SRU-K1-1971-1

Kantongerecht Eerste Kanton
7 september 1971, SJ 1971, 4

Bruynzeel Suriname Houtmaatschappij N.V., gevestigd te Zaandam (Ned.) en mede-kantoorhoudende te Paramaribo, eiseres in kort geding, adv. G.J.C. van der Schroeff,

tegen

A. Bruynzeel Werknemers Organisatie, zetelende te Paramaribo, e.a., gedaagden in kort geding, adv. Mr. E.J. Bruma en E.A. Hoost.

Ten aanzien van de feiten
Eiseres heeft een inleidend rekest ingediend waarin op als hier ingelast aan te merken gronden wordt gevorderd:
dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut gedaagde sub A zal worden bevolen binnen een uur na de uitspraak, althans binnen een door de rechter te bepalen termijn de door gedaagde sub A afgekondigde en geadviseerde staking in te trekken en ongedaan te maken en deze intrekking te publiceren op een door de rechter te bepalen wijze en haar leden aan te zeggen dat het werk op de normale en gebruikelijke wijze moet worden hervat enz.
met bepaling, dat bij niet voldoening aan des rechters bevel elk der gedaagden een dwangsom van f.100.000,– (eenhonderd duizend gulden) aan eiseres zal zijn verschuldigd, kosten rechtens, enz.

Gedaagden, verschenen bij hun gemachtigde advokaat Mr. E.J. Bruma, hebben voor antwoord o.m. het volgende gezegd:
Er bestaat thans geen C.A.O. meer tussen partijen, aangezien de werking van de oude C.A.O. op 1 september j.1. is geëxpireerd en weliswaar over een nieuwe C.A.O. overeenstemming is bereikt, doch deze nog niet in geschrift is opgemaakt en ondertekend, enz.

Ten aanzien van het recht

Post Alia

Eiseres acht het uitgegeven stakingsparool onrechtmatig omdat artikel 42 van de tussen gedaagde sub A en haar gesloten doch vervallen C.A.O., evenals een gelijkluidend artikel in de ontwerp C.A.O., die nog niet ondertekend is, maar waarover wel overeenstemming is bereikt, een algemeen stakingsverbod inhoudt.

Voorshands zijn Wij van oordeel dat eiseres zich hierop terecht beroept. Immers kan gedaagde sub A zich niet met goed fatsoen beroepen op het ontbreken van een formeel stakingsverbod, nu zij met de direktie van eiseres overeenstemming heeft bereikt ten aanzien van een nieuwe af te sluiten C.A.O., waarin hetzelfde stakingsverbod zal zijn opgenomen als in de oude. Ten uitvoerlegging te goeder trouw van het bereikte akkoord brengt onder de gegeven omstandigheden met zich dat gedaagde sub A zich houdt aan het stakingsverbod dat zowel in de oude C.A.O. voorkwam als in de nieuwe C.A.O. zal voorkomen, ook in de periode dat zij niet van kracht is, omdat zij nog niet schriftelijk is aangegaan.

De vordering tegen gedaagde sub A is aldus toewijsbaar als na te melden. enz.

Rechtdoende in kort geding

Post Alia

Veroordelen gedaagde sub A om binnen 2 uur na de uitspraak de door haar afgekondigde en geadviseerde staking in te trekken en deze intrekking te publiceren door middel van de dagbladen en de radio en verder op dezelfde wijze als waarop de oproep is uitgegaan, een en ander voor zover mogelijk.

Veroordelen gedaagde sub A tot betaling van een dwangsom van f.100.000,– aan eiseres, indien zij niet aan de bovenomschreven veroordeling voldoet.

Verklaren dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad op de minuut. enz.

SRU-K1-2019-2

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 19-1069
22 maart 2019

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

A. [eiser sub A],
B. [eiseres sub B],
C. [eiseres sub C],
D. [eiseres sub D],
E. [eiser sub E],
allen in hun hoedanigheid van advocaat en lid van de Surinaamse Orde van Advocaten (SOvA),
domicilie kiezende aan de Frederik Derbystraat 13 – 13A te Paramaribo,
ten kantore van Sewcharan Advocaten,
eisers,
eiser sub A procederend in persoon;
gemachtigde voor eisers sub B tot en met sub E: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

A. DE SURINAAMSE ORDE VAN ADVOCATEN,
gevestigd en kantoorhoudend aan de Gongrijpstraat 193 te Paramaribo,
B. [gedaagde sub B],
in zijn hoedanigheid van advocaat en lid van de SOvA,
wonende aan [adres] te [district],
gedaagden,
gemachtigde: mr. M.D. Lau-Kerssenberg, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat op 18 maart 2019 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend met producties;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 20 maart 2019;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de mondelinge conclusies van repliek en dupliek;
– de aantekeningen van de griffier ter zake het mondeling afpleiten.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
2.1 Eisers vorderen – samengevat – dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. gelast dat alle leden van gedaagde deel mogen nemen aan de verkiezing van de leden van de Raad van Bestuur, hierna RvB, van gedaagde sub A, welke verkiezing gehouden zal worden op zaterdag 23 maart 2019 of op een andere door gedaagde sub A te bepalen datum;

II. het besluit van de verkiezingscommissie tot goedkeuring van de kandidaatstelling van Gedaagde sub B voor de functie van Deken van gedaagde sub A bij de verkiezing als hiervoor vermeld schorst of opschort totdat in een bodemprocedure over de rechtsgeldigheid daarvan onherroepelijk is beslist;

III. gedaagde sub B en gedaagde sub A verbiedt de kandidaatstelling van Gedaagde sub B te handhaven op de dag van de verkiezing als hiervoor vermeld;

IV. gedaagden veroordeelt in de proceskosten.

2.2 Eisers leggen – zakelijk weergegeven – aan hun vordering onder I ten grondslag dat de verkiezingscommissie niet contribuerende leden van gedaagde sub A uitsluit van deelname aan de verkiezingen van zaterdag 23 maart 2019, wat in strijd is met de Advocatenwet, hierna Aw, het Huishoudelijk Reglement, hierna HR, en het Verkiezingsreglement, hierna VR. Eisers beroepen zich op artikel 29 lid 2 en artikel 31 lid 2 Aw, artikel 4 lid 1 VR en artikel 11 lid 3 en artikel 12 HR.

Aan hun vorderingen onder II en III leggen eisers – zakelijk weergegeven – ten grondslag dat Gedaagde sub B na een eerste verkiezing tot Deken van gedaagde sub A op 21 december 2013, is herkozen op 13 december 2014. Met de herverkiezing in 2014 is het eenmaal onmiddellijk herkiesbaar zijn in de functie van Deken van gedaagde sub A ex artikel 29 lid 3 Aw voor Gedaagde sub B vervuld en is hij navenant per 14 december 2017 Deken af. De kandidaatstelling van Gedaagde sub B voor de verkiezing van 23 maart 2019 is daarom in strijd met de Aw. Op een ingediend bezwaar door eiser sub A bij de verkiezingscommissie is geen reactie ontvangen.

2.3 Gedaagden voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vordering. Daartoe voeren zij – samengevat – aan dat:

– leden die geen contributie betalen geen stemrecht hebben volgens het verenigingsrecht en die leden bovendien nooit bezwaar hiertegen hebben gemaakt;
– de Algemene Ledenvergadering, hierna ALV, op 23 februari 2019 de verkiezingscommissie heeft geïnstalleerd, welke commissie op de ALV van 26 februari 2019 haar besluiten aangaande de verkiezing van zaterdag 23 maart 2019 heeft bevestigd, zodat die besluiten bindend zijn;
– gedaagde sub B eerst heeft waargenomen in de functie van Deken en daarna in december 2014 is gekozen in de functie van Deken voor een eerste termijn;
– eisers geen belang hebben bij hun vorderingen.

2.4 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling
3.1 De kantonrechter overweegt allereerst dat deze zaak, zoals uit het voorgaande blijkt, spoedeisend is en een voorziening in kort geding rechtvaardigt.

3.2 Het geschil concentreert zich rond de vraag of aan leden van gedaagde sub A het stemrecht ontzegd mag worden zoals dat bij artikel 11 lid 3 sub a van het HR is bepaald en of gedaagde sub B in strijd met de (geest van) de Aw handelt door zich wederom verkiesbaar te stellen op de verkiezingen van zaterdag 23 maart 2019.

De vordering onder I
3.3 Artikel 12 van het HR verwijst voor de verkiezing van onder anderen de Deken en de leden van de Raad van Bestuur, hierna RvB, naar de procedures vastgelegd in het VR. Evenwel is in artikel 11 lid 3 sub a van het HR bepaald dat een lid zijn stemrecht verliest in geval van een achterstand in betaling van contributie over een periode van drie maanden. Een dusdanig rechtsgevolg is verstrekkend, immers, de ontzegging van het relevante stemrecht is volgens de redactie van het artikel finaal, in tegenstelling tot de verkiesbaarheid in sub b van voormeld artikel, waaraan de voorwaarde van voldoening van de contributie is verbonden.

Niet onvoorstelbaar is dat het belang van gedaagde sub A met zich kan meebrengen dat juist aan de mogelijkheid van (finale) ontzegging van het stemrecht de meest onderscheiden voorwaarden worden verbonden. Immers, tegenover de verenigingsrechtelijke bepaling (artikel 1674 van het Burgerlijk Wetboek, BW, en voorts, anticiperend, in artikel 81 lid 1 van de ontwerp-wettekst boek 2 Nieuw Burgerlijk Wetboek van Suriname, het beginsel van gelijk stemrecht voor een ieder) staat de lex specialis van de Aw, nader uitgewerkt in het HR. Juist omdat die laatste regeling kennelijk strenger is brengt dat mee dat de ontzegging van het stemrecht integraal en concreet in het HR en VR staan, wat nu niet het geval is.

Artikel 11 lid 3 sub a HR is voorts strijdig met artikel 4 lid 1 van het Kiesreglement waarin staat dat de leden van de RvB worden gekozen door alle (onderstreping van de kantonrechter) bij het Hof van Justitie toegelaten advocaten. De kantonrechter overweegt in dit verband mee dat de gezamenlijke advocaten, die zijn ingeschreven, de Surinaamse Orde van Advocaten vormen (artikel 28 lid 1 Aw). Over de bevoegdheid om te stemmen is in artikel 8 lid 2 van het VR bepaald dat tot de stemming wordt toegelaten hij die bevoegd is aan de stemming deel te nemen en in lid 3 van hetzelfde artikel is bepaald dat toegelaten wordt degene van wie de Commissie de identiteit vaststelt door overlegging van de identiteitskaart of het paspoort. Van uitsluiting van stemming in de zin van artikel 11 lid 3 sub a van het HR is in het VR geen bepaling opgenomen noch is door middel van een verwijzing of wijziging (van latere datum) daarin voorzien.

Naar beginselen van redelijkheid en billijkheid mag de omstandigheid dat de regeling in het HR niet geheel aansluit bij dan wel strijdig is met de procedure in het VR, niet in het nadeel van degenen die van hun stemrecht gebruik wensen te maken worden uitgelegd. Het onder I gevorderde zal op voorgaande gronden dan ook worden toegewezen.

