SRU-K1-2010-6

Kantongerecht in het Eerste Kanton
A.R. 10-3184
2december 2010
RGR

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr.dr. Jennifer V. van Dijk-Silos, advocaat,

tegen

De Anton de Kom Universiteit van Suriname, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,gedaagde in kort geding, gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uitgesproken.

1.Het verloop van het geding
1.1. Hiervan blijkt uit de volgende processtukken/handelingen:
– het verzoekschrift dat op 3 augustus 2010 met producties is ingediend ter griffie;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek;
– bij rolbeschikking is een comparitie van partijen gelast;
– het proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen waarbij de ten processe overgelegde DVD’s zijn bekeken en beluisterd;
– de conclusie tot uitlating zijdens eiser;
– de conclusie tot uitlating zijdens gedaagde.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Eiser is hoogleraar aan de Faculteit der Maatschappij Wetenschappen van de Anton de Kom Universiteit van Suriname en fungeert als richtingscoördinator van de studierichting Bedrijfskunde.

2.2. In verband met een conflict dat is ontstaan naar aanleiding van workshops die gehouden zouden worden heeft gedaagde eiser bij brief van 22 juni 2010 op non-actief gesteld en hem de gelegenheid gegeven zich te verweren.

2.3. Nadat eiser zulks bij schrijven d.d. 24 juni 2010 had gedaan heeft gedaagde hem bij brief d.d. 28 juni 2010 voor een periode van twee weken geschorst, onder inhouding van zijn loon.

2.4. Voormeld conflict is in de publiciteit gekomen waarbij de STVS in het avondjournaal van 2 en 4 juli 2010 aandacht hieraan heeft besteed. Het Dagblad Suriname heeft in haar editie van 7 juli 2010 een artikel aan deze zaak gewijd. Op 7 juli 2010 heeft het bestuur van gedaagde een persbriefing gehouden die door verschillende radio- en tv-stations alsmede kranten is uitgezonden c.q. verslagen.

3. Het gevorderde en de grondslag daarvan

3.1. Eiser vordert dat gedaagde binnen een dag na de uitspraak op eigen kosten via alle schrijvende en beeldende persmedia en via radio Sky, radio Apintie en radio ABC het navolgende bericht bekend maakt of doet bekend maken:
” De Anton de Kom Universiteit Suriname, althans het Bestuur van de Anton de Kom Universiteit Suriname maakt hierbij uitdrukkelijk bekend dat alle eerdere berichten ter zake [eiser] door het Bestuur gedaan vanaf 22 juni 2010 tot op heden zeer krenkend, beledigend en lasterlijk zijn. Dat deze uitspraken [eiser] zijn eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit ernstig hebben aangetast althans geschaad. Tevens zijn deze berichtmakingen onwaar dan wel onjuist. Dat de Anton de Kom Universiteit van Suriname deze ongerechtvaardigde en krenkende uitspraken bij monde van haar waarnemend voorzitter gedaan derhalve bij deze volledig intrekt en haar wel gemeende, behoorlijke, oprechte en gepaste verontschuldigingen bij deze uitdrukkelijk aan [eiser] aanbiedt. Met deze verklaring beoogt de Anton de Kom Universiteit, althans haar bestuur de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit van [eiser] volledig te hebben hersteld”, zulks op verbeurte van een dwangsom van SRD 15.000,– voor elke dag dat gedaagde nalatig blijft om aan de veroordeling te voldoen.

3.2. Mede is gevorderd dat het vonnis bij voorraad uitvoerbaar wordt verklaard en dat gedaagde in de kosten van de procedure wordt veroordeeld.

3.3. Eiser heeft aan zijn vordering de stelling ten grondslag gelegd dat gedaagde door de aan zijn adres gedane uitspraken opzettelijk zijn eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit heeft geschaad.

3.4. Op het verweer van gedaagde en op hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunten nog hebben aangevoerd zal, indien nodig, in het hierna volgende worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Uit de aard van de stellingen van eiser en uit het door hem gevorderde blijkt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.

4.2. Gedaagde heeft als meest verstrekkend verweer tegen de vordering aangevoerd dat eiser niet aan zijn stelplicht heeft voldaan door in het inleidend rekest niet te vermelden dat gedaagde het oogmerk had om eiser te beledigen. De kantonrechter verwerpt dit verweer aangezien in het 16e sustenu van het verzoekschrift uitdrukkelijk is gesteld dat de uitlatingen zijn gedaan ”met het kennelijk doel” om de eer enz. enz. van eiser te schaden, welke formulering dezelfde betekenis heeft als ” met het oogmerk”.

4.3. Eiser heeft gesteld dat gedaagde uitlatingen aan zijn adres heeft gedaan via verscheidene persberichten en op de op 7 juli 2010 gehouden persbriefing. Gedaagde heeft betwist dat leden van haar Bestuur de media te woord hebben gestaan, zodat de gepubliceerde berichten, los van wat gezegd is tijdens de persbriefing, haar niet kunnen worden tegengeworpen. De procedure in kort geding leent zich er niet voor ter zake een onderzoek in stellen zodat de kantonrechter, rechtdoende in kort geding, vooralsnog uitsluitend zal toetsen wat op de persbriefing door de bestuursleden van gedaagde naar voren is gebracht.

4.4. Het beeld en het geluid van deze persbriefing zijn tijdens de comparitiezitting bekeken en beluisterd. In het 5e sustenu van zijn conclusie van repliek heeft eiser een aantal uitspraken geciteerd die als grondslag van de vordering dienen te worden aangemerkt en die door de kantonrechter op hun beledigend c.q. onrechtmatig karakter zullen worden getoetst. Het betreft de navolgende door het bestuur van gedaagde op de persbriefing van 7 juli 2010 gedane uitspraken:
– ” De professor heeft stiekem het universiteitslogo gebruikt…
– De professor heeft grote sommen geld afkomstig van projecten gestort op zijn privérekening…
– ….. dat de professor heeft aangegeven dit vaker te hebben gedaan.
– Dat de professor gelden van de universiteit heeft verduisterd”.

4.5. Alvorens over te gaan tot de toetsing van de gedane uitspraken constateert de kantonrechter dat gebleken is dat gedaagde op grond van de navolgende feiten en omstandigheden tot de non-actiefstellling en schorsing van eiser is overgegaan:

  • eiser heeft als privépersoon dan wel als werknemer van de AdeKUS enkele workshops georganiseerd;
  • zulks is geschied zonder medeweten en toestemming van de faculteit c.q. de universiteit;
  • hierbij is gebruik gemaakt van een model briefhoofd van de AdeKUS;
  • potentiële participanten aan de workshops dienden de vergoeding voor de deelname aan de workshops te storten op een privérekening.

4.6. Over deze punten oordelend komt de kantonrechter tot de conclusie dat uit de brief van 7 juni 2010, onder meer gericht aan de Voorzitter van de SBF, de heer Ing. O. Dos Ramos blijkt, dat de studierichting bedrijfskunde en niet eiser de trainingen zou organiseren. Dit blijkt uit de eerste zin (”De studierichting bedrijfskunde organiseert—“) alsmede uit het feit dat inlichtingen konden worden ingewonnen op het secretariaat van
de genoemde studierichting en bij twee personen die als docent aan deze studierichting verbonden zijn. te weten [naam] B. Sc. en de eiser. Bovendien heeft eiser deze brief ondertekend in zijn hoedanigheid van richtingscoördinator van de studierichting bedrijfskunde.

Op grond hiervan acht de kantonrechter het aanvaardbaar dat gebruik is gemaakt van het brievenhoofd van de studierichting bedrijfskunde van de Faculteit der Maatschappijwetenschappen van de AdeKUS.
Het aan eiser gemaakt verwijt dat door de cursisten te betalen vergoeding moest worden gestort op een privérekening acht de kantonrechter ongegrond in zover hiermee wordt gesuggereerd dat het om een privérekening van eiser gaat. Duidelijk is gebleken dat de rekening op naam van eiser en twee andere docenten van de studierichting bedrijfskunde stond en dat deze rekening door enkele docenten is geopend met als doel de door de studierichting verkregen middelen aan te wenden ter bekostiging van diverse kosten van de studierichting die niet uit de universiteitsbegroting zouden worden gedekt. Hoewel de rekening op naam van drie personen, waaronder eiser, staat kan het naar het oordeel van de kantonrechter niet als een privérekening in de strikte zin van het woord worden aangemerkt.

4.7. Van de andere kant constateert de kantonrechter dat eiser niet geheel binnen de structuren van de faculteit c.q. universiteit heeft gehandeld. Hoe ver de vrijheid van de verschillende studierichtingen van de AdeKUS gaat met betrekking tot het organiseren van workshops e.d. en op welke wijze de financiën van de studierichtingen dienen te worden gestructureerd is niet volledig uit de verf gekomen en kan in kort geding ook niet verder worden uitgezocht, rnaar wat naar het oordeel van de kantonrechter is komen vast te staan is dat eiser gehouden was in elk geval het faculteitsbestuur te informeren. Met betrekking tot de in mei 2010 gehouden workshops heeft eiser het faculteitsbestuur vooraf op de hoogte gesteld van de te ontplooien activiteiten doch met betrekking tot de workshops die in de maanden juli en augustus zouden worden gehouden is dit niet gebeurd. Het argument dat zulks niet kon omdat de bestuursvergadering voor die periode toen nog niet had plaatsgevonden acht de kantonrechter ongegrond aangezien de mededeling van de geplande activiteiten schriftelijk had kunnen geschieden, hetgeen eiser in zijn hoedanigheid van richtingscoördinator van de studierichting bedrijfskunde heeft nagelaten.

4.8. Op grond van het onder 4.7 overwogene acht de kantonrechter het wel gerechtvaardigd dat gedaagde maatregelen tegen eiser treft doch aangezien de kantonrechter, met verwijzing naar de overwegingen in punt 4.6. van dit vonnis, van oordeel is dat er zijdens eiser geen sprake is geweest van ernstig plichtsverzuim doch hoogstens van het niet inachtnemen van procedureregels is de kantonrechter de mening toegedaan dat de aan het adres van eiser gedane uitspraken zwaar overtrokken zijn en eiser onterecht en onnodig in een kwaad daglicht stellen, aangezien de uitspraken in onderling verband en samenhang beschouwd de indruk wekken dat eiser oneerlijk bezig was en de instituten van de Universiteit heeft misbruikt ten behoeve van zijn persoonlijk voordeel. Op basis hiervan is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde opzettelijk eiser in zijn eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit heeft geschaad.

4.9. Om tot deze conclusie te komen heeft de kantonrechter uitdrukkelijk laten meewegen dat eiser al 35 jaar aan de universiteit verbonden is zonder dat hem ooit een reprimande, berisping dan wel vermanende brief of mondelinge afkeurende mededeling is gedaan. Dit laatste heeft eiser gesteld en is door gedaagde in haar conclusies niet weersproken. Tijdens de comparitie van partijen heeft gedaagde wel naar voren gebracht dat zij in het
verleden reeds signalen rond de persoon van eiser had ontvangen, doch gedaagde heeft direct toegegeven dat deze ”signalen” niet zijn onderzocht. Op grond hiervan beschouwt de kantonrechter de door gedaagde tijdens de comparitie van partijen gemaakte opmerking vanwege het suggestieve karakter daarvan als krenkend voor eiser.

4.10. Op grond van het voren overwogene zal de vordering worden toegewezen, zoals nader in het dictum is omschreven, onder veroordeling van gedaagde, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van deze procedure.

