SRU-K1-2009-1

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 054906
10 februari 2009

Vonnis inzake

[naam],
wonende te [district],
gemachtigde: mr. F. Kruisland
eiser,

tegen
A. TREFPUNT 2000, Partij voor Democratie en Welzijn (Trefpunt/PDW),rechtspersoon,
B. DEMOCRATEN VAN DE 21E EEUW, rechtspersoon,
C. POLITIEKE VLEUGEL VAN DE FEDERATIE VAN AGRARIERS EN LANDARBEIDERS (politieke vleugel van de FAL), rechtspersoon,
D. DE STAAT SURINAME, vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij
het Hof van Justitie,
allen gevestigd /kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde voor gedaagden sub A tot en met C: mr. R.W. Cruden, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub D: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat.
gedaagden.

1. De procesgang

1.1 Deze blijkt uit de volgende proceshandelingen/processtukken:
– het verzoekschrift welk op 8 december 2005 ter griffie van het kantongerecht is ingediend;
– de conclusie van antwoord zijdens gedaagden sub D;
– de conclusie van antwoord zijdens gedaagden sub A tot en met C;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek zijdens gedaagde sub D.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Gedaagden sub A, B en C zijn politieke organisaties.

2.2 Gedaagden sub A en C vormden vanaf 8 april 2004 tezamen met de politieke organisatie Nieuw Suriname en de politieke vereniging DA 91 een combinatie van politieke organisaties onder de naam Alternatief 1 (A 1). Gedaagde sub B is op 19 maart 2005 tot de combinatie toegetreden.

2.3 Op 8 juli 2005 is de politieke combinatie Alternatief 1 (AF) uit de voormelde combinatie A 1 getreden.

2.4 Eiser is op 25 mei 2005 gekozen als volksvertegenwoordiger.

2.5 Bij exploot van deurwaarder D. Hieralal dd. 30 november 2005, is aan eiser betekend een brief dd. 30 november 2005 afkomstig van de combinatie A 1 inhoudende terugroeping van eiser als volksvertegenwoordiger, als bedoeld in artikel 2 van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert:
I. Onverbindend verklaren de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers (S.B. 2005 no.15) wegens strijd met de Grondwet onder meer artikel 52 leden 1 en 2 daarvan en/of een of meerdere bepalingen daarvan althans voor recht te verklaren dat de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers wegens strijd met de Grondwet onder meer artikel 52 leden 1 en 2 daarvan en/of een of meerdere bepalingen daarvan onverbindend is.

II. Nietig te verklaren althans te vernietigen het besluit van de Combinatie van Politieke Organisaties A 1, althans Alternatief 1, althans het besluit van gedaagden A,B en C gezamenlijk voorwendende te handelen in dat kader als de Combinatie van Politieke Organisaties A 1, althans Alternatief 1, dd. 30 november 2005, althans genomen in november 2005 en betekend bij exploit van de deurwaarder D. Hieralal dd. 30 november 2005, doch vervat in een daarbij ook betekende brief dd. 30 november 2005 ondertekend door mr. Ramon W. Cruden.

III.Gedaagde sub D althans haar organen en/of instellingen, het Centraal Hoofdstembureau als bedoeld in artikel 55 van de Grondwet te verbieden om voor eiser een opvolger aan te wijzen als lid van De Nationale Assemblee en die aangewezen opvolger als lid van De Nationale Assemblee toe te laten.

3.2 Mede is gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.3 Eiser stelt dat de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers in strijd is met de Grondwet, onder meer met artikel 56 lid 1 en artikel 52 leden 1 en 2. Op grond daarvan dient de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers rechtens en in rechte buiten toepassing te worden gelaten en wel op grond van artikel 144 lid 2 sub a en lid 3 jo art. 10 van de Grondwet.

Reeds op grond hiervan meent eiser dat het besluit van de Combinatie A 1 nietig, althans rechtens van onwaarde is en mitsdien buiten werking moet worden gesteld.

Verder is het besluit van de combinatie A 1 nietig en rechtens van onwaarde op grond van het volgende:
– de combinatie A 1 is door het uittreden van het AF op 5 juli 2005 uiteengevallen in de zin van artikel 2 lid 3 van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers en kan zij eiser dus niet terugroepen.
Voorts is voormeld besluit tot terugroeping niet rechtsgeldig genomen door de organen van de samenstellende delen van de Combinatie die bevoegd zijn tot het indienen van de kandidatenlijsten van de combinatie bij verkiezingen, als bedoeld in artikel 2 lid 2 sub b van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers.

– het besluit is niet voor externe werking rechtsgeldig ondertekend als bedoeld in artikel 2 lid 2 sub c van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers en heeft dus geen rechtsgevolg.
Eiser stelt verder dat het Centraal Hoofdstembureau niet mag overgaan om te voorzien in de vacature van eiser als teruggeroepen Volksvertegenwoordiger, omdat de terugroeping onder meer nietig en rechtens van onwaarde is.

3.4 De kantonrechter komt indien nodig terug op het verweer van gedaagden in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Voor wat betreft het onder punt 3.1 sub 1 gevorderde is de kantonrechter van oordeel dat zij ingevolge artikel 2 van de Wet Algemene Bepalingen (Landsverordening van 23 juli 1945 (G.B. 1945 no.) tot herziening van de algemene bepalingen der wetgeving van Suriname (geldende tekst GB 1918 no. 37) volgens wettelijke regelingen recht dient te spreken doch dat zij niet bevoegd is de innerlijke waarde van billijkheid van die wettelijke regelingen te beoordelen.

De kantonrechter zal zich dan ook onbevoegd verklaren voor wat betreft dat gevorderde.

4.2 De vraag die thans aan de orde komt is of de politieke combinatie A 1, die uit meerdere politieke organisaties bestaat, bevoegd is om onder de naam A 1 op te treden, indien één der politieke organisaties uit die combinatie treedt.
Naar het de kantonrechter voorkomt heeft het enkele feit dat één der politieke organisaties uit de combinatie treedt, niet automatisch tot gevolg dat de bevoegdheid om de naam waaronder zij gezamenlijk optraden ook komt weg te vallen. Dit zal afhangen van onder meer welke afspraken partijen daarover hebben gemaakt.
Vooralsnog is de kantonrechter van oordeel dat niet gebleken is dat de politieke combinatie niet bevoegd is om onder de naam A 1 op te treden.

4.3 Tenslotte komt aan de orde de vraag of het door de combinatie A 1 genomen besluit nietig en rechtens van onwaarde is, als gevolg waarvan het buiten werking zou moeten worden gesteld.
De kantonrechter acht het overbodig om inhoudelijk hierop in te gaan. Aangezien het gewraakte besluit genomen is door de politieke combinatie A 1, diende eiser deze combinatie in rechte aan te spreken en niet gedaagden A, B en C afzonderlijk.
Eiser is dus niet ontvankelijk in zijn vordering terzake.

4.4 Met betrekking tot het onder punt 3.1 sub III gevorderde is de kantonrechter van oordeel dat dit gevorderde hetzelfde ondergaat als het onder 3.1 sub II gevorderde, nu dat een sequeel is van dit laatste.

4.5 Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Verklaart zich onbevoegd voor wat betreft het onder 3.1 sub I gevorderde.

5.2 Verklaart eiser niet ontvankelijk in het onder 3.1 sub II en III gevorderde.

5.3 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van dinsdag 10 februari 2009 door de kantonrechter plaatsvervanger in het Eerste Kanton, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. J.M. Dipokromo-Foort.

w.g. J.M. Dipokromo-Foort w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2019-4

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R.no. 190680
28 maart 2019

Vonnis inzake:
STICHTING CENTRE FOR PUBLIC AFFAIRS SURINAME
, rechtspersoon,
gevestigd te Paramaribo,
eiseres in kort geding,
gevolmachtigde: drs. A. Biharie,

tegen

DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat,

De kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding spreekt in Naam van de Republiek het navolgend vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:
– het verzoekschrift met producties dat op 21 februari 2019 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de conclusie van antwoord;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek en uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. Bij wet van 3 februari 2017 is de Wet op de Staatsschuld (S.B. 2002 no. 27, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2016 no. 63) nader gewijzigd.

2.2. In de Memorie van toelichting van de nadere wijziging van de Wet op de Staatsschuld is het volgende –voor zover hier van belang- opgenomen:
“De economische ontwikkelingen die ons land de afgelopen periode heeft doorgemaakt, hebben geresulteerd in een negatieve bijstelling van het nominaal bruto binnenlands product en een hogere waardering van de schuldpositie. (…).
De vooruitzichten voor 2016, evenals de voorlopige kwantificatie hierover door de economische instituten, waren van dien aard dat een sterker negatieve economische groei en een voortgaande munt depreciatie zich zouden manifesteren, met als verwachting dat de schuldratio’s voor 2017 verder zullen verslechteren. (…).
De negatieve groei van het nominaal bruto binnenlands product en/of stijging van de wisselkoers kunnen maken dat de gepubliceerde totale Staatsschuld, zonder dat er daar bovenop extra schuldverplichtingen door de Staat worden aangegaan, boven de wettelijk vastgestelde obligoplafonds komen te liggen. Het is daarom noodzakelijk dat conform het gestelde in de Memorie van Toelichting van artikel 3 van de Wet op de Staatsschuld (S.B. 2002 no. 27, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2016 no. 63), ter zake specifieke voorzieningen worden getroffen in het geval het nominaal bruto binnenlands product voor een bepaald jaar of bepaalde periode door bovengenoemde onvoorziene omstandigheden daalt ten opzichte het jaar of de periode daarvoor of door de in het artikel genoemde oorzaken de Staatsschuld stijgt boven de wettelijk vastgestelde obligoplafonds. De aanvulling van artikel 3a voorziet daarin (…)”.

2.3. Bij wet van 14 september 2018 S.B. 2018 no. 85, Wet Rij- en Voertuigenbelasting 2018 is vastgesteld dat met ingang van 1 januari 2019, belasting wordt geheven op rij- en voertuigen die zich op de weg bevinden en zijn de tarieven bepaald.

