SRU-K1-1998-1

Kantonrechter Eerste Kanton
19 mei 1998, A.R. 970216
(Mr. E.S. Ombre)

[eiser], wonende aan [adres] in het [district], gemachtigde: Mr. J.F. Echteld, advokaat, eiser,

tegen

A. De Billiton Maatschappij Suriname N.V., rechtspersoon gevestigd en kantoorhoudende te onverdacht in het district Para, gemachtigde: Mr. F. Kruisland, advocaat,

B. De Staat Suriname, met name het Ministerie van Arbeid, zetelende te Paramaribo, gemachtigde: Mr. A.R. Baarh, advocaat, gedaagden,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Procesgang
Bij conclusie van eis, overeenkomstig het op 21 januari 1997 ingediende verzoekschrift, heeft eiser gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

  • voor recht te verklaren dat het aan eiser gegeven ontslag d.d. 30 oktober 1996 nietig is;
  • gedaagde sub A zal worden veroordeeld eiser in zijn functie of een ander gelijksoortige functie te werk te stellen in het bedrijf;
  • gedaagde sub A zal worden veroordeeld eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting zijn salaris e.a. secundaire voorzieningen over de maande november en december 1996 uit te betalen en de daarop volgende maanden totdat de dienstbetrekking zal zijn hersteld, alsmede hem en gezin in de gelegenheid te stellen gebruik te maken van de medische en andere voorzieningen van het bedrijf;
  • dat, indien het onder c tot en met d vermeldde niet tot een veroordeling zou mogen leiden, gedaagde te veroordelen aan eiser een schadevergoeding naar billijkheid te betalen (afkoopsom);
  • dat gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding, alsmede de buitengerechtelijke kosten die gesteld zijn op f.150.000,– (eenhonderd en vijftig duizend gulden).

De gemachtigden van de gedaagden hebben schriftelijk geantwoord, met conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser, althans tot ontzegging van de vordering. De gemachtigde van de gedaagde sub A heeft bij zijn conclusie een produktie overgelegd.

Er is schriftelijk gerepliceerd en gedupliceerd.

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

Motivering
1. Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde bescheiden, een en ander voor zover niet betwist, staat het volgende vast tussen partijen:

1.1 Eiser is op 6 februari 1989 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van gedaagde sub A en is sedert dien te werk gesteld in de Mobile Equipment Shop als onderhoudsmecanicien.

1.2 Op aangeven van gedaagde sub A is eiser op 29 oktober 1996 door de politie van Onverdacht aangehouden en is daags daarna in verzekering gesteld op verdenking van diefstal van diverse goederen ten nadele van gedaagde sub A. Eiser is op 13 november 1996 in vrijheid gesteld en de strafzaak tegen hem is door het Openbaar Ministerie voorwaardelijk geseponeerd.

1.3 Op 30 oktober 1996 is door gedaagde sub A aan eiser medegedeeld dat hij wegens dringende redenen met ingang van die datum is ontslagen. De dringende redenen bestonden, volgens opgave van gedaagde sub A, in het verduisteren of gepoogd hebben diefstal te plegen van de volgende goederen, aan gedaagde sub A toebehorende goederen, te weten.

– 2 flessen koffie;
– 7 pakken thee;
– 1 hamer;
– 2 stuks back-up alarm;
– 1 schuurborstel;
– 2 haulpak headlights;
– 10 stuks regenjassen;

2.1 Eiser verwijst weliswaar naar de inhoud van een ontslagbeschikking van het Ministerie van Arbeid d.d. 15 november 1996, maar hij heeft die beschikking niet overgelegd en heeft de inhoud daarvan niet aangehaald. Aangezien eiser wegens dringende redenen is ontslagen houdt de Kantonrechter het ervoor dat hij het oog heeft op de beschikking houdende het besluit van de Minister van Arbeid dat tegen de opgegeven redenen geen bezwaren bestaan.

2.2 In zijn conclusie van repliek verzoekt eiser dat de Kantonrechter bovenbedoelde beschikking nietig zal verklaren. Hoewel dit verzoek verscholen ligt in het lichaam van de conclusie en niet is vervat in een aparte slotsom, kon bij lezing van de conclusie met de vereiste zorgvuldigheid ook voor gedaagden duidelijk zijn dat dit verzoek is gedaan. Dit verzoek komt neer op vermeerdering van de eis. Gedaagden hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering, zodat mede op grond van bovenbedoelde eis zal worden beslist.

2.3 In onderdeel e van het petitum vordert eiser om, indien onderdelen c tot en met d niet tot een veroordeling zouden leiden, ”gedaagde” te veroordelen tot betaling van, kort gezegd, een afkoopsom. De Kantonrechter begrijpt dat dit onderdeel gericht is tegen de gedaagde sub A en met ”gedaagde” hier wordt bedoeld ”gedaagde sub A”.

2.4 In onderdeel f van het petitum wordt gevorderd dat ”gedaagde zal worden veroordeeld” in de kosten van het geding alsmede de buitengerechtelijke kosten. De Kantonrechter houdt het ervoor dat de tussen aanhalings- en sluittekens geplaatste woorden op een verschrijving berusten en dat eiser de veroordeling beoogde te vorderen van beide gedaagden.

3.1 Naar de kantonrechter begrijpt berust de vordering tot nietigverklaring van de beschikking hierop dat, naar eiser beweert, gedaagde sub B heeft nagelaten om hem, eiser, ter plaatse waar hij inverzekering was gesteld, te doen opzoeken teneinde hem te horen alvorens die beschikking te geven en die beschikking daardoor nietig is.

3.2 Gedaagde sub B heeft de vordering bestreden. Naar de Kantonrechter begrijpt stelt genoemde gedaagde dat eiser behoorlijk is opgeroepen en dat hij, gedaagde, in de gegeven omstandigheden niet verplicht was eiser te doen opzoeken teneinde hem te horen.

3.3 Eiser is niet ontvankelijk in zijn vordering, omdat het beweerde nalaten van gedaagde sub A de beschikking niet nietig maakt. Is het beginsel van hoor en wederhoor niet toegepast dan kan, indien verder aan de daaraan te stellen vereisten is voldaan, sprake zijn van een onrechtmatige daad, maar ook in dat geval maakt eiser geen aanspraak op nietigverklaring van de beschikking.

4. De vordering tot verklaring voor recht dat het ontslag nietig is, berust op de stelling dat de nietigheid van de beschikking de nietigheid van het ontslag tot gevolg heeft. Zoals blijkt uit hetgeen onder 3.3 is overwogen kunnen de gestelde feiten niet leiden tot de conclusie dat de beschikking nietig is. Dit brengt, ervan uitgaande dat bovenvermelde stelling juist is, met zich dat het verlangde declaratoir niet kan worden uitgesproken.

5.1 Eiser heeft onder c van het petitum gevorderd dat gedaagde sub A zal worden veroordeeld eiser in zijn functie of een ander gelijksoortige functie te werk te stellen in het bedrijf. Eiser beoogt hiermee, naar de Kantonrechter begrijpt, te vorderen dat gedaagde sub A wordt veroordeeld de dienstbetrekking met eiser te herstellen.

5.2 Aan deze vordering is, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat het ontslag kennelijk onredelijk is, en wel omdat:

  • de ontslagredenen vals zijn.
  • zelfs indien de ontslagredenen juist zijn, die niet van dermate ernstige aard zijn dat, gelet op de omstandigheden van het geval en de situatie op de arbeidsmarkt, zij een ontslag wegens dringende redenen met onmiddellijke ingang niet kan rechtvaardigen.
  • hij een gezin, bestaande uit vrouw en één kind, te verzorgen heeft. Hij kan geen ander (soortgelijk) werk vinden en is bereid, zodra hij daartoe wordt opgeroepen, zijn werkzaamheden te hervatten. Hij en zijn gezin hebben vanaf november 1996 geen loon of secundaire voorzieningen mogen genieten.

5.3 Met betrekking tot hetgeen ander 5.2.a is vermeld heeft eiser , voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Er zijn inderdaad goederen toebehorende aan gedaagde sub A in zijn werkkast aangetroffen. Het is niet zo dat een deel daarvan bij poortcontrole in zijn tas is gevonden. Dat, alhoewel deze goederen niet in zijn kast behoorden te zijn, hij deze handeling heeft gepleegd uit gemakzucht. Als distributeur, althans verstrekker van diverse onderdelen en goederen aan bij hem aanmeldende werknemers heeft hij, om het op en neer geloop te reduceren, bepaalde goederen in zijn kast opgeslagen, ook goederen die door onverschilligheid van bepaalde werknemers her en der waren achtergelaten al of niet met boos opzet. Hij ontkent met klem de intentie te hebben gehad de in zij kast aangetroffen goederen wederrechtelijk te willen toeëigenen.

5.4 Ter staving van haar stelling dat eiser zich aan verduistering, althans diefstal heeft schuldig gemaakt, heeft gedaagde sub A zich beroepen op een schriftelijke verklaring van eiser d.d. 30 oktober 1996, welke als volgt luidt:

“Hierbij verklaar ik [eiser] dat ik de spullen bestaande uit koffie 2 flessen, thee 7 pakken, hamer, I haulpak verstralers en Backup alarm en mantels 1 doos met ca 10 stuks, heb weggenomen met de bedoeling deze tezijnertijd te distribueren.

Ik heb op eigen initiatief de spullen/goederen voor distributie genomen.

Ik heb de mantels in doos, buiten magazijn I te Onverdacht gevonden en beken dat dit overhandigd had moeten worden aan de dienstdoende magazijnbediende.

De doos inhoudende de 10 stuks mantels heb ik maandag 28 oktober 1996 weggenomen. De in mijn tas gehaalde schuurborstel, door ploegleider Westerveld (beveiliging) heb ik gevonden in de ME-shop en zou deze meenemen naar huis.”

5.5 Uit deze verklaring blijkt in ieder geval dat de schuurborstel niet in de werkkast van eiser is aangetroffen en dat eiser het oogmerk had zich die borstel wederrechtelijk toe te eigenen.

5.6 Wat de andere goederen betreft, staat als niet gemotiveerd betwist vast dat deze in eiser ’s werkkast zijn aangetroffen. Het feit dat eiser deze goederen zonder toestemming van gedaagde sub A in zijn werkkast heeft geplaatst en deze kast, naar mag worden aangenomen, alleen bestemd was voor het opbergen van eiser ’s eigendommen, levert het vermoeden op dat eiser deze goederen heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening. Eiser heeft geen bewijs aangeboden van feiten, waaruit zou volgen dat hij de goederen “uit gemakzucht” in zijn kast heeft gezet. Zijn daarop betrekking hebbende stelling wordt dan ook als niet serieus bedoeld verder gepasseerd.

5.7 Uit hetgeen onder 5.5 en 5.6 is overwogen volgt dat de opgegeven ontslagredenen niet vals zijn.

5.8 Gedaagde sub A heeft niet gesteld dat eiser door de diefstal het vertrouwen van de werkgever onwaardig is geworden. De Kantonrechter is van oordeel dat voor dit laatste ook geen plaats is, gelet op het feit dat het in casu geen goederen van grote waarde betreft en, zoals onbetwist rechtens vaststaat, eiser zich in zijn 7-jarige loopbaan nimmer aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Het gedrag van eiser levert dus geen dringende reden op voor ontslag. Gedaagde sub A gaat dan ook ten onrechte van het tegenovergestelde standpunt uit.

5.9 Thans dient de vraag te worden beantwoord of het ontslag, zoals eiser beweert en gedaagde sub A tegenspreekt, kennelijk onredelijk is. De Kantonrechter is van oordeel dat deze vraag, met de eiser, bevestigend moet worden beantwoord. Daarbij houdt de Kantonrechter er rekening mee dat, zoals hierboven reeds is overwogen, eiser zich in zijn 7-jarige loopbaan nimmer aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt, het aan eiser te maken verwijt niet zo ernstig is, en niet gesteld of gebleken is dat er gevaar bestaat dat eiser zijn gedrag zal herhalen, waardoor het belang van gedaagde sub A bij beëindiging van de dienstbetrekking niet opweegt tegen het nadeel voor eiser, die gezien de situatie op de arbeidsmarkt niet gemakkelijk een gelijkwaardige betrekking zal vinden en voor wie geen voorziening is getroffen.

5.10 De Kantonrechter acht termen aanwezig om, alvorens over de toewijsbaarheid van de onder 5.1 bedoelde vordering wordt beslist, tussen eiser en de gedaagde sub A een minnelijke regeling te beproeven.

Beslissing
Alvorens verder te beslissen:
Nodigt partijen – eiser in persoon en de gedaagde sub A behoorlijk vertegenwoordigd – uit om, desgewenst vergezeld van gemachtigden, ter terechtzitting te verschijnen tot het beproeven van een minnelijke regeling.