5. De beslissing in kort geding

5.1. Veroordeelt gedaagde om binften 1 (een) week na betekening van dit vonnis op haar kosten via Apintie T.V., de STVS, Sky T.V, SCTV, radio Apintie, radio ABC, radio 10, De Ware Tijd en Times of Suriname het navolgende bericht te doen bekendmaken:

” De Anton de Kom Universiteit van Suriname maakt hierbij bekend dat de door het bestuur van de Universiteit op de persbriefing van 7 juli 2010 aan het adres van [eiser] gedane uitspraken krenkend, beledigend en lasterlijk zijn. Door deze uitspraken is [eiser] ernstig geschaad in zijn eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit. Tevens zijn de gedane uitspraken onwaar. De Anton de Kom Universiteit van Suriname trekt de ongerechtvaardigde en krenkende uitspraken, bij monde van haar waarnemend voorzitter gedaan, bij deze volledig in en biedt haar oprechte verontschuldigingen bij deze aan [eiser] aan. Met deze verklaring beoogt de Anton de Kom Universiteit van Suriname de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit van [eiser] volledig te hebben hersteld”.

5.2. Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000,- (vijfduizend Surinaamse Dollar) voor elke dag dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, met dien verstande evenwel dat de totale dwangsom het bedrag van SRD 250.000,– ( tweehonderdvijftigduizend Surinaamse Dollar) niet mag overschrijden.

5.3. Verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4. Verwijst gedaagde in de kosten van deze procedure aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 195,– (honderdvijfennegentig Surinaamse Dollar).

5.5. Weigert het meer of anders gevorderde.

Aldus in kort geding gewezen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton mr. R.G. Rodrigues, en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzirting van donderdag 2 december 2010, door mr. A.C. Johanns, Kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton, in tegenwoordigheid van de substituut -griffier, mr. S.Tika.

EISER IN KORT GEDING IS BIJGESTAAN DOOR ZIJN GEMACHTIGDE BIJ DE UITSPRAAK ’TER TERECHTZITTING VERSCHENEN EN GEDAAGDE IS NOCH IN PERSOON NOCH BIJ GEMACHTIGDE VERSCHENEN.

SRU-K1-1985-2

Kantonrechter Eerste Kanton
16 oktober 1985, A.R. 857355
(Mr. J.R. von Niesewand)

De Surinaamse Luchtvaart Maatschappij N.V.

tegen

[gerekestreerde]

Gezien een verzoekschrift van de Naamloze Vennootschap De Surinaamse Luchtvaart Maatschappij N.V. gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, welk verzoekschrift ter Griffie van het Kantongerecht, in het Eerste Kanton is binnengekomen op 23 september 1985 en waarin De Surinaamse Luchtvaart Maatschappij N.V., verzoekt de tussen haar en de hierna te noemen gerekwestreerde bestaande arbeidsovereenkomst d.d. 8 oktober 1976 wegens gewichtige redenen met ingang van 1 oktober 1985 te ontbinden, althans ontbonden te verklaren;

Gehoord op 10 oktober 1985 in Raadkamer van het Kantongerecht in het Eerste Kanton:

1. Rekwestrante, bijgestaan door Mr. F. Kruisland, advokaat bij het Hof van Justitie;

2. Gerekwestreerde, bijgestaan door Mr. E.J. Bruma, advokaat bij het Hof van Justitie.

Overwegende, dat van het in Raadkamer verhandelde aantekeningen zijn gemaakt, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.

Overwegende ten aanzien van het recht
Rekwestrante, de Naamloze Vennootschap vraagt dat de arbeidsovereenkomst tussen haar en gerekwestreerde wordt ontbonden wegens gewichtige redenen.
Gerekwestreerde beroept zich er eerst op – aldus zijn betoog opvatend en uitleggend – dat rekwestrante in haar verzoek niet kan worden ontvangen, omdat zij – toen zij de arbeidsovereenkomst in geschil wilde beëindigen – gekozen heeft voor de toetsing van de ontslagredenen door het Hoofd der Arbeidsinspectie en zich nu bij diens – afwijzende naderhand door de Minister van Arbeid bevestigde – beslissing moet neerleggen, waarbij gerekwestreerde er vanuit gaat dat de werkgeefster, in casu rekwestrante, voor de beëindiging de reden van de beëindiging moet laten toetsen ofwel door genoemd Hoofd, ofwel door de Kantonrechter maar dat zij – rekwestrante – niet op de gemaakte keuze kan terugkomen als de beslissing van de toetsende instantie anders uitvalt dan zij wil;
dat betoog is – hoewel tussen partijen vaststaat dat het Hoofd der Arbeidsinspectie bij besluit naderhand door de Minister van Arbeid bevestigd niet heeft ingestemd met de opgegeven reden voor het beëindigen van de arbeidsverhouding in geschil, op grond waarvan de dienstbetrekking van rechtswege is blijven voortduren – onjuist, omdat het uitgaat van een verkeerd begrip van de manieren waarop een arbeidsovereenkomst eindigen kan, nu daarbij de wetgever uitgaan van – voor zover hier van belang – het eindigen van die overeenkomst door een beëindigingshandeling van een van de partijen, danwel door een andere omstandigheid;
is er een dergelijke handeling beoogd, dan kent de Wet in bepaalde gevallen een voorafgaande toetsing door het Hoofd der Arbeidsinspectie naast een beoordeling achteraf door de Rechter van de geldigheid van die handeling, waarbij weer in een aantal gevallen het ontbreken van de voorafgaande toetsing moet leiden tot het oordeel van de Rechter dat de beëindiging ongeldig was (en eveneens in bepaalde gevallen waarin de toetsing door genoemd Hoofd leidde tot het onthouden door hem van het vereiste besluit van geen bezwaar voor de beëindiging)
daarnaast staan de gevallen waarin de overeenkomst tot een einde komt zonder een dergelijke beëindiging door een partij en één daarvan is ontbinding door de Rechter op grond van gewichtige redenen, zoals rekwestrante die nu vraagt;
het is dus onjuist – zo gerekwestreerde meent – dat altijd een voorafgaande toetsing van de ontslagreden bij een voorgenomen beëindiging nodig zou zijn men kan ook direkt kiezen voor een verzoek aan de Rechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden en het is ook onjuist dat de Rechter dan vooraf de ontslagreden zou toetsen, welke toetsing zou zijn uitgesloten als het Hoofd der Arbeidsinspectie al had getoetst;

het verweer van gerekwestreerde moet mitsdien worden verworpen;

Als gesteld en erkend, dan wel niet of niet voldoende weersproken staan ten processe vast:

  • dat gerekwestreerde per 1 oktober 1976 in dienst is getreden van rekwestrante tegen een salaris van f.300,– per maand en alstoen tewerk gesteld op de afdeling vrachtafhandeling van rekwestrante te Zorg en Hoop;
  • dat gerekwestreerde per 6 juni 1979 is benoemd tot afhandelingsemployé 2e kl., bij de stationsdienst te Zanderij zowel met betrekking tot vracht- als passagiersvervoer.
  • dat gerekwestreerde ’s inkomen f.885,– per maand bruto bedraagt;
  • dat gerekwestreerde gehuwd is en één kind heeft;
  • dat rekwestrante de dienstbetrekking met gerekwestreerde op 6 augustus 1985 wegens dringende redenen heeft opgezegd;
  • dat het Hoofd van de Arbeidsinspectie, wiens beslissing naderhand op dezelfde grond door de Minister van Arbeid werd bevestigd zich echter daarmede niet heeft kunnen verenigen op grond dat de maatregel van ontslag onevenredig aan het gepleegd feit is, zodat ingevolge artikel 3 van het Decreet Ontslagvergunning gedane opzegging geen rechtskracht had;

Rekwestrante heeft aan haar verzoek – voor zover van belang – ten grondslag gelegd dat:

  • gerekwestreerde in het kader van de uitoefening van zijn functie op of omstreeks 2 augustus 1985 bij het inchecken van een passagier, met name [naam 1], voor vlucht PY 753 naar Curaçao en Miami opzettelijk voormelde passagier doorgelaten met negentien kg overvracht, zonder die passagier voor die overvracht de vereiste betaling te laten doen.
    De bagage van voormelde passagier woog namelijk 39 kg., terwijl de passagier slechts recht had op gratis vervoer van 20 kg.
  • dat het uiteraard gerekwestreerde bekend was, dat zijn gedraging als voormeld in strijd was met de voor hem geldende dienstvoorschriften;
    dat bij het voorgaande moet worden opgemerkt, dat gerekwestreerde voormelde handeling pleegde, nadat één zijner collega’s reeds had geweigerd voormelde overvracht door te laten en hij, gerekwestreerde, daarmede bekend was, hetgeen destemeer wijst op het bewust overtreden van de terzake geldende voorschriften;
    dat rekwestrante voorts heeft gesteld, dat het ontvallen van de basis van vertrouwen aan de dienstbetrekking met gerekwestreerde behalve door eerder aangehaalde feiten, nog wordt gestaafd door het feit, dat gerekwestreerde zich eerder aan gedragingen heeft schuldig gemaakt, welke wijzen op een gebrek aan betrouwbaarheid, te weten: gerekwestreerde heeft namelijk op 19 september 1980 bewust 144 kg. overvracht geaccepteerd zonder de passagier daarvoor te laten betalen, waarvoor hem een ontevredenheidsbetuiging d.d. 19 december 1980 is uitgereikt.Voorts heeft gerekwestreerde op 5 juli 1982 ten onrechte bewust 3 (drie) kinderen die niet op de gefiatteerde passagierslijst voorkwamen als passagier alsnog ingeboekt, waardoor ”overloading” ontstond.Verder heeft gerekwestreerde bewust in strijd met de geldende dienstvoorschriften voor rekwestrante haar vlucht PY 745 van 14 april 1983 een passagier geaccepteerd met een ALM-ticket, terwijl naar hem bekend was, met de ALM alstoen geen interline agreement bestond en rekwestrante mitsdien de vervoerskosten niet op de ALM kon verhalen, waardoor rekwestrante schade heeft geleden.

    Tenslotte heeft gerekwestreerde, nadat hem uitdrukkelijk was meedegedeeld, dat in verband met de gegeven deviezenvoorschriften, hij van de deviezencommissie vergunning behoefde om een door hem ten behoeve van zijn zuster in het kader van de aan hem toebehorende aanspraak op gereduceerd tarief voor familieleden aangekochte ticket in Suriname te mogen betalen – het betrof namelijk een ticket Amsterdam-Paramaribo vice versa –, niettemin getracht om zonder voormelde vergunning zijn zuster op die ticket te doen vervoeren;

Gerekwestreerde heeft met betrekking tot het gebeurde op 2 augustus 1985 aangevoerd:

  • dat de heer [naam 1] alstoen bij een collega van hem had ingechecked die hem – gerekwestreerde – had verteld dat [naam1] f.40,– tekort kwam om zijn overvracht te kunnen bekostigen;
  • dat de Minister van Onderwijs en één zijner collega’s via Curaçao naar Miami reisden en drie stuks bagage hadden;
  • dat hij deze bagage heeft samengevoegd met die van de heer [naam 1];
  • dat hij weliswaar niet gehandeld heeft volgens de geldende dienstvoorschriften doch dat hij het gewicht moest verantwoorden tegenover gerekwestrante;

Gerekwestreerde ’s wederspraak komt Ons echter ongenoegzaam voor om de hem verweten gedraging weerlegd te achten, zodat Wij hetgeen zich op 2 augustus 1985 heeft voorgedaan zoals door rekwestrante weergegeven als tussen partijen rechtens vaststaand zullen aannemen.

