SRU-HvJ-2000-7

M.H.
GENERALE ROL NO: 13942.

[appellant], wonende aan [adres 1] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.R.L.KEN­SMIL, advokaat,
appellant in conventie

tegen

DE EVANGELISCHE LUTHERSE KERK SURINAME, rechtsper­soon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Waterkant no.102, voor wie als ge­mach­tigde optreedt, Mr.H.E.STRUIKEN, advo­kaat,
geinti­meerde in conventie

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen van 20 maart 1998 en 9 juli 1999 tussen partijen gewezen en uitgespro­ken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
IN CONVENTIE:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatst vermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen appellant en zijn gemach­tigde, advokaat Mr.R.L.­Ken­smil, de heer Wimpel, voorzitter van het bestuur, alsmede vier bestuursleden van het bestuur van geintimeer­de namens geintimeerde en de ge­machtigde van geintimeerde, advokaat Mr.H.E.Struiken, die hebben ver­klaard gelijk in het daar­van opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – pro­ces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden comparitie van partijen heeft genomen;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke con­clusie na gehouden comparitie van partijen heeft genomen waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 7 januari 2000, doch na enige malen te hebben aangehou­den, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
IN CONVENTIE:
Overwegende, dat het Hof zich ten aanzien van de motivering van de beslissing eveneens zal gedragen naar hetgeen in eerder aangehaald interlocutoir vonnis is over­wogen en beslist;
Overwegende, dat ter voldoening aan de ambtshalve gegeven bewijsopdracht, geintimeerde vier getuigen heeft voortgebracht, die door het Hof zijn gehoord en wier ver­klaringen zijn gerelateerd in een daartoe opgemaakt en gesloten proces-verbaal;
Overwegende, dat appellant in contra-enquête drie getuigen door het Hof heeft doen horen, wier verklarin­gen eveneens in een daartoe opgemaakt en gesloten proces-ver­baal zijn gerelateerd;
Overwegende, dat voorzover van belang voor onder­havige vordering en zakelijk weergegeven de [getuige 1] in enquête heeft verklaard, dat hij als gemeente-lid heeft kunnen ondervinden dat er geen adequate opvang is voor de gemeente-predikan­ten en dat de gemeente-predikant voor het [ressort],[naam 1], thans gehuisvest is in een woning [woonplaats], alwaar in feite [naam 2] zou moeten wonen; dat [naam 2] thans gehuis­vest is aan de [adres 2] alwaar Nf.425,– aan huurpen­ningen per maand wordt betaald; dat naar zijn weten de gemeente-predikant gehuisvest dient te worden in een woning alwaar hij zijn gemeente-leden kan ontvangen;

Dat [naam 1] gehuisvest dient te worden in de woning aan de [straat];
Overwegende, dat voorzover van belang voor onder­havige vordering en zakelijk weergegeven de [getuige 2] in enquête heeft verklaard, dat het haar bekend is dat de gemeente geen huisvesting heeft voor een der gemeente-predikan­ten en dat [naam 1] onder­gebracht is in een woning te [woonplaats] alwaar in feite [naam 2] zou moeten wonen;
Overwegende, dat voorzover van belang voor onder­havige vordering en zakelijk weergegeven de [getuige 3] in enquête heeft ver­klaard, dat het haar bekend is dat de litigieuze woning aan de [adres 2] nodig is voor een der gemeente-predi­kanten; dat de gemeente beschikt over 3 dienstwo­ningen, terwijl er thans 4 predi­kanten zijn; dat zij uit eigen ervaring weet dat de gemeen­te-predi­kant gehuisvest dient te worden in de omgeving waar hij/zij de gemeente-leden in alle rust kan begeleiden;
Overwegende, dat nu blijkens de verklaringen van voornoemde getuigen, geintimeerde 4 predikanten heeft, terwijl zij voor de huisvesting vooralsnog de vrije be­schikking heeft over slechts 3 van haar 4 woningen en één der predikanten, met name [naam 1], bovendien in een door geintimeerde gehuurde woning, waarvoor overigens Nf.425,– aan huurpenningen per maand betaald wordt, ge­huisvest is, zal geintimeerdes vordering tegen appellant, tot ontruiming van de litigieuze woning toegewezen dienen te worden; dat hierbij het motief dat toentertijd heeft gegolden aan de zijde van geintimeer­de voor het aangaan van de huurovereenkomst met appel­lant, namelijk onveiligheid van de buurt en de ver­keersdrukte, geheel irrelevant is tegen de achtergrond dat geintimeerde thans geconfronteerd wordt met een dringende woningnoodsituatie voor haar predi­kanten;
Overwegende, dat appellant er niet in is geslaagd om in contra-enquête te ontzenuwen dat geintimeerde de woning door kennelijke nood gedwongen dringend nodig heeft voor eigen gebruik, althans de voorgebrachte getuigen hebben geen ontzenuwende feiten en omstandig­heden geschetst, welke het Hof tot een ander oordeel aanleiding hebben gegeven;
Overwegende, dat appellant een redelijke termijn gelaten dient te worden in het kader van de ontruiming, doch dat daarbij de belangen van geintimeerde ook in acht dienen te worden genomen;
Overwegende, dat de overige stellingen van partij­en, in het bijzonder die betreffende het optie-recht, als niet terzake dienende voor onderhavige vordering, gepasseerd dienen te worden, vermits deze bij meerge­meld interlocutoir vonnis, in het kader van de recon­ventionele vordering reeds zijn besproken en verworpen;
Overwegende, dat appellant als de in het ongelijk gestelde partij verwezen zal dienen te worden in de geding- kosten van beide instanties, aan de zijde van geintimeerde gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
IN CONVENTIE :
Verklaart voor ontbonden de huurovereenkomst tussen partijen gesloten d.d. 1 juli 1992, betreffende de woning gelegen aan [adres 3] te [district];
Veroordeelt appellant om, binnen 9 (negen) maanden na beteke­ning van deze uitspraak aan hem, het gehuurde te ontruimen en te verlaten met medeneming van alle van zij­nentwege zich daarin bevindende personen en goederen en ter vrije en algehele beschikking van geintimeerde te stellen;
Machtigt geintimeerde om, indien appellant in gebreke mocht blijven het gehuurde te ontruimen, dit zelf te doen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;
Veroordeelt appellant voorts tot betaling van de huurpenningen van Sf.10.000,– per maand, tot aan de dag der algehele ontruiming;
Verklaart dit vonnis, tot zover, met uitzondering van de ontbinding, uitvoerbaar bij voorraad;
Veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op sf…….;
met inbegrip van het door het Hof aan gein­timeerdes advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van sf………..
bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op sf……..

Aldus gewezen door de heren: Mr.A.I.RAMNEWASH, Funge­rend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openba­re terechtzit­ting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 2 juni 2000, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDE­REN-RELYVELD, Substi­tuut-Griffier.

Bij de uitspraak is verschenen advokaat Mr.H.ESSED namens advokaat Mr.H.E.STRUIKEN, gemachtigde van geinti­meerde, terwijl appellant noch in persoon noch bij gemach­tig­de ter terechtzitting is verschenen.

SRU-HvJ-1997-9

PRO JUSTITIA
IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!
VONNIS 1997 No. 4

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in af­schrift overgelegd verkort vonnis, door de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 19 mei 1993 gewezen en uitgesproken tegen:

[verdachte];
oud 33 jaar;
van beroep ambtenaar van politie in de rang van agent van politie eerste klasse;
geboren in [district];
wonende aan [adres] te [plaats], verdachte;

Gelet op het tijdig door de Vervolgingsambtenaar inge­steld hoger beroep;
Gehoord de verdachte in zijn verdediging, daarin bijge­staan door zijn raadsman, Mr.J.G.O. KOULEN;
Gehoord de getuigen in hun beëdigde verklaringen;
Gehoord het Openbaar Ministerie;
Gelet op het onderzoek in beide instanties;
Overwegende, dat aan verdachte bij de inleidende akte van dagvaarding zijn te laste gelegd, de feiten zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding, welke als hier geïnse­reerd moet worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, met verdachtes schuld daaraan dat hij het hem bij inleidende akte van dagvaarding sub D te laste gelegde heeft begaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven;
met vrijspraak van het meer of anders te laste gelegde;
Overwegende, dat de Kantonrechter het bewezen aangenomen feit heeft gekwalificeerd als:
ZWARE MISHANDELING, misdrijf, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 362 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht en de verdachte te dier zake heeft veroordeeld tot:
gevangenisstraf voor de tijd van ZES MAANDEN met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de Rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroor­deelde zich voor het einde van de hierbij op DRIE JAREN be­paalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig ge­maakt, dan wel gedu­rende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen;
Overwegende, dat het Hof het vonnis van de Kanton­rechter, dat niet naar de redenen van de wet gemotiveerd is, bevattende immers niet de gronden die tot die beslissing hebben geleid, zal vernietigen en opnieuw zal worden rechtge­daan;
Overwegende dat ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard, zakelijk weergegeven:

1. de [getuige 1]:
dat hij op 31 december 1991 als duorijder meereed met zijn vriend [getuige 2], op diens bromfiets van het merk ”Ciao Vesta”, welke voorzien was van een nummerplaat;
dat zij beiden zonder valhelm op, reden in de richting van de [straat 1];
dat hij op de hoek van de [straat 1] en de [straat 2] zich op een gegeven moment omkeerde en een witge­lakte Isuzu pick-up zag, die voorzien was van een blauw dienst­kente­ken die in volle vaart achter hun reed;
dat hij bemerkte dat zij door de bestuurder van die pick-up achtervolgd werden;
dat toen zij op [adres 2] aangekomen waren, zij naast een gepar­keerde auto van het merk ”Datsun” waren gaan staan om te voorko­men dat ze door de bestuurder opgemerkt zouden worden;
dat zij van de bromfiets waren afgestapt en in een ge­hurkte houding naast de geparkeerde auto zich schuil hielden omdat ze niet wis­ten met wie ze te doen hadden;
dat in de tussentijd de bestuurder van de pick-up kwam aanrij­den het gepar­keerde voertuig voorbij reed, en de pick-up zeven tot acht meter verder tot stilstaand bracht;
dat hij hierna de bestuurder van de pick-up, [verdachte], die hij voor­heen niet kende, uit de pick-up zag stappen;
dat toen [getuige 2] de [verdachte] zag, hij de brom­fiets van de grond pakte en het begon te duwen om meer vaart te geven teneinde daarmee weg te rijden;
dat hij ook opstond en in de richting van [getuige 2] keek en daarna naar de bestuur­der van het voertuig die een vuistvuur­wapen in zijn hand had;
dat hij op het moment dat hij weer even in de richting van [getuige 2] keek, een schot hoorde en van achteren door een kogel werd geraakt ter hoogte van zijn rechterschouderblad;
dat hij van schrik een paar meters verder rende;
dat de [verdachte], naar hem toekwam en hem het volgende te ken­nen gaf: ”Ie sa tak’ pe je mati de”;
dat hij naderhand per ambulance naar het Acade­misch Ziekenhuis vervoerd is alwaar hij verpleegd werd;
dat hij twaalf janua­ri 1992 ontsla­gen werd uit het zie­ken­huis en Sf. 15.000,- betaald heeft aan de specialist;
dat hij toegeeft dat hij geen val­helm ophad maar dat dit geen aanlei­ding had moeten zijn om op hem te schieten;

2. de [getuige 2]:
dat hij op 31 december 1991, tezamen met zijn vriend, [getuige 1] als duorijder reed op zijn bromfiets van het merk ”Ciao Vesta”, zonder dat zij een helm ophadden;
dat hij de bromfiets gekocht had en in het bezit was van de nodige bescheiden;
dat de bromfiets gekeurd was en voorzien van een nummer­plaat en sticker;
dat hij op een gegeven moment merkte dat hij achtervolgd werd door een auto;
dat hij, zijnde een ex-jun­glecommando lid, niet wist met wie hij te maken had en daarom niet is gestopt, maar gepro­beerd heeft te vluchten;
dat zij kans zagen de pick-up kwijt te raken en in [adres 2] afgestapt zijn en zich schuil hielden achter een stilstaande auto;
dat toen hij de pick-up zag komen aanrijden hij de brom­fiets voortduwde om deze te starten om weg te rijden en dat [getuige 1] achter hem aanrende om op de bromfiets te stappen;
dat hij kort hierop een schot hoorde;

