SRU-K1-2012-7

KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. 104963
24 april 2012

Beschikking inzake:

De naamloze vennootschap
DE SURINAAMSCHE BANK N.V
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
hierna te noemen: DSB,
verzoekster,
gemachtigde: mr. F. Kruisland, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district],
hierna te noemen [gedaagde],
verweerder,
gemachtigden: mr. F.F.P. Truideman en mr. N.B. Sang A Jong, advocaten.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift dat op 30 november 2010 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de rolbeschikking de dato 5 augustus 2011 waarbij er een verhoor van partijen is gelast;
  • het proces-verbaal van de op 13 december 2011 gehouden verhoor, waarbij aanwezig waren de gemachtigde van DSB en [gedaagde] bijgestaan door mr. N.B. San A Jong, één harer gemachtigden;
  • de conclusie tot uitlating zijdens DSB over het door [gedaagde] overgelegd exploit de dato 28 augustus 2009;
  • de conclusie tot overlegging overzicht netto loontegoeden zijdens [gedaagde];
  • de rolbeschikking de dato 10 april 2012 waarbij er een nader verhoor van partijen is gelast;
  • het proces-verbaal van de op 10 april 2012 gehouden nader verhoor, waarbij aanwezig waren [naam 1] namens de gemachtigde van DSB, [naam 2] en [naam 3], respectievelijk Human Resource Oficer en Legal Officer van DSB en [gedaagde] bijgestaan door mr. N.B. San A Jong, één harer gemachtigden;
  • de conclusie tot uitlating DSB met productie;
  • de conclusie tot uitlating productie zijdens [gedaagde].

1.2 De uitspraak van deze beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [gedaagde] was in dienst van gedaagde,

2.2 Bij vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton de dato 26 mei 2010 is DSB veroordeeld om de dienstbetrekking met [gedaagde] te herstellen met ingang van de datum van betekening van het vonnis en verder om aan [gedaagde] te betalen het salaris en de overige emolumenten totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd.

2.3 Voormeld vonnis is op 26 november 2010 bij exploit no. [nummer] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie J.E. Febis aan DSB betekend.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 DSB vordert dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 1615t lid 3 van het Burgerlijk Wetboek een afkoopsom zal worden vastgesteld ten bedrage van SRD 35.000,–. Voorts is gevorderd dat [gedaagde] zal worden veroordeeld in de proceskosten.

3.2 DSB heeft aan haar vordering naast de vaststaande feiten ten grondslag gelegd dat nu het vonnis de dato 26 mei 2010 op 26 november 2010 aan haar is betekend, zij gehouden is de dienstbetrekking met [gedaagde] te rekenen vanaf 26 november 2010 te herstellen. Binnen de organisatie van DSB is er echter geen enkele functie beschikbaar waarin [gedaagde] zou kunnen worden aangesteld, temeer niet omdat zij zich een onbetrouwbare medewerker heeft getoond door schending van een belangrijk voorschrift.

3.3 Op het verweer van [gedaagde] komt de kantonrechter voor zover nodig terug.

4. De beoordeling

4.1 Waar het in deze procedure om gaat is dat DSB met een beroep op artikel 1615t lid 3 van het Burgerlijk Wetboek het verzoek doet voor het doen vaststellen van een afkoopsom

4.2 De kantonrechter merkt op dat het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton de dato 26 mei 2010 waarbij DSB is veroordeeld om de dienstbetrekking met [gedaagde] te herstellen met ingang van de datum van betekening van het vonnis en verder om aan [gedaagde] te betalen het salaris en de overige emolumenten totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd voor de eerste maal op 28 augustus 2009 aan DSB is betekend. Aangezien partijen ten aanzien van deze betekening te kennen hebben gegeven dat zij na de betekening in onderhandeling waren en overeengekomen waren het vonnis de dato 27 mei 2009 niet uit te voeren, behoeven de eventuele rechtsgevolgen voortvloeiende uit deze betekening geen bespreking.

4.3 DSB heeft haar voorstel voor de hoogte van de afkoopsom herzien. In de conclusie gedateerd 10 april 2012 bevestigt DSB bereid te zijn een afkoopsom van SRD 100.000,– uit te keren aan [gedaagde]. [gedaagde] heeft bij de conclusie de dato 17 april 2012 verklaard akkoord te gaan met de afkoopsom van SRD 100.000,–. Nu partijen overeenstemming hebben bereikt over het bedrag der afkoopsom en deze de kantonrechter naar de omstandigheden van het geval billijk voorkomt, zal deze worden vastgesteld op het bedrag van SRD 100.000,–.

4.4 Aangezien de wet in artikel 1615t lid 3 tevens bepaalt dat het verzoek tot het vaststellen van een afkoopsom, door de tot herstel veroordeelde partij ingediend, de tenuitvoerlegging van het vonnis schorst, voor zover het betreft de veroordeling tot herstel van de dienstbetrekking, totdat op het verzoek is beslist, met dien verstande dat wanneer het verzoek is ingediend door de werkgever, deze in ieder geval verplicht blijft gedurende de schorsing het loon te betalen, heeft de kantonrechter DSB in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het loon welke [gedaagde] zou verdienen, bij het aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst met dezelfde voorwaarden en met dezelfde inhoud als de beëindigde. Aan partijen is tevens kenbaar gemaakt dat alhoewel de vordering hierover niet rept, gelijk in deze procedure een beslissing hieromtrent zal worden gegeven.

4.5 DSB heeft opgemerkt dat de wettelijke regeling in strijd is met artikl 1614a van het Burgerlijk Wetboek, omdat het loon slechts verschuldigd is gedurende de dienstbetrekking en er gedurende de schorsing geen dienstbetrekking is, doch heeft zich bereid verklaard op grond van de ter zake geldende wettelijke bepaling het loon te voldoen vanaf het moment van de schorsing van de dienstbetrekking tot en met april 2012.

4.6 De kantonrechter overweegt dat er van verschuldigdheid van loon inderdaad geen sprake kan zijn zolang het herstel van de dienstbetrekking niet heeft plaatsgevonden, doch dat de bepaling zo moet worden verstaan dat DSB over de periode tussen de indiening van het verzoek tot het vaststellen van een afkoopsom en de beslissing van de rechter een bedrag gelijk aan het loon, dat bij herstel van de dienstbetrekking en dus bij het aangaan van de nieuwe arbeidsovereenkomst met dezelfde voorwaarden en dezelfde inhoud als de beëindigde, aan [gedaagde] moet betalen.

4.7 DSB heeft een berekening van het loon gepresenteerd. Uit de ter zake overgelegde productie zijn er voor het totaal inkomen twee bedragen opgebracht: SRD 68.873,67 en SRD 65.257,82. De kantonrechter begrijpt dat het bedrag van SRD 68.873,67 inclusief het bedrag van pensioenpremie ten bedrage van SRD 3.615,85 is.

4.8 DSB heeft voorgesteld het werknemersaandeel van de pensioenbijdrage in het pensioenfonds te storten, wanneer [gedaagde] hiermee akkoord gaat. Als [gedaagde] hiermee niet akkoord gaat, aanvaardt zij haar pensioenbreuk. Nu [gedaagde] expliciet heeft aangegeven de pensioenbreuk te aanvaarden, zal de kantonrechter het punt van de pensioenbreuk onbesproken laten en wordt ervan uitgegaan dat geen der partijen een pensioenbijdrage in het pensioenfonds hoet te storten. Het aan [gedaagde] verschuldigde bedrag gelijk aan het loon gedurende de periode van de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis is derhalve SRD. 65. 257,82.

4.9 De kantonrechter zal voorbij gaan aan het voorstel van [gedaagde] om de kinderbijslag bij te berekenen. Indien [gedaagde] van oordeel is dat zij zulks nog te vorderen heeft, staat zulks haar vrij.

4.10 De proceskosten zullen worden gecompenseerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. Beschikkende

5.1 Stelt de afkoopsom ingevolge artikel 1615t lid 3 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek vast op het bedrag van SRD 100.000,– (eenhonderdduizend Surinaamse dollar).

5.2 Bepaalt dat DSB aan [gedaagde] het bedrag van SRD 65.257,82 (vijfenzestigduizend tweehonderd zevenenvijftig 82/100 Surinaamse dollar) gelijk aan het loon gedurende de periode van de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis verschuldigd is.

5.3 Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voeg dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gegeven en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op dinsdag 24 april 2012 door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton mr. R.G. Chatterpal in tegenwoordigheid van de fungerend griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. R.G. Chatterpal

 

 

SRU-K1-2010-2

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 10-3362
25 augustus 2010

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiseres],
wonende aan [adres], te [district],
eiseres in kort geding,
gevolmachtigde: de heer Marnix Hugo Visser,

tegen

HANDELS- KREDIET EN INDUSTRIEBANK N.V., afgekort de Hakrinbank N.V.,
gevestigd te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft, in naam van de Republiek het navolgende vonnis uitgesproken.

1. Het verloop van het geding

1.1 Hiervan blijkt uit de volgende processtukken/- handelingen:
– het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 20 augustus 2010 ter griffie der Kantongerechten is ingediend;
– de schriftelijke conclusie van antwoord onder overlegging van producties;
– de mondelinge conclusie van repliek en uitlating producties;
– de mondelinge conclusie van dupliek;

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Motivering

2.1 Alvorens op de stellingen en weren van partijen in te gaan zal de Kantonrechter allereerst het preliminair (exceptief) verweer van gedaagde onder de loep plaatsen. Dienaangaande heeft gedaagde aangevoerd dat het primair gevorderde sub A, B en C niet in kort geding kan worden toegewezen omdat deze vorderingen definitief van aard zijn en geen steun vinden – evenmin als het subsidiair gevorderde – in de stellingen van het inleidend rekest. De Kantonrechter is het in zoverre eens met gedaagde dat het primair gevorderde onder sub A hetwelk een declaratoire beslissing oplevert niet in kort geding voor toewijzing in aanmerking kan komen. Evenwel ligt dat naar dezerzijds oordeel anders met betrekking tot het gevorderde onder sub B en C van het primair gevorderde. De doorhalingen zoals daarin gevorderd zouden, afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden van elk geval, naar dezerzijds oordeel wel voor toewijzing in aanmerking kunnen komen.