Gerekwestreerde heeft voorts met betrekking tot het in sub 6 van het inleidend rekest gestelde aangevoerd:

ten aanzien van het op 19 september 1980 voorgevallene:

  • dat bij alstoen in opdracht van een meerdere had gehandeld;

ten aanzien van het op 5 juli 1982 voorgevallene:

  • dat hij de door gerekwestrante weergegeven toedracht van het gebeurde op 5 juli 1982 ontkent;

Gerekwestreerde heeft voorts aangevoerd, dat, ook al zouden de op 19 september 1980 en 5 juli 1982 gestelde feiten door hem zijn gepleegd, het rekwestrante na vijf respectievelijk drie jaar niet meer vrijstond zich in de onderhavige zaak op deze feiten te beroepen ingevolge het bepaalde in artikel 11 lid 6, alinea 2 van de tussen partijen geldende Collectieve Arbeids Overeenkomst.

Dat artikel bepaald: ”Zodra een maatregel als bedoeld onder lid 2 sub b of c van kracht wordt, vindt aantekening daarvan plaats in het personeelsdossier van de betrokken weknemer.

Zulk een aantekening wordt geacht uit het personeelsdossier te zijn verwijderd na een jaar wanneer het een berisping en na twee jaar wanneer het een schorsing betreft enz…

Artikel 11 lid 2 sub b en sub c luidt, voor zover van belang, alsvolgt: ”De disciplinaire maatregelen die tegen de werknemer kunnen worden getroffen zijn:

a. —————-
b. schriftelijke berisping,
c. schorsing, enz………,

Tijdens de verhoren van partijen in Raadkamer heeft rekwestrante naar voren gebracht gerekwestreerde voor de eerder aangehaalde feiten disciplinair te hebben ”gestraft” overeenkomstig artikel 11 lid 2 sub b en sub c, op grond waarvan Wij met gerekwestreerde van oordeel zijn dat het rekwestrante niet meer vrijstond zich in casu op voormelde feiten te beroepen, zullende Wij op die feiten verder geen acht slaan.

ten aanzien van het op 14 april 1983 voorgevallene:

Gerekwestreerde heeft dat feit erkennende aangevoerd in de drukte zulks over het hoofd te hebben gezien en dat hij de schade welke rekwestrante als gevolg hiervan heeft geleden door middel van twee maandelijkse inhoudingen op zijn salaris, geheel heeft vergoed, hetgeen rekwestrante niet heeft weersproken, zodat Wij de bewering van gerekwestreerde als juist zullen aannemen;

Gerekwestreerde heeft tenslotte de hem in alinea 5 van het 6de ”sustenu” van het inleidend rekest verweten gedraging betwistend en daaromtrent een geheel andere lezing gevend, aangevoerd dat het geenszins zijn bedoeling was te trachten zonder vergunning van de deviezen Commissie zijn zuster op een ticket Amsterdam-Paramaribo vice versa te doen vervoeren.

Gerekwestreerdes terzake gevoerd verweer komt Ons echter niet voldoende gemotiveerd voor, zodat Wij daaraan voorbijgaand het hem gedaan verwijt als juist en tussen partijen rechtens vaststaand zullen aannemen.

Onze conclusie is trots het voorgaande deze: er zijn geen voldoende gronden om van een gewichtige reden, in de zin van dringende reden, te spreken. Evenmin zou gezegd kunnen worden, dat er ten tijde van het gebeurde op 2 augustus 1985 een verandering in de omstandigheden was die billijkheidshalve tot het einde van de arbeidsverhouding zou moeten voeren. Wij zijn derhalve van oordeel, dat de aan gerekwestreerde, overigens terecht, verweten gedragingen beslist niet van zulk een aard zijn dat gezegd kan worden dat zij ernstig afbreuk hebben gedaan aan de noodzakelijke vertrouwensbasis.

Rekwestrante ’s verzoek dient derhalve als ongegrond te worden afgewezen.

Gelet op de betrekkelijke wetsartikelen.

Beschikkende op het verzoekschrift.

Wijzen het verzoek af.

SRU-K1-2004-3

Kantonrechter Eerste Kanton
04 mei 2004 A.R. 014277
(mr. I.H.M.H. Rasoelbaks)

[eiseres], wonende te [district], gemachtigde mr. E.C.M. Hooplot advocaat, eiseres

tegen

[gedaagde] wonende te [district], gemachtigde mr. H.R. Schurman, advocaat, gedaagde.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis gewezen in deze zaak op 7 oktober 2003.

l. Het verdere procesverloop
1.1. Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:
– de conclusie tot wijziging van de grondslag van de vordering zijdens eiseres;
– de conclusie tot uitlating over de gewijzigde grondslag van de vordering zijdens gedaagde.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vordering, de grondslag van de vordering en het verweer van gedaagde

2.1. Eiseres vordert echtscheiding subsidiair dat partijen zullen worden verklaard te zijn gescheiden van tafel en bed met alle wettelijke gevolgen van dien. Zij stelt dat gedaagde zich schuldig heeft gemaakt aan overspel en ernstige misdragingen. bestaande uit het overmatig en overvloedig gebruik van alcohol waarbij gedaagde onder invloed zijnde de orde en rust in huis op dusdanige wijze verstoord dat samenwonen en samenleven onhoudbaar is geworden voor eiseres en haar kinderen waardoor het huwelijk is ontwricht. Voorts vordert eiseres dat een datum zal worden bepaald waarop het familieverhoor zal worden gehouden en dat gedaagde zal worden veroordeeld om tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap over te gaan met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon.

2.2. Op het verweer komt de kantonrechter voor zoveel nodig terug.

3. De feiten
Partijen zijn op 24 september 1985 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen zijn thans nog twee kinderen minderjarig. t.w.. [naam 1] en [naam 2].

4. De beoordeling

4.1. Voorafgaande aan een beoordeling van het eigenlijke geschilpunt tussen partijen zij het volgende overwogen:
volgens artikel 262 BW (nieuw) legt de eisende partij een echtscheidingsvordering aan waarbij feiten en of omstandigheden moeten worden genoemd welke het huwelijk met gedaagde duurzaam hebben ontwricht. Daarbij is geenszins wettelijk verplicht dat de eisende partij ook stelt dat die ontwrichting aan de schuld van gedaagde te wijten is. Doet hij/zij dat toch dan is zulks overbodig. Wetssystematisch is de schuldvraag als een verweermiddel in het leven geroepen voor de gedaagde partij. De gedaagde partij die de duurzame ontwrichting tegensprekend tegenwerpt aan de eisende partij -bij wege van verweer- dat de schuld daarvan bij de eisende partij ligt kan -op straffe van onvoldoende gemotiveerd verweer- niet volstaan met een enkele ontkenning van de ontwrichting en het verweer dat die ontwrichting (indien aannemelijk) in overwegende mate te wijten is aan de eisende partij: gedaagde moet bepaaldelijk feiten en omstandigheden stellen dat en waarom die schuld bij de eisende partij ligt.Indien de eisende partij dit verwijt gemotiveerd betwist, dan ligt de bewijslast bij de steller van die schuld-feiten, dus bij de verwerende partij.

4.2. De duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen volgt uit de niet gemotiveerd weersproken feiten en omstandigheden dat partijen reeds geruime tijd op gespannen voet met elkaar leven en dat samenleving tussen hen niet meer mogelijk is.

4.3. Thans overgaande tot de beoordeling van het eigenlijke geschilpunt tussen partijen, zij geoordeeld dat gedaagde niet gemotiveerd heeft gereageerd op hetgeen eiseres heeft gesteld en zoals onder 2.1 van dit vonnis is verwoord, hebbende hij slechts dit gestelde ontkend zonder daarbij aan te geven feiten en of omstandigheden waaruit zou kunnen blijken dat het aan de schuld van eiseres te wijten is dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.De vordering tot echtscheiding kan derhalve volgens het thans geldend echtscheidingsrecht worden toegewezen als te zijn ongemotiveerd weersproken.

4.4. Hetgeen voor het overige is gevorderd kan eveneens als op de wet gegrond worden toegewezen onder compensatie van de proceskosten.

5. Beslissing

5.1. Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 24 september 1985 te [district].

5.2. Bepaalt dat het familieverhoor ter voorziening in de voogdij en de toeziende voogdij over voornoemde minderjarige kinderen zal worden gehouden in een van de zalen van dit Kantongerecht aan de Frederik Derbystraat no. 79-81 te Paramaribo op dinsdag I2 oktober 2004 ’s morgens om half negen.

5.3. Beveelt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd.

5.4. Benoemt, indien partijen binnen EEN MAAND na de inschrijving van dit vonnis geen overeenstemming over de keuze van een notaris hebben bereikt, tot notaris ten overstaan van wie werkzaamheden van de boedelscheiding zullen worden verricht, mr. R. Currie, notaris te Paramaribo dan wel diens waarnemer of opvolger.

5.5. Benoemt, voor het geval een partij weigert of nalatig blijft tot de verdeling mee te werken tot onzijdig persoon volgens de wet:
voor de eiseres: mr. S. Mangroelal, advocaat:
voor de gedaagde: mr. J. C.P. Nannan Panday, advocaat.

5.6. Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

SRU-K1-2010-5

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 072584
12 oktober 2010

Vonnis in de zaak van

1. [eiser sub 1], wonende te [district 1],
2. [eiser sub 2], wonende te [district 1],
3. [eiser sub 3], wonende te [district 1],
4. [eiser sub 4], wonende de [district 1],
5. [eiser sub 5], wonende te [district 1],
eisers, gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,
hierna te noemen “de leden”,

tegen

1. DE COOPERATIEVE INKOOP-, VERKOOP- EN LANDBOUWWERKTUIGEN VERENIGING KWATTA, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende in het district Wanica,

2. [gedaagde sub 2], wonende in [district 2],

3. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo

4. [gedaagde sub 4], domicilie kiezende te [district 1],

gedaagden,
gedaagde sub 1: niet verschenen
gemachtigde voor gedaagde sub 2: mr. D.S. Kraag, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub 3: mr. R.L.Kensmil, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub 4: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,
hierna te noemen: “de CV Kwatta, [gedaagde sub 2], de Staat en de notaris”.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift met producties, dat op 8 juni 2007 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de respectieve conclusie van antwoord zijdens [gedaagde sub 2], de Staat en de notaris, met producties;
– tegen de niet verschenen partij sub 1, is verstek verleend;
– de conclusie van repliek, met productie;
– de respectieve conclusies van dupliek zijdens [gedaagde sub 2] en de notaris;
– de conclusie van dupliek zijdens de Staat, aangetekend op de kaft van het process-dossier.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 De CV Kwatta bezat het recht van grondhuur voor het opzetten van een recreatiegebouw voor de duur van 40 jaren op het ten rekeste vermeld perceelland groot 652,02 m2.

2.2 Eisers zijn allen leden van de CV Kwatta.

2.3 Bij akte van 21 september 2006, verleden ten overstaan van de notaris, is ten behoeve van de NV Landbouwbank een hypotheek gevestigd ten bedrage van US$ 100.000,= ten laste van de CV Kwatta en [gedaagde sub 2]. Als onderpand is het voormeld perceelland in hypotheek gegeven.

2.4 Bij akte van koop en verkoop van 10 januari 2007, verleden ten overstaan van de notaris, is het genoemd onroerend goed door de CV Kwatta verkocht aan [gedaagde sub 2].

