SRU-HvJ-1988-5

HvJ 20 MEI 1988

[verzoeker], wonende aan [adres] te [district], advokaat Mr.R.J.BLUFPAND,
verzoeker

tegen

DE STAAT SURINAME ( Het Ministerie van Openbare Werken, Telecommunicatie en Bouwnijverheid), rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravensrtaat no.3, advokaat Mr.H.MUNGRA,
verweerder,

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN;

Overwegende, dat partij [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Verzoeker wenst hierbij de navolgende vordering in te stellen tegen: DE STAAT SURINAME (Het Ministerie van Openbare Werken,Telecommunicatie en Bouwnijverheid),rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no.3, verweerder;
  2. Verzoeker is van 15 juni 1975 tot en met 31 oktober 1980 bij verweerder in de funktie van kontroleur busdienst 1ste klasse bij de Centrale Bewakingsdienst werkzaam geweest. Ten bewijze van het vorenstaande wordt hierbij overgelegd een exemplaar van de verlenging van de arbeidsovereenkomst dd.15 juni 1976.
    Krachtens artikel 84 der Personeelswet zijn de bepalingen van de Personeelswet op deze overeenkomst van toepassing. Volgens Personeels Wet Artikel 15 lid 3 zijn——– op deze arbeidsovereenkomst van toepassing de bepalingen van Surinaams Burgerlijk Wetboek, 3e boek, titel VII A.
  3. Gedurende genoemde dienstperiode heeft verzoeker op zon-en feestdagen werkzaamheden verricht volgens de hieronder volgende specificatie, zonder dat hem hiervoor echter de wettelijke vastgestelde vergoeding door verweerder is verstrekt.

4. Verzoeker maakt aanspraak op de navolgende bedragen:

A. Vergoeding zondagen

1975 totaal 27 zondagen, salaris f.339,– per maand is 339/171 x 216 x f.1,98= f.855,36
1976 totaal 44 zondagen, salaris f.398,– per maand is 398/171 x 2 x352 xf.2,33 f.1.640,32

 

1977 totaal 36 zondagen,salaris f.448,– per maand is 448/171 x 2x 288 xf.2,62 = f.1.511,32

 

1978 totaal 41 zondagen, salaris f.480,–per maand is 480/171 x2 x328 x f.2,81= f.1.833,36

 

1979 totaal 40 zondagen,salaris f.503,–per maand is 503/171 x2 x320 xf.2.94 =

 

f.1.881,60

 

1980 totaal 20 zondagen,salaris f.520,– per maand is 520/171 x 2 x 160 xf.3,05=

 

f. 976,–
f.8.697,96

B. Vergoeding feestdagen

1975 totaal 48 uren, salaris f.339 per maand is 339/171 x 1,5 x 48 x f.1,98 = Sf. 142,56

 

1976 totaal 96 uren, salaris f.398,-per maand is 398/171 x 1,5 x 96 x f.2,33 = Sf. 335,82

 

1977 totaal 96 uren, salaris f.448,- per maand is 448/171 x 1,5 x 96 x f.2,62= Sf. 377,48

 

1978 totaal 96 uren, salaris f.464,- per maand is 464/171 x 1,5 x 96 x f.2,72= Sf. 390,24
1979 totaal 96 uren, salaris f.480,- per maand is 480/171 x 1,5 x 96 x f.2,81 = Sf. 404,64

 

1980 totaal 20 uren, salaris f.503,- per maand is 503/171 x 1,5 x 20 x f.2,94 = Sf. 88,20
Sf. 1.738,94

Totaal A + B is f.10.436,90

Vorenstaande bedragen zijn bereids opeisbaar, doch ondanks herhaalde en dringende aanmaningen blijft verweerder weigeren zulks aan verzoeker te voldoen, weshalve hij zich thans genoodzaakt ziet verweerder in rechte aan te spreken;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden hefft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, verweerder zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan verzoeker te betalen de som van Sf.10.436,90 (TIENDUIZEND VIERHONDERD ZES EN DERTIG 90/100 GULDEN), vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar vanaf de dag der rechtsingang tot aan die der algehele voldoening; voorts dat verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding aan de zijde van verzoeker gevallen;

Overwegende, dat de Staat Suriname vervolgens na verlenging van de termijn voor de indiening van een verweerschrift op als ingevoegd te beschouwen gronden,de ingestelde vordering heeft bestreden, met conclusie dat de verzoeker door het Hof niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn verzoek, althans dat zulks aan hem zal worden ontzegd, als zijnde ongegrond en onbewezen, met verzoek, zo nodig bevonden, de verweerder toe te laten tot het aangeboden bewijs, indien er op hem enig bewijslast mocht rusten, onder protest tegen zijn gehoudenheid daartoe,kosten rechtens;

Overwegende, dat ten dienende dage partijen over en weer schriftelijke conclusies onder overlegging van produkties hebben genomen wordende de inhoud van deze conclusies en de overgelegde produkties geacht hiet te zijn opgenomen;

Overwegende, dat partijen daarna ingevolge ‘s Hofs beschikking dd. 7 mei 1986 ter terechtzitting zijn gehoord,waarbij zij hebben verklaard, gelijk in het daarvan opgemaakt hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna bij pleidooi de zaak nader hebben toegelicht en verdedigd,waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk werd bepaald op 22 april 1988 doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat hetgeen van het Hof als gerecht in ambtenarenzaken als de onderhvige kan worden gevorderd, limitatief is omschreven in artikel 80 der Personeelswet (P.W.)(G.B.1962 No.195), waartoe de vordering van verzoeker niet behoort;

Overwegende, dat indien de vordering tot vergoeding van schade zou moeten worden aangemerkt, is deze dan ook niet-ontvankelijk, aangezien het Hof als gerecht als voormeld, ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b van meergenoemde P.W., slechts bevoegd is tot kennisneming van vorderingen tot vergoeding van schade, welke voor de ambtenaar is voortgevloeid uit een besluit of handeling, in strijd met het bij of krachtens de P.W. bepaalde, hebbende verzoeker geen zodanig besluit of dergelijke handeling gesteld, en zijnde daarvan ook niet gebleken (CFM Sur.Jur.Bundel:Geschillen tussen burger en overheid, vonnis No.102);

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren:mr.R.E.TH.OOSTERLING, waarnemend-President, Mr.A.C.VELDEMA en Mr.E.S.OMBRE,Leden en door de waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 20 MEI 1988, in tegewoordiheid van K.PULTOO, Substituut-Griffier.

Partijen vertegenwoordigd door hun respektieve gemachtigde advokaten, Mr.R.J.Blufpand en Mr.H.Mungra zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-K1-2017-1

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 170238
26 januari 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van

A. [eiser a],
B. [eiser b],
C. De naamloze vennootschap Surishopping N.V.,
wonende c.q. gevestigd te Paramaribo,
eisers in kort geding,
gemachtigde: mr. S.R. Heijmans, advocaat,

tegen

De naamloze vennootschap Republic Bank (Suriname) n.v., vroeger geheten de RBC Royal Bank (Suriname), n.v.
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po Jr., advocaat.

De kantonrechter spreekt in Naam van de Republiek het hierna volgend vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 18 januari 2017 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek met producties;
– de conclusie tot uitlating met productie zijdens eisers;
– de conclusie tot uitlating zijdens gedaagde.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Bij exploot van deurwaarder S.W. Niekoop, d.d. 12 december 2016 no. 1693, heeft gedaagde aan eisers doen betekenen:
a. kopie saldo-opgave d.d. 9 november 2016;
b. de eerste grosse akte krediethypotheek d.d. 9 juli 2014, verleden ten overstaan van de kandidaat-notaris, mr. M. Boetius-Cadogan, waarnemende het kantoor van notaris, mr. D. Alexander;
c. de eerste grosse akte krediethypotheek d.d. 13 augustus 2014, verleden ten overstaan van notaris, mr. D. Alexander.

2.2 Bij voormeld exploot zijn eisers onder meer aangemaand om te betalen het bedrag groot US$ 1.366.199,64 zijnde de verschuldigde hoofdsom op 9 november 2016, te vermeerderen met de rente vanaf 10 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke waarvan tot openbare verkoop zal worden overgegaan van de in hypotheek gegeven onroerende goederen zoals omschreven in dat exploot.

2.3 De openbare verkoop is vastgesteld op 26 januari 2017 om 10.00 uur des voormiddags, en zal plaats vinden ten kantore van notaris mr. M.R. Sanrochman en mr. T.A. Jaipersaud-Badal.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven –

Primair:
I. Het opleggen van een verbod aan gedaagde om over te gaan tot c.q. stopzetting van de openbare verkoop van een 8-tal in het petitum omschreven percelen;
II. veroordeling van gedaagde tot betaling van een dwangsom.

Subsidiair:
I. Het opleggen van een verbod aan gedaagde om over te gaan tot c.q. schorsing c.q. aanhouding van de openbare verkoop van een 8-tal in het petitum omschreven percelen;
II. Veroordeling van gedaagde tot betaling van een dwangsom.

3.2 Eisers hebben het volgende aan hun vordering ten grondslag gelegd.

De onroerende goederen vertegenwoordigen een (getaxeerde) waarde die ver boven de saldoschuld van eisers ligt. Met (gedeeltelijke) royement en willige verkoop van de onroerende goederen voor beide partijen kan een veel beter resultaat bereikt worden dan door de openbare verkoop van de onroerende goederen.

Naar de kantonrechter begrijpt beroepen eisers zich erop dat gedaagde gehouden is om mee te werken aan het voorgaande op grond van de “ongoing concern”zoals tussen hen en gedaagde werd afgesproken en de zorgplicht van gedaagde. Gedaagde dient uit hoofde van haar zorgplicht rekening te houden met de belangen van eisers.

Volgens eisers is het van belang dat gedaagde maatregelen neemt om het kredietrisico te beperken, doch dient gedaagde rekening te houden met de herstelmogelijkheden voor de onderneming. Eisers verwijzen daarbij naar een publicatie d.d. 26 maart 2015 van de (Nederlandse) Autoriteit Financiële Markten, waarin – zover van belang – is opgenomen dat de bank niet verplicht is om extra krediet te verstrekken, maar als dit bijdraagt aan een reeële kans op herstel, dit wel in gezamenlijk belang van bank en klant kan zijn.

Volgens eiseres heeft gedaagde onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eisers, en maakt zij misbruik van haar recht van parate executie. Zij, eisers, hebben in de afgelopen periode steeds weer aan gedaagde voorgehouden hoe en waardoor de achterstanden (buiten hun schuld om) zijn ontstaan en hoe de achterstanden weer ingelopen konden worden. Het is aan het handelen en/of nalaten van gedaagde te wijten dat de achterstanden van eisers op de verstrekte kredieten zijn blijven bestaan en zijn opgelopen.

Naar de kantonrechter begrijpt beroept eiser zich erop dat gedaagde de financiering heeft gedaan voor de aankoop van een deel van het “Bigapand” terwijl zij, gedaagde, had toegezegd ook van het resterende deel van voormelde pand de financiering te zullen doen indien de overige gerechtigden tot verkoop van het pand aan eisers wilden overgaan. Toen dat het geval was, heeft gedaagde het laten afweten en heeft dus geweigerd om veder te financieren. Eisers waren toen gebonden aan de eerder verstrekte lening (van US$ 447.120,=) waarop ook rente moest worden betaald, doch konden het pand niet exploiteren om inkomsten te genereren nu zij niet de volledige eigendom daarvan hadden.

Naast het voorgaande hadden eisers de toezegging van gedaagde om het royement van de hypotheek op het onroerend goed aan [weg 1] verkregen. Eisers hadden een serieuze koper voor het hiervoor vermelde onroerende goed voor het bedrag van US$ 500.000,=. Gedaagde heeft het toegezegde royement ingetrokken als gevolg waarvan het onroerende goed niet meer kon worden verkocht. Bovendien was het bedrag van US$ 500.000,= hoger dan de initiële hypothecaire dekking ad US$ 447.120,=. Met de inkomsten van de verkoop hadden eisers meer dan de helft van de openstaande schuld kunnen aflossen. Het is dus aan gedaagde zelf te wijten dat eisers de schuld niet heeft kunnen aflossen.

Op grond van het voorgaande is de aangezegde openbare verkoop onrechtmatig.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beroeping.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen en het gevorderde.

Formeel verweer
4.2 Gedaagde voert aan dat de vordering van eisers reeds is beslist in de zaak bekend onder AR no. 16-4739, en wel bij vonnis van de kantonrechter d.d. 20 oktober 2016. Volgens gedaagde handelen eisers in strijd met het “ne bis idem” beginsel.

4.2.1 De kantonrechter stelt voorop dat in geval in het opvolgende kort geding inhoudelijk dezelfde gronden worden aangevoerd om (nogmaals) hetzelfde te vorderen er sprake kan zijn van strijd met de goede procesorde en dus misbruik van het procesrecht.

In elk geval staat het de eiser vrij aan zijn (zelfde) vordering feiten en omstandigheden ten grondslag te leggen die bij de eerste of vorige in kort geding gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen, doordat zij zich eerst na de behandeling van die zaak in kort geding hebben voorgedaan. Met betrekking tot de stellingen die reeds in een eerder kort geding tussen dezelfde partijen naar voren gebracht hadden kunnen worden, maar niet naar voren zijn gebracht, geldt dat de rechter in kort geding in beginsel ook hierop acht moet slaan. Dit lijdt evenwel uitzondering wanneer de desbetreffende partij door pas in het tweede of volgende kort geding zich op deze stellingen te beroepen misbruik van procesrecht zou maken. Dat zal zich kunnen voordoen indien die in het eerste kort geding zonder redelijke grond zijn achtergehouden. Dit zal kunnen leiden tot het terzijde laten van die stellingen gezien het redelijk belang van de wederpartij dat ook daarop al destijds meteen zou worden beslist.

4.2.2 Anders dan gedaagde betoogt, is in de onderhavige vordering nimmer beslist. De zaak bekend onder AR nummer 16-4739 had betrekking op een openbare verkoop die plaatsvond op 20 oktober 2016 terwijl de onderhavige vordering zit op een stopzetting van de openbare verkoop die bepaald is op 26 januari 2017. Dat de openbare verkoop van 20 oktober 2016 om welke reden dan ook geen voortgang heeft gehad, doet aan het voorgaande niets af. Van misbruik van procesrecht kan reeds om deze reden geen sprake zijn.

4.3 Voorop staat dat gedaagde als hypotheekhouder in beginsel het recht toekomt om de percelen executoriaal te verkopen, indien eisers als hoofdelijke schuldenaars niet aan hun verplichtingen voldoen. Evenmin is in geschil dat gedaagde bij het uitoefenen van haar bevoegdheden op dit punt, dient te voldoen aan haar jegens haar cliënten in acht te nemen zorgplicht.

4.4 Vast staat dat eisers hun lopende verplichtingen jegens gedaagde niet tijdig althans niet volledig hebben voldaan als gevolg waarvan het saldo van de lening (inclusief rente) thans hoger is dan de som van de verstrekte kredieten.

Geconcludeerd wordt dat eisers, als hoofdelijke schuldenaren, dus niet hebben voldaan aan hun verplichting jegens gedaagde zodat aan laatstgenoemde het recht toekomt om de percelen executoriaal te verkopen. Evenwel dient gedaagde bij het uitoefenen van dit aan haar toekomend recht, de zorgplicht jegens eisers in acht te nemen.

4.5 Volgens eisers heeft gedaagde onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eisers, en maakt zij misbruik van haar recht van parate executie. Naar de kantonrechter begrijpt beroepen eisers zich erop dat gedaagde in strijd handelt met de door haar in acht te nemen zorgplicht.

De kantonrechter overweegt ten aanzien van de in acht te nemen zorgplicht, dat de inhoud en de reikwijdte daarvan afhangen van de specifieke omstandigheden van het geval. Daarbij dient rekening te worden gehouden met een zestal punten, die in de jurisprudentie zijn ontwikkeld.

4.5.1 In de eerste plaats is van belang de duur, de mate van exclusiviteit, de omvang en de ingewikkeldheid en het verloop van de kredietrelatie.

Uit de gedingstukken blijkt dat de onderhavige kredietrelatie is aangevangen op 9 juli 2014, waarbij een krediethypotheek is gesloten ten overstaan van de kandidaat-notaris, mr. M. Boetius-Cadogan. Gedaagde heeft stukken overgelegd waaruit onweersproken blijkt dat zij vanaf 29 april 2015 eisers aanmaant om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen, nu er sprake was van overschrijding van de kredietlimieten.