De vorderingen onder II en III
3.4 In een tussentijdse vacature die in de Raad ontstaat wordt volgens art 29 lid 5 Aw voorzien overeenkomstig de wijze, geregeld in het HR. Artikel 10 HR bepaalt dat indien moet worden voorzien in een tussentijdse vacature in de Raad, zo spoedig mogelijk na het ontstaan van die vacature een vergadering wordt gehouden. Artikel 30 lid 1 Aw regelt dat de Deken in de gevallen van ontstentenis of verhindering door een lid van de Raad wordt vervangen, daartoe door de Raad aangewezen. In het geval van artikel 30 lid 1 Aw is dus sprake van waarneming in de functie van Deken door een lid van de Raad. Blijkens proces-verbaal van de verkiezingscommissie van 21 december 2013 (productie overgelegd bij verzoekschrift) is een verkiezing van de Deken gehouden volgens de procedures van het VR. In genoemd proces-verbaal staat geen vermelding van een tussentijdse verkiezing. Evenmin kan aan het proces-verbaal de conclusie verbonden worden dat sprake is van een verkiezing tot waarneming in de functie van Deken. Integendeel, vier kandidaten, onder wie gedaagde sub B, hebben zich toen verkiesbaar gesteld en gedaagde sub B is gekozen in de functie van Deken.

Uit de producties genummerd 6 en 7 bij de conclusie van antwoord, respectievelijk de oproep voor de ALV van 30 oktober 2013 en het proces-verbaal van de zitting van de verkiezingscommissie, blijkt voldoende dat gedaagde sub B op 13 december 2014 is gekozen in de functie van Deken van gedaagde sub A. Uit het voorgaande wordt, anders dan gedaagde sub B heeft aangevoerd, geconcludeerd dat in de periode van 21 december 2013 tot 13 december 2014 geen sprake is geweest van waarneming in de functie van Deken, zoals bedoeld in artikel 30 lid 1 Aw.

Gedaagde sub B heeft zich twee opeenvolgende keren verkiesbaar gesteld in de functie van Deken, kennelijk over het hoofd ziend dat voor de overige leden van de Raad de driejarige termijn afliep ex artikel 29 lid 4 Aw, terwijl de eerste termijn voor hem als de nieuw gekozen Deken nog niet verstreken was. Die termijn werd evenwel tussentijds beëindigd en met de verkiezing op 13 december 2014 ving voor gedaagde sub B aldus de tweede termijn in de functie van Deken aan. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat gedaagde sub B zich op grond van artikel 29 lid 3 Aw niet opnieuw verkiesbaar kan stellen voor de te houden verkiezingen op 23 maart 2019.

In dit verband wordt ook overwogen dat uit het procesdebat voldoende aannemelijk is geworden dat gedaagde sub B vanaf 2011 tot heden zitting heeft in de Raad, eerst als Raadslid en vervolgens als Deken, terwijl de strekking van de Aw juist is dat Raadsleden niet langer dan een termijn van drie jaren aanzitten en de Deken maximaal zes aaneengesloten jaren in die functie optreedt.

3.5 De vorderingen onder II en III zullen op voorgaande gronden dan ook worden toegewezen.

3.6 Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten omvatten op de dag van de uitspraak:
– het vastrecht ad. SRD 50, -,
– de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 450, -,
en zijn in totaal begroot op SRD 500, -.

4. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
4.1 Gelast dat alle leden van gedaagde sub A deel mogen nemen aan de verkiezing van de leden van de Raad van Bestuur van de gedaagde sub A, welke verkiezing gehouden zal worden op zaterdag 23 maart 2019 dan wel op een andere door gedaagde sub A te bepalen datum.

4.2 Schorst het besluit, zoals dat thans bekend is gemaakt van de verkiezingscommissie tot goedkeuring van de kandidaatstelling van gedaagde sub B voor de functie van Deken van gedaagde sub A bij de verkiezingen d.d. zaterdag 23 maart 2019 totdat over de rechtsgeldigheid daarvan in een bodemprocedure onherroepelijk zal zijn beslist.

4.3 Verbiedt gedaagden sub A en sub B de kandidaatstelling van gedaagde sub B te handhaven op de dag der verkiezing, zaterdag 23 maart 2019, dan wel op een andere door gedaagde sub A te bepalen datum.

4.4 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

4.5 Veroordeelt gedaagden sub A en sub B in de kosten van het geding, aan de zijde van eisers tot aan deze uitspraak begroot op SRD 500, – (vijfhonderd Surinaamse Dollar).

4.6 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.J.S. Bradley, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op vrijdag 22 maart 2019 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-1998-37

Hof van Justitie
02 februari 1998, 1998 no. 02
(Mrs. Sh. Gangaram Panday, A.I. Ramnewash, W.R. Willemzorg, P.G. Wolff, K. Pultoo)

Het Hof van Justitie van Suriname in revisie;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Derde Kanton op 6 april 1990 gewezen en uitgesproken alsmede, het in afschrift overgelegde vonnis, door het Hof van Justitie van Suriname op 26 januari 1994, rechtdoende in hoger beroep, gewezen en uitgesproken -welke vonnissen hier als geheel geïnsereerd worden beschouwd- tegen:

[verzoeker], oud 50 jaar, van beroep architect tevens industrieel, geboren in Suriname, wonende te [district], Suriname en in Nederland te [woonplaats], thans verzoeker;

Gelet op het namens verzoeker door Mr.dr. Rene M. Reeder en Mr. Armand van der San, beiden advocaten bij het Hof van Justitie, ingediend revisieverzoek, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 1 november 1996, strekkende tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van het Hof van Justitie, rechtdoende in hoger beroep van 26 januari 1994; Gelet op de beschikking d.d. 2 april 1997 gegeven door het Hof van Justitie in raadkamer, inhoudende de ontvankelijk verklaring van verzoeker alsmede verwijzing van de zaak naar de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie, voor verdere behandeling;

Gelet op het onderzoek in beide instanties alsmede het onderzoek in revisie, welke revisiebehandelingen ter openbare terechtzittingen plaatsgevonden hebben op 22 december 1997, 12 januari 1998 en 2 februari 1998;

Gelet op de getuigen in hun beëdigde verklaringen in revisie, blijkende uit het daarvan opgemaakte processen-verbaal;

Gehoord het Openbaar Ministerie;

1. De uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd:
Het Hof van Justitie, rechtdoende in hoger beroep, heeft verzoeker ter zake van ”oplichting” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) maanden met aftrek van de tijd vanaf 6 april 1989 t/m 5 juni d.a.v. in voorarrest doorgebracht, welk feit hem onder I van de telastelegging was verweten, met vrijspraak van de andere onderdelen van de telastelegging onder II, III en IV.

2. De grondslag van het revisieverzoek:
Verzoeker heeft het verzoek doen steunen op de omstandigheden -zakelijk weergegeven- dat hij de benodigde goederen voor het CIS-project heeft verkocht en geleverd uit eigen voorraad, welke goederen voor 4 maart 1987 in zijn magazijnen aanwezig waren; dat de directeuren van het Ministerie van Openbare Werken (O.W.) en het Centraal Importbedrijf Suriname (CIS) daarvan wetenschap hadden; dat verzoeker voor wat betreft de verkoop en levering van materialen gehandeld heeft als industrieel en handelaar; dat verzoeker niet persoonlijk als ontwerper en toezichthouder bij het betreffende bouwprojekt betrokken is geweest, doch het Architectenbureau B. N.V. i.o.; dat de brief van 4 maart 1987 – als produktie in de gedingstukken voorkomende – gezien moet worden als een confirmatie van hetgeen betrokken partijen overeengekomen waren over de benodigde bouwmaterialen en prijzen. (grond I).

En voorts op de omstandigheid – eveneens zakelijk weergegeven- dat verzoeker veroordeeld is voor het niet terzake bewezenverklaarde. (grond II).

3. De beoordeling van het revisieverzoek:
3.1 Vooreerst merkt het Hof op dat deze uitsluitend zal ingaan op die grond die relevant is voor de beoordeling van de herzieningsaanvrage, te weten grond I.

3.2 Uit het onderzoek in revisie is genoegzaam komen vast te staan dat de brief van 4 maart 1987, de kenmerken van een offerte (aanbod) vertoont. Immers niet is gesteld noch anderszins gebleken dat verzoeker uitsluitend tegen geldende prijzen – die in casu eveneens niet zijn komen vast te staan nl. welke die prijzen precies zouden moeten zijn – mocht offreren danwel bij zijn prijsvaststelling aan andere restricties onderworpen was, zodat, bij gebreke van contra-indicaties, in rechte aangenomen moet worden dat hij, verzoeker, de vrijheid had om zelf de prijzen vast te stellen voor de benodigde materialen.

3.3 Het Hof in revisie is van oordeel dat deze gereleveerde omstandigheid –nl. dat de brief van 4 maart 1987 een offerte inhoudt- voordien tijdens het onderzoek in eerste aanleg alsmede in hoger beroep niet substantieel uit de verf is gekomen, weshalve deze omstandigheid als novum in de zin van art. 386 eerste lid aanhef onder sub 2 van het Wetboek van Strafvordering aangemerkt moet worden.

3.3 Blijkens de brief van 4 maart 1987 zijn de daarin geoffreerde prijzen en bouwmaterialen geconfirmeerd door de heren [naam 1](toentertijd waarnemend direkteur van O.W.) en [naam 2] (toentertijd direkteur van het CIS), waardoor tussen de betrokken partijen wilsovereenstemming bestond met betrekking tot de prijzenvaststelling en de levering van de benodigde bouwmaterialen.

3.4 Het Hof neemt daarbij tevens in aanmerking de stelling dat verzoeker – anders dan een reguliere directievoerder c.q. toezichthouder – tevens belast was met inkoop/verkoop/levering van de benodigde bouw-materialen. Ter adstructie van deze stelling, ten grondslag liggend aan de aanvrage, is namens verzoeker door diens raadslieden aangevoerd dat bij met name de heren [naam 1] en [naam 2], hij, verzoeker, tevens bekend staat als handelaar en industrieel in welke hoedanigheden de verkoop en levering van de benodigde bouwmaterialen aan het CIS hebben plaatsgevonden. Ter staving van deze hoedanigheden heeft verzoeker een kopie van inschrijving uit het Handelsregister overgelegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in alle instanties, noch uit de inhoud van het strafdossier is, naar het oordeel van het Hof in revisie, gebleken dat verzoeker inzake de verkoop e/o levering van de betreffende bouwmaterialen geen winsten mocht maken. Daar komt nog bij kijken dat verzoeker tevens de benodigde bouwmaterialen, althans een (aanzienlijk) deel daarvan, uit eigen voorraad heeft geleverd. In ieder geval kan uit de processtukken het tegendeel van het zoeven vermelde niet worden opgemaakt.

3.5 De hierboven gereleveerde nieuwe omstandigheid inhoudende de goedgekeurde offerte bezien tegen de achtergrond van hetgeen in r.o. 3.4 is overwogen, voert, teruggekoppeld naar de telastelegging onder I, welke is toegespitst op oplichting (artikel 386 van het Wetboek van Strafrecht),- ter zake waarvan verzoeker na bewezenverklaring is veroordeeld – tot de slotsom dat de bestanddelen van bedoelde telastelegging inzake de oplichtingsmiddelen niet bewezen kunnen worden aangenomen, zodat vrijspraak van het telastegelegde onder I moet volgen.

