SRU-K1-2016-2

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
E.K.-A.R.no. 14-5347
14 november 2016

Vonnis inzake:

[eiseres],
wonende aan [adres 1] in [district 1],
eiseres,
gemachtigde: I.D. Kanhai, BSc., advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan [adres 2] in [district 1],
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.S.N. Adhin, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Vooraf
Dit vonnis bouwt voort op het in deze zaak gewezen tussen vonnis op 23 mei 2016.

1. Het verdere verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– de conclusies tot uitlating na niet gehouden enquête;
– de rolbeschikking d.d. 25 juli 2016 gegeven, waarbij een nadere comparitie van partijen is gelast voor het inwinnen van inlichtingen;
– het proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen d.d. 08 augustus 2016;
– de conclusies tot uitlating na gehouden nadere comparitie van partijen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Bij hogergenoemd tussenvonnis is eiseres toegelaten tot bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen niet in overwegende mate aan haar te wijten is geweest, omdat gedaagde vanaf het begin c.q. vóór het huwelijk tussen partijen, wist dat het minderjarig kind niet van hem was althans niet door hem verwekt was en hij ook op de hoogte was van de relatie van eiseres met de verwekker van het minderjarig kind.

2.2 Bij conclusie na niet gehouden enquête persisteert eiseres bij haar stelling, nu slechts haar ouders als getuigen zouden kunnen worden gehoord terzake, hetgeen ingevolge de wet niet toelaatbaar is. Eiseres voert aan dat de DNA test slechts het overtuigend bewijs heeft geleverd voor het feit dat gedaagde niet de verwekker is van het minderjarig kind, doch reeds vanaf het begin op de hoogte was van dit feit. Eiseres voert eveneens aan dat het niet de verwekker zijn van het kind niet de enige reden van de ontwrichting van het huwelijk tussen partijen is. Voorts voert zij aan dat door gedaagde niet is ontkend dat er vaker ruzies waren tussen partijen, omdat gedaagde contact onderhield met andere vrouwen, alsmede dat partijen niet met elkaar konden communiceren om uiteenlopende redenen. Gedaagde persisteert bij zijn stelling dat hij niet op de hoogte was van het feit dat hij niet de verwekker van het kind was en dat eiseres niet heeft kunnen voldoen aan haar bewijsopdracht.

2.3 Naar aanleiding van met name het door eiseres aangevoerde, heeft de kantonrechter een nadere comparitie van partijen gelast, waarbij eiseres voor zover van belang heeft verklaard dat er voor het huwelijk tussen er altijd al ruzies waren tussen partijen, omdat gedaagde zich bezighield met dames aan de telefoon. Tijdens het huwelijk gingen de ruzies ook weer over het bezig zijn van gedaagde aan zijn telefoon, terwijl partijen daarover reeds hadden gesproken en het niet steeds maar om één dame ging. Eiseres verklaarde verder dat gedaagde ook steeds laat thuiskwam en geen waardering had voor haar als zij gingen stappen. Ze vertrouwde hem niet meer en zei tegen hem dat ze echtscheiding zou aanvragen. Eiseres verklaarde ten slotte dat gedaagde de DNA test nodig had om een ontkenning wettigheid te kunnen indienen, omdat hij niet wilde dat het kind zijn naam moest dragen. Gedaagde verklaarde hierop dat zijn nummer op facebook was te zien, vandaar dat dames hem sms-ten en/of appten. Gedaagde verklaarde verder dat toen het kind er was, eiseres openlijk de telefoon aan het kind gaf om met zijn vader te praten. Op de vraag of er naast dat van het kind nog andersoortige problemen waren tussen partijen, verklaarde gedaagde ‘dat van het telefoon’.

2.4 De kantonrechter overweegt dat op grond van het hiervoor overwogene als niet, althans niet voldoende betwist tussen partijen vaststaat dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen, hetwelk overigens rechtens vaststaat, niet alleen te wijten is geweest aan het feit dat eiser niet de verwekker is van het minderjarig kind, doch ook de ruzies naar aanleiding van het telefoongedrag van gedaagde. Naar het oordeel van de kantonrechter kan gedaagde eiseres niet verwijten dat zij overspel heeft gepleegd, daar als niet, althans niet voldoende gemotiveerd vaststaat dat de relatie tussen partijen voor het huwelijk steeds ‘on’ en ‘off’ was vanwege het telefoongedrag van gedrag van gedaagde, waarbij het kind is verwekt tijdens een ‘off’ periode. Tijdens de gehouden nadere comparitie van partijen heeft gedaagde verklaard dat toen het kind er was, eiseres de telefoon aan het kind gaf om met zijn vader te praten, op grond waarvan het ervoor wordt gehouden dat gedaagde wel degelijk voor 30 juni 2014 wist dat hij niet verwekker van het kind was. Naar het oordeel van de kantonrechter is derhalve niet komen vast te staan dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen in ieder geval in overwegende mate aan eiseres te wijten is geweest, zodat het beroep van gedaagde op artikel 263 BW ongegrond is. Voorts overweegt de kantonrechter dat het beroep van gedaagde op artikel 263 BW ongerechtvaardigd is en in strijd is met de strekking daarvan, omdat geen der partijen wenst te verzoenen en elk een eigen ander leven heeft opgebouwd, terwijl gedaagde duidelijk heeft verklaard dat zijn verzet voortvloeit uit materiele c.q. financiële overwegingen. Naar het oordeel van de kantonrechter zal de vordering van eiseres als op de wet gegrond worden toegewezen, nu het verzet van gedaagde ongegrond is bevonden.

2.4 De beslissing omtrent de voorziening in de voogdij en toeziende voogdij over het minderjarig kind zal worden aangehouden tot de datum zoals bepaald in de beslissing.

2.5 Nu partijen echtelieden zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt.

3. De beslissing

De Kantonrechter:

5.1 Spreekt uit de echtscheiding tussen [gedaagde] en [eiseres], in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met elkaar op 09 mei 2013, in [district 1] bij akte [nummer 1], folio [nummer 2].

5.2 Bepaalt dat het verhoor van de ouders, bloed- en/of aanverwanten ter voorziening in de voogdij en toeziende voogdij ten aanzien van het minderjarig kind, te weten:
– [naam], geboren op [geboortedatum] te [district 2], alsmede de vaststelling van de alimentatie ter voorziening in zijn levensonderhoud, zal plaatsvinden op dinsdag 24 januari 2017 des voormiddags te 09.30 uur in èèn der zalen van het Gerechtsgebouw aan de Grote Combeweg no. 02 te Paramaribo.

5.3 Beveelt de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen gehuwd zijn geweest.

5.4 Benoemt, indien partijen binnen een maand na de inschrijving van dit echtscheidingsvonnis geen overeenstemming omtrent de keuze van een notaris zullen hebben bereikt, tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van de scheiding en deling zullen plaatsvinden, mr. V. Gangaram Panday, notaris te Paramaribo dan wel diens waarnemer of opvolger.

5.5 Benoemt, voor het geval een der partijen weigerachtig mocht blijken aan de verdeling mede te werken, tot onzijdige personen volgens de wet:
– voor eiseres: mr. M.D. Lau-Kerssenberg, advocaat,
– voor gedaagde: mr. S.G.R. Khoenkhoen, advocaat.

5.6 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt.

5.7 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, kantonrechter in het Eerste Kanton, lid-plaatsvervanger, ter terechtzitting te Paramaribo van maandag 14 november 2016, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. M.S. Wesenhagen.

SRU-K1-2018-1

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

E.K.-A.R. no. 18-3906
21 september 2018

Vonnis inzake:

Naamloze vennootschap RCR HEALTH CENTER N.V.
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. J.M. Nibte, advocaat,

tegen

1. De naamloze vennootschap HANDELSKREDIET & INDUSTRIE BANK N.V. afgekort HAKRINBANK N.V., gevestigd te Paramaribo,

2. De naamloze vennootschap NATIONALE ONTWIKKELINGSBANK VAN SURINAME N.V., in haar hoedanigheid van beheerder van het Investeringsfonds Ontwikkelingssamenwerking Nederland-Suriname (IFONS), gevestigd te Paramaribo,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat,
gedaagden in kort geding.

De kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding spreekt in Naam van de Republiek het navolgend vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:

– het verzoekschrift met producties dat op 20 september 2018 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de mondelinge conclusie van antwoord;
– de mondelinge conclusie van repliek;
– de mondelinge conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is terstond bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Gedaagden hebben bij exploot no. 268 van de gerechtsdeurwaarder R. Bhoelan, op 28 juni 2018 aan eiseres doen betekenen de navolgende grossen akte krediethypotheek:

a. verleden d.d. 12 februari 2010 voor notaris mr. J. Currie;
b. verleden d.d. 25 januari 2011 voor notaris mr. J. Currie;
c. verleden d.d. 19 april 2012 voor notaris mr. J. Currie;
d. verleden d.d. 28 november 2013 voor kandidaat-notaris mr. M.H.D. Pinas, waarnemende voor notaris mr. G.H.B. Blom;
e. verleden d.d. 29 december 2014 voor kandidaat-notaris mr. N.R.N. Lalaram, waarnemende voor notaris mr. G.H.B. Blom;
f. verleden d.d. 28 april 2015 voor notaris mr. G.H.B. Blom; met aanzegging dat de openbare verkoop van de navolgende onroerende goederen zal plaatsvinden op vrijdag 17 augustus om 10.00 uur v.m., door en ten kantore van notaris mr. D. Kalisingh te Paramaribo:

– het perceelland met al hetgeen daarop staat, gelegen tussen de Surinamerivier en de Anton Dragtenweg te Paramaribo, groot 1.755 m², aangeduid met het nummer 12, aangeduid op de kaart van landmeter F.Emanuels d.d. 25 oktober 1950 met de letters abcd, deel uitmakende van de plantage Rainville, waarvan een nieuwe kaart is vervaardigd door landmeter R.R. Lieuw Kie Song d.d. 19 augusutus 1997, waaruit blijkt dat voormeld perceel een oppervlakte beslaat van 1.367 m² en aangeduid met de letters ABCD en met het nummer 12a, uitmakende deel van het voorland van de voormalige plantage Rainville, waarvan thans een nieuwe perceelkaart is vervaardigd door de landmeter Ir. W.A. Oldenstam d.d. 19 april 2006,waaruit blijkt dat voormeld perceel bekend als nummer 12a ten gevolge van aanslibbing en aanslijking een oppervlakte beslaat van 4.350 m² en aangeduid is met de letters IBCH, deel uitmakende van het voorland van de voormalige Rainville;

– het perceelland met al hetgeen daarop staat, gelegen tussen de Surinamerivier en de Anton Dragtenweg te Paramaribo, groot 1,755 m², aangeduid met het nummer 11, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 25 oktober 1950 met de letters abcd, deel uitmakende van de plantage Rainville, waarvan een nieuwe kaart is vervaardigd door landmeter R.R. Lieuw Kie Song d.d. 19 augustus 1997, waaruit blijkt dat voormeld perceel een oppervlakte beslaat van 1.343 m² en aangeduid met de letters ABCD en met het nummer 11a, uitmakende een deel van het voorland van de voormalige plantage Rainville, waarvan thans een nieuwe perceelkaart is vervaardigd door de landmeter Ir. W.A. Oldenstam d.d. 19 april 2006, waaruit blijkt dat voormeld perceel bekend als nummer 11a ten gevolge van aanslibbing en aanslijking een oppervlakte beslaat van 4.350 m² en aangeduid is met de letters AIHD, deel uitmakende van het voorland van de voormalige Rainville;

2.2 Blijkens voormeld exploot is de saldo opgave volgens gedaagden per 21 januari 2018:

– voor gedaagde sub 1: € 4.094.013,25
– voor gedaagde sub 2: € 108.446,40 en US$ 1.571.273,78.