Volgens gedaagde hebben eisers vanaf het vestrekken van de lening steeds uitstel gevraagd om hun betalingsverplichting na te komen. Daarnaast voert gedaagde onweersproken aan dat er reeds een veiling was aangezegd voor 12 december 2016, welke veiling geen voortgang heeft gehad terwijl eisers ook hierna hun betalingsachterstanden niet hebben ingelopen. De stelling van eisers dat zij wel aflossingen hebben gepleegd gaat niet op nu niet gesteld en evenmin gebleken is dat de door hen gepleegde aflossingen de overschrijding van de kredietlimieten heeft kunnen wegwerken.

4.5.2 Het tweede criterium dat een rol speelt is of sprake is van een aanmerkelijke afname van de kredietwaardigheid en/of aanmerkelijke toeneming van het bancaire kredietrisico, waarbij met name van belang zal zijn of er voldoende dekking door zekerheid blijft bestaan.

Eisers hebben zelf gesteld dat zij in zwaar weer zijn geraakt als gevolg waarvan het aantal winkels van eisers is teruggebracht van 11 naar 5. Bij conclusie van repliek hebben eisers nader gesteld dat thans niet of nauwelijks gunningen worden verstrekt aan hen, terwijl betalingen aan hen worden achtergehouden en financieringen worden stopgezet of ingetrokken. Hierdoor hebben grote leveranciers van eisers zich ook teruggetrokken en zijn er belangrijke agentschappen verloren gegaan. Dit heeft zijn directe weerslag gehad op de inkomsten van het bedrijf en de aflossing van haar kredieten, aldus eisers.

Dat sprake is van een aanmerkelijke afname van de kredietwaardigheid is dan ook voldoende aannemelijk.

4.5.2.1 Daarnaast hebben eisers gesteld dat zij niet bij de pakken blijven neerzitten en alles in het werk stellen om de kredieten af te lossen. Eisers hebben ter staving een brief d.d. 11 oktober 2016 overgelegd waaruit zou moeten blijken dat door de bandweer gunning is verleend voor het leveren van goederen. Volgens eisers hebben zij de toezegging aan gedaagde gedaan de inkomsten tot een bedrag van US$ 66.270,= geheel ter aflossing van de kredieten te zullen stellen. Eisers leggen over een brief gericht aan gedaagde gedateerd 17 oktober 2016, waarin zij de voormelde toezegging doen.

Ten aanzien hiervan heeft gedaagde terecht aangevoerd dat ondanks de toezegging de terugbetaling tot heden (bijkans 4 maanden later) niet heeft plaatsgevonden. Eisers hebben bovendien ook geen indicatie gegeven binnen welke periode de door hen genoemde inkomsten ter beschikking zullen zijn.

4.5.2.2 De stelling van eisers met betrekking tot de overwaarde van de onroerende goederen zal worden verworpen nu het een feit van algemene bekendheid is dat thans, zeker gezien de financieel-economische situatie waarin het land zich bevindt, de veilingopbrengsten ver beneden de getaxeerde waarde van de onroerende goederen zijn. Dat de vorderingen van gedaagde voldoende door zekerheid gedekt zouden zijn, staat derhalve voorshands zeker niet vast.

4.5.3 In de derde plaats weegt mee het gedrag en de betrouwbaarheid van eisers, als kredietnemers, alsmede de tijdigheid waarmee deze gedaagde op de hoogte heeft gesteld en stelt van alle voor de kredietrelatie van belang zijnde omstandigheden.

Gedaagde heeft onweersproken aangevoerd dat eisers voor het laatst in maart 2016 een enkele betaling hebben verricht terwijl zij eisers op diverse momenten heeft aangemaand om hun betalingsverplichting te voldoen. Gedaagde betoogt dat zij door het betalingspatroon van eisers alsmaar oplopende schade lijden. Zijdens gedaagde is er niet langer sprake van enig vertrouwen dat eisers hun betalingsverplichtingen zullen nakomen, anders dan bij wege van executie van de zekerheidsrechten.

4.5.4 Ten vierde is aan de orde in welke mate eiser toerekenbaar tekort is geschoten, bijvoorbeeld door structurele en/of ruime overschrijding van de kredietlimiet. In dit geval is er sprake van een betalingsachterstand van US$ 1.381.829,04.

De kwestie over de toezegging van gedaagde de financiering te zullen verstrekken voor de (verdere) aankoop van het zogenaamde “Bigapand” kan als aanvankelijke oorzaak voor het tekortschieten, anders dan eisers hebben betoogd, geen rechtvaardiging zijn.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter kon, ook indien die toezegging was gedaan door gedaagde, redelijkerwijs niet van haar worden verwacht dat zij daartoe over zou gaan gezien de structurele achterstanden die eisers hadden bij het nakomen van hun verplichtingen. Bovendien heeft gedaagde gemotiveerd ontkend enige toezegging, zoals door eisers gesteld, te hebben gedaan. Volgens gedaagde heeft zij op het verzoek van eisers voor verruiming van de kredietfaciliteiten zich steeds op het standpunt gesteld dat zij daartoe pas zou kunnen overgaan als de lopende kredietfaciliteiten door eisers zouden zijn aangezuiverd.

4.5.4.1 De kwestie over enige toezegging van gedaagde tot royement van de hypotheek op het onroerend goed aan de [weg 1], zal hetzelfde lot onderdaan als hiervoor onder 4.5.4 is overwogen. Gedaagde heeft ook hier gemotiveerd ontkend enige toezegging terzake te hebben gedaan. Bij conclusie van repliek beroepen eisers zich op een productie no. 10, terzake een schrijven van de bank d.d. 18 januari 2016 waaruit de toezegging van het royement zou zijn gedaan door gedaagde. De door eiser overgelegde productie 10 betreft een schrijven gedateerd 24 augustus 2015, van eiser sub A, in de hoedanigheid van directeur van gedaagde sub C, aan gedaagde, waarin hij vraagt ook het royement van de hypotheek op het pand aan de [weg 2] nog op die dag te bewerkstelligen. Deze productie maakt niet aannemelijk dat de door eisers gestelde toezegging is gedaan.

Bovendien, ook al zou die toezegging zijn gedaan, eisers hebben terecht zoals door gedaagde aangevoerd, niet met relevante documenten heeft onderbouwd dat zij een serieuze koper hadden die bereid was een bedrag van US$ 500.000,= te voldoen. De door eisers bij hun verzoekschrift overgelegde productie nummer 9, maakt geenszins aannemelijk dat eisers een serieuze koper hadden die bereid was een bedrag van US$ 500.000,= te voldoen.

Deze productie betreft een notarisverklaring gedateerd 25 oktober 2016, afkomstig van notaris Annoesma Pancham gehuwd Ramlakhan. In deze verklaring verklaart voornoemde notaris dat bij haar op kantoor in 2015 een zaak lopende was, waarbij door [eiser a] twee in die verklaring omschreven percelen zouden worden verkocht aan een potentiële koper, te weten [naam] en dat wegens onbekende redenen de koopakte geen voortgang heeft gevonden.

4.5.5 Voor wat betreft de wijze van besluitvorming van gedaagde voorafgaand aan de opzegging en de wijze waarop overleg is gevoerd met eisers en/of en in welke mate gedaagde eisers tevoren heeft gewaarschuwd en de gedragingen van gedaagde waardoor de verwachtingen bij eisers zijn gewekt, als bijvoorbeeld toelating van de overschrijding van de kredietlimiet – het vijfde en zesde criterium die worden gehanteerd bij de nadere invulling van de zorgplicht van gedaagde – kan worden verwezen naar de correspondentie die gedaagde met eisers heeft gevoerd over de aanzuivering van de kredieten en daarnaast de reeds eerder aangezegde veiling welke geen voortgang heeft gevonden.

4.5.6 Het onder de loep nemen van de zes hiervoor vermelde criteria leiden derhalve, anders dan eisers hebben betoogd, geenszins tot de conclusie dat gedaagde haar zorgplicht ten aanzien van eisers niet in acht heeft genomen.

4.6 Naast het bovenstaande hebben eisers nog gesteld dat met (gedeeltelijke) royement en willige verkoop van de onroerende goederen voor beide partijen een veel beter resultaat bereikt kan worden dan door de openbare verkoop van de onroerende goederen.

Zoals reeds eerder is overwogen hebben eisers zelf gesteld dat zij in zwaar weer zijn geraakt als gevolg waarvan het aantal winkels van eisers is teruggebracht van 11 naar 5, en voorts dat thans niet of nauwelijks gunningen worden verstrekt aan hen, terwijl betalingen aan hen worden achtergehouden en financieringen worden stopgezet of ingetrokken waardoor grote leveranciers van eisers zich ook hebben teruggetrokken en zijn er belangrijke agentschappen verloren gegaan, hetgeen zijn directe weerslag heeft gehad op de inkomsten van het bedrijf en de aflossing van haar kredieten.

Er is dan ook een reële kans dat eisers de komende maanden niet aan hun lopende verplichtingen kunnen voldoen, zodat de schade voor gedaagde iedere maand fors zal oplopen. Eisers hebben gedaagde ook niets concreets kunnen bieden. Van gedaagde kan niet worden gevergd dat zij onder deze onzekere situatie de veiling aanhouden.Onder deze omstandigheden kan evenmin van gedaagde in redelijkheid worden verlangd dat zij akkoord gaat met een traject van onderhandse verkoop van de onroerende goederen, waarvan niet duidelijk is hoe lang dat traject kan duren.

Gedaagde heeft een spoedeisend belang bij een veiling temeer nu het een feit van algemene bekendheid is, mede gezien in het licht van de economische situatie waarin het land verkeert, dat veilingen van onroerende goederen niet de maximale opbrengst genereren. Gedaagde maakt dan ook zelf de afweging of en hoe zij van haar executiebevoegdheid gebruik maakt. Van misbruik van die bevoegdheid is onder de gegeven omstandigheden geen sprake.

4.7 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de door eisers gevraagde voorzieningen moeten worden geweigerd.

4.8 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig,

4.9 Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten betalen.

5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 26 januari 2017 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de griffier.
w.g. D. Ramdin w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran w.g. S.M.M. Chu

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-1988-4

HvJ 17 JUNI 1988

[verzoeker], wonende in [district], advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT,
verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende in het distrikt Paramaribo aan de Gravenstraat no.3, advokaat Mr.H.MUNGRA.
Verweerder,

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:
Gezien de stukken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN :

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen de STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal BIJ HET Hof van Justitie, kantoorhoudende in het distrikt Paramaribo aan de Gravenstraat no.3;
  2. dat verzoeker sinds de maand oktober 1977 in dienst is getreden van ‘sLandsbedrijf “SURINAM TIMBER”,gevestigd en kantoorhoudende in het distrikt Paramaribo, zijnde dit bedrijf een van landswege opgerichte rechtspersoon, die niet van de werking van de personeelswet is uitgesloten;
  3. dat verzoeker gelet op het sub 2 gestelde, mitsdien ambtenaar is in de zin van de personeelswet, zijnde immers de rechtspositie van het personeel van het ‘sLandsbedrijf “SURINAM TIMBER” niet bij of krachtens Wet afzonderlijk geregeld, zodat alle bepalingen bij of krachtens de personeelswet op verzoeker van toepassing zijn;
  4. dat verzoeler bij het ‘s Landsbosbedrijf voornoemd de functie vervulde van Hoofd Algemene Zaken, met een salaris van f.1.825,– per maand;
  5. dat bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie, dd,28 juli 1987 [nummer 1], welke beschikking verzoeker op 12 augustus 1987 heeft bereik, verzoeker met ingang van 1 april 1987 is overgeplaatst naar het departement Transport Handel en Industrie, tegen een salaris van f.879,- per maand;
  6. dat verzoeker zich niet kan verenigen met de voormelde beschikking, althans in ieder geval voorwat zulks de vasstelling van zijn bezoldiging betreft.Immers genoot verzoeker bij het ‘s Landsbosbedrijf voornoemd, een veel hoger salaris, dan hetgeen bij de litigieuze beschikking door gedaagde is vastgesteld;
  7. dat voorts de voormelde beschikking in strijd is met artikel 27 van de personeelswet, houdende immers dit artikel een stringent verbod in, met betrekking tot de salarisverlaging van een ambtenaar, i.c. verzoeker, terwijl i.c. geen sprake is van een oplegging van degradatie danwel toelagen van aflopende aard of toelagen die dienen ter bestrijding van uit de uitoefening van zijn functie voortvloeiende kosten, danwel een geval als bedoeld in art.27 lid 3 en 4;
  8. dat voorts de voormelde beschikking waarbij verzoeker is gedegradeerd in zijn salaris, eveneens in strijd is met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur en wel in het bijzonder de beginselen van zekerheid, gelijkheid en fairplay.Voor wat de gemelde beginselen betreft, wenst verzoeker aan te halen ,dat de verweerder door de voormelde beschikking zeer onbehoorlijk heeft gehandeld en mitsdien een door het recht te bepalen grens heeft overschreden, waardoor verzoeker is benadeeld,terwijl de voormelde beschikking in strijd met verzoeker’s belangen op een zeer onzorgvuldige en oneerlijke wijze is totstand gekomen en mitsdien aan verzoeker uitgereikt;
  9. dat voorts de voormelde voor verzoeker zeer bezwarende beschikking, niet voldoet aan de vereiste deugdelijke motivering, althans voldoet dit besluit niet aan de wet te ontlenen motivering, zodat zulks ook niet draagkrachtig is en kan zijn, hebbende verweerder immers integendeel bij het geven van de voormelde beschiokking in strijd met de Wet gehandeld, terwijl het verweerder bovendien bekend is, dat een ambtenaar die een hogere bezoldiging geniet dan voor de algemene overheidsdienst bij eventuele overplaatsing, toch die hogere bezoldiging blijft behouden en zulks behoudens de gevallen opgesomd in artikel 27 P.W., waarvan i.c. geen sprake is.(vide Hof van Justitie in haar vonnis dd.19 januari 1979,inzake:[naam] ca.de Staat Suriname);
  10. dat voorts aan verzoeker, die steeds zijn werkzaamhedenheeft verricht vanaf de maand april 1987 geen salaris is uitbetaald, terwijl bovendien verweerder weigerachtig is aan verzoeker zijn salaris naar rato van bruto f.1.825,- per maand uit te betalen alsmede de verschuldigde kinderbijslag;
  11. dat verzoeker door de handelwijze van verweerder schade heeft geleden bestaande uit het door hem niet genoten salarisover de gemelde periode, zijnde de vermelde schade voortgevloeid uit het voormlede besluit (beschikking) die in strijd met de wet is gegeven, terwijl aan verzoeker zelf het bij de voormelde beschikking ten onrechte vastgestelde bedrag van f.879,– nimmer is uitbetaald;
  12. dat verzoeker recht en belang heeft om nietig verklaringvan de voormelde beschikking te vorderen, alsmede de uitbetaling van de niet genoten salaris en kinderbijslag;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:
a. dat de ten rekeste aangehaalde beschikking dd.28 juli 1987, [nummer 1] nietig zal worden verklaard, althans zal worden vernietigd in ieder geval voor wat de vaststelling c.q.bepaling van verzoeker’s salaris betreft;
b. dat een termijn zal worden vastgesteld waar binnen door verweerder een nieuw besluit, overeenkomstig het in deze te wijzen vonnis moet worden genomen en zulks onder verbeurte van een dwangsom van f.500,- per dag voor iedere dag, dat verweerder het sub bb genoemde besluit achterwege mocht laten;
c. dat verweerder zal worden veroordeeld, aan verzoeker te betalen, zijn salaris ad f.1.825,- per maand, vermeerderd met de verschuldigde kinderbijslag ,van en met de maand april 1987 tot aan de dag waarop het sub b bedoelde besluit is genomen en zulks onder aftrek van de uit de dienstbetrekking voortvloeiende inhoudingen zoals loonbelasting,S.Z.F.etc., kosten rechtens;

Overwegende, dat de Staat Suriname binnen de door de Wet gestelde Termijn van zes weken geen verweerschrift heeft ingediend en ook geen verlenging van die termijn heeft gevraagd, waarna het Hof bij beschikking van 14 oktober 1987, het verhoor van partijen heeft bepaald;

Overwegende, dat partijen, verzoeker in persoon en de heer Ch.Steinberg, onder-Direkteur Administratieve Diensten van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie, vergezeld van hun respektieve advokaten, ter terechtzitting zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als geinsereerd te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd, waarna het Hof de verdere behandeling der zaak heeft aangehouden, vooroverlegging zijdens de Staat Suriname van produkties met toelichting;

Overwegende, dat ten dage daarvoor bepaald de Staat Suriname een schriftelijke conclusie vergezeld van produkties heeft overgelegd, wordende de inhoud van deze conclusie en de produkties geacht hier te zijn opgenomen;

Overwegende, dat nadat de gemachtigde van verzoeker een schriftelijke conclusie tot uitlating produkties had genomen het Hof vonnis in de zaak had bepaald aanvankelijk op 6 mei 1988 doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT :

Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet(P.W.)

