SRU-HvJ-1990-11

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 25 mei 1990

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. Von Niesewand en F.F.P. Truideman)

[verzoeker], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende aan de Watermolenstraat no. 36 beneden, ten kantore van Mr. E.C.M. HOOPLOT, advokaat, verzoeker,

tegen

STICHTING JAIKREEK & PHEDRA, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Mr.Dr. J.C. de Mirandastraat, in het gebouw van het Ministerie van N.H.E., advokaat Mr. H.R. SCHURMAN, verweerster.

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen:

STICHTING JAIKREEK & PHEDRA, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Mr.Dr. J.C. de Mirandastraat, in het gebouw van het Ministerie van N.H.E.;

2. dat verzoeker in dienst is geweest van verweerster en als zodanig gewezen landsdienaar is in de zin van de Personeelswet tegen een bruto maand salaris van f. 1.441,– na aftrek van 20% daarvan als verplichte storting in het voorzieningsfonds, terwijl hij voorts aanspraak maakte op 1 maand vakantie en een maandsalaris van gratificatie per kalenderjaar. Voorts maakte hij aanspraak op vrije geneeskundige behandeling;

3. dat gedaagde, nadat zij had besloten haar werkzaamheden te beëindigen, althans deze op andere basis dan tot nu toe voort te zetten aan een deel van haar personeel heeft aangeboden de dienstbetrekking af te kopen tegen betaling van de gemiddelde loonsom over een periode van 18 maanden, waarbij de personeelsleden vanaf september 1989 niet meer gehouden zijn tegenover de verweerster te presteren, welk aanbod door verzoeker is geaccepteerd;

4. dat verweerster zelf een overzicht heeft doen samenstellen van de gemiddelde loonsom van de diverse werknemers, volgens bijgaand schema, waarvan wordt verzocht de inhoud als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.

Verzoeker komt mitsdien toe een gemiddelde loonsom over 18 maanden ad f. 39.762,59, en wel alsvolgt gespecificeerd:

– jaarsalaris f. 17.292,–
– 20% voorzieningsfonds s f. 3.458,40
– 1 maand vakantie uitkering f. 1.441,–
– 1 maand gratificatie f. 1.441,–
– gekapitaliseerd verlof per jaar f. 1.675,99
– gemiddelde ziekte kosten f. 1.200,–
  f. 26.508,39

zijnde dit over een periode van 18 maanden:

1.5 x f. 26.508,39 ofwel f. 39.762,59;

5. dat verweerster inmiddels aan verzoeker slechts 18 maanden salaris heeft uitgekeerd en de overige posten onbetaald heeft gelaten, i.h.b. de stortingen in het voorzieningsfonds waar verzoeker zonder meer aanspraak op maakt, ook al was zulks niet uitdrukkelijk overeengekomen.

Verzoeker heeft mitsdien nog van verweerster te vorderen:

f. 39.762,59 – (1.5 x f. 17.292,–) ofwel f. 13.824,59;

6. dat van verweerster geen betaling is te bekomen, ondanks aanmaningen in der minne;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

– dat bij vonnis verweerster zal worden veroordeeld om aan verzoeker te betalen de som van f. 13.824,59 vermeerderd met de rente hierover ad 6% per jaar, vanaf de dag der indiening van dit verzoekschrift tot aan de algehele voldoening, kosten rechtens;

Overwegende, dat vervolgens van de Stichting Jaikreek en Phedra binnen de bij de wet gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarin het navolgende wordt aangevoerd:

1. verweerster ontkent al hetgeen door haar niet woordelijk en uitdrukkelijk wordt erkend onder aanbod van bewijs harer stellingen, voorzover de bewijslast op haar mocht rusten;

2. verweerster wenst als meest verstekkend verweer het navolgende aan te voeren:

Verzoeker voort als grondslag van zijn vordering aan een arbeidsovereenkomst tussen partijen, zonder aan te geven wanneer deze tot stand is gekomen en wanneer deze is beëindigd. Verzoeker heeft dus niet voldaan aan zijn stelplicht, welke een essentiële voorwaarde is bij het instellen van de vordering, als ten rekeste omschreven.

Nu verzoeker heeft nagelaten zulks te doen, dient hij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek.

Verzoeker diende de feiten en omstandigheden te stellen opdat verweerster niet wordt benadeeld in haar verweer. De verschillende data zijn van essentieel belang om te kunnen vaststellen of verzoeker binnen of buiten de termijn is bij het instellen van zijn vordering.

Verweerster kan hierdoor geen degelijk verweer voeren. Op grond hiervan dient verzoeker niet-ontvankelijk te worden verklaard;

3. verweerster wenst verder aan te voeren dat de vordering, zoals gesteld, elke grondslag mist. Op geen enkele wijze heeft verzoeker in zijn stellingen de grondslag waarop hij zijn vordering baseert, aangegeven c.q. gesteld, daargelaten dat verzoeker, krachtens de artikelen 78 e.v. van de Personeelswet, eerst binnen de administratie zijn beklag moest hebben ingediend. Nu verzoeker heeft nagelaten zulks te doen is hij niet-ontvankelijk in zijn verzoek;

4. teneinde de ondeugdelijkheid van de vordering van verzoeker aan te tonen, legt verweerster hierbij over een produktie de dato 1 augustus 1989, met het verzoek deze te willen aanmerken, waaruit blijkt dat tussen partijen onder meer was overeengekomen: (vide Raadsbeslissingen)

1. De Stichting Jaikreek en Phedra, te rekenen van 1 september 1989, wordt ontbonden;

2. dat aan genoemde personen, die daartoe de wens te kennen geven, ontslag wordt verleend en dat zij in aanmerking komen voor een afkoopregeling op basis van een lumpsum, welke gelijk staat aan (18) achttien maanden salaris van de door hem laatstelijk genoten bezoldiging:

3, dat aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie ontheffing van de personeelsstop wordt verleend voor de andere personen.

Uit de Raadsbeslissing [nummer]/RvM blijkt duidelijk dat niet meer dan achttien maanden salaris kan worden toegezegd, weshalve verzoeker geen aanspraak maakt op de uitkeringen, zoals in het 6e ”dat” omschreven.

Verzoeker heeft recht op 18 (achttien) maanden salaris en heeft dit bedrag, waarop hij rechtens aanspraak maakt, reeds geaccepteerd c.q. ontvangen.

Indien verzoeker spaarpremie heeft betaald, heeft hij recht op het door hem gestorte deel, vermeerderd met de wettelijke rente. De uitbetaling hiervan kan eenmalig zijn of periodiek (vide artikel 31 Personeelswet). Betaling van de bedragen, zoals omschreven in het 4e ”dat” van het inleidend rekest – met uitzondering van het salaris gedurende 18 maanden – zou betekenen dat andere ambtenaren die een afkoopregeling met de overheid hebben getroffen, benadeeld zouden zijn en dat zou ongelijkheid en onbillijkheid met zich meebrengen;

5. verzoeker maakt gebruik van een ambtelijk stuk, een zogenaamd loonschema, waarin het bestuur onder voorzitterschap van Ir. K.S.A. Ng A Tam enkele suggesties doet met betrekking tot de overname van de Stichting Jaikreek en Phedra door de E.B.S. en de goedkeuring van de voorgestelde afkoopregeling, alsmede opheffing van de personeelsstop.

Het bevreemdt verweerster evenwel dat verzoeker van een dergelijk stuk gebruik maakt. Het bestuur had gedacht een meest gunstige konstruktie voor haar medewerkers te hebben gevonden, welk in het litigieuze schema is verwoord, maar is door haar enthousiasme voorbij gegaan aan de wettelijke bepalingen terzake.

Verder was dit stuk voor intern gebruik en kan verzoeker onmogelijk daarop een beroep doen;

6. de bedoeling van de afkoopregeling is dat de overheid aan ambtenaren c.q. landsdienaren een lumpsum van achttien maanden salaris welke gelijk staat met hun laatst genoten bezoldiging aanbiedt, teneinde hen in de gelegenheid te stellen de eerste investeringskosten te kunnen overbruggen, indien zij voornemens zijn een eigen bedrijf uit te oefenen.

Het voorgaande houdt in dat deze ambtenaren c.q. landsdienaren gedurende die periode (achttien maanden) geen werkzaamheden behoeven te verrichten, weshalve zij dan ook niet in aanmerking komen voor de navolgende vergoedingen over gemelde periode, te weten:

– 20% voorzieningsfonds;

– 1 (één) maand vakantieuitkering;

– 1 (één) maand gratificatie;

– gekapitaliseerd verlof per jaar;

– gemiddelde ziektekosten;

7. nu verweerster de vordering van verzoeker gemotiveerd heeft betwist, zoals aangegeven in bovenstaande stellingen, dient het verzoek van verzoeker hem te worden geweigerd, voorzover hij reeds niet-ontvankelijk is in zijn vordering;

Overwegende, dat verweerster op deze gronden heeft geconcludeerd:

– dat verzoeker niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn verzoek, althans hem deze zal worden ontzegd c.q. zal worden geweigerd, alszijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 15 december 1989 in Raadkamer zijn verschenen mevr. M. Anijs namens verzoeker bijgestaan door de gemachtigde van verzoeker advokaat Mr. E.C.M. Hooplot, de Stichting Jaikreek en Phedra vertegenwoordigd door de heer D. Mac Donald, bestuurslid tevens executeur van de Stichting en advokaat Mr. H.R. Schurman gemachtigde van verweerster, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hadden toegelicht en verdedigd, het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker landsdienaar is geweest in de zin van de Personeelswet;

Overwegende, dat artikel 1 lid 2 van de Personeelswet bepaalt:

”Onder het land zijn, voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze Wet, begrepen de van landwege opgerichte rechtspersonen, met uitzondering van:

a. die voor welke bij of krachtens wet afzonderlijke voorschriften omtrent de rechtstoestand van het personeel zijn vastgesteld;

b. naamloze vennootschappen”;

Overwegende, dat verweerster is een overheidsstichting;

– dat gesteld noch gebleken is, dat bij of krachtens wet over de rechtstoestand van het personeel van verweerster regels zijn gegeven;

– dat ingevolge het bepaalde in artikel 1 lid 2 van de Personeelswet de Personeelswet op de rechtsverhouding tussen partijen dan ook van toepassing is en verzoeker, zoals hierboven vermeld, landsdienaar geweest is;

Overwegende, dat verzoeker van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken vordert, verweerster te veroordelen aan hem – verzoeker – te betalen de som van f. 13.824,59 vermeerderd met de rente hierover ad 6% per jaar vanaf 27 oktober 1989 tot aan de algehele voldoening, op grond van feiten, gesteld in het 2e t/m 4e ”dat” van het verzoekschrift, worden die feiten als hier ingelast aangemerkt;

Overwegende, verweerster op de diverse aan haar verweer ten grondslag gelegde stellingen, welke als hier ingelast dienen te worden aangemerkt, de vordering van verzoeker heeft bestreden;

Overwegende, dat volgens de naar vaste rechtspraak aanvaarde leer, hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken kan worden gevorderd, limitatief is omschreven in artikel 79 der Personeelswet;

– dat als gerecht in ambtenarenzaken, het Hof ingevolge het bepaalde in artikel 79, lid 1, sub b van de Personeelswet slechts bevoegd is tot kennisneming van vorderingen tot vergoeding van schade, welke in casu voor een landsdienaar, is voortgevloeid uit een besluit of handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, (vgl. Vs. H.v.J. d.d. 18.12.’70, inz. [naam] c/a Het Rijksdeel Suriname, Surinaams Jurisprudentie (A) no. 102);

Overwegende, dat zodanig besluit of dergelijke handeling door verzoeker evenwel niet is gesteld;

Overwegende, dat deze omissie dan ook tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn vordering leidt;

Overwegende, dat ook al had verzoeker uitdrukkelijk gewag gemaakt van zodanig besluit of dergelijke handeling, dan nog zou zulks geen verandering brengen in voormelde beslissing;

Overwegende immers:

– dat vaststaat dat de Raad van Minister in zijn vergadering van 27 juli 1989 heeft goedgekeurd, dat aan verzoeker e.a. 18 maanden salaris van hun laatstgenoten salaris wordt uitgekeerd (zie missive d.d. 1 augustus 1989 [nummer]/R.v.M.);

– dat voorts vaststaat, dat hij het verhoor van partijen de verzoeker verklaard heeft dat op 31 augustus 1989 met de Stichting overeenstemming is bereikt en de 18 maanden salaris aan hem is uitgekeerd;

– dat bij die uitkering niet gebleken is, dat verzoeker terzake een voorbehoud heeft gemaakt;

Overwegende dat voorts blijkt:

– dat voormeld Raadsbesluit [nummer]/R.v.M. is gedagtekend 1 augustus 1989;

– dat de bereikte overeenstemming tot uitkering van 18 maanden salaris dateert van 31 augustus 1989;

– dat de uitkering begin september 1989 heeft plaatsgevonden;

Overwegende, dat verzoeker met zijn ingediende vordering op 27 oktober 1989 dan ook rijkelijk te laat is;

Overwegende tenslotte:

– dat verzoeker zich niet te goeder trouw erop kan beroepen dat het door hem gevorderde hem nog toekomt, hebbende hij terzake zijn recht daarop verwerkt;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering;

 

SRU-HvJ-1990-10

Hof van Justitie (Ambtenarengerecht), 22 juni 1990

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en E.S. Ombre)

[verzoeker], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Mr. F.H.R. Lim A Postraat no. 1 ten kantore van advokaat Mr. F. KRUISLAND, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domicilie hebbende te zijnen Parkette aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, advokaat Mr.Dr. C.D. OOFT, verweerder.

De waarnemend President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

[verzoeker] heeft zich bij verzoekschrift tot het Hof gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker wenst bij deze de navolgende vordering tegen DE STAAT SURINAME, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domicilie hebbende te zijnen Parkette aan de Gravenstraat no. 3, verweerder.

2. Verzoeker is ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet. Verzoeker vervult thans de functie van Hoofd van de Dienst In-, Uitvoer- en Deviezencontrole in de rang van Stafambtenaar A le klasse.

3. Blijkens de hierbij overgelegde resoluties van de President van de Republiek Suriname d.d. [datum 1] [nummer 1] en [datum 2] [nummer 2] is verzoeker vanaf 4 april 1984 tot en met 15 juli 1985 ingevolge artikel 22 lid 1 van de Personeelswet belast geweest met de waarneming van de functie van Hoofd van de Dienst ’s Lands Bosbeheer, terwijl hij alstoen de sub 2 vermelde rang bekleedde. Voormelde functie was alstoen definitief opengevallen.

4. Verzoeker heeft dan ook gedurende meer dan één jaar in totaal de definitief opengevallen functie van Hoofd van de Dienst ’s Lands Bosbeheer waargenomen. Ingevolge artikel 22 lid 5 van de Personeelswet wordt verzoeker dan ook geacht stilzwijgend in die functie te zijn benoemd, te rekenen vanaf 4 april 1985.

5. Ingevolge het Ambtenarenbezoldigingsbesluit is aan de functie van Hoofd van de Dienst ’s Lands Bosbeheer de rang verbonden van Hoofdambtenaar A 3e klasse, welke rang is ingedeeld in salarisschaal 19.

