SRU-K1-2002-1

RB 2011, 51
Kantonrechter Eerste Kanton

19 november 2002, A.R. 024681 (beschikking)
(Mr. J.R. von Niesewand)

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het zijdens verzoekster gedaan verzoek hiertoe strekt, dat haar toestemming wordt verleend om, ter verzekering van haar recht op levering van het in het 2e “dat” van het verzoekschrift omschreven onroerend goed, ten laste van verweerder conservatoir beslag te doen leggen, met uitvoerbaarverklaring van de door Ons te geven beschikking op de minuut en op alle dagen en uren;

Overwegende, dat thans de vraag rijst of verzoekster conservatoir beslag mag leggen op het in het 2e “dat” van het verzoekschrift omschreven onroerend goed om aldus te verzekeren dat het niet aan een ander geleverd wordt;

Overwegende, dat dit naar Ons oordeel inderdaad kan;

Overwegende immers, dat verzoekster in casu er groot belang bij kan hebben dat het litigieuze onroerend goed haar geleverd wordt. Schadevergoeding is veelal slechts tweede keus. Indien in dergelijke gevallen conservatoire beslaglegging niet mogelijke zou zijn zou dit als een leemte in de wet beschouwd moeten worden;

Overwegende, dat het verlof tot beslaglegging verleend wordt nadat de schuldeiser de deugdelijkheid van bij het verlof ook het bedrag van de vordering, waartoe het beslag dient, wordt uitgedrukt, maar er bestaat geen noodzakelijkheid om het woord vordering aldus te interpreteren, dat het om een in geld luidende vordering moet gaan, terwijl naar Ons oordeel de bepaling, dat het bedrag van de vordering moet worden uitgedrukt alleen van toepassing is indien het wel om een dergelijke in geld uit te drukken vordering gaat en niet indien het een vordering tot levering van een bepaald goed betreft. In het laatste geval moet het de debiteur ook niet mogelijk zijn door zekerheidsstelling tot opheffing van het beslag te geraken, immers dan zou de beschermende functie van het beslag slechts zeer betrekkelijk zijn, en juist om de debiteur de gelegenheid te geven door zekerheidstelling het beslag te beëindigen dient het bedrag van de vordering bij het verlof bepaald te worden. Indien door zekerheidstelling het beslag niet opgeheven kan worden heeft vermelding van het bedrag van de vordering geen zin;

Overwegende, dat nu verzoekster haar recht op levering van het in het 2e “dat” van het verzoekschrift omschreven onroerend goed, genoegzaam blijkt uit de akte de dato 29 november 2001, betekend aan [naam], de debitor cessus, bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, G.O. Niekoop, de dato[datum], no.[nummer], dient het zijdens haar gedaan verzoek te worden ingewilligd;

Beschikkende

Verlenen verzoekster verlof, zulks ter verzekering van haar recht op levering daarvan, tot het doen leggen van conservatoir beslag op: een stuk grond groot 518,31 m2, op de kaart van de landmeter J.O.A. Mans, de dato [datum], aangeduid met de letters TUVW en met het nummer [nummer], deel uitmakende van het perceelland, groot 0,9213 ha., aangeduid met de letters BCEF, gelegen in het [distrikt] aan de [straat] en bekend als no. [nummer];

Verklaren deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren.

SRU-K1-1985-1

Kantonrechter Eerste Kanton
16 december 1985, A.R. 858554
(Mr. S. Gangaram Panday)

[eiser], wonende te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. E.C.M. Hooplot, advokaat, eiser in Kort Geding,

tegen

Kersten & Co N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Steenbakkerijstraat no. 27, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. F. Kruisland, advokaat, gedaagde in Kort Geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat eiser bij het inleidend op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minute gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser terzake als ten rekeste omschreven bij wege van voorschot te betalen de som van f.2000,- vermeerderd met de rente ad 6% ’s jaars vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening. Kosten rechtens;

Overwegende, dat te dienende dage, partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr. E.C.M .Hooplot en Mr. F. Kruisland, ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie van antwoord heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld, hebbende de gemachtigde van eiser tevens producties overgelegd, waarvan de inhoud, alsmede van de overgelegde producties, eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij vervolgens vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het spoedeisend karakter der vordering uit de aard der stellingen van de eiser voortvloeit;

Overwegende, dat uit de stellingen van partijen, in zoverre hier van belang, blijkt:

  1. dat eiser in dienst van gedaagde is (was) en is (was) tewerkgesteld bij de dochteronderneming N.V. Bedrijven Exploitatie Maatschappij tegen een laatstelijk genoten inkomen van f.297,50 per twee weken en f.12,50 kinderbijslag;
  2. dat gedaagde eiser bij schrijven van 17 mei 1985 met onmiddellijke ingang wegens dringende redenen heeft ontslagen, te weten wanprestatie (dienstweigering);
  3. dat er bij voormelde dochteronderneming een actie door (een deel) van de werknemers, waaronder eiser, werd gevoerd dat betrekking had op hun verhouding tot de C.K.C. werknemersbond;

Overwegende, dat tussen partijen verschil van opvatting bestaat over de betekenis van artikel 3 leden 2 en 3 van Decreet E-39 A (S.R.S. 1984 No. 102) als aanvulling van Decreet E-39 (S.R.S. 1983 No. l0), dat betrekking heeft op ontslag door een werkgever aan een werknemer op grond van dringende reden als bedoeld in artikel 1615p van het Burgerlijk Wetboek;

Overwegende, dat de gedaagde het ontslag aan de eiser bij schrijven van 20 mei 1985 heeft gemeld ingevolge artikel 3 lid 2 decreet E-39 A, waarop de Minister bij schrijven van 29 mei 1985 heeft gereageerd, waarbij in ieder geval aan gedaagde niet is kenbaar gemaakt dat er geen bezwaren bestaan tegen de opgegeven ontslagreden, doch waarbij de Minister de gedaagde heeft bericht het resultaat van de bemiddeling door de Bemiddelingsraad in deze te willen afwachten alvorens een besluit ingevolge artikel 3 lid 3 van bovengemeld decreet te nemen;

Overwegende, dat hoewel de Minister van Arbeid niet binnen 14 dagen als bedoeld in artikel 3 lid 3 van decreet E-39 A een besluit heeft genomen naar aanleiding van de ontslagmelding op 20 mei 1985 door gedaagde betreffende het ontslag aan eiser – welke termijn naar Ons voorlopig oordeel niet door de Minister kan en mag worden verlengd omdat dat decreet hem die ruimte niet laat – uit de regeling van decreet E-39 A en de strekking daarvan blijkt – naar Ons voorlopig oordeel – dat dat ontslag opgeschort blijft tot na het besluit van de Minister dat geen bezwaren bestaan tegen de opgegeven ontslagreden, daar de Wet in casu geen voorziening heeft gegeven voor het geval de Minister binnen 14 dagen na ontvangst van de ontslagmelding geen besluit heeft genomen, zoals dat wel bepaald is in artikel 5 lid 3 van decreet E-39 met betrekking tot de ontslagvergunning;

Overwegende, dat uit de nota van toelichting bij decreet E-39 A blijkt dat, indien de Minister niet kan toestemmen met de opgegeven reden, het ontslag ingevolge artikel 3 lid 3 geen rechtskracht heeft en blijft de dienstbetrekking van rechtswege voortduren, waarbij voor de werkgever, die zich met het besluit van de Minister niet kan verenigen, beroep op de onafhankelijke rechter openstaat;

Overwegende, dat uit het bovenoverwogene – naar Ons voorlopig oordeel – volgt dat totdat de Minister van Arbeid de ontslagreden niet heeft goedgekeurd of totdat de rechter als bovenaangehaald de ontslagreden, die de goedkeuring van die Minister niet kon wegdragen, toch als een dringende reden voor ontslag heeft aangemerkt, de dienstbetrekking tussen de werknemer en de werkgever voortduurt, en in casu dus tussen partijen, en heeft eiser recht op doorbetaling van salaris en andere vergoedingen;

Overwegende, dat Wij dus de door eiser gevraagde voorziening zullen toewijzen, – met uitzondering van de voldoening van de rente omdat daarvoor in de kortgeding procedure als de onderhavige geen ruimte is – daarbij voorbijgaand, aan zijn stellingen met betrekking tot de inhouding door gedaagde op het salaris van eiser ten behoeve van de bovengenoemde bond, omdat eiser daarop geen vordering heeft gegrond, met veroordeling van gedaagde, als de in het ongelijk gestelde partij, in de geding kosten,

Rechtdoende in Kort Geding

Veroordelen gedaagde om aan eiser bij wege van voorschot te betalen de som van f.2000,– (twee duizend gulden);

Verklaren dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Veroordelen gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.87,– (zeven en tachtig gulden).

SRU-K1-1990-1

Kantonrechter Eerste Kanton
5 juni 1990, A.R. 900842
(Mr. E.S. Ombre)

De Surinaamse Stichting Diakonessenarbeid rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. B.A. Halfhide, advokaat, eiseres,

tegen

De Bond van Personeel bij het Diakonessenhuis, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Zinniastraat no. 64 voor wie als gemachtigde optreedt Mr. A.R. Baarh, advokaat, gedaagde,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken, waaronder meer bepaald een afschrift van het op 22 mei 1990 tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis, alsmede het proces-verbaal van de door Ons bevolen en gehouden comparitie van partijen d.d. 25 mei 199O;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat Wij hier overnemen hetgeen daaromtrent in voormeld vonnis is overwogen;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, de gemachtigden van partijen in persoon, die hebben verklaard, gelijk in het vorenaangehaald – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat Wij ook hier overnemen hetgeen daaromtrent in voormeld vonnis is overwogen;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiseres bij gelegenheid van de eerste behandeling van deze zaak heeft verzocht in het petitum het woord ”of” op de door hem aangewezen plaatsen te wijzigen in ”dan wel”, voorts het getal 26 te wijzigen in 27 en, op een enkele plaats, het woord ”en” in te voegen;

Overwegende, dat het om onbeduidende wijzigingen gaat en gedaagde zich daartegen niet heeft verzet, zodat het verzoek zal worden ingewilligd;

Overwegende, dat volgens de bewoordingen van onderdeel I.a. van het petitum het verlangde declaratoir betrekking heeft op alle werknemers van eiseres, doch uit de stellingen van het inleidend rekest (onder andere het 9e, 10e en 12e sustenu) duidelijk blijkt dat dit onderdeel moet worden opgevat als slechts betrekking hebbend op die werknemers, die in het kader van de ten rekeste bedoelde vakbondsaktie niet dan wel slechts gedeeltelijk hebben gewerkt;

