SRU-HvJ-1998-35

PRO JUSTITIA
IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!
Vonnis 1998 no.18

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME;
Gezien de stukken van het geding, waaronder het in af­schri­ft overgelegd vonnis, door de Kantonrechter-Plaatsver­vanger in het Tweede Kanton op 26 juni 1996 gewezen en uitge­sproken te­gen:
[verdachte],
oud 18 jaar,
geen beroep,
geboren in Suriname,
wonende aan [adres] in [district],
verdachte;

Gelet op het tijdig door de Vervolgingsambtenaar inge­stelde hoger beroep;
Gehoord de verdachte in zijn verdediging, daarin bijgestaan door zijn raadsman, advokaat Mr. R. Baldew;
Gehoord de Advokaat-Generaal;
Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte bij de inleidende akte van dagvaarding is te laste gelegd, het feit zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding, welke akte van dagvaarding als hier geïnsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis door de daarin vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat hij, verdachte, het hem bij de betreffen­de inleidende akte van dagvaarding te laste gelegde heeft be­gaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven;
met vrijspraak van het meer of anders te laste gelegde;

Overwegende, dat de Kantonrechter het bewezen verklaarde feit heeft gekwalificeerd als:
diefstal vergezeld van geweld tegen personen, ge­pleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen, voo­rzien en stra­fbaar gesteld bij artikel 372 lid 1 juncto lid 2 sub 2 juncto artikel 370 van het Wetboek van Stra­frecht en de verdachte te dier zake heeft veroordeeld tot de strafmaatregel van ter beschikking­stelling van het bestuur voor de tijd van ACHT MAA­NDEN, met bevel dat van deze ter beschikkingstelling een gedeelte van DRIE MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de Rech­ter later anders mocht gelasten, op grond dat de ter beschikkinggestelde zich vòòr het einde van een daarbij op TWEE JAREN bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig ge­maakt, hetzij is gebleken dat de ter beschikkinggestelde ­onvoorwaardelijke opvoeding van Bestuurswege behoeft of niet heeft nageleefd de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende die proe­ftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of vanwege het Hoofd van de Dienst Justitiële Kinderbescherming van het Ministerie van Justitie en Politie, aan welke functionaris opdracht wordt gegeven overeenkomstig artikel 20 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht;

Overwegende, dat het Hof zich kan verenigen met en mitsdien overneemt hetgeen in het beroepen vonnis is overwogen en be­slist, met uitzondering voor wat betreft de aan de verdachte opgelegde maatregel;

Overwegende, dat het Hof, met het oog op de persoon vna de verdachte en in overeenstemming met de ernst en de aard van het gepleegde feit, na te melden maatregel op zijn plaats acht;

Gezien de in het vonnis aangehaalde wetsartikelen alsmede artikel 60 van het Wetboek van Strafrecht;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis van 26 juni 1996 door de Kantonrech­ter-Plaatsvervanger in het Tweede Kanton gewezen en uitgespro­ken tegen [verdachte], met uitzon­dering voor wat betreft de opgelegde maatregel en vernietigt dit vonnis in zoverre;

Beveelt dat de schuldige ter beschikking van het Bestuur zal worden gesteld, zonder toepassing van enige straf;

Beveelt dat de ter beschikkingstelling niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Hof later anders mocht gelasten op grond dat de terbeschikkinggestelde zich voor het einde van een op TWEE JAREN bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, hetzij is gebleken dat de ter beschik­kinggestelde onvoorwaardelijke opvoeding van Bestuurswege be­hoeft of niet heeft nageleefd de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende die proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of vanwege het Hoofd van de Dienst Justitie­le Kinderbescherming van het Ministerie van Justitie en Poli­tie aan welke functionaris opdracht wordt gegeven overeenkom­stig artikel 20 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht.

Aldus gewezen door de heren: Mr. E.S. OMBRE, Fungerend-President, Mr. P.G. WOLFF, Lid en Mr. L.J. BUDHU LALL, Lid-Plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van Mej.Mr.A.JANGBAHADOER SINGH, fungerend-Griffier, die dit vonnis hebben ondertekend, hetwelk door de fungerend-President is uitgesproken ter open­bare terechtzit­ting van het Hof van Justitie van DINSDAG, 24 NOVEMBER 1998.

w.g.A.JANGBAHADOER SINGH w.g. E.S.OMBRE
w.g. P.G.WOLFF
w.g. L.J.BUDHU LALL

Voor afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie.

 

SRU-HvJ-1997-16

Hof van Justitie
6 juni 1997, G.R. 13459
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, K. Pultoo)

(N.B. In het onderstaand vonnis zijn slechts de rechtsoverwegingen opgenomen).

  1. [appellant 1], notaris, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Grote Hofstraat nummer 7.
  2. [appellant 2] , wonende te [district] aan [adres 1], appellanten in kort geding

tegen

[geïntimeerde], weduwe van [naam 1], wonende aan [adres 2] in [land], geïntimeerde in kort geding.

Ten aanzien van het recht
Overwegende dat het Hof volhardt bij zijn rolbeschikking d.d. 19 april 1996;

Overwegende, dat de Griffier van het Hof van Justitie, ter voldoening aan gemelde Rolbeschikking d.d. 19 april 1996 in het onderhavige geding heeft doen brengen het procesdossier, bekend onder G.R. No. 13602;

Overwegende, dat, naar uit gemeld procesdossier blijkt, tussen appellant sub 2 en geïntimeerde ten aanzien van tussen hen gevoerde processen, bekend onder Algemeen Register nummers 89/3417 en 90/5644, een overeenkomst van dading is totstandgekomen, welke overeenkomst vastgelegd is in het daarvan opgemaakt proces-verbaal d.d. 23 augustus 1996, waarvan de inhoud als in dit vonnis letterlijk herhaald en geïnsereerd wordt aangemerkt;

Overwegende, dat één en ander tot gevolg heeft, dat zowel het appèl tegen het vonnis in oppositie d.d. 17 mei 1994 (A.R. 89/3417), waarbij geïntimeerde als opposante niet ontvankelijk werd verklaard in haar vordering, als het appèl tegen de beschikking d.d. 11 maart 1991 (A.R. No. 90/5644), waarbij bevolen werd dat het onverdeeld aandeel in het daarin omschreven onroerend goed, toebehorend aan geïntimeerde, in het openbaar zal worden verkocht, geacht moeten worden door geïntimeerde als appellante in die processen, te zijn ingetrokken;

Overwegende, dat mitsdien beide beslissingen geacht moeten worden sinds 23 augustus 1996, kracht van gewijsde te hebben verkregen en dat geïntimeerde bij het door het in het onderhavige proces oorspronkelijk gevorderde, dan ook geen enkel belang meer heeft en in dat gevorderde alsnog niet ontvankelijk verklaard dient te worden;

Overwegende immers, dat door de totstandkoming van de overeenkomst van dading voormelde beslissingen rechtens niet opgehouden hebben te bestaan doch dat door voormelde dading het Hof zowel in de zaak, bekend in het A.R. onder nummer 89/3417 als in de zaak, bekend in het A.R. onder nummer 90/5644, niet meer aan toe is kunnen komen als beroepsinstantie te beslissen zoals geïntimeerde oorspronkelijk heeft gevorderd;

Overwegende, dat het Hof met betrekking tot het beroepen vonnis in het onderhavige proces ten overvloede het navolgende opmerkt:

– dat volgens de naar vaste rechtspraak aanvaarde leer de Rechter een vordering slechts mag toewijzen op grond van feiten, welke de eiser zelf – hetzij bij verzoekschrift, hetzij binnen de grenzen van artikel 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdens het geding – aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd (vgl. H.R. 16-3-’56, N.J. 1958, 423 en 23-1-’59, N.J. 1959, 231);
– dat, naar aan het Hof gebleken is, de Kantonrechter, geheel in strijd met voormelde aanvaarde leer, zijn beslissing heeft doen steunen op feiten, die niet door geïntimeerde als eisende partij aan haar vordering ten grondslag zijn gelegd;
– dat immers de Kantonrechter door geïntimeerde alstoen niet ter beantwoording is voorgelegd de rechtsvraag of het naar algemeen aanvaarde rechtsleer niet mogelijk is een onverdeeld aandeel van een gerechtigde in één of meer onroerende goederen te vervreemden, d.w.z. met zakenrechtelijk gevolg over te dragen, welke rechtsvraag de Kantonrechter in het beroepen vonnis uitvoerig heeft besproken en tenslotte daar ook uitdrukkelijk antwoord op gegeven heeft;

Overwegende, dat het beroepen vonnis ook op grond van voormelde overwegingen niet in stand zou kunnen blijven, doch vernietigd zou moeten worden;

Overwegende, dat het Hof, het beroepen vonnis vernietigend, geïntimeerde alsnog niet ontvankelijk zal verklaren in haar oorspronkelijke vordering o.a. tegen appellanten onder veroordeling van geïntimeerde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding aan de zijde van appellanten gevallen, komende de door de appellanten ontwikkelde grieven door deze beslissing niet meer aan de orde;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, rechtdoende in kort geding, op 14 juni 1993 onder meer tussen appellanten en geïntimeerde gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende
Verklaart geïntimeerde alsnog niet ontvankelijk in de door haar tegen appellanten ingestelde vordering;

Blijvende het vonnis de dato 14 juni 1993 voor het overige gewezen tussen zekere [naam 2], [naam 3] en geïntimeerde geheel in stand.

SRU-HvJ-1978-1

Hof van Justitie
21 juli 1978, G.R. 10424
(Mrs. O.E.G. van der Geld, H.C.U.J. Huber en R.E.Th. Oosterling)

De Naamloze Vennootschap [naam 1], rechtspersoon, gevestigd te [district] aan de [adres 1], advocaat Mr. H.E. Struiken, appellante,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district], advocaat Mr. K.C. Gonçalves, geïntimeerde ,

De President spreekt in deze zak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de kantonrechter in het Eerste Kanton respektievelijk dd. 25 februari 1975 en 10 juni 1975 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton dd. 23 juni 1975, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen de naamloze vennootschap [naam], rechtspersoon, gevestigd te [district] aan de [adres1], hierna te noemen gedaagde;

dat eiser met ingang van 1 april 1970 van gedaagde had gehuurd gelijk gedaagde aan eiser had verhuurd het huis gelegen aan de [adres 2], bekend onder wijk B [nummer 1], zulks voor de huurrijs Sƒ 350,– per maand welke huurovereenkomst expireerde op 30 augustus 1973;

dat eiser over bedoelde periode aan gedaagde heeft voldaan aan huurpenningen het totaal van 40 maanden ad Sƒ 350,– zijnde totaal Sƒ 14.000,–;

dat eiser thans is gebleken dat de wettelijk vastgestelde huurprijs niet Sƒ 350,– per maand bedraagt doch Sƒ 219,73, ten bewijze waarvan eiser hierbij overlegt een afschrift in fotocopie van de beschikking dd. 13 oktober 1973 [nummer 2], gegeven door de Distrikts-Commissaris van Paramaribo;

dat het gedaagde ingevolge het “Huurbesluit 1949” (G.B. no. 127) verboden was voor bedoeld gebouw, een hogere vergoeding, onder welke naam of in welke vorm ook in rekening te brengen aan of te ontvangen van verzoeker, dan de bij voormelde beschikking vastgestelde, en eiser derhalve maandelijks aan gedaagde onverschuldigd heeft betaald het bedrag van Sƒ 350,– minus Sƒ 219,73 is Sƒ 130,27, zodat eiser in totaal over 40 maanden Sƒ 5.210;80 onverschuldigd aan gedaagde heeft betaald, welk bedrag eiser gerechtigd is van gedaagde terug te vorderen;

dat gedaagde ondanks herhaalde aanmaningen weigert genoemd bedrag in der minne aan eiser te restitueren zodat eiser zich genoopt ziet tot het nemen van rechtsmaatregelen over te gaan;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde zal worden veroordeeld aan eiser terzake voorschreven tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van Sƒ 5.210,80, vermeerderd met rente en kosten als volgens de wet en voorts gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding;

Overwegende, dat de N.V. [naam 1] als gedaagde partij in eerste aanleg voor antwoord heeft gezegd:

dat gedaagde de juistheid van de stellingen van eiser en de grond waarop de vordering berust betwist en ontkent;

dat gedaagde kan erkennen dat hij aan eiser heeft verhuurd de winkelruimte gelegen aan de [adres 2] en bekend onder wijk B [nummer 1] voor de som van Sƒ 350,– per maand;

dat in deze huur was begrepen het gebruik van reken, lampen, zonneschermen en alles wat nodig is om een winkelzaak in manufacturenbedrijf te hebben;

dat in de huurovereenkomst tussen partijen gesloten op 12 maart 1970 blijkt dat er sprake is van winkelruimte en niet van een “huis” zoals eiser suggestief stelt;

dat de prijszetting voor huizen niet omvat het gebruik van winkelruimte en de beschikking van de D.C. dan ook gevallen als de onderhavige niet omvat;

dat eiser geheel ten onrechte meent dat de prijszetting voor woningen ook omvat de huur voor bedrijfspanden evenwel ten onrechte;

dat derhalve de hele grondslag van eiser onjuist is en de vordering derhalve dient te worden afgewezen;