6. Zoals gesteld moet verzoeker worden geacht stilzwijgend te zijn benoemd·in de functie van Hoofd van de Dienst ’s Lands Bosbeheer, te rekenen vanaf 4 april 1985, terwijl hij alstoen de rang bekleedde van Stafambtenaar A le klasse, welke hij nu nog bekleedt, doch aan voormelde functie de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse is verbonden.

7. Op grond van het sub 5 en 6 gestelde maakt verzoeker ingevolge artikel 24 lid 4 van de Personeelswet aanspraak op bevordering tot de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse en indeling in schaal 19, zoals aangegeven in het Ambtenarenbezoldigingsbesluit.

8. Verweerder was en is gehouden verzoekers aanspraken als vorenomschreven te honoreren en dienovereenkomstig de vereiste administratieve regelingen tot stand te brengen, met name:

a. verzoekers (stilzwijgend) benoeming tot Hoofd van de Dienst ’s Lands Bosbeheer formeel vast te leggen;

b. verzoekers bevordering tot Hoofdambtenaar A 3e klasse te realiseren, zulks bij resolutie van de President van Suriname, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 lid 2 van de Personeelswet.

9. Verweerder heeft evenwel ondanks herhaalde aanmaningen terzake, nagelaten en laat nog steeds na de sub 8 vermelde besluiten te nemen en de terzake vereiste verdere handeling te verrichten, zulks in strijd met het bepaalde in de artikelen 22 en 24 van de Personeelswet en in strijd met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dat een ambtenaar recht heeft op een behoorlijke onjuiste regeling van zijn rechtspositie.

Verzoeker heeft op te dezer plaatse gevorderd:
dat bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Verweerder zal worden veroordeeld om binnen één maand na het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door het Hof te bepalen termijn, overeenkomstig de terzake geldende wettelijke regelingen vast te leggen, althans te doen vastleggen, dat verzoeker (stilzwijgend) is benoemd tot Hoofd van de Dienst ’s Lands Bosbeheer, met bepaling dat verweerder voor elke dag, dat hij in gebreke blijft met de voldoening van het in deze te wijzen vonnis aan verzoeker ten titel van dwangsom een bedrag van Sf. 100,– (EENHONDERD GULDEN) zal verbeuren;

II. Verweerder zal worden veroordeeld om binnen één maand na het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door het Hof te bepalen termijn over te gaan tot bevordering van verzoeker tot de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse, zulks te rekenen vanaf 4 april 1985 en indeling in de schaal 19, zoals vastgesteld in het Ambtenarenbezoldigingsbesluit, met bepaling, dat verweerder voor elke dag dat hij ingebreke blijft aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, aan verzoeker ten titel van dwangsom zal verbeuren een bedrag van Sf. 100,– (EENHONDERD GULDEN).

Binnen de bij de Wet gestelde termijn is van de Staat Suriname een verweerschrift binnengekomen, waarin het navolgende wordt aangevoerd:

1. Verweerder erkent het feit dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet. Verweerder erkent eveneens dat verzoeker bij Resolutie van [datum 1] [nummer 1] (eerder aangehaald en door verzoeker overgelegd bij zijn inleidend rekest) met terugwerkende kracht gerekend van 4 april 1984, TIJDELIJK VOOR DE DUUR VAN 6 MAANDEN, werd belast met de leiding van de dienst ’S LANDS BOSBEHEER, toen ten tijde ressorterend onder het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij, hierna te noemen L.V.V.

Anders door verzoeker gesteld in het 3e sustenu van zijn inleidend rekest dient hier nadruk gelegd te worden op de expliciete vastlegging door verweerder, om verzoeker tijdelijk (6 maanden) met de eerder genoemde waarneming te belasten.

Aan verzoeker is bij deze Resolutie van [datum 1], ook een waarnemingstoelage toegekend, middels verrekeningsmandaat te verrekenen met het Ministerie van L.V.V.

De administratieve afhandeling wordt deze dagen geëffectueerd.

2. Het gestelde in het 4e t/m het 7e sustenu van het inleidend rekest, op grond waarvan verzoeker meent aanspraak te moeten maken op bevordering vanuit de rang van Stafambtenaar A 3e klasse, schaal XIII, naar de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse, schaal XIX, e.e.a. onder vigeur van de terzake aangehaalde bepalingen van artikel 24 van de Personeelswet, is voor verweerder aanleiding tot de volgende beschouwing:

De feitelijke waarneming in een functie wordt (bij het zoeken naar juiste toepassing van het gestelde in artikel 22 lid 5, en het aldaar aangegeven rechtsgevolg, namelijk dat bij waarneming gedurende meer dan één jaar in totaal, de landsdienaar wordt geacht in die functie stilzwijgend te zijn benoemd) te vaak als één op zichzelf staand rechtscheppend criterium beschouwd.

Dit is niet juist. Er zijn twee criteria die samen het recht (de aanspraak) doen ontstaan om geacht te worden stilzwijgend in de waargenomen functie te zijn benoemd.

Wil een landsdienaar die feitelijk waarneemt in een functie (langer dan een jaar) het rechtsgevolg dat artikel 22 lid 5 schept, op hem van toepassing doen zijn, dan zal betrokken tevens moeten voldoen aan de eis hetzelfde artikel stelt, namelijk en voldoen aan de wettelijke eisen van benoembaarheid in die functie.

Dit belangrijke criterium komt in hetzelfde artikel 22 Personeelswet wel vier maal aan de orde (respectievelijk in lid 1 onder c, – in lid 2, – in lid 4 onder 5 en in lid 3, juncto art. 21 de leden twee en drie).

Dit criterium: voldoen aan de wettelijke eisen van benoembaarheid, ligt in alle gestrengheid ten grondslag aan de last tot waarneming, ook al moet nu reeds gesteld worden, dat door het nog niet kunnen realiseren van de algehele functie-analyse van elke onderdeel van de overheidsdienst, er nog geen vast omlijnde wettelijke normen zijn waaraan iemand moet voldoen om benoembaar te zijn in de functie van Hoofd van ’s Lands Bosbeheer.

3. Verzoeker, die wel geschikt bleek te zijn voor de vervulling van verschillende posten in zijn lange ambtelijke loopbaan, voldeed evenwel niet aan de functie-vereisten, zoals die traditioneel en begrotings-technisch, materieel, tot op heden zijn vastgelegd. Ook de formatieplaats van het Hoofd van ’s Lands Bosbeheer(schaal 19), wijst op een bijzondere kwalificatie, te weten het hebben genoten van een opleiding hetzij als bosbouwkundige, hetzij als landbouwkundige. Hieraan voldeed verzoeker niet, waardoor een eventuele benoeming van hem tot Hoofd ’s Lands Bosbeheer, verstoken zou zijn van de eis, dat hij ook moet voldoen aan de eisen van benoembaarheid.

4. Verzoeker zelf kan dit beamen, nu hij het INSTITUUT VOOR DE OVERHEIDSDIENST, alwaar hij wel deskundig was, in het vaststellen van formaties en het mede beoordelen van verzoeken tot aanstelling in rangen, behorende bij bepaalde functies en bezoldigd volgens de geldende salarisschalen – tussen 1975 en 1978 – werkzaam is geweest.

Wanneer verzoeker aldáár – INSTITUUT VOOR DE OVERHEIDSDIENST, (formatiezaken) – langer dan een jaar in totaal had waargenomen, dan zou zijn vordering tot een stilzwijgende benoeming feitelijke grondslag hebben en zijn beroep op artikel 24 lid 5·van de Personeelswet, draagkrachtig zijn.

Voor de benoeming tot Hoofd ’s Lands Bosbeheer is verzoeker evenwel niet gekwalificeerd en maakt dan ook geen aanspraak op de in artikel 22 lid 5 in het vooruitzicht gestelde benoeming, nu hij niet ook voldoet aan de misschien niet wettelijk, maar dan traditioneel, en materieel te stellen en gestelde eisen tot benoembaarheid als Hoofd L.B.B.
Bij herhaling kan nog eens expliciet worden gesteld, dat materieel, dit is op de begroting en traditioneel, de benoeming van gekwalificeerde krachten in bepaalde rangen, een juiste en aanvaardbare grondslag bieden voor vervanging van de eis, dat ”bij wet” de eisen van benoembaarheid in een bepaalde rang dienen te worden vastgesteld. Ten deze moge voor wat betreft functie en rang worden verwezen naar artikel 7 van de Personeelswet 1962, in het bijzonder naar de tweede volzin (en daarin de woorden ”zoveel mogelijk”):”De aanwijzing van die functies en rangen geschiedt zoveel mogelijk op de grondslag van de uitkomsten van een onderzoek door niet-belanghebbende deskundigen ingesteld naar de aard en de omvang van de bij het betrokken onderdeel te verrichten werkzaamheden”.

5. Volledige functie-analyse zou het draagvlak moeten zijn van het gestelde in artikel 22 dat eisen van benoembaarheid vooraf moeten zijn vastgesteld bij wet.
Nu de onmogelijkheid tot functie-analyse voor het gehele overheidsapparaat, door onmacht. c.q. buiten schuld of onzorgvuldigheid van verweerder, is uitgebleven, zal ook de rechtspraak naar het oordeel van verweerder, (gelet op de vordering van verzoeker tot benoeming tot Hoofd van ’s Lands Bosbeheer, in de rang eertijds bezoldigd volgens schaal 19 van de salarisreeks) naar regels van recht, en na afweging van de in aanmerking komende belangen, in redelijkheid niet tot toewijzing van de vordering van verzoeker kunnen (lees mogen) komen.

6. Tenslotte kan gesteld worden dat bij herhaling of aan verzoeker zelf, of aan het Ministerie waar hij verbonden was is meegedeeld, dat verzoeker niet gekwalificeerd was voor benoeming in de door hem waargenomen functie.
Op zijn schrijven van 28 april 1987, inzake vaststelling van zijn rechtspositie aan de toenmalige Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij, berichtte de bewindsman schriftelijk op 18 juni 1987 verzoeker, dat hij niet voor benoeming in die functie (Hoofd ’s Lands Bosbeheer) in aanmerking kwam ”vermits voor die functie een academicus, met name een bosbouwkundige-Ingenieur vereist is”.

Afschrift hierbij gevoegd met verzoek dit schrijven als in dit verweer geïnsereerd te willen beschouwen.

Op dit schrijven dat ter kennis kwam van verzoeker heeft verzoeker niet verder gereageerd, althans niet processueel, zoals voorgeschreven in de Personeelswet, artikel 79 en 80. De termijnen genoemd in die Wet zijn ver overschreden, op grond waarvan dan ook moet worden aangenomen, dat naar luidt artikel 80 van de Personeelswet, o.a. ingevolge lid 3 onder b, het Hof van Justitie verzoeker in zijn vordering niet-ontvankelijk zal verklaren.

Verweerder heeft op deze gronden geconcludeerd:
dat verzoeker op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vorderingen omdat hij ingevolge de Personeelswet tardief is in het adiëren van uw Hof c.q. deze vorderingen als door verzoeker gedaan, aan hem zullen worden ontzegd als zijnde ongegrond, niet op de Personeelswet steunende en niet bewezen.

Ingevolge ’s Hofs beschikking van 21 juni 1989 zijn in Raadkamer verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr. F. Kruisland, mevr. Reiziger en Mr. Dr. Ooft namens de Staat, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd.

De gemachtigden van partijen hebben de zaak hierna bij pleidooi nader toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verweerder daarbij produkties overgelegd, waarna het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak bepaald op 25 mei 1990, doch nader op heden.

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Als niet weersproken staat rechtens tussen partijen vast, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet.

Verweerder heeft tegen de vorderingen van verzoeker twee formele weren aangevoerd en geconcludeerd, dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen, welke weren blijkens het hierna volgende ter bestemder plaatse zullen worden besproken.

Het Hof zal thans in chronologische volgorde verzoekers rechtspositie bespreken, zijn op grond daarvan ingestelde vorderingen en tevens de daartegen door verweerder aangevoerde weren:

(1.) Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname van [datum 1] [nummer 1] is verzoeker, die toen de rang bezat van Stafambtenaar A 1e klasse (schaal 15) te rekenen van 4 april 1984 tijdelijk en wel voor de duur van 6 maanden belast ”met de leiding van de Dienst ’s Lands Bosbeheer”.

(2.) Uit een resolutie van voornoemde President van [datum 2] [nummer 2] blijkt, dat met het tussen ” ” geplaatste werd bedoeld verzoeker te belasten met de waarneming van de funktie van Hoofd van genoemde Dienst.

(3.) Bij laatst vermelde resolutie is die waarneming verlengd met de perioden: 4 november 1984 tot en met 31 december 1984,

1 januari 1985 tot en met 31 januari 1985,

1 februari 1985 tot en met 15 juli 1985.

(4.) Niet betwist is, dat verzoeker gedurende de periode 4 april 1984 tot en met 15 juli 1985 de funktie van Hoofd ’s Lands Bosbeheer daadwerkelijk heeft waargenomen. Evenmin is betwist, dat deze funktie definitief was opengevallen.

(5.) In confesso is, dat er geen wettelijke vereisten bestaan voor benoeming in die funktie. Hierover later uitvoerig bij de bespreking van de door verweerder terzake aangevoerde formele weer.

(6.) Als niet betwist staat eveneens rechtens vast, dat aan de funktie van Hoofd ’s Lands Bosbeheer de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse is verbonden en dat die rang in salarisschaal 19 is ingedeeld.

(7.) Verzoeker vordert, dat verweerder, onder verbeurte van een dwangsom, zal worden veroordeeld ertoe over te gaan, hem te bevorderen tot de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse en indeling in schaal 19.

(8.) Verzoeker heeft bij brief d.d. 28 april 1987·aan de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij verzocht te bewerkstelligen dat zijn rechtspositie formeel wordt vastgesteld in dier voege dat zijn indeling in de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse wordt gerealiseerd.

(9.) In antwoord hierop kreeg hij van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij a.i. de brief van [datum 3] [nummer 3], inhoudende onder andere:

dat hij, verzoeker niet voor benoeming in de functie van Hoofd ’s Lands Bosbeheer in aanmerking komt, vermits voor die ”functie een academicus, met name een bosbouwkundig ingenieur vereist is”. Hierover later uitvoerig bij de bespreking van de kwestie van de vereisten voor benoembaarheid.

(10.) Eerder, bij brief van 17 juli 1985, had verzoeker aan de Minister van Transport, Handel en Industrie onder meer verzocht te willen bewerkstelligen dat zijn stilzwijgende benoeming tot Hoofd ’s Lands Bosbeheer werd bevestigd en dat zijn indeling in de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse werd gerealiseerd.

(11.) Op deze brief is niet gereageerd.

(12.) Bij antwoord-pleitnota nu, heeft verweerder als verweer aangevoerd, dat de brief van 17 juli 1985 moet worden aangemerkt als een beklag binnen de administratie en nu niet op dit beklag is gereageerd zou artikel 80 lid 3 sub a van de Personeelswet van toepassing zijn en de vordering niet tijdig zijn ingesteld.