3. de [getuige 3]:
dat hij op 31 december 1991 samen met mijn vriend [getuige 4] zich bevond ten huize van zijn, [getuige 3] moeder aan [adres 2], alwaar zij zaten te borrelen toen hij twee mannen van creoolse afkomst met een bromfiets naast zijn auto van het merk ”Datsun”, welke op het trottoir geparkeerd was voor de woning van zijn, [getuige 3] moeder, zag schuilen;
dat hij kort hierop een pick-up in [adres 2] zag komen aanrijden;
dat hij gelijk daarna één van de mannen de brom­fiets zag duwen in de richting van de Hofstraat, terwijl de andere man, zijnde [getuige 1], achter de eerste, aanliep;dat op een gegeven moment een witte pick-up, zonder poli­tie-embleem, achter zijn auto stopte en de [verdachte] gestoken in burger­kle­ding uitstapte;
dat de [verdachte] achter de twee mannen aanrende met een getrok­ken vuist­vuurwa­pen en op een gegeven moment één schot loste waarbij [getuige 1] geraakt werd;
dat dit heeft plaatsgevonden ongeveer 7 à 8 meter van de plaats waar hij, [getuige 3], zat;
dat terwijl [getuige 1] op de grond lag, de [verdachte] naar hem toe kwam en in het Suri­naams tegen hem zei: ”Ie sab o langa mi ben loe­r ie”;

4. de [getuige 4] verklaart:
dat hij op 31 december 1991 samen met zijn vriend [getuige 3] ten huize van de moeder van [getuige 3] aan [adres 2], een bor­rel­tje zat te drinken toen hij [getuige 1] en [getuige 2], die hij voor­heen niet kende, dekking zag zoeken achter de op het trottoir gepar­keer­de auto van het merk ”Dat­sun”, zijnde het eigendom van [getuige 3];
dat op hetzelfde moment een witte pick-up uit de rich­ting van de Hofstraat kwam aanrijden en achter de auto van zijn vriend stopte, waarna de [verdachte] , die hij voor­heen niet kende, uit de auto stapte en zijn vuistvuurwapen te­voor­schijn trok;
dat de [verdachte] achter de twee mannen aanrende en op een gege­ven moment één schot loste, waarbij [getuige 1] werd geraakt, dit op ongeveer 5 meter afstand van de plaats waar hij, [getuige 4], zich bevond;
dat hij, [getuige 4], nog gezien had dat [getuige 1] zijn handen in de lucht had gehouden;
dat hij gehoord heeft dat de [verdachte] die naar [getuige 1] toekwam de vol­gende uitla­ting deed: ”Ie ben wan long”;
dat de [verdachte] in burgerkleding gestoken was maar dat hij, [getuige 4], aan de wijze waarop de verdachte het vuistvuurwapen trok bemerkte dat hij een politieagent moest zijn;

5. de [verdachte]:
dat hij vanaf juli 1991 gestationeerd was op de politie­post Albina en op 31 december 1991 voor de dienst in de stad moest zijn;
dat hij in burger gekleed was en in dienstwagen reed, nl. een witte pick-up, voorzien van een blauwe dienstkentekennum­mer;
dat hij over de Zwartenhoven­brug­straat reed toen hij twee mannen, die hij voorheen niet kende, op een groen wit gelak­te bromfiets van het merk ”CIAO”, zonder valhelm voor hem zag rijden;
dat de brom­fiets noch voorzien was van een kenteken noch van een sticker;
dat het hem bekend was dat regelmatig brom­fietsen van het merk ”CIAO” vanuit Frans-Guyana naar Suriname gesmok­keld werden en daarom besloot de bromfietsbe­stuurder te verba­li­se­ren;
dat hij ze achtervolgd en gewenkt heeft dat ze moesten stoppen terwijl hij schreeuwde:” Stop, Skowtu”, waaraan ze echter geen gevolg hebben gegeven;
dat hij tussen de [straat 3] en [straat 4] op het trot­toir van [adres 2] de be­stuur­der met de bromfiets zag rennen richting [adres 2] en de andere man achter hem aan zag rennen;
dat hij verdachte intussen uit de auto was gestapt en achter hen aan begon te rennen, onderwijl hen toeschreeuwend: ”Tang knapu skowtu”;
dat toen ze hieraan geen gehoor gaven, hij, verdachte, zijn vuist­vuurwapen tevoor­schijn heeft gehaald en na een waarschuwingschot gelost te hebben gericht heeft geschoten in de rich­ting van de mannen waarbij [getuige 1] geraakt werd;
dat hij op [getuige 1] in kwestie gescho­ten heeft, slechts met de bedoe­ling hem aan te houden, omdat door de handelingen van hen, het hem duidelijk was geworden, dat de brom­fiets van diefstal afkomstig moest zijn;

6. Overwegende, dat een geneeskundige verklaring d.d. 2 januari 1992 op beroepseed opgemaakt door chirurg R. Girja­sing, betreffende [getuige 1], zakelijk weergegeven onder meer inhoudt:
dat op het lichaam is aangetroffen een schotverwonding aan de borstkas, hemato-pneuma thorax;

Overwegende, dat de raadsman van de verdachte, Mr. J.O.G. KOULEN namens verdachte – voorzover rechtens van belang – als verweer naar voren heeft gebracht:

dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden omdat de behandeling van de zaak in appel niet binnen een redelijke termijn gevoerd is en daardoor in strijd met internationale verdragen als art. 6 lid 1 EVRM, art. 14 lid 3 aanhef onder c van het BUPO verdrag, art. 7 lid 5 ACHR (­American Convention on Human Rights) gehandeld is;
dat mocht het Hof geen niet-ontvankelijkheid tegen het Openbaar Ministerie uitspreken hij dan een beroep doet op de recht­vaar­di­gingsgrond dat het hande­len van de verdachte op grond van artikel 9 lid c, art. 15 lid 1, art. 17 lid 3 en art. 18 lid 2 sub d van het Politie Handvest, binnen de in­structies van zijn functie was gelegen met als gevolg dat de verdachte ontsla­gen dient te worden van alle rechtsvervolging;

Overwegende, dat de waarnemend-Procureur-Generaal, Mr. S. PUNWASI, het beroep bestreden heeft door te stellen, dat het Openbaar Ministerie niet bepaald wanneer een zaak voor het gerecht gaat en deswege het Openbaar Ministerie niet verweten kan worden de eisen van procesvoering binnen redelij­ke termijn overschreden te hebben;
dat echter wel rekening gehouden moet worden met het feit dat de redelijke termijn overschreden is zodat het daardoor billijk is een lagere straf te requireren, namelijk een gevan­genisstraf van zes maanden voorwaardelijk;

Overwegende, dat het Hof op grond van de inhoud van de voormelde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen acht, hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub D is te laste gelegd, te weten:

dat hij op 31 december 1991 te [district 2] , opzettelijk [getuige 1], zwaar lichamelijk letsel heeft toege­bracht, hebbende, hij verdachte opzettelijk gewelddadig met een vuistvuur­wapen een schot op het lichaam van [getuige 1] voornoemd gelost, tengevolge waarvan [getuige 1] voornoemd heeft bekomen schotverwon­ding aan zijn borstkas (hemato-pneuma thorax); dat die [getuige 1] gedurende enige tijd in een ziekenhuisin­richting moest worden verpleegd en opera­tief ingrijpen noodza­kelijk was;

Overwegende, dat het Hof kennis draagt van de redenen die tot vertraging van de behandeling van strafzaken in hoger beroep leiden welke redenen naar zijn mening echter niet te verwijten zijn aan het Openbaar Ministerie; dat het beroep op ontslag van alle rechtsvervolging, zijdens de verdachte, aangevoerd door de raadsman van de verdachte, faalt, nu ter terechtzitting in hoger beroep geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die zulk een beroep schragen;

Overwegende, dat het ten laste van verdachte bewezen geachte feit moet worden gekwalificeerd als:
”ZWARE MISHANDE­LING”, misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 362 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht;

Overwegende, dat de verdachte deswege strafbaar is zijnde van geen grond tot uitsluiting of opheffing der strafbaarheid gebleken;

Overwegende, dat het Hof bij de strafoplegging rekening heeft gehouden met de ernst van het gepleegde feit, de omstan­digheden waaronder het werd gepleegd en de persoon van de verdachte en dienten­gevolge een hogere straf zou opleggen, echter gelet op het feit dat de redelijke termijn van proces­voering overschreden is, deze zal verdisconteren in de straf­maat;

Gezien voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 11, 17, 18, 38, en 127 van het Wetboek van Strafrecht;

Overwegende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub A, B en C is te laste gelegd en hetgeen hem bij dagvaarding sub D meer of anders is te laste gelegd dan bewezen is ver­klaard, weshal­ve hij daarvan behoort te worden vrijgespro­ken;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis van 19 mei 1993 door de Kan­tonrechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken tegen de [verdachte], waarvan beroep;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen hetgeen hiervoren bewezen is geacht;

Kwalificeert het bewezen verklaarde feit als voormeld;

Verklaart het bewezen verklaarde feit en de verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt hem te dier zake tot gevangenisstraf voor de tijd van ZES (6) MAANDEN;

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer ge­legd, tenzij het Hof later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een hierbij op DRIE JAREN bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub A, B en C is te laste gelegd en hetgeen hem bij dagvaarding sub D meer op anders is te laste gelegd dan bewezen is verklaard;

SPREEKT HEM DAARVAN VRIJ;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S. GANGARAM-PANDAY, fungerend- President, Mr.P.G. WOLFF en Mr. K. PULTOO, leden

in tegen­woor­digheid van Mr. M.E. VAN GENDEREN-RELYVELD, Substi­tuut-Grif­fier, die dit vonnis hebben ondertekend en uitgespro­ken ter openba­re terechtzitting van het Hof van Justitie van WOENSDAG, 21 MEI 1997, door de fungerend-

Presi­dent voornoemd.

SRU-HvJ-2000-6

H.M.
GENERALE ROL NO.13630.

N.V.BELFIMA, rechtspersoon, gevestigd en kantoor­houdende aan de Heerenstraat no.7 boven, te Paramaribo, voor wie als gemach­tigde optrad, Mr.J.O.KOULEN, die thans vervangen wordt door, Mr.R.OEMAR, advo­kaat,
appellante in conventie en in reconventie,

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres] te [district 1], voor wie als gemach­tigde op­trad, Mr.J.C.P. NANNAN PANDAY, die thans vervangen wordt door Mr. A.R.BAARH, advokaat,
geïntimeerde in conventie en in reconven­tie,