2.3 Gedaagden hebben bij exploot no. 326 van de gerechtsdeurwaarder R. Bhoelan, op 10 augustus 2018 eiseres doen aanzeggen dat de aangezegde openbare verkoop bij boven genoemd exploot thans zal plaatsvinden op vrijdag 21 september 2018 om 10.00 uur v.m. instede van vrijdag 17 augustus 2018 om 10.00 uur v.m., door en ten kantore van notaris mr. D. Kalisingh te Paramaribo.

3, De vordering en de grondslag daarvan

3.1 Eiseres vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

a. Primair:
te schorsen c.q. op te schorten de aangezegde openbare verkoop d.d. 21 september 2018 totdat in rechte is komen vast te staan het saldo bedrag;

b. Subsidiair:
te schorsen c.q. op te schorten de aangekondigde openbare verkoop van 21 september 2018 in ieder geval tot 31 december 2018;

c. gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding;

d. gedaagden te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 1.000.000,- voor iedere dag dat gedaagden in strijd handelen met de veroordeling.

3.2 Eiseres heeft, zakelijk weergegeven, aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de aangezegde openbare verkoop onrechtmatig is, omdat de saldo opgave gedaan door gedaagden d.d. 21 januari 2018 wordt betwist en hebben partijen hierna gesprekken met elkaar gevoerd ten einde aan eiseres de ruimte te geven om aan haar aflossingsverplichting te voldoen, aangezien het behoud van het onroerend goed van eminent belang is voor eiseres, nu er daarop een zorghotel geëxploiteerd wordt, die thans door 50 nierdialyse patiënten wordt bezet.

Eiseres stelt dat zij thans diverse mogelijkheden heeft om de onderneming te redden, hetwelk aan gedaagden kenbaar is gemaakt, reden waarom zij gedaagden ruimte heeft gevraagd tot 31 december 2018. Eiseres stelt dat zij derhalve zeer verbaasd was toen zij ondanks gemaakte afspraken tussen partijen, heden moest vernemen dat de openbare verkoop voortgang vindt op 21 september 2018, waardoor zij zich misleid voelt. Reden waarom eiseres spoedeisend belang heeft bij een onverwijld voorziening bij voorraad.

4. De beoordeling

4. 1 Gedaagden stellen zich op het standpunt dat zij reeds vanaf 2015, bezig zijn met eiseres om naar betalingsmogelijkheden te kijken en de veiling reeds 3-4 keren is aangehouden. Gedaagden hebben tot nu toe nog steeds niets gezien.

4.2 Eiseres vraagt nog een laatste keer de veiling op te schorten, gelet op de stand van de gesprekken tussen haar en het Academische Ziekenhuis Paramaribo en het Staatsziekenfonds Suriname.

4.3 De kantonrechter overweegt dat in casu gedaagden het recht heben om gebruik te maken van hun recht om te veilen, terwijl eiseres erkent dat zij een betalingsachterstand heeft.

Naar het oordeel van de kantonrechter is echter doorslaggevend het algemeen belang, met name het doel waarvoor het onroerend goed wordt gebruikt en het feit dat eiseres steeds bezig is geweest om naar oplossingen te zoeken. Aangezien er gesprekken gaande zijn die zouden kunnen leiden tot een oplossing acht de kantonrechter het rechtvaardig om voor de aller laatste keer de aangekondigde veiling op te schorten, te meer daar partijen tot aan gisteren nog gesprekken hebben gevoerd.

4.4 Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen, zoals nader begroot in de beslissing.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1 Schort op – voor de allerlaatste keer – de aangekondigde veiling van heden 21 september 2018 te houden om 10.00 uur v.m. ten kantore van de notaris mr. D. Kalisingh te Paramaribo, in ieder geval voor de aller laatste keer, tot uiterlijk 31 december 2018.

5.2 Veroordeelt eiseres in de kosten van de aangekondigde veiling van 21 september 2018.

5.3 Veroordeelt gedaagden tot betaling van de dwangsom ad SRD 1.000.000,- (eenmiljoen Surinaamse Dollar) voor iedere dag dat zij in strijd handelt met dit vonnis, met dien verstande dat de maximaal te verbeuren dwangsom het bedrag van SRD 20.000.000,- (twintig miljoen Surinaamse Dollar) niet te boven zal gaan.

5.4 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt eiseres in de proceskosten, tot aan de uitspraak begroot op nihil.

5.6 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen en heden terstond uitgesproken door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, kantonrechter in het Eerste Kanton, lid-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting te Paramaribo, van vrijdag 21 september 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. S.S. Nanhoe-Gangadin

SRU-K1-2016-1

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
E.K.-A.R.no. 15-2066
14 november 2016

Vonnis inzake:
[eiser],
wonende aan de [adres 1] te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. V.V.C. Piqué, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan de [adres 2] te [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. C. Rambharos, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/-handelingen:
– het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 07 mei 2015 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de schriftelijke conclusie van antwoord;
– de schriftelijke conclusie van repliek;
– de schriftelijke conclusie van dupliek;
– de rolbeschikking d.d. 22 februari 2016 gegeven waarbij een comparitie van partijen is gelast voor het inwinnen van inlichtingen c.q. het beproeven van een verzoening;
– het proces-verbaal d.d. 09 mei 2016 van de gehouden comparitie van partijen;
– de conclusies tot uitlating na gehouden comparitie van partijen;
– de rolbeschikking d.d. 25 juli 2016 gegeven, waarbij een nadere comparitie van partijen is gelast voor het inwinnen van inlichtingen;
– het proces-verbaal d.d. 08 augustus 2016 van de gehouden nadere comparitie van partijen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Partijen zijn op 05 mei 2000 op de Ambassade van de Coöperatieve Republiek Guyana te Paramaribo in Suriname in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met elkaar bij akte [nummer].

2.2 Door het huwelijk tussen partijen is het thans nog minderjarig kind gewettigd:
– [naam], geboren op [geboortedatum] te [district].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert – kort samengevat – dat bij vonnis:
a. de echtscheiding wordt uitgesproken tussen partijen, met alle wettelijke gevolgen van dien;
b. gedaagde te veroordelen om met eiser over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap, met de gebruikelijke nevenvoorzieningen.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering, naast voormelde feiten, ten grondslag –zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang- dat voornoemd huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht vanwege het feit dat de communicatie tussen partijen slecht is te noemen en eiser het punt heeft bereikt dat hij ervan overtuigd is dat een echtscheiding het beste is voor partijen, althans voor hem. Herstel van de relatie is niet meer mogelijk volgens eiser.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd, waarop de kantonrechter – voor zover van belang – in de beoordeling zal terugkomen.

4. De beoordeling
4.1 Gedaagde ontkent bij antwoord dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht, hoewel er volgens haar wel meningsverschillen zijn geweest tussen partijen omtrent de kerk die gedaagde bezoekt, daar eiser van oordeel is dat gedaagde naar zijn kerk moet gaan. Voorts wonen partijen volgens gedaagde nog steeds in een huis en onder een dak en delen haast elke avond een bed met elkaar. Volgens gedaagde is een kleine meningsverschil omtrent de kerk die zij bezoekt geen grondslag voor een echtscheiding, zodat de vordering eiser hem ontzegt moet worden.

4.2 Eiser persisteert dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht, daar de situatie van de kerk altijd principieel was voor hem, nu het volgens hem niet kan, dat hij als voorganger in een kerk niet wordt ondersteund door gedaagde in die kerk. Volgens eiser blijven partijen nog onder een dak aangezien het niet eenvoudig is om snel een ander onderdak te vinden. Eiser ontkent dat hij haast elke avond het bed deelt met gedaagde.

4.3 Gedaagde persisteert dat er geen sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk en voert aan dat zij het recht heeft om zelf te mogen kiezen welke kerk zij wenst te bezoeken. Volgens gedaagde is het onwillig zijn om zich naar een kerk te begeven, geen wettige grond voor echtscheiding ingevolge artikel 262 BW, zodat er ook geen sprake is van duurzame ontwrichting.

4.4 De kantonrechter heeft in de stellingen en weren aanleiding gevonden om een comparitie van partijen te gelasten, waarbij partijen voor zover van belang het navolgende hebben verklaard Eiser verklaarde dat gedaagde sedert 2009 een heel andere houding tegenover hem heeft genomen en dat hij al vijf jaren bezig is met een gemeente, terwijl gedaagde hem tot op heden niet heeft ondersteund daarin. Eiser verklaarde voorts dat de gemeente waarmee hij is begonnen, niet verschilt van de gemeente waar partijen eerder naar toe gingen, beide zijn volle evangelie en gebruiken dezelfde bijbel. Eiser verklaarde eveneens dat het een belediging voor hem is dat hij voorganger is van een gemeente, terwijl zijn vrouw naar een andere gemeente gaat, alsmede dat hij er sterk in gelooft dat als hij een vrouw heeft, zij samen dingen moeten doen en als dat niet kan het ophoudt voor hem. Volgens eiser wordt hij onheus bejegend door gedaagde en bedreigd, dat zelfs de politie thuis moet komen. Gedaagde verklaarde dat eiser in 2009 zijn eigen weg op wilde gaan en een gemeente wilde beginnen, doch is zij gebleven bij de gemeente waar zij was, omdat had gemerkt dat eiser zijn geloof is gaan verschillen met dat van haar en heeft zij daarom behouden waarin zij geloofde, waardoor zij eiser niet kan ondersteunen. Gedaagde verklaarde voorts dat voor het jaar 2009 eiser zijn hand gebruikte als zij problemen hadden en zij dat had moeten stoppen door de politie te bellen. Gedaagde verklaarde eveneens dat partijen nog regelmatig seks hebben met elkaar en dat zij gelooft dat partijen God de ruimte moeten geven, omdat mensen kunnen veranderen. Gedaagde stelt voor om in relatietherapie te gaan, omdat ze gelooft dat het goed zal komen.

4.5 Bij conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen heeft eiser gepersisteerd bij zijn vordering onder aanvoering dat uit de gehouden comparitie van partijen naar voren is gekomen dat partijen niet op een lijn kunnen komen. Gedaagde heeft bij haar uitlating aangevoerd dat het duidelijk is dat eiser druk op haar uitoefent om haar kerk te verlaten en naar de zijne te gaan, hetgeen in strijd is met artikel 18 van onze Grondwet. Volgens gedaagde is het een vorm van discriminatie hetwelk in geen geval geïnterpreteerd kan worden als duurzame ontwrichting van het huwelijk en voor het geval er toch sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk, is deze in overwegende mate aan de schuld van eiser te wijten.

4.6 Naar aanleiding van de conclusies tot uitlating heeft de kantonrechter een nadere comparitie van partijen gelast, waarbij partijen voor zover van belang het navolgende hebben verklaard. Gedaagde verklaarde dat eiser haar persoonlijk heeft gezegd dat hij toegeeft dat hij verkeerd bezig is geweest ten aanzien van de kerk waarmee hij begonnen is en dat hij steken heeft laten vallen. Voor haar was dit het beginpunt en ze heeft alle geduld. Eiser verklaarde dat hij inderdaad zulks had toegegeven, denkende dat het zou helpen en er verandering zou komen. Eiser verklaarde voorts dat hij thans een andere relatie heeft.