Overwegende, dat, wat de zaak zelve betreft, op grond van hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds is erkend, danwel niet of onvoldoende is weersproken, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, rechtens vaststaat;
dat gedaagde een vakorganisatie is, die opereert binnen de onderneming van eiseres, en waarmee eiseres op de voet van de artikelen 1 en 3 van de Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst overeenkomsten van de zojuist genoemde soort is aangegaan, laatstelijk op 11 juli 1988;

dat vorenbedoelde collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) door gedaagde bij brief van 25 oktober 1988 is opgezegd en per 31 december 1988 is geëxpireerd;

dat partijen zijn aangevangen met onderhandelingen teneinde tot sluiting van een nieuwe CAO te geraken, zonder evenwel (volledige) overeenstemming te bereiken;

dat gedaagde bij brief van 7 december 1989 aan de direktie van het Diakonessenhuis (kennelijk eiseresses onderneming), voor zover hier van belang, heeft medegedeeld dat het personeel ”per heden, 7 december 1989” in aktie is;

dat nadat gedaagde hem daartoe instruktie had gegeven, meerdere werknemers van eiseres gedurende de periode 7 december tot en met 27 december daaraanvolgend in collectief verband de van hen bedongen arbeid niet op de gebruikelijke wijze en overeenkomstig het werkschema hebben verricht;
dat ongeveer 70 van de circa 700 personeelsleden in staking zijn gegaan;

dat het aktievoerend personeel van de apotheek en het laboratorium geen diensten ten behoeve van poliklinische patiënten heeft verricht;

dat op enkele andere afdelingen dan de apotheek en het laboratorium tijdens de aktiedagen in het geheel niet is gewerkt;

dat eiseres bij de loonuitbetaling ultimo december 1989 en ultimo januari 1990 op grond van het opzettelijk geheel niet dan wel gedeeltelijk verrichten van werkzaamheden door de aktievoerende werknemers de volgende loonkortingen heeft toegepast;
a. bij de aktievoerende personeelsleden van apotheek en laboratorium 100% van het loon voor niet gewerkte dagen en 30% voor gedeeltelijk gewerkte dagen;
b. bij de overige aktievoerende personeelsleden 100% van de niet gewerkte dagen;

Overwegende, dat, rekening houdend met hetgeen hierboven omtrent onderdeel I.a. van het petitum is overwogen, eiseresses vorderingen, zakelijk weergegeven, hierop neerkomen;
a. dat voor recht zal worden verklaard dat zij over de periode 7 december 1989 tot en met 27 december 1989 – geheel of gedeeltelijk – geen loon verschuldigd was aan de aktievoerende werknemers en voorts dat zij gerechtigd was de door haar gepleegde loonkortingen te verrichten;
b. dat voor recht zal worden verklaard dat zij, geheel of gedeeltelijk, geen loon over een bepaalde periode aan haar werknemers verschuldigd is indien deze werknemers in collectief verband de van hen bedongen arbeid in het geheel niet of slechts gedeeltelijk verrichten;
c. dat gedaagde zal worden veroordeeld de hierboven bedoelde beslissingen te gehengen en te gedogen;

Overwegende, dat gedaagde als verweer allereerst heeft aangevoerd (zie o.m. proces-verbaal van comparitie van partijen) dat eiseres haar vorderingen tegen de werknemers individueel had moeten instellen en niet tegen gedaagde, omdat de litigieuze inhoudingen zijn gepleegd op het loon van de werknemers en zij de meest-belanghebbende zijn;

Overwegende, met betrekking hiertoe, dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende, betwist rechtens vaststaat dat gedaagde aan eiseres heeft bericht dat zij de gepleegde loonkortingen onrechtmatig acht; voorts, dat gedaagde in verband met het voorgaande akties, die naar hun aard werkneerlegging, werkonderbreking of werkverstoring zijdens haar leden inhouden, tegen eiseres ondernam, althans daartoe aanzette;

Overwegende, dat eiseres, gelet op het voorgaande, wel degelijk belang erbij heeft dat tegen gedaagde wordt vastgesteld of zij tot het verrichten van vorenbedoelde loonkortingen gerechtigd is;

Overwegende, dat het hierboven bedoeld verweer dan ook niet opgaat;

Overwegende, dat in dit geding allereerst aan de orde is de vraag of eiseres aan haar werknemers, die in het kader van de hierboven bedoelde vakbondsaktie de van hen bedongen arbeid in het geheel niet of slechts gedeeltelijk hebben verricht loon verschuldigd is;

Overwegende, dat voor de beantwoording van deze vraag van belang zijn artikel 1614b van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat geen loon verschuldigd is voor de tijd, gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht en artikel 1614d van het Burgerlijk Wetboek, volgens hetwelk de werknemer zijn aanspraak op het naar tijdsruimte vastgesteld loon in de in dat artikel nader omschreven gevallen niet verliest indien hij bereid was de bedongen arbeid te verrichten;

Overwegende, dat artikel 1614d niet van toepassing is, omdat de aktievoerende werknemers uiteraard, niet bereid waren de bedongen arbeid te verrichten;

Overwegende, dat derhalve op het onderhavig geval van toepassing is het in artikel 1614b neergelegde beginsel ”geen arbeid, geen loon”;

Overwegende, dat het voor de toepassing van laatstvermeld artikel niet toe doet of het niet verrichten van arbeid te wijten is aan de schuld van een der partijen en Wij, anders dan gedaagde betoogt, dan ook niet behoeven na te gaan of de akties aan eiseresses beweerde trainerende opstelling bij de onderhandelingen zijn te wijten;

Overwegende, dat eiseres derhalve geen loon verschuldigd is aan haar werknemers, die gedurende de periode 7 december 1989 tot en met 27 december daaraanvolgend de van hen bedongen arbeid in het geheel niet hebben verricht;

Overwegende, dat bovenvermeld beginsel meebrengt, dat eiseres aan haar werknemers, die gedurende voormelde periode slechts gedeeltelijk hebben gewerkt, geen loon verschuldigd is voor de tijd gedurende welke zij de bedongen arbeid niet hebben verricht;

Overwegende, dat de vraag zich stelt op welke wijze het bedrag, dat mag worden gekort op het loon van de werknemers die slechts gedeeltelijk hebben gewerkt, moet worden berekend;

Overwegende, dat het in casu gaat om een deel van de werknemers, werkzaam in de apotheek en het laboratorium, welke werknemers – zoals rechtens vaststaat geen diensten ten behoeve van de poliklinische patiënten hebben verricht – en die bovendien volgens eiseres hun werk vroegtijdig hebben verlaten, hetgeen door gedaagde wordt betwist;

Overwegende, dat volgens eiseres de opbrengst van de diensten die door haar apotheek en laboratorium aan klinische en poliklinische patiënten worden verleend, naar de soort patiënt, verdeeld is in de verhouding 60% staat tot 40%;

Overwegende, dat eiseres het percentage van het loon, dat zij heeft gekort op het loon van de aktievoerende personeelsleden van apotheek en laboratorium die gedeeltelijk hebben gewerkt, heeft gerelateerd aan het produktieverlies dat zij beweerdelijk heeft geleden door het niet verrichten van diensten en ten behoeve van poliklinische patiënten, zij het om haar moverende redenen niet boven bedoelde 40% proces heeft ingehouden maar 30%;

Overwegende, dat op grond van overgelegde produkties rechtens vaststaat dat het loon van de werknemers, op wier loon laatstvermeld percentage is ingehouden, naar tijdsruimte is vastgesteld;

Overwegende, dat het naar tijdsruimte vastgesteld loon van dag tot dag wordt verdiend en eiseres gehouden is aan haar werknemers loon te betalen voor elke dag en elk uur waarop zij hebben gewerkt;

Overwegende, dat Wij dan ook van oordeel zijn dat eiseres in beginsel slechts gerechtigd was wegens het niet verrichten van de bedongen arbeid gedurende een bepaalde tijd op het loon van de bedoelde werknemers slechts dat bedrag in te houden, dat die werknemers gedurende die tijd normaliter zou hebben verdiend;

Overwegende, dat een andere wijze van berekening wellicht zou zijn te rechtvaardigen, indien deze tot hetzelfde resultaat voert als hiervoor bedoeld of indien bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien de tijd gedurende welke niet is gewerkt niet of slechts met redelijkerwijs niet te vergen inspanning zou kunnen worden vastgesteld, daartoe zouden nopen;

Overwegende, dat omtrent het voorgaande evenwel niets is gesteld of gebleken;

Overwegende, dat Wij op grond van al het voorgaande van oordeel zijn dat onderdeel I.a. van het petitum slechts in voege als na te melden toewijsbaar is;

Overwegende, dat het onder I.b. van het petitum bedoelde declaratoir kennelijk wordt gevorderd, omdat, zoals eiseres onbetwist en zakelijk weergegeven aanvoert, gedaagde heeft gesteld ook in de toekomst terzake van eventuele loonkortingen akties te zullen ondernemen of daartoe te zullen aanzetten;

Overwegende, dat eiseres kennelijk meent in de toekomst bescherming tegen akties van gedaagde nodig te zullen hebben, maar geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan het wenselijk zou zijn om zich reeds thans door het verkrijgen van bovenbedoeld declaratoir van die bescherming te verzekeren;

Overwegende, dat eiseres derhalve geen belang heeft bij onderdeel I.b. van het petitum en dit onderdeel niet toewijsbaar is;

Overwegende, dat waar de vorderingen, omschreven in de onderdelen I.a. en I.b. van het petitum tegen de gedaagde zijn gericht en de op die vorderingen te geven beslissingen haar dus binden, niet is in te zien welk profijt eiseres zal hebben van een veroordeling van gedaagde om die beslissingen te gehengen en te gedogen;

Overwegende, dat eiseres mitsdien geen belang heeft bij onderdeel I.c. van het petitum en het aldaar gevorderde zal worden afgewezen, evenals de gevraagde uitvoerbaarverklaring bij voorraad, welke niet op de wet steunt;

Overwegende, dat op grond van al het voorgaande als volgt zal worden beslist, waarbij gedaagde als de in het ongelijke gestelde partij in de proceskosten zal worden verwezen;

Rechtdoende
A. Staan het verzoek van eiseres om het petitum te mogen wijzigen, een en ander als Ons vonnis van 22 mei 1990 onder de feiten is weergegeven, toe;
B. Verklaren voor recht dat eiseres aan haar werknemers, die gedurende de periode 7 december 1989 tot en met 27 december 1989 in collectief verband de werkzaamheden, waartoe zij zich jegens eiseres hebben verbonden, niet hebben verricht geen loon verschuldigd is en aan die werknemers, die gedurende voormelde periode slechts gedeeltelijk de van hen bedongen arbeid hebben verricht slechts een deel van het loon verschuldigd is;

Veroordelen gedaagde in de proceskosten aan zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.75,– (vijf en zeventig gulden)

Wijzen af hetgeen meer of anders is gevorderd; enz.