(13.) Bij de regeling nu van het beklag in de Personeelswet wordt naar ’s Hoven oordeel onderscheid gemaakt tussen, wat men zou kunnen noemen, werkelijke besluiten en fictieve besluiten. Het beklag kan betrekking hebben op een werkelijk of fictief besluit. Van een fictief besluit is sprake (art. 78 lid 2) indien:

a. een orgaan heeft nagelaten om binnen de daarvoor gestelde termijn (of 3 maanden) een verplichte handeling te verrichten;

b. een orgaan niet binnen 6 maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een verzoek.

(14.) Vóór de brief van 17 juli 1985 had verzoeker geen verzoek ingediend zijn benoeming te bevestigen etc. Het sub b bedoelde geval doet zich niet naar ’s Hoven oordeel dus niet voor.

(15.) Was hier sprake van het nalaten van een verplichte handelingen?

Op grond van het hierboven sub (1) tot en met (6) gestelde moet naar ’s Hoven oordeel worden geacht te rekenen van 4 april 1985 stilzwijgend in de funktie van Hoofd ’s Lands Bosbeheer te zijn benoemd. Zijn rang was toen lager dan die verbonden aan de funktie van Hoofd ’s Lands Bosbeheer en had hij aanspraak op bevordering in de hogere rang (art. 24 lid 4 Personeelswet).

Verweerder was verplicht verzoeker te bevorderen.

Voor deze verplichte handeling is geen bepaalde termijn vastgesteld, zodat daarvoor de termijn van 3 maanden (art. 78 lid 2a) geldt. Toen op 5 juli 1985 geen bevordering was gevolgd, werd ingevolge voormeld artikel het bevoegde gezag geacht een besluit te hebben genomen en wel om de bevordering niet te effectueren.

Er was naar ’s Hoven oordeel dus wel een besluit in de zin van artikel 78 Personeelswet.

(16.) Ingevolge het bepaalde in artikel 3 lid 2 Personeelswet was het gezag dat bovenbedoeld (fictief) besluit nam, het hoogste gezag (te weten de President), zodat tegen dit besluit geen beklag mogelijk was (zie Mem. v. Toel. pag. 19 Pw.).

(17.) Indien de brief van 17 juli 1985 als een beklagschrift moet worden aangemerkt, dan is dit beklag zonder rechtsgevolg, omdat voor verzoeker geen beklag mogelijk was. Het hierboven sub (12.) bedoelde verweer dient derhalve te worden verworpen.

(18.) In het verweerschrift wordt de brief van verzoeker van 28 april 1987 als een beklagschrift aangemerkt en wordt het antwoord daarop·als een beslissing op dat beklag beschouwd. Aangezien de onderhavige zaak langer dan een maand, nadat die beslissing ter kennis van verzoeker is gebracht, is ingesteld, zou verzoeker ex artikel 80 lid 3 sub b niet-ontvankelijk zijn.

(19.) Dit verweer dient op dezelfde grond als het sub (12.) bedoelde verweer te worden verworpen.

(20.) Als verder verweer is voorts aangevoerd, aldus begrijpt het Hof de betreffende stellingen van verweerder, dat:

– er geen wettelijke vereisten zijn voor benoeming in de funktie van Hoofd ’s Lands Bosbeheer,

– als materieel en traditioneel vereiste voor die benoeming geldt het genoten hebben van een opleiding tot bosbouwkundige of landbouwkundige,

– dat het voldoen aan niet alszodanige wettelijk vastgelegde materiële en traditionele vereisten een juiste en aanvaardbare vervanging is voor de eis van voldoening aan wettelijke vereisten en dat nu verzoeker niet aan bovenbedoeld materieel en traditioneel vereiste voldoet, hij derhalve geen aanspraak ontleent aan artikel 22 lid 5 Personeelswet.

(21.) De woorden van artikel 22 lid 5 Personeelswet zijn naar ’s Hoven oordeel duidelijk. Criterium is het voldoen aan de wettelijke, dat wil zeggen bij of krachtens de wet, gestelde vereisten voor benoembaarheid.

Nergens in de Personeelswet wordt voorgeschreven dat, bij het ontbreken van dergelijke vereisten, betrokkene aan niet wettelijk vastgestelde materiële of traditionele vereisten zou moeten voldoen.

(22.) Het verweer is derhalve in strijd met de woorden van de wet. Het stellen van niet bij of krachtens de wet gestelde en daardoor voor de landsdienaar niet of moeilijk kenbare vereisten, zou bovendien niet bevorderlijk zijn voor de rechtszekerheid, waarop de landsdienaar aanspraak maakt en derhalve in strijd met de bedoeling van de Personeelswet, die beoogt een verhoogde rechtsbescherming aan de ambtenaar te bieden.

(23.) De toelichting op artikel 22 lid 5 Personeelswet laat naar ’s Hoven oordeel zien, dat de wetgever rekening mee heeft gehouden, dat in een bepaald geval wettelijke eisen van benoembaarheid kunnen ontbreken en dat desondanks, indien aan de overige vereisten te weten waarneming gedurende langer dan een jaar van een definitief opengevallen funktie is voldaan, stilzwijgende benoeming volgt.

(24.) Dit verweer dient dan ook te worden verworpen.

(25.) Verzoeker is mitsdien ontvankelijk in zijn vordering.

(26.) Voor zover ten overvloede verweerder een beroep bedoelt te doen op het Ambtenarenbezoldigingsbesluit (S.B. 1980 no. 153 in het bijzonder bijlage B, jo. S.B. 1976 no. 11), zij opgemerkt, – gelijk hierboven bereids sub (21.) is vermeld, – dat artikel 22 lid 5 van de Personeelswet in dit geval niet meer de gebruikelijke vrijheid van benoeming aan de Overheid last, doch imperatief voorschrijft, dat de betrokkene geacht moet worden dan in de funktie te zijn benoemd, hetgeen, zoals de memorie van toelichting uitdrukkelijk stelt, inhoudt, dat verzoeker aanspraak maakt op stilzwijgende bevordering in de bij die funktie behorende rang (ook zonder dat een verzoek zijnerzijds tot bevordering wordt gedaan (Cfm. vs. HOF VAN JUSTITIE 21 mei 1976, S.J. (A) No. 157 inz. [naam]/PENSIOENFONDS SURINAME).

(27.) Verzoekers vorderingen dienen in voege als na te melden te worden toegewezen.

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

I. Veroordeelt verweerder om binnen DRIE MAANDEN na betekening van dit vonnis overeenkomstig de terzake geldende wettelijke regelingen vast te leggen, dat verzoeker stilzwijgend is benoemd tot Hoofd van de Dienst ’s lands Bosbeheer met bepaling dat verweerder voor elke dag dat hij in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, aan verzoeker ten titel van dwangsom een bedrag van f. 100,- (EENHONDERD GULDEN) zal verbeuren;

II. Veroordeelt verweerder om binnen DRIE MAANDEN na betekening van dit vonnis over te gaan tot bevordering van verzoeker tot de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse, zulks te rekenen vanaf 4 april 1985 en indeling in de salarisschaal 19, zoals vastgesteld in het Ambtenarenbezoldigingsbesluit, met bepaling dat verweerder voor elke dag dat hij ingebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, aan verzoeker ten titel van dwangsom zal verbeuren een bedrag van f. 100,– (EENHONDERD GULDEN);

Wijst af het meer of anders gevorderde.

 

SRU-HvJ-1990-9

Hof van Justitie

22 juni 1990, G.R. 13000

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, A.C. Veldema, J.R. von Niesewand)

A. appellant A],
B. [appellant B], beiden ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de mr. F.H.R. Lim A Postraat no. 1 ten kantore van advocaat mr. B.A. Halfhide, apellanten in kort geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [adres] in het [district] , advocaat mr. H.R. Schurman, geïntimeerde in Kort Geding.

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  • het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 10 april 1989 tussen partijen gewezen;
  • het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 11 augustus 1989, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  • dat eiseres de navolgende vordering in Kort Geding wenst in te stellen tegen:
    a. [appellant A],
    b. [appellant B], beiden ten deze domicilie kiezende ten kantore van mr. B.A. Halfhide, advocaat, gedaagden;
  • dat eiseres bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 18 mei 1989 bekend onder no. 89/1602 is veroordeeld om haar boot, bekend onder de naam “[naam boot]” binnen één dag na de uitspraak van het perceel van gedaagden weg te halen en voormeld perceel te ontruimen en ter beschikking van gedaagden te stellen.
    Voorts werd eiseres veroordeeld om ter titel van dwangsom aan gedaagden Sf. 500,– te betalen voor iedere dag dat zij aan de veroordeling niet voldoen;
  • dat eiseres niet in staat is geweest om tijdig aan voormeld vonnis te voldoen, daar zij vanwege overmacht genoodzaakt was de litigieuze boot te repareren, alvorens vermelde boot in het water te slepen, waarna deze van de plaats waar het zich bevond kon worden verwijderd;
  • dat blijkens hierbij overgelegd exploit van deurwaarder D. Hew A Kee de dato 02 juni 1989 eiseres is aangezegd om haar boot, bekend onder de naam “[naam boot]” weg te halen, waarbij tevens bevel is gedaan van betaling van de verbeurte dwangsom tot een bedrag van Sf. 6.500,– (zesduizend en vijfhonderd gulden);
  • dat gedaagden doende zijn de boot in het openbaar te doen verkopen, waarbij de verkoop op 20 juli 1989 is bepaald;
  • dat eiseres zich niet kan verenigen met de unfaire houding van gedaagden daar eiseres door overmacht gedreven niet in staat is geweest om tijdig aan de veroordeling tot ontruiming te voldoen. De door gedaagden verbeurte dwangsom aan eiseres is dan ook onterecht en ziet eiseres dit als een verrijking zijdens gedaagden, te meer daar eiseres twee dagen na gemelde datum de litigieuze boot heeft verwijderd van de plaats alwaar het zich bevond;
  • eiseres wordt door eerder omschreven executie ernstig gedupeerd, daar de boot bij een eventuele openbare verkoop voor een appel en een ei zal worden weggegeven, terwijl de boot thans een hoge verkoopwaarde heeft, daargelaten dat eiseres voor het onderhoud van haar gezin c.q. familie van de exploitatie in de boot afhankelijk is;
  • dat eiseres inmiddels een vordering bij de Kantonrechter aanhangig heeft gemaakt, waarin zij de hoogte van de door eiseres begrote dwangsom betwist;
  • dat eiseres vanwege haar vorenomschreven belang bereid is een bankgarantie aan gedaagden ter beschikking te stellen, zulks in afwachting op de te nemen eindbeslissing in het bodemgeschil;
  • dat deze zaak één is met een spoedeisend karakter welke geen uitstel gedoogt en een voorziening bij voorraad rechtvaardigt;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle uren en dagen zal worden gelast dat de executie, althans de openbare verkoop van de boot, genaamd “[naam boot]”, welke is vastgesteld op donderdag 20 juli 1989, zal worden opgeschort totdat in bodemgeschil een eindbeslissing is gegeven, tegen verbeurte van een dwangsom van Sf. 500,– (vijfhonderd gulden) per dag voor elke dag dat gedaagden weigeren om aan het vonnis te voldoen, kosten rechtens;

Overwegende, dat [appellant A] en [geïntimeerde] als gedaagde partijen in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering hebben bestreden en daarbij hebben geconcludeerd:
dat eiseres in haar vordering niet zal worden ontvangen, althans deze aan haar zal worden ontzegd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusie van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in kort geding van 10 augustus 1989 op de daarin opgenomen gronden:
gedaagden heeft gelast om de executie van het vonnis d.d. 18 mei 1989 in de zaak tussen partijen bekend onder A.R. No. 891602, wat de verbeurde dwangsom betreft, op te schorten totdat door de gewone rechter in een door eiseres binnen twee maanden na heden – op straffe van verval van deze opschorting – aanhangig te maken geding over de verschuldigdheid daarvan definitief is beslist;

gedaagden heeft veroordeeld om ten titel van dwangsom aan eiseres Sf. 500,– (vijfhonderd gulden) te betalen voor iedere dag dat zij aan voormelde veroordeling niet voldoen en wel tot een maximum bedrag van Sf. 50.000,– (vijftig duizend gulden);

dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

gedaagden heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 114,– (eenhonderd en veertien gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant A] en [appellant B] in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis van 10 augustus 1989;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Sh. Kandhai van 7 november 1989 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk werd bepaald op 25 mei 1990, doch nader op heden;

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het appèl tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 10 augustus 1989, tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken, tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat appellanten blijkens de pleitnota de dato 9 maart 1990, tegen het beroepen vonnis twee grieven hebben ontwikkeld, luidende:

  • Ten onrechte heeft de Kantonrechter geoordeeld dat een reeds verbeurde – dat is verschuldigde – dwangsom niet meer geëxecuteerd kan worden nadat voldaan is aan een veroordelend vonnis, omdat de executie slechts mogelijk was voor de prestatie en daarna niet meer, hebbende de Kantonrechter het voorgaande gestoeld op de overweging, dat de dwangsom een indirekt middel is om de hoofdverplichting af te dwingen, en als deze eenmaal nagekomen is, is afdwingen niet meer nodig en is dus de executie van de reeds verbeurde dwangsom niet meer mogelijk, als zijnde in strijd met het karakter en doel van de dwangsom;
  • Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat nu partijen verdeeld zijn over de grootte van het bedrag van de dwangsom, de executie dient te worden opgeschort;

Overwegende, aangaande voormelde grieven:
– dat als enerzijds gesteld en anderszijds erkend althans niet c.q. niet gemotiveerd betwist, tussen partijen vaststaat, dat geïntimeerde bij op 18 mei 1980 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken en, nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken, in kracht van gewijsde gegaan vonnis, is veroordeeld om een aan haar toebehorende boot, bekend onder de naam “[naam boot]” binnen een dag na de uitspraak van het perceel van appellanten weg te halen en dat perceel te ontruimen, te verlaten en ter vrije beschikking van appellanten te stellen, met medeneming van alle daarop van harentwege aanwezige voorwerpen, terwijl geïntimeerde voorts is veroordeeld om aan appellanten ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van Sf. 500,– (vijfhonderd gulden) per dag voor iedere dag, dat zij aan voormeld vonnis niet voldoet;

– dat voormeld vonnis bij exploit van deurwaarder D.E. Hew A Kee de dato 22 mei 1989 aan geïntimeerde in persoon is betekend, met aanzegging om onmiddellijk voormelde boot te verwijderen, aangezien de aan haar ingevolge voormeld vonnis gegunde periode verwijdering op de dag der betekening als voormeld bereids is verstreken;

– dat deurwaarder D.E. Hew A Kee bij exploit de dato 2 juni 1989 aan geïntimeerde bevel heeft gedaan binnen twee dagen na heden (d.i. 2 juni 1989) tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan appellanten te betalen;

  • de som van Sf. 6.500,– (zes duizend en vijfhonderd gulden); zijnde de van 19 mei tot en met 31 mei 1989 verbeurde dwangsom;
  • de som van Sf. 110,– (eenhonderd en tien gulden), zijnde de proceskosten;
  • de som van Sf. 89,– (negen en tachtig gulden), zijnde de betekeningskosten;
  • de ten deze gemaakte kosten, onverminderd de verdere kosten en de kosten en uitschotten der executie;

– dat appellanten, nadat geïntimeerde niet aan voormeld bevel had voldaan, de boot, bekend onder de naam “[naam boot]” in executoriaal beslag hebben doen nemen en de openbare verkoop daarvan bepaald op 20 juli 1989;

