SRU-K1-2011-6

Kantongerecht in het Eerste Kanton

A.R. 11-1019
20 april 2011
RGR

Vonnis in kort geding in de zaak van
A.[eiser sub A], wonende te [district 1],
B [eiser sub B], wonende te [district 1],
C.[eiser sub C], wonende te [district 1],
D.[eiser sub D], wonende te [district 1],
E.[eiser sub E], wonende te [district 1],
F.[eiser sub F], wonende te [district 1],
G.[eiser sub G], wonende te [district 1],
H.[eiser sub H], wonende te [district 1],
eisers,

gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

tegen

a.[gedaagde sub A], wonende te [district 1],
b.[gedaagde sub B], wonende in het [district 2],
c.[gedaagde sub C] , wonende te [district 1],
d.[gedaagde sub D], wonende in het [district 3],
e.[gedaagde sub E], wonende in het [district 2],
f.[gedaage sub F], wonende te [district 1],
g.[gedaagde sub G], zonder bekende woon- of verblijfplaats,
h.[gedaagde sub H] , wonende in het district [district 2],
i. [gedaagde sub I], wonende in het district [district 1],
gedaagden,

gemachtige: mr. F. Kruisland, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in naam van de Republiek het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het procesverloop

1.1 Hiervan blijkt uit de volgende processtukken/handelingen:

– het verzoekschrift dat op 9 maart 2011 met producties is ingediend ter griffie;
– op de zitting van 17 maart 2011 hebben eisers voor eis geconcludeerd;
– de conclusie van antwoord d.d. 30 maart 2011;
– de conclusie van repliek d.d. 5 april 2011;
– de conclusie van dupliek d.d. 7 april 2011;
– bij rolbeschikking d.d. 12 april 2011 heeft de kantonrechter partijen gevraagd zich uit te laten over hun bereidheid meet e werken aan het houden van verkiezingen onder leiding van een onafhankelijke commissie;
– op 14 april 2011 hebben beide partijen te kennen gegeven niet bereid te zijn mee te werken aan verkiezingen en vonnis gevraagd.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 “Nieuw Suriname” is een rechtspersoonlijkheid bezittende politieke vereniging.

2.2 Op 9 augustus 2009 is in “Nieuw Suriname” een nieuw bestuur gekozen dat alsvolgt is samengesteld:

1. [eiser sub A] (eiser sub A) Voorzitter
2. [gedaagde sub A] (gedaagde sub a) Ondervoorzitter
3. [gedaagde sub B] (gedaagde sub b) Ondervoorzitter
4. [gedaagde sub C] (gedaagde sub c) Secretaris
5. [eiser sub C] (eiser sub C) Secretaris
6. [eiser sub F] Penningmeester
7. [eiser sub B] (eiser sub B) Penningmeester
8. [eiser sub E] (eiser sub E) Commissaris
9. [eiser sub G] (eiser sub G) Commissaris
10. [eiser sub D] (eiser sub D) Commissaris
11. [gedaagde sub E] (gedaagde sub e) Commissaris
12. [gedaagde sub F] (gedaagde sub f) Commissaris
13. [gedaagde sub D] (gedaagde sub d) Commissaris
14. [naam 1] Commissaris
15. [naam 2] Commissaris

 

2.3 Op 12 februari 2011 hebben een aantal leden van “Nieuw Suriname” een bijeenkomst gehouden in het Guesthouse van de Universiteit aan de Leysweg te Paramaribo.

Deze bijeenkomst wordt door de gedaagden aangemerkt als een Partijcongres/Algemene Leden Vergadering. In punt 08 van de op deze vergadering aangenomen motie wordt gesproken van een spoed ALV.

De eisers betwisten dat er sprake was van Partijcongres/Algemene Leden Vergadering.

2.4 Blijkens de tekst van de op de vergadering van 12 februari 2011 aangenomen motie zou eiser sub A bij bestuursbesluit van 21 juli 2010 zijn afgezet als voorzitter van de partij doch geeft hij zich ten onrechte nog steeds uit als voorzitter.

2.5 Tijdens de vergadering van 12 februari 2011 zijn – zakelijk weergegeven – de navolgende besluiten genomen:

01. Door de vergadering werd bekrachtigd dat voor die dag een Algemene Leden Vergadering was uitgeschreven en dat alle besluiten konden worden genomen.

02. Het besluit van het hoofdbestuur d.d. 21 juli 2010 waarbij de heer [eiser sub A] als voorzitter is afgezet werd bekrachtigd alsmede het besluit om de ondervoorzitters te machtigen om alle handelingen in het belang van de partij en haar leden te verrichten.

03. De heer [eiser sub A] werd geroyeerd als lid van de partij.

04. De door de heer [eiser sub A] genomen besluiten werden ongeldig verklaard.

05. De toelating van [naam 1] tot het hoofdbestuur werd afgewezen, als zijnde in strijd met de Statuten.

06. De personen van [eiser sub E], [gedaagde sub B], [eiser sub C], [gedaagde sub D], [gedaagde sub G] en [eiser sub F] werden geroyeerd als lid van de partij en uit het hoofdbestuur ontslagen.

07. De leiding, de taken en bevoegdheden van de voorzitter van de partij werden opgedragen aan:

A. [gedaagde sub A],

terwijl de overige posten werden verdeeld:

B. [gedaagde sub B], ondervoorzitter/tevens wnd. voorzitter,

C. [gedaagde sub C], blijft secretaris,

D. [gedaagde sub D], penningmeester,

E. [gedaagde sub E], tweede penningmeester,

F. [gedaagde sub F], blijft commissaris,

en voorts:

G.[gedaagde sub G],

H.[gedaagde sub H],

I. [gedaagde sub I].

2.6 Krachtens punt 08 van de motie zijn voormelde besluiten bekendgemaakt.

3. Het gevorderde en de grondslag daarvan.

3.1 Eisers vorderen – zakelijk weergegeven – dat:

  • Alle besluiten die genomen zijn op voorschreven bijeenkomst d.d. 12 februari 2011 worden gschorst c.q. opgeschort.
  • Aan gedaagde sub A een verbod wordt opgelegd zich te presenteren als voorzitter van “Nieuw Suriname” en als zodnanig handelingen te verrichten, zolang hij niet op statutair rechtsgeldige wijze in die functie is gekozen.
  • de stukken betrekkelijk de oproeping der vergadering zijn niet door de voorzitter en de secretaris ondertekend.
  • er is vooraf gaande aan de vergadering geen agenda bekend gemaakt.
  • aan de vergadering hebben niet deelgenomen het Hoofdbestuur, de Partijraad, de Adviesraad, de Partijafdelingen en de Partijkernen, althans zijn deze partijorganen niet, althans niet allen op de statutair voorgeschreven wijze opgeroepen voor de vergadering.
  • is niet gebleken dat op de bedoelde vergadering de motie door leden van de partij is ingediend en dat leden van de partij voor de motie hebben gestemd.

II. Ook al zou er sprake zijn geweest van een rechtsgeldige vergadering dan nog zouden de daarin genomen besluiten niet zijn en wel omdat:

  • de onderwerpen waarover besluiten zijn genomen hebben niet op een agenda gestaan.
  • niet is gebleken dat tenminste de helft van de stemgerechtigde leden van “Nieuw Suriname” op de vergadering aanwezig of vertegenwoordigd was en dat de besluiten zijn genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen.
  • de bevoegdheid tot royement van een lid van de partij komt toe aan het hoofdbestuur en niet aan het Partijcongres.
  • het op 9 augustus 2009 gekozen bestuur zit aan tot 9 augustus 2012 en statutair is er geen ruimte voor tussentijdse bestuurswisselingen.
  • het hoofdbestuur wordt gekozen op een partijcongres doch er is geen sprake geweest van verkiezingen omdat de leden, althans eisers niet vooraf in de gelegenheid zijn gesteld kandidaten voor te dragen en propaganda te voeren.

3.4 Op het verweer van gedaagden en op hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunten nog hebben aangevoerd zal, indien nodig, in het hierna volgende worden ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Uit de aard van hun stellingen en uit het door hen gevorderde blijkt dat eisers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorzieningen.

4.2 Eisers hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd de stelling dat gedaagden in strijd met de statuten handelen waardoor ernstige schade wordt toegebracht aan “Nieuw Suriname” (zie de eerste alinea van het 6e sustenu van het inleidend rekest) en waardoor verwarring wordt gesticht over hun positie in “Nieuw Suriname” en tevens hun goede naam en eer wordt aangetast (zie de tweede alinea van voormeld sustenu).

Nu eisers gedaagden verwijten onrechtmatig tegen zowel de partij als tegen hen persoonlijk te handelen is de burgerlijke rechter bevoegd kennis te nemen van het geschil.

4.3 Gedaagden hebben verder als verweer aangevoerd dat eisers geen belang hebben bij de vordering aangezien de vordering is gericht op de bescherming van de rechten en belangen van de politieke organisatie “Nieuw Suriname” met wie de eisers niet vereenzelvigd kunnen worden. Naar het oordeel van de kantonrechter zien gedaagden hierbij over het hoofd dat de eisers ook hebben gesteld dat zij door de handelingen van de gedaagden, met name de uitlatingen dat zij en niet de eisers het hoofdbestuur van “Nieuw Suriname” vormen in hun maatschappij en politiek functioneren worden belemmerd en dat daardoor eveneens de indruk wordt gewekt dat zij zich een valse hoedanigheid aanmeten. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat eisers in hun hoedanigheid van leden van het hoofdbestuur wel degelijk belang bij de vordering hebben en dus in hun vordering zullen worden ontvangen.

4.4 Naar het oordeel van de kantonrechter hebben ook individuele leden van de vereniging een rechtens beschermd belang om op te komen tegen vermeende onstatutaire handelingen van het bestuur of van een gedeelte daarvan, omdat de vereniging, waarmee zij weliswaar juridisch niet vereenzelvigd kunnen worden doch waar zij een organisch deel van uitmaken, hierdoor in haar functioneren wordt belemmerd, althans kan worden belemmerd en op grond daarvan de belangen van haar leden niet op adequate wijze kan behartigen of de politieke idealen van de partij, op grond waarvan de leden zich bij die partij hebben aangesloten, niet kan realiseren c.q. nastreven.

4.5 Gedaagden hebben ingesteld dat eiser sub H geen lid van het hoofdbestuur van “Nieuw Suriname” is hetgeen door eisers niet is weersproken zodat dit feit vaststaat. Noch gesteld noch gebleken is dat eiser sub H geen lid van voormelde partij is. Op grond van hetgeen sub 4.4 is overwogen zal dus ook eiser sub H in zijn vordering worden ontvangen.

4.6 Toekomend aan de kern van het tussen partijen bestaand geschil zal de kantonrechter thans onderzoeken of de gedaagden, zoals de eisers beweren, in strijd met de Statuten van de partij en dus onrechtmatig hebben gehandeld. Alvorens op de stellingen van eisers, zoals verwoord in onderdeel 3.3 van dit vonnis in te gaan, zal de kantonrechter het materiële verweer van gedaagden beoordelen. Volgens dit verweer kan een substantieel deel van de leden, indien zij daartoe de behoefte hebben, zelfstandig een Algemene Leden Vergadering bijeenroepen en rechtsgeldige besluiten nemen indien in elk geval een zodanig groot aantal leden aanwezig is dat “het personensubstraat van de vereniging als gemeenschap van personen, dat een vereniging nu eenmaal is”, bijeen is. In casu zou dit zijn geschied omdat 42 van de 49 leden op de vergadering van 12 februari 2011 aanwezig waren.

4.7 De kantonrechter is van oordeel dat het door gedaagden geponeerde standpunt indruist tegen de verenigingsrechtelijke orde en op grond daarvan zal worden verworpen. Deze orde wordt bij verenigingen, behalve door de Wet, beheerst door de Statuten en het Huishoudelijk Reglement. Het is de kantonrechter niet gebleken dat “Nieuw Suriname”een Huishoudelijk Reglement heeft zodat in de onderhavige zaak de handelingen van gedaagden getoetst zullen moeten worden aan de in de Statuten voorgeschreven regels. Afwijking van de Statuten (en het Huishoudelijk Reglement) is alleen mogelijk indien alle leden op een vergadering aanwezig zijn en het besluit wordt genomen met algemene stemmen. Indien deze situatie zich niet voordoet zijn de partijorganen en de leden gebonden aan de interne regels der vereniging zoals die zijn neergelegd in de Statuten van de partij.

