SRU-HvJ-1999-40

M.R.S.
GENERALE ROL NUMMER:13554.

[appellant], wonende te [district 1] aan [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.E.STRUIKEN, advokaat,
appellant in conventie en in reconventie,

tegen

A. [geïntimeerde 1], wonende aan [adres 2] te [plaats 1], Nederland;
B. [geïntimeerde 2], wonende aan [adres 3], te [district 1];
C. [geïntimeerde 3], wonende aan [adres 4], [ plaats 2], Nederland;
D. [geïntimeerde 4], echtgenote van [naam 1];
E. [geïntimeerde 5], echtgenoot van [naam 2] en in zijn hoedanigheid als mede-executeur-testamentair van de nalatenschap van [naam 3];
F. [geintimeerde 6], sub D t/m F wonende aan [adres 5] in [distrikt 2], door wie tot hun aller gemachtigde was gesteld, Mr.P.E BEMMEL, die thans vervangen wordt door Mr.S.MAN­GROELAL advokaat,
geintimeerden in conventie en in reconventie,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien s’Hofs interlocutoire vonnissen van respec­tievelijk 4 oktober 1996, 20 juni 1997 en 16 oktober 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voort­s;

Overwegende, dat appellant in de enquête één g­etuige heeft doen horen, die heeft verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschou­wen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant hierna een – hier als geïnsereerd aan te merken – schriftelijke conclusie onder overlegging van produk­ties heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van geïntimeerde vervolgens een – eveneens hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusie tot uitlating produk­ties heeft genomen;

Overwegende, dat partijen tenslotte vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 18 juni 1999, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

in conventie:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussen­von­nis van 16 oktober 1998 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat het Hof de vraag of appellant het van hem verlangde bewijs geleverd heeft, bevestigend beantwoordt, blijkende dat bewijs, hetwelk bij gebreke van contra-enquête niet is ontzenuwd en weerlegd, uit:

– de verklaring van de ter terechtzitting van 18 december 1998 gehoorde [getuige 1];

– het proces-verbaal van valétudinaire getuigenver­hoor de dato 13 juni 1989, houdende verklaring van de alstoen als getuige gehoorde [getuige 2] in de zaak bekend onder G.R. nummer 12958;

– het proces-verbaal, houdende nadere verklaring van de [getuige 2], waarbij genoemde [getuige 2] zijn op 13 juni 1989 bij wege van valétudinaire enquête afge­legde verklaring in de zaak, bekend onder G.R.num­mer 12958, heeft gehandhaafd; beide processen-verbaal zijdens appel­lant bij daartoe strekkende con­clusie de dato 8 januari 1999 overge­legd;

– de figuratieve kaart de dato 13 april 1989 van de landme­ter in Suriname G.R.Liesdek door appellant in prima in het geding gebracht, alles in onderling ver­band en samenhang be­schouwd;

Overwegende, dat aan de waardering door het Hof van het zijdens appellant bijgebrachte bewijs geen afbreuk wordt gedaan door het zijdens geintimeerden in het 2e ”sustenu” onder a van de conclusie na gehouden enquête c.q. uitlating produktie de dato 23 april 1999 gestelde nu, naar zowel uit de verklaring van [getuige 1] als uit de verklaring van [getuige 2] blijkt, de testatrice op een daartoe strekkende vraag van eerstge­noemde getuige in zijn hoedanigheid van notaris daar als antwoord opgaf; met de grond erbij c.q. er omheen;

Overwegende, dat het Hof ten aanzien van het zijdens geintimeerden in het 2e ”sustenu” onder B 2e alinea van de conclusie nagehouden enquête c.q. uitla­ting produktie de dato 23 april 1999 gestelde opmerkt, dat, naar uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] in onderling verband en samen­hang beschouwd blijkt en die als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinse­reerd worden aangemerkt, landmeter G.R.Lies­dek bij de bespreking op het terrein aan [adres 6] ook aanwezig was toen de testatrice opmerkte dat ook het stuk grond er om heen bij hoort en dat de omstandigheid dat de kaart van landmeter Liesdek na het overlijden in ieder geval niet met toestemming en ook niet met mede­weten dan wel in opdracht van de testatri­ce werd ver­vaar­digd, gein­timeerden niet vermag te baten nu die vervaardig­de kaart in wezen een weergave inhoudt van wat de testatrice omtrent het stuk land had opgemerkt mede in aanwe­zigheid van landmeter Liesdek aan [adres 6] en dat de omstandig­heid dat de kaart na de dood van de testatrice is ver­vaardigd het Hof voor­komt als te zijn niet relevant;

Overwegende, dat het Hof dan ook als tussen par­tijen rechtens vast­staand aan­neemt dat aan appellant gelegateerd is het gebouw [numer 1] aan [adres 6] vol­gens de bedoe­ling van de testatrice [naam 1], weduwe van [naam 4], mede omvat de grond vlak daar om heen, welke grond blijkens de kaart van de landmeter G.R.Liesdek de dato 13 april 1989 groot is 99,17 m², aangeduid wordt met de let­ters AIHG en deel uit maakt van de samengevoegde erven bekend als [erf 1] en [erf 2];

Overwegende, dat het Hof de mede gevorderde ver­oordeling van geintimeerden tot betaling aan appellant van het bedrag van (133 x Sf 148,66 is) Sf.19.771,78 zijnde gederfde huur sinds juli 1981 niet zal toewijzen nu appellant, door dat het hem gelegateerde niet is overgedragen en hij daar mitsdien geen eigenaar van is en daarom ook geen verhuurder daarvan, geen recht heeft op betaling der verschuldigde huurpenningen door de huurder bekend als Minigarencentrum, ten bedrage van Sf.148,66 per maand;

Overwegende, dat appellant evenmin toekomt vergoe­ding van de vast te stellen schade veroorzaakt door het verschil in kosten van verbouwing tussen 1979 tot de dag van inschrijving van de akte afgifte legaat terza­ke, nader op te maken bij staat en te vereffenen vol­gens de Wet;

Overwegende immers, dat de artikelen 493 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waar appellant voor­meld gevorderde op baseert, slechts toepassing vinden bij een veroordeling tot schadever­goeding, hetzij uit hoofde van niet-nakoming van een overeenkomst, hetzij uit anderen hoofde;

Overwegende, dat appellant naar het Hof gebleken is, daaromtrent niets heeft gesteld en derhalve niet aan zijn stelplicht heeft voldaan weshalve toewijzing van het door hem gevorderde eveneens achterwege dient te blijven;

Overwegende, dat het onder III b van het petitum gevor­derde niet kan worden toegewezen omdat appellant, naar eerder overwogen, geen althans nog geen rechtheb­bende is op het hem gelegateerde en daarom niet is verhuurder van het pand [adres 6] en derhalve ook geen huur kan derven vanaf de maand sep­tember 1992;

Overwegende, dat het Hof ten aanzien van de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven, vervat in de pleitnota de dato 19 januari 1996, van oordeel is dat, nu zulks hem geheel overbodig is voorgekomen hij be­spreking van die grieven in het midden heeft gelaten;

Overwegende, dat het Hof het beroepen vonnis dan ook zal vernietigen, het bij verzoekschrift onder II gevorderde alsnog toewijzen en het onder III a en III b gevorderde afwijzen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

in conventie:

Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 26 juli 1994 tussen partijen gewezen waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Veroordeelt geintimeerden sub a, b, c, d, e en f binnen Een maand na betekening van dit vonnis aan appellant te leve­ren middels overschrijving van de akte, dit is het stuk dat de titel van eigendomsover­gang inhoudt, en een afschrift van de notarië­le akte waarbij appellant het legaat aanvaardt, het per­ceelland groot 99,17 m², met daarop staand gebouw, aange­duid met de letters AIHG, gelegen te [district 1] aan [adres 6] en deeluitmakende van de samenge­voegde erven bekend als [erf 1] en [erf 2] op de kaart van de landmeter G.R.Lies­dek de dato 13 april 1989; met bepaling dat geintimeer­den voor elke dag dat zij hiermede ingebreke blijven ten titel van dwangsom aan appellant zullen verbeuren het bedrag van Sf.1000,– per dag;

Veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep tot 2/3 deel van de kosten aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot op Sf.2334,–;

Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van sf.3500,–;­

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appel­lant eveneens op sf.3500,–.

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-Presi­dent, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Vice-President uitge­sproken ter open­bare te­recht­zitting van het Hof van Justitie, van VRIJ­DAG, 9 JULI 1999, in tegenwoor­digheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Grif­fier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve ge­mach­tigden, advokaten Mr.H.E.STRUIKEN en Mr.S.MAN­GROE­LAL, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting versche­nen.

SRU-HvJ-1999-39

M.R.S.
GENERALE ROL NO.14015.

[appellant], wonende in Nederland te [plaats 1], voor wie als gemach­tigde optrad Mr.K.BAL­DEW, die thans vervangen wordt door M­r.F.M.S.ISHAAK, advokaat,
appellant,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [plaats 2] aan de [adres] te [plaats 2], voor wie als gemach­tigde op­treedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advo­kaat,
geïntimeerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 8 januari 1999 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voor­meld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke con­clusies tot uitla­ting over het doorlopend proces-verbaal afkom­stig van de Griffier der Kantongerechten hebben geno­men;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had be­paald op 9 april 1999, doch na enige malen te hebben aangehou­den, nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT :

Overwegende, dat het Hof overneemt en volhardt bij het­geen in zijn tussenvonnis van 8 januari 1999 is overwogen en beslist;

Overwegende, dat de Griffier der Kantongerechten, ter uitvoering van voormeld tussenvonnis, het audien­tieblad van de openbare terechtzitting van het Kanton­gerecht in het Eerste Kanton van dinsdag, 22 juli 1997, aan het Hof heeft doen toekomen;

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg het volgende blijkt:

– geïntimeerde, heeft als eiseres een zogeheten zwarighedenprocedure tegen appellant, aanhangig gemaakt;

– de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft in deze procedure op 22 juli 1997 vonnis uitgesproken;

– op 9 januari 1998 heeft advokaat Mr.F.M.S.Ishaak namens [geïntimeerde] hoger beroep tegen voormeld vonnis ingesteld;

Overwegende, dat als door geintimeerde gesteld en door appellant erkend vaststaat dat laatstgenoemde op 22 juli 1997 in persoon bij de uitspraak van het vonnis tegenwoordig was;

Overwegende, dat uit het vorenoverwogene volgt dat gein­timeerde zich er terecht op heeft beroepen dat het hoger beroep te laat is ingesteld;

Overwegende, dat appellant zich, zakelijk weerge­geven, erop heeft beroepen pas op 9 januari 1998 hoger beroep te hebben ingesteld, omdat bij de uitspraak aan hem is medege­deeld dat aan hem wordt toebedeeld het pand aan de Steenbak­kerijstraat en aan geintimeerde wordt toebedeeld een pand aan de Tweekinderenweg en dat geintimeerde aan hem wegens overbe­deling f.10.000.000,– zou moeten betalen, terwijl volgens het aan hem ver­strekte afschrift van het vonnis, voor zoveel hier van belang, aan hem dient te worden toebedeeld het pand aan de Steenbakkerijstraat en aan geintimeerde het pand aan de Twee­kinderenweg, terwijl aan geintimeerde wegens overbedeling moet worden uitgekeerd f.20.373.379,–;

Overwegende, dat door geintimeerde niet is betwist en derhalve vaststaat dat aan appellant een afschrift van het vonnis is verstrekt, luidende zoals door appel­lant is gesteld

Overwegende, dat uit het afschrift van het vonnis van 22 juli 1997, dat ingevolge het bepaalde in artikel 276 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door de griffier der Kantongerechten naar het Hof is verzonden, dan blijkt dat dit afschrift, op het stuk van de toebedeling van bovenvermelde panden en de uitkering wegens overbedeling, gelijkluidend is aan het afschrift dat aan appellant is verstrekt;

Overwegende, dat, waar het tegendeel niet is beweerd, het ervoor wordt gehouden dat aan geintimeerde een afschrift van het vonnis van 22 juli 1997 is ver­strekt met eenzelfde inhoud als dat welk aan het Hof is toegezonden;

Overwegende, dat op het stuk van de toebedeling van bovenvermelde panden en de uitkering wegens overbe­deling dus geen verschil bestaat tussen de aan partijen verstrekte af­schriften of tussen een of meer van die afschriften en het aan het Hof toegezonden afschrift;

Overwegende, dat er van uit moet worden gegaan dat het vonnis op de terechtzitting is uitgesproken over­eenkomstig het aan partijen toegezonden afschrift en dat tegen dit afschrift geen bewijs is toegelaten;

Overwegende, dat derhalve verder voorbij kan worden gegaan aan de stelling van appellant, kort gezegd inhoudende dat als vonnis iets anders is uitge­sproken dan in het afschrift staat;

Overwegende ten overvloede, dat meerbedoelde stelling van appellant bovendien geen steun vindt in bovengenoemd audien­tieblad;

Overwegende, dat appellant derhalve niet ontvanke­lijk dient te worden verklaard in het hoger beroep;

Overwegende, dat appellant als de in het ongelijk gestel­de partij in de proceskosten zal worden verwezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellant niet ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep;

Veroordeelt hem in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f………..;

met inbegrip van het door het Hof aan haar advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.750,–;

bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appel­lant op f.1500,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, Funge­rend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openba­re terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 2 JULI 1999, in tegen­woordigheid van M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Grif­fier.

w.g. M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.E.S.OMBRE

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtig­de, advokaat Mr.F.M.S.Ishaak en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.E.Struiken namens haar gemachtigde, advo­kaat Mr.F.F.P.Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzit­ting verschenen.