SRU-K1-1971-1

Kantongerecht Eerste Kanton
7 september 1971, SJ 1971, 4

Bruynzeel Suriname Houtmaatschappij N.V., gevestigd te Zaandam (Ned.) en mede-kantoorhoudende te Paramaribo, eiseres in kort geding, adv. G.J.C. van der Schroeff,

tegen

A. Bruynzeel Werknemers Organisatie, zetelende te Paramaribo, e.a., gedaagden in kort geding, adv. Mr. E.J. Bruma en E.A. Hoost.

Ten aanzien van de feiten
Eiseres heeft een inleidend rekest ingediend waarin op als hier ingelast aan te merken gronden wordt gevorderd:
dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut gedaagde sub A zal worden bevolen binnen een uur na de uitspraak, althans binnen een door de rechter te bepalen termijn de door gedaagde sub A afgekondigde en geadviseerde staking in te trekken en ongedaan te maken en deze intrekking te publiceren op een door de rechter te bepalen wijze en haar leden aan te zeggen dat het werk op de normale en gebruikelijke wijze moet worden hervat enz.
met bepaling, dat bij niet voldoening aan des rechters bevel elk der gedaagden een dwangsom van f.100.000,– (eenhonderd duizend gulden) aan eiseres zal zijn verschuldigd, kosten rechtens, enz.

Gedaagden, verschenen bij hun gemachtigde advokaat Mr. E.J. Bruma, hebben voor antwoord o.m. het volgende gezegd:
Er bestaat thans geen C.A.O. meer tussen partijen, aangezien de werking van de oude C.A.O. op 1 september j.1. is geëxpireerd en weliswaar over een nieuwe C.A.O. overeenstemming is bereikt, doch deze nog niet in geschrift is opgemaakt en ondertekend, enz.

Ten aanzien van het recht

Post Alia

Eiseres acht het uitgegeven stakingsparool onrechtmatig omdat artikel 42 van de tussen gedaagde sub A en haar gesloten doch vervallen C.A.O., evenals een gelijkluidend artikel in de ontwerp C.A.O., die nog niet ondertekend is, maar waarover wel overeenstemming is bereikt, een algemeen stakingsverbod inhoudt.

Voorshands zijn Wij van oordeel dat eiseres zich hierop terecht beroept. Immers kan gedaagde sub A zich niet met goed fatsoen beroepen op het ontbreken van een formeel stakingsverbod, nu zij met de direktie van eiseres overeenstemming heeft bereikt ten aanzien van een nieuwe af te sluiten C.A.O., waarin hetzelfde stakingsverbod zal zijn opgenomen als in de oude. Ten uitvoerlegging te goeder trouw van het bereikte akkoord brengt onder de gegeven omstandigheden met zich dat gedaagde sub A zich houdt aan het stakingsverbod dat zowel in de oude C.A.O. voorkwam als in de nieuwe C.A.O. zal voorkomen, ook in de periode dat zij niet van kracht is, omdat zij nog niet schriftelijk is aangegaan.

De vordering tegen gedaagde sub A is aldus toewijsbaar als na te melden. enz.

Rechtdoende in kort geding

Post Alia

Veroordelen gedaagde sub A om binnen 2 uur na de uitspraak de door haar afgekondigde en geadviseerde staking in te trekken en deze intrekking te publiceren door middel van de dagbladen en de radio en verder op dezelfde wijze als waarop de oproep is uitgegaan, een en ander voor zover mogelijk.

Veroordelen gedaagde sub A tot betaling van een dwangsom van f.100.000,– aan eiseres, indien zij niet aan de bovenomschreven veroordeling voldoet.

Verklaren dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad op de minuut. enz.

SRU-K1-2019-2

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 19-1069
22 maart 2019

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

A. [eiser sub A],
B. [eiseres sub B],
C. [eiseres sub C],
D. [eiseres sub D],
E. [eiser sub E],
allen in hun hoedanigheid van advocaat en lid van de Surinaamse Orde van Advocaten (SOvA),
domicilie kiezende aan de Frederik Derbystraat 13 – 13A te Paramaribo,
ten kantore van Sewcharan Advocaten,
eisers,
eiser sub A procederend in persoon;
gemachtigde voor eisers sub B tot en met sub E: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

A. DE SURINAAMSE ORDE VAN ADVOCATEN,
gevestigd en kantoorhoudend aan de Gongrijpstraat 193 te Paramaribo,
B. [gedaagde sub B],
in zijn hoedanigheid van advocaat en lid van de SOvA,
wonende aan [adres] te [district],
gedaagden,
gemachtigde: mr. M.D. Lau-Kerssenberg, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat op 18 maart 2019 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend met producties;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 20 maart 2019;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de mondelinge conclusies van repliek en dupliek;
– de aantekeningen van de griffier ter zake het mondeling afpleiten.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
2.1 Eisers vorderen – samengevat – dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. gelast dat alle leden van gedaagde deel mogen nemen aan de verkiezing van de leden van de Raad van Bestuur, hierna RvB, van gedaagde sub A, welke verkiezing gehouden zal worden op zaterdag 23 maart 2019 of op een andere door gedaagde sub A te bepalen datum;

II. het besluit van de verkiezingscommissie tot goedkeuring van de kandidaatstelling van Gedaagde sub B voor de functie van Deken van gedaagde sub A bij de verkiezing als hiervoor vermeld schorst of opschort totdat in een bodemprocedure over de rechtsgeldigheid daarvan onherroepelijk is beslist;

III. gedaagde sub B en gedaagde sub A verbiedt de kandidaatstelling van Gedaagde sub B te handhaven op de dag van de verkiezing als hiervoor vermeld;

IV. gedaagden veroordeelt in de proceskosten.

2.2 Eisers leggen – zakelijk weergegeven – aan hun vordering onder I ten grondslag dat de verkiezingscommissie niet contribuerende leden van gedaagde sub A uitsluit van deelname aan de verkiezingen van zaterdag 23 maart 2019, wat in strijd is met de Advocatenwet, hierna Aw, het Huishoudelijk Reglement, hierna HR, en het Verkiezingsreglement, hierna VR. Eisers beroepen zich op artikel 29 lid 2 en artikel 31 lid 2 Aw, artikel 4 lid 1 VR en artikel 11 lid 3 en artikel 12 HR.

Aan hun vorderingen onder II en III leggen eisers – zakelijk weergegeven – ten grondslag dat Gedaagde sub B na een eerste verkiezing tot Deken van gedaagde sub A op 21 december 2013, is herkozen op 13 december 2014. Met de herverkiezing in 2014 is het eenmaal onmiddellijk herkiesbaar zijn in de functie van Deken van gedaagde sub A ex artikel 29 lid 3 Aw voor Gedaagde sub B vervuld en is hij navenant per 14 december 2017 Deken af. De kandidaatstelling van Gedaagde sub B voor de verkiezing van 23 maart 2019 is daarom in strijd met de Aw. Op een ingediend bezwaar door eiser sub A bij de verkiezingscommissie is geen reactie ontvangen.

2.3 Gedaagden voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vordering. Daartoe voeren zij – samengevat – aan dat:

– leden die geen contributie betalen geen stemrecht hebben volgens het verenigingsrecht en die leden bovendien nooit bezwaar hiertegen hebben gemaakt;
– de Algemene Ledenvergadering, hierna ALV, op 23 februari 2019 de verkiezingscommissie heeft geïnstalleerd, welke commissie op de ALV van 26 februari 2019 haar besluiten aangaande de verkiezing van zaterdag 23 maart 2019 heeft bevestigd, zodat die besluiten bindend zijn;
– gedaagde sub B eerst heeft waargenomen in de functie van Deken en daarna in december 2014 is gekozen in de functie van Deken voor een eerste termijn;
– eisers geen belang hebben bij hun vorderingen.

2.4 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling
3.1 De kantonrechter overweegt allereerst dat deze zaak, zoals uit het voorgaande blijkt, spoedeisend is en een voorziening in kort geding rechtvaardigt.

3.2 Het geschil concentreert zich rond de vraag of aan leden van gedaagde sub A het stemrecht ontzegd mag worden zoals dat bij artikel 11 lid 3 sub a van het HR is bepaald en of gedaagde sub B in strijd met de (geest van) de Aw handelt door zich wederom verkiesbaar te stellen op de verkiezingen van zaterdag 23 maart 2019.

De vordering onder I
3.3 Artikel 12 van het HR verwijst voor de verkiezing van onder anderen de Deken en de leden van de Raad van Bestuur, hierna RvB, naar de procedures vastgelegd in het VR. Evenwel is in artikel 11 lid 3 sub a van het HR bepaald dat een lid zijn stemrecht verliest in geval van een achterstand in betaling van contributie over een periode van drie maanden. Een dusdanig rechtsgevolg is verstrekkend, immers, de ontzegging van het relevante stemrecht is volgens de redactie van het artikel finaal, in tegenstelling tot de verkiesbaarheid in sub b van voormeld artikel, waaraan de voorwaarde van voldoening van de contributie is verbonden.

Niet onvoorstelbaar is dat het belang van gedaagde sub A met zich kan meebrengen dat juist aan de mogelijkheid van (finale) ontzegging van het stemrecht de meest onderscheiden voorwaarden worden verbonden. Immers, tegenover de verenigingsrechtelijke bepaling (artikel 1674 van het Burgerlijk Wetboek, BW, en voorts, anticiperend, in artikel 81 lid 1 van de ontwerp-wettekst boek 2 Nieuw Burgerlijk Wetboek van Suriname, het beginsel van gelijk stemrecht voor een ieder) staat de lex specialis van de Aw, nader uitgewerkt in het HR. Juist omdat die laatste regeling kennelijk strenger is brengt dat mee dat de ontzegging van het stemrecht integraal en concreet in het HR en VR staan, wat nu niet het geval is.

Artikel 11 lid 3 sub a HR is voorts strijdig met artikel 4 lid 1 van het Kiesreglement waarin staat dat de leden van de RvB worden gekozen door alle (onderstreping van de kantonrechter) bij het Hof van Justitie toegelaten advocaten. De kantonrechter overweegt in dit verband mee dat de gezamenlijke advocaten, die zijn ingeschreven, de Surinaamse Orde van Advocaten vormen (artikel 28 lid 1 Aw). Over de bevoegdheid om te stemmen is in artikel 8 lid 2 van het VR bepaald dat tot de stemming wordt toegelaten hij die bevoegd is aan de stemming deel te nemen en in lid 3 van hetzelfde artikel is bepaald dat toegelaten wordt degene van wie de Commissie de identiteit vaststelt door overlegging van de identiteitskaart of het paspoort. Van uitsluiting van stemming in de zin van artikel 11 lid 3 sub a van het HR is in het VR geen bepaling opgenomen noch is door middel van een verwijzing of wijziging (van latere datum) daarin voorzien.

Naar beginselen van redelijkheid en billijkheid mag de omstandigheid dat de regeling in het HR niet geheel aansluit bij dan wel strijdig is met de procedure in het VR, niet in het nadeel van degenen die van hun stemrecht gebruik wensen te maken worden uitgelegd. Het onder I gevorderde zal op voorgaande gronden dan ook worden toegewezen.