4.8 De eerste rechtsvraag die beantwoording behoeft is of alle Algemene Leden Vergaderingen door het Hoofdbestuur moeten worden bijeengeroepen. Volgens artikel 9 lid 3 van de Statuten kan het Hoofdbestuur ten alle tijde een Partijcongres/Algemene Leden Vergadering bijeen roepen. Deze bevoegdheid is aan geen enkele ander orgaan van de partij toegekend en ook niet aan een bepaald aantal leden. Nu krachtens artikel 9 lid 4 van de Statuten de leiding van alle Algemene Leden Vergaderingen in handen ligt van het Hoofdbestuur aangevuld met 2 vertegenwoordigers van zowel de Partijraad als de Adviesraad brengt, naar het oordeel van de kantonrechter, een redelijke interpretatie van de Statuten met zich mee dat alleen het Hoofdbestuur Algemene Leden Vergaderingen kan bijeen roepen. In elk geval moesten de eisers sub A, B, C, D, E, F en G, die deel uitmaken van het Hoofdbestuur en die statutair mede leiding aan de Vergadering moesten geven op de hoogte zijn van de Algemene Leden Vergadering van 12 februari 2011. Ten processe is komen vast te staan dat het Hoofdbestuur het Partijcongres niet heeft bijeegeroepen en dat de eisers niet mede leiding aan de vergadering hebben gegeven en zelf niet voor deze vergadering zijn opgeroepen.

Indien echter zou worden aangenomen dat de Statuten op dit punt een leemte vertonen, dan zou op grond van artikel 10 lid 9 van de Statuten slechts het Hoofdbestuur mogen beslissen.

Het probleem doet zich echter voor dat het Hoofdbestuur van de partij uiteen is gevallen en het dus niet te verwachten is dat het Hoofdbestuur een verzoek van een aantal leden om een Partijcongres te beleggen zal honoreren, zeker niet als het, zoals in de onderhavige zaak, gaat om de afzetting van een deel van het bestuur en royement van deze bestuursleden. Onder deze omstandigheden zullen, naar het oordeel van de kantonrechter, de leden die behoefte hebben aan een Algemene Leden Vergadering de rechter kunnen benaderen om hen vervangende toestemming te verlenen tot het bijeenroepen van een Partijcongres. De kantonrechter twijfelt er niet aan dat de leden zulk een toestemming zullen krijgen, met dien verstande dat als voorwaarde zal worden gesteld dat de statutaire bepalingen in acht zullen moeten worden genomen. In het licht van deze overweging moet het door de kantonrechter bij rolbeschikking aan partijen gedaan voorstel, om verkiezingen te houden onder leiding van een onafhankelijke commissie, worden gezien.

Wat dit punt betreft, komt de kantonrechter tot de slotsom dat de vergadering van 12 februari 2011 niet op de statutair voorgeschreven wijze is bijeen geroepen en dus niet als een Algemene Leden Vergadering/Partijcongres kan worden aangemerkt waardoor de op de vergadering genomen besluiten van onwaarde zijn.

4.9 Ten processe is verder niet gebleken dat de leden van de partij tot de vergadering van 12 febuari 2011 zijn opgeroepen per advertentie in een in Suriname verschijnend dagblad en dat daarbij een termijn van ten minste 14 dagen in acht is genomen. Gedaagden hebben dan ook in strijd met artikel 9 lid 8 van de Statuten gehandeld.

4.10 Krachtens artikel 10 lid 4 van de Statuten dient alle uitgaande correspondentie, dus ook de oproep tot een Partijcongres, ondertekend te zijn door de voorzitter en de secretaris. Wellicht heeft gedaagde sub c, in zijn hoedanigheid van secretaris van het bestuur dat op 9 augustus 2009 is gekozen, de stukken getekend doch vaststaat dat eiser sub A in zijn hoedanigheid van voorzitter deze oproep niet heeft ondertekend. De kantonrechter overweegt ambtshalve dat wellicht door gedaagden hiertegen zal worden aangevoerd dat, zoals uit de motie van 12 februari 2011 blijkt, gedaagde sub A al op 21 juli 2010 door het Hoofdbestuur was afgezet als voorzitter. De kantonrechter overweegt hieromtrent dat nu de voorzitter van de Partij, krachtens artikel 10 lid 3 van de Statuten, in functie door het Partijcongres wordt gekozen slechts dit orgaan geacht moet worden de bevoegdheid te hebben de voorzitter uit zijn functie te ontheffen. Ook hieruit blijkt dat slechts eerlijke bestuursverkiezingen de partij uit de impasse, waarin zij verzeild is geraakt, kan helpen doch de kantonrechter beseft dat hem elke bevoegdheid ontbreekt partijen te verplichten om aan deze verkiezingen mee te werken.

4.11 In het verenigingsrecht is algemeen aanvaard dat rechtsgeldige besluiten door een orgaan van de vereniging slechts kunnen worden genomen indien het onderwerp van het te nemen besluit vooraf, via een agenda, aan de leden van de vereniging of van het orgaan dat het besluit neemt is bekendgemaakt, tenzij alle leden ter vergadering aanwezig zijn en het besluit met algemene stemmen wordt genomen.

Niet gebleken is dat de vergadering van 12 februari 2011 is gehouden met als basis een vooraf aan de stemgerechtigde leden aangeboden agenda waarop de onderwerpen waaromtrent besluiten zijn genomen waren vermeld.

4.12 Noch uit een presentielijst noch uit de notulen van de vergadering van 12 februari 2011 blijkt dat de personen die ter vergadering aanwezig waren en de motie hebben ondersteund stemgerechtigde leden van de partij zijn. Nu eisers hebben betwist dat al de aanwezigen voldeden aan het vereiste van het lidmaatschap had het op de weg van gedaagden gelegen zulks rechtens aan te tonen, hetgeen zij echter niet hebben gedaan..

4.13 Volgens artikel 7 lid 3 van de Statuten van de partij geschiedt het royement van een lid door het Hoofdbestuur. Het Partijcongres mist deze bevoegdheid, hoewel zij wel dient als beroepsinstantie van een door het Hoofdbestuur uitgesproken royement.

4.14 Terecht voeren eisers aan dat in het verenigingsrecht verkiezingen slechts kunnen worden gehouden nadat alle leden, die zulks wensen, de gelegenheid hebben gekregen zich, overeenkomstig de Statuten, kandidaaat te stellen en propaganda te voeren. Ook aan deze elementaire doch wel fundamentele eis voldoet de vergadering van 12 februari 2011 niet.

4.15 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen komt de kantonrechter tot de eindconlusie dat, naar zijn voorlopig oordeel, de vergadering van 12 februari 2011 niet als een Algemene Leden Vergadering van “Nieuw Suriname” kan worden aangemerkt en de op die vergadering genomen besluiten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in een bodemprocedure van onwaarde c.q. nietig zullen worden verklaard, zodat de vordering zal worden toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter, met de gedaagden, van oordeel is dat de schorsing van besluiten per definitie aan tijd gebonden is. De kantonrechter zal daarom uit kracht van zijn bevoegdheid van rechter in kort geding ambtshalve onderdeel a van het petitum aanvullen in dier voege dat de schorsing zal duren tot dat in een bodemprocedure of door interne verkiezingen uiteindelijk zal zijn beslist.

4.16 De kantonrechter acht termen aanwezig de gevorderde dwangsom te matigen zoals in het dictum van dit vonnis is bepaald.

4.17 Gedaadgen zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De Kantonrechter, rechtdoende in kort geding:

5.1 Schorst de besluiten die genomen zijn op de door gedaagden, onder leiding van de gedaagden sub A en B, op 12 februari 2011 gehouden bijeenkomst in het Guesthouse van de Universiteit aan de Leysweg en wel tot dat bij rechterlijk vonnis of door interne bestuursverkiezingen uiteindelijk zal zijn beslist over de samenstelling van het bestuur.

5.2 Verbiedt gedaagde sub A zich als voorzitter van “Nieuw Suriname” te noemen en zich, al dan niet in het openbaar, als zodanig te presenteren en handelingen te verrichten en wel zolang hij niet op statutair rechtsgeldige wijze in die functie is gekozen.

5.3 Verbiedt gedaagden sub D en E zich penningmeester van “Nieuw Suriname” te noemen en zich, al dan niet in het openbaar, als zodanig te presenteren en handelingen te verrichten en wel zolang zij niet op statutair rechtsgeldige wijze in die functie zijn gekozen.

5.4 Verbiedt gedaagden sub G, H en I zich bestuursleden van “Nieuw Suriname” te noemen en zich, al dan niet in het openbaar, als zodanig te presenteren en handelingen te verrichten en wel zolang zij niet op statutair rechtsgeldige wijze in die functie zijn gekozen.

5.5 Veroordeelt elk der gedaagden, voorzover de vermelde verboden en bepalingen niet rechtstreeks tot hen zijn gericht, deze bevelen te gehengen en te gedogen.

5.6 Veroordeelt elk der gedaagden tot betaling van een dwangsom van SRD 1.000,– (duizend Surinaamse Dollar) per dag aan elk der eisers en wel voor elke dag dat hij of zij in strijd met dit vonnis handelt.

5.7 Verklaart het vonnis voor wat de onderdelen 5.2 en 5.6 betreft uitvoerbaar bij voorraad.

5.8 Verwijst gedaagden in de kosten van deze procedure aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 702,– (zevenhonderd en twee Surinaamse Dollar).

5.9 Weigert het meer of anders gevorderde.

Aldus in kort geding gewezen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton mr. R.G. Rodrigues en door hem uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van woensdag 20 april 2011, in tegenwoordigheid van de subsitituut-griffier, mr. L.J. van Bossé.

w.g. . L.J. van Bossé. w.g. R.G. Rodrigues

Eisers in kort geding zijn noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen en de gedaagde is vertegenwoordigd door mr. Lobbrecht namens hun gemachtigde verschenen.

SRU-K1-2011-5

KANTONRECHTER IN KORT GEDING

A.R. no. 081518
17 maart 2011

Vonnis in de zaak van

[eiseres], wonende te [district],
gemachtigde: mr.dr. J.V. van Dijk-Silos, advocaat,
eiseres in kort geding,
hierna genoemd ”[eiseres]”,

tegen

[gedaagde], wonende te [district],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat,
hierna genoemd: “[gedaagde]”.

1. Het proces verloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken;
– het verzoek, met producties, dat op 10 april 2008 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord, met producties;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek, met producties;
– de conclusie tot uitlating producties, zijdens [eiseres];
– de rolbeschikking van 22 oktober 2009;
– het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 10 november 2009 en voortgezet op 8 december 2009 tijdens welke comparitie ook een getuige is gehoord;
– de respectieve conclusies tot uitlating na gehouden comparitie en enquête zijdens elk der partijen;
– de rolbeschikking d.d. 28 oktober 2010 waarin partijen werden gelast zich uit te laten over de stand van zaken van de zaak bekend onder arno. 030267;
– de respectieve conclusies tot uitlating over de stand van zaken in voornoemde zaak zijdens elk der partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kort geding is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [eiseres] is eigenares van het perceelland groot 442,26 m2 gelegen aan de [straat], zoals genoemd in het inleidend rekest.

2.2 [naam] heeft in juli 1997, als gevolmachtigde van [eiseres] met [gedaagde] een akte van geldleen ondertekend voor een bedrag van NLG. 12.500,=.

2.3 Bij exploot van 27 februari 2008 werd [eiseres] bevel gedaan het saldo van NLG. 61.847,36 te voldoen waarbij tevens de openbare verkoop werd aangezegd van het voornoemde perceelland.

2.4 [eiseres] heeft daarna het bedrag van EURO 5.673,= voldaan aan [gedaagde] zijnde hoofdsom van het krediet.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering
[eiseres] vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

1. De inschrijving van de akte krediethypotheek doorhaalt;
2. [gedaagde] verbiedt het erf, groot 442,26 m2, met de daarop staande gebouwen, te executeren;
3. Bepaalt dat het vonnis zal dienen als akte ter doorhaling van de inschrijving van de hypotheek en voorts
4. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2 De grondslag
[eiseres] heeft als grondslag voor haar vordering aangevoerd dat zij de hoofdsom reeds heeft voldaan en daardoor geen grond meer bestaat voor de openbare verkoop. Zij voert aan dat de woekerrente ad 5% per maand niet gevorderd kan worden van haar omdat die woekerrente niet uit de akte van hypotheekstelling blijkt en niet op de wet is gebaseerd. Zij voert aan dat de aangezegde openbare verkoop niet rechtmatig is.