4.7 De kantonrechter overweegt dat in casu tussen partijen vaststaat dat partijen niet behoorlijk met elkaar kunnen communiceren, waardoor de relatie tussen partijen verstoord is geraakt. Tevens staat tussen partijen vast dat de oorzaak van de verstoorde relatie tussen partijen is gelegen in het feit dat eiser in het jaar 2009 de kerk waar partijen altijd naar zijn gegaan, heeft verlaten en een eigen kerk is begonnen, terwijl hij van gedaagde eist dat die hem blindelings volgt. De kantonrechter overweegt dat het naar zijn kerk gaan van gedaagde essentieel is voor eiser, mede gelet op het feit dat hij de voorganger daarvan is, terwijl gedaagde van oordeel is dat de kerk van eiser verschilt met dat waarin zij gelooft. Naar het oordeel van de kantonrechter kan eiser niet van gedaagde eisen dat zij haar geloof opgeeft voor de zijne, terwijl hij ervoor heeft gekozen om een andere weg op te gaan. Op grond van het voorgaande houdt de kantonrechter het ervoor dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht en dat deze ontwrichting in overwegende mate te wijten is geweest aan eiser, zodat het verzet van gedaagde tegen de vordering van eiser gegrond is bevonden. Meer nog, gedaagde gelooft er heilig in en wenst ook dat er verzoening tussen partijen komt. De vordering van eiser zal daarom als ongegrond worden afgewezen.

4.8 Aangezien partijen echtelieden zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt.

5. De beslissing
De Kantonrechter:

5.1 Wijst de vordering af.

5.2 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, kantonrechter in het Eerste Kanton, lid-plaatsvervanger, ter terechtzitting te Paramaribo van maandag 14 november 2016, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. M.S. Wesenhagen.

 

SRU-HvJ-1989-7

Hof van Justitie
14 juli 1989, G.R. 12857
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, F.F.P. Truideman)

[appellant], wonende te [district], advokaat Mr. E.C.M. Hooplot, appellant in kort geding,

tegen

[geïntimeerde], optredende in persoon en in haar hoedanigheid van moeder, uitoefende de voogdij over de minderjarigen, [naam 1] en [naam 2], wonende te [district], advokaat Mr. K. Lieuw On, geïntimeerde in kort geding,

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, van 2 juli 1987 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 14 juli 1987, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. Eiseres wenst de navolgende vordering in kort geding in te stellen tegen [appellant], wonende te [district], gedaagde;

2. Eiseres is gehuwd met gedaagde op 6 juni 1980 na voorafgaand aan het huwelijk enkele jaren, en wel vanaf 1977, met gedaagde in concubinaat te hebben geleefd;

3. Eiseres’ minderjarige, uit een vorig huwelijk geboren kinderen, t.w. [naam 1] en [naam 2], maakten vanaf de aanvang van de samenleving in 1977 – [naam 1] was toen 8 jaar oud en [naam 2] 4 jaar –, deel uit van het gezin van partijen en eiseres, gedaagde en de minderjarige kinderen hebben dan ook steeds in gezinsverband samengewoond, laatstelijk aan de….straat.

4. Gedaagde heeft voornoemde kinderen steeds geheel als zijn eigen kinderen beschouwd en aangemerkt en hen altijd verzorgd en zich mede belast met hun opvoeding.

5. Gedaagde is op grond van het voorgaande, toen hij besloot een einde te maken aan het leven in gezinsverband met eiseres en de kinderen en in juni 1986 uit de echtelijke woning trok, voortgegaan met de maandelijkse financiële bijdrage aan de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarigen middels maandelijkse storting van het bedrag van f.400,– op de bankrekening van eiseres en heeft zich vervolgens daartoe zelfs expliciet verbonden, blijkens hierbij in fotocopie overgelegde verklaring d.d. 23 mei 1986, waarbij gedaagde zich verbindt maandelijks een bedrag van f.400,- over te maken ten behoeve van het onderhoud van genoemde kinderen op rekening van zijn echtgenote, zijnde eiseres op een der plaatselijke banken.

6. Met voormelde bijdrage evenwel is gedaagde na september 1986 abrupt gestopt, zijnde genoemde minderjarigen daardoor thans in behoeftige omstandigheden komen te verkeren, hebbende eiseres immers reserve fondsen haar alstoen ter beschikking staande, volledig uitgeput, terwijl eiseres zelf geen enkele mogelijkheden heeft alternatieve fondsen te vergaren ter bestrijding van de kosten verbonden aan onderhoud en opvoeding van de minderjarigen, die beiden nog schoolgaand zijn.

7. Blijkens hierbij in fotocopie overgelegde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd d.d. 7 oktober 1985 is zelfs de rechtsrelatie van eiseres met haar werkgever beëindigd per 31 december 1986, waardoor haar een maandelijkse inkomen van f.1000,– is komen te ontvallen, hebbende eiseres inmiddels zich geen nieuwe dienstbetrekking kunnen verwerven en zullende zij op grond van de zeer krappe arbeidsmarkt niet op korte termijn zich een vervangend inkomen kunnen verwerven.

8. Ook eiseres verkeert op grond van het voorgaande in behoeftige omstandigheden, kunnende zij zichzelf uit de bijbaan die zij nog heeft en die thans op grond van het wegvallen van haar hoofdinkomen haar enige inkomen oplevert, niet bedruipen, hebbende zij dan ook gezien enerzijds het inkomen van gedaagde van minimaal f.3000,– netto en het overige vermogen van gedaagde, als wettige echtgenoot van gedaagde, recht op een uitkering tot onderhoud door gedaagde, zijnde gedaagde in staat en verplicht eiseres maandelijks minimaal f.500,– ter hand te stellen in verband hiermede.

9. Gedaagde weigert, ondanks herhaalde verzoeken van eiseres, terzake de benodigde fondsen te fourneren en eiseres is dan ook gerechtigd, nu zowel zij als haar minderjarige kinderen behoeftig zijn en geen andere fondsen ter beschikking zijn noch redelijkerwijze deze op korte termijn kunnen worden verkregen, teneinde de kosten van levensonderhoud te bestrijden en eiseres q.q. en in persoon spoedeisend belang heeft, de Kantonrechter te adiëren om (bij wege van voorschot) een voorziening te plegen ten behoeve van eiseres en de kinderen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

Primair: Gedaagde zal worden veroordeeld tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres, althans aan eiseres in haar hoedanigheid van moeder, uitoefenende de voogdij over de minderjarigen [naam 1] en [naam 2], maandelijks te betalen, te rekenen vanaf het instellen van deze vordering, het bedrag van f.400,–;

I. Gedaagde zal worden veroordeeld tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres maandelijks te betalen, te rekenen vanaf het instellen van deze vordering, het bedrag van f.500,–

Subsidiair: Gedaagde zal worden veroordeeld tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres, althans aan eiseres in haar hoedanigheid van moeder, uitoefenende de voogdij over de minderjarigen [naam 1] en [naam 2], maandelijks, te rekenen vanaf de dag van instellen van deze vordering, bij wege van voorschot te betalen het bedrag van f.400,– totdat in een te voeren procedure ten principale definitief zal zijn beslist op de vordering van eiseres, althans tot een door de Kantonrechter in goede justitie (voorlopig) te bepalen tijdstip;

I. Gedaagde zal worden veroordeeld tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres maandelijks, te rekenen vanaf de dag van instellen van deze vordering, bij wege van voorschot te betalen het bedrag van f.500,– totdat in een te voeren procedure ten principale definitief zal zijn beslist op een te voeren alimentatieprocedure, althans tot een door de Kantonrechter in goede justitie (voorlopig) te bepalen tijdstip, kosten rechtens;

Overwegende, dat te dienende dage eiseres vertegenwoordigd door haar gemachtigde advokaat Mr. K.R. Lieuw On ter terechtzitting is verschenen, terwijl de gedaagde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen en ten verzoeke van de gemachtigde van eiseres tegen hem verstek is verleend;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna ambtshalve een comparitie van partijen heeft gelast voor de terechtzitting van 12 maart 1987 op welke terechtzitting advocaat Mr. E. Bruma zich als gemachtigde van gedaagde heeft gesteld, waardoor de gevolgen van het tegen hem verleende verstek zijn komen te vervallen;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna is overgegaan tot het houden van een comparitie van partijen, zijnde daarvan proces-verbaal opgemaakt, terwijl voortzetting daarvan plaatsvond op 19 maart daaraanvolgend zijnde ook hiervan proces-verbaal opgemaakt, wordende de inhoud van voormelde processen-verbaal geacht hier te zijn opgenomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde vervolgens een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie van antwoord heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld waarbij de gemachtigde van eiseres een produktie heeft overgelegd, wordende de inhoud van deze stukken geacht hier te zijn opgenomen;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij rolbeschikking wederom een comparitie van partijen heeft gelast, waarvan proces-verbaal is opgemaakt en waarvan de inhoud wordt geacht hier te zijn opgenomen;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 2 juli 1987 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft gelast aan eiseres bij wege van voorschot ten behoeve van de minderjarige kinderen [naam 1] en [naam 2] maandelijks, met ingang van 1 maart 1987, het bedrag van f.400,– (VIERHONDERD GULDEN) te weten voor elk hunner f.200,– (TWEEHONDERD GULDEN) per maand, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen, totdat in een door de gedaagde tegen de eiseres q.q. in te stellen bodemgeschil definitief beslist is tot wanneer de gedaagde gehouden is die bijdrage te leveren, welke bijdragen, indien de gedaagde zo’n bodemgeschil niet aanlegt, in ieder geval zal eindigen met het bereiken der meerderjarigheid door die kinderen.

Dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

De proceskosten tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege heeft gecompenseerd, dat iedere partij haar eigen kosten drage.

Het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal. [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 2 juli 1987;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder S. Hoebba van 13 oktober 1987 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat appellant tijdig in hoger beroep is gekomen van het vonnis, van de Kantonrechter in kort geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 2 juli 1987;

Overwegende, dat appellant zich door het vonnis a quo gegriefd acht en het navolgende daartegen heeft aangevoerd:

ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen dat de overeenkomst betreffende de ten rekeste genoemde minderjarigen d.d. 23 mei 1986 niet eenzijdig kan worden opgezegd, al is i.c. sprake van een overeenkomst voor onbepaalde tijd en voorts dat slechts de bodemgeschilrechter de opzeggingstermijn kan vaststellen indien partijen hierboven geen overeenstemming kunnen bereiken, enwel op de navolgende gronden:

A. deze overweging van de Kantonrechter is innerlijk tegenstrijdig aangezien hij enerzijds ervan uitgaat dat eenzijdige opzegging tegen een redelijke termijn mogelijk is en anderzijds overweegt dat partijen toch wel overeenstemming moeten bereiken over wat een redelijk termijn is. De verdere overweging dat ook de Kantonrechter de redelijke termijn kan vaststellen is irrelevant aangezien zulks in alle omstandigheden en gevallen door de rechter kan worden gedaan, zelfs wanneer een eenmaal overeengekomen termijn later door een der partijen als onredelijk wordt aangemerkt.

Door te overwegen dat partijen over de termijn overeenstemming moeten hebben bereikt, ondergraaft de Kantonrechter zijn overweging dat eenzijdige opzegging mogelijk is of andersom ondergraaft hij zijn overweging dat partijen over de termijn overeenstemming moeten bereiken, door ervan uit te gaan dat eenzijdige opzegging mogelijk is;

B. ten onrechte gaat de Kantonrechter ervan uit dat i.c. sprake is van een rechtsgeldige, in rechte afdwingbare overeenkomst. Deze overeenkomst is immers nietig omdat daaraan een causa ontbreekt en in ieder geval omdat in de akte geen causa is vermeld.

