SRU-HvJ-2001-14

M.H
GENERALE ROL NO.14088.

DE STAAT SURINAME, zetelende te Paramaribo, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optrad, Mr.E.J.BRUMA, die thans vervangen wordt door Mr.F.F.J.TROON en Mr.R.BALDEW, advokaten,
appellant in Kort Geding,

c/a
DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP WIJMA SURINAME N.V.
, gevestigd te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.KRUISLAND, advokaat,
geintimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien’s Hofs interlocutoir vonnis van 16 juni 2000 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat de door het Hof bevolen comparitie van partijen na enkele malen te zijn aangehouden niet is gehouden, waarna de zaak werd verwezen naar de terechtzitting van vrijdag 26 januari 2001 voor mededeling bereidheid tot compromie of geen bereidheid tot compromie;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 26 januari 2001 de gemachtigden van partijen hebben verklaard dat er geen mogelijkheid is om tot een compromie te komen;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 2 maart 2001, vervolgens op 16 maart 2001, doch nader heeft bepaald op heden.

OVERWEGENDE, TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
1. Het Hof neemt hier over en volhardt bij hetgeen in zijn tussenvonnis van 16 juni 2000 is overwogen en beslist. De bij vorenbedoeld tussenvonnis bevolen verzoeningscomparitie heeft niet het beoogde resultaat gehad.

2. Appellant heeft tegen het beroepen vonnis vijf, hieronder zakelijk weergegeven, grieven opgeworpen, te weten:
– eerste grief: Ten onrechte heeft de Rechter aangenomen dat de vordering van geintimeerde spoedeisend moet worden geacht;

– tweede grief: De Rechter heeft bij de afweging van belangen het beweerdelijk geschonden belang van geintimeerde gesteld boven het belang dat de gehele samenleving heeft bij een voor de exportmarkt van visprodukten noodzakelijke voorziening, die tot de door geintimeerde gewraakte beschikking aanleiding heeft gegeven;

– derde grief: Veel feiten die door de Rechter zijn gebruikt om tot zijn oordeel te geraken zijn geen bewezen beweringen van geintimeerde noch tussen partijen vaststaande en erkende feiten noch van algemene bekendheid zijnde feiten;

– vierde grief: De Rechter heeft geintimeerde toegestaan ten tweede male (op 14 november 1997) een schriftelijke conclusie van eis te nemen waarbij aan het petitum onderdelen IV, V en VI zijn toegevoegd, hetgeen de Rechter niet mocht doen, terwijl appellant geen gelegenheid is geboden zich over de late aanvulling van het petitum uit te laten;

– vijfde grief: De Rechter heeft ten onrechte aangenomen dat de litigieuze beschikking als zijnde een belastende beschikking is genomen zonder dat de hoorplicht en motiveringsplicht zijn in acht genomen.

3. Geintimeerde heeft de grieven bestreden.

4.1. De derde grief heeft, naar uit appellant’s stellingen blijkt, geen betrekking op de feiten die in de vierde rechtsoverweging van het beroepen vonnis als vaststaand zijn aangenomen, zodat van drie feiten wordt uitgegaat.

4.2. Voor de duidelijkheid worden die feiten hier, in het kort, herhaald, te weten:
– bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie d.d. 24 november 1987 is aan geintimeerde voor de duur van 40 jaren het recht van grondhuur verleend op een perceelland gelegen in [district] aan de [rivier];

– bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen d.d. 19 november 1996 is eerder vermeld recht van grondhuur gedeeltelijk vervallen verklaard.

5. Geintimeerde is als eiser in eerste aanleg, onder andere, tegen de beschikking van 19 november 1996 opgekomen en heeft met betrekking daartoe, zakelijk weergegeven, gevorderd dat die beschikking zou worden geschorst althans opgeschort totdat de Rechter over de rechtmatigheid daarvan zal hebben beslist. De Kantonrechter heeft deze (en de overige) vordering (en) toegewezen.

6.1. De in de vierde grief bedoelde schriftelijke conclusie van eis en de daarin genoemde onderdelen IV, V en VI van het petitum hebben, naar uit die conclusie blijkt, betrekking op feiten die zich zouden hebben voorgedaan tussen de indiening van het oorspronkelijk verzoekschrift en de eerste behandeling van de zaak. Waar het kort geding is bedoeld om met zo weinig mogelijk formaliteiten en op zo kort mogelijke termijn tot een beslissing te komen, stond het naar het oordeel van het Hof aan de eerste rechter vrij aan de geintimeerde toe te staan het petitum aan te vullen en deze daardoor aan de bestaande toestand aan te passen.

6.2. Uit de overgelegde stukken blijkt dat, nadat de aanvullende conclusie van eis was genomen, de advokaat van appellant een pleitnota heeft overgelegd en bij diezelfde gelegenheid twee keer aan het woord is gekomen. Daarna is namens de advokaat van appellant nog op twee verschillende terechtzittingen het woord gevoerd. Appellant is derhalve voldoende in de gelegenheid geweest om zich over de aanvullende conclusie uit te laten. Gelet op hetgeen hier en hierboven onder 6.1 is overwogen faalt de vierde grief.

7.1. Naar het Hof uit appellant’s stellingen begrijpt heeft de eerste grief betrekking op de vordering tot schorsing, althans opschorting, van de beschikkimg van 19 november 1996.

7.2. Ter toelichting van deze grief heeft appellant aangevoerd dat noch uit de aard van de vordering noch uit de specifiek aangevoerde argumenten en omstandigheden – die dan in het vonnis vermeld hadden moeten zijn – vloeit voort dat de vordering spoedeisend moet worden geacht.

7.3. In haar oorspronkelijk inleidend verzoekschrift heeft geintimeerde, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, aangevoerd:
– dat zij de grond ten aanzien waarvan zij het recht van grondhuur heeft verkregen door haar ten zeerste benodigd is voor de opslag van hout in verband met het ter plaatste door haar opgezette houtverwerkingsbedrijf;

– dat zij door de vervallenverklaring van het grondhuurrecht niet in staat zal zijn het benodigde hout op effectieve naar de nabijgelegen houtverwerkingsinstallatie te vervoeren;

– dat de aanvoer van hout over de [rivier] naar haar verwerkingsbedrijf onmogelijk wordt, althans in gevaar komt, hetgeen de continuiteit van haar onderneming op de helling zet;

7.4. Voormelde stellingen brengen, anders dan appellant meent, in voldoende mate het spoedeisend belang van geintimeerde bij de door haar verlangde voorziening tot uitdrukking.

7.5. Appellant heeft ter toelichting op de eerste grief verder aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft gepasseerd het argument dat de geintimeerde eerst ongeveer 1 jaar nadat de Minister de gewraakte beschikking heeft gegeven, de behoefte heeft gevoeld om daartegen op te komen.

7.6. Bij de beantwoording van de vraag of geintimeerde tijdig (datum van indiening van de vordering: 20 oktober 1997) tegen de gewraakte beschikking is opgekomen bij de Rechter zijn alle omstandigheden van het geval van belang en niet alleen het feit dat die beschikking een jaar voor het instellen van de vordering is gegeven. De Kantonrechter heeft terecht laten meewegen het door hem als vaststaand aangenomen feit – tegen welke vaststelling geen grief is opgeworpen – dat geintimeerde pas op of omstreeks 1 oktober 1997 informeel een afschrift van de gewraakte beschikking heeft bekomen en heeft terecht het beroep van appellant op het ontbreken van spoedeisendheid verworpen.

7.7. Op grond van hetgeen onder 7.1 tot en met 7.6 is overwogen moet de eerste grief worden verworpen.

8. Appellant heeft in zijn pleitnota aangekondigd de derde grief in het verder verloop van die pleitnota nader feitelijk te zullen onderbouwen. Het Hof heeft die onderbouwing niet kunnen vinden in die pleitnota noch in de andere door appellant overgelegde processtukken. De derde grief wordt dan ook verworpen.

9.1. Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde bescheiden, voor zover niet betwist, staat naast de hierboven onder 4.2 vermelde feiten, vast dat tussen (vertegenwoordigers van) appellant, (vertegenwoordigers van) enkele visverwerkingsbedrijven die ten westen van het hierboven onder 4.2 bedoelde perceelland zijn gelegen en (vertegenwoordigers van ) geintimeerde besprekingen zijn gevoerd ter oplossing van problemen die voor de visverwerkingsbedrijven waren ontstaan in verband met door de [gemeenschappen] en de [staat] gestelde kwaliteitseisen, te weten het (bij de produktie van visprodukten) van elkaar gescheiden zijn van schone en vuile sectoren (of zones met gering risico en zones met hoog risiko) respectievelijk het gebruiken van een van de aanvoerroute verschillende afvoerroute voor naar [land] te exporteren vis.

9.2. Appellant heeft in eerste aanleg bij pleitnota d.d. 14 november 1997 aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat partijen na de besprekingen op voorstel van geintimeerde besloten hebben dat het Ministerie van Openbare Werken een bindende beslissing zou nemen waaraan alle partijen zich zouden conformeren; voorts, dat die beslissing bij brief van 18 oktober 1996 is genomen en is besloten dat het voorstel van de Onder-Direkteur Grondbeheer, [naam], zou worden uitgevoerd.

9.3 Het Hof begrijpt uit appellant’s stellingen dat hij verder stelt dat bedoeld voorstel in de gewraakte beschikking van 19 november 1996 is neergelegd.

10.1 Appellant verwijt in het kader van de vijfde grief aan de Kantonrechter:

(a) dat deze op bladzijde 11 van het beroepen vonnis ten onrechte heeft overwogen dat hij, appellant, niet heeft kunnen bewijzen dat geintimeerde heeft deelgenomen aan besprekingen:

(b) dat deze de indruk wekt alsof aan appellant een bewijsopdracht op voormeld punt (te weten: het deelgenomen hebben aan besprekingen die geresulteerd hebben in voornoemde besluiten) was gegeven en appellant niet was geslaagd in de bewijslevering.

10.2 Het onder 10.1 (a) bedoelde verwijt berust op een onjuiste lezing van het vonnis. De Kantonrechter heeft namelijk, zakelijk weergegeven, niet overwogen dat appellant (toen gedaagde) niet heeft kunnen bewijzen dat geintimeerde heeft deelgenomen aan besprekingen, maar wel dat appellant niet heeft bewezen dat geintimeerde (toen eiseres) heeft deelgenomen aan ”besprekingen die geresulteerd hebben in de besluiten, in gemelde pleitnota aangehaald” (onderstreping door het Hof).

10.3 Ook het onder 10.1 (b) bedoelde verwijt is niet terecht. Appellant had geen bescheiden overgelegd ter staving van de betreffende, door geintimeerde betwiste, stelling, hetgeen hij zonder bewijsopdracht had kunnen doen. Bovendien betreft het in casu een kort geding en de Kantonrechter heeft kennelijk geen termen aanwezig geacht om aan appellant bewijs van zijn, door geintimeerde betwiste, stelling bij te brengen. De Kantonrechter kon bedoelde stelling dan ook als niet bewezen beschouwen en heeft dit op bladzijde 11 van vonnis kennelijk dan ook gedaan, zij het dat hij daarbij kennelijk abusievelijk het woord ”kunnen” heeft gebruikt.