4. Het verweer
[gedaagde] heeft verweer gevoerd, op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De beoordeling:

5.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen.

5.2 De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] verweer heeft gevoerd welke onder andere hierop neerkomt dat de akte van krediethypotheek geheel rechtsgeldig is, dat partijen de rente en de boete overeen zijn gekomen en dat [eiseres] met het betalen van de hoofdsom het verschuldigde nog niet heeft voldaan, immers dient zij nog de rente te voldoen. Om die reden, zo stelt [gedaagde], is er nog wel een grondslag voor openbare verkoop. [gedaagde] voert aan dat zij slechts een rente van 3% per maand in rekening heeft gebracht waardoor zij juist heel redelijk is geweest. Zij voert voorts aan dat [eiseres] suggereert dat zij [naam] geen volmacht heeft gegeven door de woorden te hanteren van “ene [naam] die zich voordeed als gevolmachtigde van [eiseres]”. Echter heeft [eiseres] de volmacht niet van valsheid beticht, waardoor aan die stellingen voorbij gegaan moet worden.

5.3 [eiseres] heeft op het verweer van [gedaagde] gereageerd door te stellen dat zij de akte wel van valsheid heeft beticht, waarbij zij aangeeft dat er een rechtszaak loopt hierover. Zij voert aan dat zij [naam] nooit opdracht heeft gegeven om een dergelijke akte te tekenen. Zij voert voorts aan dat door de valse volmacht, de kredietstelling ook vals is en zij geen gelden heeft geleend. Zij is [gedaagde] niets verschuldigd doch heeft het bedrag slechts betaald om de openbare verkoop tegen te gaan. Zij stelt voorts dat, nu het een akte van krediethypotheek betreft er slechts geveild kan worden voor de som genoemd in de akte. Hierdoor kan de veiling niet doorgaan.

5.4 [gedaagde] heeft hierop aangevoerd dat [naam] met de volmacht wel een andere handelingen heeft gepleegd die niet van valsheid worden beticht. Zij voert aan dat het wel vreemd is da [eiseres] ineens bij de onderhavige lening vindt dat de volmacht niet bestaat. Zij voert voorts aan dat in casu geen sprake is van een echte krediethypotheek, welke vorm van hypotheek een heel ander karakter heeft. Zij voert aan dat in casu sprake is van een geleend bedrag dat met rente moet worden terugbetaald en waarvoor het onroerend goed in onderpand is gegeven. Zij verwijst voor het karakter van de geldleen naar de onderhandse akte d.d. 5 juni 1997 waarin staat gerelateerd dat het bedrag van NLG. 12.500,= is geleend en dat het bedrag in achtereenvolgende maandelijkse termijnen van NLG 1.000,= zal worden terugbetaald met bijbetaling van een rente van 5% per maand.

5.5 De kantonrechter overweegt dat er een comparitie va partijen is gehouden tijdens welke comparitie partijen hun respectieve standpunten hebben toegelicht. Voorts heeft de kantonrechter een [getuige] gehoord.

5.6 De kantonrechter overweegt voorts dat aan partijen de gelegenheid is geboden om informatie te verschaffen over de stand van zaken in de bodemzaak omtrent de rechtsgeldigheid van de volmacht.

5.7 De kantonrechter overweegt dat partijen bij hun conclusie tot uitlating geen informatie hebben kunnen verschaffen die van belang is voor de beoordeling van de onderhavige zaak.

5.8 De kantonrechter overweegt dat de [getuige] tijdens het getuigen verhoor heeft aangegeven dat [eiser] wel naar de notaris is geweest om de volmacht te tekenen en wel op de hoogte was van alle handelingen die door [naam] zijn gepleegd.

5.9 De kantonrechter is op grond van de overgelegde documenten en de verklaring van de [getuige] van oordeel dat [gedaagde] aannemelijk heeft kunnen maken dat de hypotheek wel rechtsgeldig tot stand is gekomen. Voorts heeft [gedaagde] aannemelijk kunnen maken dat in casu sprake is van een krediet met een vaste hypotheek waarbij een som geld is geleend welke moet worden terugbetaald en waarbij een stuk onroerend goed in onderpand is gegeven. Hierdoor is [gedaagde] gerechtigd het onroerend goed in het openbaar te verkopen, ook voor het verhaal van de rente welke verschuldigd is.

5.10 De kantonrechter acht het verweer van [gedaagde] derhalve gegrond en zal het gevorderde afwijzen.

De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en [eiser], als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen i de kosten van dit geding.

6. De beslissing

6.1 Wijst af het gevorderde;

6.2 Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, en uitgesproken door mr. R.G. Rodrigues, kantonrechter in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 17 maart 2011, in tegenwoordigheid van mr. D. Ramdin, fungerend griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. A.C. Johanns
w.g. R.G. Rodrigues

SRU-K1-2014-1

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 134031
20 november 2014

Vonnis in kort geding in de zaak van

Stichting Farishi, gevestigd en kantoorhoudende in het district Wanica,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

A. [gedaagde A],
B. [gedaagde B],
C. [gedaagde C],
allen wonende in [district],
gedaagden in kort geding,
gemachtigde: mr. J.C.P. Nannan Panday, advocaat.

1. De procesgang

1.1 De procesgang blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– Het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 5 september 2012 ter griffie van het kantongerecht is ingediend;
– de conclusie van antwoord;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek;

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [naam] heeft op 28 maart 1991 van gedaagden sub A en B gekocht, gelijk zij aan hem hebben verkocht het recht van grondhuur ter uitoefening van tuinbouw op het perceelland groot achtendertig aren en drieënzeventig centiaren, gelegen in het [district] aan [adres] deel uitmakende van het perceelland bekend als [gebied ] Serie A [nummer 1] nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname G.R. Liesdek d.d. 12 december 1987 door de figuur ADHGFE en blijkens de in dorso gestelde aantekening van de landmeter Ing. H. Kalloe d.d. 12 januari 1988 thans bekend als [gebied] Serie A [nummer 2] (hierna het perceel).

2.2 De koopsom bedroeg Sf 110.000,=, waarvan een bedrag van Sf 50.000,= is afgelost. Het saldo ad Sf 60.000,= zou worden voldaan bij het verlijden van de notariële akte van transport.

2.3 Op 2 november 2005 is de koopovereenkomst aangetekend in de daartoe bestemde register ten hypotheekkantore.

2.4 Ingevolge art. 3 van overeenkomst hebben gedaagden sub A en B zich verbonden alle nodige stappen te ondernemen dat vanwege de minister van Natuurlijke Hulpbronnen, thans Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer (ROGB), de verklaring wordt verkregen dat voldaan is aan de grondhuur voorwaarden.

2.5 Bij beschikking van 12 juli 2000 van de toenmalige minister van Natuurlijke Hulpbronnen werd toestemming verleend voor de overdracht, doch weigerden gedaagden sub A en B ondanks dringend daartoe te zijn aangemaand.

2.6 Naar aanleiding van het voorgaande heeft [naam] op 31 augustus 2000 een vordering tot levering van het onroerend goed in kort geding ingediend onder AR no. 20-3034. De kantonrechter heeft op 11 april 2001 vonnis gewezen in de zaak. Vanwege de brand van de griffie heeft [naam] nimmer het vonnis ontvangen.

2.7 Bij beschikking d.d. 13 juni 2012 heeft de Minister van ROGB wederom toestemming verleend tot overdracht van het perceel aan de door [naam] opgerichte en aangewezen Stichting Farishi (eiseres). Gedaagden sub A en B hebben wederom geweigerd hun medewerking te verlenen aan de overdracht.

2.8 Als gevolg van de weigering van gedaagden sub A en B, heeft [naam] zich wederom gewend tot de kantonrechter. Dit proces is bekend onder AR no. 12-3557. Terwijl voornoemd proces gaande was hebben gedaagden sub A en B hypotheek doen vestigen ten behoeve van gedaagde sub C op het perceel.

2.9 De akte van krediethypotheek is op 19 november 2012 verleden ten overstaan van notaris mr. G.M.R.S. Ramautar en ingeschreven ten hypotheekkantore op 2 (lees 20) november 2012 in register B [nummer 3].

2.10 De kantonrechter heeft bij vonnis gedateerd 6 juni 2013, in de zaak bekend onder AR no. 12-3557 gedaagden sub A en B veroordeeld om binnen 1×24 uur na betekening van het vonnis mee te werken aan de levering van het recht van grondhuur op het perceel aan Stichting Farishi.

2.11 Bij akte d.d. 12 juni 2013 is het perceel conform het vonnis overgeschreven ten name van eiseres.

2.12 Bij exploot van deurwaarder L. Gangaram Panday d.d. 10 april 2013 heeft gedaagde sub C conservatoir beslag doen leggen op het perceel. Dit beslag is ingeschreven in register D [nummer 4] van het hypotheekkantoor.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de doorhaling van:

a. de akte van krediethypotheek d.d. 19 november 2012, verleden door kandidaat notaris, mr. A.A.M. Punwasi als plaatsvervanger van notaris, mr. G.M.R.S. Ramautar en ingeschreven ten hypotheekkantore op 2 (lees 20) november 2012 in register B [nummer 3];

b. het bij exploot van deurwaarder L. Gangaram Panday gelegd conservatoir beslag op het perceel en ingeschreven in register D [nummer 4] van het hypotheekkantoor.

3.2. Eiseres heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.Door het perceel te bezwaren met een krediethypotheek ten behoeve van gedaagde sub C terwijl er een rechtsproces gaande was, maken gedaagden sub A en B zich schuldig aan wanprestatie c.q. onrechtmatige daad jegens eiseres. Gedaagde sub C heeft misbruik gemaakt, althans geprofiteerd van de wanprestatie en/of onrechtmatige daad van gedaagde sub A en B, omdat hij ten tijde van het verstrekken van de krediethypotheek, wist van de koopovereenkomst tussen [naam] enerzijds en gedaagden sub A en B anderzijds.

3.3 Gedaagden hebben over en weer verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van eiseres en het door haar gevorderde.

4.2 Gedaagden hebben het volgende verweer gevoerd.

Gedaagden sub A en B waren ten tijde van het vestigen van de krediethypotheek op het perceel beschikkingsbevoegd. Gedaagden A en B hebben immer en koopovereenkomst gesloten met eiseres maar met [naam]. Zij hadden derhalve geen leveringsplicht jegens eiseres. Volgens gedaagden sub A en B hebben zij nooit geweigerd om de levering te realiseren aan [naam].

4.3 De kantonrechter overweegt dat het verweer van gedaagden sub A en B niet gegrond is, immers heeft de rechter reeds een uitspraak gedaan over de vraag of gedaagden sub A en B een leveringsplicht hebben jegens eiseres. Zij zijn veroordeeld te leveren en kunnen zich in dit geding dan ook niet erop beroepen dat zij geen leveringsplicht hebben, althans, dat beroep kan niet slagen zolang niet in hoger beroep over die beslissing (in arno. 123557) anders is beslist. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan hun verweer.

4.4 Gedaagde sub C heeft zich in zijn verweer erop beroepen dat hij zich bij hypotheek vestiging of beslaglegging niet hoeft te storen aan geheime of onbekende verhoudingen tussen anderen. Hij beroept zich erop dat zijn hypotheek recht overeind staat. Samen met gedaagden sub A en B verwijst hij naar de processtukken in ze zaak met arno. 123557 daarbij stellende dat dat vonnis apert onjuist is.

4.5 De kantonrechter overweegt dat, gelijk hierboven reeds is overwogen, bij vonnis is beslist dat gedaagden A en B het onroerend goed als gevolg van de koopovereenkomst van 1991 dienen te leveren aan eiseres. Dat vonnis is ook nagekomen door gedaagden A en B. Zolang in hoger beroep over die beslissing niet anders is beslist moet daarvan uitgegaan worden.

4.6 Het verweer van gedaagde sub C dat hij zich niet hoeft te storen aan geheime of onbekende verhoudingen gaat niet op, nu uit de hypotheekakte blijkt dat hij wel op de hoogte was van de koopovereenkomst en op de hoogte was van de aantekening daarvan in het hypotheekregister (vide tweede blad akte van 19 november 2012, onderste alinea).