2.4. In de Memorie van toelichting van de Wet Rij- en Voertuigenbelasting 2018 is het volgende –voor zover hier van belang- opgenomen:
“(…) Thans heeft de Regering het besluit genomen deze belasting weder in te voeren. Diverse uitgangspunten liggen hier ten grondslag. Allereerst is de Rij- en Voertuigenbelasting ee rechtvaardige belasting. Alle gebruikers van de weg, tenzij de wet anders bepaalt, betalen deze belasting. Het dagelijks gebruik van de wegen door bestuurder van voertuigen zorgt voor achteruitgang en beschadiging van deze wegen. Het kost de overheid jaarlijks miljoenen om deze wegen te omnderhouden. De Overheid heeft aan de ene kant de verplichting te zorgen voor begaanbare wegen maar krijgt aan de andere kant niet de nodige bijdrage van de gebruikers. Het rechtvaardige ligt erin dat hoe zwaarder het voertuig, hoe hoger het tarief zal zijn. Dit heeft mede ertoe geleid dat de Regering heeft besloten om deze belasting weder in te voeren.
Voorts is deze belasting, internationaal gangbaar en wordt in vele landen geheven mede vanwege het rechtvaardig karakter hiervan. Het belangrijkste uitgangspunt is daarom ook dat de gebruiker betaalt.
Verder moet de heractivering van deze belasting worden gezien in het kader van de voornemens van de Regering om inkomsten te genereren. De maatregel zal daarom ervoor zorgen dat de inkomsten van de Staat zullen toenemen.(…)”.

3. De vorderingen en het verweer
3.1. Eiseres vordert om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

1. De rechtswerking van de wettelijke voorschriften van de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting op te schorten totdat in een bodemprocedure betreffende voorschriften voor zover ze strijdig zijn met de ieder verbindende grond- en mensenrechtenbepalingen onverbindend zullen worden verklaard en ingeval er sprake is van strijdigheid met hetgeen als betamelijk in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden de wettelijke bepalingen buiten toepassing zullen worden gelaten en zulks onherroepelijk zal zijn vast komen te staan;

2. Gedaagde te gelasten de rechtswerking van de Wet Rij- en Voertuigenbelasting met ingang van 1 januari 2019 op te schorten, zulks binnen 1 (een) uur na de uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter vast te stellen termijn, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 300.000,– per dag, en dit alles totdat in een bodemprocedure een onherroepelijk rechterlijke beslissing zal komen vast te staan;

3. De gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Gedaagde voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

4. De beoordeling
4.1. Eiseres legt aan haar vorderingen ten grondslag dat gedaagde onrechtmatig jegens haar handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de kantonrechter in kort geding- tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

4.2. Uit het door eiseres overgelegd uittreksel uit het Openbaar Stichtingenregister de dato 04 maart 2019 en de volmacht gedateerd 19 februari 2019 blijkt genoeg-zaam het bestaan van eiseres en de opdracht welke zij aan de gevolmachtigde heeft verstrekt om namens haar onderhavig rechtsgeschil te voeren. Het terzake door gedaagde gevoerd formeel verweer wordt derhalve verworpen.

4.3. De kantonrechter acht het van belang de navolgende artikelen uit de Grondwet aan te halen:

Artikel 80
1. Alle ontwerpen van wet, door De Nationale Assemblée goedgekeurd en door de President bekrachtigd, verkrijgen kracht van wet na afkondiging.
2. De wetten zijn onschendbaar, behoudens het bepaalde in de artikelen 106, 137 en 144 lid 2.

Artikel 106
Binnen de Republiek Suriname geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, wanneer deze toepassing niet verenigbaar zou zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten, die hetzij voor, hetzij na de totstandkoming van de voorschriften zijn aangegaan.

Artikel 137
Voor zover de rechter in een concreet aan hem voorgelegd geval toepassing van een bepaling van een wet strijdig oordeelt met een of meer der in Hoofdstuk V genoemde grondrechten, verklaart hij die toepassing voor dat geval ongeoorloofd.

4.4. In dit geding beoogt eiseres dat de rechtswerking van de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting 2018 wordt opgeschort.

Eiseres stelt dat de regeringsleider de zorgplicht en de daarbij in acht te nemen zorgvuldigheidsbeginsel schendt met als gevolg dat jegens eiseres onrechtmatig wordt gehandeld. Dit wordt gebaseerd op de in sustenu 11 van het verzoekschrift opgesomde artikelen uit het Burgerlijk Wetboek (BW), de Grondwet, het Internationaal Verdrag van Burgerechten en Politieke Rechten van de Verenigde Naties en de American Convention on Human Rights van de Organisatie van Amerikaanse Staten.

Ter waarborging, eerbiediging en verwezenlijking van de beleving van de in sustenu 11 van het verzoekschrift vermelde grond- en mensenrechten, heeft de overheid de daaruit ontstane zorgplicht i.c. kenbare positieve verplichtingen geschonden en daarmee een aantasting van de beschermde belangen van de burgers van Surinamer veroorzaakt.

Met het voorgenomen beleid en de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting veroorzaakt de overheid een dreigende aantasting van de beschermde belangen van de burgers.

De regering pleegt met haar beleid en ontleende bevoegdheden aan voormelde wetten, handelingen die verzaking van de positieve verplichtingen teweeg brengen. De regering bindt zich niet aan de negatieve verplichtingen die de zorgplicht met zich meebrengen, namelijk zich te onthouden van handelingen die de meest directe oorzaak is van de ongerechtvaarigde dreigende aantasting van de beschermde belangen van burgers van Suriname zoals is voorzien in de grond- en mensenrechten.

Het verzaken van het in acht nemen van de uit de zorgplicht voortvloeiende negatieve verplichting veroorzaakt dat de regering strijdig handelt met een ieder verbindende bepaling zoals is bepaald in artikel 1 lid 2 van het IVBPR, namelijk “in geen geval mogen een volk zijn bestaansmiddelen worden ontnomen”. De in dit kader te plegen rechtsvinding houdt concreet in dat tegenover de regering moet worden opgetreden in dien een excessieve aantasting van de koopkracht van het vermogen zal veroorzaken.

De wet op de Staatsschuld is op 3 februari 2017 gewijzigd waarbij de regering een aanvankelijk gebonden bevoegdheid met betrekking tot het toegestaan staatsschulden aan te gaan heeft gewijzigd in een discretionaire bevoegdheid, inhoudende dat de regering geen verantwoording tegenover de Nationale Assemblee hoeft te plegen betreffende de hoogte van de staatsschulden.

De gewijzigde Wet op de Staatsschuld moet als onrechtmatige wetgeving worden gekwalificeerd.

Het begrotingsbeleid, de wijziging van de Wet op de Staatsschuld dat ongebreideld schulden mogen worden aangegaan zonder een wettelijke plicht tot het afleggen van verantwoording tegenover De Nationale Assemblee en de invoering van de Wet Rij-en Voertuigenbelasting 2018, maken zeer aannemelijk dat de dreigende aantasting van de inkomens- en vermogenspositie van burgers in Suriname op een onacceptabele wijze zal plaatsvinden en dit als onrechtmatig overheidsdaden moeten worden aangemerkt.

De Staat handelt met de tot uitvoering gekomen en te komen handelingen onrechtmatig jegens eiseres en handelt feitelijk strijdig met de beschermde belangen van de burgers van Suriname zoals is voorzien in de grond- en mensenrechten-bepalingen.

De regering pleegt met haar beleid en ontleende bevoegdheden aan voormelde wetten, handelingen die een verzaking van de positieve verplichtingen teweeg brengen. De regering bindt zich niet aan de negatieve verplichtingen die de zorgplicht met zich meebrengen, namelijk zich te onthouden van handelingen die de meest directe oorzaak is van de ongerechtvaarigde dreigende aantasting van de beschermde belangen van burgers van Suriname zoals is voorzien in de grond- en mensenrechten.

Het verzaken van het in acht nemen van de uit de zorgplicht voortvloeiende negatieve verplichting veroorzaakt dat de regering strijdig handelt met een ieder verbindende bepaling zoals is bepaald in artikel 1 lid 2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

4.5. Artikel 1 lid 2 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten luidt:
Alle volken kunnen ter verwezenlijking van hun doeleinden vrijelijk beschikken over hun natuurlijke rijkdommen en hulpbronnen, evenwel onverminderd verplichtingen voortvloeiend uit internationale economische samenwerking, gegrondvest op het beginsel van wederzijds voordeel, en uit het internationale recht. In geen geval mogen een volk zijn bestaansmiddelen worden ontnomen.

4.6. Gedaagde voert als meest verstrekkend materieel verweer dat de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting ingevolge artikel 80 van de Grondwet, wetten in formele zin zijn en derhalve onschendbaar en dat de burgerlijke rechter eveneens daaraan gehouden is.

4.7. De kantonrechter merkt allereerst op dat het vaststellen van wetten in formele zin ingevolge het bepaalde in artikel 70 van de Grondwet is opgedragen aan De Nationale Assemblée en de Regering gezamenlijk.

4.8. De kantonrechter overweegt dat de onschendbaarheid van de wetten beoogt om de rechter te verbieden de formele wet aan de Grondwet te toetsen.
De kantonrechter merkt op dat het de wetgever is die uiteindelijk de controle heeft op de constitutionaliteit van de wetgeving en de interpretatie van de Grondwet ligt in handen van de wetgever.
Het toetsingsverbod van artikel 80 lid 2 van de Grondwet reikt in ieder geval zover, dat de rechter niet mag nagaan of de inhoud van de wetten in overeenstemming is met de Grondwet.

4.9. De kantonrechter overweegt dat de vraag of, wanneer en in welke vorm een wet tot stand komt moet worden beantwoord op grond van politieke besluitvorming en afweging van de daarbij betrokken belangen. Voor wat betreft de nadere wijziging van Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting 2018 is dit in de Memorie van Toelichting van de beide wetten, zoals onder 2.2 en 2.4 van de feiten vermeld, verwoord.
De op de Grondwet berustende verdeling van de bevoegdheden van de verschillende staatsorganen, de Trias Politica, brengt met zich mee dat de rechter niet mag ingrijpen in de procedure van politieke besluitvorming en afweging van de erbij betrokken belangen. Zoals eerder overwogen, is de vraag hoe wetgeving tot stand komt een kwestie van politieke beoordeling waarin de rechter niet kan treden.

