SRU-K1-2000-1

Kantonrechter Eerste Kanton
5 oktober 2000, A.R. 202749
(Mr. J.R. von Niesewand)

  • [eiseres sub 1], wonende aan [adres 1] te [district],
  • [eiseres sub 2], wonende aan [adres 2] te [district],
  • [eiseres sub 3], wonende aan [adres 3] te [district],
  • [eiseres sub 4], wonende aan [adres 4] te [district],
  • [eiseres sub 5], wonende aan [adres 5] te [district],
  • [eiseres sub 6], wonende aan [adres 6] te [district],
  • [eiseres sub 7], wonende aan [adres 7] te [district],
  • [eiseres sub 8], wonende aan [adres 8] te [district],
  • [eiseres sub 9], wonende aan [adres 9] te [district],
  • [eiseres sub 10], wonende aan [adres 10] te [district],

door wie tot hun aller gemachtigde is aangesteld, Mr. R. Sohansingh, advokaat, eiseressen in kort geding,

tegen

De Surinaamse Luchtvaartmaatschappij N.V. rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende aan de Coppenamestraat 136 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. F. Kruisland, advokaat, gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eiseressen bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden hebben gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren:

Primair:

Gedaagde zal worden veroordeeld de dienstbetrekking binnen 1 x 24 uur na uitspraak met eiseressen volledig te herstellen met dien verstande dat eiseressen hun werkzaamheden bij gedaagde ongewijzigd kunnen uitoefenen tegen het aan hun toekomend salaris en overige overeengekomen voorzieningen, onder verbeurte van een dwangsom van ƒ.2.000.000,– per dag per eiseres, voor elke dag dat gedaagde in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen.

Subsidiair:

Gedaagde zal worden veroordeeld:

  • aan eiseressen zonodig bij wege van voorschot te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting, 99% van hun salaris zoals genoten in de laatste maand voor de aanzegging tot beëindiging van het dienstverband totdat de dienstbetrekking met eiseressen op regelmatige wijze is beëindigd;
  • Eiseressen toegang te verlenen tot het gebruik maken van de in gedaagde haar bedrijf voorkomende voorzieningen;
  • tot het betalen van een dwangsom van ƒ.1.000.000,– voor ieder keer dat zij eiseressen, gezamenlijk dan wel afzonderlijk, bedoelde voorzieningen mochten weigeren dan wel onthouden.

Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr. R. Sohansingh en Mr. F. Kruisland ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiseressen voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de door Ons bevolen pleidooi tevens comparitie van partijen is gehouden, waarbij zijn verschenen eiseressen bijgestaan door hun gemachtigde en gedaagde vertegenwoordigd door de heren I. Bergen en T. Tien Chung en hun gemachtigde, die hebben verklaard gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt en hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage bepaald voor uitlating zijdens eiseressen over door gedaagde overgelegde produkties, de gemachtigde van eiseressen een schriftelijke conclusie heeft overgelegd welke hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat vooraf zij opgemerkt dat in casu sprake is van samenvoeging van vorderingen van eiseressen welke samenvoeging Wij toestaan nu de onderscheidene vorderingen tot elkaar in zodanige samenhang staan dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen;

Overwegende, dat, naar blijkt uit de gehouden pleidooien, tussen elk der eiseressen en gedaagde zijn gesloten op respektievelijk 28 augustus 1995 een arbeidsovereenkomst krachtens welke overeenkomst elk der eiseressen te werk gesteld wordt bij gedaagde als Stewardess tegen een salaris van US$ 147,39 per maand omgezet naar de Surinaamse munteenheid tegen de voor gedaagde geldende administratiekoers van de maand waarin het recht op deze uitbetaling wordt gerealiseerd aanvangende op 28 augustus 1995 en met inachtneming van een proeftijd van twee maanden, eindigende op 27 augustus 1996; 22 augustus 1996 een arbeidsovereenkomst krachtens welke overeenkomst elk der eiseressen te werk gesteld wordt bij gedaagde als Stewardess tegen een salaris van US$ 158,89 per maand, omgezet naar de Surinaamse munteenheid tegen de voor gedaagde geldende administratiekoers van de maand waarin het recht op deze uitbetaling wordt gerealiseerd, aanvangende op 28 augustus 1996 en eindigende op 27 augustus 1999, 13 augustus 1999 een arbeidsovereenkomst krachtens welke overeenkomst elk der eiseressen te werk gesteld wordt bij gedaagde als Stewardess tegen een salaris van US$ 466,01 per maand, omgezet naar de Surinaamse munteenheid tegen de voor gedaagde geldende administratiekoers van de maand waarin het recht op deze uitbetaling wordt gerealiseerd aanvangende op 28 augustus 1999 en eindigende op 27 augustus 2000;

Overwegende, dat, naar tussen partijen vaststaat, elk der eiseressen van gedaagde een schrijven, gedateerd 5 juli 2000, heeft ontvangen waarin aan elk der eiseressen door gedaagde de mededeling is gedaan dat het dienstverband tussen elk der eiseressen en gedaagde ophoudt te bestaan per 27 augustus 2000;

Overwegende, dat eiseressen zich op grond van het gestelde in het 3e “sustenu” van het verzoekschrift, hetwelk als in dit vonnis letterlijk herhaald en geïnsereerd wordt aangemerkt, in casu hierop beroepen, dat de tweede en de derde met hen, eiseressen, gesloten overeenkomsten van arbeid nietig c.q. vernietigbaar zijn wegens, naar uit de gehouden pleidooien blijkt, strijdigheid met artikel 13 Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst “(G.B. 1962 no. 106)”.

Overwegende, dat eiseressen tijdens de gehouden pleidooien hun standpunt ter zake hebben verduidelijkt, hebbende zij naar voren gebracht, dat de tweede en de derde arbeidsovereenkomst van rechtswege nietig zijn op grond van het gestelde in het 3e “sustenu” van het verzoekschrift, terwijl gedaagde van oordeel is dat die overeenkomsten vernietigbaar zijn ter adstructie waarvan gedaagde zich beroepen heeft op het 3e lid van artikel 13 Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst, luidende: “De nietigheid als in lid 1 bedoeld, kan steeds worden ingeroepen door elk der partijen bij de collectieve arbeidsovereenkomst”; in casu dient derhalve, aldus gedaagde verder, een beroep te worden gedaan op aan de overeenkomst klevend gebrek, terwijl tevens de nietigverklaring door de Rechter bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis nodig is;

Overwegende, dat “De huidige wet verklaart in artikel 12 lid 1 (artikel 13 lid 1 Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst, G.B. 1962 no. 106), het strijdige beding van rechtswege nietig en zegt uitdrukkelijk: “in plaats van zodanig beding gelden de bepalingen der collectieve arbeidsovereenkomst”.

“De nietigheid van rechtswege” zo lezen we in de Memorie van Toelichting ”is de logische consequentie van de hegemonie van de collectieve arbeidsovereenkomst op het individuele contract. Ene voorwaarde voor die hegemonie is dat werkgever en arbeider beiden door de collectieve arbeidsovereenkomst gebonden zijn”. Het tweede lid van artikel 12 (artikel 13 lid 3 Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst, G.B. 1962, no. 106), is eigenlijk een overbodig aanhangsel. Dit blijkt reeds uit de laatste alinea van de geciteerde passage uit de Memorie van Toelichting. De bedoeling, die bij de opneming van dit tweede lid voorzat is echter geweest – zie wederom de geciteerde passage uit Memorie van Toelichting – uitdrukkelijk in de wet vast te leggen, dat de partijen bij het collectief contract “in elk geval” de nietigheid van het strijdige beding kunnen inroepen en dat wel: “zonder dat zij verplicht zijn, haar belang aan te tonen” (zie Kortenhorst en van Rooy, De collectieve arbeidsovereenkomst, 1930, blz. 115 e.v.);

Overwegende, dat gedaagde wijders heeft betoogd, aldus dat betoog opvattend, dat de bepalingen in een collectieve arbeidsovereenkomst in drie groepen te verdelen zijn:
– de horizontale (of normatieve); deze worden doorgaans de bepalingen genoemd die bij het van kracht worden van de collectieve arbeidsovereenkomsten deel zullen uitmaken van de individuele arbeidsovereenkomsten zoals bepalingen omtrent lonen, arbeidstijd, vakantieregeling en dergelijke;
– de obligatoire: deze noemt men de bepalingen die rechtstreeks bindend zijn voor de organisaties die de collectieve arbeidsovereenkomst hebben afgesloten, zoals bijv. de vredes- en beïnvloedingsplicht;
– de diagonale: waaronder wordt verstaan de verplichtingen, die te rusten komen op de leden van één van de organisaties die de collectieve arbeidsovereenkomst hebben afgesloten jegens de vereniging, die als wederpartij bij de collectieve arbeidsovereenkomst is opgetreden, zoals bijvoorbeeld bepalingen omtrent veiligheidsvoorschriften;

Overwegende, dat, wanneer het een arbeidsovereenkomst betreft, aldus gedaagde, er sprake is van een normatieve bepaling; dat dat niet het geval is wanneer het betreft een bepaling in een collectieve arbeidsovereenkomst met betrekking tot de duur van een arbeidsovereenkomst; dat wanneer het om het aangaan van een overeenkomst gaat, geldt artikel 1341 BW dat een regel is van openbare orde; dus kan niet in strijd hiermede een normatieve bepaling in een collectieve arbeidsovereenkomst worden opgenomen; dat hetgeen in artikel 5.3 sub. a van de collectieve arbeidsovereenkomst opgenomen is, niet als een normatieve bepaling kan worden aangemerkt, brengt dus geen nietigheid van rechtswege met zich; evenwel zou wel sprake zijn van schending van een obligatoire verplichting van de zijde van gedaagde jegens de Bond van het personeel werkzaam bij de Surinaamse Luchtvaart Maatschappij; dat van een overeenkomst in strijd met de openbare orde en goede zeden geen sprake is, van nietigheid van rechtswege mitsdien ook niet, wel van vernietigbaarheid, ten aanzien waarvan zowel materieelrechtelijk als procesrechtelijk consequenties zijn en wel in deze zin dat in dit geval de overeenkomst van kracht blijft zolang zij niet bij rechterlijk vonnis op daartoe strekkende vordering van een van de zich benadeeld voelende partijen is vernietigd dan wel nietig verklaard; dat wat in casu gevorderd is, in strijd is met de bepalingen van de overeenkomst;

Overwegende, dat het zijdens gedaagde betoogde, wat daarvan ook moge zijn, Ons er niet van weerhouden mag op te merken, dat in de artikelen 12 en 13 (art. 13, leden 1 en 3 en 14 Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst G.B. 1962 no. 106) Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst de automatische en dwingende doorwerking van cao-bepalingen in de individuele arbeidsovereenkomsten geregeld is zonder dat daarbij een onderscheid, laat staan een scheiding gemaakt wordt tussen cao-bepalingen betreffende de vorm van de individuele arbeidsovereenkomsten en C.A.O. bepalingen betreffende de inhoud van de individuele arbeidsovereenkomsten. Met het oog op het doel van de cao komt het Ons dan ook niet juist voor hier een scheiding te maken in die zin, dat laatstgenoemde cao-bepalingen wel en eerst genoemde cao-bepalingen niet de normatieve werking krachtens artikel 12 en 13 (art. 13, leden 1 en 3 en 14 Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst G.B. 1962 no. 106) Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst hebben.