2.2 Voorts heeft gedaagde aangevoerd dat nu eiseres heeft erkend dat zij geen erfgenaam van [persoon] is, zij niet bevoegd noch gerechtigd is de onderhavige vordering tegen gedaagde in te stellen. Zelfs wanneer zij op het litigieuze onroerend goed een persoonlijk gebruiksrecht zou hebben wordt zij daarin niet geschaad door het enkele feit dat gedaagde gebruik maakt van haar executierecht ex artikel 1207 BW. Derhalve doet gedaagde een nadrukkelijk beroep op de exceptie “point d’interêt, point d’action”. De Kantonrechter komt tot de slotsom dat het exceptief verweer van gedaagde opgeld doet en doel treft. Ter staving van haar bevoegdheid om als procespartij in rechte op te treden heeft eiseres een beroep gedaan op een vermeend gebruiksrecht van de litigieuze woning. Los van voormeld gebruiksrecht heeft eiseres ruiterlijk erkend dat zij geen wettelijke erfgenaam is van de heer [persoon] voornoemd (nu wijlen). Nu zij geen andere feiten en/of omstandigheden heeft aangedragen die zouden moeten maken dat zij gerechtigd zou zijn om als procespartij in rechte op te treden, zal de Kantonrechter ervan uitgaan in dit geding dat zij zich uitsluitend baseert op haar vermeend gebruiksrecht. Nu eiseres bloot heeft aangevoerd zichzelf als lastgever op te werpen en zelfs na de uitdrukkelijke vraag van de Kantonrechter in gebreke gebleven is om de grondslag daarvan te staven zal de Kantonrechter daaraan voorbijgaan.

2.3 Gelet op al het voorgaande komt de Kantonrechter tot de slotsom dat eiseres de bevoegdheid mist om in dit geding als procespartij op te treden. Een emotionele binding met de erflater en een persoonlijk recht van gebruik van het litigieus object zijn naar dezerzijds oordeel onvoldoende om eiseres de status van procespartij te bezorgen. Derhalve zal de Kantonrechter het exceptief verweer gegrond achtend, de eiseres wegens gemis aan belang niet ontvankelijk verklaren in de ingestelde vordering.

2.4 Eiseres zal, als de niet ontvangen partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van gedaagde gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten.

2.5 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt de Kantonrechter derhalve niet toe.

3. De beslissing in kort geding

3.1 Verklaart eiseres niet ontvankelijk in de ingestelde vordering.

3.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze begroot op nihil.

Dit vonnis in kort geding is gewezen en uitgesproken door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. A. Charan ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van woensdag 25 augustus 2010, in tegenwoordigheid van de substituut-griffier, mr. S. Tika.

w.g. S. Tika w.g. A. Charan

SRU-K1-2012-6

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 12-2446
05 juli 2012

Vonnis in kort geding inzake:

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP DE SURINAAMSCHE BANK N.V.,
gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Henck Arronstraat no. 26-30,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. F. Kruisland, advocaat,

tegen

A. [gedaagde A],
wonende aan de [adres] te [district],
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

en

B. [gedaagde B],
wonende te [district]
en kantoorhoudende aldaar aan de [adres] te [district],
procederende in persoon,
gedaagden in kort geding.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk DSB, [gedaagde A] en [gedaagde B];

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 15 juni 2012 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de schriftelijke conclusie van eis behelzende een aanvulling van punt 9 van het inleidend rekest alsmede een wijziging en aanvulling van het petitum voor wat betreft het onder “subsidiair1” gevorderde;
– de schriftelijke conclusies van antwoord in de hoofdzaak, onder overlegging van een productie zijdens [gedaagde B] alsmede een incidentele conclusie van eis zijdens [gedaagde B];
– de schriftelijke conclusie van repliek;
– de schriftelijke conclusies van dupliek.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 04 juli 2012 doch de kantonrechter heeft ambtshalve bij rolbeschikking een comparitie van partijen gelast, welke op dezelfde dag is gehouden, zijnde daarvan proces-verbaal opgemaakt hetwelk zich onder de processtukken bevindt;

1.3 De gemachtigde van DSB heeft hierna een schriftelijke conclusie tot uitlating genomen;

1.4 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. Waarvan kan worden uitgegaan

2.1 Bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, [gedaagde B], d.d. 15 december 2010 no. 1434, heeft [gedaagde A] executoriaal beslag gelegd, althans doen leggen op een aantal roerende goederen in eigendom toebehorende aan DSB, zoals in voormeld exploit is omschreven, onder meer 3 (DRIE) schilderijen, een kast, 2 (TWEE) vazen, een tweezits bankstel, 2 (TWEE) bureaustoelen, 1 (EEN) vergadertafel, 6 (ZES) bureaustoelen en een fotokopieermachine, 2 (TWEE) filekasten, een faxapparaat, een bloembak en nog enkele ander goederen, waarvan de omschrijving niet verstaanbaar is, al welke goederen zich bovendien in het gebouw aan de Henck Arronstraat no. 26-30, waarin het hoofdkantoor van DSB is gevestigd en deel uitmaken van de uitrusting van dat kantoor;

2.2 Voormeld beslag is gelegd, zoals uit het aldaar vermelde exploit blijkt, uit kracht van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 26 mei 2009 tussen partijen gewezen, waarbij DSB is veroordeeld om de dienstbetrekking met [gedaagde A] te herstellen;

2.3 In voormeld exploit is tevens vermeld dat DSB zou zijn veroordeeld bij voormeld vonnis om aan [gedaagde A] te betalen het salaris en overige emolumenten over de jaren 2005, 2006, 2007, 2008, 2009 en 2010 vormende een totaal bedrag van SRD 175.808,58 en dat mede op grond van die veroordeling voormeld beslag is gelegd;

2.4 Wijders is:

  • Door [persoon 1], bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, Radjinderkoemar Bhoelan, d.d. 9 juni 2010 no. 77 onder handen van DSB, conservatoir beslag gelegd op alle gelden en/of geldswaarden en/of goederen welke zij, DSB, aan [gedaagde A] verschuldigd mocht zijn en/of worden en/of van haar onder zich heeft of zal verkrijgen;
  • Door [persoon 2], bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, Rawan Sontono, d.d. 31 mei 2010 no. 208 onder handen van DSB, conservatoir beslag gelegd op alle gelden en/of geldswaarden en/of goederen, welke zij, DSB, aan [gedaagde A] verschuldigd mocht zijn en/of worden en/of onder zich mocht hebben en/of verkrijgen;

2.5 Inmiddels is echter gebleken, zulks na het instellen van de onderhavige vordering op 15 juni 2012, dat [gedaagde A] bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, René Kappel, d.d. 18 juni 2012 no. LL-0086, de aanzegging van openbare verkoop als vorenbedoeld op 27 juni 2012 heeft ingetrokken, althans doen intrekken en dat bij dat exploit opnieuw is aangezegd voor 5 juli 2012.

3. De standpunten van partijen

3.1 DSB vordert – kort samengevat – primair opheffing van voormeld executoriaal beslag en subsidiair een verbod voor gedaagden om over te gaan tot de executoriale openbare verkoop van voornoemde goederen, totdat omtrent de rechtskracht van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 26 mei 2009 tussen partijen gewezen, uiteindelijk is beslist en/of voormelde onder 2.4 omschreven beslagen zijn opgeheven dan wel DSB in de naar aanleiding van die beslagen aangespannen verklaringsprocedure zal zijn veroordeeld tot afgifte van het daarin vermelde bedrag aan [gedaagde A], op straffe van een dwangsom ten aan aanzien van [gedaagde B], SRD 25.000,00 per keer;

3.2 Naast voormelde vaststaande feiten legt DSB aan haar vordering ten grondslag dat een veroordeling zoals vermeld in voormeld exploit d.d. 15 december 2010 in voormeld vonnis in het geheel niet te vinden is en dat ingevolge het bepaalde in artikel 1409 B.W. DSB aan [gedaagde A] niets vermag te betalen en/of af te geven, totdat voormelde beslagen, die nog steeds van kracht zijn, zijn opgeheven of hun rechtskracht rechtens hebben verloren. De aanzegging van voormelde openbare verkoop is – aldus DSB – uiteraard onrechtmatig tegenover DSB;

3.3 [gedaagde A] en [gedaagde B] hebben verweer gevoerd en de kantonrechter zal daarop in het hierna volgende – voor zover van belang – terug komen.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Het spoedeisend belang van DSB bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest;

4.2 [gedaagde B] heeft een incidentele conclusie van eis genomen waarbij hij tegen [gedaagde A], [naam 1] en [naam 2] een vordering heeft ingesteld strekkende enerzijds tot vrijwaring van hem tegen elke veroordeling of verbod, welke hij bij vonnis in de hoofdzaak mocht ervaren en anderzijds veroordeling van hen tot betaling aan hem van het bedrag van SRD 800,= uit hoofde van gemaakte deurwaarderskosten. Op deze incidentele conclusie hebben de overige partijen in dit geding niet gereageerd terwijl evenmin is gebleken van een oproeping van [naam 1] en [naam 2] voornoemd in rechte. Evenmin is [gedaagde B] daarop teruggekomen bij de voortzetting van het geding. Derhalve zal de kantonrechter het er in dit geding voor houden dat [gedaagde B] zijn vordering in het incident niet langer handhaaft en zal de kantonrechter dat passeren. Immers is de afspraak gemaakt met partijen dat er bij de griffier zou worden afgeconcludeerd en het nemen van een incidentele conclusie van eis mede ten aanzien van personen die niet eerder in dit geding waren betrokken en het daarop niet voortborduren door [gedaagde B], zal de kantonrechter opvatten als een kennelijke misslag zijdens [gedaagde B] en daaraan voorbijgaan;

4.3 Voorts is gebleken – gaandeweg dit geding – dat thans een andere deurwaarder de executerende deurwaarder is instede van [gedaagde B]. Derhalve ontgaat het de kantonrechter welk belang DSB thans nog heeft bij het mede in rechte betrekken van [gedaagde B] en zal de kantonrechter DSB niet ontvankelijk verklaren in de mede tegen [gedaagde B] ingestelde vordering;

4.4 De kantonrechter heeft ambtshalve bij rolbeschikking een comparitie van partijen gelast tot het inwinnen van inlichtingen en het beproeven van de mogelijkheden ener minnelijke regeling. Daarbij is DSB deugdelijk vertegenwoordigd verschenen alsmede [gedaagde A] en [gedaagde B] in persoon, die de nodige inlichtingen hebben verschaft doch is een minnelijke regeling niet tot stand gekomen omdat daarvoor de standpunten van partijen te ver uiteen lagen;