De Kantonrechter overweegt terecht dat op appellant geen wettelijke plicht rust tot het aangaan van de overeenkomst of het voldoen aan de inhoud daarvan;

C. zelfs indien de Kantonrechter zou zijn uitgegaan van een natuurlijke verbintenis tussen appellant en geïntimeerde in privé zou hij niet er toe kunnen komen om de onderhavige vordering toe te wijzen. Deze vordering is immers gegrond op de overeenkomst van 23 mei 1986 tussen partijen in privé aangegaan. Aan deze overeenkomst kan de geïntimeerde in haar hoedanigheid van moedervoogdes over de minderjarigen geen rechten ontlenen, hetgeen betekent dat de minderjarigen niet gerechtigd zijn om rechtstreeks aan de litigieuze overeenkomst rechten te ontlenen. Zij zijn daarbij geen partij en geïntimeerde behoorde niet ontvankelijk te worden verklaard in de vordering die zij in hoedanigheid instelt;

D. van een natuurlijke verbintenis, welke zou zijn omgezet in een rechtens afdwingbare verbintenis tussen partijen in privé is evenwel evenmin sprake. Immers geldt bij de natuurlijke verbintenis principieel als criterium dat de debiteur tot nakoming gehouden kan worden indien en omdat de crediteur op nader aan te geven gronden aanspraak op maakt dat de debiteur aan de nakoming wordt gehouden. Appellant is van oordeel dat van dergelijke nader aan te geven gronden i.c. geen sprake is.

Zelfs indien daarvan sprake mocht zijn geweest, heeft de Kantonrechter zelf in zijn vonnis (pagina 6 sub 7 en pagina 7 sub 2 van de rechtsoverwegingen) vastgesteld, dat de omstandigheden die aanleiding (zouden kunnen) zijn geweest voor het toekennen van de toelage aan geïntimeerde door appellant, drastisch veranderd zijn en aan geïntimeerde zelfs aanleiding hebben gegeven om tegen geïntimeerde een rechterlijk verbod (zie pagina 6 sub 7 rechtsoverwegingen) te verkrijgen met een dwangsom van f.10.000,– per keer of dag.

Tot deze conclusie komt de rechter niet alleen na kennisneming van het vonnis waarin het verbod is vervat, doch ook uit de mededelingen die partijen ter gelegenheid van de gehouden comparitie aan hem hebben gedaan over hun onderlinge verhouding.

Nadat de Kantonrechter deze drastische wijziging had vastgesteld, had hij de vordering nimmer mogen toewijzen;

E. in feite heeft de Kantonrechter geen voorschot toegewezen doch het gehele bedrag dat geïntimeerde eventueel verschuldigd zou zijn. Zulks is in kortgeding niet toegelaten.

Bovendien stelt de rechter vast dat de verplichting zich uitstrekt tot aan de meerderjarigheid, zonder te stellen waarop hij deze vaststelling grondt en zulks na te hebben overwogen dat i.c. van een wettelijke plicht geen sprake is. Zelfs de wettelijke plicht strekt zich niet zonder meer uit tot aan de meerderjarigheid;

F. hoewel de Kantonrechter in de 5 laatste regels van pagina 8 der rechtsoverwegingen overweegt dat hij niet bevoegd is te oordelen over een redelijke termijn stelt hij toch in het dictum van het vonnis als eindtermijn de meerderjarigheid, na zelf te hebben vastgesteld dat noch de wet (welke i.c. niet toepasselijk is) noch de overeenkomst een termijn aangeeft.

Door toch een eindtermijn vast te stellen heeft de Kantonrechter aan geïntimeerde het belang ontnomen om alsnog naar de bodemgeschilrechter te gaan en heeft hij integendeel die last op appellant gelegd. Ook hierdoor blijft niets in stand van de overweging dat in principe een eenzijdige opzegging mogelijk is;

G. naar de stellige overtuiging van appellant was het voor de Rechter in kortgeding wel mogelijk geweest om, indien een redelijke termijn vereist zou zijn – quod non – deze vast te stellen. Immers heeft de Kantonrechter uitgebreide comparities gehouden waardoor hij, blijkens zijn eigen overwegingen, een goed inzicht heeft verkregen in de onderlinge verhoudingen van partijen.

De Kantonrechter heeft zich ten onrechte doch ogenschijnlijk onttrokken aan het vaststellen van een volgens hem vereiste redelijk termijn, aangezien hij toch in het dictum van het vonnis een termijn noemt n.l. tot aan de meerderjarigheid;

H. bij herhaling heeft appellant gezegd en doen zeggen dat tussen hem en de kinderen geen enkele rechtsbetrekking bestaat.

Integendeel bestaat deze wel tussen de kinderen en hun zowel biologische als juridische vader, van wie het adres in Nederland bekend is en met wie de kinderen steeds kontakt hebben gehad. De kinderen hebben ook de nationaliteit van de vader (Nederlandse) behouden en deze ontvangt voor hun kinderbijslag, althans kan hij die ontvangen. Met de huidige parallel koersen kan de vader alleen al met de kinderbijslag, dus zonder in eigen zak te tasten, ruimschoots in hun levensonderhoud voorzien;

Overwegende hieromtrent:

– dat appellant door het huwelijk tussen partijen, gesloten op 6 juni 1980, ingevolge artikel 403 lid 1 B.W. van rechtswege medevoogd werd over de minderjarige kinderen [naam 1] en [naam 2] over welke kinderen geïntimeerde moeder voogdes is;

– dat – evenals op de ouder die de ouderlijke macht uitoefent – in het algemeen op de voogd de verplichting rust het kind te verzorgen en op te voeden (en diens vermogen te beheren);

– dat ingevolge voormeld artikel 403 lid 1 B.W. de medevoogdij van appellant over de minderjarigen voornoemd derhalve met zich meebrengt dat hij ook verplicht is voor verzorging en opvoeding zorg te dragen; (zie Asser Scholten, Personenrecht, Eerste Stuk Familierecht 7e druk 1936, zijnde echter deze bepaling in 1947 in Nederland afgeschaft).

– dat appellant zich bovendien schriftelijk verbonden heeft bij overeenkomst tussen partijen van 23 mei 1986 bij te dragen in het onderhoud der kinderen;

Overwegende, dat appellant, zij het op andere gronden, als hierboven overwogen, terecht is veroordeeld;

– dat het hier (bovendien) betreft een Kortgeding waarbij het treffen van een orde maatregel in deze geboden is, nu toch het belang der minderjarigen zich verzet tegen een abrupt beëindigen door appellant van de bijdrage, zonder dat geïntimeerde in staat is gesteld op adequate wijze financiële voorzieningen te treffen ten behoeve van de minderjarigen;

Overwegende, dat het Hof dan ook voorlopig van oordeel is, dat onder verbetering van gronden en verwerping der aangevoerde grieven het beroepen vonnis dient te worden bevestigd;

Overwegende, dat het Hof wenst te benadrukken, hetgeen door de Kantonrechter bereids is overwogen, dat appellant slechts door het aanleggen van een bodemgeschil hierin wijziging zou kunnen trachten te verkrijgen;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding
Bevestigt onder verbetering van gronden het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, in Kortgeding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 2 juli 1987, waarvan beroep;

Compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen die echtlieden zijn in dier voege, dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

bepalende het Hof het salaris van de advokaten van partijen op f.100,– elk.

SRU-HvJ-1990-14

Hof van Justitie
27 juli 1990, G.R. 12530
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, F.F.P. Truideman)

[appellant] wonende in [adres] in het [district] , advocaat mr. E.J. Bruma, appellant,

tegen

Landbouwbank N.V., rechtspersoons, gevestigd te Paramaribo, mede kantoorhoudende in het distrikt Nickerie, advocaat mr. G. Gangaram-Panday, geïntimeerde.

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Derde Kanton, respektievelijk van 17 december 1984 en 20 mei 1985 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Derde Kanton van 12 juni 1985, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat Landbouwbank N.V. als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Derde Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiseres hierbij de navolgende vordering wenst in te stellen tegen [appellant] wonende [adres] in het [district];

2. dat blijkens de hierbij in fotokopie overgelegde kredietovereenkomsten heeft eiseres op 14 november 1977 aan gedaagde twee kredieten verstrekt, te weten:

a. een krediet in lopende rekening (seizoenlening) bekend onder [rekeningnummer 1], tot een maximum bedrag van Sf. 12.000,– welk bedrag gedaagde zou moeten aflossen in de periode juni/december 1978. Deze kredietverlening hield in dat gedaagde telkenmale het opgenomen krediet binnen 6 maanden (een crop) na ontvangst van de gelden – voor het eerst in de periode juni/december 1978 – zou moeten volstorten en dat hij daarna dit bedrag weer mocht opnemen mits van het krediet een juist gebruik werd gemaakt;

b. een krediet, bekend onder [rekeningnummer 2], ten bedrage van Sf. 13.825,– welk bedrag door gedaagde zou worden betaald d.m.v. 7 halfjaarlijkse aflossingen van Sf. 1.975,– voor het eerst per ultimo mei 1978 zodat de schuld na 41 maanden geheel zou zijn afbetaald;

3. dat gedaagde zich evenwel niet gehouden heeft aan zijn voormelde verplichtingen, zulks ondanks herhaalde en dringende aanmaningen in der minne en zich mitsdien jegens eiseres heeft schuldig gemaakt aan wanprestatie, zodat eiseres zich thans genoopt ziet tot het nemen van rechtsmaatregelen over te gaan;

4. dat eiseres per 1 maart 1984 van gedaagde opeisbaar te vorderen heeft 21.670,47 ([rekeningnummer 1]) + Sf. 16.267,24 ([rekening nummer 2]), zijnde een bedrag van Sf. 37.937,71;

5. dat gedaagde ingevolge de kredietovereenkomst over achterstallige aflossingen 1% rente per maand verschuldigd is terwijl hij ingevolge art. 7 van de Algemene Voorwaarden voor rekeninghouders bij de Landbouwbank N.V. gehouden is de buitengerechtelijke kosten aan eiseres te voldoen, welke kosten naar redelijkheid zijn vastgesteld op Sf. 1.900,–;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat gedaagde bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, terzake voorschreven zal worden veroordeeld om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

a. een bedrag van Sf. 37.937,71 vermeerderd met de rente hierover ad 1% per maand vanaf 1 maart 1984 tot aan de algehele voldoening;

b. een bedrag van Sf. 1.900,– aan buitengerechtelijke kosten, kosten rechtens;

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat deze rechtszaak voor onbepaalde tijd zal worden aangehouden;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen over en weer bij mondelinge conclusies van repliek en dupliek hebben geconcludeerd tot persistit;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 17 december 1984 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast;

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen niet is gehouden, omdat partijen in termen van schikking verkeerden;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating schikking zijdens eiseres bepaald diens gemachtigde de Kantonrechter heeft medegedeeld, dat er geen schikking is bereikt;

Overwegende, dat de Kantonrechter vervolgens bij vonnis van 20 mei 1985 op de daarin opgenomen gronden:

gedaagde heeft veroordeeld om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

a. een bedrag van Sf.·37.937,71 (zeven en dertig duizend negenhonderd zeven en dertig 71/100 gulden), vermeerderd met de rente hierover ad 1% per maand vanaf 1 maart 1984 tot aan de dag der algehele voldoening,

b. een bedrag van Sf. 1.900,– (eenduizend en negenhonderd gulden) aan buitengerechtelijke kosten; dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf.112,25 (eenhonderd en twaalf 25/100 gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 20 mei 1985;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Ch. Balgobind van 5 november 1985 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het appèl tegen het vonnis d.d. 20 mei 1985 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken tussen partijen, tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat appellant tegen het beroepen vonnis één grief heeft ontwikkeld, luidende, dat de Kantonrechter ten onrechte voortijdig heeft aangenomen, dat appellant geen verweer heeft gevoerd tegen de vordering van geïntimeerde en de vordering toegewezen;