Bepaalt dat deze terechtzitting zal worden gehouden in een van de zalen van het gerechtsgebouw aan de Mgr. Wulfinghstraat no. 5 te Paramaribo op donderdag 1 oktober 1998 ’s morgens om half negen.

Houdt iedere verdere uitspraak aan.

SRU-K1-2007-1

Kantonrechter Eerste Kanton

4 oktober 2007, A.R. 073724

(mr. H.E. Struiken)

[eiseres], wonende aan [adres], te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. S. Marica, advocaat, eiseres in kort geding,

tegen

A. Naamloze Vennootschap Luchthavenbeheer, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Wayambostraat no.5 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. J. Kraag, advocaat,
B. De Staat Suriname, rechtspersoon, met name het Ministerie van Arbeid en Technologische Ontwikkeling en Milieu, gevestigd en kantoorhoudende aan de Wagenwegstraat no. 22, te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. E.Y. Braam- Jordan, advocaat, gedaagden in kort geding,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek het navolgende vonnis uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat eiseres bij het inleidende rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

A. De beschikking, met als kenmerk: OC [nummer 1] d.d. 13 juni 2007, te schorsen, althans op te schorten totdat in bodem procedure over rechtsgeldigheid daaromtrent zal zijn beslist;

B. Het ontslag besluit van de gedaagde sub A, met als kenmerk: Int. [nummer 2]/DIR/AI/am, d.d. 19 juni 2007, te schorsen, althans op te schorten totdat in bodem procedure over de rechtsgeldigheid daaromtrent zal zijn beslist;

C. Gedaagde sub A te verbieden zich in de beschikking, met als kenmerk: OC [nummer 1] d.d. 13 juni 2007, te volharden totdat in bodem procedure over de rechtsgeldigheid al zijn beslist.

D. Gedaagde sub A te veroordelen aan eiseres te betalen het bedrag groot SRD. 724,65 (ZEVENHONDERD VIERENTWINTIG EN 65/100 SURINAAMSE DOLLAR) zijnde dit het loon vanaf de maand juli 2007 vermeerderd met 25% interest ex artikel 1614q en vervolgens iedere maand totdat in bodem procedure over de rechtsgeldigheid van het ontslag zal zijn beslist.

Kosten rechtens

Overwegende, dat te dienende dage eiseres vertegenwoordigd door haar gematigde advocaat, S. Marica ter terechtzitting is verschenen en de gedaagden vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden advocaten, Mr. J. Kraag en mr. E.Y. Jordan ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiseres van eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van gedaagden schriftelijke conclusies van antwoord hebben genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat Wij naar aanleiding van het gevorderde in onderdeel A van het petitum luidende: schorsing althans opschorting van de beschikking de dato 13 juni 2007 en in onderdeel B daarvan luidende: schorsing althans opschorting van het ontslagbesluit de dato 19 juni 2007, opmerken, dat voor zover een constitutieve beslissing een definitief karakter draagt, of door de wet alleen aan de gewone rechter is opgedragen, hetgeen al geldt bij maatregelen van tijdelijke aard, als surséance van betaling (Meyers, Kort Geding, nr. 38, 2e druk, nr. 40) ontbreekt de bevoegdheid hieromtrent in kort geding te beslissen (Meyers, i.c.) slechts dan mag in kort geding een constitutieve beslissing worden genomen, wanneer dringende noodzaak noopt tot een voorlopige schorsing van de bestaande rechtsbetrekking; dit toch is te zien als een voorziening bij voorraad (Meyers, o.c.nr.40, 2e druk, nr. 42);

Overwegende, dat opgemerkt zij, dat rechtsbetrekking niet te vereenzelvigen is met beschikking in onderdeel A van het petitum, noch met besluit in onderdeel B daarvan;

Overwegende , dat de consequentie van het vorenoverwogene is, dat zowel de in onderdeel A als de in onderdeel B van het petitum gevraagde voorziening zullen worden geweigerd, bespreking van de aan elk van die voorzieningen ten grondslag gelegde feiten als niet langer relevant geheel in het midden latend;

Overwegende, dat het gevolg van het zojuist overwogene tevens is, dat Wij zowel de in onderdeel C van het petitum als de in onderdeel D daarvan gevraagde voorziening als sequeel van de te geven beslissing omtrent de voorzieningen in zowel onderdeel A als in onderdeel B, eveneens zullen weigeren;

Overwegende, dat Wij – zij het ten overvloede – met betrekking tot het verwijt van eiseres aan gedaagde sub B, de in het 5e “sustenu” van het verzoekschrift aangegeven algemene beginselen van behoorlijk bestuur te hebben veronachtzaamd, op grond van de daarbij gestelde feiten, opmerken, dat het, nog afgezien van de vraag of die feiten al dan niet juist zijn, zeer de vraag is of de in het administratief recht aanvaarde normen – de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur (dat zijn ongeschreven gedragsregels voor de overheid) als gevolg waarvan strijd daarmee beroepsgrond oplevert bij administratieve rechtspraak), het beginsel van willekeur, het vertrouwensbeginsel, het beginsel van materiële zorgvuldigheid, het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van rechtszekerheid, het beginsel van fairplay en het motiveringsbeginsel – in het burgerlijk recht op dezelfde wijze zijn aanvaard en ingeburgerd als in het administratief recht. Bij het leerstuk van de onrechtmatige overheidsdaad gaat het erom, of een redelijk denkende overheid tot een dergelijke beslissing had kunnen komen of kennelijk onredelijk heeft gehandeld. Ons is – anders dan eiseres terzake gesteld heeft – uit de zijdens gedaagde sub B overgelegde niet door eiseres betwiste bescheiden, in ieder geval niet gebleken dat gedaagde sub B met de rechtmatige belangen van eiseres geen rekening gehouden heeft;

Overwegende, dat eiseres als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten zal hebben te dragen;

Rechtdoende in kortgeding

Weigeren de gevraagde voorzieningen;

Verwijzen eiseres in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD nihil.

Aldus gewezen door mr. H.E. Struiken Kantonrechter in het Eerste Kanton en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van donderdag 4 oktober 2007 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. E.S. Ombre, in tegenwoordigheid van de Substituut- griffier, mr. L.J. van Bossé.

Wegens ziekte is mr. Struiken niet in staat te tekenen.

Eiseres in kort geding is noch in persoon noch bij gemachtigde bij uitspraak ter terechtzitting verschenen, terwijl de gedaagde sub A vertegenwoordigd door mr. Boldewijn namens zijn gemachtigde verschenen. De gedaagde sub B is bijgestaan door zijn gemachtigde verschenen.

SRU-K1-1994-1

Kantonrechter Eerste Kanton
4 augustus 1994, A.R. 942808
(Mr. S. Gangaram Panday)

[eiseres], gehuwd met [naam], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. B.A. Halfhide, advokaat, eiseres in Kort Geding,

tegen

[gedaagde], wonende te Paramaribo aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. P.E. Bemmel, advokaat, gedaagde in Kort Geding,
De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste kanton;
Gezien de stukken, waaronder meer bepaald her proces-verbaal van de door Ons ambtshalve bij rolbeschikking bevolen en gehouden comparitie van partijen d.d. 28 juli 1994;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eiseres bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in kort geding, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, op alle dagen en uren, de ten rekeste omschreven overeenkomst tussen, partijen zal worden geschorst en gedaagde zal worden gelast om binnen 24 uren na het ten deze te wijzen vonnis, althans binnen een door de Rechter in goede justitie vast te stellen termijn, het ten rekeste omschreven pand met alle daarin van harentwege aanwezige personen en goederen te verlaten en te ontruimen en ter vrije beschikking van eiseres te stellen, met bepaling dat indien gedaagde hiermee in gebreke mocht blijven eiseres gerechtigd zal zijn de ontruiming zelf te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm en op kosten van gedaagde. Kosten rechtens.

Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr. B.A. Halfhide en Mr. P.E. Bemmel, ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiseres voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie van antwoord heeft genomen, onder overlegging van een produktie, waarvan de inhoud, alsmede van de overgelegde produktie hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende; dat Wij hierna ambtshalve bij rolbeschikking van 25 juli 1994 een comparitie van partijen hebben bevolen, welke op 28 juli daaraanvolgend is gehouden, zijnde daarvan – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal opgemaakt;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het spoedeisend belang der vordering uit de aard der stellingen van het inleidend rekest van eiseres voortvloeit;

Overwegende, dat Wij bij rolbeschikking van 25 juli 1994 een comparitie van partijen hebben gelast voor het in winnen van inlichtingen en het beproeven van een vereniging, welke op 28 juli 1994 gehouden is en waarbij partijen Ons omstandig over de situatie ingelicht hebben, doch een minnelijke regeling behoorde niet tot de mogelijkheden, omdat de gedaagde niet toezegde op korte termijn te ontruimen;

Overwegende, dat tussen partijen van het navolgende als rechtens vaststaand kan worden uitgegaan;

  1. per 1 november 1993 heeft de gedaagde bij de eiseres een van de elf (11) gemeubileerde kamers gehuurd, in het pand van de eiseres aan [adres] te [district], met gebruik van bad, toilet, zitkamer en keuken, enzovoorts; met een aanvankelijke huurprijs van ƒ 500,– (VIJFHONDERD GULDEN) per maand;
  2. dat de eiseres in verband met de stijging van de prijzen, ook de huur aangepast heeft, te weten: per 1 maart 1994 tot ƒ 700,– ( ZEVENHONDERD GULDEN) per maand, per 1 mei tot ƒ 1000,– (EENDUIZEND GULDEN) per maand en per 1 augustus tot ƒ 1500,– (EENDUIZEND EN VIJFHONDERD GULDEN) per maand, doch dat de laatste aanpassing niet door de gedaagde werd geaccepteerd;
  3. dat de eiseres zelf de bovenwoning bewoont, van het pand [adres] te [district], waarvan zij de eigenaar is;
  4. dat tussen partijen over onder andere de aanpassing van de huur een ernstig verschil van opvatting heeft gemanifesteerd en is hun verhouding ernstig verstoord geraakt, welk situatie thans enkele maanden voortduurt;

Overwegende, dat in casu naar Ons voorlopig oordeel niet van een huurovereenkomst tussen partijen van een woning gesproken kan worden, doch huur van een kamer in een zogenaamde studentenhuis, waarbij de huurder gebruik maakt van de faciliteiten van het huis, zoals gas, licht, water etcetera, en valt de huurder de rechtsbescherming van de huurbeschermingswet niet ten deel;

Overwegende, dat nu tussen partijen vaststaat dat de verhouding tussen de eiseres als eigenaar/verhuurder en de gedaagde als huurder van voormelde woonunit ernstig verstoord is, zal de gedaagde vandaar moeten verhuizen ongeacht het feit aan welke van de partijen die verstoring in overwegende mate te wijten is;

Overwegende, dat de eiseres het onmiddellijke vertrek van de gedaagde van daar verlangt en dat de gedaagde tot eind december 1994 de ruimte daartoe wenst te hebben, doch dat Wij rekening houdende met de confliktsituatie tussen partijen in redelijkheid als na te melden recht zullen doen, met de veroordeling van de gedaagde, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten.

Rechtdoende in Kort Geding:
Schorsen de huurovereenkomst tussen partijen.

Gelasten de gedaagde de van de eiseres gehuurde ruimte (een kamer in het pand [adres]) per 1 september 1994 met alle daarin van harentwege aanwezige personen en goederen te verlaten en te ontruimen en ten vrije beschikking van eiseres te stellen.

Verklaren dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad.

Machtigen eiseres om indien gedaagde in gebreke mocht blijven het voormelde gehuurde te ontruimen deze zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm.

Veroordelen gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 784,– (ZEVENHOHDERD EN VIERENTACHTIG GULDEN).

 

SRU-K1-1990-2

Kantonrechter Eerste kanton
19 november 1990, A.R. 907077
(Mr. J.R. von Niesewand)

Stichting voor het Kind, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Awaradam no. 15, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. H.E. Struiken, advokaat, eiseres in kort geding,

tegen

[gedaagde], thans tijdelijk verblijfhoudende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. H.R. Schurman, advokaat, gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Gezien de stukken, waaronder meer bepaald de processen-verbaal van de ambtshalve door Ons bevolen en gehouden comparitie, van partijen en getuigenverhoor d.d. 17 november 1990.