– dat geïntimeerde op aan haar vordering ten grondslag gelegde hier als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd, dat bij vonnis in kortgeding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren te gelasten de opschorting van de executie, althans openbare verkoop van de boot, genaamd “[naam boot]”, vastgesteld op 20 juli 1989, totdat in het bodemgeschil een eindbeslissing is gegeven, onder verbeurte van een dwangsom van Sf. 500,– (vijfhonderd gulden) per dag voor elke dag dat appellanten weigeren aan het vonnis te voldoen;

– dat appellanten de aan geïntimeerden vordering ten grondslag gelegde feiten gemotiveerd hebben weersproken en geconcludeerd tot weigering der gevraagde voorziening;

Overwegende, dat de bepaling van de rechter in kort geding dat de veroordeelde binnen een dag na de, in casu op 18 mei 1989 gedane, uitspraak aan het daarbij gegeven bevel moet voldoen wil zeggen uiterlijk op 19 mei 1989 wel ten gevolge heeft dat de veroordeelde door niet aan het gegeven bevel te voldoen, vanaf die dag in gebreke is ten aanzien van haar verplichting om aan het vonnis te voldoen, maar brengt niet zonder meer mee, dat over die dag en volgende dagen reeds de in het vonnis genoemde dwangsom wordt verbeurd;

dat krachten het toepasselijke recht de dwangsom wordt opgelegd om de nakoming van een rechterlijk bevel af te dwingen en aldus tot tenuitvoerlegging daarvan te geraken, eerst verbeurd indien de nakoming uitblijft na de betekening van het vonnis, voorgeschreven in artikel 305 lid 2 Rechtsvordering. Waar die betekening in het onderhavige geval op 22 mei 1989 heeft plaats gehad, is de dag na die betekening, zijnde 23 mei 1989, de eerste dag waarover de opgelegde dwangsom verschuldigd is;

Overwegende, dat de eerste grief op grond van het hiervorenoverwogene dan ook gegrond te achten is;

Overwegende, dat het Hof ten aanzien van de tweede grief dat de enkele omstandigheid, dat tussen partijen verschil van mening bestaat omtrent de hoogte van de totaal verschuldigde dwangsom, het ingrijpen van de rechter in kort geding niet rechtvaardigt;

Overwegende, dat de tweede grief eveneens gegrond te achten is;

Overwegende, dat het Hof onder vernietiging van het beroepen vonnis, de gevraagde voorziening alsnog zal weigeren;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton en uitgesproken tussen partijen op 10 augustus 1989 in kort geding gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende
Weigert aan geïntimeerde in de kosten van beide instanties aan de zijde van appellanten gevallen:

– in eerste aanleg begroot op Sf. nihil;
– in hoger beroep begroot op Sf. 85,–;

met inbegrip van het door het Hof aan zijn advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van Sf. 150,–;

bepalende het Hof het salaris van de advocaat van geïntimeerde eveneens op Sf. 150,–.

SRU-HvJ-2000-9

H.M.
GENERALE ROL NO.14060.

N.V.BOVAM, rechtspersoon, gevestigd en kantoor­hou­dende aan de Keizerstraat no.63 boven te Paramari­bo, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.F.M.S. IS­HAAK, advo­kaat,
appellante in conventie en in reconventie tevens geinti­meerde in conventie en in reconventie,

tegen

[geïntimeerde in conventie] wonende aan [adres 1] te [district], voor wie als gemachtigde op­treedt, Mr.J.LACHMON, advo­kaat,
geïntimeerde in conventie en in reconventie tevens appellant in con­ventie en in re­con­ventie,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kanton­rech­ter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 11 april 1995 en 9 juli 1996 tussen partijen gewe­zen;

2. de processen-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton, respectievelijk van 3 september 1996 en 30 januari 1997 waar­uit blijkt van het instel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat N.V.BOVAM als eisen­de partij in eerste aanleg zich bij verzoek­schrift tot de Kan­ton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:
1. dat eiseres de navolgende vordering wenst in te stellen tegen, [Geïntimeerde in conventie], wonende aan [adres 1] te [district];

2. dat eiseres met ingang van 1 oktober 1987 – zoals ook blijkt uit de hierbij in fotokopie overgelegde huur- en verhuurovereenkomst – als bedrijfsruimte aan de gedaagde heeft verhuurd gelijk gedaagde van eiseres heeft gehuurd de benedenruimte van het gebouw gelegen aan [adres 2] te [district] voor de huurprijs van Sf.2.500,– per maand, bij vooruitbeta­ling te voldoen;

3. dat in de voormelde overeenkomst van huur en verhuur van de benedenruimte was inbegrepen de aldaar aanwezige inventaris t.w.:

– 30 stalen stoelen – 100 cola kratten met fles­sen
– 7 tafels – 200 bier kratten met flessen
– 1 ronde bar – 2 koelkasten en 2 freezers
– 12 TL compleet 40 W;

4. dat de door partijen overeengekomen huurprijs naderhand, en wel begin 1992 is vastgelegd op Sf.4.50­0,-;

5. dat de gedaagde het gehuurde op 7 maart 1994 heeft ontruimd, doch ingebreke is gebleven met de betaling van de huur over de maanden januari en febru­ari 1994;

6. dat het eiseres ook is gebleken dat gedaagde bij de ontruiming de voormelde inventaris heeft ontvreemd althans heeft verduisterd en/of meegenomen;

7. dat de gedaagde zich middels deze handelingen en/of gedragingen schuldig maakt aan wanprestatie en/of inbreuk maakt op een aan eiseres toekomend subjectief recht althans aan een onrechtmatige daad jegens eiseres;

8. Eiseresses vordering tengevolge van de voormelde wanprestatie en/of onrechtmatige daad bestaat derhalve uit:

a. de opeisbaar verschuldige huurpenningen over de maanden januari en februari 1994, namelijk Sf.9.000,-;

b. gezien het sub 6 gestelde beloopt de schade van eiseres per heden tenminste Sf.473.000,– welke schade voortvloeit uit de waarde van de door gedaagde ont­vreemde/verduisterde inventaris, die alsvolgt kan worden gespecificeerd:

– 30 stalen stoelen á sf. 1.000,– Sf. 30.0­00,–
– 7 tafels á sf. 2.000,– Sf. 14.00­0,–
– 1 ronde bar á sf.20.000,– Sf. 20.000,–
– 12 Tls compleet 40W á sf. 750,– Sf. 9.000,–
– 100 cola kratten met flessen á sf. 1.000,– Sf.100.000,–
– 200 bier kratten met flessen á sf. 1.000,– Sf.200.000,–
– 2 koelkasten en 2 freezers Sf.100.000,–
Totaal Sf.473.000,–

te vermeerderen met de – ingevolge artikel 11 van de in het geding gebrachte overeenkomst – bijkomende gerechtelijke kosten, die kunnen worden begroot op een bedrag van plus minus Sf.49.000,–;

9. dat de gedaagde derhalve in totaal Sf.531.000,– aan de eiseres verschuldigd is, welk bedrag de eiseres thans in rechte wenst te vorderen van de gedaagde;

10. dat gedaagde reeds enige jaren in dienst is van het TELECOMMUNICATIE BEDRIJF SURINAME N.V., welke dienstbetrekking thans nog voortduurt en krachtens welke gedaagde aanspraak maakt op de daaruit voort­vloeiende geldelijke verdiensten;

11. Eiseres heeft inmiddels een schrijven van 9 maart 1994 welke bij exploit van deurwaarder Tj.JHAGROE d.d. 15 maart 1994 aan de gedaagde is betekend, gedaagde gewezen op zijn verplichtingen ingevolge de in het 2e ”dat” gesloten overeenkomst en hem tevens aangemaand, althans gesommeerd het verschuldigde bedrag van Sf.9.000,– te betalen;

12. gedaagde heeft echter tot op heden aan deze som­matie geen gevolg gegeven, zodat eiseres gerechtigd is dit bedrag, alsmede het bedrag van Sf.473.000,– plus Sf.49.000,– aan gerechtelijke kosten in rechte te vorderen van gedaagde;

13. dat eiseres ter verzekering van haar vordering met rente en kosten voorlopig te begroten op Sf.531.0­00, – – na daartoe verlof van de Kantonrech­ter te hebben bekomen bij beschikking d.d. 7 april 1994 – bij exploit van de deurwaarder Tjanderdewkoemar JHA­GROE d.d. 15 april 1994 no.229 Conservatior Beslag heeft doen leggen op het in dat proces-verbaal om­schreven onroerend goed en op 19 april 1994 no.230 Conservatior Derden Beslag onder het TELECOMMUNICATIE­BEDRIJF SURINAME N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo op alle gelden, gelds­waarden en/of goederen, welke zij van de gedaagde onder zich heeft en/of zal verkrijgen, althans aan gedaagde verschuldigd is en/of zal worden;

14. dat de gelegde beslagen bij exploit van genoemde deurwaarder d.d. 20 april 1994 no.238 aan gedaagde zijn betekend;

15. dat de beslagen thans vanwaarde dienen te worden verklaard;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gron­den heeft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld om terzake voorschreven tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen:
a. het bedrag van Sf.9.000,– vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening; voor de huurpenningen;

b. het bedrag van Sf.473.000,– terzake als ten rekeste omschreven vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening; voor de geleden schade;

c. de gerechtelijke kosten in totaal Sf.49.000,–;

d. van waarde te verklaren de ten deze ge­legde be­slagen, Kosten rechtens;
Overwegende, dat [geïntimeerde in conventie] als gedaagde par­tij in eerste aanleg voor antwoord in conventie heeft gezegd:
1. dat de gedaagde erkent dat hij met ingang van 1 oktober 1987 van de eiseres had gehuurd het gebouw gele­gen te [district] aan de [weg], bekend onder [nummer] beneden, welke huur aanvankelijk f.2.500,– (Twee Duizend Vijfhonderd Gulden) per maand bedroeg, doch daarna f.3.600,– (Drie Duizend Zeshonderd Gul­den) per maand en later door eiseres met ingang van 1 januari 1990 werd verhoogd tot f.4.500,– (Vier Dui­zend Vijfhonderd Gulden) per maand;

2. dat de gedaagde voormeld winkelgebouw aanvanke­lijk van de vorige [eigenaar], nu wij­len, in huur had;

3. dat de gedaagde ontkent, dat in de huur van het gebouw in kwestie ook was inbegrepen inventaris als door eiseres in alinea 3 van het inleidend rekest is vermeld;

4. dat de gedaagde in de winkelzaak zijn eigen beno­digdheden heeft gebruikt zoals: Tafels, Stoelen, Bier­flessen etc., doch geenszins in de huur waren inbegre­pen goederen als door eiseres is gesteld;

5. dat de gedaagde ontkent, dat hij over de maanden januari en februari 1994 geen (lees erbij: huur) heeft betaald, zodat hij ontkent, dat gedaagde huur aan de eiseres verschuldigd is;

6. dat de gedaagde ontkent, dat hij bij de ontrui­ming van de winkel in kwestie de door eiseres bedoelde inventaris heeft verduisterd en/of meegenomen, aange­zien gedaagde bij het verlaten van het gehuurde zijn eigen goederen heeft meegenomen zoals: 40 kisten lege Coca Cola flessen, 450 kratten bierflessen, twee bott­les, twee freezers, n.l. 1 staande en één liggend, met vierkante poten enz., welke goederen aan de ge­daagde toebehoren en hij deze bezat vanaf hij het winkelge­bouw van wijlen [eigenaar] in huur had;

7. dat integendeel hij nog huurder was van het win­kelgebouw in kwestie en eiseres zonder medeweten, toe­stemming en/of goedkeuring van gedaagde uit de winkel­zaak van gedaagde aan [adres 2] heeft meege­nomen en/of doen meenemen 1 Brandblusapparaat en 1 Hydrofoor met tank, waarvoor eiseres aan de gedaagde zulks dient te vergoeden;

8. dat de gedaagde ontkent goederen van de eiseres ter waarde van f.473.000,– te hebben meegenomen, zoals door eiseres in alinea 8 van haar inleidend rekest heeft gesteld, bovendien ontkent de gedaagde dat de door eiseres bedoelde goederen door gedaagde zouden zijn mee­genomen en een waarde vertegenwoordig­den als door eise­res is opgegeven;

9. dat de gedaagde nogmaals ontkent, dat hij de door eiseres in alinea 8 opgesomde roerende goederen heeft meegenomen en dat de goederen een waarde hebben als door eiseres is gespecificeerd;

10. dat de gedaagde ook ontkent dat hij wegens bijko­mende gerechtelijke kosten een bedrag van plus minus f.49.000,– aan de eiseres verschuldigd is;

11. dat de eiseres danook ten onrechte de onderhavige vordering tegen de gedaagde heeft ingesteld en ook ten onrechte conservatoir-derden-beslag op gelden van de gedaagde onder Telesur en conservatoir-beslag op het onroerend goed heeft doen leggen;

12. dat de door eiseres gelegde beslagen vexatoir zijn en dienen te worden opgeheven;

13. dat integen­deel door het onrechtmatig hande­len van de eiseres ge­daagde schade heeft geleden, welke schade gedaagde van eiseres in reconventie zal vorde­ren;

14. dat de gedaagde verder ontkent alhetgeen niet uitdrukkelijk door hem is erkend;

15. dat eiser alhetgeen door hem in conventie naar voren is gebracht hierbij als letterlijk herhaald en geinsereerd wenst te beschouwen, voor zoveel nodig bevonden;
en voor eis in reconventie heeft gesteld:
1. dat de eiser hierbij de navolgende vordering wenst in te stellen tegen de gedaagde;

2. dat de eiser te [district] van de gedaagde had gehuurd, gelijk deze aan de eiser had verhuurd het gebouw gelegen te [district] aan de [weg], be­kend onder [nummer] beneden, welk gebouw door eiser als Eet- en Drinkgelagen zaak werd geexploi­teerd;

3. dat terwijl eiser in het gehuurde nog zijn be­drijf had gevestigd en dit bedrijf door eiser ook werd geexploiteerd zonder vooraf toestemming althans goed­keu­ring van eiser te hebben verkregen, gedaagde tegen begin van het jaar 1990 overging om het gebouw in kwes­tie te verbouwen en alstoen in de bovenverdieping bouw­aktiviteiten te ontplooien en alzo de totale dak­bedek­king van het gebouw had opengebroken en het ge­bouw zonder dakbedekking dus onbedekt vanaf begin 1990 tot en met december 1993 had gelaten; Gedaagde had de ver­bou­wingswerkzaamheden aangegaan zonder vergunning van O.W., zodat O.W. de bouwaktiviteiten had stopge­zet, alzo gedurende 3 jaren het gebouw zonder dakbe­dekking door eiser werd bewoond;

4. dat doordien gedaagde de dakbedekking van het gebouw had opengebroken als ook enkele vensters van de (lees:het) bovengedeelte had verwijderd tijdens regen­tijden water in de winkelzaak van eiser terecht kwam, waardoor eiser vanaf januari 1990 tot december 1993, gedurende 1430 dagen zijn winkelzaak niet kon open­stellen en voor deze dagen schade heeft geleden wegens gemis aan inkomsten;

5. dat eiser gedurende het jaar 1990 tot december 1993, in totaal 1430 dagen zijn winkelzaak niet heeft kunnen openstellen, t.w.:

6. dat door het niet openstellen van zijn winkelzaak eiser tenminste f.500,– per dag aan winstderving heeft geleden, welke schade gesteld kan worden op 1430 dagen x f.500,– in totaal uitmakende de som van f­.715.000,–;

7. dat toen eiser de gedaagde erop had gewezen dat door zijn handeling eiser’s bedrijf schade lijdt ge­daagde de eiser had beloofd de door eiser geleden schade met de huishuur te zullen verrekenen, echter heeft de gedaagde zulks niet gedaan;

8. dat doordien tijdens de regens eiser zijn winkel­zaak niet kon openstellen eiser heel veel klanten heeft verloren en uit hoofde hiervan zijn geleden schade kan stellen op f.150.000,–;

9. dat de gedaagde verplicht en gehouden is voormel­de schade aan de eiser te vergoeden;

10. dat de gedaagde voorts zonder toestemming-voor­kennis en/of vooraf verkregen toestemming van de eiser uit voormelde winkelzaak van eiser de navolgende aan eiser toebehorende roerende goederen heeft meegenomen en/of doen meenemen, t.w.:

1. een Brandblusapparaat ter waarde van f.5.000,– (Vijf Duizend Gulden) en 2. Een Hydrofoor met tank ter waarde van U.S.$.10.000,– (Tien Duizend Amerikaanse Dollars);

11. dat de eiser alzo van de gedaagde heeft te vorde­ren de som van f.715.000,– (Zevenhonderd en Vijftien Duizend Gulden) wegens inkomstenderving en f.15.000,– (Vijftien Duizend Gulden) wegens vergoeding van de waarde van de door gedaagde onrechtmatig meegenomen aan eiser toebehorende roerende goederen, uitmakende de som van f.730.000,– (Zevenhonderd en Dertig Dui­zend Gulden) plus een bedrag van f.150.000,– wegens verloren aan klanten, plus de waarde van de (lees:het) Brandblus­apparaat ad f.5.000,– (Vijf Duizend Gulden) plus U.S.$.10.000,– (Tien Duizend Amerikaanse Dol­lars) waarde van de Hydrofoor met tank, in totaal uitmakende de som van f.885.000,– (Achthonderd Vijf en Tachtig Duizend Gulden Surinaams) en U.S.$.10.000,– (Tien Duizend Amerikaanse Dollars), althans de te­genwaarde daarvan in Surinaams courant tegen de geldende dag­koers;

12. dat eiser van voormelde bedragen geen betaling van de gedaagde kan bekomen, niettegenstaande zij daartoe herhaaldelijk en dringend is aangemaand;

13. dat eiser voormelde bedragen van f.885.000,– (Achthonderd Vijf en Tachtig Duizend Surinaamse Gul­dens) en U.S.$.10.000,– (Tien Duizend Amerikaanse Dollars), althans de tegenwaarde daarvan in Surinaams Courant tegen de geldende dagkoers, thans in rechte van de gedaagde wenst op te vorderen;

Overwegende, dat op deze gronden is geconclu­d­eerd:

voor antwoord in conventie:

dat eiseres in zijn (lees:haar) vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze haar zal worden ontzegd, als zijnde ongegrond en onbe­wezen, Kosten rechtens;

en voor eis in reconventie:

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, niette­genstaande verzet of hoger beroep, zonder borgtocht, met uitzondering van de veroordeling omtrent de kos­ten, gedaagde zal worden veroordeeld om tegen behoor­lijk bewijs van kwijting te betalen de som van f.885.000,– (ACHTHONDERD VIJF EN TACHTIG DUIZEND SURINAAMS COURANT) en U.S.$.10.000,– (TIEN DUIZEND AMERIKAANSE DOLLARS), althans de tegenwaarde daarvan in Surinaams Courant tegen de geldende dagkoers, ter­zake voorschreven benevens de interessen hierover ad zes ten honderd in het jaar vanaf de dag der indiening van het verzoekschrift tot aan die der algehele vol­doening;

dat de gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

Overwegende, dat de eisende partij in conven­tie een als ingelast te beschouwen conclusie van re­pliek heeft doen nemen en als gedaagde partij in recon­ventie voor ant­woord heeft gezegd:

1. gedaagde ontkent en betwist al hetgeen niet woor­delijk en uitdrukkelijk door haar in het navolgende wordt erkend, zonodig onder aanbod van bewijs harer stellingen door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen;

2. dat al hetgeen in conventie is aangehaald hier als letterlijk herhaald en geinsereerd dient te worden beschouwd;

3. gedaagde heeft voor het verrichten van reparatie- en/of verbouwingswerkzaamheden aan het pand in kwestie wel degelijk een vergunning aangevraagd en verkregen; ter adstruering van het vorenstaande wordt een bewijs van betaling leges d.d. 21 mei 1990 in fotokopie over­gelegd; de vergunning zelf is verleend op 29 mei 1990;

4. de huurovereenkomst met de eiser was reeds op 30 juni 1988 geexpireerd, doch is telkens – op verzoek van eiser – verlengd met enkele maanden; hierbij heeft de eiser nimmer enig bezwaar geuit vanwege waterover­last als gevolg van regen en/of de bouwwerkzaamheden in kwestie; de eiser wenste – integendeel – de over­eenkomst telkens te verlengen;

5. eiser heeft de gedaagde nimmer aangemaand en/of gesommeerd om de bouwwerkzaamheden te staken; derhalve heeft eiser door deze handelingen en/of gedragingen stilzwijgend toegestemd met de bouwwerkzaamheden en/of verwijdering van het dak in kwestie als gevolg waarvan hij zijn rechten tot schadeloosstelling heeft ver­werkt;

6. gedaagde wenst uitdrukkelijk te ontkennen en te betwisten dat eiser als gevolg van deze bouwwerkzaam­heden en/of verwijdering van het dak (door waterover­last) schade heeft geleden;

7. volgens informatie ingewonnen bij de Meteodienst van Suriname blijkt dat in de periode 1990 – december 1993 het zeker niet 1430 dagen heeft geregend in Para­maribo en omstreken; dat de gedaagde het gestelde in het 5e ”dat” van de eis in reconventie ten stelligste ontkent en betwist;

8. de overige stellingen van de eiser worden uit­drukkelijk ontkend en betwist; deze stellingen zijn bovendien niet geadstrueerd met justificatoire be­scheiden en kunnen derhalve dan ook gevoeglijk worden gepasseerd;

9. het is voor de gedaagde een raadsel hoe en/of op welke wijze de eiser aan de verscheidene astronomische be­dragen is gekomen teneinde zijn vordering te motive­ren;

10. dat de vordering van eiser dubieus en wankel is en hem dient te worden ontzegd;

11. dat de gedaagde verder alles ontkent wat hij niet uitdrukkelijk heeft erkend;

Overwegende, dat gedaagde in reconventie op deze gron­den voor antwoord in reconventie heeft gecon­clu­deerd:

dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk verklaard zal worden, althans deze hem zal worden ontzegd, als te zijn ongegrond en niet bewezen;

en als eiseres in conventie voor repliek in con­ven­tie heeft gepersisteerd bij haar conclusie van e­is; hebbende de gemachtigde van eiseres in conventie pro­dukties over­gelegd, waarvan de inhoud hier als inge­last dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van dupliek in conventie en van repliek en du­pliek in reconventie, welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingevoegd, haar stellingen nader hebben toege­licht en verdedigd – hebbende de gedaagde bij dupliek in reconventie een produktie overgelegd waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 11 april 1995 in conventie en in reconventie alvorens verder te beslissen een compa­ri­tie van partijen heeft gelast en iedere verdere uit­spraak heeft aangehouden;

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen niet is gehouden;

Overwegende, dat ten dage bepaald voor uitlating voeging casu quo voortzetting enquête zijdens partij [geïntimeerde in conventie], diens gemachtigde een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage bepaald voor conclusie zijdens eiseres, diens gemachtigde mondeling heeft verklaard dat hij accoord gaat met de voeging, waarna de Kantonrechter de comparitie van partijen gesloten heeft verklaard;

Overwegende, dat ten dage bepaald voor uitlating zijdens eiseres over de gevoegde stukken, peremptoir, de gemachtigden van partijen hebben gepersisteerd bij hun stellingen en vonnis hebben gevraagd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 9 juli 1996 op de daarin opgenomen gronden:

In conventie:

Eiseres (partij Bovam) haar vordering heeft ont­zegd;

De ten deze gelegde beslagen heeft opgeheven;

Eiseres heeft veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uit­spraak begroot op f.nihil;

In reconventie:

Gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser te beta­len f.305.000,– (DRIEHONDERD EN VIJFDUIZEND GULDEN) en U.S.$.1000,– (EENDUIZEND AMERIKAANSE DOLLARS), althans de tegenwaarde daarvan in Surinaams Courant tegen de geldende dagkoers terzake, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf 26 april 1994 tot aan de dag der algehele voldoening;

Dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de eiser gevallen en tot aan deze uit­spraak begroot op f.nihil;

Overwegende, dat blijkens hoger­vermelde proces­sen-ver­baal [ geïntimeerde in conventie], gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie en N.V.BOV­AM, eiseres in conven­tie te­vens gedaagde in reconventie in hoger beroep zijn geko­men van voor­meld eind­von­nis van 9 juli 1996;

Overwegende, dat bij exploiten van deurwaarder M.SITARAM respectievelijk d.d. 14 en 15 mei 1998 aan ge­nti­meerden aan­zeg­ging van het inge­stelde hoger be­roep is gedaan, ter­wijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aan­ge­zegd;

Overwegende, dat ten dage voor pleidooi peremp­toir bepaald advokaat Mr.F.M.S.Ishaak heeft gepersis­teerd bij al hetgeen in prima is gesteld, terwijl ten zelfde dage advokaat Mr.L.Doerga namens advokaat
M­r.J.Lachmon eveneens heeft gepersisteerd bij zijn stellingen;

Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was be­paald op 3 november 2000, doch bij vervroeging op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

in conventie:

Overwegende, dat nu de vordering tegen partij Geïntimeerde in conventie, bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 9 juli 1996 is ontzegd en zij, partij [ [geïntimeerde in conventie], geen belang heeft bij het door haar tegen gemeld vonnis ingesteld hoger beroep is zij in dat ingesteld hoger beroep niet ont­vankelijk;

Overwegende, dat nu partij N.V. Bovam 32 dagen na dagte­kening van griffiersbrief, daterend van 10 janua­ri 1997, in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 9 juli 1996, terwijl de wet slechts een termijn van 30 dagen na dagtekening van de griffiersbrief de dato 10 janua­ri 1997 toestaat, is partij N.V.Bovam in haar tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton ingesteld hoger beroep niet ontvankelijk;

Overwegende, dat elk der appellanten de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van elk der geintimeerden gevallen zal moeten dragen;

in reconventie:

Overwegende, dat nu partij [geïntimeerde in conventie] blijkens aantekening van de griffier bij de uitspraak vertegenwoordigd was, zodat zij gerekend van de dag van de uitspraak 56 dagen nadien appel tegen het von­nis heeft aangetekend, terwijl de wet slechts een termijn van 30 dagen (na 9 juli 1996) toestaat is partij [geïntimeerde] niet ontvankelijk in het door haar ingesteld hoger beroep;

Overwegende, dat nu partij N.V.Bovam vanaf de dagtekening van de griffiersbrief, 10 januari 1997, 32 dagen nadien appel aangetekend heeft tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 9 juli 1996 terwijl de wet slechts een termijn van 30 dagen toestaat, is partij N.V. Bovam niet ont­vankelijk in het door haar ingesteld hoger beroep;

Overwegende, dat elk der appellanten de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van elk der geintimeerden gevallen zal moeten dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

in conventie:

Verklaart elk der appellanten niet ontvankelijk in het door elk van hen ingesteld hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 9 juli 1996 gewezen;

Veroordeelt elk van de appellanten in de kosten aan de zijde van elk van de geintimeerden op de proce­dure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op Sf…..

in reconventie:

Verklaart elk der appellanten niet ontvankelijk in het door elk van hen ingesteld hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 9 juli 1996 gewezen;

Veroordeelt elk van de appellanten in de kosten aan de zijde van elk van de geintimeerden op de proce­dure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op Sf…………

in conventie en in reconventie:

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESE­WAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President bij vervroeging uitge­spro­ken ter open­bare te­rechtzit­ting van het Hof van Justi­tie van VRIJ­DAG, 20 oktober 2000, in tegen­woor­digheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substi­tuut-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.M.A.BODHA namens haar gemachtigde, advo­kaat Mr.F.M.S.ISHAAK en geintimeerde vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.E.STRUIKEN namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.LACHMON, zijn bij de uitspraak ter te­rechtzit­ting ver­sche­nen.

SRU-HvJ-1997-13

PRO JUSTITIA
IN NAAM DER REPUBLIEK!
VONNIS 1997 No.15

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter-Plaatsver­vanger in het Tweede Kanton op 17 oktober 1994 gewe­zen en uitgesproken tegen:
[verdachte];
oud 23 jaar;
monteur van beroep;
geboren te [district];
wonende aan [adres] te [district], verdachte;

Gelet op het tijdig door de verdachte ingestel­de hoger beroep;

Gelet op het ten deze tegen, de behoorlijke middels aan­plakkking gedagvaarde, niet verschenen verdachte in hoger beroep, verleende verstek;

Gehoord het Openbaar Ministerie;

Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte bij de inleidende akte van dagvaarding zijn telastegelegd, de feiten zoals omschreven bij de inleiden­de akte van dagvaarding, welke akte van dag­vaarding als hier geïnsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat de verdach­te het hem bij inleidende akte van dagvaarding te laste gelegde heeft begaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven;
met vrijspraak van het meer of anders te laste geleg­de;

Overwegende, dat de Kantonrechter het bewezen aange­nomen feit heeft gekwalificeerd als:
DIEFSTAL WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS DES MISDRIJFS HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN BRAAK, misdrijf, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel­ 371 lid 1 sub 5o, juncto artikel 370 van het Wetboek van Strafrecht en de ver­dachte te dier zake heeft veroordeeld tot gevangenisstraf voor de tijd van TIEN MAANDEN met bevel dat van deze straf een gedeelte van VIER MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de Rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van en hierbij op DRIE JAREN bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen met bepa­ling dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerleg­ging van deze uit­spraak vanaf 13 mei 1994 tot en met 17 juni d.a.v. voor­lopig in verzekerde bewaring doorgebracht bij de uitvoering van het onvoor­waardelijk deel van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
met bevel tot gevangenneming van de verdachte;

Overwegende, dat het Hof zich met het beroepen vonnis kan verenigen, behalve ten aanzien van de aan de verdachte op­gelegde straf en de kwalificatie, weshalve dit vonnis behoort te worden beves­tigd, met uitzondering van dat gedeelte waarbij aan de ver­dachte straf werd opgelegd en de kwalificatie, op welk punten dit vonnis moet worden vernietigd met dien ver­stande echter dat de in het beroepen vonnis opgenomen kwalifi­catie gewijzigd wordt in:
DIEFSTAL WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS DES MISDRIJFS HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN BRAAK, MEERDERE MALEN GEPLEEGD, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 371 lid 1 sub 5o juncto artikel 370 van het Wetboek van Straf­recht;

Overwegende, dat het Hof de navolgende straf in overeen­stemming acht met de ernst van het gepleegde feit, de omstan­digheden waaronder dit werd gepleegd en de persoon van de verdachte;

Gezien de in het vonnis aangehaalde wetsartikelen, alsme­de artikelen 9, 11, 17, 18, 38 en 44 van het wetboek van Straf­recht;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP BIJ VERSTEK:

Bevestigt het vonnis d.d. 17 oktober 1994 door de Kanton­rechter-Plaatsvervanger in het Tweede Kanton gewezen en uitge­

sproken tegen de [verdachte], waarvan beroep, behoudens ten aanzien van de aan de verdachte opgeleg­de straf en de kwalificatie;

Vernietigt dit vonnis te dien aanzien en in zoverre op­nieuw rechtdoende;

Veroordeelt de verdachte te dier zake tot gevangenisstraf voor de tijd van ACHT MAANDEN;

Bepaalt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuit­voerlegging van deze uitspraak vanaf 13 mei 1994 tot en met 17 juni 1994 voorlopig in verzekerde bewaring doorge­bracht, bij de uitvoering van de hem opge­legde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Beveelt de gevangenneming van de ver­dachte;

Aldus gewezen door de heren:

Mr. J.R. VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.W.R.WILLEMZORG, lid, Mr. M.G. DE MIRANDA, lid-plaatsvervanger in tegenwoordig­heid van Mr. R.JANKIPERSAD-GHARBARAN, fungerend-griffier, die dit vonnis hebben onderte­kend en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van WOENSDAG, 13 AUGUSTUS 1997, door de Vice-President voornoemd.