Overwegende, dat verzoeker nietigverklaring vordert van de overplaatsingsbeschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie dd. 28 juli 1987 [nummer 1], zijnde naar ’s H‘ven oordeel niet een beschikking waarin zijn bezoldiging is vastgesteld;

Overwegende, dat zo’n beschikking, waarbij de bezoldiging van verzoeker is vastgesteld (ten onrechte wordt gesproken van “met behoud”) is die van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie van 28 april 1987 [nummer 2];

Overwegende, dat verzoeker volgens deze beschikking, nasinds 16 juli 1976 geen werkzaamheden te hebben verricht(en hij ook niet bij beschikking blijkt te zijn ontslagen),(verzoeker heeft elders te weten bij Surinam Timber en wel op arbeidsovereenkomst gewerkt en aldaar inkomsten genoten) op 1 april 1987 zijn werkzaamheden heeft hervat en wel in de rang van ambtenaar A 1e klasse “met behoud” (bedoeld wordt onder vaststelling) van zijn bezoldiging van f.879,- per maand;

Overwegende, dat op grond van de door verweerder overgelegde en door verzoeker niet betwiste “Toelichting” rechtens is komen vast te staan, dat verzoeker zijn werkzaamheden heeft hervat in de rang die hij in 1976 had tegen een bezoldiging,welke in verband met de bverschillende C.L.O.verhogingen is aangepast;

Overwegende, dat hoewel de beschikking van 28 april 1987 spreekt van “behoud van zijn bezoldiging van f.879,- per maand”,uit het voorgaande volgt, dat verzoeker deze bezoldiging niet heeft genoten en van “behoud” derhalve geen sprake is, doch wel van vaststelling van zijn bezoldiging na zijn werkhervatting”;

Overwegende, dat nu blijkens het verzoekschrift, verzoeker zich gegriefd voelt door de vaststelling van zijn bezoldiging op f.879,- per maand, hij dat besluit, waarbij zijn bezoldiging op gemeld bedrag werd bepaald,had moeten aanvechten;

Overwegende, dat dit besluit is vervat in de bescchikking van de Minister van N.H.E. van 28 april 1987 [nummer 2] en niet in die van 28 juli 1987, van welk laatste hij nietigverklaring vordert;(deze beschikking is een “overplaatsingsbeschikking”)

Overwegende, dat verzoeker’s vordering dan ook niet voor toewijzing in aanmerking komt, zullende het Hof hem daarin niet-ontvankelijk verklaren;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN :

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Aldus gewezen door de heren:Mr.R.E.TH.OOSTERLING, waarnemend-President,Mr.E.S.OMBRE en Mr.F.F.P.TRUIDEMAN,Leden en door de waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 17 JUNI 1988,in tegewoordigheid van K.PULTOO,Substituut-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.H.KOMPROE namens zijn gemachtigde advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en verweerder vertegewoordigd door advokaat Mr.S.H.BRAAFHEID namens zijn gemachtigde advokaat Mr.H.MUNGRA zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1988-3

HvJ 11 NOVEMBER 1988

[verzoeker], wonende aan [adres] te [district], advokaat Mr.H.E.STRUIKEN,
verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname te zijne kantore te Paramaribo aan de gravenstraat no.3 en ter terchtzitting vertegenwoordigd door advokaat mr.H.MUNGRA,
verweerder,

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de republiek, het navolgend vonnis uit;

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ‘s Hofs interlocutoire vonnissen van 24 april 1987, 30 oktober 1987 en 5 februari 1988 tussen partijen gewezen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzend naar en overnemend hetgeen bereids in ‘s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts:

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna las geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies hebben genomen, onder overlegging van produkties;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies tot uitlating produkties hadden genomen, vonnis in de zaak werd bepaald aanvankelijk op 28 oktober 1988, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof ook hier verwijst naar en overneemt hetgeen in zijn praeparatoir vonnis van 5 februari 1988 werd overwogen en voorts:

– dat verweerder op de exacte vragen gesteld in voormeld prae-paratoir vonnis van het Hof, alsvolgt heeft gereageerd:

I. De organisatorische struktuur van het Bureau voor Waterkracht Werken ziet er alsvolgt uit:

  • Hoofd van het Bureau, die qua funktiegehalte ingevolge het Ambtenarenbezoldigingsbesluit 1980 (S.R.S.no.153) in schaal 18 dient. Deze functionaris is belast met de totale leiding van dit Bureau.
  • Onderhoofd, dat qua funktiegehalte in schaal 16 dient.
  • Hoofd van de Afdeling Technische Dienst, waaronder ressorteren de Onderafdeling Topografie, Hydrologie, Infrasruktuur, Tekenkamer en Micro-centrale. Deze funktionaris dient qua funktiegehalte van deze funktie in schaal 16.
  • Hoofd van de Onderafdeling(Topografie, Hydrologie, infrasrtuktuur,ect.) dient qua funktiegehalte van deze funktie in funktiecategorie E (schalen 13,14,15)

Naar bekomen inlichtingen was de heer [naam 1] belast met de leiding van de OnderafdelingTopografie, waarvan de waardering volgens het voorgaande moet plaatsvinden in funktiecategorie E.

II. Uit voorgaande beschrijving van de strukturele organisatie van het Bureau voor Waterkracht Werken, blijkt duidelijk dat het Diensthoofd van het Overheidsonderdeel belast is met de totale leiding en in eerste aanleg verantwoording schuldig is aan de Direktie van het Departement.

III. Hoewel de beschikking, die betrekking heeft op overplaatsing van de heer [naam 1] van het Bureau voor Waterkracht Werken naar de Dienst voor Hogere Geodesie NIET is achterhaald, blijkt dit wel het geval te zijn. Mede in verband met de overplaatsing van de heer [naam 1] voornoemd van de Dienst voor Hogere Geodesie; naar het Bureau voor Waterkracht Werken te rekenen van 1 oktober 1981, waarvan de overplaatsingsbeschikking wel is achterhaald (vide beschikking de dato 30 juni 1982 [nummer 1] van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie).

IV. Het voorgaande in aanmerking genomen, kan worden gesteld, dat bij overplaatsing van de heer [naam 1] van het Bureau voor Waterkrach Werken naar de Dienst voor Hogere Geodesie, diens funktie als Hoofd van de Onderafdeling Topografie, werd overgenomen(waargenomen) door de heer [verzoeker], welke funktie, zoals eerder gesteld in funktiecategorie E (schaal 13,14,15) wordt gewaardeerd;

– dat vervolgens uit de door verzoeker in het geding gebrachte resoluties in fotocopy van respektievelijk 6 maart 1970 Ministerie van Opbouw Bureau [nummer 2] [nummer 3] en 1 februari 1980 Ministerie van Opbouw Bureau [nummer 4] [nummer 5], welke verweerder niet heeft betwist blijkt, en mitsdien tussen partijen rechtens vaststaat, dat:

1. de heer [naam 1] te rekenen van 1 februari 1970 werd bevorderd tot Hoofd-technische Ambtenaar B en gelijktijdig tewerk gesteld bij het Bureau voor Waterkracht Werken teneinde te worden belast met de leidinggevende werkzaamheden (Afdeling Topografie) onder toekenning van een salaris van f.826,– (Resolutie van 6 maart 1970);
2. de heer [naam 1], Hoofd technisch Ambtenaar A in vaste dienst bij het Bureau voor Waterkracht Werken van het Departement van Opbouw, werd bevorderd tot Afdelingshoofd van het Brokopondo Bureau (Bureau voor Waterkracht Werken) schaal 18 (Resolutie van 1 februari 1980);
3. Verzoeker heeft bij conclusie de dato 22 april 1988 gesteld, dat de taken van [naam 1] voornamelijk van administratieve aard waren en voornamelijk bestonden uit;

  • het vaststellen van het werkprogramma in overleg met de direkteur en de technisch adviseur;
  • het opmaken van de begroting voor de volgens dit werk programma uit te voeren meetprojekten;
  • periodieke controle – 1 x per maand – op de veldwerkzaamheden te velde;
  • controle op de verzamelde meetgegevens, zoals:
    • d1 het veldwerk, berekeningen,tekeningen en kaarten;
    • d2 het verzorgen van de voortgangsraportage betreffende de werkzaamheden (informatie aan de direkteur);
    • d3 de direkteur adviseren in zaken de afdeling Topografie rakende;
    • d4 zorg voor de personeelsregistratie en de magazijnadministratie van de afdeling Topografie
    • d5 het opmaken en doorgeleiden – aan de direkteur – van bevorderingsvoordrachten van zowel het veld – als kantoorpersoneel van de afdeling Topografie die gedurende het arbeidsjaar zich door ijver en goede plichtvervulling hebben onderscheiden (1 x per jaar) hebbende verzoeker voorts gesteld, dat alle taken van de heer [naam 1] na zijn overplaatsing op hem – verzoeker – zijn overgegaan;

Overwegende, dat verweerder deze stellingen van verzoeker niet althans niet gemotiveerd heeft weersproken, zodat deze in confesso zijn, hebbende verweerder zich verzet tegen bevordering van verzoeker naar schaal 18, aangezien deze verstoring zal teweeg brengen in de hierarchische verhouding binnen het bureau in het bijzonder en binnen het N.H.E.-apparaat in het algemeen;

Overwegende, dat verweerder tenslotte heeft voorgesteld de heren [naam 2] en [naam 3] in deze te horen, aangezien zij destijds de leiding van het Bureau voor Waterkracht Werken hebben uitgemaakt;

Overwegende, dat het Hof op het laatste verzoek van verweerder niet zal ingaan, nu de aan verweerder gestelde exacte vragen ook op exacte wijze beantwoord konden worden;

Overwegende, dat de in de rechtoverwegingen vaststaand geachte feiten, gevoegd bij de, zoals bereids aangenomen in ’s Hofs praeparatoir vonnis van 5 februari 1988, tot gevolg hebben, dat verzoekers vordering aan hem dient te worden toegewezen in voege als na te melden;

RECHTDOENDE:

Verklaart voor recht, dat verzoeker te rekenen van 1 januari 1979 stilzwijgend is benoemd in de funktie van Hoofd van de Afdeling Topografie van het Bureau voor Waterkracht Werken, ressorterende onder het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie;

Beveelt verweerder die handelingen te verrichten, welke vereist zijn voor het in overeenstemming brengen van het door verzoeker te genieten salaris, – volgens schaal 18 der Salarisregelingen -, bij de funktie van Hoofd van de afdeling TOPOGRAFIE als voorgeschreven en wel te rekenen vanaf 1 januari 1979;

Beveelt verweerder voorts die handelingen te verrichten welke vereist zijn voor het doen vaststellen van de bij voorschreven funktie behorende waarnemingstoelagen (1 januari 1978 – 1 januari 1979) en deze ook daadwerkelijke aan verzoeker te betalen.

Veroordeelt verweerder tenslotte tot betaling van een dwangsom van f.50,–(VIJFTIG GULDEN) per dag, aan verzoeker voor elke dag dat verweerder in gebreke blijft aan voormelde bevelen te voldoen, na 1 januari 1989.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door de heren:Mr.R.E.TH.OOSTERLING, waarnemend-president,MrJ.R.VON NIESEWAND en Mr. E.S.OMBRE, Leden en door de waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 11 NOVEMBER 1988 in tegenwoordigheid van K.PULTOO, Substituut-Griffier.

Partijen vertegenwoordigd door hun respektieve gemachtigden Mr.H.E.STRUIKEN en Mr.H. MUNGRA zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.-

SRU-K2-2015-1

KANTONGERECHT

D.G.W.K.
Parketnummer : 1-1-001106
Vonnisnummer : 77/ 2015
Datum uitspraak : 9 februari 2015
Tegenspraak
Raadsman : Mr. D.S. Kraag

VONNIS
van de Kantonrechter in het 2e Kanton, zitting houdende te Paramaribo, inzake de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte] geboren te [district 1], wonende in het [district 2]

Het onderzoek van de zaak
Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 27 maart 2014, 24 april 2014, 5 juni 2014, 12 juni 2014, 10 juli 2014, 14 augustus 2014, 27 november 2014, 8 januari 2015 en 9 februari 2015.

De tenlastelegging na toegestane wijziging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I en de wijziging tenlastelegging als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte:
I. na gebruik van meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, hij de maximum toegestane snelheid heeft overschreden, en 2 doden en 1 zwaar gewonde zijn gevallen;

II. na gebruik van meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat gevaar op de weg en een dodelijk verkeersongeval is veroorzaakt, door gedurende de nacht te rijden zonder onvoldoende rekening te houden met het overig verkeer en zijn rijgedrag onvoldoende daarop aan te passen en vier voor hem op de weg bevindende weggebruikers niet heeft opgemerkt;

III. na gebruik van meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol een personenauto heeft bestuurd.

Ontvankelijkheid van de vervolgingsambtenaar
De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de vervolgingsambtenaar niet- ontvankelijk verklaard moet worden in de vervolging omdat, de verdachte door een onbevoegde hulpofficier in verzekering is gesteld. Vooropgesteld dat niet- ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen voorkomt. Daarvoor is alleen plaats ingeval het verzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekort gedaan. In casu, staat vast dat er sprake was van een verzuim betrekking hebbende op de toepassing van een vrijheidsbenemend dwangmiddel. Krachtens de wet is de Rechter-Commissaris belast met het toezicht op de toepassing dan wel voortduring van bepaalde tijdens het voorbereidend onderzoek bevolen vrijheidsbenemende dwangmiddelen en kan die aan dergelijke verzuimen rechtsgevolgen verbinden. Tegen het oordeel van de Rechter-Commissaris staat hogere voorziening open bij het Hof van Justitie. Ons gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt met zich dat bij de behandeling ter terechtzitting niet opnieuw of alsnog een beroep kan worden gedaan op verzuimen bij de inverzekeringstelling die aan de Rechter-Commissaris zijn of hadden kunnen worden voorgelegd. In casu heeft voorlegging aan de Rechter-Commissaris en het Hof ook plaatsgehad en heeft het Hof reeds een beslissing gegeven. Het verweer wordt daarom verworpen.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder I, II en III ten laste gelegde. Zij vordert dat de verdachte hiervoor wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht; met diens gevangenneming. De veroordeling tot betaling van een geldboete van SRD 2000,- subsidiair 4 weken vervangende hechtenis. Verder vordert zij als bijkomende straf de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.

Zij heeft gesteld dat de verdachte aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam heeft gereden. Kort voor het ongeval heeft de verdachte gereden, met een snelheid die niet aangepast was aan de situatie ter plaatse – er bevonden zich mensen op de weg- . De verdachte heeft niet gezien dat de slachtoffers, zich op de weg bevonden en hij heeft hun vervolgens aangereden. Gezien de hoeveelheid alcoholhoudende drank die hij had gedronken, had hij nooit zijn auto mogen gaan besturen. Hij heeft bewust de beslissing genomen om toch te gaan rijden.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde.

MOTIVERING VRIJSPRAAK
In deze zaak ging het om een ongeval waarbij een bestuurder van een personenauto vier verkeersdeelnemers had geschept op de weg. Als gevolg waarvan 2 kwamen te overlijden en 1 zwaar lichamelijk letsel opliep.

Vooropgesteld wordt dat in dit soort zaken de emoties die hierbij spelen, hoe voorstelbaar ook, geen rol mogen en kunnen spelen bij de beantwoording van de zuiver juridische vraag, of aan de verdachte in strafrechtelijke zin een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot zijn handelen. Met andere woorden, het feit dat het verkeersongeval voor het slachtoffer en nabestaanden dramatische gevolgen heeft gehad, weegt niet mee voor die schuldvraag.

De kantonrechter overweegt het volgende:
Om tot een bewezenverklaring van het onder IA en II ten laste gelegde (artikel 20 Rijwet leden 3 en 2) te komen, dient de kantonrechter vast te stellen of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Enerzijds komt dit neer op de vaststelling van het gedrag van de verdachte en de beoordeling of en, zo ja, in welke mate hij verwijtbaar heeft gehandeld. Anderzijds dient een causaal verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval.

Kort samengevat gebeurde het ongeval als volgt:
Op 16 februari 2014 omstreeks 4 uur in de ochtend heeft verdachte na het gebruik van alcohol deelgenomen aan het verkeer. Het was rustig op straat, er was geen verkeer op de weg. Op dat moment was het nacht en regenachtig weer. De straatverlichting was ontstoken en het zicht ter plaatse was goed. Verdachte reed op dat moment naar eigen zeggen met een snelheid van ongeveer 60-80 kilometer per uur vanuit de richting van [straat] en heeft de slachtoffers pas waargenomen kort voor de botsing. Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 40 km/u.