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eiseres bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

A. gedaagde zal worden veroordeeld om het tehuis aan [adres] te [district] met alle personen en goederen die van harentwege zich daarin bevinden te ontruimen en te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen en wel binnen twee dagen na het ten deze te vellen vonnis met machtiging op eiseres om indien gedaagde in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm.
B. gedaagde zal worden gelast om binnen vier en twintig uur na het ten deze te wijzen vonnis de bestuursleden en functionarissen van eiseres toegang te verlenen tot alle ruimten van het gebouw aan [adres] en gedaagde voorts zal worden gelast tot afgifte van alle correspondentie en administratie welke gericht zijn aan eiseres en haar eigendom zijn zulks op straffe van een dwangsom van f.1000,– (eenduizend gulden) voor iedere dag dat gedaagde weigert, althans in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen;
C. gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten dezer procedure.

Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr. H.E. Struiken en Mr. H.R. Schurman ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiseres voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde hierna een schriftelijke conclusie van antwoord heeft overgelegd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld;

Overwegende, dat de inhoud van alle stukken als hier ingelast wordt beschouwd;

Overwegende, dat ter ambtshalve bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, Mevr [naam], voorzitster van de Stichting voor het Kind en de gedaagde in persoon, die hebben verklaard, gelijk in het vorenaangehaalde – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat eiseres in de enquête een getuige heeft doen horen, die heeft verklaard gelijk in het vorenaangehaalde – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat Wij de comparitie van partijen alsook de enquête ambtshalve gesloten hebben verklaard;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het spoedeisend karakter uit de aard van de stellingen van de vordering van eiseres blijkt;

Overwegende, dat eiseres op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd, dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

A. gedaagde zal worden veroordeeld om het tehuis aan [adres] te [district] met alle personen en goederen die van harentwege zich daarin bevinden te ontruimen en te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen en wel binnen twee dagen na het ten deze te wijzen vonnis met machtiging op eiseres, om indien gedaagde in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

B. gedaagde zal worden gelast binnen vier en twintig uur na het ten deze te wijzen vonnis de bestuursleden en functionarissen van eiseres toegang te verlenen tot alle ruimten van het gebouw aan [adres] en gedaagde te gelasten tot afgifte van alle correspondentie en administratie welke gericht zijn aan eiseres en haar eigendom zijn zulks op straffe van een dwangsom van Sf.1000,– per dag voor iedere dag dat gedaagde weigert, althans in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, alles Kosten rechtens;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend tussen partijen rechtens vaststaat, dat eiseres krachtens haar statuten zich ten doel stelt de behartiging van de belangen van het Surinaamse kind in de ruimste zin des woords;
dat eiseres, ter uitvoering van haar doelstellingen drie kindertehuizen exploiteert onder andere één aan [adres] alwaar gedaagde tijdelijk verblijf houdt;
dat in het tehuis aan [adres] dat als doorgangstehuis geldt door verschillende overheidsinstanties sociaal / economisch gehandicapte kinderen bij eiseres worden geplaatst;
dat deze instanties zijn: Het Medisch Opvoedkundig Bureau, Jeugdzorg, het Pedologisch Instituut, het Bureau voor Familierechtelijke Zaken en Gehandicapte Zorg;

Overwegende, dat wijders tussen partijen als enerzijds gesteld en anderzijds erkend danwel niet casu quo niet gemotiveerd betwist en gestaafd door de zich onder de gedingstukken bevindende niet betwiste bescheiden vaststaat, dat gedaagde op 1 juli 1990 als beheerster van het tehuis aan [adres] in dienst is getreden van eiseres tegen een salaris van f.500,– per maand, waarbij een proeftijd van twee maanden tussen partijen is overeengekomen, ingaande op het tijdstip dat de dienstbetrekking een aanvang heeft genomen en dat gedaagde met het oog op de aard van de door haar te verrichten arbeid een deel (in casu woon- en slaapruimte) van het tehuis aan [adres] bewoont en gebruikt;

Overwegende, dat ter door Ons ter terechtzitting van zaterdag 17 november 1990 ambtshalve bevolen en gehouden inlichtingencomparitie Mevr. [naam], voorzitter van eiseres, Ons aldus informerend alstoen onder meer heeft verklaard dat zij gedaagde op 23 oktober 1990 met onmiddellijke ingang (op staande voet) heeft ontslagen haar daarbij onverwijld als reden opgevend, dat zij – gedaagde – niet heeft voldaan aan de verwachtingen die van haar als beheerster van het tehuis werden verlangd en dat zij – gedaagde – op uiterlijk zaterdag 3 november 1990 het tehuis althans het door haar bewoonde gedeelte daarvan moest ontruimen en verlaten en ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen;

Overwegende, dat gedaagde als reactie op de aan haar op 23 oktober 1990 gedane ontslagaanzegging als hiervorenvermeld aan eiseres een van 31 oktober 1990 daterend schrijven heeft gericht waarin zij – voorzover ten deze van belang – stelt dat zij uitdrukkelijk ontkent dat zich redenen zouden hebben voorgedaan op grond waarvan eiseres het recht heeft haar te ontslaan en dat zij – gedaagde – dan ook aanspraak maakt op voortzetting van het dienstverband, zich beschikbaar houdt en derhalve bereid is de bedongen arbeid te verrichten en tenslotte dat zij in rechte een beroep zal doen op de nietigheid van het ontslag en haar aanspraak op doorbetaling van loon en bijbehorende vergoedingen geldend zal maken, alles indien eiseres het door haar aan gedaagde verleend ontslag met onmiddellijke ingang zou willen handhaven, hebbende gedaagde, naar blijkt uit het namens haar gevoerd verweer, zich erop beroepen, aldus dat verweer opvattend en uitleggend, dat eiseres haar heeft ontslagen zonder dat blijkt te zijn in acht genomen het bepaalde in artikel 3 lid 3 van het Decreet E-39A (S.B.1984 no. 102);

Overwegende, dat eiseres op generlei wijze heeft weten aannemelijk te maken haar – overigens betwiste – stelling dat de arbeidsovereenkomst met gedaagde voor bepaalde tijd is aangegaan, althans dat sprake is van een naderhand met gedaagde gemaakte afspraak, dat tussen partijen zou bestaan een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd casu quo twee maanden aangegaan, zodat Wij het er voor houden dat de tussen partijen op 1 juli 1990 gesloten arbeidsovereenkomst een is, voor onbepaalde tijd aangegaan;

Overwegende, dat nu eiseres als meest gerede partij op het terzake door gedaagde gevoerd verweer niet heeft gesteld of doen blijken dat zij het ontslag binnen de bij artikel 3 lid 2 van Decreet E-39A (S.B.1984 no. 102) schriftelijk heeft gemeld bij het Hoofd der Arbeidsinspectie onder opgave der dringende reden en dat de Minister van Arbeid met de aan gedaagde opgegeven reden heeft ingestemd, moet het aan gedaagde verleend ontslag met onmiddellijke ingang naar Ons voorlopig oordeel worden geacht geen rechtskracht te hebben en dat de dienstbetrekking mitsdien van rechtswege is blijven voortduren;

Overwegende, dat de consequenties van al het hiervorenoverwogene is dat de onder A van het petitum gevraagde voorziening moet worden geweigerd;

Overwegende, dat nu ook na de verstrekte informaties ter gehouden inlichtingencomparitie en ook na de verklaring van de [getuige], niet is komen vast te staan dat gedaagde weigert de bestuursleden en staffunctionarissen van eiseres de toegang tot de vertrekken en ruimten van het tehuis te verlenen en voorts weigert alle correspondentie en administratie van het tehuis af te geven nog daargelaten dat gedaagde heeft weersproken alle correspondentie en administratie onder zich te hebben, dient ook de onder B van het petitum gevraagde voorziening te worden geweigerd;

Overwegende, dat eiseres als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten zal hebben te dragen;

Rechtdoende in kort geding
Weigeren de gevraagde voorzieningen;
Verwijzen eiseres in de kosten van dit proces aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f. nihil.

SRU-K1-2008-1

Kantonrechter in Kort Geding

08 juli 2008, A.R. No. 082672
(mr. S.M.M. Chu)

Vonnis in zake:

  1. [eiser sub 1]
  2. eiser sub 2], beiden wonende te [district 1],
    Eisers in kort geding, hierna gezamenlijk te noemen de [eisers], gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

tegen

  1. [gedaagde sub 1],
    wonende te [district 1], gedaagde in kortgeding, hierna te noemen [gedaagde sub 1], gemachtigde: mr. B.A. Halfhide,
  2. Finabank NV,
    gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, gedaagde in kortgeding, hierna te noemen de Finabank, gemachtigde: mr. B.A. Halfhide, advocaat.

1 Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het op 25 juni 2008 ingediende verzoekschrift op de griffie der kantongerechten met producties;
– het schriftelijk antwoord pleidooi zijdens [gedaagde sub 1] en de Finabank met producties;
– het schriftelijk pleidooi van repliek en uitlating producties;
– het schriftelijke pleidooi van dupliek zijdens [gedaagde sub 1] en de Finabank.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1 [eiser sub 1] is eigenaar van het zakelijk recht van grondhuur vervallende 16 december 2025 op het perceelland, groot 2,6690ha gelegen in het [district 2] Para, aan [adres] bekend als [nummer] en aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 10 mei 1985 met de letters ABCD.

2.2 De [eisers] zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

2.3 In de verklaring van 12 oktober 2006, getekend door [gedaagde sub 1] en [eiser sub 1] staat onder meer vermeld:
“Dhr. [gedaagde sub 1] (…….) verklaard hierbij gekocht te hebben van dhr. [eiser sub 1] (….) een perceel groot 2,669 ha te [adres] voor de prijs van 39.500 euro waar hij heden een bedrag van 2.500 euro betaalt saldo37.000,- waar hij nog 7.000 aan voorschot moet geven en het resterend 30.000,- in 1 jaar moet aflossen.”

2.4 In de notariële akte van lastgeving verleden ten overstaan van de notaris, mr. Glenn Manoj Raj Shaw Ramautar op 25 oktober 2006 staat onder meer vermeld:
“Heden, de vijf en twintigste oktober tweeduizend en zes, verschenen voor mij (…) in tegenwoordigheid der na te noemen aan mij, bekende getuigen:

  1. De heer [eiser sub 1] (…)
  2. Mevrouw[eiser sub 2] (…)”

De comparanten verklaarden:
dat zij na te melden onroerend zaak hebben verkocht aan de na te noemen lasthebber:
dat zij naar aanleiding van het voorgaande onherroepelijk last en volmacht geven aan de heer [gedaagde sub 1], ondernemer. (…) om hen comparanten in alle opzichten en op elk rechtsgebied te vertegenwoordigen met betrekking tot:
het recht van grondhuur vervallende zestien december tweeduizend vijf en twintig op het perceelland, groot twee hectare, zes en zestig aren en negentig centiaren, gelegen in het [district 2], aan [adres] bekend als [nummer 1] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname F. Emanuels de dato tien mei negenhonderd vijf en tachtig met de letters ABCD.

Voorts verklaarden de comparanten dat deze volmacht met name strekt om voormeld onroerend zaak te vervreemden, hetzij in het geheel, hetzij in gedeelten, aan de voornoemde lasthebber of aan derden, te verkrijgen, te leveren, te bezwaren voor schulden van de lasthebber of van derden, om daden van beheer en beschikking te verrichten, te verhuren, de koopsom of huurpenningen te ontvangen en daarvoor kwijting te verlenen, daartoe de nodige biljetten en andere stukken te tekenen en in te dienen.

Onmiddellijk na voorlezing is deze minuutakte door de comparanten, de getuigen en mij, notaris ondertekend.”

2.5 In de tussen [gedaagde sub 1] en de Finabank gesloten overeenkomst comfortkrediet op 18 juni 2007 staat ondermeer vermeld:

“1. Leensom.
De kredietnemer verklaart van Finabank te hebben geleend gelijk Finabank verklaart aan kredietnemer te hebben geleend, de somma van SRD. 209.161,-..

3. Hypotheek.
De lening zal gedurende de gehele looptijd gedekt zijn door een gevestigde eerste hypotheek van SRD. 250.000,- (Tweehonderd en vijftigduizend 00/100 Surinaamse Dollars), gevestigd ten behoeve van Finabank en ten laste van de kredietnemer op:

Het recht van grondhuur – vervallende op 16 december 2022 – op het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 2,6690 ha, gelegen in het [district 2] aan [adres], bekend als [nummer 1] en aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname E.F. Emanuels d.d. 10 mei 1985 met de letters ABCD. ( Register [nummer 2]).

5. Bestemming.
Het krediet heeft als bestemming: Renovatie van het woonhuis aan [adres], aanschaf handelsvoorraden een overname winkelportefeuille van ouders [gedaagde sub 1].”

2.6 In de notariële akte verleden ten overstaan van de notaris, mr. Glenn Manoj Raj Shaw Ramautar op 22 juni 2007 staat onder meer vermeld:
“Heden, de twee en twintigste juni tweeduizend en zeven, verschenen voor mij:
De heer Eugene Edmund de Randamie, notarisklerk, (..) ten deze handelende als mondeling gevolmachtigde van de Directie van de naamloze vennootschap “Finabank NV.”, (—)
ter ener
en de heer [gedaagde sub 1, (….) ten deze handelende:
a. in prive
—- schuldenaar—-
b. als gevolmachtigde van:

  1. De heer [eiser sub 1] (..)
  2. Mevrouw [eiser sub 2], (..)

Krachtens een akte van lastgeving de dato vijf en twintig oktober tweeduizend en zes in minuut voor mij notaris verleden en onder mij notaris berustende.

— onderzetter –

ter andere zijde.

Ten achtste. Dat indien niet terstond wordt voldaan aan deze vordering tot betaling van hoofdsom met interesten en kosten, de partij ter ener of haar rechtverkrijgenden onherroepelijk zal of zullen zijn gemachtigd om het verbondene in het openbaar volgens het voorschrift der wet te doen verkopen, verkoopwaarden te regelen en vast te stellen, het verbondene in het openbaar volgens het voorschrift der wet te doen verkopen, de verkoopvoorwaarden te regelen en vast te stellen, het verbondene aan de koper in grondhuur over te dragen, kooppenningen te ontvangen en daarvoor te kwijten , teneinde uit de opbrengst zowel de hoofdsom als de renten en kosten te verhalen met bevoegdheid aan de zijde van de partij ter ener om het verbondene op te houden wanneer het naar het oordeel niet genoeg mocht gelden en de herveiling daarvan op een nader te bepalen dag te doen plaats hebben. De kosten door de ophouding veroorzaakt komen voor rekening van de partij ter andere zijde.”

2.7 De schriftelijke verklaring van de Finabank d.d. 7 mei 2008 gericht aan het notariaat Emanuels, waarin onder meer staat vermeld:
“Hierbij verklaart de Finabank NV dat de heer [gedaagde sub 1], geboren op[datum], bij haar een hypothecaire lening heeft lopen, welke per heden een saldo vertoont van SRD 235.279,75.
Het bovenvermelde saldo is exclusief eventuele notaris-en veilingskosten en is tot en met 30 mei 2008 geldig.”

2.8 Op 10 mei 2008 heeft de Finabank aan [gedaagde sub 1] en de [eisers] per deurwaardersexploit in kennis gesteld dat zij op woensdag 9 juli 2008 middels gebruikmaking van de aan [gedaagde sub 1] verleende onherroepelijke machtiging van 25 oktober 2006 zal overgaan tot verkoop van het perceel waarop het zakelijk recht van grondhuur is gevestigd.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 De [eisers] vorderen, zakelijk weergegeven:

  • de Finabank te verbieden om voort te gaan met de executie op woensdag 9 juli 2008 van het recht van grondhuur op het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 2,66 ha, gelegen in het [district 2] aan [adres] bekend als [nummer 1] en nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 1985 met de letters ABCD;
  • de Finabank te verbieden gebruik te maken van de onherroepelijke volmacht ex artikel 1207 BW, door haar verkregen bij de akte van notaris Glenn M.R.S. Ramautar d.d. 22 juni 2007, ten einde te executeren het recht van grondhuur op het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 2,66 ha, gelegen in het [district 2] aan [adres] bekend als [nummer 1] en nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 10 mei 1985 met de letter ABCD, totdat de kantonrechter in het eerste kanton in bodemgeschil definitief zal hebben beslist;
  • betaling van een dwangsom van SRD 1.000.000,- voor iedere overtreding van het te dezen te wijzen vonnis en voor iedere dag dat deze overtreding voorduurt;
  • veroordeling van [gedaagde sub 1] om de beslissing tegen de Finabank te gehengen en te gedogen.

3.1.1 Mede is gevorderd om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en veroordeling van [gedaagde sub 1] en de Finabank tot betaling van de proceskosten.

3.2 De [eisers] leggen aan hun vordering ten grondslag:

– dat [gedaagde sub 1] (beschikkings)onbevoegd was namens hen de hypotheek op het zakelijk recht van grondhuur te vestigen. Daartoe stellen zij dat zij slechts de intentie hadden volmacht aan [gedaagde sub 1] te verlenen om de tussen hen en [gedaagde sub 1] gesloten koopovereenkomst betreffende vermelde zakelijkrecht te formaliseren.
– dat de volmacht en de akte inhoudende de krediethypotheek nietig zijn op grond van dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden.

3.3 Zowel [gedaagde sub 1] als de Finabank hebben verweer gevoerd, welk verweer voorzover van belang hieronder zal worden besproken.

4. De beoordeling

4.1 Vooropgesteld wordt dat de vordering onder I, II en III zich richt tot de Finabank en die onder IV tot [gedaagde sub 1].

Uit de aard van de vordering en de daaraan ten grondslag liggende stellingen blijkt genoegzaam van het spoedeisend belang van de [eisers]. Derhalve zullen zij in hun vordering worden ontvangen.

4.2 De wilsgebreken

Vooropgesteld wordt dat het beroep op wilsgebreken slechts bij meerzijdige rechtshandelingen dan wel obligatoire overeenkomsten kans van slagen kan hebben en niet bij éénzijdige rechtshandelingen. Daar de door [eisers] aan [gedaagde sub 1] verleende volmacht als een éénzijdige rechtshandeling dient te worden aangemerkt, zal de nietigheid dan wel vernietigbaarheid daarvan op grond van dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in bodemprocedure geen kans van slagen hebben.

4.3 De beschikkingsonbevoegdheid van [gedaagde sub 1]

Vooropgesteld wordt dat een volmacht niets anders inhoudt dan het verlenen van de bevoegdheid door de volmachtgever, in casu de [eisers], aan de gevolmachtigde in casu [naam], hetzij mondeling hetzij schriftelijk, tot het verrichten van rechtshandelingen.

Uit de stellingen van de [eisers] begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde sub 1] door het vestigen van de krediethypotheek, de aan hem gegeven bevoegdheid tot het formaliseren van de tussen hem en de [eisers] gesloten koopovereenkomst, heeft overschreden en de Finabank om die reden niet kan overgaan tot verkoop van het perceel waarop het zakelijk recht van de [eisers]s is gevestigd.

Anders dan de [eisers] is de kantonrechter van oordeel dat zij in redelijkheid de beschikkingsonbevoegdheid dan wel bevoegdheidsoverschrijding van [gedaagde sub 1] niet aan de Finabank als derde dan wel wederpartij van [gedaagde sub 1] kunnen tegenwerpen. Zulks, temeer daar de Finabank is uitgegaan van een door de [eisers] getekende volmacht welke volmacht is opgemaakt en verleden ten overstaan van een notaris, zijnde een functionaris in wie elke derde in het rechtsverkeer het vertrouwen stelt dat deze uitgaande van zijn onderzoeksplicht de inhoud van elke akte, en dus ook die der volmachtverlening, vaststelt op grond van de door de volmachtgever aan hem verstrekte gegevens. Door dit handelen, namelijk het tekenen van de volmacht, hebben de [eisers] bij de Finabank als derde de schijn gewekt dat [gedaagde sub 1] bevoegd was namens hen een hypotheek te vestigen op het perceel waarop het aan hun in eigendom toebehorend zakelijk recht van grondhuur is gevestigd. Bovendien heeft [gedaagde sub 1] de overeenkomst comfortkrediet gesloten in het kader van renovatie van de opstallen op bedoelde perceel dat thans voor veiling staat en dit handelen gelet op de inhoud van de volmacht kan worden geïnterpreteerd als te zijn een overeenkomst gesloten door [gedaagde sub 1] namens de[eisers]. Om die reden zijn naar het oordeel van de kantonrechter de [eisers] gebonden aan de rechtshandeling die [gedaagde sub 1] namens hen met de Finabank als wederpartij heeft verricht.

4.4 Garantiestelling tot betaling

Gezien hun gebondenheid aan de door [gedaagde sub 1] met de Finabank verrichte rechtshandeling, lag het – sedert zij kennisdroegen van die rechtshandeling – op de weg van de [eisers] om enige garantie tot betaling te bieden aan de Finabank terzake de voldoening van het door [gedaagde sub 1] aan de Finabank verschuldigde bedrag, welke voldoening zij achteraf op [gedaagde sub 1] wegens een onrechtmatige daad, inhoudende de bevoegdheidsoverschrijding, konden verhalen. Zulks, om de thans op handen zijnde veiling van het perceel waarop hun zakelijk recht van grondhuur is gevestigd te voorkomen. Nu de [eisers] hebben nagelaten enige garantie tot betaling van het door [gedaagde sub 1] verschuldigde saldobedrag en rente aan de Finabank als wederpartij aan te bieden en het evenmin verwachtbaar is dat zij deze schuld op zeer korte termijn zullen aflossen, zal de kantonrechter de door de [eisers] gevraagde voorzieningen dienen te weigeren.

4.5 De [eisers] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding worden gewezen.

5. De beslissing

5.1 T.a.v. [gedaagde sub 1]

5.1.1 Weigert de gevraagde voorziening

5.1.2 Veroordeelt de [eisers] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.2 T.a.v. de Finabank

5.2.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2.2 Veroordeelt de [eisers] in de proceskosten aan de zijde van Finabank gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 8 juli 2008 te Paramaribo door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de substituut griffier.

Partijen in kort geding zijn noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-K1-2010-3

A.R. no. 102523

7 juli 2010

Kantonrechter in Kortgeding

Vonnis in de zaak van

[eiser], wonende te [district],
gemachtigde: mr. Ch. Mijnals, advocaat,
eiser in kort geding,

tegen

A. [gedaagde sub A] en
B. [gedaagde sub B], echtelieden, beiden wonende te [district],
gemachtigde: de heer M.H. Visser,
gedaagden in kort geding.

1. Het procesverloop:

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, dat op 21 juni ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord, met productie;
– de conclusies van repliek, met productie;
– de conclusie van dupliek, met productie;
– de conclusie tot uitlating productie zijdens eiser.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kort geding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser heeft bij overeenkomst van geldleen in september 2001 van gedaagden geleend het bedrag van EUR. 30.000,=. In die overeenkomst is een rentepercentage van 40% afgesproken en een aflostermijn van 1 jaar. Het geld is door eiser geleend voor investeringen in de klein mijnbouw. Eiser heeft zijn woonhuis in hypotheek gegeven.

2.2 Eiser heeft op de lening geen aflossingen gepleegd.

2.3 Gedaagden hebben aangekondigd dat zij over zullen gaan tot openbare verkoop van het onderpand op 8 juli 2010.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering
Eiser vordert kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden verbiedt de op handen zijnde executoriale verkoop van de woning van eiser voort te zetten c.q. te doen plaatsvinden totdat definitief zal zijn beslist en gedaagden veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2. De grondslag
Eiser voert als grondslag voor zijn vordering aan dat het gedrag van gedaagden kan worden betiteld als manipulatief, onrechtvaardig en onrechtmatig op grond van het volgende: dat het mede aan gedaagden is gelegen dat hij de schuld niet kon aflossen, dat zij wisten in wat voor financiële positie hij zat, dat hij daardoor niet anders kon dan instemmen met de wurgrente die door gedaagden is opgelegd, dat de gedaagden steeds deden alsof zij begrip hadden voor eiser zijn problemen, dat gedaagden geen spoedeisend belang hebben bij de openbare verkoop en dat door deze verkoop eiser en zijn gezin op straat zullen komen te staan. Hij voert aan dat hij een bodemprocedure heeft ingesteld om de rente aan te vechten en dat de veiling pas mag worden gehouden wanneer de kantonrechter de rente heeft aangepast naar een acceptabel niveau.

4. Het verweer
Op het verweer van gedaagden komt de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terug.

5. De beoordeling

5.1 Het spoedeisend karakter van deze vordering blijkt uit de aard der daaraan ten grondslag liggende stellingen.

5.2 Gedaagden hebben als voornaamste verweer aangevoerd dat eiser geen juridische grond heeft aangevoerd voor zijn vordering doch slechts heeft gesteld dat hij grote financiële problemen had waarvan gedaagden op de hoogte waren en dat de rente te hoog is.

5.3 Daarnevens hebben gedaagden aangegeven dat eiser degene is geweest die de rente aanbood omdat hij ervan uitging dat hij in de goudsector hoge winsten kan boeken wanneer het goed gaat.

5.4 De kantonrechter is het met gedaagde eens dat in de stellingen van eiser geen juridische grondslag terug is te vinden voor het stopzetten van de executie. De gronden die eiser aanvoert zijn, zoals onder het kopje grondslag vervat, dat hij financiële problemen had, dat gedaagden dat wisten en dat zij mede de oorzaak zijn geweest van de problemen vanwege de hoge rente die is afgesproken bij de geldlening. Dat is echter geen adequate grondslag voor een vordering als de onderhavige. Voor een geslaagde vordering tot stopzetting van een openbare verkoop zullen als grondslag feiten moeten worden aangevoerd die aannemelijk maken dat degene die executeert misbruik maakt van zijn executie recht en daardoor onrechtmatig handelt. Als degene die executeert in zijn recht staat omdat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan en er verder geen andere omstandigheden blijken waarom het gebruik maken van het executie recht onrechtmatig zou zijn kan van stopzetting geen sprake zijn.

5.5 Nu niet is gebleken dat gedaagden niet aan alle wettelijke voorwaarden hebben voldaan en eiser juist aangeeft niet te hebben afgelost is niet aannemelijk geworden dat er sprake is van misbruik van executie recht. Eiser heeft slechts gesteld dat de rente te hoog is en dat hij daar in een bodemprocedure iets aan probeert te doen. Dit is echter geen reden om misbruik van executie recht aan te nemen. De kantonrechter zal om die reden het gevorderde afwijzen.

5.6 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken en eiser als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van dit geding.

6. De beslissing

6.1 Wijst af het gevorderde.

6.2 Veroordeelt eiser in de kosten van dit geding aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van woensdag 7 juli 2010, in tegenwoordigheid van mr. G.R. Mangal, fungerend-griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2009-4

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 083651
29 januari 2009

Vonnis in kort geding inzake:

[eiser],
wonende te [district],
eiser in kort geding,
hierna te noemen [eiser]
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat

tegen

SURINAME ALUMINUM COMPANY LLC, rechtspersoon
gevestigd en kantoorhoudende in het district Para,
gedaagde in kort geding,
hierna te noemen Suralco
gemachtigde: mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– Het verzoekschrift dat met producties op 28 augustus 2008 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– De conclusie van antwoord met producties;
– De conclusie van repliek met productie;
– De conclusie van dupliek en uitlating productie met producties;
– De conclusie tot uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 14 september 2007 heeft Suralco bij het Ministerie van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu een vergunning aanvraag ingediend inhoudende beëindiging van de dienstbetrekking met [eiser].

2.2 Op 18 december 2007, heeft de Ontslagcommissie namens de Minister van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu een beslissing gegeven op eerder vermelde vergunningaanvraag, welke beslissing is vervat in een beschikking Hierin staat onder meer vermeld:
“heeft besloten: Op grond van het bovenstaande geen vergunning te verlenen ter beëindiging van de dienstbetrekking met de werknemer dhr. [eiser] ”.

2.3 Op 28 januari 2008 heeft Suralco een schrijven aan [eiser] gericht, in welk schrijven onder meer vermeld staat:
“Op juridische gronden achten wij de beslissing van de Ontslagcommissie d.d. 19 december 2007 nietig en derhalve niet rechtsgeldig. Dit betekent dat wij van menig zijn dat op grond van het Ontslagdecreet er sedert 03 januari 2008 positief is beslist op onze aanvraag.

Op grond hiervan wordt het dienstverband met U met ingang van 1 augustus 2008 opgezegd op grond van de bovengenoemde redenen. Aangezien U nog 22 dagen vakantietegoed heeft dient U Uw verlof per 02 juli 2008 op te nemen zodat daarop aansluitend op 01 augustus het dienstverband beëindigd is”.

2.4 In de beschikking van de Minister van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu van 20 november 2007 No. 3608, houdende verlening mandaat aan de Ontslagcommissie, onder meer ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning, staat onder meer vermeld:
“dat krachtens artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning, het de werkgever verboden is de dienstbetrekking met een werknemer te beëindigen, zonder een ontslagvergunning verleend door of namens de Minister van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu;

dat krachtens artikel 2 van het Besluit Ontslag Commissie er een Ontslagcommissie is ingesteld, die tot taak heeft aanvragen van een werkgever om een vergunning voor het beëindigen van de dienstbetrekking met een werknemer als bedoeld in artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning te beoordelen en ter zake namens de Minister een beslissing te nemen;

dat het nodig is de eerder genoemde bevoegdheid van de Minister van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu per beschikking te mandateren.

HEEFT BESLOTEN:

I. Aan de Ontslagcommissie zoals genoemd in artikel 2 van het Besluit Ontslagcommissie, mandaat te verlenen, onder meer ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning.

II. Te bepalen dat deze beschikking in het Staatsblad van de Republiek Suriname wordt bekendgemaakt”.

2.5 Vorenvermelde beschikking is op 31 maart 2008 gepubliceerd in het Staatsblad van de Republiek Suriname no. 25.

3. De vordering en grondslag daarvan en het verweer

3.1 [eiser] vordert:
– het gelasten van Suralco om aan hem de betalen zijn loon over de maand augustus 2008, zijnde deze Srd 9.094,96, vermeerderd met alle bijbehorende emolumenten en wel binnen twee dagen na de uitspraak, of op een door de kantonrechter te bepalen tijdstip, en voorts iedere maand het bedrag groot Srd 9.094,96 totdat op rechtsgeldige wijze een einde zal zijn gekomen aan de arbeidsovereenkomst tussen partijen;
– het gelasten van Suralco er zorg voor te dragen dat [eiser] wegens ziekte aanspraak maakt op alle medische voorzieningen waarop hij rechtens aanspraak maakt voor hem en zijn overige gezinsleden, een der emolumenten waarop hij aanspraak maakt;
– veroordeling van Suralco om aan hem bij wege van dwangsom te betalen het bedrag groot Srd 50.000,- voor elke dag of keer dat Suralco in gebreke mocht blijven om aan het hiervoor gevorderde te voldoen.

3.1.1 Mede is gevorderd het vonnis bij voorraad uitvoerbaar te verklaren en veroordeling van Suralco in de proceskosten.

3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Suralco onrechtmatig jegens hem handelt. Daartoe voert hij aan dat Suralco de door de Ontslagcommissie gegeven beslissing d.d. 18 december 2007 nietig acht en zij om die reden het dienstverband met hem heeft beëindigd, welke beëindiging onrechtmatig is. Als gevolg hiervan kunnen [eiser] en zijn gezinsleden niet beschikken over de noodzakelijke medische behandeling. Evenmin kan hij sedert augustus 2008 over zijn loon beschikken.

3.3 Suralco heeft verweer gevoerd op welk verweer – voor zover voor de beslissing van belang – hierna zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang

Het spoedeisend belang van de vordering van [eiser] blijkt voldoende uit de stellingen, zodat hij in zijn vordering zal worden ontvangen.

4.2 De bevoegdheid van de Ontslagcommissie op 19 december 2007

De Suralco voert als meest verstrekkend verweer dat de door de Ontslagcommissie gegeven beslissing van 19 december 2007 nietig is, omdat slechts de Minister van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu, hierna te noemen de Minister, bevoegd is tot het geven van een beslissing inzake een ontslagvergunningaanvraag en deze functionaris geen mandaat aan de Ontslagcommissie heeft verleend tot het nemen en geven van een beslissing ter zake. Dat de Minister geen mandaat aan de Ontslagcommissie ter zake heeft verleend blijkt, aldus het verweer van Suralco, uit het ontbreken van de daartoe vereiste administratiefrechtelijke handeling waaruit die mandaatverlening zou moeten blijken.

In reactie op dit verweer stelt [eiser] dat de Minister bij beschikking van 20 november 2007 vorenbedoeld mandaat wel aan de Ontslagcommissie heeft verleend, welke beschikking is gepubliceerd in S.B. 2008 no. 35. Daar deze beschikking op eerder vermelde datum is gegeven is het vereiste mandaat aldus de stelling van [eiser], verleend voor de door de Ontslagcommissie gegeven beslissing en heeft deze beslissing dus wel rechtskracht.

Vooropgesteld wordt dat krachtens het bepaalde in artikel 2 van het Decreet Ontslagvergunning de Minister bevoegd is tot het verlenen van een ontslagvergunning. Gebleken is dat de beschikking van 19 december 2007 is getekend door de Ontslagcommissie. Blijkens het bepaalde in artikel 80 lid 1 van de Grondwet treedt een wet in werking na afkondiging daarvan in het Staatsblad van de Republiek Suriname. Daar de beschikking een uitvoeringsbesluit is van het Decreet Ontslagvergunning, is deze bepaling analoog van toepassing op de beschikkingen dan wel uitvoeringsbesluiten. Gebleken is dat de beschikking van 19 december 2007 is getekend door de Ontslagcommissie en deze op 31 maart 2008 is gepubliceerd, waaruit voortvloeit dat aan de Ontslagcommissie op laatst vermelde datum mandaat is verleend tot het nemen en geven van beslissingen ter zake ingediende vergunningaanvragen. Het vorenstaande brengt de kantonrechter tot het oordeel dat de Ontslagcommissie op 19 december 2007 niet bevoegd was een beslissing ter zake de door de Suralco ingediende vergunningaanvraag te nemen en geven. Hieruit vloeit voort dat de beschikking ter zake niet door de daartoe bevoegde functionaris, te weten de Minister, zoals artikel 2 van het Decreet Ontslagvergunning dat voorschrijft, is gegeven.

4.3 De ontslagvergunning

Nu gebleken is dat de beschikking van 19 december niet door de daartoe bevoegde functionaris is gegeven, is het bepaalde in artikel 5 leden 1 en 3 van het Decreet Ontslagvergunning van toepassing, uit welke bepaling voortvloeit dat nu de Minister niet binnen dertig dagen na indiening van de vergunningaanvraag door Suralco niet heeft beslist, de vergunning wordt geacht te zijn verleend en wel met ingang van 30 december 2008.

4.4 De termijn van opzegging

Vooropgesteld wordt dat ingevolge het bepaalde in artikel 6 van het Decreet Ontslagvergunning de werkgever aan wie een ontslagvergunning verleend is, de betreffende dienstbetrekking mag opzeggen doch met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn.

Gesteld en gebleken is dat Suralco per schrijven van 28 januari 2008 de dienstbetrekking met [eiser] met ingang van 1 augustus 2008 heeft opgezegd, en Suralco dus de wettelijke opzeggingstermijn in acht heeft genomen.

Gebleken is dat Suralco heeft voldaan aan het bepaalde in de artikelen 5 en 6 van het Decreet Ontslagvergunning. Hierdoor heeft [eiser] niet aannemelijk kunnen maken dat de door Suralco met hem beëindigde dienstbetrekking onrechtmatig is, zodat de door hem gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd.

4.5 De proceskosten

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van Suralco gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en uitgesproken ter openbare terechtzitting door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton mr. mr. A. Charan, op donderdag 29 januari 2009 te Paramaribo in tegenwoordigheid van de substituut griffier, mr. L.J. van Bossé.

w.g. L.J. van Bossé.
w.g. S.M.M. Chu
w.g. A. Charan

 

SRU-K1-2011-6

Kantongerecht in het Eerste Kanton

A.R. 11-1019
20 april 2011
RGR

Vonnis in kort geding in de zaak van
A.[eiser sub A], wonende te [district 1],
B [eiser sub B], wonende te [district 1],
C.[eiser sub C], wonende te [district 1],
D.[eiser sub D], wonende te [district 1],
E.[eiser sub E], wonende te [district 1],
F.[eiser sub F], wonende te [district 1],
G.[eiser sub G], wonende te [district 1],
H.[eiser sub H], wonende te [district 1],
eisers,

gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

tegen

a.[gedaagde sub A], wonende te [district 1],
b.[gedaagde sub B], wonende in het [district 2],
c.[gedaagde sub C] , wonende te [district 1],
d.[gedaagde sub D], wonende in het [district 3],
e.[gedaagde sub E], wonende in het [district 2],
f.[gedaage sub F], wonende te [district 1],
g.[gedaagde sub G], zonder bekende woon- of verblijfplaats,
h.[gedaagde sub H] , wonende in het district [district 2],
i. [gedaagde sub I], wonende in het district [district 1],
gedaagden,

gemachtige: mr. F. Kruisland, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in naam van de Republiek het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het procesverloop

1.1 Hiervan blijkt uit de volgende processtukken/handelingen:

– het verzoekschrift dat op 9 maart 2011 met producties is ingediend ter griffie;
– op de zitting van 17 maart 2011 hebben eisers voor eis geconcludeerd;
– de conclusie van antwoord d.d. 30 maart 2011;
– de conclusie van repliek d.d. 5 april 2011;
– de conclusie van dupliek d.d. 7 april 2011;
– bij rolbeschikking d.d. 12 april 2011 heeft de kantonrechter partijen gevraagd zich uit te laten over hun bereidheid meet e werken aan het houden van verkiezingen onder leiding van een onafhankelijke commissie;
– op 14 april 2011 hebben beide partijen te kennen gegeven niet bereid te zijn mee te werken aan verkiezingen en vonnis gevraagd.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 “Nieuw Suriname” is een rechtspersoonlijkheid bezittende politieke vereniging.

2.2 Op 9 augustus 2009 is in “Nieuw Suriname” een nieuw bestuur gekozen dat alsvolgt is samengesteld:

1. [eiser sub A] (eiser sub A) Voorzitter
2. [gedaagde sub A] (gedaagde sub a) Ondervoorzitter
3. [gedaagde sub B] (gedaagde sub b) Ondervoorzitter
4. [gedaagde sub C] (gedaagde sub c) Secretaris
5. [eiser sub C] (eiser sub C) Secretaris
6. [eiser sub F] Penningmeester
7. [eiser sub B] (eiser sub B) Penningmeester
8. [eiser sub E] (eiser sub E) Commissaris
9. [eiser sub G] (eiser sub G) Commissaris
10. [eiser sub D] (eiser sub D) Commissaris
11. [gedaagde sub E] (gedaagde sub e) Commissaris
12. [gedaagde sub F] (gedaagde sub f) Commissaris
13. [gedaagde sub D] (gedaagde sub d) Commissaris
14. [naam 1] Commissaris
15. [naam 2] Commissaris

 

2.3 Op 12 februari 2011 hebben een aantal leden van “Nieuw Suriname” een bijeenkomst gehouden in het Guesthouse van de Universiteit aan de Leysweg te Paramaribo.

Deze bijeenkomst wordt door de gedaagden aangemerkt als een Partijcongres/Algemene Leden Vergadering. In punt 08 van de op deze vergadering aangenomen motie wordt gesproken van een spoed ALV.

De eisers betwisten dat er sprake was van Partijcongres/Algemene Leden Vergadering.

2.4 Blijkens de tekst van de op de vergadering van 12 februari 2011 aangenomen motie zou eiser sub A bij bestuursbesluit van 21 juli 2010 zijn afgezet als voorzitter van de partij doch geeft hij zich ten onrechte nog steeds uit als voorzitter.

2.5 Tijdens de vergadering van 12 februari 2011 zijn – zakelijk weergegeven – de navolgende besluiten genomen:

01. Door de vergadering werd bekrachtigd dat voor die dag een Algemene Leden Vergadering was uitgeschreven en dat alle besluiten konden worden genomen.

02. Het besluit van het hoofdbestuur d.d. 21 juli 2010 waarbij de heer [eiser sub A] als voorzitter is afgezet werd bekrachtigd alsmede het besluit om de ondervoorzitters te machtigen om alle handelingen in het belang van de partij en haar leden te verrichten.

03. De heer [eiser sub A] werd geroyeerd als lid van de partij.

04. De door de heer [eiser sub A] genomen besluiten werden ongeldig verklaard.

05. De toelating van [naam 1] tot het hoofdbestuur werd afgewezen, als zijnde in strijd met de Statuten.

06. De personen van [eiser sub E], [gedaagde sub B], [eiser sub C], [gedaagde sub D], [gedaagde sub G] en [eiser sub F] werden geroyeerd als lid van de partij en uit het hoofdbestuur ontslagen.

07. De leiding, de taken en bevoegdheden van de voorzitter van de partij werden opgedragen aan:

A. [gedaagde sub A],

terwijl de overige posten werden verdeeld:

B. [gedaagde sub B], ondervoorzitter/tevens wnd. voorzitter,

C. [gedaagde sub C], blijft secretaris,

D. [gedaagde sub D], penningmeester,

E. [gedaagde sub E], tweede penningmeester,

F. [gedaagde sub F], blijft commissaris,

en voorts:

G.[gedaagde sub G],

H.[gedaagde sub H],

I. [gedaagde sub I].

2.6 Krachtens punt 08 van de motie zijn voormelde besluiten bekendgemaakt.

3. Het gevorderde en de grondslag daarvan.

3.1 Eisers vorderen – zakelijk weergegeven – dat:

  • Alle besluiten die genomen zijn op voorschreven bijeenkomst d.d. 12 februari 2011 worden gschorst c.q. opgeschort.
  • Aan gedaagde sub A een verbod wordt opgelegd zich te presenteren als voorzitter van “Nieuw Suriname” en als zodnanig handelingen te verrichten, zolang hij niet op statutair rechtsgeldige wijze in die functie is gekozen.
  • de stukken betrekkelijk de oproeping der vergadering zijn niet door de voorzitter en de secretaris ondertekend.
  • er is vooraf gaande aan de vergadering geen agenda bekend gemaakt.
  • aan de vergadering hebben niet deelgenomen het Hoofdbestuur, de Partijraad, de Adviesraad, de Partijafdelingen en de Partijkernen, althans zijn deze partijorganen niet, althans niet allen op de statutair voorgeschreven wijze opgeroepen voor de vergadering.
  • is niet gebleken dat op de bedoelde vergadering de motie door leden van de partij is ingediend en dat leden van de partij voor de motie hebben gestemd.

II. Ook al zou er sprake zijn geweest van een rechtsgeldige vergadering dan nog zouden de daarin genomen besluiten niet zijn en wel omdat:

  • de onderwerpen waarover besluiten zijn genomen hebben niet op een agenda gestaan.
  • niet is gebleken dat tenminste de helft van de stemgerechtigde leden van “Nieuw Suriname” op de vergadering aanwezig of vertegenwoordigd was en dat de besluiten zijn genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen.
  • de bevoegdheid tot royement van een lid van de partij komt toe aan het hoofdbestuur en niet aan het Partijcongres.
  • het op 9 augustus 2009 gekozen bestuur zit aan tot 9 augustus 2012 en statutair is er geen ruimte voor tussentijdse bestuurswisselingen.
  • het hoofdbestuur wordt gekozen op een partijcongres doch er is geen sprake geweest van verkiezingen omdat de leden, althans eisers niet vooraf in de gelegenheid zijn gesteld kandidaten voor te dragen en propaganda te voeren.

3.4 Op het verweer van gedaagden en op hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunten nog hebben aangevoerd zal, indien nodig, in het hierna volgende worden ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Uit de aard van hun stellingen en uit het door hen gevorderde blijkt dat eisers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorzieningen.

4.2 Eisers hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd de stelling dat gedaagden in strijd met de statuten handelen waardoor ernstige schade wordt toegebracht aan “Nieuw Suriname” (zie de eerste alinea van het 6e sustenu van het inleidend rekest) en waardoor verwarring wordt gesticht over hun positie in “Nieuw Suriname” en tevens hun goede naam en eer wordt aangetast (zie de tweede alinea van voormeld sustenu).

Nu eisers gedaagden verwijten onrechtmatig tegen zowel de partij als tegen hen persoonlijk te handelen is de burgerlijke rechter bevoegd kennis te nemen van het geschil.

4.3 Gedaagden hebben verder als verweer aangevoerd dat eisers geen belang hebben bij de vordering aangezien de vordering is gericht op de bescherming van de rechten en belangen van de politieke organisatie “Nieuw Suriname” met wie de eisers niet vereenzelvigd kunnen worden. Naar het oordeel van de kantonrechter zien gedaagden hierbij over het hoofd dat de eisers ook hebben gesteld dat zij door de handelingen van de gedaagden, met name de uitlatingen dat zij en niet de eisers het hoofdbestuur van “Nieuw Suriname” vormen in hun maatschappij en politiek functioneren worden belemmerd en dat daardoor eveneens de indruk wordt gewekt dat zij zich een valse hoedanigheid aanmeten. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat eisers in hun hoedanigheid van leden van het hoofdbestuur wel degelijk belang bij de vordering hebben en dus in hun vordering zullen worden ontvangen.

4.4 Naar het oordeel van de kantonrechter hebben ook individuele leden van de vereniging een rechtens beschermd belang om op te komen tegen vermeende onstatutaire handelingen van het bestuur of van een gedeelte daarvan, omdat de vereniging, waarmee zij weliswaar juridisch niet vereenzelvigd kunnen worden doch waar zij een organisch deel van uitmaken, hierdoor in haar functioneren wordt belemmerd, althans kan worden belemmerd en op grond daarvan de belangen van haar leden niet op adequate wijze kan behartigen of de politieke idealen van de partij, op grond waarvan de leden zich bij die partij hebben aangesloten, niet kan realiseren c.q. nastreven.

4.5 Gedaagden hebben ingesteld dat eiser sub H geen lid van het hoofdbestuur van “Nieuw Suriname” is hetgeen door eisers niet is weersproken zodat dit feit vaststaat. Noch gesteld noch gebleken is dat eiser sub H geen lid van voormelde partij is. Op grond van hetgeen sub 4.4 is overwogen zal dus ook eiser sub H in zijn vordering worden ontvangen.

4.6 Toekomend aan de kern van het tussen partijen bestaand geschil zal de kantonrechter thans onderzoeken of de gedaagden, zoals de eisers beweren, in strijd met de Statuten van de partij en dus onrechtmatig hebben gehandeld. Alvorens op de stellingen van eisers, zoals verwoord in onderdeel 3.3 van dit vonnis in te gaan, zal de kantonrechter het materiële verweer van gedaagden beoordelen. Volgens dit verweer kan een substantieel deel van de leden, indien zij daartoe de behoefte hebben, zelfstandig een Algemene Leden Vergadering bijeenroepen en rechtsgeldige besluiten nemen indien in elk geval een zodanig groot aantal leden aanwezig is dat “het personensubstraat van de vereniging als gemeenschap van personen, dat een vereniging nu eenmaal is”, bijeen is. In casu zou dit zijn geschied omdat 42 van de 49 leden op de vergadering van 12 februari 2011 aanwezig waren.

4.7 De kantonrechter is van oordeel dat het door gedaagden geponeerde standpunt indruist tegen de verenigingsrechtelijke orde en op grond daarvan zal worden verworpen. Deze orde wordt bij verenigingen, behalve door de Wet, beheerst door de Statuten en het Huishoudelijk Reglement. Het is de kantonrechter niet gebleken dat “Nieuw Suriname”een Huishoudelijk Reglement heeft zodat in de onderhavige zaak de handelingen van gedaagden getoetst zullen moeten worden aan de in de Statuten voorgeschreven regels. Afwijking van de Statuten (en het Huishoudelijk Reglement) is alleen mogelijk indien alle leden op een vergadering aanwezig zijn en het besluit wordt genomen met algemene stemmen. Indien deze situatie zich niet voordoet zijn de partijorganen en de leden gebonden aan de interne regels der vereniging zoals die zijn neergelegd in de Statuten van de partij.

4.8 De eerste rechtsvraag die beantwoording behoeft is of alle Algemene Leden Vergaderingen door het Hoofdbestuur moeten worden bijeengeroepen. Volgens artikel 9 lid 3 van de Statuten kan het Hoofdbestuur ten alle tijde een Partijcongres/Algemene Leden Vergadering bijeen roepen. Deze bevoegdheid is aan geen enkele ander orgaan van de partij toegekend en ook niet aan een bepaald aantal leden. Nu krachtens artikel 9 lid 4 van de Statuten de leiding van alle Algemene Leden Vergaderingen in handen ligt van het Hoofdbestuur aangevuld met 2 vertegenwoordigers van zowel de Partijraad als de Adviesraad brengt, naar het oordeel van de kantonrechter, een redelijke interpretatie van de Statuten met zich mee dat alleen het Hoofdbestuur Algemene Leden Vergaderingen kan bijeen roepen. In elk geval moesten de eisers sub A, B, C, D, E, F en G, die deel uitmaken van het Hoofdbestuur en die statutair mede leiding aan de Vergadering moesten geven op de hoogte zijn van de Algemene Leden Vergadering van 12 februari 2011. Ten processe is komen vast te staan dat het Hoofdbestuur het Partijcongres niet heeft bijeegeroepen en dat de eisers niet mede leiding aan de vergadering hebben gegeven en zelf niet voor deze vergadering zijn opgeroepen.

Indien echter zou worden aangenomen dat de Statuten op dit punt een leemte vertonen, dan zou op grond van artikel 10 lid 9 van de Statuten slechts het Hoofdbestuur mogen beslissen.

Het probleem doet zich echter voor dat het Hoofdbestuur van de partij uiteen is gevallen en het dus niet te verwachten is dat het Hoofdbestuur een verzoek van een aantal leden om een Partijcongres te beleggen zal honoreren, zeker niet als het, zoals in de onderhavige zaak, gaat om de afzetting van een deel van het bestuur en royement van deze bestuursleden. Onder deze omstandigheden zullen, naar het oordeel van de kantonrechter, de leden die behoefte hebben aan een Algemene Leden Vergadering de rechter kunnen benaderen om hen vervangende toestemming te verlenen tot het bijeenroepen van een Partijcongres. De kantonrechter twijfelt er niet aan dat de leden zulk een toestemming zullen krijgen, met dien verstande dat als voorwaarde zal worden gesteld dat de statutaire bepalingen in acht zullen moeten worden genomen. In het licht van deze overweging moet het door de kantonrechter bij rolbeschikking aan partijen gedaan voorstel, om verkiezingen te houden onder leiding van een onafhankelijke commissie, worden gezien.

Wat dit punt betreft, komt de kantonrechter tot de slotsom dat de vergadering van 12 februari 2011 niet op de statutair voorgeschreven wijze is bijeen geroepen en dus niet als een Algemene Leden Vergadering/Partijcongres kan worden aangemerkt waardoor de op de vergadering genomen besluiten van onwaarde zijn.

4.9 Ten processe is verder niet gebleken dat de leden van de partij tot de vergadering van 12 febuari 2011 zijn opgeroepen per advertentie in een in Suriname verschijnend dagblad en dat daarbij een termijn van ten minste 14 dagen in acht is genomen. Gedaagden hebben dan ook in strijd met artikel 9 lid 8 van de Statuten gehandeld.

4.10 Krachtens artikel 10 lid 4 van de Statuten dient alle uitgaande correspondentie, dus ook de oproep tot een Partijcongres, ondertekend te zijn door de voorzitter en de secretaris. Wellicht heeft gedaagde sub c, in zijn hoedanigheid van secretaris van het bestuur dat op 9 augustus 2009 is gekozen, de stukken getekend doch vaststaat dat eiser sub A in zijn hoedanigheid van voorzitter deze oproep niet heeft ondertekend. De kantonrechter overweegt ambtshalve dat wellicht door gedaagden hiertegen zal worden aangevoerd dat, zoals uit de motie van 12 februari 2011 blijkt, gedaagde sub A al op 21 juli 2010 door het Hoofdbestuur was afgezet als voorzitter. De kantonrechter overweegt hieromtrent dat nu de voorzitter van de Partij, krachtens artikel 10 lid 3 van de Statuten, in functie door het Partijcongres wordt gekozen slechts dit orgaan geacht moet worden de bevoegdheid te hebben de voorzitter uit zijn functie te ontheffen. Ook hieruit blijkt dat slechts eerlijke bestuursverkiezingen de partij uit de impasse, waarin zij verzeild is geraakt, kan helpen doch de kantonrechter beseft dat hem elke bevoegdheid ontbreekt partijen te verplichten om aan deze verkiezingen mee te werken.

4.11 In het verenigingsrecht is algemeen aanvaard dat rechtsgeldige besluiten door een orgaan van de vereniging slechts kunnen worden genomen indien het onderwerp van het te nemen besluit vooraf, via een agenda, aan de leden van de vereniging of van het orgaan dat het besluit neemt is bekendgemaakt, tenzij alle leden ter vergadering aanwezig zijn en het besluit met algemene stemmen wordt genomen.

Niet gebleken is dat de vergadering van 12 februari 2011 is gehouden met als basis een vooraf aan de stemgerechtigde leden aangeboden agenda waarop de onderwerpen waaromtrent besluiten zijn genomen waren vermeld.

4.12 Noch uit een presentielijst noch uit de notulen van de vergadering van 12 februari 2011 blijkt dat de personen die ter vergadering aanwezig waren en de motie hebben ondersteund stemgerechtigde leden van de partij zijn. Nu eisers hebben betwist dat al de aanwezigen voldeden aan het vereiste van het lidmaatschap had het op de weg van gedaagden gelegen zulks rechtens aan te tonen, hetgeen zij echter niet hebben gedaan..

4.13 Volgens artikel 7 lid 3 van de Statuten van de partij geschiedt het royement van een lid door het Hoofdbestuur. Het Partijcongres mist deze bevoegdheid, hoewel zij wel dient als beroepsinstantie van een door het Hoofdbestuur uitgesproken royement.

4.14 Terecht voeren eisers aan dat in het verenigingsrecht verkiezingen slechts kunnen worden gehouden nadat alle leden, die zulks wensen, de gelegenheid hebben gekregen zich, overeenkomstig de Statuten, kandidaaat te stellen en propaganda te voeren. Ook aan deze elementaire doch wel fundamentele eis voldoet de vergadering van 12 februari 2011 niet.

4.15 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen komt de kantonrechter tot de eindconlusie dat, naar zijn voorlopig oordeel, de vergadering van 12 februari 2011 niet als een Algemene Leden Vergadering van “Nieuw Suriname” kan worden aangemerkt en de op die vergadering genomen besluiten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in een bodemprocedure van onwaarde c.q. nietig zullen worden verklaard, zodat de vordering zal worden toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter, met de gedaagden, van oordeel is dat de schorsing van besluiten per definitie aan tijd gebonden is. De kantonrechter zal daarom uit kracht van zijn bevoegdheid van rechter in kort geding ambtshalve onderdeel a van het petitum aanvullen in dier voege dat de schorsing zal duren tot dat in een bodemprocedure of door interne verkiezingen uiteindelijk zal zijn beslist.

4.16 De kantonrechter acht termen aanwezig de gevorderde dwangsom te matigen zoals in het dictum van dit vonnis is bepaald.

4.17 Gedaadgen zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De Kantonrechter, rechtdoende in kort geding:

5.1 Schorst de besluiten die genomen zijn op de door gedaagden, onder leiding van de gedaagden sub A en B, op 12 februari 2011 gehouden bijeenkomst in het Guesthouse van de Universiteit aan de Leysweg en wel tot dat bij rechterlijk vonnis of door interne bestuursverkiezingen uiteindelijk zal zijn beslist over de samenstelling van het bestuur.

5.2 Verbiedt gedaagde sub A zich als voorzitter van “Nieuw Suriname” te noemen en zich, al dan niet in het openbaar, als zodanig te presenteren en handelingen te verrichten en wel zolang hij niet op statutair rechtsgeldige wijze in die functie is gekozen.

5.3 Verbiedt gedaagden sub D en E zich penningmeester van “Nieuw Suriname” te noemen en zich, al dan niet in het openbaar, als zodanig te presenteren en handelingen te verrichten en wel zolang zij niet op statutair rechtsgeldige wijze in die functie zijn gekozen.

5.4 Verbiedt gedaagden sub G, H en I zich bestuursleden van “Nieuw Suriname” te noemen en zich, al dan niet in het openbaar, als zodanig te presenteren en handelingen te verrichten en wel zolang zij niet op statutair rechtsgeldige wijze in die functie zijn gekozen.

5.5 Veroordeelt elk der gedaagden, voorzover de vermelde verboden en bepalingen niet rechtstreeks tot hen zijn gericht, deze bevelen te gehengen en te gedogen.

5.6 Veroordeelt elk der gedaagden tot betaling van een dwangsom van SRD 1.000,– (duizend Surinaamse Dollar) per dag aan elk der eisers en wel voor elke dag dat hij of zij in strijd met dit vonnis handelt.

5.7 Verklaart het vonnis voor wat de onderdelen 5.2 en 5.6 betreft uitvoerbaar bij voorraad.

5.8 Verwijst gedaagden in de kosten van deze procedure aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 702,– (zevenhonderd en twee Surinaamse Dollar).

5.9 Weigert het meer of anders gevorderde.

Aldus in kort geding gewezen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton mr. R.G. Rodrigues en door hem uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van woensdag 20 april 2011, in tegenwoordigheid van de subsitituut-griffier, mr. L.J. van Bossé.

w.g. . L.J. van Bossé. w.g. R.G. Rodrigues

Eisers in kort geding zijn noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen en de gedaagde is vertegenwoordigd door mr. Lobbrecht namens hun gemachtigde verschenen.

SRU-K1-2011-5

KANTONRECHTER IN KORT GEDING

A.R. no. 081518
17 maart 2011

Vonnis in de zaak van

[eiseres], wonende te [district],
gemachtigde: mr.dr. J.V. van Dijk-Silos, advocaat,
eiseres in kort geding,
hierna genoemd ”[eiseres]”,

tegen

[gedaagde], wonende te [district],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat,
hierna genoemd: “[gedaagde]”.

1. Het proces verloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken;
– het verzoek, met producties, dat op 10 april 2008 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord, met producties;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek, met producties;
– de conclusie tot uitlating producties, zijdens [eiseres];
– de rolbeschikking van 22 oktober 2009;
– het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 10 november 2009 en voortgezet op 8 december 2009 tijdens welke comparitie ook een getuige is gehoord;
– de respectieve conclusies tot uitlating na gehouden comparitie en enquête zijdens elk der partijen;
– de rolbeschikking d.d. 28 oktober 2010 waarin partijen werden gelast zich uit te laten over de stand van zaken van de zaak bekend onder arno. 030267;
– de respectieve conclusies tot uitlating over de stand van zaken in voornoemde zaak zijdens elk der partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kort geding is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [eiseres] is eigenares van het perceelland groot 442,26 m2 gelegen aan de [straat], zoals genoemd in het inleidend rekest.

2.2 [naam] heeft in juli 1997, als gevolmachtigde van [eiseres] met [gedaagde] een akte van geldleen ondertekend voor een bedrag van NLG. 12.500,=.

2.3 Bij exploot van 27 februari 2008 werd [eiseres] bevel gedaan het saldo van NLG. 61.847,36 te voldoen waarbij tevens de openbare verkoop werd aangezegd van het voornoemde perceelland.

2.4 [eiseres] heeft daarna het bedrag van EURO 5.673,= voldaan aan [gedaagde] zijnde hoofdsom van het krediet.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering
[eiseres] vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

1. De inschrijving van de akte krediethypotheek doorhaalt;
2. [gedaagde] verbiedt het erf, groot 442,26 m2, met de daarop staande gebouwen, te executeren;
3. Bepaalt dat het vonnis zal dienen als akte ter doorhaling van de inschrijving van de hypotheek en voorts
4. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2 De grondslag
[eiseres] heeft als grondslag voor haar vordering aangevoerd dat zij de hoofdsom reeds heeft voldaan en daardoor geen grond meer bestaat voor de openbare verkoop. Zij voert aan dat de woekerrente ad 5% per maand niet gevorderd kan worden van haar omdat die woekerrente niet uit de akte van hypotheekstelling blijkt en niet op de wet is gebaseerd. Zij voert aan dat de aangezegde openbare verkoop niet rechtmatig is.

4. Het verweer
[gedaagde] heeft verweer gevoerd, op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De beoordeling:

5.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen.

5.2 De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] verweer heeft gevoerd welke onder andere hierop neerkomt dat de akte van krediethypotheek geheel rechtsgeldig is, dat partijen de rente en de boete overeen zijn gekomen en dat [eiseres] met het betalen van de hoofdsom het verschuldigde nog niet heeft voldaan, immers dient zij nog de rente te voldoen. Om die reden, zo stelt [gedaagde], is er nog wel een grondslag voor openbare verkoop. [gedaagde] voert aan dat zij slechts een rente van 3% per maand in rekening heeft gebracht waardoor zij juist heel redelijk is geweest. Zij voert voorts aan dat [eiseres] suggereert dat zij [naam] geen volmacht heeft gegeven door de woorden te hanteren van “ene [naam] die zich voordeed als gevolmachtigde van [eiseres]”. Echter heeft [eiseres] de volmacht niet van valsheid beticht, waardoor aan die stellingen voorbij gegaan moet worden.

5.3 [eiseres] heeft op het verweer van [gedaagde] gereageerd door te stellen dat zij de akte wel van valsheid heeft beticht, waarbij zij aangeeft dat er een rechtszaak loopt hierover. Zij voert aan dat zij [naam] nooit opdracht heeft gegeven om een dergelijke akte te tekenen. Zij voert voorts aan dat door de valse volmacht, de kredietstelling ook vals is en zij geen gelden heeft geleend. Zij is [gedaagde] niets verschuldigd doch heeft het bedrag slechts betaald om de openbare verkoop tegen te gaan. Zij stelt voorts dat, nu het een akte van krediethypotheek betreft er slechts geveild kan worden voor de som genoemd in de akte. Hierdoor kan de veiling niet doorgaan.