10.4 Appellant gaat er van uit dat hij, door overleg te initieren tussen vertegenwoordigers van de Staat, van genoemde visverwerkingsbedrijven en van geintimeerde om gezamenlijk oplossingsmodellen voor het hierboven onder 9.1 bedoelde probleem te bespreken jegens geintimeerde aan zijn hoorplicht heeft voldaan (zie pagina 4, 4e alinea van de pleitnota van 8 januari 1999: ”.. en daardoor in ruime mate gehoord te worden”). Dit standpunt is reeds hierom onjuist, omdat niet gesteld of gebleken is dat een eventueel voornemen van appellant om ter oplossing van gemeld probleem de in de gewraakte beschikking vermelde beslissingen te nemen onderwerp van de besprekingen heeft uitgemaakt en dat geintimeerde in de gelegenheid is gesteld om over dat voornemen haar zienswijze te geven.

10.5 De vijfde grief dient op grond van hetgeen onder 9.1 tot en met 10.3 is overwogen worden verworpen.

11.1 Uit het beroepen vonnis blijkt niet dat de beslissing van de Kantonrechter berust op belangenafweging, zodat hetgeen appellant met betrekking tot de tweede grief heeft gesteld verder als niet terzake doende kan worden gepasseerd.

12.1 Nu alle grieven worden verworpen dient het vonnis waarvan beroep te worden bevestigd.

12.2 Appellant zal als de in het ongelijk gestelde partij in de aan de zijde van geintimeerde gevallen kosten worden verwezen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter tussen partijen in kort geding gewezen op 5 december 1997.

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f………..;

met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f………;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f………………..;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 6 APRIL 2001, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.E.Naarendorp namens zijn gemachtigde, advokaten Mr.F.F.J.Troon en Mr.R.Baldew en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.E.Struiken namens haar gemachtigde advokaat Mr.F.Kruisland, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1998-33

M.R.S.

GENERALE ROL NO. 13903.

[appellante], wonende aan [adres 1] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.R.J.BLUFPAND, advokaat, appellante,

t e g e n

[geïntimeerde], wonende aan [adres 2] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.G.GANGARAM-PANDAY, advokaat, geintimeerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien’s Hofs interlocutoir vonnis van 16 mei 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating hebben genomen, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 7 november 1997, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof hier overneemt en volhard bij hetgeen in voormeld tussenvonnis is overwogen en beslist; Overwegende, dat op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde bescheiden het volgende vaststaat:
1. geintimeerde, nader te noemen [geïntimeerde], heeft als eiser in eerste aanleg een vordering, bekend onder A.R.960390, tegen appellante, nader te noemen [appellante], ingediend, welke vordering strekte tot ontbondenverklaring van de beweerdelijk tussen partijen bestaande huurovereenkomst betreffende de woning aan [adres 1] en tot veroordeling van [appellante] tot ontruiming van die woning en tot betaling van de huurpenningen vanaf 1 januari 1996 tot aan de ontruiming;

2. advokaat Mr.H.Matawlie is door [appellante] als haar gemachtigde in bovenvermeld geding aangesteld;

3. op 15 juli 1996 heeft de Kantonrechter in het Eerste Kanton in het hierboven vermelde geding vonnis uitgesproken en het gevorderde toegewezen, uit overweging ”dat nu gedaagde hoewel daartoe ruimschoots in de gelegenheid gesteld geen verweer tegen de vordering van eiser heeft gevoerd, Wij eisers vordering, die Ons noch onrechtmatig noch ongegrond is voorgekomen, hem zullen toewijzen met veroordeling van de gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding”;

4. bij brief van 13 augustus 1996, ingediend ter griffie der Kantongerechten op 21 augustus 1996, heeft advokaat Mr.H.Matawlie namens [appellante] appèl aangetekend tegen het hierboven genoemde vonnis;

5. [appellante] was bij de uitspraak van het vonnis van 15 juli 1996 niet tegenwoordig en de griffier van het Eerste Kanton heeft bij brief d.d. 14 oktober 1996 het vonnis van 15 juli 1996 overeenkomstig artikel 119 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan [appellante] medegedeeld;

6. bij brief van 24 oktober 1996, ingekomen ter griffie op 25 oktober 1996, heeft advocaat Mr.Blufpand namens [appellante] hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van 15 juli 1996;

7. advocaat Mr.Blufpand heeft op 11 november 1996 namens [appellante] ter griffie van het Hof een verzoekschrift ingediend, waarin wordt verzocht het niet-nemen van de conclusie van antwoord (in de zaak A.R.960390) alsmede het daarop gewezen vonnis d.d. 15 juli 1996 en het daarop gevolgde appèl, aangetekend op 21 augustus 1996 van onwaarde te verklaren;

8. het hierboven onder 4 bedoelde hoger beroep is op 15 januari 1997 door Mr.Matawlie ingetrokken;

Overwegende, dat [appellante] heeft aangevoerd dat het geding in de hoofdzaak volgens artikel 196 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet worden geschorst tot aan het vonnis van ontkentenis;

Overwegende, dat [appellante] zich in de desaveuprocedure erover beklaagt dat Mr.Matawlie in de zaak A.R.960390 geen conclusie van antwoord heeft genomen;

Overwegende, dat, waar hij zich richt tegen een nalaten van Mr.Matawlie, deze klacht niet de ontkentenis inhoudt van een gerechtelijke verrichting als bedoeld in artikel 191 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

Overwegende, dat een redelijke wetsuitlegging in verband met de eisen van een goede procesorde meebrengt dat in een zodanig geval geen grond voor schorsing van het geding aanwezig is en bovenweergegeven stelling van [appellante] derhalve niet opgaat;

Overwegende, dat [appellante] heeft aangevoerd dat het aantekenen van appèl door Mr.Matawlie zonder haar machtiging daartoe is geschied en van onwaarde is;

Overwegende, dat nu [appellante] deze stelling in een zodanig stadium van het geding heeft geponeerd, te weten bij conclusie tot uitlating d.d. 1 augustus 1997, dat [geïntimeerde] zich daarover niet meer heeft kunnen uitlaten, aan die stelling zal worden voorbijgegaan;

Overwegende bovendien, dat [appellante] niet kan volstaan met te ontkennen dat Mr.Matawlie volmacht had tot het instellen van het hoger beroep, maar een vordering tot desaveu, gebaseerd op het bepaalde in artikel 203 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, had moeten instellen, hetgeen zij echter niet heeft gedaan, waardoor haar ontkenning verder terzijde moet worden gelaten;

Overwegende, dat nu, zoals hierboven is gebleken het vonnis van 15 juli 1996 op 14 oktober 1996 aan [appellante] is medegedeeld,de termijn, waarbinnen zij hoger beroep tegen het vonnis van 15 juli 1996 kon instellen, op grond van het bepaalde in het derde lid van artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verstreek op 13 november 1996;

Overwegende, dat het door Mr. Matawlie ingestelde hoger beroep dus tijdig is ingesteld en, waar geen feiten zijn gebleken die tot een andere conclusie leiden, ervan wordt uitgegaan dat dit hoger beroep op de juiste wijze is ingesteld;

Overwegende, dat door de op 21 augustus 1996 ter griffie der Kantongerechten ontvangen verklaring van Mr.Matawlie het hoger beroep reeds was aangevangen en de daarna afgelegde verklaring van hoger beroep van Mr.Blufpand derhalve geen effect meer kon sorteren;

Overwegende, dat, nu het door Mr.Matawlie ingestelde hoger beroep is ingetrokken, het Hof niets anders te doen staat dan deze intrekking vast te stellen;

Overwegende, dat derhalve als volgt zal worden beslist;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Verstaat dat het hoger beroep is ingetrokken.

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 19 JUNI 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.E.Struiken namens haar gemachtigde,advokaat Mr.R.J.Blufpand en geintimeerde door advokaat Mr.F.Ishaak namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.G.Gangaram-Panday, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2001-13

PRO JUSTITIA IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!
VONNIS 2001 No.1

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding, waaronder het in af­schrift overgelegd vonnis, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 14 augustus 1997 gewezen en uitgesproken tegen:
[verdachte];
oud 46 jaar;
ambtenaar van beroep;
geboren te [district];
wonen­de aan [adres] te [woonplaats], verdach­te;
Gelet op het tijdig door de verdachte ingestelde hoger beroep;
Gehoord de verdachte in zijn verdediging, daarin bijge­staan door zijn raadsvrouwe, Mr. T. SEWDIEN, advokate bij Hof van Justitie;

Gehoord de getuige op belofte afge­legde verklaring;

Gehoord het Openbaar Ministerie;

Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte bij inleidende akte van dagvaarding zijn te laste gelegd, de feiten zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding, welke akte van dag­vaarding als hier geïnsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis door de daarin vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewe­zen heeft verklaard, dat verdach­te het hem bij inlei­dende akte van dagvaarding het te laste gelegde heeft be­gaan, zoals in voormeld vonnis is weer­gegeven;

met vrijspraak van het meer of anders telaste geleg­de;

Overwegende, dat de Kantonrechter het bewezen ver­klaarde feit heeft gekwalificeerd als:
1. MISHANDELING; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 360 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht en de ver­dach­te te dier zake heeft veroordeeld tot gevange­nis­straf voor de tijd van EEN WEEK, met het bevel dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de Kantonrechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 3 jaren bepaalde proeftijd schuldig heeft gemaakt of gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen, subsidiair een geldboete van vijfhonderd gulden, met de bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hechtenis, voor de tijd van een dag.

Overwegende, dat het Hof zich met het beroepen vonnis kan verenigen, behalve ten aanzien van de aan verdachte opgelegde straf, weshalve dit vonnis behoort te worden bevestigd, met uitzondering van dat gedeelte waarbij aan verdachte straf werd opgelegd, op welk punt dit vonnis moet worden vernietigd; met dien verstande echter, dat de in het beroepen vonnis gebezigde bewijsmiddelen dienen te worden aangevuld met de verklaringen van de [getuige] en de [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd:
1. de verklaring van de getuige [getuige] in hoger beroep afgelegd, zakelijk weergegeven :
dat op 18 juni 1997 de [persoon] aangifte heeft gedaan tegen de persoon van [verdachte] wegens mishandeling gepleegd op dinsdag 17 juni 1997 op het terrein van de STVS aan de Letitia Vriesdelaan in het distrikt Paramaribo;

dat het slachtoffer [persoon] voornoemd ten tijde van de aangifte ongeveer twintig jaar oud was;
dat [persoon] voornoemd emotioneel was toen zij de aangifte deed tegen de heer [verdachte] voornoemd;
dat de aangifte inhield dat de heer [verdachte] haar op het terrein van de STVS een klap in haar gezicht heeft toegebracht, waarbij haar gezondheidsbril krom is geraakt en haar oorbel kapot is gegaan;
dat zij voorts klaagde van pijn in haar gezicht;
dat hij de persoon van [verdachte] ook gehoord heeft en dat hij, [verdachte] heeft toegegeven zich schuldig te hebben gemaakt aan het aan hem te laste gelegde feit van mishandeling;
dat hij heeft toegegeven haar een duw in haar gezicht te hebben gegeven;
dat hij voor het overige persisteert bij alle door hem opgemaakte processen-verbaal;