4.10. De kantonrechter overweegt dat het toetsingsverbod van artikel 80 lid 2 van de Grondwet echter niet elke vorm van rechterlijke toetsing van een wet in formele zin uitsluit. Formele wetgeving kan namelijk ingevolge het bepaalde in artikel 106 van de Grondwet wel worden getoetst aan een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten. Voormeld artikel bepaalt dat binnen Suriname geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, indien deze voorschriften niet verenigbaar zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten.

4.11. De kantonrechter merkt op dat uit de stellingen van eiseres zoals hierboven onder 4.4. zijn vermeld, met name uit de stellingen dat de regering met haar beleid en ontleende bevoegdheden aan de nadere wijziging van de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting 2018, handelingen pleegt die een verzaking van de positieve verplichtingen teweeg brengen, dat de regering zich niet bindt aan de negatieve verplichtingen die de zorgplicht met zich meebrengen, namelijk zich te onthouden van handelingen die de meest directe oorzaak is van de ongerecht- vaardigde dreigende aantasting van de beschermde belangen van burgers van Suriname zoals is voorzien in de grond- en mensenrechten en dat verzaken van het in acht nemen van de uit de zorgplicht voortvloeiende negatieve verplichting veroorzaakt dat de regering strijdig handelt met een ieder verbindende bepaling zoals is bepaald in artikel 1 lid 2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, niet wordt afgeleid dat eiseres aan de vordering ten grondslag legt dat de nadere wijziging van de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting 2018 op zich niet verenigbaar zouden zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten, zoals bepaald in artikel 106 van de Grondwet.
Eiseres stelt namelijk niet dat de bedoelde wetten niet verenigbaar zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten doch dat de regering in strijd handelt met een ieder verbindende bepaling zoals is bepaald in artikel 1 lid 2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

4.12. De kantonrechter overweegt dat uit het vorenoverwogene derhalve niet volgt dat de nadere wijziging van de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting 2018 niet verenigbaar zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten en kan derhalve niet met succes een beroep worden gedaan op artikel 106 van de Grondwet. De wetten zijn toepasbaar en de vorderingen van eiseres strekkende tot opschorting van de rechtswerking van de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting 2018 zijn derhalve niet toewijsbaar.

4.13. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt evenmin met zich mee dat het handelen van de Staat op grond van de nadere wijziging van de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting 2018 als een onrechtmatig handelen kan worden gekwalificeerd.

4.14. Het is de kantonrechter ook niet gebleken dat bepalingen van de nadere wijziging van de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting strijdig zouden zijn met één of meer in Hoofdstuk V van de Grondwet genoemde grondrechten, en is er geen grond om ingevolge het bepaalde in artikel 137 van de Grondwet de toepassing van bepalingen van genoemde wetten ongeoorloofd te verklaren.

4.15. De slotsom is derhalve dat de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd.

4.16. De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren overbodig omdat de beoordeling daarvan niet tot een andere beslissing zal leiden.

4.17. Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
De kantonrechter

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. R.G. Chatterpal en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns op donderdag 28 maart 2019 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier.

 

 

SRU-K1-2010-1

KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 095252
22 juli 2010

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiseres],
gevestigd en kantoorhoudende in [district],
gemachtigde: mr. A.E. Veldman, advocaat,
eiseres in kort geding,

tegen

[gedaagde],
wonende in [district],
gemachtigde: mr. S. Sheombar, advocaat
gedaagde in kort geding.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift dat op 3 december 2009 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek met producties;
– de conclusie tot uitlating zijdens eiseres.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiseres heeft bij akte d.d. 5 september 2006 verleden ten overstaan van notaris G.J. Kemp, in het openbaar gekocht en overgedragen gekregen: het recht van grondhuur – vervallende 13 februari 2032 – op het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot drie hectaren zeven en vijftig aren en tachtig centiaren, gelegen in [district] aan de [straatnaam] in [gebied], bekend als serie [nummer 1] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname Ing. A. Beek d.d. 5 december 1991 met de letters ABCD met uitzondering van de reeds overgedragen delen, ook wel bekend als [adres] (hierna het onroerend goed).

2.2 Voornoemde akte is op 7 februari 2007 ten hypotheekkantore ingeschreven in register [nummer 2].

2.3 Gedaagde verblijft in de woning staande op het onroerend goed.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. schorsing althans opschorting van de overeenkomst zover die tussen partijen bestaat.
b. veroordeling van gedaagde om de woning te ontruimen, desnoods met behulp van de sterke arm.

3.2 Eiseres stelt dat gedaagde zonder recht of titel in de woning verblijft. Voorts voert zij aan de woning dringend nodig te hebben voor eigen gebruik.

3.3 De kantonrechter komt indien nodig terug op het verweer van gedaagde in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend karakter blijkt uit de stellingen van partijen.

4.2 Gedaagde heeft aangevoerd dat zij samen met haar thans overleden echtgenoot een deel van het onroerend goed in hypotheek hebben gegeven met de bedoeling dat zij dan voldoende financiële middelen zouden genereren om een verzorgde oude dag te hebben, hetgeen door een samenloop van omstandigheden niet is gegaan zoals gepland. Voorts voert zij aan dat de schuldeiser, op de hoogte was van de omstandigheden waarin zij verkeerde. Zij had namelijk aan de schuldeiser gevraagd een stukje van het onroerend goed waarop de woning staat uit te zonderen en niet mee te nemen bij de hypotheekverlening. Zij wist niet dat deze voorwaarde niet was opgenomen in de akte van hypotheekstelling omdat zij de Nederlandse taal niet machtig is en de akte blindelings heeft getekend. De kantonrechter is van oordeel dat, ook indien het voorgaande op waarheid zou berusten, dit niet aan eiseres als koper van een onroerend goed op een openbare veiling kan worden tegengeworpen. Ook niet indien de voorzitter van eiseres dezelfde persoon is als de toenmalige schuldeiser van gedaagde. Immers is eiseres een rechtspersoon en is er sprake van een afgescheiden vermogen van eiseres en de toenmalige schuldeiser van gedaagde.

4.3 Het voorgaande inachtnemend kan worden geconcludeerd dat gedaagde niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zij met enig recht of titel het onroerend goed bewoont. Dit betekent dat de gevorderde ontruiming kan worden toegewezen. Evenwel zal niet worden meegegaan met de gevorderde ontruimingstermijn van een maand, nu eiseres sinds februari 2007 de juridische eigenaar is van het perceel terwijl zij pas na langer dan 2½ jaar een vordering tot ontruiming indient. Verder wordt ook rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van gedaagde met name dat zij 67 jaar, alleenstaand en slecht ter been is. De kantonrechter acht, gelet op het voorgaande, een ontruimingstermijn van 6 maanden na betekening van het vonnis redelijk en billijk.

4.4 De gevorderde ontbinding van de overeenkomst tussen partijen, zo die bestaat, zal worden afgewezen, nu in rechte niet is komen vast te staan dat er een overeenkomst tussen partijen bestaat met betrekking tot het onroerend goed.

4.5 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

4.6 Op grond van het voorgaande acht de kantonrechter bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5. De beslissing

5.1 Veroordeelt gedaagde om binnen zes (6) maanden na de betekening van het vonnis te ontruimen, het recht van grondhuur – vervallende 13 februari 2032 – op het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot drie hectaren zeven en vijftig aren en tachtig centiaren, gelegen in [district] aan de [straatnaam] in [gebied], bekend als serie [nummer 1] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname Ing. A. Beek dd. 5 december 1991 met de letters ABCD met uitzondering van de reeds overgedragen delen, ook wel bekend als [adres], en ter algehele en vrije beschikking van eiseres te stellen.

5.2 Machtigt eiseres om de ontruiming zelf te (doen) bewerkstelligen indien gedaagde daarmede in gebreke blijft desnoods met behulp van de sterke arm.

5.3 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 192,– (honderd en twee en negentig Surinaamse Dollar).

5.5. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 22 juli 2010, door de kantonrechter in kort geding, mr. R.G. Rodrigues, in tegenwoordigheid van de substituut-griffier mr. L. van Bossé.

w.g. L. van Bossé w.g. R.G. Rodrigues

SRU-K1-2012-5

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R NO 12-3106
10 augustus 2012

Vonnis in kort geding inzake:

[eiser],
ten rechte geheten [eiser],
ten deze domicilie kiezende te [district],
aan [adres],
eiser in het kort geding,
gemachtigde: mr. M. Ansaar Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te zijnen parket te Paramaribo aan de Henck Arronstraat no.03,
gedaagde in kort geding,
gevolmachtigde: mr. N. Maikoe, Officier van Justitie,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit;

1. Het verloop van de procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– Het inleidend rekest met bijlagen, hetwelk op 01 augustus 2012 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– De mondelinge conclusie van eis;
– Het mondelinge antwoordpleidooi, onder overlegging van producties;
– Het mondelinge repliekpleidooi en uitlating producties;
– Het mondelinge dupliekpleidooi;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden;

2. Waarvan kan worden uitgegaan

2.1. Eiser is op 18 juli 2012 in verzekering gesteld;

2.2. Eiser is thans ingesloten in het cellenhuis van het [politiestation];

2.3. Eiser is in verzekering gesteld op grond van de artikelen 6, 24 lid 1, 28 lid 1 van de Vreemdelingenwet van 1991;

2.4. Eiser heeft bij schrijven van zijn raadsman d.d. 24 juli 2012 de vervolging in kennis gesteld dat hij [land 1] vrijwillig wilt verlaten en dat hij daartoe ook de gelegenheid heeft, dit krachtens artikel 28 lid 1 onder 3 genoemde Wet;

2.5. Eiser heeft, na een telefonisch onderhoud tussen de raadsman van eiser en de vervolging, op uitdrukkelijke goedkeuring c.q. toestemming, dan wel instemming van de vervolging bij [reisbureau] een afreisdatum doen vaststellen voor vrijdag 27 juli 2012;