 

SRU-HvJ-1999-38

M.R.S.
A – 404.

[Verzoeker], Agent van Politie 2e klasse in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze domi­cilie kiezen­de te Paramaribo aan de Grote Combe­weg no.25-27, ten kantore van Mr.F.F.P.TRUI­DEMAN, advokaat,
ver­zoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suri­name kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Graven­straat no. 3, voor wie als gemach­tigde op­treedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat,
verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [Verzoeker] zich bij verzoek­schrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoeker de navolgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen de STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suri­name zetelend te harer Parkette aan de Graven­straat no. 3, verweerder;

2. dat verzoeker sedert september 1980 ambtenaar is in de zin van de Personeelswet en thans dient in de rang van Agent van Politie 2e klasse, zodat gesteld kan worden dat de Perso­neelswet in volle omvang op hem van toepassing is;

3. dat op of omstreeks juli 1992 verzoeker in de veronder­stelling dat een familielid van hem conform afspraak geld op zijn rekening had overgemaakt, een aantal cheques aan derden ter betaling heeft afgegeven, welke cheques vanwege onvoldoen­de saldo niet te gelde konden worden gemaakt;

4. dat verzoeker, na door de Korps leiding te zijn ontwa­pend, op 19 januari 1993 is ingesloten;

5. dat bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 22 februari 1993 K.A.No. 169 verzoeker in afwach­ting van de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek t.r.v. 19 januari 1993 in zijn ambt werd geschorst.

Ingesloten treft U aan de kopie van deze beschikking, met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

6. dat de verzoeker op 26 maart 1993 door het Openbaar Ministerie in vrijheid werd gesteld en werd de strafzaak daarna onherroepelijk geseponeerd;

7. dat verzoeker na het beeindigen van het strafrechtelijk onderzoek terzake, meermalen contact heeft opgenomen met de leiding van het Korps Politie Suriname teneinde zijn werkzaam­heden te hervatten.

Echter werd hij hiertoe niet in de gelegenheid gesteld;

8. dat na de officiële beëindiging van het strafrechtelijk onderzoek in maart 1993 er zijdens verweerder i.c. het Minis­terie van Justitie en Politie geen enkele tuchtrechtelijke maatregel tegen verzoeker is getroffen, zodat de verzoeker ingevolge artikel 67 lid 3 van de Personeelswet alsnog aan­spraak maakt op zijn salaris;

9. dat verzoeker ettelijke malen en wel middels brieven gedateerd 20 januari 1997, 3 april 1997 en 4 augustus 1997 verweerder gevraagd heeft wanneer hij zijn werkzaamheden kan hervatten.

Ingesloten treft U kopieën aan van bedoelde brieven, met het verzoek de inhoud van deze brieven als hier ingelast en gein­sereerd te willen beschouwen;

10. dat verweerder op geen enkele wijze gereageerd heeft op voormelde brieven, en verzoeker zijn werkzaamheden nog steeds niet heeft kunnen aanvangen;

11. dat nu verweerder in alle talen zwijgt over de hervatting van de werkzaamheden van verzoeker en voorts vanaf 1993 heeft nagelaten tuchtrechtelijke maatregelen jegens verzoeker te treffen, zij zulks in alle redelijkheid en billijkheid niet meer kan treffen;

12. dat gelet op het beginsel van rechtszekerheid verzoeker het recht heeft van verweerder te eisen om die handelingen te verrichten zodat hij zijn werkzaamheden kan hervatten en zijn salaris vanaf maart 1993 aan de verzoeker wordt uitbetaald;

13. dat verzoeker in zijn rechten als ambtenaar ernstig te kort is gedaan door verweerder en derhalve het recht heeft zich tot het Hof te wenden teneinde genoegdoening te bekomen;

14. dat verzoeker het Hof moge verzoeken om de inhoud van de overgelegde produkties als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen en voorts aantekent dat hij – verzoeker – overeenkomstig artikel 80 lid 2 onder c van de Personeelswet tijdig bij het Hof in beroep is gekomen;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevor­derd:

dat bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de verweerder zal worden gelast om ter uitvoering van de terzake geldende bepalingen van de Personeelswet namelijk artikel 67 lid 3 die handelingen te verrichten zodat verzoeker zijn werkzaamheden kan hervatten in de rang van Agent van Politie 2e klasse met betaling van zijn salaris aan die rang verbonden vanaf maart 1993 alles onder verbeurte van een dwangsom van Sf.100.000,– (EENHONDERDDUIZEND GULDEN) voor iedere dag waarop verweerder nalatig blijft gevolg te geven aan de uitvoering van het vonnis, kosten rechtens;

Overwegende, dat van De Staat Suriname binnen de wette­lijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aange­voerd:

1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet letterlijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn aveu onder aanbod van bewijs conform recht en wet.

2. Verzoeker heeft zich aan ernstige strafbare feiten schul­dig gemaakt zoals oplichting hetgeen blijkt uit het resultaat van een tegen verzoeker ingesteld politieel onderzoek en vervat in het daarvan opgemaakte dossier dragende het nummer 13/93 O.P.Z.

Het Openbaar Ministerie heeft in de onderhavige zaak afgezien van strafrechtelijke vervolging en het bevoegde gezag via de korpsleiding geadviseerd verzoeker tuchtrechtelijk te corrige­ren. Zowel de korpschef als het Overleg Orgaan (politiezaken) hebben geadviseerd verzoeker te ontslaan.

Het ontslag is niet gevolgd door een administratieve omissie.

3. Nadat verzoeker op 26 maart 1993 in vrijheid was gesteld en nadat de aan verzoeker bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 22 februari 1993 K.A. no.169 opgeleg­de schorsing ingevolge artikel 68 derde lid sub a, b of c van de Personeelswet was geëindigd, heeft verzoeker zich niet voor dienst hervatting aangemeld zoals van een getrouw ambtenaar mocht worden verwacht.

4. Verzoeker heeft op zijn brieven d.d. 20 januari 1997, 3 april 1997 en 4 augustus 1997 geen antwoord ontvangen van het bevoegde gezag, vide 9e en 10e sustenu van het inleidend verzoekschrift, zodat op hem van toepassing is het gestelde in artikel 78 lid 2 sub b van de Personeelswet. Hier doet zich voor het geval van stilzwijgende weigering. Verzoeker was dus gehouden binnen 1 maand na de termijn genoemd in artikel 78 lid 2 sub b P.W. een vordering in te stellen bij de ambtena­renrechter. Door zulks na te laten, is verzoeker niet ontvan­kelijk in zijn vordering.

5. Het salaris van verzoeker is geblokkeerd althans wordt verzoeker geen salaris betaald vanaf de beëindiging van zijn schorsing althans vanaf een aan verzoeker bekende datum, aangezien mag worden aangenomen dat verzoeker een salarisslip ontvangen heeft van de laatste loonbetaling althans anderszins op de hoogte is van de stopzetting van zijn salaris.

Verzoeker diende dan binnen 1 maand na de stopzetting van de betaling van zijn salaris op grond van artikel 80 lid 1 sub b een vordering bij het Hof te hebben ingediend om tot daadwer­kelijke betaling van het salaris over te gaan. Nu hij dat niet heeft gedaan, is hij evenmin ontvankelijk in zijn vordering (voor zover betreft betaling van het salaris).

6. Hoewel geen tuchtrechtelijke maatregelen tegen verzoeker zijn genomen zoals eerder is aangegeven, zijn de door verzoe­ker gepleegde feiten van zodanig ernstige aard dat herhaling niet is uitgesloten. Bovendien zal handhaving van verzoeker bij het Korps Politie Suriname ernstige negatieve precedenten scheppen die de persoonlijke eerlijkheid die van een politie­man wordt verwacht, ernstig zal ondermijnen.

7. Verzoeker is voorts niet ontvankelijk in zijn verzoek om zijn werkzaamheden te (mogen) hervatten omdat zulks niet voorkomt in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 2.

Verweerder verzoekt Uw Hof alle door hem aangehaalde en over­gelegde bescheiden, hier als letterlijk herhaald en geinse­reerd te beschouwen;

Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft gecon­clu­deerd:

dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans hem deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewe­zen;

Overwegende, dat ingevolge s’Hofs beschikking van 22 oktober 1998 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, verzoeker in persoon, advokaat Mr.F.F.P.Truideman, gemachtigde van ver­zoeker, in Raadkamer zijn versche­nen en hebben ver­klaard gelijk in het daarvan opge­maakte – hier als ingelast te be­schou­wen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hadden toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker bij pleitnota produkties overgelegd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvan­kelijk had be­paald op 9 april 1999, doch na enige malen te hebben aangehouden nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans als niet danwel niet voldoende gemotiveerd weerspro­ken, het navolgende – inzoverre hier van belang – rechtens tussen partijen vaststaat:

1. dat de verzoeker ambtenaar is in de zin van de Perso­neelswet (P.W.) en wel ambtenaar van politie in de rang van agent van politie 2e klasse;

2. dat aan verzoeker vanaf maart 1993 geen salaris wordt uitbetaald, zonder dat er een daartoe strekkende tuchtmaatre­gel tegen hem genomen is;

3. dat uit de overgelegde bescheiden blijkt dat verzoeker herhaalde malen bij de verweerder erop aangedrongen heeft hem in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden te hervatten en hem zijn salaris te voldoen, laatstelijk bij schrijven van diens raadsman d.d. 8 juni 1998, waarop door de korpsleiding bij schrijven van 27 juli 1998 is gereageerd en wel in afwij­zende zin;

Overwegende, dat de verzoeker aanspraak op betaling van zijn salaris vanaf de maand maart 1993 maakt, omdat het niet aan hem gelegen heeft dat hij zijn werkzaamheden niet heeft kunnen aanvangen en dat hem door de verweerder ten onrechte het salaris maandelijks niet uitbetaald is, waardoor het beroep van de verweerder dat de verzoeker tardief is met zijn vorde­ring faalt, als zijnde dat beroep in strijd met de goede trouw die de rechtsverhouding tussen partijen beheerst;

Overwegende, dat in zoverre de vordering van verzoeker de diensthervatting betreft het Hof ingevolge het bepaalde in artikel 79 P.W. niet bevoegd is daarvan kennis te nemen;

Overwegende, dat het bovenoverwogene met zich meebrengt dat beslist zal worden als na te melden;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart zich onbevoegd van de vordering van verzoeker tot diensthervatting kennis te nemen;

Veroordeelt de verweerder, de Staat Suriname, om vanaf de maand maart 1993 tot aan de beëindiging van ambtenaarsverhou­ding met de verzoeker aan deze tegen behoorlijk bewijs van kwijting het hem toekomende salaris als agent van politie 2e klasse uit te betalen en daartoe alle nodige maatregelen te treffen;

Bepaalt als dwangsom de som van sf.100.000,–(eenhonderd duizend gulden) voor iedere dag, door de verweerder aan de verzoeker te betalen, indien binnen twee maanden na de uit­spraak aan voormelde veroordeling niet wordt voldaan;

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM-PANDAY, funge­rend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH, en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 2 JULI 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.S.GANGARAM PANDAY

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advo­kaat

Mr.F.M.S.­ISHAAK namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN en ver­weerder vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.T.GANGARAM-PANDAY namens zijn gemach­tigde, advokaat Mr.A.R.BAARH, zijn bij de uitspraak ter terechtzit­ting ver­schenen.

SRU-HvJ-1999-37

M.R.S.
A – 403.

[Verzoeker], wonende aan de [Adres 1] in het [district 1], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Wagenwegstraat no. 41 beneden, ten kantore van Mr.A.R.BAAR­H, advokaat,
verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het MINISTERIE VAN FINANCIËN, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suri­name kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, voor wie als gemach­tigde op­treedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,
verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [Verzoeker] zich bij verzoek­schrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker is ambtenaar in de zin van de Personeelswet en wel Kommies 3e klasse in vaste dienst bij de Inspektie der Invoerrechten en Accijnzen van het Ministerie van Financiën.