Het doel van de collectieve arbeidsovereenkomst is toch mede bescherming van de economisch zwakke werknemer tegen het overwicht van zijn wederpartij, de werkgever. De Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst geeft de normatieve werking krachtens de artikelen 12 en 13 (art. 13, leden 1 en 3 en 14 Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst, G.B. 1962 no. 106) Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst van cao-bepalingen ten opzichte van bepalingen in de individuele arbeidscontracten als belangrijkste middel om dit doel na te streven. Daar de betekenis van vormvoorschriften eveneens omschreven kan worden als bescherming van de zwakke partij tegen het overwicht van haar wederpartij, levert de normatieve werking van de artikelen 12 en 13 (artikel 13, leden 1 en 3) en 14 Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst, G.B. 1962, no. 106) Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst bij cao-bepalingen betreffende de vorm der individuele arbeidsovereenkomsten daarvoor wel een middel bij uitstek op. Daarom mag Ons inziens ook aan deze cao-bepalingen die werking niet ontzegd worden (zie A. Wiersma in N.J. 1977, blz. 352);

Overwegende, dat eiseressen het gelijk dan ook aan hun kant hebben;

Overwegende, dat gedaagde zich ook hierop beroepen heeft, dat eiseressen zich thans niet te goeder trouw kunnen beroepen op nietigheid van de 2e en de 3e arbeidsovereenkomst nu zij, eiseressen, wisten wat er aan de hand was, hebbende gedaagde ter gelegenheid van de gehouden comparitie van partijen ter zake een en ander verduidelijkt, en wel zo dat zij – eiseressen – bewust met gedaagde die overeenkomsten zijn aangegaan, hebbende eiseressen, aldus gedaagdes verweer opvattend, hun recht zich te beroepen op nietigheid verwerkt;

Overwegende, dat, nog daargelaten dat eiseressen ontkend hebben te hebben geweten wat er aan de hand was, Wij opmerken, dat, ook al was hen bekend wat er aan de hand was, gedaagdes beroep haar in casu niet vermag te baten: “niet reeds het feit dat de uitoefening van een recht in strijd met de goede trouw is, staat aan de uitoefening in de weg, zij is slechts dan niet toegestaan als het onbetamelijk is de schuldenaar aan haar verplichting te houden”; (zie: Geschriften van Houwing, p. 419, nt. 42); gedaagde heeft, naar Ons gebleken is, te dien aanzien niet aan haar stelplicht voldaan, hebbende zij immers nagelaten feiten en omstandigheden aan te dragen die Ons tot het oordeel zouden doen komen dat gedragingen van eiseressen maken dat uitoefening van het recht zich in casu op nietigheid te beroepen, onbetamelijk is;

Overwegende, dat, naar uit de tweede en de derde arbeidsovereenkomst blijkt, partijen, telkens bij het sluiten van die overeenkomsten, de collectieve regeling in artikel 5.3 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst, ten aanzien van de duur van de dienstbetrekking, ter zijde hebben gesteld, wat niet had gemogen;

Overwegende, dat de nietigheid van rechtswege van de bedingen in gemelde arbeidsovereenkomsten in casu terugwerkende kracht heeft tot op het moment dat de nietige bedingen tot stand kwamen;

Overwegende, dat, naar Wij ervan uitgaan, in aansluiting bij de arbeidsovereenkomst van 28 augustus 1995, op 22 augustus 1996 een nieuwe arbeidsovereenkomst is aangegaan ten aanzien van de duur van de voortzetting van welke nieuwe arbeidsovereenkomst, nu de bedingen in die arbeidsovereenkomst met betrekking tot de duur van de dienstbetrekking van rechtswege nietig zijn op grond waarvan partijen geacht worden niets te zijn overeengekomen, de voortzetting geacht wordt te zijn geschied voor dezelfde tijd als aanvankelijk was overeengekomen, dus voor één jaar, achtende Wij zulks, gelet op de gegeven omstandigheden, voor de eiseressen gunstiger;

Overwegende, dat, naar Wij er eveneens van uitgaan, in aansluiting bij de arbeidsovereenkomst van 22 augustus 1996, op 13 augustus 1999 andermaal een nieuwe arbeidsovereenkomst is aangegaan ten aanzien van de voortzetting van welke nieuwe arbeidsovereenkomst, nu de bedingen in die arbeidsovereenkomst met betrekking tot de duur van de dienstbetrekking van rechtswege nietig zijn op grond waarvan partijen geacht worden niets te zijn overeengekomen, de voortzetting eveneens geacht wordt te zijn geschied voor de zelfde tijd als aanvankelijk was overeengekomen, dus ook voor één jaar, achtende Wij zulks eveneens, gelet op de gegeven omstandigheden, voor de eiseressen gunstiger;

Overwegende, dat, naar thans blijkt, de voortgezette overeenkomsten en elk een bepaalde eind datum hebben;

het bereiken van de einddata deed echter de overeenkomsten niet van rechtswege eindigen zoals kan worden afgeleid uit het door gedaagde aan elk van de eiseressen gerichte brief d.d. 5 juli 2000;

Overwegende, dat beëindiging van de dienstbetrekking van elk van de eiseressen in casu slechts zou kunnen plaatsvinden door middel van opzegging na ontslagvergunning door of namens de Minister van Arbeid en Sociale Zaken, waarvan in casu niets gebleken is;

Overwegende, dat Wij, naar aanleiding van hetgeen in casu primair gevorderd is, opmerken, dat het antwoord op de vraag of gedaagde als werkgeefster verplicht is elk van de eiseressen als werkneemster in staat te stelten de overeengekomen arbeid te verrichten in het kader van de in artikel 1640ij BW omschreven verplichting van de werkgeefster, gedaagde, zich als een “goed werkgever” te gedragen, afhangt van de aard van de dienstbetrekking, van de overeengekomen arbeid, alsmede van de bijzondere omstandigheden;

Overwegende, dat nu de omstandigheden, door gedaagde ter gelegenheid van de gehouden inlichtingen comparitie aangevoerd, naar Ons voorlopig oordeel, niet zodanig van aard zijn dat die Ons ervan zouden weerhouden gedaagde te bevelen elk der eiseressen toe te laten tot haar werk als Stewardess, zullen Wij beslissen als in het dictum te melden;

Rechtdoende in Kort Geding
Bevelen gedaagde binnen 1 x 24 uur na deze uitspraak elk der eiseressen toe te laten tot haar werk als Stewardess bij haar gedaagde en elk van de eiseressen de gelegenheid te bieden haar werk optimaal en ongewijzigd uit te oefenen tegen het aan elk van de eiseressen toekomend salaris en toekomende overige voorzieningen als overeengekomen, onder verbeurte van een dwangsom van ƒ.2.000.000,– (Twee Miljoen Gulden) per dag aan elk van de eiseressen voor elke dag dat gedaagde in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen;

Verklaren dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren;

Weigeren het meer of anders gevorderde.

SRU-K1-2001-2

Kantonrechter Eerste Kanton in Kort Geding
16 november 2000, A.R. 992233
(Mr. J.R. Von Niesenwand)

a. [eiseres sub a], weduwe van [naam], en

b. [eiseres sub b], gehuwd [naam], beiden wonende te [district], door wie tot hun beider als gemachtigde is aangesteld, Mr. Marja I. Vos, advocaat, eiseressen in kort geding,

tegen

De Stichting Rashiansa, rechtspersoon, ten deze domicilie gekozen hebbende ten kantore van notaris Mr. Carlo Randjit Jadnanansing aan de Grote Hofstraat no.7 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. E.C.M. Hooplot, advocaat, gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Gezien de stukken, waaronder meer bepaald een afschrift van het door Ons tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis d.d. 25 juni 1999;

Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat Wij ook hier overnemen, hetgeen daaromtrent in voormeld vonnis is overwogen;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen ter terechtzitting van 28 juni 1999 hun standpunten mondeling hebben toegelicht gelijk in het daarvan Ons opgemaakt- en hier als ingelast te beschouwen- proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 12 oktober 1999 Wij notaris C. Jadnanansingh hebben gehoord, waarvan is opgemaakt een proces-verbaal, welke hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage bepaald voor conclusie na gehouden verhoor van Mr. Jadnanansingh, de gemachtigden van partijen schriftelijke conclusies hebben genomen, hebbende de gemachtigde van gedaagde tevens produkties overgelegd, welke hier als geïnsereerd dienen te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij hierna bij rolbeschikking een comparitie van partijen en verhoor van Mr. C. Jadnanansingh hebben bevolen, welke op 24 mei 2000 is gehouden, waarbij zijn verschenen de gemachtigden van partijen en Mr. C. Jadnanansingh, die hebben verklaard gelijk in het door Ons opgemaakt en hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen bepaald, de gemachtigde van gedaagde zich aan Ons oordeel heeft gerefereerd, terwijl de gemachtigde van eiseressen een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij aanvankelijk vonnis hadden bepaald op 9 november 2000 doch nader op heden;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat Wij in deze zaak kunnen uitgaan van het volgende:

1.1 dat blijkens de notariële akte van geldlening en hypotheekvestiging d.d. 9 september 1997, verleden door notaris Mr. Carlo Randjit Jadnanansingh, [persoon 1] handelende in privé en als gevolmachtigde van [eiseres sub b] en [eiseres sub a] handelende in privé en als gemachtigde van [persoon 2], hebben geleend c.q. ter leen ontvangen van Stichting Rashiansa (gedaagde hierna ook Rashiansa), de som van US$.50.000,= (vijftigduizend Amerikaanse dollar) onder de in voormelde notariële akte genoemde notariële bedingen en bepalingen waarbij de inhoud van genoemde notariële akte hier als letterlijk herhaald en geïnsereerd dient te worden beschouwd;

1.2 dat genoemde schuldenaren ([persoon 1] e.a.) tot zekerheid voor de af te betalen schuld het recht van hypotheek hebben gegeven aan Rashiansa op het erf met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district] aan [adres 1], thans [adres 2] bekend onder [wijk en nummer] en blijkens kaart van de landmeter in Suriname Ing. John L. Wijdenbosch d.d. 12 oktober 1997 een oppervlakte van 722,97 m2 beslaand;

1.3. dat [persoon 1] de blote eigenaar is van voornoemd perceel terwijl [gedaagde sub a] en [persoon 2] het levenslange recht van vruchtgebruik hebben op voornoemd perceel;

1.4. dat [persoon 1], die zoon is van [gedaagde sub a], buiten gemeenschap van goederen gehuwd is met [gedaagde sub b] en dat op 28 mei 1998 [persoon 2] is overleden;

1.5. dat ten tijde van de hypotheekverstrekking beide echtgenoten, [persoon 1] en [gedaagde sub b], tezamen in de woning aan [adres 2 – variant] te [district] verbleven; dat inmiddels echtgenoot [persoon 1] op 3 april 1998 de echtelijke woning heeft verlaten en dat de echtlieden in een echtscheidingsprocedure zijn verwikkeld;

1.6. dat ten verzoeke van gedaagde op 6 maart 1999 bij exploit van deurwaarder Gerrit Otwald Niekoop aan eiseressen is betekend de grosse van bovengenoemde hypotheekakte van 9 september 1997, waarbij zij, eiseressen, bevolen zijn tot voldoening van het bedrag van US$.62.750,= en voorts zijn aangezegd dat bij niet betaling op donderdag 29 april 1999, op grond van artikel 1207 BW, door gedaagde zal worden overgegaan tot de openbare verkoop van het in hypotheek verstrekte onroerend goed;

1.7 dat eiseressen uit een krantebericht hebben begrepen dat de openbare verkoop is verschoven naar 7 mei 1999 om 10.00 uur;

1.8 dat ten verzoeke van gedaagde aan eiseres sub A bij exploit van deurwaarder Gerrit Otwald Niekoop d.d. 15 mei 1999 is betekend een grosse van de hypotheekakte van 9 september 1997, waarbij zij is aangemaand en bevolen om aan gedaagde tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van US$.62.750,=, vermeerderd met de rente hierover vanaf 10 februari 1999 tot aan de dag der algehele voldoening en tevens te voldoen de gemaakte kosten van aanzegging en executie; dat haar tevens is aangezegd dat gedaagde over zal gaan het verhypothekeerd onroerend goed ex artikel 1207 BW in het openbaar te verkopen en wel op woensdag 30 juni 1999 des v.m. te 10.00 uur.