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering
Eisers vorderen, kort samengevat, dat de Kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Vernietigt of nietig verklaart de voorschreven verkoop en koop van het recht van grondhuur als ten rekeste omschreven;
  2. De doorhaling gelast van de overschrijving van het recht van grondhuur als ten rekeste omschreven in register A deel [nummer];
  3. De Staat veroordeelt het te dezer zake te wijzen vonnis te gehengen en te gedogen;
  4. Voor recht verklaart dat de notaris jegens eisers onrechtmatig heeft gehandeld;
  5. De notaris veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen een som geld op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet vermeerderd met een rente van 6% per jaar te rekenen van de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening met veroordeling van [gedaagde sub 4] in de kosten van dit geding;

3.2 De grondslag
De eisers voeren als grondslag aan dat de statuten van de CV Kwatta voorschrijven dat voor de vervreemding van grond een goedkeurend besluit van de Algemene Vergadering van de vereniging vereist is, welk besluit bij de onderhavige verkoop van het onroerend goed niet is gegeven. Hierdoor, zo stellen eisers, heeft de vervreemding niet plaatsgevonden met inachtneming van de statuten. Zij voeren aan dat daardoor de vervreemding nietig is. Zij voeren voorts aan dat [gedaagde sub 4] door de verkoopakte te passeren onrechtmatig heeft gehandeld omdat deze verkoop in strijd is met de statuten en zij als notaris niet had moeten meewerken aan het passeren van de verkoopakte. Zij voeren aan dat nu [gedaagde sub 4] zich als zodanig onrechtmatig heeft gedragen, zij de schade zal moeten vergoeden die zij, door de verkoop hebben geleden. Zij voeren aan dat de schade die zij hebben geleden onder andere de derving aan inkomsten is welke zij zouden verkrijgen uit de exploitatie van het recreatieoord.

3.3 Het verweer
[gedaagde sub 2], de Staat en de notaris hebben elk verweer gevoerd, op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

4. De beoordeling
4.1 De kantonrechter zal de beoordeling aanvangen met de opmerking dat uit het inleidend verzoekschrift de respectieve conclusies van antwoord en de conclusie van repliek blijkt dat enkele schrijffouten of fouten in de oproeping correctie behoeven. Nu eisers in hun conclusie van repliek de naam van [gedaagde sub 2] gewijzigd hebben geschreven en het verzoek hebben gedaan aan de kantonrechter tot aanvulling c.q. verbetering van de verzuimen of onregelmatigheden, zal de kantonrechter zowel de naam van gedaagde sub 2 als gedaagde sub 4 verbeterd lezen, zoals ook reeds in de kop van dit vonnis is doorgevoerd.

4.2 [gedaagde sub 2] heeft als verweer aangevoerd dat tijdens de ledenvergadering van 27 juni 2004 door de ledenvergadering aan het bestuur toestemming is verleend tot het verkopen van het onroerend goed. Zij voert aan dat daarna, in 2006 het onroerend goed aan haar is verkocht en dat zij voor de betaling van de koopsom een lening heeft gesloten. Omdat het onroerend goed dat door haar gekocht werd nog op naam van de CV Kwatta stond is de CV Kwatta ook genoemd in de hypotheekakte. Echter was het [gedaagde sub 2] die de lening heeft gesloten voor de aankoop van het onroerend goed. De lening is niet door de CV Kwatta gesloten, om die reden was het ook niet nodig dat de CV Kwatta toestemming had voor de lening. [gedaagde sub 2] stelt dat zij de gehele koopsom reeds heeft betaald en ook daarnaast investeringen in het terrein heeft gedaan. Zij betwist derhalve dat de koop in strijd met de statuten plaats heeft gevonden. Zij betwist voorts bij gebrek aan wetenschap dat eisers leden zijn van de CV Kwatta.

4.3 De notaris heeft als verweer aangevoerd dat zij zich niet onrechtmatig heeft gedragen jegens de leden van de CV Kwatta, omdat bij de koop door het bestuur van de vereniging was overgelegd een exemplaar van de notulen van de algemene ledenvergadering d.d. 27 juni 2004 waarin aan het bestuur toestemming wordt verleend over te gaan tot de verkoop van de grond. De notaris betwist derhalve dat zij zich onrechtmatig heeft gedragen en schadeplichtig is.

4.4. De Staat heeft zich in haar conclusie van antwoord gerefereerd aan het oordeel van de rechter.

4.5 Eisers hebben op de weren van gedaagden gereageerd door te stellen dat het besluit dat tijdens de vergadering van 27 juni 2004 genomen zou zijn, niet rechtsgeldig is omdat minder dat de helft van de leden aanwezig was en de verkoop van de grond niet op de agenda stond.

4.6 De kantonrechter overweegt dat [gedaagde sub 2] de notulen van de algemene ledenvergadering van 27 juni 2004 in het proces heeft gebracht. De kantonrechter overweegt voorts dat in de notulen de zinsnede is opgenomen (pagina 3 agendapunt 3): “Uit de zaal kwam naar voren dat het perceel bezwaard of overgedragen zou kunnen worden aan derden. Hierdoor kreeg het bestuur de goedkeuring van de ALV voor het (dit moet zijn: de) overdracht van het perceel aan derden”. De kantonrechter overweegt dat deze notulen blijkens een aantekening op de notulen zijn gearresteerd op een ledenvergadering van latere datum.

4.7 De kantonrechter overweegt dat, alhoewel eisers van mening zijn dat uit de notulen geen besluit blijkt, uit deze notulen wel voldoende een besluit blijkt, namelijk uit de hierboven geciteerde woorden “hierdoor kreeg het bestuur goedkeuring van de ALV voor de overdracht”. De kantonrechter overweegt ten aanzien van de stelling van eisers dat het onderwerp niet op de agenda stond, dan wel dat er niet voldoende leden waren, dat het feit dat de notulen op een latere datum zijn gearresteerd aangeeft dat de ledenvergadering het wel eens was met de wijze waarop het besluit toentertijd tot stand is gekomen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat eisers thans dan ook niet kunnen stellen da aan het besluit een gebrek kleeft, immers zij hebben nimmer gevorderd dat het besluit wordt vernietigd of nietig wordt verklaard. De kantonrechter is van oordeel dat het verweer, dat er wel een besluit van de ALV is, in dit geding in rechte is komen vast te staan.

4.8 De kantonrechter is van oordeel dat, gezien het hiervoor overwogene, de grondslag van het gevorderde, namelijk dat de verkoop heeft plaatsgevonden zonder dat daarvoor een besluit was genomen in de ALV, niet is komen vast te staan.

4.9 De kantonrechter zal het gevorderde dan ook afwijzen.

4.10 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en eisers, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

5.1 Wijst af het gevorderde.

5.2 Veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, en uitgesproken door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, kantonrechter-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van dinsdag 12 oktober 2010, in tegenwoordigheid van mr. G. Mangal, fungerend-griffier.

w.g. G. Mangal w.g. A.C. Johanns I.S. Chhangur-Lachitjara

SRU-K1-1993-1

Kantonrechter Eerste Kanton
6 september 1993, A.R. 933093
(Mr. S. Gangaram Panday)

[eiser], wonende aan [adres 1] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. Lim A Po, advokaat, eiser in Kort Geding

tegen

[gedaagde], wonende aan [adres 2] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. M.R. Carrilho, advokaat, gedaagde in Kort Geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren, aan gedaagde zal worden bevolen:

Primair:

  • een herstel van de tussen eiser en gedaagde gesloten huurovereenkomst, dusdanig dat er een herstel in de oude toestand plaatsvindt, zodat eiser zijn oude kamer kan betrekken;
  • een verbod om eiser de toegang te ontzeggen tot de door hem gehuurde kamer in het pension van gedaagde, tevens inhoudende dat aan eiser de benodigde sleutels tot de toegang in het voormelde pension en de desbetreffende kamer ter beschikking worden gesteld;
  • aan eiser terzake als ten rekeste omschreven een voorschot zal worden betaald ten bedrage van ƒ3.000,=;

Subsidiair:

Aan een herstel in de oude toestand mee te werken, in dier voege dat aan eiser een soortgelijke kamer in het pension ter beschikking wordt gesteld; met bepaling dat indien gedaagde niet binnen 1 x 24 uur na vonniswijziging, althans binnen een door de Rechter in goede justitie te bepalen termijn aan de veroordeling sub a en b casu quo de subsidiaire veroordeling voldoet, zij aan eiser een dwangsom van ƒ 500,= (VIJFHONDERD GULDEN) zal verbeuren voor iedere dag dat zij daarmede in gebreke mocht blijven.

Kosten rechtens.

Overwegende, dat te dienende partijen, eiser vertegenwoordigd door advokaat Mr. B.A. Halfhide namens zijn gemachtigde advokaat, Mr. Lim A Po en de gedaagde door Mr. M.R. Carrilho ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting advokaat Mr. B.A. Halfhide namens de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd.

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie van antwoord heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende dat de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie van repliek heeft genomen, onder overlegging van een produktie waarvan de inhoud, evenals van de overgelegde produktie hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor dupliek en uitlating produkties, bepaald de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het spoedeisend karakter der vordering uit de aard der stellingen van het inleidend rekest van eiser blijkt;

Overwegende, dat de eiser na gemotiveerde weerspreking door de gedaagde van diens stellingen van het inleidend rekest niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij van de gedaagde een kamer in het pension aan [adres 1] te [district] gehuurd heeft en dat hij door de gedaagde hardhandig uit die kamer gezet is;

Overwegende, dat nu overigens ook juist is de stelling van de gedaagde dat een verhuurde kamer in een pension niet valt onder de huurbescherming, die een huurder van een woonhuis geniet, zal de eiser zijn heil moeten zoeken bij een schadevordering tegen zijn verhuurder voor onder andere kwijtgeraakte goederen, etcetera;

Overwegende dat Wij de gevraagde voorziening aan de eiser dan ook zullen weigeren;

Rechtdoende in Kort Geding:

Weigeren de gevraagde voorzieningen.

SRU-K1-1996-3

Kantonrechter Eerste Kanton
18 januari 1996, A.R. 956566
(Mr. J.R. von Niesewand)

De Kantonrechter spreekt in naam van de Republiek het volgende vonnis uit in de zaak aanhangig tussen:

[eiseres], wonende in [district 1], ten deze domicilie kiezende aan de Mr. F. Lim A Postraat no. 1, gemachtigde: Mr. M.I. Vos, advocaat, eiseres in kort geding,

tegen

Landbouwmaatschappij Patamacca N.V. rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo, kantoorhoudende aan de Mr. F.H.R. Lim A Postraat no. 26, gemachtigde: Mr. F.F.P. Truideman, advocaat, gedaagde in kort geding,

1. Procesgang
Bij verzoekschrift ingekomen ter griffie op 20 november 1995 heeft eiseres gevorderd dat de Kantonrechter in kort geding bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

  • Gedaagde zal veroordelen om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting bij wege van voorschot te voldoen het aan eiseres toekomend loon en de daarbij behorende emolumenten, en wel met ingang van 1 augustus 1995 tot aan de rechtmatige beëindiging van de arbeidsrelatie;
  • gedaagde zal bevelen om alle bij de [staffunctie] te [plaats] behorende voorzieningen, in het bijzonder medische voorzieningen en het gebruik van transport- en communicatiemiddelen, aan eiseres te doen toekomen, althans eiseres daarvoor in aanmerking te doen stellen, althans het gebruik daarvan niet aan eiseres te onthouden;
  • gedaagde zal bevelen om binnen 1 x 24 uur na vonniswijzing, althans binnen een door de Kantonrechter te bepalen termijn, aan eiseres haar privé-post, hetwelk zich onder gedaagde bevindt, te doen afgeven, en na te laten door gedaagde namens eiseres in ontvangst te nemen post en poststukken langer onder zich te houden dan strikt noodzakelijk is;
  • gedaagde zal veroordelen om indien zij nalaat aan de in sub II en III te geven bevelen uitvoering te geven danwel zich daartegen in gedraagt, aan eiseres bij wege van dwangsom een bedrag te betalen van f.100.000,– (eenhonderdduizend gulden) per dag of per keer.

Een en ander kosten rechtens.

Gedaagde heeft tegen die vordering middels een conclusie van antwoord verweer gevoerd, onder overlegging van producties.

Eiseres heeft hierna op 4 december 1995 mondeling doen repliceren en gedaagde mondeling doen dupliceren en hebben Wij ter zelfde zitting een comparitie gehouden, waarbij eiseres en [naam] namens de gedaagde een verklaring hebben afgelegd als in het opgemaakt proces-verbaal is verwoord.