3.6 Namens verzoeker is door de verdediging het verzoek gedaan tot teruggave van de indertijd ten laste van verzoeker inbeslaggenomen goederen. Nu het oorspronkelijk dossier verbrand is en uit het thans aanwezige schaduw-dossier niet uit te maken is, welke goederen toentertijd als vermeld inbeslag waren genomen, zal het Hof over het verzoek ter zake niet beslissen omdat het Hof daartoe niet in staat is, de verzoeker in overweging gevende dat indien hij over de nodige gegevens van de inbeslagneming beschikt, hij bij de Kantonrechter de teruggave van die goederen alsnog zal kunnen vorderen.

Rechtdoende in revisie
Vernietigt het vonnis van 26 januari 1994 door het Hof van Justitie gewezen en uitgesproken tegen de veroordeelde [verzoeker];

En alsnu opnieuw rechtdoende in revisie

Verklaart het herzieningsverzoek gegrond;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder I van de telastelegging, te weten oplichting is telastegelegd, zoals opgenomen in het vonnis van het Hof van Justitie, rechtdoende in hoger beroep d.d. 26 januari 1994; Spreekt hem daarvan vrij;

Verklaart niet in staat tot het geven van een last omtrent de teruggave van de eventueel inbeslaggenomen goederen.

SRU-K1-2015-2

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 15-3848
26 augustus 2015

Vonnis in het kort geding in de zaak van:

[eisers],
beiden wonende te [district],
eisers in kort geding,
gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,
met name de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te diens Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gemachtigde: mr. C. Klein, officier van justitie,

B. [gedaagde sub b],
wonende te [district],
gedaagde in kort geding,
gevolmachtigde: mr. E.F. van der Hilst, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Het verloop van het proces blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het verzoekschrift dat met de producties op 25 augustus 2015 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 26 augustus 2015;
– het mondeling afpleiten d.d. 26 augustus 2015;
– de comparitie van partijen d.d. 26 augustus 2015.

2.1 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 13 augustus 2015 is tijdens een brand in een woning te [district] overleden [naam 1] (verder te noemen: de overledene).

2.2 Tijdens leven was de overledene gehuwd met gedaagde sub B en wel op 20 augustus 1996. Door dit huwelijk is de zoon [naam 2] gewettigd, tevens is uit dit huwelijk geboren [naam 3], beiden nog minderjarig.

2.3 Tijdens leven had de overledene een concubinaatrelatie met [naam 4]. Uit deze concubinaatrelatie zijn twee kinderen geboren, te weten [naam 5] en [naam 6] .

2.4 De hiervoor genoemde vrouwspersoon en kinderen zijn tezamen met de overledene tijdens de onder 2.1 vermelde brand overleden. De kinderen waren ten tijde van de brand zeven maanden oud.

2.5 Op 12 december 2013 had gedaagde sub B een vordering tot echtscheiding bij de kantonrechter ingediend tegen de overledene, welke zaak bekend staat onder A.R. No. 13-5442. In het verzoekschrift (van welk verzoekschrift een fotocopie als productie 3 is overgelegd) heeft gedaagde sub B aan haar vordering ten grondslag gelegd dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, welke duurzame ontwrichting zij onder meer als volgt in het verzoekschrift heeft onderbouwd: “[gedaagde sub b]wenst onderhavige vordering tot echtscheiding op grond van artikel 262 van het Burgerlijk Wetboek in te dienen vanwege de duurzame ontwrichting van het huwelijk, welke bestaat tussen haar en [naam 1]. Partijen wonen vanaf mei 2010 gescheiden in verband met de verzorging van hun gehandicapte dochter. [gedaagde sub b] woont met [naam 3] in [land 1] en [naam 1] en [naam 2] wonen in [land 2]. Thans is gebleken dat [naam 1] reeds jaren een buitenechtelijke relatie heeft welke zorgt voor de verdere ontwrichting van het huwelijk. [gedaagde sub b] wenst op grond hiervan de echtscheiding in rechte te vorderen”.

2.6 In haar conclusie van repliek (van welke conclusie een fotocopie als productie 4 is overgelegd) had gedaagde sub B in reactie op hetgeen de overledene in zijn conclusie van antwoord had aangevoerd het volgende gesteld: “In tegenstelling tot hetgeen [naam 1] beweert in alinea 3, heeft hij zelf na indiening van zijn conclusie van antwoord aan [gedaagde sub b] bevestigd dat hij een buitenechtelijke relatie heeft, alsook dat deze dame in verwachting is van hem. Het is dus aan de schuld van [naam 1] te wijten dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.(…).

Nu [naam 1] geen moeite heeft met de echtscheidingsvordering kan de echtscheiding worden uitgesproken. En gelet op het feit dat deze ontwrichting aan de schuld van [naam 1] is te wijten en [gedaagde sub b] door toedoen van [naam 1] en de verzorging van [naam 3] geen eigen inkomsten heeft dient [naam 1] haar wel te alimenteren. Daartoe is hij in staat nu hij dat ook al die jaren heeft gedaan”.

2.7 Bij vonnis van de kantonrechter is op 04 mei 2015 de echtscheiding tussen gedaagde sub B en de overledene, toen nog in leven zijnde, uitgesproken in de zaak bekend onder A.R. No. 13-5442.
Dit vonnis is op 19 augustus 2015 aan de gemachtigde van de overledene afgestaan.

2.8 Eisers zijn de ouders van de overledene:
Op 24 augustus 2015 heeft de gemachtigde van eisers een schrijven namens eisers aan de waarnemend procureur-generaal gericht (van welk schrijven een fotokopie als productie 5 is overgelegd) om over het lijk van de man, zijnde hun zoon (wijlen), te kunnen beschikken. Terzake heeft de gemachtigde het volgende in het schrijven verwoord:
“(…)
Cliënten deelden mij mede dat op 13 augustus 2015 hun zoon de heer [naam 1] is overleden als gevolg van verstikking door rookwolken bij een brand welke heeft gewoed aan [adres]. Cliënten deelden mij verder mede dat zij thans niet over het lijk van hun zoon kunnen beschikken, omdat zijn thans zijnde weduwe mevrouw [gedaagde sub b] het lijk van de heer [naam 1] thans opeist.

Geachte heer Procureur-Generaal bij deze doet ondergetekende namens zijn cliënten het verzoek aan u om het lijk van hun zoon de heer [naam 1] aan hen te willen afstaan, omdat bij hen de goed gegronde vrees bestaat dat indien het lijk van hun zoon de heer [naam 1] in handen van de mevrouw [gedaagde sub b] komt zij hem op een oneervolle manier naar zijn laatste rustplaats zal brengen.
Te Uwer informatie deel ik U mede dat de heer [naam 1] en mevrouw [gedaagde sub b] niet meer met elkaar leefden en dat de echtscheiding tussen hen verder al op 14 mei 2015 in de zaak bekend onder A.R. No. 13-5442 is uitgesproken, doch hebben zij dit vonnis niet kunnen inschrijven, omdat zij de stukken na de uitgesproken echtscheiding niet gelijk hebben kunnen ontvangen om zulks te kunnen doen”.

2.9 Op 24 augustus 2015 heeft de waarnemend Procureur-Generaal de volgende reactie op het schrijven van de gemachtigde van eisers (welke schriftelijke reactie als productie 6 is overgelegd) gegeven:
“Naar aanleiding van uw brief d.d. 24 augustus 2015, met als onderwerp afgifte van het lijk van de heer [naam 1], moge ik U als volgt berichten.

Aan uw verzoek om afgifte van het stoffelijk overschot van dhr. [naam 1] kan vooralsnog geen uitvoering worden gegeven wegens de ontvangst van een brief afkomstig van mw. [gedaagde sub b], waarin zij eveneens vraagt om afgifte aan haar van voormeld stoffelijk overschot.

Indien mocht blijken dat het echtscheidingsvonnis tussen [naam 1] en [gedaagde sub b] niet is ingeschreven bij de burgerlijke stand, zal mw. [gedaagde sub b] de gerechtigde zijn aan wie tot afgifte als verzocht zal worden beslist.

Gaarne verneem ik van U op uiterlijk 25 augustus 2015 omstreeks 14.00 uur omtrent eventueel door u te ondernemen gerechtelijke stappen die mijn besluit zouden kunnen beïnvloeden.”

3. De vordering, de grondslag en het verweer
3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:
a) gedaagde sub A te verbieden om het stoffelijk overschot van wijlen de heer [naam 1], die is geboren op [geboortedatum] en overleden op 13 augustus 2015 aan gedaagde sub B af te staan;

b) gedaagde sub B te veroordelen om het stoffelijk overschot van wijlen de heer [naam 1] die is geboren op [geboortedatum] en overleden op 13 augustus 2015 aan eisers af te staan;

c) gedaagde sub A te veroordelen tot het betalen van een dwangsom groot SRD 10.000,- voor elke dag en/of keer dat zij mocht nalaten te voldoen aan het onder sub A en/of B van dit petitum gevorderde bij veroordeling daarvan;

d) gedaagden te veroordelen in de kosten van dit geding;

Subsidiair:
a) gedaagde sub B te verbieden om tot de ter aarde stelling c.q. begrafenis van wijlen de heer [naam 1] die is geboren op [geboortedatum] en overleden op 13 augustus 2015 over te mogen gaan alvorens er een schriftelijke goedkeuring over de ter aardestelling c.q. begrafenis van wijlen de heer [naam 1] die is geboren op [geboortedatum] en overleden op 13 augustus 2015 door eisers aan gedaagde sub B is gegeven;

b) gedaagde sub B te veroordelen tot het betalen van en dwangsom grot SRD 10.000,- voor elke dag en/of keer dat zij mocht nalaten te voldoen aan het onder sub A van dit petitum gevorderde bij veroordeling daarvan;

c) gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding;

Tertiair:
a) gedaagde sub A te verbieden om het stoffelijk overschot van wijlen de heer [naam 1], die is geboren op [geboortedatum] en overleden op 13 augustus 2015 aan gedaagde sub B af te staan alvorens zal zijn beslist in bodemprocedure of het stoffelijk overschot van wijlen de heer [naam 1], die is geboren op [geboortedatum] en overleden op 13 augustus 2015 aan gedaagde sub B mag worden afgestaan;

b) gedaagde sub A te veroordelen tot het betalen van een dwangsom groot SRD 10.000,- voor elke dag en/of keer dat zij mocht nalaten te voldoen aan het onder sub A en/of B van dit petitum gevorderde bij veroordeling daarvan;

c) gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

3.1.1 Eisers hebben, naast de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende aan hun vordering ten grondslag gelegd:
– gedaagde sub A heeft in eerste instantie ingestemd om het stoffelijk overschot van de man aan hen, eisers, af te staan, en wel op hun verzoek;

– hierna heeft gedaagde sub B zich als echtgenote van de man bij gedaagde sub A aangemeld en het stoffelijk overschot van de man opgeëist;

– tussen de man en gedaagde sub B bestond er geen man-vrouw relatie meer, omdat beiden al geruime tijd afzonderlijk woonden en de man zijn leven heeft voortgezet met [naam 4] en zij deze concubine en de twee kinderen hebben geaccepteerd;

– de man, de concubine en de twee kinderen zijn allen op één dag, één tijdstip en één plaats op dezelfde wijze omgekomen, en wensen eisers hen als één gezin naar hun laatste rustplaats te brengen, doch vormt gedaagde sub B een obstakel hierin;

– gedaagde sub B heeft geen enkel belang om het stoffelijk overschot van de man op te eisen. Om die reden bestaat bij eisers de gegronde vrees dat gedaagde sub B de man op oneerbiedige wijze en onrespectvolle wijze zal begraven en gedaagde sub B de man niet samen met de concubine en overleden kinderen zal begraven. Het is immers gedaagde sub A geweest die in het echtscheidingsproces heeft kenbaar gemaakt niets met de overledene te maken te willen hebben.