2.1 Overwegende, dat eiseressen hebben gevorderd als in het petitum van het inleidend rekest, zoals nader gewijzigd bij conclusie tot aanpassing van de eis de dato 10 juni 1999 en zoals door Ons bij tussenvonnis de dato 25 juni 1999 toegelaten, is vermeld, welke petitum hier als letterlijk herhaald en geïnsereerd dient te worden beschouwd;

2.2 Overwegende, dat eiseressen aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd is verwoord in het inleidend rekest, alsmede in hun conclusie tot aanpassing van de eis, terwijl eiseressen tevens hun standpunt mondeling hebben bepleit, toegelicht en verduidelijkt één en zoals opgenomen in de processen-verbaal zich bevindend in het procesdossier en opgemaakt door de griffier, waarbij de inhoud van de processen-verbaal hier als letterlijk herhaald en geïnsereerd dienen te worden beschouwd;

3.1 Overwegende, dat gedaagde terzake verweer heeft gevoerd als is verwoord in haar conclusie van antwoord en tevens haar standpunt heeft bepleit, toegelicht en verduidelijkt, één en ander zoals opgenomen in de processen-verbaal zich bevindend in het procesdossier en opgemaakt door de griffier, waarbij de inhoud van de processen-verbaal hier als letterlijk herhaald en geïnsereerd dienen te worden beschouwd;

3.2 Overwegende, dat de verklaringen van de notaris Mr. C.R. Jadnanansingh zoals afgelegd ten processe en opgenomen in de processen-verbaal, zich bevindend in het procesdossier, hier als letterlijk herhaald en geïnsereerd dienen te worden beschouwd;

4.1 Overwegende, dat het spoedeisend karakter uit de aard der stellingen van eiseressen hun vordering genoegzaam blijkt;

4.2 Overwegende, dat het verweer van gedaagde hierop neerkomende, dat eiseressen niet-ontvankelijk zijn in hun vordering omdat er sprake zou zijn van een ongeoorloofde subjectieve cumulatie, niet opgaat daar Wij, in tegenstellingen tot gedaagde, van oordeel zijn dat er wel sprake is van een onderlinge verknochtheid tussen de vorderingen en dat eiseressen niet een tegenstrijdig doch juist een gemeenschappelijk belang hebben met name het voorkomen van de executie door gedaagde;

4.3 Overwegende, dat eiseressen hun standpunt, dat zij geen partij bij onderhavige geldleenovereenkomst zijn, dat zij geen cent van gedaagde hebben ontvangen en dat derhalve de litigieuze notariële akte van 9 september 1997 vals is, bezien tegen de gemotiveerde weerspreking van gedaagde en gelet op de door notaris Mr. C.R. Jadnanansingh afgelegde verklaring, niet aannemelijk hebben kunnen maken, zodat hieraan zal worden voorbijgegaan;

4.4 Overwegende, dat dit hiervorenoverwogene ook geldt voor eiseressen hun stellingen, dat de in de akte uitgedrukte verklaring niet overeenstemd met de wil van eiseres sub. A en dat gedaagde er niet op mocht vertrouwen dat dit wel het geval was;

4.5 Overwegende, dat Wij voorts van oordeel zijn, dat eiseres sub. B haar standpunt:

– dat zij nimmer toestemming heeft gegeven aan haar echtgenoot [persoon 1] om het litigieuze onroerend goed, welk hun echtelijke woning is, te bezwaren;

– dat uit de inhoud van de litigieuze notariële akte van 9 september 1997 niet blijkt dat deze toestemming als bedoeld in artikel 163 lid 1 sub.A BW voor de hypotheekverlening is gegeven en dat in elk geval een in algemene bewoordingen geformuleerde last en volmacht niet toereikend is;

– dat i.c. in strijd is gehandeld met het bepaalde in artikel 168 lid 1 sub.A BW;

– dat zij een verklaring d.d. 28 april 1999, welke hier als letterlijk herhaald en geïnsereerd beschouwd dient te worden, als bedoeld in artikel 164 lid 1 BW aan gedaagde, in haar hoedanigheid van wederpartij van de echtgenoot [persoon 1] bij de hypotheekvestiging, heeft gericht en daarmee de vernietiging van die rechtshandeling heeft ingeroepen;

– dat gelet op het hiervorengestelde de openbare verkoop ex 1207 BW onrechtmatig zou zijn jegens eiseressen;

ongegrond is en wel vanwege het feit:

– dat de woning die door eiseres sub.B en haar kinderen, voorheen ook door haar echtgenoot [persoon 1], bewoond wordt weliswaar als de echtelijke woning in de zin van artikel 163 lid 1 sub.a BW beschouwd kan worden;

– dat alszijnde door partijen gesteld en niet weersproken tevens vaststaat dat eiseres sub.A het levenslange recht van vruchtgebruik op voormelde woning heeft en dat echtgenoot [persoon 1] de blote eigenaar daarvan is;

– dat het door eiseres sub.A, [persoon 1] en hun kinderen bewonen van deze woning derhalve niet berust op het recht van [persoon 1] als bloot eigenaar maar op een uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst met eiseres sub.A;

– dat het enkel vervreemden door echtgenoot [persoon 1] van de blote eigendom van de woning het gebruiksrecht van eiseres sub.B en [persoon 1] niet aantast;

– dat immers het vruchtgebruik van eiseres sub.A in stand blijft en daarmee ook het gebruiksrecht op de echtelijke woning van eiseres sub.B en [persoon 1];

– dat [persoon 1] derhalve i.c. zonder toestemming van eiseres sub.B de blote eigendom kon bezwaren;

– dat artikel 163 lid 1 sub.a BW niet van toepassing is op eiseres sub.A waardoor zij haar vruchtgebruik vrijelijk zonder toestemming van eiseres sub.B of [persoon 1] kan bezwaren;

– dat concluderend i.c. voor de hypotheekverlening op de blote eigendom en het vruchtgebruik de toestemming van eiseres sub.B niet vereist was;

4.6 Overwegende, dat Wij op grond van het hiervorenoverwogene niet toekomen aan de vraag of de gebruikte volmacht i.c. aldan niet toereikend was;

4.7 Overwegende, dat Wij voorts eveneens niet hoeven in te gaan op al hetgeen door partijen over en weer is gesteld omtrent de grosse daarvan, dit vanwege het navolgende:

– Uit de inhoud van de notariële akte en alszijnde door partijen niet weersproken staat vast, dat het hier gaat om een opeisbare vordering van gedaagde, dat gedaagde de eerste hypotheekhouder is die tevens het beding van eigenmachtige verkoop heeft gemaakt waardoor deze het recht van parate executie heeft verkregen;

– In casu heeft de hypotheekhouder, gedaagde, geen executoriale titel, m.n. de grosse van de hypotheekakte d.d. 9 september 1997, nodig om het verhypothekeerd onroerend goed ex artikel 1207 BW in het openbaar te verkopen en daardoor haar vordering die zij op de schuldenaren heeft uit te winnen;

– Gedaagde kan immers enkele uit hoofde van het door haar verkregen recht van parate executie conform de procedure als bepaald in artikel 1207 jo. 1239 BW uitwinnen, volgens welke procedure niet is vereist een betekening van een grosse als in casu is gedaan;

4.8 Overwegende, dat, de overige stellingen van partijen geen nadere bespreking behoevende, al het hiervorenoverwogene met zich brengt, dat geen der door eiseressen aangevoerde gronden doel treffen de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd, met veroordeling van eiseressen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding;

Rechtdoende in kort geding

Weigeren de gevraagde voorzieningen;

Veroordelen eiseressen in de kosten van dit geding, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf.NIHIL

SRU-K1-2001-1

Kantonrechter Eerste Kanton
19 januari 2001, A.R 010079
(Mr. J.R. von Niesewand)

De Staat Suriname, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. A.R. Baarh, advocaat, eiser in conventie tevens gedaagde in reconventie in Kort Geding,

tegen

N.V. Olibis, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Burenstraat no. 34, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. B. A. Halfhide, advocaat, gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie in Kort Geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten

In conventie en in reconventie:

Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, zal worden opgeheven alle ten rekeste vermelde uit kracht van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 09 december 1999 A.R. no. 994816 gelegde executoriale derden beslagen;

voorts gedaagde zal worden verboden uit kracht van voormeld vonnis executoriale maatregelen tegen eiser te nemen onder verbeurte van een dwangsom van Sf. 10.000.000,– (tien miljoen gulden) voor iedere keer of dag dat gedaagde in strijd mocht handelen met het te dezer te wijzen vonnis met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding;

Overwegende, dat te dienende dage, partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advocaat mr. A.R. Baarh en mr. B.A. Halfhide, ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen ter terechtzitting van 18 januari 2001, de zaak mondeling hebben gepleit en hebben verklaard gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht
In conventie:

Overwegende, dat, naar tussen partijen vaststaat N.V. Olibis, tegen wie de onderhavige vordering is ingesteld, rechtens niet bestaat en ook niet bestaan heeft;

Overwegende, dat de consequentie van het zo juist overwogene is niet slechts dat eiser niet ontvankelijk is in zijn vordering, doch ook dat alle door of ten verzoeke van gedaagde gepleegde rechts- en processuele handelingen nietig en van onwaarde zijn, zo ook de executoire handelingen- en verrichtingen, tot dus verre gepleegd;

Overwegende, dat Wij de eiser als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proces zullen laten dragen;

In reconventie:

Overwegende, dat Wij al het geen in conventie is overwogen als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd aanmerken;

Overwegende, dat nu het enkel de gedaagde in conventie is die bevoegd is een reconventionele eis in te stellen en nu dat in casu niet het geval is, kunnende immers [naam], handelende onder de naam Olibis N.V. rechtens niet in de plaats gesteld worden van N.V. Olibis die, naar eerder overwogen, rechtens niet bestaat en bestaan heeft, dient [naam], handelende onder de naam Olibis N.V. niet ontvankelijk verklaard te worden in diens vordering; als de in het ongelijk gestelde partij dient [naam], handelende onder de naam Olibis N.V. de kosten van dit proces te dragende kosten van dit proces te dragen;

Rechtsdoende in kort geding

In conventie

Verklaren de eiser niet ontvankelijk in zijn vordering;

Verwijzen de eiser in de kosten van dit proces, aan gedaagdes zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. nihil;

In reconventie

Verklaren de eiser [naam], handelende onder de naam Obibis N.V., niet ontvankelijk in zijn vordering;

Verwijzen hem in de kosten van dit proces, aan gedaagdes zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. Nihil.

SRU-HvJ-1998-38

PRO JUSTITIA
Vonnis 1998 no.8

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter-Plaatsver­vanger in het Derde Kanton, op 10 februari 1995 gewezen en uitgesproken tegen:

[verdachte] alias [naam 1];
oud 17 jaar;
zonder beroep;
geboren in Suriname;
wonende aan [adres 1] ([woonplaats 1]) in het [district 1], verdachte;

Gelet op het tijdig door de verdachte en de Vervol­gingsambtenaar ingestelde hoger beroep;
Gehoord de verdachte in zijn verdediging, daarin bijge­staan door zijn raadsman, Mr. S. Marica;
Gehoord de getuigen in hun beëdigde en op belofte afge­legde verklaringen;
Gehoord het Openbaar Ministerie;
Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte zijn te laste gelegd, de feiten zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaar­ding, welke als hier geinsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter-Plaatsvervanger in diens vonnis door de daarin vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat hij het hem bij de betreffende inleidende akte van dagvaarding sub B te laste gelegde heeft begaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven;
met vrijspraak van het meer of anders te laste gelegde;

Overwegende, dat de Kantonrechter-Plaatsvervanger het bewezen aangenomen feit heeft gekwalificeerd als:
MEDEPLICHTIGHEID AAN ZWARE MISHANDELING, DE DOOD TEN GEVOLGE HEBBENDE, mis­drijf, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 362 lid 1 juncto lid 2 juncto artikel 73 van het Wetboek van Stra­frecht en heeft BEVOLEN DAT DE SCH­ULDIGE TER BE­SCHIKKING VAN HET BESTUUR ZAL WORDEN GESTELD ZONDER TOEPASSING VAN ENIGE STRAF;

Met bevel dat deze ter beschikkingstelling niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de Rechter later anders mocht gelas­ten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een hierbij op DRIE JAREN bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, hetzij is gebleken dat de ter beschikkinggestelde onvoorwaardelijke opvoeding van Bestuurs­wege behoeft of niet heeft nageleefd de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende die proeftijd zal gedragen naar de aan­wijzingen hem te geven door of vanwege het hoofd van de Dienst Justitiele Kinderbescherming van het Ministerie van Justitie en Politie, aan welke functionaris opdracht wordt gegeven ove­reenkomstig artikel 20 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede diens onmiddellijke invrijheidstelling bevolen;

Overwegende, dat het Hof zich met het beroepen vonnis kan verenigen en mitsdien overneemt hetgeen daarin is overwo­gen en beslist,­ weshalve dit vonnis behoort te worden beve­s­tigd, met dien verstande, dat de in het beroe­pen vonnis opge­nomen bewijsmiddelen dienen te worden aangevuld met de op be­lofte afgelegde getuigenverklaringen ter te­rechtzitting van:
1. [getuige 1], 28 jaar oud, van beroep agent van politie, wonende aan de [adres 2] te [woonplaats 2], in het [district 2], belijdende het geloof van Hindoeïsme;
2. [getuige 2] , 30 jaar oud, van beroep agent van politie, wonende aan de [adres 3] te [woonplaats 1], in het [district 1], belijdende het geloof van Isla­m;
luidende -zakelijk weergegeven-:

1. [getuige 1]:
Ik ben betrokken geweest bij het politioneel onderzoek in de onderhavige zaak. Uit het onderzoek is gebleken dat [naam 2] en het [slachtoffer] geworsteld heb­ben en vervolgens in een trens zijn terechtgekomen. Een scheldpartij was de aanleiding tot het gevecht tussen die twee. In de bewuste trens lag er een eindhout. Dit eindhout heb ik inbeslaggenomen.
Op die bewuste dag ben ik naar de RGD-poli geweest en heb aldaar [naam 2], [verdachte] en het [slachtoffer] aangetroffen. Het [slachtoffer] vertoonde geen uitwendige bloedingen, doch was alstoen buiten bewust­zijn.
Het [slachtoffer] is op die bewuste dag per ambu­lance naar E.H.B.O. vervoerd. Om 3.00 uur in de ochtend kregen wij van E.H.B.O. bericht, dat het [slac­htoffer] was overleden.
Bij de sectie op het lijk van [slachtoffer] ben ik tegenwoordig geweest. Toen vernam ik dat [slachtoffer] een schedelbasis­fractuur had opgelopen.