4.7 De kantonrechter is van oordeel dat hierdoor door gedaagde sub C het risico is aanvaard dat de koper na de levering, een beroep zou kunnen doen op het feit dat hij niet heeft ingestemd met de onderzetting van het onroerend goed dat aan hem was verkocht en inmiddels ook door de levering juridisch zijn eigendom is en niet het eigendom van de schuldenaren. Anders zou het zijn indien gedaagde sub C de koper bij de vestiging van de hypotheek had betrokken en die met de vestiging had ingestemd. Uit de stellingen en weren van partijen blijkt dat noch [naam] als partij bij de overeenkomst in 1991, noch eiseres heeft ingestemd met het vestigen van een hypotheek ten behoeve van derden, doch juist in de overeenkomst van 1991 was overeengekomen dat vrij van beslagen en hypotheken zou worden geleverd.

4.8 In casu heeft gedaagde sub C dat risico bewust aanvaard waardoor hij zich niet kan beroepen op zijn overeenkomst met gedaagden A en B.

4.9 Hetzelfde geldt voor de beslaglegging. Gedaagde sub C was ervan op de hoogte dat op een gegeven moment de levering zou kunnen plaatsvinden aan de koper waardoor uitwinning van dat onroerend goed voor schulden van de vorige eigenaren niet rechtmatig zou worden geacht. Hij zal derhalve conservatoir beslag moeten leggen op goederen die thans wel aan gedaagden sub A en B toebehoren.

4.10 De kantonrechter zal het gevorderde op grond van het hiervoor overwogene toewijzen en gedaagde, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

5. De beslissing

5.1 Gelast de doorhaling van de akte van krediethypotheek de dato 19 november 2012, verleden door kandidaat-notaris mr. Akash Avinash Matapersad Punwasi, als plaatsvervanger van notaris mr. Glenn Manoj Raj Shaw Ramautar, en ingeschreven ten hypotheekkantore op 2 november 2012 in register B [nummer 3];

5.2 Gelast de doorhaling van het bij exploit van deurwaarder L. Gangaram Panday gelegd conservatoir beslag op het litigieuze perceelland en ingeschreven ten hypotheekkantore op 10 april 2013 in register D [nummer 4];

5.3 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

5.4 Veroordeelt gedaagden in de kosten van dit geding aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 210,= (tweehonderd en tien Surinaamse dollar).

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter-plaatsvervanger mr. A.C. Johanns en uitgesproken door mr. R.G. Chatterpal, kantonrechter, ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 20 november 2014 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. A.C. Johanns
w.g. R.G. Chatterpal

SRU-K1-2009-3

In naam van de Republiek
Arno. 990474

Kantongerecht in het Eerste Kanton

A.R. no. 990474
10 november 2009

Vonnis in de zaak van

N.V. BILLITON MAATSCHAPPIJ SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: Mr. F. Kruisland, advocaat,
eiseres,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: Mr. J. Kraag, advocaat,
gedaagde.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 25 april 2006.

1. Het verdere procesverloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– De conclusies tot uitlating na gehouden enquete, zijdens partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2. De feiten, de vordering en de grondslag daarvan

Hiervoor verwijst de kantonrechter naar bovengenoemd tussenvonnis.

3. De beoordeling:

3.1 De kantonrechter volhardt bij hetgeen is overwogen in het bovenvermeld tussenvonnis.

3.2 De kantonrechter heeft bij bovenvermeld tussenvonnis gelast dat partijen zich alsnog uitlaten na de gehouden enquete.

3.3 In haar tussenvonnis van 11 oktober 2005 heeft de kantonrechter onder 3.6 overwogen dat, uitgaande van de overgelegde producties, aangevende de omschrijving van de begrippen lokale schulden c.q. schulden, wordt geoordeeld dat eiseres voorshand het gelijk aan haar zijde heeft. Nu gedaagden hebben gesteld dat, de gemaakte afspraken afwijken van de tekst van de overeenkomst, zullen zij overeenkomstig hun verzoek tot bewijsaanbod in de gelegenheid gesteld worden het tegenbewijs te leveren.

3.4 Tijdens de enquete gehouden op 3 april 2006 en 4 december 2006 zijn twee getuigen gehoord te weten mw. drs. [naam 1] en de heer drs. [naam 2]. Er is geen contra-enquete gehouden.

3.5 Eiseres heeft in haar uitlating na gehouden enquete naar voren gebracht dat uit de verklaringen van bovenvermelde getuigen niet is gebleken dat bij het verlijden van de akte van 15 januari 1993 partijen aan het woord “schulden” de betekenis toekenden van “slechts de schulden bij de banken en de verzekeraars”.

3.6 Gedaagde heeft in haar uitlating aangegeven dat met de twee getuigenverklaringen het bewijs zoals in het probandum bedoeld, ruimschoots is geleverd.

3.7 De kantonrechter overweegt dat bewezen moest worden dat, in tegenstelling tot hetgeen uit de formulering van de overeenkomst en de bijlage met nr. 9 begrepen kan worden, tussen partijen een andere, eventueel nadere afspraak was gemaakt over de betekenis van het woord “schulden”, waarbij moest zijn afgesproken tussen partijen dat met “schulden” bedoeld zou worden “slechts de schulden bij de banken en bij de verzekeraars”en verder geen andere schulden in Suriname of in Surinaams courant.

3.8 De getuige [naam 1] heeft ten aanzien van de uitleg van de punten 3 en 4 van bijlage 9 het volgende verklaard: “…deel ik u mede dat ik punt 3 uitleg als een voorziening in die zin dat als de Staat later zou aflossen de koers nog altijd gefixeerd zou worden op de koers van 1 op 8. Voorts bevestig ik naar aanleiding van de vraag van laatstgenoemde advocaat niet aanwezig te zijn geweest in de eindfase van de opstelling en ondertekening van de onderhavige overeenkomsten”. De kantonrechter overweegt dat uit de verklaring de getuige [naam 2] geen informatie kan worden verkregen over eventuele nadere afspraken over de betekenis die partijen aan het woord “schulden” zou hebben gemaakt.

3.9 De getuige [naam 2] heeft ten aanzien van de betekenis die aan het woord “schulden” moest worden toegekend het volgende verklaard: “Ik deel u mede dat ik 1 tot 2 gesprekken met de heer [naam 3] heb gevoerd en hij daarbij heeft aangegeven dat de schulden bedroegen, de schulden bij banken en verzekeringsmaatschappijen zoals hij dat eerder heeft aangegeven”. Echter blijkt uit zijn verklaring tevens dat hij in augustus 1993 een schrijven heeft gestuurd aan de Billiton waarin voorkomt: “U heeft een lening bij de Shell Suriname Verkoopmaatschappij. Voor de aflossing daarvan moet u dollars binnenbrengen conform artikel 9 van de bauxiet overeenkomst”. Voorts heeft de getuige [naam 2] over de formulering van de overeenkomst en de bijlage no. 9 aangegeven dat hij niet gevallen was over die formulering omdat voor hem duidelijk was wat de interpretatie ervan was, namelijk die welke tussen hen was overeengekomen.

3.10 De kantonrechter overweegt dat uit de verklaring van de getuige [naam 2] wel blijkt welke interpretatie bij aan het woord “schulden”gaf, doch niet blijkt dat partijen dat daadwerkelijk waren overeengekomen bij nadere afspraak. Om die reden zal de kantonrechter uitgaan van de overeenkomst en de bijlage met nummer 9 waarin geen beperking is aangegeven voor wat betreft de “schulden”.

3.11 De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde haar verweer niet heeft kunnen bewijzen waardoor het gevorderde als gegrond zal worden toegewezen, met dien verstande dat de beschikking en de uitspraak zoals gevorderd zullen worden toegewezen.

3.12 De kantonrechter zal op de overige stellingen en weren van partijen niet verder ingaan nu deze niet langer relevant zijn en gedaagde, als de in het ongelijke gestelde partij veroordelen in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

4.1 Vernietigt de beschikking van de Inspecteur der Directe Belastingen d.d. 24 februari 1997 waarbij aan eiseres een definitieve aanslag voor het jaar 1993 met het no. AI481669 voor de inkomstenbelasting werd opgelegd ten bedrage van USD. 15.611.100,= (vijftien miljoen zeshonderd elfduizend eenhonderd Noord-Amerikaanse dollars);

4.2 Vernietigt de uitspraak van de Inspecteur der Directe Belastingen d.d. 8 december 1998 op het bezwaarschrift van eiseres d.d. 27 maart 1997 tegen de definitieve fiscale aanslag voor het jaar 1993 met het no. AI481669 ten bedrage van USD.15.611.100,= (vijftien miljoen zeshonderd elfduizend eenhonderd Noord-Amerikaanse dollars);

4.3 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.4 Verklaart voor recht dat eiseres over het jaar 1993 voor de inkomstenbelasting slechts een bedrag van USD. 2.394.390,= (twee miljoen driehonderd vierennegentigduizend driehonderd negentig Noord-Amerikaanse dollars), althans niet meer dan dat bedrag is verschuldigd;

4.5 Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 20,- (twintig Surinaamse dollar).

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, en bij vervroeging uitgesproken door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, kantonrechter-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van dinsdag 10 november 2009, in tegenwoordigheid van mr. G. Mangal, fungerend-griffier.

w.g. G. Mangal w.g. A.C. Johanns
w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2013-2

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

AR no. 13-3715
05 september 2013

Vonnis in kort geding inzake

1. [verzoeker sub 1],
2. [verzoeker sub 2], echtelieden, gehuwd in algehele gemeenschap van goederen, wonende aan [adres] te [district],
3. [verzoeker sub 3],
verzoeker in kort geding in personen en als gemachtigde van verzoekers sub 1 en sub 2,
gemachtigde: mr. J.M. Nibte, advocaat

tegen

STICHTING SOTHAL, rechtspersoon, domicilie gekozen hebbende aan de Mahonylaan no. 22, te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. G.A.T.T. Sitaram, advocaat.

Partijen zullen hierna worden aangeduid bij hun respectieve achternamen, als de [eisers sub 1 en 2] dan wel gezamenlijk als de eisers enerzijds en als Stichting Sothal anderzijds.
De kantonrechter in het eerste kanton heeft, in naam van de Republiek, het navolgend vonnis in kort geding uitgesproken.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van het geding blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het inleidend rekest met producties op 30 augustus 2013 ter griffie ingediend met producties zijdens de eisers;
– de beschikking d.d. 02 september 2013 zijdens de kantonrechter dat de zaak in kort geding zal dienen op 02 september 2013;
– de conclusie van antwoord zijdens Stichting Sothal met producties d.d. 03 september 2013;
– de mondelinge conclusie van repliek d.d. 04 september 2013 zijdens eisers;
– de mondelinge conclusie van dupliek d.d. 04 september 2013 zijdens Stichting Sothal.

1.2 Tenslotte is de uitspraak van het vonnis bepaald op heden 05 september 2013.

2. Feiten
2.1 Blijkens de overgelegde notariële akte d.d. 20 februari 1995 (productie 1 bij het inleidend rekest) hebben de [eisers sub 1 en 2] aan [verzoeker sub 3] last en volmacht gegeven om namens de [eisers sub 1 en 2], rechtshandelingen te verrichten betrekking hebbende op twee percelen gelegen in [district] nader aangeduid in voornoemde akte en in sub 5 van het verzoekschrift en zonder nadere omschrijving bij partijen bekend.

2.2 Blijkens de overgelegde onderhandse en gelegaliseerde akte van koop en verkoop d.d.20 februari 1995 (productie 2 bij het inleidend rekest) hebben de [eisers sub 1 en 2] voornoemde twee percelen aan [verzoeker sub 3] verkocht. De juridische overdracht heeft niet plaatsgevonden.

2.3 Blijkens de overgelegde notariële akte van geldlening en hypotheekstelling d.d. 14 mei 2001 verleden bij de notaris R. Ramautar (productie 3 bij het inleidend rekest) heeft [verzoeker sub 3], handelende als gevolgmachtigde van de [eisers sub 1 en 2] krachtens voornoemde akte van lastgeving, met Stichting Sothal een geldleenovereenkomst gesloten ten bedrage van Nf 200.000,-. Tot zekerheid van de betaling heeft [verzoeker sub 3] hypotheek doen vestigen op de twee voornoemde percelen ten gunste van Stichting Sothal.