2. de [verdachte]:
dat op de bewuste dag van dinsdag 17 juni 1997 [persoon] op zijn werkplaats van de STVS gelegen aan de Letitia Vriesdelaan in het distrikt Paramaribo was gekomen;
dat hij net kwam aanrijden toen hij haar op het terrein van voornoemde werkplaats zag;
dat hij haar te kennen gaf dat zij hier niet moest komen;
dat zij zeer demonstratief over kwam met de woorden:” Je kan gaan waar je wilt, niemand kan mij iets doen”;
dat hij haar toen een duw in haar gezicht heeft gegeven;
dat hij vraagt dat er rekening wordt gehouden met zijn omstandigheden, namelijk de werkdrukte, molest van [persoon] op zijn werkplaats en van zijn gezin;
Overwegende, dat het Hof de navolgende straf in over­eenstemming acht met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte;

Gezien, de aangehaalde artikelen 9, 11, 34, 40, en 127 van het Wetboek van Straf­recht;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt onder aanvulling der bewijsmiddelen het vonnis van 14 augustus 1997 door de Kan­ton­rechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken tegen de [verdachte] waarvan beroep, behoudens ten aanzien van de aan verdachte opgelegde straf;

Vernietigt dit vonnis te dien aanzien en in zoverre opnieuw rechtdoende:

Veroordeelt de verdachte tot :
Een geldboete van tienduizend (10.000,-) surinaams courant, met bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hech­tenis voor de tijd van een (1) week;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.­VON NIESE­WAND, Vice-President, Mw.Mr.C.C.L.A. VALSTEIN – MONTNOR, Lid en Mr.M.G. DE MIRANDA, Lid-plaats­vervanger, in tegenwoordig­heid van Mw.Mr.G.A. KISOENSINGH – JANGBAHADOER SINGH, Fungerend-Griffier, die dit vonnis hebben onderte­kend en hebben uitgesproken ter openbare te­rechtzit­ting van het Hof van Justitie van WOENSDAG, 25 JULI 2001, door de Vice-President voornoemd.

SRU-HvJ-1998-32

M.H.

GENERALE ROL NO: 13811.

DE STAAT SURINAME, zetelende te Paramaribo, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domici­lie hebbende te diens Parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.KRUISLAND, advokaat, appellant in Kort Geding,

t e g e n

A. APOTEC INC., rechtspersoon naar Canadees recht, gevestigd en kantoorhoudende in Weston, Ontario in Canada,

B. [bedrijf], rechtspersoon, geves­tigd en kantoorhoudende te [district] aan [adres], beiden ten deze domicilie kiezende te Para­ma­ribo aan de Heerenstrat nr.6B bij het advokatenkan­toor Gangaram Panday, door wie tot hun beider gemach­tigde is gesteld, Mr.G.GANGARAM PANDAY, advokaat, geintimeerden in Kort Ge­ding,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het Geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegde vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectieve­lijk van 24 augustus 1995 en 8 februari 1996 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 20 februari 1996, waaruit blijkt van het in­stellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat APOTEC INC. en [bedrijf] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:

1. dat eiseressen hierbij de navolgende vordering in Kort Geding wensen in te stellen tegen:

a. DE STAAT SURI­NAME, met name de Ministeries van Volksgezondheid en Financi­ën, rechtspersoon, in rechte vertegen­woor­digd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Graven­straat no.3 te Paramaribo,
b. DE CENTRALE BANK VAN SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Waterkant nr.20 te Paramaribo;

2. dat eiseres sub A een health care and Pharma­ceutical company is die gevestigd is in Weston, Ontario in Canada en dat zij in april 1991 aan gedaagde sub a ten behoeve van de gezondheidssector een creditline van 3 (drie) miljoen U.S.dollars ter beschikking heeft gesteld voor de aanschaf van medicamenten;

3. dat eiseres B handelsagent en vertegenwoordiger van eiseres sub A in Suriname is;

4. dat gedaagde sub b zich jegens eiseressen heeft ver­bonden om na levering van de goederen vreemde valuta (deviezen) voor eiseres beschikbaar te zullen stellen om de rekeningen te voldoen. dat gedaagde sub a zich jegens eiseres sub A garant had gesteld voor de richti­ge nakoming van alle terzake gemaakte afspraken;

5. dat eiseressen ter staving van hun stellingen hier­bij 5 brieven overleggen met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen, t.w: Een schrijven van eiseres sub A aan gedaagde sub b d.d. 9 april 1991 (1).
– Een schrijven van eiseres sub B aan de Vice-Presi­dent van de Republiek Suriname d.d. 11 april 1995 (2).
– Een schrijven van de President van de Centrale Bank van Suriname d.d. 12 april 1991 (3).
– Een schrijven van de Vice-President van de Repu­bliek Suriname d.d. 12 april 1991 aan eiseres sub A (4).
– Een schrijven van de Honorair Commercieel Verte­genwoor­diger van Canada in Suriname d.d. 12 april 1991 (5).

6. dat eiseres sub A in het kader van bovengenoemde creditline gedurende de jaren 1991 en 1992 dtkv eiseres sub B goederen ter waarde van in totaal $l.784.020,20 aan gedaagde sub a heeft verkocht en geleverd, gelijk laatstgenoemde heeft gekocht en ontvangen. dat eiseres sub B conform afspraak in de jaren 1991 en 1992 de tegenwaarde van voormeld geldbedrag, zijnde Sf.3.165.­885,– (renteloos) bij gedaagde sub b heeft gestort. dat eiseres sub B ter staving van haar stel­lingen hierbij 6 produkties overlegt, genummerd 6a, 6b, 6c, 6d, 6e en 6f;

7. dat tussen partijen een rente van 12% per jaar was afgesproken en dat deze schuld per 31 augustus 1995 US$ 2.427.783,27 bedraagt. dat eiseres sub B ter staving van deze stelling hierbij een produktie genummerd 7, overlegt;

8. dat gedaagden sub a en b ondanks herhaalde en dringende aanmaningen in gebreke zijn gebleven voormeld geldbedrag ter beschikking te stellen en zich jegens eiseres hebben schuldig gemaakt aan wanpresta­tie. dat door deze houding van gedaagden sub a en b het vertrou­wen dat eiseres sub A in hun had ernstig is geschaad. dat eiseressen ter staving van deze stelling hierbij de navolgende brieven overleggen t.w.:

Een schrijven van eiseres sub B d.d. 5 juni 1991 (8).
Een schrijven van eiseres sub B d.d. 18 augustus 1993 (9).
Een schrijven van eiseres sub B d.d. 22 november 1993 (10).
Een schrijven van de Minister van Volksgezondheid d.d. 27 januari 1994 met als bijlagen 2 brieven d.d. 25 maart 1993 en 20 april 1993 (11a, 11b en 11c).
Een fax van eiseres sub A aan eiseres sub B d.d. 14 maart 1994 (12).
Een schrijven van gedaagde sub b aan eiseres sub B d.d.9 juni 1994 (13).
Een schrijven van eiseres sub B aan gedaagde sub b d.d. 21 juli 1994 met 3 bijlagen genummerd 14a, 14b, 14c en 14d.
Een fax van eiseres sub A aan eiseres sub B d.d. 17 januari 1995 (15).
Een schrijven van de Minister van Volksgezondheid aan de Minister van Volksgezondheid aan de Minister van Financiën d.d. 26 mei 1995 (16);

9. dat eiseressen de rechter verzoeken om al hun hier­boven genoemde en overgelegde produkties als let­terlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen;

10. dat doordat de gedaagden hun betalingsverplichtin­gen jegens eiseressen nog steeds niet zijn nagekomen, eiseressen grote schade lijden, welke schade overigens steeds toeneemt. Eiseres sub A heeft de rekeningen i.v.m. de leveringen van de medicamenten door de leve­ranciers in Canada aan haar, nog niet betaald en zij hebben gedreigd rechtsmaatregelen tegen haar te zullen treffen terwijl eiseres sub A nog andere dringende financiële verplichtingen jegens derden heeft. dat eiseres sub B een rechtspersoon is met 15 personeelsle­den en dat het in haar bedoeling lag om met de winst goederen t.b.v. haar bedrijf uit het buitenland te importeren, waartoe zij thans niet in staat is. Overi­gens lijdt eiseres sub B door de wanprestatie van gedaagden sub a en b schade doordat de goede naam die zij jaren lang bij eiseres sub A had opgebouwd, thans ernstig is aangetast;

11. dat zowel de hoogte van de vordering als de opeis­baarheid daarvan onomstotelijk vaststaan;

12. dat eiseressen op grond van al de voorgaande stellin­gen gerechtigd zijn te vorderen dat gedaagden sub a en b geboden zullen worden hun betalingsverplich­tingen terzake na te komen cq de terzake benodigde deviezen beschikbaar te stellen, althans een bedrag als verzocht in het petitum bij wege van voorschot beschik­baar te stellen;

13. dat eiseressen recht en belang hebben bij een voor­ziening bij voorraad. dat deze zaak er één is van onverwijlde spoed die geen verder uitstel kan gedogen waardoor een behandeling in Kort Geding gerechtvaardigd is;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd; dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande verzet of hoger beroep:

PRIMAIR:
Gedaagden sub a en b zullen worden veroordeeld, des de één presterende de ander zal zijn bevrijd, om binnen 5 dagen na vonniswijzing aan eiseressen althans aan eiseres sub A danwel aan eiseres sub B t.b.v. eiseres sub A, deviezen ten bedrage van US$ 2.427.783,27 be­schikbaar te stellen cq af te geven, vermeerderd met de overeen­gekomen rente ad 12% per jaar over de som van US$ 1.784.020,20 ingaande 1 september 1995 tot aan de dag der algehele beschikbaarstelling, op straffe van en dwangsom van Sf.3.000.000,– per dag voor elke dat gedaagden sub a en b ingebreke mochten blijven aan deze veroordeling te voldoen, het een en ander desnoods onder door de rechter in goede justitie nader te bepa­len voorwaarden. Voorts gedaagden sub a en b zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding, des de één betalende de ander zal zijn bevrijd.

SUBSIDIAIR:
Gedaagden sub a en b zullen worden veroordeeld om binnen 5 dagen na vonniswijzing des de één presterende de ander zal zijn bevrijd, om terzake voorschreven aan eiseressen, althans aan eiseres sub A, danwel aan eiseres sub B t.b.v. eiseres sub A, bij wege van voor­schot beschik­baar te stellen cq af te geven cq te betalen een bedrag van US$ 2.400.000,– en wel op straffe van een dwangsom van Sf.3.000.000,– per dag voor elke dag dat gedaagden sub a en b ingebreke moch­ten blijven aan deze veroorde­ling te voldoen, het een en ander desnoods onder door de rechter in goede justi­tie nader te bepalen voorwaar­den.