SRU-HvJ-1997-12

PRO JUSTITIA
IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!
VONNIS 1997 No.13

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in af­schrift overgelegde verkort vonnis, door de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 2 december 1993 gewezen en uitgesproken tegen:
[verdachte];
oud 28 jaar;
zonder beroep;
geboren in [district];
verblijfplaats onbekend, verdachte;

Gelet op het tijdig door de verdachte en de Vervolgings-ambtenaar ingesteld hoger beroep;

Gelet op het ten deze tegen de behoorlijk gedagvaar­de doch niet verschenen verdach­te verleende verstek;

Gehoord het Openbaar Ministerie;

Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte bij de inleidende akte van dagvaarding zijn tenlastegelegd, de feiten zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding welke als hier geïnse­reerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat verdachte het hem bij inleidende akte van dagvaarding sub A tenlastegelegde heeft begaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven;
met vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde;

Overwegende, dat de Kantonrechter het bewezen verklaarde heeft gekwalificeerd als:
1. MOORD, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 349 van het Wetboek van Strafrecht;

Veroordeelt hem te dier zake tot gevangenisstraf voor de tijd van zestien jaren;

Overwegende, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter, dat niet naar de redenen van de wet gemotiveerd is, bevattende immers niet de gronden die tot die beslissing hebben geleid, zal vernietigen en opnieuw zal worden rechtgedaan;

Overwegende, dat ter terechtzitting in hoger beroep afgezien is van het horen van getuigen maar dat het Hof vol­staat met de volgende bij de politie afgelegde verklaringen welke zakelijk weergegeven onder meer inhouden:

1. een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal d.d. 17 febru­ari 1993 door de Ambtenaar van Politie, dienende in de rang van onderinspecteur van politie, [verbalisant] als verkla­ring van [verdachte] bij confrontatie met het lijk van [naam], zake­lijk weer­geven:
dat hij het lijk herkent als te zijn van zijn gewezen vriendin [naam];
dat hij haar gedood heeft door haar eerst te wurgen met een tot strop gemaakte doek;
dat hij haar van te voren mishandeld heeft door haar slagen toe te brengen met zijn geschoeide voeten, waarna hij haar buiten het huis gedragen heeft, gestoken heeft met een mes, weer gewurgd heeft en tenslotte haar afgeslacht heeft;

2. een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal d.d. 13 febru­ari 1993 door de Ambtenaar van Politie, dienende in de rang van onderinspecteur van politie, [verbalisant] als verkla­ring van [verdachte], zake­lijk weer­geven:
dat hij op 2 oktober 1992 [naam] leerde kennen, op wie hij verliefd werd en algauw onderhielden zij een intie­me relatie met elkaar;
dat op 6 februari 1993 hij erachter kwam dat zij andere mannen op nahield, wat hem hinderde;
dat hij haar op 12 februari 1993 omstreeks zes uur opbel­de om uit te gaan, waarna zij hem mededeelde dat zij bezig was te kaarten met haar ex-vriend en later op de avond wel uit wilde gaan met hem;
dat hij op 12 februari 1993 omstreeks middernacht naar de woning van [naam] aan [adres] op het projekt van Tourtonne is gegaan;
dat hij haar wilde verrassen omdat hij dacht dat ze misschien met een man in huis was en daarom is hij via het keukenraam van de benedenwoning naar het balkon van de boven­woning geklauterd, waar een raam openstond en via dit raam is hij haar slaapkamer binnengegaan;
dat hij haar alleen in de keuken aantrof en dat zij op een gegeven moment ruzie kregen omdat hij jaloers werd en bang werd dat zij hem zou verlaten;
dat zij snikkend uitriep dat de telefoon en het huis van haar is dat zij gewoon een andere man kon nemen, wat voor hem teveel werd en met zijn geschoeide voeten bracht hij, verdach­te [naam] vier trappen toe op het bovenlichaam, welke voornamelijk terecht kwam op haar schouders, waarna zij op de grond zakte;
dat zij opstond en naar de keuken snelde om een mes te pakken, waarmee zij hem dreigde te steken;
dat hij het voor elkaar kreeg het mes uit haar handen te te laten vallen;
dat zij op een gegeven moment plaatsnam op een stoel in de voorkamer en toen zij voor de zoveelste maal te kennen gaf geen relatie meer met hem te willen, het voor hem te veel werd om te verdragen;
dat hij, verdachte achter haar stoel ging staan en niet ver van de stoel waarop zij zat, zag hij een doek, wat hij opnam met de intentie [naam] te wurgen;
dat hij ongeveer vijf minuten getwijfeld heeft en toen ze niet opkeek, bracht hij het doek snel van achteren om haar hals en trok aan de uiteinden, zodat zij niet de kans kreeg om tegen te stribbelen;
dat hij ophield met wurgen totdat hij bloed zag sijpelen uit haar mond en neus;
dat toen hij zag dat ze moeilijk ademde, hij besloot mond op mond beademing toe te passen, omdat het niet hielp besloot hij haar op dat moment te doden daar hij dacht dat als zij weer zou bijkomen, zij hem zou vermoorden of laten vermoorden;
dat hij haar naar buiten gedragen heeft en naar de Natri­umstraat gebracht heeft, alwaar hij haar op de grasberm gelegd heeft en met een mes in haar onderbuik heeft gestoken en daarna haar met de handen gewurgd heeft totdat zij roerloos bleef liggen;
dat toen hij, verdachte zag dat ze nog leefde hij haar verder in de hoge begroeiing heeft gebracht, waar hij haar keel heeft doorgesne­den;

3. het visum et repertum naar waarheid opge­maakt door de patholoog, Prof. Dr. M.A. Vrede op 13 febru­ari 1993:
dat de meeste afwijkingen in de halsstreek en in het gelaat zowel links als rechts en in de linkerhelft van het lichaam op de linkerarm en schouder werden gevonden;
dat er in totaal ongeveer zestien snijwonden werden gevonden, waarvan twee achter het oor, twee in het wangge­bied, in de hals was een grote gapende wond waarbij luchtpijp en strottenhoofd zichtbaar waren, met mogelijk zeven tot acht snijwonden in hetzelfde gebied, drie snijwonden in de linker­arm, in de flank een snijwond;
dat er in de halsstreek een doorsnijding van de luchtpijp boven het strottenhoofd was;
dat de overige organen geen specifieke afwijkingen toon­den;
dat de doodsoorzaak het gevolg was van asfyxie als gevolg van de doorsnijding van de luchtpijp;

4. de overlijdensakte van de burgerlijke stand opgemaakt op 15 februari 1993;
dat uit het register van overlijden van Paramaribo blijk­t, dat aldaar op dertien februari negentienhonderd drie en negentig is overleden: [naam], ongehuwd;

Overwegende, dat het Hof op grond van de inhoud van voormelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht, met de schuld van verdachte daaraan hetgeen hem bij dagvaar­ding sub A is tenlastegelegd, te weten dat hij:
A. op 13 februari 1993 te [district] opzettelijk en met voor­bedachte rade, [naam] van het leven heeft beroofd, hebbende immers hij, verdachte, toen aldaar na in kalm beraad en rustig overleg, het voornemen te hebben opgevat en het plan te hebben beraamd, om die [naam], opzettelijk van het leven te beroven, ter uitvoering van dat voornemen en dat plan, opzettelijk gewelddadig, met zijn geschoeide voeten, meer slagen op de schouders en op het bovenlichaam, van voor­noemde [naam] toegebracht, en vervolgens een stuk doek om de hals, van die [naam] gedaan, en vervolgens, opzettelijk, genoemde [naam], gewurgd, en die [naam] opgetild en een afstand gedragen en, vervolgens met een mes een steek toege­bracht in de onderbuik van die [naam], en vervolgens, zijn, ver­dachte’s, handen om de hals van die [naam] gedaan, en opzet­telijk genoemde [naam] gewurgd, en met voornoemd mes, zes­tien steken toegebracht in het lichaam van voornoemde [naam];

Overwegende, dat de ten laste van verdachte bewezen geachte feiten moeten worden gekwalificeerd als:
1. MOORD, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 349 van het Wetboek van Strafrecht;

Overwegende, dat de verdachte deswege strafbaar is zijnde van geen grond tot uitsluiting of opheffing der strafbaarheid gebleken;

Gezien, behalve vorenaangehaalde wetsartikelen, de arti­kelen 9, 11, 38, 44 en 127 van het Wetboek van Strafrecht;

Overwegende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen de verdachte bij dagvaarding meer of anders is tenlastegelegd dan bewezen is verklaard, weshalve hij daarvan behoort te worden vrijgesproken;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP BIJ VERSTEK:

Vernietigt het vonnis van 2 december 1993 door de Kanton­rechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken tegen de [verdachte], waarvan beroep;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen, hetgeen hiervo­ren bewezen is geacht;

Kwalificeert de bewezen verklaarde feiten als voormeld;

Verklaart de bewezen verklaarde feiten en de verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt hem te dier zake tot gevangenisstraf voor de tijd van ZESTIEN JAREN;

met bepaling dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuit­voerlegging van deze uitspraak van 13 februari 1993 voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, hetgeen hem bij dagvaarding meer of anders is telastegelegd, dan bewezen is verklaard;

Beveelt de gevangenneming van de veroordeelde;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S. GANGA­RAM-PANDAY, fungerend-President, Mr.P.G. WOLFF en Mr.K. PULTOO, leden, in tegenwoordigheid van mevr. Mr.R. JANKIPERSAD-GHARBARAN, funge­rend-Griffier, die dit vonnis hebben ondertekend en uitgespro­ken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van WOENSDAG, 30 JULI 1997 door de fungerend-Presi­dent voornoemd.

SRU-HvJ-1997-11

PRO JUSTITIA
IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!
VONNIS 1997 No.10

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding, waaron­der het in af­schrift overgelegde verkort vonnis, door de Kan­ton­rech­ter in het Tweede Kanton op 23 juni 1994 gewezen en uitge­sproken tegen:
[verdachte];
oud 69 jaar;
zonder beroep;
geboren in [district];
wonende aan [adres] te [district], inmiddels invrijheid gesteld door de Raadkamer van het Hof van Justitie op 22 november 1993;

Gelet op het tijdig door de Vervolgingsambtenaar en de ver­dachte ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton van 23 juni 1994;

Gehoord de verdachte in zijn verdediging, daarin bijge­staan door zijn raadsman, advocaat Mr.R.U.F. TRUIDEMAN;

Gehoord de getuigen in hun beëdigde afge­legde verklarin­gen;

Gehoord het Openbaar Ministerie;

Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte zijn tenlastegelegd, de feiten zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaar­ding, welke als hier geïnse­reerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in het Tweede Kanton in diens vonnis wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat verdach­te de hem bij de betreffende inleidende akte van dag­vaarding sub C tenlas­tegelegde feiten heeft begaan, zoals in voormeld vonnis is weer­ge­ge­ven;

met vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde;

Overwegende, dat de Kantonrechter in het Tweede Kanton de bewezen verklaarde feiten heeft gekwalificeerd als:
MISHANDELING DE DOOD TENGEVOLGE HEBBENDE TEGEN ZIJN ECHTGENO­TE;voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 360 lid 1 juncto lid 3 juncto artikel 364 sub 1o van het Wetboek van Straf­recht;

Veroordeelt hem te dier zake tot gevangenisstraf voor de tijd van zes jaren;

Overwe­gende, dat het Hof zich niet kan vereni­gen met het von­nis a quo weshalve dit moet worden vernie­tigd en opnieuw moet worden rechtgedaan;

Overwe­gende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht, hetgeen de verdachte in het Tweede Kanton bij dagvaar­ding sub A en B is tenlastegelegd, wes­hal­ve hij daar­van dient te worden vrijgespro­ken;

Overwe­gende, dat ter terechtzit­ting in hoger beroep hebben ver­klaard, zakelijk weergegeven:

1.de [getuige 1]:
dat patient [naam 1] aan ernstige suikerziekte leed;
dat toen hij [naam 1] op 8 oktober 1993 in het ziekenhuis onderzocht, zij reeds uitgebreide afsterving van weefsel op de borst had, wat stonk;
dat [naam 1] veel vet had waardoor er weinig door­bloeding van het weefsel was met als gevolg dat elk ongeluk kan leiden tot een ontsteking die zich snel zal uitbreiden;
dat toen hij haar opereerde er uitgebreide afsterving van weefsel aanwezig was daar als gevolg van de bloeduitstorting de bacteriën zich snel hadden uitgebreid waardoor weefsel vernietigd was en de ontsteking zich snel had uitgebreid;
dat iemand met suikerziekte vaak de ziekte ontkent, waardoor men niet snel naar de dokter zal gaan;

2. de [getuige 2]:
dat hij sedert oktober 1988 huisarts van [naam 1] is geweest;
dat hij haar behandelde tegen ernstige suikerziekte met tabletten en insulinespuitjes;
dat hij [naam 1] in februari 1992 behandeld heeft voor een snijwond aan de neusbrug en bloeduitstorting op het rechteroog, welke volgens haar eigen verklaring het gevolg was van mishandeling door haar echtgenoot [verdachte];
dat op 4 oktober 1993 [naam 1] bij hem kwam en hij haar onderzocht heeft wat resulteerde in de volgende diagnose: mishandeling als gevolg waarvan bloeduitstorting;
dat op 6 oktober de suiker niet meer onder controle was en er grote necrotische plekken zichtbaar waren aan de armen;
dat hij haar toen verwezen heeft naar [getuige 1] voor opname;
dat de borst niet de plaats is waar er complicaties optre­den als gevolg van suikerziekte;
dat hij vermoedt dat het wel wat had uitgemaakt als [naam 1] eerder behandeld was;
dat [naam 1] gezien haar suikerziekte gemakkelijk een infectie kon oplopen bij een slag;
dat van belang is dat [naam 1] pas veel later de dokter geconsulteerd heeft, met als gevolg dat de wond niet tijdig behandeld is, wat een belangrijke rol heeft gespeeld bij het optreden van ernstige complicaties;