4.5 Thans zal de kantonrechter overgaan tot het bespreken van de grondslag van de vordering van DSB. De kantonrechter destilleert dat DSB eerstens heeft aangevoerd dat de grondslag van de beslaglegging d.d. 15 december 2010 onjuist is aangezien in het vonnis d.d. 26 mei 2009 er geen gewag wordt gemaakt van een veroordeling tot betaling van het salaris en overige emolumenten over de jaren zoals bij de beslaglegging aangegeven. [gedaagde A] onderkent dit wel doch geeft aan dat ook rekening moet worden gehouden met de beschikking van de kantonrechter d.d. 24 april 2012 waarin wel bedragen zijn opgenomen. Naar het oordeel van de kantonrechter komt voormelde grondslag van de vordering van DSB wel in rechte vast te staan. Simpele nalezing van het dictum van voormeld vonnis d.d. 26 mei 2009 leidt tot de vaststelling dat dit behelst herstel van de dienstbetrekking en geen veroordeling tot doorbetaling salaris. Hetgeen [gedaagde A] heeft aangevoerd en strekkende tot rekening houden met het bepaalde in de beschikking van de kantonrechter d.d. 24 april 2012 doet aan het voorgaande niet af. Immers was dat ten tijde van de beslaglegging nog toekomstmuziek;

4.6 Ten tweede heeft DSB aangevoerd – althans zo vat de kantonrechter dat op – dat zij niet in weerwil van de gelegde conservatoire derdenbeslagen onder haar ten laste van [gedaagde A], zoals hiervoor weergegeven onder 2.4 van dit vonnis, tot betaling aan [gedaagde A] kan overgaan. Ook deze grondslag komt naar het oordeel van de kantonrechter vast te staan. Immers zou die betaling dan ingevolge het bepaalde in artikel 1409 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek niet zonder consequenties kunnen blijken te zijn ten aanzien van DSB. Immers is de ratio van het uitdrukken van de som, waarvoor het beslag wordt gedaan, in het beslagexploit deze dat de debiteur daardoor in staat wordt gesteld door het aanbieden van een equivalente zekerheid of van de uitgedrukte of begrote som opheffing van het beslag te bekomen. Dit houdt in dat de derde in de beperking, welke de uitdrukking der som bevat niet de vrijheid kan vinden om hetgeen hij méér onder zich heeft uit te keren aan de beslagdebiteur, zijn crediteur. Deze heeft af te wachten tot welke betaling hij zal worden veroordeeld nadat hij zijn verklaring zal hebben afgelegd; het staat immers niet aan de derde ter beoordeling welke vermogensbestanddelen hij voor het doel van het arrest zal aanwenden en welke daarbuiten zullen blijven (vide Mr. F.M.J. Jansen, Executie- en Beslagrecht, vierde druk, pagina 379 e.v.);

4.7 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat voormelde beslaglegging ten aanzien van DSB onrechtmatig is en zal het primair gevorderde derhalve worden toegewezen;

4.8 [gedaagde A] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van DSB gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

4.9 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter derhalve – als zijnde niet langer relevant – achterwege laten.

5. De beslissing in kort geding

De Kantonrechter:

5.1 Verklaart DSB niet ontvankelijk in de mede tegen [gedaagde B] ingestelde vordering;

5.2 Veroordeelt DSB in de gedingkosten aan de zijde van [gedaagde B] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

5.3 Gelast de opheffing van het exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, [gedaagde B], d.d. 15 december 2010 no. 1434 gelegd executoriaal beslag op de aan DSB in eigendom toebehorende in dat exploit omschreven roerende goederen;

5.4 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorrad;

5.5 Veroordeelt [gedaagde A] in de gedingkosten aan de zijde van DSB gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 150,= (Eenhonderd en Vijftig Surinaamse Dollars);

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, op de terechtzitting van donderdag 05 juli 2012, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. D. Ramdin.

w.g. D. Ramdin w.g. A. Charan

 

SRU-K1-2009-1

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 054906
10 februari 2009

Vonnis inzake

[naam],
wonende te [district],
gemachtigde: mr. F. Kruisland
eiser,

tegen
A. TREFPUNT 2000, Partij voor Democratie en Welzijn (Trefpunt/PDW),rechtspersoon,
B. DEMOCRATEN VAN DE 21E EEUW, rechtspersoon,
C. POLITIEKE VLEUGEL VAN DE FEDERATIE VAN AGRARIERS EN LANDARBEIDERS (politieke vleugel van de FAL), rechtspersoon,
D. DE STAAT SURINAME, vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij
het Hof van Justitie,
allen gevestigd /kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde voor gedaagden sub A tot en met C: mr. R.W. Cruden, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub D: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat.
gedaagden.

1. De procesgang

1.1 Deze blijkt uit de volgende proceshandelingen/processtukken:
– het verzoekschrift welk op 8 december 2005 ter griffie van het kantongerecht is ingediend;
– de conclusie van antwoord zijdens gedaagden sub D;
– de conclusie van antwoord zijdens gedaagden sub A tot en met C;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek zijdens gedaagde sub D.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Gedaagden sub A, B en C zijn politieke organisaties.

2.2 Gedaagden sub A en C vormden vanaf 8 april 2004 tezamen met de politieke organisatie Nieuw Suriname en de politieke vereniging DA 91 een combinatie van politieke organisaties onder de naam Alternatief 1 (A 1). Gedaagde sub B is op 19 maart 2005 tot de combinatie toegetreden.

2.3 Op 8 juli 2005 is de politieke combinatie Alternatief 1 (AF) uit de voormelde combinatie A 1 getreden.

2.4 Eiser is op 25 mei 2005 gekozen als volksvertegenwoordiger.

2.5 Bij exploot van deurwaarder D. Hieralal dd. 30 november 2005, is aan eiser betekend een brief dd. 30 november 2005 afkomstig van de combinatie A 1 inhoudende terugroeping van eiser als volksvertegenwoordiger, als bedoeld in artikel 2 van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert:
I. Onverbindend verklaren de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers (S.B. 2005 no.15) wegens strijd met de Grondwet onder meer artikel 52 leden 1 en 2 daarvan en/of een of meerdere bepalingen daarvan althans voor recht te verklaren dat de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers wegens strijd met de Grondwet onder meer artikel 52 leden 1 en 2 daarvan en/of een of meerdere bepalingen daarvan onverbindend is.

II. Nietig te verklaren althans te vernietigen het besluit van de Combinatie van Politieke Organisaties A 1, althans Alternatief 1, althans het besluit van gedaagden A,B en C gezamenlijk voorwendende te handelen in dat kader als de Combinatie van Politieke Organisaties A 1, althans Alternatief 1, dd. 30 november 2005, althans genomen in november 2005 en betekend bij exploit van de deurwaarder D. Hieralal dd. 30 november 2005, doch vervat in een daarbij ook betekende brief dd. 30 november 2005 ondertekend door mr. Ramon W. Cruden.

III.Gedaagde sub D althans haar organen en/of instellingen, het Centraal Hoofdstembureau als bedoeld in artikel 55 van de Grondwet te verbieden om voor eiser een opvolger aan te wijzen als lid van De Nationale Assemblee en die aangewezen opvolger als lid van De Nationale Assemblee toe te laten.

3.2 Mede is gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.3 Eiser stelt dat de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers in strijd is met de Grondwet, onder meer met artikel 56 lid 1 en artikel 52 leden 1 en 2. Op grond daarvan dient de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers rechtens en in rechte buiten toepassing te worden gelaten en wel op grond van artikel 144 lid 2 sub a en lid 3 jo art. 10 van de Grondwet.

Reeds op grond hiervan meent eiser dat het besluit van de Combinatie A 1 nietig, althans rechtens van onwaarde is en mitsdien buiten werking moet worden gesteld.

Verder is het besluit van de combinatie A 1 nietig en rechtens van onwaarde op grond van het volgende:
– de combinatie A 1 is door het uittreden van het AF op 5 juli 2005 uiteengevallen in de zin van artikel 2 lid 3 van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers en kan zij eiser dus niet terugroepen.
Voorts is voormeld besluit tot terugroeping niet rechtsgeldig genomen door de organen van de samenstellende delen van de Combinatie die bevoegd zijn tot het indienen van de kandidatenlijsten van de combinatie bij verkiezingen, als bedoeld in artikel 2 lid 2 sub b van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers.

– het besluit is niet voor externe werking rechtsgeldig ondertekend als bedoeld in artikel 2 lid 2 sub c van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers en heeft dus geen rechtsgevolg.
Eiser stelt verder dat het Centraal Hoofdstembureau niet mag overgaan om te voorzien in de vacature van eiser als teruggeroepen Volksvertegenwoordiger, omdat de terugroeping onder meer nietig en rechtens van onwaarde is.

3.4 De kantonrechter komt indien nodig terug op het verweer van gedaagden in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Voor wat betreft het onder punt 3.1 sub 1 gevorderde is de kantonrechter van oordeel dat zij ingevolge artikel 2 van de Wet Algemene Bepalingen (Landsverordening van 23 juli 1945 (G.B. 1945 no.) tot herziening van de algemene bepalingen der wetgeving van Suriname (geldende tekst GB 1918 no. 37) volgens wettelijke regelingen recht dient te spreken doch dat zij niet bevoegd is de innerlijke waarde van billijkheid van die wettelijke regelingen te beoordelen.

De kantonrechter zal zich dan ook onbevoegd verklaren voor wat betreft dat gevorderde.

4.2 De vraag die thans aan de orde komt is of de politieke combinatie A 1, die uit meerdere politieke organisaties bestaat, bevoegd is om onder de naam A 1 op te treden, indien één der politieke organisaties uit die combinatie treedt.
Naar het de kantonrechter voorkomt heeft het enkele feit dat één der politieke organisaties uit de combinatie treedt, niet automatisch tot gevolg dat de bevoegdheid om de naam waaronder zij gezamenlijk optraden ook komt weg te vallen. Dit zal afhangen van onder meer welke afspraken partijen daarover hebben gemaakt.
Vooralsnog is de kantonrechter van oordeel dat niet gebleken is dat de politieke combinatie niet bevoegd is om onder de naam A 1 op te treden.

4.3 Tenslotte komt aan de orde de vraag of het door de combinatie A 1 genomen besluit nietig en rechtens van onwaarde is, als gevolg waarvan het buiten werking zou moeten worden gesteld.
De kantonrechter acht het overbodig om inhoudelijk hierop in te gaan. Aangezien het gewraakte besluit genomen is door de politieke combinatie A 1, diende eiser deze combinatie in rechte aan te spreken en niet gedaagden A, B en C afzonderlijk.
Eiser is dus niet ontvankelijk in zijn vordering terzake.