Overwegende, dat appellant betoogt:

dat hij bij conclusie van antwoord met zoveel woorden heeft gesteld, een minnelijke oplossing voor te staan wat geenszins betekent dat de vordering zoals die is ingesteld wordt erkend;

dat appellant zeer nadrukkelijk bij antwoord heeft gesteld dat hij zich het recht voorbehoudt tot een nadere conclusie van antwoord te komen, zo eiseres, thans geïntimeerde, een andere mening zou zijn toegedaan, wat ongetwijfeld op een betwisting van eiseresses stellingen wijst;

dat de conclusie van de Kantonrechter in diens eindvonnis dat er geen schikking is bereikt en gedaagde geen verweer heeft gevoerd, op welke gronden de vordering is toegewezen, appellant dan ook onjuist voorkomt;

Overwegende, ten aanzien van voormelde grief:

dat naar uit de conclusie van antwoord, genomen ter rolle van 15 oktober 1984, blijkt, heeft appellant zich het recht voorbehouden om, indien geïntimeerde, toenmaals eiseres, een andere mening omtrent het in die conclusie door appellant gesteld gesprek om tot een minnelijke oplossing te komen, zou zijn toegedaan, tot een nadere conclusie van antwoord te komen;

dat uit het hiervorenaangehaalde valt af te leiden dat, zo partijen niet tot een minnelijke schikking zouden komen, appellant alsnog verweer zou voeren tegen de tegen hem ingestelde vordering;

dat naar blijkt, appellant in prima geen verweer heeft gevoerd;

dat appellant de Kantonrechter terecht het verwijt maakt geen rekening te hebben gehouden met het door hem – appellant – gemaakte voorbehoud op het alsnog voeren van verweer;

dat voormelde grief evenwel niet zal leiden tot een voor appellant gunstige beslissing in de onderhavige zaak en wel op grond van het volgende:

dat een oorspronkelijke gedaagde, die zich op de tegen hem ingestelde vordering in eerste aanleg niet verweert, bevoegd is ingevolge het bepaalde in artikel 287 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in hoger beroep nieuwe weren van rechten in te brengen, mits deze een verdediging op de hoofdzaak opleveren en niet in het geding in eerste aanleg zijn gedekt;

dat appellant die als gedaagde in het geheel geen verweer op de tegen hem door de geïntimeerde als eiseres ingestelde vordering in eerste aanleg blijkt te hebben gevoerd, daartoe wel bevoegd was op grond van de aangehaalde wetsbepaling in hoger beroep, omdat niet aangenomen zou kunnen worden, dat zijn verweer in appèl is gedekt, doordat hij ingebreke is gebleven om in eerste aanleg verweer te voeren;

dat deze bevoegdheid in hoger beroep door de appellant slechts kan worden uitgeoefend in een der memoriën, als bedoeld in artikel 271 van vermeld wetboek;

Overwegende, dat van deze bevoegdheid bij het houden der pleidooien evenwel geen gebruik kan worden gemaakt, vermits een pleidooi in het algemeen een toelichting is op reeds gestelde feiten en daaraan verbonden rechtsgevolgen en dat het dan bepleiten van een zaak ingevolge het bepaalde in artikel 281 van vermeld wetboek, niet kan omvatten het inbrengen van nieuwe weren van rechten als bedoeld in artikel 278 lid 2 van vermeld wetboek en een pleitnota als inhoudende hetgeen de advocaat ten behoeve van en voor zijn kliënt ter toelichting van diens zaak ter terechtzitting heeft aangevoerd, geen memorie in de zin van artikel 271 of van artikel 274 dan wel een stuk als bedoeld in artikel 280 van vermeld wetboek is;

Overwegende, dat nu appellant voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep zijn verweer ten principale tegen de tegen hem als gedaagde door de geïntimeerde als eiseres ingestelde vordering heeft gevoerd, op grond van al het voorgaande, op dit verweer geen acht kan worden geslagen en de appellant ook in hoger beroep niet geacht kan worden op de vermelde vordering te hebben geantwoord;

Overwegende, dat evenals in eerste aanleg, ook in hoger beroep de vordering van eiseres/geïntimeerde als door gedaagde/appellant niet weersproken moet worden aangemerkt en dat het vonnis waarvan beroep, onder verwerping van de daartegen ontwikkelde grief, als zijnde juist en conform de wettelijke regeling gewezen, in hoger beroep behoort te worden bevestigd met veroordeling van de appellant in de kosten van het geding;

Rechtdoende in hoger beroep

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 20 mei 1985 waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot f ……; met inbegrip van het door het Hof aan haar advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van Sf. 150,–; bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellant eveneens op Sf. 150,–.

SRU-HvJ-1989-6

G.R. 12783

HOF VAN JUSTITIE (Civiele Kamer), 2 juni 1989.
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en R.G. Rodrigues).

[appellant], handelende onder de naam ”SULLIES SALES”, wonende in [district] aan [adres], advokaat Mr. F. KRUISLAND
appellant,

tegen

[geintimeerde], wonende in [district], advokaat Mr. E.C.M. HOOPLOT, geintimeerde.

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respektievelijk van 3 februari 1987 en 4 augustus 1987 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 21 augustus 1987, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geintimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen:

[appellant], handelende onder de naam “Sullies Sales”, wonende in [district] aan [adres].

2 dat eiser in de maand januari 1981 in dienst is getreden van gedaagde, laatstelijk tegen een loon van f. 30,– per dag maandelijks uit te betalen, vermeerderd met een bedrag van. f. 100,– per maand, een en ander gebaseerd op een werkweek van vijf dagen.

3. dat eiser op 11 mei 1984 is ontslagen wegen beëindiging van de werkzaamheden.

4. dat gemeld ontslag onrechtmatig is, zijnde geen dringende reden in de zin der wet voor het ontslag opgegeven en evenmin schadeloosstelling betaald.

5. dat eiser mitsdien aanspraak maakt op een schadeloosstelling van twee maanden loon, t.w. over de maanden mei en juni 1984 waarover hij geen loon heeft ontvangen en wel in totaal, daar deze periode 44 werkdagen telt, 44 x f. 30,– vermeerderd met f. 200,–.

6. dat eiser bovendien in de periode dat hij in dienst van gedaagde was geen vakantie heeft genoten en evenmin vakantievergoeding, en vakantietoelage heeft ontvangen, zodat hij daarop ten aanzien van het hieronder vermelde aantal dagen aanspraak maakt op t.w.:

in het jaar

1982 12 dagen
1982 14 dagen
1983 16 dagen
1984 4 dagen
Totaal 46 dagen

7. dat gedaagde derhalve terzake van het sub 6 gesteld aan eiser dient te betalen 46 x (150% x f. 30,–) of wel in totaal f. 2.070,–.

8. dat eiser terzake van het bovenstaande mitsdien in totaal van gedaagde te vorderen heeft f. 1.520,– + f. 2.070,– of wel f. 3.590,– welk bedrag gedaagde ondanks herhaalde aanmaningen niet bereid is aan eiser te voldoen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. zal worden verklaard voor recht, dat het aan eiser verleend ontslag onrechtmatig is;

b. gedaagde zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen de som van f. 3.590,– vermeerderd met de rente hierover ad ’6% ’s jaars vanaf de dag der indiening van dit verzoekschrift tot aan die der algehele voldoening;

c. gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd: dat de vordering van de eiser niet-ontvankelijk zal worden verklaard als zijnde ongegrond en in strijd met de Wet;

Overwegende, dat ten dage voor repliek bepaald de gemachtigde van eiser een – hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusie van repliek heeft genomen;

Overwegende, dat nadat de gemachtigde van gedaagde bij mondelinge conclusie van dupliek had gepersisteerd bij zijn conclusie van antwoord en vonnis gevraagd, de Kantonrechter bij vonnis van 3 februari 1987 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast, bij welke comparitie van partijen zijn verschenen, partijen in persoon, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiser een – hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden comparitie van partijen heeft genomen, terwijl van de gemachtigde van gedaagde, ofschoon toegezegd, geen conclusie is ontvangen;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 4 augustus 1987 op de daarin opgenomen gronden:

A. Voor recht heeft verklaard dat het aan eiser gegeven ontslag nietig is met dien verstande dat de dienstbetrekking tussen partijen nog voortduurt, met behoud van alle wettelijke en/of overeengekomen aanspraken aan de dienstbetrekking verbonden.

B, Eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard voor hetgeen hij geëist heeft onder punt b van zijn petitum.

C. Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f. 105,25 (EENHONDERD VIJF 25/100 GULDEN).

Het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 4 augustus 1987;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder S. Hoebba van 1 oktober 1987 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Het appel tegen het vonnis d.d. 4 augustus 1987, is tijdig ingesteld.

In zijn tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grief verwijt appellant de Kantonrechter ten onrechte voor recht te hebben verklaard, dat het aan geintimeerde verleende ontslag nietig is, aangezien zulks door geintimeerde bij inleidend rekest d.d. 13 september 1985 niet is gevorderd.

Door geintimeerde is gevorderd, dat voor recht zal worden verklaard, dat het aan hem verleende ontslag onrechtmatig is. De aangevoerde grief is gegrond, staande het ingevolge de Wet de Rechter niet vrij te beslissen omtrent zaken, waarover een beslissing niet was geëist. Gegrondbevinding van de besproken grief heeft echter niet tot gevolg dat de door het Hof te geven beslissing zal resulteren in een voor appellant gunstige uitspraak, ofschoon partij [geintimeerde] niet mede tegen het vonnis van 4 augustus 1987 heeft geappelleerd, hebbende het Hof immers op grond van de artikelen 260 en 269 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door het ingesteld appel van een der partijen in casu partij [appellant], de plicht gekregen de zaak in zijn volle omvang te beoordelen, zodat het Hof indien het daartoe termen aanwezig acht ook de partij, die niet in hoger beroep is gekomen een bedrag kan toewijzen waarvan het recht daarop haar in prima is ontzegd e.q. in het recht daarop niet is ontvangen. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend althans niet c.q. niet gemotiveerd betwist en gestaafd door de zich in het procesdossier bevindende niet betwiste althans niet van valsheid betichte bescheiden, staat vast tussen partijen, dat geïntimeerde in januari 1981 in dienst is getreden van appellant, laatstelijk tegen een loon van f. 30,– per dag, maandelijks uit te betalen, vermeerderd met een bedrag van f. 100,– per maand, een en ander gebaseerd op een werkweek van vijf dagen; dat geintimeerde op 11 mei 1984 is ontslagen wegens tijdelijke beëindiging van de taakwerkzaamheden. Geintimeerde heeft appellant geen dringende reden als bedoeld in artikel 1615p van het Burgerlijk Wetboek gegeven om hem geintimeerde, op staande voet te ontslaan. Ingevolge artikel 2 van het “Decreet Ontslagvergunning” had appellant als werkgever moeten opzeggen, welke pas dan rechtmatig zou zijn, nadat hem de vereiste ontslagvergunning was verleend. De van toepassing zijnde opzeggingstermijn zou na het tijdstip waarop de vergunning was verkregen, ingaan. Nu, naar tussen partijen vaststaat, appellant geen ontslagvergunning had verkregen, is het door appellant aan geintimeerde verleende ontslag van rechtswege nietig. De consequentie hiervan is, dat de dienstbetrekking en de loonaanspraken zijn blijven voortduren. Een van rechtswege nietig ontslag, kan niet tegelijk onrechtmatig zijn. De onder a van het petitum gevraagde declaratoire beslissing dat het aan geintimeerde verleend ontslag onrechtmatig is, dient dan ook achterwege te blijven. Dit deel der vordering dient te worden afgewezen. Geintimeerde vordert in casu schadeloosstelling bestaande in loon over de maanden mei en juni 1984, in totaal bedragende (44 x f. 30,– + f.200,– =) f. 1.520,–.