2. [getuige 2]:
Ik heb tezamen met de onder-inspecteur [naam 3] het plaatselijk onderzoek verricht. Ter plaatse van het voorval heb ik vertrapt gras gezien.
Uit het onderzoek is gebleken dat [verdachte] een woorden­wisseling met het [slachtoffer] had gehad. [naam 2] is op een gegeven moment te hulp geschoten. [verdachte] heeft alstoen het [slachtoffer] vastgegrepen. [naam 2] heeft vervolgens met een eindhout een slag op het hoofd van het [slachtoffer] toegebracht. Dit eindhout heb ik op aanwijzing van een van de verdachten inbeslaggenomen.
[naam 2] was ten tijde van het voorval ietsje forser gebouwd dan het [slachtoffer].

Overwegende, dat namens de verdachte door de raadsman is aangevoerd, dat het Openbaar Ministerie in de onderhavige strafzaak tegen de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden ver­klaard, daartoe stellende dat de behandeling van de onder­havige strafzaak in hoger beroep niet binnen de redelijke ter­mijn is geschied, nu het vonnis tegen de verdachte van 10 fe­bruari 1995 dateert, terwijl de behandeling eerst op 22 okto­ber 1997 in hoger beroep is aangevangen. Ter ondersteuning van dit betoog heeft de raadsman verwezen naar artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (het EVRM), arti­kel 14 lid 3 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (het BUPO-verdrag) en artikel 7 lid 5 van het American Convention on Human Rights (het OAS-verdrag), waarin bepaald is -kort gezegd- dat behandeling binnen een redelijke termijn dient te geschieden.

Het Hof is van oordeel dat, nu pas na ongeveer 2 jaar en 8 maanden de onderhavige strafzaak in hoger beroep in behande­ling is genomen, terwijl niet blijkt van vertragende omstan­digheden die voor rekening en risico van verdachte komen, er in casu sprake is van overschrijding van redelijke termijn.

Deze gegrondverklaring van het beroep op overschrijding van de redelijke termijn ”undue delay”, vormt voor het Hof – aanvan­kelijk tot een strafoplegging concluderende – mede de aanlei­ding zich te verenigen met de door de Kantonrechter-Pla­atsvervanger opgelegde maatregel van voorwaardelijke ter be­schikkingstelling van het bestuur zonder toepassing van eni­ge stra­f;

­­­­­­­Gezien, de in het beroepen vonnis aangehaalde wetsarti­kelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt, onder aanvulling der bewijsmiddelen als voormeld, het vonnis van 10 februari 1995 door de Kantonrech­ter-Plaatsvervanger in het Derde Kanton gewezen en uitgespro­ken tegen de [verdachte] alias [naam], waa­rvan beroep. ­

Aldus gewezen door de heren: Mr. J.R. VON NIESEWAND, Vice-President, Mr. M.G. DE MIRANDA, en Mr. L.J. BUDHU LALL, leden-plaatsvervanger, die dit vonnis hebben ondertekend en door de Vice-President ­uitgesproken ter ope­nbare te­rechtzitting van het Hof van Justitie van WOEN­SDAG 11 MAART 1998, in tegenwoor­digheid van Mr. M. TEDJOE, fungerend-Griffier.

­

SRU-K1-2002-2

Kantonrechter Eerste Kanton

14 november 2002, A.R. 022562
(Mr. S. Gangaram Panday)

[eiseres], wonende te [adres] in Nederland,

gemachtigde; Mr. J.M. Nibte, advocaat, eiseres in kort geding,

tegen

[gedaagde], wonende te [adres], Nederland, gemachtigde;

Mr. B.G. Beckles, advocaat, gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:

Overwegende ten aanzien van de feiten

Bij het op 31 mei 2002 ter griffie van dit Kantongerecht ingediend verzoekschrift heeft eiseres, onder overlegging van bijbehorende producties, gesteld en gevorderd dat bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad de opheffing zal worden gelast van voorschreven ten laste van eiseres gelegde conservatoire beslagen gelegd op de in sustenu 3 van het inleidend rekest omschreven onroerende goederen; Kosten rechtens.

Te dienende dage zijn partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden ter terechtzitting verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiseres voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

De gemachtigde van gedaagde heeft vervolgens, onder overlegging van producties, een – hier als geïnsereerd aan te merken, – schriftelijke conclusie van antwoord genomen, met conclusie dat eiseres niet zal worden ontvangen in haar vordering als zijnde ongegrond en niet bewezen;

De gemachtigden van partijen hebben hierna, onder overlegging van een productie, nadere stukken gewisseld, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden;

Overwegende ten aanzien van het recht

Het spoedeisend belang van eiseres bij de ingestelde vordering blijkt uit de aard der stellingen van het inleidend rekest. Tussen partijen kan van het navolgende -als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet danwel niet gemotiveerd betwist en mede blijkende uit ten processe overgelegde producties- als rechtens vaststaand morden uitgegaan;

  1. dat gedaagde bij verzoekschrift d.d. 13 februari 2002 via zijn gemachtigde het verzoek heeft gedaan aan de kantonrechter om conservatoir beslag te leggen op twee aan eiseres in eigendom toebehorende onroerende goederen;
  2. dat gedaagde na bekomen verlof bij exploit van deurwaarder Tjanderdewkoemar Jhagroe d.d. 22 maart 2002 exploit [nummer 1] beslag heeft doen leggen op de percelen t.w.”het perceelland groot 645 m2 gelegen te [district 1] aan [adres 1], aangeduid op de kaart van de landmeter R. Lieuw Kie Song d.d. 18 augustus 1978 met de letters ABCD en met het [nummer 2] welk perceel uitmaakt van de [grond] en bekend als [afdeling en nummer 1], gekocht op 6 december 1995:”

en

”het recht van grondhuur op het perceelland vervallende 8 juni 2024 op het stuk grond groot 374,99 m2 gelegen ten noorden van [adres 2] in [district 2] deel uitmakende van het perceelland bekend als [afdeling en nummer 2] en nader aangeduid op de kaart van landmeter H. Kalloe met de letters ABCD en no 117 gekocht op 18 juli 1996”elke onroerende goederen aan eiseres in eigendom toebehoren. Eiseres vordert in dit geding hetgeen hierboven onder de overwegingen ten aanzien van de feiten is weergegeven. Zij legt aan haar vordering ten grondslag -zakelijk weergegeven- dat zowel eiseres als gedaagde in Nederland wonen weshalve de Surinaamse rechter niet bevoegd is (was) om kennis te nemen van de vordering van gedaagde om tot beslaglegging over te gaan. Voorts voert zij aan dat zij de gelden voor de aankoop van de onderhavige onroerende goederen van haar ex-echtgenoot, gedaagde, geschonken heeft gekregen in verband met haar verjaardag op 8 december. Gedaagde weerspreekt -zakelijk weergeven- de vordering van eiseres onder aanvoering dat op grond van het bepaalde in artikel 632 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de Surinaamse rechter wel degelijk bevoegd is om van zijn vordering om tot beslaglegging over te gaan kennis te nemen en voorts ontkent, hij de gelden voor de koop van de onderhavige onroerende goederen geschonken te hebben aan eiseres in verband met haar verjaardag.

Gelet op de stellingen en weren van partijen over en weer komen Wij, Kantonrechter, tot de slotsom dat nu beide partijen in Nederland wonen de Surinaamse rechter niet bevoegd was om van dat verzoek tot beslaglegging van gedaagde kennis te nemen en dat de liggingswet van de onroerende goederen hem die bevoegdheid ook niet geeft. Nu ten onrechte toestemming is verleend tot beslaglegging hetgeen eiseres terecht heeft aangevoerd, zullen Wij het gevorderde toewijzen en recht doen als in het dictum te melden. Aan het voorgaande doet niet af het beroep van gedaagde op het bepaalde in artikel 632 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, aangezien voormeld wetsartikel in casu toepassing mist. Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan eiseresses zijde gevallen.

Rechtdoende in kort geding

Heffen op het bij exploit van deurwaarder Tjanderdewkoemar Jhagroe d.d. 22 maart 2002 exploit [nummer 1] gelegd conservatoir beslag op de percelen t.w.

”het perceelland groot 645 m2 gelegen te [district 1] aan [adres 1], aangeduid op de kaart van de landmeter R. Lieuw Kie Song d.d. 18 augustus 1978 met de letters ABCD en met het [nummer 2] welk perceel uitmaakt van de [grond] en bekend als [afdeling en nummer 1], gekocht op 6 december 1995;”

en

” het recht van grondhuur op het perceelland vervallende 8 juni 2024 op het stuk grond groot 374,99 m2 gelegen ten noorden van [adres 2] in [district 2] deel uitmakende van het perceelland bekend als [afdeling en nummer 2] en nader aangeduid op de kaart van landmeter H. Kalloe met de letters ABCD en no 117 gekocht op 18 juli 1996”;

Verklaren dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad;

Veroordelen gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f 1.175,– (Eenduizend en honderd vijfenzeventig gulden Surinaams Courant)

 

SRU-K1-2003-5

Kantonrechter Eerste kanton

20 mei 2003, A.R. 985054
(mr. J.R. Von Niesewand)

  1. [eiser sub 1], wonende in [district 1];
  2. [eiser sub 2], wonende in [district 1];
  3. [eiser sub 3], wonende in [district 1];
  4. [eiseres sub 4], wonende in [district 1];
  5. [eiser sub 5], wonende in [district 1];
  6. [eiser sub 6], wonende in [district 1];
  7. [eiser sub 7], wonende in [district 1];
  8. [eiser sub 8], wonende in [district 1];

Gemachtigde: Mr. J. Van Dijk-Silos, advokaat, voor de eisers sub 3, 4 en 6 en Mr. I.S. Asarfi-Lalji voor de eiser sub 5;

Eiser sub 1, 2, 7 en 8 hebben hun vorderingen tegen de gedaagden ingetrokken; eisers in conventie tevens gedaagden in reconventie in Kort Geding,

tegen

  • De Staat Suriname met name Het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te haren parkette aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo; gemachtigde: Mr. J. Kraag, advokaat;
  • [gedaagde sub b], wonende in [district 1] te [adres 1];
  • [gedaagde sub c], wonende te [district 2] aan [adres 2]; gemachtigde: I.D. Kanhai, advokaat;
  • [gedaagde sub d], wonende te [district 2] aan [adres 3]; gemachtigde: Mr. T.S. Sewdien, advokaat;
  • [gedaagde sub e], wonende in [district 1] aan [adres 4]; gemachtigde: Mr. J. Ferdinand, advokaat;
  • [gedaagde sub f], wonende te [district 2] aan [adres 5]; gemachtigde: Mr. J. Nannan Panday, advokaat;
  • [gedaagde sub g], wonende te [district 2] aan [adres 6]; gemachtigde: mr. T.S. Sewdien, advokaat; gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie in Kort Geding,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft in naam van de Republiek Suriname het navolgende vonnis in kort geding uitgesproken:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Gezien de stukken, waaronder meer bepaald afschriften van d.d. 9 april 2002, 11 februari 2003, 11 maart 2003 en 15 april 2003, tussen partijen in deze zaak gewezen vonnissen, alsmede de processen-verbaal van de gehouden comparitie van partijen;

Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat wij hier overnemen, hetgeen daaromtrent in voormelde vonnissen is overwogen;

Overwegende, dat wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

In reconventie:

– Eiseres ([gedaagde sub f]) vordert blijkens het petitum bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat gedaagde de noodzakelijke werkzaamheden dienende tot bescherming van het litigieuze perceelland en tot beperking van de schade daaraan te gedogen, alles met veroordeling van gedaagde;

Overwegende, dat eisers niet heeft gesteld tegen wie zij de onderhavige vordering instelt; aan het vereiste in artikel 111 lid 1 sub 2 Rv. Heeft eiseres dus niet voldaan;

Overwegende, dat wij in verband met het zojuist overwogene dan ook zullen beslissen als in het dictum te melden;

– Eiser ([gedaagde sub c]) vordert blijkens het petitum gedaagden elk afzonderlijk te veroordelen alsvolgt;

  1. gedaagden elk afzonderlijk te verbieden eiser te hinderen bij de ontginning van zijn perceelland ten rekeste omschreven;
  2. gedaagden elk afzonderlijk te gelasten alle bouwwerken aangebracht, op het perceelland van eiser en ten rekeste omschreven binnen 1 x 24 uur te verwijderen met machtiging op eiser deze verwijdering zelf ter hand te nemen desnoods met assistentie inroeping van de Sterke Arm;
  3. gedaagden elk afzonderlijk te verbieden bouwwerken te bouwen of te doen bouwen op het perceelland van eiser als ten rekeste omschreven;
  4. gedaagden des de een betalende de andere zal zijn bevrijd tegen behoorlijk bewijs van kwijting bij wege van voorschot te betalen de somma van sf. 4.250.000,– zijnde de geleden schade en de kosten van juridische bijstand;
  5. gedaagden elk afzonderlijk te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van sf. 10.000.000,– voor iedere keer of dag dat zij elk afzonderlijk ingebreke mochten blijven te voldoen aan een van de door de rechter in deze te geven beslissing;

Overwegende, dat de eiser niet heeft gesteld tegen wie hij de onderhavige vordering instelt; aan het vereiste in artikel 111 lid 1 sub 2 Rv. heeft de eiser dus niet voldaan;

Overwegende, dat wij dan ook zullen beslissen als in het dictum te melden;

– eiseres ([gedaagde sub g]) vordert blijkens het petitum gedaagden hetzij afzonderlijk, hetzij gezamenlijk te verbieden nu en in de toekomst elke handeling na te laten welk er op gericht is eiseres te verhinderen om haar perceel vrijelijk te bereiken dan wel te betreden en daarop activiteiten te ontplooien zoals die aan haar bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen de dato 16 april 1998 zijn opgelegd en ter bescherming van haar perceel tegen afslag; alles onder verbeurte van een dwangsom van sf. 5.000.000,– des de één betalend, de anderen bevrijd zullen zijn, voor elke keer dat zij weigeren te voldoen aan hetgeen wij hen zullen verbieden, danwel gebieden na te laten;

Overwegende, dat nu in rechte niet is komen vast te staan na wederspraak door gedaagden dat zij eiseres verhinderen haar perceel vrijelijk te bereiken danwel te betreden en daarop activiteiten te ontplooien zijnde immers een niet onbelangrijk deel van de gedaagden naar uit hun verklaringen ter comparities blijkt, woonachtig op wat aan elk van hen ettelijke jaren geleden in huur was afgestaan door [persoon 1], die later verkocht en overdroeg aan [persoon 2], die op zijn beurt naderhand verkocht en overdroeg aan het Rijksdeel Suriname, dat op zijn beurt aan tal van personen, onder andere aan eiseres, in grondhuur afgestaan heeft een deel van het gehele perceelland, omschreven in de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen de dato 16 april 1998 [nummer] dient reeds op grond daarvan eiseres haar voorziening te worden geweigerd; degene die op eiseres haar perceel woont, woont er niet zonder recht of titel; eiser ([gedaagde sub d]) vordert blijkens het petitum gedaagden, hetzij afzonderlijk, hetzij gezamenlijk te verbieden nu en in de toekomst elke handeling na te laten, welke er op gericht is eiser te verhinderen zijn perceel vrijelijk te bereiken danwel te betreden en daarop activiteiten te ontplooien zoals die aan hem bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen de dato 16 april 1998 [nummer] zijn opgelegd en ter bescherming van zijn perceel tegen afslag; alles onder verbeurte van een dwangsom van sf. 5.000.000,– des de één betalend, de anderen bevrijd zullen zijn, voor elke keer dat zij weigeren te voldoen aan hetgeen wij hen zullen verbieden, danwel gebieden na te laten;

Overwegende, dat nu in rechte niet is komen vast te staan na wederspraak door gedaagden dat zij de eiser verhinderen zijn perceel vrijelijk te bereiken danwel te betreden en daarop activiteiten te ontplooien, zijnde immers een niet onbelangrijk deel van de gedaagden, naar uit hun verklaringen ter comparities blijkt, woonachtig op wat aan elk van hen ettelijke jaren geleden in huur was afgestaan door [persoon 1], die later aan [persoon 2] verkocht en overdroeg die op zijn beurt naderhand aan het Rijksdeel Suriname verkocht en leverde dat op zijn beurt, onder andere aan de eiser, in grondhuur afgestaan heeft een deel van het gehele perceelland, omschreven in de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen de dato 16 april 1998 [nummer], dient reeds op grond daarvan eiser zijn voorziening te worden geweigerd; degene, die op eiser zijn perceel woont, woont er niet zonder recht of titel;

Overwegende dat Wij beslissen als in het dictum te melden;

In conventie:

Overwegende, dat wij termen aanwezig achten van [eiseres sub 4], en van [gedaagde sub c], een nader verhoor af te nemen ter verkrijging van aanvullende informatie;

Rechtdoende in kort geding

In reconventie:

– Verstaan, dat [gedaagde sub f] en [gedaagde sub c], geen vordering hebben ingesteld;

Weigeren zowel aan [gedaagde sub g] als aan [gedaagde sub d] de door elk van hen gevraagde voorziening;

Verwijzen hen in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op sf nihil.

In conventie:

Alvorens verder te beslissen;

Gelasten partij [gedaagde sub e] en partij [gedaagde sub c] om in persoon, desgewenst vergezeld van gemachtigden, op 23 mei 2003 des voormiddags te 11.00 uur voor ons te verschijnen voor het verschaffen van aanvullende informatie;

Houden iedere verdere beslissing aan.

SRU-K1-2014-3

A.R. NO. 14-2937 DE KANTONRECHTER IN EERSTE KANTON
11 juli 2014

Vonnis in kort geding inzake:

De Staat Suriname met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer te dezen vertegenwoordigd door
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te zijnen Parket
aan de Henck Arronstraat 3,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan [adres 1] te [district],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. J.C.P. Nannan Panday, advocaat,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit;

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– Het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 27 juni 2014 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– De mondelinge conclusie van eis;
– De schriftelijke conclusie van antwoord;
– De schriftelijke conclusies van re- en dupliek;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. Waarvan kan worden uitgegaan

2.1 Bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 12 juni 2014, in de zaak bekend onder A.R. no. 142157, is onder meer het volgende beslist, te weten:

5.1 Verbiedt gedaagde – zover er nog geen (verdere) maatregelen zijn getroffen – om over te gaan tot het treffen van verdere maatregelen, die zouden moeten of kunnen leiden tot vervallenverklaring van het recht van grondhuur op het perceelland, groot 28,97 ha, gelegen in het [district], ten oosten van [straat], bekend als de percelen ten oosten van [adres 2], welke bij beschikking ten kantore van de bewaarder van het Management Instituut GLIS is overgeschreven op 11 november 1994 in register C [nummer 1], op basis van de ingebrekestellingsbeschikking dd. 8 april 2014 [nummer 2] en [nummer 3], welke aan eiser betekend is bij exploot van deurwaarder L. Gangaram Panday, dd. 7 mei 2014, no.168, totdat de bodemrechter definitief over de rechtmatigheid daarvan zal hebben beslist.

5.2 Verbiedt gedaagde om de vervallenverklaringsbeschikking gedateerd 10 juni 2014, met betrekking tot het onder 5.1 omschreven perceelland, tegen eiser te gebruiken en/of te doen inschrijven in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore, totdat de bodemrechter definitief over de rechtmatigheid daarvan zal hebben beslist.

5.3 Gelast de doorhaling van de inschrijving van de vervallenverklaringsbeschikking gedateerd 10 juni 2014 in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore voor zover deze reeds is ingeschreven, totdat de bodemrechter definitief over de rechtmatigheid daarvan zal hebben beslist.

5.4 Veroordeelt gedaagde om, binnen een maand na betekening van dit vonnis, aan eiser te verstrekken nieuwe beschikkingen houdende bestemmingswijziging voor bebouwing en bewoning ten aanzien van de delen groot 9,2704 ha, 7,7350 ha en 11,9646 ha deel uitmakende van het onder 5.1 omschreven perceelland zoals door eiser is verzocht.

5.5 Veroordeelt gedaagde om zich te onthouden van elk handelen of nalaten, dat inbreuk zou kunnen maken op het onder 5.1 omschreven perceelland en de daarop aangebrachte beterschap.

5.6 Verbiedt gedaagde om delen van het onder 5.1 omschreven perceelland aan derden te doen verstrekken, onder welke titel dan ook.

5.7 Veroordeelt gedaagde om hetgeen onder 5.3 is beslist te gehengen en te gedogen.

5.8 Veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen een eenmalige dwangsom van SRD 50.000.000,= (vijftig miljoen Surinaamse Dollar), indien zij in strijd handelt met dit vonnis.

5.9 Verklaart dit vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.
Uitspraak begroot op SRD 275,= (tweehonderd en vijfenzeventig Surinaamse Dollar).