De Vice-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 5 februari 1999 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
In conventie en in reconventie:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden compari­tie van partijen zijn verschenen [naam 1], Notariële gevolmachtigde van geintimeerde, advokaat Mr.A.R.Baarh, gemachtigde van geintimeerde en advokaat Mr.R.Oemar gemachtigde van appellante, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte pro­cessen-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating na gehou­den comparitie van partijen zijdens partijen peremptoir bepaald, advokaat Mr.H.P.Bolde­wijn namens advokaat Mr.A.R.Baarh hierbij heeft ver­klaard: ”Partijen zijn in termen van schik­king”;
Overwegende, dat het Hof, na wederom de uitlating na gehouden comparitie van partijen zijdens partijen peremptoir te hebben aangehouden, vonnis in de zaak aan­van­kelijk had bepaald op 4 februari 2000, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
In conventie en in reconventie:
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussen­vonnis van 5 februari 1999 en hetgeen dienaangaande is overwogen;
Overwegende, dat [geïntimeerde] haar gevol­mach­tigde [naam 1], bij de op 16 april 1999 gehouden inlich­tin­gencomparitie verschenen – voorzover ten deze van belang – ondermeer heeft verklaard, dat het hem name­lijk bekend is dat [geïntimeerde] van partij Belfima een stuk grond te [project] heeft ge­kocht; dat hij, [naam 1], op die grond waar er een huis op staat al zes jaar woonachtig is; dat [geïntimeerde] oor­spron­kelijk die grond had gekocht voor een bedrag van f.12.000.— en, nadat zij een deel van de koopsom had betaald en niet verder betalen kon, hij en [geintimeerde] naar partij Belfima zijn geweest en is aan partij Belfima voorgehouden dat [geintimeerde] niet verder beta­len kon, waarna afgesproken werd dat hij het bedrag dat [geïntimeerde] betaald had aan haar terug zou betalen en dat partij Belfima vervolgens aan hem [naam 1], dat stuk grond zou verkopen; dat hij het bedrag van f.6.000,–, dat [geïntimeerde] betaald had aan haar heeft terugbetaald; dat hij aan partij Belfima van wie hij gekocht had voor f.12.000,–, dit bedrag ook heeft betaald; dat partij Belfima aan hem niet juridisch geleverd heeft ofschoon hij haar het bedrag waarvoor hij dat stuk grond gekocht had volledig aan partij Belfima had voldaan; dat partij Belfima dat stuk grond verkocht en overgedragen heeft aan zekere [naam 2];
Overwegende, dat de gevolmachtigde van [geïntimeerde] ten bewijze, dat [naam 2] het stuk grond heeft gekocht en geleverd gekregen, ter gemelde comparitie heeft overgelegd een hypothecair-uittreksel d.d. 2 februari 1998;
Overwegende, dat partij Belfima noch bij gemelde inlichtingen comparitie van 16 april 1999 noch bij de voor 11 juni 1999 bepaalde voort­gezette en gehouden inlichtingen comparitie is versche­nen zonder van een verontschuldigende reden te doen blij­ken, weshalve het Hof zowel van de juist­heid van de zijdens [geïntimeerde] ver­schafte informaties ter gele­genheid van de op 16 april 1999 gehouden inlichtingen comparitie als van de inhoud van het niet door partij Belfima betwist hypo­the­cair-uittreksel uitgaande, van oordeel is, dat het primair gevorderde niet toewijsbaar is omdat partij Belfima nu zij sedert 6 oktober 1994 niet meer de beschik­king over het litigieuze stuk grond heeft, niet veroordeeld kan worden tot juridische levering daarvan waaraan niet af kan doen dat zij – partij Belfima – zich daartoe in de onmogelijkheid heeft gesteld;
Overwegende, dat het subsidiair gevorderde even­min voor toewijzing in aanmerking kan komen nu, naar uit de informatie door de gevolmachtigde van [geïntimeerde] aan het Hof ter gelegenheid van de gehouden inlichtingen comparitie verschaft, [geïntimeerde] , door het aan haar geres­titueerde bedrag f.6.000,– door haar gevolmach­tigde, van hem in ontvangst te nemen waarna haar gevol­machtig­de het stuk land van partij Belfima kocht voor f.12.000,–, welk bedrag ook aan partij Belfima is betaald en door haar in ontvangst genomen – zij het stilzwijgend – aan beëindiging van de tussen haar en partij Belfima eerder gesloten overeenkomst betreffen­de het litigieuze stuk land, heeft mede gewerkt en mits­dien ook geen aanspraak meer maakte op betaling van het bedrag van f.112.500,– aan haar als door haar gevor­derd;
Overwegende, dat toewijzing van zowel de primaire als de subsidiaire vordering mitsdien achterwege dient te blijven;
Overwegende, dat het Hof ten aanzien van de vorde­ring van partij Belfima opmerkt dat het sub A gevor­derde haar niet kan worden toegewezen; de tussen par­tij­en gesloten overeenkomst is immers, zij het stil­zwijgend, beëindigd; het sub B gevorderde evenmin omdat partij Belfima door het litigieuze stuk land te verko­pen en juridisch te leveren aan [naam 2] daar hoegenaamd geen belang meer bij heeft;
Overwegende, dat het sub C gevorderde toewijsbaar is nu [geïntimeerde] door eraan mede te werken – zij het stilzwijgend – dat de tussen haar en partij Belfima gesloten overeenkomst van verkoop en koop betreffende het litigieuze stuk land werd beëindigd door het in het ontvangst nemen van het bedrag van f.6.000,– van de koper van dat stuk land, [naam 1] , na de beëindi­ging van de eerste koopovereenkomst, geacht moet worden geen belang meer te hebben bij haar verweer tegen toewijzing van het sub C gevorderde gaande het Hof ervan uit dat [geïntimeerde] het verweer heeft laten varen;
Overwegende, dat op grond van het hiervorenover­wogene het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven en behoort te worden vernietigd als hierna te melden;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
In conventie en in reconventie:
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 10 januari 1995, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
In conventie:
Wijst geintimeerde zowel haar primaire als haar subsidi­are vordering af;
Veroordeelt de geintimeerde in de kosten in beide instanties in prima aan de zijde van appellante be­groot op f…
en in hoger beroep op f…

In reconventie:
Gelast de opheffing van het conservatoir beslag, gelegd bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie Sh.Kandhai d.d. 24 mei 1993 no.272 op:
– het perceelland groot 10.0023 ha gelegen in [district 2] ten Oosten van het [gebied] aangeduid op de kaart van de landmeter A.E.Calor de dato 20 maart 1963 met de letters ABEF.

– het perceelland groot 1.72 ha met inbegrip van de langs de hierna te vermelden lijn F.S.lopende strook grond land ter breedte van 5 meters op de kaart van de land­meter J.C.De La Parra de dato 24 mei 1934 aangeduid met de letters EFST van de plantage Beekhuizen bekend als het Belfima projekt, met uitzondering van de ver­kochte en overgedragen delen waarvan kavel no 27 nog niet is overgedragen;

Veroordeelt geintimeerde in de proceskosten van hoger beroep tot 2/3 deel van de kosten aan de zijde van appellante gevallen en begroot op f…..

Wijst af het meer of anders gevorderde;

In conventie en in reconventie:

Aldus gewezen door de Heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare te­rechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 5 MEI 2000, in tegenwoordig­heid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.S.Marica namens haar gemachtigde, advokaat Mr.R.Oemar en geintimeerde vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.Struiken namens haar gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-48

H.M.
GENERALE ROL NO: 13752.

[appellant], tijdelijk wonende aan de [adres] in het [district], voor wie als gemach­tigde op­trad, Mr.R.BALDEW, die thans vervangen wordt door Mr.G.­GANGARAM PANDAY, advo­kaat,
appellant,

tegen

STICHTING BOUWFONDS POLITIE, rechtspersoon, geves­tigd te Paramaribo, voor wie als ge­mach­tigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advo­kaat,
geinti­meerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 3 oktober 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat de bij voormeld interlocutoir vonnis bevolen comparitie van partijen niet is gehou­den en de zaak naar de rolzitting werd verwezen voor nadere dagbepaling comparitie van partijen;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 5 december 1997, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot zich per brief, geda­teerd 5 december 1997, als gemachtigde van appellant aan de zaak heeft onttrokken;
Overwegende, dat per schrijven d.d. 17 december 1997 gericht aan de President van het Hof, advokaat Mr.R.S.Baldew de mededeling doet dat hij als raadsman voor appellant zal optreden;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 6 februari 1998 de comparitie van partijen werd bepaald op 27 maart 1998;
Overwegende, dat de comparitie van partijen na enkele malen te zijn aangehouden uiteindelijk werd gehouden op 29 mei 1998;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden compari­tie van partijen zijn verschenen, appellant in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.Baldew, de heren Hendricus Ruben Geerlings, W.P. Mijnard en R.J. Nibte, blijkens overgelegde akte van volmacht, gevolmachtigde van de Stichting Bouwfonds Politie en advokaat Mr.F.F.P.Truideman, gemachtigde van voornoemde Stichting en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen-proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke con­clusie voor overlegging origineel procesverbaal van comparitie van partijen heeft genomen;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 20 novem­ber 1998 geconstateerd werd dat advokaat Mr.R.Baldew zich per brief d.d. 20 oktober 1998 als gemachtigde van appellant aan de zaak heeft onttrokken, terwijl ter terechtzitting van 9 april 1999, advokaat Mr.T.Gangaram Panday namens Mr.G.­Gangaram Panday het Hof heeft mede­gedeeld dat laatstgenoemde zich als gemachtigde van appellant heeft gesteld;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant hierna een – hier als geinsereerd aan te merken – schriftelij­ke conclusie met produkties heeft overge­legd; wordende de inhoud van de overgelegde produkties hier als ingelast beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerde vervolgens een – hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusie tot uitlating produkties heeft genomen en daarbij tevens produkties heeft overgelegd, wordende de inhoud van de overgelegde produkties hier als ingelast beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een – hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvan­kelijk had bepaald op 6 augustus 1999, doch na enige malen te hebben aangehouden nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof hier overneemt en blijft bij hetgeen in eerdergenoemd tussenvonnis d.d. 3 okto­ber 1997 is overwogen en beslist;
Overwegende, dat het Hof in voornoemd tussenvonnis de partijen bij bevolen comparitie van partijen in de gelegenheid heeft gesteld tot een vergelijk te komen in de onderhavige zaak;
Overwegende, dat voormelde comparitie van partijen op 29 mei 1998 is gehouden waarvan het proces-verbaal hier als ingelast wordt beschouwd;
Overwegende, dat het Hof opmerkt dat partijen blijkens hun gedane uitlatingen na voornoemde compari­tie van partijen niet tot een vergelijk zijn gekomen;
Overwegende, dat op grond van hetgeen reeds eerder in het tussenvonnis d.d. 3 oktober 1997 is overwogen appellant, onder vernietiging van het beroepen vonnis, alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering;
Overwegende, dat appellant, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding als in voege na te melden zal worden verwezen;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter op 5 december 1995 in deze zaak tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn vordering;
Veroordeelt appellant in de kosten in beide in­stanties aan de zijde van geintimeerde gevallen en in prima begroot op f….
en in hoger beroep begroot op f…..
Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van f…..
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f….

Aldus gewezen door de heren: Mr.P.G.WOLFF, Funge­rend- President, Mr.K.PULTOO, Lid en Mr.L.J.BUDHU LALL, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitge­sproken ter open­bare te­recht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJ­DAG, 19 november 1999, in tegen­woordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substi­tuut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.P.G.WOLFF

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.T.Gangaram Panday namens de gemachtigden van partijen advokaten Mr.G.Gangaram Panday en Mr.F.F.P­.Truideman.

SRU-HvJ-1999-47

H.M.
GENERALE ROL NO.13892.

a.[appellante 1], weduwe van [naam 1] overleden op 11 april 1992;
b.[appellante 2];
c.[appellante 3], gehuwd met [naam 2];
d.[appellante 4], gehuwd met [naam 3], allen erfgenamen van [naam 1], voornoemd, en wonende in het [district], door wie tot hun aller gemach­tigde is gesteld, Mr.B.A.HALFHIDE, advo­kaat,
appellanten,

tegen

[geintimeerde], wonende in het [district], voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.E.J.BRUMA, advo­kaat,
geïntimeerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 21 juni 1994, 16 mei 1995 en 19 maart 1996 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 2 april 1996 waaruit blijkt van het instel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen:
a.[appellante 1], weduwe van [naam 1] overle­den op 11 april 1992;
b.[appellante 2];
c.[appellante 3], gehuwd met [naam 2];
d.[appellante 4], gehuwd met [naam 3], allen erfgenamen van [naam 1], voornoemd, en wonende aan de van Drimmelenpolder Serie E no.29 in het [district], gedaagden;

2. Dat eiser in de maand juli 1990 met de heer [naam 1], nu wijlen, erflater van de gedaagden, is overeen­gekomen dat in verband met de overdracht van het huur­recht van [naam 1] voornoemd op het perceelland groot ± 25.30 ha, gelegen te Proefpolder Middenstandsbedrij­ven Serie D [nummer 1] gelegen in het [district], aan eiser door eiser aan [naam 1] voornoemd voor de beter­schap van genoemd perceelland een bedrag van f.140.00­0,– Surinaams courant zou worden voldaan;
3. Dat [naam 1] voornoemd ter uitvoering van het over­eengekomene een verzoekschrift richtte aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen t.a.v. de directeur Mr.E.J­.van Varseveld, waarbij verzocht werd het betref­fende perceel aan eiser te mogen overdragen, welk verzoekschrift mede-ondertekend werd door eiser (af­schrift bijgevoegd);

4. Dat zoals blijkt uit het verzoekschrift betrokkene wegens ziekte en financiële problemen de grond niet meer kon bewerken en dus verplicht was deze over te dragen;

5. Dat hierbij overgelegd wordt een verklaring van de behandelende arts Dr.D.J.Hanoeman, waaruit blijkt dat betrokkene geen zware arbeid mocht verrichten;

6. Dat eiser ter financiering van de overdracht een lening c.q een krediet van Sf.140.000 ,– vroeg bij de Landbouwbank N.V., welke lening door de bank werd goed­gekeurd (afschrift bijgevoegd);

7. Dat de Bestuurs-opzichter t.a.v. de overdracht van het perceel aan eiser bij zijn brief van 28 september 1990 een gunstig advies uitbracht (afschrift bijge­voegd);

8. Dat ook de Coördinator Regio West van het Ministe­rie van Landbouw, Veeteelt en Visserij Dr.H.J.Soekarijo bij zijn brief van 1 november 1991 daartoe om advies gevraagd door de Distrikts-Commissaris van Nickerie, met betrekking tot de overdracht van voormeld perceel, een gunstig advies uitbracht (afschrift bijgevoegd);

9. Dat de Distrikts-Commissaris van Nickerie het betreffend verzoekschrift tenslotte indiende op het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen en in elk geval het verzoekschrift op 28 juli 1992 althans in het jaar 1992 ter finalisering werd aangeboden aan het Hoofd van de Dienst der Domeinen;

10. dat genoemde heer [naam 1] op 11 april 1992, althans in het jaar 1992 is overleden en de erfgenamen de op volgers zijn onder algemene titel en derhalve delen in de rechten en verplichtingen van de erflater, wijlen [naam 1];