2.6. Tussen de vervolging en de raadsman van eiser was verbleven, dat eiser op vrijdag 27 juli 2012, om veiligheidsredenen, vanuit het politiestation naar de luchthaven zou worden gebracht ten einde in de gelegenheid te worden gesteld het land vrijwillig te verlaten;

2.7. De vervolging heeft achteraf geweigerd, te doen, althans is teruggekomen op haar toezegging, zoals hierboven aangegeven, stellende dat de inverzekeringstelling van eiser gehandhaafd zal blijven, omdat eiser toevallig (de inspecteur van Politie mw. [naam] gaf aan de raadsman van eiser aan, dat eiser gewoon pech heeft, dat hij op een andere lijst voorkomt) gehoord moet worden in een zekere zaak; eiser heeft zich aan geen enkel ander strafbaar feit schuldig gemaakt, althans een redelijk vermoeden van schuld daartoe blijkt ook niet aanwezig te zijn; de omstandigheden, zoals genoemd in artikel 28 lid 1 bestaan met de mogelijkheid van vertrek van eiser uit het land niet meer;

3. De standpunten van partijen

3.1. Eiser vordert –kort samengevat- schorsing althans opschorting van de onrechtmatige handhaving van de inverzekeringstelling en dat gedaagde zal worden gelast binnen 01uur althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn na de uitspraak van het vonnis de eiser in vrijheid te stellen teneinde hem in de gelegenheid te stellen het land op de meest kort mogelijke termijn te verlaten, op straffe van de dwangsom van SRD 10.000,- per uur, voor elk uur dat gedaagde weigeren zal of nalaten mocht gevolg te geven aan het vonnis.
Tevens is gevorderd dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard en gedaagde zal worden veroordeeld in de proceskosten;

3.2. Naast voormelde vaststaande feiten legt eiser aan zijn vordering ten grondslag –zakelijk weergeven en in zoverre ten deze van beang- dat hij van oordeel is dat hij thans geheel onterecht van zijn vrijheid is beroofd en dat deze wijze van vrijheidsbeneming nergens steun vindt in de Wet; de vervolging handelt duidelijk in strijd met het wetboek van strafvordering, in het bijzonder met artikel 28 lid 2 van de Vreemdelingenwet van 1991. Voorts voert hij aan dat naar zijn mening de handhaving van de inverzekeringstelling thans onwetmatig c.q. onrechtmatig is en dat eiser thans zonder rechtsgrond zijn hoogste rechtsgoed is ontnomen, namelijk zijn vrijheid;

3.3. Gedaagde heeft verweer gevoerd en de kantonrechter zal hierop in het hierna volgende -voor zover van belang- terug komen;

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Het spoedeisend belang van eiser bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidende rekest.

4.2 Naar het oordeel van de kantonrechter in de centrale vraag die partijen verdeeld houdt de vraag of de inverzekeringstelling van eiser al dan niet rechtmatig is. Eiser huldigt het standpunt dat de inverzekeringstelling ingevolge het bepaalde in artikel 28 lid 2 van de Vreemdelingenwet van 1991 onrechtmatig is terwijl gedaagde het standpunt huldigt dat de inverzekeringstelling ingevolge het bepaalde in artikel 24 lid 4 van de Vreemdelingenwet rechtmatig is;

4.3 Met eiser is de kantonrechter van oordeel dat ingevolge het bepaalde in artikel 28 lid 2 van de Vreemdelingenwet de inverzekeringstelling van eiser in beginsel onrechtmatig is. Immers luidt artikel 28 lid 2 alsvolgt (citaat): “Inverzekeringstelling van een vreemdeling blijft achterwege dan wel wordt beëndigd, zodra hij te kennen geeft Suriname te willen verlaten en hiertoe voor hem ook de gelegenheid bestaat” (einde citaat).
Nu na de aanvankelijk rechtmatige inverzekeringstelling ingevolge het bepaalde in artikel 28 lid 1 van de Vreemdelingenwet de situatie van artikel 28 lid 2 is ingetreden, te weten dat de vreemdeling te kennen heeft gegeven [land 1] vrijwillig te willen verlaten en hiertoe voor hem ook de gelegenheid bestaat naar een land waar zijn toelating gewaarborgd is, dient de inverzekeringstelling in beginsel te worden beëindigd. Evenwel bepaald artikel 24 lid 4 van de Vreemdelingenwet het volgende (citaat) “ Uitzetting vindt niet plaats: a. Indien en zolang een vreemdeling voor strafrechtelijk onderzoek zich ter beschikking van het Openbaar Minsterie moet houden; b. Hangende en te zijnen aanzien lopende uitleveringsprocedure” (einde citaat). Naar het oordeel van de kantonrechter is door gedaagde in dit geding voldoende aannemelijk gemaakt middels overlegging van de producties, welker inhoud niet is betwist door eiser, dat in het kader van het rechtshulpverzoek zoals dat gedaan is door [land 2] en dat kennelijk ook betrekking heeft op eiser, laatsgenoemde zich voor strafrechtelijk onderzoek ter beschikking van het Openbaar Ministerie dient te houden. Het beroep van gedaagde op het bepaalde in artikel 24 lid 4 van de Vreemdelingenwet is derhalve naar dezerzijds oordeel gegrond en is de inverzekeringstelling van eiser rechtmatig;

4.4 Gelet op het voorgaande zou het prematuur zijn om eiser thans het land uit te zetten. Overigens is de duur van de inverzekeringstelling –anders dan eiser uitgaat- niet voor onbepaalde tijd maar ingevolge het bepaalde in artikel 28 lid 3 gelimiteerd tot de periode van maximaal een maand. Derhalve expireert deze periode kennelijk op 17 augustus a.s.;

4.5 Gelet op al het voorgaande zullen de gevraagde voorzieningen worden geweigerd;

4.6 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van gedaagde gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

5. De beslissing in kortgeding

De Kantonrechter:

5.2 Weigert de gevraagde voorzieningen;

5.3 Veroordeelt eiser in de gedingkosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op de terechtzitting van vrijdag 10 augustus 2012 door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, in tegenwoordigheid van de substituut-griffier, mr. S. Tika.

 

SRU-K1-2013-1

Kantonrechter in Kort geding

A.R. no. 133873
18 september 2013

Vonnis in de zaak van

[eiser], wonende te [district].
gemachtigde: mr. A.D. Soedamah, advocaat,
eiser in kort geding,

tegen

DE STICHTING PENSIOENFONDS “A” DER SURINAAMSCHE WATERLEIDING MAATSCHAPPIJ, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde voor gedaagde: Mr. F.W.M. Thijm, advocaat.

1. Het procesverloop:

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 16 september 2013 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord, met productie;
– de mondelinge conclusies van repliek en dupliek, aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 september 2013.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser heeft op 28 februari 2007 een perceel groot ca 846 vierkante meter gekocht van de heer [naam].

2.2 Bij de overdracht bleek dat het perceel deel uitmaakte van een groter perceel waarop op 16 juni 2004 een hypotheek is gevestigd door de verkoper ten gunste van gedaagde.

2.3 Eiser heeft op het perceel twee woningen gebouwd.

2.4 Bij exploit van 31 juli 2013 met no. 1292 is aan eiser betekend de aanzegging dat op 18 september 2013 om 11.00 uur het perceel in het openbaar zal worden verkocht met al hetgeen daarop staat.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering
Eiser vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
a. De stopzetting of schorsing zal gelasten van de aangekondigde openbare verkoop op straffe van een dwangsom van SRD. 10.000,= en voorts
b. Gedaagde veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 De grondslag
Dat de heer [naam] eiser bij de verkoop van het perceel heeft overgehaald om de overdrachtsakte met de hypotheekschuld erop te tekenen met de belofte dat de hypotheek spoedig zou worden geroyeerd. Dat [naam] dat echter heeft nagelaten en ook heeft nagelaten om de schuld aan gedaagde te voldoen. Dat [naam] hem derhalve heeft misleid en opgelicht. Dat hij, eiser, buiten zijn schuld om dreigt zijn perceel met woningen te verliezen. Hierdoor dreigt hij in een noodsituatie te geraken. Hij voert voorts aan dat hij aan gedaagde heeft aangeboden een deel van de schuld, namelijk SRD 15.000,= te voldoen, doch dat gedaagde daar geen oor voor heeft.

4. Het verweer
Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling
5.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen.
5.2 Gedaagde heeft als verweer onder andere aangevoerd dat er tussen partijen geen rechtsrelatie bestaat en dat eiser zich noch op wanprestatie, noch op onrechtmatige daad kan beroepen bij zijn vordering. Voorts voert gedaagde aan dat [naam] misschien wanprestatie heeft gepleegd jegens eiser, doch dat die wanprestatie geen invloed heeft op de rechtsgeldigheid van de hypotheek. Daarbij heeft eiser zelf aangegeven dat hij op de hoogte was van de hypotheek op het perceel toen hij het kocht. Voorts dat eiser met de executie niets te maken heeft, slechts de schuldenaar en de schuldeiser hebben met de executie te maken. Gedaagde voert voorts aan dat niet kan worden volstaan met betaling van een vierde van de hoofdsom welke door [naam] was geleend, immers is boven de hoofdsom nog rente vanaf 2004 verschuldigd. Die rente moet ook uit de openbare verkoop verkregen worden. Tenslotte voert gedaagde aan dat toewijzing van het gevorderde het door de wet toegekende executie recht illusoir zou maken.

5.3 De kantonrechter overweegt dat bij een vordering tot stopzetting van de executie getoetst moet worden of de executie onrechtmatig zou zijn jegens de eiser, onder andere wanneer niet aan de wettelijke vereisten zou zijn voldaan, of wanneer de gehele schuld al voldaan zou zijn.

5.4 In casu moet derhalve worden getoetst of de op handen zijnde openbare verkoop onrechtmatig zou zijn van gedaagde jegens eiser.

5.5 De kantonrechter is van oordeel dat, nu de openbare verkoop in overeenstemming met de wet wordt gehouden en eiser zelf heeft aangegeven dat hij het perceelland met de hypotheek daarop heeft overgenomen en daarbij eiser tevens heeft aangegeven dat het blijkt dat de schuldenaar zijn betalingsverplichtingen jegens gedaagde niet heeft voldaan, er geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de openbare verkoop rechtsgeldig wordt gehouden en er geen gronden zijn om daarvan de staking te bevelen.