5.11 Weigert het meer of anders gevorderde.

2.2 Bij exploot no. 565 d.d. 12 juni 2014 van deurwaarder G.O. Niekoop, is bovengenoemd vonnis aan eiseres, toen gedaagde, betekend. Bij voornoemd exploot is eiseres tevens aangezegd om binnen 2 dagen na 12 juni 2014 de dwangsom van SRD 50.000.000,= (vijftig miljoen Surinaamse Dollar) te betalen;

2.3 Eiseres heeft tegen dit vonnis reeds hoger beroep aangetekend op 23 juni 2014;

3. De standpunten van partijen

3.1 Eiseres vordert primair – kort samengevat – dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden verboden om tot verdere executie van voormeld vonnis van de Kantonrechter over te gaan, alvorens hierover in hoger beroep definitief is beslist, op straffe van een dwangsom van SRD 100.000,= per dag. Daarnaast wordt veroordeling van gedaagde in de proceskosten gevorderd. Subsidiair vordert eiseres dat gedaagde zal worden verboden om tot verdere executie van het bepaalde onder punt 5.4 en 5.8 van het dictum van voormeld vonnis van de Kantonrechter over te gaan, alvorens hierover in hoger beroep definitief is beslist, op straffe van een dwangsom van SRD 100.000,= per dag. Eveneens wordt gevorderd dat gedaagde in de proceskosten zal worden veroordeeld;

3.2 Naast voormelde vaststaande feiten legt eiseres aan haar vordering ten grondslag – zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang – dat vaststaat dat gedaagde reeds een aanvang heeft gemaakt met de executie en dat zij zich op het standpunt stelt dat er sprake is van een apert onjuist vonnis, hetgeen haar heeft doen besluiten om een memorie van grieven in te dienen. Voorts heeft zij aangevoerd dat de Kantonrechter in Kort Geding weliswaar een verregaande bevoegdheid heeft ten aanzien van het aanvullen van de rechtsgronden, hetgeen echter niet betekent dat de Kantonrechter in Kort Geding bevoegd is tot het toewijzen van definitieve voorzieningen. Dit is geheel in strijd met het instituut en het doel van het Kort Geding. De Kantonrechter heeft onder punt 5.4 van het dictum een definitieve voorziening toegewezen en is op de stoel van de uitvoerende macht gaan zitten. Immers is nergens uit gebleken dat gedaagde recht heeft op een nieuwe bestemmingswijziging(s)beschikking. Gedaagde is namelijk heel nonchalant omgesprongen door de toen verleende bestemmingswijzigingsbeschikking niet in te schrijven om daarna, vele jaren later, te vragen om verlenging. Hoe kan er verlenging verleend worden, indien de vorige bestemmingswijziging(s)beschikking reeds is vervallen? De Kantonrechter heeft dus een vordering toegewezen die juridisch dogmatisch gezien op grond van de wet niet mogelijk is. Gedaagde heeft namelijk elke keer weer om verlenging verzocht, in plaats van een nieuw verzoek tot bestemmingswijziging in te dienen. Indien dat was gedaan, dan zou de Staat Suriname in een bodemprocedure eventueel veroordeeld kunnen worden tot het verstrekken van een nieuwe bestemmingswijziging(s)beschikking. Indien er geen verzoek is, kan er geen besluit worden genomen. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat uit het petitum van het door gedaagde, toen eiser, ingediend verzoekschrift blijkt dat gedaagde slechts definitieve voorzieningen heeft gevorderd. De Kantonrechter heeft getracht deze omissie van gedaagde op te vangen door ook hier de rechtsgronden aan te vullen, door in het vonnis onder punt 5.1 , 5.2 en 5.3, aan te geven “totdat in bodemprocedure over de rechtmatigheid daarvan is beslist”. Afgezien van het feit dat er geen enkele bodemprocedure is ingediend door gedaagde en gedaagde ook niet heeft aangegeven dit in de nabije toekomst te zullen doen, diende de Kantonrechter in het vonnis te motiveren, hoe en waarom zij de rechtsgronden heeft aangevuld. Bovendien diende de Kantonrechter gelet op de belangen van eiseres, het indienen van een bodemprocedure aan een termijn te verbinden. Ook hier is sprake van een juridische misslag. Gedaagde heeft in zijn petitum op geen enkele wijze gevorderd dat eiseres het eerder genoemde vonnis diende te gehengen en gedogen, weshalve het evident is dat hier niet eens meer sprake is van het aanvullen van rechtsgronden, maar het toewijzen van een vordering, die helemaal niet gevraagd is. Dit is in schril contrast met de lijdelijkheid van de rechter. Ook hier is sprake van een juridische misslag. Verder is aangevoerd dat de Kantonrechter in Kort Geding tevens rekening diende te houden met de hoogte van de dwangsom, aangezien deze alleszins bovenmatig is. Dat het heel zelden is voorgekomen dat een gedaagde tot een dergelijke dwangsom is veroordeeld. Immers zal het ineens uitbetalen van de dwangsom tot gevolg hebben dat er een financiële noodtoestand zal ontstaan bij eiseres. Het is algemeen bekend dat de Staatskas niet toereikend is. Het uitbetalen van een dergelijke dwangsom, zal eveneens haar invloed hebben op de economie. Immers komt ook het subsidiebeleid van de Staat in gevaar. Bovendien is op geen enkele manier komen vast te staan, dat gedaagde’s investeringen van dergelijke aard zijn om zo een hoge dwansom te rechtvaardigen. Gelet op voormeld exploot van betekening van het vonnis, is de door gedaagde opgedragen termijn van 2 dagen alleszins onredelijk en ongegrond. Ingevolge het vonnis heeft de Staat ruim een maand om het één en ander in orde te maken. Afgezien van het feit dat gedaagde prematuur is, is het evident dat gedaagde misbruik makende van zijn executiebevoegdheid de Staat onder druk wenst te zetten om zo gauw mogelijk de dwangsom uit te betalen. Gelet op het feit dat eiseres tijdig een memorie van grieven heeft ingediend, is het niet meer dan redelijk en billijk, dat de beslissing in hoger beroep wordt afgewacht alvorens verder te executeren. Tenslotte heeft eiseres gewag gemaakt van het restitutierisico zijdens gedaagde;

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd en de Kantonrechter zal daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terug komen;

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Het spoedeisend belang van eiseres bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest;

4.2 Gedaagde heeft als verweer aangevoerd – kort samengevat en voorzover voor de beslissing van belang – dat van de kortgedingrechter rechtens niet gevorderd kan worden om reeds in kort geding gegeven uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beslissingen in een ander kort geding te verbieden . Voorts heeft gedaagde een nadrukkelijk beroep gedaan op het bepaalde in artikel 272 WvBv juncto artikel 268 WvBv. In de visie van gedaagde duidt de formulering van de voorgaande artikelen op een exclusieve bevoegdheid van de rechter in hoger beroep; het artikel wil voorkomen dat naast de gang naar de appelrechter, ook nog een aparte procedure bij de voorzieningenrechter openstaat. Zo wordt doorkruising van de procedure in hoger beroep door nadere vonnissen in eerste aanleg voorkomen. Gedaagde heeft voorts een beroep gedaan op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen hetwelk met zich mede brengt dat in beginsel een rechter in dezelfde instantie waarin een vonnis is gewezen dit vonnis niet mag beoordelen. Evenwel heeft de jurisprudentie daarin enige nuanceringen aangebracht in dier voege, dat indien het betreft een apert onjuist vonnis (een juridische danwel een feitelijke misslag) of na het vonnis voorgevallen danwel aan het licht gekomen feiten (nova) – een toetsing in dezelfde instantie in principe geoorloofd is. Geen van deze gevallen doen zich in casu voor volgens gedaagde. Daarenboven heeft gedaagde aangevoerd dat eiseresses stelling dat zij in een noodtoestand zal komen te verkeren een blote stelling is en er geen sprake is van restitutierisico aangezien gedaagde vermogend is.

4.3 Naar het oordeel van de Kantonrechter is tussen partijen in confesso dat gedaagde een deel van het bepaalde in het dictum van voormeld vonnis heeft uitgevoerd. Dat betreft – naar de Kantonrechter begrijpt – het bepaalde onder punt 5.3 van het dictum van voormeld vonnis. Ten aanzien van het verweer van gedaagde is de Kantonrechter van oordeel dat dat geen doel treft. Het nadrukkelijk beroep op het bepaalde in artikel 272 WvBv juncto artikel 268 WvBv gaat naar het oordeel van de Kantonrechter niet op. Blijkens de redactie van artikel 272 WvBv heeft de wetgever daarbij het oog gehad op situaties waarbij een vonnis ten onrechte uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Artikel 268 WvBv betreft de situatie dat het hoger beroep de tenuitvoerlegging van het vonnis schorst, indien dit niet bij voorraad mag worden ten uitvoer gelegd. Geen van beide gevallen doen zich in casu voor weshalve de Kantonrechter aan dat beroep van gedaagde zal voorbij gaan;

4.4 Gedaagde heeft voorts aangevoerd dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen met zich mede brengt dat een rechter in dezelfde instantie een vonnis van een ambtgenoot in dezelfde instantie niet mag beoordelen. Dit standpunt is in beginsel juist. Zoals gedaagde eveneens terecht heeft aangegeven, heeft de jurisprudentie daar nuanceringen op aangebracht. Binnen een bepaalde marge is een dergelijke toetsing geoorloofd. Daarbij dient natuurlijk voorkomen te worden dat de rechter in dezelfde instantie de taak van de appelrechter overneemt. Naar het oordeel van de Kantonrechter gaat het – blijkens de jurisprudentie op dit stuk – om een redelijke en billijke belangenafweging van de in geding zijnde belangen van partijen, te weten het belang van de executant van een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis afgezet tegen het belang van de geëxecuteerde bij afwachting van het hoger beroep. Naar het oordeel van de Kantonrechter betreft het in casu geenszins een apert onjuist vonnis weshalve de Kantonrechter voorbij zal gaan aan de daartoe strekkende stellingen van eiseres. Er is naar het voorlopig oordeel van de Kantonrechter geen sprake van een evidente vergissing in recht die op het eerste gezicht vast te stellen is zonder een inhoudelijke beoordeling van de stellingen en weren van partijen. Eiseres zal dienaangaande het oordeel van de appelrechter dienen af te wachten. Gelet op het voorgaande zal het primair gevorderde worden afgewezen.

4.5 Ten aanzien van het subsidiair gevorderde is de Kantonrechter van oordeel dat in beginsel er geen vuiltje aan de lucht is als eiseres het vonnis uitvoert. Dan komt de dwangsom helemaal niet aan de orde. Evenwel is er – naar het voorlopig oordeel van de Kantonrechter – hier sprake van een fundamenteel standpunt van eiseres die rechtstreeks het stelsel van “checks and balances”raakt. Eiseres stelt zich namelijk op het standpunt dat de rechter op de stoel van de uitvoerende macht is gaan zitten door buiten het gevorderde om – althans zo vat de Kantonrechter dat op – een voorziening te geven onder 5.4 van het dictum dat behoort tot de discretionaire bevoegdheid, de zgn. “freies Ermessen” van de eiseres. Die vraag zal de appelrechter dienen te beantwoorden. Evenwel beroept eiseres zich op de hoogte van de dwangsom, die exorbitant hoog is (althans zo vat de Kantonrechter dat op) en zal leiden tot een noodtoestand aan haar zijde, aangezien het algemeen bekend is dat de schatkist daartoe niet toereikend is. Die stelling heeft gedaagde niet gemotiveerd weersproken maar volstaan met aan te geven dat dat nationaal en internationaal consequenties zal hebben voor ons land. In de visie van de Kantonrechter gaat het aan de ene kant om “tax payers money”en aan de andere kant om “The King can do no wrong”. Tussen deze twee uitersten bestaat er een spanningsveld en dat is waartussen er gelaveerd wordt in dit geding. Een redelijke en billijke belangenafweging als hiervoor aangegeven leidt naar het oordeel van de Kantonrechter tot de slotsom dat gedaagde er geen rechtens te respecteren belang bij heeft om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep – voor wat betreft punt 5.4 van het dictum van het litigieus vonnis – tot tenuitvoerlegging over te gaan. Immers betreft het in casu een fundamentele rechtsvraag die rechtstreeks de grondslagen van de trias politica raakt. Hoewel het litigieus vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard komt het de kantonrechter voor dat in casu een onverwijlde tenuitvoerlegging van de punten 5.4 en 5.8 daarvan – gelet op vorenvermelde belangenafweging – niet kan worden aanvaard hangende het ingesteld hoger beroep. Immers zou de tenuitvoerlegging van punt 5.4 van het dictum van voormeld vonnis – in de vonnis van de kantonrechter – tot een onomkeerbare situatie kunnen leiden en zou het instellen van het rechtsmiddel van hoger beroep daarentegen een farce kunnen blijken te zijn. Het voorgaande kan immers nimmer de bedoeling van de wetgever geweest zijn;

4.6 Nu de dwangsom eenmalig is vastgesteld en niet is gekoppeld aan onderdelen van het dictum van het litigieus vonnis zal er voor wat betreft punt 5.8 van het dictum van het litigieus vonnis – naar het voorlopig oordeel van de Kantonrechter – eveneens een pas op de plaats gemaakt dienen te worden. De Kantonrechter gaat er evenwel van uit dat – zoals het een goede executieve betaamt – er wel uitvoering zal worden gegeven casu quo niet in strijd zal worden gehandeld met de overige onderdelen van het litigieus vonnis hoewel de executie van punt 5.8 daarvan zal worden verboden. Immers gaat de Kantonrechter er van uit dat een zichzelf respecterende uitvoerende macht zich houdt aan wat een rechter in een vonnis heeft bepaald, zolang dat vonnis in stand is;

4.7 Derhalve zal – gelet op al het voorgaande – het primair gevorderde worden afgewezen. Het subsidiair gevorderde komt wel voor toewijzing in aanmerking en zal de Kantonrechter daartoe overgaan in voege als na te melden;