3. de [getuige 3]:
dat [naam 1] zijn moeder was;
dat nadat zijn vader [verdachte] zijn moeder geslagen had, zij niet naar de dokter wilde gaan omdat ze van mening was dat het niet zo ernstig was;
dat zij haar dagelijkse werkzaamheden verrichtte zoals daarvoor;
dat zijn moeder hem weleens verteld heeft dat zij gesla­gen werd door zijn vader;

4. de [getuige 4]:
dat zij een zusje was van [naam 1];
dat het huwelijk tussen haar zwager [verdachte] en haar zus [naam 1] niet goed ging daar zij vaak ruzie maakten;
dat in juni 1993 haar zwager haar zus geslagen had met een eind hout waardoor haar zus achttien hechtingen had gekre­gen;
dat zij op zaterdag 2 oktober 1993 op bezoek ging bij haar zus en haar zus ziek op bed aantrof;
dat zij zag dat de borsten van haar zus gezwol­len waren met een blauwe plek ertussen;dat op haar vraag aan haar zus hoe die blauwe plek daar kwam, haar zus antwoordde dat haar echtgenoot [verdachte] haar mishandeld had;

5. de [getuige 5],
dat zij [naam 1] bezocht heeft toen zij ziek in bed lag;
dat [naam 1] onder haar rechterborst een kleine ronde blauwe plek had; haar rechterborst was gespannen en opgezet;
dat [naam 1] aan haar verteld had dat [verdachte] haar geslagen had;
dat het haar opgevallen was dat zij stonk;

6. de [getuige 6],
dat zijn stiefvader [verdachte] zijn moeder [naam 1] vaker mishandelde, waarvoor hij verscheidene malen door de politie is aangehouden;

7. de verklaring van [verdachte],
dat hij met zijn echtgenote [naam 1] samenleefde aan [adres];
dat hij zijn echtgenote in het verleden verscheidene keren met een vuist op haar gezicht geslagen heeft in verband met ruzies over de kinderen;
dat hij deze keer, het was omstreeks half september 1993 dat hij zijn echtgenote met een vuist op haar borst heeft geslagen;
dat hij haar naar de dokter wilde brengen doch zij gaf hem te kennen dat zij nergens met hem naar toe wilde gaan;

8. Visum et repertum opgemaakt door Prof. Dr. Vrede, M.A. op 19 oktober 1993
dat een vrouw overleden is na mishandeling na daags opgenomen te zijn geweest in het ziekenhuis (volgens opgave van de poli­tie);
dat de doodsoorzaak vermoedelijk een combinatie van factoren is geweest met name de uitgebreide necrose (weefsel­versterf) en de veranderingen in de milt;
dat vermoedelijk als gevolg van de uitgebreide weefsel­versterf er een uitgebreide bacteriële infectie is geweest als gevolg waarvan de scepsis ontstond;
dat volgens klinische gegevens er sprake was van een verhoogde bloedsuikergehalte en slechte functie van de nieren;
dat gezien de bloedingen in het borstgebied (hetzelfde gebied met weefselversterf en bloedingen in de rechterflank (borst)), er vermoedelijk sprake is van een trauma waarna weefstelversterf is opgetreden en daarna de scepsis;
dat de doodsoorzaak vermoedelijk het gevolg was van de scepsis, de verhoogde bloedsuikergehalte en de slechte functie van de nieren;

9. overlijdensakte opgemaakt d.d. 13 oktober 1993,
dat uit het register van overlijden van Paramaribo blijk­t, dat aldaar op acht oktober negentienhonderd drie en negentig is overleden: [naam 1], echtgenote van [verdachte];

Over­wegen­de, dat het Hof op grond van de voor­ge­schre­ven be­wijsmid­delen wettig en overtui­gend bewezen acht, hetgeen de verdachte in het Tweede Kanton bij dagvaar­ding, sub C is ten lastegelegd, te weten dat hij in de maand september 1993 te [district]:

1.Opzettelijk [naam 1] gehuwd [verdachte], heeft mishan­deld, door toen aldaar, opzettelijk gewelddadig, voornoemde [naam 1], met de tot vuist gebalde handen één slag op de borst toe te brengen;

Overwegende, dat de ten laste van verdachte bewezen geachte feiten moeten worden gekwalificeerd als:

1. MISHANDELING, misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 360 lid 1 Wetboek van Strafrecht;

Overwegende, dat de verdachte deswege strafbaar is zijnde van geen grond tot uitsluiting of opheffing van de straf­baar­heid gebleken;

Overwegende, dat de advocaat van de verdachte bij zijn plei­dooi heeft gesteld dat het onderdeel ” de dood ten gevolge hebbende” een bestanddeel van de delictsomschrijving van artikel 360 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht vormt, hetgeen dient te leiden tot algehele vrijspraak van het tenlastegelegde, waartegen de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat er sprake is van een verzwarende omstandigheid, waarvan kan worden vrijgesproken;

Overwegende, dat het Hof het standpunt van het Openbaar Ministerie deelt;

Overwegende, dat het Hof bij de bepaling van de strafmaat, behalve met de aard en de ernst van het misdrijf alszodanig, rekening houdt met de ter terechtzitting gebleken omstandigheden dat de verdachte [naam 1] met wie hij gehuwd was, reeds eerder verschillende keren heeft mishandeld en dat de verdachte, wetende dat zij aan suikerziekte leed, nadat [naam 1] over pijn klaagde op de plek waar verdachte haar met de vuist had geslagen, zich geen verdere moeite heeft getroost, ook niet nadat bij haar een geur van verrotting viel waar te nemen, om haar onder medische behandeling te stellen of te doen stellen, dan aan haar te vragen of zij niet naar de dokter wilde, uit al hetgeen een grove onverschilligheid bij verdachte voor de gezondheid van [naam 1] blijkt;

Overwegende, dat het Hof de navolgende straf in overeen­stemming acht met de ernst van de gepleegde feiten, de om­standigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte;

Gezien voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 11, 38, 44 en 127 van het Wetboek van Straf­recht;

Overwegende dat het Hof niet wettig en overtuigend bewe­zen acht het­geen de ver­dachte voornoemd in het Tweede Kanton bij dagvaar­ding sub A en B is tenlastegelegd en hetgeen hem bij dagvaarding sub C meer of anders is tenlastegelegd dan bewezen is verklaard, weshalve hij daarvan behoort te worden vrijgesproken;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP

Vernietigt het vonnis van 23 juni 1994 door de Kanton­rechter in het Tweede Kanton gewezen en uitge­sproken tegen de [verdachte], waarvan beroep;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen hetgeen hiervoren bewezen is geacht;

Kwalificeert de bewezen verklaarde feiten als voor­meld;

Verklaart de bewezen verklaarde feiten en de ver­dachte deswege strafbaar;

Veroordeelt hem te dier zake tot een: gevangenisstraf voor de tijd van EEN JAAR; met bepaling dat de tijd door de veroor­deelde vóór de tenuit­voerlegging van deze uitspraak van 9 oktober 1993 af, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevan­genis­straf geheel in mindering zal worden gebracht;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de ver­dachte voornoemd in het Tweede Kanton bij dagvaarding sub A en B is tenlastegelegd en hetgeen hem bij dag­vaarding sub C meer of anders is tenlastegelegd dan bewezen is ver­klaard;

SPREEKT HEM DAARVAN VRIJ;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, fungerend- President, Mr.K. PULTOO, Lid en Mr. L.J. BUDHU LALL, Lid-plaatsvervanger, in tegenwoordig­heid van Mr.R. JANKIPERSAD-GHARBARAN, fungerend-Griffier, die dit vonnis hebben ondertekend, hetwelk door de Fungerend-President is uitgesproken ter openbare terechtzit­ting van het Hof van Justitie van WOENSDAG, 23 JULI 1997.

 

SRU-HvJ-2000-8

M.R.S.
GENERALE ROL NO.13957.

[appellant], wonende in [district], voor wie als gemach­tigde optreedt Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat,
appellant,

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres], [plaats] in [district],
geïntimeerde,

De Vice-Presi­dent spree­kt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navol­gende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien s’Hofs interlocutoire vonnissen van 22 mei 1998, 17 juli 1998, 19 februari 1999 en 9 juli 1999 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in s’Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voor­ts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden compari­tie van partijen zijn verschenen, appellant in per­soon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.F­.F.P.Tr­uideman die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis had bepaald op 22 oktober 1999, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussen­vonnis van 9 juli 1999 en hetgeen dienaangaande is overwogen;
Overwegende, dat appellant, bij de inlichtingen­compari­tie de dato 13 augustus 1999 in persoon versche­nen, onder meer heeft verklaard, dat hij als bushouder ? Sf.300,– bruto en als rijinstructeur Sf.100,– tot Sf.150,– bruto per dag verdiende; dat hij, na aftrek van alle posten waaronder onder­houd van de bus, brand­stof, smeerolie, belasting enz……enz…, een bedrag van Sf.150,– per dag overhield; dat hij het beroep van rijinstructeur sedert de dood van zijn vrouw niet meer uitoefent; dat hij het beroep van bushouder nog steeds uitoe­fent; dat hij, omdat zijn vorige bus het niet meer deed, genoodzaakt was een andere bus aan te schaffen; dat hij die andere bus al bijkans drie jaren heeft; dat hij met die andere bus Sf.50.000.– per dag verdient en dat, na aftrek van alle kosten Sf.10.000,– overblijft;
Overwegende, dat het Hof voormelde verklaringen van appellant als rechtens vaststaand tussen appellant en geinti­meerde sub A aanneemt, nu geintimeerde sub A, door zich, naar het Hof gebleken is, onbereikbaar te maken, zijnde hij immers vertrokken zonder achterlating van informatie omtrent zijn verblijf elders, blijk gegeven heeft niet te willen verschij­nen bij de bevolen inlichtingencomparitie, op grond waarvan het door appellant verklaarde als juist wordt aangenomen;
Overwegende, dat het Hof aanneemt dat het in dit stadium van het onderhavige proces uitsluitend gaat om de schadepost in het 10e ”dat” onder d van het verzoek­schrift, vorderende appellant het bedrag van Sf.2.160.­000,–, zijnde schade, in verband met arbeids­onge­schiktheid van hem vanaf 5 oktober 1992 tot het berei­ken van de 60 jarige leeftijd van appellant e.e.a. in verband met de schade aan het rechterbeen; gaande het Hof er van uit dat appellant gemeld bedrag aan inkomsten derft over de periode 5 oktober 1992 tot het bereiken van zijn 60 jarige leeftijd blijkende zulks immers uit zijn eigen stel­lingen;
Overwegende, dat het hof voorts er van uitgaat dat voor­melde schade betrekking heeft op derving van inkom­sten, als bushou­der en als rijinstructeur;
Overwegende, dat nu appellant, naar hij ter gele­genheid van de inlichtingencomparitie verklaard heeft, dat, na aftrek van alle kosten een bedrag van Sf.10.00­0,– per dag over­blijft, neerkomende op een inkomen per maand van (25 x Sf.10.­000,- is) Sf.250.00­0,– en per jaar (12 x Sf.250.000,– is) van f.3.000.000,–, het het Hof geheel ont­gaat hoe appel­lant nog vol kan houden aanspraak te maken op vergoe­ding van schade, bestaande uit inkom­stenderving als bushouder en als rijinstructeur, ver­dienende appellant het inkomen van Sf.3.000.000,– per jaar, naar uit zijn verschafte inlichtin­gen blijkt ter gelegenheid van de comparitie van partijen, al drie jaren;
Overwegende, dat appellant mitsdien niet toekomt vergoe­ding van schade, bestaande uit inkomstenderving als bushouder en als rijinstructeur;
Overwegende, dat Wij, bespreking van de tegen het beroe­pen vonnis ontwikkelde grieven als niet langer relevant in het midden latend, het vonnis waarvan beroep zullen vernietigen en appellant zijn vordering voor het overige ontzeggen, zullende hij de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeer­de sub A gevallen, dragen;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 15 april 1997 tussen appellant en geintimeerde sub A gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Ontzegt appellant zijn vordering voor het overige;
Veroordeelt appellant in de kosten in beide in­stanties in prima aan de zijde van geintimeerde sub A begroot op Sf.Nihil;
en in hoger beroep begroot op Sf.Nihil;
met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf.nihil;
bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appel­lant op Sf.3.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND,
Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH, en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter open­bare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJ­DAG, 7 JULI 2000, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.J.R.VON NIESEWAND

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.G.Gangaram-Panday namens de gemachtigde van appellant, advokaat Mr.F.F.P.Truideman, terwijl de geintimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting is verschenen.

SRU-HvJ-1997-10

PRO JUSTITIA
IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!
VONNIS 1997 No. 6

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in af­schrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter-Plaatsver­vanger in het Tweede Kanton op 14 juni 1993 gewezen en uitge­sproken tegen:
[verdachte];
oud 25 jaar;
zonder beroep;
geboren te [land];
wonende aan [adres], te [district],
verdachte;

Gelet op het tijdig door de verdachte ingestelde hoger beroep;

Gelet op het ten deze tegen de behoorlijk gedagvaarde, wegens onbekende- en/of verblijfplaats aangeplakt, doch niet verschenen verdachte in hoger beroep, verleende verstek;

Zijn, van overheidswege toegevoegde, raadsman, Mr.S.MARI­CA, advokaat bij het Hof van Justitie, is niet ter terechtzit­ting aanwezig;

Gehoord de getuigen in hun beëdigde dan wel op belofte afgelegde verklaringen;

Gehoord het Openbaar Ministerie;

Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte bij de inleidende akte van dagvaarding is ten laste gelegd, het feit zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding, welke akte van dagvaarding als hier geïnsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis door de daarin vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, met verdachtes schuld daaraan, dat hij het hem bij inleidende akte van dagvaarding tenlastegelegde heeft begaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven;

met vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde;

Overwegende, dat de Kantonrechter het bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als:
HET AAN ZIJN SCHULD BIJ GELEGENHEID VAN EEN AANRIJDING MET EEN DOOR HEM BESTUURD MOTORRIJTUIG TE WIJTEN ZIJN DAT EEN ANDER ZWAAR LICHAMELIJK LETSEL BEKOMT, TERWIJL DAT LETSEL DOOR DE AANRIJDING IS VEROORZAAKT, voor­zien en straf­baar gesteld bij artikel 20 lid 2 jo artikel 21 lid 1 en 4 van de Rijwet 1971 en de verdachte te dier zake heeft ver­oordeeld tot:

a. gevangenis­straf voor de tijd van VIER WEKEN, met het bevel dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de Rechter later anders mocht gelas­ten, op grond dat de ver­oor­deelde zich voor het einde van een hierbij op DRIE JAREN bepaalde proef­tijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen, met ontzegging aan hem de bevoegdheid motor­rijtuigen te besturen voor de tijd van ZES MAANDEN, met bevel dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 11 lid 2 van de Rijwet 1971 voor het onher­roepelijk worden van deze uitspraak vanaf 17 januari 1993 ingehouden is geweest, op de duur van de voormelde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;

b. een geldboete van TWEEHONDERD EN VIJFTIG GULDEN, met bepa­ling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervan­gen zal worden door hechtenis voor de tijd van VIJF EN TWINTIG DAGEN;

