SRU-K1-2014-2

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 124377
9 januari 2014

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiser],
wonende in het [district 1],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. T.S. Sewdien, advocaat,

tegen

A. De Staat Suriname met name het Ministerie van Binnenlandse Zaken, vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,

B. Het Centraal Bureau voor Burgerzaken,
beiden gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagden in kort geding,
gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat.

1. De procesgang

1.1 Deze blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift met bij behorende producties dat op 6 november 2012 ter griffie van het kantongerecht is ingediend;
– de conclusie van antwoord;
– de conclusie van repliek;
– de mondelinge conclusie van dupliek;
– de op 25 april 2013 gegeven rolbeschikking;
– het proces-verbaal van de op 14 mei 2013 gehouden comparitie van partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Bij beschikking dd. 25 april 2012 bekend onder AR no. 112554, heeft de kantonrechter in het eerste kanton de openbare verkoop gelast van het onverdeeld aandeel van het hierna te noemen onroerend goed:
“de Westelijke helft in het perceelland, in zijn geheel groot vijf hectaren gelegen in het [district 1] aan de linkeroever van de [rivier] en bekend onder [nummer], welke verkocht gedeelte bekend staat onder [nummer-variant] (hierna het onroerend goed).

2.2 Uit een door eiser overgelegd borderel van het hypotheekkantoor blijkt dat het onroerend goed staat geregistreerd ten name van [naam 1] gehuwd in algemene gemeenschap van goederen met [naam 2].

2.3 Eiser heeft van gedaagde sub B verkregen een stamboom c.q. inlichtingenstaat, waarin vermeld staat dat [naam 1] gehuwd is geweest met [naam 2 – variant], die is geboren op [datum 1] in het [district 1 en overleden op [datum 2] te [district 2].

2.4 In verband met de uitvoering van de beschikking van de kantonrechter d.d. 25 april 2012 bekend onder AR no. 112554, is bij de notaris onduidelijkheid ontstaan over de naam van de echtgenote van [naam 1].

Vanwege voornoemde onduidelijkheid is van belang dat eiser van gedaagden verkrijgt een afschrift van geboorte – en een overlijdensakte van die [naam 2] (de echtgenote van [naam 1]).

2.5 Eiser heeft aan gedaagden het verzoek gedaan tot afgifte van een afschrift van geboorte – en een overlijdensakte van die die [naam 2], doch weigeren gedaagden het verzochte aan eiser af te geven.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van gedaagden, tot afgifte van een stamboom c.q. inlichtingenstaat, een geboorte- en een overlijdensakte van [naam 2 – variant] danwel [naam 2] geboren op [datum 1] in het [district 1] en overleden op [datum 2te [district 2], onder verbeurte van een dwangsom, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd.

3.2 Eiser stelt dat gedaagden ten onrechte weigeren om de voornoemde documenten aan hem af te geven. Zij, gedaagden, handelen derhalve onrechtmatig jegens hem.

3.3 Gedaagden hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van eiser en het door hem gevorderde.

4.2 Gedaagden hebben aangevoerd dat gedaagde sub B niet in rechte kan worden betrokken omdat die niet als persona standi in judicio kan worden gekwalificeerd.

De kantonrechter is het eens met deze visie van gedaagden. Een instituut danwel instantie kan pas als persona standi in judicio worden gekwalificeerd indien dit uitdrukkelijk bij wet is vastgesteld. Gesteld en evenmin is gebleken dat dit het geval is ten aanzien van gedaagde sub B, zodat eiser niet ontvankelijk zal worden verklaard in de door hem gevraagde voorziening ten aanzien van deze gedaagde.

4.3 Bij gehouden comparitie van partijen heeft gedaagde, in de persoon van [naam 3] verklaard dat gedaagde een beleid hanteert waarbij er geen informatie over personen aan derden worden verstrekt.
De kantonrechter gaat voorbij aan dit verweer van gedaagde, nu gesteld noch gebleken is op grond van welke wettelijke bepaling dit “beleid” van gedaagde steunt. De door eiser gevraagde voorziening ten aanzien van gedaagde sub A is derhalve toewijsbaar als na te melden.

4.5 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten betalen.

5. De beslissing

5.1 Verklaart eiser niet ontvankelijk in haar vordering tegen gedaagde sub B.

5.2 Veroordeelt gedaagde sub A om binnen een maand na betekening van dit vonnis aan eiser af te geven een stamboom c.q. inlichtingenstaat, een geboorte- en een overlijdensakte van [naam 2 – variant] danwel [naam 2] geboren op [datum 1] in het [district 1] en overleden op [datum 2] te [district 2].

5.3 Veroordeelt gedaagde sub A tot betaling van een dwangsom ad SRD1.000,= (duizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen tot een maximum van SRD100.000,= (honderdduizend Surinaamse Dollar).

5.4 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD170,= (honderd en zeventig Surinaamse Dollar).

5.6 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kortgeding, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 9 januari 2014 te Paramaribo, door de kantonrechter-plaatsvervanger,
mr. A.C. Johanns, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2005-2

A.R. No 042531

2 juni 2005

SURINAME OFFICE SUPPLIES N.V., rechtspersoon,
gevestigd aan de F. Derbystraat no 32-34,
te Paramaribo,
gemachtigde:Mr.H.P.Boldewijn, advocaat,

Eiseres in kort geding

tegen

CHM SURINAME N.V., rechtspersoon,
gevestigd aan de Prof. W. Kernkampweg no.50,
te Paramaribo
gemachtigde: Mr. B.A. Halfhide, advocaat,

Gedaage in kort geding,

De Kantonrechter in Eerste Kanton heeft in naam van de Republiek het volgende vonnis uitgesproken.

Procesgang
Overeenkomstig het op 17 juni 2004 ter griffie ingediende verzoekschrift, heeft eiseres gevorded om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op alle dagen en uren:

Primair
De opheffing te gelasten van de bij deurwaardersexploit d.d. 28 april 2004 no 168 gerealiseerde teruggave van de aldaar gemelde motorvoertuigen alsmede gedaagde te veroordelen om binnen 1 maal 24 uur na het van de kantonrechter verzochte vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, de ten rekeste gemelde motorvoertuigen aan eiseres af te staan zulks onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 5.000,= voor iedere dag of keer dat gedaagde handelt in strijd met het van de kantonrechter verzochte vonnis;

Subsidiair
Op te schorten de bij deurwaardersexploit d.d. 28 april 2004 me no. 168 gerealiseerde teruggave van de aldaar gemelde motorvoertuigen tot dat door de bodemrechter definitief zal zijn beslist omtrent de afwikkeling van het gewezen samenwerkingsverband tussen partijen als ten rekeste vermeld alsmede gedaagde te veroordelen om binnen 1 maal 24 uur na het van de kantonrechter verzochte vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, de ten rekeste gemelde motorvoertuigen aan eiseres af te staan zulks onder verbeurte van een dwangsom van SRD.5.000,= voor iedere dag of keer dat gedaagde handelt in strijd met het van de kantonrechter verzochte vonnis; Kosten rechtens.

Op de eerstdienende dag heeft advocaat Mr.B.A. Halfhide zich als gemachtigde van de gedaagde gesteld. Vervolgens zijn de volgende conclusies genomen:

  • een schriftelijke conclusie van antwoord, waarbij is geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de eiseres, althans ontzegging van de vordering;
  • een schriftelijke conclusie van repliek, waaraan gehecht een productie;
  • een schriftelijke conclusie van dupliek.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

Motivering

1. Gelet op haar stellingen heeft eiseres een spoedeisend belang bij hetgeen zij vordert.

2. Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde bescheiden, een en ander voor zover niet, althans niet gemotiveerd, betwist staat, voor zoveel hier van belang, tussen partijen het volgende vast:

2.1 Eiseres heeft op 23 juli 2002 van de gedaagde geleend €10.000 terug te betalen binnen drie maanden na genoemde datum met bijbetaling van een rentevergoeding ad 1,5% per maand. Indien gemeld bedrag niet binnen de gestelde termijn werd voldaan werd eiseres een boete verschuldigd van 3% per maand. Tot zekerheid voor de betaling van het geleende bedrag en al hetgeen eiseres krachtens de overeenkomst verschuldigd mocht zijn of worden heeft, zij, eiseres, aan gedaagde in fiduciaire eigendom overgedragen twee auto’s, te weten een Nissan Vanette, kenteken [nummer 1] BV respectievelijk een Toyota Hilux Surf, kenteken [nummer 2] MP. Vanaf genoemde datum is eiseres de auto’s als bruiklener voor gedaagde als eigenaar gaan houden.

2.2 Bovenvermelde overeenkomst van geldleen met fidicuaire eigendomsoverdracht is neergelegd in een onderhandse akte d.d. 23 juli 2002. Bij het aangaan van de overeenkomst zijn eiseres en de gedaagde vertegenwoordigd door [naam 1], volgens de akte handelende in zijn hoedanigheid van directeur en enig aandeelhouder van de eiseres, respectievelijk [naam 2], volgens de akte handelende in zijn hoedanigheid van directeur en enig aandeelhouder van de gedaagde.

2.3.1 Gedaagde heeft bij verzoekschrift d.d. 25 maart 2004 aan de Kantonrechter in het Eerste Kanton verzocht om de terugname (lees kennelijk: teruggave) van de hierboven onder 2.1 vermelde auto’s te bevelen. Aan haar verzoek heeft gedaagde, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat zij aan eiseres het onder 2.1. vermelde bedrag, onder de aldaar vermelde voorwaarden, had geleend; dat eiseres, ondanks aanmaning, het geleende bedrag niet had terugbetaald en eiseres aan haar, gedaagde, € 15.500, inclusief rente en boeterente tot 22 maart 2004 verschuldigd was; dat zij, gedaagde, vreesde dat eiseres zou trachten de in fiduciaire eigendom overgedragen auto’s, te vervreemden en dat zij, gedaagde, dan ook recht en belang had om ter verhaal van haar vordering deze voertuigen te verkopen en te dien einde de voertuigen terug te nemen.

2.3.2 De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft bij beschikking van 2 april 2004 het verzoek toegestaan en gedaagde heeft uit kracht van die beschikking meergenoemde auto’s door deurwaarder R. Bhoelan op 28 april 2004 doen weghalen bij de eiseres. De deurwaarder heeft de auto’s onder zich genomen en heeft ze aan de gedaagde afgestaan. Een en ander is door de deurwaarder gerelateerd in zijn exploit van 28 april 2004 no. 168.