4.4 Met betrekking tot het onder punt 3.1 sub III gevorderde is de kantonrechter van oordeel dat dit gevorderde hetzelfde ondergaat als het onder 3.1 sub II gevorderde, nu dat een sequeel is van dit laatste.

4.5 Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Verklaart zich onbevoegd voor wat betreft het onder 3.1 sub I gevorderde.

5.2 Verklaart eiser niet ontvankelijk in het onder 3.1 sub II en III gevorderde.

5.3 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van dinsdag 10 februari 2009 door de kantonrechter plaatsvervanger in het Eerste Kanton, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. J.M. Dipokromo-Foort.

w.g. J.M. Dipokromo-Foort w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2019-4

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R.no. 190680
28 maart 2019

Vonnis inzake:
STICHTING CENTRE FOR PUBLIC AFFAIRS SURINAME
, rechtspersoon,
gevestigd te Paramaribo,
eiseres in kort geding,
gevolmachtigde: drs. A. Biharie,

tegen

DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat,

De kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding spreekt in Naam van de Republiek het navolgend vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:
– het verzoekschrift met producties dat op 21 februari 2019 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de conclusie van antwoord;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek en uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. Bij wet van 3 februari 2017 is de Wet op de Staatsschuld (S.B. 2002 no. 27, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2016 no. 63) nader gewijzigd.

2.2. In de Memorie van toelichting van de nadere wijziging van de Wet op de Staatsschuld is het volgende –voor zover hier van belang- opgenomen:
“De economische ontwikkelingen die ons land de afgelopen periode heeft doorgemaakt, hebben geresulteerd in een negatieve bijstelling van het nominaal bruto binnenlands product en een hogere waardering van de schuldpositie. (…).
De vooruitzichten voor 2016, evenals de voorlopige kwantificatie hierover door de economische instituten, waren van dien aard dat een sterker negatieve economische groei en een voortgaande munt depreciatie zich zouden manifesteren, met als verwachting dat de schuldratio’s voor 2017 verder zullen verslechteren. (…).
De negatieve groei van het nominaal bruto binnenlands product en/of stijging van de wisselkoers kunnen maken dat de gepubliceerde totale Staatsschuld, zonder dat er daar bovenop extra schuldverplichtingen door de Staat worden aangegaan, boven de wettelijk vastgestelde obligoplafonds komen te liggen. Het is daarom noodzakelijk dat conform het gestelde in de Memorie van Toelichting van artikel 3 van de Wet op de Staatsschuld (S.B. 2002 no. 27, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2016 no. 63), ter zake specifieke voorzieningen worden getroffen in het geval het nominaal bruto binnenlands product voor een bepaald jaar of bepaalde periode door bovengenoemde onvoorziene omstandigheden daalt ten opzichte het jaar of de periode daarvoor of door de in het artikel genoemde oorzaken de Staatsschuld stijgt boven de wettelijk vastgestelde obligoplafonds. De aanvulling van artikel 3a voorziet daarin (…)”.

2.3. Bij wet van 14 september 2018 S.B. 2018 no. 85, Wet Rij- en Voertuigenbelasting 2018 is vastgesteld dat met ingang van 1 januari 2019, belasting wordt geheven op rij- en voertuigen die zich op de weg bevinden en zijn de tarieven bepaald.

2.4. In de Memorie van toelichting van de Wet Rij- en Voertuigenbelasting 2018 is het volgende –voor zover hier van belang- opgenomen:
“(…) Thans heeft de Regering het besluit genomen deze belasting weder in te voeren. Diverse uitgangspunten liggen hier ten grondslag. Allereerst is de Rij- en Voertuigenbelasting ee rechtvaardige belasting. Alle gebruikers van de weg, tenzij de wet anders bepaalt, betalen deze belasting. Het dagelijks gebruik van de wegen door bestuurder van voertuigen zorgt voor achteruitgang en beschadiging van deze wegen. Het kost de overheid jaarlijks miljoenen om deze wegen te omnderhouden. De Overheid heeft aan de ene kant de verplichting te zorgen voor begaanbare wegen maar krijgt aan de andere kant niet de nodige bijdrage van de gebruikers. Het rechtvaardige ligt erin dat hoe zwaarder het voertuig, hoe hoger het tarief zal zijn. Dit heeft mede ertoe geleid dat de Regering heeft besloten om deze belasting weder in te voeren.
Voorts is deze belasting, internationaal gangbaar en wordt in vele landen geheven mede vanwege het rechtvaardig karakter hiervan. Het belangrijkste uitgangspunt is daarom ook dat de gebruiker betaalt.
Verder moet de heractivering van deze belasting worden gezien in het kader van de voornemens van de Regering om inkomsten te genereren. De maatregel zal daarom ervoor zorgen dat de inkomsten van de Staat zullen toenemen.(…)”.

3. De vorderingen en het verweer
3.1. Eiseres vordert om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

1. De rechtswerking van de wettelijke voorschriften van de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting op te schorten totdat in een bodemprocedure betreffende voorschriften voor zover ze strijdig zijn met de ieder verbindende grond- en mensenrechtenbepalingen onverbindend zullen worden verklaard en ingeval er sprake is van strijdigheid met hetgeen als betamelijk in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden de wettelijke bepalingen buiten toepassing zullen worden gelaten en zulks onherroepelijk zal zijn vast komen te staan;

2. Gedaagde te gelasten de rechtswerking van de Wet Rij- en Voertuigenbelasting met ingang van 1 januari 2019 op te schorten, zulks binnen 1 (een) uur na de uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter vast te stellen termijn, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 300.000,– per dag, en dit alles totdat in een bodemprocedure een onherroepelijk rechterlijke beslissing zal komen vast te staan;

3. De gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Gedaagde voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

4. De beoordeling
4.1. Eiseres legt aan haar vorderingen ten grondslag dat gedaagde onrechtmatig jegens haar handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de kantonrechter in kort geding- tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

4.2. Uit het door eiseres overgelegd uittreksel uit het Openbaar Stichtingenregister de dato 04 maart 2019 en de volmacht gedateerd 19 februari 2019 blijkt genoeg-zaam het bestaan van eiseres en de opdracht welke zij aan de gevolmachtigde heeft verstrekt om namens haar onderhavig rechtsgeschil te voeren. Het terzake door gedaagde gevoerd formeel verweer wordt derhalve verworpen.

4.3. De kantonrechter acht het van belang de navolgende artikelen uit de Grondwet aan te halen:

Artikel 80
1. Alle ontwerpen van wet, door De Nationale Assemblée goedgekeurd en door de President bekrachtigd, verkrijgen kracht van wet na afkondiging.
2. De wetten zijn onschendbaar, behoudens het bepaalde in de artikelen 106, 137 en 144 lid 2.

Artikel 106
Binnen de Republiek Suriname geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, wanneer deze toepassing niet verenigbaar zou zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten, die hetzij voor, hetzij na de totstandkoming van de voorschriften zijn aangegaan.

Artikel 137
Voor zover de rechter in een concreet aan hem voorgelegd geval toepassing van een bepaling van een wet strijdig oordeelt met een of meer der in Hoofdstuk V genoemde grondrechten, verklaart hij die toepassing voor dat geval ongeoorloofd.

4.4. In dit geding beoogt eiseres dat de rechtswerking van de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting 2018 wordt opgeschort.

Eiseres stelt dat de regeringsleider de zorgplicht en de daarbij in acht te nemen zorgvuldigheidsbeginsel schendt met als gevolg dat jegens eiseres onrechtmatig wordt gehandeld. Dit wordt gebaseerd op de in sustenu 11 van het verzoekschrift opgesomde artikelen uit het Burgerlijk Wetboek (BW), de Grondwet, het Internationaal Verdrag van Burgerechten en Politieke Rechten van de Verenigde Naties en de American Convention on Human Rights van de Organisatie van Amerikaanse Staten.

Ter waarborging, eerbiediging en verwezenlijking van de beleving van de in sustenu 11 van het verzoekschrift vermelde grond- en mensenrechten, heeft de overheid de daaruit ontstane zorgplicht i.c. kenbare positieve verplichtingen geschonden en daarmee een aantasting van de beschermde belangen van de burgers van Surinamer veroorzaakt.

Met het voorgenomen beleid en de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting veroorzaakt de overheid een dreigende aantasting van de beschermde belangen van de burgers.

De regering pleegt met haar beleid en ontleende bevoegdheden aan voormelde wetten, handelingen die verzaking van de positieve verplichtingen teweeg brengen. De regering bindt zich niet aan de negatieve verplichtingen die de zorgplicht met zich meebrengen, namelijk zich te onthouden van handelingen die de meest directe oorzaak is van de ongerechtvaarigde dreigende aantasting van de beschermde belangen van burgers van Suriname zoals is voorzien in de grond- en mensenrechten.

Het verzaken van het in acht nemen van de uit de zorgplicht voortvloeiende negatieve verplichting veroorzaakt dat de regering strijdig handelt met een ieder verbindende bepaling zoals is bepaald in artikel 1 lid 2 van het IVBPR, namelijk “in geen geval mogen een volk zijn bestaansmiddelen worden ontnomen”. De in dit kader te plegen rechtsvinding houdt concreet in dat tegenover de regering moet worden opgetreden in dien een excessieve aantasting van de koopkracht van het vermogen zal veroorzaken.

De wet op de Staatsschuld is op 3 februari 2017 gewijzigd waarbij de regering een aanvankelijk gebonden bevoegdheid met betrekking tot het toegestaan staatsschulden aan te gaan heeft gewijzigd in een discretionaire bevoegdheid, inhoudende dat de regering geen verantwoording tegenover de Nationale Assemblee hoeft te plegen betreffende de hoogte van de staatsschulden.

De gewijzigde Wet op de Staatsschuld moet als onrechtmatige wetgeving worden gekwalificeerd.

Het begrotingsbeleid, de wijziging van de Wet op de Staatsschuld dat ongebreideld schulden mogen worden aangegaan zonder een wettelijke plicht tot het afleggen van verantwoording tegenover De Nationale Assemblee en de invoering van de Wet Rij-en Voertuigenbelasting 2018, maken zeer aannemelijk dat de dreigende aantasting van de inkomens- en vermogenspositie van burgers in Suriname op een onacceptabele wijze zal plaatsvinden en dit als onrechtmatig overheidsdaden moeten worden aangemerkt.