Voorts gedaagden sub a en b zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding, des de één betalende de ander zal zijn bevrijd;

Overwegende, dat DE STAAT SURINAME en DE CENTRALE BANK VAN SURINAME als gedaagden partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van een produktie welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering hebben bestreden en daar­bij hebben geconcludeerd;

Gedaagde sub a:
dat eiseressen in hun vordering niet zullen worden ontvangen, althans dat deze aan hun zal worden ontzegd;

Gedaagde sub b:
dat eiseressen in hun vordering niet zullen worden ontvangen c.q. hen deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 24 augustus 1997 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast;

Overwegende, dat ter gehouden comparitie van partijen zijn verschenen: de heer Otto Ezechiels, directeur van de Centrale Bank, Mr.D.J.PH.Arrias, Waarnemend-direkteur van het Ministerie van Volksge­zondheid en de gemachtigden van partijen, die hebben verklaard gelijk in de daarvan door de Kantonrechter opgemaakte processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gedaagden zich bij schrifte­lijke conclusie hebben uitgelaten over een schikkings­voorstel, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiser (lees: eiseressen) bij schriftelijke conclusie zijn reactie op het aangeboden voorstel heeft gegeven, wordende de inhoud daarvan als hier geinsereerd aangemerkt;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis in Kort Geding van 8 februari 1996 op de daarin opgenomen gronden:

Eiseres sub B niet ontvankelijk heeft verklaard in haar mede tegen gedaagden ingestelde vordering;

Eiseres sub A niet ontvankelijk heeft verklaard in haar tegen gedaagde sub B ingestelde vordering;

Gedaagde sub A heeft veroordeeld tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres sub A tegen de koers van de dag van betaling in Surinaams Courant te betalen het bedrag van US$ 1.684.020,20,–;

Dit vonnis voorzover betreft sub C uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

De proceskosten tussen partijen heeft gecompen­seerd (d.z. eiseres sub A en gedaagde sub A) in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

Het meer of anders gevorderde heeft geweigerd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal DE STAAT SURINAME in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 8 februari 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL van 21 mei 1996 aan geintimeerden aan­zegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rech­t­sdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aange­zegd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een pleitnota heeft genomen onder overlegging van produk­ties, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke inci­dentele conclusie tot schorsing van het geding heeft genomen;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 4 juli 1997 het geding is hervat;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvanke­lijk had bepaald op 23 januari 1998, doch na enige malen te zijn aangehouden nader werd bepaald op heden.

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Appellant is tijdig in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 8 februari 1996.
Het Hof heeft bij vonnis van 16 mei 1997, gewezen en uitgesproken tussen partijen en bekend onder GR 13823, de in het beroepen vonnis van 8 februari 1996 gedane erkentenissen, alsmede gemeld vonnis van 8 februari 1996, van onwaarde verklaard. Het Hof is van oordeel dat het onderhavige geding tussen partijen zich thans wederom bevindt in de stand waarin het zich bevond voor de gedane erkentenissen, en derhalve staat voor het nemen van een conclusie van antwoord. Het Hof zal het geding danook verwijzen naar de rechter in eerste aanleg, met compensatie van de proceskosten tussen partijen, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten voldoet.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Verwijst de zaak terug naar de rechter van eerste aanleg ter hernieuwde berechting, aan te vangen op het punt voordat de ontkende verrichtingen plaatsvonden;
Machtigt de meest gerede partij, bij de eerste rechter de zaak ter rolle te doen brengen, voor het nemen van een conclusie van antwoord;
Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten voldoet;

Aldus gewezen door de heren: Mr.A.I.RAMNEWASH, Fungerend-President, Mr.P.­G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Fungerend-President uitge­sproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 19 juni 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.E.STRUIKEN namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.­KRUISLAND en geintimeerden vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.F.ISHAAK namens hun gemachtigde, advo­kaat Mr.G.GANGARAM PANDAY, zijn bij de uitspraak ter te­recht­zitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2001-12

M.H.
GENERALE ROL NO.13959.

[appellant], wonende in [district 1] aan [adres 1], voor wie als gemachtigde op­treden, Mr.T.GANGARAM PANDAY en Mr.I.KANHAI, advo­katen,
appellant in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district 2] aan [adres 2], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.MARICA, advokaat,
geïntimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde vonnissen in Kort Geding van de Kanton­rech­ter in het Eerste Kanton res­pectievelijk van 15 augustus 1996 en 14 novem­ber 1996 tussen par­tijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 26 november 1996, waaruit blijkt van het in­stel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisen­de partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:
1. dat eiser de navolgende rechtsvordering in Kort Geding wenst in te stellen tegen: [appellant], wonende in [district 1] aan [adres 1], gedaag­de;

2. dat eiser d.d. 11 oktober 1995 bij beschikking van de Minister van het Ministerie van Natuurlijke Hulp­bronnen het recht van grondhuur ter uitoefening van de tuinbouw/landbouw voor de duur van 40 jaren verkreeg op het perceelland groot 2.2883 ha gelegen in [district 1] bekend als [plaats] serie 9 [nummer 1] a en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname Ir. E.S.Devid d.d. 03 mei 1995 door de figuur ABCD;

3. dat eiser een afschrift van deze beschikking aan de Hypotheekbewaarder ter overschrijving in de Openbare Registers heeft aangeboden die het inschreef in het Dagregister A deel 187 [nummer 2] d.d. 18 januari 1996 waardoor rechtens vaststaat dat eiser grondhuurder is van voormeld perceelland. Worde hierbij de beschikking met de daaropgestelde aantekening van de Hypotheekbe­waarder in afschrift overgelegd met verzoek het hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen be­schouwen (produktie 1);

4. dat eiser tot de ontdekking is gekomen dat door een andere i.c. gedaagde zonder zijn voorkennis en toestemming het litigieuze perceelland bewerkt en daarop op bescheiden schaal aan de veeteelt doet;

5. dat eiser de plaatselijke politie (station Santo Boma) met overlegging van zijn bescheiden assistentie gevraagd heeft gedaagde te ontruimen maar dat zulks niet tot een bevredigende (lees:bevredigend) resultaat heeft geleid;

6. dat eiser hierna door tussenkomst van zijn raads­man gedaagde aanschreef d.d. 19 april 1996 voormeld perceelland te ontruimen, welke (lees:welk) schrijven bij exploit van de deurwaarder J.E.Kolf d.d. 24 april 1996 [nummer 3] aan hem is uitgereikt. In dit schrijven heeft eiser gedaagde in kennis gesteld van zijn verwor­ven recht van grondhuur en hem aangenaamd binnen 2 weken na ontvangst van het schrijven te ontruimen op straffe van het treffen van rechtsmaatregelen, met verzoek het deurwaardersexploit als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen; (productie 2)

7. dat het eiser gebleken is dat gedaagde de sommatie naast zich heeft neergelegd waardoor eiser ernstig wordt geschaad in het genot en het gebruik van de (lees:het) gehele aan hem in grondhuur toebehorende perceelland;

8. dat gezien het voorgaande gedaagde in strijd handelt met de betamende maatschappelijke zorgvuldig­heid, althans handelt in strijd met de zorgvuldigheid die hij jegens eiser in acht behoort te nemen. De handelingen althans gedragingen van gedaagde zijn in hoge mate verwijtbaar en onzorgvuldig nu hij reeds enige tijd ermee bekend is dat het litigieuze perceel­land in grondhuur is afgestaan aan eiser en hij weigert te ontruimen;

9. dat eiser deze onhoudbare situatie niet langer wenst te tolereren en hij derhalve gerechtigd is een voorziening bij voorraad te eisen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis in KORT GEDING, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:
– Gedaagde zal worden veroordeeld om binnen één week na het te dezen te wijzen vonnis althans binnen één door de Rechter in goede justitie vast te stellen termijn het voorschreven perceelland te ontruimen en te verlaten en ter vrije beschikking van eiser te stellen onder verbeurte van een dwangsom van sf.50.000,– voor iedere dag dat gedaagde in gebreke mocht blijven met de uitvoering van het te dezen te wijzen vonnis.

Met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding;

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclu­sie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconclu­deerd:

dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard althans aan hem deze zal worden ont­zegd alszijnde in strijd met de redelijkheid en de billijkheid, Kosten rechtens;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen ter terechtzitting van 25 juli 1996 hun standpunten monde­ling hebben toegelicht gelijk in het daarvan opgemaakt – en hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 15 augustus 1996, op de daarin opgenomen gronden, alvorens verder te beslis­sen een comparitie van partijen heeft gelast, tevens de Griffier der Kantonge­rechten heeft gelast Ing. G.Eliazer, Onderdirec­teur Domeinbeheer op het Ministerie van Natuurlijke Hulp­bronnen, schriftelijk uit te nodigen bij de gelaste comparitie aanwezig te zijn, en iedere verdere beslis­sing heeft aangehouden;

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen en gehouden comparitie van partijen op 4 september 1996 is gehouden, waarbij zijn verschenen partijen in per­soon en ingenieur [naam 2] die daarbij stukken heeft overgelegd, waarvan de inhoud als inge­last dient te worden beschouwd, en waarbij partijen hebben ver­klaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als inge­last te beschouwen proces-verbaal staat gerela­teerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde ten dage voor uitlating bepaald een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens eiser bepaald, diens gemachtigde een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 14 november 1996 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft veroordeeld het perceelland, groot 2,2883 ha, gelegen in [district 1], bekend als [plaats] Serie 9 [nummer 1] a en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart aan de landmeter in Suriname Ir. E.S.Devid de dato 3 mei 1995 door de figuur ABCD, aan eiser bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen de dato 11 oktober 1995 [nummer 3], overgeschreven ten hypotheekkantore op 8 januari 1996 in register C 1311 onder [nummer 4], binnen drie maanden na de uitspraak van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van eiser te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van f.50.000,– per dag voor iedere dag dat gedaagde in gebreke blijven mocht aan dit vonnis uitvoering te geven;

Dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren heeft verklaard;

Gedaagde heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan eisers zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op sf.4.752,50 (vierduizend Zevenhon­derd twee en vijftig 50/100 gulden);

Het meer of anders gevorderde heeft geweigerd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-ver­baal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eind­vonnis in Kort Geding van 14 november 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL van 13 juni 1997 aan geïntimeerde aan­zeg­ging van het inge­stelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ten dage voor dagbepaling plei­dooi bepaald geintimeerde niet was opgeroepen waarna de zaak werd afgevoerd;

Overwegende, dat ten dage voor nadere dagbepaling pleidooi advokaat Mr.T.Gangaram Panday het Hof heeft medegedeeld dat Mr.I.kanhai zich mede stelt als gemach­tigde van appellant;

Overwegende, dat ten dage voor pleidooi peremptoir bepaald de gamachtigden van appellant een pleitnota hebben overgelegd, onder overlegging van een produktie, wor­dende de inhoud van de overgelegde produktie hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellant bij repliek pleidooi een produktie overgelegd, wordende de inhoud van de overgelegde produktie eveneens hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvan­kelijk had beplaald op 16 juni 2000, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

2. Appellant heeft tegen het beroepen vonnis twee grieven aangevoerd, zakelijk weergegeven, luidende:
grief 1
De Kantonrechter heeft ten onrechte overwogen alsof appellant (onderstreping door appellant), des­tijds gedaagde, zich in 1990 (onderstreping door appel­lant) zonder een daartoe gerechtigde titel op het aan een ander toebehorende perceelland heeft gevestigd;

grief 2
De Kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat het onwaarschijnlijk lijkt dat de beschikking van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen met succes zal kunnen worden aangevochten.