3.2 Gedaagden hebben het mondeling pleidooi dan wel na gehoord te zijn verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van eisers, zodat zij in hun vordering zullen worden ontvangen.

4.2 Vanwege de relatie tussen 1) eisers en gedaagde sub B, zijnde schoonouders-schoondochter relatie, 2) de relatie tussen eisers en de overleden concubine, 3) de relatie tussen de overledene en de twee overleden minderjarige kinderen, zijnde een vader-kind relatie, 4) de relatie tussen eisers en de twee overleden minderjarige kinderen, zijnde grootouders-kleinkind relatie, 5) de relatie tussen de kinderen [naam 3] en [naam 2] en de overledene, zijnde een vader-kind relatie, 6) de relatie tussen de kinderen [naam 3] en [naam 2] en de overleden kinderen, zijnde een broer-zus relatie, heeft de kantonrechter gepoogd een middenweg te zoeken in verband met de uitvaart van de overledene en diens overleden concubine en twee minderjarige kinderen. Pogingen daartoe hebben niet geleid tot het gewenste resultaat, zodat thans zal worden overgegaan tot het nemen van een beslissing in de onderhavige zaak.

4.3 De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag aan wie in redelijkheid het stoffelijk overschot van de overledene kan worden afgestaan. Rechtens staat vast dat gedaagde sub B tot het overlijden van de overledene nog met hem gehuwd is geweest, doch betekent zulks geenszins dat het lichaam of stoffelijk overschot van de overledene aan haar dient te worden afgestaan. In dat licht brengt de kantonrechter partijen onder de aandacht dat een lichaam of stoffelijk overschot geen vermogensrechtelijke zaak is waarop eigendomsrechten van toepassing zijn. De beschikking betreffende een lijk, oftewel stoffelijk overschot is familierechtelijk van aard en wordt in dat licht bekeken wie met de overledene tijdens leven een nauwe betrekking had tot diens overlijden. Uit de feiten en omstandigheden die uit de inhoud van de producties zijn gebleken, en tijdens de comparitie van partijen aan het licht zijn gekomen is voor de kantonrechter voldoende aannemelijk dat tussen de overledene, de overleden concubine en de twee overleden minderjarige kinderen, er een affectieve en duurzame relatie bestond. Dit in tegenstelling tot gedaagde sub B, die het verzoek tot echtscheiding tegen de overledene in het jaar 2013 had ingediend en tot diens overlijden al geruime tijd niet meer met hem samenwoonde. Voldoende aannemelijk is dat de overledene met de overleden concubine een affectieve een duurzame relatie had, welke relatie beiden na het echtscheidingsverzoek van gedaagde sub B tot het overlijden van de overledene hebben voortgezet, beiden tijdens die relatie het grootste deel samen doorbrachten tezamen met de twee overleden kinderen, en ook een goede band hadden met eisers. Op grond van de hiervoor aan het licht gekomen feiten en omstandigheden in onderling samenhang beschouwd en gelezen, en gelet in het bijzonder op de relatie tussen eisers en gedaagde sub B, de relatie tussen eisers en de twee kinderen die uit gedaagde sub B zijn geboren, de relatie tussen eisers en de vier overleden personen, acht de kantonrechter het in dit specifiek geval redelijk het stoffelijk overschot van de overledene aan eisers, die de ouders tevens bloedverwant van de overledene zijn, te doen afstaan. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat gedaagde sub B vrij is de uitvaart van de overledene bij te wonen en haar geen verbod door eisers zou zijn opgelegd.

De kantonrechter begrijpt het standpunt van gedaagde sub B dat het voor haar als gehuwde vrouw, niet acceptabel is dat de uitvaart van de overledene tezamen met de overleden vrouw/concubine en twee overleden minderjarige kinderen simultaan in hetzelfde gebouw en dezelfde locatie kan plaatsvinden, doch dient rekening te worden gehouden met de vermoedelijke wens van de overledene die naar het erop lijkt er geen bezwaar tegen zou hebben om tezamen met de overleden concubine en twee minderjarige kinderen simultaan op dezelfde dag en plaats te worden begraven.

4.4 Uit hetgeen onder 4.3 is overwogen volgt dat de primair gevraagde voorziening zal worden toegewezen. Gedaagde sub A zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
5.1 Verbiedt gedaagde sub A om het stoffelijk overschot van wijlen de heer [naam 1] die geboren is op [geboortedatum] en overleden op 13 augustus 2015 aan gedaagde sub B af te staan.

5.2 Gelast gedaagde sub A om het stoffelijk overschot van wijlen de heer [naam 1] die geboren is op [geboortedatum] en overleden op 13 augustus 2015 aan eisers af te staan.

5.3 Veroordeelt gedaagde sub A tot betaling van een dwangsom groot SRD 10.000,- (Tienduizend Surinaamse Dollar), voor elke keer of dag dat zij mocht nalaten te voldoen aan het besliste onder 5.1 en 5.2.

5.4 Verklaart hetgeen onder 5.1, 5.2 en 5.3 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt gedaagde sub A in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 300,- (Driehonderd Surinaamse Dollar).

5.6 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op woensdag 26 augustus 2015 te Paramaribo in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. A. Sewgobind.

w.g. A. Sewgobind w.g. S.M.M. Chu

SRU-K1-1954-1

Kantonrechter in het eerste Kanton
2 Februari 1954, SJ 1955 no. 10
(Mr. Carrière)[1])

[eiser], wonende te [district], eiser, adv. G.J.C. van der Schroeff,

tegen

[gedaagde] wonende te [district], gedaagde, adv. Mr. F.H.R. Lim Apo.

De Kantonrechter in Eerste Kanton; enz.

Ten aanzien van het recht

Post alia:

O., dat ([huurster] het perceel in huur had, toen dit door eiser van [getuige] werd gekocht Red.) en ingevolge art. 1597 Sur. B.W. deze huur door bedoelde koop en verkoop niet werd verbroken;

O., dat blijkens verklaring van [getuige] in deze huur, zij het dan stilzwijgend, was begrepen het recht om op het perceel een huis te zetten en dit recht en anderzijds de verplichting van de eigenaar-verhuurder om het zetten van een huis op het perceel door de huurster te gedogen, ingevolge gemeld art. 1597 mede na vermelde koop zijn blijven voortbestaan;

Dat zich hier toch voordoet de in het rechtsleven van Suriname voorkomende figuur, dat de huurder van een perceel zonder uitoefening daarop van een zakelijk recht krachtens zijn overeenkomst met de grondeigenaar een woonhuis heeft op de aan deze in eigendom toebehorende grond, welke rechtsfiguur weliswaar door de Surinaamse wetgever niet is geregeld, maar met welker bestaan hij wel rekening heeft gehouden in art. 9, 2e lid der Huurbeschermingsverordening 1949 (zie Hof van Justitie, 10 October 1952 inzake Gebiedsdeel Suriname vs [naam] [2]);

Dat nu bij deze rechtsfiguur, welke in het Surinaamse rechtsleven lang geen zeldzaamheid is, intgendeel bij de justiciabelen tamelijk is ingeburgerd en welke als woonerfhuur kan worden betiteld, de overeenkomst niet uiteen valt in een gewone huur en een opstalrecht, doch het recht om een huis op de grond te hebben behoort tot het wezen van deze woonerfhuur en alle rechten en verplichtingen, welke tot het wezen van de huurovereenkomst behoren, ingevolge art. 1597 op de nieuwe eigenaar overgaan [3]);

O., dat dus [huurster] ook na de koop van het litigieuze perceel door eiser het recht heeft behouden om daarop een woonhuis te bouwen, zonder dat eiser daarvoor toestemming had te geven en dit bouwen derhalve aan haar niet door eiser zou kunnen worden verweten;

Gelet enz.

[1] Bekrachtigd door het Hof van Justitie, 6 mei 1955.
[2] Opgenomen in Surinaamse Jurisprudentie 1952 onder no. 17.
[3] Zie ook nog Star Nauta Carsten t.a.p., bldzz. 226/227.

SRU-K1-2017-3

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 14-3501
03 april 2017

Vonnis in de zaak van:

[Eiser ]
wonende te [district],
eiser,
gevolmachtigde: mr. H.H. Vreden,

tegen

DE STAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 1 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: voorheen mr. Ch.N. Mijnals, advocaat, die zich op 01 juni 2015 heeft onttrokken; vervolgens mr. E. Naarendorp, advocaat, die zich op 06 juli 2015 heeft gesteld en op 02 mei 2016 heeft onttrokken; thans mr. N.U. van Dijk die zich op 02 mei 2016 heeft gesteld.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

– het inleidend verzoekschrift dat op 04 augustus 2014 met bijlagen op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis d.d. 20 oktober 2014;
– de conclusie van antwoord d.d. 16 februari 2015;
– de conclusie van repliek d.d. 16 maart 2015;
– conclusie van dupliek d.d. 06 juli 2015;
– de rolbeschikking tot het houden van een comparitie van partijen d.d. 04 april 2016;
– het proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen d.d. 07 oktober 2016;
– de conclusie tot uitlating zijdens eiser d.d. 05 december 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

2.1 Eiser vordert, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

– de verklaring voor recht dat eiser door verjaring de eigendom heeft verkregen van het perceel gelegen in het district Suriname te Afdeling I Sectie Mattonshoop no.’s 195 en 196 (hierna het perceel);
– veroordeling van gedaagde om binnen een maand na betekening van het vonnis mee te werken aan de overschrijving van het perceel op naam van eiser in de openbare registers;
– te bepalen dat een kopie van het vonnis wordt overgeschreven in de registers van het hypotheekkantoor.

2.2 De grondslag

Aan zijn vordering heeft eiser de grondslag gelegd dat hij het perceel bij huurkoopovereenkomst van 18 februari 1975 tegen een bedrag van Srg 3.060, – van [Naam 1] heeft gekocht. In 1983 heeft eiser de huurkoopsom afbetaald, maar [Naam 1] noch diens erfgenamen hebben het perceel aan hem geleverd. Eiser beroept zich op verkrijgende verjaring, omdat hij reeds langer dan 30 jaren te goeder trouw het voortdurend bezit van het perceel heeft.

2.3 Het verweer

Gedaagde voert verweer daarop, indien en voor zover van belang, in het navolgende teruggekomen zal worden.