Vervolgens hebben partijen zich op 21 december 1995 en op 8 januari 1996 nader uitgelaten en vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak bepaald is op heden.

2. Motivering
2.1 Vaststaande feiten

Tussen partijen is in rechte als niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, deels blijkend uit de overgelegde producties, het volgende komen ,vast te staan:

  • Tussen partijen is een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten ingaande 1 maart 1994 voor de duur van drie jaar, dus eindigend op 1 maart 1997.
  • Eiseres is conform de in het geding gebrachte taakomschrijving in dienst genomen in de [staffunctie].
  • Bij schrijven van 12 juli 1995 heeft gedaagde eiseres schriftelijke medegedeeld dat besloten is haar met ingang van 24 juli 1995 over te plaatsen naar de GPOV N.V. te Paramaribo, met als standplaats Paramaribo. Bij brief van 12 juli 1995 heeft de GPOV N.V. eiseres bericht dat zij na overplaatsing zou worden aangesteld in de [functie] Landbouwkundige Zaken.
  • Eiseres heeft bij brief van 13 juli 1995 en 28 juli 1995 haar bezwaren tegen de overplaatsing met name t.a.v. haar standplaats kenbaar gemaakt, doch bericht te zullen trachten een woning in [district 2] te vinden, binnen een aangegeven termijn.
  • Bij schrijven van 7 augustus 1995 heeft de gemachtigde van eiseres gedaagde bericht de sub d genoemde brieven van eiseres namens haar in te trekken.
  • Eiseres is tot nog toe gunstig beoordeeld door de werkgever in het kader van de jaarlijkse beoordelingen.

2.2. Standpunten van Partijen
Standpunten eiseres:

Eiseres stelt bezwaren te hebben tegen de overplaatsing naar [district 2] en tegen de functiewijziging van [staffunctie] tot [functie] Landbouwkundige Zaken, zulks omdat deze zonder vooroverleg is geschied en eiseres destijds juist met het oog op de vervulling van haar functie op [plaats] haar woning in [district 2] heeft opgegeven en passende woonruimte in [district 2] niet voorhanden is. Bovendien stelt eiseres dat de haar laatstelijk aangeboden functie meer van administratieve aard is, terwijl veldwerk zowel haar specialiteit is en verreweg haar voorkeur geniet. Eiseres stelt dat de GPOV niet als een gelieerde onderneming in de zin van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst kan worden opgemerkt. Zij stelt steeds bereid te zijn geweest en nog steeds bereid te zijn de bedongen arbeid te verrichten en vordert doorbetaling van loon sinds augustus 1995. Voorts vordert eiseres de medische voorzieningen te [plaats] en aldaar in het bezit van haar poststukken te worden gesteld.

Standpunten gedaagde:

Gedaagde stelt aan artikel 12 van de tussen partijen vigerende arbeidsovereenkomst de bevoegdheid te ontlenen tot overplaatsing van eiseres naar een andere standplaats in Suriname, hetzij op haar eigen onderneming hetzij bij gelieerde ondernemingen. Gedaagde merkt de GPOV in dit kader aan als een gelieerde maatschappij. Gedaagde stelt voorts dat eiseres blijkens haar aan gedaagde gerichte brieven van 13 juli 1995 en 28 juli 1995 onvoorwaardelijk met de overplaatsing heeft ingestemd. Gedaagde stelt voorts dat de aan eiseres aangeboden [functie] Landbouwkundige zaken niet administratief van aard is en gelijkwaardig aan haar huidige [staffunctie] en bovendien passend is bij haar opleiding en ervaring en dat deze gepaard zal gaan met veelvuldige veldbezoeken. Gedaagde beroept zich op het principe “geen werk geen loon” t.a.v de vordering van eiseres op doorbetaling van loon sinds augustus 1995. Voorts stelt gedaagde de medische voorzieningen in [district 2] te willen verschaffen en eiseres haar poststukken in [district 2] beschikbaar te stellen.

3. Beoordeling van het geschil

De Kantonrechter is van oordeel dat het spoedeisend karakter uit de aard der stellingen van eiseres haar vordering genoegzaam blijkt. De vraag die partijen verdeeld houdt is of gedaagde eiseres houden mag aan het schrijven van gedaagde aan eiseres d.d.12 juli 1995, kenmerk Pat. Intern [nummer 1] waarin eiseres wordt medegedeeld haar overplaatsing naar de GPOV N.V. te Paramaribo, met als standplaats Paramaribo, alsmede het schrijven van GPOV N.V. d.d. 12 juli 1995, kenmerk GPOV Intern [nummer 2] aan eiseres, waarin zij geïnformeerd wordt over haar nieuwe [functie] Landbouwkundige Zaken. De Kantonrechter is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst met name artikel 12, de mogelijkheid van overplaatsing openlaat, doch uitdrukkelijk bepaalt dat de arbeidsvoorwaarden op de nieuwe standplaats ongewijzigd zullen blijven danwel gelijkwaardig zullen zijn aan de tevoren geldende voorwaarden.

Gelet op de uitwendige taakomschrijving van de [staffunctie], die als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd moet worden beschouwd is naar het voorlopig oordeel van de Kantonrechter sprake van een functiewijziging gelet op de taakomschrijving behorende bij de [functie] Landbouwkundige Zaken, welke, taakomschrijving eveneens als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd dient te worden beschouwd. Een en ander geeft de Kantonrechter alle reden te oordelen, dat aan het besluit van gedaagde tot overplaatsing van eiseres tenminste vooroverleg met eiseres vooraf had moeten plaatsvinden.

Voorts is de Kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden nu op de standplaats [plaats] recht op vrije ongemeubileerde huisvesting inclusief gebruik van water en electriciteit onderdeel vormde van de arbeidsvoorwaarden, wat op de standplaats Paramaribo niet het geval is.

De Kantonrechter is wijders van oordeel dat uit de brieven van eiseres d.d. 13 en 28 juli 1995 zeker niet mag worden afgeleid haar onvoorwaardelijke instemming met de overplaatsing naar [district 2].

Gedaagde had, alle omstandigheden van het onderhavige geval inachtnemend, in redelijkheid niet tot het nemen van de beslissing, vastgelegd in het schrijven van 12 juli 1995 mogen komen en handelt dan ook niet te goeder trouw eiseres daaraan gebonden te achten.

Nu eiseres steeds bereid is geweest en nog is de bedongen arbeid te verrichten en de bodemrechter naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen andersluidende beslissing zal geven dan in casu zal worden gegeven, zal worden beslist als in het dictum te melden onder aantekening dat rekening zal worden gehouden met het bereids door eiseres ontvangen bedrag van f 100.000,– en onder verwijzing van gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit proces.

Rechtdoende
De Kantonrechter:

  • veroordeelt gedaagde om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen het aan eiseres toekomend loon en de daarbij behorende emolumenten, en wel met ingang van 1 augustus 1995 tot aan de rechtmatige beëindiging van de arbeidsrelatie, een en ander onder aftrek van het bereids door eiseres ontvangen bedrag van f.100 000,–;
  • beveelt gedaagde om alle bij de [staffunctie] te [plaats] behorende voorzieningen, in het bijzonder medische voorzieningen en het gebruik van transport- en communicatiemiddelen, aan eiseres te doen toekomen;
  • veroordeelt gedaagde om, indien zij nalaat aan de sub 1 en sub 11 gegeven bevelen uitvoering te geven, aan eiseres bij wege van dwangsom een bedrag te betalen van f.100.000,– (een honderdduizend gulden) per dag.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Veroordeelt de gedaagde in de kosten van dit proces aan de zijde van eiseres gevallen en tot op heden begroot op f.3034,- (drieduizend vier en dertig gulden).

Weigert het meer of anders gevorderd

SRU-K1-2009-5

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 061358
20 oktober 2009
M.V.K.

VONNIS inzake:

Ten Group Holding N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudend te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

Het Surinaams Postbedrijf Surpost, rechtspersoon,
wonende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. B.A. Halfhide, advocaat.

1. Het verloop van de procedure

Dit blijkt uit:

– Het verzoekschrift met producties dat eiseres op 7 april 2006 bij de griffie der kantongerechten heeft ingediend;
– een schriftelijke conclusie van antwoord;
– een schriftelijke conclusie van repliek met producties;
– een schriftelijke conclusie van dupliek en uitlating over de overgelegde producties.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 De heer Leo Kie-Mien Chiu Hung, handelende in zijn hoedanigheid als directeur van eiseres enerzijds en de heer drs. Carlo Rudy Godlieb, directeur van gedaagde anderzijds, hierna te noemen Godlieb, hebben op 20 april 2005 een koopovereenkomst gesloten waarbij Godlieb van eiseres heeft gekocht gelijk eiseres aan Godlieb heeft verkocht het gedeelte van de erven gelegen te Paramaribo aan het Molenpad bekend onder Nieuwe Wijk Letter F nummer 465 en 466 a, vroeger letter F nummer 373 c en 373 a, welk gedeelte op de kaart van de landmeter H.v.Ommeren de dato 13 januari 1909 wordt aangeduid met de letters ABCD en thans is genummerd Nieuwe Wijk letter F nummer 466 1 a, met de zich op dit erf bevindende gebouwen, ter grootte van drieduizend tweehonderdnegentig, achthonderdtachtig/honderste vierkante meter voor de koopsom van US$ 1300.000,-.

2.2 Partijen zijn bij de vermelde koopovereenkomst overeengekomen dat de volledige koopsom binnen zes weken na het aangaan van de koopovereenkomst, bij de notariële overdracht, door gedaagde zou zijn voldaan, dus uiterlijk 1 juni 2005.

2.3 Gedaagde heeft de koopsom niet binnen de termijn van 1 juni 2005 betaald. Op 2 september 2005 zijn eiseres en Godlieb – volgens de overeenkomst “hierna te noemen Surpost” – een nieuwe overeenkomst met elkaar aangegaan ter regulering van de betaling van het verschuldigd bedrag met rente, boete en kosten. Bij die overeenkomst heeft gedaagde verklaart aan eiseres schuldig te zijn:

  • US$ 1300.000,– (een miljoen driehonderdduizend Amerikaanse Dollar) voor de aankoop van een gedeelte van de erven met opstallen aan het Molenpad, zoals vermeld in het tweede sustenu;
  • Het saldo van de schuld die eiseres heeft bij de Surinaamse Bank N.V., inclusief rente, boeterente en alle bijkomende kosten die de Surinaamse Bank N.V. aan eiseres in rekening brengt, minus US$ 500.000,- (vijfhonderdduizend Amerikaanse Dollar). Een en ander in verband met de schuld van eiseres bij de Surinaamse Bank N.V., die gedaagde krachtens deze overeenkomst dient over te nemen.
  • Rente van 12% per jaar over US$ 800.000,- (achthonderdduizend Amerikaanse Dollar) ingaande 1 juni 2005 tot en met de dag van algehele voldoening;
  • Brandverzekeringspremie die de DSB in rekening brengt aan eiseres, ingaande 20 april 2005 tot en met de dag van algehele voldoening van hetgeen in sub a is aangehaald;
  • Alle overige kosten t.b.v. het pand gelegen aan het Molenpad 27, zoals water, electriciteit, brandverzekering, onderhoud etc. ingaande april 2005;
  • US$ 10.000,- (tienduizend Amerikaanse Dollar) voor de feasibility study;
  • Een boete van US$ 500,– (vijfhonderd Amerikaanse Dollar) per dag ingaande 26 september 2005 indien gedaagde uiterlijk 25 september 2005 niet aan de totale schuld met alle kosten heeft voldaan;
  • Rente van 14% per jaar ingaande 1 juni 2005 tot en met de dag van algehele voldoening over:
    – de koopsom van US$ 1300.000,-;
    – De uitstaande kosten, indien gedaagde uiterlijk 25 september 2005 de totale schuld met rente niet volledig heeft voldaan.