De ingestelde vordering tot schadeloosstelling zal het Hof echter in deze zin uitleggen, dat geintimeerde van appellant zijn loon over de maanden mei en juni 1984 vordert. Daarnevens vordert geintimeerde vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen en vakantietoelage ten bedrage van f.2.070,–. De juistheid van deze post, staat als niet althans niet gemotiveerd betwist tussen partijen vast. Nu, naar tussen partijen in hoger beroep vaststaat, geintimeerde in dienst is getreden van zekere [naam], hij – geintimeerde – het dienstverband met appellant op het moment van zijn indiensttreding bij [naam] had verbroken. De vordering tot vergoeding voor niet genoten vakantiedagen en vakantietoelage is thans ontvankelijk, moetende de rechter letten op alle feiten, waarop de eiser zich in de loop van het proces beroept, ook indien deze zich na het verzoekschrift hebben voorgedaan. Onder vernietiging van het beroepen vonnis zal het Hof aan geintimeerde alsnog toewijzen het onder b gevorderde bedrag.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 4 augustus 1987 waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Veroordeelt appellant tot betaling aan geintimeerde van het bedrag van f. 3.590,– (DRIE DUIZEND VIJFHONDERD EN NEGENTIG GULDEN), met de rente hierover ad. 6% per jaar vanaf 13 februari 1985;

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f. 75,–;

met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van f. 75–;

bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f. 75,–.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

SRU-K1-1962-1

Kantonrechter Eerste Kanton
4 april 1962, SJ 1962 no. 35

[eiser], verblijfhoudende te [district], eiser in kort geding, gem. mr. W. Lim Apo,

tegen

Het Rijksdeel Suriname, zetelende te Paramaribo, gedaagde in kort geding gem. adv. J. Lachman.

Ten aanzien van de feiten
Eiser vordert in kort geding dat de uitvoering van de beschikking van de Proc.-Gen bij het Hof van Justitie d.d. 6 maart 1962 [nummer 1], waarbij zijn verwijdering uit Suriname is gelast, zal worden geschorst.

Ten aanzien van het recht
O., dat door de overgelegde bescheiden in verband met de stellingen van partijen rechtens vaststaat;
dat eiser bij schrijven van 19 januari 1962 aan de Distrikt-Kommissaris van het Distrikt Suriname heeft verzocht zijn op 4 februari 1962 expirerende tijdelijke verblijfsvergunning te veranderen in een vergunning voor onbepaalde tijd;
dat de Distrikts-Kommissaris van Paramaribo bij schrijven van 2 februari 1962 aan eiser heeft bericht dat zijn voormeld, abusievelijk aan de Distrikts-Kommissaris van Suriname gericht, verzoek niet kan worden ingewilligd;
dat eiser bij rekest van 5 februari 1962 – kennelijk gebruik makende van de in art. 12 van het Surinaams Toelatingsbesluit 1938 geopende mogelijkheid van beroep op de Procureur-Generaal – aan laatstgenoemde heeft verzocht de beslissing van de Distrikts-Kommissaris van Paramaribo in dier voege te wijzigen dat zijn verblijf met één jaar wordt verlengd;
dat de Procureur-Generaal bij beschikking van 6 maart 1962 [nummer 2] op grond van de overweging dat de toelating van eiser binnen Suriname voor de openbare orde en rust gevaar kan opleveren, op eisers verzoek afwijzend heeft beschikt;
dat de Procureur-Generaal tevens bij beschikking van 6 maart 1962 [nummer 1] de verwijdering van eiser uit Suriname heeft bevolen;

O., dat eiser onder mededeling dat hij de onverbindend, althans nietigverklaring van voormelde beschikkingen van de Distrikts-Kommissaris van Paramaribo d.d. 2 februari 1962 en van de Procureur-Generaal d.d. 6 maart 1962 [nummer 2] ten principale zal vorderen, thans in kort geding schorsing van de tenuitvoerlegging der beschikking van de Procureur-Generaal d.d. 6 maart 1962 [nummer 1] vordert;

O., dat gedaagde als verweer heeft aangevoerd dat de burgerlijke rechter onbevoegd is van deze vordering kennis te nemen, hetgeen door eiser is betwist;

O., daaromtrent: dat de vraag of Wij in kort geding bevoegd zijn de tenuitvoerlegging van voormelde beschikking [nummer 1] te schorsen, naar Ons voorlopig oordeel, hiervan afhangt of te verwachten is dat de burgerlijke rechter zich bevoegd zal verklaren in het aangekondigde hoofdgeding de beschikkingen van de Distrikts-Kommissaris van Paramaribo en van de Procureur-Generaal [nummer 2], waarmede de beschikking van de Procureur-Generaal [nummer 1] ten nauwste samenhangt, onverbindend, althans nietig te verklaren;
dat immers, hoezeer de rechter in kort geding gerechtigd is in spoedeisende gevallen voorlopig voorzieningen te treffen, zijn competentie voor het overige geen andere is dan die van de ten principale oordelende rechter, wiens rechtsmacht wordt begrensd door het bepaalde in art. 1 R.O., op welke wetsbepaling met betrekking tot het kort geding geen uitzondering is gemaakt.
dat de vraag of de toelating dan wel het langer verblijf van eiser in Suriname gevaar voor de openbare orde en rust kan opleveren, naar Onze aanvankelijke mening, ligt op het gebied van het publieke recht, terwijl de beslissing of een dergelijk gevaar al dan niet bestaat een kwestie van Overheidsbeleid vormt, welke in het algemeen aan de controle van de burgerlijke rechter is onttrokken;

dat zulks temeer klemt, waar in art. 12 van het Surinaams Toelatingsbesluit 1938 een administratief beroep tegen elke beslissing tot weigering van toelating of verlenging van verblijf is gegeven;

dat Wij op deze gronden voorshands verwachten, dat de burgerlijke rechter zich in de hoofdzaak niet bevoegd zal achten de onverbindend – althans nietig verklaring – van meergenoemde beschikkingen uit te spreken, waaruit volgt dat, gelet op voormelde nauwe samenhang, voor de in kort geding gevorderde voorlopige voorziening evenmin plaats is;

O., dat Wij Ons mitsdien onbevoegd zullen verklaren van eisers vordering kennis te nemen;

O., dat Wij te gereder tot deze beslissing komen, nu eiser heeft verklaard dat zich in casu geen geval van détournement de pouvoir of abus de droit voordoet, weshalve de enige weg waarlangs misschien de bewuste beschikkingen ten overstaan van de burgerlijke rechter met vrucht zouden kunnen worden aangetast, niet openstaat;

Rechtdoende in kort geding
Verklaren Ons onbevoegd van eisers vordering kennis te nemen; enz.

SRU-HvJ-1998-36

PRO JUSTITIA
IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!
Vonnis 1998 no.18

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in af­schri­ft overgelegd vonnis, door de Kantonrechter-Plaatsvervan­ger in het Tweede Kanton op 26 juni 1996 gewezen en uitgespro­ken te­gen:
[verdachte],
oud 18 jaar,
geen beroep,
geboren te [district 1],
wonende te [adres] in [district 2],
verdachte;

Gelet op het tijdig door de Vervolgingsambtenaar inge­stelde hoger beroep;
Gehoord de raadsman van de verdachte, advokaat Mr. R. Bal­dew;

Gehoord de Advokaat-Generaal;
Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte bij de inleidende akte van dagvaarding is te laste gelegd, het feit zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding, welke akte van dagvaarding als hier geïnsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis door de daarin vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat hij, verdachte, het hem bij de betreffen­de inleidende akte van dagvaarding te laste gelegde heeft be­gaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven; met vrijspraak van het meer of anders te laste gelegde;

Overwegende, dat de Kantonrechter het bewezen verklaarde feit heeft gekwalificeerd als:
het medeplegen van diefstal vergezeld van geweld tegen perso­nen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen, voo­rzien en stra­fbaar gesteld bij artikel 372 lid 1 juncto lid 2 sub 2 juncto artikel 370 van het Wetboek van Stra­frecht en deverdachte te dier zake heeft veroordeeld tot de strafmaatregel van ter beschikkingstelling van het bestuur voor de tijd van ACHT ­MAA­NDEN, met bevel dat van deze ter beschikkingstelling een gedeelte van DRIE MAANDEN niet zal worden tenuitvoerge­legd, tenzij de Rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de ter beschikkinggestelde zich vòòr het einde van een daarbij op TWEE JAREN bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig ge­maakt, hetzij is gebleken dat de ter beschik­kinggestelde onvoorwaardelijke opvoeding van Bestuurs­wege behoeft of niet heeft nageleefd de bijzondere voorwaarde dat hij zich ­gedurende die proe­ftijd zal gedragen naar de aan­wijzingen hem te geven door of vanwege het Hoofd van de Dienst Justitiële Kinderbescherming van het Ministerie van Justitie en Politie aan welke functionaris opdracht wordt gegeven over­eenkomstig artikel 20 van het Surinaams Wetboek van Straf­rec­ht;

Overwegende, dat het Hof zich kan verenigen met en mits­dien overneemt hetgeen in het beroepen vonnis is overwogen en be­slist, met uitzondering voor wat betreft de aan de verdachte opgelegde maatregel;

Overwegende, dat het Hof, met het oog op de persoon vna de verdachte en in overeenstemming met de ernst en de aard van het gepleegde feit, na te melden maatregel op zijn plaats acht;

Gezien de in het vonnis aangehaalde wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis van 26 juni 1996 door de Kantonrech­ter-Plaatsvervanger in het Tweede Kanton gewezen en uitgespro­ken tegen [verdachte], met uitzondering voor wat betreft de opgelegde maatregel en vernietigt dit vonnis in zoverre;

Beveelt dat de schuldige ter beschikking van het Be­stuur zal worden gesteld, zonder toepassing van enige straf;
Beveelt dat de terbeschikkingstelling niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Hof later anders mocht gelasten op grond dat de ter beschikkinggestelde zich voor het einde van een op TWEE JAREN bepaalde proeftijd aan een stra­fbaar feit heeft schuldig gemaakt, hetzij is gebleken dat de ter beschik­kingge­stelde onvoorwaardelijke opvoeding van Bestuurs­wege be­hoeft of niet heeft nageleefd de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende die proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of vanwege het Hoofd van de Dienst Justitie­le Kinderbescherming van het Ministerie van Justitie en Poli­tie aan welke functionaris opdracht wordt gegeven overeenkom­stig artikel 20 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht.

Aldus gewezen door de heren:
Mr. E.S. OMBRE, Fungerend-President;
Mr. P.G. WOLFF, Lid en Mr. L.J. Budhu Lall, Lid-Plaatsvervanger.

Uitspraak: dinsdag 24 november 1998.

SRU-HvJ-1988-7

1. [appellant sub 1], wonende in [district],

2. [appellant sub 2], wonende te [eiland]

3. [appellant sub 3], echtgenote van [appellant sub 4] en

4. [appellant sub 4], tot machtiging en bijstand zijner echtgenote,

beiden gemeenschappelijk wonende in [land], advokaat Mr. W.C. PENGEL
appellanten,

tegen

[geintimeerde], wonende in [land]

advocaaat MR. E.J. BRUMA
geintimeerde,

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek het navolgend vonnis uit:

Het hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de kantonrechter in het Eerste Kanton respektievelijk van 27 februari 1979, 12 februari 1980 en 26 januari 1982 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 10 februari 1982, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van hun respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] EN [appellant sub 4] als eisende partijen in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:
1. Eisers wensen de navolgende vordering in te stellen tegen [geintimeerde], wonende in [land], domicilie kiezende te Paramaribo aan de Kromme Elleboogstraat 22, ten kantore van Mr. D.H. Emmanuels, advokaat.