3. De beoordeling

3.1 Gedaagde heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van eiser en voert als meest verstrekkend verweer dat eiser onvoldoende belang heeft bij diens vorderingen tegen de Staat in de voorliggende zaak. Gedaagde beroept zich op het adagium point d’interet, point d’action en voert daarbij aan dat de Staat op geen enkele wijze betrokken is dan wel betrokken is geweest bij de huurkoopovereenkomst van 18 februari 1975 die aan de onderhavige vorderingen ten grondslag ligt. Ook is nimmer sprake geweest van een procedure tussen eiser en de Staat waaruit een recht van eiser op het perceel is voortgevloeid. Nota bene staat niet vast dat aan eiser het recht tot overschrijving van het perceel rechtmatig toekomt.

3.2 Ter comparitiezitting van 07 oktober 2016 heeft de gevolmachtigde van de Staat, mevrouw Agard, Y.I., onder meer verklaard dat onderzoek door haar gepleegd heeft uitgewezen dat het betreffend onroerend goed een perceel betreft met de titel van eigendom. Voorts heeft zij aangevoerd dat de Staat, meer specifiek het ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond en Bosbeheer, domeingrond met het daarop gevestigd recht van grondhuur uitgeeft. Indien sprake is van uitgifte van het recht van grondhuur op domeingrond, kan de Staat in rechte worden betrokken door belanghebbenden met betrekking tot dat recht.

3.3 De huurkoopovereenkomst waaruit de verbintenissen tot betaling van de huurkoopsom en de levering van het perceel voortvloeien, is gesloten tussen [Naam 1] in privé en als gevolmachtigde van [Naam 2], en [Naam 3] enerzijds en [Verzoeker] anderzijds. Indien eiser een materiele aanspraak heeft en hij het subjectief recht dat hem toekomt wil effectueren, dan kan hij in het onderhavige geval de wederpartij of erfgenamen van de wederpartij in rechte betrekken.

3.4 Eiser gaat er echter vanuit dat nu een orgaan dat onderdeel is van de Staat, belast is met de overschrijving van onroerende goederen in het kadastrale register en daarom zal moeten meewerken aan de overschrijving, hij, eiser, de Staat in rechte kan betrekken. Voor deze gedachtegang van eiser, in casu beoordeeld in het verband van de feiten en omstandigheden als hiervoor overwogen, bieden de beginselen van burgerlijke rechtsvordering en de wet evenwel geen aanknopingspunten voor het aannemen van voldoende concreet belang bij het uitoefenen van een actierecht door eiser tegen de Staat.

3.5 Eiser zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen tegen de Staat.

3.6 Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in dit vonnis is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

3.7 Eiser zal in de proceskosten worden verwezen

4. De beslissing

4.1 Verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vorderingen tegen gedaagde.

4.2 Veroordeelt eiser in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter lid-plaatsvervanger in het eerste kanton, en in het openbaar uitgesproken op maandag 03 april 2017 te Paramaribo, in van aanwezigheid de griffier.

w.g. S. Andea w.g. S.J.S. Bradley

SRU-K1-2015-1

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 153507
5 oktober 2015

Vonnis in de zaak van

[eiser], wonende te [district],
gemachtigde: mr. A. Adelaar, advocaat,
eiser in kort geding,

tegen

GREENHEART (SURINAME) NV, gevestigd en kantoorhoudende in Paramaribo,
gemachtigde: mr. R. Boldewijn, advocaat,
gedaagde in kort geding.

1. Het proces verloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 6 augustus 2015 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord, met productie;
– de conclusie van repliek, met productie;
– de conclusie van dupliek;
– de rolbeschikking d.d. 14 augustus 2015 aangetekend op de kaft van het procesdossier;
– het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 15 september 2015;
– de conclusie tot uitlating na comparitie van partijen zijdens eiser, met producties;
– de conclusie tot uitlating na comparitie en uitlating producties, zijdens gedaagde.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiser is reeds 12 jaar in dienst van gedaagde, laatstelijk in de functie van “warehouse foreman”.

2.2 Binnen de organisatie van gedaagde is door gedaagde een eerste arbeidsreglement van toepassing verklaard. Dit reglement is in maart 2014 gedeponeerd bij de griffie der kantongerechten.

2.3 Omstreeks 22 mei 2015 heeft en collega van eiser in opdracht van de Afdeling Human Resources Management van gedaagde aan eiser een boekje met als titel “arbeidsreglement”overhandigd. Ook werd aan eiser ter ondertekening aangeboden een document waarin een tekst was opgenomen die erop neerkomt dat eiser het arbeidsreglement in ontvangst heeft genomen en geen bezwaar heeft tegen de inhoud van het reglement en zich hieraan zal verbinden.

2.4 Eiser heeft geweigerd om het document te ondertekenen.

2.5 Bij schrijven van 24 juni 2015 heeft gedaagde aan eiser medegedeeld dat hij tot 8 juli 2015 de gelegenheid heeft om in te stemmen met het reglement. In dat schrijven staat tevens vermeld dat hij, indien hij zich niet kan verenigen, dat betekent dat hij vanaf 9 juli 2015 niet meer werkzaam is bij gedaagde en dat zij verwachten dat hij op 10 juli 2015 op de HR afdeling komt voor de financiële afhandeling. Voorts wordt hem verzocht om de bedrijfseigendommen te overhandigen aan de HR afdeling.

2.6 Bij schrijven van 10 juli 2015 heeft eiser aan gedaagde medegedeeld dat hij bereid is de bedongen arbeid te verrichten en dat hij wacht op een oproep daartoe. Voorts dat hij aanspraak maakt op zijn loon omdat gedaagde hem niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn werkzaamheden te verrichten terwijl hij daartoe wel bereid was en is.

2.7 Bij schrijven van dezelfde datum heeft gedaagde aan eiser medegedeeld dat zijn aanbod tot hervatting van de werkzaamheden niet te kunnen plaatsen nu de opzegging van de dienstbetrekking door hem zelf is geschied.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering
Eiser vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
– Gedaagde veroordeelt om binnen 1 x 24 uur na uitspraak eiser in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden te hervatten en volgens dienstrooster te verrichten en te continueren totdat het dienstverband op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;
– Gedaagde veroordeelt tot betaling aan eiser van het achterstallig loon ingaande 1 juli 2015, alsmede de verschuldigde verhoging wegens de vertraging in de betaling, vermeerderd met de wettelijke rente;
– Gedaagde veroordeelt om maandelijks tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen zijn salaris en emolumenten totdat de dienstbetrekking op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;
– Gedaagde veroordeelt om aan eiser toegang te verlenen tot de secundaire voorzieningen binnen het bedrijf zoals vrije geneeskundige behandeling;
– Gedaagde veroordeelt tot betaling van een dwangsom voor iedere keer dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling hierboven te voldoen en voorts
– Gedaagde veroordeelt om aan eiser te betalen de advocaatkosten en deurwaarderskosten, ad SRD. 3.780,= en SRD 222,= en voorts
– Gedaagde veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2 De grondslag
Eiser heeft als grondslag voor zijn vordering aangevoerd dat het dienstverband nog in stand is. Het enkele feit dat eiser niet voor accoord heeft getekend heeft niet als gevolg dat het dienstverband is beëindigd. Het zich niet accoord willen verklaren met het reglement kan niet als opzegging van de arbeidsovereenkomst worden aangemerkt. Voorts zal voor een opzegging zijdens gedaagde een ontslagvergunning moeten worden aangevraagd. Het ontslag waar gedaagde zich op beroept is nietig en van geen enkele waarde. Door die onrechtmatige houding van gedaagde heeft eiser een advocaat in de hand moeten nemen, hetgeen ook op gedaagde verhaald zal worden evenals de deurwaarderskosten.

4. Het verweer
Gedaagde heeft als verweer onder andere het volgende naar voren gebracht: 1. de werknemers, waaronder eiser, hadden tot uiterlijk 15 juni 2015 de gelegenheid om zich uit te laten over de vraag of zij zich met het reglement konden verenigen; 2. eiser is nimmer gedwongen om terstond te tekenen doch het getekende document diende wel binnen de vastgestelde termijn ingediend te worden bij de HR afdeling; 3. de werknemers en eiser hebben tijdens verschillende sessies uitleg gekregen over het aangepaste reglement; 4. eiser heeft nimmer, alhoewel hij daartoe de gelegenheid had, kanttekeningen geplaatst bij het reglement; 5. eiser heeft geweigerd om het reglement te accorderen; 6. het al dan niet in onderhandeling zijn over de CAO betekent niet dat eiser niet hoefde te tekenen; 7. in het reglement zijn geen bepalingen opgenomen die in strijd zijn met de wet; 8. gedaagde heeft aan eiser vaker voorgehouden wat de gevolgen zijn van het niet accorderen van het reglement waarbij verwezen werd naar artikel 1613k BW; 9. door te weigeren het reglement te accorderen heeft eiser de arbeidsovereenkomst opgezegd; 10. gedaagde hoefde door de regeling in artikel 1613k BW geen ontslagvergunning aan te vragen, immers heeft eiser zelf de dienstbetrekking opgezegd; 11. gedaagde heeft niet onrechtmatig gehandeld.

5. De Beoordeling
5.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen.
5.2 De vraag die partijen verdeeld houdt is die of de arbeidsovereenkomst tussen partijen is beëindigd door opzegging zijdens de werknemer, in casu eiser. Hierbij stelt eiser dat hij de arbeidsovereenkomst niet heeft opgezegd en dat zijn weigering om voor accoord te tekenen niet alszodanig kan worden opgevat. Gedaagde stelt het tegenovergestelde en voert aan dat aan eiser is voorgehouden dat het niet willen instemmen met het reglement betekent dat hij de arbeidsovereenkomst opzegt, en dat daarom het niet willen instemmen kan worden aangemerkt als een opzegging zijdens eiser.

5.3 Eiser heeft onder andere naar voren gebracht dat hij niet voor accoord heeft getekend omdat de vakbond aan hem had meegedeeld dat hij niet hoefde te tekenen omdat zij, de vakbond dus, nog in onderhandeling waren met de werkgever over bepaalde punten die in het reglement waren opgenomen. Eiser stelt voorts dat in de rechtspraak is vastgesteld dat pas van een opzegging zijdens een werknemer kan worden uitgegaan indien deze opzegging door de werknemer is geschied middels een duidelijke ondubbelzinnige verklaring van de werknemer, die op een opzegging van de dienstbetrekking is gericht.

5.4 De kantonrechter heeft naar aanleiding van de hiervoor genoemde stellingen en weren van partijen een comparitie van partijen gelast.