De vorderingen onder II en III
3.4 In een tussentijdse vacature die in de Raad ontstaat wordt volgens art 29 lid 5 Aw voorzien overeenkomstig de wijze, geregeld in het HR. Artikel 10 HR bepaalt dat indien moet worden voorzien in een tussentijdse vacature in de Raad, zo spoedig mogelijk na het ontstaan van die vacature een vergadering wordt gehouden. Artikel 30 lid 1 Aw regelt dat de Deken in de gevallen van ontstentenis of verhindering door een lid van de Raad wordt vervangen, daartoe door de Raad aangewezen. In het geval van artikel 30 lid 1 Aw is dus sprake van waarneming in de functie van Deken door een lid van de Raad. Blijkens proces-verbaal van de verkiezingscommissie van 21 december 2013 (productie overgelegd bij verzoekschrift) is een verkiezing van de Deken gehouden volgens de procedures van het VR. In genoemd proces-verbaal staat geen vermelding van een tussentijdse verkiezing. Evenmin kan aan het proces-verbaal de conclusie verbonden worden dat sprake is van een verkiezing tot waarneming in de functie van Deken. Integendeel, vier kandidaten, onder wie gedaagde sub B, hebben zich toen verkiesbaar gesteld en gedaagde sub B is gekozen in de functie van Deken.

Uit de producties genummerd 6 en 7 bij de conclusie van antwoord, respectievelijk de oproep voor de ALV van 30 oktober 2013 en het proces-verbaal van de zitting van de verkiezingscommissie, blijkt voldoende dat gedaagde sub B op 13 december 2014 is gekozen in de functie van Deken van gedaagde sub A. Uit het voorgaande wordt, anders dan gedaagde sub B heeft aangevoerd, geconcludeerd dat in de periode van 21 december 2013 tot 13 december 2014 geen sprake is geweest van waarneming in de functie van Deken, zoals bedoeld in artikel 30 lid 1 Aw.

Gedaagde sub B heeft zich twee opeenvolgende keren verkiesbaar gesteld in de functie van Deken, kennelijk over het hoofd ziend dat voor de overige leden van de Raad de driejarige termijn afliep ex artikel 29 lid 4 Aw, terwijl de eerste termijn voor hem als de nieuw gekozen Deken nog niet verstreken was. Die termijn werd evenwel tussentijds beëindigd en met de verkiezing op 13 december 2014 ving voor gedaagde sub B aldus de tweede termijn in de functie van Deken aan. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat gedaagde sub B zich op grond van artikel 29 lid 3 Aw niet opnieuw verkiesbaar kan stellen voor de te houden verkiezingen op 23 maart 2019.

In dit verband wordt ook overwogen dat uit het procesdebat voldoende aannemelijk is geworden dat gedaagde sub B vanaf 2011 tot heden zitting heeft in de Raad, eerst als Raadslid en vervolgens als Deken, terwijl de strekking van de Aw juist is dat Raadsleden niet langer dan een termijn van drie jaren aanzitten en de Deken maximaal zes aaneengesloten jaren in die functie optreedt.

3.5 De vorderingen onder II en III zullen op voorgaande gronden dan ook worden toegewezen.

3.6 Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten omvatten op de dag van de uitspraak:
– het vastrecht ad. SRD 50, -,
– de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 450, -,
en zijn in totaal begroot op SRD 500, -.

4. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
4.1 Gelast dat alle leden van gedaagde sub A deel mogen nemen aan de verkiezing van de leden van de Raad van Bestuur van de gedaagde sub A, welke verkiezing gehouden zal worden op zaterdag 23 maart 2019 dan wel op een andere door gedaagde sub A te bepalen datum.

4.2 Schorst het besluit, zoals dat thans bekend is gemaakt van de verkiezingscommissie tot goedkeuring van de kandidaatstelling van gedaagde sub B voor de functie van Deken van gedaagde sub A bij de verkiezingen d.d. zaterdag 23 maart 2019 totdat over de rechtsgeldigheid daarvan in een bodemprocedure onherroepelijk zal zijn beslist.

4.3 Verbiedt gedaagden sub A en sub B de kandidaatstelling van gedaagde sub B te handhaven op de dag der verkiezing, zaterdag 23 maart 2019, dan wel op een andere door gedaagde sub A te bepalen datum.

4.4 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

4.5 Veroordeelt gedaagden sub A en sub B in de kosten van het geding, aan de zijde van eisers tot aan deze uitspraak begroot op SRD 500, – (vijfhonderd Surinaamse Dollar).

4.6 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.J.S. Bradley, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op vrijdag 22 maart 2019 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-1998-37

Hof van Justitie
02 februari 1998, 1998 no. 02
(Mrs. Sh. Gangaram Panday, A.I. Ramnewash, W.R. Willemzorg, P.G. Wolff, K. Pultoo)

Het Hof van Justitie van Suriname in revisie;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Derde Kanton op 6 april 1990 gewezen en uitgesproken alsmede, het in afschrift overgelegde vonnis, door het Hof van Justitie van Suriname op 26 januari 1994, rechtdoende in hoger beroep, gewezen en uitgesproken -welke vonnissen hier als geheel geïnsereerd worden beschouwd- tegen:

[verzoeker], oud 50 jaar, van beroep architect tevens industrieel, geboren in Suriname, wonende te [district], Suriname en in Nederland te [woonplaats], thans verzoeker;

Gelet op het namens verzoeker door Mr.dr. Rene M. Reeder en Mr. Armand van der San, beiden advocaten bij het Hof van Justitie, ingediend revisieverzoek, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 1 november 1996, strekkende tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van het Hof van Justitie, rechtdoende in hoger beroep van 26 januari 1994; Gelet op de beschikking d.d. 2 april 1997 gegeven door het Hof van Justitie in raadkamer, inhoudende de ontvankelijk verklaring van verzoeker alsmede verwijzing van de zaak naar de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie, voor verdere behandeling;

Gelet op het onderzoek in beide instanties alsmede het onderzoek in revisie, welke revisiebehandelingen ter openbare terechtzittingen plaatsgevonden hebben op 22 december 1997, 12 januari 1998 en 2 februari 1998;

Gelet op de getuigen in hun beëdigde verklaringen in revisie, blijkende uit het daarvan opgemaakte processen-verbaal;

Gehoord het Openbaar Ministerie;

1. De uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd:
Het Hof van Justitie, rechtdoende in hoger beroep, heeft verzoeker ter zake van ”oplichting” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) maanden met aftrek van de tijd vanaf 6 april 1989 t/m 5 juni d.a.v. in voorarrest doorgebracht, welk feit hem onder I van de telastelegging was verweten, met vrijspraak van de andere onderdelen van de telastelegging onder II, III en IV.

2. De grondslag van het revisieverzoek:
Verzoeker heeft het verzoek doen steunen op de omstandigheden -zakelijk weergegeven- dat hij de benodigde goederen voor het CIS-project heeft verkocht en geleverd uit eigen voorraad, welke goederen voor 4 maart 1987 in zijn magazijnen aanwezig waren; dat de directeuren van het Ministerie van Openbare Werken (O.W.) en het Centraal Importbedrijf Suriname (CIS) daarvan wetenschap hadden; dat verzoeker voor wat betreft de verkoop en levering van materialen gehandeld heeft als industrieel en handelaar; dat verzoeker niet persoonlijk als ontwerper en toezichthouder bij het betreffende bouwprojekt betrokken is geweest, doch het Architectenbureau B. N.V. i.o.; dat de brief van 4 maart 1987 – als produktie in de gedingstukken voorkomende – gezien moet worden als een confirmatie van hetgeen betrokken partijen overeengekomen waren over de benodigde bouwmaterialen en prijzen. (grond I).

En voorts op de omstandigheid – eveneens zakelijk weergegeven- dat verzoeker veroordeeld is voor het niet terzake bewezenverklaarde. (grond II).

3. De beoordeling van het revisieverzoek:
3.1 Vooreerst merkt het Hof op dat deze uitsluitend zal ingaan op die grond die relevant is voor de beoordeling van de herzieningsaanvrage, te weten grond I.

3.2 Uit het onderzoek in revisie is genoegzaam komen vast te staan dat de brief van 4 maart 1987, de kenmerken van een offerte (aanbod) vertoont. Immers niet is gesteld noch anderszins gebleken dat verzoeker uitsluitend tegen geldende prijzen – die in casu eveneens niet zijn komen vast te staan nl. welke die prijzen precies zouden moeten zijn – mocht offreren danwel bij zijn prijsvaststelling aan andere restricties onderworpen was, zodat, bij gebreke van contra-indicaties, in rechte aangenomen moet worden dat hij, verzoeker, de vrijheid had om zelf de prijzen vast te stellen voor de benodigde materialen.

3.3 Het Hof in revisie is van oordeel dat deze gereleveerde omstandigheid –nl. dat de brief van 4 maart 1987 een offerte inhoudt- voordien tijdens het onderzoek in eerste aanleg alsmede in hoger beroep niet substantieel uit de verf is gekomen, weshalve deze omstandigheid als novum in de zin van art. 386 eerste lid aanhef onder sub 2 van het Wetboek van Strafvordering aangemerkt moet worden.

3.3 Blijkens de brief van 4 maart 1987 zijn de daarin geoffreerde prijzen en bouwmaterialen geconfirmeerd door de heren [naam 1](toentertijd waarnemend direkteur van O.W.) en [naam 2] (toentertijd direkteur van het CIS), waardoor tussen de betrokken partijen wilsovereenstemming bestond met betrekking tot de prijzenvaststelling en de levering van de benodigde bouwmaterialen.

3.4 Het Hof neemt daarbij tevens in aanmerking de stelling dat verzoeker – anders dan een reguliere directievoerder c.q. toezichthouder – tevens belast was met inkoop/verkoop/levering van de benodigde bouw-materialen. Ter adstructie van deze stelling, ten grondslag liggend aan de aanvrage, is namens verzoeker door diens raadslieden aangevoerd dat bij met name de heren [naam 1] en [naam 2], hij, verzoeker, tevens bekend staat als handelaar en industrieel in welke hoedanigheden de verkoop en levering van de benodigde bouwmaterialen aan het CIS hebben plaatsgevonden. Ter staving van deze hoedanigheden heeft verzoeker een kopie van inschrijving uit het Handelsregister overgelegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in alle instanties, noch uit de inhoud van het strafdossier is, naar het oordeel van het Hof in revisie, gebleken dat verzoeker inzake de verkoop e/o levering van de betreffende bouwmaterialen geen winsten mocht maken. Daar komt nog bij kijken dat verzoeker tevens de benodigde bouwmaterialen, althans een (aanzienlijk) deel daarvan, uit eigen voorraad heeft geleverd. In ieder geval kan uit de processtukken het tegendeel van het zoeven vermelde niet worden opgemaakt.