11. Dat door het overlijden van [naam 1] de overdracht van het perceel aan eiser tegen betaling van Sf.140.00­0,– voor de beterschap, zoals was overeenge­komen, niet heeft plaatsgevonden;

12. Dat de gedaagden eigenmachtig het voorschreven perceelland aan een andere hebben verhuurd;

13. Dat volgens brief van het Ministerie van Natuur­lijke Hulpbronnen d.d 26 februari 1993 [nummer 2], eerst toestemming verkregen moet worden van de erfgenamen waaruit blijkt dat hunnerzijds geen bezwaren bestaan tegen overdracht van de op het betreffende perceel aangebrachte beterschap, alvorens tot overschrijving van het huurrecht op naam van eiser kan worden overge­gaan (zie bijgevoegd afschrift);

14. Dat volgens vorenvermelde brief van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen van 26 februari 1993 het hier gaat om de aangebrachte beterschap waarover eiser, zoals uit de overgelegde stukken blijkt, bereids over­eengekomen was met [naam 1] thans wijlen, ten bedrage van Sf.140.000,–;

15. Dat gedaagden ondanks aanmaningen in der minne weigeren mede te werken aan de overdracht van de op het bedoeld perceel aangebrachte beterschap;

16. Dat volgens brief van de Onderdirecteur Domeinbe­heer van het Ministerie van natuurlijke Hulpbronnen d.d. 25 augustus 1993 [nummer 3], het Ministerie zal overgaan tot toewijzing van het betreffend perceel aan gedaagden indien de zaak niet aan de rechter wordt voorgelegd;

17. Dat eiser daarom verplicht is de tussenkomst van de Kantonrechter in te roepen om de overdracht door gedaagden te doen plaatsvinden tegen betaling van de beterschap ad Sf.140.000,–;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaag­den, zullen worden veroordeeld mede te werken, voorzo­ver het gedaagden regardeert, aan de overdracht van het voorschreven perceel op naam van eiser tegen betaling van het bedrag van Sf.140.000,– voor de beterschap, onder verbeurte van een dwangsom van Sf.50.000,– per dag voor iedere dag welke gedaagde in gebreke blijft aan voormelde veroordeling te voldoen, kosten rechtens;

Overwegende, dat J.S.KERTOSENTONO e.a. als gedaag­de partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaat­se te zijn ingelast onder overlegging van produkties – de vorde­ring heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:
dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen; wordende de inhoud van de overgelegde produkties hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 21 juni 1994 op de daarin opgenomen gronden alvorens verder te beslissen een comparitie van partijen heeft gelast, en iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen is gehouden op 22 november 1994 en op 20 december 1994 is voortgezet;

Overwegende, dat de Kantonrechter op 17 januari 1995 als deskundige van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen heeft gehoord, de heer G.J.Eliazer, waarna partijen zich bij akte hebben uitgelaten over de des­kundi­genverklaring;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 16 mei 1996 op de daarin opgenomen gronden:[geïntimeerde] heeft toegelaten hem zoveel nodig ambts­halve heeft bevolen door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen dat
– de handtekening op de brief d.d. 31 juli 1990 aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen afkomstig is van erflater [naam 1];
Hem voorts heeft bevolen bij de conclusie na bewijslevering te produceren de beschikking van 23 september 1968 [nummer 4].

Overwegende, dat de eiser in de enquête enkele getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te be­schouwen – processen-verbaal staat gerelateerd; terwijl de gedaagden hebben afgezien van contra-enquête;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna – eveneens hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusies tot uitlating na gehouden enquête hebben genomen;

Overwegende, dat de Kantonrechter vervolgens bij vonnis van 19 maart 1996 op de daarin opgenomen gron­den:

Gedaagden heeft veroordeeld mede te werken aan de overdracht van het perceelland groot ongeveer 25,30 ha gelegen te Proefpolder Middenstands­bedrijven Serie D [nummer 5] gelegen in het [district], op naam van eiser tegen betaling van het bedrag van Sf.140.000,– (honderd en veertig duizend gulden) voor de beterschap, onder verbeurte van een dwangsom van sf.50.000,– (vijftigduizend gulden) per dag voor iedere dag welke gedaagden in gebreke blijven aan voormelde veroordeling te voldoen;

– Dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

– Gedaagden heeft veroordeeld in de kosten van het geding, voor zover tot op heden aan de zijde van eiser gevallen, bepaald op sf.496,50 (vier­honderd en zesenne­gentig gulden en vijftig centen);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal J.S.KERTOSENTONO e.a. in hoger beroep zijn geko­men van voormeld eindvonnis van 19 maart 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.Sitaram van 21 oktober 1996 aan geïntimeerde aanzeg­ging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag, voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie, aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appel­lanten bij repliek pleidooi een produktie overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvan­kelijk had bepaald op 22 mei 1998, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld, zodat appellanten daarin kunnen worden ontvangen.

2. Appellanten hebben tegen het beroepen vonnis enkele grieven opgeworpen die, kort weergegeven, op het volgende neerkomen:

2.1 De Kantonrechter heeft zijn beslissing geba­seerd op de verklaringen van getuigen, welke verklarin­gen het bewijs zouden hebben geleverd dat geintimeerde gekocht zou hebben. Het is evenwel niet duidelijk wat gekocht is.

2.2 De Kantonrechter heeft ten onrechte aan gein­timeerde bewijs opgedragen dat de handtekening onder de brief van 31 juli 1990 aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen afkomstig is van [naam 1] en wel omdat deze brief irrelevant is. In bedoelde brief vraagt [naam 1]immers om ”het perceel” te mogen overdragen, doch dit perceel behoorde niet in eigendom toe aan [naam 1] en hij kon het dus niet in eigendom overdragen. Appellanten kunnen dus niet veroordeeld worden om mee te werken aan de overdracht van het perceel.

2.3 Ingevolge de wet en het gebruik ten aanzien van in huur gegeven domeingrond kan een huurder zijn huurrecht niet overdragen aan een derde. Appellanten kunnen dus niet veroordeeld worden om het huurrecht van het litigieuze perceel aan geïntimeerde over te dragen.

2.4 De Kantonrechter is ten onrechte voorbijgegaan aan het verweer van appellanten in prima dat de door geintimeerde opgegeven causa aan hen geen verplichting oplegt tot medewerking aan de overdracht van het per­ceel.

2.5 De Kantonrechter heeft ten onrechte geen rekening gehouden met het verweer van appellanten dat in het inleidend rekest niet is aangegeven welk recht moet worden overgedragen. Evenmin is aangegeven waaruit de medewerking aan de overdracht zou moeten bestaan.

2.6 De Kantonrechter heeft ten onrechte geen acht geslagen op het verweer van appellanten dat de erflater in gemeenschap van goederen was gehuwd met appellante sub a, die geheel niet op de hoogte was van de eventue­le overeenkomst tussen geintimeerde en de erflater.

3. Uit de, in zoverre niet betwiste, processtuk­ken blijkt het volgende:

3.1 bij beschikking van 23 september 1968 [nummer 4] is het perceelland, groot 25,30 ha en gelegen te Middenstandspolder Serie D [nummer 5] in het [district], ter uitoefening van de rijstbouw aan [naam 1] in huur uitgegeven;

3.2 [naam 1] is op 11 april 1992 overleden met achterlating van appellanten als zijn erfgenamen.

4.1 Geintimeerde heeft als eiser in eerste aanleg gevorderd, voor zoveel hier van belang, dat gedaagden (thans-appellanten) onder verbeurte van een dwangsom van f. 50.000 zullen worden veroordeeld mede te werken, voor zover het hen regardeert, aan de overdracht van voorschreven perceel op naam van de eiser tegen beta­ling van f. 140.000 voor de beterschap.

4.2 Geintimeerde heeft bij inleidend verzoek­schrift, voor zoveel hier van belang en zakelijk weer­gegeven, aan zijn vordering het volgende ten grondslag gelegd:
a. geintimeerde is in de maand juli 1990 met [naam 1] overeengekomen dat door hem, geintimeerde, in verband met de overdracht van het huurrecht van [naam 1] op het hierboven onder 3.1 vermelde perceel, aan [naam 1] voor de beterschap van genoemd perceel f. 140.000 zou worden voldaan;

b.[naam 1] heeft ter uitvoering van het overeenge­komene aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen een verzoekschrift gericht om het betreffende perceel aan geintimeerde te mogen overdragen;

c. door het overlijden van [naam 1] heeft de over­dracht van het perceel aan geintimeerde tegen betaling van f. 140.000 voor de beterschap niet plaatsgevonden;

d. volgens de brief van het Ministerie van Na­tuurlijke Hulpbronnen d.d. 26 februari 1993 moet van de erfgenamen van [naam 1] eerst toestemming worden verkregen waaruit blijkt dat hunnerzijds geen bezwaren bestaan tegen overdracht van de op het perceel aange­brachte beterschap alvorens tot overschrijving van het huur­recht op naam van geintimeerde kan worden overge­gaan;

e. appellanten weigeren ondanks aanmaning in der minne mee te werken aan de overdracht van de op het perceel aangebrachte beterschap.

5.1 Het is van algemene bekendheid dat degene, aan wie door de Distrikts-Commissaris een perceel in huur is uitgegeven, de huur bij overeenkomst op een derde kan doen overgaan (zie onder andere de bij GB 1937 [nummer 6] behorende modelovereenkomst). Naar bestaand spraak­gebruik staat een dergelijk doen overgaan van de huur bekend als ”overdracht van de huur” of ”overdracht van het huurperceel”. Van algemene bekendheid is ook dat die ”overdracht” in de praktijk aldus plaatsvindt dat de huurder de op en in het perceel tot stand gebrachte beterschap aan de derde verkoopt, de Distrikts-Commis­saris op verzoek van de huurder (om het perceel aan de derde ”over te dragen” of om de huurovereenkomst op naam van de derde ”over te schrijven”) met de derde een nieuwe huurovereenkomst aangaat en de huurder de beter­schap feitelijk aan de derde levert.

5.2 Appellanten konden op grond van hetgeen onder 5.1 is overwogen uit de hierboven onder 4.2.a tot en met 4.2.e weergegeven stellingen van geintimeerde begrijpen dat geintimeerde aan zijn vordering ten grondslag legde dat hij met [naam 1] was overeengekomen om de huur van het onder 3.1 vermelde perceel op hem, geinti­meerde, te doen overgaan en dat hij in verband daarmee de op en in het perceel tot stand gebrachte beterschap voor f. 140.000 van [naam 1] had gekocht.

5.3 In het inleidend verzoekschrift wordt welis­waar op verschillende plaatsen gesproken over het overdragen van ”het perceel” en over de overdracht van ”het perceel”, maar datzelfde stuk bevat ook de hierbo­ven onder 4.2.d en 4.2.e weergegeven stellingen, waarin er sprake is van overdracht van de op het perceel aangebrachte ”beterschap”. Voorts wordt in de conclusie van repliek gesteld: ”Het gaat er om dat gedaagden medewerken (er staat, kennelijk abusievelijk, ”gedaagde medewerkt”) aan de overdracht van de beterschap tegen betaling van een bedrag van f. 140.000 door eiser”. Uit dit alles kon, mede gelet op hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen, het voor appellanten duidelijk zijn dat in het petitum voor ”mede te werken … aan de over­dracht van het voorschreven perceel op naam van de eiser” moet worden gelezen ”mede te werken … aan de feitelijke overdracht van de op voorschreven perceel aangebrachte beterschap aan eiser”.

6.1 Appellanten hebben geen grief opgeworpen tegen de beslissing van de Kantonrechter dat hij bewezen achtte, zakelijk weergegeven, dat de brief van 31 juli 1990 aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen (mede) is ondertekend door [naam 1]. Er kan dus van de echtheid van [naam 1]’s handtekening worden uitgegaan.

6.2 In bovenbedoelde brief, die door [naam 1] ”Voor overdracht” en door geintimeerde ”Voor overname” is ondertekend, verzoekt eerstgenoemde aan de Minister om het perceel aan geintimeerde te mogen overdragen. Door de inhoud van deze brief, van de brief van de Bestuurs­opzichter Ch. Soochit d.d. 28 september 1990 en van de leningsaanvraag d.d. 23 juli 1990 acht het Hof bewezen dat geintimeerde en [naam 1] zijn overeengekomen om de onder 3.1 vermelde huur aan eerstgenoemde te doen overgaan en dat geintimeerde in verband daarmee de beterschap van [naam 1] heeft gekocht voor f. 140.000.

