invloed op het te voeren beleid en de handelswijze van Sasur; het is niet mogelijk dat Sasur, terwijl de instructies van de Staat en de Commissie van Toezicht worden nageleefd, de oorzaak zou zijn van onrust;
Punt 5. Het is niet juist dat Sasur haar bestuursleden geen affiniteit hebben met het maken of schrijven van muziek; het bestuur bestaat uit drie componisten/tekstdichters en een muziekuitgever; voorts zijn alle deelnemers/ aangeslotenen ook muziekauteurs of auteursgerechtigden; Sasur voldoet evenals haar zusters internationaal aan de vereisten van een muziekauteursrechten organsiatie en is volwaardig lid van de wereldfederatie van auteursrechten organisaties, de Cisac;
Punt 6. Het hoorbeginsel is wel geschonden; Sasur is nooit gehoord omtrent het intrekken van de toestemming;
Punt 7. Sasur heeft wel schade, immers kan zij thans geen bemiddelingsactiviteiten meer uitvoeren ten behoeve van degenen die hun auteursrechten op haar hebben overgedragen; de bedrijfsvoering van Sasur is hierdoor nagenoeg lamgelegd en kan zij alleen nog maar verboden opleggen aan muziekgebruikers om muziek te gebruiken uit haar repertoire;
Punt 8. er kan niet gewacht worden op de uitkomst van de zaak in de bodemprocedure; die zaak is in september 2013 ingesteld en de Staat heeft keer op keer nagelaten te antwoorden; indien dat thans weer het geval zou zijn met het dupliek kan de zaak nog heel lang duren; het nadeel dat aan Sasur wordt berokkend loopt hierdoor alleen maar op;
Punt 9. Sasur heeft geen misbruik gemaakt van procesrecht want zij heeft wel gewijzigde feiten of omstandigheden genoemd1 onder andere in de punten 1, 3, 15, 6, 15 en 16 van het inleidend rekest. Het recht van Sasur om nogmaals in kort geding op te komen voor haar recht kan haar daarom niet ontnomen worden.
Punt 10. Dit verweer is ook niet juist; het feit dat muziekgebruikers gefaciliteerd zullen worden om rechtmatig gebruik te maken van muziekwerken is juist in het algemeen belang; een dergelijke facilitering kan niet worden aangemerkt als een handeling die de Staat beperkt in de uitoefening van haar wettelijke taken en bevoegdheden betreffende de veiligheid.

4.3 De Staat heeft in haar dupliek nogmaals als verweer aangevoerd dat dit kort geding een verkapte vorm van hoger beroep is en het opnieuw instellen van deze vordering in strijd is met de goede procesorde. Voorts dat het Hof van Justitie heeft beslist dat Sasur geen eigen belang heeft bij het gevorderde. Hierdoor is er een eindvonnis gewezen in de vordering tot intrekking van de beschikking. Om die reden moet de vordering worden afgewezen.

Het verweer betreffende het misbruik van procesrecht

4.4 De kantonrechter zal allereerst het verweer bespreken met betrekking tot het misbruik van procesrecht, onder 4.1 van dit vonnis opgenomen onder punt 9.In dit verweer is tevens vervat een beroep van de Staat op het gezag van gewijsde van het vonnis van het Hof van Justitie.

De vraag die beantwoord moet worden is de volgende: of Sasur, nadat het Hof in kort geding in hoogste instantie heeft beslist dat Sasur niet ontvankelijk verklaard zal worden in haar vordering omdat zij door het niet overleggen van de overeenkomsten waar zij naar verwijst niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij belang heeft bij de vordering, de vordering nogmaals bij de kortgeding rechter mag instellen, nu onder overlegging van de overeenkomsten teneinde haar belang aan te tonen.

4.5 De literatuur stelt onder andere omtrent niet-ontvankelijkheid (vide ”Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht ” – Hugenholtz/Heemskerk 13e druk pagina 86 en 87) ”Voor niet-ontvankelijkverklaring is aanleiding, als de vordering niet kan slagen om een reden, die buiten de zaak zelf is gelegen ……… In zuivere gevallen van niet-ontvankelijkverklaring kan eiser vaak opnieuw dagvaarden, mits hij ervoor zorgt1 dat de grond waarop hij niet-ontvankelijk is verklaard is weggevallen.”

Omtrent het gezag van gewijsde wordt het volgende gesteld (vide a.w. pagina 89) ”in hoeverre aan een afwijzend vonnis gezag van gewijsde toekomt, hangt af van de geschilpunten waarover de rechter een beslissing heeft gegeven. Afwijzing van de eis op grond van het niet vervuld zijn van een opschortende voorwaarde staat niet in de weg aan het opnieuw instellen van de eis na vervulling van de voorwaarde.”