Overwegende, dat de gedaagde partij op deze gronden voor antwoord heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusie van repliek en dupliek, welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast, haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van gedaagde een productie overgelegd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie tot uitlating over de overgelegde productie had genomen, de Kantonrechter bij vonnis dd. 25 februari 1975 heeft overwogen:

dat eiser, stellende dat hij met ingang van 1 april 1970 van gedaagde had gehuurd het huis gelegen aan de [adres 2], bekend onder wijk B [nummer 1], zulks voor de huurprijs van Sƒ 350,– per maand, welke huurovereenkomst expireerde op 30 augustus 1973;

dat hij over bedoelde periode een gedaagde heeft voldaan aan huurpenningen het totaal van 40 maanden ad. Sƒ 350,– zijnde totaal Sƒ 14.000,–;

dat hem thans is gebleken dat de wettelijk vastgestelde huurprijs niet Sƒ 350,– per maand bedraagt doch Sƒ 219,73;

dat hij derhalve maandelijks aan gedaagde onverschuldigd heeft betaald het bedrag van Sƒ 130,27, thans van gedaagde vordert het bedrag van Sƒ 5.210,80;

dat eiser ten processe in fotocopy heeft overgelegd een beschikking van de Districts-Commissaris van Paramaribo, dd. 13 oktober 1973 [nummer 2], waarbij de maximum vergoeding voor het litigieuze pand werd vastgesteld op Sƒ 219,73;

dat gedaagde als verweer heeft aangevoerd dat zij aan eiser heeft verhuurd winkelruimte;

dat de prijszetting voor huizen niet omvat het gebruik van winkelruimte en de beschikking van de Districts-Commissaris dan ook gevallen als de onderhavige niet omvat;

dat nu het “Huurbesluit 1949” (G.B. 1949 no. 127) een onderscheid, als door gedaagde bedoeld, niet maakt, bovenvermeld verweer dient te worden gepasseerd;

dat gedaagde voorts heeft aangevoerd dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk is, omdat niet hij aan gedaagde die bedragen heeft betaald die hij terugvordert;

dat eiser in zijn plaats voor de onderhavige schuld als schuldenaar heeft gesteld de heer [naam 2], welke nieuwe schuldenaar door gedaagde is aanvaard;

dat daarna de nieuwe schuldenaar is begonnen met de schuld af te betalen en dus eiser ten deze helemaal geen recht heeft;

dat blijkens de niet betwiste akte dd. 10 juli 1973 eiser wegens achterstallige huur aan gedaagde verschuldigd was Sƒ 5.440,40;

dat als in confesso tussen partijen rechtens vaststaat, dat [naam 2] voormelde schuld van eiser heeft overgenomen waarmee gedaagde accoord ging;

dat eveneens tussen partijen in confesso is dat [naam 2] voornoemd de schuld aan gedaagde heeft voldaan;

dat eiser zich op het standpunt stelt dat hij aan gedaagde in strijd met de wettelijke bepalingen het bedrag groot Sƒ 5.210,80 onverschuldigd heeft voldaan en daarbij niet relevant is of hij zelf het bedrag heeft betaald of voor zich door een derde heeft laten betalen;

dat in het algemeen slechts hij, voor wiens rekening is betaald, het onverschuldigd betaalde kan terugvorderen;

echter dat nu [naam 2] voornoemd, de schuld overgenomen hebbend, een eigen schuld voldeed, eiser in zijn vordering voorzover betreft het door [naam 2] betaalde niet kan worden ontvangen;

dat wij het wenselijk achten een comparitie van partijen te gelasten teneinde te worden ingelicht omtrent het gedeelte van de huurschuld welke voor eiser’s rekening is betaald.

Overwegende, dat de Kantonrechter op deze gronden een comparitie van partijen heeft gelast, welke geen voortgang heeft gehad;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen schriftelijke conclusies na niet gehouden comparitie hebben genomen, waarna de Kantonrechter bij vonnis dd. 10 juni 1975 heeft overwogen;

dat partijen verdeeld zijn over de vraag welk gedeelte van de huurschuld voor eiser’s rekening is betaald;

dat als in confesso tussen partijen rechtens vaststaat dat eiser het litigieuze winkelpand van 1 april 1970 tot en met 31 mei 1973 in huur heeft gehad; dat eiser wegens achterstallige huur Sƒ 5.440,40 aan gedaagde verschuldigd was, welk bedrag door [naam 2] is betaald;

dat nu noch is gesteld noch is gebleken dat eiser de huurpenningen van de voormelde huurperiode, met uitzondering van het bedrag van Sƒ 5.440,60 niet heeft betaald, het gedeelte van de eiser’s rekening betaalde huurschuld kan worden gesteld op Sƒ 8.559,60;
Sƒ 14.000,–

dat eiser mitsdien voor dat gedeelte aanspraak maakt op het teveel aan huur betaalde bedrag;

dat eiser’s vordering mitsdien toewijsbaar is tot Sƒ 3.186,58;

Overwegende, dat de Kantonrechter op deze gronden:

gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van Sƒ 3.186,58 (Drieduizend eenhonderd zes en tachtig gulden en vijf en tachtig cent) met de rente daarover ad. 6% ‘s jaars vanaf 11 maart 1975 tot aan de dag der algehele voldoening;

dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sƒ 72,– (Twee en zeventig gulden );

het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal de N.V. [naam 1] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis dd. 10 juni 1975;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.R. Gaffar dd. 15 juni 1975 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat de eerste grief van appellante tegen het beroepen vonnis van de Kantonrechter kort samengevat hierop neerkomt dat de Kantonrechter geen rekening zou hebben gehouden met het feit, dat een gedeelte van geïntimeerde’s vordering is overgedragen aan zekere [naam 2], waardoor niet geïntimeerde, maar deze [naam 2]betaald heet;

Overwegende, dat deze grief feitelijke grondslag mist, hebbende de Kantonrechter in zijn vonnis dd. 25 februari 1975 met zoveel woorden overwogen, dat [naam 2] een eigen schuld voldeed, zodat geïntimeerde voorzover zijn vordering het door [naam 2] betaalde betreft niet daarin kan ontvangen;

Overwegende, dat de Kantonrechter daarna in zijn eindvonnis dd. 10 juni 1975 dan ook komt tot veroordeling tot een bedrag, waarbij hij het door [naam 2] betaalde in mindering brengt op het toe te wijzen bedrag, overigens op een wijze, die het Hof bij de bespreking van de volgende grief zal verbeteren;

Overwegende, dat het Hof de tweede grief van appellante, inhoudende dat het door [naam 2] betaalde bedrag niet geheel achterstallige huur was en dat ook op andere gronden de wijze, waarop de Kantonrechter het door [naam 2] betaalde gedeelte van de huur niet juist heeft berekend, in zoverre gegrond acht, dat het Hof bij die berekening zal uitgaan van de kennelijk in die zin – en niet in de zin zoals appellante die uitlegt namelijk dat geïntimeerde zelf dat aantal maanden huur zou hebben betaald – bedoelde mededeling van geïntimeerde bij conclusie bij conclusie na niet gehouden comparitie dat [naam 2] 15 maanden huur heeft overgenomen en voldaan, welke mededeling als zodanig niet is betwist;

Overwegende, dat nu appellante geïntimeerde’s stelling dat hij de huur van Sƒ 350,– per maand over de in het inleidend rekest gestelde periode betaald heeft uitsluitend betwist heeft met het betoog, dat [naam 2] een gedeelte van die huurschuld heeft overgenomen als ten processe vaststaand moet worden aangenomen dat geïntimeerde zelf 25 (40-15) maanden Sƒ 350,– huur heeft betaald;

Overwegende, dat nu het door [naam 2] overgenomen bedrag van Sƒ 5.440,40 geen rol meer speelt bij de berekening van het toe te wijzen deel der vordering en de overweging in de tweede alinea van pagina 2 van het vonnis van de Kantonrechter dd. 2 juni 1975 door het Hof niet als redegeving van beslissing wordt overgenomen, behandeling van de daartegen gerichte grieven achterwege kan blijven, missende appellant daarbij elk belang;

Overwegende, dat appellante bij repliek – pleidooi nog wel heeft aangevoerd, dat de beschikking van de Districts-Commissaris, waarbij de maximaal toelaatbare huurprijs is vastgesteld niet op de onderhavige zaak betrekking heeft, omdat niet [adres 2] is gehuurd, maar [adres 3], doch dat het Hof deze grief buiten bespreking zal laten, nu appellante bij antwoord in eerste aanleg met zoveel woorden de huur van het gebouw [adres 2] (en niet [adres 3]) heeft erkend;

Overwegende, dat appellante tenslotte als grief tegen het beroepen vonnis van de Kantonrechter aanvaardt dat deze ten onrechte heeft aangenomen, dat het Huurbesluit 1949 ook van toepassing is op bedrijfsruimten;

Overwegende, dat het Hof echter met de Kantonrechter dat de tekst van artikel 2 van dit besluit, waarin gesproken wordt van prijsvaststelling voor “het gebruik van een gebouw dan wel gebouwde of gedeelte daarvan, voorzien van enig huisraad, aankleding of inrichting” er geen twijfel over laat, dat dit besluit, dat nergens verwijst naar het begrip “woonruimte”, ook betrekking heeft op bedrijfsruimten, waaraan de appellante aangehaalde jurisprudentie niets afdoet, omdat die betrekking heeft op een bedrag voor “goodwill” voor een in het pand op het tijdstip van de aanvang van de huur reeds uitgeoefend bedrijf, waarover in casu ten processe niets gesteld of gebleken is:

Overwegende, dat het Hof op grond daarvan tot de slotsom komt, dat de Districts-Commissaris van Paramaribo door op 13 oktober 1973 de maximaal toelaatbare huurprijs van het litigieuze gebouw op grond van artikel 3 van het Huurbesluit 1949 vast te stellen op Sƒ 219,75 per maand zijn bevoegdheid niet heeft overschreden, zodat partijen, zijnde niet gesteld of gebleken, dat tegen deze vaststelling beroep is aangetekend, daaraan zijn gebonden;

Overwegende, dat het Hof, voor zover deze grief mede erop gericht zou zijn, om te betogen, dat een afzonderlijke huurprijs voor de mede gehuurde rekken en zonneschermen zou moeten worden vastgesteld, te dien aanzien overweegt dat – daargelaten het feit, dat het, nu de vaststelling drie jaar na het aangaan van de huur heeft plaatsgevonden waarschijnlijk is, dat die huur in de vaststelling is begrepen, appellante in ieder geval nalaat het Hof enig gegeven te verschaffen ten aanzien van de hoogte van het voor deze goederen te berekenen huurbedrag, zodat het Hof niet in staat is de hoogte daarvan vast te stellen;

Overwegende, dat het toe te wijzen bedrag volgens de bovenuiteengezette berekeningswijze Sƒ 3.256,75 zou worden, derhalve hoger dan het in eerste aanleg toegewezen bedrag, zodat het Hof, nu geïntimeerde geen beroep heeft aangetekend tegen het vonnis, dit vonnis, onder verbetering van gronden, als bovenvermeld, zal bevestigen;

Overwegende, dat appellante als de in het ongelijk gestelde partij de kosten op het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen zal moeten dragen;

Rechtdoende in hoger beroep:

Bevestigt met verbetering van gronden het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton dd. 10 juni 1975, waarvan beroep;

Veroordeelt de appellante in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op Sƒ.

met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sƒ 100,–;

bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellante eveneens op Sƒ 100,–;

SRU-HvJ-1979-1

Generale Rol No. 10862.

[appellant], wonende te [district 1], advokaat Mr. H. R. KOMPROE,
appellant,

tegen

[geintimeerde], wonende te [adres] in [district 2], advokaat Mr. K. C. GONCALVES,
geintimeerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs vonnis d.d. 11 mei 1979 tussen partijen gewezen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts:

Overwegende, dat op de in bovenvermeld vonnis bepaalde dag ter bevolen comparitie van partijen is verschenen de geïntimeerde in persoon, die heeft verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – als hier ingelast te beschouwen proces-verbaal – staat gerelateerd;

Overwegende, dat, nadat de zaak was aangehouden voor voortzetting comparitie van partijen, de appellant ook ten tweede male niet is verschenen, waarna de zaak is verwezen naar de rol voor het nemen van een conclusie na comparitie zijdens appellant;

Overwegende, dat de advokaat van appellant vervolgens een schriftelijke conclusie na comparitie heeft genomen, waarna de advokaat van geïntimeerde bij mondelinge conclusie heeft gepersisteerd en het Hof uitspraak heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat appellante blijkens de desbetreffende verklaring; van de Griffier der Kantongerechten op 9 februari 1976 in hoger beroep is gekomen van het op 10 januari 1978 gewezen vonnis, bij welks uitspraak hij blijkens het audiëntieblad vertegenwoordigd was, zodat hij gerekend vanaf de dag der uitspraak 31 dagen nadien in beroep is gekomen, terwijl de wet slechts een termijn van dertig dagen toestaat;

Overwegende, dat appellant derhalve niet ontvankelijk is in het ingestelde beroep en de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevalle zal moeten dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Verklaart appellant niet ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep tegen het vonnis van de Kanton-rechter in het Eerste Kanton op 10 januari 1970 gewezen;

Veroordeelt hem in de kosten aan de zijde van geïntimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op f.

met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f. 30,–

bepalende het hof het salaris van de advokaat van de appellant eveneens op f.50,–;

Aldus gewezen door de Heren: Mr. H. C. U. J. HUDER, Fungerend-President, Mr. S. Gangaram Panday, Lid en Mr. O. W. ABENDANON, door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 16 NOVEMBER 1979, in tegenwoordigheid van S. S. OMBRE,

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr. J. R. VON NIESEWAND namens de gemachtigde van geïntimeerde advokaat Mr. K. GONCALVES.