3. Eiseres heeft gevorderd zoals hierboven onder het hoofd Procesgang is vermeld. Gedaagde heeft tegen de vordering verweer gevoerd.

4.1 Aan haar vordering heeft eiseres, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat het hier gaat om de fidiciaire eigendomsoverdracht van de auto’s en gedaagde conform artikelen 585 Rv e.v. revindicatoir beslag diende te leggen; dat in casu echter toestemming tot teruggave is verleend, hetgeen enkel van toepassing is bij huurkoop ex artikel 714a Rv e.v.; dat nu geen revindicatoir beslag is gelegd, de inbeslagname op onjuiste gronden is geschied en die inbeslagname dient te worden opgeheven.

4.2 Naar gedaagde, zakelijk weergegeven, heeft gesteld zijn de artikelen 585 Rv. e.v. niet geschreven voor zekerheidseigendom; dat zekerheidseigendom een ander karakter heeft dan eigendom waarvoor artikelen 585 Rv e.v. zijn geschreven; dat niet zonder meer geen revindicatoir beslag is gelegd, welk beslag van toepassing is op eigendom conform art. 625 BW; dat (het feit dat) in de praktijk de door gedaagde gevolgde procedure bij huurkoop gevolgd wordt er niet toe doet, aangezien in de wet niet geregeld is op welke wijze het goed dat in fiduciaire eigendom is overgedragen zou moeten worden teruggevorderd; dat een analoge wijze gedaagde niet in de weg staat, daar terugvordering van een in fiduciaire eigendom overgedragen goed geen regeling vindt in de wet.

5. Het is, naar het voorlopig oordeel van de Kantonrechter, niet juist dat in de wet niet geregeld is op welke wijze een goed dat in fiduciaire eigendom is overgedragen moet worden teruggevorderd. Immers, in de artikelen 585 Rv e.v. is geregeld op welke wijze (onder andere) iemand, die als eigenaar recht heeft op de aangifte van de zaak, de beschikking over die zaak kan krijgen. Daarbij komt dat de in fiduciaire eigendom overgedragen zaak in het vermogen van de fuduciaire eigenaar valt en er dus sprake is van eigendom. Die (zekerheids)eigendom wordt weliswaar in verschillende opzichten gerelativeerd, maar er is geen reden om aan te nemen dat de fiduciaire eigenaar niet bevoegd is om, zo daartoe gronden zijn, de aan hem overgedragen zaak in revindicatoir beslag te doen nemen.

6. Nu, gedaagde, naar zij zelf stelt, geen revindicatoir beslag heeft doen leggen en de terugneming van de auto’s als (fiduciaire) eigenaar krachtens het bevel tot terugname (lees:teruggave) niet op de wet berust, bestaat er een anmerkelijk kans dat in een bodemgeschil zal worden beslist dat die auto’s aan de eiseres terug dienen te worden gegeven. Tegenover eiseresses betwisting heeft gedaagde niet aannemelijk gemaakt dat de auto’s meer wrak dan wat anders waren. Vaststaat dat de auto’s door de eiseres bij haar bedrijfsvoering werden ingezet. Zij, eiseres, heeft daarom bij de treuggave van de auto’s een spoedeisend belang. Hieraan doet niet af dat de auto’s bij een monteur in reparatie waren en dat een van de auto’s niet in rijdbare staat was en moest worden weggesleept, omdat, als niet betwist vaststaat, de auto’s “simpelweg” voor een onderhoudsbeurt bij de monteur waren.

6. De conclusie is dat de primair gevraagde voorziening toewijsbaar is. Daarbij wordt het volgende aangetekend. De in het petitum bedoelde “gerealiseerde teruggave” is een feitelijke toestand. Bij een last tot opheffing (lees: beeindiging) daarvan, naast de veroordeling van gedaagde om de auto’s aan eiseres af te geven, heeft eiseres geen belang, omdat door het voldoen aan die veroordeling aan bedoelde feitelijke toestand een einde zal worden gemaakt. De termijn van teruggave zal worden vastgesteld zoals in het dictum is vermeld.

7. Aangezien de vordering reeds op de onder 4.1 vermelde grond kan worden toegewezen, behoeft niet op de overige gronden van de vordering te worden ingegaan.

8. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

Beslissing
Veroordeelt de gedaagde om de hierboven onder 2.1 vermelde auto’s binnen 1 maal 24 uur na de betekening van dit vonnis aan de eiseres af te staan.

Veroordeelt de gedaagde om aan de eiseres ten titel van dwangsom te betalen de som van SRD 5.000 (Vijfduizend Surinaamse dollars) voor iedere dag waarmee zij in gebreke blijft aan voormelde veroordeling te voldoen.

Verklaart dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad.

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van de eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 78,20 (achtenzeventig 20/100 Surinaamse dollar)

Weigert voor het overige de gevraagde voorziening.

Aldus gewezen en op donderdag, 2 juni 2005, in het openbaar uitgesproken door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr. E.S. Ombre, in tegenwoordigheid van de Fungerend-griffier Mr.S.Tika

SRU-K1-2005-1

BETALEND:

A.R. No. 053111

F.H.

13 september 2005

[eiseres], wonende aan [adres 1] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, I.D. Kandhai, advocaat,

eiseres in kort geding,

tegen

[gedaagde 1], wonende aan [adres 2] in [district],

[gedaagde 2], rechtspersoon gevestigd en kantoorhoudende te [district] aan [adres 2] in [district], voor wier beide als gemachtigde optreedt, mr. W.C. Pengel, advocaat,

gedaagden in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Gezien de stukken, waar ondermeer bepaald, afschrift van de door Ons tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis d.d. 2 september 2005;

 

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat hiervoor wordt verwezen naar het tussenvonnis van 2 september 2005;
Overwegende, dat ter voldoening aan laatstvermeld vonnis is op 7 september 2005 een comparitie van partijen gehouden. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt;
Overwegende, dat de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, eiseres op 28 october 1986 door overschrijving ten Hypotheekkantore in [land] in register C deel 1001 onder [nummer 1] van een afschrift der akte verkoop en koop voor notaris B.R. Oostvriesland te Paramaribo verleden, verkreeg: het erfpachtsrecht, vervallende op 4 october 2025 op het perceelland, groot 257 m2, gelegen te [district] aan de [strook] bekend onder wijk H [nummer 2], aangeduid op de kaart van de landmeter S.O. Esajas de dato 2 juni 1981 met de letters ABCD;

Overwegende, dat voorts uit het procesdossier blijkt, dat eiseres aan gedaagde sub a bij akte de dato 23 october 2002, waarvan de inhoud als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd wordt aangemerkt, onder het beding van wederinkoop, heeft verkocht vorenomschreven onroerend goed;

Overwegende, dat, naar tevens uit het procesdossier blijkt, eiseres aan gedaagde sub a bij akte, verleden ten overstaan van de te Paramaribo residerende notaris, Chr. A. Calor, de dato 23 october 2002, onherroepelijk last en volmacht gegeven heeft mede te werken aan de verkoop van vorenomschreven onroerend goed voor en namens haar aan zich zelf of aan derden, met dien verstande dat pas na eenendertig maart 2004 aan derden mag worden overgedragen en wel voor een zodanige prijs als de gevolmachtigde zal raadzaam achten, dat gedaagde sub a als gevolmachtigde van eiseres en in zijn hoednaigheid van bestuurslid van gedaagde sub b bij akte de dato 30 december 2004, verleden ten overstaan van de te [district] residerende notaris Chr.A.Calor, aan gedaagde sub b heeft verkocht vorenomschreven onroerend goed voor de som van SRD. 64.950,= welke akte overgeschreven is op 21 maart 2005 in register C [nummer 3] onder [nummer 4];

Overwegende, dat, nu het in casu betreft erfpachtsrecht, zowel ten aanzien van de overeenkomst van verkoop en koop als ten aanzien van de overdracht daarvan met inachtneming van de Agrarische wet i.c. artikel 13 (in het bijzonder de leden 1 en 2 daarvan) gehandeld had moeten worden;

Overwegende, dat nu dat niet blijkt te zijn geschied, m.a.w. nu genoemde wet niet in acht genomen is c.q. daarmede in strijd gehandeld is, zijn zowel de overeenkomst van verkoop en koop als de overdracht nietig en van onwaarde en ontberen zij mitsdien elk rechtsgevolg;

Overwegende, dat het erfpachtsrecht op vorenomschreven perceelland geacht wordt het vermogen van eiseres niet te hebben verlaten;

Overwegende, dat Wij dan ook beslissen zullen als in het dictum te melden; gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten hebben te dragen;

RECHTSDOENDE IN KORT GEDING

Verbieden gedaagden, zowel ieder afzonderlijk als gezamenlijk, met betrekking tot: “Het erfpachtsrecht, vervallende op 4 october 2025 op het perceelland, groot 257 m2, gelegen te [district] aan [adres 1] bekend onder wijk H [nummer 2], aangeduid op de kaart van de landmeter S.O. Esajas de dato 2 juni 1981 met de letters ABCD, welke beschikkingsdaad danook zonder in achtneming van artikel 13 (in het bijzonder de leden 1 en 2 daarvan) van de Agrarische wet te verrichten c.q. te plegen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,= per keer voor iedere keer dat gedaagden, zowel ieder afzonderlijk als gezamenlijk, in strijd handelen met dit vonnis;

Verklaren dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren;

Verwijzen gedaagden in de proceskosten, aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 75,20 (vijfenzeventig en twintig honderste Surinaamse dollars).

Aldus gewezen en uitgesproken ter Openbare Terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van dinsdag, 13 september 2005, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. J.R. von Niesewand, in tegenwoordigheid van mr. S. Simboedathpanday, Fungerend-Griffier.