5.6 De kantonrechter zal op grond van het hiervoor overwogene het gevorderde afwijzen en eiser als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding.

6. De beslissing

6.1 Wijst af het gevorderde.

6.2 Veroordeelt eiser in de kosten van dit geding aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van woensdag 18 september 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2012-4

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R.no 12-1698
13 december 2012
SNG Vonnis in kort geding in de zaak van:

[Eiser], in persoon en in de hoedanigheid van directeur en (mede) oprichter van de V.O.F. Business School of the Americas,
Wonende te [district],
Eiser in kort geding,
Gemachtigde: mr.dr. J.V. van Dijk-Silos, advocaat,

Tegen

[Gedaagde],
Wonende te [district]
Gedaagde in kort geding,
Gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het verloop van het geding

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

– het op 27 april 2012 ter griffie der kantongerechten ingediende verzoekschrift met producties;
– de conclusie van antwoord en uitlating producties onder overlegging van een productie;
– de conclusie van repliek en uitlating productie onder overlegging van producties;
– de conclusie van dupliek en uitlating producties.

1.2.De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Op 24 maart 2012 heeft gedaagde, voor zover van belang, de volgende zinsneden op de website www.surinamestemt.com gepubliceerd:

1. Onder de kop [Eiser] vraagt om een pak op zijn donder’

“Voeg daarbij de slechts mogelijke timing en het resultaat is dat ‘brand’ [Eiser], al of niet Prof. Dr. Ing., volledig moet worden afgeschreven en dat de Business School of the Americas en Harvard Business School geadviseerd moet worden zich ijlings van te distantiëren. Het is dus niet ‘Towards Excellence’ ondertitel ‘We moeten groot dromen’, zoals de titel van zijn column ons wil doen geloven, maar een ‘one-way-ticket’ to hell”

2. Onder de kop ‘[Eiser], de titels maken het verschil’. “Het is onbegrijpelijk dat een man met de intelligentie van [Eiser], tenminste als het waar is dat hij al zijn titels heeft verdedigd en dat hij al die boeken zelf heeft geschreven, niet verder kijkt dan zijn neus lang is, zich afgeeft….”

3. [Eiser], zeg maar dag met je handje tegen je ‘brand’ en je flitsende carriere!

2.2. Op 25 maart 2012 heeft gedaagde, voor zover van belang, de volgende zinsneden op de website www.surinamestemt.com gepubliceerd:

  1. “Conferentiezaal van de BSA te Nowhere”
  2. “De hele universiteit, alle campuses, noem maar op, alles staat dus in de achtertuin of zo u wil in het hoofd van [Eiser] aan de Hanoverlaan in Paramaribo.”
  3. “Die prachtige website is een en al ‘Window-Dressing’,prachtige stockfoto’s die het zielige verhaal vertellen van onze groot dromende kleine man [Eiser].”

2.3. Op 15 april 2012 heeft gedaagde op de website www.surinamestemt.com een artikel gepubliceerd onder de kop ‘De personal ‘Branding’ van [Eiser].’

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1. Eiser vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen:

  1. Om de in het verzoekschrift genoemde artikelen gepubliceerd op de website www.surinamestemt.com d.d. 24 maart 2012, 25 maart 2012 en 15 april 2012 volledig te (laten) verwijderen;
  2. Om de in het verzoekschrift omschreven rectificatie te publiceren op de website www.surinamestemt.com;
  3. Tot betaling van een dwangsom ad SRD 100.000,= per dag;
  4. In de proceskosten.

3.2. Eiser heeft, zakelijk weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de uitspraken welke gedaagde in zijn artikelen heef geponeerd niet op waarheid berusten en dat gedaagde met op zet eiser in een kwaad daglicht wenst te zetten. Gedaagde heeft het openbaar medium gebruikt om hem te beledigen en te lasteren. Gedaagde maakte zich derhalve schuldig aan een onrechtmatige daad waarvoor hij aansprakelijk is. Als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft eiser behalve schade aan zijn goede naam, eer, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit ook financiële schade geleden. Ondanks daartoe aangemaand op 05 en 09 april 2012, weigert gedaagde om te stoppen met het publiceren van onwaarheden of om voornoemde artikelen van het internet te verwijderen.

3.3. Op het verweer van gedaagde en op hetgeen partijen ter ondersteuning van hun staand punten nog hebben aan gevoerd zal, indien nodig, in het hierna volgende worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De kantonrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang van eiser bij de ingestelde vordering, voortvloeit uit de stellingen van het verzoekschrift en uit de aard van de vordering zelf.

4.2. Gedaagde heeft in zijn verweer opgemerkt dat een vordering gebaseerd op artikel 1393 BW, zoals de onderhavige, niet moet worden toegewezen,indien niet blijkt van het oogmerk om te beledigen. Het oogmerk om te beledigen wordt, zo stelt gedaagde, niet aanwezig geacht voor zover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging. Het algemeen belang is altijd gediend wanneer leden van de samenleving hun mening uiten over toestanden in de samenleving In het algemeen zal de vordering worden toegewezen, wanneer de gewraakte beweringen of uitingen onwaar zijn of onnodig kwetsend. Gedaagde gaat ervan uit dat, op grond van vorengenoemde toetsingscriteria, de vordering moet stranden. Gedaagde is van mening dat de passages door eiser aangehaald niet beledigend en lasterlijk zijn. Voorts dat het betreft ”kritische postings op een blog’’waar hij als publieke figuur altijd op mag rekenen. Voorst dat de zaken die hij aanhaalt in zijn postings allen op waarheid berusten en dus geen onwaarheid zijn. Het zijn kritische vragen, stelt gedaagde. Gedaagde voert voorst aan dat hetgeen eisers stelt, dat zijn onderwijsinstellingen geaccrediteerd zijn niet op waarheid berust. Voorst betwist gedaagde dat uit de overgelegde brieven van studenten blijkt dat verzoeker schade heeft geleden.

4.3. Met betrekking tot het verweer dat het algemeen belang altijd gediend is wanneer leden van een samenleving hun mening uiten over toestanden merkt de kantonrechter op dat dit verweer begrepen kan worden als een verweer betreffende het recht van een persoon om zijn mening over iets kenbaar te maken. Het individu heeft inderdaad recht om zijn mening te geven, echter is dat recht gebonden aan hetgeen in artikel 1393 BW e.v. is voorgeschreven betreffende de onrechtmatige daad, met name de belediging. Eiser heeft zich daar ook op beroept, waarbij is gesteld dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld, daar de uitlatingen door gedaagde gedaan een aantasting vormen van zijn goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit.

4.4. De vragen die in casu dan ook beantwoord moeten worden luiden als volgt:

  1. Zijn de uitlatingen beledigend of waren zij gedaan in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging;
  2. Had gedaagde het oogmerk eiser te beledigen;
  3. Heeft eiser door de uitlatingen schade geleden of nadeel in zijn eer of goede naam.

4.5. Dat brengt ons op het tweede punt in het verweer, namelijk het verweer dat de passages niet beledigend zijn en dat gedaagde niet het oogmerk had te beledigen.

4.6. Uit de onder 2.1., 2.2., en 2.3. genoemde uitlatingen blijkt het beledigend karakter van de passages naar het oordeel van de kantonrechter wel. Alhoewel gedaagde van mening is dat de passages “met de beste wil van de wereld niet beledigend zijn te noemen” zijn de uitlatingen die zijn genoemd in het verzoekschrift wel uitlatingen die de verzoeker beledigen en hem schaden in zijn eer en goede naam. De uitlatingen betreffen namelijk de persoon van de verzoeker waarin wordt gesteld dat instituten die met hem in zee zijn gegaan, in plaats van een positieve ontwikkeling zullen doormaken een “one way ticket to hell” hebben. Met die woorden wordt door de schrijver van de tekst geïmpliceerd dat samenwerken met verzoeker zal leiden tot desastreuze gevolgen, hetgeen zonder twijfel de eer en goede naam van ieder persoon zou aantasten waar zoiets over wordt geschreven.

4.7. De opmerking “tenminste als het waar is dat hij zijn titels zelf heeft verdedigd en dat hij al die boeken zelf heeft geschreven” impliceert dat verzoeker misschien niet zelf zijn titels heeft verdedigd en misschien niet zelf de boeken heeft geschreven. Een dergelijke opmerking over een individu kan bij het publiek twijfels oproepen omtrent zijn integriteit, immers het verkrijgen van titels op de niet correcte wijze wordt in de maatschappij ervaren als iets dat zeer bedrieglijk is en helemaal niet positief. Een dergelijke twijfel over iemand initiëren kan als gevolg hebben dat men hem niet langer als integer zal ervaren, hetgeen gevolgen heeft voor zijn eer en goede naam.

4.8. De opmerking “die het zielige verhaal vertellen van onze groot dromende kleine man” kan niet anders aangemerkt worden dan als kwetsend, immers wordt verzoeker hiermee neergezet als een persoon die zich voordoet als iemand die grote dromen heeft, maar niet groot is, doch juist zielig en klein.

4.9. De kantonrechter is van oordeel dat de genoemde passages, nu het niet gesteld is en niet aannemelijk is welk algemeen belang zij dienen en ook niet uit noodzakelijke verdediging zijn geplaatst op de blog, wel als beledigend moeten worden aangemerkt.

4.10. Voorts overweegt de kantonrechter dat gedaagde niet heeft betwist dat door verzoeker aan hem is medegedeeld dat de passages ook als beledigend worden ervaren en heeft gevraagd deze te verwijderen. Gedaagde heeft echter, ondanks dit verzoek, de passages niet verwijderd, waarmee het oogmerk om te beledigen, welke al uit de formuleringen bleek, wordt bevestigd.

4.11. De kantonrechter is van oordeel dat op grond van het bovenstaande aannemelijk is dat de passages beledigend waren en dat bij gedaagde het oogmerk aanwezig was om te beledigen.

4.12. De kantonrechter zal hierna de derde vraag moeten beantwoorden, namelijk of er sprake is van schade of nadeel aan de eer en goede naam. De vraag is ten aanzien van het nadeel aan de eer en goede naam reeds hierboven beantwoord. De passages waren van dien aard dat er tevens schade is opgetreden hetgeen blijkt uit de overgelegde brieven van studenten. Uit de brieven blijkt immers dat inschrijvingen door studenten aan de school zijn afgezegd. Een rectificatie van de uitlatingen c.q. artikelen zoals geformuleerd in het dictum en de verwijdering van de artikelen, zijn dan ook op hun plaats.

4.13. Het belang van gedaagde om niet te worden beknot in zijn vrijheid van meningsuiting weegt, mede in het licht van de beperkte strekking van de te plaatsen rectificatie, in dit geval niet op tegen het belang van eiser om gevrijwaard te blijven van beledigingen die hem schaden.

4.14. De gevorderde dwangsom komt de kantonrechter bovenmatig voor en zal daarom worden gemitigeerd en gemaximeerd.

4.15. Gedaagde zal, als in de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5. De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

5.1. Veroordeelt gedaagde om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de door hem gepubliceerde ten rekeste genoemde artikelen op de website www.surinamestemt.com op 24 maart 2012, 25 maart 2012 en 15 april 2012 volledig te verwijderen dan wel te doen verwijderen.

5.2. Veroordeelt gedaagde om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, op de website www.surinamestemt.com te plaatsen en gedurende een periode van 3 (drie) maanden te laten staan de volgende tekst in zwarte letters, lettertype Arial, lettergrootte 12 niet cursief, waarvan een op schrift gestelde exemplaar door gedaagde ondertekend aan eiser of diens gemachtigde ter hand is gesteld:

“RECTIFICATIE INZAKE [Eiser]: de door mij, [Gedaagde], op de website www.surinamestemt.com op 24 maart 2012, 25 maart 2012 en 15 april 2012 geplaatste artikelen ten aanzien van [Eiser]in zijn hoedanigheid van Directeur van de V.O.F. Business School of the Americas, zijn eenzijdig door mij gepubliceerd en zijn grievend en beledigend. Ik heb nagelaten [Eiser] welke hoedanigheid dan ook te horen omtrent de artikelen. Genoemde artikelen zijn dan ook bij vonnis van 13 december 2012 door de kantonrechter in Kort Geding onrechtmatig geoordeeld jegens [Eiser]. Ik doe een beroep op allen om onmiddellijk op te houden om genoemde artikelen voort te distribueren en of te publiceren.”

5.3. Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD 1.000,= (Eenduizend Surinaamse Dollar) per dag, voor iedere dag dat gedaagde weigert te voldoen aan de veroordeling in dit vonnis, met dien verstande dat de maximaal te verbeuren dwangsom het bedrag van SRD 200.000,= (Tweehonderd duizend Surinaamse Dollar) niet zal overschrijden.

5.4. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van eiser gevallen en tot aan de uitspraak begroot op SRD 258,= (Tweehonderd acht en vijftig Surinaamse Dollars).

5.6. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter – plaatsvervanger in het Eerste Kanton in Kort Geding en uitgesproken te Paramaribo door mr. A. Charan, kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding, ter openbare terechtzitting van donderdag 13 december 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.

EISER IN KORT GEDING IS VERTEGENWOORDIGD DOOR MR. MAHABIER NAMENS ZIJN GEMACHTIGDE BIJ DE UITSPRAAK TER TERECHTZITTING VERSCHENEN EN GEDAAGDE IS NOCH BIJ DE GEMACHTIGDE VERSCHENEN.

SRU-K1-2006-2

KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 032600
2 april 2006
D.G.W.K

VONNIS inzake

[eiser]
wonende te [district],
eiser,
vertegenwoordigd door: mr. R. Soerdjbalie, notaris,

tegen

TEXACO CARIBBEAN INC., rechtspersoon,
gevestigd te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. F. Kruisland, advocaat.

Dit vonnis bouwt voort op het op 2 augustus 2004 gewezen en uitgesproken tussenvonnis.
1. Het verdere verloop van de procedure

1.1 Hiervoor wordt in de eerste plaats verwezen naar het terzake in het tussenvonnis overwogene.

1.2 Daarna heeft gedaagde voor dupliek geconcludeerd.

1.3 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Bij conclusie van dupliek heeft gedaagde gepersisteerd bij de eerder afgelegde verklaring en aangevoerd (zakelijk weergegeven) dat:
– het bepaalde in art. 344 wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (BRv) met zich brengt dat de inhoud van de af te leggen verklaring beperkt is tot de bij het beslag reeds bestaande inschulden en niet omvat inschulden ontstaan na het beslag;

– zij ten aanzien van de na het beslag verkregen gelden (loonbelasting) geen verklaringsplicht heeft, daar deze gelden niet hun grondslag hebben in een bij of vóór het beslag tussen hen (gedaagde en de Staat) bestaande rechtsverhouding.

2.2. In beginsel is de schuldeiser gerechtigd tot verhaal op alle vermogens-bestanddelen van schuldenaar, zowel op de tegenwoordige als de toekomstige (art. 1161 BW). Ratio van het beslag is dan ook de schuldeiser in de gelegenheid te stellen goederen en gelden aan de beschikking van de schuldenaar te onttrekken. De stelling van gedaagde dat slechts die inschulden betrokken dienen te worden bij de verklaring, welke ten tijde van het leggen van het beslag bestonden in de zin dat goederen of gelden reeds in het bezit van de derde- beslagene moeten zijn en niet eerst later, vindt geen steun in het recht en niet in de vaste rechtspraak terzake art. 344 BRv. Aangezien het ingevolge artikel 344 BRv. niet vereist is, dat de inschulden bij het beslag opeisbaar zijn, maar voldoende is dat deze op dat moment bestaan uit een eerdere rechtsverhouding is het evident dat bij de af te leggen verklaring een ruime interpretatie wordt gegeven aan “inschulden”.

Derhalve kan de verklaring niet beperkt worden tot inschulden die ten tijde van het beslag opeisbaar zijn, doch tevens strekken tot vorderingen die bij een normale afwikkeling van de tijdens het beslag bestaande rechtsbetrekking of rechts (wettelijke) plicht opeisbaar zullen worden.

Terecht merkt gedaagde op dat terzake accijns, verbruiks- en omzetbelasting en invoerrechten er ten tijde van de beslaglegging geen rechtsrelatie casi quo rechtsplicht (wettelijke plicht) bestond op grond waarvan gedaagde verplicht was (tijdens of na de beslaglegging) gelden te betalen aan de Staat. De eerdere rechtsrelaties waren reeds afgewikkeld (terzake accijns, invoerrechten) of regarderen haar niet (verbruiks- en omzetbelasting regarderen de pomphouders).

2.3 De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde in de afgelegde verklaring genoegzaam heeft voldaan aan haar verklaringsplicht op de punten: accijns, invoerrechten, verbruiks- en omzetbelasting, weshalve in zoverre deze verklaring duidelijk is.

2.4 Indachtig het bepaalde in artikel 605 BRv is gedaagde gehouden verklaring af te leggen van al hetgeen zij van de Staat onder zich heeft. Uit gedaagdes verklaring concludeert de kantonrechter dat op haar jegens de Staat een afdraagplicht rust met betrekking tot gepleegde loonbelastinginhoudingen. Aangezien het betreft gelden van de schuldenaar (de Staat) die ingevolge de belastingwetgeving onder gedaagdes berusting zijn of zullen komen moet gedaagde hieromtrent een verklaring afleggen. In het dictum zal aldus beslist worden.

3. De beslissing
Alvorens verder te beslissen.

3.1 Stelt gedaagde nogmaals in de gelegenheid alsnog verklaring te doen terzake het onder zich hebben (gehad) van loonbelastinggelden van de Staat vanaf de dag van de beslaglegging (18 juli 2003).

3.2 Bepaalt dat deze zaak ter fine van het voorgaande zal worden afgeroepen ter rolle van 5 juni 2006.

3.3 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 3 april 2006, door de kantonrechter in het eerste kanton te Paramaribo, mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier.

w.g. H. Sewgobind w.g. I.H.M.H. Rasoelbaks

SRU-K1-2011-2

A.R. No. 113389
25 augustus 2011

Vonnis in kort geding in de zaak van

a.[Eiser sub A],
b.[Eiser sub B],
beiden wonende in [district],
eisers in kort geding,

tegen

STICHTING SEW-SHIMANI, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat.

 

1. De procesgang

1.1. Deze blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– het verzoekschrift dat op 3 augustus 2011 ter griffie van de kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eisers hadden hypotheek gevestigd op een aan hen in eigendom toebehorend onroerend goed (hierna het onroerend goed) ten behoeve van Stichting La Coruña.

2.2 Op 16 september 2010 heeft gedaagde de schuld van eisers op Stichting La Coruña voldaan. Eisers hebben toen wederom hypotheek gevestigd op het onroerend goed doch thans ten behoeve van gedaagde.

2.3 Bij exploit van deurwaarder G.O. Niekoop, dd. 5 juli 2011 heeft gedaagde aan eisers betekend en afschrift van de akte van geldlening met hypotheekstelling. Daarbij zijn eisers aangezegd om aan gedaagde te betalen de som van SRD 34.000,= zijnde de verschuldigde hoofdsom op 16 september 2010, te vermeerderen met de rente vanaf 17 september 2010 tot aan de dag der algehele voldoening en voorts de gemaakte kosten.

 

3. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1 Eisers vorderen na wijziging van eis, bij vonnis bij voorraad:

Primair:

a. De stopzetting van de aangekondigde openbare verkoop op 26 augustus 2011 ten overstaan van notaris mr. M.A. Bisoen-Nannan Panday, op het aan hen in eigendom toebehorend goed.

Subsidiair:

a. gedaagde te verbieden om het onroerend goed in het openbaar te verkopen ter inning van zijn vordering voor een groter bedrag dan SRD 18.680,=, vermeerderd met de rente van 2% rente per maand en verminderd met het ontvangen bedrag van SRD 24.359,03 of een door de kantonrechter vast te stellen rente vanaf 16 september 2010.

b. gedaagde te veroordelen tot betaling van een dwangsom groot SRD 25.000,= voor elke keer dat zij in strijd handelt met het gevorderde onder punt b (lees a) van het petitum.

3.2 Eisers ontkennen de hoogte van de door gedaagde aan hen betekende saldoschuld. Zij voeren daartoe aan dat ten onrechte dan wel abusievelijk in de akte van geldlening en hypotkeekstelling is opgenomen dat de hoofdsom bedraagt SRD 34.000,=. Voorts stellen zij dat zij meerdere bedragen hebben afgelost dan wel doen aflossen, en dat de aan hen betekende saldoschuld nimmer SRD 34.000,= kan bedragen.

3.3. De kantonrechter komt indien nodig terug op het verweer van gedaagde in de beoordeling.

 

4. De beoordeling

4.1 De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer van gedaagde dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Immers blijkt uit de aard van de vordering en de vordering zelf dat er wel sprake is van een spoedeisend belang.

4.2 Gedaagde is niet consequent in haar verweer. Immers voert zij eerst aan dat eisers nooit hebben betaald om vervolgens aan te geven dat de saldoschuld bedraagt SRD 17.738,47.

Aangezien eisers bij exploit van deurwaarder G.O. Niekoop, dd. 5 juli 2011 zijn aangezegd om aan gedaagde te betalen de som van SRD 34.000,=, terwijl gedaagde thans aangeeft dat de saldoschuld tot 16 augustus 2011 bedroeg SRD 17.738,47 is de kantonrechter van oordeel dat eisers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de hoogte van de saldoschuld niet juist is. Door toch over te gaan tot de openbare veiling, is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde misbruik maakt van haar executierecht.

Het verweer van gedaagde dat eisers doen voorkomen alsof bij de aanzegging van de veiling ook de saldo-opgave betekend zou moeten zijn en voorts dat eisers geen sommatie hoefden te verwachten omdat de schuld volgens de akte opeisbaar wordt enkel door wanprestatie, gaat niet op.

Het is plaatselijk gebruik dat de saldoschuld wordt betekend aan de schuldenaar, alvorens de hypotheekhouder gebruik maakt van zijn recht ex artikel 1207 BW. Hieraan doet niet af dat eisers zelf een deugdelijke en een met de werkelijkheid overeenstemmende opgave hadden kunnen maken.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het onder primair gevorderde kan worden toegewezen.

4.3 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen wordt overbodig geacht.

4.4. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

 

5. De beslissing

5.1 Verbiedt gedaagde om over te gaan tot de aan eisers aangezegde openbare verkoop op 26 augustus 2011 ten overstaan van notaris mr. M.A. Bisoen-Nannan Panday, met betrekking tot het aan eisers in eigendom toebehorende onroerend goed onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 50.000,= (vijftigduizend Surinaamse Dollar) indien zij in strijd handelt met het voorgaande.

5.2 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 215,= (tweehonderd en vijftien Surinaamse Dollar).

5.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 25 augustus 2011 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding, mr. R.G. Rodrigues, in tegenwoordigheid van de substituut griffier mr. L.J. van Bossé.

w.g. L.J. van Bossé w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran
w.g. R.G. Rodrigues

 

 

 

SRU-K1-2012-3

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 120024
19 juli 2012

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiseres],
wonende te [district],
eiseres in conventie en gedaagde in reconventie in kort geding,
gemachtigde: mr. I.D. Kanhai, advocaat,

tegen

Suripe N.V.,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in conventie en eiseres in reconventie in kort geding,
gemachtigde: mr. B.A. Halfhide, advocaat.

Partijen worden hierna (ook) [eiseres] en Suripe genoemd.

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

– het verzoekschrift dat op 03 januari 2012 met producties ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie met producties;
– de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie met producties;
– de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
– de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en in reconventie

2.1 In het jaar 2008 is [eiseres] voor onbepaalde tijd in dienst getreden van Suripe.

2.2 Op 06 juli 2011 is [eiseres] op non-actief gesteld door Suripe.

2.3 Bij beschikking van het Ministerie van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu, d.d. 11 augustus 2011, heeft Arbeidsinspectie negatief beslist op het verzoek van Suripe voor een vergunning ter beëindiging van de dienstbetrekking met [eiseres].

2.4 Bij brief d.d. 23 augustus 2011, heeft Suripe aan [eiseres] doen mededelen, dat de non-actiefstelling is opgeheven.

2.5 Bij brief d.d. 29 augustus 2011, heeft [eiseres] aan Suripe doen mededelen dat zij te alle tijde bereid is haar werkzaamheden te hervatten.

2.6 [eiseres] heeft in haar bezit een aan Suripe in eigendom toebehorend voertuig van het merk Mitsubishi, type Pajero en bij partijen nader bekend.

 

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [eiseres] vordert in conventie om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad Suripe te:

a. Gelasten om haar in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid in de functie voor haar ontslagaanzegging te kunnen uitoefenen.

b. Veroordelen tot het voldoen van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere keer dat zij weigert om aan het onder a gevorderde te voldoen.

c. Gelasten om binnen een week na de uitspraak aan haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen het achterstallige loon, € 33.600,-, vermeerderd met de boete ex artikel 1614 q van het Surinaams Burgerlijk Wetboek en hiermede voort te gaan, totdat de tussen partijen bestaande dienstbetrekking op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd.

d. Gelasten om de aan het loon accessoire emolumenten, zijnde de huishuur ad € 750,- per maand, vanaf de maand juli 2011 aan haar te voldoen en daarmede voort te gaan totdat de tussen partijen bestaande dienstbetrekking op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd.

e. Gelasten om de som van schoonmaakkosten ad SRD 120,- per week van de ten rekeste genoemde woning over de periode juni 2011 tot en met heden te voldoen en daarmede voort te gaan totdat de tussen partijen bestaande dienstbetrekking op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd.

f. Gelasten om de som van de kosten van het gebruik van het ten rekeste genoemde voertuig te voldoen, thans in totaal SRD 1701,92.

g. Gelasten om de kosten van medische verzekering ad US$ 807,- aan haar te vergoeden.

h. Veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 [eiseres] heeft, naast voormeld feiten, aan haar vordering ten grondslag gelegd dat Suripe met ingang van juli 2011 gestaakt is met het voldoen van het loon aan haar. Zij heeft recht op haar loon, de aan het loon accessoire emolumenten en medische kosten, omdat de arbeidsrelatie niet is beëindigd. Zij is bereid de bedongen arbeid te verrichten, maar wordt – ondanks zulks schriftelijk kenbaar te hebben gemaakt – daartoe niet in de gelegenheid gesteld door Suripe. Hierdoor handelt Suripe in strijd met de wet en de maatschappelijke zorgvuldigheid.

3.3 Suripe vordert in reconventie, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad [eiseres] te veroordelen om:

I. Het voertuig onmiddellijk na de uitspraak van het vonnis aan haar af te geven, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- voor iedere dag dat [eiseres] nalatig blijft aan voormelde veroordeling te voldoen.

II. Aan Suripe, bij wege van voorschot te betalen SRD 16.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar daarover, vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening.

3.4 Partijen hebben over en weer verweer gevoerd, waarop voor zover nodig hierna zal worden ingegaan.

 

4. De beoordeling
In conventie en in reconventie

4.1 Suripe betwist het spoedeisend belang van de vordering van [eiseres]. De kantonrechter gaat voorbij hieraan. De onderhavige conventionele vordering betreft een loonvordering, en deze is naar zijn aard spoedeisend.

4.2 Zoals reeds eerder overwogen heeft [eiseres] in conventie gevraagd om Suripe te gelasten haar in de g–gelegenheid te stellen de bedongen arbeid in de functie voor haar ontslagaanzegging te kunnen uitoefenen, onder verbeurte van een dwangsom.

Nu Suripe een brief heeft gezonden aan [eiseres] met de mededeling dat haar no-actiefstelling is opgeheven, ligt het aan haar om zich aan te melden op de werkplek. Niet is gebleken dat Suripe haar de toegang tot de werkplek heeft ontzegd. De door [eiseres] ter zake gvraagde voorzieningen zullen derhalve worden geweigerd.

4.3 De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] geen aanspraak maakt op betaling van het loon, na de opheffing van haar non-actiefstelling. Tussen partijen staat rechtens vast dat [eiseres] niet is verschenen op de werkplek om haar werkzaamheden te hervatten, ondanks het feit dat Suripe de non-actiefstelling heeft opgeheven bij brief dd. 23 augustus 2011. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter was [eiseres] gehouden om zich op de werkplek aan te melden na de mededeling van Suripe, dat de non-actiefstelling was opgeheven. De enkele omstandigheid dat [eiseres] een brief heeft gezonden aan Suripe dat zij bereid is de bedongen arbeid te verrichten is onvoldoende. Van haar mocht worden verwacht dat zij serieuzer omging met de aan haar gedane mededeling. Door zich niet aan te melden op de werkplek heeft zij het risico opgelopen dat zij geen werkzaamheden heeft kunnen verrichten en dus ook geen aanspraak maakt op doorbetaling van het loon en evenmin op aan het loon accessoire emolumenten. De in conventie gevraagde voorzieningen dienen derhalve te worden geweigerd.

4.4 Evenwel is de kantonrechter van oordeel dat Suripe gehouden is het loon van [eiseres] te betalen gedurende de periode van haar non-actiefstelling. Immers, is het aan Suripe te wijten dat [eiseres] gedurende deze periode de van haar verlangde arbeid niet heeft verricht. Het gaat in deze om de periode van 6 juli 2011 tot en met 23 augustus 2011. Suripe zal dan ook dienovereenkomstig worden veroordeeld.

4.4.1 Thans ligt voor de vraag wat het loon is van [eiseres]. Volgens [eiseres] bedraagt haar loon € 3.400,=. Suripe daarentegen ontkent dat het loon van [eiseres] bedraagt € 3.400,=. Suripe voert aan dat het loon bedraagt € 1.600,= per maand.

Uit de door [eiseres] overgelegde arbeidsovereenkomst blijkt dat het nettoloon bedraagt € 1.600,= per maand. Daarnaast is de mogelijkheid aanwezig dat er extra toelagen aan het loon worden gekoppeld afhankelijk van een aantal factoren.