2.4 Blijkens het overgelegde exploit van de deurwaarder D.E. Hew A Kee d.d. 12 juli 2013 onder no. 182 (productie 4 bij het inleidend rekest) zijn de [eisers sub 1 en 2] aangezegd dat Stichting Sothal op donderdag 05 september 2013 te 10.00 uur des voormiddags zal overgaan tot openbare verkoop van de litigieuze onroerende goederen.

2.5 Het dispuut betreft de vraag of de voorgenomen executie onrechtmatig is.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

De eisers vorderen om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op alle dagen en uren:

3.1
Primair:
a. de stopzetting c.q. opschorting te gelasten van de door Stichting Sothal voor donderdag 05 september 2013 aangekondigde openbare verkoop van de litigieuze onroerende goederen genoemd onder sub 5 van het verzoekschrift, totdat in en door de eisers aanhangig te maken rechtsgeding zal zijn beslist;
b. Stichting Sothal te veroordelen in de proceskosten.

Subsidiair:
a. de stopzetting c.q. opschorting te gelasten van de door Stichting Sothal voor donderdag 05 september 2013 aangekondigde openbare verkoop van de litigieuze onroerende goederen genoemd onder sub 5 van het verzoekschrift, totdat door Stichting Sothal op rechtsgeldige wijze de akte van geldlening en hypotheekstelling is betekend zijnde het bedrag groot Nf. 200.000,- althans de tegenwaarde in euro’s vermeerderd met een rente van 2% per maand vanaf 14 mei 2001 tot en met 14 mei 2002 conform de akte van geldlening;
b. Stichting Sothal te veroordelen in de proceskosten.

De eisers stellen daartoe het volgende:
3.2 De eisers moesten het ter leen ontvangen bedrag terugbetalen binnen een jaar met bijbetaling van rente. Niet is overeengekomen dat de eisers na het verstrijken van de termijn van 1 jaar tevens rente verschuldigd zijn. Partijen hebben bovendien uitdrukkelijk de afspraak gemaakt dat na het verstrijken van het jaar geen rente zal zijn verschuldigd.

3.3 Na het verstrijken van de overeengekomen termijn heeft [verzoeker sub 3] de betalingen van het geleend bedrag aan Stichting Sothal aangeboden, echter deze heeft het bedrag niet geaccepteerd stellende dat zij tezijnertijd zou aangeven wanneer zij behoefte had aan het geldbedrag.

Stichting Sothal verweert zich als volgt:
3.4 Formeel verweer: [verzoeker sub 3] is onbevoegd onderhavige vordering in te stellen omdat de volmacht gedateerd 20 februari 1995 sedert 23 maart 2009 bij notariële akte is ingetrokken.

3.5 Materieel verweer: De rentevergoeding loopt door totdat de hoofdsom integraal is afgelost.

3.6 Op verdere stellingen van de eisers en weren van Stichting Sothal komt de kantonrechter hierna, voor zover nodig, terug.

4. De beoordeling van de vordering

4.1 Het spoedeisend belang van de eisers bij de ingestelde vordering is in voldoende mate gebleken uit zijn stellingen nu het betreft een op handen zijnde openbare verkoop.

4.2 Tijdens het mondeling afpleiten ter terechtzitting hebben eisers aanvulling van hun eis gevorderd en wel met bovenstaande genoemd onder 3.1 onder de kop: subsidiair. Stichting Sothal heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. De kantonrechter overweegt ter zake het volgende. Het artikel 109 Rv. biedt de eiser de bevoegdheid om tot de afloop van de zaak zijn eis te wijzigingen of te verminderen. Deze mogelijkheid van wijziging van eis wordt begrensd door de eisen van een goede procesorde. De wederpartij kan bezwaar maken tegen een eiswijziging als hij vindt dat die grens overschreden wordt. De rechter kan die grens ook ambtshalve bewaken. De gedaagde kan zich tegen een wijziging of vermeerdering verzetten wanneer hij daardoor in zijn verdediging onredelijk wordt bemoeilijkt of het geding daardoor onredelijk wordt vertraagd.

4.3 De kantonrechter oordeelt ter zake dat Stichting Sothal niet in haar verdediging onredelijk is bemoeilijkt of dat het geding daardoor onredelijk is vertraagd. Voorts verbiedt het voornoemd artikel de eiser nochtans het onderwerp van de eis te veranderen of te vermeerderen. Aan dit laatste bezondigen de eisers zich niet doordat de grondslag van hun eis, zijnde de vermeende onrechtmatigheid van de voor handen zijnde openbare verkoop, ongewijzigd is gebleven. Het verzoek van de eiser tot wijziging van het petitum zal als zijnde niet strijdig met de wet en niet strijdig met een goede procesorde, toegewezen worden.

4.4 Ter zake het door Stichting Sothal gevoerd formeel verweer betrekking hebbende op de onbevoegdheid van [verzoeker sub 3] om de vordering in te stellen overweegt de kantonrechter het volgende. Blijkens de door Stichting Sothal overgelegde en niet door de eisers betwiste notariële akte d.d. 23 maart 2009 verleden bij notaris J.R.K. Vishnudatt, hebben de [eisers sub 1 en 2] alle volmachten, meer in het bijzonder de volmacht van 20 februari 1995, per voornoemde datum ingetrokken. Vermeende onbekendheid van [verzoeker sub 3] hiermee doet hieraan niet af. Vanwege de ingetrokken volmacht ontbeert [verzoeker sub 3] de bevoegdheid namens de [eisers sub 1 en 2] de vordering in te stellen. Hij zal voor wat betreft die vordering niet ontvankelijk worden verklaard.

4.5 Ter zake de vraag of [verzoeker sub 3] wel bevoegd is in persoon de vordering in te stellen overweegt de kantonrechter dat [verzoeker sub 3] door de koop een relatief recht heeft verkregen dat hij als koper alleen tegen de verkopers kan inroepen. Bij de levering zou hij een zakelijk recht in dezen het eigendomsrecht verkrijgen en wel – ex het artikel 670 BW– op het moment van het doen overschrijven van de koopakte in de daartoe bestemde openbare registers van het hypotheekkantoor. De levering van de gekochte onroerende goederen heeft echter niet plaatsgevonden. In deze kan worden gesproken van het verkrijgen van economische eigendom hetgeen aan [verzoeker sub 3] toekomt welke moet worden onderscheiden van het juridisch eigendom dat nog in handen is van de [eisers sub 1 en 2]. Volgens de Hoge Raad (HR 5 maart 2004, NJ 2004, 316) wordt met het begrip doorgaans gedoeld op het bestaan van een aantal verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen tot een zaak, die niet in alle gevallen dezelfde inhoud behoeven te hebben. Als economische eigenaar die recht heeft op de levering en er belang bij heeft dat de door hem opgekochte percelen niet in het openbaar worden verkocht dient [verzoeker sub 3] geacht te worden een legitiem belang te hebben bij het instellen van de vordering en dient hij daarin in persoon procederende dan ook ontvankelijk verklaard te worden. Temeer daar hij te kennen heeft gegeven de leensom te willen betalen en het voor Stichting Sothal niet uitmaakt wie deze betaalt.

4.6 Thans de vraag wat uitgaande van de geldleenovereenkomst met hypotheekstelling aan Stichting Sothal dient te worden betaald. In de litigieuze notariële akte van geldlening en hypotheekstelling d.d. 14 mei 2010 is voor zover van belang het volgende opgenomen: “1. dat de gemelde som van Nf. 200.000,- zal worden terugbetaald binnen een jaar na heden met bijbetaling ener rentevergoeding berekend tegen twee (2) procent per maand. Echter dient de rente elke maand te worden voldaan…”. De opvatting van [verzoeker sub 3] is dat niet is overeengekomen dat de eisers na het verstrijken van de termijn van 1 jaar tevens rente verschuldigd zijn. De kantonrechter overweegt ten aanzien hiervan dat nu onduidelijk is welke renteverplichtingen uit de overeenkomst voortspruiten, nagegaan dient te worden welke betekenis partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de contractsbepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De kantonrechter is van oordeel dat het ongebruikelijk is dat partijen overeenkomen dat rentevergoeding slechts voor een beperkte periode geldt en niet tot wanneer de lening volledig is afbetaald. Daarenboven zouden partijen volgens [verzoeker sub 3] uitdrukkelijk de afspraak hebben gemaakt dat na het verstrijken van het jaar geen rente verschuldigd zou zijn. Na de betwisting van dit laatste door Stichting Sothal heeft [verzoeker sub 3] dit niet aannemelijk kunnen maken. Aan dit verweer dient derhalve voorbij gegaan te worden. Gegeven het bovenstaande mocht Stichting Sothal in redelijkheid ervan uitgaan dat de rentevergoeding verschuldigd was totdat de hoofdsom was afgelost en redelijkerwijs verwachten dat dat ook de zienswijze van [verzoeker sub 3] was.

4.7 Aan de stelling van [verzoeker sub 3] dat na het verstrijken van de overeengekomen termijn hij de betalingen van het geleend bedrag aan Stichting Sothal heeft aangeboden echter dat deze het bedrag niet accepteerde kan worden voorbijgegaan. [verzoeker sub 3] heeft geen verificatoren aangeboden om dit aannemelijk te maken en heeft ook niet, nadat het hem bekend was dat hij in elk geval tot betaling diende over te gaan – in elk geval na de aanzegging tot openbare verkoop – de betaling verricht van minstens de geldsom waarvan hij de mening was toegedaan dat hij dat bedrag wel aan Stichting Sothal verschuldigd was. De stelling van [verzoeker sub 3] dat hij onbekend was met eerdere aanzeggingen om tot openbare verkoop over te gaan, gaat niet op. Blijkens de overgelegde aanzeggingen (productie 3, 4 en 5 van de conclusie van antwoord) zijn deze aan [verzoeker sub 3] (productie 4) en aan de [eisers sub 1 en 2] (productie 3 en 5) betekend. Evenwel was de betekening aan [verzoeker sub 3] niet van node nu hij zelf geen partij was bij de geldleenovereenkomst – de overeenkomst is niet mede in persoon gesloten – en hij geen juridische eigenaar van de percelen was en is.

4.8 Nu vaststaat – als bovenoverwogen – dat leensom aangevuld met rente uitgaande van de geldleenovereenkomst met hypotheekstelling niet is afbetaald – ook niet het bedrag dat [verzoeker sub 3] erkent – komt Stichting Sothal het recht toe om overeenkomstig het artikel 1207 BW tot openbare verkoop over te gaan en zullen de vorderingen van [verzoeker sub 3] ter zake stopzetting c.q. opschorting van de door Stichting Sothal voor donderdag 05 september 2013 aangekondigde openbare verkoop van de litigieuze onroerende goederen, worden afgewezen.

4.9 De kantonrechter zal gegeven het bovenstaande op de overige stellingen en weren van partijen niet ingaan nu deze hem niet langer relevant voorkomen en [verzoeker sub 3] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordelen overeenkomstig artikel 59 juncto 61 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

5. De beslissing in kort geding
De kantonrechter:

5.1 verklaart [verzoeker sub 3] niet ontvankelijk in zijn vordering ingesteld in de hoedanigheid van gemachtigde van de [eisers sub 1 en 2];

5.2 wijst de vorderingen van [verzoeker sub 3] in persoon ingesteld, af;

5.3 veroordeelt [verzoeker sub 3] in de proceskosten aan de zijde van Stichting Sothal gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 200,- (tweehonderd Surinaamse dollar).

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op woensdag 05 september 2013 door de kantonrechter, het lid-plaatsvervanger van het Hof van Justitie in het eerste Kanton mr. R.M. Praag te Paramaribo in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. S.P. Andea.

w,g, S.P. Andea w.g. R.M. Praag

SRU-K1-2016-3

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

E.K.-A.R.no. 14-5347
23 mei 2016

Vonnis inzake:

[eiseres],
wonende aan de [adres 1] in het [district],
eiseres,
gemachtigde: I.D. Kanhai, BSc., advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan de [adres 2] in het [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.S.N. Adhin, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 11 december 2014 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de schriftelijke conclusie van antwoord;
– de schriftelijke conclusie van repliek;
– de schriftelijke conclusie van dupliek met een productie;
– de schriftelijke conclusie tot uitlating productie;
– de rolbeschikking d.d. 25 januari 2016 gegeven, waarbij een comparitie van partijen is gelast voor het inwinnen van inlichtingen;
– het proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen d.d. 14 maart 2016;
– de conclusies tot uitlating na gehouden comparitie van partijen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Partijen zijn op 09 mei 2013 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met elkaar in het district Saramacca bij akte no. 10, folio no. 19/20.