2. Bij beschikking van de Minister van Financiën van 17 juni 1998 La BP/O no. 1347 is verzoeker de tuchtstraf van schorsing opgelegd voor de duur van 14 dagen te rekenen van 25 juni tot en met 08 juli 1998 onder inhouding van alle staatsinkomsten.

3. Aan deze schorsing heeft de Minister voornoemd ten grond­slag gelegd dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim hierin bestaande dat hij op donderdag 26 maart 1998 in gebreke is gebleven een 20 feet container, die als ”leeg” bij de uitgangspoort werd aangegeven met het no.TRLU200857 inhoudende 650 dozen elk 24 fl. met een inhoud van 33 cl (330 ml) en 885 dozen inhoudende elk 24 fl. van 25 cl (250 ml) Heiniken bier en nog een grote partij aan Heiniken reclame materiaal zoals: asbakken, petten, ’t-shirts, bardoekjes, dienbladen, slingers, stockers etc. te controleren.

4. Verzoeker wenst tegen voormeld verwijt aan te voeren dat hij op voormelde dag en datum de normale controle werkzaamhe­den heeft verricht m.b.t. goederen (containers) en auto’s die de Haven via de poort Noord hebben verlaten. De controle hield en houdt ondermeer in dat indien goederen c.q. containers de haven verlaten, de betrokkene aan verzoeker ter controle moet afgeven: het enig document, het volgbriefje en doorlaatformu­lieren. Na de nodige plichtplegingen worden de bescheiden aan betrokkene terug gegeven met uitzondering van het volgbriefje dat door verzoeker in een speciaal daarvoor bestemd en vooraf afgesloten bus wordt gedeponeerd.

5. Verzoeker heeft op de bewuste dag de poort Noord op de gebruikelijke wijze afgesloten en de sleutel(s) afgedragen aan zijn chef, [Naam 1].

6. Verzoeker stelt hierbij met klem dat tijdens zijn dienst- tijd hij geen toestemming heeft gegeven aan wie dan ook om met goederen in casu een container de Haven te verlaten zonder inachtneming van de voorgeschreven controle handelingen te hebben verricht.

7. Verzoeker ontkent mitsdien met klem de feitelijke grond­slag van de beschikking van de Minister voornoemd en het daaraan verbonden gevolg n.l. de tuchtstraf.

8. Maar ook indien de feitelijke grondslag van die beschik­king juist mocht zijn – qoud non – dan komt het verzoeker voor dat die straf niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandighe­den waaronder het is begaan.

Immers, verzoeker is een firstoffender, die naar zijn mening zijn werk altijd naar behoren heeft verricht en nimmer zijn medewerking (actief noch passief) heeft verleend aan overtre­ding van de voorschriften in zijn dienstuitoefening.

Bovendien komt het verzoeker voor dat het gelijkheids- c.q. evenredigheidsbeginsel ten aanzien van hem niet althans niet juist is toegepast omdat in het ene geval het bevoegde gezag afziet van straf oplegging of helemaal niet aan toe komt terwijl in het andere geval gelijk in casu voor een gelijk­waardig of minder vergrijp het bevoegde gezag tot strafopleg­ging overgaat. In feite meet het bevoegde gezag met minstens twee maten.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevor­derd:
dat bij vonnis:

Primair:

zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard het besluit vervat in de beschikking van de Minister van Financiën d.d. 17 juni 1998 La-B P/O no. 1347.

Subsidiair:

zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard het besluit vervat in de beschikking van de Minister van Financiën d.d. 17 juni 1998 La.BP/O no. 1347 in dier voege dat de schorsing wordt omgezet in een andere tuchtstraf van minder gestrengheid danwel de tijdsduur van de schorsing wordt verminderd.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wette­lijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aange­voerd:

1. verweerder ontkent en betwist al hetgeen verzoeker in zijn Inleidend Rekest heeft gesteld en naar voren gebracht, voor zover dit niet woordelijk en uitdrukkelijk door verweer­der wordt erkend. Verweerder biedt bewijs voor zijn stellin­gen, indien en voor zover hij daartoe is gehouden.

2. Verweerder heeft naarstig gespeurd naar de persoon c.q. de rechtspersoon tegen wie de vordering van [Verzoeker], wordt ingesteld. Verweerder vraagt zich af of de vordering zoals neergelegd in het Petitum van dit Inleidend Rekest wel ontvan­kelijk zal kunnen zijn. Wanneer niet duidelijk reeds in de aanhef van het Rekest is vermeld, tegen welke instantie, natuurlijke of rechtspersoon de vordering of een eventueel veroordelend vonnis moet worden uitgesproken.

Desalniettemin heeft verweerder gemeend, dat het Inleidend Rekest, waar het in deze omgaat, en de inhoud daarvan, als zodanig gericht zou moeten zijn tot, hetzij de Staat Suriname, hetzij de Minister van Financiën. Op grond daarvan wordt hierna verder verweer gevoerd, alsof de Staat c.q. de Minister van Financiën partij is in casu.

3. Verweerder kan erkennen dat [Verzoeker],

ambtenaar is en als zodanig gerechtigd de bescherming geboden door de Personeelswet, te zoeken bij het Hof van Justitie als ambtenarengerecht.

Verzoeker kwam in 1994 als Aspirant Kommies bij de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen. Hij is daarna bevorderd tot Kom­mies 3e Klasse.

4. Ten aanzien van het in het 3e sustenu van het Inleidend Rekest bedoelde schorsingsbesluit, waartegen verzoeker zich in het 4e sustenu verzet, moge verweerder alsvolgt opmerken:

De schorsing is in casu terecht. De strafmaat is na (lees:naar) het oor­deel van verweerder niet in strijd met 5e Hoofdstuk titel 1 van de Personeelswet.

De straf staat ook in redelijke verhouding tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim, waaraan verzoeker zich heeft schuldig gemaakt. Ter onderbouwing van het voorgaande moge de volgende stukken die hebben geleid voor deze tuchtstraf van slechts twee weken schorsing met inhouding van het salaris (een halve maand slechts) aan het verweer worden toegevoegd ter kennisneming van het Hof, met verzoek dezelve als deel van het Inspectierapport van beambte H. DJAHADI, waaruit blijkt dat in ieder geval verzoeker niet op zijn post was op het ogenblik dat de zogenaamde lege container bleek later zelfs gestolen te zijn, en kort daarna er een strafzaak aanhangig is gemaakt met aanhouding en in verzekerde bewaringstelling van de verdachte en een aantal medeplichtigen. De inhoud van de container werd snel rondgedeeld (verkocht) tegen enorme bedra­gen waaromtrent het proces-verbaal van de Inspecteur van Politie, BIRDJA H., ook als bijlage is gevoegd ter kennisne­ming van Uw Hof van Justitie.

5. Ook het verweer (de verdediging) van verzoeker, zoals gedaagde in het 5e en 6e sustenu van het Inleidend Rekest, blijken niet in staat de feitelijke grondslag van de beschik­king van de Minister van Financiën aan te tasten.

Het plichtsverzuim dat aan verzoeker wordt toegerekend, kan zowel actief (opzettelijk) als passief (onbewust, maar door grove schuld, door onzorgvuldigheid en onoplettendheid) hebben plaatsgehad, een en ander met het causaal gevolg dat de over­treding welke miljoenenschade aan de Staat heeft gekost, heeft plaatsgevonden.

6. Vast staat dat door de wet verplichte formulieren op het moment dat ze getoond moesten worden, niet aanwezig of niet alle in het bezit waren van de inklaarder, een en ander in de beschikking is weergegeven. De beschikking is ook bij de stukken gevoegd.

7. Het 5e, het 6e en het 7e sustenu waarin geredeneerd wordt naar een ontkenning door verzoeker zich te hebben schuldig gemaakt aan plichtsverzuim en derhalve de tuchtstraf feitelij­ke grondslag mist, wordt zijdens verweerder nadrukkelijk tegengesproken. Daarbij, moge verweerder verwijzen naar de jurisprudentie rond de strekking van het plichtsverzuim als grondslag voor het opleggen van een tuchtstraf, zoals bedoeld in artikel 61 van de Personeelswet. De gangbare definitie van het plichtsverzuim in zijn algemeenheid luidt:
”Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift of het doen of nalaten van iets hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden, behoort na te laten of te doen. Art. G-1 Ambtenaren Reglement Nederland 1968”.

8. Ten aanzien van de beweringen van verzoeker zoals neerge­legd in het 7e en 8e sustenu, kan worden gezegd dat het hier gaat om opmerkingen welke zeer algemeen zijn gesteld, maar op geen enkele wijze zijn bewezen. De feiten liggen altijd an­ders.

9. Straffen als de onderhavige schorsing aan verzoeker zijn in deze moeilijke dienst van de Douane bij de toepassing van de wet op de Tarieven en Invoerrechten, worden in het belang van de dienst gevorderd, waardoor een voorbeeld functie om andere ambtenaren er vanaf te houden, zich schuldig te maken aan plichtsverzuim, hetzij onbewust danwel bewust.

Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft gecon­clu­deerd:

dat de vordering van verzoeker hetzij niet ontvankelijk wordt verklaard danwel niet wordt toegewezen als zijnde onge­grond en in strijd met de Personeelswet.

Overwegende, dat ingevolge s’Hofs beschikking van 2 september 1998 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, verzoe­ker in persoon, advokaat Mr.A.R.Baarh, gemach­tig­de van ver­zoeker en advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft, gemachtigde van ver­weer­der in Raadkamer zijn verschenen, en hebben ver­klaard gelijk in het daarvan opge­maakte – hier als ingelast te be­schou­wen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verweerder bij antwoord pleidooi een produk­tie overge­legd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis had be­paald op 9 april 1999, doch na enige malen te hebben aange­houden nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat nu de verweerder ermede accoord gegaan is dat de verzoeker het inleidend rekest aanvult in dier voege dat de vordering gericht is tegen de Staat Surina­me, Ministerie van Financiën, zal het hof die aanvulling toestaan;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken – en mede blijkende uit ten processe overgelegde bescheiden – het navolgende tussen partijen rechtens vast­staat;

1. dat de verzoeker ambtenaar is in de zin van de Perso­neelswet (P.W.);

2. dat door de poort Noord op het Nieuwe Havencomplex op 26 maart 1998, alwaar gedurende de tijd dat de verzoeker als douaneambtenaar dienst had, een container met als inhoud o.a. kartonnen Heineken bier doorgelaten is als lege container danwel zonder waargenomen te zijn door de verzoeker;

3. dat terzake van het voormelde feit verzoeker op 6 april 1998 in verzekering gesteld is en op 14 april 1998 op bevel van de Rechter-Commissaris in vrijheid gesteld is, zonder dat hij verder vervolgd is en is hij dus ook door de strafrechter niet veroordeeld terzake van een misdrijf verband houdende met het voormelde ”doorlaten” van een container.

4. dat de verzoeker na in de gelegenheid te zijn gesteld zich te verweren en zich ook daadwerkelijk verweerd te hebben bij beschikking van de Minister van Financiën d.d. 17 juni 1998 no.La B P/O no. 1347 wegens plichtsverzuim de tuchtstraf van schorsing opgelegd is voor de duur van 14 (veertien) dagen, welke tenuitvoergelegd is in de periode van 25 juni 1998 tot en met 8 juli 1998; en

5. dat bij die tuchtstraf aangetekend is dat de tenuitvoer­legging daarvan geschiedt onder inhouding van alle staatsin­komsten;

Overwegende, dat uit de vaststaande feiten blijkt dat de stelling van de verzoeker dat de tuchtstraf van schorsing wegens plichtsverzuim hem ten onrechte opgelegd is onjuist is, omdat hij op 26 maart 1998 de verantwoordelijkheid van contro­le bij poort Noord op het havencomplex had en uit politiever­klaringen van personen die daar aanwezig waren blijkt dat hij aldaar lijfelijk aanwezig was ten tijde dat die container doorgelaten werd;

Overwegende, dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel van de verzoeker, waarbij hij het optreden van een andere douane-ambtenaar, hoger in rang dan hem, aanhaalt i.c. niet opgaat, omdat die ander de plaats van controle van containers met goederen buiten het havencompliex verlaten had toen een container vandaar werd weggevoerd, terwijl in het geval van de verzoeker een container het havencomplex verlaat zonder dat hij als verantwoordelijke douanier de vereiste controle uitoe­fent;

Overwegende, evenwel dat bij schorsing wegens plichtsver­zuim ingevolge de artt. 61 e.v. P.W. de verweerder niet de bevoegdheid heeft te bepalen dat gedurende de schorsing inhou­ding van alle staatsinkomsten zal plaatsvinden, welke bevoegd­heid de verweerder slechts toekomt bij schorsing als geregeld in de art.66 e.v. P.W., ”indien en voorzover het bevoegde gezag zulks overeenkomstig bij staatsbesluit te stellen regels bepaalt” (zie art. 67 lid 2 P.W.);

Overwegende, dat het Hof de stellingen van de verzoeker aldus verstaat dat indien de gehele vernietiging van de schor­singsbeschikking niet mogelijk ware, hij de gedeelte­lijke vernietiging daarvan zou verlangen en zal het Hof recht doen als na te melden.