5.5 Tijdens de comparitie van partijen zijn – voor zover van belang – de volgende zaken verklaard door eiser: “Toen ik mij na mijn verlof weer aan het werk aanmeldde te [plaats], kreeg ik van de voorman [naam 1] een pen, een papiertje en een arbeidsreglement met de mededeling dat het ondertekend moest worden. Ik heb aangegeven dat ik het reglement niet zondermeer zou ondertekenen, ik wou het eerst doornemen. Van de voorman kreeg ik te horen dat er problemen zouden ontstaan indien ik niet zou ondertekenen. Hij gaf aan dat het ondertekend reglement opgestuurd moest worden naar het hoofdkantoor van gedaagde….ik heb daarna gesproken met de heer [naam 2] van de vakbond. Hij gaf aan dat ik het reglement voor hem moest brengen. Na bestudering heeft de bond aangegeven dat bepaalde artikelen van het reglement niet kloppen. Ik heb tegen [naam 2] gezegd dat ik niet wou ondertekenen. [naam 2] gaf aan dat het reglement tegen de arbeidswet was en dat ik het niet moest ondertekenen…. daarna zijn ene mw. [naam 3] en de heer [naam 4] geweest om met mij te praten over het reglement….ik begreep dat ik ontslagen zou worden indien ik niet zou ondertekenen. [naam 4] gaf aan dat ik tot juni 2015 de gelegenheid had om het te accorderen anders zou ik met ontslag gestuurd worden. Ik heb na die gesprekken mijn werkzaamheden normaal voortgezet. Er is daarna nog een medewerker van gedaagde geweest om met mij te praten over de ondertekening van het reglement…..ik heb aangegeven waarom ik niet wilde tekenen. Die persoon zou het doorgeven aan [naam 5]. Ik had een gesprek gevraagd met [naam 5] om te zeggen waarom ik het niet akkoord was met het reglement maar ik ben niet tevreden met de wijze waarop zij met mij heeft gesproken. Ik werd buiten het kantoor ontvangen en kreeg niet de ruimte om uit te praten. Ik heb daarna een gesprek gehad met de heer [naam 4]. Ik kreeg van hem een ontslagbrief om te ondertekenen waarbij hij aangaf dat ik met vuur zou spelen indien ik dat niet zou doen. Ik heb de brief ontvangen en doorgenomen maar heb niet voor ontvangst getekend. Ik heb verder niets aan [naam 4] gezegd en ben naar huis gegaan. Die brief heb ik aan de bond gegeven. Zij hebben aangegeven dat gedaagde mij niet kan ontslaan vanwege de weigering om het reglement te ondertekenen. Omdat ik het niet eens was met het ontslag heb ik mij op 9 juli 2015 normaal aangemeld voor de werkzaamheden. Een security guard heeft mij op instructie van [naam 5] gezegd dat ik de bedrijfsbus niet mag betreden. Ik ben daarna door hen op straat gezet …”.

5.6 Gedaagde heeft bij monde van haar HRM medewerker de heer [naam 4] – voor zover van belang – de volgende zaken verklaard: “Voorafgaand aan de aanbieding van het arbeidsreglement ter ondertekening zijn de werknemers geïnformeerd geworden over de procedure. Toen ik merkte dat op de bedrijfslocatie [plaats] nog werknemers waren die nog niet hadden ondertekend, ben ik op eigen initiatief ernaar toe geweest om hen uit te leggen welke gevolgen verbonden waren aan het niet ondertekenen, het was niet de bedoeling om iemand te bedreigen. Eiser wou het gesprek kort houden omdat er meerdere personen de kwestie met hem besproken hadden. Hij gaf verder aan dat hij niet van mening zou veranderen. Wij wilden niet dat eiser met ontslag moest, wij wilden hem ook niet kwijt als werknemer. Wij wilden slechts dat hij accoord zou gaan met het arbeidsreglement. De hele situatie is zelf door de werknemers gecreëerd. Op de vraag van de kantonrechter of wij die kwestie van eiser vóór 8 juli met de bond hebben besproken antwoord ik ontkennend. Op 8 juli 2015 heb ik een brief overhandigd aan eiser. Ik heb hem op kantoor uitgenodigd en hem gevraagd of hij bereid was het reglement te ondertekenen. Ik heb hem ook weer voorgehouden wat de gevolgen zouden zijn van het niet ondertekenen. Eiser gaf aan dat hij niet zou ondertekenen. Hij heeft de brief in ontvangst genomen en is vertrokken. “Mevrouw [naam 6] verklaarde: “Op de vraag van de kantonrechter of wij begrepen hadden dat de vakbond instructies had gegeven aan de leden om niet in te stemmen met het reglement, antwoord ik dat wij dat gevoel wel hadden. Wij wilden de arbeiders niet verliezen en hebben daarom met hen gecommuniceerd. De arbeiders moesten, wetende wat de gevolgen waren, bij zichzelf nagaan wat zij zouden doen met de instructies die zij van de bond hadden gekregen”.

5.7 De kantonrechter overweegt dat, gelijk eiser stelt, inmiddels in de rechtspraak is vastgesteld dat van een opzegging zijdens de werknemer pas kan worden uitgegaan indien de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring die op de opzegging is gericht, heeft afgelegd (vide onder andere NJ 1983 no. 2, en verder onder andere LJN AS8387 en BV2623). De ratio voor de in de rechtspraak heersende leer (vide o.a. de conclusie bij LJN AS8387 punt 8 en 9) is alsvolgt verwoord: “de ratio voor het aanleggen van bedoelde strenge maatstaf is daarin gelegen, zoals expliciet uit genoemde jurisprudentie blijkt, dat een vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking voor de werknemers dermate ernstige gevolgen kan hebben dat door de werkgever niet spoedig mag worden aangenomen dat zijn verklaringen en gedragingen daarop zijn gericht …..”.

5.8 In vorenaangehaalde conclusie is ook gesteld: “of sprake is van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring, is een vraag die sterk is verweven met de feiten”. (punt 9).

5.9 Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de feiten die in de onderhavige casus relevant zijn voor de beantwoording van de vraag, dat het uit verklaringen van beide partijen is gebleken, dat de eiser het niet eens was met enkele artikelen in het reglement, dat eiser dat kenbaar heeft gemaakt aan gedaagde, dat eiser op advies van de vakbond vooralsnog heeft geweigerd het reglement te accorderen, dat eiser niet de intentie had de arbeidsovereenkomst op te zeggen en geen duidelijke en ondubbelzinnige verklaring heeft afgelegd dat hij de arbeidsovereenkomst wenst op te zeggen. Ondanks het feit dat in het door de werkgever gehanteerd artikel 1613 k van het Burgerlijk Wetboek staat dat een “weigering moet worden opgevat als een opzegging” heeft in de jurisprudentie een zodanige ontwikkeling plaatsgevonden met betrekking tot de opzegging zijdens de werknemers, dat aan die ontwikkeling ook niet voorbij gegaan kan worden en zal de werkgever ook in dit soort gevallen moeten nagaan of er sprake is van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring welke gericht is op de opzegging. In casu heeft eiser aan de werkgever te kennen gegeven dat hij op advies van de bond vooralsnog niet wil instemmen met het reglement en daarbij ook aan de werkgever te kennen gegeven de arbeidsovereenkomst niet te willen beëindigen waardoor er überhaupt geen sprake is van een verklaring gericht op de opzegging.

5.10 De kantonrechter is dan ook van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de arbeidsovereenkomst nog in stand is waardoor het gevorderde onder b en c van het petitum zal worden toegewezen. Het gevorderde onder d zal deels worden toegewezen met dien verstande dat de vordering betreffende de vrije geneeskundige voorziening zal worden toegewezen nu alleen die voorziening voldoende duidelijk is omschreven is omschreven in de vordering. De overige voorzieningen waar eiser op doelt in punt d van het petitum zijn niet voldoende duidelijk omschreven waardoor die niet zullen worden toegewezen. Tevens zullen de gevorderde advocaatkosten worden toegewezen, nu het gelijk eiser stelt, aan gedaagde te wijten is dat hij en advocaat in de hand moest nemen. De kantonrechter zal de gevorderde weder tewerkstelling niet toewijzen nu het de kantonrechter vooralsnog niet voldoende duidelijk is in hoeverre de werkplek van eiser nog ter beschikking is. De dwangsom met betrekking tot het loon zal niet worden toegewezen nu aan geldvorderingen geen dwangsom kan worden verbonden.

5.11 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en gedaagde, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

6. De beslissing
6.1 Veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen zijn achterstallig loon, ingaande 1 juli 2015 tot aan de betekening van het vonnis, alsmede de daarover verschuldigde verhoging van 50% wegens vertraging in de betaling als bedoeld in artikel 1614 q BW, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% pr jaar te rekenen vanaf 6 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening zulks naar rato van het laatst genoten maandsalaris en de emolumenten, met inachtneming van eventuele salarisverhogingen;

6.2 Veroordeelt gedaagde om met ingang van de betekening van het vonnis maandelijks tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen zijn salaris en emolumenten, zulks naar rato van het laatstgenoten salaris en eventuele salarisverhogingen en deze uitbetaling op normale en gebruikelijke wijze te continueren totdat de dienstbetrekking op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;

6.3 Veroordeelt gedaagde om eiser toegang te verlenen tot de vrije geneeskundige behandeling welke geldt voor medewerkers van gedaagde, en dit te continueren totdat de dienstbetrekking op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;

6.4 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD 500,= (vijfhonderd Surinaamse dollar) per dag, het maximum van SRD 100.000,= (eenhonderduizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand, voor elke dag dat gedaagde weigert of nalaat de veroordeling onder 6.3 hierboven na te komen;

6.5 Veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen het bedrag van SRD 3.780,= (drieduizend zevenhonderd en tachtig Surinaamse dollar) zijnde de advocaatkosten en SRD 222,= (tweehonderd twee en twintig Surinaamse dollar) zijnde de gemaakte deurwaarderskosten;

6.6 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

6.7 Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 200,= (tweehonderd Surinaamse dollar).

6.8 Wijst af het meer os anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van maandag 5 oktober 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2018-3

GRIFFIE DER KANTONGERECHTEN

BESCHIKKING INZAKE
A.R. no. 17-1182
23 mei 2018

[verzoeker],
verzoeker in conventie tevens gedaagde in reconventie,
wonende aan [adres 1] te [district],
gemachtigde: mr. M.D. Lau-Kerssenberg

tegen

A. [gedaagde sub A],
B. [gedaagde sub B]
gedaagde in conventie tevens verzoekers in reconventie,
wonende aan [adres 2] te [plaats],
gemachtigde: mr. C.P. Baal, advocaat.

Partijen zullen worden aangeduid als [verzoeker] en [gedaagde sub A] en [gedaagde sub B].

De kantonrechter spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek Suriname de navolgende beschikking uit.

1. Ten aanzien van de feiten

1.1 Uit de vaderschapstest verricht door het Medisch Diagnostisch Laboratorium d.d. 03 juni 2016 is komen vast te staan dat verzoeker met de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de biologische vader is van het [kind] geboren op [datum].

1.2 Bij beschikking d.d. 27 juni 2016 A.R. no. 15-2966 is aan verzoeker toestemming verleend om het genoemd kind als zijn natuurlijk kind te erkennen.

1.3 Uit de door de gedaagde overgelegde erkenningsakte is komen vast te staan dat het [kind] op 23 september 2016 is erkend door [gedaagde sub B] als zijn natuurlijk kind.

2. De vordering

2.1 [verzoeker] vordert in conventie, zakelijk weergegeven, de erkenning en de wettiging van het [kind] nietig te verklaren althans te vernietigen en [gedaagde sub A] en [gedaagde sub B] te veroordelen tot het betalen van de proceskosten en de kosten voor juridische bijstand ten bedrage van SRD 5.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van rechtsingang tot aan de dag der voldoening.

2.2 [gedaagde sub A] e.a. vorderen in reconventie [verzoeker] te veroordelen tot betaling van de advocaatkosten ten bedrage van SRD 5.000,- vermeerderd met 8% omzetbelasting en 6% wettelijke rente per jaar vanaf de dag van indiening tot aan de dag van de algehele voldoening.

Beide partijen hebben verweer gevoerd waarop, indien nodig terug zal worden gekomen.