2.2 Door het huwelijk tussen partijen is het navolgend thans nog minderjarig kind gewettigd:
– [naam], geboren op 11 december 2012 te [district].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert – kort samengevat – dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
– de echtscheiding zal worden uitgesproken tussen partijen, met alle wettelijke gevolgen van dien, met bepaling van plaats en tijd waar en waarop het familieverhoor zal plaatsvinden en de hoogte van de door gedaagde te betalen alimentatie zal worden vastgesteld;
– de scheiding en deling te gelasten van de huwelijksgoederengemeenschap, met de gebruikelijke nevenvoorzieningen.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering, naast voormelde feiten, ten grondslag –zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang- dat voornoemd huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht vanwege het feit dat er reeds geruime tijd spanningen zijn gerezen tussen partijen door de schuld van gedaagde en dat gedaagde zich schuldig heeft gemaakt aan overspel, waardoor het contact tussen partijen dusdanig is verstoord dat samenwonen met gedaagde onmogelijk is geworden. Partijen wonen aldus vanaf 14 november 2014 niet meer samen. Eiseres stelt voorts dat zij behoeftig is en gerechtigd is van gedaagde te vorderen dat hij alimentatie betaalt ter voorziening in het levensonderhoud van het minderjarig kind.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter –voor zover voor de beslissing van belang- in het hierna volgende zal terug komen.

4. De beoordeling
4.1 Gedaagde ontkent dat de gestelde duurzame ontwrichting aan hem gelegen is, aangezien hij zowel tijdens de samenwoningsrelatie als tijdens het huwelijk tussen partijen, zich altijd alle inspanningen heeft getroost om datgene te doen wat van een verantwoorde, liefdevolle partner/echtgenoot verwacht kan/mag worden, doch veranderde op gegeven moment de houding van eiseres tegenover hem. Hiertoe voert hij aan dat eiseres het stuk terrein waarop de echtelijke woning is opgezet uit een lening waarbij gedaagde zijn moeders woning is bezwaard en waarop aflossingen worden gepleegd door gedaagde middels maandelijkse inhouding op zijn salaris, door aar ouders aan eiseres is geschonken onder het beding van uitsluiting uit de huwelijksgoederengemeenschap. Ook voert eiseres heimelijke gesprekken met haar mobiel en verstuurd zij berichtjes naar een voor gedaagde onbekende persoon. Voorts heeft een DNA-onderzoek uitgewezen dat het minderjarig kind niet zijn biologisch kind is, terwijl eiseres zelf ook een baan heeft bij Staatsolie, zodat zij niet behoeftig is. Op grond van het voorgaande dient de vordering van eiseres volgens gedaagde ingevolge artikel 263 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te worden afgewezen, nu de ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan haar te wijten is geweest.

4.2 Eiseres ontkent dat de duurzame ontwrichting aan haar gelegen is onder aanbod van bewijs, omdat het volgens haar gedaagde is die reeds enige tijd de echtelijke woning heeft verlaten. Hiermee is volgens eiseres ook de schuldvraag beantwoord. Het overig door gedaagde aangevoerde is volgens eiseres niet relevant in casu. Eiseres voert verder aan dat gedaagde dient te weten welke actie hij moet ondernemen indien hij van mening is dat hij niet de biologische vader van het kind is. Tot dan rust op hem de zorgplicht.

4.3 Gedaagde persisteert bij het door hem aangevoerde bij conclusie van antwoord en beroept zich uitdrukkelijk op artikel 263 BW. Gedaagde voert aan dat de gestelde feiten en omstandigheden hem ertoe hebben genoopt om de echtelijke woning te verlaten, zodat dit niets te maken heeft met de schuldvraag. Gedaagde ontkent dat hij voor het huwelijk wist dat het minderjarig kind niet van hem was. Zulks heeft zij moedwillig voor hem verzwegen om dan in het huwelijksbootje met hem te stappen, maar niet voordat ze hem ertoe heeft gekregen de minderjarige eerst te erkennen. Gedaagde voert ten slotte aan dat hij maandelijks reeds USD 362,- van zijn salaris wordt ingehouden voor de aflossing van de schuld en dient hij ook in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.

4.4 Eiseres voert hiertegen aan dat vaststaat dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht, weshalve er voor partijen geen weg terug meer mogelijk is, terwijl gedaagde er niet in is geslaagd het door hem gestelde, als zou de ontwrichting in overwegende mate aan eiseres te wijten zijn geweest, aan te tonen. Het beroep op artikel 263 BW gaat derhalve volgens eiseres niet op.

4.5 De vrouw stelt zich op het standpunt dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht omdat de man de echtelijke woning heeft verlaten, terwijl de man zich op het standpunt stelt dat hij de echtelijke woning heeft verlaten door toedoen van de vrouw, omdat zij met name voor hem had verzwegen dat het minderjarig kind niet van hem was. De kantonrechter overweegt dat uit de comparitie van partijen is gebleken dat partijen vanaf 2009 samenwoonden en dat het kind geboren is op 11 december 2012, terwijl partijen zijn gehuwd op 09 mei 2013. Tevens is komen vast te staan dat de man de echtelijke woning heeft verlaten op of omstreeks 14 november 2014, terwijl de man de vaderschapstest heeft laten uitvoeren op 30 juni 2014. Naar het oordeel van de kantonrechter is op grond van het bovenstaande komen vast te staan dat de man de echtelijke woning heeft verlaten nadat hij bekend was geworden met het feit dat hij niet de verwekker van het minderjarig kind was, waardoor naar het oordeel van de kantonrechter is komen vast te staan dat de spanningen tussen partijen zijn ontstaan als gevolg van handelingen van de vrouw, weshalve de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen in overwegende mate te wijten is geweest aan de vrouw.

4.6 Nu de vrouw na gehouden comparitie van partijen blijft persisteren dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen niet in overwegende mate aan haar te wijten is geweest, omdat de man vanaf het begin c.q. vóór het huwelijk tussen partijen, wist dat het minderjarig kind niet van hem was althans niet door hem verwekt was en hij ook op de hoogte was van de relatie van de vrouw met de verwekker van het minderjarig kind, zal zij conform bewijsaanbod worden toegelaten tot tegenbewijs, door alle middelen rechtens, zoals geformuleerd in de beslissing.

4.7 Hangende de bewijsopdracht zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5. De beslissing
De Kantonrechter:

5.1 Laat gedaagde toe tot bewijs, door alle middelen rechtens meer in het bijzonder door getuigenverhoor, van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen niet in overwegende mate aan haar te wijten is geweest, omdat de man vanaf het begin c.q. vóór het huwelijk tussen partijen, wist dat het minderjarig kind niet van hem was althans niet door hem verwekt was en hij ook op de hoogte was van de relatie van de vrouw met de verwekker van het minderjarig kind.

5.2 Bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden op maandag 13 juni 2016, om 11.00 uur des voormiddags in de enquêtezaal in het gebouw van de griffie der kantongerechten aan de Grote Combéweg no. 2 te Paramaribo.

5.3 Bepaalt dat indien de te horen getuigen de Nederlandse taal niet machtig zijn, partijen er zorg voor dienen te dragen dat een beëdigde tolk ter enquête aanwezig is om hen bij te staan voor de vertolking van al hetgeen ter enquête wordt verklaard in een voor hun verstaanbare taal.

5.4 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, kantonrechter in het Eerste Kanton, lid-plaatsvervanger, ter terechtzitting te Paramaribo van maandag 23 mei 2016, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. O.S. Apai.

SRU-K1-2009-2

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 062745
14 april 2009

Vonnis in de zaak van:

– [eiser 1];
– [eiser 2];
– [eiser 3];
– [eiser 4];
allen wonende in het [district],
eisers;
gemachtigde: mr. E.A. Glunder, advocaat,

ca

A. DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen thans geheten Ruimtelijke Ordening Grondbeleid en Bosbeheer, vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,

B. [gedaagde sub B],
wonende in het [district],
gedaagden,
gemachtigde voor gedaagde sub A: mr. A. Mangroelal, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub B: mr. M. Tjon Jaw Chong, advocaat.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

– het verzoekschrift dat op 6 juli 2006 ter Griffie der Kantongerechten is ingediend;

– de conclusies van antwoord zijdens gedaagden;

– de conclusie van repliek met producties;

– de conclusies van dupliek zijdens gedaagden.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eisers zijn erfgenamen van de op 29 januari 1966 overleden [naam 1] (hierna de erflater).

2.2 Bij overeenkomst gedateerd 17 mei 1952 is aan de erflater in huur afgestaan het perceelland groot 2,3 ha gelegen te [plaats] in het [district], bekend als serie [nummer 1].

2.3 Gedaagde sub A heeft aan gedaagde sub B delen van het voornoemd perceel in grondhuur afgestaan te weten:

– bij beschikking dd. 24 januari 2006 [nummer 2]: het perceeland groot 0,3433 ha gelegen in het [district] aan de [weg] te [plaats] en deel uitmakende van het perceel bekend als [plaats] Serie [nummer 1], thans bekend als [plaats] serie [nummer 3] en

– bij beschikking dd. 24 januari 2006 [nummer 4]: het perceelland groot 1013,26 m² gelegen aan de [weg] te [plaats] in het [district] en deel uitmakende van het perceelland bekend als [plaats] Serie [nummer 1], thans bekend als [plaats] serie [nummer 5].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, na wijziging van eis: voor recht te verklaren dat zij door erfopvolging huurpachters zijn geworden van het perceel.

3.2 Eisers stellen dat zij reeds langer dan 54 jaar het perceelland bewonen en bewerken. Zij betogen dat door de uitgifte van delen van het perceel aan gedaagde sub B, gedaagde sub A onzorgvuldig heeft gehandeld jegens hen en voorts ook in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het hoorbeginsel.

3.3 De kantonrechter komt indien nodig terug op het verweer van de gedaagden in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Terecht wordt door gedaagde sub B aangevoerd dat het recht van huur, een persoonlijk recht is en dus niet vatbaar is voor vererving. Immers ingevolge artikel 10 lid d van de onder 2.2. genoemde overeenkomst eindigt die onder meer bij het overlijden van de huurder, in casu de erflater. Aangezien tussen partijen rechtens vast staat dat de erflater is overleden, is hiermee ook komen vast te staan dat de huurovereenkomst tussen partijen (de Staat en de erflater) is beëindigd. Het gevolg is dat het perceel terugkeert in de boezem van gedaagde sub A, en is laatstgenoemde in beginsel dus vrij om het perceel aan een derde (ook al is die geen erfgenaam) af te staan. In dit geval zou gedaagde sub A slechts gehouden zijn de waarde van de beterschap op het perceel te vergoeden aan de erfgenamen. In het onderhavig geval, zal daarop niet worden ingegaan aangezien dat geen deel uitmaakt van het gevorderde.

4.2 Anders zou het zijn indien blijkt dat erfgenamen op een eerder moment dan die derde het perceel in grondhuur zou hebben aangevraagd, en gedaagde sub A zonder een daartoe verontschuldigbare reden, toch ertoe zou zijn overgegaan om het perceel aan die derde af te staan. Gesteld noch gebleken is dat in casu er sprake is daarvan, zodat van het tegendeel wordt uitgegaan.

4.3 Het voorgaande brengt met zich mee dat het gevorderde dient te worden afgewezen. Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing

5.1 Wijst de vordering af.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspaak begroot op nihil.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op dinsdag 14 april 2009 door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. J. Dipokromo-Foort.

w.g. J. Dipokromo-Foort. w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2011-4

KANTONRECHTER IN KORT GEDING

A.R. no. 094228
10 maart 2011

Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van

N.V. GRANAAT, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. L.E. Palmburg, advocaat,
eiseres in conventie en gedaagde in reconventie in kortgeding,

tegen

[gedaagden],
wonende te [district],
gedaagden in conventie en eisers in reconventie in kortgeding,
gemachtigde: mr. dr. J.V. van Dijk-Silos, advocaat.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 15 april 2010.