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Staat de verzoeker toe het inleidend rekest aan te vullen in dier voege dat de vordering ingesteld is tegen de Staat Suriname, Ministerie van Financiën;

Verklaart de beschikking van de Minister van Financiën d.d. 17 juni 1998 La B P/O no. 1347 gedeeltelijk nietig en wel voorzover daarin bepaald is: ” onder inhouding van alle staats­inkomsten”.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM-PANDAY, Funge­rend-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.A.I.RAMNEWASH, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openba­re terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 2 JULI 1999, in tegen­woordigheid van Mr.M.E.VAN GENDE­REN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.S.GANGARAM PANDAY

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.T.GANGARAM-PANDAY namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.BAARH en ver­weerder vertegenwoordigd door zijn gemach­tigde, advokaat Mr.Dr.C.D.OOFT, zijn bij de uitspraak ter terechtzit­ting verschenen.

SRU-HvJ-1999-36

M.R.S.
A – 401

[Verzoeker], wonende te [Plaats 1] aan de [Adres 1], ten deze domicilie kiezende te Paramari­bo aan de Wagen­wegstraat no. 41 beneden, ten kantore van Mr.A.R.BAAR­H, advokaat,
verzoe­ker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het MINISTERIE VAN DEFENSIE, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suri­name kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, voor wie als gemach­tigde op­treedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,
verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [Verzoeker] zich bij verzoek­schrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker wenst de volgende vordering in te stellen tegen de Staat Suriname, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procu­reur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoor­houdende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, verweerder.

2. Verzoeker is ambtenaar in de zin van de Personeelswet, hierna afgekort P.W., werkzaam op het Ministerie van Defen­sie.

3. Bij resolutie van 21 augustus 1993 bureau no.1118, no.37­96/93 zijn ten aanzien van verzoeker de volgende besluiten genomen te rekenen van:

a. 1 januari 1990, de Vrijwillig Nadienende Sergeant bij het Nationaal Leger van het Ministerie van Defensie, [Verzoeker] geboren in het distrikt Nickerie op 2 april 1963, in tijdelijke dienst aan te stellen als Sergeant onder toekenning van een bezoldiging van f.1.107,–(EEN DUI­ZEND EENHONDERD EN ZEVEN GULDEN) per maand en hem vervolgens per voormelde datum ingevolge artikel 22 lid 4 van de ”Perso­neelswet” (G.B. 1962 no. 195), geldende tekst S.B. 1985 no.41, te belasten met de waarneming van een funktie waaraan organi­satorisch de rang van Sergeant der Eerste klasse (schaal 12/13: f.1.178.– – f.1.613,–), verbonden is en met toepas­sing van artikel 7 lid 2 van het ”Ambtenarenbezoldigingsbe­sluit:, (S.B. 1980 no. 153), een waarnemingstoelage van f.71,– (EEN EN ZEVENTIG GULDEN) per maand toe te kennen, alsmede een militaire toelage van f.80,– (TACHTIG GULDEN) per maand en een bijzondere toelage van f.212,50 (TWEEHONDERD en TWAALF GULDEN EN VIJFTIG CENT) per maand.

b. 1 januari 1991, de bezoldiging van [Verzoeker] voornoemd, te verhogen met f.35,– (VIJF EN DERTIG GULDEN) en alzo te brengen op f.1.142,– (EENDUIZEND EENHONDERD EN TWEE EN VEERTIG GULDEN) per maand en vervolgens de waarnemingstoe­lage te verhogen tot f.72,– (TWEE EN ZEVENTIG GULDEN) per maand, alsmede een militaire toelage van f.250,– (TWEEHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) per maand en een bijzondere toelage van f.212,50 (TWEEHONDERD EN TWAALF GULDEN EN VIJFTIG CENT) per maand;

c. 1 februari 1991, de bezoldiging van de [Verzoeker] voornoemd, ingevolge de resolutie van 11 december 1992 no.7889 (S.B.1992 no. 95) te herzien en nader vast te stellen op f.1.550,– (EENDUIZEND VIJFHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) per maand en vervolgens de waarnemingstoelage te herzien en nader vast te stellen op f.100,– (EENHONDERD GULDEN) per maand, alsmede een militaire toelage van f.250,– (TWEEHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) per maand en een bijzondere toelage van

f.212­,50 (TWEEHONDERD EN TWAALF GULDEN EN VIJFTIG CENT) per maand;

d. 1 mei 1991, [Verzoeker] voornoemd alszodanig van een aanstelling in vaste dienst te voorzien en hem aldaar werkzaam te laten, onder toekenning van een bezoldiging van f.1.550,– (EENDUIZEND VIJFHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) per maand, alsmede een militaire toelage van f.250,– (TWEEHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) per maand, een bijzondere toelage van f.212,50 (TWEE­HONDERD EN TWAALF GULDEN EN VIJFTIG CENT) per maand en een waarne­mingstoelage van f.100,– (EENHONDERD GULDEN) per maand;

e. 1 januari 1992, de bezoldiging van [Verzoeker] voornoemd te verhogen met f.50,– (VIJFTIG GULDEN) en alzo te brengen op f.1.600,– (EENDUIZEND EN ZESHONDERD GULDEN) per maand en handhaving van de waarnemingstoelage van f.100,– (EENHONDERD GULDEN) per maand en hem vervolgens per voormelde datum te bevorderen tot Sergeant der Eerste klasse (schaal 14/15), onder toekenning van een bezoldiging van f.1.700,–

(EENDUIZEND EN ZEVENHONDERD GULDEN) per maand en ingevolge artikel 22 lid 4 van de ”Personeelswet” (G.B. 1962 no. 195), geldende tekst S.B. 1985 no. 41 te belasten met de waarneming van een functie waaraan organisatorisch de rang van Sergeant Majoor (schaal 16/17: 2010-2675) verbonden is, en aan hem met toepassing van artikel 7 lid 2 van het ”Ambtenarenbezoldi­gingsbesluit” een waarnemingstoelage van f.310,– (DRIEHONDERD EN TIEN GULDEN) per maand toe te kennen, alsmede een militaire toelage van f.250,– (TWEEHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) per maand en een bijzondere toelage van f.212,50 (TWEEHONDERD EN TWAALF GULDEN EN VIJFTIG CENT) per maand, met gelijktijdige buiten­werkingstelling van de in sub d toegekende waarnemingstoelage van f.100,– (EENHONDERD GULDEN) per maand;

f. 1 januari 1993, de bezoldiging van [Verzoeker] voornoemd te verhogen met f.50,– (VIJFTIG GULDEN) en alzo te brengen op f.1.750,– (EENDUIZEND ZEVENHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) per maand en vervolgens ingevolge de beslissing van de Raad van Ministers van 25 maart 1993, missive van de Vice-President, Voorzitter van de Raad van Ministers van 29 maart 1993 no. 164/RvM te herzien en nader vast te stellen op

f.2.4­50,- (TWEEDUIZEND VIERHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) per maand, en de waarnemingstoelage te herzien en nader vast te stellen op f.448,– (VIERHONDERD ACHT EN VEERTIG GULDEN) per maand, alsmede een militaire toelage van f.250,–(TWEEHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) per maand en een bijzondere toelage van f.212,50 (TWEEHONDERD EN TWAALF GULDEN EN VIJFTIG CENT) per maand;

4. Verzoeker heeft het verzoek gedaan om hem te demilitari­seren en hem, verzoeker, te benoemen in een ambtelijke funktie welke in overeenstemming is met de door hem beklede funktie bij het Nationaal Leger.

5. Bij beschikking van de Minister van Defensie van 26 februari 1996 no. 293 is te rekenen van 01 maart 1996, de Sergeant der Eerste klasse in vaste dienst bij het Nationaal Leger van het Ministerie van Defensie,[Verzoeker] belast met de waarneming van een functie waaraan organisato­risch de rang van Sergeant-Majoor verbonden is op zijn verzoek te demilitariseren en hem per evenvermelde datum aan te stel­len in de rang van Stafambtenaar A 3e klasse (schaal 15:46.845 – 55.395), onder toekenning van een bezoldiging van
f.55.395,–(VIJF EN VIJFTIG DUIZEND DRIEHONDERD VIJF EN NEGEN­TIG GULDEN) per maand met gelijktijdige buitenwerkingstelling van de door hem genoten wordende militaire toelage van f.600­0,–(ZESDUIZEND GULDEN) per maand, een bijzondere toelage van f.9.000,– (NEGENDUIZEND GULDEN) per maand, en de waarne­mingstoelage van f.8.400,– (ACHTDUIZEND VIERHONDERD GULDEN) per maand.

6. De in het vorige sustenu vermelde beschikking is van rechtswege nietig althans ten aanzien van verzoeker van on­waarde c.q. non-existent althans in strijd met de P.W. danwel zonder rechtsgevolg gebleven.

7. Deze beschikking is niet door het voor verzoeker bevoegde gezag ex artikel 3 P.W. genomen aangezien de rechtspositie van verzoeker blijkens de in het tweede sustenu van dit rekest vermelde resolutie is vastgesteld bij een administratiefrech­telijke rechtshandeling van de President van de Republiek Suriname, welke hiërarchisch hoger is dan de beschikking van de Minister. Dus zowel wat betreft het orgaan als de admini­stratiefrechtelijk rechtshandeling is in strijd gehandeld met artikel 3 P.W.

8. Bij de bestreden beschikking van de Minister van Defensie d.d. 20 februari 1996 no. 293 is verzoeker ten onrechte ont­houden de toelagen zoals vermeld in de eerdervermelde resolu­tie opgenomen onder Romeins II sub e en f.

9. De bestreden beschikking van de Minister van Defensie is ook nog onjuist, van onwaarde non existent en in strijd met de wet omdat hiermede gepoogd is de werking van de resolutie buitenwerking te stellen; kortom komt het hierop neer dat feitelijk bij beschikking een resolutie buitenwerking is gesteld. Deze (rechts)handeling van de Staat Suriname dient zonder rechtsgevolg te blijven omdat een administratief en constitutioneel lager orgaan geen besluiten van een admini­stratief en constitutioneel hoger orgaan mag en kan intrekken c.q. buitenwerking stellen.

10. Door het nemen van de beschikking van 20 februari 1996 no.293 heeft de Minister ten aanzien van verzoeker gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur inzonder­heid het gelijkheidsbeginsel aangezien bij demilitarisering van andere ambtenaren die dezelfde rang en funktie als verzoe­ker bij het Nationaal Leger bekleedden, als bevoegde gezag is opgetreden de President van de Republiek Suriname en als administratiefrechtelijke rechtshandeling waarin het besluit is vervat heeft gediend de resolutie.

Daarnaast is bij demilitarisering in de hiervoren bedoelde gevallen rekening gehouden met de omstandigheid dat betrokke­nen een funktie hebben waargenomen waaraan organisatorisch de rang van Sergeant Majoor (schaal 16/17) verbonden is terwijl deze gelijkheid niet is doorgetrokken bij verzoeker ondanks het feit dat verzoeker blijkens Romeins II sub e van de in het tweede sustenu van dit rekest aangehaalde resolutie te rekenen van 1 januari 1992 is belast met de waarneming van een funktie waaraan organisatorisch de rang van Sergeant Majoor (schaal 16/17) is verbonden. Aangezien verzoeker langer dan 1 (een) jaar heeft waargenomen als Sergeant-Majoor en die funktie definitief was/is opengevallen, moest verzoeker in de funktie van Sergeant-Majoor worden benoemd alvorens hij werd/wordt gedemilitariseerd.

11. Verzoeker lijdt schade, ongeacht het bestaan of niet bestaan van de bestreden beschikking van de Minister van Defensie, aangezien vanaf 01 maart 1996 de waarnemingstoelage waarop hij volgens de in het tweede sustenu vermelde reso­lutie onder Romeins II sub e en f aanspraak maakt, aan hem niet wordt uitbetaald zonder dat daartoe een wettelijke grond­slag voor bestaat zulks in strijd met artikel 30 P.W.

12. Alle door verzoeker vermelde bescheiden worden hierbij overgelegd waarvan de inhoud hier als letterlijk herhaald en geinse­reerd wordt beschouwd.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevor­derd: dat bij vonnis:

Primair:

1. voor recht zal worden verklaard dat de beschikking van de Minister van Defensie van 20 februari 1996 no. 293 t.a.v. verzoeker geen rechtsgevolg heeft althans non-existent danwel nietig en van onwaarde is.