7.1 Met betrekking tot de hierboven onder 2.1 weergegeven grief heeft geintimeerde, zakelijk weerge­geven, aangevoerd dat het in die grief aan de Kanton­rechter gemaakte verwijt, niet terecht is. Het Hof is het met de geintimeerde eens: uit niets blijkt dat de Kantonrechter zijn beslissingen heeft gebaseerd op getuigenverklaringen als door appellanten gesteld. Overigens blijkt uit hetgeen onder 6.2 is overwogen wat er gekocht is. Grief 2.1 gaat dus niet op.

7.2 Grief 2.2 en grief 2.3, die ervan uitgaan dat gevorderd wordt dat appellanten worden veroordeeld mede te werken aan de overdracht van de eigendom, respektie­velijk het huurrecht, van het perceel gaan, op grond van hetgeen onder 5.3 is overwogen, evenmin op.

7.3 Aangezien het in grief 2.4 en grief 2.5 ver­melde verweer van appellanten terzake diende was had de Kantonrechter daarop acht moeten slaan, hetgeen hij echter niet heeft gedaan. De grieven zijn in zoverre dan ook gegrond. Het in grief 2.4 vermelde verweer gaat echter niet op, nu de verkoop van de beterschap voor [naam 1], en na diens overlijden voor zijn erfgenamen, de verplichting meebracht aan de feitelijke levering van die beterschap mede te werken. Het in grief 2.5 vermel­de verweer, evenals het verweer dat niet is aangegeven waaruit de medewerking aan de overdracht zou moeten bestaan, stuiten naar het oordeel van het Hof af op hetgeen hierboven onder 5.1 tot en met 5.3 is overwo­gen. De hier besproken grieven leiden dus niet tot vernietiging van het beroepen vonnis.

7.4 In het in grief 2.6 vermelde verweer kan, zij het niet zonder moeite, een beroep op het bepaalde in artikel 163 lid 1 BW worden gezien. Afgezien van de omstandigheid dat uit de door appellanten gestelde feiten niet volgt dat in casu sprake is van een van de in genoemd wetsartikel bedoelde overeenkomsten, voor het aangaan waarvan de toestemming van de niet-hande­lende echtgenoot vereist is, is een handeling in strijd met het wetsartikel slechts vernietigbaar. Het enkele feit dat, zoals uit het verweer zou kunnen worden opgemaakt, [naam 1] heeft gehandeld in strijd met artikel 163 lid 1 BW, staat dus niet in de weg aan toewijzing van de vordering van geintimeerde. De Kantonrechter heeft het verweer kennelijk niet relevant geacht en kon zulks naar het oordeel van het Hof ook doen. De grief faalt derhalve.

8.Het vonnis waarvan beroep dient op grond van al het vorenoverwogene, onder aanvulling en verbetering van de gronden, te worden bevestigd. Appellanten zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskos­ten worden veroordeeld.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt, onder aanvulling en verbetering van de gronden, het door de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen en op 19 maart 1996 uitgesproken vonnis, waar­van beroep.
Veroordeelt appellanten in de proceskosten aan de zijde van de geintimeerde gevallen…
Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f…..Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellanten eveneens op f……….

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, funge­rend-President, Mr.P.G.WOLFF, Lid en Mr.L.J.BUDHU LALL, Lid-Plaatsvervanger, en door de fungerend-Presi­dent uitgesproken ter openba­re terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 22 oktober 1999, in tegen­woordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substi­tuut-Griffier.

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.E.STRUIKEN namens hun gemachtigde, advokaat Mr.B.A.HALFHIDE en geïntimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.BOLDEWIJN namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.J.BRUMA, zijn bij de uitspraak ter te­rechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-1998-30

PRO JUSTITIA

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Vonnis 1998 no.14

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis, door de Kantonrechter in het Derde Kanton op 3 december 1997 gewezen en uitgesproken tegen:

[verdachte], oud 45 jaar, van beroep landbouwer, geboren in het [distrikt], wonende te [adres] in het [distrikt], thans gevangengehouden, verdachte;

Gelet op het tijdig door de Vervolgingsambtenaar ingestelde hoger beroep;
Gehoord de verdachte in zijn verdediging daarin bijgestaan door zijn raadsman, Mr. A.R. Baarh, advokaat bij het Hof van Justitie van Suriname;
Gehoord de getuigen in hun beëdigde verklaringen;
Gehoord de waarnemend Procureur-Generaal;
Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte bij de inleidende akte van dagvaarding zijn te laste gelegd, de feiten zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding, welke akte van dagvaarding als hier geïnsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat hij, verdachte, het hem bij de betreffende inleidende akte van dagvaarding sub A te laste gelegde heeft begaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven;
met vrijspraak van het meer of anders te laste gelegde;

Overwegende, dat de Kantonrechter het bewezen verklaarde feit heeft gekwalificeerd als:
OPLICHTING, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 386 van het Wetboek van Strafrecht en de verdachte te dier zake heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van TWAALF MAANDEN, met bevel dat van deze straf een gedeelte van VIER MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de Rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van het hierbij op DRIE JAREN bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, danwel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen, met bepaling dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak van 22 oktober 1997 af, voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht; voorts heeft de Kantonrechter de teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan de rechtmatige eigenaar bevolen en als bijzondere voorwaarde gesteld dat binnen DRIE MAANDEN na heden het totale bedrag ter waarde van Sf. (Drie Honderd Twintig Duizend Gulden) terugbetaalt (lees: terugbetaald) wordt aan de benadeelde, met bevel tot gevangenhouding van de verdachte;

Overwegende, dat het Hof zich kan verenigen met het vonnis a quo, behalve ten aanzien van de aan verdachte opgelegde straf, weshalve dit vonnis behoort te worden bevestigd met uitzondering van dat gedeelte waarbij aan verdachte straf werd opgelegd, op welk punt dit vonnis moet worden vernietigd;

Overwegende, dat het Hof de navolgende straf in overeenstemming acht met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit werd gepleegd en de persoon en de draagkracht van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken;

Gezien de in het vonnis aangehaalde wetsartikelen alsmede de artikelen 17, 18 en 19 van het Wetboek van Strafrecht;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis van 3 december 1997 door de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken tegen de [verdachte], waarvan beroep, behoudens ten aanzien van de aan verdachte opgelegde straf;

Vernietigt dit vonnis te dien aanzien en in zoverre opnieuw rechtdoende:

Veroordeelt hem te dier zake tot een gevangenisstraf voor de tijd van TWAALF MAANDEN;

Beveelt dat van deze straf een gedeelte van DRIE MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij het Hof later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een hierbij op DRIE JAREN bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen;

Bepaalt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak vanaf 22 oktober 1997 voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Stelt als bijzondere voorwaarde dat binnen DRIE MAANDEN na heden het totale bedrag ad Sf. 278.985,- (Tweehonderd Acht en Zeventigduizend en Negenhonderd Vijf en Tachtig Gulden Surinaaams Courant) door of namens de veroordeelde terugbetaald wordt aan de [benadeelde].

Beveelt dat de veroordeelde gevangengehouden zal blijven;

Aldus gewezen door de heren: Mr. J.R. Von Niesewand, waarnemend President, Mr. M.G. De Miranda en Mr. L.J. Budhu Lall, Leden-Plaatsvervanger, in tegenwoordig­heid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier, die dit vonnis hebben ondertekend, hetwelk door de waarnemend-President is uitgesproken ter openbare terechtzit­ting van het Hof van Justitie van WOENSDAG, 8 JULI 1998.

w.g.A.CHARAN w.g.J.R.VON NIESEWAND

w.g.M.G. DE MIRANDA w.g.L.J.BUDHU LALL

Voor afschrift, De Griffier van het Hof van Justitie,

Vermits de verdachte, [verdachte] niet bij de uit­spraak van dit vonnis ter terechtzitting is versche­nen, heb ik ondergetekende, fungerend-Grif­fier bij het Hof van Justi­tie, ingevolge artikel 350 van het Wet­boek van Strafvorde­ring, op 8 juli 1998, nadat de ver­oordeelde voornoemd ten kanto­re van het Hof van Justi­tie is aangevoerd, aan hem dit vonnis voorgelezen.

De Griffier van het Hof van Justitie namens deze,
(R.R.BRIJOBHOKUN)

SRU-HvJ-1999-46

M.H
GENERALE ROL NO.13665.

[appellant], wonende te [district 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,
appellant,

tegen

[geïntimeerde], weduwe van [naam], wonende te [district 1] aan [adres], voor wie als gemachtigde optraden, Mr.J.LACHMON en Mr.B.A.HALFHIDE, thans Mr.B.A.HALFHIDE, advokaat,
geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kan­tonrech­ter in het Eerste Kanton van 17 januari 1995 tussen partijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 25 januari 1995, waaruit blijkt van het in­stellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:
1. dat rekestrant de navolgende vordering wenst in te stellen tegen: [geïntimeerde], weduwe van [naam], wonende te [district 1] aan [adres];

2. dat [naam] blijkens verklaringen van erfrecht d.d. 22 september 1986 en 18 augustus 1993 opgemaakt te [plaats] in [land 1] door notaris Mr.L.DE LA RAMBELJE op 30 augustus 1986 in [district 2] is overleden na bij testament over zijn nalatenschap te hebben geschikt en te hebben benoemd tot zijn erfgenamen tezamen en voor gelijke delen zijn echtgenote, zijnde gerekestreerde en zijn negen wettige kinderen, w.o. rekestrant. Voorts is gerekestreerde benoemd tot uitvoerster van deze uiterste wilsbeschikking ofwel tot executrice testamentair;

3. dat tot de nalatenschap hebben behoort meerderheids aandelenpakketten in diverse naamloze vennootschappen waarover de erflater zeggenschap had, grote schulden aan bankinstellingen, uitstaande privé en vennootschapsvorderingen etc.;

4. dat gerekestreerde na het overlijden van de erflater de zaken op hun beloop heeft gelaten en nimmer een boedelbeschrijving heeft gemaakt. Rekestrant woonde in Nederland en had geen inzicht in noch overzicht van de boedel, totdat hij naar [land 2] kwam en ontdekte welke chaotische situatie was ontstaan sinds de dood van de erflater. Telkens wanneer rekestrant de poging deed om, ondanks zijn vanwege het testament beperkte mogelijkheden en de zeer nauwe relatie tot gerekestreerde die tot zekere piëteit verplicht, in te grijpen werd zijdens gerekestreerde een gebaar gemaakt dat goede perspectieven scheen te bieden;

5. dat gerekestreerde echter telkens weer de belangen van vooral de vennootschappen verwaarloosde omdat noch haar intellectueel niveau noch haar kennis van en ervaring met zaken doen haar in staat stelde in het bijzonder de vennootschappen te besturen. Op gegeven moment heeft gerekestreerde een broer van rekestrant aangesteld als beheerder van een der belangrijkste vennootschappen, N.V. CULTUURONDERNEMING NICKERIE, die een schuldpositie had van f.8.000.000,–. Deze schuld is opgelopen tot ruim f.20.000.000,–. Door een ingreep van rekestrant, met toestemming van gerekestreerde, is het gelukt de zaak nog te redden, waardoor de schuld volledig is voldaan. Voorts zijn drie tot de boedel behorende bedrijven gesloten en de actieva verkocht, omdat gerekestreerde wanbeheer gevoerd heeft, zijnde, de pelmolen, HANDELMIJ SARAMACCA DOORSTEEK en EURO RICE B.V. Ook is een nieuwe motor dekschuit met een waarde van ruim Nf.1.000.000.– spoorloos;

6. dat gerekestreerde desondanks voormelde broer opnieuw heeft belast met de leiding van die vennootschap met alle nadelige gevolgen van dien;

7. dat het thans noodzakelijk is orde op zaken te stellen, waartoe vereist is dat alsnog een boedelbeschrijving wordt gemaakt en gerekestreerde wordt ontzet als executrice testamentair in gevolge artikel 1050 jo 435 lid 2 BW, nu zij onbekwaamheid aan de dag legt, misbruik blijkt te maken van haar bevoegdheid en in het algemeen haar verplichtingen blijkt te verwaarlozen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gerekestreerde zal worden ontzet als executrice testamentair over de nalatenschap van wijlen [naam], Kosten rechtens;

Overwegende, dat ten dage voor verhoor in Raadkamer bepaald, zijn verschenen partijen in persoon tevens bijgestaan door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.J.Lachmon, waarna de gemachtigde van rekestrant voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerster hierna een verweerschrift met bijlagen heeft overgelegd, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produkties hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor voortzetting verhoor in Raadkamer bepaald, deze geen voortgang heeft gehad;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna de zaak heeft aangehouden voor het nemen van een conclusie tot uitlating zijdens rekestrant op welke terechtzitting de gemachtigde van rekestrant een schriftelijke conclusie met bijlagen heeft genomen, waarvan de inhoud alsmede die der overgelegde produkties hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating produkties zijdens verweerster bepaald, diens gemachtigde eveneens een schriftelijke conclusie onder overlegging van produkties heeft genomen, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produkties hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor voortzetting verhoor van partijen bepaald, partijen in persoon ter terechtzitting zijn verschenen, en alsvolgt hebben verklaard:

De rekestrant:

” de zaak is zeer ernstig. Het proces van vernietiging

van de nalatenschap is nog steeds gaande. Banktegoeden, behorende tot de onderwerpelijke nalatenschap, zijn nog steeds niet zichtbaar. Verweerster beweert dat zij ongeveer 8 jaar geleden notaris Manichand had verzocht een boedelbeschrijving op te maken, maar notaris Manichand ontkent dat een dergelijk verzoek is gedaan. Verder blijf ik bij hetgeen namens mij door Mr.Hooplot is aangevoerd. Als er een notaris zou moeten worden benoemd om een boedelbeschrijving op te maken, zie ik graag dat een neutrale persoon wordt benoemd, bv. notaris L.Hira Sing. Notaris Manichand is de afgelopen 8 jaar belast geweest met de openbare verkoop van allerlei bezittingen uit de nalatenschap en hij was ook commissaris van de N.V.Cultuur Onderneming Nickerie. Hij stelt zich ook om zichzelf vrij te pleiten, partijdig op ”;

De gerekestreerde:

” Ik verblijf bij hetgeen mijn procesgemachtigde, Mr.J.Lachmon, namens mij naar voren heeft gebracht”.