Gedaagde heeft zich verbonden om de bedragen met rente zoals hierboven aangehaald, uiterlijk 25 september 2005 aan eiseres te voldoen. In sub B van de overeenkomst staat vermeld dat “Surpost zal met de DSB in onderhandeling dienen te treden om de veiling van de panden van “Ten” stop te zetten en met DSB afspraken te maken dat de rente, boeterente en alle overige kosten voor de lening van “Ten” bij de DSB, vanaf 1 juni 2005 voor rekening zijn van “Surpost”.

2.4 Gedaagde heeft haar schuld niet binnen de termijn van 25 september 2005 voldaan. Op 12 september 2005 hebben partijen een overeenkomst getekend waarbij zij bevestigen het volgende te zijn overeengekomen:
– op 12 september 2005 is een overeenkomst getekend tussen het Surinaams Postbedrijf “Surpost” en Ten Group Holding N.V., in de overeenkomst aangeduid als “Ten”;
– Indien Surpost uiterlijk 30 september 2005 de totale schuld volgens de overeenkomst van 12 september 2005, inclusief alle kosten, rente en boete niet volledig heeft afbetaald, zal Surpost behalve de bedragen volgens de overeenkomst en aanhangels, vanaf 1 oktober 2005 tot en met de dag van volledige betaling van “Ten” voor elke dag dan ook een boete betalen groot, US$ 2.500,- per dag.

2.5 Partijen hebben op 2 december 2005 opnieuw een overeenkomst gesloten. Daarin staat vermeld dat gedaagde, vertegenwoordigd door haar directeur Godlieb aan eiseres schuldig is en bedrag van Euro 45.000,– (vijf en veertigduizend Euro’s) plus dezelfde rente zijnde een lening die eiseres is aangegaan, ter stopzetting van de veiling van 24 november 1975, voor aflossing van de schuld bij de Surinaamse Bank N.V. die gedaagde dient over te nemen krachtens de overeenkomst de dato 12 september 2005.

2.6 Gedaagde heeft in de maanden oktober 2005 tot en met januari 2006 een totaal bedrag van US$ 35.491,50 aan eiseres afgelost. Verder heeft eiseres aan gedaagde enkele opdrachten gegeven en het totaal verschuldigd bedrag groot SRD 836,29 gecrediteerd op de SRD rekening van gedaagde bij eiseres.

2.7 Eiseres heeft gedaagde bij schrijven van 30 maart 2006 in gebreke gesteld en gesommeerd om uiterlijk dinsdag 4 april 2006 aan haar betalingsverplichting jegens eiseres te voldoen; echter heeft gedaagde geen gevolg hieraan gegeven.

2.8 Eiseres heeft na daartoe verkregen toestemming van de kantonrechter, bij exploiten no. 187 tot en met 102 de dato woensdag 12 april 2006 van deurwaarder Dasimin Toekimin conservatoir beslag doen leggen op de aan gedaagde toebehorende navolgende onroerende goederen:
– het perceel groot 600 vierkante meter, gelegen te Nickerie, aangeduid op de kaart van G. Eliazer de dato 5 januari 1981 met de letters ABCD en het no. 1069 deel van de plantage Waterloo
– het recht van grondhuur ter bebouwing en bewoning voor de duur van veertig jaren op het perceel, groot 777,20 vierkante meters, gelegen aan het Kerkplein, bekend als NW.La A no. 628;
– het recht van grondhuur voor het opzetten van een kantoorruimte voor de duur van veertig jaren op het perceel groot 1.538,53 vierkante meters, gelegen te Lelydorp bekend als Ten Westen Indira Gandhiweg no. 229;

Alsmede conservatoir derdenbeslag gelegd onder de navolgende instellingen die gelden, goederen, geldswaarden en/of geldswaardige papieren van gedaagde onder zich hebben of aan haar verschuldigd zijn of zullen worden te weten:

– De R.B.T.T. (Suriname) Bank N.V., gevestigd en kantoorhoudende aan het Kerkplein no. 1 te Paramaribo;
– De Hakrinbank N.V. gevestigd en kantoorhoudende aan de dr. Sophie Redmondstraat no. 11-13 te Paramaribo;
– De Surinaamse Bank N.V., gevestigd en kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 26-28 te Paramaribo;
– De Centrale Bank van Suriname, gevestigd en kantoorhoudende aan de Waterkant no. 20 te Paramaribo;
– De Staat Suriname, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te diens Parkette aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo.

Deze beslagen zijn bij exploit no. 193 de dato woensdag 12 april 2006 (productie nummer 17) van voornoemde deurwaarder betekend aan gedaagde.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagde wordt veroordeeld om terzake voorschreven tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

  • US$ 1300.000,- (een miljoen driehonderdduizend Amerikaanse Dollar) welk bedrag gedaagde verschuldigd is krachtens de koopovereenkomst de dato 20 april 2005 en overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub A 1:
  • Brandverzekeringspremie die de Surinaamse Bank N.V. in rekening brengt aan eiseres, ingaande 20 april 2005 tot en met de dag van algehele voldoening van hetgeen in sub a is aangehaald, welke premie gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub A 4;
  • Het bedrag van US$ 10.000,– welk bedrag gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst van 12 september 2005 onder sub A 6;
  • Een boete van US$ 500,– (vijfhonderd Amerikaanse Dollar) per dag ingaande 26 september 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, welke boete gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub A 8;
  • Rente van 14% per jaar ingaande 1 juni 2005 tot en met de dag van algehele voldoening over:
  • De koopsom van US$ 1300.000,–;
  • De uitstaande kosten, hetgeen gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub D;
  • Een boete van US$ 2.500,– per dag ingaande 1 oktober 2005 tot en met de dag van algehele voldoening, welke boete gedaagde verschuldigd is conform aanhangsel 3 behorende bij de overeenkomst de dato 12 september 2005;
  • Het saldo van de schuld die eiseres heeft bij de Surinaamse Bank N.V. inclusief rente, boeterente en alle bijkomende kosten die de Surinaamse Bank N.V. aan eiseres in rekening brengt, welk saldo gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub A 2 en aanhangsel 4 horende bij de overeenkomst de dato 12 september 2005.

II. Van waarde te verklaren de ten deze gelegde conservatoire beslagen op de navolgende onroerende goederen van gedaagde, gelegd bij exploit nummer 187 de dato woensdag 12 april 2006 van deurwaarder Dasimin Toekimin:

  • het perceel groot 600 vierkante meter, gelegen te Nickerie, aangeduid op de kaart van G. Eliazer de dato 5 januari 1981 met de letters ABCD en het no. 1069 deel van de plantage Waterloo;
  • het recht van grondhuur ter bebouwing en bewoning voor de duur van veertig jaren op het perceel, groot 777,20 vierkante meters, gelegen aan het Kerkplein, bekend als NW.La A no. 628;
  • het recht van grondhuur voor het opzetten van een kantoorruimte voor de duur van veertig jaren op het perceel groot 1.538,53 vierkante meters, gelegen te Lelydorp bekend als Ten Westen Indira Gandhiweg no. 229;

Alsmede conservatoir derdenbeslag gelegd onder de navolgende instellingen die gelden, goederen, geldswaarden en/of geldswaardige papieren van gedaagde onder zich hebben of aan haar verschuldigd zijn op zullen worden te weten:

  • De R.B.T.T. (Suriname) Bank N.V., gevestigd en kantoorhoudende aan het Kerkplein no. 1 te Paramaribo;
  • De Hakrinbank N.V. gevestigd en kantoorhoudende aan de dr. Sophie Redmondstraat no. 11-13 te Paramaribo;
  • De Surinaamse Bank N.V., gevestigd en kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 26-28 te Paramaribo;
  • De Centrale Bank van Suriname, gevestigd en kantoorhoudende aan de Waterkant no. 20 te Paramaribo;
  • De Staat Suriname, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te diens Parkette aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo.

III. Gedaagde wordt veroordeeld in de kosten van dit geding die van voormelde beslagen inbegrepen.

3.2 De grondslag van de vordering is dat gedaagde wanpresatie pleegt jegens eiseres daar zij de saldo schuld niet heeft voldaan ondanks dat zij daartoe in gebreke is gesteld.

3.3 Gedaagde voert het volgend verweer:

  • In artikel 8 sub h van de Wet Surpost is expliciet vermeld dat de directeur voor het kopen van een onroerend goed en het aangaan van een verbintenis waarvan het geldelijk belang SF 100.000,– te boven gaat, een schriftelijke machtiging behoeft van de Raad van Commissarissen. Het bedrag van SF 100.000,– in het jaar 1993 is beslist niet hoger dan het bedrag van US$ 1300.000,– van nu (anno 2008). De directeur van eiseres is zonder de daartoe vereiste machtiging van de Raad van Commissarissen en dus zonder daartoe bevoegd te zijn, de overeenkomsten met eiseres aangegaan met als gevolg dat de in de akte van koop en verkoop gerelateerde transactie, gedaagde niet bindt. De transactie is nietig. Gedaagde heeft de transactie ook nimmer bekrachtigd en de Raad van Commissarissen heeft nimmer een handeling verricht waaruit zou moeten blijken dat zij de directeur heeft gemachtigd om de transactie met eiseres aan te gaan. De Raad van Commissarissen is ook niet gekend geworden bij de aflossingen die aan eiseres zijn gedaan.
  • Het gelegd beslag is niet terecht gedaan;
  • Op het litigieus onroerend goed is het recht van hypotheek gevestigd ten bedrage van US$ 690.000,– weshalve eiseres niet kan voldoen aan het bepaalde in artikel 2 van de litigieuze overeenkomst, namelijk levering van het onroerend goed vrij van hypotheken en hypothecaire inschrijvingen. Intussen is het onroerend goed door de hypotheekhouder in het openbaar verkocht krachtens artikel 1207 B.W. waardoor eiseres niet kan leveren. Hierdoor is gedaagde niet verplicht om de koopsom aan eiseres te betalen.

4. De beoordeling

4.1 Het geschil tussen partijen strekt zich ten eerste uit tot de vraag of gedaagde is gebonden aan de koopovereenkomst met eiseres indien de directeur van gedaagde die koopovereenkomst heeft gesloten zonder de daartoe vereiste machtiging van de Raad van Commissarissen.