2. De Staat Suriname zal worden gelast binnen 1 maand na dit vonnis een besluit te nemen, waarbij verzoeker definitief wordt aangesteld in de rang van Sergeant Majoor bij het Natio­naal Leger onder toekenning van de aan die funktie verbonden financiële sequelen en verzoeker gelijktijdig te demilitarise­ren in een overeenkomstige ambtelijke funktie en rang en salaris­schaal, onder verbeurte van een dwangsom van

Sf.1.000.­000,– voor elke dag dat de Staat Suriname met de uitvoering van het ten deze te wijzen vonnis in gebreke mocht zijn.

Subsidiair:

De Staat Suriname zal worden veroordeeld om te rekenen van 11 maart 1996 aan verzoeker te betalen de waarnemingstoelage zoals omschreven in de resolutie van 21 augustus 1993 bureau no.1118 no.3796/73 met inachtneming van de sindsdien inwerking getreden verhogingen, met veroordeling van verweerder in de kosten van het proces.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wette­lijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aange­voerd:

1. verweerder ontkent en betwist al hetgeen verzoeker in zijn Inleidend Rekest heeft gesteld en naar voren gebracht, voor zover dit niet woordelijk en uitdrukkelijk door verweer­der wordt erkend. Verweerder biedt bewijs aan voor zijn stel­lin­gen, indien en voor zover hij daartoe is gehouden.

2. Verweerder kan erkennen dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet en gerechtigd zich tot Uw Hof van Justitie te wenden, zoals hij deed.

3. Alvorens de vordering van verzoeker zoals neergelegd in zijn Petitum aan de orde te stellen, wenst verweerder enkele opmerkingen te maken met betrekking tot punt 3 van het Inlei­dend Rekest.

Verzoeker laat op niet onverdienstelijke wijze duidelijk zien dat hij vanaf 1 januari 1990 als vrijwillig nadienende Ser­geant binnen één jaar een aantal promoties, waarnemingstoela­gen, militaire toelagen en zelfs een bijzondere persoonlijke toelage, dit alles in geld uitgedrukt, rijker is geworden. Een bevoordeling, waaraan zelfs op een later tijdstip gevraagd moet worden of deze financiële bevorderingen of verhogingen binnen één jaar wel rechtmatig, c.q. doelmatig zijn geweest.

De mededelingen in dit zelfde 3e sustenu laten zien dat ook daarna te weten vanaf januari 1992/ 1 januari 1993, de bevor­de­rin­gen kwamen, en de toelagen steeds werden verhoogd, tel­kens met terugwerkende kracht zoals de resolutie van 21 augus­tus 1993, bureau no.1118, no. 3796/93, zulks weer duidelijk vermeldt, vermoedelijk om de toekenning van dit alles, een administra­tief rechtelijke grondslag te verlenen.

4. Verweerder verwijst naar de procedure van demilitari­sering zoals die in andere gevallen heeft plaatsgevonden. Daargelaten, dat verzoeker een vrijwillig nadienende Sergeant bij het Nationaal Leger is geweest, vond zijn demilitarisering plaats op eigen verzoek. Het schrijven van verzoeker d.d. 11 November 1994 wordt hierbij ter kennisneming van de rechter gevoegd, met verzoek hetzelve als in dit verweer geinsereerd en daarvan deel uitmakende te willen beschouwen.

Door het Bevoegde Gezag is gezocht naar een passende formatie­plaats voor verzoeker, welke, gelet op zijn kwaliteiten en zijn administratieve opleidingen, gevonden werd in de rang van STAFAMBTENAAR A 3e Klasse, Schaal 15. Het is een beleidsbegin­sel bij de administratie, dat bij demilitarise­ring-in-het-be­lang-van-de-dienst, eventuele toelagen worden behou­den, waar­tegenover staat dat demilitarisering, waarbij een aantal toelagen zijn toegekend, waarvoor de ambtenaar niet meer presteert om die te ontvangen, niet meer worden toege­kend. Nadat in overleg met verzoeker zelf zijn rang en functie zijn vastgesteld, heeft verzoeker de aangehaalde beschikking van de Minister van Defensie van 20/26 februari 1996, nr.293, niet meer aangevochten. In deze beschikking is duidelijk verzoeker INGEDEELD in een RANG, welke wel tot de bevoegdheid van de Minister behoort.

– Zie Personeelswet artikel 3 lid 2. Hier werd verzoeker ingedeeld na demilitarisatie in een rang met een vaste bezoldiging welke niet meer bedraagt dan de helft van het Directeurensalaris.

In deze beschikking werden ook ingetrokken de bekende toelagen te weten:

Militaire toelagen Sf. 6000,– p/maand
Bijzondere toelagen — 9000,– p/maand
Waarnemingstoelagen — 8400,– p/maand

De beschikking d.d. 20/26 Februari 1996 is wel existent en heeft reeds langer dan twee en een half (2½) jaar wel rechtsgevolgen gehad.

5. Verzoeker heeft langer dan 2½ jaar laten voorbijgaan om zich omtrent de rechtmatigheid van de ministeriële beschikking te beklagen bij het Hof van Justitie, optredende als administratief rechterlijke instantie. Op grond hiervan behoort verzoeker dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering, omdat hij gehandeld heeft in strijd met de Personeelswet artikel 80 lid 2b.

6. Het bevreemdt verweerder dan ook zeer dat verzoeker thans na ruim 2½ jaar, deze beschikking karakteriseert als ”van onwaarde c.q. non-existent” (zie 6e en 9e sustenu van het Inleidend Rekest).

7. Verweerder doet opmerken dat verzoeker niet is aangesteld, bevorderd, geschorst of ontslagen, zoals gesteld wordt in artikel 3 lid 1 van de Personeelswet.

Hij is gewoon gedemilitariseerd, wat ook bij een resolutie mogelijk zou zijn, maar hij is ingedeeld (zie 1e volzin artikel 3 lid 2 van de Personeelswet) en daartoe is zeker ook de Minister van Defensie bij wie hij reeds in dienst is, bevoegd.

Immers, de ministers zijn steeds het Bevoegde Gezag, wanneer er mutaties plaatsvinden van ambtenaren dienende in de schalen 1 t/m 17. Verzoeker werd ingedeeld in schaal 15 (vijftien). Art. 3 lid 7 P.W. is hier ook van toepassing.

8. Onverminderd het voorgaande waaruit reeds blijkt dat verzoeker niet ontvankelijk zou zijn (hij is te laat) en dat de vordering ook niet toewijsbaar is, wil verweerder ook verwijzen naar het petitum van verzoeker, welke ook moet leiden tot niet ontvankelijk verklaren van de vordering. Immers, het Hof van Justitie kan (zal) ingevolge artikel 79 lid 1 van de Personeelswet verzoeker niet ontvangen (ontvankelijk verklaren in zijn vordering), aangezien dit artikel duidelijk aangeeft waartoe het Hof geroepen is te oordelen, vallende daar het gevorderde in het petitum van dit rekest, niet.

9. Op grond van het voorgaande kan ook de vordering van verzoeker Primair lid 2 in het Petitum, niet worden ontvangen door het Hof van Justitie.

De toewijzing van het onder hetzelfde Petitum ”Primair” lid 2 gevorderde dwangsom van één miljoen gulden, Sf.1.000.000,–), dient dan ook geheel achterwege te blijven, omdat de dwangsom een sequeel zou zijn dan het vonnis van het Hof van Justitie.

10. Op gelijke gronden als hierboven in punt 6 gemotiveerd aangegeven, is ook de toewijzing van de vordering subsidiair door het Hof van Justitie niet mogelijk, omdat ook deze vordering valt buiten de in artikel 79 van de Personeelswet aan het Hof van Justitie geattribueerde bevoegdheden met betrekking tot besluiten van de administratie, welke daarvoor vatbaar zijn en welke zijn genomen door het Bevoegde Gezag.

Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft gecon­clu­deerd:

dat verzoeker niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering (Primair en Subsidiair) c.q. hem deze zal worden ontzegd als niet bewezen, ongegrond en in strijd met de Personeelswet.

Overwegende, dat ingevolge s’Hofs beschikking van 2 september 1998 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, verzoe­ker in persoon, advokaat Mr.A.R.Baarh, gemach­tig­de van ver­zoeker en advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft, gemachtigde van ver­weer­der in Raadkamer zijn verschenen en hebben ver­klaard gelijk in het daarvan opge­maakte – hier als ingelast te be­schou­wen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker bij pleitnota produk­ties overge­legd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor repliek pleidooi peremptoir bepaald, de gemachtigde van verzoeker heeft gepersisteerd bij zijn stellingen, terwijl de gemachtigde van verweerder voor dupliek pleidooi eveneens heeft gepersisteerd bij zijn stellingen;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk had be­paald op 7 mei 1999, doch na enige malen te hebben aange­houden nader heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en ander­zijds erkend, althans als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist – en mede blijkende uit ten proces­se overgelegde bescheiden – het navolgende rechtens tussen partijen vaststaat:

1. dat de verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet (P.W.).

2. dat verzoeker in militaire dienst was en op eigen verzoek gedemilitariseerd werd (van militaire ambtenaar burger ambtenaar werd) bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 20 februari 1996 Ag no.293, waarbij tevens het salaris en andere voorzieningen ten behoeve van hem werden vastgesteld;

3. dat verzoeker zich niet erover beklaagt dat voormel­de beschikking niet tijdig te zijner kennis ge­bracht is en dat blijkens zijn schrijven aan de Minis­ter van Defen­sie d.d. 12 april 1996 blijkt dat hij in ieder geval vanaf deze dag van die beschikking kennis draagt;

4. dat verzoeker blijkens zijn verklaring bij het gehouden verhoor en diens brieven aan het Ministerie van Defensie eerst geprobeerd heeft een minnelijke regeling met zijn werkgever te treffen;

5. dat toen die regeling niet op een voor de verzoeker bevredigende wijze mogelijk is gebleken hij het Hof als ambtenarenrechter bij rekest d.d.4 mei 1998 geadieerd heeft welk rekest op 7 mei 1998 bij het Hof ingekomen is;

Overwegende, dat de verzoeker tardief is met zijn rekest, omdat hij zich niet aan de termijnen van arti­kel 80 P.W. gehouden heeft, die vereist zijn voor de ontvankelijkheid van zijn vorderingen, nu die be­trek­king hebben op de beschikking van de Minister van Defensie d.d. 20 december 1996 Ag. no.293, aan de uitvoering waarvan de verzoeker gevolg gegeven heeft door op het centraal kantoor van het Ministerie van Defensie werk­zaam te zijn;

Overwegende, dat het Hof de verzoeker danook niet ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart de verzoeker niet ontvankelijk in zijn vorderingen;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM-PANDAY, Funge­rend-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openba­re terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 2 JULI 1999, in tegen­woordigheid van Mr.M.E.VAN GENDE­REN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g. M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.S.GANGARAM PANDAY

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.T.GANGARAM-PANDAY namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.BAARH en ver­weerder vertegenwoordigd door zijn gemach­tigde, advokaat Mr.Dr.C.D.OOFT, zijn bij de uitspraak ter terechtzit­ting verschenen.

SRU-HvJ-1999-35

M.R.S.
A – 397.

[Verzoeker], wonende aan de Kwattaweg no.753 [Adres 1] te [Plaats 1] , ten deze domicilie kiezende te Paramari­bo bij het Advokatenkantoor Beckles & Brandon, van wie als gemach­tigde optreedt Mr.K.BRANDON, advokaat,
verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het MINISTERIE VAN DEFENSIE, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suri­name, zetelende ten Parkette aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemach­tigde op­treedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advo­kaat,
verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [Verzoeker] zich bij verzoek­schrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker wenst de navolgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het MINISTE­RIE VAN DEFENSIE, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suri­name, zetelende ten Parkette aan de Gravenstraat no.3, verweerster;

2. Verzoeker is ambtenaar in de zin van de Personeelswet.

3. Verzoeker is als landsdienaar en wel als dienstplichtig soldaat, ingevolge artikel 1 van de Personeelswet bij verweer­ster in dienst getreden op 11 augustus 1976 en is op 1 septem­ber 1977 in beroepsdienst getreden.

4. Verzoeker heeft zijn plichten als militair altijd naar eer en geweten vervuld en heeft dankzij zijn eigen inspanning diverse bevorderingen gehad en vervult thans de functie van Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht. Verzoeker overlegt hier­bij een fotokopie van zijn staat van dienst, genummerd als bijlage 1, en een omschrijving van zijn huidige functie, genummerd als bijlage 2, met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen.

5. Verzoeker is bij resolutie van de President van de Repu­bliek Suriname van 24 mei 1991 no.3049/91, benoemd tot Mili­tair Onder-Direkteur van het Ministerie van Defensie en is aan hem de militaire rang van Majoor effectief, Luitenant tijde­lijk, toegekend, onder toekenning van een bezoldiging als Majoor en een waarnemingstoelage als Luitenant Kolonel. Van bedoelde resolutie wordt hierbij een fotocopie overgelegd, genummerd als bijlage 3, met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen.