2. Op 18 januari 1978 is te [district] ab intestato overleden [erflater], nalatende als zijn enige en algehele erfgenamen ingevolge de wet eisers sub 1, 2 en 3.

3. Bij beschikking van de Minister van Opbouw de dato 21 juli 1965 werd aan gedaagde voor de tijd van 50 jaren ter uitoefening van de landbouw, in erfpacht uitgegeven het perceelland, groot 6.4561 ha, gelegen in [district] aan [weg], uitmakende de percelen bekend als no’s 7 en 9, deeluitmakende van de [vestigingsplaats] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter F. Emanuels van 4 mei 1965 met de letters A.B.C.D.

4. Bereids is een uittreksel van de beschikking van de Minister van Opbouw in de daartoe bestemde openbare registers ten Hypotheekkantoor overgeschreven.

5. Het door gedaagde aan de Minister van Opbouw gedaan verzoek tot uitgifte aan haar in erfpacht van het in het Derde “dat” van dit rekest omschreven perceelland, had gedaagde voor en namens de erflater van eisers laten doen in het kader van een op 5 januari 1954 op haar – gedaagde – door genoemde erflater uitgebrachte generale notariële volmacht.

6. Instede van het desbetreffend verzoek voor en namens de erflater van eisers, die alle in verband met de uitgifte van de erfpacht te betalen kosten uit eigen middelen had voldaan, te doen, deed zij zulks op eigen naam en werd aldus eigenares van het erfpachtsrecht op bedoeld perceelland.

7. Gedaagde handelde dan ook geheel in strijd met de op haar uitgebrachte notariële generale volmacht.

8. PRIMAIR stellen eisers … dat gedaagde jegens hun erflater wanprestatie heeft gepleegd. Eisers wensen als rechtsopvolgers onder algemene titel van de overleden [erflater], gedaagde bij wijze van nakoming tot juridische levering aan te spreken van het aan haar uitgegeven erfpachtsrecht op meerbedoeld perceelland.

9. SUBSIDIAIR wensen eisers aan hun vordering de navolgende feiten ten grondslag te leggen. De erflater van eisers heeft vele jaren buiten echt samengeleefd met gedaagde en heeft in het kader van de buitenechtelijke samenleving niet alleen bijgedragen, zij het financieel, in het kunnen verkrijgen van het erfpachtsrecht op het in het derde “dat” van dit rekest omschreven perceelland, doch ook in de aanschaf van alle bouwmaterialen van het op dat perceel staand huis, landbouwgereedschappen, machinerieën en ten slotte alles wat met de uitoefening van de landbouw hetzij direkt hetzij indirekt te maken had.

10. Door deze buitenechtelijke verhouding heeft tussen de erflater van eisers en gedaagde met betrekking tot het erfpachtsrecht op het perceelland bestaan een vorm van vrije-mede-eigendom. Op grond daarvan zullen eisers die niet verplicht zijn in de onverdeelde boedel te blijven, SUBSIDIAIR vragen om scheiding en deling.

11. Eisers wensen meer subsidiair aan hun vordering ten grondslag te leggen dat hun erflater als bezitter te goeder trouw op het aan gedaagde in erfpacht toebehorend perceelland heeft gebouwd, het heeft beplant en bezaaid.

12. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 658 en 659 van het Surinaams Burgerlijke Wetboek zou hun erflater moeten toekomen voldoening voor de waarde der bouwstoffen zo ook die van de waarde der beplantingen en bezaaiingen alsmede het totale arbeidsloon.

13. De totale vergoeding wordt door eisers gewaardeerd op f. 30.000,–.

14. Betaling van dit bedrag dient eisers toe te komen. Daartoe weigert gedaagde trots aanmaning, zodat zij haar voldoening daarvan in rechte zullen aanspreken.

15. Eisers hebben na daartoe toestemming te hebben bekomen bij exploit van deurwaarder B.S. Ramkhelawan de dato 16 maart 1978 conservatoir beslag doen leggen op het in dat exploit omschreven onroerend goed.

16. Het beslag dient thans van waarde verklaard te worden;

Overwegende, dat de eisende partijen op deze gronden hebben gevorderd:

dat bij vonnis:

PRIMAIR:

A. gedaagde zal worden veroordeeld binnen een door de rechter te bepalen termijn het in het eerste “dat” van dit rekest omschreven onroerend goed aan eisers juridisch te leveren, met bepaling dat indien zij weigeren mocht zulks te doen zij ten titel ener dwangsom zal verbeuren het bedrag van f. 100,– per dag;

B. Het sub A gevorderde uitvoerbaar zal worden verklaard bij voorraad;

C. gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling der proceskosten.

SUBSIDIAIR:

A. zal worden verklaard voor recht dat tussen partijen met betrekking tot het in het eerste “dat” van het inleidend rekest een vorm van vrije-mede-eigendom bestaat;

B. gedaagde zal worden veroordeeld met eisers over te gaan tot scheiding en deling van het in het derde “dat” van dit rekest omschreven onroerend goed, met benoeming ener notaris door wie of te wiens overstaan de scheiding en deling zal plaatsvinden, zo partijen niet binnen een door de Rechter te bepalen termijn omtrent de keuze ener notaris overeenstemming zullen hebben bereikt en met benoeming van een onzijdig persoon ten einde gedaagde bij de scheiding en deling te vertegenwoordigen, indien zij, na daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschijnt of, wel verschenen zijnde, weigeren mocht aan de scheiding en deling mede te werken;

C. Het sub B gevorderde uitvoerbaar zal worden verklaard bij voorraad;

D. gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling der proceskosten

MEER SUBSIDIAIR

A. gedaagde zal worden veroordeeld tegen behoorlijke kwijting aan eisers te betalen de som van f. 30.000,– ter zake als ten rekeste voorschreven met de wettelijke interessen daarover ad 6% per jaar vanaf de dag der rechtsingang tot aan die der voldoening;

B. het sub A gevorderd uitvoerbaar zal worden verklaard bij voorraad;

C. het door deurwaarder B.S. Ramkhelawan op 16 maart 1978 gelegd beslag van waarde zal worden verklaard;

D. gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling der proceskosten, die van het gelegde beslag daaronder begrepen;

Overwegende, dat [geintimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatste te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat de door eisers gevorderde zal worden afgewezen en dat eisers zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek, eisers onder overlegging van produkties haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 27 februari 1979 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast, bij welke comparitie zijn verschenen partij [geintimeerde] in persoon en de gemachtigde van partij [achternaam appellanten sub 1 t/m sub 3], die hebben verklaard tegelijk in het daarvan opgemaakt hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor beraad beschikking bepaald geen schikking tot stand is gekomen, waarna de gemachtigde van gedaagde bewijs van zijn stellingen heeft aangeboden en vonnis heeft gevraagd, terwijl de gemachtigde van eisers heeft gepersisteerd bij zijn stellingen;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 12 februari 1980 op de daarin opgenomen gronden iedere beslissing in de zaak heeft aangehouden, totdat in de zaak bekend onder A.R.No. 781100 is beslist;

Overwegende, dat de Kantonrechter ambtshalve een comparitie van partijen heeft gelast, bij welke comparitie partijen in persoon zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt – hier als ingelast te beschouwen proces-bverbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies na comparitie hadden genomen, de Kantonrechter bij vonnis van 26 januari 1982 op de daarin opgenomen gronden:

eisers hun vordering heeft ontzegd;

de van waarde verklaring van het door de deurwaarder B.S. Ramkhelawan de dato 16 maart 1978 gelegd conservatoir beslag heeft geweigerd;

dit beslag heeft opgeheven;

eisers heeft veroordeeld in de proceskosten; aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op NIHIL;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] EN [appellant sub 4] in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis van 26 januari 1982;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel van 14 april 1983 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellanten tijdig in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 26 januari 1982;

Overwegende, dat appellanten zich door dit vonnis gegriefd achten en in essentie wensen te stellen, dat de Kantonrechter hun meer subsidiaire vordering ten onrechte heeft afgewezen; dat zij thans naar redelijkheid en billijkheid een bedrag door het Hof vastgesteld zien voor het feit, dat hun erflater met eigen geld en inspanningen heeft bijgedragen in de beterschap van de percelen en terzake een comparitie van partijen wenselijk achten;

Overwegende, dat de Kantonrechter op dit punt in een ontruimingsvordering van geintimeerde, toen eiseres tegen één der appellanten, namelijk tegen appellant sub 1, toen gedaagde, bekend in het A.R. van Kanton I onder 78/1100, in hoger beroep bekend onder G.N.No.11608 heeft overwogen:

“ In zoverre de erflater van gedaagde eiseres financieel heeft geholpen bij de verwerving van het voormeld recht van erfpacht en de gebouwen op het perceel heeft gebouwd uit eigen middelen, kunnen deze bijdragen en kosten als gift worden aangemerkt, die door zijn erfgenamen zouden kunen worden ingekort, voor zover die aan hun legitieme portie tekort doen”;

Overwegende, dat de Kantonrechter deze overweging heeft overgenomen ter beslechting van de onderhavige vordering van appellanten;

Overwegende, dat het Hof de overweging van de Kantonrechter dat van een “gift” sprake is niet deelt;

– dat appellanten terecht een bedrag vorderen van geintimeerde voor de bijdrage van de erflater van appellanten tot de beterschap van het perceel en gebouwen;

Overwegende, dat een exact bedrag niet vast te stellen is;

– dat nu het onderhavige geval zich langer dan tien jaren geleden heeft afgespeeld (de erflater overleed in 1978 en het vermoeden bestaat dat geintimeerde inmiddels is overleden zonder dat het geding is geschorst geweest), zal het Hof niet ingaan op het verzoek van appellanten een comparitie van partijen te gelasten, doch zal het Hof dit bedrag ex aequo et bono vaststellen en wel op f. 9.000,– (NEGEN DUIZEND GULDEN) te vergoeden aan appellanten;

Overwegende, dat het beroepen vonnis op grond van het voorgaande niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd en opnieuw rechtdoende in voege als na te melden dient te worden beslist;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 26 januari 1982, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

– Wijst af de primaire en subsidiaire vordering van appellanten;

– Wijst de meer subsidiaire vordering in voege als na te melden toe;

Veroordeelt geintimeerde om aan appellanten tegen behoorlijke kwijting te betalen de som van f. 9.000,– (NEGEN DUIZEND GULDEN) vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% vanaf 23 maart 1978 tot aan de dag der algehele voldoening;

Verklaart van waarde het door deurwaarder bij het Hof van Justitie B.S. Ramkhelawan de dato 16 maart 1978 gelegd conservatoir beslag (exploit No.142);

Veroordeelt geintimeerde in een derde deel der proceskosten, waaronder die van het gelegd beslag, in beide instanties aan de zijde van appellanten gevallen;

– in eerste aanleg begroot op f. 35,25

– in hoger beroep begroot op f 57,17

met inbegrip van het door het Hof aan hun advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris f. 75,– bepalende het Hof het salaris van de advocaat van geintimeerde eveneens op f. 75,–

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door de heren: Mr. R.E.TH. OOSTERLING, waarnemend-President, Mr. A.C. VELDEMA, Lid, Mr. R.C. RODRIGUES, Lid-plaatsvervanger en door de waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG 11 NOVEMBER 1988 in tegenwoordigheid van K.PULTOO Substituut-Griffier.