4.2 Eiseres heeft het verweer van gedaagde gemotiveerd weersproken. Zij stelt dat ingevolge artikel 7 van de Wet Surpost, de Directeur het bedrijf in en buiten rechte vertegenwoordigt. Zij mocht ervan uitgaan dat de Directeur bevoegd was om de overeenkomst aan te gaan. Het al dan niet beschikken over een schriftelijke machtiging is een interne aangelegenheid van Surpost en kan de derde te goeder trouw niet worden tegengeworpen. Gedaagde heeft handelingen gepleegd die aangemerkt kunnen worden als een uitvoering, nakoming dan wel bekrachtiging van de overeenkomst namelijk:

  • Sedert de ondertekening van de overeenkomst in april 2005 heeft gedaagde reeds zeven deelbetalingen verricht aan eiseres, in totaal US$ 35.491,50;
  • Gedaagde heeft beheershandelingen gepleegd door bij het gekochte pand aan het Molenpad haar Surpost bord te plaatsen met haar naam erop, hiermee aangevende dat het onroerend goed aan haar toebehoort c.q. dat zij zich aldaar zal vestigen. Zij hebben sinds de ondertekening ook de beschikking over de sleutels van het pand;
  • Partijen zijn de koopovereenkomst nu ruim een jaar geleden aangegaan. In deze periode is over en weer veel correspondentie geweest, ook naar de RvC toe, betreffende de overeenkomst en de nakoming daarvan. Echter heeft gedaagde in deze correspondentie nimmer gesproken over het ontbreken van een schriftelijke machtiging, noch minder een beroep gedaan op het ontbreken daarvan. Noch de RvC, noch de Directeur hebben ooit de nietigheid van de overeenkomst ingeroepen danwel aangegeven dat deze nietig zou zijn in verband met het ontbreken van de machtiging. Gedaagde kan zich thans niet te goeder trouw beroepen op de nietigheid van de overeenkomst aangezien uit alles blijkt dat hij handelingen heeft verricht die een eventuele nietigheid opheffen;
  • Artikel 8 sub j van de statuten vermeldt dat gedaagde voor het aangaan van een verbintenis waarvoor het geldelijk bedrag SF 100.000,– per geval te boven gaat, een machtiging van de RvC nodig heeft. Er mag ervan worden uitgegaan dat de machtiging wel verstrekt is aan de Directeur, aangezien gedaagde aan eiseres aflossingen heeft gedaan ten bedrage van US$ 35.491,50;
  • De handelingen van gedaagde namelijk het aangaan van de overeenkomst de dato 12 april 2005, 12 september 2005 en daarna nog de aanhangeis no. 1 t/m 4 die op verschillende data zijn ondertekend, geven blijk van een rechtens relevante wil zijdens gedaagde. Met deze handelingen heeft gedaagde de overeenkomsten bekrachtigd;
  • Door wanprestatie van gedaagde dreigde de hypotheekhouder op gegeven moment over te gaan tot openbare verkoop. Eiseres was dan ook genoodzaakt om zelf de schuld af te lossen en hiervan legt zij een productie over. De schuld is geheel afgelost en door de hypotheekhouder is er reeds opdracht aan de notaris gegeven voor royement van de hypothecaire inschrijvingen en zal het onroerend goed dus spoedig geheel vrij zijn van hypotheken en beslagen. Indien gedaagde aan haar betalingsverplichting jegens eiseres voldoet zal het perceel geheel vrij van hypotheek en beslagen aan haar worden geleverd.

4.3 Vooropgesteld wordt dat de Wet Surpost (S.B. 1993 no. 34) in het midden laat wat de consequenties zijn indien de directeur van gedaagde zijn bevoegdheden overschrijdt en in strijd handelt met artikel 8 van voornoemde wet. Eiseres heeft hierboven bijzondere feiten en omstandigheden aangevoerd die relevant zij geweest voor het opwekken van de schijn van bevoegdheid c.q. het vertrouwen bij haar heeft opgewekt dat de directeur van gedaagde de vereiste machtiging van de Raad van Commissarissen had om de overeenkomsten met eiseres aan te gaan. Die handelingen en verklaringen van de directeur van gedaagde zijn zo uitvoerig en gedetailleerd, dat zij geen reden had om te twijfelen dat hij de vereiste machtiging niet bezat. Het door de directeur van gedaagde opgewekt vertrouwen – op grond van zijn verklaringen en gedragingen en mede op grond van artikel 7 van de Wet Surpost – ligt in de risicosfeer van gedaagde en eiseres geniet als derde te goeder trouw bescherming. Gedaagde heeft de door eiseres geponeerde stellingen onvoldoende gemotiveerd weersproken en zij heeft ook geen verweer meer gevoerd omtrent de aflossing van de hypotheekschuld. De conclusie van voorgaande overweging is dat de vordering van eiseres wordt toegewezen op de wijze als in het dictum vermeld. Het conservatoir beslag op de onroerende goederen van gedaagde en het conservatoir derdenbeslag op de overige goederen van gedaagde (zie 3.1 onder II van dit vonnis) zijn gelegd op 12 april 2006, terwijl de eis van vanwaardeverklaring is ingediend op 13 april 2006, dus binnen de wettelijke termijn met als gevolg dat de vordering van eiser tot vanwaardeverklaring van voormelde goederen wordt toegewezen. De gevorderde boete acht de kantonrechter bovenmatig en zal worden beperkt tot een maximum van US$ 10.000,–. Gedaagde wordt als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

5. De beslissing

5.1 Veroordeelt gedaagde om terzake voorschreven tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

  • US$ 1300.000,- (een miljoen driehonderdduizend Amerikaanse Dollar) welk bedrag gedaagde verschuldigd is krachtens
    de koopovereenkomst de dato 20 april 2005 en overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub A 1:
  • Brandverzekeringspremie die de Surinaamse Bank N.V. in rekening brengt aan eiseres, ingaande 20 april 2005 tot en met de dag van algehele voldoening van hetgeen in sub a is aangehaald, welke premie gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub A 4;
  • Het bedrag van US$ 10.000,– welk bedrag gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst van 12 september 2005 onder sub A 6;
  • Een boete van US$ 500,– (vijfhonderd Amerikaanse Dollar) per dag ingaande 26 september 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, welke boete gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub A 8; met dien verstande dat de boete wordt gesteld op een maximum van US$ 10.000,– (tienduizend Amerikaanse Dollar);
  • Rente van 14% per jaar ingaande 1 juni 2005 tot en met de dag van algehele voldoening over:
  • De koopsom van US$ 1300.000,–;
  • De uitstaande kosten, hetgeen gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub D;
  • Een boete van US$ 2.500,– per dag ingaande 1 oktober 2005 tot en met de dag van algehele voldoening, welke boete gedaagde verschuldigd is conform aanhangsel 3 behorende bij de overeenkomst de dato 12 september 2005, met dien verstande dat de boete wordt gesteld op een maximum van US$ 10.000,– (tienduizend Amerikaanse Dollar);
  • Het saldo van de schuld die eiseres heeft bij de Surinaamse Bank N.V. inclusief rente, boeterente en alle bijkomende kosten die de Surinaamse Bank N.V. aan eiseres in rekening brengt, welk saldo gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub A 2 en aanhangsel 4 horende bij de overeenkomst de dato 12 september 2005.

5.2 Verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Verklaart van waarde de ten deze gelegde conservatoire beslagen op de navolgende onroerende goederen van gedaagde, gelegd bij exploit nummer 187 de dato woensdag 12 april 2006 van deurwaarder Dasimin Toekimin:

  • h) het perceel groot 600 vierkante meter, gelegen te Nickerie, aangeduid op de kaart van G. Eliazer de dato 5 januari 1981 met de letters ABCD en het no. 1069 deel van de plantage Waterloo;
  • i) het recht van grondhuur ter bebouwing en bewoning voor de duur van veertig jaren op het perceel, groot 777,20 vierkante meters, gelegen aan het Kerkplein, bekend als NW.La A no. 628;
  • j) het recht van grondhuur voor het opzetten van een kantoorruimte voor de duur van veertig jaren op het perceel groot 1.538,53 vierkante meters, gelegen te Lelydorp bekend als Ten Westen Indira Gandhiweg no. 229;

Alsmede conservatoir derdenbeslag gelegd onder de navolgende instellingen die gelden, goederen, geldswaarden en/of geldswaardige papieren van gedaagde onder zich hebben of aan haar verschuldigd zijn of zullen worden te weten:

k) De R.B.T.T. (Suriname) Bank N.V., gevestigd en kantoorhoudende aan het Kerkplein no. 1 te Paramaribo;
l) De Hakrinbank N.V. gevestigd en kantoorhoudende aan de dr. Sophie Redmondstraat no. 11-13 te Paramaribo;
m) De Surinaamse Bank N.V., gevestigd en kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 26-28 te Paramaribo;
n) De Centrale Bank van Suriname, gevestigd en kantoorhoudende aan de Waterkant no. 20 te Paramaribo;
o) De Staat Suriname, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te diens Parkette aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten, die van voormelde beslagen inbegrepen, en tot op heden begroot op SRD 723,– (zevenhonderd drie en twintig Surinaamse Dollar).

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door de kantonrechter-plaatsvervanger mr. M.V. Kuldip Singh in het eerste kanton te Paramaribo en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 20 oktober 2009, door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton te Paramaribo, mr. S.M.M. Chu in tegenwoordigheid van de fungerend griffier mr. A. Sewgobind.

w.g. A. Sewgobind w.g. M.V. Kuldip Singh
w.g. S.M.M. Chu

SRU-K1-1996-2

Kantonrechter Eerste Kanton
1 februari 1996, A.R. 955764
(Mr. J.R. von Niesewand)

[eiser 1] en

[eiser 2], beiden wonende in [land], voor wie beiden tot gemachtigde is gesteld, mr. H.E. Struiken, advocaat, eisers in kort geding,

tegen

De Staat Suriname, Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling Directoraat Cultuur, in rechte vertegenwoordigd wordende door Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, Kantoorhoudende te zijnen parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. C.D. Ooft, advocaat, gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Gezien de stukken waaronder meer bepaald een afschrift van het proces-verbaal van de door Ons bevolen en gehouden comparitie van partijen d.d. 28 december 1995;

Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat Wij hier overnemen hetgeen daaromtrent in voormeld vonnis is overwogen;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen, namens eiser de heer [naam 1] en de procesgemachtigde van eiser, mr. H.R. Struiken en namens de Staat Suriname, de heer [naam 2], zijn verschenen die hebben verklaard gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat er een mondelinge conclusie na gehouden comparitie van partijen zijdens partijen is genomen, waarvan proces-verbaal is opgemaakt en waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij aanvankelijk vonnis hadden bepaald op 8 februari 1996 doch bij vervroeging op heden;

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat eisers op te dezer plaatse, als ingelast te beschouwen gronden hebben gevorderd, dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld tegen behoorlijk bewijs van kwijting bij wege van voorschot aan hen – eisers – te betalen de som van Sf. 600.000,–;

Overwegende, dat blijkens de doctrine en de naar vaste rechtspraak aanvaarde leer er aanleiding kan zijn in kort geding de gedaagde tot betaling van een voorschot te veroordelen indien de betalingsverplichting vaststaat, doch er alleen geschil is over de grootte van het bedrag (zie Schenk ”Het kort geding” Voortgezet door: Blauw en De Bruijn-Luikinga, 4e dr, 1984, p.182);

Overwegende, dat thans dient te worden nagegaan of de betalingsverplichting als vereist vaststaat;

Overwegende, dat, naar als onweersproken tussen partijen vaststaat, eisers, kort nadat gedaagde het eertijds bij hem in huur zijnd pand had ontruimd en verlaten en ter vrije en algehele beschikking van hen had gesteld, de situatie waarin gedaagde het pand aan [adres] had teruggegeven, mede in bijzijn van een vertegenwoordiger van gedaagde c.q. Het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, Direktoraat Cultuur hebben opgenomen en naar aanleiding daarvan opgemaakt een inventarislijst de dato 30 augustus 1994 vermeldende de beschadigde, vernielde en ontbrekende artikelen in de boven- en benedenwoning van bedoeld pand, welke inventarislijst door eisers in het geding gebracht, gedaagde niet heeft betwist of van valsheid beticht, zodat van de juistheid daarvan in het onderhavige proces moet worden uitgegaan;

Overwegende, dat eisers gedaagde dan ook terecht aansprakelijk houden voor de schade, gedurende de huurtijd aan het verhuurde toegebracht;

Overwegende, dat het antwoord op de gestelde vraag of de betalingsverplichting vaststaat, dan ook bevestigend moet luiden;

Overwegende, dat gedaagde voorts niet heeft betwist c.q van valsheid beticht de eveneens door eisers in het geding gebrachte van 29 juni 1995 daterende schriftelijke opgave van kostprijzen van de artikelen (materialen), vermeld op de inventarislijst de dato 30 augustus 1994 betreffende de boven- en benedenwoning van het litigieuze pand en van het arbeidsloon voor herstel van de op de inventarislijst aangegeven aantallen van ernstig beschadigde en verwijderde materialen, zodat Wij ook van de juistheid van gemelde opgave zullen uitgaan;

Overwegende, dat ofschoon, naar Wij van eisers begrepen hebben met de uitvoering van de reparatiewerkzaamheden aan het litigieuze pand nog geen aanvang is gemaakt en eisers derhalve nog geen kosten hebben gemaakt, Wij niettemin termen aanwezig achten eisers nu reeds een bedrag, door Ons mede aan de hand van de schriftelijke opgave de dato 27 juni 1995 te bepalen, zullen toewijzen ten einde hen in staat te stellen met de uitvoering der reparatiewerkzaamheden alvast een aanvang te maken en zo verder te lijden schade, zo niet te voorkomen maar dan toch wel te beperken, bepalende Wij, de redelijkheid en billijkheid mede in acht nemend, op Sf. 450.000,–, tot de betaling waarvan Wij gedaagde zullen veroordelen, hebbende Wij van eisers ter gehouden inlichtingencomparitie begrepen dat zij de gewone rechter voor het nog aan hem verschuldigde bedrag zullen adiëren;

Overwegende, dat Wij gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proces zullen laten dragen;

Rechtdoende in kort geding
Veroordelen gedaagde aan eisers bij wege van voorschot te betalen de som van Sf. 450.000,–;

Verklaren dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Verwijzen gedaagden in de kosten van dit proces, aan eisers’ zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. …

Weigeren het meer of anders gevorderde.