6. Verzoeker heeft nadat hij deze resolutie ontvangen heeft, een brief d.d. 14 juni 1993 gericht aan de toenmalige Minister van Defensie waarin hij hem erop gewezen heeft dat de rang die aan hem is toegekend niet overeenkomt met de functie waarin hij benoemd was. Verzoeker was en is van oordeel dat de rang die bij de functie van Militair Onder-Direkteur overeenkomt is de rang van Luitenant-Kolonel. Van bedoeld schrijven wordt hierbij een fotocopie overgelegd, genummerd als bijlage 4, met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen.

Verzoeker heeft als reactie op zijn schrijven van de Minister van Defensie toen twee brieven ontvangen en wel gedateerd 14 juni 1993 en 15 augustus 1994, waarvan fotokopieën worden overgelegd, genummerd als bijlagen 5 en 6. In bedoelde brieven gaf de Minister onder meer aan dat:

– de confrontatie met de vraagstelling van verzoeker zoals hierboven aangegeven het voor hem duidelijk heeft gemaakt dat het niet raadzaam is om militairen formeel in burgerfuncties te benoemen;

– dat de functie ”Militair Onderdirekteur” formeel niet bestaat;

– dat de algemene ambtelijke bureau rang van Onder-Direk­teur en de specifieke militaire rang van Luitenant-Kolonel op zich onvergelijkbaar zijn;

– dat zijn eerder ingenomen standpunt dat het niet raadzaam is militairen formeel in burgerfuncties te benoemen juist blijkt en zelfs als onwijs beleid aan te merken.

De Minister heeft verzoeker tenslotte medegedeeld dat het niet mogelijk is zijn verzoek in gunstige overweging te nemen.

7. Verzoeker heeft daarna niet stilgezeten en op 31 december 1997 is aan hem een Resolutie van de President van de Repu­bliek Suriname uitgereikt, no.1375, waarin de resolutie van 24 mei 1991 wel werd ingetrokken, maar de misslagen zoals verzoe­ker die ervaart zijn niet rechtgetrokken. Verzoeker overlegt van bedoelde resolutie een fotocopie genummerd als bijlage 7 met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen.

In deze resolutie is onder II.a. onder meer besloten dat: ”Te rekenen van 1 februari 1991, de majoor (schaal 21) in vaste dienst belast met de waarneming van de functie Luitenant-Kolonel (schaal 22) bij het Nationaal Leger van het Departe­ment van Defensie, de [Verzoeker] te benoemen tot Mili­tair-Onder Direkteur, met handhaving van zijn bezoldiging van ……”.

Verzoeker wenst eerstens op te merken dat de begrippen rang en functie hier door elkaar en niet juist gebruikt zijn; Lui­te­nant-Kolonel is geen functie maar een rang; Militair Onder-Direkteur is een functie.

Tevens wenst verzoeker hier ter onderbouwing van hetgeen hij hierboven reeds gesteld heeft namelijk dat de functie van Militair Onder-Direkteur overeenkomt met de rang van Luite­nant-Kolonel, erop te wijzen dat ook de bezoldiging van Mili­tair Onder-Direkteur dezelfde is als die van een Luitenant-Kolonel, namelijk schaal 22.

Het is van eminent belang hier erop te wijzen dat het binnen het militair apparaat gebruik is dat bij de benoeming in een functie waarvoor een bepaalde rang is vereist, de betrokkene automatisch tegelijkertijd bevorderd wordt in die rang en ook dien overeenkomstig wordt bezoldigd. Wat gedaagde hier heeft gedaan is verzoeker benoemen in een bepaalde functie, hem laten waarnemen in de rang die bij die functie hoort en hem een waarnemingstoelage heeft toegekend.

8. Onder II.d. van bedoelde resolutie is het besluit genomen eiser te rekenen van 16 juni 1993 te ontlasten van de functie van Militair Onder-Direkteur, terwijl onder II.g. verzoeker te rekenen van 1 oktober 1994 bevorderd is tot Luitenant-Kolonel.

Verzoeker heeft geen bezwaar tegen het onder II.d. genoemde besluit, maar wel tegen hetgeen onder II.g. is besloten om de reden zoals hierboven reeds aangehaald, namelijk omdat hij van mening is dat hij bij zijn benoeming tot Militair Onder-Direk­teur per 1 februari 1991 tegelijkertijd bevorderd moest worden tot Luitenant-Kolonel. Het niet corrigeren van de datum van 1 oktober 1994 in 1 februari 1991 betekent voor verzoeker een benadeling in zijn anciënniteit en carrieregang.

9. Verzoeker’s gemachtigde heeft namens hem per brief d.d. 28 januari 1998 ingevolge de Personeelswet schriftelijk beklag gedaan bij de President van de Republiek Suriname aangezien hij van oordeel is dat de datum van bevordering tot Luitenant-Kolonel moet zijn 1 februari 1991 in plaats van 1 oktober 1994 omdat het gebruik is binnen het leger dat bij de benoeming in een functie waarvoor een bepaalde rang vereist is, de betrok­kene tegelijkertijd bevorderd wordt tot die rang. Van bedoeld schrijven wordt hierbij een fotocopie overgelegd, genummerd als bijlage 8, met het verzoek de inhoud ervan als hier let­terlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen. Verzoeker heeft tot heden echter geen reactie ontvangen van de President.

10. Verzoeker is van oordeel dat verweerder door zulks na te laten handelt in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

11. Verzoeker heeft er recht en belang bij dat de resolutie van de President van de Republiek Suriname wordt gewijzigd in dier voege dat de ingangsdatum van zijn bevordering tot Luite­nant-Kolonel wordt gesteld op 1 februari 1991 in plaats van 1 oktober 1994 onder toekenning van de daarbij behorende bezol­diging en emolumenten.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevor­derd:
dat verzoeker zich went tot het Hof rechtdoende in Ambte­naren­zaken met het eerbiedig verzoek verweerster te gelasten onder verbeurte van een dwangsom van Sf.100.000,– per dag of zoveel minder als in goede justitie billijk mocht worden geacht, vanaf het moment van ’s Hoven uitspraak of vanaf een door het Hof te bepalen tijdstip, alle van harentwe­ge benodig­de maatregelen te nemen vereist voor het wijzigen van de Resolutie van 29 augustus 1997, no. 1375, in dier voege dat de ingangsdatum van de bevordering tot Luitenant-Kolonel wordt gesteld op 1 februari 1991 in plaats van 1 oktober 1994 onder toekenning van de daarbij behorende bezoldiging en emolumen­ten.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wette­lijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aange­voerd:

1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen verzoeker in zijn Inleidend Rekest naar voren heeft gebracht en gesteld, voor zover een en ander niet woordelijk door gedaagde wordt erkend. Verweerder biedt bewijs aan voor zijn stellingen en weren voor zover de bewijslast op hem, verweerder mocht rus­ten.

2. Verweerder kan erkennen dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet in de hoedanigheid van dienstplichtig soldaat en bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 24 mei 1991, nr. 3049/91 benoemd tot Militair-Onderdirecteur van het Ministerie van Defensie, met de rang van Majoor effectief. Bij resolutie van hetzelfde Bevoegd Gezag d.d. 28 augustus 1997 (verzoeker spreekt van 31 december 1997) nr.1375 werd bovenstaande resolutie van 24 mei 1991 nr. 3049/91 ingetrokken.

Verzoeker is thans van oordeel, hetgeen hij naar eigen weten­schap en inzien, overigens ten onrechte, uitlegt in zijn 5e, 6e en 7e sustenu van zijn Inleidend Rekest, dat de ingangsda­tum van zijn bevordering tot Luitenant-Kolonel, niet moet plaatsvinden, gerekend van 1 oktober 1994, maar te rekenen van 1 februari 1991.

3. Verweerder wenst thans te wijzen op de bepalingen van de Personeelswet neergelegd in het 6e Hoofdstuk, in het bijzonder in art. 79 betreffende de bevoegdheid van de Burgerlijke rechter in Ambtenarenzaken. Deze bepalingen zijn in het rekest van verzoeker niet in acht genomen, althans verzoeker veront­achtzaamd de dwingende bepalingen van dit stuk bijzondere wetgeving op de grondslag van de Administratieve rechtspraak. Op grond hiervan zal verzoeker dan ook niet ontvankelijk behoren te worden verklaard op de gronden als hierboven ver­meld:

a. Verzoeker vraagt aan het Hof van Justitie als rechter in Ambtenarenzaken, zonder dat er een voorafgaand vonnis bestaat, waarin een besluit geheel of gedeeltelijk nietig wordt ver­klaard wegens strijd zoals aangegeven in art. 79 1e lid onder a van de Personeelswet, de STAAT te gelasten een administra­tieve handeling te verrichten.

b. Zelfs, indien een zodanig besluit tot vernietiging be­stond, dan was dat besluit niet voor vernietiging door het Hof van Justitie vatbaar, omdat art.79 lid 2 limitatief opsomt, welke besluiten voor nietigverklaring vatbaar zijn. Onder deze limitatieve opsomming valt geen besluit tot al of niet bevor­deren.

c. Verzoeker vraagt schadevergoeding, maar de schadevergoe­ding bedoeld in art. 79 lid 1 onder b, kan nimmer als zelf­standige vordering worden geëist, zolang niet een vonnis tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar besluit, door het Hof van Justitie is uitgesproken. Deze schadevergoeding is altijd een sequeel van het veroorde­lend vonnis van het Hof van Justitie.

d. Op gelijke wijze is ook het opleggen van een dwangsom pas mogelijk wanneer een veroordelend vonnis het besluit van de Administratie geheel of gedeeltelijk vernietigd heeft. De dwangsom is wel mogelijk ter vervanging van een besluit dat wegens onrechtmatigheid of wegens schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur was genomen.

Op basis van deze onjuiste aanpak in het petitum van verzoe­ker’s Inleidend Rekest, blijft slechts over dat de vordering zal worden verklaard.

e. Ten overvloede wijst verweerder er ook nog op dat verzoe­ker te laat is met zijn vordering bij het Hof van Justitie en wel:

omdat verzoeker reeds bij ontvangst van zijn resolutie van 28 augustus 1998 nr. 1375 wist dat hij naar zijn eigen inzichten en kennis benadeeld zou zijn geweest, maar pas op 28 april 1998 met zijn vordering het Hof van Justitie adieerde (vide art.80 lid 1 onder b).

Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft gecon­clu­deerd:
dat verzoeker niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering c.q. hem deze zal worden ontzegd als zijnde niet bewezen, ongegrond en in strijd met de Personeelswet.

Overwegende, dat ingevolge s’Hofs beschikking van 3 juli 1998 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, verzoeker in persoon, advokate Mr.K.J.Brandon, gemach­tig­de van ver­zoeker, advokaat Mr.Dr.C­.D­.Ooft, gemachtigde van ver­weer­der en Sondre­joe, Theodorus vertegenwoordiger van het Minis­terie van Defen­sie in Raadkamer zijn verschenen, die hebben ver­klaard gelijk in het daarvan opge­maakte – hier als ingelast te be­schou­wen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker bij repliek pleidooi produkties overge­legd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis had be­paald op 19 maart 1999, doch na enige malen te hebben aange­houden nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het verzoekschrift strekt tot het gelas­ten aan verweerster (lees: verweerder) onder verbeurte van een dwangsom van Sf.100.000,– per dag of zoveel minder als in goede justitie billijk mocht worden geacht, vanaf het moment van ’s Hoven uitspraak of vanaf een door het Hof te bepalen tijdstip, alle van harentwege benodigde maatregelen te nemen vereist voor het wijzigen van de Resolutie van 29 augustus 1997 no. 1375, in dier voege dat de ingangsdatum van de bevor­dering tot Luitenant-Kolonel wordt gesteld op 1 februari 1991 in plaats van 1 oktober 1994 onder toekenning van de daarbij behorende bezoldiging en emolumenten;

Overwegende, dat het Hof vooraf opmerkt dat in het ver­zoekschrift sprake is van beklag tegen de resolutie van 29 augustus 1997 bij de President van Republiek Suriname, doch dat dit geen beklag is in de zin van de Personeelswet omdat dat beklag bij een hoger orgaan moet worden gedaan, hetgeen in casu niet is geschied;

Overwegende, dat als onbetwist tussen partijen en ook voor het Hof vaststaat, dat verzoeker bij resolutie van de President van de Republiek Suriname van 24 mei 1991 no.3049/91 benoemd werd tot Militair Onderdirecteur van het Ministerie van Defensie en is aan hem de Militaire rang van Majoor effec­tief, Luitenant tijdelijk toegekend onder toekenning van een bezoldiging als Majoor en een waarnemingstoelage als Luite­nant-Kolonel; dat de resolutie van 24 mei 1991 no.3049/91 bij resolutie van 29 augustus 1997 no.1375 is ingetrokken, doch dat, naar verzoeker stelt, de misslagen zoals hij die ervaart te weten dat de rang die aan hem is toegekend niet overeenkomt met de funktie, waarin hij benoemd was, niet zijn rechtgetrok­ken;