w.g. K. Pultoo w.g. R.E.TH. Oosterling

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door hun gemachtigde advokaat Mr. W.C. Pengel en geintimeerde vertegenwoordigd door advocaat Mr. H.E. STRUIKEN namens haar gemachtigde advokaat Mr. E.J. BRUMA, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1978-2

20 december 1978

In naam van de Republiek

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gehoord het rapport,in deze uitgebracht door het Lid Plaatsvervanger Mr.O.W.Abendanon:

Gezien de stukken van het geding,waaronder het in afschrift overgelegde vonnis,door de Kantonrechter in het Tweede Kanton dd.17 juli 1978 gewezen en uitgesproken tegen:

[verdachte] ,
oud 35 jaar,
van beroep electricien,
geboren in Suriname,
wonende op het [adres] in het [district 1] ;

Gelet op het tijdig door de Procureur –Generaal ingesteld hoger beroep;
Gehoord de beklaagde in zijn verdediging;
Gehoord het Openbaar Ministerie;
Gelet op het onderzoek in beide instanties;
Overwegende dat aan beklaagde bij de inleidende akte van dagvaarding is ten laste gelegd, dat hij:

Op iof omstreeks 1 januari 1977,althans in het jaar 1977,te [district 2],in ieder geval in Suriname, als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig, personenauto, daarmede:

I. zich bevindende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het terrein van het z.g. service station gelegen aan de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Domineestraat,achteruit rijden zodanig gemanoeuvreerd dat die door hem, beklaagde, bestuurde personenauto in botsing of aanrijding is gekomen met een naast zijn, beklaagdes, motorrijtuig alstoen stilstaand, althans zich bevindend vierwielig motorrijtuig, auto, waardoor aan dat laatstbedoeld motorrijtuig,toebehorende aan een ander of anderen dan aan hem, beklaagde,schade werd toegebracht,in ieder geval de vrijheid van het verkeer zonder noodzaak werd belemmerd of de veiligheid op die weg (vermeld terrein)in gevaar werd gebracht of redelijkerwijs was aan te nemen dat de veiligheid op die weg(terrein)in gevaar kon worden gebracht.

II. heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg,het terrein van het z.g.service station gelegen aan de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Domineestraat, zonder dat hem daartoe door of vanwege de Procureur-Generaal een rijbewijs was afgegeven als bedoeld in artikel 8 lid 1 sub 3c van de toen geldende Rijverordening 1916.

Overwegende, dat de Kantonrechter de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname niet ontvankelijk heeft verklaard in de door hem bij dagvaarding tegen de beklaagde voornoemd ingestelde strafvordering;

Overwegende,dat het Hof zich niet kan verenigen met het vonnis a quo,wetshalve dit moet worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan;

En alsnu opnieuw rechtdoende :

Overwegende,dat ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, zakelijk weergegeven;

de beklaagde:

t.a.v. het sub I te laste gelegde:

dat hij op 1 januari 1977 te [district 2] als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig, personenauto, gekentekend [nummer 1],daarmede achteruit heeft gereden op het terrein van het Esso Service station aan de voor het openbaar verkeer openstaande weg,de Domineestraat,bij welke manoeuvre hij in botsing is gekomen met een naast hem op dat terrein geparkeerd staand vierwielig motorrijtuig toebehorend aan de persoon,hem naderhand bekend geworden als [naam 1], tengevolge van welke botsing het motorrijtuig van [naam 1] voornoemd schade werd toegebracht;

t.a.v. het sub II ten laste gelegde:

dat hij op 1 januari 1977 te [district 2],als bestuurder-stuurder van een viewielig motorrijtuig,personenauto, gekentekend [nummer],daarmede heeft gereden op het terrein van het Esso Service Station aan de Domineestraat, terwijl door of vanwege de Procureur-Generaal geen rijbewijs tot het besturen van vierwielige motorrijtuigen aan hem was afgegeven;

Overwegende,dat een ambtsedig proces-verbaal van de majoor van politie [naam 2] dd.10 februari 1977 zakelijk weergegeven inhoudt als verklaring van [naam1]:

t.a.v.het sub I te laste gelegde:

dat hij in de namiddag van zaterdag 1 januari 1977 te [district] zijn vierwielig motorrijtuig, personenauto, gekentekend [nummer 2], geparkeerd had op het terrein van het Esso Service Station aan de Domineestraat;

t.a.v.het sub I en II te laste gelegde:

dat hij alstoen heeft gezien,dat een auto,die eerder naast de zijne geparkeerd was naar achteren reed terwijl deze bestuurd werd door de hem bekende [verdachte] en dat deze tijdens het achteruit rijden tegen de zijne is aangereden, tengevolge waarvan zijn voertuig aan het rechter voorportier een deuk opliep;

Overewegende,dat een op ambtseed opgemaakte schriftelijke vewrklaring van de Procureur-Generaal dd.13 juni 1978,zakellijk weergegeven inhoudt:

t.a.v.het sub II te laste gelegde:

dat tot op 1 januari 1977 geen rijbewijs als bedoeld in artikel 8 1e lid sub 3c der Rijverordering 1916 was afgegeven aan [verdachte] geboren te [district 2] op [datum] en wonende aan de [adres] in het [district 1];

Overwegende, dat het Hof op grond van voorgeschreven bewijsmiddelen waarbij elk bewijsmiddel slechts gebezigd is voor dat onderdeel van de telastelegging,waarop het blijkens de aanduiding betrekking heeft,wettig en overtuigend bewezen acht met de schuld van beklaagde daaraan,dat hij:

op 1 januari 1977 te [district 2],als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig, personenauto, daarmede:

I. zich bevindende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het terrein van het zgn.Service Station gelegen aan de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Domineestraat,achteruit heeft gereden en tijdens het achteruitrijden zodanig gemanoeuvreerd dat die door hem, beklaagde, bestuurde personenauto in botsing is gekomen met een naast zijn, beklaagdes, motorrijtuig, zich bevindend vierwielig motorrijtuig, auto, waardoor aan dat 1 laatsbedoeld motorrijtuig,toebehorende aan een ander dan aan hem,beklaagde,schade werd toegebracht;

II. heeft gereden over de de voor het openbaar verkeer openstaande weg,het terrein van het zgn. Service Station gelegen aan de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Domineestraat, zonder dat hem daartoe door of vanwege de Procureur-Generaal een rijbewijs was afgegeven,als bedoeld in artikel 8 lid1 sub 3c van de toen geldende Rijverordening 1916;

Overwegende,dat in artikel 1 lid 1b van het Rijbesluit 1957 (geldende tekst G.B.1980 No.105 zoals latstelijk gewijzigd bij Staatsbesluit 1977 No.1) het begrip wegen ruim is geinterpreteerd, aangezien daaronder niet alleen vallen alle voor het openbaar verkeer openstaande rijbanen etc., maar ook de tot de wegen behorende voetpaden,bermen of zijkanten van deze rijbanen;

Overwegende, dat naar ‘s Hoven oordeel hieruit kan worden afgeleid dat als wegen in de zin van dat besluit dienen te worden beschouwd alle plaatsen of terreinen gelegen nabij rijbanen die geschikt zijn voor openbaar verkeer en daarvoor gebruikt worden tenzij uit een plaatselijke aanduiding of aanwijzing het tegendeel kan worden afgeleid

Overwegende,dat derhalve naar ‘sHoven oordeel toegangswegen tot winkels, café’s, garages, benzinestations en dergelijke voor het publliek opengestelde zaken,die nabij rijbanen zijn gelegen als voor het openbaar verkeer openstaande wegen dienen te worden aangemerkt voorzover het tegendeel niet uitdrukkelijk blijkt of is bekendgemaakt door de eigenaar of gebruikers van die toegangswegen;

Overwegende, dat mitsdien de in sub1 en II van de ten lastelegging omschreven terreinen te Paramaribo waarover de beklaagde op 1 januari 1977 met zijn motorrijtuig heeft gereden,als voor het openbaar verkeer openstaande wegen dienen te worden aangemerkt zijnde het een feit van algemene bekendheid dat het betrokken terrein aan de boven daartoe gestelde eisen voldoet;

Overwegende, dat de Procureur-Generaal het onder sub II ten laste gelegde feit heeft gekwalificeerd als te vallen onder artikel 8 lid 1 sub 3 van de toen geldende Rijverordening 1916;

Overwegende,dat wij zullen voorstaan dat de Procureur-Generaal heeft bedoeld artikel 8 lid 1 sub 3 van de toen geldende Rijwet 1916,nu bij Wet van 3 augustus 1977 No.8821 S.R.S.1977 No.45 ondermeer is vastgesteld,dat overal waarin de op het tijdstip van in werking treding van de Grondwet bestaande wettelijke regelingen staat ‘’Verordening’’ wordt gelezen ‘’Wet’’ ;

Overwegende,dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen de beklaagde bij dagvaarding sub I en II meer of anders is te laste gelegd ; dan bewezen is verklaard,weshalve of hij daarvan behoort te worden vrijgesproken;

Overwegende, dat de ten laste van beklaagde bewezen geachte feiten moeten worden gekwalificeerd als:

1. Overtreding van een voorschrift van een ter uitvoering van de rijwet 1916 gegeven staatsbesluit, waarin bij het Surinaams wetboek van strafrecht niet is voorzien”, overtreding vallende onder artikel 15b van het Rijbesluit 1957 en strafbaar gesteld bij artikel 13, lid 3 van de Rijwet 1916;

2. “Overtreding van een voorschrift van de Rijwet 1916”, overtreding vallende onder artikel 8 lid 1 sub 3c van genoemde Rijwet en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 3 daarvan;

Overwegende,dat het Hof de navolgende straffen in overeenstemming acht met de ernst van de gepleegde feiten de omstandigheden waaronder deze werden gepleegd en de persoon van de beklaagde, waarbij het Hof komt tot een aanmerkelijke lage strafoplegging dan voor dergelijke delicten gebruikelijk,omdat aannemelijk is dat de beklaagde, nu hierover in ons land geen jurisprudentie bestond, in het onzekere verkeerde over de vraag of hij een strafbaar feit pleegde;

Gezien, behalve vorenaangehaalde wetsartikelen, de artikelen 9,11,38,41,82 en 127 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht;

Rechtdoende in Hoger Beroep:

Vernietigt het vonnis dd.17 juli 1978 door de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken tegen de beklaagde [verdachte], waarvan beroep;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen hetgeen hiervoren bewezen is geacht;

Kwalificeert de bewezen verklaarde feiten als voormeld;

Verklaart de bewezen verklaarde en de beklaagde deswege srtafbaar;

Veroordeelt hem:

v.w.b. het sub I vermelde feit tot een geldboete van f.5,–(vijf gulden) met bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hechtenis voor de tijd van EEN DAG;

v.w.b. het sub II vermelde feit tot een geldboete van f.15,–(vijftien gulden) met bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden voor de tijd van DRIE DAGEN;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de beklaagde bij dagvaarding sub I en II meer of anders is te laste gelegd,dan bewezen is verklaard;

Spreekt hem daarvan vrij;

Aldus gewezen door de heren :Mr.O.R.G. VAN DER GELD, President, Mr.H.C.J. HUBER, lLid en Mr.O.W.ABENDANNON,Lid Plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van Mr.S.H.BRAAFHEID, fungerend Griffier, die dit vonnis hebben ondertekend en uitgesproken ter Openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van WOENSDAG, 20 DECEMBER 1978, door de President voornoemd.

w.g.S.H.BRAAFHEID w.g. O.R.VAN DER GELD

w.g. H.C.U.J. HUBER

w.g. O.W. ABENDANON

Voor afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,