SRU-HvJ-1998-34

PRO JUSTITIA

IN NAAM DER REPUBLIEK!
vonnis 1998 no.12

Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in af­schri­ft overgelegd vonnis, door de Kantonrechter in het Twe­ede Kan­ton op 26 juli 1996 gewezen en uitgesproken tegen:

[verdachte],
oud 41 jaar,
van beroep landbouwer,
geboren te Paramaribo,
wonende aan [adres 1] te [district]
[woonplaats], thans gevangengehouden verdachte;

Gelet op het tijdig door de verdachte en de Vervolgingsamb­tenaar ingestelde hoger beroep;
Gehoord de verdachte in zijn verdediging daarin bijgestaan door zijn raadsman Mr. H. Mungra, advocaat bij het Hof van Justitie;
Gehoord de getuigen in hun beëdigde verklaringen;
Gehoord de Procureur-Generaal;
Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte bij de inleidende akte van dagvaarding zijn te laste gelegd, de feiten zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding, welke akte van dag­vaarding als hier geïnsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat hij, verdachte, het hem bij de betreffende inleidende akte van dagvaarding sub IA, II, III, IV te laste gelegde heeft begaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven; met vrijspraak van het meer of anders te laste gelegde;

Overwegende, dat de Kantonrechter de bewezen verklaarde feiten heeft gekwalificeerd als:

1. POGING TOT ZWARE MISHANDELING, GEPLEEGD MET VOORBEDACHTE RADE, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 363 lid 1 in samenhang met artikel 70 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht;
2. BEDREIGING MET ENIG MISDRIJF TEGEN HET LEVEN GERICHT; voor­zien en strafbaar gesteld bij artikel 345 lid 1 van het Wet­boek van Strafrecht;
3. HUISVREDEBREUK, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 186 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht;
4. VERNIELING; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 414 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht en de verdachte te dier zake heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van DRIE JAREN, met bepaling dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak sedert 17 januari 1996 in verzekering en verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, met bevel tot gevangenhouding van de verdachte en voorts dat hij door een psychiater zal worden behandeld;

Overwegende, dat het Hof zich niet kan verenigen met het vonnis a quo, weshalve dit moet worden vernietigd en opnieuw moet worden recht gedaan;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:
Overwegende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht, hetgeen de verdachte bij de betreffende inleidende akte van dagvaarding sub IA en IV is te laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken;

Overwegende, dat de [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van het Hof op 6 mei 1998 – zakelijk weergegeven- onder meer heeft verklaard:

Op 17 november 1995 ben ik naar de woning van [naam 1], die aan [adres 2] woont, geweest. Voor de poort van de woning van [naam 1] ben ik in een worsteling met [naam 2] geraakt. Tijdens deze worsteling heb ik [naam 2] voornoemd in een wurggreep gehouden. De getuige [naam 3] is toen tussen ons beide gekomen en heeft hij het mes, dat ik alstoen bij mij had, mij afhandig gemaakt. Ik geef toe verschillende malen het erf en de woning van [naam 1], zonder haar toestemming, te hebben betreden.

Overwegende, dat de getuige [naam 2] ter terechtzitting in hoger beroep van het Hof op 22 april 1998 – zakelijk weergegeven- onder meer heeft verklaard:
Ik ben door mijn tante [naam 1] benaderd om op haar huis te letten. Zij zou uitstedig zijn. Op 17 november 1995 was ik alleen in de woning van [naam 1]. Omstreeks 8.00 uur des avonds hoorde ik gestommel aan de poort. Ik begaf mij naar buiten en zag de [verdachte] voor de poort staa­n. Op dat moment heeft de [verdachte] mij met een mes aangevallen. Daarbij probeerde hij mij met vermeld mes te steken onder toevoeging van de woorden dat hij een ieder zal afmaken die tussen hem, [verdachte], en mijn tante [naam 1] zal komen. Het mes was ongeveer 20 cm lang en was zilverkleurig. Daarna zijn wij in een worste­ling geraakt. Tijdens het worstelen heeft hij mij met zijn nagels gekrabt en aan mijn kuitbeen gebeten. Terwijl ik in een worsteling met de [verdachte] was, is de getuige [naam 3], mij te hulp geschoten. Daarbij heeft hij, de getuige [naam 3], de verdachte het mes ontfutseld. Het worstelen heeft onge­veer 20 minuten geduurd. Van het door mij opgelopen letsel (bijtwond) moest ik op E.H.B.O. (Eerste Hulp Bij Ongelukken) behandeld worden.

Overwegende, dat de getuige [naam 3] ter terechtzitting in hoger beroep van het Hof op 22 april 1998 – zakelijk weergegeven- onder meer heeft verklaard: Ik ben de buurman van Mevr. [naam 1]. Tijdens het bewus­te gevecht tussen de [verdachte] en het slachtoffer [naam 2] heb ik de verdachte het mes afhandig ge­maakt. Dit mes heb ik vervolgens aan de politie overhan­digd. Terstond na het bewuste gevecht heb ik een bijtver­wonding aan het lichaam van het slachtoffer [naam 2] gezien.De verdachte is vaker op het erf van de woning van [naam 1] geweest. De [verdachte] is eveneens vaker de woning van [naam 1], zonder haar toestemming, binnen­ge­drongen.

Overwegende, dat de getuige [naam 1] ter terechtzitting in hoger beroep van het Hof op 22 april 1998 – zakelijk weergegeven- onder meer heeft verklaard:
Op 17 november 1995 zou ik naar Republiek gaan. Mijn neefje [naam 2] waakte over mijn woning. Naar ik heb verno­men heeft verdachte met mijn neefje [naam 2] gevochten. Tijdens die vechtpartij zou de [verdachte] mijn neef­je [naam 2] in zijn kuit gebeten hebben. De verdachte vindt dat mijn neefje [naam 2] mij beschermt. In het jaar 1995 heeft de verdachte meerdere malen, zonder mijn toestemming, mijn erf betreden alsook is hij mijn woning binnengedrongen, ondanks het feit dat ik mijn woning met diefijzer heb beveiligd.Deze voor mij ondraaglijke situatie duurt al 10 Jaren.

Overwegende, dat de ambtenaar van politie [naam 4], , dienende in de rang van agent van politie der eerste klasse, dienstdoende in het ressort Uitvlugt van het Gewest Paramaribo, ter terechtzitting in hoger beroep op 22 april 1998 -zakelijk weergegeven- onder meer heeft verklaard:
Mevr. [naam 1] heeft vaker tegen de [verdachte] aangifte gedaan. De [verdachte] is vaker, zonder toestemming, op het erf van de woning van Mevr. [naam 1] ge­weest. Ook is hij zonder toestemming van Mevr. haar woning binnengedrongen. Op het erf van de woning van Mevr. [naam 1] heb ik een bos faja-lobi bloemen gezien. Het slachtoffer [naam 2], heeft ook aangifte bij mij tegen de [verdachte] gedaan. De bijtverwonding aan het lichaam van [naam 2] heb ik gezien.

Overwegende, dat het van de terechtzitting in eerste aanleg opgemaakt proces-verbaal d.d. 12 april 1996 onder meer als verklaring van [verdachte] inhoudt -zakelijk weer­gegeven-:
De [verdachte] heeft gezegd dat hij alle manspersonen die hij in de buurt van [naam 1] aantreft, zal afmaken. De [verdachte] heeft mijn tante [naam 1] en haar kinderen alsmede mij meerdere keren met misdrijven tegen het leven gericht bedreigd. Ik ben bang dat hij deze bedreiging in daden zal omzetten, aangezien hij eerder een neef van mij met een houwer ernstige kapwonden had toegebracht.

Overwegende, dat het van de terechtzitting in eerste aanleg opgemaakt proces-verbaal d.d. 12 april 1996 onder meer als verklaring van [naam 1] inhoudt -zakelijk weer­gegeven-:Ik was thuis en had mijn woning goed afgesloten. Op een gegeven moment moest ik naar buiten om vuil weg te gooien. Ik heb de deur van mijn woning opengedaan en zag daarbij dat de [verdachte] tegen mijn woning stond aange­leund. Nadat ik mij wederom in mijn woning had begeven, is mij gebleken dat de verdachte achter mij eveneens zich in mijn woning bevond. Daarbij heeft hij mij overvallen en mijn mond dichtgedrukt, zodat ik niet kon gillen. Ik ben toen in een worsteling met hem geraakt. Het gelukte mij toch te gillen, waarna mijn buurman mij te hulp schoot. De [verdachte] nam daarop de benen.

Overwegende, dat een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal door de adspirant agent van politie [naam 5], dienende bij het Korps Politie Suriname in het Gewest Paramaribo, ressort Uitvlugt, gesloten en ondertekend op 21 januari 1996, voor zover inhoudende de verklaring van [naam 3] afgelegd ten overstaan van de adspirant agent als voornoemd,- zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt:

Tijdens de worsteling op vrijdag 17 november 1995 omstreeks 21.30 uur tussen de [verdachte] en het slachtoffer [naam 2] ben ik de laatstgenoemde te hulp geschoten. Ik zag dat de [verdachte] een mes met een zwarte handvat te voorschijn had gehaald. Hij, [verdachte], zou [naam 2] zeker steken hebben toegebracht, indien ik de verdachte niet tijdig zou ontwapenen. Ik heb ook gezien dat de [ver­dachte] het slachtoffer [naam 2] enkele vuistslagen in zijn gezicht heeft toegebracht.

Overwegende, dat een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal door de agent van politie der eerste klasse [naam 4], dienende bij het Korps Politie Suriname in het Gewest Paramaribo, ressort Uitvlugt, gesloten en ondertekend op 17 november 1995, voor zover inhoudende de bevinding van de agent van politie voornoemd, dat als stuk van overtuiging in beslag is genomen een mes voorzien van een zwarte handvat.

Overwegende, dat een de verdachte betreffend uitgebracht psychiatrisch rapport d.d. 22 mei 1998 door de [psychiater] onder meer, zakelijk weergegeven, inhoudt:
Ten tijde van het plegen van het delict was onderzochte lijdende aan een zodanige ziekelijke storing van zijn gees­tvermogens dat de aan hem te laste gelegde feiten hem in sterk verminderde mate mogen worden toegerekend.

Overwegende, dat de raadsman namens de verdachte -ten pri­maire- heeft betoogd, dat de verdachte van de aan hem te laste ge­legde feiten vrijgesproken dient te worden, daartoe stellen­de dat het element opzet, zoals voorkomende in de aan verdach­te te laste gelegde feiten, niet bewezen kan worden, aangezien de verdachte blijkens het uitgebracht psychiatrisch rapport d.d. 22 mei 1998 in sterk verminderde mate toereke­nin­gsvatbaar is;

Overwegende dienaangaande: dat dit verweer naar ’s Hoven oordeel faalt, zijnde de enke­le omstandigheid dat gehandeld is in een (psychische) toe­stand, waa­rbij de verdachte in sterk verminderde mate toe­reke­nings­vatbaar moet worden geacht, aan het aannemen van het te­laste­ gelegde opzet niet in de weg staat. Buitendien heeft de raad­sman geen feiten en/of omstandigheden aangedragen, wa­ar­uit voortvloeit dat bij de verdachte elk inzicht in de dra­ag­wijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daa­rvan heeft ontbroken. Evenmin is het Hof ambtshalve de zul­ke feiten en/of omstandigheden gebleken;

Overwegende, dat het Hof op grond van de inhoud van voren­staande bewijsmiddelen, waarbij ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts is gebruikt met betrekking tot het feit of de feiten waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft, wettig en overtuigend bewezen acht, hetgeen de verdach­te bij de betreffende inleidende dagvaarding sub IB, II, III is te laste gelegd, met dien verstande terzake dat hij:

1. Op 17 november 1995 te Paramaribo ter uitvoering van zijn, verdachte’s voornemen en van het misdrijf om opzettelijk­ [naam 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, hebbende hij, verdachte, toen aldaar tot dat doeleinde opzet­telijk gewelddadig met dat mes in de hand zich gestort op die [naam 2] teneinde hem meer steken op het lichaam toe te bre­ngen en opzettelijk gewelddadig in de kuitbeen van voornoemde [naam 2] gebeten en met de tot vuisten gebalde handen meerdere slagen in het gelaat toegebracht, zij­nde de verdere uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf evenwel niet voltooid, alleen tengevolge van de omstandigheden onafhanke­lijk van de wil van hem, verdachte, dat een persoon die [naam 2] te hulp schoot en dat hij, verdachte, ontwapend werd en die [naam 2] bloedend werd verwond, doch tengevolge daarvan geen zwaar lic­hamelijk letsel heeft bekomen, alleen tengevolge van enige andere omstandigheden onafhankelijk van de wil van hem, verdachte;

2. Op 17 november 1995 te Paramaribo opzettelijk [naam 2] met een misdrijf tegen het leven gericht heeft be­dreigd, hebbende hij, verdachte, opzettelijk dreigend die [naam 2] te kennen gegeven dat hij, verdachte, hem zal doden, waa­rdoor die [naam 2] bevreesd werd dat hij, verdachte, hem daad­werkelijk van het leven zal beroven;

3. Op meerdere niet nader aan te duiden tijdstippen gelegen in het jaar 1995 te Paramaribo, telkens opzettelijk wederrechte­lijk in de woning, toebehorende aan [naam 1] is binnenge­drongen.

Overwegende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht, hetgeen de verdachte bij de betreffende inleidende dag­vaarding sub IB, II, III meer of anders is te laste gelegd dan bewezen is verklaard, weshalve hij daarvan behoort te worden vrijgesproken;

Overwegende, dat de te laste van verdachte bewezen geachte feiten moeten worden gekwalificeerd als:
1. POGING TOT ZWARE MISHANDELING, mis­drijf, voorzien en straf­baar gesteld bij artikel 362 lid 1 juncto artikel 360 juncto artikel 70 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht;

2. BEDREIGING MET ENIG MISDRIJF TEGEN HET LEVEN GERICHT, mis­drijf, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 345 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht;

3. IN DE WONING BIJ EEN ANDER IN GEBRUIK WEDERRECHTELIJK BIN­NENDRINGEN, mee­rmalen ge­pleegd, mis­drijf, voo­rzien en str­af­baar gesteld bij artikel 186 lid 1 van het Wetboek van Stra­frecht;

Overwegende, dat de verdachte deswege strafbaar is, zijnde van geen grond tot uitsluiting of opheffing der strafbaarheid gebleken; ­­aangaande dit oordeel wijst het Hof op het over de verdachte uitgebracht psychiatrisch rapport d.d. 22 mei 1998 door de [psychiater] die tot de conclu­sie komt dat de telastegelegde feiten aan verdachte in sterk verminderde mate mogen worden toegerekend, welke conclusie het Hof overneemt en tot het zijne maakt;

Overwegende, dat de raadsman namens de verdachte met be­trekking tot de strafmaat -ten subsidiaire- het verweer heeft gevoerd, ertoe strekkende dat aan verdachte een milde straf dient te worden opgelegd, daar verdachte blijkens het over hem uitgebracht psychiatrisch rapport d.d. 22 mei 1998 in sterk verminderde mate toerekeningsvatbaar is, zodat de bewezen ver­klaarde feiten aan verdachte in verminderde mate verweten kun­nen worden;

Overwegende, dat het zojuist gevoerd verweer geen doel treft, zijnde in dit bijzonderlijk geval het Hof volkomen eens met de Procureur-Generaal dat de aan vermeld verweer ten gron­dslag gelegde ste­lling ”geen straf zwaarder dan de schuld­”, in geen rec­htsregel steun vin­dt, weshalve het aan het Hof vrij staat bij de bepaling van de aan de ver­dachte op te leggen straf niet uitsluitend op de schuld (in de zin van ver­wijtbaarheid) van ver­dachte te letten;

Overwegende, dat het Hof ­bij de bepaling van de straf, die aan de verdachte zal worden opgelegd, rekening gehouden heeft met:
– de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken; Hierbij neemt het Hof in aanmer­king dat verdachte op zeer laakbare wijze inbreuk heeft ge­maakt op de psychische en lichamelijke gesteldheid van het slachtoffer [naam 1] -en haar huisgenoten-, door haar ja­renlang welhaast onafgebroken te bespioneren, te achtervolgen, te molesteren en het uiten van dreigementen, waarbij de verdachte zelfs niet ge­schroomd heeft geweld tegen het sla­chtoffer [naam 1] -en haar hui­sgenoten- te gebruiken;
– het over de verdachte door de [psychiater] uitgebracht psychiatrisch rapport d.d. 22 mei 1998, waaruit blijkt dat bij de verdachte de kans op het op­treden van recidive niet denkbeeldig is; dat psychiatrische begelei­ding en behandeling geindiceerd is; dat de kans dat verdachte zich aan zijn afspraken zal houden echter zeer ge­ring is, daar hij noch zie­kteinzicht noch ziektebesef heeft;
– een de verdachte betreffende staat van inlichtingen, uitge­bracht vanwege het Parket van de Procureur-Generaal, d.d. 21 januari 1996, opgemaakt door de adspirant agent van politie [naam 5], waaruit blijkt dat verdachte eerder in aanraking is gekomen met de Justitie en Politie;

Overwegende, dat het Hof op grond van het bovenstaande tot het oordeel komt, mede uit een oogpunt van beveiliging van de gemeenschap, dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichte­re strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zou worden;

Overwegende -wellicht ten overvloede-, dat het Hof gevoeg­lijk mag aannemen, dat de Procureur-Generaal zijn toezegging, inhoudende dat de verdachte tijdens zijn detentie op regelma­tige basis psych­iatrisch begeleid en behandeld zal worden, zal nakomen; Zulks klemt te meer nu de [psychiater] ter terechtzitting in hoger beroep te kennen heeft gegeven dat de mogelijkheid aanwezig wordt geacht dat, indien de verdachte op regelmatige basis psychiatrisch bege­leid en behandeld zal worden hij, verdachte, van zijn wanen kan afkomen;

Overwegende, dat het Hof tot de uit te spreken verbeurd­verklaring van het inbeslaggenomen mes aanleiding ziet, nu uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat verdachte daarmede het strafbare feit, zoals hiervoor bewezen verklaard, heeft gepleegd;

Gezien, behalve vorenaangehaalde wetsartikelen, de artike­len 9, 11, 38, 44 en 50 van het Wetboek van Strafrecht;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis van 26 juli 1996 door de Kantonrech­ter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken tegen de [ver­dachte], waarvan beroep;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:
Verklaart wettig en overtuigend bewezen, hetgeen hiervoren bewezen is geacht;
Kwalificeert het bewezen verklaarde als voormeld;
Veroordeelt hem te dier zake tot een gevangenisstraf voor de tijd van DRIE JAREN;

Bepaalt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuit­voerlegging van deze uitspraak vanaf 17 januari 1996 voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde straf geheel in mindering zal worden gebracht;

Beveelt dat de verdachte gevangengehouden zal blijven;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub IA en IV is te laste gelegd en hetgeen hem bij dagvaarding sub IB, II en III meer of anders is te laste gelegd, dan bewezen is verklaard;

SPREEKT HEM DAARVAN VRIJ;

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen mes.

Aldus gewezen door de heren: Mr. J.R. VON NIESEWAND, Vice-Pre­sident, Mr. M.G. DE MIRANDA en Mr. L.J. BUDHU LALL, Le­den-Pla­atsver­vanger, die dit vonnis hebben ondertekend en door de Vice-President uitgesproken ter openba­re terecht­zit­ting van het Hof van Justitie van WOEN­SDAG 10 JUNI 1998, ­in tegenwoor­digheid van Mr. A.CHARAN, fun­gerend-Griffier.

w.g.A.CHARAN w.g.J.R.VON NIESEWAND
w.g.M.G. DE MIRANDA
w.g.L.J.BUDHU LALL

Voor afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

SRU-HvJ-1997-15

PRO JUSTITIA IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

VONNIS 1997 No.3

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in af­schrift overgelegde verkort vonnis, door de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 25 april 1991 gewezen en uitgesproken tegen:

[verdachte]
oud 31 jaar;
van beroep visser;
geboren in [district 1];
wonende aan [adres 1] te [district 2], verdachte, inmiddels door het Hof van Justitie in Raadkamer ter terechtzitting van maandag, 23 september 1996 invrijheid gesteld;

Gelet op het tijdig door de verdachte en de Vervolgingsambtenaar ingesteld hoger beroep;

Gelet op het ten deze tegen de behoorlijk gedagvaar­de doch niet verschenen verdachte in hoger beroep verleende verstek;

Gehoord de verdachte in zijn verdediging, daarin bijge­staan door zijn raadsman, advokaat Mr H.MUNGRA, die hoewel de verdachte niet verschenen is deze doch bijstand heeft verleend en ook voor hem heeft gepleit;

Gehoord het Openbaar Ministerie;

Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte bij de inleidende akte van dagvaarding zijn te lastegelegd, de feiten zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding welke als hier geïnse­reerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat verdachte het hem bij inleidende akte van dagvaarding sub I, II en III te laste gelegde heeft begaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven;
met vrijspraak van het meer of anders te laste gelegde;

Overwegende, dat de Kantonrechter het bewezen verklaarde heeft gekwalificeerd als:

1. DIEFSTAL VERGEZELD VAN GEWELD TEGEN PERSONEN MET HET OOG­MERK OM DIE DIEFSTAL GEMAKKELIJK TE MAKEN, GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 372 lid 1 juncto lid 2 sub 2o van het Wetboek van Strafrecht;

2. HET MEDEPLEGEN VAN VERKRACHTING, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 295 juncto artikel 72 lid 1 sub 1o van het Wetboek van Strafrecht;

3. HET MEDEPLEGEN VAN MISHANDELING, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 360 lid 1 juncto artikel 72 lid 1 sub 1o van het Wetboek van strafrecht en de verdachte te dier zake heeft veroordeeld tot gevangenisstraf voor de tijd van ZEVEN JAREN;
met bevel tot teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan de rechtmatige eigenaar;

Overwegende, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter, dat niet naar de redenen van de wet gemotiveerd is, bevattende immers niet de gronden die tot die beslissing hebben geleid, en voorts vanwege het feit dat het sub 3 bovengenoemde straf­bare feit niet als zelfstandig feit voor bestraffing in aan­merking komt omdat dat feit gepleegd is in verband met het sub 1 vermelde strafbare feit, te weten het gebruik van geweld om dat feit te begaan (eendaadse samenloop), zal vernietigen en opnieuw zal worden rechtgedaan;

Overwegende, dat ter terechtzitting in hoger beroep afgezien is van het horen van getuigen maar dat het Hof vol­staat met de volgende bij de politie afgelegde verklaringen welke zakelijk weergegeven onder meer inhouden:

1. Overwegende, dat een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d.22 december 1990 door de Ambtenaar van Politie, dienende in de rang van agent van politie der eerste klasse, [verbalisant 1] als verklaring van [naam 1] , gehuwd [naam 2] , zakelijk weergeven onder meer inhoudt:
dat zij op 29 november 1990 omstreeks 09.00 uur bezig was de garage schoon te maken en drie mannen van creeolse afkomst op het erf zag komen;
dat één hunner, genaamd [naam 3] alias [naam 4] een afgezaagd jachtgeweer bij zich had;
dat de twee andere mannen direkt naar binnen liepen terwijl ”[naam 4]” het jachtgeweer op haar richtte en tegen haar zei om naar binnen te gaan;
dat ”[naam 4]” haar zei om in de eerste kamer te gaan alwaar zij en haar man slapen;
dat een der mannen een zakdoek om zijn gezicht had gebon­den en een houwer had in zijn handen, terwijl de andere man, [verdachte] alias ”[naam 5]”, een mes bij zich had;
dat ”[naam 4]” haar vroeg naar goud en geld terwijl de twee anderen zich naar de andere vertrekken van het huis begaven;
dat toen ze antwoordde dat haar geld op de bank was ”[naam 4]” boos werd en haar enkele slagen met het geweer op haar hoofd toebracht;
dat ”[naam 4]” de klerenkast begon te onderzoeken en Sf.10­00,= gulden vond in een jaszak van haar man;
dat ”[naam 4]” haar weer vroeg naar geld en sieraden en telkens als ze ontkende moest ze slagen incasseren;
dat de andere man met de houwer haar ook vroeg naar geld en sieraden en toen zij antwoordde dat zij geen geld en siera­den had zij enkele slagen met de platte kant van de houwer over haar hele lichaam heeft moeten incasseren;
dat op een gegeven moment de man met het jachtgeweer, ”[naam 4]” zei: ”VERKRACHT ENG”;
dat de man met de houwer, [naam 6], haar vastpakte aan haar halsstreek en hard tegenaan drukte;
dat zij daarna op het bed werd gesmeten, waarna de man met met het mes, ”[naam 5]”, de direktoir van haar lichaam scheurde en zijn stijf geworden penis in haar vagina stopte en op- en neerwaartse bewegingen begon te maken, waarbij hij na vijf minuten klaarkwam;
dat hierna de man met de houwer, [naam 6], zijn stijfgeworden penis in haar vagina stopte, waarna hij op- en neerwaartse bewegingen maakte waarna zij voelde dat hij klaar­kwam;
dat zij niet opgewassen was tegen de mannen en bang was om te schreeuwen;
dat zij daarna weer in de hoek van de kamer moest gaan zitten;
dat ”[naam 4]” de kamer uitging en daarna terug kwam met een kip die erg heet was en deze op haar hoofd drukte;
dat daarna ”[naam 4]” weer de kamer was uitgegaan en terug kwam met een mes, welk hij hard drukte op haar rechterbovenarm waarna zij een vreslijke pijn voelde omdat ook het mes heet was;
dat hij het mes vervolgens naar haar linkerarm verplaats­te en met kracht op haar bovenarm drukte;
dat hij daarna het mes weer op de eerste plaats ver­plaatste en hard erop drukte;
dat [naam 6] haar met de houwer slagen begon toe te brengen;
dat ”[naam 4]” vervolgens de klerenkast op het bed stootte en eronder een doos zag, waarin zij Sf.20.000,= gulden had verborgen;
dat de mannen de doos naar de voorkamer meenamen;
dat vervolgens ”[naam 4]” terugkwam met een houwer en aan de onderkant van de klerenkast begon te kappen en een lactogen blik te voorschijn haalde, waarin zij sieraden verborgen had;

2. Overwegende dat op een ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d. 29 november 1990 door de ambtenaar van Politie, dienende in de rang van agent van politie der eerste klasse, [verbalisant 2], als aangifte van de benadeelde, [naam 2] zakelijk weergegeven onder meer inhoudt:
dat heden morgen 29 november 1990 omstreeks 09.00 uur, drie mannen van creoolse origine haar erf op kwamen lopen waarbij de ene, gewapend met een jachtgeweer met afgezaagde loop en een pet op zijn hoofd, haar opdroeg haar woning binnen te gaan;
dat de andere twee de woning reeds waren binnengestapt waarbij de ene gewapend was met een houwer en een zakdoek om zijn voorhoofd had gebonden en de andere met twee messen, welke normaal gekleed was in een lange broek en een hemd;
dat de man met het jachtgeweer haar duwde in haar slaap­kamer en haar vroeg naar geld en sieraden;
dat de man met de twee messen de telefoon onbruikbaar maakte;
dat de man met de houwer en die met de messen een kip in de keuken in heet water, dat zij op het gasfornuis had, hebben geplaatst en op haar hoofd hebben gedrukt;
dat de man met het jachtgeweer haar hiermee op haar hoofd heeft geslagen;
dat twee van de mannen buiten haar wil, geslachtelijke gemeenschap met haar hebben gehad;
dat de man met de houwer haar op het bed smeet haar benen van elkaar spreidde waarbij de man met de twee messen de gelegenheid kreeg om zijn stijf geworden penis in haar vagina te stoppen en in haar klaarkwam;
dat de mannen tijdens de eerste verkrachting kledingstuk­ken op haar gezicht hadden geplaatst en dat de man met het jachtgeweer, nadat de eerste van haar was opgestaan, daarop zei: ”now joe moes go” waaruit zij concludeerde dat als tweede verkrachter, nu de man met de houwer op haar kwam liggen;

3. Overwegende, dat een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d. 1 december 1990, door de ambtenaar van Politie, dienende in de rang van majoor van politie, [verbalisant 3] als verklaring van [naam 2] zakelijk weergegeven onder meer inhoudt:
dat zij uit één, van de aan haar getoonde foto’s positief bekend heeft, [naam 3] alias ”[naam 4]”, als te zijn de man met het jachtgeweer door wie zij ook aan haar beide bovenarmen met een heet mes gebrand is geworden;
dat het ”[naam 4]” is geweest die het geld en de sieraden van onder de klerenkast heeft weggenomen;

4. Overwegende, dat een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d. 3 januari 1991 door de Ambtenaar van Politie, dienende in de rang van agent van politie der derde klasse, [verbalisant 4] als verklaring van [naam 1] gehuwd [naam 2], zakelijk weergegeven onder meer inhoudt:
dat op de bewuste dag van de beroving en de ver­krachting door [naam 3] alias ”[naam 4]”, [verdachte] alias ”[naam 5]” en [naam 6] werden buitgemaakt de volgende goederen: een bedrag groot Sf.1000,= uit een jaszak, een bedrag groot Sf. 20.000,= welke bewaard was in een plas­tiek doos, een plastiek doos inhoudende sieraden van geelme­taal te weten: 4 kinderhalskettingen voorzien van kralen, 3 grotere kinderhalskettingen, 2 halskettingen waarvan één met een hanger in de vorm van een munt met opschrift 2 1/2 $, en één met een muntenhanger met kroon met opschrift 5$, 1 hals­ketting met een hanger in de vorm van een S met een kroon, 1 set sieraden bestaande uit een collier, een damesbracelet, 1 vingerring, 1 paar oorbellen en een haarspeld, 4 dunne armban­den, 4 paar oorbellen, 4 vingerringen, 4 kindervingerringen, 5 haarspelden, 5 dasspelden en wat gebroken sieraden;
dat de mannen ook hebben weggenomen één paar handsnoer set, en sieraden van witmetaal namelijk: een paar oorbellen, een broche, en een hanger van een surinaamse gulden met een kroon;
dat daarnaast ook is weggenomen: een aantal nieuwe en oude hemden van haar man, een partij nieuwe als oude kindert­ruitjes, een partij nieuwe lapjes welke aan haar toebehoren, een pet welke aan haar man toebehoorde alsook een aansteker, 3 dames polshorloges, 2 nieuwe potten, 2 kleine fototoestellen, en een grote tas;
dat bij de beroving de daders haar fotolijsten, haar wandspiegel en haar naaimachine hebben vernield;
dat ze door deze beroving een schade lijd van ongeveer Sf.43.000,=;
dat ze aan [naam 3] alias ”[naam 4]”, [verdachte] en [naam 6] geen toestemming heeft gegeven om haar te overvallen, te beroven noch te verkrachten;

5. Overwegende, dat de op ambtseed opgemaakte proces­sen-verbaal van respektievelijk 22 en 27 december 1990 door de Ambtenaar van Politie, dienende in de rang van agent van politie der derde klasse, [verbalisant 4] als verklaring van [verdachte], zakelijk weergeven onder meer inhoudt:
dat hij toegeeft in vereniging met [naam 3] alias ”[naam 4]” en ene ”[naam 7]” na daartoe vooraf te hebben afgespro­ken een beroving te hebben gepleegd aan [adres 2] te [district 2] op donderdag 29 oktober 1990 ten huize van [naam 2], waarbij ”[naam 7]” een houwer bij zich had en ”[naam 4]” een jachtgeweer;
dat op die dag zij op het bewuste adres een vrouwspersoon van hindostaanse komaf op het erf zagen;
dat zij het huis binnengingen en de vrouw onder bedrei­ging meenamen;
dat hij zich bewapende met een mes welk in de keuken op een aldaar aanwezige wasbak lag;
dat de vrouw in haar slaapkamer werd gebracht waarna zij door ”[naam 4]” middels het jachtgeweer, welke hij bij zich had, bedreigd en ondervraagd werd;
dat hij zich daarna begaf naar een der andere kamers en deze overhoop haalde op zoek naar geld en sieraden;
dat nadat ”[naam 4]” de vrouw vroeg naar geld en sieraden en zij bleef ontkennen deze in huis te hebben, ”[naam 4]” haar begon te mishandelen.
dat de vrouw door twee hunner, waarbij ”[naam 7]” de tweede persoon was, werd verkracht;
dat zij onder de klerenkast, in de slaapkamer der echte­lieden, een blikje vonden waarin geld was bewaard en een blik waarin sieraden waren opgeborgen!
dat zij de vrouw vervolgens in de badkamer hebben opge­sloten en na de snoer van het telefoontoestel te hebben door­gesneden, de plaats hebben verlaten met medeneming van het geld en de sieraden;

6. Overwegende, dat een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d. 22 december 1990 door de Ambtenaar van Politie, dienende in de rang van agent van politie der eerste klasse, [verbalisant 5] als verklaring van [naam 3] alias ”[naam 4]”, zakelijk weergegeven onder meer inhoudt:
dat hij toegeeft samen met [verdachte] alias ”[naam 5]” en [naam 6] alias ”[naam 7]” in vereniging [naam 2] hebben beroofd aan [adres 2] te [district 2] op donderdag 29 november 1990, waarbij er sieraden van geel metaal en een geldbedrag groot Sf.21.000,= werden wegge­nomen;

7. Overwegende, dat een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d. 26 februari 1990 door de Ambtenaar van Politie, dienende in de rang van agent van politie der derde klasse, [verbalisant 4] als verklaring van [naam 6], zakelijk weerge­geven onder meer inhoudt:
dat hij toegeeft in vereniging met [naam 3], alias ”[naam 4]” en [verdachte] alias ”[naam 5]” op donderdag 29 november 1990 de vrouwspersoon genaamd [naam 1] gehuwd [naam 2], in haar woning aan [adres 2] te [district 2], gewapend middels een jachtgeweer met afgezaagde loop, een houwer en messen, te hebben beroofd;
dat bij de vrouw sieraden van geelmetaal en een geldbe­drag is weggenomen;
dat de vrouw door hen met een heet mes aan haar beide bovenarmen is gebrand;

8. Overwegende, dat een door de dienstdoende arts op de afdeling EHBO van het Academisch Ziekenhuis d.d. 29 november 1990 afgegeven geneeskundige verklaring zakelijk inhoudt als bevinding van de geneesheer voornoemd bij onderzoek van [naam 4]:
dat op het lichaam zijn waargenomen eerste en tweede graads brandwonden aan de linker en rechterbovenarm en kleine heamatonen aan de keel;

Overwegende, dat het Hof op grond van de inhoud van voormelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht, met de schuld van verdachte daaraan hetgeen hem bij dagvaar­ding sub I en II is telastegelegd, te weten dat hij:

I op 29 november 1990, te [district 2] tezamen en vereniging na een daartoe van te voren gemaakte afspraak met [naam 3] en [naam 6] met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening hebben weggenomen uit een woning, een geldbedrag groot f.21000,- (EEN EN TWINTIG DUIZEND GULDEN) en een doos inhoudende halskettingen van geel metaal en 2 (twee) bijbeho­rende hangers van geel metaal en 1 (een) halsketting van geel metaal met bijbehorende hanger in de vorm van een S met kroon van geel metaal en 1 (een) collier van geel metaal en 1 (een) bracelet van geel metaal en 5(vijf) vingerringen van geel metaal en 4 (vier) armbanden van geel metaal en 4 (vier) kinder vingerringen van geel metaal en haarspelden van geel metaal en 5 (vijf) dasspelden van geel metaal en gebroken stukken siera­den van geel metaal en 1 (een) paar oorbellen van wit metaal en 1(een) broche van wit metaal en 1 (een) hanger van wit metaal en nieuwe en oude kledingstukken en 1 (een) pet en 1(een) aansteker en 3 (drie) polshorloges en 2 (twee) potten en 1(een) tas en 2 (twee) fototoestellen toebehorende aan [naam 2],

hebbende hij verdachte tezamen en in vereniging vermelde diefstal doen vergezellen met geweld tegen [naam 2] voornoemd gepleegd met het oogmerk om het bezit van het gestolene te verzekeren,

hebbende immers hij verdachte tezamen en in vereniging als vermeld, terwijl zij een vuurwapen, en een mes en een houwer bij zich hadden zich begeven naar vermelde woning en vervolgens opzettelijk dreigend vermeld vuurwapen, in de richting van het lichaam van die [naam 2] – die zich alstoen in de garage van vermelde woning bevond- gericht gehouden en vervolgens opzettelijk dreigend aan die [naam 2] te kennen gegeven dat zij meteen naar binnen moest gaan en vervolgens naar een kamer te lopen en vervolgens opzettelijk dreigend die [naam 2] naar haar sieraden en geld gevraagd en vervolgens- toen die [naam 2] steeds zei dat alles op de bank was en weigerde te vertellen waar haar geld en sieraden waren- opzettelijk ge­welddadig voornoemde [naam 2] met vermeld vuurwa­pen, slagen op het hoofd toegebracht en vervolgens opzettelijk dreigend die [naam 2] opgedragen om in een hoek van vermelde kamer te gaan zitten en opzettelijk gewelddadig bedoelde kamer, de woning doorzocht en vervolgens daarbij een geldbe­drag groot f1000,-(EENDUIZEND GULDEN), in een jaszak gevonden en vervolgens dit geldbedrag tot zich genomen en hebbende hij, verdachte en die [naam 3] en die [naam 6], toen die [naam 2] bleef weigeren te vertellen waar haar geld en sieraden waren opzettelijk gewelddadig voornoemde [naam 2] met vermeld vuurwapen slagen op het lichaam toegebracht en opzettelijk gewelddadig een kip welke zij in heet water hadden gedompeld voor enige tijd tegen het hoofd van die [naam 2] gedrukt gehou­den en vervolgens opzet­telijk gewelddadig een mes, welke zij eveneens in heet water hadden geplaatst, op de armen van die [naam 2] gedrukt gehouden en vervolgens opzettelijk gewelddadig bedoelde kamer nog eens doorzocht en opzettelijk gewelddadig een klerenkast omver geduwd en vervolgens opzettelijk ge­weld­dadig middels vermeld houwer vermelde klerenkast gedeelte­lijk opengekapt en opzette­lijk daaruit en daaronder vermelde siera­den en een geldbedrag groot f.20.000,- (TWINTIG DUIZEND GUL­DEN), weggeno­men en opzettelijk dreigend aan die [naam 2] te kennen gegeven dat zij zich in een kamer moest opsluiten en dat zij niet uit de kamer mocht gaan,

hebbende vervolgens, hij, verdachte en die [naam 3], en die [naam 6] zich met medeneming van vermelde goederen uit de voeten gemaakt.

II. Op 29 november 1990, te [district 2] tezamen en in vereni­ging met [naam 6] met geweld [naam 2] heb heb gedwongen om met hun buiten echt vleselijke gemeenschap te hebben, hebbende hij, verdachte en die [naam 6] opzettelijk gewelddadig die [naam 2] met wie zij alstoen niet gehuwd waren aan de hals, vastgegrepen en gedrukt gehouden en vervolgens opzet­telijk gewelddadig die [naam 2] geduwd op een bed en ver­volgens opzet­telijk dreigend aan die [naam 2] te kennen gegeven dat zij niet moest schreeuwen, anders zou zij worden gedood en opzet­telijk dreigend aan die [naam 2] mede gedeeld dat zij op haar rug moest blijven liggen en vervolgens opzettelijk ge­welddadig die [naam 2] aan haar benen vastgegrepen en vervolgens opzette­lijk gewelddadig de directoir van die [naam 2] weggerukt en vervol­gens opzettelijk gewelddadig kledingstukken op het gezicht van die [naam 2] geplaatst en vervolgens dreigend aan haar te kennen gegeven, dat zij vermelde kledingstukken niet moest weghalen en vervolgens opzettelijk hun in erectie zijnde penis gestopt in de ontblote vagina van die [naam 2] en aldus opzettelijk buiten echt vleselijke gemeenschap met haar gehad.

Overwegende, dat de ten laste van verdachte bewezen geachte feiten moeten worden gekwalificeerd als:

1. DIEFSTAL VERGEZELD VAN GEWELD TEGEN PERSONEN GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL GEMAKKELIJK TE MAKEN, GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 372 lid 1 juncto lid 2 sub 2o van het Wetboek van Strafrecht;

2. HET MEDEPLEGEN VAN VERKRACHTING, misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 295 juncto 72 sub 1o van het Wetboek van Strafrecht;

Overwegende, dat de verdachte deswege strafbaar is zijnde van geen grond tot uitsluiting of opheffing der straf­baarheid gebleken;

Overwegende, dat het Hof bij de strafoplegging rekening heeft gehouden met de ernst van de gepleegde feiten, de om­standigheden waaronder deze werden gepleegd en de persoon van de verdachte, doch gelet op het feit dat de redelijke termijn van procesvoering overschreden is, en de verdachte reeds meer dan 2/3 deel van de opgelegde straf uitgezeten heeft, dit zal verdisconteren in de strafmaat;

Gezien, behalve vorenaangehaalde wetsartikelen, de arti­kelen 9, 11, 38, 44 en 127 van het Wetboek van Strafrecht;

Overwegende, dat hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub III is te laste gelegd niet als afzonderlijk feit ten laste gelegd had moeten zijn omdat het daarin omschreven geweld aangewend is om het feit onder sub 1 te plegen (eendaadse samenloop) en zal bij de strafoplegging hiermede rekening worden gehouden terwijl het Openbaar Ministerie wat feit sub 3 betreft niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vorde­ring;

Overwegende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub I en II meer of anders is telastegelegd dan bewezen is verklaard, weshalve hij daarvan behoort te worden vrijgesproken;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP BIJ VERSTEK:

Vernietigt het vonnis van 25 april 1991 door de Kanton­rechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken tegen de verdachte [verdachte], waarvan beroep;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk met betrekking tot het sub 3 tenlastegelegde strafbare feit;

Verklaart wettig en overtuigend bewezen, hetgeen hiervo­ren bewezen is geacht;

Kwalificeert de bewezen verklaarde feiten als voormeld;

Verklaart de bewezen verklaarde feiten en de verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt hem te dier zake tot gevangenisstraf voor de tijd van VIJF JAAR EN ZES MAANDEN;

met bepaling dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuit­voerlegging van deze uitspraak van 17 december 1990 voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, hetgeen hem bij dagvaarding sub I en II meer of anders is telaste gelegd, dan bewezen is verklaard;

Spreekt de verdachte vrij van hetgeen hem bij dagvaarding sub 1 en 2 meer of anders telaste is gelegd dan bewezen is verklaard;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S. GANGARAM-PANDAY, fungerend-President, Mr.P.G. WOLFF en Mr.K. PULTOO, leden, in tegenwoordigheid van mevr. Mr.M.E. VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier, die dit vonnis hebben ondertekend en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van WOENSDAG, 21 MEI 1997 door de fungerend-President Voornoemd.

w.g.M.E. VAN GENDEREN-RELYVELD
w.g. S.GANGARAM PANDAY
w.g. P.G.WOLFF
w.g. K.PULTOO

Voor afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

SRU-HvJ-1983-1

Hof van Justitie
28 oktober 1983, G.R. 11357
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, E.S. Ombre, O.W. Abendanon)

Coöperatieve Inkoop- Verkoop en Landbouwwerktuigen Vereniging Kwatta en Omstreken G.A., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Kwatta in het distrikt Suriname, advokaat Mr. C.CH. Bhagwandin, appellante,

tegen

A. [geïntimeerde sub a], echtgenote van [geïntimeerde sub b] en

B. [geïntimeerde sub b], tot machtiging en bijstand van zijn vermelde echtgenote, beiden wonende in het distrikt Suriname, advokaat Mr. A.L. Tjon Kwan Paw, geïntimeerden,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton respectievelijk van 27 november 1979 en 12 mei 1981 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 10 juni 1981, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat de Coöperatieve Inkoop- Verkoop- en Landbouwwerktuigen Vereniging Kwatta en omstreken G.A. als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

dat eiseres de navolgende vordering in Kort Geding wenst in te stellen tegen:

A. [geïntimeerde sub a], echtgenote van [geïntimeerde sub b ] en

B. [geïntimeerde sub a], tot machtiging en bijstand van zijn voormelde echtgenote, beiden wonende in [district], gedaagden;

  1. dat blijkens de hierbij in fotocopie overgelegde onderhandse akte dd. 13 september 1963 – waarvan wordt verzocht de inhoud als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen – heeft gedaagde sub B in zijn hoedanigheid van beheerder van de tussen hem en zijn echtgenote, gedaagde sub a, bestaande huwelijksgemeenschap via zijn schriftelijk gevolmachtigde, de heer [naam] het aan hen toekomend onverdeelde aandeel in ”het perceelland groot een hectare zes en negentig aren, gelegen aan het middenpad van de [plantage] in [district], voor de som van f.7.500,– welk bedrag reeds is betaald;
  2. dat in verband met bepaalde problemen zowel aan de zijde van eiseres als aan de zijde van gedaagden de juridische levering na de koop niet kon plaatsvinden;
  3. dat enkele maanden geleden alle gerechtigden op gedaagden na hun onverdeelde aandeel in het litigieuze onroerend goed aan eiseres juridisch hebben geleverd;
  4. dat gedaagden echter ondanks herhaalde verzoeken in der minne weigeren aan de juridische levering van hun aandeel mede te werken;
  5. dat volgens door eiseres bekomen inlichtingen gedaagde sub B op 27 december a.s. voor goed naar [land] zal vetrekken;
  6. dat eiseres thans gerechtigd is de rechter in kort geding te adiëren, teneinde een veroordeling tot levering van het aandeel van gedaagden in voormeld onroerend goed te verkrijgen;
  7. dat op grond van het hierboven gestelde in deze zaak een spoedeisend karakter draagt en geen uitstel kan gedogen, zodat een onmiddellijke voorziening bij voorraad noodzakelijk is;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in Kort Geding, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, gedaagden zullen worden veroordeeld om binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn mede te werken aan de juridische levering van hun aandeel (groot 3190/22700e deel) in voorschreven onroerend goed en te dien einde de daartoe benodigde akten te doen verlijden ten overstaan van notaris R. Ramautar of een andere door de Kantonrechter aan te wijzen notaris, met bepaling dat gedaagden voor iedere dag dat zij hiermede in gebreke blijven een dwangsom van f.500,– aan eiseres zullen verbeuren, kosten rechtens;

Overwegende, dat de Kantonrechter in Kort Geding bij beschikking van 27 december 1978 de onderhavige zaak vanwege haar ingewikkeldheid heeft verwezen naar zijn gewone terechtzitting, teneinde aldaar te worden behandeld;

Overwegende, dat [geïntimeerde sub a] e.a. als gedaagden in eerste aanleg voor antwoord hebben gezegd:

  1. dat zij alles ontkennen en betwisten wat niet uitdrukkelijk en woordelijk door hen wordt erkend en een beroep doen op de onsplitsbaarheid van hun aveu, echter onder aanbod van bet bewijs hunner stellingen, doch onder protest tegen de gehoudenheid daartoe;
  1. dat gedaagde sub B ten stelligste ontkent via [naam], of welke andere persoon ook of op welke andere wijze, het hem als beheerder van de tussen hem en gedaagde sub A toekomend onverdeeld aandeel in het litigieuze perceel, aan eiseres te hebben verkocht en/of daarvoor geld te hebben ontvangen;
  2. dat gedaagden dus de gestelde koopovereenkomst ontkennen;
  1. dat gedaagden dan ook niet verplicht zijn voorschreven onverdeeld aandeel aan eiseres te leveren;

Overwegende, dat de gedaagden op deze gronden voor antwoord hebben geconcludeerd:

dat eiseres in haar vordering niet zal worden ontvangen, deze haar althans zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen, kosten rechtens;

Overwegende, dat daarna de gemachtigde van eiseres wijziging van het petitum van het verzoekschrift heeft gevraagd in dier voege, dat de woorden ”in Kort Geding” vervallen, hebbende de gedaagde hiertegen geen bezwaar gemaakt, waarna de Kantonrechter de gevraagde wijziging heeft toegestaan;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek, welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingelast, haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, onder overlegging van producties zijdens eiseres;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 27 november 1979 een comparitie van partijen heeft gelast, bij welke comparitie de heer [geïntimeerde sub a], broer van gedaagde sub A en zwager van gedaagde sub B, en de heer [naam 1], voorzitter van eiseres, ter terechtzitting zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – als hier geïnsereerd te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen schriftelijke conclusies na gehouden comparitie van partijen hebben genomen onder overlegging van producties door de gemachtigde van eiseres;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen nadere conclusies hadden genomen de Kantonrechter bij vonnis van 12 mei 1981 heeft overwogen;

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of niet voldoende weersproken, alsmede blijkende uit de ten processe overgelegde producties staat tussen partijen rechtens vast:

  1. dat de gedaagde sub B, in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met de gedaagde sub A, bij onderhandse akte dd. 13 september 1963 de heer [naam 2] heeft gemachtigd met een zogenaamde boedelvolmacht om hem, – gedaagde sub B – te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van de boedel van de ouders van zijn echtgenote in welke volmacht ook de bevoegdheid tot verkoop van boedelgoederen was inbegrepen;
  2. dat de meeste deelgerechtigden van de boedel van de ouders van gedaagde sub A, waaronder gedaagde sub B als beheerder der goederengemeenschap bestaande tussen hem en gedaagde sub A, vertegenwoordigd door zijn bovengenoemde lasthebber het hun toekomend aandeel in een perceel, behorende tot de voormelde boedel bij onderhandse akte dd. 13 september 1963 hebben verkocht aan de eiseres, die toen nog een coöperatieve vereniging in oprichting was, zijnde eiseres als een coöperatieve vereniging opgericht bij notariële akte dd. 7 augustus 1979 (zie G.A.B. 6 januari 1975 no.3);
  3. dat de verkopers onder 2 bedoeld, met uitzondering van gedaagden, [naam 3] en [naam 4] (dochter van [geïntimeerde sub a], die zijn gehele aandeel in bovenbedoelde perceel bij eerder gemelde onderhandse koopovereenkomst aan eiseres had verkocht), tezamen met enkele andere deelgerechtigden in bovengenoemde boedel hun onverdeelde aandelen in bovenbedoeld onroerend goed bij akte dd. 9 december 1978, verleden ten overstaan van de te Paramaribo residerende notaris Ramdew Ramautar, hebben overgedragen aan eiseres, van welke akte een afschrift ten hypotheekkantore is overgeschreven;
  4. dat onder andere de gedaagden weigeren het hun toekomend aandeel, ad 3190/27700 gedeelte in bovenbedoeld onroerend goed, hetwelk zij bij bovenbedoelde onderhandse akte hadden verkocht aan eiseres in oprichting, aan eiseres te leveren;

Als eerste verweer voeren gedaagden aan, dat eiseres bij de koop nog geen rechtspersoon was, niet aan het rechtsverkeer kon deelnemen en dus ook geen koopovereenkomst met gedaagde sub B kon aangaan;

Dit verweer kan gedaagden niet baten.

Het is in het rechtsverkeer algemeen gebruikelijk, dat een rechtspersoon in oprichting reeds aan het rechtsverkeer deelneemt en dat de opgerichte rechtspersoon de rechten en verplichtingen van haar voorgangster overneemt en voortzet. Partijen hebben in casu ook niet anders bedoeld. In de ten processe overgelegde koopovereenkomst staat immers dat eiseres toen in oprichting was;

Als tweede en verder strekkend verweer hebben gedaagden de vraag aan de orde gesteld of een deel van de deelgerechtigden in een boedel bevoegd zijn hun aandeel in een bepaald goed van de boedel te verkopen als in casu is geschied. Buiten iedere twijfel staat namelijk dat alle deelgerechtigden tezamen die bevoegdheid wel bezitten namelijk om tezamen een bepaald goed behorende tot een onverdeelde boedel te verkopen (en over te dragen);

Rechtens staat in casu vast, dat gedaagden hun aandeel in het onroerend goed in de onderhandse akte dd. 13 september 1963 genoemd bij (obligatoire) koopovereenkomst aan eiseres hebben verkocht. Nu zij aan de levering van hun aandeel weigeren mede te werken, is de vraag thans aan de orde of de levering in rechte kan worden afgedwongen. Het is duidelijk, dat deze vraag bij de verkoop van een gehele perceel niet gesteld zou worden. Anders geformuleerd luidt de vraag in casu: welke rechtskracht bezit een koopovereenkomst, waarin een deelgerechtigde of een deel van de deelgerechtigden slechts zijn aandeel of hun aandelen in een bepaald goed van een boedel heeft of hebben verkocht?

Het antwoord op deze vraag luidt: geen enkele. Zo’n overeenkomst heeft slechts rechtsgevolgen als alle deelgerechtigden tezamen een goed van een boedel verkopen, of een gedeelte van een goed. Vereist is in ieder geval dat alle deelgerechtigden daaraan medewerken, ook al verkopen niet allen hun aandeel in dat goed;

Bij weigering kan dan de levering worden afgedwongen, eventueel met een dwangsom. Elke deelgerechtigde is daarnevens bevoegd zijn gehele aandeel in een boedel te verkopen en over te dragen, welke rechtsfiguur als verkoop erfrecht bekend is (zie artikel 1558 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek);

Nu in casu van geen van de bovengenoemde mogelijkheden van verkoop van een goed van een boedel is gebruik gemaakt, kan van gedaagde geen levering worden gevorderd;

Eiseres zal dan ook in haar vordering niet worden ontvangen. Zou het anders zijn, dan zou een onverdeeld aandeel in een boedelgoed als een zelfstandig goed worden beschouwd, hetgeen in boedelgemeenschappen (gebonden vormen van mede-eigendom als ontbonden huwelijksgemeenschap en nalatenschap) niet is toegestaan. (zie uitgebreid hierover: Mr. W.M. Kleyn: De Boedelscheiding pagina 83 en volgende, Asser-Meyers/van der Ploeg Erfrecht 7e druk, pagina 270 en volgende);

Gedaagde sub B was in casu dus onbevoegd tot de verkoop aan eiseres (in oprichting) en op grond hiervan komt eiseres niet een actie tot levering toe;

Overwegende, dat de Kantonrechter op deze gronden eiseres niet ontvankelijk heeft verklaard in de door haar ingestelde vordering;

eiseres heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.. Nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal de Coöperatieve Inkoop- Verkoop- en Landbouwwerktuigen Vereniging Kwatta en omstreken G.A. in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 12 mei 1981;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder B. Ghiraw van 1 september 1981 aan geïntimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat appellante tijdig in hoger beroep is gekomen;

Overwegende, dat appellante zich gegriefd voelt door de tweede rechtsoverweging van de Kantonrechter in diens vonnis van 12 mei 1981, gewezen en uitgesproken tussen partijen, alwaar de Kantonrechter heeft overwogen, dat de meeste deelgerechtigden het hun toekomend aandeel in het litigieuze perceel op 13 september 1963 hebben verkocht aan appellante;

Overwegende, dat appellante in dit verband heeft gesteld dat alle deelgerechtigden in het litigieuze perceel hun onverdeeld aandeel gezamenlijk hebben verkocht aan appellante; dat de overgelegde onderhandse akte van 13 september 1963 op één gerechtigde na, te weten [naam 6], die wel mede heeft verkocht, doch ten tijde van het ondertekenen van voormelde akte niet aanwezig kon zijn door alle gerechtigden is getekend;

Overwegende, dat voormelde stelling van appellanten onjuist is, immers;

  1. volgens de transportakte van 9 december 1978 waren onder andere tot het onderhavige onroerend goed gerechtigd [naam 5] en [naam 5]. Deze worden in de akte van 13 september 1963 niet genoemd en hebben deze ook niet ondertekend.
  2. [naam 6] wordt in de koopakte van 13 september 1963 evenmin genoemd; dit, omdat hij al op 23 april 1963 (zie transportakte van 9 december 1978, derde blad) zijn aandeel aan een andere gerechtigde, met name [naam 5], had verkocht. Ten tijde van de verkoop aan appellante was [naam 6] dus geen gerechtigde meer;

Overwegende, met betrekking tot de vraag of alle deelgerechtigden hun aandeel hebben verkocht;

  • hoewel de hierboven onder 1 genoemde personen de koopakte van 13 september 1963 niet hebben ondertekend, hebben zij meegewerkt aan de transportakte van 9 december 1978, zodat mag worden aangenomen, dat zij naderhand hebben ingestemd met de verkoop;
  • als partij bij de koopovereenkomst van 13 september 1963 wordt genoemd [geïntimeerde sub a]. Deze is evenwel, volgens de transportakte van 9 december 1978 (zie ommezijde van derde blad) op 30 maart 1963 overleden, latende als zijn erfgenamen, zijn echtgenote [naam 7], drie minderjarige kinderen en één meerderjarig kind [naam 8]. Die echtgenote voornoemd heeft in privé en als moeder-voogdes over de drie minderjarige kinderen meegewerkt aan de transportakte van 9 december 1978, zodat ook al heeft [geïntimeerde sub a] niet verkocht, deze erfgenamen alsnog met die verkoop hebben ingestemd. Blijft over [naam 8], die niet heeft meegewerkt aan de transportakte van 9 december 1978;

Overwegende, dat alvorens een definitief oordeel te geven over appellante ’s grief, appellante in de gelegenheid zal worden gesteld zich omtrent het navolgende uit te laten casu quo bescheiden over te leggen:

  1. gaat [naam 8] accoord met de verkoop? Zo neen
  2. wanneer is [geïntimeerde sub a] overleden? (uittreksel overlijdensakte overleggen);
  3. heeft [geïntimeerde sub a] aan de verkoop meegewerkt?