3. De beoordeling

In conventie
3.1 Reeds is uit de overgelegde akte van erkenning komen vast te staan dat het [kind] op 23 september 2016 door [gedaagde sub B] als zijn natuurlijk kind is erkend. Als onweersproken is komen vast te staan dat [gedaagde sub A] en [gedaagde sub B] met elkaar zijn gehuwd en dat [kind] door dat huwelijk is gewettigd. [gedaagde sub A] heeft aangevoerd dat zij als moeder het recht heeft haar kind door welke man dan ook te laten erkennen. Zij diende echter rekening te houden met het feit dat [verzoeker] reeds toestemming daartoe van de kantonrechter had verkregen, tegen welke beslissing zij niet in beroep is gegaan. Overigens is daaraan voorafgaand reeds komen vast te staan dat [verzoeker] de biologische vader is van [kind].

[verzoeker] heeft een verzoek ingediend bij de kantonrechter bekend onder A.R. no. 15-2967 met betrekking tot onder andere een omgangsregeling. Dit is dus ongeveer een jaar na de geboorte van genoemd kind geschied. Hieruit mag blijken dat [verzoeker], wat er in de privésfeer ook tussen hem en [gedaagde sub A] is misgegaan, heeft aangetoond zich niet te willen onttrekken aan zijn vaderschap en dat [gedaagde sub B] tevens hiervan op de hoogte was.

3.2 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen, is komen vast te staan dat [gedaagde sub A] willens en wetens [gedaagde sub B] toestemming heeft gegeven om het [kind] te erkennen met het kennelijk doel [verzoeker] daartoe te belemmeren. Dit blijkt uit het feit dat [gedaagde sub B] ongeveer vier jaren wacht en pas na de gegeven toestemming aan [verzoeker] daartoe over gaat. [verzoeker] heeft niet lang na de geboorte getracht een band met zijn zoon op te bouwen en [gedaagde sub A] en [gedaagde sub B] hebben niet het recht dit te verhinderen.
Het belang van het dragen van een familienaam door alle leden van het gezin mag niet ten koste gaan van het recht van het kind om te weten wie zijn vader is, diens naam te dragen en met hem familierechtelijke betrekkingen te hebben. Derhalve is de vordering van [verzoeker] tot vernietiging van de erkenning, gerechtvaardigd.
Het verweer van [gedaagde sub A] en [gedaagde sub B] dat in onderhavige zaak geen van de bij wet genoemde limitatieve gronden voor nietigheid van de erkenning aanwezig is in onderhavige zaak, dient te worden verworpen. Het ontbreken van gronden voor het aannemen van de nietigheid van de erkenning staat de vernietiging daarvan niet in de weg. [verzoeker] heeft immers nietigverklaring althans vernietiging verzocht.

3.3 Door de vernietiging van de erkenning kan de wettiging niet in stand blijven en dient die te worden doorgehaald in de daartoe bestemde registers van de Burgerlijke Stand.

In conventie en in reconventie
3.4 De vordering van beide partijen tot veroordeling over en weer in de advocaatkosten zal worden afgewezen nu dit niet op de wet steunt.

4. De beslissing

In conventie
4.1 Vernietigt de erkenning van het [kind] geboren op [datum] te [district] door [gedaagde sub B] d.d. 23 september 2016 akte [nummer];

4.2 Gelast de doorhaling van de onder 4.1 genoemde akte van erkenning in de daartoe bestemde registers van de Burgerlijke Stand;

4.3 Gelast de doorhaling van de akte waarbij wettiging van genoemd kind heeft plaatsgevonden door het opvolgend huwelijk van [gedaagde sub A] en [gedaagde sub B] in de daarvoor bestemde registers van de Burgerlijke Stand;

4.4 Wijst het meer of anders gevorderde af.

4.5 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie
4.6 Wijst het gevorderde af.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op woensdag 23 mei 2018 door de kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. M.C. Mettendaf te Paramaribo in tegenwoordigheid van de griffier A. Grames, LL.B.

w.g. A. Grames

w.g. M.C. Mettendaf

 

SRU-K1-2019-1

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
Kort geding
A.R. no. 191040
22 maart 2019

Vonnis in kort geding in de zaak van
A. [eiseres sub A],
B. [eiser sub B],
beide kantoorhoudende te [district],
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,
eisers in kort geding,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE SURINAAMSE ORDE VAN ADVOCATEN,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. M.D. Lau-Kerssenberg, advocaat,
gedaagde in kort geding.

1 Het verloop van de procedure
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift met één productie dat op 15 maart 2019 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de mondelinge conclusies van repliek en dupliek;
– de rolbeschikking de dato 19 maart 2019, waarbij terstond een comparitie van partijen voor het inwinnen van inlichtingen is gelast;
– het proces-verbaal van de comparitie van partijen.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten
2.1. Eisers zijn advocaten in de zin van de Advocatenwet S.B. 2004 no. 42, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 no. 42.

2.2. Eisers zijn meer dan 3 maanden achter met betaling van de contributie.

2.3. Op zaterdag 23 maart 2019 zal de verkiezing van de Raad van Bestuur van de Surinaamse Orde van Advocaten worden gehouden.
In de uitnodiging van de verkiezingscommissie gericht aan de leden van gedaagde staat: “zowel voor het actief- als het passief kiesrecht geldt dat de contributie tot en met februari 2019 tijdig voldaan moet zijn (…)”

2.4. In de Advocatenwet is voor zover van belang het volgende bepaald:

Artikel 28
1. De gezamenlijke advocaten, die zijn ingeschreven, vormen de Surinaamse Orde van Advocaten.
2. De Orde is een publiekrechtelijke rechtspersoon; zij is gevestigd te Paramaribo.

Artikel 31 lid 2. Bij Huishoudelijk Reglement van de Orde worden de eisen voor verkiesbaarheid van de Deken en de overige leden van de Raad nader vastgesteld.

2.5. Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie no. 14/01595 is het Huishoudelijk Reglement Surinaamse Orde van Advocaten vastgesteld.

Artikel 1 lid 1 onder a bepaalt dat lid van de Orde is, de advocaat die staat ingeschreven op het tableau van het Hof van Justitie van Suriname.

Artikel 1 lid 3 bepaalt dat het lidmaatschap van elk lid aanvangt op dag van beediging c.q. toelating als advocaat.

Artikel 11 lid 3 van het Huishoudelijk Reglement bepaalt:
“Indien een lid van de Orde 3 (drie) maanden achter is met het betalen van contributie:
a. verliest deze zijn of haar stemrecht;
b. is deze niet verkiesbaar tot aan de aanzuivering van de contributie;
c. mag deze geen gebruik maken van de faciliteiten van de Orde.

3 De vordering, de grondslag en het verweer
3.1. Eisers vorderen dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

1. te schorsen althans op te schorten het besluit van de algemene vergadering van gedaagde, vervat in artikel 11 lid 3 van het Huishoudelijk Reglement, waarbij eisers althans een lid van de gedaagde het stemrecht verliest indien een lid 3 (drie) maanden achter is met het betalen van de contributie totdat bij gewijsde hieromtrent zal zijn beslist.

2. Gedaagde te veroordelen eisers toe te laten hun stemrecht uit te oefenen op de vergadering van gedaagde die op 23 maart 2019 zal worden gehouden en op elke vergadering van gedaagde, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 100.000,– voor iedere keer dat gedaagde met de uitvoering van het te dezer zake te wijzen vonnis in gebreke mocht blijven.
Kosten rechtens.

3.2. Eisers hebben aan hun vordering, naast de vaststaande feiten ten grondslag gelegd dat artikel 11 lid 3 van het Huishoudelijk Reglement in strijd is met het wezen van het lidmaatschap van de Orde inhoudende dat het lid zeggenschapsrecht in de Orde heeft. Aan het lidmaatschap is stemrecht verbonden. Er mag niet getornd worden aan het stemrecht van eisers en de overige leden dan bij wet. De financiele verplichting (contributie) van een lid is een verbintenis die een vordering tot nakoming geeft, terwijl het stemrecht voortkomende uit de lidmaatschapsverhouding, steunt op de Advocatenwet en door het objectieve verenigingsrecht wordt beheerst.
Aangezien het Huishoudelijk Reglement een besluit van de algemene vergadering van de Orde is, is artikel 11 lid 3 van het Huishoudelijk Reglement in strijd met de wet en het objectieve verenigingsrecht.

3.3. Op het door gedaagde gevoerd verweer zal voor zover nodig hierna worden ingegaan.

4 De beoordeling
4.1. Waar het in deze zaak om gaat is de beantwoording van de vraag of eisers, die leden zijn van gedaagde en drie maanden achter zijn met het betalen van de contributie, ingevolge het bepaalde in artikel 11 lid 3 van het Huishoudelijk Reglement terecht hun kiesrecht hebben verloren en derhalve zijn uitgesloten van het actief kiesrecht bij de op zaterdag 23 maart 2019 te houden verkiezing van de Raad van Bestuur van de Surinaamse Orde van Advocaten.

4.2. Ter terechtzitting van 19 maart 2019 heeft de deken van gedaagde benadrukt dat het Huishoudelijk Reglement een ordebesluit is in de zin van artikel 34 van de Advocatenwet en dat ingevolge het bepaalde in lid van 5 van voornoemd artikel, ordebesluiten verbindend zijn voor advocaten.
De kantonrechter merkt op dat de stukken betrekking hebbende op de totstandkoming van het Huishoudelijk Reglement echter niet beschikbaar zijn, waardoor relevante informatie met betrekking tot de achterliggende gedachte van de totstandkoming van het Huishoudelijk Reglement en de wijze waarop deze is geredigeerd niet kan worden verstrekt.

4.3. De kantonrechter merkt op dat in de Advocatenwet het onderscheid tussen ordebesluit en Huishoudelijk Reglement wordt gemaakt. Ordebesluiten zijn zoals in artikel 1 onder f van de Advocatenwet is bepaald, voor advocaten bindende besluiten van de vergadering van de Orde, op volgnummer gepubliceerd in het Advertentieblad van de Republiek Suriname. De kantonrechter overweegt dat indien het Huishoudelijk Reglement een ordebesluit in de zin van de Advocatenwet zou zijn, de wetgever volstaan zou kunnen hebben met het hanteren van het begrip ordebesluit. Nu in bepaalde artikelen expliciet het Huishoudelijk Reglement wordt genoemd, moet vastgesteld worden dat het Huishoudelijk Reglement niet is een ordebesluit in de zin van de Advocatenwet. De kantonrechter merkt op dat in een Huishoudelijk Reglement over het algemeen de regels die gelden bij een organisatie en regels die de werking van de organisatie concretiseren worden opgenomen.

4.4. De kantonrechter overweegt dat op grond van de wet de gezamenlijke advocaten, die zijn personen die als zodanig toelating door het Hof van Justitie hebben verkregen en door de griffier van bedoeld Hof zijn gesteld op het tableau, de Surinaamse Orde van Advocaten vormen. De advocaten worden derhalve automatisch lid van de Orde en het stemrecht is essentieel voor het lidmaatschap. In het Huishoudelijk Reglement is in artikel 1 lid 2 bepaald dat het lidmaatschap van elk lid aanvangt op de dag van beëdiging c.q. toelating als advocaat.
De kantonrechter overweegt dat uit het voorgaande volgt dat elk lid automatisch stemrecht heeft. Dit is dwingend recht en impliceert dat ieder lid op grond van de wet stemrecht heeft, ook al betaalt hij of zij geen contributie.