3.5 De hierboven gereleveerde nieuwe omstandigheid inhoudende de goedgekeurde offerte bezien tegen de achtergrond van hetgeen in r.o. 3.4 is overwogen, voert, teruggekoppeld naar de telastelegging onder I, welke is toegespitst op oplichting (artikel 386 van het Wetboek van Strafrecht),- ter zake waarvan verzoeker na bewezenverklaring is veroordeeld – tot de slotsom dat de bestanddelen van bedoelde telastelegging inzake de oplichtingsmiddelen niet bewezen kunnen worden aangenomen, zodat vrijspraak van het telastegelegde onder I moet volgen.

3.6 Namens verzoeker is door de verdediging het verzoek gedaan tot teruggave van de indertijd ten laste van verzoeker inbeslaggenomen goederen. Nu het oorspronkelijk dossier verbrand is en uit het thans aanwezige schaduw-dossier niet uit te maken is, welke goederen toentertijd als vermeld inbeslag waren genomen, zal het Hof over het verzoek ter zake niet beslissen omdat het Hof daartoe niet in staat is, de verzoeker in overweging gevende dat indien hij over de nodige gegevens van de inbeslagneming beschikt, hij bij de Kantonrechter de teruggave van die goederen alsnog zal kunnen vorderen.

Rechtdoende in revisie
Vernietigt het vonnis van 26 januari 1994 door het Hof van Justitie gewezen en uitgesproken tegen de veroordeelde [verzoeker];

En alsnu opnieuw rechtdoende in revisie

Verklaart het herzieningsverzoek gegrond;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder I van de telastelegging, te weten oplichting is telastegelegd, zoals opgenomen in het vonnis van het Hof van Justitie, rechtdoende in hoger beroep d.d. 26 januari 1994; Spreekt hem daarvan vrij;

Verklaart niet in staat tot het geven van een last omtrent de teruggave van de eventueel inbeslaggenomen goederen.

SRU-K1-2015-2

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 15-3848
26 augustus 2015

Vonnis in het kort geding in de zaak van:

[eisers],
beiden wonende te [district],
eisers in kort geding,
gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,
met name de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te diens Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gemachtigde: mr. C. Klein, officier van justitie,

B. [gedaagde sub b],
wonende te [district],
gedaagde in kort geding,
gevolmachtigde: mr. E.F. van der Hilst, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Het verloop van het proces blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het verzoekschrift dat met de producties op 25 augustus 2015 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 26 augustus 2015;
– het mondeling afpleiten d.d. 26 augustus 2015;
– de comparitie van partijen d.d. 26 augustus 2015.

2.1 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 13 augustus 2015 is tijdens een brand in een woning te [district] overleden [naam 1] (verder te noemen: de overledene).

2.2 Tijdens leven was de overledene gehuwd met gedaagde sub B en wel op 20 augustus 1996. Door dit huwelijk is de zoon [naam 2] gewettigd, tevens is uit dit huwelijk geboren [naam 3], beiden nog minderjarig.

2.3 Tijdens leven had de overledene een concubinaatrelatie met [naam 4]. Uit deze concubinaatrelatie zijn twee kinderen geboren, te weten [naam 5] en [naam 6] .

2.4 De hiervoor genoemde vrouwspersoon en kinderen zijn tezamen met de overledene tijdens de onder 2.1 vermelde brand overleden. De kinderen waren ten tijde van de brand zeven maanden oud.

2.5 Op 12 december 2013 had gedaagde sub B een vordering tot echtscheiding bij de kantonrechter ingediend tegen de overledene, welke zaak bekend staat onder A.R. No. 13-5442. In het verzoekschrift (van welk verzoekschrift een fotocopie als productie 3 is overgelegd) heeft gedaagde sub B aan haar vordering ten grondslag gelegd dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, welke duurzame ontwrichting zij onder meer als volgt in het verzoekschrift heeft onderbouwd: “[gedaagde sub b]wenst onderhavige vordering tot echtscheiding op grond van artikel 262 van het Burgerlijk Wetboek in te dienen vanwege de duurzame ontwrichting van het huwelijk, welke bestaat tussen haar en [naam 1]. Partijen wonen vanaf mei 2010 gescheiden in verband met de verzorging van hun gehandicapte dochter. [gedaagde sub b] woont met [naam 3] in [land 1] en [naam 1] en [naam 2] wonen in [land 2]. Thans is gebleken dat [naam 1] reeds jaren een buitenechtelijke relatie heeft welke zorgt voor de verdere ontwrichting van het huwelijk. [gedaagde sub b] wenst op grond hiervan de echtscheiding in rechte te vorderen”.

2.6 In haar conclusie van repliek (van welke conclusie een fotocopie als productie 4 is overgelegd) had gedaagde sub B in reactie op hetgeen de overledene in zijn conclusie van antwoord had aangevoerd het volgende gesteld: “In tegenstelling tot hetgeen [naam 1] beweert in alinea 3, heeft hij zelf na indiening van zijn conclusie van antwoord aan [gedaagde sub b] bevestigd dat hij een buitenechtelijke relatie heeft, alsook dat deze dame in verwachting is van hem. Het is dus aan de schuld van [naam 1] te wijten dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.(…).

Nu [naam 1] geen moeite heeft met de echtscheidingsvordering kan de echtscheiding worden uitgesproken. En gelet op het feit dat deze ontwrichting aan de schuld van [naam 1] is te wijten en [gedaagde sub b] door toedoen van [naam 1] en de verzorging van [naam 3] geen eigen inkomsten heeft dient [naam 1] haar wel te alimenteren. Daartoe is hij in staat nu hij dat ook al die jaren heeft gedaan”.

2.7 Bij vonnis van de kantonrechter is op 04 mei 2015 de echtscheiding tussen gedaagde sub B en de overledene, toen nog in leven zijnde, uitgesproken in de zaak bekend onder A.R. No. 13-5442.
Dit vonnis is op 19 augustus 2015 aan de gemachtigde van de overledene afgestaan.

2.8 Eisers zijn de ouders van de overledene:
Op 24 augustus 2015 heeft de gemachtigde van eisers een schrijven namens eisers aan de waarnemend procureur-generaal gericht (van welk schrijven een fotokopie als productie 5 is overgelegd) om over het lijk van de man, zijnde hun zoon (wijlen), te kunnen beschikken. Terzake heeft de gemachtigde het volgende in het schrijven verwoord:
“(…)
Cliënten deelden mij mede dat op 13 augustus 2015 hun zoon de heer [naam 1] is overleden als gevolg van verstikking door rookwolken bij een brand welke heeft gewoed aan [adres]. Cliënten deelden mij verder mede dat zij thans niet over het lijk van hun zoon kunnen beschikken, omdat zijn thans zijnde weduwe mevrouw [gedaagde sub b] het lijk van de heer [naam 1] thans opeist.

Geachte heer Procureur-Generaal bij deze doet ondergetekende namens zijn cliënten het verzoek aan u om het lijk van hun zoon de heer [naam 1] aan hen te willen afstaan, omdat bij hen de goed gegronde vrees bestaat dat indien het lijk van hun zoon de heer [naam 1] in handen van de mevrouw [gedaagde sub b] komt zij hem op een oneervolle manier naar zijn laatste rustplaats zal brengen.
Te Uwer informatie deel ik U mede dat de heer [naam 1] en mevrouw [gedaagde sub b] niet meer met elkaar leefden en dat de echtscheiding tussen hen verder al op 14 mei 2015 in de zaak bekend onder A.R. No. 13-5442 is uitgesproken, doch hebben zij dit vonnis niet kunnen inschrijven, omdat zij de stukken na de uitgesproken echtscheiding niet gelijk hebben kunnen ontvangen om zulks te kunnen doen”.

2.9 Op 24 augustus 2015 heeft de waarnemend Procureur-Generaal de volgende reactie op het schrijven van de gemachtigde van eisers (welke schriftelijke reactie als productie 6 is overgelegd) gegeven:
“Naar aanleiding van uw brief d.d. 24 augustus 2015, met als onderwerp afgifte van het lijk van de heer [naam 1], moge ik U als volgt berichten.

Aan uw verzoek om afgifte van het stoffelijk overschot van dhr. [naam 1] kan vooralsnog geen uitvoering worden gegeven wegens de ontvangst van een brief afkomstig van mw. [gedaagde sub b], waarin zij eveneens vraagt om afgifte aan haar van voormeld stoffelijk overschot.

Indien mocht blijken dat het echtscheidingsvonnis tussen [naam 1] en [gedaagde sub b] niet is ingeschreven bij de burgerlijke stand, zal mw. [gedaagde sub b] de gerechtigde zijn aan wie tot afgifte als verzocht zal worden beslist.

Gaarne verneem ik van U op uiterlijk 25 augustus 2015 omstreeks 14.00 uur omtrent eventueel door u te ondernemen gerechtelijke stappen die mijn besluit zouden kunnen beïnvloeden.”

3. De vordering, de grondslag en het verweer
3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:
a) gedaagde sub A te verbieden om het stoffelijk overschot van wijlen de heer [naam 1], die is geboren op [geboortedatum] en overleden op 13 augustus 2015 aan gedaagde sub B af te staan;

b) gedaagde sub B te veroordelen om het stoffelijk overschot van wijlen de heer [naam 1] die is geboren op [geboortedatum] en overleden op 13 augustus 2015 aan eisers af te staan;

c) gedaagde sub A te veroordelen tot het betalen van een dwangsom groot SRD 10.000,- voor elke dag en/of keer dat zij mocht nalaten te voldoen aan het onder sub A en/of B van dit petitum gevorderde bij veroordeling daarvan;

d) gedaagden te veroordelen in de kosten van dit geding;

Subsidiair:
a) gedaagde sub B te verbieden om tot de ter aarde stelling c.q. begrafenis van wijlen de heer [naam 1] die is geboren op [geboortedatum] en overleden op 13 augustus 2015 over te mogen gaan alvorens er een schriftelijke goedkeuring over de ter aardestelling c.q. begrafenis van wijlen de heer [naam 1] die is geboren op [geboortedatum] en overleden op 13 augustus 2015 door eisers aan gedaagde sub B is gegeven;

b) gedaagde sub B te veroordelen tot het betalen van en dwangsom grot SRD 10.000,- voor elke dag en/of keer dat zij mocht nalaten te voldoen aan het onder sub A van dit petitum gevorderde bij veroordeling daarvan;

c) gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding;