De Staat handelt met de tot uitvoering gekomen en te komen handelingen onrechtmatig jegens eiseres en handelt feitelijk strijdig met de beschermde belangen van de burgers van Suriname zoals is voorzien in de grond- en mensenrechten-bepalingen.

De regering pleegt met haar beleid en ontleende bevoegdheden aan voormelde wetten, handelingen die een verzaking van de positieve verplichtingen teweeg brengen. De regering bindt zich niet aan de negatieve verplichtingen die de zorgplicht met zich meebrengen, namelijk zich te onthouden van handelingen die de meest directe oorzaak is van de ongerechtvaarigde dreigende aantasting van de beschermde belangen van burgers van Suriname zoals is voorzien in de grond- en mensenrechten.

Het verzaken van het in acht nemen van de uit de zorgplicht voortvloeiende negatieve verplichting veroorzaakt dat de regering strijdig handelt met een ieder verbindende bepaling zoals is bepaald in artikel 1 lid 2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

4.5. Artikel 1 lid 2 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten luidt:
Alle volken kunnen ter verwezenlijking van hun doeleinden vrijelijk beschikken over hun natuurlijke rijkdommen en hulpbronnen, evenwel onverminderd verplichtingen voortvloeiend uit internationale economische samenwerking, gegrondvest op het beginsel van wederzijds voordeel, en uit het internationale recht. In geen geval mogen een volk zijn bestaansmiddelen worden ontnomen.

4.6. Gedaagde voert als meest verstrekkend materieel verweer dat de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting ingevolge artikel 80 van de Grondwet, wetten in formele zin zijn en derhalve onschendbaar en dat de burgerlijke rechter eveneens daaraan gehouden is.

4.7. De kantonrechter merkt allereerst op dat het vaststellen van wetten in formele zin ingevolge het bepaalde in artikel 70 van de Grondwet is opgedragen aan De Nationale Assemblée en de Regering gezamenlijk.

4.8. De kantonrechter overweegt dat de onschendbaarheid van de wetten beoogt om de rechter te verbieden de formele wet aan de Grondwet te toetsen.
De kantonrechter merkt op dat het de wetgever is die uiteindelijk de controle heeft op de constitutionaliteit van de wetgeving en de interpretatie van de Grondwet ligt in handen van de wetgever.
Het toetsingsverbod van artikel 80 lid 2 van de Grondwet reikt in ieder geval zover, dat de rechter niet mag nagaan of de inhoud van de wetten in overeenstemming is met de Grondwet.

4.9. De kantonrechter overweegt dat de vraag of, wanneer en in welke vorm een wet tot stand komt moet worden beantwoord op grond van politieke besluitvorming en afweging van de daarbij betrokken belangen. Voor wat betreft de nadere wijziging van Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting 2018 is dit in de Memorie van Toelichting van de beide wetten, zoals onder 2.2 en 2.4 van de feiten vermeld, verwoord.
De op de Grondwet berustende verdeling van de bevoegdheden van de verschillende staatsorganen, de Trias Politica, brengt met zich mee dat de rechter niet mag ingrijpen in de procedure van politieke besluitvorming en afweging van de erbij betrokken belangen. Zoals eerder overwogen, is de vraag hoe wetgeving tot stand komt een kwestie van politieke beoordeling waarin de rechter niet kan treden.

4.10. De kantonrechter overweegt dat het toetsingsverbod van artikel 80 lid 2 van de Grondwet echter niet elke vorm van rechterlijke toetsing van een wet in formele zin uitsluit. Formele wetgeving kan namelijk ingevolge het bepaalde in artikel 106 van de Grondwet wel worden getoetst aan een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten. Voormeld artikel bepaalt dat binnen Suriname geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, indien deze voorschriften niet verenigbaar zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten.

4.11. De kantonrechter merkt op dat uit de stellingen van eiseres zoals hierboven onder 4.4. zijn vermeld, met name uit de stellingen dat de regering met haar beleid en ontleende bevoegdheden aan de nadere wijziging van de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting 2018, handelingen pleegt die een verzaking van de positieve verplichtingen teweeg brengen, dat de regering zich niet bindt aan de negatieve verplichtingen die de zorgplicht met zich meebrengen, namelijk zich te onthouden van handelingen die de meest directe oorzaak is van de ongerecht- vaardigde dreigende aantasting van de beschermde belangen van burgers van Suriname zoals is voorzien in de grond- en mensenrechten en dat verzaken van het in acht nemen van de uit de zorgplicht voortvloeiende negatieve verplichting veroorzaakt dat de regering strijdig handelt met een ieder verbindende bepaling zoals is bepaald in artikel 1 lid 2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, niet wordt afgeleid dat eiseres aan de vordering ten grondslag legt dat de nadere wijziging van de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting 2018 op zich niet verenigbaar zouden zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten, zoals bepaald in artikel 106 van de Grondwet.
Eiseres stelt namelijk niet dat de bedoelde wetten niet verenigbaar zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten doch dat de regering in strijd handelt met een ieder verbindende bepaling zoals is bepaald in artikel 1 lid 2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

4.12. De kantonrechter overweegt dat uit het vorenoverwogene derhalve niet volgt dat de nadere wijziging van de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting 2018 niet verenigbaar zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten en kan derhalve niet met succes een beroep worden gedaan op artikel 106 van de Grondwet. De wetten zijn toepasbaar en de vorderingen van eiseres strekkende tot opschorting van de rechtswerking van de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting 2018 zijn derhalve niet toewijsbaar.

4.13. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt evenmin met zich mee dat het handelen van de Staat op grond van de nadere wijziging van de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting 2018 als een onrechtmatig handelen kan worden gekwalificeerd.

4.14. Het is de kantonrechter ook niet gebleken dat bepalingen van de nadere wijziging van de Wet op de Staatsschuld en de Wet Rij- en Voertuigenbelasting strijdig zouden zijn met één of meer in Hoofdstuk V van de Grondwet genoemde grondrechten, en is er geen grond om ingevolge het bepaalde in artikel 137 van de Grondwet de toepassing van bepalingen van genoemde wetten ongeoorloofd te verklaren.

4.15. De slotsom is derhalve dat de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd.

4.16. De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren overbodig omdat de beoordeling daarvan niet tot een andere beslissing zal leiden.

4.17. Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
De kantonrechter

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. R.G. Chatterpal en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns op donderdag 28 maart 2019 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier.

 

 

SRU-K1-2010-1

KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 095252
22 juli 2010

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiseres],
gevestigd en kantoorhoudende in [district],
gemachtigde: mr. A.E. Veldman, advocaat,
eiseres in kort geding,

tegen

[gedaagde],
wonende in [district],
gemachtigde: mr. S. Sheombar, advocaat
gedaagde in kort geding.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift dat op 3 december 2009 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek met producties;
– de conclusie tot uitlating zijdens eiseres.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiseres heeft bij akte d.d. 5 september 2006 verleden ten overstaan van notaris G.J. Kemp, in het openbaar gekocht en overgedragen gekregen: het recht van grondhuur – vervallende 13 februari 2032 – op het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot drie hectaren zeven en vijftig aren en tachtig centiaren, gelegen in [district] aan de [straatnaam] in [gebied], bekend als serie [nummer 1] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname Ing. A. Beek d.d. 5 december 1991 met de letters ABCD met uitzondering van de reeds overgedragen delen, ook wel bekend als [adres] (hierna het onroerend goed).

2.2 Voornoemde akte is op 7 februari 2007 ten hypotheekkantore ingeschreven in register [nummer 2].

2.3 Gedaagde verblijft in de woning staande op het onroerend goed.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. schorsing althans opschorting van de overeenkomst zover die tussen partijen bestaat.
b. veroordeling van gedaagde om de woning te ontruimen, desnoods met behulp van de sterke arm.

3.2 Eiseres stelt dat gedaagde zonder recht of titel in de woning verblijft. Voorts voert zij aan de woning dringend nodig te hebben voor eigen gebruik.

3.3 De kantonrechter komt indien nodig terug op het verweer van gedaagde in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend karakter blijkt uit de stellingen van partijen.

4.2 Gedaagde heeft aangevoerd dat zij samen met haar thans overleden echtgenoot een deel van het onroerend goed in hypotheek hebben gegeven met de bedoeling dat zij dan voldoende financiële middelen zouden genereren om een verzorgde oude dag te hebben, hetgeen door een samenloop van omstandigheden niet is gegaan zoals gepland. Voorts voert zij aan dat de schuldeiser, op de hoogte was van de omstandigheden waarin zij verkeerde. Zij had namelijk aan de schuldeiser gevraagd een stukje van het onroerend goed waarop de woning staat uit te zonderen en niet mee te nemen bij de hypotheekverlening. Zij wist niet dat deze voorwaarde niet was opgenomen in de akte van hypotheekstelling omdat zij de Nederlandse taal niet machtig is en de akte blindelings heeft getekend. De kantonrechter is van oordeel dat, ook indien het voorgaande op waarheid zou berusten, dit niet aan eiseres als koper van een onroerend goed op een openbare veiling kan worden tegengeworpen. Ook niet indien de voorzitter van eiseres dezelfde persoon is als de toenmalige schuldeiser van gedaagde. Immers is eiseres een rechtspersoon en is er sprake van een afgescheiden vermogen van eiseres en de toenmalige schuldeiser van gedaagde.

4.3 Het voorgaande inachtnemend kan worden geconcludeerd dat gedaagde niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zij met enig recht of titel het onroerend goed bewoont. Dit betekent dat de gevorderde ontruiming kan worden toegewezen. Evenwel zal niet worden meegegaan met de gevorderde ontruimingstermijn van een maand, nu eiseres sinds februari 2007 de juridische eigenaar is van het perceel terwijl zij pas na langer dan 2½ jaar een vordering tot ontruiming indient. Verder wordt ook rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van gedaagde met name dat zij 67 jaar, alleenstaand en slecht ter been is. De kantonrechter acht, gelet op het voorgaande, een ontruimingstermijn van 6 maanden na betekening van het vonnis redelijk en billijk.

4.4 De gevorderde ontbinding van de overeenkomst tussen partijen, zo die bestaat, zal worden afgewezen, nu in rechte niet is komen vast te staan dat er een overeenkomst tussen partijen bestaat met betrekking tot het onroerend goed.