In het onderhavig geding is het niet aannemelijk geworden dat de factoren die voor de extra toelagen zorgden, aanwezig waren. Op grond hiervan wordt dus uitgegaan van en nettoloon van € 1.600,= per maand.

4.5 In reconventie heeft Suripe aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij in het kader van de tussen partijen aangegane arbeidsovereenkomst aan [eiseres] een bedrijfsvoertuig ter beschikking heeft gesteld om klanten buiten het bedrijf te bezoeken en of andere activiteiten buiten het bedrijf uit te voeren. De directeur van Suripe heeft in de maand juni 2011 aan [eiseres] medegedeeld dat zij voortaan geen klanten meer moet bezoeken en of andere activiteiten buiten het bedrijf uitvoeren en alzo het bedrijfsvoertuig moest inleveren. De sleutels van het bedrijfsvoertuig zijn dan ook ingenomen. [eiseres] is echter, zonder toestemming, met een andere bedrijfsauto vandoor gegaan en heeft dit voertuig tot heden onrechtmatig in haar bezit. Suripe was dan ook genoodzaakt om voor haar bedrijfsvoering een voertuig bij een derde te leasen, waardoor zij dan ook schade lijdt door de schuld van [eiseres].

[eiseres] heeft niet weersproken dat zij zonder toestemming van Suripe een ander bedrijfsvoertuig heeft meegenomen, zodat dit rechtens vast staat tussen partijen. Dit betekent dat zij onrechtmatig het voertuig onder zich heeft. Haar verweer dat het voertuig deel uitmaakt van haar salaris, gaat dan ook niet op.

Zij dient het voertuig dan ook terug te geven, waartoe zij zal worden veroordeeld in reconventie.

4.6 Volgens Suripe heeft zij schade geleden door de handelingen van [eiseres], welke schade laatstgenoemde gehouden is te betalen.

De onderhavige procedure biedt geen ruimte voor een dergelijke vordering, als gevolg waarvan dit gevorderde zal worden geweigerd.

4.7 De proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd, aangezien ieders vordering slechts voor een deel is toegewezen.

Dat zij geen diensten meer heeft verricht, ondanks de opheffing van de eerder aan haar aangezegde non-actiefstelling.

 

5.De beslissing in kort geding
In conventie

5.1 Veroordeelt Suripe om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen het loon over de periode van 6 juli 2011 tot en met 23 augustus 2011, ad € 1.600,= per maand, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 1614 q van het Burgerlijk Wetboek.

5.2 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie

5.3Veroordeelt [eiseres] om het voertuig zoals omschreven onder 2.6. van de feiten aan Suripe af te geven, onder verbeurte van een dwangsom va SDR 1.000,= (duizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat zij in gebreke blijft hieraan te voldoen tot een maximum van SRD 50.000,= (vijftigduizend Surinaamse Dollar).

5.4 Verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

In conventie en in reconventie

5.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

5.6. Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis in kort geding is gewezen en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 19 juli 2012 door de kantonrechter in kortgeding, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. S. Tika I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2006-1

16 mei 2006
A.R. No. 060596

CENTRAL MONEY EXCHANGE N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Dr. Sophie Redmondstraat/Saramaccastraat 2, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. A.R. Baarh, advocaat,
eiseres in kort geding,

tegen

CENTRALE BANK VAN SURINAME, rechtspersoon, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Waterkant 20, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F. Kruisland, advocaat,
gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten:
Overwegende, dat eiseres bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, gedaagde ter zake voorschreven zal worden veroordeeld om binnen 1 (één) uur na het te dezen te wijzen vonnis de rekeningrelatie die tussen partijen heeft bestaan in haar volle omvang en werking te herstellen althans de opgelegde beperkingen volledig ongedaan te maken onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 100.000,= (EEN HONDERD DUIZEND SURINAAMSE DOLLAR) voor elk uur dat gedaagde met de uitvoering van het te dezen te wijzen vonnis in gebreke mocht blijven met veroordeling van gedaagde in de kosten van het process.

Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, mr. A.R. Baarh en mr. F. Kruisland ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiseres van eis overeenkomstig het verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een mondelinge conclusie van antwoord heeft genomen onder overlegging van een productie, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde productie hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie van repliek heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een mondelinge conclusie van dupliek heeft genomen, waarvan is opgemaakt een process-verbaal welke hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating productie zijdens eiseres bepaald, de gemachtigde van eiseres een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ter comparitiezitting, welke op 12 april 2006 is gehouden, waarbij zijn verschenen de gemachtigden van partijen en de heer A. Telting die hebben verklaard gelijk in het – door Ons opgemaakte – en hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens eiseres bepaald, de gemachtigde van eiseres een schriftelijke conclusie heeft genomen onder overlegging van productie, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde productie hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende dat ten dage voor uitlating productie zijdens gedaagde bepaald, de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht:
Overwegende, dat anders dan gedaagde heeft aangevoerd, het spoedeisend karakter van eiseres haar vordering uit de aard der daaraan ten grondslag gelegde feiten, meer in het bijzonder uit het in het 10e “sustenu” van het verzoekschrift gestelde, blijkt;

Overwegende, dat Wij met betrekking tot het zijdens eiseres ter zake gestelde, opmerken, dat gedaagde rechtspersoon is krachtens artikel 2 van de Bankwet 1956 aan welke wet zij – gedaagde – bevoegdheden ontleent, welke bevoegdheden gebonden zijn aan voorwaarden;

Overwegende, dat als niet althans gemotiveerd weersproken door gedaagde tussen partijen in rechte vaststaat hetgeen gesteld is in het 3e tot en met het 7e “sustenu” van het verzoekschrift;

Overwegende, dat eiseres gedaagde naar aanleiding van het besluit, vervat in het aan haar – eiseres – gericht schrijven van de dato 24 januari 2006 Ref.[nummer 1], luidende: De Bank heeft besloten zonder opgaaf van reden de rekeningsrelatie met uw vennootschap te descontinueren en te beeindigen. Mitsdien worden met onmiddellijke ingang onderstaande rekeningen in haar boeken afgesloten en opgeheven:
Rekening [nummer 2] saldo per heden USD nihil
Rekening [nummer 3] saldo per heden NLG nihil
Rekening [nummer 4] saldo per heden FFR nihil
Rekening [nummer 5] saldo per heden EURO 2.024,03

Vanwege haar hoedanigheid van staatskassier wordt de rekening [nummer 4] gehandhaafd, met de beperking dat vanuit de rekening uitsluitend en alleen betalingen aan de staatskas mogen worden gedaan bestemd voor directe of indirecte belastingen, of voor andere verplichtingen aan de Fiscus of de staat. Het saldo op deze rekening bedraagt per heden SRD. 1.236.174,67 CR. Als er in een kwartaal geen betalingen vanuit deze rekening zijn gedaan, zal ook deze rekening worden gesloten en opgeheven. U wordt verzocht de nog in uw bezit zijnde chequeboekjes van de opgeheven rekeningen te laten inleveren bij de afdeling Binnenland van de Bank.

Hoogachtend,
w.g. Andre E. Telting
Governor

het verwijt maakt, dat zij – gedaagde – in strijd gehandeld heeft met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name:
– het rechtszekerheidsbeginsel
– het motiveringsbeginsel
– het beginsel van fair play
– het zorgvuldigheidsbeginsel
– het onpartijdigheidsbeginsel
– het beginsel van openbaarheid van bestuur en
– het beginsel van zuiverheid van oogmerk;

Overwegende, dat Wij, naar aanleiding van voormeld verwijt, opmerken, dat toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, neerkomt op een vergaande vorm van rechtsbescherming van de burger tegenover het gehele optreden van de overheid, waarbij dan de rechtspraak dit optreden van de overheid behalve aan de wet, ook aan andere normen van ongeschreven recht toetst (zie C.D. Ooft, Surinaams Administratiefrecht. Kort begrip. December 2004, 3e druk p. 81 e.v.);

Overwegende, dat Wij een onderzoek naar de vraag of eiseres voormeld verwijt al dan niet terecht aan gedaagde maakt, achterwege zullen laten nu, naar Ons gebleken is, eiseres daar geen consequenties aan verbonden heeft;

Overwegende immers, dat het hebben gehandeld in strijd met voormelde algemene beginselen van behoorlijk bestuur als door eiseres gesteld, niet tot gevolg heeft dat het besluit, vastgelegd in het schrijven de dato 24 januari 2006, van rechtswege nietig is;

Overwegende, dat Wij voorts van oordeel zijn, dat de rekeningrelatie, tussen partijen vanaf 24 januari 2005 rechtens niet meer bestaat, in verband waarmede verwezen wordt naar het petitum, onder meer luidende: “de rekeningrelatie die tussen partijen heeft bestaan”;

Overwegende, dat veroordeling van gedaagde tot herstel van de rekeningrelatie die tussen partijen heeft bestaan, in haar volle omvang en werking althans de opgelegde beperkingen volledig ongedaan te maken als is gevorderd, naar Ons voorlopig oordeel, neer zou komen op veroordeling van gedaagde tot het aangaan van een nieuwe rekeningrelatie c.q. rechtsverhouding althans contractuele relatie met eiseres waartoe Wij niet zouden kunnen overgaan zonder in strijd te handelen met het beginsel van de contractsvrijheid, hierop neerkomend dat men in het algemeen naar vrije verkiezing overeenkomsten mag aangaan;

Overwegende, dat Wij, bespreking van de overige stellingen van partijen als irrelevant geheel in het midden latend, de van Ons verlangde voorziening dan ook zullen weigeren en eiseres de proceskosten laten dragen als zijnde in het ongelijk gestelde partij;

Rechtdoende in kort geding:
Weigeren de gevraagde voorziening;

Verwijzen eiseres in de proceskosten, aan gedaagdes zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken ter Openbare Terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van dinsdag, 16 mei 2006, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. J.R. von Niesewand, in tegenwoordigheid van de Fungerend Griffier, mr. S. Tika.

w.g. S. Tika w.g. J. von Niesewand