Tertiair:
a) gedaagde sub A te verbieden om het stoffelijk overschot van wijlen de heer [naam 1], die is geboren op [geboortedatum] en overleden op 13 augustus 2015 aan gedaagde sub B af te staan alvorens zal zijn beslist in bodemprocedure of het stoffelijk overschot van wijlen de heer [naam 1], die is geboren op [geboortedatum] en overleden op 13 augustus 2015 aan gedaagde sub B mag worden afgestaan;

b) gedaagde sub A te veroordelen tot het betalen van een dwangsom groot SRD 10.000,- voor elke dag en/of keer dat zij mocht nalaten te voldoen aan het onder sub A en/of B van dit petitum gevorderde bij veroordeling daarvan;

c) gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

3.1.1 Eisers hebben, naast de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende aan hun vordering ten grondslag gelegd:
– gedaagde sub A heeft in eerste instantie ingestemd om het stoffelijk overschot van de man aan hen, eisers, af te staan, en wel op hun verzoek;

– hierna heeft gedaagde sub B zich als echtgenote van de man bij gedaagde sub A aangemeld en het stoffelijk overschot van de man opgeëist;

– tussen de man en gedaagde sub B bestond er geen man-vrouw relatie meer, omdat beiden al geruime tijd afzonderlijk woonden en de man zijn leven heeft voortgezet met [naam 4] en zij deze concubine en de twee kinderen hebben geaccepteerd;

– de man, de concubine en de twee kinderen zijn allen op één dag, één tijdstip en één plaats op dezelfde wijze omgekomen, en wensen eisers hen als één gezin naar hun laatste rustplaats te brengen, doch vormt gedaagde sub B een obstakel hierin;

– gedaagde sub B heeft geen enkel belang om het stoffelijk overschot van de man op te eisen. Om die reden bestaat bij eisers de gegronde vrees dat gedaagde sub B de man op oneerbiedige wijze en onrespectvolle wijze zal begraven en gedaagde sub B de man niet samen met de concubine en overleden kinderen zal begraven. Het is immers gedaagde sub A geweest die in het echtscheidingsproces heeft kenbaar gemaakt niets met de overledene te maken te willen hebben.

3.2 Gedaagden hebben het mondeling pleidooi dan wel na gehoord te zijn verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van eisers, zodat zij in hun vordering zullen worden ontvangen.

4.2 Vanwege de relatie tussen 1) eisers en gedaagde sub B, zijnde schoonouders-schoondochter relatie, 2) de relatie tussen eisers en de overleden concubine, 3) de relatie tussen de overledene en de twee overleden minderjarige kinderen, zijnde een vader-kind relatie, 4) de relatie tussen eisers en de twee overleden minderjarige kinderen, zijnde grootouders-kleinkind relatie, 5) de relatie tussen de kinderen [naam 3] en [naam 2] en de overledene, zijnde een vader-kind relatie, 6) de relatie tussen de kinderen [naam 3] en [naam 2] en de overleden kinderen, zijnde een broer-zus relatie, heeft de kantonrechter gepoogd een middenweg te zoeken in verband met de uitvaart van de overledene en diens overleden concubine en twee minderjarige kinderen. Pogingen daartoe hebben niet geleid tot het gewenste resultaat, zodat thans zal worden overgegaan tot het nemen van een beslissing in de onderhavige zaak.

4.3 De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag aan wie in redelijkheid het stoffelijk overschot van de overledene kan worden afgestaan. Rechtens staat vast dat gedaagde sub B tot het overlijden van de overledene nog met hem gehuwd is geweest, doch betekent zulks geenszins dat het lichaam of stoffelijk overschot van de overledene aan haar dient te worden afgestaan. In dat licht brengt de kantonrechter partijen onder de aandacht dat een lichaam of stoffelijk overschot geen vermogensrechtelijke zaak is waarop eigendomsrechten van toepassing zijn. De beschikking betreffende een lijk, oftewel stoffelijk overschot is familierechtelijk van aard en wordt in dat licht bekeken wie met de overledene tijdens leven een nauwe betrekking had tot diens overlijden. Uit de feiten en omstandigheden die uit de inhoud van de producties zijn gebleken, en tijdens de comparitie van partijen aan het licht zijn gekomen is voor de kantonrechter voldoende aannemelijk dat tussen de overledene, de overleden concubine en de twee overleden minderjarige kinderen, er een affectieve en duurzame relatie bestond. Dit in tegenstelling tot gedaagde sub B, die het verzoek tot echtscheiding tegen de overledene in het jaar 2013 had ingediend en tot diens overlijden al geruime tijd niet meer met hem samenwoonde. Voldoende aannemelijk is dat de overledene met de overleden concubine een affectieve een duurzame relatie had, welke relatie beiden na het echtscheidingsverzoek van gedaagde sub B tot het overlijden van de overledene hebben voortgezet, beiden tijdens die relatie het grootste deel samen doorbrachten tezamen met de twee overleden kinderen, en ook een goede band hadden met eisers. Op grond van de hiervoor aan het licht gekomen feiten en omstandigheden in onderling samenhang beschouwd en gelezen, en gelet in het bijzonder op de relatie tussen eisers en gedaagde sub B, de relatie tussen eisers en de twee kinderen die uit gedaagde sub B zijn geboren, de relatie tussen eisers en de vier overleden personen, acht de kantonrechter het in dit specifiek geval redelijk het stoffelijk overschot van de overledene aan eisers, die de ouders tevens bloedverwant van de overledene zijn, te doen afstaan. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat gedaagde sub B vrij is de uitvaart van de overledene bij te wonen en haar geen verbod door eisers zou zijn opgelegd.

De kantonrechter begrijpt het standpunt van gedaagde sub B dat het voor haar als gehuwde vrouw, niet acceptabel is dat de uitvaart van de overledene tezamen met de overleden vrouw/concubine en twee overleden minderjarige kinderen simultaan in hetzelfde gebouw en dezelfde locatie kan plaatsvinden, doch dient rekening te worden gehouden met de vermoedelijke wens van de overledene die naar het erop lijkt er geen bezwaar tegen zou hebben om tezamen met de overleden concubine en twee minderjarige kinderen simultaan op dezelfde dag en plaats te worden begraven.

4.4 Uit hetgeen onder 4.3 is overwogen volgt dat de primair gevraagde voorziening zal worden toegewezen. Gedaagde sub A zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
5.1 Verbiedt gedaagde sub A om het stoffelijk overschot van wijlen de heer [naam 1] die geboren is op [geboortedatum] en overleden op 13 augustus 2015 aan gedaagde sub B af te staan.

5.2 Gelast gedaagde sub A om het stoffelijk overschot van wijlen de heer [naam 1] die geboren is op [geboortedatum] en overleden op 13 augustus 2015 aan eisers af te staan.

5.3 Veroordeelt gedaagde sub A tot betaling van een dwangsom groot SRD 10.000,- (Tienduizend Surinaamse Dollar), voor elke keer of dag dat zij mocht nalaten te voldoen aan het besliste onder 5.1 en 5.2.

5.4 Verklaart hetgeen onder 5.1, 5.2 en 5.3 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt gedaagde sub A in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 300,- (Driehonderd Surinaamse Dollar).

5.6 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op woensdag 26 augustus 2015 te Paramaribo in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. A. Sewgobind.

w.g. A. Sewgobind w.g. S.M.M. Chu

SRU-K1-1954-1

Kantonrechter in het eerste Kanton
2 Februari 1954, SJ 1955 no. 10
(Mr. Carrière)[1])

[eiser], wonende te [district], eiser, adv. G.J.C. van der Schroeff,

tegen

[gedaagde] wonende te [district], gedaagde, adv. Mr. F.H.R. Lim Apo.

De Kantonrechter in Eerste Kanton; enz.

Ten aanzien van het recht

Post alia:

O., dat ([huurster] het perceel in huur had, toen dit door eiser van [getuige] werd gekocht Red.) en ingevolge art. 1597 Sur. B.W. deze huur door bedoelde koop en verkoop niet werd verbroken;

O., dat blijkens verklaring van [getuige] in deze huur, zij het dan stilzwijgend, was begrepen het recht om op het perceel een huis te zetten en dit recht en anderzijds de verplichting van de eigenaar-verhuurder om het zetten van een huis op het perceel door de huurster te gedogen, ingevolge gemeld art. 1597 mede na vermelde koop zijn blijven voortbestaan;

Dat zich hier toch voordoet de in het rechtsleven van Suriname voorkomende figuur, dat de huurder van een perceel zonder uitoefening daarop van een zakelijk recht krachtens zijn overeenkomst met de grondeigenaar een woonhuis heeft op de aan deze in eigendom toebehorende grond, welke rechtsfiguur weliswaar door de Surinaamse wetgever niet is geregeld, maar met welker bestaan hij wel rekening heeft gehouden in art. 9, 2e lid der Huurbeschermingsverordening 1949 (zie Hof van Justitie, 10 October 1952 inzake Gebiedsdeel Suriname vs [naam] [2]);

Dat nu bij deze rechtsfiguur, welke in het Surinaamse rechtsleven lang geen zeldzaamheid is, intgendeel bij de justiciabelen tamelijk is ingeburgerd en welke als woonerfhuur kan worden betiteld, de overeenkomst niet uiteen valt in een gewone huur en een opstalrecht, doch het recht om een huis op de grond te hebben behoort tot het wezen van deze woonerfhuur en alle rechten en verplichtingen, welke tot het wezen van de huurovereenkomst behoren, ingevolge art. 1597 op de nieuwe eigenaar overgaan [3]);

O., dat dus [huurster] ook na de koop van het litigieuze perceel door eiser het recht heeft behouden om daarop een woonhuis te bouwen, zonder dat eiser daarvoor toestemming had te geven en dit bouwen derhalve aan haar niet door eiser zou kunnen worden verweten;

Gelet enz.

[1] Bekrachtigd door het Hof van Justitie, 6 mei 1955.
[2] Opgenomen in Surinaamse Jurisprudentie 1952 onder no. 17.
[3] Zie ook nog Star Nauta Carsten t.a.p., bldzz. 226/227.

SRU-K1-2017-3

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 14-3501
03 april 2017

Vonnis in de zaak van:

[Eiser ]
wonende te [district],
eiser,
gevolmachtigde: mr. H.H. Vreden,

tegen

DE STAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 1 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: voorheen mr. Ch.N. Mijnals, advocaat, die zich op 01 juni 2015 heeft onttrokken; vervolgens mr. E. Naarendorp, advocaat, die zich op 06 juli 2015 heeft gesteld en op 02 mei 2016 heeft onttrokken; thans mr. N.U. van Dijk die zich op 02 mei 2016 heeft gesteld.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

– het inleidend verzoekschrift dat op 04 augustus 2014 met bijlagen op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis d.d. 20 oktober 2014;
– de conclusie van antwoord d.d. 16 februari 2015;
– de conclusie van repliek d.d. 16 maart 2015;
– conclusie van dupliek d.d. 06 juli 2015;
– de rolbeschikking tot het houden van een comparitie van partijen d.d. 04 april 2016;
– het proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen d.d. 07 oktober 2016;
– de conclusie tot uitlating zijdens eiser d.d. 05 december 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

2.1 Eiser vordert, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

– de verklaring voor recht dat eiser door verjaring de eigendom heeft verkregen van het perceel gelegen in het district Suriname te Afdeling I Sectie Mattonshoop no.’s 195 en 196 (hierna het perceel);
– veroordeling van gedaagde om binnen een maand na betekening van het vonnis mee te werken aan de overschrijving van het perceel op naam van eiser in de openbare registers;
– te bepalen dat een kopie van het vonnis wordt overgeschreven in de registers van het hypotheekkantoor.