Overwegende, dat het Hof zich niet kan verenigen met het vonnis a quo, weshalve dit moet worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan;

Overwegende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub 1A is telastegelegd, weshalve hij daarvan dient te worden vrijge­spro­ken;

Overwegende, dat het Hof overneemt de bewijsmiddelen die in eerste aanleg door de Kantonrechter gebezigd zijn;

Overwegende, dat die bewijsmiddelen dienen te worden aangevuld met o.a. de verklaring van de [getuige 1], [getuige 2] in hoger beroep afgelegd, zakelijk weergege­ven:
dat hij op de bewuste dag van de aanrijding een autobus bestuurde;
dat hij op een gegeven (moment) tegen de as van de weg stopte om in zijn inrit op te rijden;
dat hij getoeter hoorde van een andere autobus die hij vanuit zijn achteruitspiegel zag aankomen rijden met een volle vaart;
dat hij dacht dat er iets mis was met de remmen van de naderende autobus;
dat hij daarna een zware slag aan zijn autobus voelde;

Overwegen­de, dat het Hof op grond van die bewijsmiddelen en de hier aangehaalde bewijs­middelen, wettig en overtuigend bewezen acht, hetgeen hij bij dagvaarding sub B is te laste gelegd, te weten dat hij:
op 17 januari 1993, te [district], als bestuurder van een autobus, daarmede heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat 1], komende vanuit de richting van de [straat 2] en gaande in de richting van de [straat 3], zijnde die [straat 1] gelegen binnen een bebouwde kom, als bedoeld in artikel 1 sub g van het Rijbesluit 1957 zonder dat hem voor het besturen van dat motorrijtuig door of vanwege de Procureur-Generaal een rijbe­wijs was afgegeven als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub 3 van de Rijwet 1971 en daarbij met dat door hem bestuurde motor­rijtuig heeft gereden met een snelheid van ongeveer 60 km per uur, een hogere snelheid dan de voor dat voertuig ter plaatse voorge­schreven maximumsnelheid van 40 km per uur en bij het naderen van een autobus, hetwelk zich alstoen voor hem, verdachte uit, in dezelfde richting als hem, verdachte voort­bewoog, althans zich bevond, zo dicht achter dat hem, verdach­te uit rijdend motorrijtuig zodanig heeft gereden en gemanoe­vreerd, ten gevolge waarvan toen laatstvermeld motorrijtuig naar rechts, in de richting van een rechts van de weg gelegen inrit af­sloeg, hij verdachte in gewelddadige botsing of aan­rijding is gekomen met vermeld voor hem, verdachte uit rijdend motorrij­tuig door welke gedraging van hem, verdachte in ieder geval de vrijheid van het verkeer zonder noodzaak werd belem­merd;

Overwegende, dat het te laste van verdachte bewezen geach­te feit moet worden gekwalificeerd als:
OVERTREDING VAN EEN VOORSCHRIFT VAN DE RIJWET 1971, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 20 lid 2 jo artikel 21 lid 1 en lid 4;

Overwegende, dat de verdachte deswege strafbaar is zijnde van geen grond tot uitsluiting of opheffing der strafbaarheid gebleken;

Overwegende, met betrekking tot de aan verdachte op te leggen straf:
dat het Hof rekening houdt met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit werd gepleegd als mede met de persoon van de verdachte, waarbij het Hof aantekent, dat indien verdachte de snelheid van het door hem bestuurde motorrijtuig en zijn rijgedrag had aangepast aan de omstandig­heden ter plaatse, hij deze aanrijding wellicht had kunnen voorkomen zelfs indien de bestuurder van de voor hem, verdach­te, uitrijdende motorrijtuig, (plotseling) in de richting van een rechts van hem, verdachte gelegen inrit was afgesla­gen;

Gezien voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 34, 35, 40 en 127 van het Wetboek van Strafrecht;

Overwegende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub A is telastegelegd, en hetgeen hem bij dagvaarding sub B meer of anders is telastegelegd dan bewezen is verklaard, weshalve hij daarvan behoort te worden vrijgesproken;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis van 14 juni 1993 door de Kan­ton­rechter-Plaatsvervanger in het Tweede Kanton gewezen en uitge­sproken tegen [verdachte], waar­van beroep;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen hetgeen hiervoren bewezen is geacht;

Kwalificeert het bewezen verklaarde feit als voormeld;

Verklaart het bewezen verklaarde feit en de verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt hem te dier zake tot een geldboete van Sf1.000,- (EENDUIZEND GULDEN), met bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hech­tenis voor de tijd van DERTIG DAGEN;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de ver­dachte bij dagvaarding sub A is telastegelegd en hetgeen hem bij dagvaarding sub B meer of anders is telastegelegd dan bewezen is verklaard;

SPREEKT HEM DAARVAN VRIJ;

Aldus gewezen door de heren: Mr.A.I.RAMNEWASH, fungerend-President, Mr.W.­R. WILLEMZORG, Lid en Mr.A.A.HERMELIJN, Lid-plaats­vervanger, in tegenwoordig­heid van Mr.R.JANKIPERSAD-GHARBARAN, funge­rend-Griffier, die dit vonnis hebben onderte­kend en ter­stond hebben uitgesproken ter openbare te­rechtzit­ting van het Hof van Justitie van WOENSDAG, 25 JUNI 1997, door de funge­rend-President voornoemd.

SRU-HvJ-1998-31

M.H.

GENERALE ROL NO.13994.

[appellant], wonende te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.U.F.TRUIDEMAN, advocaat, appellant in Kort Geding,

t e g e n

A. [geïntimeerde 1] en B. [geïntimeerde 2], beiden wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.DULAM, advocaat,
geïntimeerden in Kort Geding,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde vonnissen in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 15 juni 1995, 27 juli 1995, 4 januari 1996 en 29 februari 1996 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 8 maart 1996, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. Eiser wenst de navolgende rechtsvordering in Kort Geding in te stellen tegen: A. [geïntimeerde 1] en B. [geïntimeerde 2], beiden wonende te [district] aan [adres]’ gedaagden;
2. Enkele maanden terug is eiser aangehouden, in verzekering gesteld en veroordeeld geworden terzake een strafbaar feit. Bij zijn aanhouding werd het motorvoertuig van eiser van het merk Datsun Sunny 120 Y, kleur donkerblauw en met het kentekennummer [nummer] in beslag genomen door de politie;
3. Eiser is de volle en vrije eigenaar van de boven vermelde auto. De auto in kwestie is namelijk door de vorige eigenaar aan hem (eiser) geleverd en ook was de auto bij de inbeslagname door de politie in het bezit van eiser (bezit geldt als volkomen titel). Verder staan alle autopapieren ten name van eiser;
4. Blijkens de hierbij in fotokopie overgelegde beschikking van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 23 maart 1995 met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen, heeft de Kantonrechter het beklag van eiser ex artikel 460 strafvordering gegrond verklaard en de teruggave gelast van de litigieuze auto aan eiser;
5. Nog voordat de beschikking van de kantonrechter in het bezit kwam van eiser, heeft eiser op 3 april 1995 een fiat teruggave van het Parket ontvangen, waarmede hij de auto kon gaan ophalen;
6. Op het politiebureau werd eiser echter medegedeeld, dat de auto op 13 juni 1994 bij exploit no.145 van deurwaarder Ch.Balgobind andermaal in beslag genomen en was meegenomen door genoemde deurwaarder, een en ander ten verzoeke van gedaagden en ten laste van een zekere [naam 1]. Eiser overlegt gemeld exploit in fotokopie met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen;
7. Eiser overlegt verder ook nog in fotokopie het exploit de dato 27 februari 1995 no.038 met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen, waaruit blijkt dat op woensdag 7 juni 1995 de openbare verkoping zal worden gehouden van onder meer het aan eiser in eigendom toebehorende motorvoertuig;
8. Eiser is aldus van oordeel, dat het op 13 juni 1994 gelegde conservatoir beslag vexatoir is, aangezien de auto in eigendom toebehoort aan eiser en niet aan de schuldenaar ([naam 1]) van gedaagden. Eiser is de eigenaar van de auto, omdat de auto aan hem (eiser) is geleverd geworden. Het beslag mocht daarom niet worden gelegd op die auto en daarnaast had de politie de auto nimmer mogen afstaan aan de deurwaarder om mede te nemen, temeer waar er al justitieel beslag op de auto rustte ten laste van eiser;
9. Uit de stellingen van eiser blijkt wel, dat hij een spoedeisend belang heeft bij een voorziening in Kort Geding;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd; dat bij vonnis in Kort Geding tot zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

PRIMAIR:
a. de opheffing zal worden gelast van het op 13 juni 1994 bij exploit no.145 van deurwaarder Ch.Balgobind gelegde conservatoir beslag voor zoveel betreft de auto van eiser van het merk Datsun Sunny 120 Y, kleur donkerblauw en het kentekennummer [nummer];
b. gedaagden zal worden gelast om binnen drie dagen na de uitspraak de aan eiser in eigendom toebehorende auto van het merk Datsun Sunny 120 Y, kleur donkerblauw en het kentekennummer [nummer] aan hem (eiser) terug te geven, op straffe van een dwangsom van Sf.100.000,– voor elke dag die gedaagden in gebreke mochten blijven met de teruggave als verzocht;

SUBSIDIAIR:
zal worden geschorst c.q. opgeschort de voor woensdag 7 juni 1995 geplande openbare verkoping voor zoveel betreft de aan eiser in eigendom toebehorende auto van het merk Datsun Sunny 120 Y, kleur donkerblauw en het kentekennummer [nummer], tot nadat er in het door eiser nog in te stellen bodemgeschil omtrent het eigendomsrecht van de auto een uitspraak ten principale is gekomen;

Overwegende, dat te dienende dage eiser vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.U.F.Truideman, ter terechtzitting is verschenen, terwijl de gedaagden niet zijn verschenen en is ten verzoeke van de gemachtigde van eiser tegen hen verstek verleend, waarna de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd en vonnis heeft gevraagd, waarvan de Kantonrechter de uitspraak had bepaald op 4 mei 1995;

Overwegende, dat Mr.W.A.Richards ter terechtzitting van 4 mei 1995 zich als gemachtigde van gedaagden heeft gesteld, waardoor de gevolgen van het aan hen verleende verstek zijn komen te vervallen;

Overwegende, dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als gedaagden partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – onder overlegging van produkties welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:dat eiser in zijn vordering niet – ontvankelijk zal worden verklaard, althans deze hem zal worden ontzegd, als zijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, onder overlegging van produkties, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 15 juni 1995 op de daarin opgenomen gronden:

Eiser in de gelegenheid heeft gesteld zich alsnog uit te laten over het bewijs van de ABN-AMRO d.d. 15 december 1992; Iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens eiser bepaald, diens gemachtigde een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 27 juli 1995 op de daarin opgenomen gronden:
De Griffier der Kantongerechten heeft gelast te bevorderen dat de strafdossiers ten name van: [naam 1] en [appellant] in het onderhavige geding worden gebracht;
Iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat het door de Kantonrechter gevraagde strafdossier ten name van [naam 1] door de Griffier ter terechtzitting van 17 augustus 1995 is overgelegd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen over het strafdossier bepaald, de gemachtigde van de eiser een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 30 november 1995 de gemachtigde van gedaagden, advokaat Mr.W.A.Richards zich heeft onttrokken aan de zaak’

Overwegende, dat de gedaagde sub A ter terechtzitting van 14 december 1995 bij mondelinge conclusie tot uitlating heeft verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt proces-verbaal staat gerelateerd en waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 4 januari 1996 op de daarin opgenomen gronden:

De Griffier der Kantongerechten in de gelegenheid heeft gesteld te bevorderen dat in het onderhavige geding wordt gebracht een uitgewerkt afschrift van het strafdossier de dato 26 augustus 1993 no.943 in de zaak van de Vervolgingsambtenaar tegen de eiser;
Iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat ten dage voor overlegging strafvonnis ten name van eiser bepaald het verlangde strafvonnis is overgelegd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating overgelegd strafvonnis zijdens partijen bepaald de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 29 februari 1996 op de daarin opgenomen gronden:
De van hem gevraagde voorzieningen heeft geweigerd;
Eiser heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf.nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 29 februari 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.SITARAM van 27 augustus 1996 aan geïntimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 21 november 1997, advokaat Mr.S.Dulam bij monde van advokaat Mr.H.Mungra zich als gemachtigde van geintimeerde heeft gesteld;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van geintimeerde bij antwoord pleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 22 mei 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat de appellant tijdig in hoger beroep gekomen is van de beslissing van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d 26 februari 1996, rechtdoende in Kort Ge­ding;

Overwegende, dat de appellant vier (4) grieven tegen deze beslissing aangevoerd heeft zoals in zijn pleitnota d.d. 5 december 1997 vermeld is;

Overwegende, dat de enige vraag die in casu beantwoord moest worden is of de appellant al dan niet de eigenaar van de bedoelde auto was, omdat hij zijn vordering daarop geba­seerd heeft;

Overwegende, dat uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken duidelijk blijkt dat de appellant daarvan de eigenaar geworden is door aankoop en levering door de vorige eigenaar, ene [naam 2], waarna het nummerbewijs en het verzeke­ringsbewijs te zijnen name gesteld zijn;

Overwegende, dat de geintimeerden danook ten onrechte die auto onder [naam 1] in conservatoir beslag hebben doen nemen, omdat die daarvan in ieder geval geen eigenaar was, ook al zou die auto uit gelden van hem betaald zijn daar het i.c. gaat om de aankoop en levering van dat goed en niet om betaling van de koopsom;

Overwegende, dat de derde grief, inhoudende de bovenge­noemde vraagstelling danook gegrond is en zal het vonnis waarvan beroep danook worden vernietigd, doch kan de primaire noch de subsidiaire vordering van de appellant worden toegewe­zen omdat die auto inmiddels op een openbare veiling (d.d.7 juni 1997) verkocht en aan de koper geleverd is en aan de appel­lant dus de gevraagde voorzieningen niet kunnen worden toegewe­zen omdat de geintimeerden daaraan niet (meer) kunnen voldoen, hetgeen leidt tot zijn niet ontvankelijk­heid in de vorde­ringen;

Overwegende, dat dan ook als na te melden recht zal worden gedaan met veroordeling van de appellant, als de in het onge­lijk gestelde partij, in de gedingkosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Vernietigt het vonnis d.d. 26 februari 1996 door de Kan­ton­rechter in het Eerste Kanton in Kort Geding gewezen tussen partijen en uitge­sproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE IN KORT GE­DING:

Verklaart de appellant alsnog niet ontvankelijk in zijn vorde­ringen;

Veroordeelt appellant in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f…….

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door zijn gehouden pleidooi toegekende salaris van f.2.50­0,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appel­lant
eveneens op f.2.500,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PANDAY, fungerend-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 3 juli 1998, in tegenwoordigheid van Mr.M.TEDJOE, fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak zijn partijen in persoon noch bij gemachtigde, ter terechtzitting verschenen.