1. Het verdere proces verloop:

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– Het procesverbaal van de terechtzittingen van 17 augustus – 7 oktober – en 2 december 2010, aangetekend op de kaft van het proces-dossier;
– De conclusie tot uitlating schikking zijdens gedaagde in conventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is nader bepaald op heden.

2. De feiten, de vordering en de grondslag daarvan

Hiervoor verwijst de kantonrechter naar bovenvermeld tussenvonnis.

3. De beoordeling

3.1 De kantonrechter overweegt dat gedaagden in conventie, na de brief van 17 augustus waarin eiseres in conventie haar vordering intrekt een conclusie hebben genomen, waarin zij aangaven dat zij niet accoord gaan met de intrekking. Hierna heeft eiseres in conventie op 2 december 2010 een conclusie genomen, waarin zij zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechter omtrent de intrekking.

3.2 De kantonrechter overweegt dat partijen thans twisten over de vraag of eiseres de zaak mag intrekken zonder dat gedaagden daar toestemming voor geven. Indien ervan uit zou worden gegaan dat eiseres met “intrekken” bedoelt dat zij afstand doet van instantie, dan zou het volgende gelden: (Vide: het handboek Hoofdlijnen van het Nederlands Burgerlijk Procesrecht Hugenholtz/Heemskerk, 13e druk, 1982, pagina 162 § 158) “Heeft gedaagde voor antwoord geconcludeerd dan kan eiser niet meer eigenmachtig afstand van instantie doen. De toestemming van gedaagde is daarvoor nodig. Gedaagde zal die doorgaans wel geven op voorwaarde dat eiser zijn kosten betaalt. Hij kan echter ook verlangen dat er een vonnis wordt gewezen. Afstand van instantie is een intrekking en ongedaanmaking van de ingestelde rechtsvordering. De afstand heeft van rechtswege herstel van de toestand voor de dagvaarding tot gevolg.”

3.3 De kantonrechter overweegt dat uit de conclusie van eiseres echter begrepen moet worden dat zij geen afstand van instantie doet doch haar “vordering intrekt”.

3.4 De kantonrechter overweegt met betrekking tot ”de intrekking van de vordering” dat die proces-handeling niet in de wet is geregeld, doch wel door de rechtspraak wordt erkend en zich ook in de rechtspraak heeft ontwikkeld, in die zin dat in de rechtspraak is afgebakend wat onder “intrekking van de vordering” moet worden verstaan en wat de rechtsgevolgen van deze rechtshandeling zijn. Deze rechtshandeling heeft als voornaamste verschil met de afstand van instantie, dat bij de afstand van instantie herstel komt in de oude toestand tussen partijen, als vóór de dagvaarding en dat bij een intrekking van de vordering, de toestand tussen partijen er één wordt waarbij de eiseres nimmer meer een dergelijke vordering tegen gedaagden mag indienen, waarbij eiseres haar rechten voor wat de vordering betreft prijsgeeft.

3.5 De kantonrechter overweegt dat in de rechtspraak (vide NJ 1948 no. 753) aan het intrekken van de vordering de volgende consequentie is verbonden: “deze intrekking verstaat als een verklaring van eiseres, dat zij de gronden waarop haar in conventie gedane vordering steunt, niet verder handhaaft”; en in 1958 (NJ 1958, 519): “dat …. de rechtbank deze intrekking zo opvat, dat de vrouw de gronden waarop haar vordering steunt niet langer handhaaft en derhalve haar vordering moet worden ontzegd”. De kantonrechter verwijst ook naar NJ. 1965, 396”…dat het de man gedurende het geding vrijstond afstand te doen van zijn vorderingsrecht, hetgeen hij naar het oordeel van de Rb. heeft gedaan; dat zulks andere rechtsgevolgen medebrengt dan het doen van afstand van instantie; dat zijn vordering, nu hij die niet gehandhaafd heeft, hem dient te worden ontzegd”. De kantonrechter verwijst ook naar NJ.1965, 396: “…dat het de man gedurende het geding vrijstond afstand te doen van zijn vorderingsrecht, hetgeen hij naar het oordeel van de Rb. heeft gedaan; dat zulks andere rechtsgevolgen medebrengt dan het doen van afstand van instantie; dat zijn vordering, nu hij die niet gehandhaafd heeft, hem dient te worden ontzegd. Tenslotte verwijst de kantonrechter naar het Compendium van het Burgerlijk Procesrecht (6e druk, mr. P.A. Stein, 1985 pag. 107 e.v.): “Heeft de eiser afstand van instantie gedaan, dan kan hij dezelfde kwestie opnieuw door dagvaarding aanhangig maken. Heeft hij echter, na de conclusie van antwoord, de eis zonder toestemming van de gedaagde ingetrokken, dan kan hij niet opnieuw in dezelfde kwestie dagvaarden, daar hij geacht moet worden door zodanige intrekking voorgoed zijn recht te hebben prijsgegeven.”

3.6 Gezien de wijze waarop door de rechtspraak met de rechtshandeling “intrekking van de vordering” omgaat zal de kantonrechter over de gevraagde intrekking positief beslissen en de consequentie daaraan verbinden die de rechtspraak heeft verbonden, namelijk dat de intrekking wordt verstaan als een verklaring van eiseres dat zij de gronden waarop haar vordering steunt niet langer handhaaft, waardoor de kantonrechter haar de vordering zal ontzeggen.

3.7 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en eiseres veroordelen in de kosten van het geding.

4. De beslissing
In het incident

4.1 Verstaat dat eiseres haar vordering heeft ingetrokken;

In de hoofdzaak
In conventie

4.2 Ontzegt eiseres het gevorderde;

4.3 Veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus in kortgeding gewezen door me. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, en uitgesproken door mr. R.G. Rodrigues, kantonrechter in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 10 maart 2011, in tegenwoordigheid va mr. L.J. Bossé, substituut-griffier.

 

w.g. L.J. Bossé, w.g R.G. Rodrigues

SRU-K1-2011-3

KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 113114
24 november 2011

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiseres],
wonende te [district],
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

– het verzoekschrift dat op 19 juli 2011 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

2.1 Eiseres vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van gedaagde:

  • om binnen 2 dagen na de uitspraak bij de exploitanten van facebook een schriftelijk verzoek ingediend te hebben tot het verwijderen en verwijderd houden van de op facebook gepubliceerde berichten zoals in het verzoekschrift omschreven en alle reacties daarop, en de procesgemachtigde van eiseres gelijktijdig afschrift van dat schriftelijk verzoek te doen;
  • om gedurende 24 uur per dag op elke kalenderdag gedurende twee maanden op de eerst zichtbare pagina van een door gedaagde te (her)openen profiel op ….., zonder pop-ups en zonder enig commentaar op internet of in de gedrukte media, omgeven door een zwart kader, in zwarte letters met het lettertype Arial in puntsgrootte 12 op een witte achtergrond de volgende tekst te ondertekenen en te plaatsen en eiseres daarvan op elke kalenderdag gedurende genoemde periode per e-mail of per fax het bewijs van plaatsing (digitale screenshots of papieren kopieën) van onderstaande tekst te leveren:“RECTIFICATIE INZAKE [eiseres]
    Ik ben gebruiker van een Facebook profiel. Mijn naam is [gedaagde], wonende aan de [adres] te [district]. In een publicatie op mijn Facebookprofiel heb ik in april 2011 [eiseres], studente, opzettelijk ervan beschuldigd een buitenechtelijke relatie met mijn echtgenoot te onderhouden. Ook de overige opmerkingen en insinuaties jegens [eiseres] zijn onjuist en onwaar, althans berusten niet op waarheid en vormen en maken een ernstige inbreuk op de eer, goede naam en maatschappelijke reputatie van [eiseres]. Hierbij rectificeer ik mijn publicatie op facebook en geef ik [eiseres] onherroepelijk toestemming tot publicatie en verspreiding van deze rectificatie.Paramaribo, dd. …..”
  • tot betaling van een dwangsom van SRD 2.000,= per dag voor elke dag waarop gedaagde nalatig mocht blijven aan het vonnis te voldoen.

2.2 Eiseres heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag:

Gedaagde is op 27, 28 en 29 april 2011 publiekelijk op het internet in een weblog op haar, gedaagdes, Facebookprofiel een lastercampagne tegen eiseres begonnen door berichten en uitlatingen over haar te plaatsen en heeft derden de gelegenheid geboden daarop te reageren. Met de door haar gedane uitlatingen op facebook heeft gedaagde de kennelijke bedoeling gehad de goede naam en maatschappelijke reputatie van eiseres aan te tasten. Niet alleen de door gedaagde gedane uitlatingen worden als vernederend en beledigend door eiseres ervaren, maar ook de door gedaagde daarbij uitgelokte reacties op facebook. Eiseres is van mening dat gedaagde door haar handelingen zich heeft schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad jegens haar.

2.3 De kantonrechter komt indien nodig terug op het verweer van gedaagde.

3. De beoordeling

3.1 Het spoedeisend karakter blijkt uit de stellingen van eiseres en het door haar gevorderde.

3.2 Als enerzijds gesteld en niet, althans niet gemotiveerd, weersproken staat rechtens tussen partijen vast:

– dat gedaagde onder meer de volgende passages heeft geplaatst op haar facebook profiel:

“[Eiseres] schatje, je kan liever een man zoeken die vrijgezel is, ipv eentje die getrouwd is en een gezin heeft kindje. Heb een beetje meer respect voor jezelf. Gewoon posten of fb dan weet iedereen wie wie is.

Hoe zijn jullie zo agressief dames? Ik sla of schiet niemand…..geen behoefte. Ik zei alleen alles op FB! Love it…

Don’t be so hard on the kid. Ze is de wereld aan het ontdekken en ik waarschuw haar alleen maar. Zo kunnen we voorkomen dat gezinnen kapot gaan en kinderen daar de prijs voor betalen.

Dames takroe maniri na dresi. Ze zoeken, zoeken, en zoeken maar tot ze een slachtoffertje hebben gevonden die ze kunnen plunderen. En als ze 1 vinden met 5 cent meer, zijn ze weer vertrokken… ze belde… Waarschijnlijk ivm mijn actie of FB. Maar niet te woord gestaan want wat heb ik haar te zeggen? Guess what.. Slettelientjes zijn niet van mijn niveau, ze is geen gesprekspartner voor mij…”

– Dat op de door gedaagde geplaatste passages ondermeer de volgende reacties zijn gekomen:

“Hoe heet ze???? [eiseres] Hossel-bitch”.

Kinderen worden steeds meer brutaler en vrij(er)postiger!. Ze kunnen nog niet eens een pot met water koken, willen ze in je keuken komen kijken.. stuur ze om lonka te kopen bij omu snesi hoor!!!

Palm wassie no go yep a disi.

[gedaagde] zullen we een billboard maken van haar met I’m desperate en ben haastig op zoek naar een getrouwde man! Dan hoef ze geen reclame meer te maken voor Digicel (ze is nl op e billboard samen met haar mams. Ik denk dat t s a d [locatie]….”.

3.3 Toewijzing van de vorderingen van eiseres, waaronder die tot het plaatsen van een rectificatie, zou een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 EVRM (Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden) vastgelegde recht op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijke beperking is ingevolge artikel 10 lid 2 EVRM slechts toegestaan indien deze bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van de in artikel 10 lid 2 genoemde belangen, waaronder de bescherming van de goede naam of rechten van anderen. Daarnaast dient een dergelijke beperking proportioneel te zijn.

4.4 Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van gedaagde onrechtmatig zijn in de zin van artikel 1386 BW (Burgerlijk Wetboek). Bij beantwoording van de vraag of daarvan sprake is, dienen alle omstandigheden van het betrokken geval in ogenschouw te worden genomen.

Eiseres heeft gesteld dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld aangezien (zo begrijpt de kantonrechter dat) de beschuldigingen aan haar adres een aantasting vormen van haar reputatie.

Gedaagde betoogt – zover van belang – dat zij toen zij merkte dat haar echtgenoot in het geheim mailtjes verstuurde naar eiseres en ook zeer in het geheim met eiseres telefoongesprekken pleegde, ter noodzakelijke verdediging van zich zelf en de rest van haar gezin, haar facebook vrienden de inhoud van de mailtjes van eiseres heeft doen lezen en haar vrije mening geuit tegenover haar vrienden.