2.2 De grondslag

Aan zijn vordering heeft eiser de grondslag gelegd dat hij het perceel bij huurkoopovereenkomst van 18 februari 1975 tegen een bedrag van Srg 3.060, – van [Naam 1] heeft gekocht. In 1983 heeft eiser de huurkoopsom afbetaald, maar [Naam 1] noch diens erfgenamen hebben het perceel aan hem geleverd. Eiser beroept zich op verkrijgende verjaring, omdat hij reeds langer dan 30 jaren te goeder trouw het voortdurend bezit van het perceel heeft.

2.3 Het verweer

Gedaagde voert verweer daarop, indien en voor zover van belang, in het navolgende teruggekomen zal worden.

3. De beoordeling

3.1 Gedaagde heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van eiser en voert als meest verstrekkend verweer dat eiser onvoldoende belang heeft bij diens vorderingen tegen de Staat in de voorliggende zaak. Gedaagde beroept zich op het adagium point d’interet, point d’action en voert daarbij aan dat de Staat op geen enkele wijze betrokken is dan wel betrokken is geweest bij de huurkoopovereenkomst van 18 februari 1975 die aan de onderhavige vorderingen ten grondslag ligt. Ook is nimmer sprake geweest van een procedure tussen eiser en de Staat waaruit een recht van eiser op het perceel is voortgevloeid. Nota bene staat niet vast dat aan eiser het recht tot overschrijving van het perceel rechtmatig toekomt.

3.2 Ter comparitiezitting van 07 oktober 2016 heeft de gevolmachtigde van de Staat, mevrouw Agard, Y.I., onder meer verklaard dat onderzoek door haar gepleegd heeft uitgewezen dat het betreffend onroerend goed een perceel betreft met de titel van eigendom. Voorts heeft zij aangevoerd dat de Staat, meer specifiek het ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond en Bosbeheer, domeingrond met het daarop gevestigd recht van grondhuur uitgeeft. Indien sprake is van uitgifte van het recht van grondhuur op domeingrond, kan de Staat in rechte worden betrokken door belanghebbenden met betrekking tot dat recht.

3.3 De huurkoopovereenkomst waaruit de verbintenissen tot betaling van de huurkoopsom en de levering van het perceel voortvloeien, is gesloten tussen [Naam 1] in privé en als gevolmachtigde van [Naam 2], en [Naam 3] enerzijds en [Verzoeker] anderzijds. Indien eiser een materiele aanspraak heeft en hij het subjectief recht dat hem toekomt wil effectueren, dan kan hij in het onderhavige geval de wederpartij of erfgenamen van de wederpartij in rechte betrekken.

3.4 Eiser gaat er echter vanuit dat nu een orgaan dat onderdeel is van de Staat, belast is met de overschrijving van onroerende goederen in het kadastrale register en daarom zal moeten meewerken aan de overschrijving, hij, eiser, de Staat in rechte kan betrekken. Voor deze gedachtegang van eiser, in casu beoordeeld in het verband van de feiten en omstandigheden als hiervoor overwogen, bieden de beginselen van burgerlijke rechtsvordering en de wet evenwel geen aanknopingspunten voor het aannemen van voldoende concreet belang bij het uitoefenen van een actierecht door eiser tegen de Staat.

3.5 Eiser zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen tegen de Staat.

3.6 Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in dit vonnis is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

3.7 Eiser zal in de proceskosten worden verwezen

4. De beslissing

4.1 Verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vorderingen tegen gedaagde.

4.2 Veroordeelt eiser in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter lid-plaatsvervanger in het eerste kanton, en in het openbaar uitgesproken op maandag 03 april 2017 te Paramaribo, in van aanwezigheid de griffier.

w.g. S. Andea w.g. S.J.S. Bradley

SRU-K1-2015-1

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 153507
5 oktober 2015

Vonnis in de zaak van

[eiser], wonende te [district],
gemachtigde: mr. A. Adelaar, advocaat,
eiser in kort geding,

tegen

GREENHEART (SURINAME) NV, gevestigd en kantoorhoudende in Paramaribo,
gemachtigde: mr. R. Boldewijn, advocaat,
gedaagde in kort geding.

1. Het proces verloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 6 augustus 2015 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord, met productie;
– de conclusie van repliek, met productie;
– de conclusie van dupliek;
– de rolbeschikking d.d. 14 augustus 2015 aangetekend op de kaft van het procesdossier;
– het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 15 september 2015;
– de conclusie tot uitlating na comparitie van partijen zijdens eiser, met producties;
– de conclusie tot uitlating na comparitie en uitlating producties, zijdens gedaagde.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiser is reeds 12 jaar in dienst van gedaagde, laatstelijk in de functie van “warehouse foreman”.

2.2 Binnen de organisatie van gedaagde is door gedaagde een eerste arbeidsreglement van toepassing verklaard. Dit reglement is in maart 2014 gedeponeerd bij de griffie der kantongerechten.

2.3 Omstreeks 22 mei 2015 heeft en collega van eiser in opdracht van de Afdeling Human Resources Management van gedaagde aan eiser een boekje met als titel “arbeidsreglement”overhandigd. Ook werd aan eiser ter ondertekening aangeboden een document waarin een tekst was opgenomen die erop neerkomt dat eiser het arbeidsreglement in ontvangst heeft genomen en geen bezwaar heeft tegen de inhoud van het reglement en zich hieraan zal verbinden.

2.4 Eiser heeft geweigerd om het document te ondertekenen.

2.5 Bij schrijven van 24 juni 2015 heeft gedaagde aan eiser medegedeeld dat hij tot 8 juli 2015 de gelegenheid heeft om in te stemmen met het reglement. In dat schrijven staat tevens vermeld dat hij, indien hij zich niet kan verenigen, dat betekent dat hij vanaf 9 juli 2015 niet meer werkzaam is bij gedaagde en dat zij verwachten dat hij op 10 juli 2015 op de HR afdeling komt voor de financiële afhandeling. Voorts wordt hem verzocht om de bedrijfseigendommen te overhandigen aan de HR afdeling.

2.6 Bij schrijven van 10 juli 2015 heeft eiser aan gedaagde medegedeeld dat hij bereid is de bedongen arbeid te verrichten en dat hij wacht op een oproep daartoe. Voorts dat hij aanspraak maakt op zijn loon omdat gedaagde hem niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn werkzaamheden te verrichten terwijl hij daartoe wel bereid was en is.

2.7 Bij schrijven van dezelfde datum heeft gedaagde aan eiser medegedeeld dat zijn aanbod tot hervatting van de werkzaamheden niet te kunnen plaatsen nu de opzegging van de dienstbetrekking door hem zelf is geschied.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering
Eiser vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
– Gedaagde veroordeelt om binnen 1 x 24 uur na uitspraak eiser in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden te hervatten en volgens dienstrooster te verrichten en te continueren totdat het dienstverband op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;
– Gedaagde veroordeelt tot betaling aan eiser van het achterstallig loon ingaande 1 juli 2015, alsmede de verschuldigde verhoging wegens de vertraging in de betaling, vermeerderd met de wettelijke rente;
– Gedaagde veroordeelt om maandelijks tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen zijn salaris en emolumenten totdat de dienstbetrekking op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;
– Gedaagde veroordeelt om aan eiser toegang te verlenen tot de secundaire voorzieningen binnen het bedrijf zoals vrije geneeskundige behandeling;
– Gedaagde veroordeelt tot betaling van een dwangsom voor iedere keer dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling hierboven te voldoen en voorts
– Gedaagde veroordeelt om aan eiser te betalen de advocaatkosten en deurwaarderskosten, ad SRD. 3.780,= en SRD 222,= en voorts
– Gedaagde veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2 De grondslag
Eiser heeft als grondslag voor zijn vordering aangevoerd dat het dienstverband nog in stand is. Het enkele feit dat eiser niet voor accoord heeft getekend heeft niet als gevolg dat het dienstverband is beëindigd. Het zich niet accoord willen verklaren met het reglement kan niet als opzegging van de arbeidsovereenkomst worden aangemerkt. Voorts zal voor een opzegging zijdens gedaagde een ontslagvergunning moeten worden aangevraagd. Het ontslag waar gedaagde zich op beroept is nietig en van geen enkele waarde. Door die onrechtmatige houding van gedaagde heeft eiser een advocaat in de hand moeten nemen, hetgeen ook op gedaagde verhaald zal worden evenals de deurwaarderskosten.

4. Het verweer
Gedaagde heeft als verweer onder andere het volgende naar voren gebracht: 1. de werknemers, waaronder eiser, hadden tot uiterlijk 15 juni 2015 de gelegenheid om zich uit te laten over de vraag of zij zich met het reglement konden verenigen; 2. eiser is nimmer gedwongen om terstond te tekenen doch het getekende document diende wel binnen de vastgestelde termijn ingediend te worden bij de HR afdeling; 3. de werknemers en eiser hebben tijdens verschillende sessies uitleg gekregen over het aangepaste reglement; 4. eiser heeft nimmer, alhoewel hij daartoe de gelegenheid had, kanttekeningen geplaatst bij het reglement; 5. eiser heeft geweigerd om het reglement te accorderen; 6. het al dan niet in onderhandeling zijn over de CAO betekent niet dat eiser niet hoefde te tekenen; 7. in het reglement zijn geen bepalingen opgenomen die in strijd zijn met de wet; 8. gedaagde heeft aan eiser vaker voorgehouden wat de gevolgen zijn van het niet accorderen van het reglement waarbij verwezen werd naar artikel 1613k BW; 9. door te weigeren het reglement te accorderen heeft eiser de arbeidsovereenkomst opgezegd; 10. gedaagde hoefde door de regeling in artikel 1613k BW geen ontslagvergunning aan te vragen, immers heeft eiser zelf de dienstbetrekking opgezegd; 11. gedaagde heeft niet onrechtmatig gehandeld.

5. De Beoordeling
5.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen.
5.2 De vraag die partijen verdeeld houdt is die of de arbeidsovereenkomst tussen partijen is beëindigd door opzegging zijdens de werknemer, in casu eiser. Hierbij stelt eiser dat hij de arbeidsovereenkomst niet heeft opgezegd en dat zijn weigering om voor accoord te tekenen niet alszodanig kan worden opgevat. Gedaagde stelt het tegenovergestelde en voert aan dat aan eiser is voorgehouden dat het niet willen instemmen met het reglement betekent dat hij de arbeidsovereenkomst opzegt, en dat daarom het niet willen instemmen kan worden aangemerkt als een opzegging zijdens eiser.

5.3 Eiser heeft onder andere naar voren gebracht dat hij niet voor accoord heeft getekend omdat de vakbond aan hem had meegedeeld dat hij niet hoefde te tekenen omdat zij, de vakbond dus, nog in onderhandeling waren met de werkgever over bepaalde punten die in het reglement waren opgenomen. Eiser stelt voorts dat in de rechtspraak is vastgesteld dat pas van een opzegging zijdens een werknemer kan worden uitgegaan indien deze opzegging door de werknemer is geschied middels een duidelijke ondubbelzinnige verklaring van de werknemer, die op een opzegging van de dienstbetrekking is gericht.

5.4 De kantonrechter heeft naar aanleiding van de hiervoor genoemde stellingen en weren van partijen een comparitie van partijen gelast.

5.5 Tijdens de comparitie van partijen zijn – voor zover van belang – de volgende zaken verklaard door eiser: “Toen ik mij na mijn verlof weer aan het werk aanmeldde te [plaats], kreeg ik van de voorman [naam 1] een pen, een papiertje en een arbeidsreglement met de mededeling dat het ondertekend moest worden. Ik heb aangegeven dat ik het reglement niet zondermeer zou ondertekenen, ik wou het eerst doornemen. Van de voorman kreeg ik te horen dat er problemen zouden ontstaan indien ik niet zou ondertekenen. Hij gaf aan dat het ondertekend reglement opgestuurd moest worden naar het hoofdkantoor van gedaagde….ik heb daarna gesproken met de heer [naam 2] van de vakbond. Hij gaf aan dat ik het reglement voor hem moest brengen. Na bestudering heeft de bond aangegeven dat bepaalde artikelen van het reglement niet kloppen. Ik heb tegen [naam 2] gezegd dat ik niet wou ondertekenen. [naam 2] gaf aan dat het reglement tegen de arbeidswet was en dat ik het niet moest ondertekenen…. daarna zijn ene mw. [naam 3] en de heer [naam 4] geweest om met mij te praten over het reglement….ik begreep dat ik ontslagen zou worden indien ik niet zou ondertekenen. [naam 4] gaf aan dat ik tot juni 2015 de gelegenheid had om het te accorderen anders zou ik met ontslag gestuurd worden. Ik heb na die gesprekken mijn werkzaamheden normaal voortgezet. Er is daarna nog een medewerker van gedaagde geweest om met mij te praten over de ondertekening van het reglement…..ik heb aangegeven waarom ik niet wilde tekenen. Die persoon zou het doorgeven aan [naam 5]. Ik had een gesprek gevraagd met [naam 5] om te zeggen waarom ik het niet akkoord was met het reglement maar ik ben niet tevreden met de wijze waarop zij met mij heeft gesproken. Ik werd buiten het kantoor ontvangen en kreeg niet de ruimte om uit te praten. Ik heb daarna een gesprek gehad met de heer [naam 4]. Ik kreeg van hem een ontslagbrief om te ondertekenen waarbij hij aangaf dat ik met vuur zou spelen indien ik dat niet zou doen. Ik heb de brief ontvangen en doorgenomen maar heb niet voor ontvangst getekend. Ik heb verder niets aan [naam 4] gezegd en ben naar huis gegaan. Die brief heb ik aan de bond gegeven. Zij hebben aangegeven dat gedaagde mij niet kan ontslaan vanwege de weigering om het reglement te ondertekenen. Omdat ik het niet eens was met het ontslag heb ik mij op 9 juli 2015 normaal aangemeld voor de werkzaamheden. Een security guard heeft mij op instructie van [naam 5] gezegd dat ik de bedrijfsbus niet mag betreden. Ik ben daarna door hen op straat gezet …”.

5.6 Gedaagde heeft bij monde van haar HRM medewerker de heer [naam 4] – voor zover van belang – de volgende zaken verklaard: “Voorafgaand aan de aanbieding van het arbeidsreglement ter ondertekening zijn de werknemers geïnformeerd geworden over de procedure. Toen ik merkte dat op de bedrijfslocatie [plaats] nog werknemers waren die nog niet hadden ondertekend, ben ik op eigen initiatief ernaar toe geweest om hen uit te leggen welke gevolgen verbonden waren aan het niet ondertekenen, het was niet de bedoeling om iemand te bedreigen. Eiser wou het gesprek kort houden omdat er meerdere personen de kwestie met hem besproken hadden. Hij gaf verder aan dat hij niet van mening zou veranderen. Wij wilden niet dat eiser met ontslag moest, wij wilden hem ook niet kwijt als werknemer. Wij wilden slechts dat hij accoord zou gaan met het arbeidsreglement. De hele situatie is zelf door de werknemers gecreëerd. Op de vraag van de kantonrechter of wij die kwestie van eiser vóór 8 juli met de bond hebben besproken antwoord ik ontkennend. Op 8 juli 2015 heb ik een brief overhandigd aan eiser. Ik heb hem op kantoor uitgenodigd en hem gevraagd of hij bereid was het reglement te ondertekenen. Ik heb hem ook weer voorgehouden wat de gevolgen zouden zijn van het niet ondertekenen. Eiser gaf aan dat hij niet zou ondertekenen. Hij heeft de brief in ontvangst genomen en is vertrokken. “Mevrouw [naam 6] verklaarde: “Op de vraag van de kantonrechter of wij begrepen hadden dat de vakbond instructies had gegeven aan de leden om niet in te stemmen met het reglement, antwoord ik dat wij dat gevoel wel hadden. Wij wilden de arbeiders niet verliezen en hebben daarom met hen gecommuniceerd. De arbeiders moesten, wetende wat de gevolgen waren, bij zichzelf nagaan wat zij zouden doen met de instructies die zij van de bond hadden gekregen”.

5.7 De kantonrechter overweegt dat, gelijk eiser stelt, inmiddels in de rechtspraak is vastgesteld dat van een opzegging zijdens de werknemer pas kan worden uitgegaan indien de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring die op de opzegging is gericht, heeft afgelegd (vide onder andere NJ 1983 no. 2, en verder onder andere LJN AS8387 en BV2623). De ratio voor de in de rechtspraak heersende leer (vide o.a. de conclusie bij LJN AS8387 punt 8 en 9) is alsvolgt verwoord: “de ratio voor het aanleggen van bedoelde strenge maatstaf is daarin gelegen, zoals expliciet uit genoemde jurisprudentie blijkt, dat een vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking voor de werknemers dermate ernstige gevolgen kan hebben dat door de werkgever niet spoedig mag worden aangenomen dat zijn verklaringen en gedragingen daarop zijn gericht …..”.

5.8 In vorenaangehaalde conclusie is ook gesteld: “of sprake is van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring, is een vraag die sterk is verweven met de feiten”. (punt 9).

5.9 Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de feiten die in de onderhavige casus relevant zijn voor de beantwoording van de vraag, dat het uit verklaringen van beide partijen is gebleken, dat de eiser het niet eens was met enkele artikelen in het reglement, dat eiser dat kenbaar heeft gemaakt aan gedaagde, dat eiser op advies van de vakbond vooralsnog heeft geweigerd het reglement te accorderen, dat eiser niet de intentie had de arbeidsovereenkomst op te zeggen en geen duidelijke en ondubbelzinnige verklaring heeft afgelegd dat hij de arbeidsovereenkomst wenst op te zeggen. Ondanks het feit dat in het door de werkgever gehanteerd artikel 1613 k van het Burgerlijk Wetboek staat dat een “weigering moet worden opgevat als een opzegging” heeft in de jurisprudentie een zodanige ontwikkeling plaatsgevonden met betrekking tot de opzegging zijdens de werknemers, dat aan die ontwikkeling ook niet voorbij gegaan kan worden en zal de werkgever ook in dit soort gevallen moeten nagaan of er sprake is van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring welke gericht is op de opzegging. In casu heeft eiser aan de werkgever te kennen gegeven dat hij op advies van de bond vooralsnog niet wil instemmen met het reglement en daarbij ook aan de werkgever te kennen gegeven de arbeidsovereenkomst niet te willen beëindigen waardoor er überhaupt geen sprake is van een verklaring gericht op de opzegging.

5.10 De kantonrechter is dan ook van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de arbeidsovereenkomst nog in stand is waardoor het gevorderde onder b en c van het petitum zal worden toegewezen. Het gevorderde onder d zal deels worden toegewezen met dien verstande dat de vordering betreffende de vrije geneeskundige voorziening zal worden toegewezen nu alleen die voorziening voldoende duidelijk is omschreven is omschreven in de vordering. De overige voorzieningen waar eiser op doelt in punt d van het petitum zijn niet voldoende duidelijk omschreven waardoor die niet zullen worden toegewezen. Tevens zullen de gevorderde advocaatkosten worden toegewezen, nu het gelijk eiser stelt, aan gedaagde te wijten is dat hij en advocaat in de hand moest nemen. De kantonrechter zal de gevorderde weder tewerkstelling niet toewijzen nu het de kantonrechter vooralsnog niet voldoende duidelijk is in hoeverre de werkplek van eiser nog ter beschikking is. De dwangsom met betrekking tot het loon zal niet worden toegewezen nu aan geldvorderingen geen dwangsom kan worden verbonden.

5.11 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en gedaagde, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

6. De beslissing
6.1 Veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen zijn achterstallig loon, ingaande 1 juli 2015 tot aan de betekening van het vonnis, alsmede de daarover verschuldigde verhoging van 50% wegens vertraging in de betaling als bedoeld in artikel 1614 q BW, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% pr jaar te rekenen vanaf 6 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening zulks naar rato van het laatst genoten maandsalaris en de emolumenten, met inachtneming van eventuele salarisverhogingen;

6.2 Veroordeelt gedaagde om met ingang van de betekening van het vonnis maandelijks tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen zijn salaris en emolumenten, zulks naar rato van het laatstgenoten salaris en eventuele salarisverhogingen en deze uitbetaling op normale en gebruikelijke wijze te continueren totdat de dienstbetrekking op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;

6.3 Veroordeelt gedaagde om eiser toegang te verlenen tot de vrije geneeskundige behandeling welke geldt voor medewerkers van gedaagde, en dit te continueren totdat de dienstbetrekking op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;

6.4 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD 500,= (vijfhonderd Surinaamse dollar) per dag, het maximum van SRD 100.000,= (eenhonderduizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand, voor elke dag dat gedaagde weigert of nalaat de veroordeling onder 6.3 hierboven na te komen;

6.5 Veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen het bedrag van SRD 3.780,= (drieduizend zevenhonderd en tachtig Surinaamse dollar) zijnde de advocaatkosten en SRD 222,= (tweehonderd twee en twintig Surinaamse dollar) zijnde de gemaakte deurwaarderskosten;

6.6 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

6.7 Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 200,= (tweehonderd Surinaamse dollar).

6.8 Wijst af het meer os anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van maandag 5 oktober 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. A.C. Johanns