Rechtdoende in hoger beroep
Alvorens definitief te beslissen;

Stelt appellante in de gelegenheid zich uit te laten over voormelde vraagpunten, casu quo producties over te leggen;

Bepaalt, dat dit verhoor zal worden gehouden ter terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 2 december 1983, des voormiddags te Half Negen Uur in de zittingszaal van dit Hof aan het Onafhankelijkheidsplein no.6 te Paramaribo;

Houdt iedere verdere uitspraak aan.

SRU-HvJ-1988-6

Hof van Justitie
02 februari 1998, 1998 no. 02
(Mrs. Sh. Gangaram Panday, A.I. Ramnewash, W.R. Willemzorg, P.G. Wolff, K. Pultoo)

Het Hof van Justitie van Suriname in revisie;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Derde Kanton op 6 april 1990 gewezen en uitgesproken alsmede, het in afschrift overgelegde vonnis, door het Hof van Justitie van Suriname op 26 januari 1994, rechtdoende in hoger beroep, gewezen en uitgesproken -welke vonnissen hier als geheel geïnsereerd worden beschouwd- tegen:

[verzoeker], oud 50 jaar, van beroep architect tevens industrieel, geboren in Suriname, wonende te [district], Suriname en in Nederland te [woonplaats], thans verzoeker;

Gelet op het namens verzoeker door Mr. dr. Rene M. Reeder en Mr. Armand van der San, beiden advocaten bij het Hof van Justitie, ingediend revisieverzoek, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 1 november 1996, strekkende tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van het Hof van Justitie, rechtdoende in hoger beroep van 26 januari 1994; Gelet op de beschikking d.d. 2 april 1997 gegeven door het Hof van Justitie in raadkamer, inhoudende de ontvankelijk verklaring van verzoeker alsmede verwijzing van de zaak naar de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie, voor verdere behandeling;

Gelet op het onderzoek in beide instanties alsmede het onderzoek in revisie, welke revisiebehandelingen ter openbare terechtzittingen plaatsgevonden hebben op 22 december 1997, 12 januari 1998 en 2 februari 1998;

Gelet op de getuigen in hun beëdigde verklaringen in revisie, blijkende uit het daarvan opgemaakte processen-verbaal;

Gehoord het Openbaar Ministerie;

1. De uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd:
Het Hof van Justitie, rechtdoende in hoger beroep, heeft verzoeker ter zake van ”oplichting” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) maanden met aftrek van de tijd vanaf 6 april 1989 t/m 5 juni d.a.v. in voorarrest doorgebracht, welk feit hem onder I van de telastelegging was verweten, met vrijspraak van de andere onderdelen van de telastelegging onder II, III en IV.

2. De grondslag van het revisieverzoek:
Verzoeker heeft het verzoek doen steunen op de omstandigheden -zakelijk weergegeven- dat hij de benodigde goederen voor het CIS-project heeft verkocht en geleverd uit eigen voorraad, welke goederen voor 4 maart 1987 in zijn magazijnen aanwezig waren; dat de directeuren van het Ministerie van Openbare Werken (O.W.) en het Centraal Importbedrijf Suriname (CIS) daarvan wetenschap hadden; dat verzoeker voor wat betreft de verkoop en levering van materialen gehandeld heeft als industrieel en handelaar; dat verzoeker niet persoonlijk als ontwerper en toezichthouder bij het betreffende bouwprojekt betrokken is geweest, doch het Architectenbureau B. N.V. i.o.; dat de brief van 4 maart 1987 – als produktie in de gedingstukken voorkomende – gezien moet worden als een confirmatie van hetgeen betrokken partijen overeengekomen waren over de benodigde bouwmaterialen en prijzen. (grond I).

En voorts op de omstandigheid – eveneens zakelijk weergegeven- dat verzoeker veroordeeld is voor het niet terzake bewezenverklaarde. (grond II).

3. De beoordeling van het revisieverzoek:

3.1 Vooreerst merkt het Hof op dat deze uitsluitend zal ingaan op die grond die relevant is voor de beoordeling van de herzieningsaanvrage, te weten grond I.

3.2 Uit het onderzoek in revisie is genoegzaam komen vast te staan dat de brief van 4 maart 1987, de kenmerken van een offerte (aanbod) vertoont. Immers niet is gesteld noch anderszins gebleken dat verzoeker uitsluitend tegen geldende prijzen – die in casu eveneens niet zijn komen vast te staan nl. welke die prijzen precies zouden moeten zijn – mocht offreren danwel bij zijn prijsvaststelling aan andere restricties onderworpen was, zodat, bij gebreke van contra-indicaties, in rechte aangenomen moet worden dat hij, verzoeker, de vrijheid had om zelf de prijzen vast te stellen voor de benodigde materialen.

3.3 Het Hof in revisie is van oordeel dat deze gereleveerde omstandigheid –nl. dat de brief van 4 maart 1987 een offerte inhoudt- voordien tijdens het onderzoek in eerste aanleg alsmede in hoger beroep niet substantieel uit de verf is gekomen, weshalve deze omstandigheid als novum in de zin van art. 386 eerste lid aanhef onder sub 2 van het Wetboek van Strafvordering aangemerkt moet worden.

3.3 Blijkens de brief van 4 maart 1987 zijn de daarin geoffreerde prijzen en bouwmaterialen geconfirmeerd door de heren [naam 1] (toentertijd waarnemend direkteur van O.W.) en [naam 2] (toentertijd direkteur van het CIS), waardoor tussen de betrokken partijen wilsovereenstemming bestond met betrekking tot de prijzenvaststelling en de levering van de benodigde bouwmaterialen.

3.4 Het Hof neemt daarbij tevens in aanmerking de stelling dat verzoeker – anders dan een reguliere directievoerder c.q. toezichthouder – tevens belast was met inkoop/verkoop/levering van de benodigde bouw-materialen. Ter adstructie van deze stelling, ten grondslag liggend aan de aanvrage, is namens verzoeker door diens raadslieden aangevoerd dat bij met name de heren [naam 1] en [naam 2], hij, verzoeker, tevens bekend staat als handelaar en industrieel in welke hoedanigheden de verkoop en levering van de benodigde bouwmaterialen aan het CIS hebben plaatsgevonden. Ter staving van deze hoedanigheden heeft verzoeker een kopie van inschrijving uit het Handelsregister overgelegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in alle instanties, noch uit de inhoud van het strafdossier is, naar het oordeel van het Hof in revisie, gebleken dat verzoeker inzake de verkoop e/o levering van de betreffende bouwmaterialen geen winsten mocht maken. Daar komt nog bij kijken dat verzoeker tevens de benodigde bouwmaterialen, althans een (aanzienlijk) deel daarvan, uit eigen voorraad heeft geleverd. In ieder geval kan uit de processtukken het tegendeel van het zoeven vermelde niet worden opgemaakt.

3.5 De hierboven gereleveerde nieuwe omstandigheid inhoudende de goedgekeurde offerte bezien tegen de achtergrond van hetgeen in r.o. 3.4 is overwogen, voert, teruggekoppeld naar de telastelegging onder I, welke is toegespitst op oplichting (artikel 386 van het Wetboek van Strafrecht),- ter zake waarvan verzoeker na bewezenverklaring is veroordeeld – tot de slotsom dat de bestanddelen van bedoelde telastelegging inzake de oplichtingsmiddelen niet bewezen kunnen worden aangenomen, zodat vrijspraak van het telastegelegde onder I moet volgen.

3.6 Namens verzoeker is door de verdediging het verzoek gedaan tot teruggave van de indertijd ten laste van verzoeker inbeslaggenomen goederen. Nu het oorspronkelijk dossier verbrand is en uit het thans aanwezige schaduw-dossier niet uit te maken is, welke goederen toentertijd als vermeld inbeslag waren genomen, zal het Hof over het verzoek ter zake niet beslissen omdat het Hof daartoe niet in staat is, de verzoeker in overweging gevende dat indien hij over de nodige gegevens van de inbeslagneming beschikt, hij bij de Kantonrechter de teruggave van die goederen alsnog zal kunnen vorderen.

Rechtdoende in revisie
Vernietigt het vonnis van 26 januari 1994 door het Hof van Justitie gewezen en uitgesproken tegen de veroordeelde [verzoeker];

En alsnu opnieuw rechtdoende in revisie
Verklaart het herzieningsverzoek gegrond;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder I van de telastelegging, te weten oplichting is telastegelegd, zoals opgenomen in het vonnis van het Hof van Justitie, rechtdoende in hoger beroep d.d. 26 januari 1994;

Spreekt hem daarvan vrij;

Verklaart niet in staat tot het geven van een last omtrent de teruggave van de eventueel inbeslaggenomen goederen.

SRU-HvJ-1997-14

PRO JUSTITIA IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

VONNIS 1997 NO.8

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 12 januari 1995 gewezen en uitgesproken tegen:

[verdachte],
oud 37 jaar,
van beroep operator,
geboren in [district],
wonende te [adres], verdachte, inmiddels door het Hof van Justitie ter terechtzitting van woensdag, 28 mei 1997 invrijheid gesteld;

Gelet op het tijdig door de verdachte ingesteld hoger beroep;
Gehoord de verdachte in zijn verdediging, daarin bijgestaan door zijn raadsman, Mr. R.U.F. TRUIDEMAN;
Gehoord de getuigen in hun beëdigde verklaringen;
Gehoord het Openbaar Ministerie;
Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte zijn ten laste gelegd de feiten zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding, welke akte van dagvaarding als hier geïnsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis door de daarin vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat hij het hem bij inleidende akte van dagvaarding ten laste gelegde heeft begaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven;
met vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde;

Overwegende, dat de Kantonrechter het bewezen verklaarde heeft gekwalificeerd als: ”HET MEDEPLEGEN VAN ZWARE MISHANDELING DE DOOD TEN GEVOLGE HEBBENDE”, misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij art. 362 lid 1 juncto artikel 72 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, en de verdachte te dier zake heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaren en zes maanden;

Overwegende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen de verdachte bij inleidende akte van dagvaarding is ten laste gelegd, weshalve hij daarvan behoort te worden vrijgesproken en het vonnis a quo, moet worden vernietigd;

Gezien artikel 338 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis dd. 12 januari 1995 door de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken tegen de [verdachte], waarvan beroep;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij inleidende akte van dagvaarding is ten laste gelegd;

SPREEKT HEM DAARVAN VRIJ;

Aldus gewezen door de Heren: Mr. S.GANGARAM-PANDAY, fungerend- President, Mr. A.I. RAMNEWASH en Mr. K. PULTOO, Leden, in tegenwoordigheid van Mr. R. JANKIPERSAD-GHARBARAN, fungerend-Griffier, die dit vonnis hebben ondertekend en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van WOENSDAG, 2 JULI 1997 door de fungerend President voornoemd.

w.g.R.JANKIPERSAD-GHARBARAN
w.g.S.GANGARAM PANDAY
w.g.A.I.RAMNEWASH
w.g.K.PULTOO

Voor afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

SRU-K1-2017-2

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 15-5612
11 januari 2017-03-14

Vonnis in de zaak van:

[verzoekster],wonende te [district],
verzoekster,
hierna te noemen: [verzoekster],
gemachtigde: mr. A.M. Tjong A Sie, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Binnenlandse Zaken,
afdeling Centraal Bureau voor Burgerzaken,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
hierna te noemen”de Staat”,
gevolmachtigde: mr. J.M. Foort, jurist op het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek Suriname, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 De blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift met producties dat op 17 december 2015 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de conclusie van antwoord;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoekster] is op [geboortedatum] te [district] geboren als wettig kind van [naam 1] en [naam 2], met vermelding van het geslacht in de geboorteakte over het [jaar] folio [nummer], als zijnde een kind van het mannelijk geslacht.

2.2 In de door [verzoekster] overgelegde verificatieverklaring de dato 16 februari 2009, opgemaakt door [neuropsycholoog] is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:
“Dit is een verificatieverklaring om aan te geven dat [verzoekster] heeft deelgenomen aan een aantal sessies van individuele psychotherapie, vanwege haar gevoel in het verkeerde lichaam te zijn geboren.
[verzoekster] gebruikt al ruim twee jaren oestrogeen en leidt al ongeveer tien jaren het leven van een vrouw.
Volgens het Diagnostisch en Statistisch Handboek van Psychische Stoornissen, Vierde Herziene Druk, luidt haar diagnose: Genderidentiteitsstoornis.
Op psychologische gronden is het haar toegestaan een verandering naar het vrouwelijk geslacht te ondergaan.
De operatie tot geslachtsverandering is voor haar erg belangrijk aangezien zij sinds haar kinderjaren daarnaar heeft verlangd.”