SRU-K1-2011-8

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 090570
28 juni 2011
D.G.W.K.

VONNIS inzake

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,

tegen

DE CENTRALE BANK VAN SURINAME,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. Marja I. Vos, advocaat.

De kantonrechter-plaatsvervanger spreekt in naam van de Republiek het volgende vonnis uit:

1. Het verloop van het geding
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift dat op 5 februari 2009 ter griffie der kantongerechten is ingediend, waaraan gevoegd enkele producties;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
– Ingaande 2 mei 2005 is eiser als technisch medewerker in tijdelijke dienst genomen door gedaagde voor de duur van 1 jaar;
– Ingaande 2 mei 2006 is de dienstbetrekking met 1 jaar verlengd;
– Bij schrijven d.d. 14 mei 2007 is de dienstbetrekking met zes maanden verlengd, eindigende op 31 oktober 2007;
– Bij schrijven d.d. 19 oktober 2007 is de dienstbetrekking met zes maanden verlengd, eindigende op 30 april 2008;
– Bij schrijven d.d. 13 juni 2008 is de dienstbetrekking per ingaande 1 mei 2008 verlengd en eindigende op 31 december 2008.

3. De vordering, grondslag van de vordering en het verweer

3.1 De vordering strekt primair tot:

  • voor recht verklaren dat het besluit van gedaagde om eiser te ontslaan c.q. het ontslag nietig is;
  • gedaagde te veroordelen het salaris plus alle emolumenten vanaf 1 januari 2009 aan eiser te betalen;
  • gedaagde te veroordelen eiser in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid normaal te verrichten;
  • gedaagde te veroordelen tot betaling van een dwangsom ad. SRD. 10.000,- voor iedere dag dat gedaagde in gebreke is te voldoen aan het gevorderde onder b en c;

Subsidiair:

  • Voor recht te verklaren dat het aan eiser verleende ontslag kennelijk onredelijk is.
  • Gedaagde te bevelen om eiser te herstellen in zijn dienstbetrekking dan wel aan hem tegen kwijting en vermeerderd met de wettelijke rente te betalen een door de kantonrechter vast te stellen schadeloosstelling.

Mede is gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en gedaagde te veroordelen in de proceskosten.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten gronde dat het aan hem bij schrijven d.d. 13 juni 2008, 2 augustus 2008 en 19 november 2008 aangezegd ontslag per 1 januari 2009 kennelijk onredelijk is. Aangezien hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had, was voorafgaande opzegging vereist. Derhalve kon de beëindiging van de dienstbetrekking niet op de door gedaagde gepleegde wijze plaatsvinden.

3.3 Gedaagde voert aan dat het om een overeenkomst voor bepaalde tijd ging die dat ook na de verlengingen steeds gebleven is. Ingevolge artikel 1615 e lid 1 BW jo. artikel 3 lid 1 sub b Wet Ontslagvergunning is deze arbeidsovereenkomst met het verstrijken van de overeengekomen termijn van rechtswege geëindigd. Er is geen sprake van ontslagverlening.

4. De beoordeling
Aan de orde is de vraag of de arbeidsovereenkomst d.d. 19 oktober 2007 (hierna te noemen: oorspronkelijke overeenkomst) na het verstrijken van de termijn van zes maanden stilzwijgend is voortgezet.

4.1 Vaststaat dat genoemde overeenkomst voor de duur van 6 maanden was aangegaan en bij het verstrijken op 30 april 2008 niet onmiddellijk en aansluitende uitdrukkelijk is verlengd. Naar de inhoud van het schrijven van 19 oktober 2007 is medegedeeld dat hij wederom voor bepaalde tijd gehandhaafd zal worden in dezelfde functie, houdt de kantonrechter het ervoor dat de gang van zaken één was waarbij de feitelijke voortzetting van de bedongen arbeid ook na de einddatum plaatshad en dat partijen ongewijzigde voortzetting van de oorspronkelijke overeenkomst wensten. Op grond van artikel 1615f lid 1 Burgerlijk Wetboek wordt onderhavige overeenkomst in beginsel dan ook geacht te zijn voortgezet voor dezelfde duur als de oorspronkelijke.

4.2 Nu, de oorspronkelijke overeenkomst was aangegaan voor de duur van zes maanden, is die tijd beslissend voor de duur van de voortgezette overeenkomst. Uitgaande van de aanvangsdatum van 1 mei 2008, verliep de voortgezette overeenkomst op 30 oktober 2008 echter, staat het partijen vrij deze termijn te verruimen en is in deze zoals uit de overeenkomst blijkt de einddatum gesteld op 31 december 2008. Hierna is eiser bij schrijven d.d. 6 augustus 2008 en 19 november 2008 medegedeeld dat de overeenkomst na expiratie niet verlengd zal worden. Het feit dat gedaagde herhaaldelijk bij genoemd schrijven uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven de arbeidsovereenkomst met eiser niet te zullen voortzetten na het verstrijken van de overeengekomen termijn moet gezien worden als een herinnering en is geen tussentijdse beëindiging.

4.3 Alleen wanneer gedaagde de overeenkomst eerder wilde opzeggen dan was conform art. 1615e lid 2 sub 3 Burgerlijk Wetboek een voorafgaande opzegging vereist, daar deze omstandigheid zich in deze niet voordeed was geen voorafgaande opzegging zijdens gedaagde vereist. Dit brengt met zich dat voor beëindiging van die overeenkomst ook geen opzegging of ontslagvergunning vereist is. Gelet op het voren overwogene staat in rechte vast dat gedaagde de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd zonder dat er sprake is van een handelen in strijd met de wettelijke bepalingen, derhalve is de grond aan eiser zijn vorderingen komen weg te vallen en zullen deze afgewezen moeten worden. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij verwezen worden in de proceskosten.

5. De beslissing

De kantonrechter;

5.1 Wijst de vorderingen af.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton te Paramaribo, mr.D.G.W. Karamat Ali en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 28 juni 2011, door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton te Paramaribo, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. G.R. Mangal.

w.g. G.R. Mangal w.g. D.G.W. Karamat Ali w.g I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-1979-1

Kantonrechter Eerste Kanton
13 maart 1979, AR 780747
(Mr.Dr. L.Th. Waaldijk)

[eiser], wonende in [district 1], voor wie als gemachtigden optreden Mr. K.C. Gonçalves, Mr. L.Y. Ho Kang You, Mr. J.R. von Niesewand en Mr. E.A. Hoost, advokaten, eiser,

tegen

[gedaagde], wonende aan [adres] te [project] in [district 2], voor wie als gemachtigde optreedt Mr. J. Lachmon, advocaat, gedaagde,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken waaronder meer bepaald het proces-verbaal van bezichtiging d.d. 13 december 1978, ingevolge Onze rolbeschikking opgemaakt.

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekent op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis:

  • zal worden ontbonden althans ontbonden zal worden verklaard de ten rekeste gestelde huurovereenkomst;
  • gedaagde zal worden veroordeeld onmiddellijk of binnen een door de Rechter te bepalen termijn het ten rekeste vermelde gehuurde te ontruimen en te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van eiser te stellen, met medeneming van al de zijnen en al het zijne na de sleutels daarvan aan eiser te hebben afgegeven, met machtiging op eiser om, indien gedaagde weigeren mocht te ontruimen, daartoe zelf over te gaan desnoods met behulp van de Sterke Arm;
  • het sub B gevorderde uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard;
  • gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling der proceskosten.

Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door haar respectieve gemachtigden advocaten Mr. K.C. Gonçalves en Mr. J. Lachmon ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd:Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde hierna een schriftelijke van antwoord heeft genomen, onder overlegging van produkties, waarbij hij heeft geconcludeerd:
dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen, Kosten rechtens, wordende de inhoud van deze conclusie alsmede van de overgelegde produkties geacht hier te zijn opgenomen;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld, hebbende de gemachtigde van eiser tevens produktie overgelegd, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produktie eveneens hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij bij rolbeschikking een descente hebben gelast op 13 december 1978;

Overwegende, dat bij de bevolen en gehouden descente door Ons is waargenomen en bevonden hetgeen in vorenaangehaald proces-verbaal is gerelateerd, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden descente heeft genomen, terwijl de gemachtigde van eiser bij mondelinge conclusie na gehouden descente heeft gepersisteerd bij zijn stellingen;

Overwegende, dat Wij aanvankelijk vonnis hadden bepaald op 27 maart 1979 doch bij vervroeging op heden;

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat Wij volharden bij hetgeen daaromtrent in voormeld vonnis is overwogen en Ons daarnaar zullen gedragen;

Overwegende, dat Wij blijkens het proces-verbaal van Onze plaatselijke bezichtiging hebben geconstateerd dat het litigieuze gebouw grondige reparatie nodig heeft en in een zeer slechte en verwaarloosde toestand verkeert;

Overwegende, dat voor zover gedaagde reparaties heeft verricht aan het litigieuze huis deze slechte als noodoplossingen kunnen worden gezien hetgeen Ons uit eigen waarneming is gebleken;

Overwegende, mitsdien dat het belang dat eiser heeft bij het herstellen van zijn woning en het treffen van zodanige maatregelen teneinde verdere verwaarlozing tegen te kunnen gaan, in vergelijking met het belang dat gedaagde heeft bij het, bewonen van de onderhavige woning, als resultaat bij een afweging van die belangen, te zien geeft een zodanig groter belang van eiser dat zulks een aannemen van de kwalificatie: ”dringend voor eigen gebruik nodig hebben” rechtvaardigt;

Overwegende mitsdien dat eisers vordering voor toewijzing vatbaar is en invoegen als in het dictum te vermelden;

Rechtdoende:

  • Verklaren voor ontbonden de in het inleidend verzoekschrift gestelde huurovereenkomst.
  • Veroordelen gedaagde om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis het erf met daarop staand gebouw aan [adres] te [projekt] in [district 2] te ontruimen en te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van eiser te stellen met medeneming van al de zijnen en al het zijne na de sleutels daarvan aan eiser te hebben afgegeven.
  • Machtigen eiser om indien gedaagde weigeren mocht blijven het voormelde gehuurde te ontruimen deze zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;
  • Verklaren dit vonnis tot zover vermeld sub Ben C uitvoerbaar bij voorraad.

Veroordelen gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 55,75 (Vijf en vijftig 75/100 gulden).