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen peremptoir bepaald de gemachtigden van partijen een schriftelijke conclusie hebben genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 17 januari 1995 op de daarin opgenomen gronden:
Rekestrant niet ontvankelijk in zijn verzoek heeft verklaard;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvon­nis van 17 januari 1995;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL van 24 januari 1996 aan geintimeerde aanzeg­ging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de recht­sdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ten dage voor dagbepaling pleidooi bepaald advokaat Mr.B.A.Halfhide zich mede heeft gesteld voor geintimeerde;

Overwegende, dat ten dage voor pleitnota peremptoir bepaald advokaat Mr.H.Lim A Po namens de gemachtigde van geintimeerde advokaat Mr.B.A.Halfhide het Hof heeft medegedeeld dat partijen in termen van schikking zijn;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating schikking zijdens partijen peremptoir bepaald de gemachtigde van appellant advokaat Mr.E.C.M.Hooplot het Hof heeft medegedeeld dat er geen schikking is bereikt en een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 23 april advokaat Mr.G.Gangaram Panday namens advokaat Mr.J.Lachmon heeft verklaard dat Mr.J.lachmon zich als gemachtigde van geintimeerde aan de zaak heeft onttrokken;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie zijdens geintimeerde peremptoir bepaald advokaat Mr.Tj.Sewdien namens advokaat Mr.B.A.Halfhide recht op stukken heeft gevraagd, terwijl advokaat Mr.H.Essed namens advokaat Mr.E.C.M.Hooplot gepersisteerd heeft;

Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;

Overwegende, dat partijen hierna beschikking in de zaak hebben gevraagd, waarvan de uitspraak bepaald is op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat nu het Hof zich volkomen kan verenigen met de overwegingen aan de beschikking, waarvan beroep, ten grondslag gelegd, dient deze beschikking, bespreking van de hier tegen ontwikkelde grieven als volkomen irrelevant in het midden latend, te worden bevestigd;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt de beschikking door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 17 januari 1995 tussen partijen gegeven, waarvan beroep;

Aldus gegeven door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 22 OKTOBER 1999 in tegen­woordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.BOLDEWIJN namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.E.STRUIKEN namens haar gemachtigde, advokaat Mr.B.A.HALFHIDE, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1998-29

PRO JUSTITIA

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Vonnis 1998 no.

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in af­schri­ft overgelegde vonnis, door de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 8 februari 1996 gewezen en uitgesproken tegen
[verdachte], geboren op [datum 1], van beroep schilder, geboren in [district], wonende aan [adres] te [district], gevangengehouden verdachte,

Gelet op het door de verdachte en de Vervolgingsambtenaar ingestelde hoger beroep;
Gehoord de vordering van het Openbaar Ministerie, ertoe strekkende hem in zijn vervolging niet-ontvankelijk te verkla­ren;
Gelet op het onderzoek in eerste aanleg en het niet afge­sloten onderzoek in hoger beroep;
Overwegende, ambtshalve dat blijkens een aan het Hof overgelegd uittreksel uit het register van overlijden van Paramaribo, door de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand opgemaakt d.d. [datum 2], de ver­dach­te ten rechte geheten is [naam 1] in ­stede van [naam 2],­­­­­ aldaar op zeventien februari negentien­honderd acht en negentig -ongehuwd- is overleden; dat mitsdien ingevolge artikel 95 van het Wetboek van Stra­frecht in de onderhavige zaak het recht tot strafvordering is vervallen; dat dit meebrengt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvan­kelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging.

Aldus gewezen door de heren: Mr. J.R. VON NIESEWAND, Vice-President, Mr. L.J. BUDHU LALL en Mr.A.A.HERMELIJN, le­den-plaatsvervanger, ­die dit vonnis hebben ondertekend en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzit­ting van het Hof van Jus­titie van WOEN­SDAG 6 MEI 1998, ­in te­genwoor­digheid van Mr. M. TEDJOE, fungerend-Griffier.

SRU-HvJ-1999-45

M.H.
GENERALE ROL No.14054.

GEBROEDERS KHAN N.V. (KHAN & BROS LTD), rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Maagdenstraat no.45, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat
appellante,

tegen

A. [geïntimeerde 1],
B. [geïntimeerde 2],
C. [geïntimeerde 3], allen wonende te [district], door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,
geïntimeerden,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit;

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 maart 1996 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 12 april 1996 waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde 1] en 2 anderen als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. Eisers wensen de navolgende vordering in te stellen tegen GEBROEDERS KHAN N.V. (KHAN & BROS LTD), rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Maagdenstraat no.45;

2. Eisers zijn testamentaire erfgenamen van [naam], die op 11 december 1994 te Paramaribo is overleden;

3. Blijkens hierbij in fotokopie overgelegde en door gedaagde geconfirmeerde offerte d.d. 10 juni 1994 heeft gedaagde van voornoemde [naam ] h.o.d.n. KaWe AGENCIES gekocht, gelijk laatstgenoemde aan gedaagde heeft verkocht een partij visnetten, touw enz. De verscheping zou plaatsvinden vanuit Zuid-Korea binnen 2 (twee) maanden na ontvangst van een onherroepelijk L/C of T/T. Gedaagde heeft naderhand de order uitgebreid met een partij lood blijkens de proforma factuur d.d. 13 juni 1994, welk door gedaagde eveneens is geconfirmeerd voor de totale koopprijs US$ 36.788,25 CIF Paramaribo;

4. Gedaagde is echter ondanks herhaalde toezeggingen in gebreke gebleven tijdig de betaling te garanderen middels het openen van de L/C. Op verzoek van gedaagde heeft [naam] de geldigheidsduur van de offerte herhaaldelijk verlengd, laatstelijk tot 30 september 1994, waarna gedaagde aan laatstgenoemde heeft medegedeeld de order te cancellen;

5. Door als voormeld te handelen heeft gedaagde zich jegens [naam] schuldig gemaakt aan wanprestatie en is hij gehouden de door hem geleden schade aan zijn erfgenamen, eisers, te vergoeden. Deze schade wordt beperkt tot de derving van de winst c.q. commissie van 5% van de totale koopprijs van US$. 36.788,25 of wel US$ 1.839,41;

6. Eisers hebben van gedaagde opeisbaar te vorderen US$ 1.839,41, van welk bedrag geen betaling is te bekomen ondanks herhaalde aanmaningen in der minne.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: Gedaagde zal worden veroordeeld om aan eisers terzake voorschreven tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

Primair: de som van US$ 1.839,41 vermeerderd met de wettelijke rente hiervan ad 6% s’ jaars vanaf de dag der indiening van dit verzoekschrift tot aan die der algehele voldoening;

Subsidiair: de tegenwaarde in Surinaams Courant tegen de koers van de dag van betaling van US$ 1.839,41, vermeerderd met de rente hierover ad 6% s’ jaars vanaf de dag van indiening van dit verzoekschrift tot aan de algehele voldoening, Kosten rechtens;
Overwegende, dat Gebroeders KHAN N.V. (KHAN & BROS LTD) als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden onder overlegging van een produktie en daarbij heeft geconcludeerd:
dat eiser hun vordering zal worden ontzegd alszijnde ongegrond en onbewezen, althans de eisers in hun vordering niet ontvankelijk zullen worden verklaard; wordende de inhoud van de overgelegde produktie hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van eisers tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 19 maart 1996 op de daarin opgenomen gronden:
Gedaagde heeft veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen de som van Us-dollar 1.839,41, vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar vanaf 7 februari 1995 tot aan de dag der algehele voldoening;
Dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;
Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.1.057,25 (eenduizend en zeven en vijftig 25/100 gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal Gebroeders KHAN N.V. (KHAN & BROS LTD) in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis van 19 maart 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.Sitaram van 4 mei 1998 aan geïntimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 6 augustus 1999, doch na enige malen te zijn aangehouden nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat de appellante tijdig in hoger beroep gekomen is van de beslissing van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 19 maart 1996;
Overwegende, dat de appellante niet zes (6) doch vijf (5) grieven aangedragen heeft tegen de beslissing van de eerste rechter, die – kort samengevat – ervan uitgaan dat nu slechts sprake was van een offerte en de letter of credit door de appellante ten behoeve van de leverancier nog niet geopend was, de geintimeerden – als erfgenamen van de tussenpersoon [naam] – nog geen aanspraak maken op de alsdan te verdienen commissie, als door hen gesteld;
Overwegende, dat het Hof niet in herhaling wenst te treden van al hetgeen de Kantonrechter zowel met betrekking tot de feiten als het toegepaste recht heeft overwogen en beslist, omdat het Hof zich daarmede kan verenigen;
Overwegende, immers dat de erflater van de geintimeerden alles gedaan heeft wat van hem i.c. kon en mocht worden verlangd om de onderhavige transactie tussen de appellante en de leverancier mogelijk te maken, welke door de appellante is geannuleerd op grond van haar persoonlijk betreffende omstandigheden, n.l. het niet kunnen beschikken over de nodige Amerikaanse dollars die voor de betaling van de door haar aan te kopen goederen vereist waren, en is dus de commissie door hem terecht als verdiend aangemerkt;
Overwegende, dat het Hof het bestreden vonnis dan ook zal bevestigen, met veroordeling van de appellante, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken op 19 maart 1996;
Veroordeelt appellante in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot op f.5.000,–;
Met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.5000,—;
bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op f.5000,– ;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM-PANDAY, fungerend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 6 AUGUSTUS 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.S.GANGARAM PANDAY

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.G.gangaram Panday namens de gemachtigden van partijen advokaten Mr.F.F.P.Truideman en Mr.E.C.M.Hooplot.

SRU-HvJ-2017-33

G.R.No. 13939
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. [naam sub A], wonende in [district],
B. [naam sub B], wonende in [district],
C. [naam sub C], wonende in [district],
D. [naam sub D], wonende in [district],
E. [naam sub E], wonende in [district]
F. [naam sub F], wonende in [district],

appellanten in conventie en reconventie,
hierna aangeduid als “[appellanten]”,
gemachtigden voor appellanten: I.D. Kanhai, Bsc. en mr. F.M.S. Ishaak, advocaten

tegen

A. [persoon sub A], wonende in [district],
B. [persoon sub B], wonende in [district],
C. [persoon sub C], wonende in [district],
D. [persoon sub D], wonende in [district],
E. [persoon sub E], wonende in [district],
F. [persoon sub F], wonende in [district],
G. [persoon sub G], wonende in [district],
H. [persoon sub H], wonende in [district],

geïntimeerden in conventie en reconventie, hierna aangeduid als: ”[geïntimeerden]”,
gemachtigde voor geïntimeerden: mr. A.R. Baarh, advocaat.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van het Hof van Justitie van 6 maart 1998, de rolbeschikkingen van 5 januari 2007 en van 16 november 2007, de tussenvonnissen van 4 april 2008, 16 mei 2008, 4 juli 2008, 21 november 2008 en 2 december 2011.

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

1. Het verdere procesverloop

– het verslag van het gesprek met gemachtigden d.d. 20 januari 2012;

– de conclusie tot overlegging van de pleitnota van 1 augustus 1997 en de repliekpleitnota van 17 oktober 1997;

– het proces-verbaal van de zitting van 17 februari-, 16 maart-, 20 april-, 18 mei-, 6 juli-, 5 oktober- en 2 november 20I2 en van 18 januari-, 3 mei-, 5 juli-, 2 augustus-, 4 oktober en 1 november 2013, aangetekend op het doorlopend proces-verbaal op het dossieromslag.