4.5 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

4.6 Op grond van het voorgaande acht de kantonrechter bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5. De beslissing

5.1 Veroordeelt gedaagde om binnen zes (6) maanden na de betekening van het vonnis te ontruimen, het recht van grondhuur – vervallende 13 februari 2032 – op het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot drie hectaren zeven en vijftig aren en tachtig centiaren, gelegen in [district] aan de [straatnaam] in [gebied], bekend als serie [nummer 1] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname Ing. A. Beek dd. 5 december 1991 met de letters ABCD met uitzondering van de reeds overgedragen delen, ook wel bekend als [adres], en ter algehele en vrije beschikking van eiseres te stellen.

5.2 Machtigt eiseres om de ontruiming zelf te (doen) bewerkstelligen indien gedaagde daarmede in gebreke blijft desnoods met behulp van de sterke arm.

5.3 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 192,– (honderd en twee en negentig Surinaamse Dollar).

5.5. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 22 juli 2010, door de kantonrechter in kort geding, mr. R.G. Rodrigues, in tegenwoordigheid van de substituut-griffier mr. L. van Bossé.

w.g. L. van Bossé w.g. R.G. Rodrigues

SRU-K1-2012-5

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R NO 12-3106
10 augustus 2012

Vonnis in kort geding inzake:

[eiser],
ten rechte geheten [eiser],
ten deze domicilie kiezende te [district],
aan [adres],
eiser in het kort geding,
gemachtigde: mr. M. Ansaar Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te zijnen parket te Paramaribo aan de Henck Arronstraat no.03,
gedaagde in kort geding,
gevolmachtigde: mr. N. Maikoe, Officier van Justitie,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit;

1. Het verloop van de procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– Het inleidend rekest met bijlagen, hetwelk op 01 augustus 2012 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– De mondelinge conclusie van eis;
– Het mondelinge antwoordpleidooi, onder overlegging van producties;
– Het mondelinge repliekpleidooi en uitlating producties;
– Het mondelinge dupliekpleidooi;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden;

2. Waarvan kan worden uitgegaan

2.1. Eiser is op 18 juli 2012 in verzekering gesteld;

2.2. Eiser is thans ingesloten in het cellenhuis van het [politiestation];

2.3. Eiser is in verzekering gesteld op grond van de artikelen 6, 24 lid 1, 28 lid 1 van de Vreemdelingenwet van 1991;

2.4. Eiser heeft bij schrijven van zijn raadsman d.d. 24 juli 2012 de vervolging in kennis gesteld dat hij [land 1] vrijwillig wilt verlaten en dat hij daartoe ook de gelegenheid heeft, dit krachtens artikel 28 lid 1 onder 3 genoemde Wet;

2.5. Eiser heeft, na een telefonisch onderhoud tussen de raadsman van eiser en de vervolging, op uitdrukkelijke goedkeuring c.q. toestemming, dan wel instemming van de vervolging bij [reisbureau] een afreisdatum doen vaststellen voor vrijdag 27 juli 2012;

2.6. Tussen de vervolging en de raadsman van eiser was verbleven, dat eiser op vrijdag 27 juli 2012, om veiligheidsredenen, vanuit het politiestation naar de luchthaven zou worden gebracht ten einde in de gelegenheid te worden gesteld het land vrijwillig te verlaten;

2.7. De vervolging heeft achteraf geweigerd, te doen, althans is teruggekomen op haar toezegging, zoals hierboven aangegeven, stellende dat de inverzekeringstelling van eiser gehandhaafd zal blijven, omdat eiser toevallig (de inspecteur van Politie mw. [naam] gaf aan de raadsman van eiser aan, dat eiser gewoon pech heeft, dat hij op een andere lijst voorkomt) gehoord moet worden in een zekere zaak; eiser heeft zich aan geen enkel ander strafbaar feit schuldig gemaakt, althans een redelijk vermoeden van schuld daartoe blijkt ook niet aanwezig te zijn; de omstandigheden, zoals genoemd in artikel 28 lid 1 bestaan met de mogelijkheid van vertrek van eiser uit het land niet meer;

3. De standpunten van partijen

3.1. Eiser vordert –kort samengevat- schorsing althans opschorting van de onrechtmatige handhaving van de inverzekeringstelling en dat gedaagde zal worden gelast binnen 01uur althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn na de uitspraak van het vonnis de eiser in vrijheid te stellen teneinde hem in de gelegenheid te stellen het land op de meest kort mogelijke termijn te verlaten, op straffe van de dwangsom van SRD 10.000,- per uur, voor elk uur dat gedaagde weigeren zal of nalaten mocht gevolg te geven aan het vonnis.
Tevens is gevorderd dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard en gedaagde zal worden veroordeeld in de proceskosten;

3.2. Naast voormelde vaststaande feiten legt eiser aan zijn vordering ten grondslag –zakelijk weergeven en in zoverre ten deze van beang- dat hij van oordeel is dat hij thans geheel onterecht van zijn vrijheid is beroofd en dat deze wijze van vrijheidsbeneming nergens steun vindt in de Wet; de vervolging handelt duidelijk in strijd met het wetboek van strafvordering, in het bijzonder met artikel 28 lid 2 van de Vreemdelingenwet van 1991. Voorts voert hij aan dat naar zijn mening de handhaving van de inverzekeringstelling thans onwetmatig c.q. onrechtmatig is en dat eiser thans zonder rechtsgrond zijn hoogste rechtsgoed is ontnomen, namelijk zijn vrijheid;

3.3. Gedaagde heeft verweer gevoerd en de kantonrechter zal hierop in het hierna volgende -voor zover van belang- terug komen;

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Het spoedeisend belang van eiser bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidende rekest.

4.2 Naar het oordeel van de kantonrechter in de centrale vraag die partijen verdeeld houdt de vraag of de inverzekeringstelling van eiser al dan niet rechtmatig is. Eiser huldigt het standpunt dat de inverzekeringstelling ingevolge het bepaalde in artikel 28 lid 2 van de Vreemdelingenwet van 1991 onrechtmatig is terwijl gedaagde het standpunt huldigt dat de inverzekeringstelling ingevolge het bepaalde in artikel 24 lid 4 van de Vreemdelingenwet rechtmatig is;

4.3 Met eiser is de kantonrechter van oordeel dat ingevolge het bepaalde in artikel 28 lid 2 van de Vreemdelingenwet de inverzekeringstelling van eiser in beginsel onrechtmatig is. Immers luidt artikel 28 lid 2 alsvolgt (citaat): “Inverzekeringstelling van een vreemdeling blijft achterwege dan wel wordt beëndigd, zodra hij te kennen geeft Suriname te willen verlaten en hiertoe voor hem ook de gelegenheid bestaat” (einde citaat).
Nu na de aanvankelijk rechtmatige inverzekeringstelling ingevolge het bepaalde in artikel 28 lid 1 van de Vreemdelingenwet de situatie van artikel 28 lid 2 is ingetreden, te weten dat de vreemdeling te kennen heeft gegeven [land 1] vrijwillig te willen verlaten en hiertoe voor hem ook de gelegenheid bestaat naar een land waar zijn toelating gewaarborgd is, dient de inverzekeringstelling in beginsel te worden beëindigd. Evenwel bepaald artikel 24 lid 4 van de Vreemdelingenwet het volgende (citaat) “ Uitzetting vindt niet plaats: a. Indien en zolang een vreemdeling voor strafrechtelijk onderzoek zich ter beschikking van het Openbaar Minsterie moet houden; b. Hangende en te zijnen aanzien lopende uitleveringsprocedure” (einde citaat). Naar het oordeel van de kantonrechter is door gedaagde in dit geding voldoende aannemelijk gemaakt middels overlegging van de producties, welker inhoud niet is betwist door eiser, dat in het kader van het rechtshulpverzoek zoals dat gedaan is door [land 2] en dat kennelijk ook betrekking heeft op eiser, laatsgenoemde zich voor strafrechtelijk onderzoek ter beschikking van het Openbaar Ministerie dient te houden. Het beroep van gedaagde op het bepaalde in artikel 24 lid 4 van de Vreemdelingenwet is derhalve naar dezerzijds oordeel gegrond en is de inverzekeringstelling van eiser rechtmatig;

4.4 Gelet op het voorgaande zou het prematuur zijn om eiser thans het land uit te zetten. Overigens is de duur van de inverzekeringstelling –anders dan eiser uitgaat- niet voor onbepaalde tijd maar ingevolge het bepaalde in artikel 28 lid 3 gelimiteerd tot de periode van maximaal een maand. Derhalve expireert deze periode kennelijk op 17 augustus a.s.;

4.5 Gelet op al het voorgaande zullen de gevraagde voorzieningen worden geweigerd;

4.6 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van gedaagde gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

5. De beslissing in kortgeding

De Kantonrechter:

5.2 Weigert de gevraagde voorzieningen;

5.3 Veroordeelt eiser in de gedingkosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op de terechtzitting van vrijdag 10 augustus 2012 door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, in tegenwoordigheid van de substituut-griffier, mr. S. Tika.

 

SRU-K1-2013-1

Kantonrechter in Kort geding

A.R. no. 133873
18 september 2013

Vonnis in de zaak van

[eiser], wonende te [district].
gemachtigde: mr. A.D. Soedamah, advocaat,
eiser in kort geding,

tegen

DE STICHTING PENSIOENFONDS “A” DER SURINAAMSCHE WATERLEIDING MAATSCHAPPIJ, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde voor gedaagde: Mr. F.W.M. Thijm, advocaat.

1. Het procesverloop:

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 16 september 2013 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord, met productie;
– de mondelinge conclusies van repliek en dupliek, aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 september 2013.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser heeft op 28 februari 2007 een perceel groot ca 846 vierkante meter gekocht van de heer [naam].

2.2 Bij de overdracht bleek dat het perceel deel uitmaakte van een groter perceel waarop op 16 juni 2004 een hypotheek is gevestigd door de verkoper ten gunste van gedaagde.