 

 

 

 

 

 

 

SRU-K1-1998-1

Kantonrechter Eerste Kanton
19 mei 1998, A.R. 970216
(Mr. E.S. Ombre)

[eiser], wonende aan [adres] in het [district], gemachtigde: Mr. J.F. Echteld, advokaat, eiser,

tegen

A. De Billiton Maatschappij Suriname N.V., rechtspersoon gevestigd en kantoorhoudende te onverdacht in het district Para, gemachtigde: Mr. F. Kruisland, advocaat,

B. De Staat Suriname, met name het Ministerie van Arbeid, zetelende te Paramaribo, gemachtigde: Mr. A.R. Baarh, advocaat, gedaagden,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Procesgang
Bij conclusie van eis, overeenkomstig het op 21 januari 1997 ingediende verzoekschrift, heeft eiser gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

  • voor recht te verklaren dat het aan eiser gegeven ontslag d.d. 30 oktober 1996 nietig is;
  • gedaagde sub A zal worden veroordeeld eiser in zijn functie of een ander gelijksoortige functie te werk te stellen in het bedrijf;
  • gedaagde sub A zal worden veroordeeld eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting zijn salaris e.a. secundaire voorzieningen over de maande november en december 1996 uit te betalen en de daarop volgende maanden totdat de dienstbetrekking zal zijn hersteld, alsmede hem en gezin in de gelegenheid te stellen gebruik te maken van de medische en andere voorzieningen van het bedrijf;
  • dat, indien het onder c tot en met d vermeldde niet tot een veroordeling zou mogen leiden, gedaagde te veroordelen aan eiser een schadevergoeding naar billijkheid te betalen (afkoopsom);
  • dat gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding, alsmede de buitengerechtelijke kosten die gesteld zijn op f.150.000,– (eenhonderd en vijftig duizend gulden).

De gemachtigden van de gedaagden hebben schriftelijk geantwoord, met conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser, althans tot ontzegging van de vordering. De gemachtigde van de gedaagde sub A heeft bij zijn conclusie een produktie overgelegd.

Er is schriftelijk gerepliceerd en gedupliceerd.

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

Motivering
1. Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde bescheiden, een en ander voor zover niet betwist, staat het volgende vast tussen partijen:

1.1 Eiser is op 6 februari 1989 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van gedaagde sub A en is sedert dien te werk gesteld in de Mobile Equipment Shop als onderhoudsmecanicien.

1.2 Op aangeven van gedaagde sub A is eiser op 29 oktober 1996 door de politie van Onverdacht aangehouden en is daags daarna in verzekering gesteld op verdenking van diefstal van diverse goederen ten nadele van gedaagde sub A. Eiser is op 13 november 1996 in vrijheid gesteld en de strafzaak tegen hem is door het Openbaar Ministerie voorwaardelijk geseponeerd.

1.3 Op 30 oktober 1996 is door gedaagde sub A aan eiser medegedeeld dat hij wegens dringende redenen met ingang van die datum is ontslagen. De dringende redenen bestonden, volgens opgave van gedaagde sub A, in het verduisteren of gepoogd hebben diefstal te plegen van de volgende goederen, aan gedaagde sub A toebehorende goederen, te weten.

– 2 flessen koffie;
– 7 pakken thee;
– 1 hamer;
– 2 stuks back-up alarm;
– 1 schuurborstel;
– 2 haulpak headlights;
– 10 stuks regenjassen;

2.1 Eiser verwijst weliswaar naar de inhoud van een ontslagbeschikking van het Ministerie van Arbeid d.d. 15 november 1996, maar hij heeft die beschikking niet overgelegd en heeft de inhoud daarvan niet aangehaald. Aangezien eiser wegens dringende redenen is ontslagen houdt de Kantonrechter het ervoor dat hij het oog heeft op de beschikking houdende het besluit van de Minister van Arbeid dat tegen de opgegeven redenen geen bezwaren bestaan.

2.2 In zijn conclusie van repliek verzoekt eiser dat de Kantonrechter bovenbedoelde beschikking nietig zal verklaren. Hoewel dit verzoek verscholen ligt in het lichaam van de conclusie en niet is vervat in een aparte slotsom, kon bij lezing van de conclusie met de vereiste zorgvuldigheid ook voor gedaagden duidelijk zijn dat dit verzoek is gedaan. Dit verzoek komt neer op vermeerdering van de eis. Gedaagden hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering, zodat mede op grond van bovenbedoelde eis zal worden beslist.

2.3 In onderdeel e van het petitum vordert eiser om, indien onderdelen c tot en met d niet tot een veroordeling zouden leiden, ”gedaagde” te veroordelen tot betaling van, kort gezegd, een afkoopsom. De Kantonrechter begrijpt dat dit onderdeel gericht is tegen de gedaagde sub A en met ”gedaagde” hier wordt bedoeld ”gedaagde sub A”.

2.4 In onderdeel f van het petitum wordt gevorderd dat ”gedaagde zal worden veroordeeld” in de kosten van het geding alsmede de buitengerechtelijke kosten. De Kantonrechter houdt het ervoor dat de tussen aanhalings- en sluittekens geplaatste woorden op een verschrijving berusten en dat eiser de veroordeling beoogde te vorderen van beide gedaagden.

3.1 Naar de kantonrechter begrijpt berust de vordering tot nietigverklaring van de beschikking hierop dat, naar eiser beweert, gedaagde sub B heeft nagelaten om hem, eiser, ter plaatse waar hij inverzekering was gesteld, te doen opzoeken teneinde hem te horen alvorens die beschikking te geven en die beschikking daardoor nietig is.

3.2 Gedaagde sub B heeft de vordering bestreden. Naar de Kantonrechter begrijpt stelt genoemde gedaagde dat eiser behoorlijk is opgeroepen en dat hij, gedaagde, in de gegeven omstandigheden niet verplicht was eiser te doen opzoeken teneinde hem te horen.

3.3 Eiser is niet ontvankelijk in zijn vordering, omdat het beweerde nalaten van gedaagde sub A de beschikking niet nietig maakt. Is het beginsel van hoor en wederhoor niet toegepast dan kan, indien verder aan de daaraan te stellen vereisten is voldaan, sprake zijn van een onrechtmatige daad, maar ook in dat geval maakt eiser geen aanspraak op nietigverklaring van de beschikking.

4. De vordering tot verklaring voor recht dat het ontslag nietig is, berust op de stelling dat de nietigheid van de beschikking de nietigheid van het ontslag tot gevolg heeft. Zoals blijkt uit hetgeen onder 3.3 is overwogen kunnen de gestelde feiten niet leiden tot de conclusie dat de beschikking nietig is. Dit brengt, ervan uitgaande dat bovenvermelde stelling juist is, met zich dat het verlangde declaratoir niet kan worden uitgesproken.

5.1 Eiser heeft onder c van het petitum gevorderd dat gedaagde sub A zal worden veroordeeld eiser in zijn functie of een ander gelijksoortige functie te werk te stellen in het bedrijf. Eiser beoogt hiermee, naar de Kantonrechter begrijpt, te vorderen dat gedaagde sub A wordt veroordeeld de dienstbetrekking met eiser te herstellen.

5.2 Aan deze vordering is, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat het ontslag kennelijk onredelijk is, en wel omdat:

  • de ontslagredenen vals zijn.
  • zelfs indien de ontslagredenen juist zijn, die niet van dermate ernstige aard zijn dat, gelet op de omstandigheden van het geval en de situatie op de arbeidsmarkt, zij een ontslag wegens dringende redenen met onmiddellijke ingang niet kan rechtvaardigen.
  • hij een gezin, bestaande uit vrouw en één kind, te verzorgen heeft. Hij kan geen ander (soortgelijk) werk vinden en is bereid, zodra hij daartoe wordt opgeroepen, zijn werkzaamheden te hervatten. Hij en zijn gezin hebben vanaf november 1996 geen loon of secundaire voorzieningen mogen genieten.

5.3 Met betrekking tot hetgeen ander 5.2.a is vermeld heeft eiser , voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Er zijn inderdaad goederen toebehorende aan gedaagde sub A in zijn werkkast aangetroffen. Het is niet zo dat een deel daarvan bij poortcontrole in zijn tas is gevonden. Dat, alhoewel deze goederen niet in zijn kast behoorden te zijn, hij deze handeling heeft gepleegd uit gemakzucht. Als distributeur, althans verstrekker van diverse onderdelen en goederen aan bij hem aanmeldende werknemers heeft hij, om het op en neer geloop te reduceren, bepaalde goederen in zijn kast opgeslagen, ook goederen die door onverschilligheid van bepaalde werknemers her en der waren achtergelaten al of niet met boos opzet. Hij ontkent met klem de intentie te hebben gehad de in zij kast aangetroffen goederen wederrechtelijk te willen toeëigenen.

5.4 Ter staving van haar stelling dat eiser zich aan verduistering, althans diefstal heeft schuldig gemaakt, heeft gedaagde sub A zich beroepen op een schriftelijke verklaring van eiser d.d. 30 oktober 1996, welke als volgt luidt:

“Hierbij verklaar ik [eiser] dat ik de spullen bestaande uit koffie 2 flessen, thee 7 pakken, hamer, I haulpak verstralers en Backup alarm en mantels 1 doos met ca 10 stuks, heb weggenomen met de bedoeling deze tezijnertijd te distribueren.

Ik heb op eigen initiatief de spullen/goederen voor distributie genomen.

Ik heb de mantels in doos, buiten magazijn I te Onverdacht gevonden en beken dat dit overhandigd had moeten worden aan de dienstdoende magazijnbediende.

De doos inhoudende de 10 stuks mantels heb ik maandag 28 oktober 1996 weggenomen. De in mijn tas gehaalde schuurborstel, door ploegleider Westerveld (beveiliging) heb ik gevonden in de ME-shop en zou deze meenemen naar huis.”

5.5 Uit deze verklaring blijkt in ieder geval dat de schuurborstel niet in de werkkast van eiser is aangetroffen en dat eiser het oogmerk had zich die borstel wederrechtelijk toe te eigenen.

5.6 Wat de andere goederen betreft, staat als niet gemotiveerd betwist vast dat deze in eiser ’s werkkast zijn aangetroffen. Het feit dat eiser deze goederen zonder toestemming van gedaagde sub A in zijn werkkast heeft geplaatst en deze kast, naar mag worden aangenomen, alleen bestemd was voor het opbergen van eiser ’s eigendommen, levert het vermoeden op dat eiser deze goederen heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening. Eiser heeft geen bewijs aangeboden van feiten, waaruit zou volgen dat hij de goederen “uit gemakzucht” in zijn kast heeft gezet. Zijn daarop betrekking hebbende stelling wordt dan ook als niet serieus bedoeld verder gepasseerd.