4.6 In de rechtspraak is de volgende norm ontwikkeld met betrekking tot kort geding vonnissen (vide onder andere: LJN BB0138): ”Uitgangspunt is dat aan een kortgedingvonnis geen gezag van gewijsde toekomt. In latere procedures tussen dezelfde partijen staat, anders dan bij een uitspraak in een bodemprocedure het geval is, niet onbetwistbaar vast wat de rechter over hun rechtsbetrekking in een eerder kortgedingvonnis heeft beslist. Dit betekent dat ook in een later kort geding opnieuw een rechtsbetrekking van partijen aan de orde kan worden gesteld. Als dat gebeurt op precies dezelfde feiten en omstandigheden en met aanvoering van precies dezelfde gronden als in het eerdere kort geding, zal evenwel het belang bij het latere kort geding ontbreken dan wel zal dat misbruik van procesrecht kunnen opleveren, op grond waarvan de vordering in het latere kort geding moet worden afgewezen”. In dit kaderis onder andere in 2007 in de rechtspraak alsvolgt geoordeeld (vide LJN BA8346): ”in dit kort geding dient opnieuw te worden beoordeeld of de executie door geïntimeerde van het arrest van 25 januari 2001 rechtmatig is, tenzij de thans aangevoerde feiten en omstandigheden precies dezelfde zijn als in het kort geding dat is geeindigd met de uitspraak van dit hof van 25 juli 2006. Het Hof is van oordel dat dat laatste niet het geval is. Weliswaar speelt ook nu de vraag naar de verrekening van een vordering van appellante op geintimeerde een rol alsmede de vraag voor welk bedrag verrekend kan worden, maar daarbij speelt, anders dan in het kort geding in 2005/2006 thans ook een rol de vraag of in het verleden een beroep op verrekening is gedaan en of de verrekening heeft plaatsgevonden. Dat aspect heeft het hof uitdrukkelijk niet beoordeeld en daaromtrent zijn door appellante thans stukken overgelegd die in het vorige kort geding niet in het geding waren gebracht.”

4.7 De kantonrechter is van oordeel dat, in tegenstelling tot hetgeen de Staat aanvoert, in casu sprake is van een situatie waarbij Sasur in het andere kort geding in eerste aanleg naar de bodemrechter is verwezen en in hoger beroep het Hof van oordeel was dat Sasur heeft nagelaten haar belang aannemelijk te maken door de overlegging van de overeenkomsten. In geen der instanties is de vordering inhoudelijk beoordeeld.

4.8 Gelijk uit de literatuur en de rechtspraak blijkt is het geoorloofd dat Sasur dit maal wel middels overlegging van de overeenkomsten die volgens het Hof ontbraken, de vordering in stelt, onder de nieuwe omstandigheid dat over het belang door de overlegging van de overeenkomsten wel een oordeel kan worden gevormd. In het onderhavig kort geding zou dan voor de eerste maal een inhoudelijke beoordeling volgen van de vordering. De Staat kan op grond van het hiervoor overwogene niet stellen dat er al in hoogste instantie is beslist op de vordering en zich niet beroepen op het gezag van gewijsde noch op misbruik van proces-recht.

4.9 Op grond van het voorgaande verwerpt de kantonrechter dit verweer.

Het belang bij de vordering

4.10 De kantonrechter overweegt voorts dat de onder de punten 1 en 2 genoemde verweerpunten onder 4.1 van dit vonnis niet echt betrekking hebben op de grondslag, namelijk de grondslag dat de intrekking van de toestemming ongegrond is en onrechtmatig. De Staat voert onder de punten 1 en 2 aan dat Sasur niet de auteursrechten heeft op het wereldrepertoire en dat Sasur eigenlijk niet de auteursrechten overgedragen heeft gekregen van de buitenlandse muziekauters. Echter moet in casu nagegaan worden of de intrekking van de toestemming om te bemiddelen als onrechtmatig moet worden aangemerkt en niet of Sasur het wereldrepertoire heeft of dat in de overeenkomsten met buitenlandse organistaties de rechten wel of niet worden overgedragen.

4.11 Voor zover dit verweer enig verband heeft met de opvatting van de Staat dat Sasur geen belang heeft bij de vordering, zoals onder punt 7 van de weren opgesomd onder 4.1 van dit vonnis is opgenomen, overweegt de kantonrechter dat, nu Sasur met Surinaamse auteurs en

Met buitenlandse muziekauteursrechten-organisaties overeenkomsten heeft om te bemiddelen over muziekauteursrechten, Sasur voldoende belang heeft aangetoond bij de onderhavige vordering die betrekking heeft op de in de Auteurswet genoemde toestemming om te bemiddelen. Hiermee wordt dan ook dat verweer van de Staat genoemd onder punt 7 verworpen.

De gronden voor de intrekking van de toestemming

4.12 Sasur heeft als grondslag aangevoerd dat de intrekking van de toestemming onrechtmatig is jegens haar en derhalve de beschikking waarin de intrekking is vervat moet worden opgeschort totdat de bodemrechter over de rechtmatigheid van die intrekking heeft geoordeeld.

4.13 De kantonrechter zal de vraag of deze intrekking als onrechtmatig moet worden aangemerkt moeten beantwoorden aan de hand van de wet, met name de regelingen waarin de gronden voor intrekking van de toestemming zijn vastgelegd.

In de eerder aangehaalde ”Voorschriften Bemiddeling Auteursrecht” is de grond genoemd: ”indien degene aan wie de toestemming is verleend niet meer voldoende waarborg biedt voor de nakoming van de bepalingen van deze resolutie en voor een behoorlijke uitoefening van zijn bedrijf”.

4.14 Als gronden zijn in de beschikking genoemd:
”1. dat Sasur geen bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt na de kort geding procedure;
2. dat bij het verlenen van de beschikking van de Minister van Justitie van 21 april 2005 heel veel geruis in de samenleving is ontstaan nadat Sasur met haar activiteiten is aangevangen;
3. dat nadat die toestemming bij beschikking van 17 mei 2006 [nummer 3] voor onbepaalde tijd werd verleend, tumult binnen de Surinaamse samenleving is ontstaan en nog voortduurt;
4. dat het de taak van de Minister van Justitie en Politie is om op grond van artikel 16 van de Grondwet, waarbij een ieder recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid heeft, deze te garanderen;
5. dat artikel 42 van de Grondwet bepaalt dat de wet onder meer het algemeen belang met name de openbare orde waarborgt;
6. dat gegronde vrees bestaat dat door het aanhoudende tumult de veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht;
7. dat het noodzakelijk is ter garandering van ieders veiligheid, de verleende toestemming met onmiddellijke ingang in te trekken.”

4.15 In de weren zijn deze gronden door de Staat gemotiveerd, onder andere onder de punten 3,4 en 5 van punt 4.1 van dit vonnis. Sasur heeft de gronden betwist.

4.16 De kantonrechter overweegt allereerst dat, evenmin als in het eerder kort geding met arno. 120804, uit de hiervoor opgesomde gronden uit de beschikking duidelijk wordt op welke wijze de gestelde gronden ondergebracht kunnen worden onder de intrekkingsgrond genoemd in de ”Voorschriften Bemiddeling Auteursrecht” (resolutie van 15 januari 2005 no. 276/05). Ook in deze beschikking is er derhalve geen deugdelijke motivering aangetroffen daaromtrent.

4.17 De kantonrechter begrijpt uit het verweer van de Staat dat zij zich erop beroept dat zij de plicht heeft voor de veiligheid in de samenleving zorg te dragen en het op grond daarvan legitiem was de toestemming in te trekken. Zij stelt daaromtrent in haar 5e sustenu van antwoord: ” … wanneer gedaagde als overheid de informatie krijgt dat deze onrust een alsmaar grimmiger karakter krijgt kan zij niet anders dan uit het oogpunt van algemene veiligheid ingrijpen. Daarbij laat zij de belangen van Sasur enerzijds en de muziekgebruikers anderzijds volkomen in het midden.”

Het is de kantonrechter onduidelijk of de Staat daarmee bedoelt dat zij naast de grond genoemd in de ”Voorschriften Bemiddeling Auteursrecht” ook een andere grond kan aanwenden waarop zij de toestemming mag intrekken met name ”het waarborgen van de veiligheid van de samenleving.”

4.18 Een dergelijke opvatting, dat de Staat zich niet hoeft te houden aan de wettelijk voorgeschreven grond, en mag intrekken om willekeurige niet in de wet opgesomde redenen die de Staat aanwezig acht, is, gelijk Sasur stelt, strijdig met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod op willekeur. Daarnevens is het niet gebleken dat de Staat over deze redenen voor intrekking van de toestemming eerst met Sasur overleg heeft gepleegd, hetgeen ook in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het hoorbeginsel. Sasur heeft derhalve terecht deze beginselen als grondslag voor haar vordering aangevoerd.

4.19 Sasur heeft tegen de gronden van intrekking drie stellingen aangevoerd:
1. De staat heeft andere instrumenten om de veiligheid van de samenleving te waarborgen;
2. het enkele verstrekken van toestemming om te bemiddelen over auteursrechten kan niet tot onveiligheid leiden omdat het juist in het belang van de samenleving is dat de rechten van muziekauteursgerechtigden worden bewaakt.
3. het feit dat de Staat na pogingen daartoe niet in staat is om controverses op te lossen kan niet op het conto van Sasur geschreven worden, hetgeen wel gebeurt als de Staat om de controverses op te lossen de toestemming van Sasur intrekt.

4.20 De kantonrechter overweegt ten aanzien hiervan dat, gelijk uit de stellingen van partijen en de door Sasur overgelegde documenten blijkt, Sasur op geen enkel moment in strijd heeft gehandeld met instructies van de Staat of van de Commissie van Toezicht.

4.21 Voorts blijkt uit de taakstelling van de Commissie van Toezicht (SB 2008 no. 150) dat Sasur enkel na goedkeuring van de Commissie van Toezicht en daarmee indirect ook van de Staat, haar werkzaamheden kan uitvoeren, haar overeenkomsten kan opstellen of wijzigen, haar tarieven aan gebruikers kan aanbieden, of overeenkomsten of tarieven kan wijzigen. Voorts blijkt uit de taakstelling dat de Commissie maandelijks over de werkzaamheden van Sasur moet rapporteren aan de Minister en een accountant, aangewezen door de Commissie met de controle van de financiele administratie van Sasur is belast.