4.5. De kantonrechter overweegt voorts dat aan het niet betalen van contributie uiteraard consequenties kunnen worden verbonden bijvoorbeeld dat het niet betalen van contributie opgenomen kan worden als reden voor schorsing van een niet betalend lid en dat daardoor, vanwege de schorsing, het stemrecht hem of haar tijdelijk wordt ontnomen. Het is echter gedaagde zelf die het Huishoudelijk Reglement vaststelt en goedkeurt en deze in overeenstemming met de wet moet brengen.

4.6. De slotsom is dat de bepaling in artikel 11 lid 3 van het Huishoudelijk Reglement dat indien een lid van de Orde 3 maanden achter is met het betalen van contributie zijn of haar stemrecht verliest, in strijd is met de wet.
De gevraagde voorzieningen zullen derhalve worden toegewezen.
De gevorderde dwangsom zal worden gemitigeerd.

4.7. De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren overbodig omdat de beoordeling daarvan niet tot een andere beslissing zal leiden.

4.8. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5 De beslissing
5.1. Schorst het besluit van de algemene vergadering van gedaagde, vervat in artikel 11 lid 3 van het Huishoudelijk Reglement, waarbij een lid van gedaagde het stemrecht verliest indien het 3 (drie) maanden achter is met het betalen van de contributie totdat bij gewijsde hieromtrent zal zijn beslist.

5.2. Veroordeelt gedaagde om eisers toe te laten hun stemrecht uit te oefenen op de vergadering van gedaagde die op 23 maart 2019 zal worden gehouden en op elke vergadering van gedaagde onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,–(tienduizend Surinaamse Dollar) voor iedere keer dat gedaagde in strijd handelt met dit vonnis.

5.3. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

5.4. Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot aan de uitspraak begroot op SRD 365,– (driehonderd en vijfenzestig Surinaamse Dollar).

5.5. Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van vrijdag 22 maart 2019 te Paramaribo, door de kantonrechter mr. R.G. Chatterpal in tegenwoordigheid van de fungerend griffier.

SRU-K1-2018-2

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 183742
12 september 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van

A. [eiser sub A],
B. [eiseres sub B],
beiden wonende te [district]
eisers in kort geding,
gemachtigde: mr. M.D. Lau-Kerssenberg, advocaat,

tegen

[gedaagde],
domicilie gekozen hebbende te [district],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. A. Adelaar, advocaat.

De kantonrechter spreekt in naam van de Republiek het hierna volgend vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 6 september 2018 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties en mondelinge toelichting daarop;
– de mondelinge conclusie van repliek;
– de mondelinge conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 4 december 2006 hebben eisers een onderhandse koopovereenkomst gesloten met Stichting Danny. Daarbij hebben eisers van Stichting Danny gekocht gelijk deze aan eisers heeft verkocht het recht van grondhuur op het perceelland met [kavelnummer], en nader bij partijen bekend (hierna het perceel [nummer 1]).

2.2 Eisers zijn eigenaar geworden van het recht van grondhuur op het perceel [nummer 1] middels inschrijving van de koopovereenkomst d.d. 26 mei 2011 verleden ten overstaan van mr. R.A. Soerdjbalie in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore. De inschrijving is geschied op 15 september 2011.

2.3 Op 3 augustus 2011 heeft gedaagde executoriaal beslag doen leggen op het aan Stichting Danny in eigendom toebehorend recht van grondhuur op het stuk grond groot 25 ha, gelegen in het [district] ten oosten van de [weg], ten westen van de voormalige [plantage 1], op de kaart van P.W. Lcs d.d. 15 augustus 1994 met de letters ABCDEFGHIK, deel uitmakende van het recht van grondhuur groot 325.6569 ha, bekend als ten oosten van de [adres] (met uitzondering van de per de datum van beslaglegging reeds verkochte en overgedragen delen), waarvan de bestemming met toestemming per 16 april 1999 is gewijzigd in bebouwing en bewoning in stede van uitoefening van landbouw (hierna het moederperceel).

2.4 Perceel [nummer 1] maakt deel uit van het moederperceel.

2.5 Bij (verstek)beschikking van de kantonrechter d.d. 18 mei 2016 bekend onder AR no. 155306 tussen eisers enerzijds (toen gedaagden) en gedaagde anderzijds (toen eiser) heeft de kantonrechter de openbare verkoop bevolen van perceel met [nummer 1].

2.6 Gedaagde heeft de openbare verkoop van perceel [nummer 1] aangezegd, bij exploot van deurwaarder S.W. Niekoop LL.B. d.d. 19 juli 2018 [nummer 2]. Deze zal plaatsvinden op 13 september 2018 ten kantore van mr. T.A. Badal-Jaipersaud of diens waarnemer of opvolger.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven:

Stopzetting van de aangezegde openbare verkoop, welke zal plaatsvinden op 13 september 2013, totdat in bodemgeschil over de rechtmatigheid daarvan zal zijn beslist.

3.2 Eisers hebben – zo ver van belang – het volgende aan hun vordering ten grondslag gelegd.
Gedaagde maakt misbruik van zijn executierecht. Hij heeft gedurende de bouw van de woning van eisers executoriaal beslag doen leggen op het moederperceel, wetende dat op eisers de bouwplicht rustte. Zij, eisers, waren verplicht te bouwen op grond van de tussen hen en de Stichting Danny gesloten koopovereenkomst alvorens de juridische overdracht kon plaatsvinden. Gedaagde, die tevens een der kopers was, was op de hoogte van het voorgaande en is daarom te kwader trouw. Stichting Danny heeft bij de verkaveling van het moederperceel gebruik gemaakt van een valse verkavelingskaart, als gevolg waarvan de percelen niet bestaan. Het door gedaagde gelegde beslag heeft als grondslag de valse perceelkaart en niet de originele. Het beslag rust dus op een niet bestaande perceel. Tenslotte beroepen eisers zich op rechtsongelijkheid.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen en het gevorderde.

4.2 Gedaagde beroept zich erop dat eisers misbruik maken van procesrecht, nu eisers reeds meerdere vorderingen in kort geding tegen gedaagde hebben ingesteld tot stopzetting van de openbare verkoop, waarbij deze vorderingen eisers reeds zijn ontzegd.

De kantonrechter gaat voorbij aan dit verweer.

Naar het oordeel van de kantonrechter is niet gesteld en evenmin gebleken dat eisers na de aanzegging van de onderhavige openbare verkoop reeds een vordering daartegen hebben ingesteld en thans voor de zoveelste keer tegen dezelfde openbare verkoop opkomen. Naar de kantonrechter begrijpt hebben eisers tegen een eerdere aangezegde openbare verkoop een vordering ingesteld. Nu de eerdere openbare verkoop geen voortgang heeft gehad om voor gedaagde moverende redenen terwijl thans een nieuwe openbare verkoop is aangezegd staat het eisers vrij om een vordering ter zake de rechtmatigheid daarvan in te stellen. Immers, is over de rechtmatigheid van deze nieuwe aanzegging nog niet beslist. Van misbruik van procesrecht is er daarom geen sprake.

4.3 Eisers beroepen zich op de rechtsongelijkheid nu in de zaak van [naam 1] tegen [naam 2], de kantonrechter bij beschikking d.d. 10 mei 2017 bekend onder AR no. 155312, de gevraagde openbare verkoop heeft geweigerd omdat – zo begrijpt de kantonrechter dat – [naam 2] op het in die beschikking genoemde perceel had geinvesteerd terwijl hij nog niet de juridische eigenaar was van het perceel. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat het belang van [naam 2], die geinvesteerd had op het perceel zwaarder woog dan het belang van [naam 1] om het perceel te veilen. [naam 1] had immers de mogelijkheid om de percelen te veilen waarop er geen bouwwerkzaamheden waren uitgevoerd.

Naar de kantonrechter begrijpt beroepen eisers zich erop dat de kantonrechter in hun geval wel de toestemming heeft gegeven tot openbare verkoop terwijl eisers in dezelfde positie verkeerden als die van [naam 2] in de zaak tegen [naam 1].

Naar het oordeel van de kantonrechter is het beroep van eisers op rechtsongelijkheid gegrond. Ten tijde van de beschikking van de kantonrechter d.d. 18 mei 2016 bekend onder AR no. 155306, waarbij de kantonrechter toestemming heeft gegeven voor de openbare verkoop van het perceel [nummer 1], waren eisers niet verschenen ter terechtzitting. Indien zij wel ter terechtzitting waren verschenen was de kantonrechter naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot een andere beslissing gekomen, en dus de gevraagde openbare verkoop geweigerd na afweging van de wederzijdse belangen van eisers en gedaagde. Immers waren de feiten in het onderhavige geval gelijk aan de feiten in de zaak van [naam 1] ca [naam 2].

Het verweer van gedaagde dat [naam 2] nog steeds te vrezen heeft voor andere schuldeisers wiens beslag nog steeds op het perceel rust, gaat niet op nu dat thans niet aan de orde is.

Om de hiervoor vermelde redenen is de door eiseres gevraagde voorziening toewijsbaar, en wel als in het dictum te melden.

4.4 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.5 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing

5.1 Gelast de stopzetting van de bij exploit van deurwaarder S.W. Niekoop LL.B. d.d. 19 juli 2018 [no.] aangekondigde openbare verkoop van het recht van grondhuur ter bebouwing en bewoning vervallende op 16 april 2031 op het stuk grond groot 470,44 m², gelegen te Paramaribo ten westen van de [straat], aangeduid op kaart van de landmeter in Suriname Caryl A. Cairo Lcs d.d. 23 mei 2011 met de lettersd ABCD en met het [no.], welk perceelland d.u.v. het recht van grondhuur ter bebouwing en bewoning vervallende 16 april 2031 op het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 26.2688 ha, instede van 25 ha, gelegen te [district] ten oosten van de [weg], ten westen van de voormalige [plantage 2] en ten noorden van de voormalige [plantage 1], op de kaart van de landmeter P.W. Kalk Lcs d.d. 15 augustus 1994 aangeduid met de letters ABCDEFGHIK, welk perceel d.u.v. het recht van grondhuur vervallende op 16 augustus 2031 op het perceelland groot 25.6569 ha, gelegen te [district] ten oosten van de [weg], aangeduid met de letters ABCDEFGHIKLMNOPQ, op de kaart van de landmeter H. Carbierre d.d. 28 februari 1991, thans bekend als [adres], m.u.v. de reeds verkochte en overgedragen delen, welke openbare verkoop zal plaatsvinden op 13 september 2018 ten kantore van mr. T.A .Badal-Jaipersaud of diens waarnemer of opvolger.

5.2 Verbiedt gedaagde om nogmaals over te gaan tot de openbare verkoop van het hiervoor genoemde perceel totdat de bodemrechter over de rechtmatigheid daarvan zal hebben beslist.

5.3 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 345,= (driehonderd en vijf en veertig Surinaamse Dollar).

5.5. Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van woensdag 12 september 2018 te Paramaribo door de kantonrechter-plaatsvervanger mr. J.M. Jensen, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. ……

w.g. J.M.Jensen

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran