SRU-HvJ-1988-6

Hof van Justitie
02 februari 1998, 1998 no. 02
(Mrs. Sh. Gangaram Panday, A.I. Ramnewash, W.R. Willemzorg, P.G. Wolff, K. Pultoo)

Het Hof van Justitie van Suriname in revisie;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Derde Kanton op 6 april 1990 gewezen en uitgesproken alsmede, het in afschrift overgelegde vonnis, door het Hof van Justitie van Suriname op 26 januari 1994, rechtdoende in hoger beroep, gewezen en uitgesproken -welke vonnissen hier als geheel geïnsereerd worden beschouwd- tegen:

[verzoeker], oud 50 jaar, van beroep architect tevens industrieel, geboren in Suriname, wonende te [district], Suriname en in Nederland te [woonplaats], thans verzoeker;

Gelet op het namens verzoeker door Mr. dr. Rene M. Reeder en Mr. Armand van der San, beiden advocaten bij het Hof van Justitie, ingediend revisieverzoek, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 1 november 1996, strekkende tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van het Hof van Justitie, rechtdoende in hoger beroep van 26 januari 1994; Gelet op de beschikking d.d. 2 april 1997 gegeven door het Hof van Justitie in raadkamer, inhoudende de ontvankelijk verklaring van verzoeker alsmede verwijzing van de zaak naar de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie, voor verdere behandeling;

Gelet op het onderzoek in beide instanties alsmede het onderzoek in revisie, welke revisiebehandelingen ter openbare terechtzittingen plaatsgevonden hebben op 22 december 1997, 12 januari 1998 en 2 februari 1998;

Gelet op de getuigen in hun beëdigde verklaringen in revisie, blijkende uit het daarvan opgemaakte processen-verbaal;

Gehoord het Openbaar Ministerie;

1. De uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd:
Het Hof van Justitie, rechtdoende in hoger beroep, heeft verzoeker ter zake van ”oplichting” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) maanden met aftrek van de tijd vanaf 6 april 1989 t/m 5 juni d.a.v. in voorarrest doorgebracht, welk feit hem onder I van de telastelegging was verweten, met vrijspraak van de andere onderdelen van de telastelegging onder II, III en IV.

2. De grondslag van het revisieverzoek:
Verzoeker heeft het verzoek doen steunen op de omstandigheden -zakelijk weergegeven- dat hij de benodigde goederen voor het CIS-project heeft verkocht en geleverd uit eigen voorraad, welke goederen voor 4 maart 1987 in zijn magazijnen aanwezig waren; dat de directeuren van het Ministerie van Openbare Werken (O.W.) en het Centraal Importbedrijf Suriname (CIS) daarvan wetenschap hadden; dat verzoeker voor wat betreft de verkoop en levering van materialen gehandeld heeft als industrieel en handelaar; dat verzoeker niet persoonlijk als ontwerper en toezichthouder bij het betreffende bouwprojekt betrokken is geweest, doch het Architectenbureau B. N.V. i.o.; dat de brief van 4 maart 1987 – als produktie in de gedingstukken voorkomende – gezien moet worden als een confirmatie van hetgeen betrokken partijen overeengekomen waren over de benodigde bouwmaterialen en prijzen. (grond I).

En voorts op de omstandigheid – eveneens zakelijk weergegeven- dat verzoeker veroordeeld is voor het niet terzake bewezenverklaarde. (grond II).

3. De beoordeling van het revisieverzoek:

3.1 Vooreerst merkt het Hof op dat deze uitsluitend zal ingaan op die grond die relevant is voor de beoordeling van de herzieningsaanvrage, te weten grond I.

3.2 Uit het onderzoek in revisie is genoegzaam komen vast te staan dat de brief van 4 maart 1987, de kenmerken van een offerte (aanbod) vertoont. Immers niet is gesteld noch anderszins gebleken dat verzoeker uitsluitend tegen geldende prijzen – die in casu eveneens niet zijn komen vast te staan nl. welke die prijzen precies zouden moeten zijn – mocht offreren danwel bij zijn prijsvaststelling aan andere restricties onderworpen was, zodat, bij gebreke van contra-indicaties, in rechte aangenomen moet worden dat hij, verzoeker, de vrijheid had om zelf de prijzen vast te stellen voor de benodigde materialen.

3.3 Het Hof in revisie is van oordeel dat deze gereleveerde omstandigheid –nl. dat de brief van 4 maart 1987 een offerte inhoudt- voordien tijdens het onderzoek in eerste aanleg alsmede in hoger beroep niet substantieel uit de verf is gekomen, weshalve deze omstandigheid als novum in de zin van art. 386 eerste lid aanhef onder sub 2 van het Wetboek van Strafvordering aangemerkt moet worden.

3.3 Blijkens de brief van 4 maart 1987 zijn de daarin geoffreerde prijzen en bouwmaterialen geconfirmeerd door de heren [naam 1] (toentertijd waarnemend direkteur van O.W.) en [naam 2] (toentertijd direkteur van het CIS), waardoor tussen de betrokken partijen wilsovereenstemming bestond met betrekking tot de prijzenvaststelling en de levering van de benodigde bouwmaterialen.

3.4 Het Hof neemt daarbij tevens in aanmerking de stelling dat verzoeker – anders dan een reguliere directievoerder c.q. toezichthouder – tevens belast was met inkoop/verkoop/levering van de benodigde bouw-materialen. Ter adstructie van deze stelling, ten grondslag liggend aan de aanvrage, is namens verzoeker door diens raadslieden aangevoerd dat bij met name de heren [naam 1] en [naam 2], hij, verzoeker, tevens bekend staat als handelaar en industrieel in welke hoedanigheden de verkoop en levering van de benodigde bouwmaterialen aan het CIS hebben plaatsgevonden. Ter staving van deze hoedanigheden heeft verzoeker een kopie van inschrijving uit het Handelsregister overgelegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in alle instanties, noch uit de inhoud van het strafdossier is, naar het oordeel van het Hof in revisie, gebleken dat verzoeker inzake de verkoop e/o levering van de betreffende bouwmaterialen geen winsten mocht maken. Daar komt nog bij kijken dat verzoeker tevens de benodigde bouwmaterialen, althans een (aanzienlijk) deel daarvan, uit eigen voorraad heeft geleverd. In ieder geval kan uit de processtukken het tegendeel van het zoeven vermelde niet worden opgemaakt.

3.5 De hierboven gereleveerde nieuwe omstandigheid inhoudende de goedgekeurde offerte bezien tegen de achtergrond van hetgeen in r.o. 3.4 is overwogen, voert, teruggekoppeld naar de telastelegging onder I, welke is toegespitst op oplichting (artikel 386 van het Wetboek van Strafrecht),- ter zake waarvan verzoeker na bewezenverklaring is veroordeeld – tot de slotsom dat de bestanddelen van bedoelde telastelegging inzake de oplichtingsmiddelen niet bewezen kunnen worden aangenomen, zodat vrijspraak van het telastegelegde onder I moet volgen.

3.6 Namens verzoeker is door de verdediging het verzoek gedaan tot teruggave van de indertijd ten laste van verzoeker inbeslaggenomen goederen. Nu het oorspronkelijk dossier verbrand is en uit het thans aanwezige schaduw-dossier niet uit te maken is, welke goederen toentertijd als vermeld inbeslag waren genomen, zal het Hof over het verzoek ter zake niet beslissen omdat het Hof daartoe niet in staat is, de verzoeker in overweging gevende dat indien hij over de nodige gegevens van de inbeslagneming beschikt, hij bij de Kantonrechter de teruggave van die goederen alsnog zal kunnen vorderen.

Rechtdoende in revisie
Vernietigt het vonnis van 26 januari 1994 door het Hof van Justitie gewezen en uitgesproken tegen de veroordeelde [verzoeker];

En alsnu opnieuw rechtdoende in revisie
Verklaart het herzieningsverzoek gegrond;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder I van de telastelegging, te weten oplichting is telastegelegd, zoals opgenomen in het vonnis van het Hof van Justitie, rechtdoende in hoger beroep d.d. 26 januari 1994;

Spreekt hem daarvan vrij;

Verklaart niet in staat tot het geven van een last omtrent de teruggave van de eventueel inbeslaggenomen goederen.

SRU-HvJ-1997-14

PRO JUSTITIA IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

VONNIS 1997 NO.8

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 12 januari 1995 gewezen en uitgesproken tegen:

[verdachte],
oud 37 jaar,
van beroep operator,
geboren in [district],
wonende te [adres], verdachte, inmiddels door het Hof van Justitie ter terechtzitting van woensdag, 28 mei 1997 invrijheid gesteld;

Gelet op het tijdig door de verdachte ingesteld hoger beroep;
Gehoord de verdachte in zijn verdediging, daarin bijgestaan door zijn raadsman, Mr. R.U.F. TRUIDEMAN;
Gehoord de getuigen in hun beëdigde verklaringen;
Gehoord het Openbaar Ministerie;
Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte zijn ten laste gelegd de feiten zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding, welke akte van dagvaarding als hier geïnsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis door de daarin vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat hij het hem bij inleidende akte van dagvaarding ten laste gelegde heeft begaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven;
met vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde;

Overwegende, dat de Kantonrechter het bewezen verklaarde heeft gekwalificeerd als: ”HET MEDEPLEGEN VAN ZWARE MISHANDELING DE DOOD TEN GEVOLGE HEBBENDE”, misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij art. 362 lid 1 juncto artikel 72 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, en de verdachte te dier zake heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaren en zes maanden;

Overwegende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen de verdachte bij inleidende akte van dagvaarding is ten laste gelegd, weshalve hij daarvan behoort te worden vrijgesproken en het vonnis a quo, moet worden vernietigd;

Gezien artikel 338 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis dd. 12 januari 1995 door de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken tegen de [verdachte], waarvan beroep;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij inleidende akte van dagvaarding is ten laste gelegd;

SPREEKT HEM DAARVAN VRIJ;

Aldus gewezen door de Heren: Mr. S.GANGARAM-PANDAY, fungerend- President, Mr. A.I. RAMNEWASH en Mr. K. PULTOO, Leden, in tegenwoordigheid van Mr. R. JANKIPERSAD-GHARBARAN, fungerend-Griffier, die dit vonnis hebben ondertekend en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van WOENSDAG, 2 JULI 1997 door de fungerend President voornoemd.

w.g.R.JANKIPERSAD-GHARBARAN
w.g.S.GANGARAM PANDAY
w.g.A.I.RAMNEWASH
w.g.K.PULTOO

Voor afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

SRU-K1-2017-2

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 15-5612
11 januari 2017-03-14

Vonnis in de zaak van:

[verzoekster],wonende te [district],
verzoekster,
hierna te noemen: [verzoekster],
gemachtigde: mr. A.M. Tjong A Sie, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Binnenlandse Zaken,
afdeling Centraal Bureau voor Burgerzaken,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
hierna te noemen”de Staat”,
gevolmachtigde: mr. J.M. Foort, jurist op het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek Suriname, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 De blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift met producties dat op 17 december 2015 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de conclusie van antwoord;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoekster] is op [geboortedatum] te [district] geboren als wettig kind van [naam 1] en [naam 2], met vermelding van het geslacht in de geboorteakte over het [jaar] folio [nummer], als zijnde een kind van het mannelijk geslacht.

2.2 In de door [verzoekster] overgelegde verificatieverklaring de dato 16 februari 2009, opgemaakt door [neuropsycholoog] is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:
“Dit is een verificatieverklaring om aan te geven dat [verzoekster] heeft deelgenomen aan een aantal sessies van individuele psychotherapie, vanwege haar gevoel in het verkeerde lichaam te zijn geboren.
[verzoekster] gebruikt al ruim twee jaren oestrogeen en leidt al ongeveer tien jaren het leven van een vrouw.
Volgens het Diagnostisch en Statistisch Handboek van Psychische Stoornissen, Vierde Herziene Druk, luidt haar diagnose: Genderidentiteitsstoornis.
Op psychologische gronden is het haar toegestaan een verandering naar het vrouwelijk geslacht te ondergaan.
De operatie tot geslachtsverandering is voor haar erg belangrijk aangezien zij sinds haar kinderjaren daarnaar heeft verlangd.”

2.3 Bij schrijven de dato 08 mei 2009 heeft de Plastisch en Reconstructief [Chirurg] – voor zover hier van belang – onder meer het volgende verklaard:

“Mejuffrouw [verzoekster], geboren op [geboortedatum], als kind van het mannelijk geslacht, is door een team van vooraanstaande medische deskundigen gediagnosticeerd met dysforie (geslachtsidentiteitafwijking) en heeft geslachtsveranderingschirurgie ondergaan in het [ziekenhuis] in [land].

Op 22 april 2009 heb ik voor deze patiënt een geslachtsveranderingsoperatie uitgevoerd (mannelijk naar vrouwelijk) in het [ziekenhuis] in [stad, land]. De ingreep bestond uit orchidectomie (verwijdering van de testikels), penectomie (verwijdering van de penisschacht), reconstructie van de urinekanaalopening, enkele fase-plastische chirurgie van schaamlippen (kleine en grote schaamlippen), plastische chirurgie van de clitoris, constructie van een vaginale opening met huid van de penis en constructie van een neo-vaginaal kanaal met huidtransplantatie. Op medische en wettelijke gronden is zij nu een onvruchtbare persoon van het vrouwelijke geslacht, daar haar geslacht blijvend is veranderd naar dat van een vrouw door middel van geslachtsveranderingschirurgie.
(….)
Ik verklaar hierbij, op straffe van meineed, dat het voorgaande op waarheid berust en juist is.”

2.4 Bij beschikking van de kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 12 januari 2011 bekend onder A.R. no. 10-1164 is aan [verzoekster] toestemming verleend om haar [voornamen] te veranderen in [verzoekster].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 De vordering
[verzoekster] heeft – kort en zakelijk weergegeven – gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen tot het plaatsen van een latere vermelding c.q. kantmelding in de Registers van Geboorten voor wat betreft geslachtsaanduiding van haar als te behoren tot het vrouwelijk geslacht in plaats van het mannelijk geslacht.

3.2 De grondslag
[verzoekster] heeft naast voormelde vaststaande feiten aan haar vordering – kort en zakelijk weergegeven – ten grondslag gelegd dat zij van meet af aan de voortdurende onomkeerbare innerlijke overtuiging heeft tot het ander geslacht dan aangegeven in haar geboorteakte, te behoren. Verder heeft zij gesteld dat zij zich lichamelijk aan het verlangde geslacht, namelijk het vrouwelijke heeft aangepast, waardoor haar identiteit in het geheel niet in overeenstemming is met haar fysieke werkelijkheid. Volgens [verzoekster] zit zij thans met een identiteitsprobleem met alle sociale gevolgen van dien, waardoor op het privéleven c.q. haar persoonlijke vrijheid regelmatig een inbreuk wordt gepleegd, hetgeen in strijd is met de artikelen 5 lid 1, 11 en 24 van het Amerikaans Verdrag inzake de Rechten van de Mens (AVRM) alsook met de artikelen 18 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR).

3.3 Het verweer
De Staat heeft verweer gevoerd, op welk verweer de kantonrechter, voor zover nodig, terug zal komen bij de beoordeling.

4. De beoordeling

De vordering
4.1 Uit de vordering van [verzoekster] verstaat de kantonrechter dat het verzoek inhoudt dat de ambtenaar van de Burgerlijke Stand wordt gelast, om op de kant van de akte voorkomende in de Registers van Geboorten van de Burgerlijke Stand van Paramaribo over het [jaar] folio [nummer] een melding te maken, inhoudende dat [verzoekster] – na van geslacht te zijn veranderd – tot het vrouwelijke geslacht behoort.

Standpunt van [verzoekster]
4.2 Ter onderbouwing van haar vordering heeft [verzoekster] verder gesteld dat zij zich vanaf haar kinderjaren heeft gepresenteerd als te behoren tot het vrouwelijke geslacht en heeft zich in die overtuiging ontwikkeld tot een volwassen persoon die zich als zodanig in het maatschappelijk verkeer heeft gepresenteerd. Volgens [verzoekster] is haar innerlijke overtuiging tot iemand van het vrouwelijke geslacht te behoren, nog verder versterkt, doordat de kantonrechter haar verzoek om haar voornamen te wijzigen, heeft toegewezen. Zij vertrouwt er op, gerechtvaardigd door die toewijzing, dat het onderhavige verzoek eveneens zal worden toegewezen, teneinde te voorkomen dat zij zal blijven leven met dit identiteitsprobleem. [verzoekster] heeft voorts gesteld dat de verdragsbepalingen waarop zij in dit geding een beroep doet, dienen ter bescherming van haar privéleven, persoonlijke vrijheid, levensovertuiging en lichamelijke integriteit. Deze rechten zijn volgens [verzoekster] thans in gevaar c.q. worden geschonden daar zij in een situatie verkeert waarbij zij stelselmatig en regelmatig wordt gediscrimineerd, als niet volwaardig wordt beschouwd, niet wordt geaccepteerd voor wat zij is vanwege de onevenredigheid welke bestaat tussen haar uiterlijke verschijning, fysieke geslachtskenmerken, psychische toestand en voornamen aan de ene kant en haar formele geslachtsaanduiding aan de andere kant.

Standpunt van de Staat
4.3 De Staat heeft als verweer aangevoerd dat de wetgever voor gevallen van transseksualiteit geen voorziening heeft getroffen die de mogelijkheid van wijziging van geslachtsaanduiding in de geboorteakte zonder meer toestaat. Volgens de Staat bieden wettelijke bepalingen als de verdragsbepalingen elk op hun wijze naar hun inhoud genomen, bescherming aan het privéleven c.q. de persoonlijke vrijheid in ruimere zin. De Staat is de mening toegedaan dat het aan de kantonrechter is gelegen om in dit concreet geval te beoordelen in hoeverre voormelde bepaling van het BW op de voet van het bepaalde in artikel 106 van de Grondwet (GW) buiten toepassing dienen te blijven.
Verder heeft de Staat aangevoerd dat artikel 17 BW de ambtenaar van de Burgerlijke Stand slechts de mogelijkheid biedt vermeldingen toe te voegen aan de onder hem berustende akten, doch deze latere vermeldingen mogen echter geen andere gegevens bevatten dan die welke overeenkomstig de wet moeten zijn vermeld en bovendien kan ingevolge artikel 67 BW de ambtenaar van de Burgerlijke Stand de aanpassing pas vermelden op last van de kantonrechter.
Bij de conclusie van dupliek heeft de Staat aangevoerd dat zij zich niet schuldig maakt aan ernstige schending van de mensenrechten. Volgens de Staat is in geval van [verzoekster] sprake van een keuze welke zij bewust en vrijwillig heeft gemaakt door zichzelf lichamelijk om te bouwen. [verzoekster] kan niet verlangen dat de Staat voor haar individuele genoegdoening de totale maatschappij zal dwingen haar als zodanig te gaan beschouwen. Bij haar besluit tot lichaamsaanpassing tot vrouw heeft [verzoekster] de Staat niet geconsulteerd of om toestemming gevraagd.

4.4 Zoals reeds onder de punten 2.2 en 2.3 van de feiten is overwogen, heeft [verzoekster], na psychologisch en medisch daartoe geschikt te zijn bevonden, de lichamelijke veranderingen door daartoe bevoegde specialisten bij zichzelf doen aanbrengen, teneinde lichamelijk te voldoen aan de kenmerken die in overeenstemming zijn met het lichaam van een persoon van het geslacht waartoe zij naar haar innerlijke overtuiging, zijnde het vrouwelijke geslacht, behoort. Uit de verklaring van de Plastisch en Reconstructief [Chirurg] blijkt dat [verzoekster] thans een onvruchtbaar persoon van het vrouwelijk geslacht is en dat haar geslacht blijvend is veranderd naar dat van een vrouw door middel van geslachtsveranderingschirurgie.

4.5 Vaststaat dat [verzoekster] als een kind van het mannelijk geslacht is geboren. De vermelding van man of vrouw bij de geboorte is wettelijk verplicht. Juridisch gezien raakt het geslacht de staat van de persoon. De “staat van de persoon” is het geheel van omstandigheden dat de rechtspositie van een persoon bepaalt en hem onderscheidt van andere deelnemers van de samenleving. De “staat van de persoon” wordt neergeschreven in de akten van de Burgerlijke Stand. Aan de omstandigheden (naam, geslacht, woonplaats) worden rechtsgevolgen verbonden. De staat is universeel, enkelvoudig, onbeschikbaar en onveranderbaar. Dit zijn de beginselen die ten grondslag liggen aan het systeem van registratie. De ambtenaar van de Burgerlijke Stand stelt de staat van de persoon op een authentieke wijze vast en dit door wat zichtbaar vaststelbaar is.
Daarbij wordt ervan uitgegaan dat bij de geboorte aan de hand van uiterlijke geslachtskenmerken kan worden vastgesteld of het kind hetzij tot het vrouwelijke hetzij tot het mannelijke geslacht behoort.

4.6 Door de geslachtsveranderingschirurgie heeft [verzoekster] zich op 22 april 2009 doen ombouwen tot een vrouw. De kantonrechter is het met de staat eens dat de wetgever – in tegenstelling tot de Nederlandse – voor gevallen van transseksualiteit geen voorziening heeft getroffen die de mogelijkheid van wijziging van geslachtsaanduiding in de geboorteakte toestaat. De kantonrechter wenst hierbij nog op te merken dat in de Memorie van Toelichting bij het Ontwerp Boek I van het Nieuw Surinaams Burgerlijk Wetboek bij titel 4, afdeling 12 is opgenomen dat: “in navolging van de Nederlandse Antillen en Aruba is afdeling 13 van titel 4 (transseksualiteit) niet overgenomen. Verzoeken tot wijziging van de vermelding van het geslacht in de geboorteakte hebben zich in Suriname nog niet voorgedaan. Het blijkt daarom disproportioneel om hiervoor een uitvoerige regeling te treffen.”

4.7 Nu het huidige BW noch het toekomstige BW oplossing biedt, zal in deze zaak een oplossing dienen te worden gezocht in de mensenrechtenverdragen waar Suriname partij bij is. Eveneens zal nagegaan worden of [verzoekster] met succes een beroep kan doen op die bepalingen.
In artikel 17 lid 1 IVBPR is bepaald dat niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam. In lid 2 van hetzelfde artikel is bepaald dat eenieder recht heeft op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting.
In artikel 11 lid 2 AVRM is bepaald dat niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of beledigende inmenging in zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn woning of zijn correspondentie, of aan onrechtmatige aantasting van zijn eer of goede naam. In lid 3 is bepaald dat eenieder recht heeft op bescherming door de wet tegen dergelijke inmenging of aantasting.

4.8 De kantonrechter is van oordeel dat na een geslachtsaanpassende behandeling, er voor de groep transseksuele personen een contradictie ontstaat tussen de socio-psychologische geslachtsrol en de feitelijke geslachtsregistratie op de geboorteakte. Het kunnen aanpassen van de voornaam en het geslacht op de geboorteakte vormt, naar het oordeel van de kantonrechter, een van de fundamentele rechten voor transseksuele personen, dus ook voor [verzoekster]. Het doet hier niet ter zake of [verzoekster] bij haar besluit tot lichaamsaanpassing tot vrouw de Staat niet heeft geconsulteerd of om toestemming gevraagd. De kantonrechter vermag niet in te zien wat de Staat met deze stelling beoogt nu hij zelf aangeeft dat volgens de huidige wetgeving het plaatsen van een kantmelding als verzocht niet mogelijk is. Vaststaat dat [verzoekster] thans met een identiteitsprobleem zit. Zij heeft in Raadkamer verklaard dat zij dagelijks problemen ondervindt, omdat in haar ID-kaart, paspoort en andere relevante documenten vermeld staat, dat zij van het mannelijke geslacht is, terwijl zij naar uiterlijke verschijningsvorm vrouwelijk is. Verder heeft zij verklaard dat zij door anderen wordt gediscrimineerd en ook geen werk kan vinden. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] zich dagelijks in een situatie bevindt die niet verenigbaar is met het recht op respect voor haar privéleven. Derhalve wordt in casu schending van het recht op respect voor privéleven als bedoeld in de artikelen 17 van de Grondwet (GW), 17 IVBPR en 11 AVRM aanwezig geacht. De kantonrechter neemt hierbij mede in overweging dat er een continue internationale trend is, niet alleen van sociale acceptatie van transseksuelen, maar ook van juridische erkenning van de geslachtsidentiteit van post-operatieve transseksuelen. De Staat heeft een aantal instrumenten om uit te kiezen om zulke problemen op te lossen. Het is niet de functie van de kantonrechter om de Staat aan te geven welk instrument het meest geschikt is.

4.9 Gelet op het bepaalde in de artikelen 106 en 137 GW zal de kantonrechter in casu een zodanige ruimere interpretatie geven aan de bepalingen van de artikelen 17 en 64 – 67a BW die aansluit aan hetgeen door [verzoekster] is gevorderd. Hieruit volgt dat de vordering van [verzoekster] zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld zal worden.

4.10 De kantonrechter ziet – gelet op al het voorgaande – geen aanleiding om nader in te gaan op de overige stellingen en weren van partijen daar die thans niet relevant zijn gebleken.

5. De beslissing
De kantonrechter:

Gelast de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Paramaribo om op de kant van de akte voorkomende in de Registers van Geboorten van de Burgerlijke Stand van Paramaribo over het [jaar] folio [nummer] een melding te maken, inhoudende dat [verzoekster] – na van geslacht te zijn veranderd op 22 april 2009 – thans tot het vrouwelijk geslacht behoort.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door mr. I. Sonai, Kantonrechter in het Eerste Kanton, lid-plaatsvervanger van het Hof van Justitie op woensdag 11 januari 2017 te Paramaribo ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. Z. Moeradji w.g. I. Sonai

SRU-HvJ-1988-5

HvJ 20 MEI 1988

[verzoeker], wonende aan [adres] te [district], advokaat Mr.R.J.BLUFPAND,
verzoeker

tegen

DE STAAT SURINAME ( Het Ministerie van Openbare Werken, Telecommunicatie en Bouwnijverheid), rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravensrtaat no.3, advokaat Mr.H.MUNGRA,
verweerder,

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN;

Overwegende, dat partij [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Verzoeker wenst hierbij de navolgende vordering in te stellen tegen: DE STAAT SURINAME (Het Ministerie van Openbare Werken,Telecommunicatie en Bouwnijverheid),rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no.3, verweerder;
  2. Verzoeker is van 15 juni 1975 tot en met 31 oktober 1980 bij verweerder in de funktie van kontroleur busdienst 1ste klasse bij de Centrale Bewakingsdienst werkzaam geweest. Ten bewijze van het vorenstaande wordt hierbij overgelegd een exemplaar van de verlenging van de arbeidsovereenkomst dd.15 juni 1976.
    Krachtens artikel 84 der Personeelswet zijn de bepalingen van de Personeelswet op deze overeenkomst van toepassing. Volgens Personeels Wet Artikel 15 lid 3 zijn——– op deze arbeidsovereenkomst van toepassing de bepalingen van Surinaams Burgerlijk Wetboek, 3e boek, titel VII A.
  3. Gedurende genoemde dienstperiode heeft verzoeker op zon-en feestdagen werkzaamheden verricht volgens de hieronder volgende specificatie, zonder dat hem hiervoor echter de wettelijke vastgestelde vergoeding door verweerder is verstrekt.

4. Verzoeker maakt aanspraak op de navolgende bedragen:

A. Vergoeding zondagen

1975 totaal 27 zondagen, salaris f.339,– per maand is 339/171 x 216 x f.1,98= f.855,36
1976 totaal 44 zondagen, salaris f.398,– per maand is 398/171 x 2 x352 xf.2,33 f.1.640,32

 

1977 totaal 36 zondagen,salaris f.448,– per maand is 448/171 x 2x 288 xf.2,62 = f.1.511,32

 

1978 totaal 41 zondagen, salaris f.480,–per maand is 480/171 x2 x328 x f.2,81= f.1.833,36

 

1979 totaal 40 zondagen,salaris f.503,–per maand is 503/171 x2 x320 xf.2.94 =

 

f.1.881,60

 

1980 totaal 20 zondagen,salaris f.520,– per maand is 520/171 x 2 x 160 xf.3,05=

 

f. 976,–
f.8.697,96

B. Vergoeding feestdagen

1975 totaal 48 uren, salaris f.339 per maand is 339/171 x 1,5 x 48 x f.1,98 = Sf. 142,56

 

1976 totaal 96 uren, salaris f.398,-per maand is 398/171 x 1,5 x 96 x f.2,33 = Sf. 335,82

 

1977 totaal 96 uren, salaris f.448,- per maand is 448/171 x 1,5 x 96 x f.2,62= Sf. 377,48

 

1978 totaal 96 uren, salaris f.464,- per maand is 464/171 x 1,5 x 96 x f.2,72= Sf. 390,24
1979 totaal 96 uren, salaris f.480,- per maand is 480/171 x 1,5 x 96 x f.2,81 = Sf. 404,64

 

1980 totaal 20 uren, salaris f.503,- per maand is 503/171 x 1,5 x 20 x f.2,94 = Sf. 88,20
Sf. 1.738,94

Totaal A + B is f.10.436,90

Vorenstaande bedragen zijn bereids opeisbaar, doch ondanks herhaalde en dringende aanmaningen blijft verweerder weigeren zulks aan verzoeker te voldoen, weshalve hij zich thans genoodzaakt ziet verweerder in rechte aan te spreken;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden hefft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, verweerder zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan verzoeker te betalen de som van Sf.10.436,90 (TIENDUIZEND VIERHONDERD ZES EN DERTIG 90/100 GULDEN), vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar vanaf de dag der rechtsingang tot aan die der algehele voldoening; voorts dat verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding aan de zijde van verzoeker gevallen;

Overwegende, dat de Staat Suriname vervolgens na verlenging van de termijn voor de indiening van een verweerschrift op als ingevoegd te beschouwen gronden,de ingestelde vordering heeft bestreden, met conclusie dat de verzoeker door het Hof niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn verzoek, althans dat zulks aan hem zal worden ontzegd, als zijnde ongegrond en onbewezen, met verzoek, zo nodig bevonden, de verweerder toe te laten tot het aangeboden bewijs, indien er op hem enig bewijslast mocht rusten, onder protest tegen zijn gehoudenheid daartoe,kosten rechtens;

Overwegende, dat ten dienende dage partijen over en weer schriftelijke conclusies onder overlegging van produkties hebben genomen wordende de inhoud van deze conclusies en de overgelegde produkties geacht hiet te zijn opgenomen;

Overwegende, dat partijen daarna ingevolge ‘s Hofs beschikking dd. 7 mei 1986 ter terechtzitting zijn gehoord,waarbij zij hebben verklaard, gelijk in het daarvan opgemaakt hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna bij pleidooi de zaak nader hebben toegelicht en verdedigd,waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk werd bepaald op 22 april 1988 doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat hetgeen van het Hof als gerecht in ambtenarenzaken als de onderhvige kan worden gevorderd, limitatief is omschreven in artikel 80 der Personeelswet (P.W.)(G.B.1962 No.195), waartoe de vordering van verzoeker niet behoort;

Overwegende, dat indien de vordering tot vergoeding van schade zou moeten worden aangemerkt, is deze dan ook niet-ontvankelijk, aangezien het Hof als gerecht als voormeld, ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b van meergenoemde P.W., slechts bevoegd is tot kennisneming van vorderingen tot vergoeding van schade, welke voor de ambtenaar is voortgevloeid uit een besluit of handeling, in strijd met het bij of krachtens de P.W. bepaalde, hebbende verzoeker geen zodanig besluit of dergelijke handeling gesteld, en zijnde daarvan ook niet gebleken (CFM Sur.Jur.Bundel:Geschillen tussen burger en overheid, vonnis No.102);

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren:mr.R.E.TH.OOSTERLING, waarnemend-President, Mr.A.C.VELDEMA en Mr.E.S.OMBRE,Leden en door de waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 20 MEI 1988, in tegewoordiheid van K.PULTOO, Substituut-Griffier.

Partijen vertegenwoordigd door hun respektieve gemachtigde advokaten, Mr.R.J.Blufpand en Mr.H.Mungra zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-K1-2017-1

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 170238
26 januari 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van

A. [eiser a],
B. [eiser b],
C. De naamloze vennootschap Surishopping N.V.,
wonende c.q. gevestigd te Paramaribo,
eisers in kort geding,
gemachtigde: mr. S.R. Heijmans, advocaat,

tegen

De naamloze vennootschap Republic Bank (Suriname) n.v., vroeger geheten de RBC Royal Bank (Suriname), n.v.
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po Jr., advocaat.

De kantonrechter spreekt in Naam van de Republiek het hierna volgend vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 18 januari 2017 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek met producties;
– de conclusie tot uitlating met productie zijdens eisers;
– de conclusie tot uitlating zijdens gedaagde.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Bij exploot van deurwaarder S.W. Niekoop, d.d. 12 december 2016 no. 1693, heeft gedaagde aan eisers doen betekenen:
a. kopie saldo-opgave d.d. 9 november 2016;
b. de eerste grosse akte krediethypotheek d.d. 9 juli 2014, verleden ten overstaan van de kandidaat-notaris, mr. M. Boetius-Cadogan, waarnemende het kantoor van notaris, mr. D. Alexander;
c. de eerste grosse akte krediethypotheek d.d. 13 augustus 2014, verleden ten overstaan van notaris, mr. D. Alexander.

2.2 Bij voormeld exploot zijn eisers onder meer aangemaand om te betalen het bedrag groot US$ 1.366.199,64 zijnde de verschuldigde hoofdsom op 9 november 2016, te vermeerderen met de rente vanaf 10 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke waarvan tot openbare verkoop zal worden overgegaan van de in hypotheek gegeven onroerende goederen zoals omschreven in dat exploot.

2.3 De openbare verkoop is vastgesteld op 26 januari 2017 om 10.00 uur des voormiddags, en zal plaats vinden ten kantore van notaris mr. M.R. Sanrochman en mr. T.A. Jaipersaud-Badal.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven –

Primair:
I. Het opleggen van een verbod aan gedaagde om over te gaan tot c.q. stopzetting van de openbare verkoop van een 8-tal in het petitum omschreven percelen;
II. veroordeling van gedaagde tot betaling van een dwangsom.

Subsidiair:
I. Het opleggen van een verbod aan gedaagde om over te gaan tot c.q. schorsing c.q. aanhouding van de openbare verkoop van een 8-tal in het petitum omschreven percelen;
II. Veroordeling van gedaagde tot betaling van een dwangsom.

3.2 Eisers hebben het volgende aan hun vordering ten grondslag gelegd.

De onroerende goederen vertegenwoordigen een (getaxeerde) waarde die ver boven de saldoschuld van eisers ligt. Met (gedeeltelijke) royement en willige verkoop van de onroerende goederen voor beide partijen kan een veel beter resultaat bereikt worden dan door de openbare verkoop van de onroerende goederen.

Naar de kantonrechter begrijpt beroepen eisers zich erop dat gedaagde gehouden is om mee te werken aan het voorgaande op grond van de “ongoing concern”zoals tussen hen en gedaagde werd afgesproken en de zorgplicht van gedaagde. Gedaagde dient uit hoofde van haar zorgplicht rekening te houden met de belangen van eisers.

Volgens eisers is het van belang dat gedaagde maatregelen neemt om het kredietrisico te beperken, doch dient gedaagde rekening te houden met de herstelmogelijkheden voor de onderneming. Eisers verwijzen daarbij naar een publicatie d.d. 26 maart 2015 van de (Nederlandse) Autoriteit Financiële Markten, waarin – zover van belang – is opgenomen dat de bank niet verplicht is om extra krediet te verstrekken, maar als dit bijdraagt aan een reeële kans op herstel, dit wel in gezamenlijk belang van bank en klant kan zijn.

Volgens eiseres heeft gedaagde onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eisers, en maakt zij misbruik van haar recht van parate executie. Zij, eisers, hebben in de afgelopen periode steeds weer aan gedaagde voorgehouden hoe en waardoor de achterstanden (buiten hun schuld om) zijn ontstaan en hoe de achterstanden weer ingelopen konden worden. Het is aan het handelen en/of nalaten van gedaagde te wijten dat de achterstanden van eisers op de verstrekte kredieten zijn blijven bestaan en zijn opgelopen.

Naar de kantonrechter begrijpt beroept eiser zich erop dat gedaagde de financiering heeft gedaan voor de aankoop van een deel van het “Bigapand” terwijl zij, gedaagde, had toegezegd ook van het resterende deel van voormelde pand de financiering te zullen doen indien de overige gerechtigden tot verkoop van het pand aan eisers wilden overgaan. Toen dat het geval was, heeft gedaagde het laten afweten en heeft dus geweigerd om veder te financieren. Eisers waren toen gebonden aan de eerder verstrekte lening (van US$ 447.120,=) waarop ook rente moest worden betaald, doch konden het pand niet exploiteren om inkomsten te genereren nu zij niet de volledige eigendom daarvan hadden.

Naast het voorgaande hadden eisers de toezegging van gedaagde om het royement van de hypotheek op het onroerend goed aan [weg 1] verkregen. Eisers hadden een serieuze koper voor het hiervoor vermelde onroerende goed voor het bedrag van US$ 500.000,=. Gedaagde heeft het toegezegde royement ingetrokken als gevolg waarvan het onroerende goed niet meer kon worden verkocht. Bovendien was het bedrag van US$ 500.000,= hoger dan de initiële hypothecaire dekking ad US$ 447.120,=. Met de inkomsten van de verkoop hadden eisers meer dan de helft van de openstaande schuld kunnen aflossen. Het is dus aan gedaagde zelf te wijten dat eisers de schuld niet heeft kunnen aflossen.

Op grond van het voorgaande is de aangezegde openbare verkoop onrechtmatig.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beroeping.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen en het gevorderde.

Formeel verweer
4.2 Gedaagde voert aan dat de vordering van eisers reeds is beslist in de zaak bekend onder AR no. 16-4739, en wel bij vonnis van de kantonrechter d.d. 20 oktober 2016. Volgens gedaagde handelen eisers in strijd met het “ne bis idem” beginsel.

4.2.1 De kantonrechter stelt voorop dat in geval in het opvolgende kort geding inhoudelijk dezelfde gronden worden aangevoerd om (nogmaals) hetzelfde te vorderen er sprake kan zijn van strijd met de goede procesorde en dus misbruik van het procesrecht.

In elk geval staat het de eiser vrij aan zijn (zelfde) vordering feiten en omstandigheden ten grondslag te leggen die bij de eerste of vorige in kort geding gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen, doordat zij zich eerst na de behandeling van die zaak in kort geding hebben voorgedaan. Met betrekking tot de stellingen die reeds in een eerder kort geding tussen dezelfde partijen naar voren gebracht hadden kunnen worden, maar niet naar voren zijn gebracht, geldt dat de rechter in kort geding in beginsel ook hierop acht moet slaan. Dit lijdt evenwel uitzondering wanneer de desbetreffende partij door pas in het tweede of volgende kort geding zich op deze stellingen te beroepen misbruik van procesrecht zou maken. Dat zal zich kunnen voordoen indien die in het eerste kort geding zonder redelijke grond zijn achtergehouden. Dit zal kunnen leiden tot het terzijde laten van die stellingen gezien het redelijk belang van de wederpartij dat ook daarop al destijds meteen zou worden beslist.

4.2.2 Anders dan gedaagde betoogt, is in de onderhavige vordering nimmer beslist. De zaak bekend onder AR nummer 16-4739 had betrekking op een openbare verkoop die plaatsvond op 20 oktober 2016 terwijl de onderhavige vordering zit op een stopzetting van de openbare verkoop die bepaald is op 26 januari 2017. Dat de openbare verkoop van 20 oktober 2016 om welke reden dan ook geen voortgang heeft gehad, doet aan het voorgaande niets af. Van misbruik van procesrecht kan reeds om deze reden geen sprake zijn.

4.3 Voorop staat dat gedaagde als hypotheekhouder in beginsel het recht toekomt om de percelen executoriaal te verkopen, indien eisers als hoofdelijke schuldenaars niet aan hun verplichtingen voldoen. Evenmin is in geschil dat gedaagde bij het uitoefenen van haar bevoegdheden op dit punt, dient te voldoen aan haar jegens haar cliënten in acht te nemen zorgplicht.

4.4 Vast staat dat eisers hun lopende verplichtingen jegens gedaagde niet tijdig althans niet volledig hebben voldaan als gevolg waarvan het saldo van de lening (inclusief rente) thans hoger is dan de som van de verstrekte kredieten.

Geconcludeerd wordt dat eisers, als hoofdelijke schuldenaren, dus niet hebben voldaan aan hun verplichting jegens gedaagde zodat aan laatstgenoemde het recht toekomt om de percelen executoriaal te verkopen. Evenwel dient gedaagde bij het uitoefenen van dit aan haar toekomend recht, de zorgplicht jegens eisers in acht te nemen.

4.5 Volgens eisers heeft gedaagde onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eisers, en maakt zij misbruik van haar recht van parate executie. Naar de kantonrechter begrijpt beroepen eisers zich erop dat gedaagde in strijd handelt met de door haar in acht te nemen zorgplicht.

De kantonrechter overweegt ten aanzien van de in acht te nemen zorgplicht, dat de inhoud en de reikwijdte daarvan afhangen van de specifieke omstandigheden van het geval. Daarbij dient rekening te worden gehouden met een zestal punten, die in de jurisprudentie zijn ontwikkeld.

4.5.1 In de eerste plaats is van belang de duur, de mate van exclusiviteit, de omvang en de ingewikkeldheid en het verloop van de kredietrelatie.

Uit de gedingstukken blijkt dat de onderhavige kredietrelatie is aangevangen op 9 juli 2014, waarbij een krediethypotheek is gesloten ten overstaan van de kandidaat-notaris, mr. M. Boetius-Cadogan. Gedaagde heeft stukken overgelegd waaruit onweersproken blijkt dat zij vanaf 29 april 2015 eisers aanmaant om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen, nu er sprake was van overschrijding van de kredietlimieten.

Volgens gedaagde hebben eisers vanaf het vestrekken van de lening steeds uitstel gevraagd om hun betalingsverplichting na te komen. Daarnaast voert gedaagde onweersproken aan dat er reeds een veiling was aangezegd voor 12 december 2016, welke veiling geen voortgang heeft gehad terwijl eisers ook hierna hun betalingsachterstanden niet hebben ingelopen. De stelling van eisers dat zij wel aflossingen hebben gepleegd gaat niet op nu niet gesteld en evenmin gebleken is dat de door hen gepleegde aflossingen de overschrijding van de kredietlimieten heeft kunnen wegwerken.

4.5.2 Het tweede criterium dat een rol speelt is of sprake is van een aanmerkelijke afname van de kredietwaardigheid en/of aanmerkelijke toeneming van het bancaire kredietrisico, waarbij met name van belang zal zijn of er voldoende dekking door zekerheid blijft bestaan.

Eisers hebben zelf gesteld dat zij in zwaar weer zijn geraakt als gevolg waarvan het aantal winkels van eisers is teruggebracht van 11 naar 5. Bij conclusie van repliek hebben eisers nader gesteld dat thans niet of nauwelijks gunningen worden verstrekt aan hen, terwijl betalingen aan hen worden achtergehouden en financieringen worden stopgezet of ingetrokken. Hierdoor hebben grote leveranciers van eisers zich ook teruggetrokken en zijn er belangrijke agentschappen verloren gegaan. Dit heeft zijn directe weerslag gehad op de inkomsten van het bedrijf en de aflossing van haar kredieten, aldus eisers.

Dat sprake is van een aanmerkelijke afname van de kredietwaardigheid is dan ook voldoende aannemelijk.

4.5.2.1 Daarnaast hebben eisers gesteld dat zij niet bij de pakken blijven neerzitten en alles in het werk stellen om de kredieten af te lossen. Eisers hebben ter staving een brief d.d. 11 oktober 2016 overgelegd waaruit zou moeten blijken dat door de bandweer gunning is verleend voor het leveren van goederen. Volgens eisers hebben zij de toezegging aan gedaagde gedaan de inkomsten tot een bedrag van US$ 66.270,= geheel ter aflossing van de kredieten te zullen stellen. Eisers leggen over een brief gericht aan gedaagde gedateerd 17 oktober 2016, waarin zij de voormelde toezegging doen.

Ten aanzien hiervan heeft gedaagde terecht aangevoerd dat ondanks de toezegging de terugbetaling tot heden (bijkans 4 maanden later) niet heeft plaatsgevonden. Eisers hebben bovendien ook geen indicatie gegeven binnen welke periode de door hen genoemde inkomsten ter beschikking zullen zijn.

4.5.2.2 De stelling van eisers met betrekking tot de overwaarde van de onroerende goederen zal worden verworpen nu het een feit van algemene bekendheid is dat thans, zeker gezien de financieel-economische situatie waarin het land zich bevindt, de veilingopbrengsten ver beneden de getaxeerde waarde van de onroerende goederen zijn. Dat de vorderingen van gedaagde voldoende door zekerheid gedekt zouden zijn, staat derhalve voorshands zeker niet vast.

4.5.3 In de derde plaats weegt mee het gedrag en de betrouwbaarheid van eisers, als kredietnemers, alsmede de tijdigheid waarmee deze gedaagde op de hoogte heeft gesteld en stelt van alle voor de kredietrelatie van belang zijnde omstandigheden.

Gedaagde heeft onweersproken aangevoerd dat eisers voor het laatst in maart 2016 een enkele betaling hebben verricht terwijl zij eisers op diverse momenten heeft aangemaand om hun betalingsverplichting te voldoen. Gedaagde betoogt dat zij door het betalingspatroon van eisers alsmaar oplopende schade lijden. Zijdens gedaagde is er niet langer sprake van enig vertrouwen dat eisers hun betalingsverplichtingen zullen nakomen, anders dan bij wege van executie van de zekerheidsrechten.

4.5.4 Ten vierde is aan de orde in welke mate eiser toerekenbaar tekort is geschoten, bijvoorbeeld door structurele en/of ruime overschrijding van de kredietlimiet. In dit geval is er sprake van een betalingsachterstand van US$ 1.381.829,04.

De kwestie over de toezegging van gedaagde de financiering te zullen verstrekken voor de (verdere) aankoop van het zogenaamde “Bigapand” kan als aanvankelijke oorzaak voor het tekortschieten, anders dan eisers hebben betoogd, geen rechtvaardiging zijn.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter kon, ook indien die toezegging was gedaan door gedaagde, redelijkerwijs niet van haar worden verwacht dat zij daartoe over zou gaan gezien de structurele achterstanden die eisers hadden bij het nakomen van hun verplichtingen. Bovendien heeft gedaagde gemotiveerd ontkend enige toezegging, zoals door eisers gesteld, te hebben gedaan. Volgens gedaagde heeft zij op het verzoek van eisers voor verruiming van de kredietfaciliteiten zich steeds op het standpunt gesteld dat zij daartoe pas zou kunnen overgaan als de lopende kredietfaciliteiten door eisers zouden zijn aangezuiverd.

4.5.4.1 De kwestie over enige toezegging van gedaagde tot royement van de hypotheek op het onroerend goed aan de [weg 1], zal hetzelfde lot onderdaan als hiervoor onder 4.5.4 is overwogen. Gedaagde heeft ook hier gemotiveerd ontkend enige toezegging terzake te hebben gedaan. Bij conclusie van repliek beroepen eisers zich op een productie no. 10, terzake een schrijven van de bank d.d. 18 januari 2016 waaruit de toezegging van het royement zou zijn gedaan door gedaagde. De door eiser overgelegde productie 10 betreft een schrijven gedateerd 24 augustus 2015, van eiser sub A, in de hoedanigheid van directeur van gedaagde sub C, aan gedaagde, waarin hij vraagt ook het royement van de hypotheek op het pand aan de [weg 2] nog op die dag te bewerkstelligen. Deze productie maakt niet aannemelijk dat de door eisers gestelde toezegging is gedaan.

Bovendien, ook al zou die toezegging zijn gedaan, eisers hebben terecht zoals door gedaagde aangevoerd, niet met relevante documenten heeft onderbouwd dat zij een serieuze koper hadden die bereid was een bedrag van US$ 500.000,= te voldoen. De door eisers bij hun verzoekschrift overgelegde productie nummer 9, maakt geenszins aannemelijk dat eisers een serieuze koper hadden die bereid was een bedrag van US$ 500.000,= te voldoen.

Deze productie betreft een notarisverklaring gedateerd 25 oktober 2016, afkomstig van notaris Annoesma Pancham gehuwd Ramlakhan. In deze verklaring verklaart voornoemde notaris dat bij haar op kantoor in 2015 een zaak lopende was, waarbij door [eiser a] twee in die verklaring omschreven percelen zouden worden verkocht aan een potentiële koper, te weten [naam] en dat wegens onbekende redenen de koopakte geen voortgang heeft gevonden.

4.5.5 Voor wat betreft de wijze van besluitvorming van gedaagde voorafgaand aan de opzegging en de wijze waarop overleg is gevoerd met eisers en/of en in welke mate gedaagde eisers tevoren heeft gewaarschuwd en de gedragingen van gedaagde waardoor de verwachtingen bij eisers zijn gewekt, als bijvoorbeeld toelating van de overschrijding van de kredietlimiet – het vijfde en zesde criterium die worden gehanteerd bij de nadere invulling van de zorgplicht van gedaagde – kan worden verwezen naar de correspondentie die gedaagde met eisers heeft gevoerd over de aanzuivering van de kredieten en daarnaast de reeds eerder aangezegde veiling welke geen voortgang heeft gevonden.

4.5.6 Het onder de loep nemen van de zes hiervoor vermelde criteria leiden derhalve, anders dan eisers hebben betoogd, geenszins tot de conclusie dat gedaagde haar zorgplicht ten aanzien van eisers niet in acht heeft genomen.

4.6 Naast het bovenstaande hebben eisers nog gesteld dat met (gedeeltelijke) royement en willige verkoop van de onroerende goederen voor beide partijen een veel beter resultaat bereikt kan worden dan door de openbare verkoop van de onroerende goederen.

Zoals reeds eerder is overwogen hebben eisers zelf gesteld dat zij in zwaar weer zijn geraakt als gevolg waarvan het aantal winkels van eisers is teruggebracht van 11 naar 5, en voorts dat thans niet of nauwelijks gunningen worden verstrekt aan hen, terwijl betalingen aan hen worden achtergehouden en financieringen worden stopgezet of ingetrokken waardoor grote leveranciers van eisers zich ook hebben teruggetrokken en zijn er belangrijke agentschappen verloren gegaan, hetgeen zijn directe weerslag heeft gehad op de inkomsten van het bedrijf en de aflossing van haar kredieten.

Er is dan ook een reële kans dat eisers de komende maanden niet aan hun lopende verplichtingen kunnen voldoen, zodat de schade voor gedaagde iedere maand fors zal oplopen. Eisers hebben gedaagde ook niets concreets kunnen bieden. Van gedaagde kan niet worden gevergd dat zij onder deze onzekere situatie de veiling aanhouden.Onder deze omstandigheden kan evenmin van gedaagde in redelijkheid worden verlangd dat zij akkoord gaat met een traject van onderhandse verkoop van de onroerende goederen, waarvan niet duidelijk is hoe lang dat traject kan duren.

Gedaagde heeft een spoedeisend belang bij een veiling temeer nu het een feit van algemene bekendheid is, mede gezien in het licht van de economische situatie waarin het land verkeert, dat veilingen van onroerende goederen niet de maximale opbrengst genereren. Gedaagde maakt dan ook zelf de afweging of en hoe zij van haar executiebevoegdheid gebruik maakt. Van misbruik van die bevoegdheid is onder de gegeven omstandigheden geen sprake.

4.7 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de door eisers gevraagde voorzieningen moeten worden geweigerd.

4.8 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig,

4.9 Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten betalen.

5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 26 januari 2017 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de griffier.
w.g. D. Ramdin w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran w.g. S.M.M. Chu

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-1988-4

HvJ 17 JUNI 1988

[verzoeker], wonende in [district], advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT,
verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende in het distrikt Paramaribo aan de Gravenstraat no.3, advokaat Mr.H.MUNGRA.
Verweerder,

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:
Gezien de stukken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN :

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen de STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal BIJ HET Hof van Justitie, kantoorhoudende in het distrikt Paramaribo aan de Gravenstraat no.3;
  2. dat verzoeker sinds de maand oktober 1977 in dienst is getreden van ‘sLandsbedrijf “SURINAM TIMBER”,gevestigd en kantoorhoudende in het distrikt Paramaribo, zijnde dit bedrijf een van landswege opgerichte rechtspersoon, die niet van de werking van de personeelswet is uitgesloten;
  3. dat verzoeker gelet op het sub 2 gestelde, mitsdien ambtenaar is in de zin van de personeelswet, zijnde immers de rechtspositie van het personeel van het ‘sLandsbedrijf “SURINAM TIMBER” niet bij of krachtens Wet afzonderlijk geregeld, zodat alle bepalingen bij of krachtens de personeelswet op verzoeker van toepassing zijn;
  4. dat verzoeler bij het ‘s Landsbosbedrijf voornoemd de functie vervulde van Hoofd Algemene Zaken, met een salaris van f.1.825,– per maand;
  5. dat bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie, dd,28 juli 1987 [nummer 1], welke beschikking verzoeker op 12 augustus 1987 heeft bereik, verzoeker met ingang van 1 april 1987 is overgeplaatst naar het departement Transport Handel en Industrie, tegen een salaris van f.879,- per maand;
  6. dat verzoeker zich niet kan verenigen met de voormelde beschikking, althans in ieder geval voorwat zulks de vasstelling van zijn bezoldiging betreft.Immers genoot verzoeker bij het ‘s Landsbosbedrijf voornoemd, een veel hoger salaris, dan hetgeen bij de litigieuze beschikking door gedaagde is vastgesteld;
  7. dat voorts de voormelde beschikking in strijd is met artikel 27 van de personeelswet, houdende immers dit artikel een stringent verbod in, met betrekking tot de salarisverlaging van een ambtenaar, i.c. verzoeker, terwijl i.c. geen sprake is van een oplegging van degradatie danwel toelagen van aflopende aard of toelagen die dienen ter bestrijding van uit de uitoefening van zijn functie voortvloeiende kosten, danwel een geval als bedoeld in art.27 lid 3 en 4;
  8. dat voorts de voormelde beschikking waarbij verzoeker is gedegradeerd in zijn salaris, eveneens in strijd is met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur en wel in het bijzonder de beginselen van zekerheid, gelijkheid en fairplay.Voor wat de gemelde beginselen betreft, wenst verzoeker aan te halen ,dat de verweerder door de voormelde beschikking zeer onbehoorlijk heeft gehandeld en mitsdien een door het recht te bepalen grens heeft overschreden, waardoor verzoeker is benadeeld,terwijl de voormelde beschikking in strijd met verzoeker’s belangen op een zeer onzorgvuldige en oneerlijke wijze is totstand gekomen en mitsdien aan verzoeker uitgereikt;
  9. dat voorts de voormelde voor verzoeker zeer bezwarende beschikking, niet voldoet aan de vereiste deugdelijke motivering, althans voldoet dit besluit niet aan de wet te ontlenen motivering, zodat zulks ook niet draagkrachtig is en kan zijn, hebbende verweerder immers integendeel bij het geven van de voormelde beschiokking in strijd met de Wet gehandeld, terwijl het verweerder bovendien bekend is, dat een ambtenaar die een hogere bezoldiging geniet dan voor de algemene overheidsdienst bij eventuele overplaatsing, toch die hogere bezoldiging blijft behouden en zulks behoudens de gevallen opgesomd in artikel 27 P.W., waarvan i.c. geen sprake is.(vide Hof van Justitie in haar vonnis dd.19 januari 1979,inzake:[naam] ca.de Staat Suriname);
  10. dat voorts aan verzoeker, die steeds zijn werkzaamhedenheeft verricht vanaf de maand april 1987 geen salaris is uitbetaald, terwijl bovendien verweerder weigerachtig is aan verzoeker zijn salaris naar rato van bruto f.1.825,- per maand uit te betalen alsmede de verschuldigde kinderbijslag;
  11. dat verzoeker door de handelwijze van verweerder schade heeft geleden bestaande uit het door hem niet genoten salarisover de gemelde periode, zijnde de vermelde schade voortgevloeid uit het voormlede besluit (beschikking) die in strijd met de wet is gegeven, terwijl aan verzoeker zelf het bij de voormelde beschikking ten onrechte vastgestelde bedrag van f.879,– nimmer is uitbetaald;
  12. dat verzoeker recht en belang heeft om nietig verklaringvan de voormelde beschikking te vorderen, alsmede de uitbetaling van de niet genoten salaris en kinderbijslag;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:
a. dat de ten rekeste aangehaalde beschikking dd.28 juli 1987, [nummer 1] nietig zal worden verklaard, althans zal worden vernietigd in ieder geval voor wat de vaststelling c.q.bepaling van verzoeker’s salaris betreft;
b. dat een termijn zal worden vastgesteld waar binnen door verweerder een nieuw besluit, overeenkomstig het in deze te wijzen vonnis moet worden genomen en zulks onder verbeurte van een dwangsom van f.500,- per dag voor iedere dag, dat verweerder het sub bb genoemde besluit achterwege mocht laten;
c. dat verweerder zal worden veroordeeld, aan verzoeker te betalen, zijn salaris ad f.1.825,- per maand, vermeerderd met de verschuldigde kinderbijslag ,van en met de maand april 1987 tot aan de dag waarop het sub b bedoelde besluit is genomen en zulks onder aftrek van de uit de dienstbetrekking voortvloeiende inhoudingen zoals loonbelasting,S.Z.F.etc., kosten rechtens;

Overwegende, dat de Staat Suriname binnen de door de Wet gestelde Termijn van zes weken geen verweerschrift heeft ingediend en ook geen verlenging van die termijn heeft gevraagd, waarna het Hof bij beschikking van 14 oktober 1987, het verhoor van partijen heeft bepaald;

Overwegende, dat partijen, verzoeker in persoon en de heer Ch.Steinberg, onder-Direkteur Administratieve Diensten van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie, vergezeld van hun respektieve advokaten, ter terechtzitting zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als geinsereerd te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd, waarna het Hof de verdere behandeling der zaak heeft aangehouden, vooroverlegging zijdens de Staat Suriname van produkties met toelichting;

Overwegende, dat ten dage daarvoor bepaald de Staat Suriname een schriftelijke conclusie vergezeld van produkties heeft overgelegd, wordende de inhoud van deze conclusie en de produkties geacht hier te zijn opgenomen;

Overwegende, dat nadat de gemachtigde van verzoeker een schriftelijke conclusie tot uitlating produkties had genomen het Hof vonnis in de zaak had bepaald aanvankelijk op 6 mei 1988 doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT :

Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet(P.W.)

Overwegende, dat verzoeker nietigverklaring vordert van de overplaatsingsbeschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie dd. 28 juli 1987 [nummer 1], zijnde naar ’s H‘ven oordeel niet een beschikking waarin zijn bezoldiging is vastgesteld;

Overwegende, dat zo’n beschikking, waarbij de bezoldiging van verzoeker is vastgesteld (ten onrechte wordt gesproken van “met behoud”) is die van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie van 28 april 1987 [nummer 2];

Overwegende, dat verzoeker volgens deze beschikking, nasinds 16 juli 1976 geen werkzaamheden te hebben verricht(en hij ook niet bij beschikking blijkt te zijn ontslagen),(verzoeker heeft elders te weten bij Surinam Timber en wel op arbeidsovereenkomst gewerkt en aldaar inkomsten genoten) op 1 april 1987 zijn werkzaamheden heeft hervat en wel in de rang van ambtenaar A 1e klasse “met behoud” (bedoeld wordt onder vaststelling) van zijn bezoldiging van f.879,- per maand;

Overwegende, dat op grond van de door verweerder overgelegde en door verzoeker niet betwiste “Toelichting” rechtens is komen vast te staan, dat verzoeker zijn werkzaamheden heeft hervat in de rang die hij in 1976 had tegen een bezoldiging,welke in verband met de bverschillende C.L.O.verhogingen is aangepast;

Overwegende, dat hoewel de beschikking van 28 april 1987 spreekt van “behoud van zijn bezoldiging van f.879,- per maand”,uit het voorgaande volgt, dat verzoeker deze bezoldiging niet heeft genoten en van “behoud” derhalve geen sprake is, doch wel van vaststelling van zijn bezoldiging na zijn werkhervatting”;

Overwegende, dat nu blijkens het verzoekschrift, verzoeker zich gegriefd voelt door de vaststelling van zijn bezoldiging op f.879,- per maand, hij dat besluit, waarbij zijn bezoldiging op gemeld bedrag werd bepaald,had moeten aanvechten;

Overwegende, dat dit besluit is vervat in de bescchikking van de Minister van N.H.E. van 28 april 1987 [nummer 2] en niet in die van 28 juli 1987, van welk laatste hij nietigverklaring vordert;(deze beschikking is een “overplaatsingsbeschikking”)

Overwegende, dat verzoeker’s vordering dan ook niet voor toewijzing in aanmerking komt, zullende het Hof hem daarin niet-ontvankelijk verklaren;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN :

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Aldus gewezen door de heren:Mr.R.E.TH.OOSTERLING, waarnemend-President,Mr.E.S.OMBRE en Mr.F.F.P.TRUIDEMAN,Leden en door de waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 17 JUNI 1988,in tegewoordigheid van K.PULTOO,Substituut-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.H.KOMPROE namens zijn gemachtigde advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en verweerder vertegewoordigd door advokaat Mr.S.H.BRAAFHEID namens zijn gemachtigde advokaat Mr.H.MUNGRA zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1988-3

HvJ 11 NOVEMBER 1988

[verzoeker], wonende aan [adres] te [district], advokaat Mr.H.E.STRUIKEN,
verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname te zijne kantore te Paramaribo aan de gravenstraat no.3 en ter terchtzitting vertegenwoordigd door advokaat mr.H.MUNGRA,
verweerder,

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de republiek, het navolgend vonnis uit;

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ‘s Hofs interlocutoire vonnissen van 24 april 1987, 30 oktober 1987 en 5 februari 1988 tussen partijen gewezen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzend naar en overnemend hetgeen bereids in ‘s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts:

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna las geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies hebben genomen, onder overlegging van produkties;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies tot uitlating produkties hadden genomen, vonnis in de zaak werd bepaald aanvankelijk op 28 oktober 1988, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof ook hier verwijst naar en overneemt hetgeen in zijn praeparatoir vonnis van 5 februari 1988 werd overwogen en voorts:

– dat verweerder op de exacte vragen gesteld in voormeld prae-paratoir vonnis van het Hof, alsvolgt heeft gereageerd:

I. De organisatorische struktuur van het Bureau voor Waterkracht Werken ziet er alsvolgt uit:

  • Hoofd van het Bureau, die qua funktiegehalte ingevolge het Ambtenarenbezoldigingsbesluit 1980 (S.R.S.no.153) in schaal 18 dient. Deze functionaris is belast met de totale leiding van dit Bureau.
  • Onderhoofd, dat qua funktiegehalte in schaal 16 dient.
  • Hoofd van de Afdeling Technische Dienst, waaronder ressorteren de Onderafdeling Topografie, Hydrologie, Infrasruktuur, Tekenkamer en Micro-centrale. Deze funktionaris dient qua funktiegehalte van deze funktie in schaal 16.
  • Hoofd van de Onderafdeling(Topografie, Hydrologie, infrasrtuktuur,ect.) dient qua funktiegehalte van deze funktie in funktiecategorie E (schalen 13,14,15)

Naar bekomen inlichtingen was de heer [naam 1] belast met de leiding van de OnderafdelingTopografie, waarvan de waardering volgens het voorgaande moet plaatsvinden in funktiecategorie E.

II. Uit voorgaande beschrijving van de strukturele organisatie van het Bureau voor Waterkracht Werken, blijkt duidelijk dat het Diensthoofd van het Overheidsonderdeel belast is met de totale leiding en in eerste aanleg verantwoording schuldig is aan de Direktie van het Departement.

III. Hoewel de beschikking, die betrekking heeft op overplaatsing van de heer [naam 1] van het Bureau voor Waterkracht Werken naar de Dienst voor Hogere Geodesie NIET is achterhaald, blijkt dit wel het geval te zijn. Mede in verband met de overplaatsing van de heer [naam 1] voornoemd van de Dienst voor Hogere Geodesie; naar het Bureau voor Waterkracht Werken te rekenen van 1 oktober 1981, waarvan de overplaatsingsbeschikking wel is achterhaald (vide beschikking de dato 30 juni 1982 [nummer 1] van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie).

IV. Het voorgaande in aanmerking genomen, kan worden gesteld, dat bij overplaatsing van de heer [naam 1] van het Bureau voor Waterkrach Werken naar de Dienst voor Hogere Geodesie, diens funktie als Hoofd van de Onderafdeling Topografie, werd overgenomen(waargenomen) door de heer [verzoeker], welke funktie, zoals eerder gesteld in funktiecategorie E (schaal 13,14,15) wordt gewaardeerd;

– dat vervolgens uit de door verzoeker in het geding gebrachte resoluties in fotocopy van respektievelijk 6 maart 1970 Ministerie van Opbouw Bureau [nummer 2] [nummer 3] en 1 februari 1980 Ministerie van Opbouw Bureau [nummer 4] [nummer 5], welke verweerder niet heeft betwist blijkt, en mitsdien tussen partijen rechtens vaststaat, dat:

1. de heer [naam 1] te rekenen van 1 februari 1970 werd bevorderd tot Hoofd-technische Ambtenaar B en gelijktijdig tewerk gesteld bij het Bureau voor Waterkracht Werken teneinde te worden belast met de leidinggevende werkzaamheden (Afdeling Topografie) onder toekenning van een salaris van f.826,– (Resolutie van 6 maart 1970);
2. de heer [naam 1], Hoofd technisch Ambtenaar A in vaste dienst bij het Bureau voor Waterkracht Werken van het Departement van Opbouw, werd bevorderd tot Afdelingshoofd van het Brokopondo Bureau (Bureau voor Waterkracht Werken) schaal 18 (Resolutie van 1 februari 1980);
3. Verzoeker heeft bij conclusie de dato 22 april 1988 gesteld, dat de taken van [naam 1] voornamelijk van administratieve aard waren en voornamelijk bestonden uit;

  • het vaststellen van het werkprogramma in overleg met de direkteur en de technisch adviseur;
  • het opmaken van de begroting voor de volgens dit werk programma uit te voeren meetprojekten;
  • periodieke controle – 1 x per maand – op de veldwerkzaamheden te velde;
  • controle op de verzamelde meetgegevens, zoals:
    • d1 het veldwerk, berekeningen,tekeningen en kaarten;
    • d2 het verzorgen van de voortgangsraportage betreffende de werkzaamheden (informatie aan de direkteur);
    • d3 de direkteur adviseren in zaken de afdeling Topografie rakende;
    • d4 zorg voor de personeelsregistratie en de magazijnadministratie van de afdeling Topografie
    • d5 het opmaken en doorgeleiden – aan de direkteur – van bevorderingsvoordrachten van zowel het veld – als kantoorpersoneel van de afdeling Topografie die gedurende het arbeidsjaar zich door ijver en goede plichtvervulling hebben onderscheiden (1 x per jaar) hebbende verzoeker voorts gesteld, dat alle taken van de heer [naam 1] na zijn overplaatsing op hem – verzoeker – zijn overgegaan;

Overwegende, dat verweerder deze stellingen van verzoeker niet althans niet gemotiveerd heeft weersproken, zodat deze in confesso zijn, hebbende verweerder zich verzet tegen bevordering van verzoeker naar schaal 18, aangezien deze verstoring zal teweeg brengen in de hierarchische verhouding binnen het bureau in het bijzonder en binnen het N.H.E.-apparaat in het algemeen;

Overwegende, dat verweerder tenslotte heeft voorgesteld de heren [naam 2] en [naam 3] in deze te horen, aangezien zij destijds de leiding van het Bureau voor Waterkracht Werken hebben uitgemaakt;

Overwegende, dat het Hof op het laatste verzoek van verweerder niet zal ingaan, nu de aan verweerder gestelde exacte vragen ook op exacte wijze beantwoord konden worden;

Overwegende, dat de in de rechtoverwegingen vaststaand geachte feiten, gevoegd bij de, zoals bereids aangenomen in ’s Hofs praeparatoir vonnis van 5 februari 1988, tot gevolg hebben, dat verzoekers vordering aan hem dient te worden toegewezen in voege als na te melden;

RECHTDOENDE:

Verklaart voor recht, dat verzoeker te rekenen van 1 januari 1979 stilzwijgend is benoemd in de funktie van Hoofd van de Afdeling Topografie van het Bureau voor Waterkracht Werken, ressorterende onder het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie;

Beveelt verweerder die handelingen te verrichten, welke vereist zijn voor het in overeenstemming brengen van het door verzoeker te genieten salaris, – volgens schaal 18 der Salarisregelingen -, bij de funktie van Hoofd van de afdeling TOPOGRAFIE als voorgeschreven en wel te rekenen vanaf 1 januari 1979;

Beveelt verweerder voorts die handelingen te verrichten welke vereist zijn voor het doen vaststellen van de bij voorschreven funktie behorende waarnemingstoelagen (1 januari 1978 – 1 januari 1979) en deze ook daadwerkelijke aan verzoeker te betalen.

Veroordeelt verweerder tenslotte tot betaling van een dwangsom van f.50,–(VIJFTIG GULDEN) per dag, aan verzoeker voor elke dag dat verweerder in gebreke blijft aan voormelde bevelen te voldoen, na 1 januari 1989.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door de heren:Mr.R.E.TH.OOSTERLING, waarnemend-president,MrJ.R.VON NIESEWAND en Mr. E.S.OMBRE, Leden en door de waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 11 NOVEMBER 1988 in tegenwoordigheid van K.PULTOO, Substituut-Griffier.

Partijen vertegenwoordigd door hun respektieve gemachtigden Mr.H.E.STRUIKEN en Mr.H. MUNGRA zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.-

SRU-K2-2015-1

KANTONGERECHT

D.G.W.K.
Parketnummer : 1-1-001106
Vonnisnummer : 77/ 2015
Datum uitspraak : 9 februari 2015
Tegenspraak
Raadsman : Mr. D.S. Kraag

VONNIS
van de Kantonrechter in het 2e Kanton, zitting houdende te Paramaribo, inzake de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte] geboren te [district 1], wonende in het [district 2]

Het onderzoek van de zaak
Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 27 maart 2014, 24 april 2014, 5 juni 2014, 12 juni 2014, 10 juli 2014, 14 augustus 2014, 27 november 2014, 8 januari 2015 en 9 februari 2015.

De tenlastelegging na toegestane wijziging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I en de wijziging tenlastelegging als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte:
I. na gebruik van meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, hij de maximum toegestane snelheid heeft overschreden, en 2 doden en 1 zwaar gewonde zijn gevallen;

II. na gebruik van meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat gevaar op de weg en een dodelijk verkeersongeval is veroorzaakt, door gedurende de nacht te rijden zonder onvoldoende rekening te houden met het overig verkeer en zijn rijgedrag onvoldoende daarop aan te passen en vier voor hem op de weg bevindende weggebruikers niet heeft opgemerkt;

III. na gebruik van meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol een personenauto heeft bestuurd.

Ontvankelijkheid van de vervolgingsambtenaar
De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de vervolgingsambtenaar niet- ontvankelijk verklaard moet worden in de vervolging omdat, de verdachte door een onbevoegde hulpofficier in verzekering is gesteld. Vooropgesteld dat niet- ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen voorkomt. Daarvoor is alleen plaats ingeval het verzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekort gedaan. In casu, staat vast dat er sprake was van een verzuim betrekking hebbende op de toepassing van een vrijheidsbenemend dwangmiddel. Krachtens de wet is de Rechter-Commissaris belast met het toezicht op de toepassing dan wel voortduring van bepaalde tijdens het voorbereidend onderzoek bevolen vrijheidsbenemende dwangmiddelen en kan die aan dergelijke verzuimen rechtsgevolgen verbinden. Tegen het oordeel van de Rechter-Commissaris staat hogere voorziening open bij het Hof van Justitie. Ons gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt met zich dat bij de behandeling ter terechtzitting niet opnieuw of alsnog een beroep kan worden gedaan op verzuimen bij de inverzekeringstelling die aan de Rechter-Commissaris zijn of hadden kunnen worden voorgelegd. In casu heeft voorlegging aan de Rechter-Commissaris en het Hof ook plaatsgehad en heeft het Hof reeds een beslissing gegeven. Het verweer wordt daarom verworpen.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder I, II en III ten laste gelegde. Zij vordert dat de verdachte hiervoor wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht; met diens gevangenneming. De veroordeling tot betaling van een geldboete van SRD 2000,- subsidiair 4 weken vervangende hechtenis. Verder vordert zij als bijkomende straf de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.

Zij heeft gesteld dat de verdachte aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam heeft gereden. Kort voor het ongeval heeft de verdachte gereden, met een snelheid die niet aangepast was aan de situatie ter plaatse – er bevonden zich mensen op de weg- . De verdachte heeft niet gezien dat de slachtoffers, zich op de weg bevonden en hij heeft hun vervolgens aangereden. Gezien de hoeveelheid alcoholhoudende drank die hij had gedronken, had hij nooit zijn auto mogen gaan besturen. Hij heeft bewust de beslissing genomen om toch te gaan rijden.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde.

MOTIVERING VRIJSPRAAK
In deze zaak ging het om een ongeval waarbij een bestuurder van een personenauto vier verkeersdeelnemers had geschept op de weg. Als gevolg waarvan 2 kwamen te overlijden en 1 zwaar lichamelijk letsel opliep.

Vooropgesteld wordt dat in dit soort zaken de emoties die hierbij spelen, hoe voorstelbaar ook, geen rol mogen en kunnen spelen bij de beantwoording van de zuiver juridische vraag, of aan de verdachte in strafrechtelijke zin een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot zijn handelen. Met andere woorden, het feit dat het verkeersongeval voor het slachtoffer en nabestaanden dramatische gevolgen heeft gehad, weegt niet mee voor die schuldvraag.

De kantonrechter overweegt het volgende:
Om tot een bewezenverklaring van het onder IA en II ten laste gelegde (artikel 20 Rijwet leden 3 en 2) te komen, dient de kantonrechter vast te stellen of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Enerzijds komt dit neer op de vaststelling van het gedrag van de verdachte en de beoordeling of en, zo ja, in welke mate hij verwijtbaar heeft gehandeld. Anderzijds dient een causaal verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval.

Kort samengevat gebeurde het ongeval als volgt:
Op 16 februari 2014 omstreeks 4 uur in de ochtend heeft verdachte na het gebruik van alcohol deelgenomen aan het verkeer. Het was rustig op straat, er was geen verkeer op de weg. Op dat moment was het nacht en regenachtig weer. De straatverlichting was ontstoken en het zicht ter plaatse was goed. Verdachte reed op dat moment naar eigen zeggen met een snelheid van ongeveer 60-80 kilometer per uur vanuit de richting van [straat] en heeft de slachtoffers pas waargenomen kort voor de botsing. Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 40 km/u.

Enige minuten voordat verdachte de plaats van de botsing naderde, werd één van de dodelijke slachtoffers achterna gezeten door de twee andere slachtoffers (vader en zoon). Komende uit de [straat 1] en gaande richting [woonplaats]. Op een gegeven moment kwam degene die achterna gezeten werd te vallen ([naam 1]). Hij kwam op de weg terecht. Hij werd toen op die plek onder schot gehouden door de vader ([naam 2]) terwijl de zoon ([naam 3]) hem mishandelde. De zoon stond en de vader was op zijn knieën terwijl, een tweede zoon ([naam 4]) erbij stond. Een getuige die dit meemaakte en, vader en zoon aanmaande om hun handelingen te staken was voornemens zich naar de groep te begeven toen hij verdachte met een snelheid zag aankomen rijden. Uitgaande van de snelheid waarmee verdachte aankwam rijden leidde die getuige af dat verdachte de mensen op de weg niet had waargenomen. Hij probeerde verdachte te wenken dat er mensen op de weg waren, maar het was te laat want verdachte reed hun toch aan.

Verdachte reed eerst een zoon van achteren aan, om vervolgens over [naam 1] die op de weg lag, te rijden en schepte vervolgens de vader en de andere zoon. Ten gevolge van de botsing kwamen de vader en een zoon op een afstand van 20.60 meter van het confrontatiepunt terecht. Na de botsing werd verdachte zijn voertuig op 8.35 m van het confrontatiepunt aangetroffen. De vader,[naam 2], overleed ter plekke. De zonen [naam 4] en [naam 3] werd respectievelijk zwaar lichamelijk- en lichamelijk letsel toegebracht.

Slachtoffer [naam 1] bewoog nog even, maar is niet opgestaan na de botsing en kwam in het ziekenhuis te overlijden. Bij het confrontatiepunt/ de plek waar [naam 1] had gelegen was een bloedplas aan de hoofdzijde op het wegdek waargenomen- gemeten tot de trottoirrand 1 1/2 tot 2 m- en zijn slippers waren op het trottoir aangetroffen.

Anders dan de getuigen [naam 5] en [naam 3] verklaarden, staat naar het oordeel van de kantonrechter uit de verklaring van de getuige [naam 6] en het resultaat van het technisch onderzoek vast dat de latere slachtoffers zich op de weg bevonden ten tijde van de botsing (1 1/2 tot 2 m van de trottoir rand en op ongeveer 33.70m van de kruising [straat 2] en [straat 3], bekeken vanuit de richting [wijk]).

Volgens de verdachte reed hij met een snelheid tussen 60- 80 km/u. Uitgaande hiervan kan de verdachte met een snelheid van 60 kilometer per uur hebben gereden, maar ook met 80 kilometer per uur. In dit verband is relevant, dat voor de snelheid geen technisch bewijs is. We moeten afgaan op de verklaringen van de verdachte en getuigen, hetgeen uiteraard geen precieze vaststelling oplevert van de snelheid waarmee is gereden. Mede gelet hierop moet de verdachte bij eventuele onzekerheid, het voordeel van de twijfel worden gegeven.

Over het feit of verdachte voorafgaande of eerst na de botsing afgeremd heeft bestaat onduidelijkheid. Aangetroffen (blokkeer) sporen op het wegdek zijn niet vastgelegd en geplaatst waardoor het niet mogelijk is de snelheid van verdachte ten tijde van het ongeval vast te stellen. Gezien de stopafstand van 8.35m, althans de plek waar het voertuig na de botsing is aangetroffen en, uitgaande van algemeen bekende snelheidstabellen inzake reactie tijden en stopafstanden kan aangenomen worden dat verdachte met een snelheid van tussen 40- 50 kilometer per uur heeft gereden. Hetgeen geen grove overschrijding van de vastgestelde maximumsnelheid is.

Ofschoon het niet overschrijden van de maximumsnelheid niet aan het oordeel in de weg hoeft te staan dat er gelet op bijzondere omstandigheden ter plaatse toch te hard is gereden, hebben dergelijke omstandigheden zich in deze niet voorgedaan. Ten tijde van het ongeval was het niet druk op straat, zo hebben verschillende getuigen verklaard dat er geen verkeer op de weg was. Gelet hierop hoefde de verdachte niet langzamer te gaan rijden dan de maximumsnelheid.

Anders dan de officier van justitie ziet de kantonrechter derhalve geen grond voor het oordeel dat de verdachte met een snelheid heeft gereden waarmee hij zijn voertuig niet tijdig tot stilstand kon brengen en niet de nodige voorzorgsmaatregelen heeft getroffen bij het naderen van de slachtoffers.

Uit de ademanalyse na het ongeval bleek dat de verdachte alcohol had gedronken waarbij is vastgesteld dat de hoeveel alcohol per liter uitgeademde lucht 655 microgram bedroeg. Gelet op het vorenstaande is het verwijtbare gedrag van de verdachte gelegen in het in beschonken toestand besturen van een auto.

Thans dient te worden vastgesteld of er causaal verband is tussen dit gedrag van de verdachte en het verkeersongeval.

Van algemene bekendheid is dat deelname aan het verkeer na het drinken van alcoholhoudende drank risico’s met zich brengt. Zo wordt het inschattingsvermogen en het reactievermogen door het drinken van alcohol negatief beïnvloed. Gelet hierop is bij een verkeersongeval na gebruik van alcohol, weinig nodig om te kunnen concluderen dat er sprake is van een overschrijding van de zorgvuldigheidsnorm die in artikel 20 lid 3 Rijwet besloten ligt.

Aan de hand van de verklaringen van de getuigen en verdachte kan de waarneembaarheid op verkeer niet nagegaan worden en kan niet vastgesteld worden op welke afstand het verkeer op de weg voor verdachte zichtbaar was. Getuige [naam 6] heeft aangegeven dat het naderen van het voertuig zo snel gebeurd is. Voorts kon hij niet aangeven op welke afstand hij het voertuig van verdachte opmerkte toen hij hem een waarschuwing gaf. Verdachte heeft verklaard dat het waarnemen van de slachtoffers plotseling gebeurde.

Nu, de waarnemingsafstand niet vastgesteld kon worden kan ook niet berekent worden of het makkelijk was voor verdachte om tijdig te stoppen. Of tenminste een noodstop te maken. Evenwel is komen vast te staan dat de slachtoffers renden en plotseling de rijbaan opkwamen waar de verdachte reed. Een ieder zou de slachtoffers onder de voren geschetste omstandigheden op dat moment hebben kunnen aanrijden, ongeacht of die persoon alcohol genuttigd had of niet. Benadrukt wordt dat hiermee niet gezegd is dat het rijden onder invloed toegestaan of geoorloofd is.

Aan verdachte zijn geen andere concrete omstandigheden verweten dan de omstandigheid dat hij onder invloed verkeerde van alcohol, van welke omstandigheid niet is gebleken in hoeverre deze invloed heeft gehad op en bepalend is geweest voor het rijgedrag van verdachte en het ontstaan van het ongeval. Het enkele feit dat verdachte onder invloed van alcohol verkeerde maakt in deze niet dat daarmee het rijgedrag van verdachte ten tijde van de botsing moet worden aangemerkt als zeer, althans aanmerkelijk onoplettend of onvoorzichtig en dat als gevolg daarvan het ongeval heeft plaatsgevonden.

De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het causale verband ontbreekt tussen het verwijtbare gedrag en het verkeersongeval. Gelet hierop is het onder IA en II ten laste gelegde handelen in strijd met artikel 20 leden 2 en 3 Rijwet niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Tevens dient de kantonrechter te bezien of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg is veroorzaakt of kon worden veroorzaakt, als bedoeld in artikel 2 van de Rijwet. Daarbij gaat het erom of de verdachte een reële kans op een ongeval heeft veroorzaakt. De kantonrechter is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat door het aanrijden van c.q. het botsen tegen de slachtoffers gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en evenmin dat het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.Weliswaar zijn de twee slachtoffers overleden c.q. heeft één zwaar lichamelijk letsel opgelopen als gevolg van de aanrijding, maar in hoeverre het rijgedrag van verdachte waardoor het ongeval is ontstaan heeft bijgedragen kan niet worden vastgesteld. Voor een bewezenverklaring van overtreding van artikel 2 Rijwet is tenminste vereist dat enige verwijtbaarheid kan worden vastgesteld.

De enkele omstandigheid dat de verdachte in beschonken toestand zijn auto is gaan besturen, is echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat er sprake is van gevaarzetting in de zin van voormelde bepaling. Gelet hierop is evenmin het onder IB ten laste gelegde handelen in strijd met artikel 2 Rijwet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte ook daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING
De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat ademalcoholonderzoek door één in plaats van twee opsporingsambtenaren is verricht hetgeen niet overeenkomstig de wet is. Voorts is het bijgevoegde afschrift van het ademanalyse formulier onleesbaar en kan daarvan niet afgelezen worden wat het resultaat is.Ten aanzien van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd omtrent het niet naleven van het bepaalde in het Besluit Alcoholonderzoeken, is de kantonrechter van oordeel dat in het procesdossier een origineel en een afschrift van het ademanalyse formulier is aangetroffen. Hoewel het afschrift enigszins onleesbaar is, kan uit het originele ademanalyse formulier afgelezen worden dat het resultaat 655 ug/l is. Artikel 5 besluit Alcoholonderzoeken bepaalt dat het onderzoek gedaan moet worden door een opsporingsambtenaar en uit het proces-verbaal van ademalcohol analyse blijkt dat het bepaalde in dit artikel 5 is nageleefd. De uitkomst van het ademalcoholonderzoek mag derhalve tot bewijs dienen van het verdachte onder 3 ten laste gelegde, zodat het verweer van de raadsman verworpen wordt.

Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte en hetgeen daaromtrent hiervoor is uiteengezet, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder III ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
“hij op 16 februari 2014 als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, daarmede heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat 2] terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet instaat moest worden geacht vermeld motorrijtuig naar behoren te besturen”.Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMIDDELEN
Ambtsedig opgemaakt uittrekselrapport d.d. 16 februari 2014 opgemaakt door ambtenaar van politie [naam 7] Verkort en zakelijk weergegeven inhoudende:
Op zondag 16 februari 2014 werd portofonisch bericht ontvangen dat er een aanrijding met materiële schade en persoonlijke ongelukken heeft plaatsgevonden aan de [straat 2]. De autobestuurder [verdachte]A zijn adem riekte sterk naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende dranken, hij had bloed doorlopen ogen en een waggelende gang. Hij werd hangende het verder onderzoek overgebracht naar het bureau.
Het ademanalyse formulier ten name van [verdachte] d.d. 16 februari 2014- starttijd 06:28.- stoptijd 16:32- aangevende het onderzoeksresultaat : 655 ug/l.

STRAFBAARHEID FEIT
Het bewezen feit levert op: overtreding van artikel 3 lid 1 Rijwet 1971.
Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE
De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.De verdachte heeft een strafbaar feit begaan door zijn auto te besturen in beschonken toestand. In die staat verkerend is hij met zijn auto betrokken geweest bij een dodelijk verkeersongeval. Dit laatste kan hem echter strafrechtelijk niet worden verweten.

Bij het bepalen van de straf wordt in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij niet eerder is veroordeeld.Gelet op de vrijspraak van het onder I en II ten laste gelegde, wordt de strafeis van de officier van justitie niet gevolgd.

Op voormeld feit zal de kantonrechter op grond van het voorgaande reageren met een voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete.

Tevens zal een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig worden opgelegd. De duur hiervan zal, beperkt worden tot de periode waarover verdachte zijn rijbewijs inmiddels ingenomen is geweest, omdat daarmee reeds een passende reactie zou zijn gegeven op de hem verweten gedraging.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikel 9 en 44 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 19 en 21 leden 1 en 4 van de Rijwet.

De kantonrechter acht, gelet op het bovenstaande, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

DE BESLISSING
De kantonrechter beslist als volgt:
– verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder I en II ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

– verklaart bewezen, dat de verdachte het onder III ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

– verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

– stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

– verklaart de verdachte strafbaar;

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 10 (TIEN) MAANDEN, voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaren.

Beveelt, dat deze voorwaardelijke opgelegde straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van SRD 1750 (een duizend zevenhonderd en vijftig Surinaamse Dollars), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) weken hechtenis.

ONTZEGGING RIJBEVOEGDHEID
Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 (TWAALF) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 11 van de Rijwet 1971 vóór het tijdstip waarop deze bijkomende straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest vanaf 16 februari 2014, op de duur van deze bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting gehouden op 9 FEBRUARI 2015

De Griffier,De Kantonrechter,
w.g. R.N.CHOTE-SEWARAM w.g.D.G.W.KARAMAT ALI

SRU-HvJ-1989-5

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 24 februari 1989
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en F.F.P. Truideman).

a. [verzoeker sub a], wonende aan [adres 1] te [district], en
b. [verzoeker sub b], wonende aan [adres 2] ([projekt]) te [district], advokaat Mr. G.H. GUNTHER,
verzoekers,

tegen

DE STAAT SURINAME (Ministerie van Arbeid), in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, en ter terechtzitting vertegenwoordigd wordende door advokaat Mr. Dr. C.D. OOFT,
verweerder.

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker sub a] en [verzoeker sub b], zich bij verzoekschrift tot het Hof hebben gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoekers de navolgende vordering wensen in te stellen tegen De Staat Suriname (Ministerie van Arbeid), in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te diens Parkette aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, verweerder;

2. dat verzoekers ingevolge art. 1 van de Personeelswet ambtenaren zijn, in dienst van de Staat Suriname, zijnde rechtspersoon;

3. dat verzoeker sub a. sinds de beschikking van 8 mei 1987 in funktie is als Stafambtenaar “B” 2de kl. tegen een maandsalaris van f. 1.159,– per maand en de pensioengrondslag bepaald op f. 13.905,– ;

terwijl verzoeker sub b. sinds de beschikking van juli 1987 in funktie is als Stafambtenaar “B” 2de kl. tegen een maandsalaris van f. 1.039,– per maand en de pensioengrondslag bepaald op f. 12.468,–;

4. dat verzoekers, eerder werkzaam bij de Vakschool voor Volwassenen (M.v.A.), ter beschikking werden gesteld van de Stichting Arbeidsmobilisatie en Ontwikkeling (opgericht 26 mei 1981 publ. A.B. 11-8-‘81 no. 64, onder vigeur van Decreet E-5 van 11 november 1980 voor onbepaalde tijd) per 1 januari 1982 en alstoen het salaris van verzoeker sub a. bedroeg f. 919,–; pens. grondslag f. 11.028,– en van verzoeker sub b. f. 797,– pens. grondslag f. 9.564,–;

5. dat toen door de Direkteur van Arbeid toegezegd werd, dat verzoekers in een nieuwe funktie en rang zouden dienen, overeenkomstig bevorderd en het loon ingepast in overeenstemming hiermede;

6. dat instede het toegezegde te realiseren, de Stichting (S.A.O.) aan verzoekers een overwerkvergoeding ging uitbetalen tot heden – terwijl er n.l. in het geheel niet werd overgewerkt – naderhand (1987) kwamen er enkele promoties die dan het gedane onrecht zouden moeten goedmaken;

7. dat een vergelijking van het verdiende salaris en de overwerkvergoeding met het salaris, over de dienstjaren, het volgende beeld vertoont (zie Bijlagen) – waaruit duidelijk blijkt dat salaris + overwerk, vormende een nieuw salaris niet tot uitdrukking komt in de gegeven beschikkingen en alzo verzoekers te kort zijn gedaan en deze genoemde beschikkingen nietig verklaard dienen te worden en rechtdoende vast te stellen de schalen waarin verzoekers dienen te worden ingepast;

8. dat bij herhaling, door verzoekers is geklaagd binnen de administratie t.w. bij Minister en Direkteur van het Ministerie van Arbeid, echter zonder gevolg – veel werd er gesproken en beloofd echter zonder resultaat;

9. dat verzoekers uit hoofde van het bovenstaande menen benadeeld te zijn doordat de pensioengrondslag op een aanmerkelijk lager bedrag zou komen te liggen;

10. dat de litigieuze beschikkingen in strijd zijn met de Wet en ten opzichte van verzoekers onredelijk, waarbij dient te worden opgemerkt dat zij tevens in strijd zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur -een ambtenaar kan niet ter beschikking gesteld worden van een semi-partikuliere rechtspersoon en gelden verkrijgen waarvoor hij niet werkt, eenvoudigweg om hem maar zoet te houden;

11. dat verzoekers op bovenomschreven gronden gerechtigd zijn Uw Hof als Ambtenarengerecht te adieren om hunne aanspraken verwezenlijkt te zien;

12. dat de zaak waarom het gaat kort en krachtig te stellen, bet Ministerie van Arbeid de ambtenaren uitgeleend heeft aan de Stichting (S.A.O.) en die hen nog wat loon heeft gegeven tot het bewaren van de vrede terwijl genoemd ministerie weigerachtig bleef de betrokken ambtenaren te bevorderen en zodoende een rechtmatig salaris toe te kennen zodat zij bij het verlaten van de Staatsdienst van een redelijk pensioen zouden kunnen genieten;

13. dat wij immers moeten aannemen dat de Staat Suriname bij een behoorlijk bestuur geen filantropische instelling is en zij aldus in het vollen bewustzijn verkeerde dat verzoekers te kort zijn gedaan en recht hebben op een salaris overeenkomstig hetgeen zij in de totaliteit hebben ontvangen en aldus diende het Ministerie van Arbeid betrokkenen in te passen in die rang en schaal, overeenkomstig het gegeven loon ten koste van de Staat hetgeen meerdere malen is toegezegd, doch nimmer gerealiseerd, terwijl de betrokken ambtenaren geen toestemming hadden werkzaamheden buiten hun dienstverband voor derden te verrichten;

14. dat het vaststellen van de bezoldiging meerdere malen zonder een beschikking is gebeurd en verwezen wordt naar de bezoldigingsstaat (S.A.O.), waarbij data worden gekorrigeerd enz., een totale indruk van slordigheid en onnauwkeurigheid makende;

Overwegende, dat verzoekers op deze gronden hebben verzocht;

a. dat rechtdoende in ambtenarenzaken, onder gebruikmaking van de in art. 79 der Personeelswet gegeven bevoegdheden de litigieuze beschikkingen t.w. betrekking hebbende op verzoeker sub a:
van 23 febr. 1981 ([nummer 1]); van 11 febr. 1983 ([nummer 2]); van 2 febr. 1987 ([nummer 3]); en van 8 mei 1987 ([nummer 4];
en wat verder moge blijken:

betrekking hebbende op verzoeker sub b:
van 18 febr. 1983 (Bur.[nummer 5]); 19 apr. 1986 ([nummer 6] van 19 febr. 1986 ([nummer 7]); en juli 1987 ([nummer 8])
en wat verder moge blijken;

zullen worden vernietigd dan wel nietig verklaard en voorts verweerder zal worden gelast om het nodige te verrichten ter bevordering van verzoekers in een zodanige rang, overeenkomende met het werkelijk genoten salaris in de schaal van dien rang en wel met ingang van zodanige tijdstippen, terugwerkende en voor de toekomst, als Uw Hove in goede justitie redelijk en billijk zal achten;

b. de bovenstaande vordering te doen realiseren onder oplegging van een dwangsom van f. 100,– per dag voor het of gedeeltelijk achterwege laten van het door Uw Hove in goede justitie bepaalde, met veroordeling van verweerder in de kosten van het geding;

Overwegende, dat weliswaar door de Staat Suriname een verweerschrift is ingediend, doch dit is niet binnen de bij de Wet gesteld, termijn geschied, weshalve het Hof daaraan zal voorbijgaan;

Overwegende, dat partijen verzoekers in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde advokaat Mr. G.H. Gunther, de heer [naam], gevolmachtigde van de Staat Suriname, Mr. Dr. C.D. Ooft gemachtigde van de Staat, ingevolge ‘s Hofs beschikking van 4 juli 1988 in Raadkamer zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte als hier geinsereerd te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de respektieve advokaten van partijen bij pleidooi de zaak nader hadden toegelicht en verdedigd, vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 10 februari 1989 doch nader heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoekers ambtenaren zijn in de zin van artikel 1 van de Personeelswet;

Overwegende, dat verzoekers vorderen dat het Hof;

A. zal vernietigen, althans nietig verklaren;

met betrekking tot verzoeker sub a:
– de beschikkingen van: 23 februari 1981 ([nummer 1]);
11 februari 1983 ([nummer 2] ); 2 februari 1987 ([nummer 3]); 8 mei 1987 ([nummer 4]) en wat verder moge blijken;

met betrekking tot verzoeker sub b:
– de beschikkingen van: 18 februari 1983 (Bur.[nummer 5]);
19 april 1986 ([nummer 6]); 19 februari 1986 ([nummer 7]);
juli 1987 ([nummer 8]) en wat verder moge blijken;

B. verweerder zal gelasten het nodige te verrichten ter bevordering van verzoekers in een zodanige rang, overeenkomende met het werkelijk genoten salaris in de schaal van die rang en wel met ingang van zodanige tijdstippen, terugwerkende en voor de toekomst, als het Hof in goede justitie redelijk en billijk zal achten;

– alles onder verbeurte van een dwangsom van f. 100,– per dag voor het geheel of gedeeltelijk achterwege laten van het door het Hof in goede justitie bepaalde;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat verzoekers in het onder A gevorderde, strekkende tot vernietiging althans nietigverklaring van de aldaar genoemde beschikkingen, niet kunnen worden ontvangen, aangezien die vordering pas op 13 april 1988 bij het Hof is ingediend, waardoor de termijn van Een maand als bedoeld in artikel 80, lid 1, sub b. van de Personeelswet ruimschoots is overschreden; de oudste beschikking waarvan vernietiging wordt gevraagd is van 23 februari 1981 en de jongste is van juli 1987:

dat het onder B gevorderde als een sequeel van het onder A gevorderde, hetzelfde lot ondergaat;

Overwegende, dat een onderzoek naar de juistheid van de aan de vorderingen van verzoekers ten grondslag gelegde feiten als niet langer relevant, dan ook geheel achterwege kan blijven;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen:

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

SRU-HvJ-1989-4

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 27 januari 1989
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en O.W. Abendanon).

[verzoeker], wonende te [district] aan [adres], advokaat Mr. A.R. BAARH,
verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, te zijnen kantore aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, advokaat Mr. H. MUNGRA,
verweerder.

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker wenst de volgende in te stellen tegen De Staat Suriname, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, te zijnen kantore aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, verzoeker.

2. Verzoeker is arbeidscontractant in de zin van artikel 1 van de Personeelswet.

3. Bij overeenkomst d.d. 2 juli 1986 A.K. [nummer 1] is verzoeker in dienst van verweerder getreden voor de vervulling van de functie van bewaker tegen het genot van een loon ten bedrage van f. 343,– per maand ingaande 1 september 1986 en eindigende op 28 februari 1987.

Een afschrift in fotocopie van vermelde beschikking, waarvan wordt verzocht de inhoud hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen, wordt hierbij overgelegd.

4. De overeenkomst tussen verzoeker en verweerder is na 28 februari 1987 zonder tegenspraak voortgezet voor een gelijke tijd en alzo eindigende op 31 augustus 1987.

Ook na laatst vermelde datum is de overeenkomst tussen verzoeker en verweerder zonder tegenspraak ingevolge artikel 1615 f Burgerlijk Wetboek voortgezet en geëindigd op 28 februari 1988. Indien geen tegenspraak volgt, zal de overeenkomst zich ook hierna op gelijke voet en tijd continueren.

5. Verweerder heeft evenwel geweigerd verzoeker het salaris over januari 1988, februari 1988 en maart 1988 uit te betalen, zonder opgaaf van redenen, zonder dat de overeenkomst is geëindigd terwijl verzoeker bereid was en is de bedongen arbeid te verrichten.

6. Verweerder handelt hierdoor jegens verzoeker in strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur.

7. Verzoeker lijdt door deze weigering van verweerder schade bestaande uit gederfde loon 3 x f. 343,– = f. 1.029,– en voorts vakantieverlof en vakantie uitkering over 1987 en 1988, alsmede de aan alle bewakers toegekende salarisverhoging per 1 juli 1987.

8. Ondanks herhaalde en dringende aanmaningen kan verzoeker geen betaling van verweerder verkrijgen.

9. Verzoeker is niet bij machte de kosten van deze procedure te betalen ten blijke waarvan hij hierbij overlegt een certificaat van onvermogen;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

a. dat hem zal worden toegestaan ten deze kosteloos te procederen;

b. dat bij vonnis verweerder zal worden veroordeeld om aan verzoeker tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van f. 1.029,–met de rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening en voorts vakantieverlof althans het equivalent daarvan in geld en vakantiegeld over 1987 en 1988, alsmede de aan alle bewakers per 1 juli 1987 toegekende salarisverhoging eveneens met de rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening, kosten rechtens;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker vervolgens een schriftelijke conclusie tot wijziging van het verzoekschrift heeft genomen in dier voege dat het petitum worde gelezen als volgt:

a. dat hem zal worden toegestaan ten deze kosteloos te procederen;

b. dat bij vonnis verweerder zal worden veroordeeld om aan verzoeker tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

1. De som van f. 1.029,– met rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening.

2. Vakantieverlof althans het equivalent daarvan in geld en vakantiegeld over 1987, alsmede de aan alle bewakers per 1 juli 1987 toegekende salarisverhoging met de rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening:

3. De som van f. 343,– per maand met emolumenten met ingang van 1 april 1988 totdat de dienstbetrekking tussen partijen volgens de wet is beëindigd, eveneens met de rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

Overwegende, dat de Staat Suriname binnen de bij de Wet gestelde termijn een verweerschrift heeft ingediend, waarin als verweer wordt aangevoerd:

1. dat verweerder al hetgeen in het verzoekschrift door verzoeker is gesteld, voor zoveel hieronder niet erkend, ten stelligste ontkent, met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn erkentenis en onder aanbod van bewijs van al zijn weren, voor zoveel op hem enige bewijslast mag rusten, onder protest tegen zijn gehoudenheid daartoe;

2. dat verweerder erkent het sub 2 en 3 in het verzoekschrift gestelde;

3. dat verweerder erkent dat de overeenkomst na 28 februari 1987 is voortgezet en alzo op 31 augustus 1987 is geëindigd;

4. dat na 31 augustus 1987 de overeenkomst stilzwijgend werd voortgezet van maand op maand;

5. dat evenwel wegens door verzoeker gepleegde plichtsverzuim bij schrijven d.d. 1 augustus 1987 [nummer 2] aan verzoeker per 31 oktober 1987 het dienstverband werd opgezegd en aldus beëindigd wordende een afschrift van bedoeld schrijven hierbij overgelegd en verzocht zulks als hierin herhaald en geinsereerd te beschouwen;

6. dat verzoeker namelijk verscheidene malen schriftelijk wegens plichtsverzuim in gebreke werd gesteld o.a. bij schrijven d.d. 26 mei 1987, 1 juni 1987, 17 juni 1987 en 16 juli 1987, waarbij hij telkens in de gelegenheid werd gesteld, zich te verweren, doch verzoeker ingebreke is gebleven op voormelde gepleegde plichtsverzuim verweer te voeren, wordende bij deze afschriften van vorenbedoelde ingebreke stelling wegens plichtsverzuim overgelegd en verzocht zulks als hierin herhaald en geinsereerd te beschouwen;

7. dat namelijk tijdens de diensttijd van verzoeker als wachter er veelvuldig diefstallen plaats vonden van o.a. sigaretten uit de kantine en shutters van de lokalen alwaar hij wacht hield. De verzoeker verliet geregeld vroegtijdig de dienst (wacht) en had de gewoonte in het wachtlokaal bij de poort zijn bedje te spreiden en rustig te slapen;

8. dat aan verweerder meerdere keren de kans werd gegeven zijn gedrag te verbeteren en werd hij te dien einde overgeplaatst van het Natin M.B.O. naar de Eenvoudige Technische School.

Er trad evenwel geen verbetering in het gedrag van verzoeker, verzoeker bleef de dienst vroegtijdig verlaten en hij heeft dit ook bekend bij onderzoek van herhaalde inbraken welke tijdens zijn diensttijd plaatsvonden.

Tot overmaat van wangedrag is gebleken dat verzoeker tijdens activiteiten in het N.I.S. zich bezig hield met het tegen betaling stallen van auto’s op het schoolerf en liet hij toe dat onbevoegden het afgesloten terrein betraden;

9. dat vanwege voormelde gedrag het onverantwoord was verzoeker langer in dienst te handhaven, te meer waar hij in gebreke bleef zich te verweren na in gebreke stellingen;

10. dat door een ambtelijke omissie het salaris van de verzoeker is doorbetaald tot ultimo december 1987;

11. dat verweerder op grond van het voorgaande terecht heeft geweigerd aan verzoeker het salaris over januari 1988 en volgende maanden uit te betalen;

12. dat, gelet op het voortdurend wangedrag en plichtverzuim van verzoeker, de verweerder redelijkerwijs niet gehouden is de arbeidsovereenkomst met verzoeker voort te zetten na de opzegging per 31 oktober 1987 als voorschreven;

13. dat verweerder danook niet gehandeld heeft jegens verzoeker in strijd met enig in het algemeen rechts bewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

14. dat toch uit de ingebreke stellingen duidelijk blijkt dat verzoeker onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid biedt en onbekwaam is om zijn taak als wachter uit te oefenen, hetgeen voldoende redenen tot de ontslagverlening geeft (art. 69 sub c en d P.W.);

15. dat verzoeker geen aanspraak maakt op het gevorderde vakantieverlof en vakantie-uitkering over 1987 en 1988, noch over salarisverhoging per 1 juli 1987, nu zijn plichtsverzuim van dien aard is geweest dat hij op deze vorderingen geen aanspraak kon maken, bovendien zijn deze vorderingen onvoldoende omschreven noch gekapitaliseerd en derhalve niet-ontvankelijk;

16. dat de vorderingen van verzoeker danook ongegrond zijn en dienen te worden ontzegd, althans dient verzoeker daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker in zijn verzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat zulks aan hem zal worden ontzegd, als zijnde ongegrond en onbewezen en met verzoek – zo nodig – tot toelating van het aangeboden bewijs, kosten rechtens;

Overwegende, dat partijen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn raadsman Mr. A.R. Baarh en verweerder ten deze vertegenwoordigd door de heren Mr. Codrington en de heer [naam] bijgestaan door de raadsman van verweerder Mr. H. Mungra, zijn ingevolge ’s Hofs beschikking van 18 mei 1988 in Raadkamer verschenen en hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen vervolgens bij pleidooi de zaak nader hebben toegelicht en verdedigd waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk werd bepaald op 13 januari 1989, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat aan verzoeker akte zal worden verleend van de wijziging van het petitum gelijk verzocht, hebbende verweerder zich daartegen niet verzet en zijnde hij evenmin in zijn verweer geschaad;

Overwegende voorts, dat aan verzoeker zal worden gegund kosteloos te procederen;

Overwegende, dat verzoeker is landsdienaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet;

Overwegende, dat verzoeker vordert – voorzover van belang – veroordeling van verweerder aan hem – verzoeker tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

1. de som van f. 1.029,– (loon over januari tot en met maart 1987) met de rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag der rechtsingang tot aan die der voldoening;

2. vakantieverlof althans het equivalent daarvan in geld en vakantiegeld over 1987, alsmede de aan alle bewakers per 1 juli 1987 toegekende salarisverhoging met de rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

3. de som van f. 343,– per maand met emolumenten met ingang van 1 april 1988, totdat de dienstbetrekking tussen partijen volgens de Wet is beëindigd, eveneens met rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot die der algehele voldoening;

Overwegende, dat verzoeker zich terecht erop beroept, dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst gedaan bij schrijven van 1 augustus 1987 per 1 oktober 1987 elk rechtsgevolg ontbeert, omdat de persoon van [naam], Hoofd Schoonmaak en Bewaking op het Ministerie van Onderwijs, Wetenschappen en Cultuur, niet behoort tot het bevoegde gezag, dat ten aanzien van een landsdienaar een besluit als in bedoeld schrijven vervat kan nemen;

Overwegende, dat de opzegging als in strijd met de wet nietig is, zodat de dienstbetrekking is blijven voortduren, zullende het Hof, hoewel niet expressis verbis is gevorderd – verstaan dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst als voormeld nietig is;

Overwegende, dat een onderzoek naar de juistheid c.q. onjuistheid van de ontslagreden dan ook geheel achterwege kan blijven, nu verzoeker zijn bereidheid tot het verrichten van de bedongen arbeid heeft getoond, doch verweerder door eigen schuld daar geen gebruik van wenst te maken, blijft verweerder aan verzoeker zijn loon verschuldigd;

Overwegende, dat ook de in artikel 8 van de Arbeidsovereenkomst vermelde aanspraak op vakantieverlof en vakantie-uitkering, blijft verzoeker behouden;

Overwegende, dat als niet weersproken vaststaat, dat verzoeker tot en met ultimo december 1987 salaris uitgekeerd gekregen heeft, hebbende verweerder zich naar ‘s Hoven oordeel ten onrechte beroepen op een “ambtelijke omissie”, terwijl uitbetaling van het vakantiegeld over 1987 achterwege is gebleven;

Overwegende, dat verzoekers vorderingen in voege als na te melden dienen te worden toegewezen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

I. Verleent verzoeker akte van de wijziging van het petitum van zijn verzoekschrift in voege als voormeld;

II. Verleent verzoeker voorts vergunning ten deze kosteloos te procederen;

III. Verstaat:

a) dat de aan verzoeker gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst bij brief van het Hoofd Schoonmaak en Bewaking van het Ministerie van Onderwijs, Wetenschappen en Cultuur bij schrijven van 1 augustus 1987 [nummer 3] en wel per 31 oktober 1987, nietig is;

b) dat het salaris van verzoeker door verweerder over de periode november en december 1987 terecht is uitbetaald;

IV. Veroordeelt verweerder om tegen behoorlijke kwijting aan verzoeker te betalen:

– het vakantiegeld over het jaar 1987, gelijk aan 96% van her bruto maandinkomen;

– het per 1 januari 1988 en de daaropvolgende maanden verschuldigde maandsalaris, inclusief de aan verzoeker per 1 juli 1987 toegekende verhoging, vermeerderd met de daaraan verbonden emolumenten met de wettelijke interessen daarover ad 6% per jaar, ingaande 6 april 1988;

Wijst af het meer of anders gevorderde.