5.7 Uit hetgeen onder 5.5 en 5.6 is overwogen volgt dat de opgegeven ontslagredenen niet vals zijn.

5.8 Gedaagde sub A heeft niet gesteld dat eiser door de diefstal het vertrouwen van de werkgever onwaardig is geworden. De Kantonrechter is van oordeel dat voor dit laatste ook geen plaats is, gelet op het feit dat het in casu geen goederen van grote waarde betreft en, zoals onbetwist rechtens vaststaat, eiser zich in zijn 7-jarige loopbaan nimmer aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Het gedrag van eiser levert dus geen dringende reden op voor ontslag. Gedaagde sub A gaat dan ook ten onrechte van het tegenovergestelde standpunt uit.

5.9 Thans dient de vraag te worden beantwoord of het ontslag, zoals eiser beweert en gedaagde sub A tegenspreekt, kennelijk onredelijk is. De Kantonrechter is van oordeel dat deze vraag, met de eiser, bevestigend moet worden beantwoord. Daarbij houdt de Kantonrechter er rekening mee dat, zoals hierboven reeds is overwogen, eiser zich in zijn 7-jarige loopbaan nimmer aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt, het aan eiser te maken verwijt niet zo ernstig is, en niet gesteld of gebleken is dat er gevaar bestaat dat eiser zijn gedrag zal herhalen, waardoor het belang van gedaagde sub A bij beëindiging van de dienstbetrekking niet opweegt tegen het nadeel voor eiser, die gezien de situatie op de arbeidsmarkt niet gemakkelijk een gelijkwaardige betrekking zal vinden en voor wie geen voorziening is getroffen.

5.10 De Kantonrechter acht termen aanwezig om, alvorens over de toewijsbaarheid van de onder 5.1 bedoelde vordering wordt beslist, tussen eiser en de gedaagde sub A een minnelijke regeling te beproeven.

Beslissing
Alvorens verder te beslissen:
Nodigt partijen – eiser in persoon en de gedaagde sub A behoorlijk vertegenwoordigd – uit om, desgewenst vergezeld van gemachtigden, ter terechtzitting te verschijnen tot het beproeven van een minnelijke regeling.

Bepaalt dat deze terechtzitting zal worden gehouden in een van de zalen van het gerechtsgebouw aan de Mgr. Wulfinghstraat no. 5 te Paramaribo op donderdag 1 oktober 1998 ’s morgens om half negen.

Houdt iedere verdere uitspraak aan.

SRU-K1-2007-1

Kantonrechter Eerste Kanton

4 oktober 2007, A.R. 073724

(mr. H.E. Struiken)

[eiseres], wonende aan [adres], te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. S. Marica, advocaat, eiseres in kort geding,

tegen

A. Naamloze Vennootschap Luchthavenbeheer, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Wayambostraat no.5 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. J. Kraag, advocaat,
B. De Staat Suriname, rechtspersoon, met name het Ministerie van Arbeid en Technologische Ontwikkeling en Milieu, gevestigd en kantoorhoudende aan de Wagenwegstraat no. 22, te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. E.Y. Braam- Jordan, advocaat, gedaagden in kort geding,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek het navolgende vonnis uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat eiseres bij het inleidende rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

A. De beschikking, met als kenmerk: OC [nummer 1] d.d. 13 juni 2007, te schorsen, althans op te schorten totdat in bodem procedure over rechtsgeldigheid daaromtrent zal zijn beslist;

B. Het ontslag besluit van de gedaagde sub A, met als kenmerk: Int. [nummer 2]/DIR/AI/am, d.d. 19 juni 2007, te schorsen, althans op te schorten totdat in bodem procedure over de rechtsgeldigheid daaromtrent zal zijn beslist;

C. Gedaagde sub A te verbieden zich in de beschikking, met als kenmerk: OC [nummer 1] d.d. 13 juni 2007, te volharden totdat in bodem procedure over de rechtsgeldigheid al zijn beslist.

D. Gedaagde sub A te veroordelen aan eiseres te betalen het bedrag groot SRD. 724,65 (ZEVENHONDERD VIERENTWINTIG EN 65/100 SURINAAMSE DOLLAR) zijnde dit het loon vanaf de maand juli 2007 vermeerderd met 25% interest ex artikel 1614q en vervolgens iedere maand totdat in bodem procedure over de rechtsgeldigheid van het ontslag zal zijn beslist.

Kosten rechtens

Overwegende, dat te dienende dage eiseres vertegenwoordigd door haar gematigde advocaat, S. Marica ter terechtzitting is verschenen en de gedaagden vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden advocaten, Mr. J. Kraag en mr. E.Y. Jordan ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiseres van eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van gedaagden schriftelijke conclusies van antwoord hebben genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat Wij naar aanleiding van het gevorderde in onderdeel A van het petitum luidende: schorsing althans opschorting van de beschikking de dato 13 juni 2007 en in onderdeel B daarvan luidende: schorsing althans opschorting van het ontslagbesluit de dato 19 juni 2007, opmerken, dat voor zover een constitutieve beslissing een definitief karakter draagt, of door de wet alleen aan de gewone rechter is opgedragen, hetgeen al geldt bij maatregelen van tijdelijke aard, als surséance van betaling (Meyers, Kort Geding, nr. 38, 2e druk, nr. 40) ontbreekt de bevoegdheid hieromtrent in kort geding te beslissen (Meyers, i.c.) slechts dan mag in kort geding een constitutieve beslissing worden genomen, wanneer dringende noodzaak noopt tot een voorlopige schorsing van de bestaande rechtsbetrekking; dit toch is te zien als een voorziening bij voorraad (Meyers, o.c.nr.40, 2e druk, nr. 42);

Overwegende, dat opgemerkt zij, dat rechtsbetrekking niet te vereenzelvigen is met beschikking in onderdeel A van het petitum, noch met besluit in onderdeel B daarvan;

Overwegende , dat de consequentie van het vorenoverwogene is, dat zowel de in onderdeel A als de in onderdeel B van het petitum gevraagde voorziening zullen worden geweigerd, bespreking van de aan elk van die voorzieningen ten grondslag gelegde feiten als niet langer relevant geheel in het midden latend;

Overwegende, dat het gevolg van het zojuist overwogene tevens is, dat Wij zowel de in onderdeel C van het petitum als de in onderdeel D daarvan gevraagde voorziening als sequeel van de te geven beslissing omtrent de voorzieningen in zowel onderdeel A als in onderdeel B, eveneens zullen weigeren;

Overwegende, dat Wij – zij het ten overvloede – met betrekking tot het verwijt van eiseres aan gedaagde sub B, de in het 5e “sustenu” van het verzoekschrift aangegeven algemene beginselen van behoorlijk bestuur te hebben veronachtzaamd, op grond van de daarbij gestelde feiten, opmerken, dat het, nog afgezien van de vraag of die feiten al dan niet juist zijn, zeer de vraag is of de in het administratief recht aanvaarde normen – de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur (dat zijn ongeschreven gedragsregels voor de overheid) als gevolg waarvan strijd daarmee beroepsgrond oplevert bij administratieve rechtspraak), het beginsel van willekeur, het vertrouwensbeginsel, het beginsel van materiële zorgvuldigheid, het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van rechtszekerheid, het beginsel van fairplay en het motiveringsbeginsel – in het burgerlijk recht op dezelfde wijze zijn aanvaard en ingeburgerd als in het administratief recht. Bij het leerstuk van de onrechtmatige overheidsdaad gaat het erom, of een redelijk denkende overheid tot een dergelijke beslissing had kunnen komen of kennelijk onredelijk heeft gehandeld. Ons is – anders dan eiseres terzake gesteld heeft – uit de zijdens gedaagde sub B overgelegde niet door eiseres betwiste bescheiden, in ieder geval niet gebleken dat gedaagde sub B met de rechtmatige belangen van eiseres geen rekening gehouden heeft;

Overwegende, dat eiseres als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten zal hebben te dragen;

Rechtdoende in kortgeding

Weigeren de gevraagde voorzieningen;

Verwijzen eiseres in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD nihil.

Aldus gewezen door mr. H.E. Struiken Kantonrechter in het Eerste Kanton en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van donderdag 4 oktober 2007 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. E.S. Ombre, in tegenwoordigheid van de Substituut- griffier, mr. L.J. van Bossé.

Wegens ziekte is mr. Struiken niet in staat te tekenen.

Eiseres in kort geding is noch in persoon noch bij gemachtigde bij uitspraak ter terechtzitting verschenen, terwijl de gedaagde sub A vertegenwoordigd door mr. Boldewijn namens zijn gemachtigde verschenen. De gedaagde sub B is bijgestaan door zijn gemachtigde verschenen.

SRU-K1-1994-1

Kantonrechter Eerste Kanton
4 augustus 1994, A.R. 942808
(Mr. S. Gangaram Panday)

[eiseres], gehuwd met [naam], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. B.A. Halfhide, advokaat, eiseres in Kort Geding,

tegen

[gedaagde], wonende te Paramaribo aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. P.E. Bemmel, advokaat, gedaagde in Kort Geding,
De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste kanton;
Gezien de stukken, waaronder meer bepaald her proces-verbaal van de door Ons ambtshalve bij rolbeschikking bevolen en gehouden comparitie van partijen d.d. 28 juli 1994;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eiseres bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in kort geding, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, op alle dagen en uren, de ten rekeste omschreven overeenkomst tussen, partijen zal worden geschorst en gedaagde zal worden gelast om binnen 24 uren na het ten deze te wijzen vonnis, althans binnen een door de Rechter in goede justitie vast te stellen termijn, het ten rekeste omschreven pand met alle daarin van harentwege aanwezige personen en goederen te verlaten en te ontruimen en ter vrije beschikking van eiseres te stellen, met bepaling dat indien gedaagde hiermee in gebreke mocht blijven eiseres gerechtigd zal zijn de ontruiming zelf te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm en op kosten van gedaagde. Kosten rechtens.

Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr. B.A. Halfhide en Mr. P.E. Bemmel, ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiseres voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie van antwoord heeft genomen, onder overlegging van een produktie, waarvan de inhoud, alsmede van de overgelegde produktie hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende; dat Wij hierna ambtshalve bij rolbeschikking van 25 juli 1994 een comparitie van partijen hebben bevolen, welke op 28 juli daaraanvolgend is gehouden, zijnde daarvan – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal opgemaakt;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het spoedeisend belang der vordering uit de aard der stellingen van het inleidend rekest van eiseres voortvloeit;

Overwegende, dat Wij bij rolbeschikking van 25 juli 1994 een comparitie van partijen hebben gelast voor het in winnen van inlichtingen en het beproeven van een vereniging, welke op 28 juli 1994 gehouden is en waarbij partijen Ons omstandig over de situatie ingelicht hebben, doch een minnelijke regeling behoorde niet tot de mogelijkheden, omdat de gedaagde niet toezegde op korte termijn te ontruimen;

Overwegende, dat tussen partijen van het navolgende als rechtens vaststaand kan worden uitgegaan;

  1. per 1 november 1993 heeft de gedaagde bij de eiseres een van de elf (11) gemeubileerde kamers gehuurd, in het pand van de eiseres aan [adres] te [district], met gebruik van bad, toilet, zitkamer en keuken, enzovoorts; met een aanvankelijke huurprijs van ƒ 500,– (VIJFHONDERD GULDEN) per maand;
  2. dat de eiseres in verband met de stijging van de prijzen, ook de huur aangepast heeft, te weten: per 1 maart 1994 tot ƒ 700,– ( ZEVENHONDERD GULDEN) per maand, per 1 mei tot ƒ 1000,– (EENDUIZEND GULDEN) per maand en per 1 augustus tot ƒ 1500,– (EENDUIZEND EN VIJFHONDERD GULDEN) per maand, doch dat de laatste aanpassing niet door de gedaagde werd geaccepteerd;
  3. dat de eiseres zelf de bovenwoning bewoont, van het pand [adres] te [district], waarvan zij de eigenaar is;
  4. dat tussen partijen over onder andere de aanpassing van de huur een ernstig verschil van opvatting heeft gemanifesteerd en is hun verhouding ernstig verstoord geraakt, welk situatie thans enkele maanden voortduurt;

Overwegende, dat in casu naar Ons voorlopig oordeel niet van een huurovereenkomst tussen partijen van een woning gesproken kan worden, doch huur van een kamer in een zogenaamde studentenhuis, waarbij de huurder gebruik maakt van de faciliteiten van het huis, zoals gas, licht, water etcetera, en valt de huurder de rechtsbescherming van de huurbeschermingswet niet ten deel;

Overwegende, dat nu tussen partijen vaststaat dat de verhouding tussen de eiseres als eigenaar/verhuurder en de gedaagde als huurder van voormelde woonunit ernstig verstoord is, zal de gedaagde vandaar moeten verhuizen ongeacht het feit aan welke van de partijen die verstoring in overwegende mate te wijten is;

Overwegende, dat de eiseres het onmiddellijke vertrek van de gedaagde van daar verlangt en dat de gedaagde tot eind december 1994 de ruimte daartoe wenst te hebben, doch dat Wij rekening houdende met de confliktsituatie tussen partijen in redelijkheid als na te melden recht zullen doen, met de veroordeling van de gedaagde, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten.

Rechtdoende in Kort Geding:
Schorsen de huurovereenkomst tussen partijen.

Gelasten de gedaagde de van de eiseres gehuurde ruimte (een kamer in het pand [adres]) per 1 september 1994 met alle daarin van harentwege aanwezige personen en goederen te verlaten en te ontruimen en ten vrije beschikking van eiseres te stellen.

Verklaren dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad.

Machtigen eiseres om indien gedaagde in gebreke mocht blijven het voormelde gehuurde te ontruimen deze zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm.

Veroordelen gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 784,– (ZEVENHOHDERD EN VIERENTACHTIG GULDEN).

 

SRU-K1-1990-2

Kantonrechter Eerste kanton
19 november 1990, A.R. 907077
(Mr. J.R. von Niesewand)

Stichting voor het Kind, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Awaradam no. 15, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. H.E. Struiken, advokaat, eiseres in kort geding,

tegen

[gedaagde], thans tijdelijk verblijfhoudende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. H.R. Schurman, advokaat, gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Gezien de stukken, waaronder meer bepaald de processen-verbaal van de ambtshalve door Ons bevolen en gehouden comparitie, van partijen en getuigenverhoor d.d. 17 november 1990.

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eiseres bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

A. gedaagde zal worden veroordeeld om het tehuis aan [adres] te [district] met alle personen en goederen die van harentwege zich daarin bevinden te ontruimen en te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen en wel binnen twee dagen na het ten deze te vellen vonnis met machtiging op eiseres om indien gedaagde in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm.
B. gedaagde zal worden gelast om binnen vier en twintig uur na het ten deze te wijzen vonnis de bestuursleden en functionarissen van eiseres toegang te verlenen tot alle ruimten van het gebouw aan [adres] en gedaagde voorts zal worden gelast tot afgifte van alle correspondentie en administratie welke gericht zijn aan eiseres en haar eigendom zijn zulks op straffe van een dwangsom van f.1000,– (eenduizend gulden) voor iedere dag dat gedaagde weigert, althans in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen;
C. gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten dezer procedure.

Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr. H.E. Struiken en Mr. H.R. Schurman ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiseres voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde hierna een schriftelijke conclusie van antwoord heeft overgelegd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld;

Overwegende, dat de inhoud van alle stukken als hier ingelast wordt beschouwd;

Overwegende, dat ter ambtshalve bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, Mevr [naam], voorzitster van de Stichting voor het Kind en de gedaagde in persoon, die hebben verklaard, gelijk in het vorenaangehaalde – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat eiseres in de enquête een getuige heeft doen horen, die heeft verklaard gelijk in het vorenaangehaalde – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat Wij de comparitie van partijen alsook de enquête ambtshalve gesloten hebben verklaard;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het spoedeisend karakter uit de aard van de stellingen van de vordering van eiseres blijkt;

Overwegende, dat eiseres op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd, dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

A. gedaagde zal worden veroordeeld om het tehuis aan [adres] te [district] met alle personen en goederen die van harentwege zich daarin bevinden te ontruimen en te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen en wel binnen twee dagen na het ten deze te wijzen vonnis met machtiging op eiseres, om indien gedaagde in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

B. gedaagde zal worden gelast binnen vier en twintig uur na het ten deze te wijzen vonnis de bestuursleden en functionarissen van eiseres toegang te verlenen tot alle ruimten van het gebouw aan [adres] en gedaagde te gelasten tot afgifte van alle correspondentie en administratie welke gericht zijn aan eiseres en haar eigendom zijn zulks op straffe van een dwangsom van Sf.1000,– per dag voor iedere dag dat gedaagde weigert, althans in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, alles Kosten rechtens;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend tussen partijen rechtens vaststaat, dat eiseres krachtens haar statuten zich ten doel stelt de behartiging van de belangen van het Surinaamse kind in de ruimste zin des woords;
dat eiseres, ter uitvoering van haar doelstellingen drie kindertehuizen exploiteert onder andere één aan [adres] alwaar gedaagde tijdelijk verblijf houdt;
dat in het tehuis aan [adres] dat als doorgangstehuis geldt door verschillende overheidsinstanties sociaal / economisch gehandicapte kinderen bij eiseres worden geplaatst;
dat deze instanties zijn: Het Medisch Opvoedkundig Bureau, Jeugdzorg, het Pedologisch Instituut, het Bureau voor Familierechtelijke Zaken en Gehandicapte Zorg;

Overwegende, dat wijders tussen partijen als enerzijds gesteld en anderzijds erkend danwel niet casu quo niet gemotiveerd betwist en gestaafd door de zich onder de gedingstukken bevindende niet betwiste bescheiden vaststaat, dat gedaagde op 1 juli 1990 als beheerster van het tehuis aan [adres] in dienst is getreden van eiseres tegen een salaris van f.500,– per maand, waarbij een proeftijd van twee maanden tussen partijen is overeengekomen, ingaande op het tijdstip dat de dienstbetrekking een aanvang heeft genomen en dat gedaagde met het oog op de aard van de door haar te verrichten arbeid een deel (in casu woon- en slaapruimte) van het tehuis aan [adres] bewoont en gebruikt;

Overwegende, dat ter door Ons ter terechtzitting van zaterdag 17 november 1990 ambtshalve bevolen en gehouden inlichtingencomparitie Mevr. [naam], voorzitter van eiseres, Ons aldus informerend alstoen onder meer heeft verklaard dat zij gedaagde op 23 oktober 1990 met onmiddellijke ingang (op staande voet) heeft ontslagen haar daarbij onverwijld als reden opgevend, dat zij – gedaagde – niet heeft voldaan aan de verwachtingen die van haar als beheerster van het tehuis werden verlangd en dat zij – gedaagde – op uiterlijk zaterdag 3 november 1990 het tehuis althans het door haar bewoonde gedeelte daarvan moest ontruimen en verlaten en ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen;

Overwegende, dat gedaagde als reactie op de aan haar op 23 oktober 1990 gedane ontslagaanzegging als hiervorenvermeld aan eiseres een van 31 oktober 1990 daterend schrijven heeft gericht waarin zij – voorzover ten deze van belang – stelt dat zij uitdrukkelijk ontkent dat zich redenen zouden hebben voorgedaan op grond waarvan eiseres het recht heeft haar te ontslaan en dat zij – gedaagde – dan ook aanspraak maakt op voortzetting van het dienstverband, zich beschikbaar houdt en derhalve bereid is de bedongen arbeid te verrichten en tenslotte dat zij in rechte een beroep zal doen op de nietigheid van het ontslag en haar aanspraak op doorbetaling van loon en bijbehorende vergoedingen geldend zal maken, alles indien eiseres het door haar aan gedaagde verleend ontslag met onmiddellijke ingang zou willen handhaven, hebbende gedaagde, naar blijkt uit het namens haar gevoerd verweer, zich erop beroepen, aldus dat verweer opvattend en uitleggend, dat eiseres haar heeft ontslagen zonder dat blijkt te zijn in acht genomen het bepaalde in artikel 3 lid 3 van het Decreet E-39A (S.B.1984 no. 102);