Zo blijkt uit dit reglement dat de Commissie van Toezicht:
1. instructies uitvoert door de Minister gegeven;
2. toezicht heeft op het innen en verdelen van de vergoedingen van Sasur;
2. Het bindend advies opstelt aan Sasur ten aanzien van de basis tariefcalculatie voor elke gebruikersgroep;
3. Optreedt als bemiddelaar bij tariefonderhandelingen tussen Sasur en een gebruiker, indien gewenst;
4. Maandelijks schriftelijke rapportages bij de Minister van Justitie indient over haar werkzaamheden en de werkzaamheden van Sasur;
5. Ten minste een maal per jaar vertegenwoordigers van groepen die muziekwerken in het openbaar uitvoeren of doen uitvoeren te horen en hen daarbij in de gelegenheid stelt de in hun kring levende wensen kenbaar te maken;
6. Erop toeziet dat Sasur aan rechthebbenden en betalingsplichtigen voldoende inzicht verschaft in haar algemeen en financieel beleid;
7. Erop toeziet dat de door Sasur geïnde vergoedingen op rechtmatige wijze verdeeld worden over de rechthebbenden;
8. Erop toeziet dat Sasur bij de uitoefening van haar werkzaamheden voldoende rekening houdt met de belangen van de betalingsplichtigen;
9. Erop toeziet dat Sasur een deugdelijke geschillenregeling voor rechthebbenden kent;
10 Erop toeziet dat Sasur met de door de Commissie benoemde accountant, richtlijnen opstelt voor de inrichting van de technische en financiele administratie van het bemiddelingsbureau;
11.Erop toeziet dat Sasur jaarlijkse gegevens als accountantsverklaringen en jaarverslagen aan de Commissie aanbiedt en de jaarverslagen openbaar maakt.

Daarnaast is in dit reglement opgenomen dat Sasur pas na schriftelijke goedkeuring van de Commissie:
1. een besluit mag nemen tot vaststelling of wijziging van modelovereenkomsten met rechthebbenden betreffende de uitoefening en handhaving van muziekauteursrechten;
2. Een besluit mag nemen tot toepassing van tarieven voor elke gebruikersgroep;
3. Een besluit mag nemen tot het bijwonen van de hoorzittingen van de Commissie.

4.22 De kantonrechter is van oordeel dat uit de wetgeving rond de auteursrechtbemiddeling blijkt van voldoende waarborgen voor alle belanghebbenden om er zorg voor te dragen dat eventuele probleemsituaties zouden kunnen worden aangestuurd door de Commissie van Toezicht en de Minister. Om die reden is de kantonrechter van oordeel dat, nu het is gesteld en niet betwist dat Sasur alle instructies door de Commissie gegeven heeft nageleefd, en er geen sprake is van de wettelijke grond voor intrekking van de toestemming, zij erop mag vertrouwen dat de gegeven toestemming in stand zal blijven.

4.23 De kantonrechter is van oordeel dat de grondslag, dat de intrekking als onrechtmatig moet worden aangemerkt, aannemelijk is geworden en zal het gevorderde onder Ivan het petitum dan ook toewijzen, met dien verstande dat opgeschort zal worden het besluit genoemd onder lb van de beschikking, immers handelt het onderhavig kort geding over dat gedeelte van de beschikking.

4.24 De kantonrechter overweegt ten aanzien van het onder II van het petitum gevorderde, dat het een gegeven is dat de Staat de bevoegdheid slechts kan intrekken op wettelijk valide gronden, waardoor Sasur bij dat gevorderde geen belang heeft, immers vloeit dat verbod voort uit de wet. Dat gevorderde zal daarom niet worden toegewezen.

4.25 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en de Staat veroordelen in de kosten van dit geding.

5. De Beslissing

5.1 Schort met onmiddellijke ingang op de werking van de beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 17 mei 2013 met [nummer 2] voor wat betreft het besluit genoemd onder 1b van die beschikking, namelijk de intrekking van de beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 21 april 2005 [nummer 4] (SB 2005 no. 65), houdende het verlenen van toestemming aan Sasur voor het als bedrijf verlenen van bemiddeling inzake muziekauteursrecht zoals gewijzigd bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 17 mei 2006 [nummer 3] (SB 2006 no. 58), totdat over de rechtmatigheid van die intrekking door de bodemrechter is beslist;

5.2 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

5.3 Veroordeelt de Staat in de kosten van dit geding aan de zijde van Sasur gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.170,= (eenhonderd en zeventig Surinaamse dollar);

5.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 26 februari 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2002-1

RB 2011, 51
Kantonrechter Eerste Kanton

19 november 2002, A.R. 024681 (beschikking)
(Mr. J.R. von Niesewand)

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het zijdens verzoekster gedaan verzoek hiertoe strekt, dat haar toestemming wordt verleend om, ter verzekering van haar recht op levering van het in het 2e “dat” van het verzoekschrift omschreven onroerend goed, ten laste van verweerder conservatoir beslag te doen leggen, met uitvoerbaarverklaring van de door Ons te geven beschikking op de minuut en op alle dagen en uren;

Overwegende, dat thans de vraag rijst of verzoekster conservatoir beslag mag leggen op het in het 2e “dat” van het verzoekschrift omschreven onroerend goed om aldus te verzekeren dat het niet aan een ander geleverd wordt;

Overwegende, dat dit naar Ons oordeel inderdaad kan;