Enige minuten voordat verdachte de plaats van de botsing naderde, werd één van de dodelijke slachtoffers achterna gezeten door de twee andere slachtoffers (vader en zoon). Komende uit de [straat 1] en gaande richting [woonplaats]. Op een gegeven moment kwam degene die achterna gezeten werd te vallen ([naam 1]). Hij kwam op de weg terecht. Hij werd toen op die plek onder schot gehouden door de vader ([naam 2]) terwijl de zoon ([naam 3]) hem mishandelde. De zoon stond en de vader was op zijn knieën terwijl, een tweede zoon ([naam 4]) erbij stond. Een getuige die dit meemaakte en, vader en zoon aanmaande om hun handelingen te staken was voornemens zich naar de groep te begeven toen hij verdachte met een snelheid zag aankomen rijden. Uitgaande van de snelheid waarmee verdachte aankwam rijden leidde die getuige af dat verdachte de mensen op de weg niet had waargenomen. Hij probeerde verdachte te wenken dat er mensen op de weg waren, maar het was te laat want verdachte reed hun toch aan.

Verdachte reed eerst een zoon van achteren aan, om vervolgens over [naam 1] die op de weg lag, te rijden en schepte vervolgens de vader en de andere zoon. Ten gevolge van de botsing kwamen de vader en een zoon op een afstand van 20.60 meter van het confrontatiepunt terecht. Na de botsing werd verdachte zijn voertuig op 8.35 m van het confrontatiepunt aangetroffen. De vader,[naam 2], overleed ter plekke. De zonen [naam 4] en [naam 3] werd respectievelijk zwaar lichamelijk- en lichamelijk letsel toegebracht.

Slachtoffer [naam 1] bewoog nog even, maar is niet opgestaan na de botsing en kwam in het ziekenhuis te overlijden. Bij het confrontatiepunt/ de plek waar [naam 1] had gelegen was een bloedplas aan de hoofdzijde op het wegdek waargenomen- gemeten tot de trottoirrand 1 1/2 tot 2 m- en zijn slippers waren op het trottoir aangetroffen.

Anders dan de getuigen [naam 5] en [naam 3] verklaarden, staat naar het oordeel van de kantonrechter uit de verklaring van de getuige [naam 6] en het resultaat van het technisch onderzoek vast dat de latere slachtoffers zich op de weg bevonden ten tijde van de botsing (1 1/2 tot 2 m van de trottoir rand en op ongeveer 33.70m van de kruising [straat 2] en [straat 3], bekeken vanuit de richting [wijk]).

Volgens de verdachte reed hij met een snelheid tussen 60- 80 km/u. Uitgaande hiervan kan de verdachte met een snelheid van 60 kilometer per uur hebben gereden, maar ook met 80 kilometer per uur. In dit verband is relevant, dat voor de snelheid geen technisch bewijs is. We moeten afgaan op de verklaringen van de verdachte en getuigen, hetgeen uiteraard geen precieze vaststelling oplevert van de snelheid waarmee is gereden. Mede gelet hierop moet de verdachte bij eventuele onzekerheid, het voordeel van de twijfel worden gegeven.

Over het feit of verdachte voorafgaande of eerst na de botsing afgeremd heeft bestaat onduidelijkheid. Aangetroffen (blokkeer) sporen op het wegdek zijn niet vastgelegd en geplaatst waardoor het niet mogelijk is de snelheid van verdachte ten tijde van het ongeval vast te stellen. Gezien de stopafstand van 8.35m, althans de plek waar het voertuig na de botsing is aangetroffen en, uitgaande van algemeen bekende snelheidstabellen inzake reactie tijden en stopafstanden kan aangenomen worden dat verdachte met een snelheid van tussen 40- 50 kilometer per uur heeft gereden. Hetgeen geen grove overschrijding van de vastgestelde maximumsnelheid is.

Ofschoon het niet overschrijden van de maximumsnelheid niet aan het oordeel in de weg hoeft te staan dat er gelet op bijzondere omstandigheden ter plaatse toch te hard is gereden, hebben dergelijke omstandigheden zich in deze niet voorgedaan. Ten tijde van het ongeval was het niet druk op straat, zo hebben verschillende getuigen verklaard dat er geen verkeer op de weg was. Gelet hierop hoefde de verdachte niet langzamer te gaan rijden dan de maximumsnelheid.

Anders dan de officier van justitie ziet de kantonrechter derhalve geen grond voor het oordeel dat de verdachte met een snelheid heeft gereden waarmee hij zijn voertuig niet tijdig tot stilstand kon brengen en niet de nodige voorzorgsmaatregelen heeft getroffen bij het naderen van de slachtoffers.

Uit de ademanalyse na het ongeval bleek dat de verdachte alcohol had gedronken waarbij is vastgesteld dat de hoeveel alcohol per liter uitgeademde lucht 655 microgram bedroeg. Gelet op het vorenstaande is het verwijtbare gedrag van de verdachte gelegen in het in beschonken toestand besturen van een auto.

Thans dient te worden vastgesteld of er causaal verband is tussen dit gedrag van de verdachte en het verkeersongeval.

Van algemene bekendheid is dat deelname aan het verkeer na het drinken van alcoholhoudende drank risico’s met zich brengt. Zo wordt het inschattingsvermogen en het reactievermogen door het drinken van alcohol negatief beïnvloed. Gelet hierop is bij een verkeersongeval na gebruik van alcohol, weinig nodig om te kunnen concluderen dat er sprake is van een overschrijding van de zorgvuldigheidsnorm die in artikel 20 lid 3 Rijwet besloten ligt.

Aan de hand van de verklaringen van de getuigen en verdachte kan de waarneembaarheid op verkeer niet nagegaan worden en kan niet vastgesteld worden op welke afstand het verkeer op de weg voor verdachte zichtbaar was. Getuige [naam 6] heeft aangegeven dat het naderen van het voertuig zo snel gebeurd is. Voorts kon hij niet aangeven op welke afstand hij het voertuig van verdachte opmerkte toen hij hem een waarschuwing gaf. Verdachte heeft verklaard dat het waarnemen van de slachtoffers plotseling gebeurde.

Nu, de waarnemingsafstand niet vastgesteld kon worden kan ook niet berekent worden of het makkelijk was voor verdachte om tijdig te stoppen. Of tenminste een noodstop te maken. Evenwel is komen vast te staan dat de slachtoffers renden en plotseling de rijbaan opkwamen waar de verdachte reed. Een ieder zou de slachtoffers onder de voren geschetste omstandigheden op dat moment hebben kunnen aanrijden, ongeacht of die persoon alcohol genuttigd had of niet. Benadrukt wordt dat hiermee niet gezegd is dat het rijden onder invloed toegestaan of geoorloofd is.

Aan verdachte zijn geen andere concrete omstandigheden verweten dan de omstandigheid dat hij onder invloed verkeerde van alcohol, van welke omstandigheid niet is gebleken in hoeverre deze invloed heeft gehad op en bepalend is geweest voor het rijgedrag van verdachte en het ontstaan van het ongeval. Het enkele feit dat verdachte onder invloed van alcohol verkeerde maakt in deze niet dat daarmee het rijgedrag van verdachte ten tijde van de botsing moet worden aangemerkt als zeer, althans aanmerkelijk onoplettend of onvoorzichtig en dat als gevolg daarvan het ongeval heeft plaatsgevonden.

De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het causale verband ontbreekt tussen het verwijtbare gedrag en het verkeersongeval. Gelet hierop is het onder IA en II ten laste gelegde handelen in strijd met artikel 20 leden 2 en 3 Rijwet niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Tevens dient de kantonrechter te bezien of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg is veroorzaakt of kon worden veroorzaakt, als bedoeld in artikel 2 van de Rijwet. Daarbij gaat het erom of de verdachte een reële kans op een ongeval heeft veroorzaakt. De kantonrechter is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat door het aanrijden van c.q. het botsen tegen de slachtoffers gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en evenmin dat het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.Weliswaar zijn de twee slachtoffers overleden c.q. heeft één zwaar lichamelijk letsel opgelopen als gevolg van de aanrijding, maar in hoeverre het rijgedrag van verdachte waardoor het ongeval is ontstaan heeft bijgedragen kan niet worden vastgesteld. Voor een bewezenverklaring van overtreding van artikel 2 Rijwet is tenminste vereist dat enige verwijtbaarheid kan worden vastgesteld.

De enkele omstandigheid dat de verdachte in beschonken toestand zijn auto is gaan besturen, is echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat er sprake is van gevaarzetting in de zin van voormelde bepaling. Gelet hierop is evenmin het onder IB ten laste gelegde handelen in strijd met artikel 2 Rijwet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte ook daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING
De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat ademalcoholonderzoek door één in plaats van twee opsporingsambtenaren is verricht hetgeen niet overeenkomstig de wet is. Voorts is het bijgevoegde afschrift van het ademanalyse formulier onleesbaar en kan daarvan niet afgelezen worden wat het resultaat is.Ten aanzien van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd omtrent het niet naleven van het bepaalde in het Besluit Alcoholonderzoeken, is de kantonrechter van oordeel dat in het procesdossier een origineel en een afschrift van het ademanalyse formulier is aangetroffen. Hoewel het afschrift enigszins onleesbaar is, kan uit het originele ademanalyse formulier afgelezen worden dat het resultaat 655 ug/l is. Artikel 5 besluit Alcoholonderzoeken bepaalt dat het onderzoek gedaan moet worden door een opsporingsambtenaar en uit het proces-verbaal van ademalcohol analyse blijkt dat het bepaalde in dit artikel 5 is nageleefd. De uitkomst van het ademalcoholonderzoek mag derhalve tot bewijs dienen van het verdachte onder 3 ten laste gelegde, zodat het verweer van de raadsman verworpen wordt.

Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte en hetgeen daaromtrent hiervoor is uiteengezet, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder III ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
“hij op 16 februari 2014 als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, daarmede heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat 2] terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet instaat moest worden geacht vermeld motorrijtuig naar behoren te besturen”.Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMIDDELEN
Ambtsedig opgemaakt uittrekselrapport d.d. 16 februari 2014 opgemaakt door ambtenaar van politie [naam 7] Verkort en zakelijk weergegeven inhoudende:
Op zondag 16 februari 2014 werd portofonisch bericht ontvangen dat er een aanrijding met materiële schade en persoonlijke ongelukken heeft plaatsgevonden aan de [straat 2]. De autobestuurder [verdachte]A zijn adem riekte sterk naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende dranken, hij had bloed doorlopen ogen en een waggelende gang. Hij werd hangende het verder onderzoek overgebracht naar het bureau.
Het ademanalyse formulier ten name van [verdachte] d.d. 16 februari 2014- starttijd 06:28.- stoptijd 16:32- aangevende het onderzoeksresultaat : 655 ug/l.

STRAFBAARHEID FEIT
Het bewezen feit levert op: overtreding van artikel 3 lid 1 Rijwet 1971.
Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE
De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.De verdachte heeft een strafbaar feit begaan door zijn auto te besturen in beschonken toestand. In die staat verkerend is hij met zijn auto betrokken geweest bij een dodelijk verkeersongeval. Dit laatste kan hem echter strafrechtelijk niet worden verweten.

Bij het bepalen van de straf wordt in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij niet eerder is veroordeeld.Gelet op de vrijspraak van het onder I en II ten laste gelegde, wordt de strafeis van de officier van justitie niet gevolgd.

Op voormeld feit zal de kantonrechter op grond van het voorgaande reageren met een voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete.

Tevens zal een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig worden opgelegd. De duur hiervan zal, beperkt worden tot de periode waarover verdachte zijn rijbewijs inmiddels ingenomen is geweest, omdat daarmee reeds een passende reactie zou zijn gegeven op de hem verweten gedraging.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikel 9 en 44 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 19 en 21 leden 1 en 4 van de Rijwet.

De kantonrechter acht, gelet op het bovenstaande, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

DE BESLISSING
De kantonrechter beslist als volgt:
– verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder I en II ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

– verklaart bewezen, dat de verdachte het onder III ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

– verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

– stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

– verklaart de verdachte strafbaar;

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 10 (TIEN) MAANDEN, voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaren.

Beveelt, dat deze voorwaardelijke opgelegde straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van SRD 1750 (een duizend zevenhonderd en vijftig Surinaamse Dollars), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) weken hechtenis.

ONTZEGGING RIJBEVOEGDHEID
Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 (TWAALF) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 11 van de Rijwet 1971 vóór het tijdstip waarop deze bijkomende straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest vanaf 16 februari 2014, op de duur van deze bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting gehouden op 9 FEBRUARI 2015

De Griffier,De Kantonrechter,
w.g. R.N.CHOTE-SEWARAM w.g.D.G.W.KARAMAT ALI

SRU-HvJ-1989-5

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 24 februari 1989
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en F.F.P. Truideman).

a. [verzoeker sub a], wonende aan [adres 1] te [district], en
b. [verzoeker sub b], wonende aan [adres 2] ([projekt]) te [district], advokaat Mr. G.H. GUNTHER,
verzoekers,

tegen

DE STAAT SURINAME (Ministerie van Arbeid), in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, en ter terechtzitting vertegenwoordigd wordende door advokaat Mr. Dr. C.D. OOFT,
verweerder.

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker sub a] en [verzoeker sub b], zich bij verzoekschrift tot het Hof hebben gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoekers de navolgende vordering wensen in te stellen tegen De Staat Suriname (Ministerie van Arbeid), in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te diens Parkette aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, verweerder;

2. dat verzoekers ingevolge art. 1 van de Personeelswet ambtenaren zijn, in dienst van de Staat Suriname, zijnde rechtspersoon;

3. dat verzoeker sub a. sinds de beschikking van 8 mei 1987 in funktie is als Stafambtenaar “B” 2de kl. tegen een maandsalaris van f. 1.159,– per maand en de pensioengrondslag bepaald op f. 13.905,– ;

terwijl verzoeker sub b. sinds de beschikking van juli 1987 in funktie is als Stafambtenaar “B” 2de kl. tegen een maandsalaris van f. 1.039,– per maand en de pensioengrondslag bepaald op f. 12.468,–;

4. dat verzoekers, eerder werkzaam bij de Vakschool voor Volwassenen (M.v.A.), ter beschikking werden gesteld van de Stichting Arbeidsmobilisatie en Ontwikkeling (opgericht 26 mei 1981 publ. A.B. 11-8-‘81 no. 64, onder vigeur van Decreet E-5 van 11 november 1980 voor onbepaalde tijd) per 1 januari 1982 en alstoen het salaris van verzoeker sub a. bedroeg f. 919,–; pens. grondslag f. 11.028,– en van verzoeker sub b. f. 797,– pens. grondslag f. 9.564,–;

5. dat toen door de Direkteur van Arbeid toegezegd werd, dat verzoekers in een nieuwe funktie en rang zouden dienen, overeenkomstig bevorderd en het loon ingepast in overeenstemming hiermede;

6. dat instede het toegezegde te realiseren, de Stichting (S.A.O.) aan verzoekers een overwerkvergoeding ging uitbetalen tot heden – terwijl er n.l. in het geheel niet werd overgewerkt – naderhand (1987) kwamen er enkele promoties die dan het gedane onrecht zouden moeten goedmaken;

7. dat een vergelijking van het verdiende salaris en de overwerkvergoeding met het salaris, over de dienstjaren, het volgende beeld vertoont (zie Bijlagen) – waaruit duidelijk blijkt dat salaris + overwerk, vormende een nieuw salaris niet tot uitdrukking komt in de gegeven beschikkingen en alzo verzoekers te kort zijn gedaan en deze genoemde beschikkingen nietig verklaard dienen te worden en rechtdoende vast te stellen de schalen waarin verzoekers dienen te worden ingepast;

8. dat bij herhaling, door verzoekers is geklaagd binnen de administratie t.w. bij Minister en Direkteur van het Ministerie van Arbeid, echter zonder gevolg – veel werd er gesproken en beloofd echter zonder resultaat;

9. dat verzoekers uit hoofde van het bovenstaande menen benadeeld te zijn doordat de pensioengrondslag op een aanmerkelijk lager bedrag zou komen te liggen;

10. dat de litigieuze beschikkingen in strijd zijn met de Wet en ten opzichte van verzoekers onredelijk, waarbij dient te worden opgemerkt dat zij tevens in strijd zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur -een ambtenaar kan niet ter beschikking gesteld worden van een semi-partikuliere rechtspersoon en gelden verkrijgen waarvoor hij niet werkt, eenvoudigweg om hem maar zoet te houden;