2. De feiten

Hiervoor verwijst het Hof naar de hiervoor genoemde tussenvonnissen.

3. De ontvankelijkheid van het beroep

3.1 [appellanten] hebben op 7 mei 1997 appèl aangetekend tegen het kort geding vonnis van 5 mei 1997.

3.2 Zij zijn derhalve ontvankelijk in hun appèl.

4. De grieven
In conventie en reconventie
4.1 [appellanten] hebben in hun pleitnota van 1 augustus 1997 de volgende acht grieven tegen het vonnis aangevoerd:

1. Ten onrechte heeft de kantonrechter in zijn overweging 5.3.6 overwogen alsof [appellanten] destijds gedaagden, hun recht zouden hebben verwerkt. De motivering als of zij hun recht om een beroep te doen op de nietigheid van de ontstane situatie hebben verwerkt is niet gebaseerd op de wet en de goede trouw. In zijn algemeenheid kan met betrekking tot rechtsverwerking worden aangenomen dat de omstandigheid van het geval beslissend zal zijn.

2. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat conform artikel 13 van het huishoudelijk reglement [geïntimeerden] een ledenvergadering mochten uitschrijven nu het bestuur op het verzoek van [geïntimeerden] geen vergadering had uitgeschreven; die redenering is onjuist omdat tussen partijen vaststaat dat op 9 november 1996 een ALV is gehouden en derhalve de noodzaak om een aparte vergadering te houden niet kan worden ingezien; nu het bestuur wel een vergadering had gehouden kon de kantonrechter die conclusies niet trekken met betrekking tot de door [geïntimeerden] gehouden vergadering; het is niet aannemelijk dat [geïntimeerden] niet op de hoogte waren van de vergadering die door het bestuur werd gehouden en als zij dat stellen zijn zij te kwader trouw; de vergadering gehouden door [appellanten] was ook veel groter dan de vergadering aangevraagd en gehouden door [geïntimeerden]; artikel 13 van het huishoudelijk reglement gaat derhalve niet op;

3. De kantonrechter heeft geen antwoord gegeven op de vraag of de vergadering gehouden door [appellanten] rechtsgeldig was doch heeft zonder meer meer gewicht gegeven aan een door [geïntimeerden] gehouden vergadering; er waren op die dag van 9 november 1996 twee vergaderingen namelijk een vergadering gehouden door het bestuur na verzoek van leden, die is gehouden met de leden en een vergadering gehouden door leden die die vergadering bijeen hebben geroepen omdat zij ervan uitgingen dat het bestuur geen vergadering belegde, terwijl het bestuur voor die dag wel een vergadering heeft belegd; aan de eerste vergadering zal meer gewicht gegeven moeten worden, immers is deze belegd door het rechtsgeldig bestuur;

4. De kantonrechter heeft gebruik gemaakt van de lijst van de heer [naam 1] doch heeft daarbij niet onderzocht of [geïntimeerden] nog de hoedanigheid van leden van de vereniging hadden; door een lijst van 1987 te gebruiken had de kantonrechter moeten nagaan of [geïntimeerden] nog leden waren en of zij bevoegdelijk behoorden tot een der grondstructuren van de vereniging, onder andere op basis van artikel 6 van de Statuten; aan [geïntimeerden] konden geen bevoegdheden gegeven worden nu niet door de kantonrechter is getoetst of zij voldeden aan de vereisten om als lid aangemerkt te worden; het risico dat ook ontstaat hiermee is dat in de vereniging op een gegeven moment leden worden bestuurd door niet-leden;

5. De kantonrechter heeft een recent ingesteld politieonderzoek minder gewicht gegeven dan de herinneringen van commissieleden uit 1987; het politieonderzoek had als resultaat dat de handtekeningen bij de nummers 48 tot en met 95 erbij zijn geschreven, hetgeen een indicatie is van de betrouwbaarheid van de lijst; de kantonrechter heeft dit gegeven genegeerd; de politie heeft ook aan de hand van andere constateringen aangegeven dat het mogelijk is dat er gefraudeerd is met de lijst die door [geïntimeerden] wordt gehanteerd;

6. De kantonrechter concludeert in het vonnis onder 6.4.8. dat de lijst gebruikt door de commissie [naam 1] niet uitputtend is geweest; hierdoor wordt bevestigd dat het gevaar bestaat dat de mensen op die lijst misschien niet eens meer lid waren van de vereniging;

7. De kantonrechter heeft bij het geven van de beslissing de maatschappelijke consequenties in de woonomgeving van [appellanten] en [geïntimeerden] niet in beschouwing genomen;

8. De kantonrechter heeft niet de juiste maatstaven ten grondslag gelegd aan de genomen beslissing; de redelijkheid en billijkheid en de maatschappelijke verwikkelingen in de woonomgeving van partijen zouden nimmer tot de genomen beslissing kunnen leiden;
de kantonrechter heeft juist de chaos groter gemaakt en partijen zijn door het vonnis scherper tegen over elkaar komen te staan; de kans op het geheel afbrokkelen van de vereniging is hierdoor vergroot.

4.2 Op grond van voormelde grieven vorderen [appellanten] dat het vonnis in eerste aanleg wordt vernietigd en dat het Hof opnieuw rechtdoende alsnog [geïntimeerden] niet ontvankelijk verklaart in hun vordering.

4.3 Het Hof overweegt dat er tijdens het geding in hoger beroep enkele pogingen zijn ondernomen om tussen partijen een minnelijke regeling tot stand te brengen. Daartoe zijn op verschillende rechtsdagen inlichtingen-comparities gehouden en op 14 december 2007 een descente. Deze pogingen zijn echter vruchteloos gebleken waardoor het Hof thans zal overgaan tot de beoordeling van de zaak.

5. De beoordeling
In conventie en reconventie
Grief I

5.1 [geïntimeerden] hebben op deze grief verweer gevoerd waarbij zij aanvoerden dat er geen juiste weergave wordt gegeven van hetgeen de rechter in het bestreden vonnis heeft overwogen; de leerstukken van nietigheid van een rechtshandeling en rechtsverwerking worden verward met elkaar; rechtsverwerking is een toepassing van de goedertrouw en wel de objectieve goedertrouw, de redelijkheid en billijkheid hetgeen betekent dat de rechter die ambtshalve moet toepassen op basis van door partijen aangedragen feiten en omstandigheden; bij rechtsverwerking kunnen twee verschijningsvormen onderscheiden worden te weten:

rechtsverwerking op grond van onredelijke verzwaring van de positie van de wederpartij en rechtsverwerking op grond van het gerechtvaardigde vertrouwen dat een recht niet meer bestaat (materieel) of dat een recht niet meer zal worden uitgeoefend (processueel); in casu heeft de kantonrechter overwogen dat [appellanten] de bestuursleden hadden geaccepteerd waardoor er sprake is van rechtsverwerking; voorts noemen [appellanten] samenspanning, doch geven niet aan waarin de samenspanning bestond;

5.2 Het Hof overweegt ten aanzien van deze grief dat de kantonrechter in het vonnis onder punt 5.1 tot en met 5.3 heeft besproken dat partijen verdeeld zijn over de vraag welke personen voor 19 mei 1996 deel uitmaakten van het voormalig bestuur van de vereniging. De kantonrechter heeft beide standpunten aangehaald en daarbij ook aangehaald welk standpunt de verschillende personen, eisers en gedaagden, hebben ingenomen in eerdere kort geding procedures, namelijk de procedures bekend onder de algemeen register nummers 941323 en 955655.

5.3 Het hof overweegt dat de kantonrechter heeft geconstateerd dat appellanten [naam sub A], [naam sub B] en [naam sub C], in eerste aanleg gedaagden sub A, B en C, zich hebben beroepen op een verklaring van 1 april 1994 waarin staat dat van de 7 bestuursleden 2 bestuursleden niet accoord gingen met een bepaald voorstel. De bestuursleden die hier bedoeld werden waren de personen van [persoon sub A] (eiser sub 1 in eerste aanleg), [persoon sub B] (eiser sub 2 in eerste aanleg), [persoon sub E] (eiser sub 5 in eerste aanleg), [persoon sub G] (eiser sub 7 in eerste aanleg), [naam 2], de heer [naam sub A] (gedaagde sub A in eerste aanleg) en de heer [naam sub C]. De kantonrechter heeft overwogen dat het feit dat de appellanten [naam sub A], [naam sub B] en [naam sub C], toen gedaagden sub A, B en C, zich van deze verklaring hebben bediend ertoe leidt dat ervan uitgegaan moet worden dat zij deze personen als bestuur aanmerkten. De kantonrechter overweegt in rechtsoverweging 5.3.6. dat de appellanten [naam sub A], [naam sub B] en [naam sub C], toen gedaagden sub A, B en C, zich hierdoor niet erop konden beroepen dat zij de personen niet als bestuursleden aanmerkten. De kantonrechter oordeelt in het vonnis dat zij hun recht, om zich erop te beroepen dat de personen voor 19 mei 1996 niet tot het bestuur behoren, hebben verwerkt.

5.4 Appellanten stellen dat de kantonrechter ten onrechte uitgaat van verwerking van het recht om zich erop te beroepen dat, met name de personen van [persoon sub A], [persoon sub E] en [persoon sub G], voor 19 mei 1996 geen deel uitmaakten van het bestuur. Zij stellen dat de omstandigheden van het geval altijd beslissend zijn wanneer geoordeeld moet worden over verwerking van het recht. Zij stellen dat het van het grootste belang is dat wordt nagegaan of er sprake is geweest van samenspanning zijdens geïntimeerden, toen eisers. Zij stellen voorts dat de nietigheid van een situatie binnen vijf jaar mag worden ingeroepen.

5.5 Het Hof overweegt allereerst dat in het geding in eerste aanleg niets door de appellanten, toen gedaagden, is gevorderd met betrekking tot de nietigverklaring van het bestuur voor 19 mei 1996, het geding betreft voorzieningen in kort geding met betrekking tot partijen die menen het bestuur uit te maken vanaf 9 november 1996. Om die reden is er geen sprake geweest van het inroepen van de nietigheid van die situatie.

5.6 Het Hof overweegt voorts dat, gelijk de geïntimeerden stellen, er verder door appellanten in hun pleitnota niets is vermeld over de genoemde samenspanning, met name hoe deze zou hebben plaatsgevonden en wat het gevolg daarvan geweest zou zijn, waardoor daar ook geen oordeel over gevormd kan worden. Geïntimeerden hebben daar verder ook geen verweer op kunnen voeren omdat er bloot wordt gesteld dat er is samengespannen en dat dat feit een ander licht op een eventuele rechtsverwerking zou werpen.

5.7 Het Hof overweegt dat over rechtsverwerking in de literatuur onder andere staat vermeld (vide ”Het systeem van het Nederlands privaatrecht” – Pitlo – 1981 – pagina 234): ”In het algemeen mag men opmerken dat elk recht kan worden prijsgegeven. Men kan een vordering prijsgeven door kwijtschelding, een beperkt zakelijk recht door er afstand van te doen…..Echter ook uit andere gedragingen, o.a. uit stilzitten, kan men soms afleiden, dat iemand zijn recht prijs geeft. Men spreekt dan van rechtsverwerking. Het recht, dat een oblaat aan een aanbod ontleent, is verwerkt als hij niet binnen een redelijke tijd op het aanbod heeft gereageerd (stilzitten )…..”.

5.8 Het Hof is van oordeel dat de opvatting van de kantonrechter, dat door het in een rechtsgeding (met A.R.No. 941323) aanmerken van de personen als bestuur, en het samenwerken met die personen alsof zij onderdeel uitmaken van het bestuur gedurende een bepaalde periode, op een later tijdstip niet kan worden gesteld dat die personen geen deel uitmaakten van het bestuur, niet onbegrijpelijk is. Om die reden zal aan de eerste grief voorbij gegaan worden.

Grief II.

5.9 [geïntimeerden] hebben op deze grief als verweer aangevoerd dat de grief niet opgaat. Uit het vonnis blijkt duidelijk dat het bestuur geen vergadering heeft uitgeschreven na daartoe het verzoek ontvangen te hebben van de aanvragers. Ingevolge de Statuten hadden de aanvragers de bevoegdheid om dan zelf een vergadering uit te schrijven.