Overwegende immers, dat verzoekster in casu er groot belang bij kan hebben dat het litigieuze onroerend goed haar geleverd wordt. Schadevergoeding is veelal slechts tweede keus. Indien in dergelijke gevallen conservatoire beslaglegging niet mogelijke zou zijn zou dit als een leemte in de wet beschouwd moeten worden;

Overwegende, dat het verlof tot beslaglegging verleend wordt nadat de schuldeiser de deugdelijkheid van bij het verlof ook het bedrag van de vordering, waartoe het beslag dient, wordt uitgedrukt, maar er bestaat geen noodzakelijkheid om het woord vordering aldus te interpreteren, dat het om een in geld luidende vordering moet gaan, terwijl naar Ons oordeel de bepaling, dat het bedrag van de vordering moet worden uitgedrukt alleen van toepassing is indien het wel om een dergelijke in geld uit te drukken vordering gaat en niet indien het een vordering tot levering van een bepaald goed betreft. In het laatste geval moet het de debiteur ook niet mogelijk zijn door zekerheidsstelling tot opheffing van het beslag te geraken, immers dan zou de beschermende functie van het beslag slechts zeer betrekkelijk zijn, en juist om de debiteur de gelegenheid te geven door zekerheidstelling het beslag te beëindigen dient het bedrag van de vordering bij het verlof bepaald te worden. Indien door zekerheidstelling het beslag niet opgeheven kan worden heeft vermelding van het bedrag van de vordering geen zin;

Overwegende, dat nu verzoekster haar recht op levering van het in het 2e “dat” van het verzoekschrift omschreven onroerend goed, genoegzaam blijkt uit de akte de dato 29 november 2001, betekend aan [naam], de debitor cessus, bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, G.O. Niekoop, de dato[datum], no.[nummer], dient het zijdens haar gedaan verzoek te worden ingewilligd;

Beschikkende

Verlenen verzoekster verlof, zulks ter verzekering van haar recht op levering daarvan, tot het doen leggen van conservatoir beslag op: een stuk grond groot 518,31 m2, op de kaart van de landmeter J.O.A. Mans, de dato [datum], aangeduid met de letters TUVW en met het nummer [nummer], deel uitmakende van het perceelland, groot 0,9213 ha., aangeduid met de letters BCEF, gelegen in het [distrikt] aan de [straat] en bekend als no. [nummer];

Verklaren deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren.

SRU-K1-1985-1

Kantonrechter Eerste Kanton
16 december 1985, A.R. 858554
(Mr. S. Gangaram Panday)

[eiser], wonende te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. E.C.M. Hooplot, advokaat, eiser in Kort Geding,

tegen

Kersten & Co N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Steenbakkerijstraat no. 27, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. F. Kruisland, advokaat, gedaagde in Kort Geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat eiser bij het inleidend op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minute gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser terzake als ten rekeste omschreven bij wege van voorschot te betalen de som van f.2000,- vermeerderd met de rente ad 6% ’s jaars vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening. Kosten rechtens;

Overwegende, dat te dienende dage, partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr. E.C.M .Hooplot en Mr. F. Kruisland, ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie van antwoord heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld, hebbende de gemachtigde van eiser tevens producties overgelegd, waarvan de inhoud, alsmede van de overgelegde producties, eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij vervolgens vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het spoedeisend karakter der vordering uit de aard der stellingen van de eiser voortvloeit;

Overwegende, dat uit de stellingen van partijen, in zoverre hier van belang, blijkt:

  1. dat eiser in dienst van gedaagde is (was) en is (was) tewerkgesteld bij de dochteronderneming N.V. Bedrijven Exploitatie Maatschappij tegen een laatstelijk genoten inkomen van f.297,50 per twee weken en f.12,50 kinderbijslag;
  2. dat gedaagde eiser bij schrijven van 17 mei 1985 met onmiddellijke ingang wegens dringende redenen heeft ontslagen, te weten wanprestatie (dienstweigering);
  3. dat er bij voormelde dochteronderneming een actie door (een deel) van de werknemers, waaronder eiser, werd gevoerd dat betrekking had op hun verhouding tot de C.K.C. werknemersbond;

Overwegende, dat tussen partijen verschil van opvatting bestaat over de betekenis van artikel 3 leden 2 en 3 van Decreet E-39 A (S.R.S. 1984 No. 102) als aanvulling van Decreet E-39 (S.R.S. 1983 No. l0), dat betrekking heeft op ontslag door een werkgever aan een werknemer op grond van dringende reden als bedoeld in artikel 1615p van het Burgerlijk Wetboek;

Overwegende, dat de gedaagde het ontslag aan de eiser bij schrijven van 20 mei 1985 heeft gemeld ingevolge artikel 3 lid 2 decreet E-39 A, waarop de Minister bij schrijven van 29 mei 1985 heeft gereageerd, waarbij in ieder geval aan gedaagde niet is kenbaar gemaakt dat er geen bezwaren bestaan tegen de opgegeven ontslagreden, doch waarbij de Minister de gedaagde heeft bericht het resultaat van de bemiddeling door de Bemiddelingsraad in deze te willen afwachten alvorens een besluit ingevolge artikel 3 lid 3 van bovengemeld decreet te nemen;