11. dat verzoekers op bovenomschreven gronden gerechtigd zijn Uw Hof als Ambtenarengerecht te adieren om hunne aanspraken verwezenlijkt te zien;

12. dat de zaak waarom het gaat kort en krachtig te stellen, bet Ministerie van Arbeid de ambtenaren uitgeleend heeft aan de Stichting (S.A.O.) en die hen nog wat loon heeft gegeven tot het bewaren van de vrede terwijl genoemd ministerie weigerachtig bleef de betrokken ambtenaren te bevorderen en zodoende een rechtmatig salaris toe te kennen zodat zij bij het verlaten van de Staatsdienst van een redelijk pensioen zouden kunnen genieten;

13. dat wij immers moeten aannemen dat de Staat Suriname bij een behoorlijk bestuur geen filantropische instelling is en zij aldus in het vollen bewustzijn verkeerde dat verzoekers te kort zijn gedaan en recht hebben op een salaris overeenkomstig hetgeen zij in de totaliteit hebben ontvangen en aldus diende het Ministerie van Arbeid betrokkenen in te passen in die rang en schaal, overeenkomstig het gegeven loon ten koste van de Staat hetgeen meerdere malen is toegezegd, doch nimmer gerealiseerd, terwijl de betrokken ambtenaren geen toestemming hadden werkzaamheden buiten hun dienstverband voor derden te verrichten;

14. dat het vaststellen van de bezoldiging meerdere malen zonder een beschikking is gebeurd en verwezen wordt naar de bezoldigingsstaat (S.A.O.), waarbij data worden gekorrigeerd enz., een totale indruk van slordigheid en onnauwkeurigheid makende;

Overwegende, dat verzoekers op deze gronden hebben verzocht;

a. dat rechtdoende in ambtenarenzaken, onder gebruikmaking van de in art. 79 der Personeelswet gegeven bevoegdheden de litigieuze beschikkingen t.w. betrekking hebbende op verzoeker sub a:
van 23 febr. 1981 ([nummer 1]); van 11 febr. 1983 ([nummer 2]); van 2 febr. 1987 ([nummer 3]); en van 8 mei 1987 ([nummer 4];
en wat verder moge blijken:

betrekking hebbende op verzoeker sub b:
van 18 febr. 1983 (Bur.[nummer 5]); 19 apr. 1986 ([nummer 6] van 19 febr. 1986 ([nummer 7]); en juli 1987 ([nummer 8])
en wat verder moge blijken;

zullen worden vernietigd dan wel nietig verklaard en voorts verweerder zal worden gelast om het nodige te verrichten ter bevordering van verzoekers in een zodanige rang, overeenkomende met het werkelijk genoten salaris in de schaal van dien rang en wel met ingang van zodanige tijdstippen, terugwerkende en voor de toekomst, als Uw Hove in goede justitie redelijk en billijk zal achten;

b. de bovenstaande vordering te doen realiseren onder oplegging van een dwangsom van f. 100,– per dag voor het of gedeeltelijk achterwege laten van het door Uw Hove in goede justitie bepaalde, met veroordeling van verweerder in de kosten van het geding;

Overwegende, dat weliswaar door de Staat Suriname een verweerschrift is ingediend, doch dit is niet binnen de bij de Wet gesteld, termijn geschied, weshalve het Hof daaraan zal voorbijgaan;

Overwegende, dat partijen verzoekers in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde advokaat Mr. G.H. Gunther, de heer [naam], gevolmachtigde van de Staat Suriname, Mr. Dr. C.D. Ooft gemachtigde van de Staat, ingevolge ‘s Hofs beschikking van 4 juli 1988 in Raadkamer zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte als hier geinsereerd te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de respektieve advokaten van partijen bij pleidooi de zaak nader hadden toegelicht en verdedigd, vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 10 februari 1989 doch nader heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoekers ambtenaren zijn in de zin van artikel 1 van de Personeelswet;

Overwegende, dat verzoekers vorderen dat het Hof;

A. zal vernietigen, althans nietig verklaren;

met betrekking tot verzoeker sub a:
– de beschikkingen van: 23 februari 1981 ([nummer 1]);
11 februari 1983 ([nummer 2] ); 2 februari 1987 ([nummer 3]); 8 mei 1987 ([nummer 4]) en wat verder moge blijken;

met betrekking tot verzoeker sub b:
– de beschikkingen van: 18 februari 1983 (Bur.[nummer 5]);
19 april 1986 ([nummer 6]); 19 februari 1986 ([nummer 7]);
juli 1987 ([nummer 8]) en wat verder moge blijken;

B. verweerder zal gelasten het nodige te verrichten ter bevordering van verzoekers in een zodanige rang, overeenkomende met het werkelijk genoten salaris in de schaal van die rang en wel met ingang van zodanige tijdstippen, terugwerkende en voor de toekomst, als het Hof in goede justitie redelijk en billijk zal achten;

– alles onder verbeurte van een dwangsom van f. 100,– per dag voor het geheel of gedeeltelijk achterwege laten van het door het Hof in goede justitie bepaalde;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat verzoekers in het onder A gevorderde, strekkende tot vernietiging althans nietigverklaring van de aldaar genoemde beschikkingen, niet kunnen worden ontvangen, aangezien die vordering pas op 13 april 1988 bij het Hof is ingediend, waardoor de termijn van Een maand als bedoeld in artikel 80, lid 1, sub b. van de Personeelswet ruimschoots is overschreden; de oudste beschikking waarvan vernietiging wordt gevraagd is van 23 februari 1981 en de jongste is van juli 1987:

dat het onder B gevorderde als een sequeel van het onder A gevorderde, hetzelfde lot ondergaat;

Overwegende, dat een onderzoek naar de juistheid van de aan de vorderingen van verzoekers ten grondslag gelegde feiten als niet langer relevant, dan ook geheel achterwege kan blijven;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen:

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

SRU-HvJ-1989-4

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 27 januari 1989
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en O.W. Abendanon).

[verzoeker], wonende te [district] aan [adres], advokaat Mr. A.R. BAARH,
verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, te zijnen kantore aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, advokaat Mr. H. MUNGRA,
verweerder.

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker wenst de volgende in te stellen tegen De Staat Suriname, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, te zijnen kantore aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, verzoeker.

2. Verzoeker is arbeidscontractant in de zin van artikel 1 van de Personeelswet.

3. Bij overeenkomst d.d. 2 juli 1986 A.K. [nummer 1] is verzoeker in dienst van verweerder getreden voor de vervulling van de functie van bewaker tegen het genot van een loon ten bedrage van f. 343,– per maand ingaande 1 september 1986 en eindigende op 28 februari 1987.

Een afschrift in fotocopie van vermelde beschikking, waarvan wordt verzocht de inhoud hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen, wordt hierbij overgelegd.

4. De overeenkomst tussen verzoeker en verweerder is na 28 februari 1987 zonder tegenspraak voortgezet voor een gelijke tijd en alzo eindigende op 31 augustus 1987.

Ook na laatst vermelde datum is de overeenkomst tussen verzoeker en verweerder zonder tegenspraak ingevolge artikel 1615 f Burgerlijk Wetboek voortgezet en geëindigd op 28 februari 1988. Indien geen tegenspraak volgt, zal de overeenkomst zich ook hierna op gelijke voet en tijd continueren.

5. Verweerder heeft evenwel geweigerd verzoeker het salaris over januari 1988, februari 1988 en maart 1988 uit te betalen, zonder opgaaf van redenen, zonder dat de overeenkomst is geëindigd terwijl verzoeker bereid was en is de bedongen arbeid te verrichten.

6. Verweerder handelt hierdoor jegens verzoeker in strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur.

7. Verzoeker lijdt door deze weigering van verweerder schade bestaande uit gederfde loon 3 x f. 343,– = f. 1.029,– en voorts vakantieverlof en vakantie uitkering over 1987 en 1988, alsmede de aan alle bewakers toegekende salarisverhoging per 1 juli 1987.

8. Ondanks herhaalde en dringende aanmaningen kan verzoeker geen betaling van verweerder verkrijgen.

9. Verzoeker is niet bij machte de kosten van deze procedure te betalen ten blijke waarvan hij hierbij overlegt een certificaat van onvermogen;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

a. dat hem zal worden toegestaan ten deze kosteloos te procederen;

b. dat bij vonnis verweerder zal worden veroordeeld om aan verzoeker tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van f. 1.029,–met de rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening en voorts vakantieverlof althans het equivalent daarvan in geld en vakantiegeld over 1987 en 1988, alsmede de aan alle bewakers per 1 juli 1987 toegekende salarisverhoging eveneens met de rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening, kosten rechtens;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker vervolgens een schriftelijke conclusie tot wijziging van het verzoekschrift heeft genomen in dier voege dat het petitum worde gelezen als volgt:

a. dat hem zal worden toegestaan ten deze kosteloos te procederen;

b. dat bij vonnis verweerder zal worden veroordeeld om aan verzoeker tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

1. De som van f. 1.029,– met rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening.

2. Vakantieverlof althans het equivalent daarvan in geld en vakantiegeld over 1987, alsmede de aan alle bewakers per 1 juli 1987 toegekende salarisverhoging met de rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening:

3. De som van f. 343,– per maand met emolumenten met ingang van 1 april 1988 totdat de dienstbetrekking tussen partijen volgens de wet is beëindigd, eveneens met de rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

Overwegende, dat de Staat Suriname binnen de bij de Wet gestelde termijn een verweerschrift heeft ingediend, waarin als verweer wordt aangevoerd:

1. dat verweerder al hetgeen in het verzoekschrift door verzoeker is gesteld, voor zoveel hieronder niet erkend, ten stelligste ontkent, met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn erkentenis en onder aanbod van bewijs van al zijn weren, voor zoveel op hem enige bewijslast mag rusten, onder protest tegen zijn gehoudenheid daartoe;

2. dat verweerder erkent het sub 2 en 3 in het verzoekschrift gestelde;

3. dat verweerder erkent dat de overeenkomst na 28 februari 1987 is voortgezet en alzo op 31 augustus 1987 is geëindigd;

4. dat na 31 augustus 1987 de overeenkomst stilzwijgend werd voortgezet van maand op maand;

5. dat evenwel wegens door verzoeker gepleegde plichtsverzuim bij schrijven d.d. 1 augustus 1987 [nummer 2] aan verzoeker per 31 oktober 1987 het dienstverband werd opgezegd en aldus beëindigd wordende een afschrift van bedoeld schrijven hierbij overgelegd en verzocht zulks als hierin herhaald en geinsereerd te beschouwen;

6. dat verzoeker namelijk verscheidene malen schriftelijk wegens plichtsverzuim in gebreke werd gesteld o.a. bij schrijven d.d. 26 mei 1987, 1 juni 1987, 17 juni 1987 en 16 juli 1987, waarbij hij telkens in de gelegenheid werd gesteld, zich te verweren, doch verzoeker ingebreke is gebleven op voormelde gepleegde plichtsverzuim verweer te voeren, wordende bij deze afschriften van vorenbedoelde ingebreke stelling wegens plichtsverzuim overgelegd en verzocht zulks als hierin herhaald en geinsereerd te beschouwen;

7. dat namelijk tijdens de diensttijd van verzoeker als wachter er veelvuldig diefstallen plaats vonden van o.a. sigaretten uit de kantine en shutters van de lokalen alwaar hij wacht hield. De verzoeker verliet geregeld vroegtijdig de dienst (wacht) en had de gewoonte in het wachtlokaal bij de poort zijn bedje te spreiden en rustig te slapen;

8. dat aan verweerder meerdere keren de kans werd gegeven zijn gedrag te verbeteren en werd hij te dien einde overgeplaatst van het Natin M.B.O. naar de Eenvoudige Technische School.

Er trad evenwel geen verbetering in het gedrag van verzoeker, verzoeker bleef de dienst vroegtijdig verlaten en hij heeft dit ook bekend bij onderzoek van herhaalde inbraken welke tijdens zijn diensttijd plaatsvonden.

Tot overmaat van wangedrag is gebleken dat verzoeker tijdens activiteiten in het N.I.S. zich bezig hield met het tegen betaling stallen van auto’s op het schoolerf en liet hij toe dat onbevoegden het afgesloten terrein betraden;

9. dat vanwege voormelde gedrag het onverantwoord was verzoeker langer in dienst te handhaven, te meer waar hij in gebreke bleef zich te verweren na in gebreke stellingen;

10. dat door een ambtelijke omissie het salaris van de verzoeker is doorbetaald tot ultimo december 1987;

11. dat verweerder op grond van het voorgaande terecht heeft geweigerd aan verzoeker het salaris over januari 1988 en volgende maanden uit te betalen;

12. dat, gelet op het voortdurend wangedrag en plichtverzuim van verzoeker, de verweerder redelijkerwijs niet gehouden is de arbeidsovereenkomst met verzoeker voort te zetten na de opzegging per 31 oktober 1987 als voorschreven;

13. dat verweerder danook niet gehandeld heeft jegens verzoeker in strijd met enig in het algemeen rechts bewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

14. dat toch uit de ingebreke stellingen duidelijk blijkt dat verzoeker onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid biedt en onbekwaam is om zijn taak als wachter uit te oefenen, hetgeen voldoende redenen tot de ontslagverlening geeft (art. 69 sub c en d P.W.);

15. dat verzoeker geen aanspraak maakt op het gevorderde vakantieverlof en vakantie-uitkering over 1987 en 1988, noch over salarisverhoging per 1 juli 1987, nu zijn plichtsverzuim van dien aard is geweest dat hij op deze vorderingen geen aanspraak kon maken, bovendien zijn deze vorderingen onvoldoende omschreven noch gekapitaliseerd en derhalve niet-ontvankelijk;

16. dat de vorderingen van verzoeker danook ongegrond zijn en dienen te worden ontzegd, althans dient verzoeker daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker in zijn verzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat zulks aan hem zal worden ontzegd, als zijnde ongegrond en onbewezen en met verzoek – zo nodig – tot toelating van het aangeboden bewijs, kosten rechtens;

Overwegende, dat partijen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn raadsman Mr. A.R. Baarh en verweerder ten deze vertegenwoordigd door de heren Mr. Codrington en de heer [naam] bijgestaan door de raadsman van verweerder Mr. H. Mungra, zijn ingevolge ’s Hofs beschikking van 18 mei 1988 in Raadkamer verschenen en hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen vervolgens bij pleidooi de zaak nader hebben toegelicht en verdedigd waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk werd bepaald op 13 januari 1989, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat aan verzoeker akte zal worden verleend van de wijziging van het petitum gelijk verzocht, hebbende verweerder zich daartegen niet verzet en zijnde hij evenmin in zijn verweer geschaad;

Overwegende voorts, dat aan verzoeker zal worden gegund kosteloos te procederen;

Overwegende, dat verzoeker is landsdienaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet;

Overwegende, dat verzoeker vordert – voorzover van belang – veroordeling van verweerder aan hem – verzoeker tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

1. de som van f. 1.029,– (loon over januari tot en met maart 1987) met de rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag der rechtsingang tot aan die der voldoening;

2. vakantieverlof althans het equivalent daarvan in geld en vakantiegeld over 1987, alsmede de aan alle bewakers per 1 juli 1987 toegekende salarisverhoging met de rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

3. de som van f. 343,– per maand met emolumenten met ingang van 1 april 1988, totdat de dienstbetrekking tussen partijen volgens de Wet is beëindigd, eveneens met rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot die der algehele voldoening;

Overwegende, dat verzoeker zich terecht erop beroept, dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst gedaan bij schrijven van 1 augustus 1987 per 1 oktober 1987 elk rechtsgevolg ontbeert, omdat de persoon van [naam], Hoofd Schoonmaak en Bewaking op het Ministerie van Onderwijs, Wetenschappen en Cultuur, niet behoort tot het bevoegde gezag, dat ten aanzien van een landsdienaar een besluit als in bedoeld schrijven vervat kan nemen;

Overwegende, dat de opzegging als in strijd met de wet nietig is, zodat de dienstbetrekking is blijven voortduren, zullende het Hof, hoewel niet expressis verbis is gevorderd – verstaan dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst als voormeld nietig is;

Overwegende, dat een onderzoek naar de juistheid c.q. onjuistheid van de ontslagreden dan ook geheel achterwege kan blijven, nu verzoeker zijn bereidheid tot het verrichten van de bedongen arbeid heeft getoond, doch verweerder door eigen schuld daar geen gebruik van wenst te maken, blijft verweerder aan verzoeker zijn loon verschuldigd;

Overwegende, dat ook de in artikel 8 van de Arbeidsovereenkomst vermelde aanspraak op vakantieverlof en vakantie-uitkering, blijft verzoeker behouden;

Overwegende, dat als niet weersproken vaststaat, dat verzoeker tot en met ultimo december 1987 salaris uitgekeerd gekregen heeft, hebbende verweerder zich naar ‘s Hoven oordeel ten onrechte beroepen op een “ambtelijke omissie”, terwijl uitbetaling van het vakantiegeld over 1987 achterwege is gebleven;

Overwegende, dat verzoekers vorderingen in voege als na te melden dienen te worden toegewezen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

I. Verleent verzoeker akte van de wijziging van het petitum van zijn verzoekschrift in voege als voormeld;

II. Verleent verzoeker voorts vergunning ten deze kosteloos te procederen;

III. Verstaat:

a) dat de aan verzoeker gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst bij brief van het Hoofd Schoonmaak en Bewaking van het Ministerie van Onderwijs, Wetenschappen en Cultuur bij schrijven van 1 augustus 1987 [nummer 3] en wel per 31 oktober 1987, nietig is;

b) dat het salaris van verzoeker door verweerder over de periode november en december 1987 terecht is uitbetaald;

IV. Veroordeelt verweerder om tegen behoorlijke kwijting aan verzoeker te betalen:

– het vakantiegeld over het jaar 1987, gelijk aan 96% van her bruto maandinkomen;

– het per 1 januari 1988 en de daaropvolgende maanden verschuldigde maandsalaris, inclusief de aan verzoeker per 1 juli 1987 toegekende verhoging, vermeerderd met de daaraan verbonden emolumenten met de wettelijke interessen daarover ad 6% per jaar, ingaande 6 april 1988;

Wijst af het meer of anders gevorderde.