2.3 Eiser heeft op het perceel twee woningen gebouwd.

2.4 Bij exploit van 31 juli 2013 met no. 1292 is aan eiser betekend de aanzegging dat op 18 september 2013 om 11.00 uur het perceel in het openbaar zal worden verkocht met al hetgeen daarop staat.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering
Eiser vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
a. De stopzetting of schorsing zal gelasten van de aangekondigde openbare verkoop op straffe van een dwangsom van SRD. 10.000,= en voorts
b. Gedaagde veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 De grondslag
Dat de heer [naam] eiser bij de verkoop van het perceel heeft overgehaald om de overdrachtsakte met de hypotheekschuld erop te tekenen met de belofte dat de hypotheek spoedig zou worden geroyeerd. Dat [naam] dat echter heeft nagelaten en ook heeft nagelaten om de schuld aan gedaagde te voldoen. Dat [naam] hem derhalve heeft misleid en opgelicht. Dat hij, eiser, buiten zijn schuld om dreigt zijn perceel met woningen te verliezen. Hierdoor dreigt hij in een noodsituatie te geraken. Hij voert voorts aan dat hij aan gedaagde heeft aangeboden een deel van de schuld, namelijk SRD 15.000,= te voldoen, doch dat gedaagde daar geen oor voor heeft.

4. Het verweer
Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling
5.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen.
5.2 Gedaagde heeft als verweer onder andere aangevoerd dat er tussen partijen geen rechtsrelatie bestaat en dat eiser zich noch op wanprestatie, noch op onrechtmatige daad kan beroepen bij zijn vordering. Voorts voert gedaagde aan dat [naam] misschien wanprestatie heeft gepleegd jegens eiser, doch dat die wanprestatie geen invloed heeft op de rechtsgeldigheid van de hypotheek. Daarbij heeft eiser zelf aangegeven dat hij op de hoogte was van de hypotheek op het perceel toen hij het kocht. Voorts dat eiser met de executie niets te maken heeft, slechts de schuldenaar en de schuldeiser hebben met de executie te maken. Gedaagde voert voorts aan dat niet kan worden volstaan met betaling van een vierde van de hoofdsom welke door [naam] was geleend, immers is boven de hoofdsom nog rente vanaf 2004 verschuldigd. Die rente moet ook uit de openbare verkoop verkregen worden. Tenslotte voert gedaagde aan dat toewijzing van het gevorderde het door de wet toegekende executie recht illusoir zou maken.

5.3 De kantonrechter overweegt dat bij een vordering tot stopzetting van de executie getoetst moet worden of de executie onrechtmatig zou zijn jegens de eiser, onder andere wanneer niet aan de wettelijke vereisten zou zijn voldaan, of wanneer de gehele schuld al voldaan zou zijn.

5.4 In casu moet derhalve worden getoetst of de op handen zijnde openbare verkoop onrechtmatig zou zijn van gedaagde jegens eiser.

5.5 De kantonrechter is van oordeel dat, nu de openbare verkoop in overeenstemming met de wet wordt gehouden en eiser zelf heeft aangegeven dat hij het perceelland met de hypotheek daarop heeft overgenomen en daarbij eiser tevens heeft aangegeven dat het blijkt dat de schuldenaar zijn betalingsverplichtingen jegens gedaagde niet heeft voldaan, er geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de openbare verkoop rechtsgeldig wordt gehouden en er geen gronden zijn om daarvan de staking te bevelen.

5.6 De kantonrechter zal op grond van het hiervoor overwogene het gevorderde afwijzen en eiser als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding.

6. De beslissing

6.1 Wijst af het gevorderde.

6.2 Veroordeelt eiser in de kosten van dit geding aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van woensdag 18 september 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2012-4

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R.no 12-1698
13 december 2012
SNG Vonnis in kort geding in de zaak van:

[Eiser], in persoon en in de hoedanigheid van directeur en (mede) oprichter van de V.O.F. Business School of the Americas,
Wonende te [district],
Eiser in kort geding,
Gemachtigde: mr.dr. J.V. van Dijk-Silos, advocaat,

Tegen

[Gedaagde],
Wonende te [district]
Gedaagde in kort geding,
Gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het verloop van het geding

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

– het op 27 april 2012 ter griffie der kantongerechten ingediende verzoekschrift met producties;
– de conclusie van antwoord en uitlating producties onder overlegging van een productie;
– de conclusie van repliek en uitlating productie onder overlegging van producties;
– de conclusie van dupliek en uitlating producties.

1.2.De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Op 24 maart 2012 heeft gedaagde, voor zover van belang, de volgende zinsneden op de website www.surinamestemt.com gepubliceerd:

1. Onder de kop [Eiser] vraagt om een pak op zijn donder’

“Voeg daarbij de slechts mogelijke timing en het resultaat is dat ‘brand’ [Eiser], al of niet Prof. Dr. Ing., volledig moet worden afgeschreven en dat de Business School of the Americas en Harvard Business School geadviseerd moet worden zich ijlings van te distantiëren. Het is dus niet ‘Towards Excellence’ ondertitel ‘We moeten groot dromen’, zoals de titel van zijn column ons wil doen geloven, maar een ‘one-way-ticket’ to hell”

2. Onder de kop ‘[Eiser], de titels maken het verschil’. “Het is onbegrijpelijk dat een man met de intelligentie van [Eiser], tenminste als het waar is dat hij al zijn titels heeft verdedigd en dat hij al die boeken zelf heeft geschreven, niet verder kijkt dan zijn neus lang is, zich afgeeft….”

3. [Eiser], zeg maar dag met je handje tegen je ‘brand’ en je flitsende carriere!

2.2. Op 25 maart 2012 heeft gedaagde, voor zover van belang, de volgende zinsneden op de website www.surinamestemt.com gepubliceerd:

  1. “Conferentiezaal van de BSA te Nowhere”
  2. “De hele universiteit, alle campuses, noem maar op, alles staat dus in de achtertuin of zo u wil in het hoofd van [Eiser] aan de Hanoverlaan in Paramaribo.”
  3. “Die prachtige website is een en al ‘Window-Dressing’,prachtige stockfoto’s die het zielige verhaal vertellen van onze groot dromende kleine man [Eiser].”

2.3. Op 15 april 2012 heeft gedaagde op de website www.surinamestemt.com een artikel gepubliceerd onder de kop ‘De personal ‘Branding’ van [Eiser].’

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1. Eiser vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen:

  1. Om de in het verzoekschrift genoemde artikelen gepubliceerd op de website www.surinamestemt.com d.d. 24 maart 2012, 25 maart 2012 en 15 april 2012 volledig te (laten) verwijderen;
  2. Om de in het verzoekschrift omschreven rectificatie te publiceren op de website www.surinamestemt.com;
  3. Tot betaling van een dwangsom ad SRD 100.000,= per dag;
  4. In de proceskosten.

3.2. Eiser heeft, zakelijk weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de uitspraken welke gedaagde in zijn artikelen heef geponeerd niet op waarheid berusten en dat gedaagde met op zet eiser in een kwaad daglicht wenst te zetten. Gedaagde heeft het openbaar medium gebruikt om hem te beledigen en te lasteren. Gedaagde maakte zich derhalve schuldig aan een onrechtmatige daad waarvoor hij aansprakelijk is. Als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft eiser behalve schade aan zijn goede naam, eer, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit ook financiële schade geleden. Ondanks daartoe aangemaand op 05 en 09 april 2012, weigert gedaagde om te stoppen met het publiceren van onwaarheden of om voornoemde artikelen van het internet te verwijderen.

3.3. Op het verweer van gedaagde en op hetgeen partijen ter ondersteuning van hun staand punten nog hebben aan gevoerd zal, indien nodig, in het hierna volgende worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De kantonrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang van eiser bij de ingestelde vordering, voortvloeit uit de stellingen van het verzoekschrift en uit de aard van de vordering zelf.

4.2. Gedaagde heeft in zijn verweer opgemerkt dat een vordering gebaseerd op artikel 1393 BW, zoals de onderhavige, niet moet worden toegewezen,indien niet blijkt van het oogmerk om te beledigen. Het oogmerk om te beledigen wordt, zo stelt gedaagde, niet aanwezig geacht voor zover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging. Het algemeen belang is altijd gediend wanneer leden van de samenleving hun mening uiten over toestanden in de samenleving In het algemeen zal de vordering worden toegewezen, wanneer de gewraakte beweringen of uitingen onwaar zijn of onnodig kwetsend. Gedaagde gaat ervan uit dat, op grond van vorengenoemde toetsingscriteria, de vordering moet stranden. Gedaagde is van mening dat de passages door eiser aangehaald niet beledigend en lasterlijk zijn. Voorts dat het betreft ”kritische postings op een blog’’waar hij als publieke figuur altijd op mag rekenen. Voorst dat de zaken die hij aanhaalt in zijn postings allen op waarheid berusten en dus geen onwaarheid zijn. Het zijn kritische vragen, stelt gedaagde. Gedaagde voert voorst aan dat hetgeen eisers stelt, dat zijn onderwijsinstellingen geaccrediteerd zijn niet op waarheid berust. Voorst betwist gedaagde dat uit de overgelegde brieven van studenten blijkt dat verzoeker schade heeft geleden.

4.3. Met betrekking tot het verweer dat het algemeen belang altijd gediend is wanneer leden van een samenleving hun mening uiten over toestanden merkt de kantonrechter op dat dit verweer begrepen kan worden als een verweer betreffende het recht van een persoon om zijn mening over iets kenbaar te maken. Het individu heeft inderdaad recht om zijn mening te geven, echter is dat recht gebonden aan hetgeen in artikel 1393 BW e.v. is voorgeschreven betreffende de onrechtmatige daad, met name de belediging. Eiser heeft zich daar ook op beroept, waarbij is gesteld dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld, daar de uitlatingen door gedaagde gedaan een aantasting vormen van zijn goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit.

4.4. De vragen die in casu dan ook beantwoord moeten worden luiden als volgt:

  1. Zijn de uitlatingen beledigend of waren zij gedaan in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging;
  2. Had gedaagde het oogmerk eiser te beledigen;
  3. Heeft eiser door de uitlatingen schade geleden of nadeel in zijn eer of goede naam.

4.5. Dat brengt ons op het tweede punt in het verweer, namelijk het verweer dat de passages niet beledigend zijn en dat gedaagde niet het oogmerk had te beledigen.

4.6. Uit de onder 2.1., 2.2., en 2.3. genoemde uitlatingen blijkt het beledigend karakter van de passages naar het oordeel van de kantonrechter wel. Alhoewel gedaagde van mening is dat de passages “met de beste wil van de wereld niet beledigend zijn te noemen” zijn de uitlatingen die zijn genoemd in het verzoekschrift wel uitlatingen die de verzoeker beledigen en hem schaden in zijn eer en goede naam. De uitlatingen betreffen namelijk de persoon van de verzoeker waarin wordt gesteld dat instituten die met hem in zee zijn gegaan, in plaats van een positieve ontwikkeling zullen doormaken een “one way ticket to hell” hebben. Met die woorden wordt door de schrijver van de tekst geïmpliceerd dat samenwerken met verzoeker zal leiden tot desastreuze gevolgen, hetgeen zonder twijfel de eer en goede naam van ieder persoon zou aantasten waar zoiets over wordt geschreven.