2.3 Bij schrijven de dato 08 mei 2009 heeft de Plastisch en Reconstructief [Chirurg] – voor zover hier van belang – onder meer het volgende verklaard:

“Mejuffrouw [verzoekster], geboren op [geboortedatum], als kind van het mannelijk geslacht, is door een team van vooraanstaande medische deskundigen gediagnosticeerd met dysforie (geslachtsidentiteitafwijking) en heeft geslachtsveranderingschirurgie ondergaan in het [ziekenhuis] in [land].

Op 22 april 2009 heb ik voor deze patiënt een geslachtsveranderingsoperatie uitgevoerd (mannelijk naar vrouwelijk) in het [ziekenhuis] in [stad, land]. De ingreep bestond uit orchidectomie (verwijdering van de testikels), penectomie (verwijdering van de penisschacht), reconstructie van de urinekanaalopening, enkele fase-plastische chirurgie van schaamlippen (kleine en grote schaamlippen), plastische chirurgie van de clitoris, constructie van een vaginale opening met huid van de penis en constructie van een neo-vaginaal kanaal met huidtransplantatie. Op medische en wettelijke gronden is zij nu een onvruchtbare persoon van het vrouwelijke geslacht, daar haar geslacht blijvend is veranderd naar dat van een vrouw door middel van geslachtsveranderingschirurgie.
(….)
Ik verklaar hierbij, op straffe van meineed, dat het voorgaande op waarheid berust en juist is.”

2.4 Bij beschikking van de kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 12 januari 2011 bekend onder A.R. no. 10-1164 is aan [verzoekster] toestemming verleend om haar [voornamen] te veranderen in [verzoekster].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 De vordering
[verzoekster] heeft – kort en zakelijk weergegeven – gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen tot het plaatsen van een latere vermelding c.q. kantmelding in de Registers van Geboorten voor wat betreft geslachtsaanduiding van haar als te behoren tot het vrouwelijk geslacht in plaats van het mannelijk geslacht.

3.2 De grondslag
[verzoekster] heeft naast voormelde vaststaande feiten aan haar vordering – kort en zakelijk weergegeven – ten grondslag gelegd dat zij van meet af aan de voortdurende onomkeerbare innerlijke overtuiging heeft tot het ander geslacht dan aangegeven in haar geboorteakte, te behoren. Verder heeft zij gesteld dat zij zich lichamelijk aan het verlangde geslacht, namelijk het vrouwelijke heeft aangepast, waardoor haar identiteit in het geheel niet in overeenstemming is met haar fysieke werkelijkheid. Volgens [verzoekster] zit zij thans met een identiteitsprobleem met alle sociale gevolgen van dien, waardoor op het privéleven c.q. haar persoonlijke vrijheid regelmatig een inbreuk wordt gepleegd, hetgeen in strijd is met de artikelen 5 lid 1, 11 en 24 van het Amerikaans Verdrag inzake de Rechten van de Mens (AVRM) alsook met de artikelen 18 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR).

3.3 Het verweer
De Staat heeft verweer gevoerd, op welk verweer de kantonrechter, voor zover nodig, terug zal komen bij de beoordeling.

4. De beoordeling

De vordering
4.1 Uit de vordering van [verzoekster] verstaat de kantonrechter dat het verzoek inhoudt dat de ambtenaar van de Burgerlijke Stand wordt gelast, om op de kant van de akte voorkomende in de Registers van Geboorten van de Burgerlijke Stand van Paramaribo over het [jaar] folio [nummer] een melding te maken, inhoudende dat [verzoekster] – na van geslacht te zijn veranderd – tot het vrouwelijke geslacht behoort.

Standpunt van [verzoekster]
4.2 Ter onderbouwing van haar vordering heeft [verzoekster] verder gesteld dat zij zich vanaf haar kinderjaren heeft gepresenteerd als te behoren tot het vrouwelijke geslacht en heeft zich in die overtuiging ontwikkeld tot een volwassen persoon die zich als zodanig in het maatschappelijk verkeer heeft gepresenteerd. Volgens [verzoekster] is haar innerlijke overtuiging tot iemand van het vrouwelijke geslacht te behoren, nog verder versterkt, doordat de kantonrechter haar verzoek om haar voornamen te wijzigen, heeft toegewezen. Zij vertrouwt er op, gerechtvaardigd door die toewijzing, dat het onderhavige verzoek eveneens zal worden toegewezen, teneinde te voorkomen dat zij zal blijven leven met dit identiteitsprobleem. [verzoekster] heeft voorts gesteld dat de verdragsbepalingen waarop zij in dit geding een beroep doet, dienen ter bescherming van haar privéleven, persoonlijke vrijheid, levensovertuiging en lichamelijke integriteit. Deze rechten zijn volgens [verzoekster] thans in gevaar c.q. worden geschonden daar zij in een situatie verkeert waarbij zij stelselmatig en regelmatig wordt gediscrimineerd, als niet volwaardig wordt beschouwd, niet wordt geaccepteerd voor wat zij is vanwege de onevenredigheid welke bestaat tussen haar uiterlijke verschijning, fysieke geslachtskenmerken, psychische toestand en voornamen aan de ene kant en haar formele geslachtsaanduiding aan de andere kant.

Standpunt van de Staat
4.3 De Staat heeft als verweer aangevoerd dat de wetgever voor gevallen van transseksualiteit geen voorziening heeft getroffen die de mogelijkheid van wijziging van geslachtsaanduiding in de geboorteakte zonder meer toestaat. Volgens de Staat bieden wettelijke bepalingen als de verdragsbepalingen elk op hun wijze naar hun inhoud genomen, bescherming aan het privéleven c.q. de persoonlijke vrijheid in ruimere zin. De Staat is de mening toegedaan dat het aan de kantonrechter is gelegen om in dit concreet geval te beoordelen in hoeverre voormelde bepaling van het BW op de voet van het bepaalde in artikel 106 van de Grondwet (GW) buiten toepassing dienen te blijven.
Verder heeft de Staat aangevoerd dat artikel 17 BW de ambtenaar van de Burgerlijke Stand slechts de mogelijkheid biedt vermeldingen toe te voegen aan de onder hem berustende akten, doch deze latere vermeldingen mogen echter geen andere gegevens bevatten dan die welke overeenkomstig de wet moeten zijn vermeld en bovendien kan ingevolge artikel 67 BW de ambtenaar van de Burgerlijke Stand de aanpassing pas vermelden op last van de kantonrechter.
Bij de conclusie van dupliek heeft de Staat aangevoerd dat zij zich niet schuldig maakt aan ernstige schending van de mensenrechten. Volgens de Staat is in geval van [verzoekster] sprake van een keuze welke zij bewust en vrijwillig heeft gemaakt door zichzelf lichamelijk om te bouwen. [verzoekster] kan niet verlangen dat de Staat voor haar individuele genoegdoening de totale maatschappij zal dwingen haar als zodanig te gaan beschouwen. Bij haar besluit tot lichaamsaanpassing tot vrouw heeft [verzoekster] de Staat niet geconsulteerd of om toestemming gevraagd.

4.4 Zoals reeds onder de punten 2.2 en 2.3 van de feiten is overwogen, heeft [verzoekster], na psychologisch en medisch daartoe geschikt te zijn bevonden, de lichamelijke veranderingen door daartoe bevoegde specialisten bij zichzelf doen aanbrengen, teneinde lichamelijk te voldoen aan de kenmerken die in overeenstemming zijn met het lichaam van een persoon van het geslacht waartoe zij naar haar innerlijke overtuiging, zijnde het vrouwelijke geslacht, behoort. Uit de verklaring van de Plastisch en Reconstructief [Chirurg] blijkt dat [verzoekster] thans een onvruchtbaar persoon van het vrouwelijk geslacht is en dat haar geslacht blijvend is veranderd naar dat van een vrouw door middel van geslachtsveranderingschirurgie.

4.5 Vaststaat dat [verzoekster] als een kind van het mannelijk geslacht is geboren. De vermelding van man of vrouw bij de geboorte is wettelijk verplicht. Juridisch gezien raakt het geslacht de staat van de persoon. De “staat van de persoon” is het geheel van omstandigheden dat de rechtspositie van een persoon bepaalt en hem onderscheidt van andere deelnemers van de samenleving. De “staat van de persoon” wordt neergeschreven in de akten van de Burgerlijke Stand. Aan de omstandigheden (naam, geslacht, woonplaats) worden rechtsgevolgen verbonden. De staat is universeel, enkelvoudig, onbeschikbaar en onveranderbaar. Dit zijn de beginselen die ten grondslag liggen aan het systeem van registratie. De ambtenaar van de Burgerlijke Stand stelt de staat van de persoon op een authentieke wijze vast en dit door wat zichtbaar vaststelbaar is.
Daarbij wordt ervan uitgegaan dat bij de geboorte aan de hand van uiterlijke geslachtskenmerken kan worden vastgesteld of het kind hetzij tot het vrouwelijke hetzij tot het mannelijke geslacht behoort.

4.6 Door de geslachtsveranderingschirurgie heeft [verzoekster] zich op 22 april 2009 doen ombouwen tot een vrouw. De kantonrechter is het met de staat eens dat de wetgever – in tegenstelling tot de Nederlandse – voor gevallen van transseksualiteit geen voorziening heeft getroffen die de mogelijkheid van wijziging van geslachtsaanduiding in de geboorteakte toestaat. De kantonrechter wenst hierbij nog op te merken dat in de Memorie van Toelichting bij het Ontwerp Boek I van het Nieuw Surinaams Burgerlijk Wetboek bij titel 4, afdeling 12 is opgenomen dat: “in navolging van de Nederlandse Antillen en Aruba is afdeling 13 van titel 4 (transseksualiteit) niet overgenomen. Verzoeken tot wijziging van de vermelding van het geslacht in de geboorteakte hebben zich in Suriname nog niet voorgedaan. Het blijkt daarom disproportioneel om hiervoor een uitvoerige regeling te treffen.”

4.7 Nu het huidige BW noch het toekomstige BW oplossing biedt, zal in deze zaak een oplossing dienen te worden gezocht in de mensenrechtenverdragen waar Suriname partij bij is. Eveneens zal nagegaan worden of [verzoekster] met succes een beroep kan doen op die bepalingen.
In artikel 17 lid 1 IVBPR is bepaald dat niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam. In lid 2 van hetzelfde artikel is bepaald dat eenieder recht heeft op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting.
In artikel 11 lid 2 AVRM is bepaald dat niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of beledigende inmenging in zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn woning of zijn correspondentie, of aan onrechtmatige aantasting van zijn eer of goede naam. In lid 3 is bepaald dat eenieder recht heeft op bescherming door de wet tegen dergelijke inmenging of aantasting.

4.8 De kantonrechter is van oordeel dat na een geslachtsaanpassende behandeling, er voor de groep transseksuele personen een contradictie ontstaat tussen de socio-psychologische geslachtsrol en de feitelijke geslachtsregistratie op de geboorteakte. Het kunnen aanpassen van de voornaam en het geslacht op de geboorteakte vormt, naar het oordeel van de kantonrechter, een van de fundamentele rechten voor transseksuele personen, dus ook voor [verzoekster]. Het doet hier niet ter zake of [verzoekster] bij haar besluit tot lichaamsaanpassing tot vrouw de Staat niet heeft geconsulteerd of om toestemming gevraagd. De kantonrechter vermag niet in te zien wat de Staat met deze stelling beoogt nu hij zelf aangeeft dat volgens de huidige wetgeving het plaatsen van een kantmelding als verzocht niet mogelijk is. Vaststaat dat [verzoekster] thans met een identiteitsprobleem zit. Zij heeft in Raadkamer verklaard dat zij dagelijks problemen ondervindt, omdat in haar ID-kaart, paspoort en andere relevante documenten vermeld staat, dat zij van het mannelijke geslacht is, terwijl zij naar uiterlijke verschijningsvorm vrouwelijk is. Verder heeft zij verklaard dat zij door anderen wordt gediscrimineerd en ook geen werk kan vinden. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] zich dagelijks in een situatie bevindt die niet verenigbaar is met het recht op respect voor haar privéleven. Derhalve wordt in casu schending van het recht op respect voor privéleven als bedoeld in de artikelen 17 van de Grondwet (GW), 17 IVBPR en 11 AVRM aanwezig geacht. De kantonrechter neemt hierbij mede in overweging dat er een continue internationale trend is, niet alleen van sociale acceptatie van transseksuelen, maar ook van juridische erkenning van de geslachtsidentiteit van post-operatieve transseksuelen. De Staat heeft een aantal instrumenten om uit te kiezen om zulke problemen op te lossen. Het is niet de functie van de kantonrechter om de Staat aan te geven welk instrument het meest geschikt is.

4.9 Gelet op het bepaalde in de artikelen 106 en 137 GW zal de kantonrechter in casu een zodanige ruimere interpretatie geven aan de bepalingen van de artikelen 17 en 64 – 67a BW die aansluit aan hetgeen door [verzoekster] is gevorderd. Hieruit volgt dat de vordering van [verzoekster] zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld zal worden.

4.10 De kantonrechter ziet – gelet op al het voorgaande – geen aanleiding om nader in te gaan op de overige stellingen en weren van partijen daar die thans niet relevant zijn gebleken.

5. De beslissing
De kantonrechter:

Gelast de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Paramaribo om op de kant van de akte voorkomende in de Registers van Geboorten van de Burgerlijke Stand van Paramaribo over het [jaar] folio [nummer] een melding te maken, inhoudende dat [verzoekster] – na van geslacht te zijn veranderd op 22 april 2009 – thans tot het vrouwelijk geslacht behoort.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door mr. I. Sonai, Kantonrechter in het Eerste Kanton, lid-plaatsvervanger van het Hof van Justitie op woensdag 11 januari 2017 te Paramaribo ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. Z. Moeradji w.g. I. Sonai