SRU-K1-2011-1

Kantongerecht in het Eerste Kanton
A.R. no. 043495
15 februari 2011

Vonnis in de zaak van

NATIONAL PLASTICS EN CO LTD,TEN RECHTE GEHETEN N.V. NATIONAL PLASTICS SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende aan de F. Kallenweg no. 11 en domicilie kiezende te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigden: mr. F.F.P. Truideman en mr. D.F. Chocolaad, advocaten,

contra

DE CENTRALE BANK VAN SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
gedaagde sub a,
gemachtigde: mr. F. Kruisland, advocaat,

en

DE STAAT SURINAME, RECHTSPERSOON, MET NAME HET MINISTERIE VAN FINANCIEN, vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie te Paramaribo,
gedaagde sub b,
gemachtigde: mr. F. Kruisland, advocaat.

Hierna te noemen: “De Staat en de Centrale Bank”.

1. Het procesverloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 27 augustus 2004 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– een schriftelijke conclusie van antwoord;
– een schriftelijke conclusie van repliek met producties;
– een schriftelijke conclusie van dupliek met producties en uitlating producties;
– een schriftelijke conclusie tot uitlating producties;
– het proces-verbaal van een comparitie van partijen;
– een schriftelijke conclusie na gehouden comparitie zijdens eiseres, met producties;
– een schriftelijke conclusie tot uitlating producties zijdens gedaagde, met producties;
– met schriftelijke conclusie tot uitlating producties zijdens eiseres.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiseres heeft in de jaren 1988 tot en met 1992 grondstoffen geïmporteerd voor productie van plastic producten, waaronder de noodzakelijke verpakking voor onder andere eerste levensbehoeften;

2.2 Bij schrijven van 19 juli 1988 [nummer] heeft de Staat aan de President van de Centrale Bank medegedeeld dat er geen bezwaar bestaat, dat voormelde Bank garantie verleent op de aangeboden kredietfaciliteiten van eiseres;

2.3 Eiseres heeft voor de import van grondstof voor de vervaardiging van plastic materiaal diverse vergunningen verkregen van de Staat;

2.4 De Staat heeft bij schrijven van 12 januari 1990 toestemming verleend aan de President van de Centrale Bank van Suriname, om een Letter of Credit te openen voor een totaal bedrag van US$ 696.380,– zoals vermeld op de aangegeven vergunningen ten name van eiser;

2.5 De Staat heeft bij schrijven van 20 maart 1990, de Waarnemend President van de Centrale Bank van Suriname, medegedeeld dat er geen bezwaren bestaan om aan de leverancier van eiseres deviezen beschikbaar te stellen voor de levering van grondstoffen voor het vervaardigen van plastic zakken voor een totaal bedrag van US$ 350.000,–. Het interestpercentage is 0,5 % per maand;

2.6 De Centrale Bank van Suriname heeft aan Silver Star AEC op 26 maart 1990 geschreven dat “we herewith confirm that Centrale Bank van Suriname, Paramaribo will place foreign currency at the disposal of the local bankers of National Plastics N.V., Paramaribo for your delivery of petrochemical raw material for a total amount of US$ 350.000,–. This guarantee letter has a valid period of 8 months after signing date and expires if abovementioned conditions are not fulfilled. The interest percentage will be 0,5% per month”;

2.7 De Centrale Bank van Suriname heeft aan Silver Star AEC op 7 november 1990 geschreven dat “we herewith confirm that Centrale Bank van Suriname, Paramaribo will place foreign currency at the disposal of the local bankers of National Plastics N.N., Paramaribo for your delivery of petrochemical raw material for a total amount of US$ 350.000,–. This guarantee letter has a valid period of 8 months after signing date and expires if abovementioned conditions are not fulfilled. The interest percentage will be 0,5% per month”;

2.8 De Staat heeft bij schrijven van 9 april 1991 toestemming verleend aan de President van de Centrale Bank van Suriname om een letter of credit te openen tot een total bedrag van US$ 91.265,– bij de Hakrinbank N.V., voor de import van goederen zoals vermeld op aangegeven vergunningen van eiseres;

2.9 De President van de Centrale Bank van Suriname heeft bij schrijven van 29 juli 1998 aan eiseres meegedeeld de hoogte van haar openstaande schulden en voorstellen gedaan op welke wijze de schuld kan worden voldaan;

2.10 Eiseres heeft op bovengenoemd schrijven, schriftelijk gereageerd op 3 augustus 1998 en 25 september 1998;

2.11 De Centrale Bank van Suriname heeft bij schrijven van 21 oktober 1998 aan eiseres meegedeeld dat zij de zaak van eiseres zal voorleggen aan het Ministerie van Financiën, waarna er een definitief besluit zal worden genomen over de afwikkeling van de schuld;

2.12 De Centrale Bank van Suriname heeft bij schrijven van 21 oktober 1998 aan eiseres meegedeeld dat de eerste overmaking van de uitstaande schuld van eiseres zal bedragen US$ 460.000,00 waarvan eiseres haar bijdrage is gesteld op SF 82.790.000,00 zijnde 30% en die van de Staat SF 148.510.000,00 zijnde 70% tegen de afgesproken koers van 455;

2.13 De President van de Centrale Bank van Suriname heeft bij schrijven van 9 juli 1999 aan eiseres medegedeeld dat zij niet in staat zijn geweest om de zaak van eiseres af te handelen en dat zij die week US$ 50.000,00 ter beschikking zullen stellen;

2.14 De Centrale Bank van Suriname heeft bij schrijven van 14 september 1999 aan de President van de Republiek Suriname verzocht om de reeds goedgekeurde en uitgevoerde aanvullende overzichten alsnog te bekrachtigen daar waar er een kanttekening ontbreekt en die goed te keuren ten behoeve van de rekening “koersverschillen aflossing oude schulden” van de Bank en deze ten laste te brengen van de rekening van het Ministerie van Financiën. Voorts werd verzocht, voor een richtige uitvoering de Centrale Bank van Suriname te autoriseren en verdere afwikkeling in fasen ter hand te nemen steeds wanneer er fondsen beschikbaar komen en dat deel welk voor rekening van de overheid komt, ten laste te brengen van de rekening van het Ministerie van Financiën.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering
Eiseres wijzigt haar eis en vordert hetgeen is opgenomen in sustenu 18 van haar conclusie na gehouden comparitie, hetgeen als bijlage aan dit vonnis is aangehecht. Voorts vordert eiseres veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

3.2 De grondslag van de vordering
Eiseres voert als grondslag voor haar vordering aan dat de Staat en de Centrale Bank jegens haar wanprestatie plegen, omdat zij geen middelen ter beschikking hebben gesteld ter voldoening van de door de Bank met goedkeuring van de Staat gegarandeerde schulden.

3.3 Het verweer
Het verweer van de Staat en de Centrale Bank zal voorzover relevant, hierna worden besproken.

4. De beoordeling
4.1 Ontvankelijkheid: gedaagden voeren als verweer dat eiseres niet ontvankelijk is in haar vordering, omdat zij niet heeft gesteld en ook niet heeft bewezen dat op het tijdstip van het indienen van haar vordering, haar schuld aan derden nog niet was voldaan. Eiseres heeft geen enkele schuld aan Silver Star Enterprise of Silver Star AEC of welke derde dan ook. Indien en voorzover gedaagden enige verplichting jegens eiseres zouden hebben gehad om ter betaling van buitenlandse schuldeisers betaalmiddelen te harer beschikking te stellen, bestaat een dergelijke verplichting niet meer. Uit de stellingen van eiseres en de door haar overgelegde producties blijkt dat zij nog steeds een openstaande schuld heeft op haar schuldeisers. Er zijn geen feiten of omstandigheden aangedragen die het tegendeel doen blijken. In tegenstelling tot wat gedaagden beweren, is eiseres wel ontvankelijk in haar vordering tegen gedaagden.

4.2 Interessen. Eiseres stelt dat de renteclausules zijn vermeld in de vergunningen en garanties (die als bijlagen zijn overgelegd) die gedaagden zelf met eiseres zijn overeengekomen. Bovendien wordt door de Centrale Bank van Suriname in haar schrijven van 6 juli 2000 aan de raadsman van eiseres concrete toezeggingen gedaan met betrekking tot de aflossingsregeling en waarbij een rentevergoeding van 8% per maand wordt genoemd. Gedaagden voeren als verweer dat interessen de opbrengst zijn van door een persoon uit eigen vermogen belegd kapitaal (artikel 77 Wetboek van Koophandel), hetzij de vergoeding voor door een persoon uit eigen vermogen ter beschikking van een derde gesteld geld (artikel 1784 van het Burgerlijk Wetboek), welke dan een verbintenis om te geven als bedoeld in artikel 1255 van het Burgerlijk Wetboek is. Op gedaagden rustte geen verplichting tot betaling van een geldsom, waarbij een rentebeding was gemaakt, hetzij in het kader van een relatie van eiseres hetzij uit hoofde van het bepaalde in artikel 1271 van het Burgerlijk Wetboek. Uit de door eiseres overgelegde producties nummers 7, 8 en 9 is aangegeven dat buitenlandse betaalmiddelen ter beschikking zouden worden gesteld aan de leverancier van eiseres en/of de bankiers en niet aan eiseres zelf. Het gaat dus om een dienstverlening aan eiseres, een verbintenis om te doen. Bij een verbintenis om te doen kunnen dan ook rechtens nimmer interesseren worden bedongen van de schuldenaar, aangezien het niet de betaling van een geldsom betreft uit hoofde van belegde of ter leen verstrekte gelden. Eventuele toezeggingen die zouden zijn gedaan door gedaagden omtrent rentevergoeding zijn dan ook wegens strijd met het recht, rechtens van onwaarde. Voorts verbiedt de Comtabiliteitswet (G.B. 1953 no. 100 zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1997 no. 15) om rente te betalen. Partijen kunnen overeenkomen om bij overeenkomst af te wijken van wettelijke bepalingen, voozover die niet dwingend zijn. Uit de door eisers overgelegde bijlagen ( zie ook 2.5 tot en met 2.7 van de feiten in dit vonnis) en het schrijven van 6 juli 2000 blijkt dat gedaagden van de door hen genoemde wettelijke bepalingen (artikel 77 Wetboek van Koophandel, artikel 1784 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 1255 van het Burgerlijk Wetboek) zijn afgeweken. Artikel 1359 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat overkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd. Uitgaande van dit artikel had eiseres erop mogen vertrouwen dat gedaagden ook de overeengekomen interessen zouden betalen. Met voorgaande overweging wordt het verweer van gedaagden verworpen.

4.3 Vermeerdering van de eis: gedaagden verzetten zich met klem tegen de herformulering van het petitum aangezien eiseres haar eis heeft vermeerderd, hetgeen ingevolge artikel 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ongeoorloofd is. De door eiseres aangebrachte wijziging van eis in de conclusie na comparitie is naar oordeel van de kantonrechter een vermeerdering van eis. Gedaagden worden hierdoor in hun belangen geschaad. De inhoud van de verzochte wijziging is volgens artikel 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ongeoorloofd en zal daarom niet worden toegestaan.

4.4 Verlenen van vergunningen, Deviezenregeling en verplichting tot beschikbaar stellen van gelden aan eiseres, bevoegdheid CBVS en Deviezencommissie: eiseres stelt dat een vergunning de basis vormt tot het uiteindelijk beschikbaar stellen van deviezen. Uit het feit onder 2.4 van dit vonnis blijkt ondubbelzinnig dat het gaat om de door de Minister van Economische Zaken geautoriseerde opdracht aan de President van de Centrale Bank van Suriname tot het openen van een letter of Credit zijnde een bankaccredetief ten gunste van eiseres. Deze geautoriseerde vergunning waarin is opgenomen een rente – clausule is volledig in overeenstemming met de Wet van 8 sepember 1947 tot vaststelling van een Hernieuwde Regeling van het Deviezenverkeer in Suriname, namelijk Hoofdstuk 1 & 4 Vergunningen artikel 6 sub 1.

Gedaagden voeren het volgend verweer. Noch uit de Deviezenregeling van 1947 noch uit enige wettelijke bepaling blijkt dat door – of vanwege de Staat de middelen tot betaling van die goederen ook ter beschikking moeten worden gesteld. Ook uit de door eiseres aangeduide vergunningen blijkt een dergelijke verplichting van gedaagden, niet. Eiseres heeft niet kunnen waarmaken dat gedaagden de verplichting hadden om aan haar buitenlandse betaalmiddelen ter beschikking te stellen. Voorzover al vanwege de Staat buitenlandse valuta ter beschikking zouden worden gesteld aan private ondernemers zoals eiseres, dan is daartoe krachtens artikel 1 leden 2 en 8 van de Deviezenregeling 1947 uitsluitend de Deviezencommissie bevoegd. Eiseres stelt dat de vergunning de basis vormt voor de uiteindelijke beschikbaarstelling van de buitenlandse betaalmiddelen, zulks ingevolge artikelen 5, 1 lid 8 en 29 van voormelde wet. De grondwetgever heeft in artikel 42 lid 2 van die wet zeer uitdrukkelijk de regeling van het deviezenverkeer aan de wetgever opgedragen. Dat de President van de Republiek Suriname het algemeen deviezenbeleid bepaalt, doet aan het voorgaande niet af en brengt dus daarin geen verandering. Hij mag niet zelf de bevoegdheden van die instantie uitoefenen.

De grondwetgever heeft in artikel 42 lid 2 van die wet zeer uitdrukkelijk de regeling van het deviezenverkeer aan de wetgever opgedragen. Artikel 1 lid 2 van de Deviezenregeling 1947 bepaalt dat alleen de Deviezencommissie bevoegd is tot het verlenen van ingevolge die wet vereiste vergunningen en bevoegd is tot het ter beschikking stellen van buitenlandse betaalmiddelen (aan private ondernemers zoals eiseres), zulks ingevolge artikelen 5, lid 8 en 29 van voormelde wet. Deze bepaling is dwingend van aard en daarvan kan niet worden afgeweken. Uit de door eiseres overgelegde producties blijkt niet dat er een besluit is van de Deviezencommissie om buitenlandse betaalmiddelen ter beschikking te stellen van eiseres uit de deviezenreserve van gedaagden. De door eiseres geponeerde stellingen vervat in sustenu 6 en 7 van haar conclusie van repliek houden derhalve geen stand. Immers zijn de besluiten van de President van de Republiek van Suriname en gedaagden niet gebaseerd op de Deviezenregeling van 1947.