Uit de berichten blijkt onder meer dat eiseres voor “slettelientje”en “Hosselbitch”wordt uitgemaakt, zonder dat dit steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal. Ook indien het verweer van gedaagde dat, haar echtgenoot in het geheim mailtjes verstuurde naar eiseres en ook zeer in het geheim met eiseres telefoon gesprekken pleegde, op waarheid zou berusten, kunnen deze berichten niet worden gerechtvaardigd.

Dergelijke beschuldigingen kunnen zonder enige twijfel als een aantasting van eiseresses reputatie worden aangemerkt.

Voldoende aannemelijk is dat eiseres door de berichten, meer in het bijzonder door de hiervoor genoemde woorden, schade heeft geleden en voor zover deze nog steeds op het facebook profiel van gedaagde te zien zijn, nog lijdt. Een rectificatie van de berichten is dan ook op zijn plaats. De kantonrechter zal afwijken van de door eiseres opgegeven rectificatie, en wel zoals in het dictum te melden. In het licht van de af te wegen belangen wordt dat in de gegeven omstandigheden een proportionele maatregel geacht. Het belang van gedaagde om niet te worden beknot in haar vrijheid van meningsuiting weegt, mede in het licht van de beperkte strekking van de te plaatsen rectificatie, in dit geval niet op tegen het belang van eiseres om gevrijwaard te blijven van ongegronde beschuldigingen.

4.5 Het verweer van gedaagde dat haar facebook vrienden niet behoren tot het publiek, maar slechts een besloten kring is, wordt eveneens gepasseerd.

Gedaagde heeft niet weersproken dat haar facebook vriendenkring bestaat uit meer dan 1900 personen. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dit aantal meer dan voldoende om te worden gerekend tot het publiek.

4.6 Naast rectificatie heeft eiseres verwijdering van de berichten gevorderd. Gezien de strekking van de inhoud van de berichten, waarbij eiseres voor onder meer “slettelientje” en “Hosselbitch” wordt uitgemaakt, wordt de inhoud van het artikel onrechtmatig jegens eiseres geacht en is ook de gevorderde verwijdering toewijsbaar als na te melden.

4.7 Op grond van het voorgaande behoeven de overige stellingen en weren van partijen geen nadere bespreking.

4.8 De gevorderde dwangsom zal worden gemitigeerd en gemaximeerd nu deze de kantonrechter bovenmatig voorkomt.

5. De beslissing

5.1 Veroordeelt gedaagde om binnen 7 dagen na dagtekening van dit vonnis bij de exploitanten van facebook een schriftelijk verzoek in te dienen tot het verwijderen en verwijderd houden van de op facebook gepubliceerde berichten en alle reacties daarop, betrekking hebbende op eiseres.

5.2 Veroordeelt gedaagde om binnen 7 dagen na het verzoek zoals omschreven onder 5.1 hiervoor een afschrift van dat verzoek toe te zenden aan de gemachtigde van eiseres.

5.3 Veroordeelt gedaagde om binnen 7 dagen na betekening van het vonnis gedurende 24 uur per dag op elke achtereenvolgende kalenderdag gedurende twee maanden op de eerst zichtbare pagina van een door gedaagde te (her)openen profiel op ….., zonder pop-ups en zonder enig commentaar op internet of in de gedrukte media in zwarte letters, met lettertype Arial in puntsgrootte 12 de volgende tekst te ondertekenen en te plaatsen en eiseres of diens gemachtigde op iedere kalenderdag gedurende genoemde periode per e-mail of per fax het bewijs van plaatsing (digitale screenshots of papieren kopieën), van onderstaande tekst te leveren:

RECHTIFICATIE INZAKE [eiseres]

Ik ben gebruiker van een facebook profiel. Mijn naam is [gedaagde]. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 24 november 2011 geoordeeld dat de door mij geplaatste berichten op mijn facebook profiel en de daarop gekomen reacties betrekking hebbende op [eiseres] onrechtmatig zijn jegens [eiseres], aangezien daarin de suggestie wordt gewekt dat zij een slet is. Deze suggestie vindt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen steun in het beschikbare feitenmateriaal.

Paramaribo, dd. …

[gedaagde]

5.4 Veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen bij wege van dwangsom een bedrag van SRD 1.000,= (duizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen tot een maximum van SRD 50.000,= (vijftigduizend Surinaamse Dollar).

5.5 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.6. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kortgeding in het eerste kanton, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 24 november 2011 door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton mr. A. Charan, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. D. Ramdin.

w.g. D. Ramdin w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran
w.g. A. Charan

 

 

 

 

 

SRU-K1-2006-3

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. 021626
17 oktober 2006
S.S.H.W.

Vonnis inzake:

[eiser],
wonende te [district].
eiser,
gemachtigde: mr. B.A. HALFHIDE, advocaat

tegen

[gedaagde],
wonende te [district].
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.P. BOLDEWIJN, advocaat.

Dit vonnis bouwt voort op het vonnis gewezen en uitgesproken op 19 oktober 2004.

1. De verdere loop van de procedure

1.1 Die blijkt uit de volgende processtukken / – handelingen
– de comparitie van partijen gehouden op 21 december 2005 en de voortzetting daarvan op15 februari 2006,
– benoeming en beëdiging taxateur,
– overlegging taxatierapport,
– uitlating zijdens gedaagde m.b.t. overgelegde taxatierapport met productie,
– uitlating zijdens eiser m.b.t. overgelegde taxatierapport en uitlating overgelegde productie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Wanprestatie

Verbouwingen
2.1.1 Uit de stelling van eiser dat partijen waren overeengekomen dat gedaagde gedurende de eerste 5 jaren van de huurovereenkomst was vrijgesteld van verhoging van de huurpenningen om hem zodoende in de gelegenheid te stellen zijn investering in het gehuurde terug te verdienen, leidt de kantonrechter af dat er terzake de verbouwingen c.q. gepleegde renovatie wel sprake is geweest van goedkeuring c.q. medeweten van de rechtsvoorganger van eiser, ook indien deze toestemming achteraf zou zijn gegeven.De kantonrechter is het overigens eens met het verweer van gedaagde dat eiser bovendien niet heeft duidelijk gemaakt over welke verbouwingen hij zich beklaagt en of deze betrekking hebben op de periode voor of nadat hij eigenaar is geworden.Hierdoor heeft eiser dus niet voldaan aan zijn stelplicht. De kantonrechter gaat daarom aan deze stelling van eiser voorbij.Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er geen sprake van wanprestatie wegens handelen door gedaagde in strijd met artikel 6 van de huurovereenkomst.

Achterstand betaling huurpenningen
2.1.2 Eiser heeft, nadat gedaagde ontkende bij gebrek aan verificatoren een achterstand in de betaling te hebben van Nf. 673,37, zijn stellingen terzake niet nader gemotiveerd of onderbouwd. Dit mocht van hem worden verwacht nu onweersproken is dat eiser reeds bij schrijven van 11 maart 2002 aan gedaagde heeft gevraagd hem een officieel overzicht van de op de data van betaling gehanteerde koers van De SURINAAMSCHE BANK te doen toekomen, hetgeen hij heeft nagelaten, ook nadat gedaagde ten processe dat verzoek heeft herhaald. Hierdoor heeft eiser niet voldaan aan zijn stel- en motiveringsplicht en is niet komen vast te staan dat gedaagde over de periode 1997 tot en met 2000 de gestelde achterstand in de betaling heeft, welke achterstand zou zijn ontstaan door koersverschillen en onjuiste betalingen.Van wanprestatie zijdens gedaagde is ook op dit punt dan ook geen sprake.De kantonrechter overweegt bovendien dat, ook indien er sprake zou zijn van een achterstand als vermeld, deze wanprestatie van te geringe betekenis zou worden geacht om de ontbinding van de tussen partijen bestaande overeenkomst van huur en verhuur te kunnen rechtvaardigen.

2.1.3 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de primaire vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming worden afgewezen.

2.2 Huurprijs.

De verhoging
2.2.1 Partijen zijn in artikel 1 van de huurovereenkomst overeengekomen dat de maandelijkse huur van Nf. 200,- – per maart 2001 zou worden herzien. Gedaagde vordert dan ook met recht herziening van de huurprijs en wel met ingang van maart 2001. De kantonrechter zal krachtens artikel 7 van de Huurbeschermingswet 1949 de huurprijs vaststellen.

2.2.2 De benoemde deskundige adviseert in zijn rapport dat de huurprijs kan worden vastgesteld op US$. 900,- per maand.

Eiser vindt dit bedrag te laag doch refereert zich ten aanzien daarvan aan het oordeel van de kantonrechter. Gedaagde voert aan slechts Nf. 800,- per maand aan huur te kunnen betalen.

Nu partijen in hun overeenkomst de betaling van de huurpenningen in Nederlandse Gulden zijn overeengekomen en partijen op grond van deze overeenkomst hun rechtsrelatie voortzetten zal de kantonrechter de huurprijs in de thans geldende Nederlandse munteenheid uitdrukken.

Argumenten rapport deskundige.
Bijbouw / renovatie
2.2.3 De deskundige vermeldt in zijn rapport dat, voor wat betreft de staat waarin het gebouw zich bevond op het moment van de verhuur, er tussen partijen geen verschil van mening bestaat dat het pand is verhuurd zonder bijbouw aan de westelijke zijde van het gebouw, de nieuwe keuken op de begane grond en de door gedaagde aangelegde vloer van de tweede etage. Deze bijbouw is volgens de deskundige in overleg met partijen, bij het opmaken van het rapport, buiten beschouwing gelaten. Dit betekent dat de door gedaagde aangebrachte objectieve verbeteringen niet in de bepaling van de huurprijs zijn betrokken. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan het bezwaar van gedaagde tegen het rapport dat de deskundige er onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat het totale gebouw door hem is gerenoveerd.

Goodwill
2.2.4 Gedaagde voert tevens als argument aan dat de deskundige er ten onrechte van is uitgegaan dat de ”benefit die hij uit de exploitatie van het pand haalt, beïnvloed wordt door de naam Combe Bazaar” omdat die zaak reeds acht jaren gesloten was. Van overgenomen goodwill is dus geen sprake, aldus gedaagde. Eiser weerspreekt dit argument van gedaagde stellende dat de toen bestaande Combe Bazaar 5 jaren voordat de huurovereenkomst tussen partijen is aangegaan, is gesloten en dat de naam Combe Bazaar van het jaar haar 75 jarig bestaan zal vieren. De naam Combe Bazaar is gedurende deze jaren een begrip in de samenleving, aldus eiser.

Het argument van gedaagde terzake is niet steekhoudend. Immers gedaagde heeft zijn bedrijf opgezet onder de reeds door de rechtsvoorganger van eiser gebruikte naam ”Combe Bazaar”. De kantonrechter leidt hieruit af dat gedaagde met deze naamkeuze de bedoeling heeft gehad te profiteren van de goodwill van die zaak , ook indien deze reeds enige tijd was gesloten.

Marketing Mix
2.2.5 Het argument van gedaagde dat de bouw van Royal Torarica niet mag worden meegenomen bij de bepaling van de huurprijs snijdt hout nu vaststaat dat 7 jaar na aanvang van de huurovereenkomst nog geen aanvang is gemaakt met de bouw van dit hotel. De kantonrechter ziet hierin reden voor een beperkte afwijking van het deskundig advies.

2.3 Voor het overige zijn de aangevoerde argumenten voor afwijking van het deskundig advies niet steekhoudend.

2.4 Op grond van de rechtsoverwegingen onder 2.2 en rechtsoverweging 2.3 zal het subsidiair gevorderde in voege als na te melden worden toegewezen.

2.5 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen

3. De beslissing

3.1 Wijst af het gevorderde onder primair.

3.2 Veroordeelt gedaagde om met ingang van 1 maart 2001 met betrekking tot het pand gelegen aan de Kleine Combeweg no. 9 te Paramaribo, maandelijks tot aan het einde van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst van 7 november 1996, aan eiser te betalen het bedrag van Euro. 625 (zeshonderd en vijfentwintig Euro).

3.3 Verklaart dit vonnis tot zover vermeld sub 3.2 uitvoerbaar bij voorraad.

3.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 40,75 (veertig Surinaamse Dollars en vijfenzeventig dollarcent).

3.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op dinsdag 17 oktober 2006 door de kantonrechter in het eerste kanton mr. D.D. SEWRATAN in tegenwoordigheid van de fungerend Griffier.