Overwegende, dat hoewel de Minister van Arbeid niet binnen 14 dagen als bedoeld in artikel 3 lid 3 van decreet E-39 A een besluit heeft genomen naar aanleiding van de ontslagmelding op 20 mei 1985 door gedaagde betreffende het ontslag aan eiser – welke termijn naar Ons voorlopig oordeel niet door de Minister kan en mag worden verlengd omdat dat decreet hem die ruimte niet laat – uit de regeling van decreet E-39 A en de strekking daarvan blijkt – naar Ons voorlopig oordeel – dat dat ontslag opgeschort blijft tot na het besluit van de Minister dat geen bezwaren bestaan tegen de opgegeven ontslagreden, daar de Wet in casu geen voorziening heeft gegeven voor het geval de Minister binnen 14 dagen na ontvangst van de ontslagmelding geen besluit heeft genomen, zoals dat wel bepaald is in artikel 5 lid 3 van decreet E-39 met betrekking tot de ontslagvergunning;

Overwegende, dat uit de nota van toelichting bij decreet E-39 A blijkt dat, indien de Minister niet kan toestemmen met de opgegeven reden, het ontslag ingevolge artikel 3 lid 3 geen rechtskracht heeft en blijft de dienstbetrekking van rechtswege voortduren, waarbij voor de werkgever, die zich met het besluit van de Minister niet kan verenigen, beroep op de onafhankelijke rechter openstaat;

Overwegende, dat uit het bovenoverwogene – naar Ons voorlopig oordeel – volgt dat totdat de Minister van Arbeid de ontslagreden niet heeft goedgekeurd of totdat de rechter als bovenaangehaald de ontslagreden, die de goedkeuring van die Minister niet kon wegdragen, toch als een dringende reden voor ontslag heeft aangemerkt, de dienstbetrekking tussen de werknemer en de werkgever voortduurt, en in casu dus tussen partijen, en heeft eiser recht op doorbetaling van salaris en andere vergoedingen;

Overwegende, dat Wij dus de door eiser gevraagde voorziening zullen toewijzen, – met uitzondering van de voldoening van de rente omdat daarvoor in de kortgeding procedure als de onderhavige geen ruimte is – daarbij voorbijgaand, aan zijn stellingen met betrekking tot de inhouding door gedaagde op het salaris van eiser ten behoeve van de bovengenoemde bond, omdat eiser daarop geen vordering heeft gegrond, met veroordeling van gedaagde, als de in het ongelijk gestelde partij, in de geding kosten,

Rechtdoende in Kort Geding

Veroordelen gedaagde om aan eiser bij wege van voorschot te betalen de som van f.2000,– (twee duizend gulden);

Verklaren dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Veroordelen gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.87,– (zeven en tachtig gulden).

SRU-K1-1990-1

Kantonrechter Eerste Kanton
5 juni 1990, A.R. 900842
(Mr. E.S. Ombre)

De Surinaamse Stichting Diakonessenarbeid rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. B.A. Halfhide, advokaat, eiseres,

tegen

De Bond van Personeel bij het Diakonessenhuis, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Zinniastraat no. 64 voor wie als gemachtigde optreedt Mr. A.R. Baarh, advokaat, gedaagde,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken, waaronder meer bepaald een afschrift van het op 22 mei 1990 tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis, alsmede het proces-verbaal van de door Ons bevolen en gehouden comparitie van partijen d.d. 25 mei 199O;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat Wij hier overnemen hetgeen daaromtrent in voormeld vonnis is overwogen;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, de gemachtigden van partijen in persoon, die hebben verklaard, gelijk in het vorenaangehaald – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat Wij ook hier overnemen hetgeen daaromtrent in voormeld vonnis is overwogen;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiseres bij gelegenheid van de eerste behandeling van deze zaak heeft verzocht in het petitum het woord ”of” op de door hem aangewezen plaatsen te wijzigen in ”dan wel”, voorts het getal 26 te wijzigen in 27 en, op een enkele plaats, het woord ”en” in te voegen;

Overwegende, dat het om onbeduidende wijzigingen gaat en gedaagde zich daartegen niet heeft verzet, zodat het verzoek zal worden ingewilligd;

Overwegende, dat volgens de bewoordingen van onderdeel I.a. van het petitum het verlangde declaratoir betrekking heeft op alle werknemers van eiseres, doch uit de stellingen van het inleidend rekest (onder andere het 9e, 10e en 12e sustenu) duidelijk blijkt dat dit onderdeel moet worden opgevat als slechts betrekking hebbend op die werknemers, die in het kader van de ten rekeste bedoelde vakbondsaktie niet dan wel slechts gedeeltelijk hebben gewerkt;