Overwegende, dat eiseres op generlei wijze heeft weten aannemelijk te maken haar – overigens betwiste – stelling dat de arbeidsovereenkomst met gedaagde voor bepaalde tijd is aangegaan, althans dat sprake is van een naderhand met gedaagde gemaakte afspraak, dat tussen partijen zou bestaan een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd casu quo twee maanden aangegaan, zodat Wij het er voor houden dat de tussen partijen op 1 juli 1990 gesloten arbeidsovereenkomst een is, voor onbepaalde tijd aangegaan;

Overwegende, dat nu eiseres als meest gerede partij op het terzake door gedaagde gevoerd verweer niet heeft gesteld of doen blijken dat zij het ontslag binnen de bij artikel 3 lid 2 van Decreet E-39A (S.B.1984 no. 102) schriftelijk heeft gemeld bij het Hoofd der Arbeidsinspectie onder opgave der dringende reden en dat de Minister van Arbeid met de aan gedaagde opgegeven reden heeft ingestemd, moet het aan gedaagde verleend ontslag met onmiddellijke ingang naar Ons voorlopig oordeel worden geacht geen rechtskracht te hebben en dat de dienstbetrekking mitsdien van rechtswege is blijven voortduren;

Overwegende, dat de consequenties van al het hiervorenoverwogene is dat de onder A van het petitum gevraagde voorziening moet worden geweigerd;

Overwegende, dat nu ook na de verstrekte informaties ter gehouden inlichtingencomparitie en ook na de verklaring van de [getuige], niet is komen vast te staan dat gedaagde weigert de bestuursleden en staffunctionarissen van eiseres de toegang tot de vertrekken en ruimten van het tehuis te verlenen en voorts weigert alle correspondentie en administratie van het tehuis af te geven nog daargelaten dat gedaagde heeft weersproken alle correspondentie en administratie onder zich te hebben, dient ook de onder B van het petitum gevraagde voorziening te worden geweigerd;

Overwegende, dat eiseres als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten zal hebben te dragen;

Rechtdoende in kort geding
Weigeren de gevraagde voorzieningen;
Verwijzen eiseres in de kosten van dit proces aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f. nihil.

SRU-K1-2008-1

Kantonrechter in Kort Geding

08 juli 2008, A.R. No. 082672
(mr. S.M.M. Chu)

Vonnis in zake:

  1. [eiser sub 1]
  2. eiser sub 2], beiden wonende te [district 1],
    Eisers in kort geding, hierna gezamenlijk te noemen de [eisers], gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

tegen

  1. [gedaagde sub 1],
    wonende te [district 1], gedaagde in kortgeding, hierna te noemen [gedaagde sub 1], gemachtigde: mr. B.A. Halfhide,
  2. Finabank NV,
    gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, gedaagde in kortgeding, hierna te noemen de Finabank, gemachtigde: mr. B.A. Halfhide, advocaat.

1 Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het op 25 juni 2008 ingediende verzoekschrift op de griffie der kantongerechten met producties;
– het schriftelijk antwoord pleidooi zijdens [gedaagde sub 1] en de Finabank met producties;
– het schriftelijk pleidooi van repliek en uitlating producties;
– het schriftelijke pleidooi van dupliek zijdens [gedaagde sub 1] en de Finabank.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1 [eiser sub 1] is eigenaar van het zakelijk recht van grondhuur vervallende 16 december 2025 op het perceelland, groot 2,6690ha gelegen in het [district 2] Para, aan [adres] bekend als [nummer] en aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 10 mei 1985 met de letters ABCD.

2.2 De [eisers] zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

2.3 In de verklaring van 12 oktober 2006, getekend door [gedaagde sub 1] en [eiser sub 1] staat onder meer vermeld:
“Dhr. [gedaagde sub 1] (…….) verklaard hierbij gekocht te hebben van dhr. [eiser sub 1] (….) een perceel groot 2,669 ha te [adres] voor de prijs van 39.500 euro waar hij heden een bedrag van 2.500 euro betaalt saldo37.000,- waar hij nog 7.000 aan voorschot moet geven en het resterend 30.000,- in 1 jaar moet aflossen.”

2.4 In de notariële akte van lastgeving verleden ten overstaan van de notaris, mr. Glenn Manoj Raj Shaw Ramautar op 25 oktober 2006 staat onder meer vermeld:
“Heden, de vijf en twintigste oktober tweeduizend en zes, verschenen voor mij (…) in tegenwoordigheid der na te noemen aan mij, bekende getuigen:

  1. De heer [eiser sub 1] (…)
  2. Mevrouw[eiser sub 2] (…)”

De comparanten verklaarden:
dat zij na te melden onroerend zaak hebben verkocht aan de na te noemen lasthebber:
dat zij naar aanleiding van het voorgaande onherroepelijk last en volmacht geven aan de heer [gedaagde sub 1], ondernemer. (…) om hen comparanten in alle opzichten en op elk rechtsgebied te vertegenwoordigen met betrekking tot:
het recht van grondhuur vervallende zestien december tweeduizend vijf en twintig op het perceelland, groot twee hectare, zes en zestig aren en negentig centiaren, gelegen in het [district 2], aan [adres] bekend als [nummer 1] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname F. Emanuels de dato tien mei negenhonderd vijf en tachtig met de letters ABCD.

Voorts verklaarden de comparanten dat deze volmacht met name strekt om voormeld onroerend zaak te vervreemden, hetzij in het geheel, hetzij in gedeelten, aan de voornoemde lasthebber of aan derden, te verkrijgen, te leveren, te bezwaren voor schulden van de lasthebber of van derden, om daden van beheer en beschikking te verrichten, te verhuren, de koopsom of huurpenningen te ontvangen en daarvoor kwijting te verlenen, daartoe de nodige biljetten en andere stukken te tekenen en in te dienen.

Onmiddellijk na voorlezing is deze minuutakte door de comparanten, de getuigen en mij, notaris ondertekend.”

2.5 In de tussen [gedaagde sub 1] en de Finabank gesloten overeenkomst comfortkrediet op 18 juni 2007 staat ondermeer vermeld:

“1. Leensom.
De kredietnemer verklaart van Finabank te hebben geleend gelijk Finabank verklaart aan kredietnemer te hebben geleend, de somma van SRD. 209.161,-..

3. Hypotheek.
De lening zal gedurende de gehele looptijd gedekt zijn door een gevestigde eerste hypotheek van SRD. 250.000,- (Tweehonderd en vijftigduizend 00/100 Surinaamse Dollars), gevestigd ten behoeve van Finabank en ten laste van de kredietnemer op:

Het recht van grondhuur – vervallende op 16 december 2022 – op het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 2,6690 ha, gelegen in het [district 2] aan [adres], bekend als [nummer 1] en aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname E.F. Emanuels d.d. 10 mei 1985 met de letters ABCD. ( Register [nummer 2]).

5. Bestemming.
Het krediet heeft als bestemming: Renovatie van het woonhuis aan [adres], aanschaf handelsvoorraden een overname winkelportefeuille van ouders [gedaagde sub 1].”

2.6 In de notariële akte verleden ten overstaan van de notaris, mr. Glenn Manoj Raj Shaw Ramautar op 22 juni 2007 staat onder meer vermeld:
“Heden, de twee en twintigste juni tweeduizend en zeven, verschenen voor mij:
De heer Eugene Edmund de Randamie, notarisklerk, (..) ten deze handelende als mondeling gevolmachtigde van de Directie van de naamloze vennootschap “Finabank NV.”, (—)
ter ener
en de heer [gedaagde sub 1, (….) ten deze handelende:
a. in prive
—- schuldenaar—-
b. als gevolmachtigde van:

  1. De heer [eiser sub 1] (..)
  2. Mevrouw [eiser sub 2], (..)

Krachtens een akte van lastgeving de dato vijf en twintig oktober tweeduizend en zes in minuut voor mij notaris verleden en onder mij notaris berustende.

— onderzetter –

ter andere zijde.

Ten achtste. Dat indien niet terstond wordt voldaan aan deze vordering tot betaling van hoofdsom met interesten en kosten, de partij ter ener of haar rechtverkrijgenden onherroepelijk zal of zullen zijn gemachtigd om het verbondene in het openbaar volgens het voorschrift der wet te doen verkopen, verkoopwaarden te regelen en vast te stellen, het verbondene in het openbaar volgens het voorschrift der wet te doen verkopen, de verkoopvoorwaarden te regelen en vast te stellen, het verbondene aan de koper in grondhuur over te dragen, kooppenningen te ontvangen en daarvoor te kwijten , teneinde uit de opbrengst zowel de hoofdsom als de renten en kosten te verhalen met bevoegdheid aan de zijde van de partij ter ener om het verbondene op te houden wanneer het naar het oordeel niet genoeg mocht gelden en de herveiling daarvan op een nader te bepalen dag te doen plaats hebben. De kosten door de ophouding veroorzaakt komen voor rekening van de partij ter andere zijde.”

2.7 De schriftelijke verklaring van de Finabank d.d. 7 mei 2008 gericht aan het notariaat Emanuels, waarin onder meer staat vermeld:
“Hierbij verklaart de Finabank NV dat de heer [gedaagde sub 1], geboren op[datum], bij haar een hypothecaire lening heeft lopen, welke per heden een saldo vertoont van SRD 235.279,75.
Het bovenvermelde saldo is exclusief eventuele notaris-en veilingskosten en is tot en met 30 mei 2008 geldig.”

2.8 Op 10 mei 2008 heeft de Finabank aan [gedaagde sub 1] en de [eisers] per deurwaardersexploit in kennis gesteld dat zij op woensdag 9 juli 2008 middels gebruikmaking van de aan [gedaagde sub 1] verleende onherroepelijke machtiging van 25 oktober 2006 zal overgaan tot verkoop van het perceel waarop het zakelijk recht van grondhuur is gevestigd.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 De [eisers] vorderen, zakelijk weergegeven:

  • de Finabank te verbieden om voort te gaan met de executie op woensdag 9 juli 2008 van het recht van grondhuur op het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 2,66 ha, gelegen in het [district 2] aan [adres] bekend als [nummer 1] en nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 1985 met de letters ABCD;
  • de Finabank te verbieden gebruik te maken van de onherroepelijke volmacht ex artikel 1207 BW, door haar verkregen bij de akte van notaris Glenn M.R.S. Ramautar d.d. 22 juni 2007, ten einde te executeren het recht van grondhuur op het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 2,66 ha, gelegen in het [district 2] aan [adres] bekend als [nummer 1] en nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 10 mei 1985 met de letter ABCD, totdat de kantonrechter in het eerste kanton in bodemgeschil definitief zal hebben beslist;
  • betaling van een dwangsom van SRD 1.000.000,- voor iedere overtreding van het te dezen te wijzen vonnis en voor iedere dag dat deze overtreding voorduurt;
  • veroordeling van [gedaagde sub 1] om de beslissing tegen de Finabank te gehengen en te gedogen.