5.4 [gedaagde] heeft hierop aangevoerd dat [naam] met de volmacht wel een andere handelingen heeft gepleegd die niet van valsheid worden beticht. Zij voert aan dat het wel vreemd is da [eiseres] ineens bij de onderhavige lening vindt dat de volmacht niet bestaat. Zij voert voorts aan dat in casu geen sprake is van een echte krediethypotheek, welke vorm van hypotheek een heel ander karakter heeft. Zij voert aan dat in casu sprake is van een geleend bedrag dat met rente moet worden terugbetaald en waarvoor het onroerend goed in onderpand is gegeven. Zij verwijst voor het karakter van de geldleen naar de onderhandse akte d.d. 5 juni 1997 waarin staat gerelateerd dat het bedrag van NLG. 12.500,= is geleend en dat het bedrag in achtereenvolgende maandelijkse termijnen van NLG 1.000,= zal worden terugbetaald met bijbetaling van een rente van 5% per maand.

5.5 De kantonrechter overweegt dat er een comparitie va partijen is gehouden tijdens welke comparitie partijen hun respectieve standpunten hebben toegelicht. Voorts heeft de kantonrechter een [getuige] gehoord.

5.6 De kantonrechter overweegt voorts dat aan partijen de gelegenheid is geboden om informatie te verschaffen over de stand van zaken in de bodemzaak omtrent de rechtsgeldigheid van de volmacht.

5.7 De kantonrechter overweegt dat partijen bij hun conclusie tot uitlating geen informatie hebben kunnen verschaffen die van belang is voor de beoordeling van de onderhavige zaak.

5.8 De kantonrechter overweegt dat de [getuige] tijdens het getuigen verhoor heeft aangegeven dat [eiser] wel naar de notaris is geweest om de volmacht te tekenen en wel op de hoogte was van alle handelingen die door [naam] zijn gepleegd.

5.9 De kantonrechter is op grond van de overgelegde documenten en de verklaring van de [getuige] van oordeel dat [gedaagde] aannemelijk heeft kunnen maken dat de hypotheek wel rechtsgeldig tot stand is gekomen. Voorts heeft [gedaagde] aannemelijk kunnen maken dat in casu sprake is van een krediet met een vaste hypotheek waarbij een som geld is geleend welke moet worden terugbetaald en waarbij een stuk onroerend goed in onderpand is gegeven. Hierdoor is [gedaagde] gerechtigd het onroerend goed in het openbaar te verkopen, ook voor het verhaal van de rente welke verschuldigd is.

5.10 De kantonrechter acht het verweer van [gedaagde] derhalve gegrond en zal het gevorderde afwijzen.

De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en [eiser], als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen i de kosten van dit geding.

6. De beslissing

6.1 Wijst af het gevorderde;

6.2 Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, en uitgesproken door mr. R.G. Rodrigues, kantonrechter in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 17 maart 2011, in tegenwoordigheid van mr. D. Ramdin, fungerend griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. A.C. Johanns
w.g. R.G. Rodrigues

SRU-K1-2014-1

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 134031
20 november 2014

Vonnis in kort geding in de zaak van

Stichting Farishi, gevestigd en kantoorhoudende in het district Wanica,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

A. [gedaagde A],
B. [gedaagde B],
C. [gedaagde C],
allen wonende in [district],
gedaagden in kort geding,
gemachtigde: mr. J.C.P. Nannan Panday, advocaat.

1. De procesgang

1.1 De procesgang blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– Het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 5 september 2012 ter griffie van het kantongerecht is ingediend;
– de conclusie van antwoord;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek;

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [naam] heeft op 28 maart 1991 van gedaagden sub A en B gekocht, gelijk zij aan hem hebben verkocht het recht van grondhuur ter uitoefening van tuinbouw op het perceelland groot achtendertig aren en drieënzeventig centiaren, gelegen in het [district] aan [adres] deel uitmakende van het perceelland bekend als [gebied ] Serie A [nummer 1] nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname G.R. Liesdek d.d. 12 december 1987 door de figuur ADHGFE en blijkens de in dorso gestelde aantekening van de landmeter Ing. H. Kalloe d.d. 12 januari 1988 thans bekend als [gebied] Serie A [nummer 2] (hierna het perceel).

2.2 De koopsom bedroeg Sf 110.000,=, waarvan een bedrag van Sf 50.000,= is afgelost. Het saldo ad Sf 60.000,= zou worden voldaan bij het verlijden van de notariële akte van transport.

2.3 Op 2 november 2005 is de koopovereenkomst aangetekend in de daartoe bestemde register ten hypotheekkantore.

2.4 Ingevolge art. 3 van overeenkomst hebben gedaagden sub A en B zich verbonden alle nodige stappen te ondernemen dat vanwege de minister van Natuurlijke Hulpbronnen, thans Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer (ROGB), de verklaring wordt verkregen dat voldaan is aan de grondhuur voorwaarden.

2.5 Bij beschikking van 12 juli 2000 van de toenmalige minister van Natuurlijke Hulpbronnen werd toestemming verleend voor de overdracht, doch weigerden gedaagden sub A en B ondanks dringend daartoe te zijn aangemaand.

2.6 Naar aanleiding van het voorgaande heeft [naam] op 31 augustus 2000 een vordering tot levering van het onroerend goed in kort geding ingediend onder AR no. 20-3034. De kantonrechter heeft op 11 april 2001 vonnis gewezen in de zaak. Vanwege de brand van de griffie heeft [naam] nimmer het vonnis ontvangen.

2.7 Bij beschikking d.d. 13 juni 2012 heeft de Minister van ROGB wederom toestemming verleend tot overdracht van het perceel aan de door [naam] opgerichte en aangewezen Stichting Farishi (eiseres). Gedaagden sub A en B hebben wederom geweigerd hun medewerking te verlenen aan de overdracht.

2.8 Als gevolg van de weigering van gedaagden sub A en B, heeft [naam] zich wederom gewend tot de kantonrechter. Dit proces is bekend onder AR no. 12-3557. Terwijl voornoemd proces gaande was hebben gedaagden sub A en B hypotheek doen vestigen ten behoeve van gedaagde sub C op het perceel.

2.9 De akte van krediethypotheek is op 19 november 2012 verleden ten overstaan van notaris mr. G.M.R.S. Ramautar en ingeschreven ten hypotheekkantore op 2 (lees 20) november 2012 in register B [nummer 3].

2.10 De kantonrechter heeft bij vonnis gedateerd 6 juni 2013, in de zaak bekend onder AR no. 12-3557 gedaagden sub A en B veroordeeld om binnen 1×24 uur na betekening van het vonnis mee te werken aan de levering van het recht van grondhuur op het perceel aan Stichting Farishi.

2.11 Bij akte d.d. 12 juni 2013 is het perceel conform het vonnis overgeschreven ten name van eiseres.

2.12 Bij exploot van deurwaarder L. Gangaram Panday d.d. 10 april 2013 heeft gedaagde sub C conservatoir beslag doen leggen op het perceel. Dit beslag is ingeschreven in register D [nummer 4] van het hypotheekkantoor.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de doorhaling van:

a. de akte van krediethypotheek d.d. 19 november 2012, verleden door kandidaat notaris, mr. A.A.M. Punwasi als plaatsvervanger van notaris, mr. G.M.R.S. Ramautar en ingeschreven ten hypotheekkantore op 2 (lees 20) november 2012 in register B [nummer 3];

b. het bij exploot van deurwaarder L. Gangaram Panday gelegd conservatoir beslag op het perceel en ingeschreven in register D [nummer 4] van het hypotheekkantoor.

3.2. Eiseres heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.Door het perceel te bezwaren met een krediethypotheek ten behoeve van gedaagde sub C terwijl er een rechtsproces gaande was, maken gedaagden sub A en B zich schuldig aan wanprestatie c.q. onrechtmatige daad jegens eiseres. Gedaagde sub C heeft misbruik gemaakt, althans geprofiteerd van de wanprestatie en/of onrechtmatige daad van gedaagde sub A en B, omdat hij ten tijde van het verstrekken van de krediethypotheek, wist van de koopovereenkomst tussen [naam] enerzijds en gedaagden sub A en B anderzijds.

3.3 Gedaagden hebben over en weer verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van eiseres en het door haar gevorderde.

4.2 Gedaagden hebben het volgende verweer gevoerd.

Gedaagden sub A en B waren ten tijde van het vestigen van de krediethypotheek op het perceel beschikkingsbevoegd. Gedaagden A en B hebben immer en koopovereenkomst gesloten met eiseres maar met [naam]. Zij hadden derhalve geen leveringsplicht jegens eiseres. Volgens gedaagden sub A en B hebben zij nooit geweigerd om de levering te realiseren aan [naam].

4.3 De kantonrechter overweegt dat het verweer van gedaagden sub A en B niet gegrond is, immers heeft de rechter reeds een uitspraak gedaan over de vraag of gedaagden sub A en B een leveringsplicht hebben jegens eiseres. Zij zijn veroordeeld te leveren en kunnen zich in dit geding dan ook niet erop beroepen dat zij geen leveringsplicht hebben, althans, dat beroep kan niet slagen zolang niet in hoger beroep over die beslissing (in arno. 123557) anders is beslist. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan hun verweer.

4.4 Gedaagde sub C heeft zich in zijn verweer erop beroepen dat hij zich bij hypotheek vestiging of beslaglegging niet hoeft te storen aan geheime of onbekende verhoudingen tussen anderen. Hij beroept zich erop dat zijn hypotheek recht overeind staat. Samen met gedaagden sub A en B verwijst hij naar de processtukken in ze zaak met arno. 123557 daarbij stellende dat dat vonnis apert onjuist is.

4.5 De kantonrechter overweegt dat, gelijk hierboven reeds is overwogen, bij vonnis is beslist dat gedaagden A en B het onroerend goed als gevolg van de koopovereenkomst van 1991 dienen te leveren aan eiseres. Dat vonnis is ook nagekomen door gedaagden A en B. Zolang in hoger beroep over die beslissing niet anders is beslist moet daarvan uitgegaan worden.

4.6 Het verweer van gedaagde sub C dat hij zich niet hoeft te storen aan geheime of onbekende verhoudingen gaat niet op, nu uit de hypotheekakte blijkt dat hij wel op de hoogte was van de koopovereenkomst en op de hoogte was van de aantekening daarvan in het hypotheekregister (vide tweede blad akte van 19 november 2012, onderste alinea).

4.7 De kantonrechter is van oordeel dat hierdoor door gedaagde sub C het risico is aanvaard dat de koper na de levering, een beroep zou kunnen doen op het feit dat hij niet heeft ingestemd met de onderzetting van het onroerend goed dat aan hem was verkocht en inmiddels ook door de levering juridisch zijn eigendom is en niet het eigendom van de schuldenaren. Anders zou het zijn indien gedaagde sub C de koper bij de vestiging van de hypotheek had betrokken en die met de vestiging had ingestemd. Uit de stellingen en weren van partijen blijkt dat noch [naam] als partij bij de overeenkomst in 1991, noch eiseres heeft ingestemd met het vestigen van een hypotheek ten behoeve van derden, doch juist in de overeenkomst van 1991 was overeengekomen dat vrij van beslagen en hypotheken zou worden geleverd.

4.8 In casu heeft gedaagde sub C dat risico bewust aanvaard waardoor hij zich niet kan beroepen op zijn overeenkomst met gedaagden A en B.

4.9 Hetzelfde geldt voor de beslaglegging. Gedaagde sub C was ervan op de hoogte dat op een gegeven moment de levering zou kunnen plaatsvinden aan de koper waardoor uitwinning van dat onroerend goed voor schulden van de vorige eigenaren niet rechtmatig zou worden geacht. Hij zal derhalve conservatoir beslag moeten leggen op goederen die thans wel aan gedaagden sub A en B toebehoren.

4.10 De kantonrechter zal het gevorderde op grond van het hiervoor overwogene toewijzen en gedaagde, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

5. De beslissing

5.1 Gelast de doorhaling van de akte van krediethypotheek de dato 19 november 2012, verleden door kandidaat-notaris mr. Akash Avinash Matapersad Punwasi, als plaatsvervanger van notaris mr. Glenn Manoj Raj Shaw Ramautar, en ingeschreven ten hypotheekkantore op 2 november 2012 in register B [nummer 3];

5.2 Gelast de doorhaling van het bij exploit van deurwaarder L. Gangaram Panday gelegd conservatoir beslag op het litigieuze perceelland en ingeschreven ten hypotheekkantore op 10 april 2013 in register D [nummer 4];

5.3 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

5.4 Veroordeelt gedaagden in de kosten van dit geding aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 210,= (tweehonderd en tien Surinaamse dollar).

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter-plaatsvervanger mr. A.C. Johanns en uitgesproken door mr. R.G. Chatterpal, kantonrechter, ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 20 november 2014 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. A.C. Johanns
w.g. R.G. Chatterpal