Overwegende, dat verweerder, onder verwijzing naar arti­kel 80 lid 1 van de Personeelswet een uitdrukkelijk beroep gedaan heeft op de niet ontvankelijkheid van de ingestelde vordering in verband met de overschrijding van de termijn van een maand als vastgesteld in gemelde wettelijke bepaling;

Overwegende, dat het Hof voor alles over de gegrondheid van dit beroep zal oordelen;

Overwegende, dat, naar als tussen partijen rechtens vaststaat, aan verzoeker de resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 29 augustus 1997 no. 1375 op 31 december 1997 is uitgereikt, terwijl verzoeker, naar eveneens tussen partijen in rechte vaststaat, pas 28 april 1998 in beroep is gekomen bij het Hof met zijn verzoek als voormeld;

Overwegende, dat nu verzoeker, naar het Hof gebleken is, pas op de 118e dag na de uitreiking aan hem van de resolutie van 29 augustus 1997 no. 1375 bij het Hof in beroep is geko­men, terwijl artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet in dit geval een maand na die uitreiking toestaat, acht het Hof verweerders beroep op niet ontvankelijkheid van de ingestelde vordering gegrond;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn tegen verweerder ingestelde vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R. VON NIESEWAND,

Vice-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openba­re terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 2 JULI 1999, in tegen­woor­digheid van Mr.M.E.VAN GENDE­REN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g. J.R.VON NIESEWAND

Partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtig­den, advokaten Mr.K.BRANDON en Mr.Dr.C.D.OOFT, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-1990-8

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 11 mei 1990
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, A.C. Veldema en J.R. Von Niesewand)

[verzoeker], wonende te Paramaribo, ten deze domicilie kiezende aldaar aan de Watermolenstraat no. 36 beneden, ten kantore van advokaat Mr. J.G. BOËTIUS, verzoeker,

tegen

STICHTING JAIKREEK & PHEDRA, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Mr.Dr. J.C. de Mirandastraat, in het gebouw van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie, advokaat Mr. H.R. SCHURMAN, verweerder.

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:
1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen:
STICHTING JAIKREEK & PHEDRA, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Mr.Dr. J.C. de Mirandastraat, in het gebouw van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie;
2. dat verzoeker in dienst is geweest van verweerder en alszodanig gewezen landsdienaar is in de zin van de Personeelswet tegen een bruto maand salaris van f. 647,– na aftrek van 20% daarvan als verplichte storting in het voorzieningsfonds, terwijl hij voorts aanspraak maakte op 1 maand vakantie en aan gratificatie per kalenderjaar gelijk aan een maand salaris. Voorts maakte hij aanspraak op vrije geneeskundige behandeling.
3. dat verweerder, nadat zij had besloten haar werkzaamheden te beëindigen althans deze op andere basis dan tot nu toe voort te zetten aan een deel van haar personeel heeft aangeboden de dienstbetrekking af te kopen tegen betaling van de gemiddelde loonsom over een periode van 18 maanden, waarbij de personeelsleden vanaf september 1989 niet meer gehouden zijn tegenover de verweerder te presteren, welk aanbod door verzoeker is geaccepteerd;
4. dat verweerder zelf een overzicht heeft doen samenstellen van de gemiddelde loonsom van de diverse werknemers, volgens bijgaand schema, waarvan wordt verzocht de inhoud als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.
Verzoeker komt mitsdien toe een gemiddelde loonsom over 18 maanden ad
f. 19.269,– en wel alsvolgt gespecificeerd:

– jaarsalaris f. 7.764,-
– 20% voorzieningsfonds f. 1.552,80
1 maand vakantie uitkering f. 647,–
1 maand gratificatie f. 647,–
gekapitaliseerd verlof per jaar f. 1.035,20
– gemiddelde ziekte kosten f. 1.200,-
f. 12.846,–

zijnde dit over een periode van 18 maanden:
1.5 x f. 12.846,– of te wel f. 19.269,–;

5. dat verweerder inmiddels aan verzoeker slechts 18 maanden salaris heeft uitgekeerd en de overige posten onbetaald heeft gelaten, i.h.b. de stortingen in het voorzieningsfonds waar verzoeker zonder meer aanspraak op maakt, ook al was zulks niet uitdrukkelijk overeengekomen.
Verzoeker heeft mitsdien nog van verweerder te vorderen: f. 19.269,– (1.5 x f.7.764,–) oftewel f. 7.623,–;
6. dat van verweerder geen betaling is te bekomen ondanks aanmaningen in der minne:

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis verweerder zal worden veroordeeld om aan verzoeker te betalen de som van f. 7.623,– vermeerderd met de rente hierover ad 6% per jaar, vanaf de dag der indiening van dit verzoekschrift tot aan de algehele voldoening, kosten rechtens;

Overwegende, dat van verweerder binnen de bij de Wet gestelde termijn geen verweerschrift is binnengekomen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 9 januari 1990 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door Mr. E.C.M. Hooplot namens diens gemachtigde advokaat Mr. J.G. Boëtius, verweerder vertegenwoordigd door D.R. Mac Donald, gevolmachtigde van verweerder en advokaat Mr. H.R. Schurman, gemachtigde van de verweerder die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als in gelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat partijen de zaak bij pleidooi nader hadden toegelicht en verdedigd, het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat verzoeker landsdienaar is in de zin van de Personeelswet, zijnde verweerster een overheidsstichting, door of vanwege de Staat opgericht, waar de Personeelswet van toepassing is;

Overwegende, dat verzoeker vordert, dat bij vonnis verweerder zal worden veroordeeld aan hem – verzoeker – te betalen de som van f. 7.623,– vermeerderd met de rente hierover ad 6% per jaar, vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening, zijnde vermeld bedrag het resterend deel van dat van f. 19.269,– gespecificeerd in het 4e ”dat” van het verzoekschrift welke specificatie als in dit vonnis letterlijk herhaald en geïnsereerd dient te worden aangemerkt;

Overwegende, dat verzoeker vordering niet kan worden toegewezen, omdat het Hof als gerecht in ambtenarenzaken ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 1 sub b van de Personeelswet, slechts bevoegd is tot kennisneming van vorderingen tot vergoeding van schade, welke in casu voor een gewezen landsdienaar is voortgevloeid uit een besluit of handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, hebbende verzoeker geen zodanig besluit of dergelijke handeling gesteld en zijnde daarvan ook niet gebleken (vgl. Vs. H.v.J. de dato 18 december 1970 No. 15);

Overwegende, dat aan verzoeker akte van rectificatie van Stichting Jaikreek en Phedra in Stichting jaikreek en Phedra in liquidatie zal worden verleend;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Verleent verzoeker akte van rectificatie in voege als voormeld;

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering.

SRU-HvJ-1999-34

M.R.S.

A – 396.

[Verzoeker], wonende te [district], ten deze domi­cilie kiezende aan [Adres 1], ten kantore van Mr.H.E.STRUIKEN, advokaat, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procu­reur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suri­name, kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gra­venstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advo­kaat, verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [Verzoeker] zich bij verzoek­schrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1) dat verzoeker hierbij de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,

afdeling Ministerie van Justitie en Politie, in rechte verte­genwoordigd wordende door de Procu­reur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suri­name, kantoorhoudende te harer Parkette aan de Gravenstraat no.3, te Paramaribo, verweerder;

2) dat verzoeker sedert 1981 te werk is gesteld bij de Technische Dienst van het Korps Politie Suriname en wel laat­stelijk in de functie van Ambtenaar A 3e klasse te Geyers­vlijt;

3) dat verzoeker blijkens hierbij overgelegd schrijven d.d. 19 juni 1997 gericht aan het Hoofd Personeelszaken van het Korps Politie Suriname gevraagd heeft waar en bij wie hij zich moest aanmelden voor de hervatting van zijn werkzaamheden, dit nadat verzoeker voor lange tijd met ziekte verlof was geweest en na voor de keuringscommissie te zijn verschenen zijn werk­zaamhe­den moest hervatten zij het onder stringente beperkingen voor zo wat de aard en duur van zijn werkzaamheden. Verzoeker legt een fotocopie van dit schrijven over en verzoekt de inhoud hiervan als letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen;

4) dat verweerder sinds januari 1997 t/m heden het salaris van de verzoeker heeft geblokkeerd en wel in strijd met de Personeelswet en geen der in artikel 30 Personeelswet limita­tief opgegeven gronden aanwezig zijn om het salaris van ver­zoeker in te houden;

5) dat verzoeker op 19 juni 1997 en diens raadsman op 21 juli 1997 respectievelijk aan het Hoofd Personeelszaken en de Korpschef een schrijven terzake hebben doen toekomen.

Verzoeker legt voormelde brieven in copie over en verzoekt de inhoud hiervan als woordelijk herhaald en geinsereerd te beschouwen;

6) dat op voormelde brieven geen reactie van de personen aan wie de brieven zijn gericht is ontvangen;

7) dat verzoeker bij verzoekschrift d.d. 10 november 1997 Algemeen Register no. 4473 van het jaar 1997 een kort geding procedure tegen verweerder heeft aangespannen waarna de ver­weerder het niet betaalde salaris over 1997 van verzoeker betaalbaar heeft doen stellen eveneens dat van januari 1998.

8) dat op februari 1998 verweerder bij exploit van deurwaar­der D.Hieralal no. 50 aan de heer [Naam 1] huisge­noot van verzoeker een beschikking d.d. 29 juli 1997 met het kenmerk K.A. [nummer 1] heeft doen betekenen van welke beschik­king verzoeker onlangs pas kennis heeft gekregen en waarmede ver­zoeker zich niet kan verenigen en derhalve het Hof in rechte adieert;

9. dat verzoeker zich gegriefd voelt door het feit dat pas na bijkans 7 maanden na het verweerschrift van verzoeker en pas nadat verzoeker een kort geding procedure heeft aangespan­nen tegen verweerder om betaling van salaris te bekomen de verweerder een besluit tot ontslag neemt jegens verzoeker op grond van onwettig verzuim terwijl zulks onjuist is omdat verzoeker vanwege de specialist Drs.H.H. Alberga, neuroloog, ziekteverlof had verkregen terwijl later lichte dienst aan verzoeker was voorgeschreven en hij zich voor dienst hervat­ting had aangemeld maar hem geen werkzaamheden werden opgedra­gen.

10) dat ook nadat verzoeker een kort geding procedure tegen verweerder had aangespannen werd hem gezegd dat hij zich voor dienst hervatting moest aanmelden hetgeen hij ook gedaan heeft bij welke gelegenheid hem werd medegedeeld dat hij voorlopig thuis moet blijven tot nader bericht.

11) dat het ontslagbesluit van verweerder in strijd is met de Personeelswet in strijd is met de waarheid om redenen hiervo­ren vermeld en derhalve voor nietig verklaring in aanmerking komt, bovendien is het besluit zo lang geleden genomen nadat volgens de Staat feitelijke daadzaken zich hebben voorgedaan, kennelijk onredelijk en in strijd is met de algemene beginse­len van behoorlijk bestuur onder meer het beginsel van rechts­zekerheid. Het is niet juist dat een ambtenaar zo lang in het ongewisse wordt gelaten door de overheid over een beslissing omtrent zijn werkzaamheden.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevor­derd:dat bij vonnis:

a. het besluit van de Minister van Justitie d.d. 29 juli 1997 K.A.[nummer 1] waarbij aan verzoeker de tuchtstraf van ontslag uit het Korps Politie Suriname (Staatsdienst) is opgelegd zal worden vernietigd dan wel nietig zal worden verklaard, althans een zodanige straf zal worden toegepast als het Hof in goede justitie in redelijkheid en billijkheid zal vermenen te behoren.

b. verweerder zal worden veroordeeld om aan verzoeker zijn salaris over de maand februari 1998 en de inmiddels verschenen maanden te betalen met alle volgens de Personeelswet en daar­bij behorende wettelijke regelingen behorende toelagen. Kosten rechtens.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wette­lijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aange­voerd:

1. Verweerder ontkent en betwist alhetgeen niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn aveu, onder aanbod van bewijs con­form recht en wet.

2. Verweerder wenst het Hof van Justitie in chronologische volgorde inzicht te verschaffen in het funktioneren van ver­zoeker, de maatregelen die daardoor genomen werden en de rechtvaardiging daarvan.

2.1 Wegens langdurige afwezigheid wegens ziekte werd verzoe­ker naar de Geneeskundige Commissie verwezen voor herkeuring. De voornoemde Commissie kwam tot de bevinding dat voor verzoe­ker vrijstelling van dienst wegens ziekte voor herstel van gezondheid voor de tijd van 01 januari 1995 tot en met 15 mei 1996 noodzakelijk was.