3. Blijkens de toelichting op grief 1 voelt appellant zich gegriefd omdat, naar hij stelt, door de woordkeus in de derde rechtsoverweging op pagina 3 van het beroe­pen vonnis de schijn wordt gewekt alsof het terrein reeds in 1990 aan geintimeerde toebehoorde.

4. In de door appellant gewraakte passage heeft de Kantonrechter, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, overwogen dat uit de in het dossier van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen voorkomende gegevens is af te leiden dat appellant zich in 1990, zonder een daartoe gerechtigde titel, ”op het perceel­land, aan een ander toebehorend,” heeft gevestigd. Het Hof is van oordeel dat de gewraakte passage, noch op zichzelf beschouwd noch gelezen in samenhang met de overige rechtsoverwegingen in het beroepen vonnis, de schijn wekt dat het perceelland reeds in 1990 aan geintimeerde toebehoorde. Dit klemt te meer, nu de Kantonrechter, met betrekking tot de aanspraken van geintimeerde op het betreffende perceel, reeds in zijn eerste rechtsoverweging als vaststaand heeft aangeno­men, zakelijk weergegeven, dat geintimeerde in 1996 (te weten op 18 januari van dat jaar, zijnde de datum van inschrijving van de betreffende beschikking in de openbare registers) het recht van grondhuur op het betreffende perceelland heeft verkregen. Grief 1 gaat dus niet op.

5. Er is geen grief aangevoerd tegen de hierboven onder 4 reeds aangehaalde vaststelling door de Kanton­rechter dat uit de in het dossier van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen voorkomende gegevens is af te leiden dat appellant zich in 1990, zonder een daar­toe gerechtigde titel, ”op het perceelland, aan een ander toebehorend” heeft gevestigd. Het Hof gaat er dan ook met de Kantonrechter ervan uit dat appellant (sinds 1990) zonder recht of titel op het betreffende perceel woont.

6. Uit de toelichting op grief 2 begrijpt het Hof dat appellant van oordeel is dat de huurovereenkomst, die met betrekking tot het hier aan de orde zijnde perceel­land tussen de Staat Suriname en [naam 3] bestond, door eerstgenoemde diende te worden beëindigd; dat het perceelland pas na die beëindiging in de boezem van de Staat terugkeerde en de Staat derhalve pas na die beëindiging over het perceelland kon beschikken door het aan geintimeerde in grondhuur uit te geven; dat (tijdens de in eerste aanleg gehouden comparitie) de Staat niet heeft aangegeven en (ook overigens) niet is gebleken dat de huurrelatie tussen [naam 3] en de Overheid is opgehouden te bestaan.

7. Appellant ziet naar de mening van het Hof over het hoofd dat het betreffende perceelland door de Staat Suriname aan [naam 3] in huur was verstrekt en het perceel dus steeds in de boezem van de Staat Suriname is gebleven.

8. Verder heeft, naar uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal blijkt, ing.[naam 2], ter verstrek­king van informaties gehoord, gesteld, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, dat, nadat [naam 3] had verzocht om het perceel over te schrijven en hem daartoe geen toestemming was verleend, het perceel is ingetrokken. Deze feiten zijn noch bij de comparitie noch daarna door appellant tegengesproken en staan derhalve vast.

9. Onder ”intrekken van het perceel” wordt in geval­len als de onderhavige in het algemeen spraakgebruik verstaan het beëindigen van de huurovereenkomst door de Staat Suriname, zodat op grond van hetgeen onder 8 is overwogen vaststaat dat de huurovereenkomst met be­trekking tot het onderwerpelijk perceelland tussen [naam 3] en de Staat Suriname is opgehouden te bestaan. Grief 2, welke ervan uitgaat dat zulks in dit geding niet zou zijn gebleken gaat dus niet op.

10. Nu beide grieven falen dient het vonnis a quo te worden bevestigd. Appellant zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en op 14 november 1996 uitgesproken.

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en be­groot op f….

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f..

Bepalende het Hof het salaris van de advokaten van appellant eveneens op f……

Aldus gewezen door de heren Mr.E.S.OMBRE, Funge­rend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Le­den en door de Fungerend-Presi­dent uitge­spro­ken ter open­ba­re te­recht­zitting van het Hof van Justi­tie van VRIJ­DAG, 16 FEBRUARI 2001, in tegenwoor­dig­heid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.T.Gangaram Panday die tevens ook optreedt namens advokaat Mr.I.Kanhai en geintimeer­de verte­gen­woordigd door advokaat Mr.K.Brand­on namens zijn gemach­tigde, advokaat Mr.S.Marica, zijn bij de uitspraak ter terecht­zitting verschenen.

SRU-HvJ-1989-3

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 10 maart 1989

(Mrs. S. Gangaram Panday, A.I. Ramnewash en F.F.P. Truideman).

[verzoeker], wonende te [district] aan [adres], advokaat Mr. K.R. LIEUW ON,
verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, kantoor houdende aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, en ter terechtzitting vertegenwoordigd wordende door Mr. W.R. WILLEMZORG,
verweerder.

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende. dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof van Justitie heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker wenst de navolgende vordering in te stellen tegen De Staat Suriname, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, verweerder.

2. Verzoeker, ambtenaar B 2e klasse in tijdelijke dienst en belast met de functie van bewaker bij het Ministerie van Volksgezondheid, is door verweerder te rekenen van 26 januari 1988 wegens plichtsverzuim ontslag uit staatsdienst verleend, e.e.a, blijkende uit de hierbij in fotokopie overgelegde beschikking van 26 april 1988.

3. Verzoeker heeft voormelde beschikking op of omstreeks 30 mei 1988 in zijn brievenbus gevonden, zodat die datum moet worden geacht de datum te zijn waarop door verweerder aan verzoeker kennis is gegeven van het besluit tot zijn ontslag zoals in die beschikking gerelateerd.

4. Verzoeker acht zich door dit besluit tot zijn ontslag gegriefd en bezwaard, zijnde immers dit besluit in strijd met de Personeelswet, althans wordt door verweerder de bevoegdheid tot ontslag gebruikt voor een ander doel dan waartoe die is gegeven en in ieder geval moet het litigieuze besluit worden geacht in strijd te zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

5. Immers heeft verzoeker zich niet schuldig gemaakt aan ongeoorloofde handelingen en nog minder aan plichtsverzuim en in ieder geval niet aan de in artikel 69 van de Personeelswet limitatief opgesomde ontslaggronden.

Verzoeker heeft inderdaad, toen hij vrijaf was van dienst (met toestemming van een der wachters) met zijn concubine (met wie hij samenwoont)na afloop van een filmvoorstelling een zgn. “Kentucky Fried Chicken” in een aan verweerder toebehorend pand genuttigd, hetgeen evenwel geen reden tot ontslag oplevert

6. Verzoeker is dan ook gerechtigd de nietigverklaring te vorderen van het litigieuze door verweerder t.a.v. verzoeker genomen besluit, alsmede te vorderen dat zijn salaris en overige emolumenten vanaf het litigieuze ontslag aan hem zullen worden uitgekeerd.

7. Blijkens het hierbij overgelegd certificaat van onvermogen is verzoeker niet bij machte de aan dit proces verbonden kosten te betalen;

Overwegende, dat verzoeker op deze grond heeft gevorderd:

dat bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. het besluit van verweerder zoals neergelegd in de beschikking van de Minister van Volksgezondheid [nummer] d.d. 26 april 1988 waarbij is besloten aan verzoeker ontslag uit staatsdienst te verlenen, nietig zal worden verklaard, althans zal worden vernietigd;

II. verweerder zal worden veroordeeld aan verzoeker te betalen zijn salaris en alle overige emolumenten, waaronder het vakantiegeld, te rekenen vanaf mei 1988, vermeerderd met de wettelijke interessen hierover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening, kosten rechtens;

Overwegende, dat de Staat Suriname een verweerschrift heeft ingediend, waarin als verweer wordt aangevoerd:

dat zij bevestigt hetgeen gesteld is in het 2e sustenu van het inleidend rekest;

dat verzoeker zich op beroept dat de ingangsdatum van zijn ontslagverlening diende te geschieden op 30 mei 1988, zijnde de datum waarop verzoeker zijn ontslagbeschikking heeft ontvangen, instede van 26 april 1988, zijnde de datum van de beschikking;

dat deze stelling van verzoeker geen hout snijdt aangezien artikel 70 lid 5 van de personeelswet uitdrukkelijk aangeeft dat ontslag met terugwerkende kracht kan worden verleend tot het tijdstip waarop de buitenfunctiestelling (schorsing) is ingegaan;

dat nu verzoeker bij brief van 26 januari 1988 door de Onderdirecteur Administratieve Diensten buiten functie is gesteld, de ontslagdatum zonder meer terecht is gesteld;

dat verzoeker stelt zich gegriefd en bezwaard te voelen door het aan hem verleende ontslag;

dat zulks aan zijn eigen schuld te wijten is daar verzoeker recentelijk bij beschikking van 20 januari 1988 m~ 247 wegens plichtsverzuim samen met vier andere bewakers voor Een week werd geschorst waarbij in vermelde beschikking uitdrukkelijk is gesteld dat bij herhaald plichtsverzuim een zwaardere tuchtstraf zou worden overwogen;

dat verzoeker niet voor geschroomd heeft om binnen een kort tijdbestek na zijn schorsing zich wederom aan plichtsverzuim schuldig te maken;

dat verzoeker aanvoert zich niet daaraan schuldig te hebben gemaakt door zo simpel voor te stellen aan “Kentucky Fried Chicken” samen met zijn concubine in een aan verweerder toebehorende pand te hebben genuttigd:

doen omdat de verzoeker door de verweerder niet geschorst is geweest en omdat toen het ontslagbesluit werd genomen het besluit tot buitenfunctiestelling, zoals boven reeds gesteld is, reeds was uitgewerkt en dus niet meer van kracht was en waarmede tevens de rechtsverhouding tussen partijen volledig hersteld was, omdat buitenfunctiestelling een op schorsing of ontslag vooruitlopende maatregel is;

Overwegende, dat het voormeld ontslagbesluit van verweerder op de bovengenoemde gronden als in strijd met de wet door het Hof dan ook zal worden nietig verklaard en de verweerder zal worden veroordeeld aan de verzoeker het salaris en emolumenten vanaf de maand mei 1988 uit te betalen, met veroordeling van de verweerder, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten aan de zijde van de verzoeker gevallen.

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart nietig het ontslagbesluit van de Minister van Volksgezondheid d.d. 26 april 1988 no. 436, waarbij aan de verzoeker ontslag uit Staatsdienst werd verleend;

Veroordeelt de verweerder om aan de verzoeker te rekenen vanaf de maand mei 1988 het salaris en alle emolumenten, waaronder het vacantiegeld, vermeerderd met de wettelijke renten daarover a 6% per jaar vanaf 23 juni 1988 tot aan de dag der algehele voldoening, te voldoen;

Veroordeelt verweerder in de kosten aan de zijde van de verzoeker gevallen en begroot op f. …..,..

 

 

 

SRU-HvJ-2001-11

H.M.
GENERALE ROL NO.14087.