4.5 Garanties: eiseres stelt dat de door haar overgelegde producties het karakter dragen van een “confirmed guarantee letter” zijnde een geconfirmeerd bankaccreditief waarbij er niet alleen een rechtsverhouding is tussen de Centrale Bank van Suriname en de begunstigde (de leverancier), maar ook een rechtsverhouding tussen eiseres en de Centrale Bank van Suriname. Grondslag voor de “guarantee letter” is de koopovereenkomst tussen eiseres en haar leverancier. Eiseres stelt bij een locale bank middelen beschikbaar voor de omwisseling van deviezen. De Centrale Bank van Suriname als lasthebber, verbindt zich jegens eiseres om deviezen ter beschikking te stellen voor rekening van eiseres. Eiseres kan gelet op deze rechtsverhouding zich dus wel degelijk jegens gedaagden op de inhoud van de garanties beroepen. Uit de bewoordingen van de “confirmed guarantee letter” volgt eenduidig dat de Centrale Bank van Suriname ten doel had om zekerheid aan de schuldeisers te stellen. Deze garantiestellingen kunnen dan ook niet anders worden aangemerkt dan als een verplichting van gedaagden om tot betaling jegens de begunstigde over te gaan.

Gedaagden voeren als verweer dat de Centrale Bank van Suriname was en is niet bevoegd tot het vertrekken van door eiseres bedoelde garanties. De door eiseres bedoelde “letters of credit” (“guarantee letters”) van 1 augustus 1988, 26 maart 1990 en 7 november 1990 zijn afgegeven in strijd met ondermeer artikel 9 van de Bankwet 1956 en zijn dus van rechtswege nietig. De Centrale Bank van Suriname kon dergelijke garanties slechts afgeven als zulks noodzakelijk is in verband met de in artikel 9 van de Bankwet 1956 opgedragen taken. Geen van de in de wettelijke bepaling opgedragen taken dekt de afgifte van garanties aan een particuliere ondernemer voor de betaling van bedragen voortvloeiende uit commerciële transacties, waarvan de inhoud geen enkel verband heeft met zwaarwichtige staatsbelangen. De import van plastic verpakkingsmateriaal voor commerciële bedrijven was geen zwaarwichtig staatsbelang maar een ondernemingsbelang van eiseres. De garantie is slechts een bevestiging aan de vennootschap Silver Star, dat buitenlandse betaalmiddelen aan de locale bankiers van eiseres ter beschikking zullen worden gesteld voor de levering van bepaalde goederen. Voor zover voormelde garanties dan ook als zodanig moeten worden beschouwd, zijn zij zeker niet aan eiseres verstrekt en eiseres kan daar ook geen aanspraken aan ontlenen. Indien en voorzover de door eiseres overgelegde producties als garantiestellingen bedoeld zouden zijn, dan zijn ze nietig en rechtens van onwaarde omdat zij in strijd zijn met meerdere wetten, wier bepalingen van dwingendrechtelijke aard en van openbare orde zijn. De door eiseres bedoelde “letters of credit” (garanties) van 1 augustus 1988, 26 maart 1990 en 7 november 1990 zijn geen garanties, als bedoeld in de ICC Uniform Customs and Practice for Documentary Credits, die van kracht waren vanaf 1 oktober 1984 tot 1 januari 1994, de periode waarin de voormelde “guanrantee letters” zijn afgegeven, welke regels als recht worden aanvaard in de handelswereld.

De vraag is of de Centrale Bank van Suriname de bevoegdheid had om bedoelde garanties te verstrekken. Eiseres heeft niet weersproken dat gedaagden op grond van artikel 9 van de Bankwet van 1956, niet bevoegd zijn om garanties aan haar te verstrekken. Op grond hiervan houdt de stelling van eiseres geen stand. Anders dan eiseres stelt, hebben gedaagden de regels van “Some ICC publications” en de regels van de “Uniform Customs and Practice for Documentary Credits” wel overgelegd. Echter zal hieraan geen overweging worden gewijd omdat reeds op grond van voorgaande overweging, de stelling van eiseres geen stand houdt.

4.6 Staatsbesluit Partiële Compensatie Wisselkoersverliezen: eiseres stelt dat zij niets anders vraagt dan nakoming door gedaagden van de overeenkomsten en accreditieven waarvan het resultaat conform is wat gedaagden zeggen: betaling aan Silver Star AEC. Dat er voor importschulden aanspraak is op compensatie ligt ook in de lijn van bevindingen van de Commissie Inventarisatie Staatsschulden.

Afhandeling vindt plaats met inbegrip van een vergoeding van rente en kosten en met toepassing van de uitgangspunten neergelegd in voornoemd besluit. Gedaagden voeren als verweer dat Artikel 14 leden 1 en 2 van het staatsbesluit Partiële Compensatie Wisselkoersverliezen bepalen dat wisselkoerscompensatie met betrekking tot voldoening aan een betalingsverplichting, zoals eiseres die predenteert te hebben, uitsluitend geschied van bank tot bank en rechtstreeks aan de betreffende schuldenaar, in casu Silver Star AEC. Eiseres kan dan ook geen rechten aan die wettelijke regeling ontlenen. Gedaagden verwijzen naar de wet van 23 februari 1996 (S.B. 1996 no. 11) houdende nadere regels met betrekking tot de overgang van het multiple wisselkoerssysteem op dat van een uniforme wisselkoers. Ter uitvoering van artikel 2 van deze wet werd het Staatsbesluit 10 september 1996 (S.B. no. 45) uitgegeven. Dit staatsbesluit is echter nimmer in werking gesteld door de President van de Republiek Suriname waardoor in het rapport van de Commissie Inventarisatie Staatsschuld de dato 23 maart 2001 de Commissie tot de conclusie komt dat er geen wettelijke grondslag is om enige toezegging aan wie dan ook te doen voor de zogenaamde wissekoers-compensatie. Derhalve constateert de Commissie dat alle zogenaamde erkenningen uit hoofde van wisselkoerscompensatie die zijn toegewezen, “ipso facto” nietig zijn en terugvordering van de verstrekte bedragen moet plaatsvinden. Voorts stelt de Commissie dat ware het Staatsbesluit 10 september 1996 in werking getreden, dan nog zou op grond van artikel 16 van het staatsbesluit geen rente toegekend kunnen worden en analoog daaraan ook geen boete.

Eiseres heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen om haar stelling nader te onderbouwen. De conlusie is dat haar stelling geen stand houdt.

4.7 Gelijkheidsbeginsel: volgens eiseres ging het in het geval van de in Duitsland gevestigde schuldeiser Euler Hermes om importen in de periode eind jaren ’80, toen De Centrale Bank van Suriname niet in staat was deviezen beschikbaar te stellen aan individuele importeurs. In de op 25 en 26 januari 2005 door de President van de Centrale Bank in Duitsland gevoerde besprekingen werd door de door Staat de verantwoordelijkheid aanvaard voor de terugbetaling van de oude importschulden in het licht van onder andere de good governance. Gedaagden voeren daartegenover als verweer dat de kwestie van de in Dutisland gevestigde schuldeiser Euler Hermes de vordering van eiseres niet kan ondersteunen daar er sprake is van een geheel andere situatie dan dat van eiseres. De schuldeiser had een claim ingediend bij de exportverzekeringsinstelling van de Duitse Staat. Die claim werd voldaan en de schuld van de Surinaamse schuldenaar ging toen van rechtswege naar Duits recht, maar ook naar Surinaams recht over op de Staat Duitsland. Teneinde de internationale kredietwaardigheid van Suriname ten opzichte van andere staten te bevorderen, heeft de regering toen besloten om voormelde schuld aan de Staat Duitsland te voldoen.

De stelling van eiseres houdt geen stand omdat het in het geval van Euler Hermes ging om een overeenkomst tussen twee onafhankelijke soevereine staten. De kantonrechter is van oordeel dat eiseres uit een dergelijke overeenkomst, die geen betrekking had op de betaling van de schuld aan een importeur of exporteur, niet de conclusie kan trekken dat ten aanzien van hem de regelgeving opzij moet worden gezet. De nationale wetegeving die in acht moet worden genomen is voor eiseres haar geval relevant. De kantonrechter verwerpt dan ook dit beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel.

Conclusie:

De conclusie uit bovenstaande overwegingen is dat de vordering van eiseres wordt afgewezen en zij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Op de overigen stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter niet ingaan omdat die niet tot een ander oordeel zouden leiden.

5. De beslissing

5.1 Wijst de vordering af.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten van dit geding en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. M.V. Kuldip Singh, kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, en uitgesproken door mr. S.M.M. Chu, kantonrechter-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van dinsdag 15 februari 2011, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Sewgobind.

w.g. A. Sewgobind M.V. Kuldip Singh S.M.M. Chu

SRU-HvJ-1990-13

Hof van Justitie
27 april 1990, SJ 1990, GR. 12780
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, F.F.P. Truideman, R.G. Rodrigues)

A. [appellante sub A],
B. [appellant sub B], echtgenoot van appellante sub A, beiden wonende aan [adres 1] in [district], advocaat mr. H.E. Struiken, appellant in conventie en in reconventie,

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres 2] in [district], advocaat mr. G. Gangaram-Panday, geïntimeerde in conventie en in reconventie.

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Derde Kanton, respektievelijk van 18 november 1985 en 20 januari 1986 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Derde Kanton d.d. 6 februari 1986 waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Derde Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiser de navolgende vordering op verkorte termijn wenst in te stellen tegen:
A. [appellante sub A],
B. [appellant sub B], echtgenoot van Sub A, gedaagden, beiden wonende aan [adres 1], in [district];

2. dat eiser blijkens hierbij overgelegde huurovereenkomst in fotokopie d.d. 28 juli 1982, waarvan wordt verzocht de inhoud als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen aanmerken aan gedaagden heeft verhuurd, gelijk gedaagden van eiser hebben gehuurd de beneden gedeelte van het gebouw, ingericht als kapsalon en gelegen in [district] aan [adres 3], aan partijen zonder nadere omschrijving bekend en zulks voor de tijd van 3 jaren ingaande 1 augustus 1982 en derhalve eindigende op 31 juli 1985 en wel voor een verhuur- en huurprijs van Sf. 200,– (tweehonderd gulden) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

3. dat gedaagden de huurpenningen niet, althans niet naar behoren voldoen, zodat zij thans achterstallig zijn vanaf 1 juli 1984 tot en met heden;

4. dat alzo gedaagden aan eiser verschuldigd zijn aan achterstallige huur tot eind november 1984, zijnde 5 maanden, derhalve in totaal 5 x Sf. 200,– = Sf. 1000,– (eenduizend gulden);

5. dat eiser voormeld bedrag danook opeisbaar van gedaagden te vorderen heeft;

6. dat gedaagden zich derhalve hebben schuldig gemaakt aan wanprestatie;

7. dat eiser de gedaagden herhaaldelijk en dringend heeft aangemaand, doch weigeren, althans ingebreke blijven voormeld bedrag aan eiser te betalen en/of de benedenwoning te ontruimen;

8. dat eiser het verhuurde eveneens voor eigen gebruik nodig heeft;

9. dat eiser op grond van door de gedaagden gepleegde wanprestatie alsmede op grond dat hij het gehuurde nodig heeft voor eigen gebruik, gerechtigd is ontbinding van de overeenkomst, betaling van de huurpenningen alsmede ontruiming in rechte te vorderen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
A. de onderhavige overeenkomst zal worden ontbonden, althans voor ontbonden zal worden verklaard;

B. gedaagden zullen worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting terzake voorschreven, aan eiser te betalen de som van Sf. 1.000,– (eenduizend gulden), zijnde verschuldigde achterstallige huur tot eind november 1984;

C. gedaagden zullen worden veroordeeld om binnen een door de rechter te bepalen termijn de benedengedeelte van de woning, gelegen aan [adres 3], in [district], te ontruimen met alle van hunnentwege zich daarin of daarop bevindende personen en/of goederen met overgave der sleutels en ter vrije en algehele beschikking van eiser te stellen, met machtiging op eiser om, indien gedaagden ingebreke mochten blijven om binnen de door de rechter te bepalen termijn de litigieuze benedengedeelte van het gebouw te ontruimen, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

D. gedaagden zullen worden veroordeeld om te rekenen van 1 december 1984 maandelijks aan eiser te betalen de som van Sf. 200,– (tweehonderd gulden) en wel zolang gedaagden ingebreke blijven de litigieuze benedengedeelte van het gebouw te ontruimen;

Overwegende, dat [appellante sub A] en [appellant sub B] als gedaagde partij en in eerste aanleg voor antwoord in conventie hebben gesteld;

1. dat gedaagden alles ontkennen en betwisten wat niet uitdrukkelijk door hen wordt erkend onder bewijsaanbod hunner stellingen door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen;

2. dat gedaagden het gestelde in het 2e ”dat” niet ontkennen;

3. dat gedaagden het gestelde in het 3e ”dat” ontkennen;

4. dat eiser de bovenwoning van het litigieuze woonhuis in de maand juni/juli 1984 heeft laten wassen, waarbij gebruik is gemaakt van een tuinslang.en overvloedig waterge(mis)bruik;

5. dat gedaagden, toen zij kennis kregen van het voornemen van eiser, laatstgenoemde erop hebben gewezen dat een dergelijke handeling ernstig schade aan gedaagden zou kunnen berokkenen omdat de afscheiding tussen de beneden en bovenwoning niet waterdicht was, waardoor water naar het door gedaagden gehuurde benedengedeelte zou stromen en schade zou toebrengen aan de in de als kapsalon ingerichte benedenwoning aanwezige inventaris, de elektrische bedrading, het plafond e.d.;

6. dat eiser, ondanks de waarschuwing van gedaagden, zijn gang is gegaan met het voor gedaagden noodlottige gevolg van waterschade;

7. dat deze onrechtmatige handeling van eiser in strijd is met de in het maatschappelijk verkeer heersende betamelijkheid t.a.v. een anders persoon of goed met zijn schuld daaraan;

8. dat de door gedaagden geleden schade bestaat uit:

a. schoonmaken kapsalon Sf.25,00
b. reparatie elektrische installatie Sf. 100,00
c. elektrische onderdelen Sf.2,40
d. Water Sf.18,14
e. overgordijnen (vlekken en waterschade) Sf.100,00
f. kussens (vlekken en waterschade) Sf.100,00
g. gederfde inkomsten gedurende 3 dagen a Sf. 75,– per dag Sf. 225,00
Totaal Sf. 570,54;

9. dat eiser het waterverbruik van de huurders van de bovenwoning en erfwoningen brengt t.l.v. gedaagden, omdat eiser weigert het waterleiding-systeem te splitsen waardoor iedere huurder zijn eigen rekening kan betalen;
gedaagden betalen vanaf het sluiten van de huurovereenkomst d.d. 1 augustus 1982 tot heden maandelijks Sf. 49,– voor waterverbruik, terwijl hun verbruik maximaal Sf. 25,– per maand is 31 x Sf. 25,– is Sf. 775,–;

10. dat de eiser de lokaliteiten aan gedaagden heeft verhuurd zonder een toilet en gedaagden een bedrag van Sf. 275,– hebben moeten uitgeven om dit aan te leggen, welk bedrag gedaagden gerechtigd zijn in rechte van eiser te vorderen;

11. dat gedaagden alzo van eiser te vorderen hebben Sf. 570,54 + Sf. 775,– = Sf. 1.354,54, welk bedrag zij in reconventie zullen vorderen;

12. dat gedaagden de huur ter beschikking van eiser houden en deze ten allen tijde hierover kan beschikken;
en voor eis in reconventie hebben gesteld:

1. eisers verzoeken de rechter al hetgeen in conventie door hen is aangevoerd hier als letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen aanmerken;

2. dat ondanks herhaalde aanmaningen zij geen betaling van gedaagde kunnen verkrijgen van de som van Sf. 1.354,54;

Overwegende, dat op deze gronden is geconcludeerd:
voor antwoord in conventie:
dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans deze aan hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en niet bewezen;en voor eis in reconventie:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde zal worden veroordeeld om aan eisers tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de deugdelijk verschuldigde som van Sf. 1.354,54 terzake voorschreven met de wettelijke interessen daarover ad 6% ’s jaars vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

Overwegende, dat de eisende partij in conventie een als ingelast te beschouwen conclusie van repliek heeft doen nemen en als gedaagde partij in reconventie voor antwoord heeft gezegd:

1. dat gedaagde de rechter verzoekt al hetgeen in conventie door hem is aangevoerd hier als letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen aanmerken;

2. dat gedaagde de vordering van eisers tot een bedrag van Sf. 570,54 kan erkennen en dit bedrag gelijk aan drie maanden huur wenst te compenseren;

Overwegende, dat op deze gronden voor antwoord in reconventie is geconcludeerd:
dat de vordering van eisers tot een bedrag van Sf. 570,54 zal worden toegewezen en het meer of anders gevorderde hen zal worden ontzegd alszijnde ongegrond en niet bewezen en voor repliek in conventie heeft gepersisteerd bij zijn conclusie van eis;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, welke geacht moeten worden te deze plaatse te zijn ingevoegd, haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis d.d. 18 november 1985 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast, welke comparitie van partijen niet is gehouden;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 20 januari 1986 heeft overwogen:

In conventie
dat eiser aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd een tussen hem en gedaagden bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de benedenwoning gelegen in [district] aan [adres 3];

dat gedaagden niet hebben betwist met betaling van de huurpenningen achterstallig te zijn, doch in verband met een in reconventie ingestelde vordering wegens waterschade deze ter beschikking van eiser hebben gehouden, zodat de vordering van eiser hier op betrekking hebbende, kan worden toegewezen;

dat eiser verder vordert op grond van wanprestatie ontruiming van het litigieuze gebouw;

dat deze vordering kan worden toegewezen aangezien gedaagden niet alleen het bedrag waarop zij menen recht te hebben, hebben achter gehouden, maar ook in totaal Sf. 429,60 en niet getoond hebben bereid te zijn dit bedrag aan eiser te voldoen, zodat ook deze vordering tot ontruiming kan worden toegewezen als na te melden;

In reconventie
dat aangezien gedaagde zich bereid verklaard heeft door de wateroverlast geleden schade te voldoen, deze vordering eisers kan worden toegewezen, terwijl de Kantonrechter het met de gedaagde eens is, nu eisers niet hebben kunnen aantonen dat het waterverbruik maximaal Sf. 25,– (vijf en twintig gulden) per maand kan bedragen, dat het bedrag van Sf. 49,– (negen en veertig gulden) per maand gezien het beroep dat eisers uitoefenen in het litigieuze pand (eisers exploiteren een kapperszaak) niet onredelijk is te noemen, zodat dit deel van hun vordering als ongegrond hun dient te worden ontzegd;

Overwegende, dat de Kantonrechter op deze gronden:

In conventie
A. gedaagden heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van Sf. 1.000,– (eenduizend gulden), zijnde verschuldigde achterstallige huur tot eind november 1984;

B. gedaagden heeft veroordeeld om binnen zes maanden na betekening van dit vonnis, het benedengedeelte van de woning, gelegen aan [adres 3], in [district], te ontruimen met alle van hunnentwege zich daarin of daarop bevindende personen en/of goederen met overgave der sleutels en ter vrije en algehele beschikking van eiser te stellen;

C. eiser heeft gemachtigd om indien gedaagden mochten weigeren het voormelde gehuurde te ontruimen, daartoe zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm,

D. gedaagden voorts heeft veroordeeld om zolang zij ingebreke blijven, voormelde gehuurde te ontruimen, maandelijks te rekenen vanaf 1 december 1984 aan eiser te betalen de som van Sf. 200,– (tweehonderd gulden);

dit vonnis tot zover vermeld sub A t/m D uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;
gedaagden heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 97,50 (zeven en negentig 50/100 gulden);

In reconventie
eiser heeft veroordeeld om aan gedaagden tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van Sf. 570,40 (vijfhonderd en zeventig 40/100 gulden), vermeerderd met de wettelijke interessen daarover ad 6% ’s jaars vanaf 5 december 1984 tot aan de dag der voldoening;

eiser heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. Nihil;

het meer of anders gevorderde heeft ontzegd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellante sub A] en [appellant sub B], gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis d.d. 20 januari 1986;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder S. Hoebba d.d. 3 april 1986 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
In conventie en in reconventie

Overwegende, dat appellanten tijdig in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton te Nieuw Nickerie in het distrikt Nickerie, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 20 januari 1986;

Overwegende, dat appellanten een drietal grieven tegen het beroepen vonnis hebben aangevoerd, luidende:

Grief a:
dat de Kantonrechter ten onrechte geen rekening heeft gehouden met hetgeen in de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie is aangevoerd onder andere met betrekking tot de beschikking van de distrikts-Commissaris van Nickerie d.d. 13 mei 1985 [nummer] waaruit blijkt dat de maximum huurvergoeding Sf. 100,23 per maand bedraagt;

Grief b:
ten onrechte heeft de Kantonrechter appellanten veroordeeld om maandelijks te rekenen vanaf 1 december 1984 aan de geïntimeerde te betalen de som van Sf. 200,– tot aan de ontruiming, terwijl de appellanten de beschikking van de distrikts-Commissaris d.d. 13 mei 1985 hebben overgelegd ten processe;

Grief c:
ten onrechte heeft de Kantonrechter het meer of anders gevorderde aan de appellanten ontzegd;

Overwegende ambtshalve:
dat het den Hove is gebleken, dat partij [geïntimeerde] blijkens het ten processe overgelegde, niet betwiste huurcontract d.d. 28 juli 1982, als gevolmachtigde van [persoon] krachtens lastgeving de litigieuze overeenkomst met partijen [appellanten] was aangegaan;

dat partij [geïntimeerde] evenwel als eisende partij in eerste aanleg, het onderhavige geding op eigen naam heeft ingesteld en blijkens het petitum een en ander voor zichzelf heeft gevorderd en niet ten behoeve van de volmachtgever;

Overwegende, dat partij [geïntimeerde] daartoe niet bevoegd is, haddende zij de vordering in haar hoedanigheid van lasthebber (gevolmachtigde), dus q.q. dienen in te stellen;

dat partij [geïntimeerde] mitsdien niet-ontvankelijk diende te worden verklaard in haar vordering;

dat de vordering in reconventie van partijen [appellanten] hetzelfde dient te delen;

Overwegende, dat de grieven geen bespreking meer behoeve en onder vernietiging van het beroepen vonnis, partijen alsnog niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in haar respektieve vorderingen;

Rechtdoende in hoger beroep:
In conventie en in reconventie

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton te Nieuw Nickerie in het distrikt Nickerie, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 20 januari 1986, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende
In conventie en in reconventie
Verklaart elk der partijen alsnog niet-ontvankelijk in haar respektieve vorderingen;

Compenseert de proceskosten tussen partijen in beide instanties in dier voege, dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

bepalende het Hof het salaris van de advocaten van partijen op Sf. 100,– elk;

SRU-HvJ-1990-12

Hof van Justitie
27 april 1990, G.R. 12817
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, E.S. Ombre)

De Naamloze Vennootschap ”Surtrin”, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Verlengde Gemenelandsweg no. 78 te Paramaribo, advokaat Mr. K.R. Lieuw On, appellante in kort geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende ten kantore van advokaat Mr. P.E. Bemmel, geïntimeerde in kort geding,

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 7 april 1989 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

Ten aanzien van de feiten
Verwijzend naar en overnemend hetgeen bereids in ’s Hofs interlocutoir vonnis is overwogen en beslist en voorts:
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, de [acting General Manager] van partij Surtrin, tevens bijgestaan door haar gemachtigde advokaat Mr. B.A. Halfhide en de geïntimeerde in persoon eveneens bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr. P.E. Bemmel, hebbende zij verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden comparitie van partijen en tot uitlating hadden genomen – tevens onder overlegging van produkties – het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 9 maart 1990, doch nader op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 7 april 1989 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat appellante tegen het beroepen vonnis heeft aangevoerd, dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen:
a. dat gedaagde zich, gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval, niet op het standpunt mag en kan stellen dat zij zich van haar verplichting tot schadeloosstelling jegens de eiser volledig heeft gekweten door aan eiser het bedrag van f.416,– per maand op basis van de Ongevallenregeling te betalen;

b. dat gedaagde voorzieningen had moeten treffen voor doorbetaling van het salaris van eiser in geval van ziekte of ongeval, vooral bij dienstreizen naar het buitenland;

c. dat het niet fors achteruitgaan in inkomen bij ziekte of ongeval in de praktijk als een sociale verworvenheid geldt, te meer daar eiser een ”hoofdarbeider” is;

d. dat gedaagde de helft van het salaris dat eiser het laatst genoot, zal moeten voldoen;

Overwegende aangaande voormelde grief:
dat geïntimeerde, toenmaals eiser op aan zijn vordering(en) ten grondslag gelegde, hier als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd dat bij vonnis in kort geding, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde, thans appellante, te veroordelen:
A. bij wege van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser, thans geïntimeerde, te betalen zijn salaris plus emolumenten tot heden naar rato van f.8.440,– althans een zodanig bedrag als de Kantonrechter in goede Justitie zal vaststellen;

B. maandelijks tegen behoorlijk bewijs van kwijting te rekenen vanaf heden bij wege van voorschot aan eiser, thans geïntimeerde te betalen diens salaris ad f.3.465,– en de hem toekomende emolumenten ad f.735,– althans een zodanig bedrag als de Kantonrechter in goede Justitie zal vaststellen;

Overwegende, dat appellante, toenmaals gedaagde, blijkens de aan haar verweer ten grondslag gelegde stellingen de aan geïntimeerdes vordering(en) ten grondslag gelegde feiten gemotiveerd heeft betwist, wordende appellante haar stellingen als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd aangemerkt;

Overwegende, dat als niet, althans niet gemotiveerd betwist, en deels gestaafd door de zich in het proces-dossier bevindende niet betwiste bescheiden tussen partijen naar ’s Hoven voorlopig oordeel vaststaat:
– dat geïntimeerde op 1 december 1971 als werknemer in dienst is getreden van appellante en er sindsdien onafgebroken werkzaam is en thans de functie bekleedt van Manager Sales & Service en een salaris geniet van f.3.465,– per maand exclusief emolumenten;

– dat geïntimeerde op 27 juni 1985 naar Port of Spain Trinidad, vertrok voor het verrichten van dienstwerkzaamheden ten behoeve van appellante;

– dat de terugreis – na voltooiing van de dienstopdracht – via Guyana moest verlopen alwaar werd overnacht;

– dat op weg van Georgetown naar het vliegveld voor het verder ondernemen van zijn terugreis naar Suriname, de auto waarin geïntimeerde zich als passagier bevond, in botsing kwam met een ander voertuig op de openbare weg, waarbij geïntimeerde onder andere opliep een luxatie van de linkerschouder met ernstige beschadiging van de zenuwbundels van de linkerarm, als gevolg waarvan motorische uitvalverschijnselen zijn ontstaan;

– dat geïntimeerde, na in eerste instantie in Guyana te zijn behandeld, in Suriname eerst [naam orthopaed-chirurg] en in verband met zenuwbeschadiging en uitvalverschijnselen, de [naam neuroloog] heeft geconsulteerd;

– dat geïntimeerde van 17 februari 1986 tot de derde week van augustus 1986 in Nederland heeft vertoefd voor medische en specialistische behandeling;

– dat appellante aan geïntimeerde een schrijven, gedateerd 24 juli 1986 heeft verzonden met de volgende inhoud:

“Geachte heer [geïntimeerde],

In verband met het ongeval dat U op 1 Juli 1985 is overkomen heeft Surtrin een claim ingediend bij de verzekeringsmaatschappij de Nationale, welke maatschappij, zich beroepende op artikel 3 lid 1 van de Ongevallenregeling, deze claim heeft afgewezen.

Ingevolge de wet behoudt een werknemer zijn aanspraak op loon gedurende een betrekkelijk korte tijd, hetgeen in de Surinaamse praktijk op 6 weken neerkomt.

Indien het ongeval de werknemer is overkomen in verband met de dienstbetrekking, is de werkgever wel gehouden de geneeskundige behandeling voor zijn rekening te nemen alsmede de werknemer schadeloos te stellen.

De schadeloosstelling is ingevolge de wet 80% van f.2000,– aldus f.16,– per werkdag. De Raad van Commissarissen heeft in het licht van het bovenstaande besloten de loonbetalingen en andere emolumenten aan U stop te zetten per 1 augustus 1986 en U konform de 0ngevallenregeling schadeloos te stellen”;

– dat geïntimeerde (dus) zijn vol salaris vermeerderd met emolumenten van appellante heeft ontvangen van juli 1985 tot augustus 1986;

– dat geïntimeerde na juli 1986 van appellante niet meer heeft ontvangen diens maandelijks inkomen vermeerderd met emolumenten, doch konform de Ongevallenregeling, een schadeloosstelling van f.416,– per maand, waarmede geïntimeerde zich hoegenaamd niet kan verenigen;

Overwegende, dat naar uit het inleidend rekest en met name het petitum valt af te leiden, geïntimeerde naar ’s Hoven voorlopig oordeel in het onderhavige geval vordert nakoming door appellante van haar uit de met hem – geïntimeerde – bestaande arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen namelijk – bij wege van voorschot – tot betaling c.q. door – betaling van diens – geïntimeerdes – maandelijks inkomen plus emolumenten ingaande augustus 1986;

Overwegende, dat blijkens de doctrine en de naar vaste rechtspraak aanvaarde leer in kortgeding een vordering tot nakoming, bestaande in het verrichten van een prestatie, in het algemeen slechts in twee gevallen toewijsbaar is: hetzij wanneer de gedaagde een kennelijk geheel ongegrond verweer voert, zodat er geen twijfel is dat de gewone rechter de vordering ook zal toewijzen, hetzij wanneer de eiser een zo groot belang heeft bij een onmiddellijke prestatie, dat zijn belang moet prevaleren boven dat van gedaagde om een uitspraak van de gewone rechter af te wachten;

Overwegende, dat wanneer nu de vordering(en) aan deze twee criteria wordt c.q. worden getoetst, het voorlopig oordeel van het Hof moet luiden: enerzijds, dat de verweren van appellante niet op het eerste gezicht ongegrond voorkomen en dat het Hof het onzeker acht hoe de uitslag van een bodemprocedure zal zijn, en anderzijds, dat niet gezegd kan worden dat het belang van geïntimeerde bij een onmiddellijke prestatie prevaleert boven dat van appellante bij een afwachten van de beslissing in de bodemprocedure;

Overwegende immers, dat een werknemer, in casu geïntimeerde, aanspraak op loon, dus recht op nakoming behoudt, wanneer aan twee vereisten is voldaan. De werknemer moet bereid zijn de bedongen arbeid te verrichten en de werkgever, c.q. werkgeefster, in casu appellante moet aan deze bereidheid, hetzij door eigen schuld, hetzij door een hem/haar persoonlijk betreffende toevallige verhindering, geen gebruik hebben gemaakt;

Overwegende, dat er geen bereidheid is indien de werknemer zijn lichamelijke toestand het hem onmogelijk maakt de bedongen arbeid te verrichten (zie: Arbeidsovereenkomstenrecht, Prof. Mr. W.C.L. van der Grinten, 12de druk, p’s 53 en 54)

Overwegende, dat het Hof zich geroepen voelt – zij het summier – te onderzoeken of, gelet op geïntimeerdes lichamelijke toestand, al dan niet sprake is van bereidheid van de zijde van geïntimeerde;

Overwegende, dat blijkens de ten processe door geïntimeerde zelf in het geding gebrachte ziekte-briefje van [naam orthopaed-chirurg], van respectievelijk 24 augustus 1986 en 30 september 1986, geïntimeerde op 1 september 1986, toen hij zich voor werkhervatting bij appellante aanmeldde, door ziekte niet in staat was zijn arbeid te verrichten;

– dat door gemelde ziekte-biljetten en verklaring van [naam orthopaed-chirurg] naar ’s Hoven voorlopig oordeel wordt bevestigd, dat geïntimeerde’s lichamelijke toestand het hem onmogelijk maakt, d.i. hem niet in staat stelt, de bedongen arbeid te verrichten;

– dat, naar ’s Hoven voorlopig oordeel, geïntimeerde geen aanspraak maakt op en appellante niet gehouden is tot (door-) betaling van loon;

– dat immers enerzijds in redelijkheid niet gezegd kan worden dat van de zijde van geïntimeerde als werknemer de bereidheid tot het verrichten van de bedongen arbeid bestaat en anderzijds niet kan worden volgehouden dat appellante als werkgeefster door eigen schuld of door een haar persoonlijk betreffende toevallige verhindering van die arbeid geen gebruik heeft gemaakt;

Overwegende ten overvloede:
– dat naar ’s Hoven voorlopig oordeel, de vraag of geïntimeerde op een passend deel van zijn loon cum annexis aanspraak maakt, een onderzoek vergt, enerzijds en anderzijds of van appellante gevergd kan worden van de aldus aangeboden (deel) arbeid gebruik te maken, waarvoor in kort geding geen plaats is;

Overwegende, dat het Hof de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde uit vier delen bestaande grief gelijk besproken hebbend en deze gegrond achtend, het beroepen vonnis zal vernietigen en de gevraagde voorzieningen alsnog weigeren;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken op 12 februari 1987, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende
Weigert alsnog de gevraagde voorzieningen;
Veroordeelt geïntimeerde in de kosten van beide instanties aan de zijde van appellante gevallen:
– in eerste aanleg begroot op f. nihil
– in hoger beroep begroot op f.124,50
met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van f.150,–;
bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geïntimeerde eveneens op f.150,–