3.1.1 Mede is gevorderd om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en veroordeling van [gedaagde sub 1] en de Finabank tot betaling van de proceskosten.

3.2 De [eisers] leggen aan hun vordering ten grondslag:

– dat [gedaagde sub 1] (beschikkings)onbevoegd was namens hen de hypotheek op het zakelijk recht van grondhuur te vestigen. Daartoe stellen zij dat zij slechts de intentie hadden volmacht aan [gedaagde sub 1] te verlenen om de tussen hen en [gedaagde sub 1] gesloten koopovereenkomst betreffende vermelde zakelijkrecht te formaliseren.
– dat de volmacht en de akte inhoudende de krediethypotheek nietig zijn op grond van dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden.

3.3 Zowel [gedaagde sub 1] als de Finabank hebben verweer gevoerd, welk verweer voorzover van belang hieronder zal worden besproken.

4. De beoordeling

4.1 Vooropgesteld wordt dat de vordering onder I, II en III zich richt tot de Finabank en die onder IV tot [gedaagde sub 1].

Uit de aard van de vordering en de daaraan ten grondslag liggende stellingen blijkt genoegzaam van het spoedeisend belang van de [eisers]. Derhalve zullen zij in hun vordering worden ontvangen.

4.2 De wilsgebreken

Vooropgesteld wordt dat het beroep op wilsgebreken slechts bij meerzijdige rechtshandelingen dan wel obligatoire overeenkomsten kans van slagen kan hebben en niet bij éénzijdige rechtshandelingen. Daar de door [eisers] aan [gedaagde sub 1] verleende volmacht als een éénzijdige rechtshandeling dient te worden aangemerkt, zal de nietigheid dan wel vernietigbaarheid daarvan op grond van dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in bodemprocedure geen kans van slagen hebben.

4.3 De beschikkingsonbevoegdheid van [gedaagde sub 1]

Vooropgesteld wordt dat een volmacht niets anders inhoudt dan het verlenen van de bevoegdheid door de volmachtgever, in casu de [eisers], aan de gevolmachtigde in casu [naam], hetzij mondeling hetzij schriftelijk, tot het verrichten van rechtshandelingen.

Uit de stellingen van de [eisers] begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde sub 1] door het vestigen van de krediethypotheek, de aan hem gegeven bevoegdheid tot het formaliseren van de tussen hem en de [eisers] gesloten koopovereenkomst, heeft overschreden en de Finabank om die reden niet kan overgaan tot verkoop van het perceel waarop het zakelijk recht van de [eisers]s is gevestigd.

Anders dan de [eisers] is de kantonrechter van oordeel dat zij in redelijkheid de beschikkingsonbevoegdheid dan wel bevoegdheidsoverschrijding van [gedaagde sub 1] niet aan de Finabank als derde dan wel wederpartij van [gedaagde sub 1] kunnen tegenwerpen. Zulks, temeer daar de Finabank is uitgegaan van een door de [eisers] getekende volmacht welke volmacht is opgemaakt en verleden ten overstaan van een notaris, zijnde een functionaris in wie elke derde in het rechtsverkeer het vertrouwen stelt dat deze uitgaande van zijn onderzoeksplicht de inhoud van elke akte, en dus ook die der volmachtverlening, vaststelt op grond van de door de volmachtgever aan hem verstrekte gegevens. Door dit handelen, namelijk het tekenen van de volmacht, hebben de [eisers] bij de Finabank als derde de schijn gewekt dat [gedaagde sub 1] bevoegd was namens hen een hypotheek te vestigen op het perceel waarop het aan hun in eigendom toebehorend zakelijk recht van grondhuur is gevestigd. Bovendien heeft [gedaagde sub 1] de overeenkomst comfortkrediet gesloten in het kader van renovatie van de opstallen op bedoelde perceel dat thans voor veiling staat en dit handelen gelet op de inhoud van de volmacht kan worden geïnterpreteerd als te zijn een overeenkomst gesloten door [gedaagde sub 1] namens de[eisers]. Om die reden zijn naar het oordeel van de kantonrechter de [eisers] gebonden aan de rechtshandeling die [gedaagde sub 1] namens hen met de Finabank als wederpartij heeft verricht.

4.4 Garantiestelling tot betaling

Gezien hun gebondenheid aan de door [gedaagde sub 1] met de Finabank verrichte rechtshandeling, lag het – sedert zij kennisdroegen van die rechtshandeling – op de weg van de [eisers] om enige garantie tot betaling te bieden aan de Finabank terzake de voldoening van het door [gedaagde sub 1] aan de Finabank verschuldigde bedrag, welke voldoening zij achteraf op [gedaagde sub 1] wegens een onrechtmatige daad, inhoudende de bevoegdheidsoverschrijding, konden verhalen. Zulks, om de thans op handen zijnde veiling van het perceel waarop hun zakelijk recht van grondhuur is gevestigd te voorkomen. Nu de [eisers] hebben nagelaten enige garantie tot betaling van het door [gedaagde sub 1] verschuldigde saldobedrag en rente aan de Finabank als wederpartij aan te bieden en het evenmin verwachtbaar is dat zij deze schuld op zeer korte termijn zullen aflossen, zal de kantonrechter de door de [eisers] gevraagde voorzieningen dienen te weigeren.

4.5 De [eisers] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding worden gewezen.

5. De beslissing

5.1 T.a.v. [gedaagde sub 1]

5.1.1 Weigert de gevraagde voorziening

5.1.2 Veroordeelt de [eisers] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.2 T.a.v. de Finabank

5.2.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2.2 Veroordeelt de [eisers] in de proceskosten aan de zijde van Finabank gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 8 juli 2008 te Paramaribo door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de substituut griffier.

Partijen in kort geding zijn noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-K1-2010-3

A.R. no. 102523

7 juli 2010

Kantonrechter in Kortgeding

Vonnis in de zaak van

[eiser], wonende te [district],
gemachtigde: mr. Ch. Mijnals, advocaat,
eiser in kort geding,

tegen

A. [gedaagde sub A] en
B. [gedaagde sub B], echtelieden, beiden wonende te [district],
gemachtigde: de heer M.H. Visser,
gedaagden in kort geding.

1. Het procesverloop:

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, dat op 21 juni ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord, met productie;
– de conclusies van repliek, met productie;
– de conclusie van dupliek, met productie;
– de conclusie tot uitlating productie zijdens eiser.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kort geding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser heeft bij overeenkomst van geldleen in september 2001 van gedaagden geleend het bedrag van EUR. 30.000,=. In die overeenkomst is een rentepercentage van 40% afgesproken en een aflostermijn van 1 jaar. Het geld is door eiser geleend voor investeringen in de klein mijnbouw. Eiser heeft zijn woonhuis in hypotheek gegeven.

2.2 Eiser heeft op de lening geen aflossingen gepleegd.

2.3 Gedaagden hebben aangekondigd dat zij over zullen gaan tot openbare verkoop van het onderpand op 8 juli 2010.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering
Eiser vordert kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden verbiedt de op handen zijnde executoriale verkoop van de woning van eiser voort te zetten c.q. te doen plaatsvinden totdat definitief zal zijn beslist en gedaagden veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2. De grondslag
Eiser voert als grondslag voor zijn vordering aan dat het gedrag van gedaagden kan worden betiteld als manipulatief, onrechtvaardig en onrechtmatig op grond van het volgende: dat het mede aan gedaagden is gelegen dat hij de schuld niet kon aflossen, dat zij wisten in wat voor financiële positie hij zat, dat hij daardoor niet anders kon dan instemmen met de wurgrente die door gedaagden is opgelegd, dat de gedaagden steeds deden alsof zij begrip hadden voor eiser zijn problemen, dat gedaagden geen spoedeisend belang hebben bij de openbare verkoop en dat door deze verkoop eiser en zijn gezin op straat zullen komen te staan. Hij voert aan dat hij een bodemprocedure heeft ingesteld om de rente aan te vechten en dat de veiling pas mag worden gehouden wanneer de kantonrechter de rente heeft aangepast naar een acceptabel niveau.

4. Het verweer
Op het verweer van gedaagden komt de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terug.

5. De beoordeling

5.1 Het spoedeisend karakter van deze vordering blijkt uit de aard der daaraan ten grondslag liggende stellingen.

5.2 Gedaagden hebben als voornaamste verweer aangevoerd dat eiser geen juridische grond heeft aangevoerd voor zijn vordering doch slechts heeft gesteld dat hij grote financiële problemen had waarvan gedaagden op de hoogte waren en dat de rente te hoog is.

5.3 Daarnevens hebben gedaagden aangegeven dat eiser degene is geweest die de rente aanbood omdat hij ervan uitging dat hij in de goudsector hoge winsten kan boeken wanneer het goed gaat.

5.4 De kantonrechter is het met gedaagde eens dat in de stellingen van eiser geen juridische grondslag terug is te vinden voor het stopzetten van de executie. De gronden die eiser aanvoert zijn, zoals onder het kopje grondslag vervat, dat hij financiële problemen had, dat gedaagden dat wisten en dat zij mede de oorzaak zijn geweest van de problemen vanwege de hoge rente die is afgesproken bij de geldlening. Dat is echter geen adequate grondslag voor een vordering als de onderhavige. Voor een geslaagde vordering tot stopzetting van een openbare verkoop zullen als grondslag feiten moeten worden aangevoerd die aannemelijk maken dat degene die executeert misbruik maakt van zijn executie recht en daardoor onrechtmatig handelt. Als degene die executeert in zijn recht staat omdat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan en er verder geen andere omstandigheden blijken waarom het gebruik maken van het executie recht onrechtmatig zou zijn kan van stopzetting geen sprake zijn.

5.5 Nu niet is gebleken dat gedaagden niet aan alle wettelijke voorwaarden hebben voldaan en eiser juist aangeeft niet te hebben afgelost is niet aannemelijk geworden dat er sprake is van misbruik van executie recht. Eiser heeft slechts gesteld dat de rente te hoog is en dat hij daar in een bodemprocedure iets aan probeert te doen. Dit is echter geen reden om misbruik van executie recht aan te nemen. De kantonrechter zal om die reden het gevorderde afwijzen.

5.6 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken en eiser als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van dit geding.

6. De beslissing

6.1 Wijst af het gevorderde.

6.2 Veroordeelt eiser in de kosten van dit geding aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van woensdag 7 juli 2010, in tegenwoordigheid van mr. G.R. Mangal, fungerend-griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2009-4

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 083651
29 januari 2009

Vonnis in kort geding inzake:

[eiser],
wonende te [district],
eiser in kort geding,
hierna te noemen [eiser]
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat

tegen

SURINAME ALUMINUM COMPANY LLC, rechtspersoon
gevestigd en kantoorhoudende in het district Para,
gedaagde in kort geding,
hierna te noemen Suralco
gemachtigde: mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– Het verzoekschrift dat met producties op 28 augustus 2008 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– De conclusie van antwoord met producties;
– De conclusie van repliek met productie;
– De conclusie van dupliek en uitlating productie met producties;
– De conclusie tot uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 14 september 2007 heeft Suralco bij het Ministerie van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu een vergunning aanvraag ingediend inhoudende beëindiging van de dienstbetrekking met [eiser].

2.2 Op 18 december 2007, heeft de Ontslagcommissie namens de Minister van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu een beslissing gegeven op eerder vermelde vergunningaanvraag, welke beslissing is vervat in een beschikking Hierin staat onder meer vermeld:
“heeft besloten: Op grond van het bovenstaande geen vergunning te verlenen ter beëindiging van de dienstbetrekking met de werknemer dhr. [eiser] ”.

2.3 Op 28 januari 2008 heeft Suralco een schrijven aan [eiser] gericht, in welk schrijven onder meer vermeld staat:
“Op juridische gronden achten wij de beslissing van de Ontslagcommissie d.d. 19 december 2007 nietig en derhalve niet rechtsgeldig. Dit betekent dat wij van menig zijn dat op grond van het Ontslagdecreet er sedert 03 januari 2008 positief is beslist op onze aanvraag.

Op grond hiervan wordt het dienstverband met U met ingang van 1 augustus 2008 opgezegd op grond van de bovengenoemde redenen. Aangezien U nog 22 dagen vakantietegoed heeft dient U Uw verlof per 02 juli 2008 op te nemen zodat daarop aansluitend op 01 augustus het dienstverband beëindigd is”.

2.4 In de beschikking van de Minister van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu van 20 november 2007 No. 3608, houdende verlening mandaat aan de Ontslagcommissie, onder meer ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning, staat onder meer vermeld:
“dat krachtens artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning, het de werkgever verboden is de dienstbetrekking met een werknemer te beëindigen, zonder een ontslagvergunning verleend door of namens de Minister van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu;

dat krachtens artikel 2 van het Besluit Ontslag Commissie er een Ontslagcommissie is ingesteld, die tot taak heeft aanvragen van een werkgever om een vergunning voor het beëindigen van de dienstbetrekking met een werknemer als bedoeld in artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning te beoordelen en ter zake namens de Minister een beslissing te nemen;

dat het nodig is de eerder genoemde bevoegdheid van de Minister van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu per beschikking te mandateren.

HEEFT BESLOTEN:

I. Aan de Ontslagcommissie zoals genoemd in artikel 2 van het Besluit Ontslagcommissie, mandaat te verlenen, onder meer ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning.

II. Te bepalen dat deze beschikking in het Staatsblad van de Republiek Suriname wordt bekendgemaakt”.

2.5 Vorenvermelde beschikking is op 31 maart 2008 gepubliceerd in het Staatsblad van de Republiek Suriname no. 25.

3. De vordering en grondslag daarvan en het verweer

3.1 [eiser] vordert:
– het gelasten van Suralco om aan hem de betalen zijn loon over de maand augustus 2008, zijnde deze Srd 9.094,96, vermeerderd met alle bijbehorende emolumenten en wel binnen twee dagen na de uitspraak, of op een door de kantonrechter te bepalen tijdstip, en voorts iedere maand het bedrag groot Srd 9.094,96 totdat op rechtsgeldige wijze een einde zal zijn gekomen aan de arbeidsovereenkomst tussen partijen;
– het gelasten van Suralco er zorg voor te dragen dat [eiser] wegens ziekte aanspraak maakt op alle medische voorzieningen waarop hij rechtens aanspraak maakt voor hem en zijn overige gezinsleden, een der emolumenten waarop hij aanspraak maakt;
– veroordeling van Suralco om aan hem bij wege van dwangsom te betalen het bedrag groot Srd 50.000,- voor elke dag of keer dat Suralco in gebreke mocht blijven om aan het hiervoor gevorderde te voldoen.

3.1.1 Mede is gevorderd het vonnis bij voorraad uitvoerbaar te verklaren en veroordeling van Suralco in de proceskosten.

3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Suralco onrechtmatig jegens hem handelt. Daartoe voert hij aan dat Suralco de door de Ontslagcommissie gegeven beslissing d.d. 18 december 2007 nietig acht en zij om die reden het dienstverband met hem heeft beëindigd, welke beëindiging onrechtmatig is. Als gevolg hiervan kunnen [eiser] en zijn gezinsleden niet beschikken over de noodzakelijke medische behandeling. Evenmin kan hij sedert augustus 2008 over zijn loon beschikken.

3.3 Suralco heeft verweer gevoerd op welk verweer – voor zover voor de beslissing van belang – hierna zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang

Het spoedeisend belang van de vordering van [eiser] blijkt voldoende uit de stellingen, zodat hij in zijn vordering zal worden ontvangen.

4.2 De bevoegdheid van de Ontslagcommissie op 19 december 2007

De Suralco voert als meest verstrekkend verweer dat de door de Ontslagcommissie gegeven beslissing van 19 december 2007 nietig is, omdat slechts de Minister van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu, hierna te noemen de Minister, bevoegd is tot het geven van een beslissing inzake een ontslagvergunningaanvraag en deze functionaris geen mandaat aan de Ontslagcommissie heeft verleend tot het nemen en geven van een beslissing ter zake. Dat de Minister geen mandaat aan de Ontslagcommissie ter zake heeft verleend blijkt, aldus het verweer van Suralco, uit het ontbreken van de daartoe vereiste administratiefrechtelijke handeling waaruit die mandaatverlening zou moeten blijken.

In reactie op dit verweer stelt [eiser] dat de Minister bij beschikking van 20 november 2007 vorenbedoeld mandaat wel aan de Ontslagcommissie heeft verleend, welke beschikking is gepubliceerd in S.B. 2008 no. 35. Daar deze beschikking op eerder vermelde datum is gegeven is het vereiste mandaat aldus de stelling van [eiser], verleend voor de door de Ontslagcommissie gegeven beslissing en heeft deze beslissing dus wel rechtskracht.

Vooropgesteld wordt dat krachtens het bepaalde in artikel 2 van het Decreet Ontslagvergunning de Minister bevoegd is tot het verlenen van een ontslagvergunning. Gebleken is dat de beschikking van 19 december 2007 is getekend door de Ontslagcommissie. Blijkens het bepaalde in artikel 80 lid 1 van de Grondwet treedt een wet in werking na afkondiging daarvan in het Staatsblad van de Republiek Suriname. Daar de beschikking een uitvoeringsbesluit is van het Decreet Ontslagvergunning, is deze bepaling analoog van toepassing op de beschikkingen dan wel uitvoeringsbesluiten. Gebleken is dat de beschikking van 19 december 2007 is getekend door de Ontslagcommissie en deze op 31 maart 2008 is gepubliceerd, waaruit voortvloeit dat aan de Ontslagcommissie op laatst vermelde datum mandaat is verleend tot het nemen en geven van beslissingen ter zake ingediende vergunningaanvragen. Het vorenstaande brengt de kantonrechter tot het oordeel dat de Ontslagcommissie op 19 december 2007 niet bevoegd was een beslissing ter zake de door de Suralco ingediende vergunningaanvraag te nemen en geven. Hieruit vloeit voort dat de beschikking ter zake niet door de daartoe bevoegde functionaris, te weten de Minister, zoals artikel 2 van het Decreet Ontslagvergunning dat voorschrijft, is gegeven.

4.3 De ontslagvergunning

Nu gebleken is dat de beschikking van 19 december niet door de daartoe bevoegde functionaris is gegeven, is het bepaalde in artikel 5 leden 1 en 3 van het Decreet Ontslagvergunning van toepassing, uit welke bepaling voortvloeit dat nu de Minister niet binnen dertig dagen na indiening van de vergunningaanvraag door Suralco niet heeft beslist, de vergunning wordt geacht te zijn verleend en wel met ingang van 30 december 2008.

4.4 De termijn van opzegging

Vooropgesteld wordt dat ingevolge het bepaalde in artikel 6 van het Decreet Ontslagvergunning de werkgever aan wie een ontslagvergunning verleend is, de betreffende dienstbetrekking mag opzeggen doch met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn.

Gesteld en gebleken is dat Suralco per schrijven van 28 januari 2008 de dienstbetrekking met [eiser] met ingang van 1 augustus 2008 heeft opgezegd, en Suralco dus de wettelijke opzeggingstermijn in acht heeft genomen.

Gebleken is dat Suralco heeft voldaan aan het bepaalde in de artikelen 5 en 6 van het Decreet Ontslagvergunning. Hierdoor heeft [eiser] niet aannemelijk kunnen maken dat de door Suralco met hem beëindigde dienstbetrekking onrechtmatig is, zodat de door hem gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd.

4.5 De proceskosten

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van Suralco gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en uitgesproken ter openbare terechtzitting door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton mr. mr. A. Charan, op donderdag 29 januari 2009 te Paramaribo in tegenwoordigheid van de substituut griffier, mr. L.J. van Bossé.

w.g. L.J. van Bossé.
w.g. S.M.M. Chu
w.g. A. Charan