DE SURINAAMSE BAKKERSBOND, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Prinsenstraat no.9, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.KRAAG, advokaat,
appellante,

tegen

[geïntimeerde], gevestigd en kantoorhoudende aan de Heerenstraat no.52, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.MARICA, advokaat,
geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 1 december 2000 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de geintimeerde in de enquete 2 getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerde hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden enquete heeft genomen, hebbende hij tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 15 juni 2001, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 1 december 2000 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat geintimeerde, ten einde het van hem verlangde bewijs te leveren als getuigen heeft doen horen [naam 1] en [naam 2] en bij conclusie na gehouden enquete de dato 25 april 2001 heeft overgelegd een stortingsbewijs in fotocopie van de Hakrinbank N.V. de dato 28 augustus 1990;

Overwegende, dat het Hof de vraag of geintimeerde het van hem verlangde bewijs geleverd heeft ontkennend beantwoordt, blijkende dat immers niet uit voormelde aangedragen bewijsmiddelen;

Overwegende, dat mitsdien niet bewezen is en dien tengevolge tussen partijen in rechte niet is komen vast te staan hetgeen gesteld is in de 1 ste tot en met 11e alinea van het verzoekschrift;

Overwegende, dat het Hof, bespreking van de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grief, die het Hof bovendien voorkomt als feitelijke onjuist, geheel in het midden latend, het beroepen vonnis zal vernietigen en geintimeerde zijn vordering hem alsnog als onbewezen zal ontzeggen, onder veroordeling van geintimeerde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten op dit geding aan de zijde van appellante gevallen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 10 februari 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Ontzegt geintimeerde alsnog zijn vordering;

Veroordeelt geintimeerde in de kosten in beide instanties aan de zijde van appellante gevallen en in prima begroot op sf….

en in hoger beroep begroot op sf……

Met inbegrip van het door het Hof aan hem gehouden pleidooi toegekende salaris van sf…

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geintimeerde eveneens op sf……

Aldus gewezen door de heren Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-Presi­dent uitge­sproken ter openbare terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 6 JULI 2001, in tegenwoor­dig­heid van Mr.R.R.BRIJBHOKUN, Fungerend-Griffier.

Partijen, vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advokaat Mr.J.Kraag en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat, Mr.J.Nibte namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.S.Marica, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1989-2

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 13 oktober 1989

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en F.F.P. Truideman).

[verzoeker], gepensioneerd ambtenaar, wonende in [district], ten deze domicilie kiezende aan de Watermolenstraat no. 36 boven ten kantore van Mr. J. KRAAG, advokaat,
verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo,
advokaat Mr. K.R. LIEUW ON,
verweerder.

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker], zich bij verzoekschrift tot het Hof van Justitie heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen De Staat Suriname, het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3;

2. dat verzoeker is geweest ambtenaar in de zin van artikel 1 der Personeelswet;

3. dat verzoeker die met eervol ontslag op eigen verzoek de Overheidsdienst heeft verlaten met ingang van 13 augustus 1973 wederom in Overheidsdienst is getreden bij het toenmalige Ministerie van Opbouw en wel als hoofd van het Laboratorium van het Bureau voor Waterkracht Werken in de rang van Technisch Ambtenaar, schaal 11 met als salaris het bedrag van f. 667,– per maand;

4. dat verzoeker na ongeveer 11 maanden zoals voorschreven werkzaamheden voor of t.b.v, voormeld ministerie althans het B.W.K.W. te hebben verricht van de leiding van het ministerie te horen kreeg dat hij niet meer diende in schaal 11 en hij dus met terugwerkende kracht uit voormelde schaal werd geplaatst;

5. dat zulks op grond van artikel 24 lid 3 van de Personeelswet onmogelijk is omdat er in casu sprake moet zijn van een degradatie die op oneervol ontslag na, als de zwaarste straf dient te worden beschouwd;

6. dat artikel 25 van de Personeelswet duidelijk aangeeft wanneer een verlaging van rang wordt toegepast (vide ook artikel 27 lid 1);

7. dat verzoeker herhaaldelijk bij de minister en of daartoe voor in aanmerking komende funktionarissen van zowel het B W.K.W. als van het Ministerie van Opbouw en thans geheten Natuurlijke Hulpbronnen en Energie, heeft verzocht de gepleegde commissie ongedaan te maken helaas zonder resultaat;

8. dat verzoeker door zijn rang en schaal verlaging is benadeeld doordat zijn pensioengrondslag lager is dan wanneer de vorenbedoelde verlaging niet had plaatsgevonden en zulks nu het strijdig is met de Personeelswet dient te worden gecorrigeerd;

9. dat verzoeker voorts als Hoofd van de afdeling Geologie van het B.W.K.W. heeft waargenomen en wel van 7 september 1978 tot en met 5 november 1978 en van 16 juni 1980 tot en met 30 september 1981 (dus langer dan Een jaar) waarvoor hij geen waarnemingstoelage heeft getoucheerd zoals door de Personeelswet voorgeschreven, zulks ondanks dreigende en herhaalde verzoeken zijnerzijds;

10. dat het besluit althans de houding van de Staat, het Ministerie van N.H.E., te volharden in het weigeren en niet te willen bevorderen dat het onrecht verzoeker aangedaan door hem terug te stellen, wordt gecorrigeerd, subsidiair te weigeren dan verzoeker een waarnemingstoelage toe te kennen overeenkomstig de desbetreffende voorschriften der Personeelswet, in strijd moet worden geacht met de wet en in strijd moet worden geacht met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het beginsel der rechtszekerheid en het gelijkheidsbeginsel;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

– dat door het Hof, rechtdoende in ambtenarenzaken aan verweerder een dwangsom van f. 100,– per dag zal worden opgelegd, of zoveel meer of minder als het Hof in goede justitie billijk mocht achten, door verweerder dan verzoeker te verbeuren vanaf de 31ste dag of vanaf een door het Hof te bepalen tijdstip voor het verder achterwege laten van:

PRIMAIR:
1. het verrichten van de handelingen voor de correctie van de terugstelling in rang bij beschikking of bij staatsbesluit van verzoeker;

2. het verrichten van de handelingen vereist voor het in overeenstemming brengen van het door verzoeker genoten salaris overeenkomstig de schaal waarin hij benoemd had moeten worden of zijn zulks met ingang van de datum zijner indiensttreding in 1973;

SUBSIDIAIR:
– het verrichten van de handelingen nodig voor het toeken naast het door verzoeker genoten salaris van een waarnemingstoelage overeenkomstig de desbetreffende bepalingen der Personeelswet en de overige terzake van waarneming ener hogere funktie geldende administratieve bepalingen, kosten rechtens;

Overwegende, dat door de Staat Suriname geen verweerschrift is ingediend;

Overwegende, dat ten dage voor verhoor van partijen bepaald, partijen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr. J. Kraag en de Staat Suriname vertegenwoordigd door de heer Ch. Stijnberg, Onderdirecteur Administratieve Diensten en advokaat Mr. K.R. Lieuw On in Raadkamer zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte -hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna een hier als Geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot overlegging van bescheiden heeft genomen;

Overwegende, dat ten dienende dage de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, de gemachtigde van verzoeker onder overlegging van produkties, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk werd bepaald op 27 oktober 1989 doch bij vervroeging uitgesproken op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet (P.W.);

Overwegende, dat blijkens het petitum verzoeker vordert, dat het Hof, rechtdoende in ambtenarenzaken, aan verweerder zal opleggen een dwangsom van f. 100,– per dag of zoveel meer of minder als het Hof in goede justitie billijk mocht achten, door verweerder aan verzoeker te verbeuren vanaf de 31ste dag of vanaf een door het Hof te bepalen tijdstip voor het verder achterwege laten van:

PRIMAIR.
1. het verrichten van de handelingen voor de correctie van de terugstelling in rang bij beschikking of bij staatsbesluit van verzoeker;

2. het verrichten van de handelingen vereist voor het in overeenstemming brengen van het door verzoeker genoten salaris, overeenkomstig de schaal waarin hij benoemd had moeten worden of zijn, zulks met ingang van de datum zijner indiensttreding in 1973;

SUBSIDIAIR:
– het verrichten van de handelingen nodig voor het toekennen naast het door verzoeker genoten salaris van een waarnemingstoelage overeenkomstig de desbetreffende bepalingen der Personeelswet en de overige terzake van waarneming ener hogere funktie geldende administratieve bepalingen;

Overwegende, dat de wijze van formulering van voormeld petitum, als in strijd met de wet, toewijzing van verzoekers vorderingen in de weg staat (artikel 402 lid 1 Rv.);

Overwegende, dat blijkens de doctrine de dwangsom ertoe strekt de nakoming van de hoofdveroordeling te bevorderen;

zij is “een dwangmiddel om de uitvoering van een rechterlijke uitspraak te verkrijgen”;

dat de bepaling daarvan kan geschieden voor het geval, dat (“indien”), zolang of zo dikwijls de veroordeelde aan de uitspraak niet voldoet; dat zulk een dwangsom door de enkele intreding van de opgenomen voorwaarde verbeurd wordt, dat wil zeggen verschuldigd wordt;

Overwegende, dat verzoekers hoofdvordering niet die tot betaling van de dwangsom is, zoals ondubbelzinnig uit het petitum blijkt, doch die tot het verrichten van de primair en subsidiair gevorderde handelingen;

Overwegende, dat verzoeker een veroordeling van verweerder tot het verrichten van de primair en subsidiair gestelde handelingen evenwel niet heeft gevorderd, hetgeen had gemoeten; dat zo hij dat gedaan had, verzoeker daar als voorwaarde aan had kunnen verbinden dan indien. zolang of zo dikwijls verweerder aan die hoofdveroordeling niet zou voldoen, hij een dwangsom zou verbeuren;

Overwegende, dat uit het voorgaande blijkt, dat een dwangsom niet kan worden opgelegd buiten een hoofdveroordeling:

Overwegende, dat verzoeker op grond van het voorgaande niet kan worden ontvangen in zijn vordering, onder achterwege lating door het Hof van het instellen van een onderzoek naar de juistheid van der partijen stellingen als niet langer relevant;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering.

SRU-HvJ-1989-1

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 10 november 1989.
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en E.S. Ombre).

[verzoeker], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende aan [adres] boven, ten kantore van advokaat Mr. ALEC JOHN,
verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME c.q. HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, advokaat Mr. H. MUNGRA,
verweerder.