Overwegende, dat, wat de zaak zelve betreft, op grond van hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds is erkend, danwel niet of onvoldoende is weersproken, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, rechtens vaststaat;
dat gedaagde een vakorganisatie is, die opereert binnen de onderneming van eiseres, en waarmee eiseres op de voet van de artikelen 1 en 3 van de Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst overeenkomsten van de zojuist genoemde soort is aangegaan, laatstelijk op 11 juli 1988;

dat vorenbedoelde collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) door gedaagde bij brief van 25 oktober 1988 is opgezegd en per 31 december 1988 is geëxpireerd;

dat partijen zijn aangevangen met onderhandelingen teneinde tot sluiting van een nieuwe CAO te geraken, zonder evenwel (volledige) overeenstemming te bereiken;

dat gedaagde bij brief van 7 december 1989 aan de direktie van het Diakonessenhuis (kennelijk eiseresses onderneming), voor zover hier van belang, heeft medegedeeld dat het personeel ”per heden, 7 december 1989” in aktie is;

dat nadat gedaagde hem daartoe instruktie had gegeven, meerdere werknemers van eiseres gedurende de periode 7 december tot en met 27 december daaraanvolgend in collectief verband de van hen bedongen arbeid niet op de gebruikelijke wijze en overeenkomstig het werkschema hebben verricht;
dat ongeveer 70 van de circa 700 personeelsleden in staking zijn gegaan;

dat het aktievoerend personeel van de apotheek en het laboratorium geen diensten ten behoeve van poliklinische patiënten heeft verricht;

dat op enkele andere afdelingen dan de apotheek en het laboratorium tijdens de aktiedagen in het geheel niet is gewerkt;

dat eiseres bij de loonuitbetaling ultimo december 1989 en ultimo januari 1990 op grond van het opzettelijk geheel niet dan wel gedeeltelijk verrichten van werkzaamheden door de aktievoerende werknemers de volgende loonkortingen heeft toegepast;
a. bij de aktievoerende personeelsleden van apotheek en laboratorium 100% van het loon voor niet gewerkte dagen en 30% voor gedeeltelijk gewerkte dagen;
b. bij de overige aktievoerende personeelsleden 100% van de niet gewerkte dagen;

Overwegende, dat, rekening houdend met hetgeen hierboven omtrent onderdeel I.a. van het petitum is overwogen, eiseresses vorderingen, zakelijk weergegeven, hierop neerkomen;
a. dat voor recht zal worden verklaard dat zij over de periode 7 december 1989 tot en met 27 december 1989 – geheel of gedeeltelijk – geen loon verschuldigd was aan de aktievoerende werknemers en voorts dat zij gerechtigd was de door haar gepleegde loonkortingen te verrichten;
b. dat voor recht zal worden verklaard dat zij, geheel of gedeeltelijk, geen loon over een bepaalde periode aan haar werknemers verschuldigd is indien deze werknemers in collectief verband de van hen bedongen arbeid in het geheel niet of slechts gedeeltelijk verrichten;
c. dat gedaagde zal worden veroordeeld de hierboven bedoelde beslissingen te gehengen en te gedogen;

Overwegende, dat gedaagde als verweer allereerst heeft aangevoerd (zie o.m. proces-verbaal van comparitie van partijen) dat eiseres haar vorderingen tegen de werknemers individueel had moeten instellen en niet tegen gedaagde, omdat de litigieuze inhoudingen zijn gepleegd op het loon van de werknemers en zij de meest-belanghebbende zijn;

Overwegende, met betrekking hiertoe, dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende, betwist rechtens vaststaat dat gedaagde aan eiseres heeft bericht dat zij de gepleegde loonkortingen onrechtmatig acht; voorts, dat gedaagde in verband met het voorgaande akties, die naar hun aard werkneerlegging, werkonderbreking of werkverstoring zijdens haar leden inhouden, tegen eiseres ondernam, althans daartoe aanzette;

Overwegende, dat eiseres, gelet op het voorgaande, wel degelijk belang erbij heeft dat tegen gedaagde wordt vastgesteld of zij tot het verrichten van vorenbedoelde loonkortingen gerechtigd is;

Overwegende, dat het hierboven bedoeld verweer dan ook niet opgaat;

Overwegende, dat in dit geding allereerst aan de orde is de vraag of eiseres aan haar werknemers, die in het kader van de hierboven bedoelde vakbondsaktie de van hen bedongen arbeid in het geheel niet of slechts gedeeltelijk hebben verricht loon verschuldigd is;

Overwegende, dat voor de beantwoording van deze vraag van belang zijn artikel 1614b van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat geen loon verschuldigd is voor de tijd, gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht en artikel 1614d van het Burgerlijk Wetboek, volgens hetwelk de werknemer zijn aanspraak op het naar tijdsruimte vastgesteld loon in de in dat artikel nader omschreven gevallen niet verliest indien hij bereid was de bedongen arbeid te verrichten;

Overwegende, dat artikel 1614d niet van toepassing is, omdat de aktievoerende werknemers uiteraard, niet bereid waren de bedongen arbeid te verrichten;

Overwegende, dat derhalve op het onderhavig geval van toepassing is het in artikel 1614b neergelegde beginsel ”geen arbeid, geen loon”;

Overwegende, dat het voor de toepassing van laatstvermeld artikel niet toe doet of het niet verrichten van arbeid te wijten is aan de schuld van een der partijen en Wij, anders dan gedaagde betoogt, dan ook niet behoeven na te gaan of de akties aan eiseresses beweerde trainerende opstelling bij de onderhandelingen zijn te wijten;

Overwegende, dat eiseres derhalve geen loon verschuldigd is aan haar werknemers, die gedurende de periode 7 december 1989 tot en met 27 december daaraanvolgend de van hen bedongen arbeid in het geheel niet hebben verricht;