4.7. De opmerking “tenminste als het waar is dat hij zijn titels zelf heeft verdedigd en dat hij al die boeken zelf heeft geschreven” impliceert dat verzoeker misschien niet zelf zijn titels heeft verdedigd en misschien niet zelf de boeken heeft geschreven. Een dergelijke opmerking over een individu kan bij het publiek twijfels oproepen omtrent zijn integriteit, immers het verkrijgen van titels op de niet correcte wijze wordt in de maatschappij ervaren als iets dat zeer bedrieglijk is en helemaal niet positief. Een dergelijke twijfel over iemand initiëren kan als gevolg hebben dat men hem niet langer als integer zal ervaren, hetgeen gevolgen heeft voor zijn eer en goede naam.

4.8. De opmerking “die het zielige verhaal vertellen van onze groot dromende kleine man” kan niet anders aangemerkt worden dan als kwetsend, immers wordt verzoeker hiermee neergezet als een persoon die zich voordoet als iemand die grote dromen heeft, maar niet groot is, doch juist zielig en klein.

4.9. De kantonrechter is van oordeel dat de genoemde passages, nu het niet gesteld is en niet aannemelijk is welk algemeen belang zij dienen en ook niet uit noodzakelijke verdediging zijn geplaatst op de blog, wel als beledigend moeten worden aangemerkt.

4.10. Voorts overweegt de kantonrechter dat gedaagde niet heeft betwist dat door verzoeker aan hem is medegedeeld dat de passages ook als beledigend worden ervaren en heeft gevraagd deze te verwijderen. Gedaagde heeft echter, ondanks dit verzoek, de passages niet verwijderd, waarmee het oogmerk om te beledigen, welke al uit de formuleringen bleek, wordt bevestigd.

4.11. De kantonrechter is van oordeel dat op grond van het bovenstaande aannemelijk is dat de passages beledigend waren en dat bij gedaagde het oogmerk aanwezig was om te beledigen.

4.12. De kantonrechter zal hierna de derde vraag moeten beantwoorden, namelijk of er sprake is van schade of nadeel aan de eer en goede naam. De vraag is ten aanzien van het nadeel aan de eer en goede naam reeds hierboven beantwoord. De passages waren van dien aard dat er tevens schade is opgetreden hetgeen blijkt uit de overgelegde brieven van studenten. Uit de brieven blijkt immers dat inschrijvingen door studenten aan de school zijn afgezegd. Een rectificatie van de uitlatingen c.q. artikelen zoals geformuleerd in het dictum en de verwijdering van de artikelen, zijn dan ook op hun plaats.

4.13. Het belang van gedaagde om niet te worden beknot in zijn vrijheid van meningsuiting weegt, mede in het licht van de beperkte strekking van de te plaatsen rectificatie, in dit geval niet op tegen het belang van eiser om gevrijwaard te blijven van beledigingen die hem schaden.

4.14. De gevorderde dwangsom komt de kantonrechter bovenmatig voor en zal daarom worden gemitigeerd en gemaximeerd.

4.15. Gedaagde zal, als in de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5. De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

5.1. Veroordeelt gedaagde om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de door hem gepubliceerde ten rekeste genoemde artikelen op de website www.surinamestemt.com op 24 maart 2012, 25 maart 2012 en 15 april 2012 volledig te verwijderen dan wel te doen verwijderen.

5.2. Veroordeelt gedaagde om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, op de website www.surinamestemt.com te plaatsen en gedurende een periode van 3 (drie) maanden te laten staan de volgende tekst in zwarte letters, lettertype Arial, lettergrootte 12 niet cursief, waarvan een op schrift gestelde exemplaar door gedaagde ondertekend aan eiser of diens gemachtigde ter hand is gesteld:

“RECTIFICATIE INZAKE [Eiser]: de door mij, [Gedaagde], op de website www.surinamestemt.com op 24 maart 2012, 25 maart 2012 en 15 april 2012 geplaatste artikelen ten aanzien van [Eiser]in zijn hoedanigheid van Directeur van de V.O.F. Business School of the Americas, zijn eenzijdig door mij gepubliceerd en zijn grievend en beledigend. Ik heb nagelaten [Eiser] welke hoedanigheid dan ook te horen omtrent de artikelen. Genoemde artikelen zijn dan ook bij vonnis van 13 december 2012 door de kantonrechter in Kort Geding onrechtmatig geoordeeld jegens [Eiser]. Ik doe een beroep op allen om onmiddellijk op te houden om genoemde artikelen voort te distribueren en of te publiceren.”

5.3. Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD 1.000,= (Eenduizend Surinaamse Dollar) per dag, voor iedere dag dat gedaagde weigert te voldoen aan de veroordeling in dit vonnis, met dien verstande dat de maximaal te verbeuren dwangsom het bedrag van SRD 200.000,= (Tweehonderd duizend Surinaamse Dollar) niet zal overschrijden.

5.4. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van eiser gevallen en tot aan de uitspraak begroot op SRD 258,= (Tweehonderd acht en vijftig Surinaamse Dollars).

5.6. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter – plaatsvervanger in het Eerste Kanton in Kort Geding en uitgesproken te Paramaribo door mr. A. Charan, kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding, ter openbare terechtzitting van donderdag 13 december 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.

EISER IN KORT GEDING IS VERTEGENWOORDIGD DOOR MR. MAHABIER NAMENS ZIJN GEMACHTIGDE BIJ DE UITSPRAAK TER TERECHTZITTING VERSCHENEN EN GEDAAGDE IS NOCH BIJ DE GEMACHTIGDE VERSCHENEN.

SRU-K1-2006-2

KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 032600
2 april 2006
D.G.W.K

VONNIS inzake

[eiser]
wonende te [district],
eiser,
vertegenwoordigd door: mr. R. Soerdjbalie, notaris,

tegen

TEXACO CARIBBEAN INC., rechtspersoon,
gevestigd te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. F. Kruisland, advocaat.

Dit vonnis bouwt voort op het op 2 augustus 2004 gewezen en uitgesproken tussenvonnis.
1. Het verdere verloop van de procedure

1.1 Hiervoor wordt in de eerste plaats verwezen naar het terzake in het tussenvonnis overwogene.

1.2 Daarna heeft gedaagde voor dupliek geconcludeerd.

1.3 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Bij conclusie van dupliek heeft gedaagde gepersisteerd bij de eerder afgelegde verklaring en aangevoerd (zakelijk weergegeven) dat:
– het bepaalde in art. 344 wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (BRv) met zich brengt dat de inhoud van de af te leggen verklaring beperkt is tot de bij het beslag reeds bestaande inschulden en niet omvat inschulden ontstaan na het beslag;

– zij ten aanzien van de na het beslag verkregen gelden (loonbelasting) geen verklaringsplicht heeft, daar deze gelden niet hun grondslag hebben in een bij of vóór het beslag tussen hen (gedaagde en de Staat) bestaande rechtsverhouding.

2.2. In beginsel is de schuldeiser gerechtigd tot verhaal op alle vermogens-bestanddelen van schuldenaar, zowel op de tegenwoordige als de toekomstige (art. 1161 BW). Ratio van het beslag is dan ook de schuldeiser in de gelegenheid te stellen goederen en gelden aan de beschikking van de schuldenaar te onttrekken. De stelling van gedaagde dat slechts die inschulden betrokken dienen te worden bij de verklaring, welke ten tijde van het leggen van het beslag bestonden in de zin dat goederen of gelden reeds in het bezit van de derde- beslagene moeten zijn en niet eerst later, vindt geen steun in het recht en niet in de vaste rechtspraak terzake art. 344 BRv. Aangezien het ingevolge artikel 344 BRv. niet vereist is, dat de inschulden bij het beslag opeisbaar zijn, maar voldoende is dat deze op dat moment bestaan uit een eerdere rechtsverhouding is het evident dat bij de af te leggen verklaring een ruime interpretatie wordt gegeven aan “inschulden”.

Derhalve kan de verklaring niet beperkt worden tot inschulden die ten tijde van het beslag opeisbaar zijn, doch tevens strekken tot vorderingen die bij een normale afwikkeling van de tijdens het beslag bestaande rechtsbetrekking of rechts (wettelijke) plicht opeisbaar zullen worden.

Terecht merkt gedaagde op dat terzake accijns, verbruiks- en omzetbelasting en invoerrechten er ten tijde van de beslaglegging geen rechtsrelatie casi quo rechtsplicht (wettelijke plicht) bestond op grond waarvan gedaagde verplicht was (tijdens of na de beslaglegging) gelden te betalen aan de Staat. De eerdere rechtsrelaties waren reeds afgewikkeld (terzake accijns, invoerrechten) of regarderen haar niet (verbruiks- en omzetbelasting regarderen de pomphouders).

2.3 De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde in de afgelegde verklaring genoegzaam heeft voldaan aan haar verklaringsplicht op de punten: accijns, invoerrechten, verbruiks- en omzetbelasting, weshalve in zoverre deze verklaring duidelijk is.

2.4 Indachtig het bepaalde in artikel 605 BRv is gedaagde gehouden verklaring af te leggen van al hetgeen zij van de Staat onder zich heeft. Uit gedaagdes verklaring concludeert de kantonrechter dat op haar jegens de Staat een afdraagplicht rust met betrekking tot gepleegde loonbelastinginhoudingen. Aangezien het betreft gelden van de schuldenaar (de Staat) die ingevolge de belastingwetgeving onder gedaagdes berusting zijn of zullen komen moet gedaagde hieromtrent een verklaring afleggen. In het dictum zal aldus beslist worden.

3. De beslissing
Alvorens verder te beslissen.

3.1 Stelt gedaagde nogmaals in de gelegenheid alsnog verklaring te doen terzake het onder zich hebben (gehad) van loonbelastinggelden van de Staat vanaf de dag van de beslaglegging (18 juli 2003).

3.2 Bepaalt dat deze zaak ter fine van het voorgaande zal worden afgeroepen ter rolle van 5 juni 2006.

3.3 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 3 april 2006, door de kantonrechter in het eerste kanton te Paramaribo, mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier.

w.g. H. Sewgobind w.g. I.H.M.H. Rasoelbaks