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen de Staat Suriname c.q. het Ministerie van Volksgezondheid, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3 verweerder;

2. dat blijkens bijgaande copie resolutie d.d. 30 juli 1982 [nummer] verzoeker per 15 januari 1982 in dienst is getreden van het Ministerie van Volksgezondheid en te werk gesteld als chemicus tegen een salaris van Sf.1.596,– (EENDUIZEND VIJFHONDERD ZES EN NEGENTIG GULDEN) per maand;

3. dat verzoeker ten behoeve van poliklinische Patiënten daarnaast specialistische behandelingen verricht waarvoor zijn honorarium nog niet is vastgesteld;

4. dat verzoeker vanaf voormeld datum tot en met heden specialistische werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van poliklinische Patiënten op grond waarvan verzoeker, blijkens hierbij overgelegd Staatsblad 1970 no. 52 Par. II B. 2 aanspraak maakt op honorarium onder het regiem van het Fee For Service System:

5. dat blijkens bijgaande correspondentie, op grond van het feit dat de desbetreffende tarievenlijsten nog niet beschikbaar zijn, door het S.Z.F. aan de Direkteur van ‘s Lands Hospitaal een afwijkende procedure is voorgesteld teneinde verzoeker een voorschot ad Sf 3.900,–(DRIEDUIZEND NEGENHONDERD GULDEN) per maand uit te betalen;

6. dat verzoeker vanaf februari 1987 tot heden geen betaling van voormeld honorarium heeft mogen ontvangen, daar de Direkteur van het ‘s Lands Hospitaal heeft nagelaten het groenlicht te geven aan de uitbetaling daarvan, ofschoon hij daartoe dringend en herhaaldelijk door verzoeker is aangemaand tot uitbetaling over te gaan; laatstelijk bij brieven van respectievelijk 11 februari en 24 maart 1988, gericht aan de Minister van Volksgezondheid, waarvan wordt veracht de inhoud dezer brieven hier als letterlijk herhaald en Geinsereerd te beschouwen;

7. dat verzoeker met derden verbintenissen is aangegaan op grond van de aanspraken op voormelde vergoeding welke hij niet kan nakomen;

8. dat verweerder door alzo te handelen wanprestatie pleegt jegens verzoeker en verzoeker door de schuld van verweerder schade lijdt en zijn verplichtingen niet adequaat kan voldoen;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle uren en dagen verweerder zal worden gelast:

a. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan verzoeker te betalen de som van Sf. 58.500,– (ACHTENVIJFTIGDUIZEND VIJFHONDERD GULDEN) d.i. 15 x Sf. 3.900,– per maand over de periode februari 1987 tot en met april 1988, zijnde voorschot honorarium voor specialistische werkzaamheden ten behoeve van poliklinische patiënten, met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf de dag van indiening tot aan de algehele voldoening;

b. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting maandelijks aan verzoeker te voldoen het bedrag ad Sf. 3.900,– (DRIEDUIZEND NEGENHONDERD GULDEN) vanaf de maand mei 1988 en daarmede voort te gaan totdat de definitieve tarievenlijsten zullen zijn opgemaakt en goedgekeurd en verzoekers honorarium, alsdan zal zijn vastgesteld;

Overwegende, dat de Staat Suriname vervolgens een verweerschrift heeft ingediend, waarin als verweer wordt aangevoerd:

1. dat hij ontkent alhetgeen bij het verzoek is gesteld en niet hierna is erkend, met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn aveu en onder aanbod van bewijs van al zijn weren;

2. dat hij het sub 2 bij het verzoek gestelde erkent;

3. dat het sub 3 in het verzoek gestelde onjuist is ten stelligste wordt ontkend. De verzoeker verricht in het ‘s Lands Hospitaal geen specialistische behandelingen ten behoeve van poliklinische patiënten.

Verzoekers funktie in het ‘s Lands Hospitaal is zuiver een controlerende, waarbij hij desgevraagd het personeel van advies dient:

4. dat indien verzoeker meent aanspraak te maken op een honorarium volgens het Fee For Service System ten aanzien van S.Z.F. dit betalingssysteem hanteert voor medische specialisten
Verzoeker heeft van verweerder geen opdracht ontvangen om specialistische werkzaamheden in ‘s Lands Hospitaal te verrichten;

5. dat de Direkteur van S.Z.F, bij brief d.d. 29 december 1987 wel aan de Direkteur van ‘s Lands Hospitaal heeft gevraagd om voorschotten als door verzoeker bedoeld aan verzoeker te verstrekken, doch ‘s Lands Hospitaal om financiële redenen niet in staat is dergelijke voorschotten ten behoeve van de S.Z.F. te verstrekken, daargelaten dat ‘s Lands Hospitaal zich daartoe ook niet verplicht voelt en daarvoor ook niet aansprakelijk is, te meer waar verweerder zich nimmer tegenover verzoeker, noch tegenover de S.Z.F. heeft verbonden tot het vertrekken van dergelijke voorschotten:

6. dat nu verweerder geen overeenkomst met verzoeker noch met de S.Z.F. heeft tot het verstrekken van voorschotten aan verzoeker, er in casu geen sprake is van wanprestatie zijdens verweerder, terwijl ontkent wordt dat door verweerders toedoen schade aan verzoeker is veroorzaakt;

7. dat verweerder uitdrukkelijk wenst te stellen, dat het ‘s Lands Hospitaal met de verzoeker een speciale regeling d.d 17-7-87 heeft gemaakt, welke hierbij wordt overgelegd en waarvan gevraagd wordt zulks als hierin herhaald en geinsereerd te willen beschouwen;
Deze speciale regeling houdt in dat verzoeker te rekenen van 1 november 1986 werd aangewezen als coördinator van het laboratorium van ‘s Lands Hospitaal en daarvoor een vaste vergoeding omvangt van f. 750,– per maand;

8. dat verzoeker andere specialistische werkzaamheden poliklinisch voor S.Z.F. verricht is verweerder niet bekend en indien wel dan zal verzoeker zich daarvoor tot S.Z F. moeten wenden;

9. dat verweerder geheel buiten eventuele verbintenissen van verzoeker met derden staat en daarvan geen weet heeft;

10. dat vanwege de dienstverhouding met verzoeker de verweerder geenszins verschuldigd is hetgeen sub a en b van het petitum door verzoeker wordt gevorderd en zal zulks als zijnde ongegrond en onbewezen, aan verzoeker moeten worden ontzegd;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd tot ontzegging van het door verzoeker gevorderde als zijnde ongegrond en onbewezen, althans tot niet-ontvankelijk verklaring der eis. Met verzoek tot toelating van het aangeboden bewijs, kosten rechtens;

Overwegende, dat ten dage voor verhoor in raadkamer bepaald, verzoeker ingevolge ‘s Hofs beschikking d.d. 4 juli 1988 in persoon ter terechtzitting is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr. H.R. Komproe namens diens gemachtigde Mr. Alec John, Mr. E.A. Glunder krachtens volmacht en advokaat Mr. H. Mungra namens de Staat, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte, hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen bepaald Mr. H.R. Komproe namens Mr. Alec John het Hof heeft medegedeeld dat partijen bezig zijn de heer [verzoeker] genoegdoening te verschaffen;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 24 februari 1989 Dr. H.M. Tjon Jaw Chong, Direkteur van Volksgezondheid, het Hof heeft medegedeeld dat in deze zaak geen schikking is bereikt, aangezien hij na bestudering van de stukken tot de conclusie is gekomen, dat Volksgezondheid niets aan de heer [verzoeker] te betalen heeft;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld, waarna aanvankelijk vonnis in de zaak werd bepaald op 8 december 1989, doch bij vervroeging op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van het Personeelswet (P.W.);

Overwegende, dat verzoeker vordert dat verweerder zal worden gelast;

a. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan verzoeker te betalen de som van f. 58.500,– (ACHTENVIJFTIGDUIZEND VIJFHONDERD GULDEN) dit is 15 x f. 3.900,– per maand over de periode februari 1987 tot en met april 1988, zijnde voorschot honorarium voor specialistische werkzaamheden ten behoeve van poliklinische patiënten, met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf de dag van indiening tot aan de algehele voldoening;

b. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting maandelijks aan verzoeker te voldoen het bedrag ad f 3.900,– (DRIEDUIZEND NEGENHONDERD GULDEN) vanaf de maand mei 1988 en daarmede voort te gaan totdat de definitieve tarievenlijsten zullen zijn opgemaakt en

goedgekeurd en verzoekers honorarium alsdan zal zijn vastgesteld;

Overwegende, te dien aanzien:

– dat hetgeen van het Hof van Justitie als Gerecht in ambtenarenzaken kan worden gevorderd, limitatief omschreven is in artikel 79 van de Personeelswet;

– dat hetgeen verzoeker onder a en b van het petitum vordert niet kan worden toegewezen, omdat het Hof als Gerecht in Ambtenarenzaken ingevolge het bepaalde in artikel 79, lid 1, sub b van meergenoemde wet, slechts bevoegd is tot kennisneming van vorderingen tot vergoeding van schade, welke voor een ambtenaar is voortgevloeid uit een besluit of handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, hebbende verzoeker geen zodanig besluit of dergelijke handeling gesteld en zijnde daarvan ook niet gebleken;

Overwegende, dat verzoeker in zijn vordering dan ook niet-ontvankelijk is;

Overwegende, ten overvloede: dat, ook al zou verzoekers petitum wel met de wet in overeenstemming zijn geweest, zijn vorderingen toch niet hadden kunnen worden toegewezen, aangezien aan het Hof is gebleken dat, naar verzoeker tijdens het verhoor d.d. 22 juli 1988 heeft verklaard, er geen afspraak bestaat tussen verzoeker en verweerder ten aanzien van specialistische werkzaamheden ten behoeve van poliklinische patiënten waarvoor verzoeker in casu betaling vordert, doch tussen verzoeker en het Staatsziekenfonds, welk fonds door verzoeker in rechte had moeten worden betrokken;

Overwegende, dat verzoeker ook op deze grond niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.

SRU-HvJ-2000-10

M.R.S.
GENERALE ROL NO. 13827.

DE STICHTING ”STICHTING ELISE”, (rechtspersoon), gevestigd te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.U.F.TRUIDEMAN, advokaat,
appellante in Kort Ge­ding,

tegen

A. [geïntimeerde 1], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,
B. [geïntimeerde 2], wonende in [district 2] aan [adres 2], zijstraat van de [weg], voor wie als gemachtigde op­treedt, Mr.F.M.S.ISHAAK,
geintimeerden in Kort Ge­ding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 6 maart 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts:
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden compari­tie van partijen zijn verschenen, de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] namens de Stichting, de ge­machtigde van appellante en de geintimeerden bijge­staan door hun respectieve gemachtigden, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te be­schouwen – proces-verbaal staat gerela­teerd;
Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerde sub A een hier als geinsereerd aan te merken schrifte­lijke conclusie na gehouden comparitie van partijen heeft genomen;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens geintimeerde sub B bepaald, advokaat Mr.F.M.S.Ishaak het Hof heeft medegedeeld dat geintimeerde sub B de zaak ge­schikt heeft met appellante;
Overwegende, dat advokaat Mr.H.Boldewijn hierna namens Mr.E.C.M.Hooplot heeft gepersisteerd bij alhet­geen door Mr.E.C.M.Hooplot bereids is gesteld;
Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was be­paald op 8 januari 1999, doch na enige malen te zijn aangehouden nader is bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof hier overneemt hetgeen in meergemeld interlocutoir vonnis d.d. 6 maart 1998 is overwogen en beslist, staande het Hof geheel achter de inhoud van zijn vonnis c.q. beslissing;
Overwegende, dat de naar aanleiding van dit von­nis gehouden comparitie van partijen d.d. 15 mei 1998, bij procesverbaal is vastgesteld, welker inhoud als hier ingelast en overgenomen beschouwd dient te wor­den;
Overwegende, dat partijen elkaar daarbij niet minnelijk hebben kunnen vinden, zullende het Hof thans overgaan tot de beoordeling van de geschilpunten gere­zen tussen partijen en zoals o.a. verwoord in hun memorien van grieven respectievelijk antwoord en o.a. gericht tegen het beroepen vonnis, gewezen in Kort Geding tussen partijen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Overwegende, dat appellante tegen het beroepen vonnis de navolgende grieven heeft ontwikkeld en voor­gesteld, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:
1. dat de Kantonrechter in het Eerste Kanton, recht­sprekende in Kort Geding, de opheffing van het gelegde conservatoir beslag ten onrechte heeft geweigerd, hebbende de Kantonrechter de vanwaardeverklaring van dit beslag in de zaak bekend onder AR 923497, gewei­gerd terwijl geintimeerden de deugdelijkheid van hun vordering niet hebben kunnen aantonen, waardoor er van een deugdelijke grondslag waarop dit beslag nog kon steunen, niet langer sprake was en is, weshalve de Kort Gedingrechter ingevolge artikel 596 2o van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RV) de vorde­ring van appellante had dienen toe te wijzen; dat anders dan de Kort Gedingrechter motiveert, aan de opheffing niet in de weg staat de omstandigheid dat tegen dat vonnis door geintimeerden hoger beroep is aangetekend;

2. dat de Kantonrechter, rechtsprekende in Kort Geding, in het beroepen vonnis te ver gaat door te stellen: ”naar het Ons voorkomt, de uitspraak van het Hof een kennelijk voor gedaagden gunstige zal zijn”, riekende zulks volgens appellante, naar beïnvloeding van het Hof en zijnde dit absoluut niet een deugdelij­ke grond om de gevraagde voorziening te weigeren.

3. dat de kortgeding rechter voorts onvoldoende rekening heeft gehouden met overwegingen 5 en 6 van het vonnis van 21 februari 1995, gewezen in de zaak met AR no.907074;
Overwegende, dat geintimeerde, tegen deze grieven heeft aangevoerd, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, dat het de bevoegdheid van de kortgeding­rechter is om een voorlopig oordeel uit te spreken, zoals in het beroepen vonnis is gedaan, omdat een dergelijk voorlopig oordeel de grondslag vormt van de beslissing in kort geding; dat appellante in prima niet heeft kunnen aantonen dat het beslag op ondeugde­lijke gronden rust, weshalve de rechter de opheffing heeft geweigerd;

Overwegende dat, overgaande tot bespreking van de eerste grief, het Hof van oordeel is – anders dan appellante meent – dat de weigering van de vanwaarde­verklaring danwel de niet-ontvankelijkheid van de hoofdvordering niet ipso jure met zich meebrengt dat het gelegde beslag ondeugelijk is c.q. zonder deugde­lijke grond komt te verkeren; doch zal de rechter steeds, afhankelijk van de omstandigheden van het geval en in het kader van een redelijke belangenafwe­ging ingevolge artikel 596 RV, moeten nagaan inhoever­re het beslag dient te worden gehandhaafd (vide Recht­bank Den Haag, 3 oktober 1990 KG 1990, 339 en Recht­bank Assen, 20 juni 1989 KG 1989 281);

Overwegende, dat de Kort gedingrechter daarbij – zoals in de beroepen zaak terecht is gedaan – als omstandigheid kan betrekken dat in de bodemzaak door geintimeerden hoger beroep is aangetekend tegen het vonnis van de Kantonrechter (met als gevolg dat het gelegde beslag van kracht blijft; vide HR. 18 juni 1915 NJ 1915 891, W 9861 en HR 22 juni 1951, NJ 1951 524); dat voorts de Kort gedingrechter (zowel in prima als in appel) bij het geven van een voorlopig oordeel vrij is – anders dan appellante meent en zoals in het beroepen vonnis niet ten onrechte is gedaan – om bin­nen het kader van de belangenafweging een taxatie te plegen terzake het oordeel van de bodemrechter (voor­zover er appel is aangetekend, zoals in de bodemzaken tussen partijen; dan zal deze taxatie ook het appel kunnen bestrijken: vide HR 15 maart 1968 NJ 1968 228 en Hof Leeuwaarden 13 juni 1962 NJ 1964 275);

Overwegende, dat de grieven onder 1 en 2 derhalve geen doel treffen;
Overwegende, dat de derde ontwikkelde grief de kortgeding zaak volledig afwentelt op de appelrech­ter in Kort geding en deze het Hof noodzaakt inhoudelijk na te gaan inhoeverre het oordeel van de kortgeding­rechter in prima terzake de door deze geschatte kansen voor partijen, op juiste gronden berust;
Overwegende dat, dienaangande als enerzijds ge­steld en anderzijds erkend, danwel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en mede op grond van de ten processe overgelegde bescheiden, voorzover niet be­streden, als vaststaand dient te worden aangemerkt, voorzover van belang:
– dat [naam 3] en [naam 4], [naam 5],[naam 6], [naam 7], [naam 8], [naam 9], [naam 10], de gezamenlijke eigena­ren waren van het perceelland, in zijn geheel groot 10 ha, gelegen aan de linkeroever van de [plaats], op de overzichts­kaart van de Gouvernementslandmeter in de kolonie Suriname d.d. 14 februari 1930 en bekend als [nummer]

– dat [naam 3], bij akte verleden ten overstaan van de in Suriname residerende notaris Mr.L­.D.Hira Sing d.d. 10 november 1987, aan geinti­meerden heeft gelegateerd, zijn onverdeeld aandeel in het litigieuze perceelland zoals in die akte nader is omschreven;

– dat [naam 3], alstoen op vrij hoge leef­tijd (geboren op 2 oktober 1917), volmacht heeft ver­leend aan [naam 9], terzake zijn aan­deel in dit perceelland en wel om het beheer te voeren en om het perceellland te verkavelen, ten behoeve van de nazaten van Hovel, voornoemd; dat voormeld legaat daar­bij onverlet is gelaten;

– dat [naam 9] voornoemd, nadat bij akte van schei­ding en deling het litigieuze perceelland aan haar was toegescheiden, voormeld perceelland op 25 september 1990 heeft verkocht aan appellante, waarvan de over­dracht heeft plaatsgevonden op 27 september 1990 mid­dels overschrijving van de transportakte in register C deel 1129 [nummer] ten Hypotheekkantore; dat [naam 9] voornoemd, de voorzitter is, terwijl haar echtgenoot, secretaris/penningmeester is van het Bestuur van Ap­pellante; dat [naam 9] voornoemd, nimmer op enige wijze rekening en verantwoording heeft afgelegd aan Hovel voornoemd, terzake de implementatie van voormel­de volmacht;

– dat [naam 3] op 20 juni 1992, op 74-jarige leeftijd is overleden;

– dat [naam 3] onder AR no.907074 voor­melde overdracht heeft aangevochten, in welke zaak na zijn overlijden is voortgeprocedeerd door geintimeer­den als legatarissen; dat geintimeerden, alstoen ei­sers, door de rechter in prima bij vonnis d.d. 21 fe­bruari 1995 niet ontvankelijk zijn verklaard in hun vordering, waarbij de Kantonrechter als volgt over­woog:

”Overwegende, dat niet is gesteld dat het gelega­teerde aan de eisers is geleverd, zodat zij daarvan (nog) geen eigenaren zijn;
Overwegende dat, ook al zou dit anders zijn, eisers (geintimeerden) als legatarissen niet zijn getreden in de rechten die eerdergenoemde Hovel in dit geding geldend wil maken en zij derhalve niet ontvan­kelijk zijn in hun vorderingen;”

– dat geintimeerde sub A tegen voormelde beslissing van de Kantonrechter hoger beroep heeft aangetekend;

– dat geintimeerden op 13 november 1992, bij ex­ploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie Sh.Kandhai, conservatoir beslag heeft gelegd op het litigieuze perceelland, alstoen ter verzekering van betaling van een vordering groot Sf.650.000,–, waarna de vanwaardeverklaring van dit beslag en voeging daar­van (AR no. 923497) met de zaak onder AR no. 907074 is gevorderd;

– dat geintimeerdes vordering in de zaak onder AR no.923497 door de Kantonrechter niet ontvankelijk is verklaard en is de vanwaardeverklaring evenals de voeging geweigerd, tegen welke beslissing geintimeer­den eveneens beroep hebben aangetekend;

– dat geintimeerde sub A bij akte, verleden ten overstaan van de alhier residerende notaris Mr.C.A.Ca­lor d.d. 27 juni 1997, het legaat heeft geaccepteerd;

Overwegende, dat vorenvastgestelde feiten, naar ’s Hovens voorlopig oordeel de aannemelijkheidsgraad verhogen van een paulianeuze c.q. onrechtmatige hande­ling zijdens appellante en [naam 9] e.a., weshalve de Kantonrechter in Kort Geding niet ten onrechte en niet op rechtens onjuiste gronden voormel­de taxatie heeft gepleegd; dat deze taxatie in samenhang met de schorsende werking en het doel van het appel en de niet aannemelijk gemaakte ondeugde­lijkheid van het beslag, terecht tot het oordeel heeft geleid zoals de Kortgedingrechter heeft overwogen;

Overwegende, dat in appel bovendien is komen vast te staan dat geintimeerde sub A intussen bij akte verleden ten overstaan van notaris Mr.C.A.Calor d.d. 27 juni 1997, het legaat heeft aanvaard en dat het een kwestie van formaliteit is dat hij eigenaar wordt van het hem gelegateerde onroerend goed, weshalve niet langer volgehouden kan worden dat geintimeerde sub A geen belang zou kunnen hebben aan het in stand blijven van het beslag.

Overwegende, dat in appel de gevraagde voorzie­ning evenmin kan worden verleend op grond – zoals appellante dat heeft aangevoerd – dat zij intussen ter verzekering van het verhaal van geintimeerdes pretense vordering groot Sf.650.000,– zekerheid heeft gesteld, vermits voormelde zekerheidsstelling ter comparitie van partijen niet geaccepteerd is door geintimeerden, waarbij zij – overigens niet ten onrechte – aanvoeren dat deze thans vanwege inflatoire omstandigheden se­dert de bodemzaak, niet genoegzaam zou zijn.

Overwegende, dat gelet op het vorenoverwogene, het beroepen vonnis in Kort Geding d.d. 1 februari 1996, onder aanvulling van gronden, bevestigd dient te worden;

Overwegende, dat appellante als de in het onge­lijk gestelde partij verwezen zal dienen te worden in de kosten van het geding aan de zijde van geintimeer­den gevallen en zoals hierna in het dictum te begro­ten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:
Bevestigt onder aanvulling van gronden het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, rechtspre­kende in Kort Geding, d.d. 1 februari 1996, waarvan beroep;

Verwijst appellante in de kosten van het geding aan de zijde van geintimeerden in appel gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf……..

Begroot het salaris van de raadsman van geinti­meerden op Sf……

Aldus gewezen door de heren: Mr.P.G.WOLFF, funge­rend-President, Mr.K.PULTOO, Lid en Mr.Dr.C.C.L.A. VALSTEIN-MONTNOR, Lid-plaatsvervanger en door funge­rend-President uitgesproken ter openbare terechtzit­ting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 3 NOVEMBER 2000, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is versche­nen, advokaat Mr.R.BALDEW namens de respectieve ge­machtigden van partijen Mr.R.U.F.TRUIDEMAN, M­r.E.C.M.HOOPLOT en Mr.F.M.S.ISHAAK.