4.8 Gedaagde zal, als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van eiseres gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

4.9 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter – als niet relevant zijnde – achterwege laten;

5. De beslissing in het kort

De Kantonrechter:

5.1 Verbiedt gedaagde om tot verdere executie van het bepaalde onder punt 5.4 en 5.8 van het dictum van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 12 juni 2014, A.R. no. 142157, over te gaan, alvorens hierover in hoger beroep definitief is beslist;

5.2 Veroordeelt gedaagde tot (de Kantonrechter leest: betaling van) een dwangsom van SRD 100.000,= (Eenhonderdduizend Surinaamse Dollars) per dag voor elke dag dat zij in strijd handelt met het bepaalde in 5.1 van dit vonnis, tot een maximum van SRD 10.000.000,= (Tien miljoen Surinaamse Dollars);

5.3 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

5.4 Veroordeelt gedaagde in de gedingkosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 243,= (Tweehonderd en Drie en Veertig Surinaamse Dollars);

5.5 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op de terechtzitting van vrijdag 11 juli 2014 door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G. Mangal w.g. A. Charan

SRU-HvJ-2006-4

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE BEKLAG EX ART.4 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gezien het beklag van DE DEVIEZENCOMMISSIE, rechtspersoon ingevolge artikel 1 van de Deviezenregeling 1947, gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Havenlaan (complex Nieuwe Haven), ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Mr.F.H.R. Lim A Postraat no.14, bij het Advokatenkantoor Lim A Po, van wie Mr. F. Kruisland als haar gemachtigde optreedt, met de macht van substitutie, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op 4 januari 2006, welk ertoe strekt, dat de Procureur-Generaal zal worden bevolen de [persoon] te vervolgen, althans te doen vervolgen ter zake de tegen haar gepleegde strafbare feiten van smaad en/of smaadschrift en/of belediging in het openbaar, strafbaar gesteld bij artikelen 320 en 325 van het Wetboek van Strafrecht;

Gelet op het feit, dat de Procureur-Generaal aan het Hof van Justitie respectievelijk op 2 februari 2006 het litigieus verslag vergezeld van producties en op 22 februari 2006 het strafdossier heeft doen toekomen;
Gelet op ’s Hoven beschikking d.d. 7 februari 2006, waarbij de behandeling van het beklag is bepaald op 22 februari 2006 des voormiddags te 09.00 uur, waarbij tevens de oproeping van de beklaagde is bevolen;
Gehoord in Raadkamer de Deviezencommissie eerdergenoemd, vertegenwoordigd door de heer SHYAMNARAIN, ANDRE KRISHNADATH, bijgestaan door haar raadsman, Mr. F. Kruisland, advokaat bij het Hof van Justitie;
Tevens gehoord Mr. S. Punwasi, Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, namens het Openbaar Ministerie;
Gezien de overige zich in het onderhavige Raadkamerdossier bevindende bescheiden;
Gelet op het proces-verbaal van verhoor in Raadkamer d.d. 22 februari 2006, welker inhoud hier als geïnsereerd moet worden beschouwd;
Overwegende, dat het Hof, op grond van de ter zake gebleken feiten van oordeel is dat klaagster als belanghebbende in de zin van artikel 4 Sv. kan worden aangemerkt en derhalve ontvankelijk is in haar verzoek/beklag;
Overwegende, dat het Hof met betrekking tot onderhavig verzoek/beklag alsvolgt oordeelt:

De Deviezencommissie voelt zich bij monde van haar voorzitter Shyamnarain, Andre Krishnadath bijzonder gegriefd door een zinsnede voorkomede in de rubrieken:
[rubrieken] met als [kop] van het [dagblad], van [datum 1] en vervolgedities van [data] alsook de editie van [datum 2].

In het bijzonder valt zij over de zinsnede, hierop neerkomende dat de Deviezencommissie slechts personen voor vergunningen voor de export van goud in aanmerking deed komen en/of doet komen, “die bereid waren zowel boven en onder tafel zaken te doen”.

In reactie op een aangifte en verzoek tot strafvervolging door de Deviezencommissie tegen de (hoofd) redacteur van voormelde dagblad, [persoon], heeft de Procureur-Generaal aan haar per schrijven d.d. 2 januari 2006 doen weten – met zoveel woorden gezegd en zakelijk weergegeven – dat hij niet zal vervolgen omdat bij kort geding- vonnis de Deviezencommissie bereids het gelijk aan haar zijde heeft gehad en dat het van groter algemeen belang is dat er met betrekking tot deze zaak en de naar aanleiding daarvan gevoerde discussies over de persvrijheid, enige rust komt in de samenleving; derhalve ontbreekt een noodzakelijk algemeen belang tot strafvervolging, aldus de Procureur-Generaal;

Het voorgaande heeft geleid tot onderhavig verzoek/beklag.

Sinds de persvrijheid c.q. het recht van vrijheid van meningsuiting als klassieke grondrecht na de “verlichting” tot bloei is gekomen in de moderne samenleving, is er wereldwijd een spanningsveld ontstaan tussen dit recht en het klassieke grondrecht op privacy/integriteit/ onschendbaarheid van persoon c.q. rechtssubjecten. De Surinaamse samenleving is daar geen uitzondering op.

Verstoorde evenwichten leiden onontkomelijk tot (straf) rechtsprocessen waar belanghebbende/justitiabelen alsdan elk vanuit hun gezichtspunt het evenwicht in concreto hersteld wensen te zien, danwel onbewust zijn van het verstoorde evenwicht. Geen van beide genoemde grondrechten zijn onbegrensd c.q. zodanig absoluut dat er geen speld tussen te krijgen is.

Andersmenenden solliciteren naar een staat waarin chaos de boventoon voert; noch de ter zake geldende verdragen (artikelen 17 en 19 BUPO; artikelen 11 en 13 AVRM) noch de Grondwet (artikelen 17 en 19) hebben de grenzen opengesteld c.q. deze rechten verabsoluteerd.

Volgens deze regels van hogere orde mogen de nationale wetten het genot dezer rechten begrenzen. In elk geval mag aan het recht van vrijheid van meningsuiting bij wet beperkingen gesteld worden, voorzover deze beperkingen het oog hebben op het beschermen van de goede naam van anderen, danwel in het belang zijn van de nationale veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid en de goede zeden. Dit is ook gebeurd in menig andere rechtsstelsel. Onwillekeurig kan hierbij gedacht worden aan de artikelen 320 en 325 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht als grenslijn tussen genoemde rechten.

Kernachtig en met het oog op onderhavig geval komt deze grens hierop neer dat openbare aantijgingen/beschuldigingen dat een (rechts) persoon strafbare feiten heeft gepleegd niets te doen hebben met vrijheid van meningsuiting, althans is de grens daarvan overschreden. Evenmin getuigt zulks van zuiverheid van oogmerk bij de openbaarmaking daarvan, vermits iedere persoon in de eerste plaats een burgerplicht heeft tot het doen van aangifte/klacht bij de ter zake aangewezen instituten, indien hij/zij van een strafbaar feit op de hoogte is. Voor het geval toch gekozen wordt voor openbaarmaking van die wetenschap in plaats van de aangewezen weg te volgen, dan dient zulks te geschieden met het oog op het algemeen belang of ter noodzakelijke verdediging, waarvoor verantwoording zal dienen te worden afgelegd. Van dit laatste is tot zover niet gebleken.

Is in onderhavig geval de grenslijn gepaseerd? Deze vraag is niet (en kan niet) aan het Hof ter beantwoording (worden) voorgelegd in deze, artikel 4 Sv-procedure. Aan het Hof is in onderhavig geval wel met zoveel woorden gevraagd om dit evenwicht te doen vaststellen door de strafrechter en alzo te bevelen dat er in kwestie een strafvervolging wordt ingesteld door de Procureur-Generaal die, blijkens zijn stellingname, daar niet gevoelig voor is;

De zinsnede: “die bereid waren zowel boven en onder tafel zaken te doen”, geeft het Hof ondubbelzinnig aanleiding de klacht van de Deviezencommissie in te willigen.

Omdat de succesvolle civiele actie van de Deviezencommissie uit onrechtmatige daad/belediging, uit de aard, slechts de prive-orde raakt en niet tevens de openbare, vormt zulks geen beletsel vooreen strafvervolging en dus ook niet voor de uitvaardiging van hetgevraagde bevel;
Gezien het betrekkelijk wetsartikel, met name artikel 4 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering;

BESCHIKKENDE:

Wijst toe het gedane verzoek;
Beveelt dat de Procureur-Generaal tegen de [persoon] een strafvervolging zal (doen) instellen, ter zake de strafbare feiten genoemd in de artikelen 320 en 325 van het Wetboek van Strafrecht;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op WOENSDAG 24 MEI 2006 door:Mr.I.H.M.H. RASOELBAKS, Fungerend-president, Mr.D.D. SEWRATAN,Lid en mr. A.A.Hermelijn, Lid-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van Mr. V. Splinter-Bandhoe, Fungerend-griffier.

SRU-K1-2003-4

KANTONRECHTER EERSTE KANTON
4 maart 2003
A.R. no. 030754

Wij Kantonrechter in het Eerste Kanton,

Gelezen het door [verzoeker], wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.J.Kraag, ter griffie van het Kantongerecht ingediende verzoekschrift d.d. 18 februari 2003;

Gezien de daarbij door verzoeker overgelegde bescheiden, waaronder:

een copie geboorte-akte [nummer 1], uitgegeven door de ambtenaar van de Burgerlijke Stand d.d. 16 november 2002, waaruit blijkt dat op maandag [datum] te Paramaribo uit [persoon 1] is geboren een kind van het mannelijk geslacht aan welk kind de voornaam [naam] gegeven is;

een copie overlijdens-akte [nummer 2], uitgegeven door de ambtenaar van de Burgerlijke Stand d.d. 7 november 2002, waaruit blijkt dat op 21 oktober 2002 te Paramaribo is overleden [persoon 1];

een copie beschikking van de kantonrechter in het Tweede Kanton AR no 024577, d.d. 8 november 2002, waaruit blijkt, voorzover van belang, dat over hogergenoemd kind verzoeker tot voogd is benoemd;

gelegaliseerde verklaringen van [namen], respectievelijk d.d. 20 maart 2003 en 6 maart 2003, zakelijk inhoudende dat zij geen bezwaar hebben tegen inwilliging van het verzoek van verzoeker;

Gehoord verzoeker en diens echtgenote ter raadkamer d.d. 4 maart 2003, die, voorzover van belang en zakelijk weergegeven hebben verklaard dat verzoeker de verwekker en dus de biologische vader is van [naam – variant]; deze verklaringen zijn opgenomen in een daartoe opgemaakt procesverbaal waarvan de inhoud als hier herhaald en geinsereerd dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat voorzover van belang en zakelijk weergegeven hieronder uitgegaan zal worden van de navolgende feiten en omstandigheden:
verzoeker is op 28 maart 1968 -gehuwd met [persoon 2], uit welk huwelijk 3 kinderen zijn geboren, thans allen meerderjarig;
verzoeker heeft tijdens dit huwelijk een kind verwekt bij [naam], welk kind op [datum 1] is geboren, luisterende naar de naam [naam];
kort na de geboorte van [naam] is de moeder overleden en is [naam] met instemming van de echtgenote opgenomen in het gezin van verzoeker;
op 8 november 2002 is verzoeker bij beschikking tot voogd benoemd over [naam];
verzoekers echtgenote noch diens uit het huwelijk geboren kinderen hebben bezwaar tegen inwilliging van het verzoek van verzoeker;

Overwegende, dat verzoeker bij gemeld verzoekschrift, op gronden daarin vermeld, heeft gevorderd dat bij beschikking de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Paramaribo zal worden gelast, het Register van de Burgerlijke Stand van Paramaribo aan te vullen met een akte houdende erkenning door verzoeker van de op [datum 1] te Paramaribo geboren [naam – variant] en dat deze erkenning zal worden aangetekend op de geboorte-akte van voornoemde minderjarige;