Overwegende, dat bovenvermeld beginsel meebrengt, dat eiseres aan haar werknemers, die gedurende voormelde periode slechts gedeeltelijk hebben gewerkt, geen loon verschuldigd is voor de tijd gedurende welke zij de bedongen arbeid niet hebben verricht;

Overwegende, dat de vraag zich stelt op welke wijze het bedrag, dat mag worden gekort op het loon van de werknemers die slechts gedeeltelijk hebben gewerkt, moet worden berekend;

Overwegende, dat het in casu gaat om een deel van de werknemers, werkzaam in de apotheek en het laboratorium, welke werknemers – zoals rechtens vaststaat geen diensten ten behoeve van de poliklinische patiënten hebben verricht – en die bovendien volgens eiseres hun werk vroegtijdig hebben verlaten, hetgeen door gedaagde wordt betwist;

Overwegende, dat volgens eiseres de opbrengst van de diensten die door haar apotheek en laboratorium aan klinische en poliklinische patiënten worden verleend, naar de soort patiënt, verdeeld is in de verhouding 60% staat tot 40%;

Overwegende, dat eiseres het percentage van het loon, dat zij heeft gekort op het loon van de aktievoerende personeelsleden van apotheek en laboratorium die gedeeltelijk hebben gewerkt, heeft gerelateerd aan het produktieverlies dat zij beweerdelijk heeft geleden door het niet verrichten van diensten en ten behoeve van poliklinische patiënten, zij het om haar moverende redenen niet boven bedoelde 40% proces heeft ingehouden maar 30%;

Overwegende, dat op grond van overgelegde produkties rechtens vaststaat dat het loon van de werknemers, op wier loon laatstvermeld percentage is ingehouden, naar tijdsruimte is vastgesteld;

Overwegende, dat het naar tijdsruimte vastgesteld loon van dag tot dag wordt verdiend en eiseres gehouden is aan haar werknemers loon te betalen voor elke dag en elk uur waarop zij hebben gewerkt;

Overwegende, dat Wij dan ook van oordeel zijn dat eiseres in beginsel slechts gerechtigd was wegens het niet verrichten van de bedongen arbeid gedurende een bepaalde tijd op het loon van de bedoelde werknemers slechts dat bedrag in te houden, dat die werknemers gedurende die tijd normaliter zou hebben verdiend;

Overwegende, dat een andere wijze van berekening wellicht zou zijn te rechtvaardigen, indien deze tot hetzelfde resultaat voert als hiervoor bedoeld of indien bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien de tijd gedurende welke niet is gewerkt niet of slechts met redelijkerwijs niet te vergen inspanning zou kunnen worden vastgesteld, daartoe zouden nopen;

Overwegende, dat omtrent het voorgaande evenwel niets is gesteld of gebleken;

Overwegende, dat Wij op grond van al het voorgaande van oordeel zijn dat onderdeel I.a. van het petitum slechts in voege als na te melden toewijsbaar is;

Overwegende, dat het onder I.b. van het petitum bedoelde declaratoir kennelijk wordt gevorderd, omdat, zoals eiseres onbetwist en zakelijk weergegeven aanvoert, gedaagde heeft gesteld ook in de toekomst terzake van eventuele loonkortingen akties te zullen ondernemen of daartoe te zullen aanzetten;

Overwegende, dat eiseres kennelijk meent in de toekomst bescherming tegen akties van gedaagde nodig te zullen hebben, maar geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan het wenselijk zou zijn om zich reeds thans door het verkrijgen van bovenbedoeld declaratoir van die bescherming te verzekeren;

Overwegende, dat eiseres derhalve geen belang heeft bij onderdeel I.b. van het petitum en dit onderdeel niet toewijsbaar is;

Overwegende, dat waar de vorderingen, omschreven in de onderdelen I.a. en I.b. van het petitum tegen de gedaagde zijn gericht en de op die vorderingen te geven beslissingen haar dus binden, niet is in te zien welk profijt eiseres zal hebben van een veroordeling van gedaagde om die beslissingen te gehengen en te gedogen;

Overwegende, dat eiseres mitsdien geen belang heeft bij onderdeel I.c. van het petitum en het aldaar gevorderde zal worden afgewezen, evenals de gevraagde uitvoerbaarverklaring bij voorraad, welke niet op de wet steunt;

Overwegende, dat op grond van al het voorgaande als volgt zal worden beslist, waarbij gedaagde als de in het ongelijke gestelde partij in de proceskosten zal worden verwezen;

Rechtdoende
A. Staan het verzoek van eiseres om het petitum te mogen wijzigen, een en ander als Ons vonnis van 22 mei 1990 onder de feiten is weergegeven, toe;
B. Verklaren voor recht dat eiseres aan haar werknemers, die gedurende de periode 7 december 1989 tot en met 27 december 1989 in collectief verband de werkzaamheden, waartoe zij zich jegens eiseres hebben verbonden, niet hebben verricht geen loon verschuldigd is en aan die werknemers, die gedurende voormelde periode slechts gedeeltelijk de van hen bedongen arbeid hebben verricht slechts een deel van het loon verschuldigd is;

Veroordelen gedaagde in de proceskosten aan zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.75,– (vijf en zeventig gulden)

Wijzen af hetgeen meer of anders is gevorderd; enz.