5.10 Het Hof overweegt dat bij exploit van 2 oktober 1996 aan het bestuur is betekend een schrijven afkomstig van een groep van 87 personen, [naam sub H] 86 anderen. In dat schrijven is gevraagd om een ALV uit te schrijven. Bij schrijven van 4 oktober 1996 hebben de bestuursleden van toen, thans appellanten [naam sub A], [naam sub B] en [naam sub C], in eerste aanleg gedaagden sub A, B en C, aan de 87 aanvragers te kennen gegeven dat zij de vergadering niet kunnen uitschrijven. Hieruit blijkt dat aan het verzoek van de aanvragers dus niet is voldaan.

5.11 Het Hof overweegt dat, gelijk geïntimeerden stellen, de 87 aanvragers ingevolge artikel 15 van het Huishoudelijk Reglement van de vereniging, de bevoegdheid hadden om dan zelf ertoe over te gaan een Algemene Vergadering bijeen te roepen onder hun leiding. Appellanten stellen in hun pleitnota dat de groep van 87 aanvragers geen reden hadden om een vergadering uit te schrijven omdat er al een vergadering werd gehouden op 9 november 1996. Naar het oordeel van het Hof gaat dit echter niet op omdat er juist een schrijven is gestuurd door [naam sub A], [naam sub B] en [naam sub C] d.d. 4 oktober 1996 dat er geen ALV zal worden uitgeschreven.

5.12 Het Hof is van oordeel dat om die reden de kantonrechter terecht heeft overwogen dat overeenkomstig het huishoudelijk reglement is gehandeld door de 87 aanvragers.

Grief III

5.13 Geïntimeerden hebben als verweer op deze grief aangevoerd dat appellanten uitgaan van onjuiste feiten. De aanvraag voor een vergadering door 87 aanvragers is per deurwaardersexploit betekend aan het bestuur. Ook het antwoord aan de aanvragers is per deurwaarders exploit betekend. Beide documenten zijn in eerste aanleg overgelegd. In eerste aanleg is aan de kantonrechter voorgehouden op grond waarvan de aanvragers toen zelf een vergadering hebben uitgeschreven voor 9 november 1996. Van een tweede vergadering op diezelfde dag blijkt niet uit exploiten. Hierdoor kon de kantonrechter de vraag met betrekking tot de rechtsgeldigheid van die tweede vergadering niet beantwoorden.

5.14 Het Hof overweegt dat de kantonrechter onder andere onder punt 7 van het vonnis in eerste aanleg in conventie en onder punt 8 van het vonnis in reconventie ingaat op de ALV bedoeld door appellanten.

5.15 De kantonrechter heeft ten aanzien van die ALV overwogen dat [naam 3] namens de leden van de vereniging in het dagblad de West van 28 oktober 1996 een advertentie heeft geplaatst waarin wordt bekend gemaakt dat op 9 november 1996 een ALV zal worden

gehouden met als agendapunt onder andere een bestuursverkiezing. [naam 3] heeft daarna op 14 november 1996 namens de leden een advertentie geplaatst waarin wordt bekend gemaakt dat op zaterdag 9 november 1996 een bestuur is gekozen bestaande uit de in die advertentie genoemde personen.

5.16 De kantonrechter overweegt voorts dat niet is gesteld en niet is gebleken dat het verzoek aan het bestuur om een ALV bijeen te roepen voldoet aan het vereiste van artikel 13 van het Huishoudelijk Reglement, namelijk het vereiste dat zo een verzoek gedaan moet worden door 1/10 deel van de stemgerechtigde leden.

5.17 Het Hof overweegt dat appellanten noch in hun pleitnota, noch in hun repliekpleidooi op die zienswijze van de kantonrechter zijn ingegaan en geen zaken hebben gesteld op grond waarvan aannemelijk zou moeten worden dat het verzoek aan het bestuur om een ALV bijeen te roepen voldeed aan het vereiste van artikel 13 van het Huishoudelijk Reglement. De zienswijze van de kantonrechter is niet onbegrijpelijk en zal, nu appellanten ook in appel geen nadere zaken hebben gesteld hieromtrent, door het Hof worden overgenomen.

5.18 Op grond van het hiervoor overwogene zal ook de derde grief worden verworpen.

Grief IV

5.19 Geïntimeerden hebben op de vierde grief als verweer aangevoerd dat die grief niet juist is.

De kantonrechter heeft juist een uitvoerig onderzoek ingesteld naar de lijst en het lidmaatschap. De appellanten hebben toen op geen enkele wijze betwist of ontkend dat geïntimeerden contributie betalen.

5.20 Het Hof overweegt dat de kantonrechter in het vonnis in eerste aanleg onder punt 6, gelijk geïntimeerden stellen, uitgebreid is ingegaan op de weren van appellanten, toen gedaagden, ten aanzien van de ledenlijst met 217 namen. Appellanten, toen gedaagden, hebben in hun conclusie van antwoord toen onder punt 5 als verweer aangevoerd dat de aanvragers geen vergadering konden uitschrijven omdat de door hun gehanteerde lijst van 2017 personen vals is. Die lijst van 217 personen is door de appellanten, toen gedaagden, bij antwoord overgelegd. De kantonrechter heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar deze lijst, waarbij ook tijdens het kort geding de personen van [naam 1], [naam 4] en [naam 5] zijn gehoord over de samenstelling van de ledenlijst. De kantonrechter heeft na het onderzoek aannemelijk geacht dat aan de verkiezing op 9 november 1996 wel leden hebben deelgenomen.

5.21 Het Hof overweegt dat de vierde grief van appellanten erop neerkomt dat de kantonrechter geen onderzoek heeft gedaan naar de vraag of de aanvragers, dat zijn de 87 personen die de ALV hadden aangevraagd, nog lid waren.

5.22 Het Hof is van oordeel dat, nu de kantonrechter uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar de ledenlijsten die in het geding zijn gebracht en daarnaast de appellanten, toen gedaagden, in eerste aanleg niet als verweer hebben opgeworpen dat de 87 personen genoemd op de lijst van de aanvragers geen leden zijn, de kantonrechter geen redenen had om ook dat nog te onderzoeken. Immers is de lijst van aanvragers niet alszodanig betwist. Hierdoor zal ook voorbij gegaan worden aan de vierde grief.

Grief V

5.23 Geïntimeerden hebben op de vijfde grief als verweer aangevoerd dat het aangedragen bewijs de discretionaire bevoegdheid van de rechter is. De kantonrechter heeft daarnaast wel gebruik gemaakt van het technisch rapport voor zover het niet gemotiveerd was betwist.

5.24 Het Hof overweegt dat in het proces in eerste aanleg in de conclusie van antwoord in conventie melding is gemaakt van een aangifte met betrekking tot de valsheid van de ledenlijst. Ook wordt gesteld dat de geïntimeerden, toen eisers sub 1, 3, 4 en 6 in eerste aanleg zijn gehoord door de politie. In antwoord wordt ook melding gemaakt van het technisch rapport van agent G.A. Arupa, welk rapport is overgelegd. Geïntimeerden, toen eisers, hebben in hun conclusie van repliek aangevoerd dat het rapport niet relevant is omdat niet blijkt wat vals zou zijn aan de lijst. Appellanten, toen gedaagden hebben in hun conclusie van dupliek aangevoerd dat uit het politieonderzoek is gebleken dat de lijst van 217 personen vals is. Het Openbaar Ministerie moet thans beslissen of er vervolgd zal worden.

5.25 Het Hof overweegt dat in het geding de lijst met 2017 namen is overgelegd evenals het rapport van de agent van politie G.A. Arupa gedateerd 31 augustus 1996. De vijfde grief richt zich hierop dat appellanten stellen dat de kantonrechter geen gewicht heeft gegeven aan de conclusie van de agent van politie, die in zijn bevindingen stelt dat handtekeningen onder aan de pagina’s van de lijst gecopieerd zijn van het origineel. De politieagent constateert dat de handtekeningen op pagina 1 gelijk zijn aan de handtekeningen van pagina 2, en de handtekeningen van pagina 1a gelijk zijn aan de handtekeningen op pagina 7, voorts de handtekeningen op pagina 1b gelijk zijn aan de handtekeningen op pagina 4 en die van pagina 1c gelijk zijn aan de handtekeningen op pagina 5 en tenslotte de handtekeningen van pagina 1d gelijk zijn aan die van pagina 9. Het betreft de drie handtekeningen onder aan de lijsten, namelijk de drie handtekeningen van de commissieleden die de ledenlijst hebben samengesteld. De constatering van de agent van politie is dat van de aan de politie overgedragen lijst de handtekeningen copieën zijn en niet origineel zijn.

5.26 Het Hof overweegt dat de kantonrechter tijdens de behandeling in eerste aanleg tijdens de zittingen van 15 april 1997 en 5 mei 1997 de personen van [naam 5], [naam 1] en [naam 4] heeft gehoord. Tijdens deze verhoren is de lijst van 217 namen aan hen getoond. De personen van [naam 5], [naam 1] en [naam 4] hebben allen antwoord gegeven op de vragen gesteld door de kantonrechter.

5.27 De kantonrechter heeft in zijn vonnis in eerste aanleg onder 6.4.5 en 6.4.6 overwogen wat de drie personen hebben verklaard. Uit hun verklaringen heeft de kantonrechter aannemelijk geacht dat het de lijst betreft die door deze drie personen is samengesteld. Hierna heeft de kantonrechter zijn beoordeling op die aannemelijkheid gebaseerd.

5.28 Het Hof is van oordeel dat de kantonrechter niet voorbij is gegaan aan het politierapport.

De kantonrechter heeft de personen van wie de handtekeningen in het politierapport werden betwijfeld, op de zitting gehoord en heeft naar aanleiding van hun eigen verklaringen de zaak beoordeeld. Hierdoor zal het Hof voorbij gaan aan de vijfde grief.

Grief VI

5.29 Geïntimeerden hebben op de zesde grief als verweer verwezen naar hetgeen zij hebben aangevoerd op de vierde grief.

5.30 De zesde grief richt zich hierop dat de kantonrechter in zijn vonnis in rechtsoverweging 6.4.8 overweegt dat de lijst gemaakt door de commissie [naam 1] geen uitputtende opsomming is van leden van de vereniging. Appellanten stellen dat de kantonrechter hiermee zelf aangeeft dat de lijst niet juist is. Het oordeel van de kantonrechter dat de geïntimeerden, toen eisers, moeten worden aangemerkt als het rechtmatig bestuur kan daarom dan ook niet juist zijn.

5.31 Het Hof overweegt dat, gelijk hierboven reeds overwogen onder de punten 5.20, 5.25,

5.26 en 5.27, de kantonrechter in het kort geding in eerste aanleg voldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of tijdens de ALV leden hebben deelgenomen aan de verkiezingen. Nu de zesde grief ook daarop gericht is zal het Hof appellanten verwijzen naar haar overwegingen in die genoemde punten.

Grief VII en Grief VIII.

5.32 Geïntimeerden hebben op de zevende en de achtste grief als verweer aangevoerd dat die grieven geen betrekking hebben op het vonnis.

5.33 Het Hof overweegt dat, gelijk geïntimeerden stellen, die grieven zich richten op de consequenties van het vonnis voor de vereniging.

5.34 Het Hof overweegt dat deze grieven het verwijt in zich hebben dat de kantonrechter geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van zijn beslissing voor de vereniging.

5.35 Het Hof overweegt dat bij de beoordeling van de vordering door de kantonrechter en de beoordeling van de grieven van appellanten door het Hof, de stellingen en weren van partijen, de overgelegde producties en eventuele verklaringen van informanten, zoals in het onderhavig geval, worden meegenomen. In kort geding, zoals de onderhavige zaak, dient de aannemelijkheid van de grondslag of van het verweer getoetst te worden. Het feit dat het vonnis consequenties kan hebben voor partijen doet daar niets aan af.

5.36 Het Hof overweegt dat bij de behandeling in hoger beroep eerst is getracht tussen partijen een minnelijke regeling tot stand te brengen. Na enkele pogingen daartoe die vruchteloos bleken, is overgegaan tot het beoordelen van de grieven. Zowel de kantonrechter als het Hof zullen, indien geen minnelijke regeling tot stand komt, uiteindelijk de grondslag en de grieven moeten toetsen, hetgeen met zich meebrengt dat er een beslissing komt die consequenties zal hebben voor beide partijen.

5.37 Op grond hiervan zal ook aan de zevende en achtste grief voorbij gegaan moeten worden.

5.38 Nu aan de grieven van appellanten voorbij gegaan moet worden zal het vonnis in eerste aanleg bevestigd worden.

6. De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
In conventie en reconventie

6.1 Bevestigt het vonnis van 5 mei 1997, bekend in het Algemeen Register onder A.R.No. 964305, waarvan beroep;

6.2 Veroordeelt [appellanten] in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. drs. C.C.L.A. Valstein-Montnor, Vice-Presiden, mr. A. Charan, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 7 juli 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtigde van geïntimeerden, terwijl appellanten noch in person noch bij gemachtigde zijn verschenen.