Overwegende, dat Wij uit de stellingen van verzoeker afleiden dat hij dit verzoek heeft gedaan, aangezien hij van mening is dat het op voorhand uitgesloten is dat de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Paramaribo vanwege het op grond van artikel 336 lid l sub f van het Burgerlijk Wetboek bestaande beletsel – inhoudende dat de erkenning gedaan door een gehuwde man nietig is – zijn medewerking zal verlenen tot het verlijden van een dergelijke akte alsmede daarvan aantekening te houden in de daartoe bestemde registers van de Burgerlijke Stand; dit terwijl voormeld wetsartikel in strijd is met verdragsbepalingen, w.o. artikel 17 leden l en 5 van het – kort gezegd – BUPO-verdrag weshalve voormelde bepaling ingevolge artikel 106 van de Grondwet, buiten toepassing dient te blijven in casu; genoemde wettelijke bepaling als de verdragsbepalingen, naar hun inhoud genomen bescherming plegen te bieden aan (in ruimere zin ) het gezinsleven (family life), elk op hun wijze, waarbij aangetekend dient te worden dat artikel 17 lid l jo lid 5 van het Inter-Amerikaans verdrag verder gaat door ook de zgn. buitenechtelijke kinderen (hetzij van de man, hetzij van de vrouw) onder die bescherming te betrekken met een family-lifebepaling en een non-discriminatiebepaling, terwijl artikel 336 lid l sub f van het Surinaams burgerlijk Wetboek het buitenechtelijke kind van de man zonder meer “in de kou laat”; dit ter bescherming van de familierechtelijke rechtsbetrekkingen tussen de man en diens echtelijk gezin;

Overwegende, dat naar Ons oordeel de relatie van verzoeker als biologische vader van [naam] een relatie is welke ingevolge gemelde verdragsbepaling aanspraak geeft aan zowel .verzoeker, als aan [naam], deze relatie in beginsel te doen erkennen als familierechtelijke rechtsbetrekking (family life);

Overwegende, dat nu gemelde wettelijke bepaling als een regeling van lagere orde ten opzichte van het verdrag als regel van hogere orde in de Surinaamse rechtssfeer, voormelde aanspraak ongeclausuleerd in de weg staat, terwijl wel degelijk omstandigheden denkbaar zijn – zoals in onderhavig geval in de eerste overweging van deze beschikking is verwoord -welke bij afweging van de in geding zijnde belangen tussen enerzijds de familierechtelijke relatie van verzoeker en [naam] en de familierechtelijke relatie van verzoeker, diens echtgenote en de uit het huwelijk geboren kinderen anderzijds, voldoende aanleiding geven het erkenningsverbod niet in alle gestrengheid toe te passen, dit erkenningsverbod zoals neergelegd in voormeld wettelijke bepaling, inzoverre, voor dit geval buiten toepassing zal dienen te blijven als (onder de omstandigheden van dit geval) te zijn strijdig met de aanspraken welke gemelde bepaling van het verdrag pleegt te waarborgen tussen verzoeker en zijn biologisch kind over en weer;

Overwegende, dat Ons uit het verhoor ter raadkamer van de echtgenote van verzoeker en de verklaringen van diens echtelijke kinderen voorts niet is gebleken van enig belang, van dien aard, welke het belang en de aanspraak van verzoeker op family-life met [naam] in de weg zouden staan;
integendeel, hebben zij als meest belanghebbenden in dit kader blijk gegeven niet afwijzend te staan tegenover die family-life;

Overwegende, dat Wij derhalve onder toepassing van artikel 106 van de Grondwet het verzoek zullen honoreren;

BESCHIKKENDE

Gelasten de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Paramaribo, het daartoe bestemde register van de Burgerlijke Stand van Paramaribo aan te vullen met een akte houdende erkenning door verzoeker van het op [datum 1] te Paramaribo geboren kind [naam – variant] en voorts deze erkenning aan te tekenen op de geboorte akte van genoemd kind;

Aldus gegeven te Paramaribo, op heden 4 maart 2003, door de Kantonrechter- Plaatsvervanger in het Eerste Kanton, Mr. I.H.M.H. Rasoelbaks in tegenwoordigheid van de Fungerend Griffier mr.S.K. Simbhoedatpanday.

 

SRU-K1-2003-3

Kantonrechter Eerste Kanton

30 juli 2003
A.R. no. 032409,
SJB september 2003, p. 69

Surinam Leisure Company A.V.V., rechtspersoon naar het recht van Aruba, gevestigd te Aruba, Sun Plaza, L.G. Smith Boulevard 160 suite 309, Oranjestad, Aruba, mede kantoor houdend te Paramaribo aan de Domineestraat 11, voor wie als gemachtigden optreden, Mr. E. Naarendorp en Mr. E.C.M. Hooplot, advocaten,
eiseres in kort geding,

tegen

De Stichting Dim, rechtspersoon, domicilie gekozen hebbend aan de Koninginnestraat no. 10, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. A.R. Baarh, advokaat, gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton:
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Overwegende ten aanzien van de feiten

Bij het op 13 juni 2003 ter griffie van dit Kantongerecht ingediend inleidend rekest heeft eiseres, onder overlegging van bijbehorende producties, op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden gesteld en gevorderd dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minute:

  • Gedaagde zal worden verboden dat door of namens haar enige inbreuk wordt gepleegd op het recht op het volle huurgenot van eiseres.
  • Gedaagde voorts meer in het bijzonder zal worden verboden om anders dan na uitdrukkelijke afspraak met eiseres en door de Kantonrechter nader vast te stellen condities het gehuurde te betreden een en ander slechts voor controle door gedaagde op een juist gebruik van het gehuurde door eiseres.
  • Gedaagde zal worden verboden om het gehuurde door eiseres te doen betreden tijdens de uren waarop het casino operationeel is.
  • Gedaagde zal worden verboden om hetzij mondeling, hetzij middels geschriften bij het publiek de indruk te wekken, althans te doen ontstaan, als zou het casino gesloten zijn, althans niet langer toegankelijk zijn.
  • Gedaagde zal worden veroordeeld gemotiveerd betwist – en mede blijkende uit ten processe in beide zaken overgelegde documenten – in zoverre van belang het navolgende tussen partijen rechtens vaststaat:
  • dat de eiseres van [bedrijf], een naamloze vennootschap naar Surinaams recht, gehuurd heeft bij schriftelijke overeenkomst van 6 juni 1998 de begane grond en de eerste verdieping van het gebouw staande aan [adres], voor de tijd van 15 jaren, te rekenen van 28 februari 1998;
  • dat de gedaagde op de openbare veiling en toewijzing ten aanwijzing van notaris Mr. M.R. Sanrochman, gehouden op 29 mei 2003 krachtens het bepaalde in artikel 1207 lid 2 SBW gehouden door een hypotheekhouder, het pand, waarvan het gehuurde deel uitmaakt, heeft gekocht, waarvan een akte proces-verbaal opgemaakt is, bij afschrift overgeschreven ten hypotheekkantore op 4 juni 2003 in register [nummer];
  • dat het pand [adres 1] voormeld kadastraal (in de register ten hypotheekkantore) bekend is als:”I. Het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [adres 2], bekend onder [wijk en nummer 1];II. Het erf met al hetgeen daarop staat, gelegen te [adres 3], bekend onder [wijk en nummer 2];
    III. Her erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [adres 3], bekend onder [wijk en nummer 3];”>Allen tezamen een oppervlakte beslaande van negenhonderd zes en veertig, twee en veertig/honderdste vierkante meters”, welke onroerende goederen bij partiële akte scheiding en deling verleden op 1 september 1998 voor notaris Mr. G.H.B. Blom, werden toebedeeld aan Mevrouw [naam 1], welke onroerende goederen hebben behoord tot de door het overlijden van [naam 2] ontbonden huwelijksgemeenschap bestaan hebbende tussen deze [naam 1] en die [naam 2], en deze laatste is te Paramaribo ab intestato overleden op 3 oktober 1991;
  • dat partijen twisten over de rechtsvraag of de sub 1 genoemde huurovereenkomst aan de verhuurder-zijde overgegaan is op de gedaagde, de veilingverkoper, en nieuwe eigenaar of niet;

Overwegende, dat Mevrouw [naam 1], geacht wordt vanaf 3 october 1991, de dag van het overlijden van haar echtgenoot [naam 2], de eigendom van de drie bovenomschreven onroerende goederen te hebben verkregen, omdat de akte van de scheiding en deling eigendomaanwijzend werkt tot aan de dag van ontbinding van de huwelijksgemeenschap (declaratieve werking van de boedelscheiding) en dit schijnen de advocaten in deze zaak en notaris Mr. M.R. Sanrochman in de veilingsakte over het hoofd te hebben gezien (zie art. l110 BW);

Overwegende, dat de onderhavige huurovereenkomst (zie sub 1) werd gesloten door [bedrijf] als verhuurder, die eigenaar noch mede-eigenaar van die onroerende goederen was en dus door een niet eigenaar en was dus ten opzichte van de eigenaar niet rechtsgeldig tot stand gekomen, zijnde gesteld noch gebleken dat de eigenaar die vennootschap gemachtigd had namens hem die huurovereenkomst aan te gaan, en ook is niet gesteld noch gebleken dat de eigenaar die huurovereenkomst overgenomen heeft, zijnde hiervoor de medewerking van de huurder, in casu de eiseres, vereist, hetgeen gesteld noch gebleken is;

Overwegende, dat het eventueel kennis dragen of dulden van de onderhavige huurovereenkomst door de eigenaar rechtens niet met zich meebrengt dat de eigenaar de hoedanigheid van verhuurder verkrijgt – hetgeen de opvatting van de eiseres in casu is – doch slechts dat hij zich daaraan niet behoeft te storen, en dat niet uitgesloten geacht moet worden dat Mevrouw [naam 1] dat pand ter beschikking van [bedrijf] gesteld heeft om bedrijfsactiviteiten daarin te ontplooien;

Overwegende, dat toen de partijen de onderhavige huurovereenkomst met elkaar aangingen die onroerende goederen ten hypotheekkantore ten name van [naam 2] geboekt stonden en had de huurder door kennisneming van die openbare registers te weten kunnen komen wie de eigenaar of de eigenaren van die goederen was/waren, hetgeen kennelijk niet gebeurd is en de eiseres zonder meer ervan uitgegaan is dat haar verhuurder de rechthebbende tot verhuur was, hetgeen thans, achteraf dus, niet het geval blijkt te zijn;

Overwegende, dat door de veilingkoop en overschrijving van het proces-verbaal van toewijzing en gunning de gedaagde de rechtsopvolger onder bijzondere titel geworden is van Mevrouw [naam 1] voornoemd – en niet van de hypotheekhouder als veilingverkoper, zoals de eiseres stelt, want eigendomsovergang vindt plaats van de vorige op de tegenwoordige eigenaar – en nu deze geen huurovereenkomst heeft met de eiseres, is die overeenkomst niet overgegaan op haar voormelde rechtsopvolger, in casu de gedaagde en is deze daaraan dan ook niet gebonden: art. 1597 SBW (koop breekt geen huur) is dus hier niet van toepassing;

Overwegende, dat ook de stellingen van de eiseres dat verhuurder, in casu [bedrijf], als beheerder van die onroerende goederen van Mevrouw [naam 1] of als haar zaakwaarnemer opgetreden is in deze geen opgeld vermogen te doen omdat deze – door de tegenpartij gemotiveerd weersproken – niet alleen niet aannemelijk gemaakt zijn, doch die hoedanigheden niet met zich meebrengen dat huurovereenkomsten over die goederen met derden, in casu de eiseres, gesloten kunnen worden;

Overwegende, dat de gedaagde derhalve niet in de plaats van de verhuurder getreden is en dit ook gemotiveerd weersproken heeft en is zij dan ook aan de onderhavige huurovereenkomst niet gebonden;

Overwegende, dat aan de eiseres, die dus ten onrechte ervan uitgaat dat de gedaagde thans haar verhuurder is en dus gebonden aan de huurovereenkomst die zij met [bedrijf], aangegaan is, de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd omdat zij tegenover de gedaagde zonder recht of titel dat pand gebruikt, met haar veroordeling, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten.

Rechtdoende in kort geding

Weigeren de gevraagde voorzieningen;

Veroordelen eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op woensdag 30 juli 2003, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr. S. Gangaram Panday, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, Mr. S. Tika.