3. Na expiratie van vermelde periode heeft verzoeker zich voor diensthervatting aangemeld bij zijn direkte chef, de Inspekteur van Politie Eerste Klasse tevens Hoofd van de Technische Dienst, de heer [naam 2], die verzoeker heeft inge­deeld bij de Service-afdeling van gemelde dienst. Verzoeker weigerde de hem opgedragen werkzaamheden te verrichten op bedoelde afdeling en hij is weggegaan zonder zich weder voor dienstwerkzaamheden aan te melden. Bij schrijven d.d. 12 juni 1997 heeft het Hoofd van de Technische Dienst het vorenstaande gerapporteerd aan de Korpschef.

3.1. Bij schrijven d.d. 18 juni 1997 heeft de Korpschef ver­zoeker in de gelegenheid gesteld zich te verweren, hetgeen verzoeker heeft gedaan bij schrijven d.d. 19 juni 1997. Dit verweer is niet steekhoudend bevonden.

3.2. Het gevolg van het voorgaande is dat verzoeker bij be­schikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 29 juli 1997 [nummer 2] (K.A.[nummer 1]) uit staatsdienst is ontslagen.

3.3. Deze beschikking is bij aangetekend schrijven per post naar verzoeker verzonden op het bij de Korpsleiding bekende adres van verzoeker n.l. [adres 1], [wijk], welke brief als onbesteld verweerder bereikte wegens adreswij­ziging. Verweerder heeft de Korpsleiding noch zijn direkte chef in kennis gesteld van de adreswijziging en evenmin heeft verzoeker op andere wijze doen blijken dat zijn adres gewij­zigd is.

3.4 Verzoeker heeft zich toen op voorstel van de raadsman van de Staat Suriname tijdens het door hem aanhangig gemaakte kort geding proces bekend onder A.R.No.974473, aangemeld bij het Hoofd Personeelszaken van het Korps politie, dat hem verwees naar de afdeling Agenda voor het in ontvangst nemen van zijn ontslag beschikking. Verzoeker heeft geweigerd de beschikking in ontvangst te nemen. Zie het schrijven van voormeld Hoofd d.d. 15 september 1997.

3.5 Gaandeweg voormeld proces kwam de raadsman van de ver­weerder achter het adres van verzoeker. Toen werd op 28 janua­ri 1998 de ontslagbeschikking aan verzoeker betekend bij deurwaardersexploit. Omdat achteraf is gebleken dat slechts een deel van de ontslagbeschikking aan verzoeker was betekend, heeft de deurwaarder op 3 februari 1998 op hetzelfde adres als de vorige betekening opnieuw de volledige beschikking betekend aan de heer [Naam 1], schoonvader tevens huisge­noot van verzoeker.

4. Rechtens staat door de erkentenis van verzoeker, zie 8e sustenu van het rekest, tussen partijen vast dat hij de ont­slagbeschikking heeft ontvangen. Verzoeker is evenwel niet exact in de datum waarop hij de ontslagbeschikking heeft ontvangen en de aanduiding ”ONLANGS” voldoet niet aan zijn stelplicht gestelde eisen in verband met de ontvankelijkheid van verzoekersvordering ondermeer ex artikel 80 Personeelswet. Verweerder ontkent met klem dat verzoekers huisgenoot, de heer [Naam 1], de beschikking op een latere datum dan één maand voor de datum van indiening van de onderhavige vordering door verzoeker op 28 april 1998 aan verzoeker heeft overhandigd althans ter kennis van verzoeker is gekomen.

4.2 Uit het vorenstaande blijkt dat het aan verzoeker gegeven ontslag heeft plaatsgevonden bij beschikking d.d. 29 juli 1997 terwijl zijn verweer 19 juni 1998 is gedateerd dus een tijds­duur van nauwelijks een en een halve maand. Deze termijn is redelijk en niet in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur i.h.b. het zekerheidsbeginsel. Voor de tijdsduur voor het ter kennis brengen van verzoeker van het besluit althans ter kennis komen daarvan van verzoeker verwijst verweerder naar hetgeen hij hieromtrent hiervoren heeft vermeld.

5. Het is onwaar dat verzoeker geen werkzaamheden zijn opgedragen. Zoals in punt 3 van dit verweerschrift is vermeld, heeft verzoeker geweigerd te werken en is hij van het werk weggebleven.

5.2 Aan verzoeker is, in tegenspraak met hetgeen hij in punt 10 van het verzoekschrift heeft gesteld, medegedeeld om zijn ontslagbeschikking in ontvangst te nemen bij de afdeling Agenda, hetgeen hij geweigerd heeft. Verzoeker is op eigen gezag weggebleven. Nimmer is hem gezegd om voorlopig thuis te blijven.

5.3 Zoals eerder gesteld, was het adres van verzoeker onbe­kend bij de korpsleiding en zijn direkte chef. Verzoeker heeft verzuimd zijn adreswijziging aan de korpsleiding door te geven vandaar dat een aan hem aangetekend verzonden brief op het oude bij de korpsleiding toen bekend adres, als onbesteld werd geretourneerd wegens adreswijziging.

Verweerder ontkent enig beginsel van behoorlijk bestuur jegens verzoeker te hebben geschonden.

6. Verzoeker heeft salaris ontvangen tot en met januari 1998. Na de betekening van de ontslagbeschikking maakt verzoe­ker geen aanspraak op salaris.

7. Van alle aangehaalde en overgelegde bescheiden wordt de inhoud hier als letterlijk herhaald en geinsereerd (lees erbij:beschouwd.).

Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft gecon­clu­deerd:
dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans hem deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewe­zen.

Overwegende, dat ingevolge s’Hofs beschikking van 3 juli 1998 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, ver­zoeker in persoon, advokaat Mr.H.E.Struiken gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr.A.R.Baarh, gemachtigde van ver­weer­der en de heer [naam 3], Inspecteur van politie 3e klasse, plaats­ver­vanger Hoofd Personeelszaken, namens verweerder, in Raadkamer zijn verschenen, en hebben ver­klaard gelijk in het daarvan opge­maakte – hier als ingelast te be­schou­wen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker bij repliek pleidooi een produktie overgelegd waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvan­kelijk had be­paald op 7 mei 1999, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het verzoekschrift strekkende tot:

a. vernietiging althans nietigverklaring van het be­sluit van de Minister van Justitie d.d. 29 juli 1997 K.A. [nummer 1] waarbij aan verzoeker de tuchtstraf van ontslag uit het Korps Politie Suriname (Staatsdienst) is opgelegd, althans toepassing van zodanige straf als het Hof in goede justitie in redelijkheid en billijkheid zal vermenen te behoren;

b. veroordeling van verweerder om aan verzoeker zijn salaris over de maand februari 1998 en de inmiddels verschenen maanden te betalen met alle volgens de Personeelswet en daarbij beho­rende wettelijke regeling behorende toelage, ter Griffie van het Hof van Justitie ingekomen is op 28 april 1998;

Overwegende, dat als onbetwist tussen partijen en ook voor het Hof vaststaat, dat de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 29 juli 1997 K.A.[nummer 1], waarbij aan verzoeker als ambtenaar A 3e klasse in dienst bij het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie, wegens ernstig plichtsverzuim ingevolge artikel 61 van de Personeels­wet (G.B. 1985 no.41) de tuchtstraf van ontslag uit het Korps Politie Suriname (Staatsdienst) is opgelegd, bij exploit van deurwaarder bij het Hof van Justitie

D.Hie­ralal d.d. 3 februari 1998 no.50, betekend is aan verzoe­ker zijn huisgenoot tevens schoonvader, [Naam 1];

Overwegende, dat, naar uit het zijdens verweerder gevoerd verweer blijkt verweerder zich beroepen heeft op de niet-ontvankelijkheid van de ingestelde vordering in verband met de overschrijding van de termijn van een maand, als vastgesteld in artikel 80, lid 1, sub b van de personeelswet, weshalve het Hof voor alles over de gegrond­heid van dit beroep zal oorde­len;

Overwegende, dat verzoeker in het 1ste ”dat” van zijn pleitnota de dato 16 oktober 1998 heeft gesteld, dat de be­slissing van verweerder hem door de heer [Naam 1] op 8 april 1998 ter hand is gesteld, waartegenover verweerder gesteld heeft, dat de [Naam 1 variant] het desbetreffende exploit terstond althans korte tijd daarna, doch lang vóór 8 april 1998, aan verzoeker ter hand heeft gesteld;

Overwegende, dat verzoeker bij repliek pleidooi de dato 22 januari 1999 onder meer gepersisteerd heeft bij alhetgeen bereids door hem bij pleidooi is aangevoerd en zonodig daarvan bewijs heeft aangeboden;

Overwegende, dat nu, naar het oordeel van het Hof, het zijdens verzoeker gedaan bewijsaanbod te vaag is, gaat het Hof aan dat bewijsaanbod voorbij;

Overwegende, dat het Hof er dan ook van uitgaat dat de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 29 juli 1997 K.A.[nummer 1] conform arti­kel 5 lid 2 sub c van de personeelswet, d.i. op 3 febru­ari 1998, aan verzoeker is betekend en nu verzoe­ker, door pas op 28 april 1998 van gemel­de beschikking in beroep te komen bij het Hof, d.i. op de 84 ste dag nadat die beschikking ter kennis van hem is gebracht, terwijl de wet slechts een maand daarna toestaat, dient hij, verweerders terzake gedaan beroep gegrond achtend, in zijn tegen verweerder ingestelde vordering strekken­de tot vernieti­ging danwel nietigverklaring van de be­schikking van de Minis­ter van Justitie en Politie de dato 29 juli 1997 K.A.[nummer 1] niet ontvankelijk te worden verklaard;

Overwegende, dat het onder b van het petitum gevorderde als een sequeel van het onder a gevorderde, hetzelfde lot dient te ondergaan;

Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn tegen verweerder ingestelde vorderingen.

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openba­re te­recht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 2 JULI 1999, in tegen­woor­digheid van Mr.M.E.V­AN GENDE­REN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door zijn gemachtig­de, advokaat Mr.H.E.Struiken en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.T.Gangaram-Panday, namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzit­ting ver­sche­nen.

 

 

 

SRU-HvJ-1990-7

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 27 juli 1990
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en F.F.P. Truideman)

[verzoeker], wonende aan [adres] in het [district], advokaat Mr. Y.V. van TRIGT, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, (het Ministerie van Economische Zaken), rechtspersoon in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de Gravenstraat no. 3, advokaat, Mr.Dr. C.D. OOFT, verweerder.

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

l. dat verzoeker een vordering als bedoeld bij artikel 80 van de Personeelswet wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME (Ministerie van Economische Zaken) rechtspersoon in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 3, verweerder;
2. dat verzoeker is ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Personeelswet;
3. dat verzoeker als Hoofdarchivaris vanaf 1 augustus 1980 tot en met 25 augustus 1981 heeft waargenomen als Hoofd van de Afdeling Post- en Archiefzaken van het Ministerie van Economische Zaken.
Als produkties worden hierbij overgelegd een fotokopie van de beschikking van het Ministerie van Financiën en Economische Zaken d.d. [datum 1] no. [nummer 1] alsmede een fotokopie van de overdracht op 25 augustus 1981 met verzoek aan het Hof de inhoud hierbij als letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen (zie prod. 1 en 2);
4. dat verzoeker herhaaldelijk laatstelijk bij brieven d.d. 1 maart 1989 en 11 mei 1989 verweerder heeft gevraagd de hem toekomende waarnemingstoelage over de periode van waarneming als genoemd in punt 3 zijnde 20% van het minimum salaris van de waargenomen funktie (schaal 14) aan hem uit te betalen;
Als produkties worden hierbij overgelegd een fotokopie van de brieven van 1 maart 1989 en 11 mei 1989 alsmede een fotokopie van het bezoldigingsbesluit (G.B. 1980 no. 153) zie prod. 3, 4 en 5);
5.dat verweerder tot op heden niet gereageerd heeft op eerder genoemde brieven waardoor geconcludeerd wordt dat verweerder weigert verzoeker de waarnemingstoelage als onder sub 4 gemeld zijnde een bedrag van ƒ 4.531,20 (ƒ 1.044,– – ƒ 690,– x 12 4/5) (VIERDUIZEND VIJFHONDERD EN EEN EN DERTIG 20/100 GULDEN) aan verzoeker te betalen;
6. dat voorschreven handelswijze van verweerder niet alleen wanprestatie oplevert jegens verzoeker maar ook in strijd is met de in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd: dat verweerder zal worden gelast het nodige terzake te verrichten opdat verzoeker een waarnemingstoelage voor de periode 1 augustus 1980 tot en met 25 augustus 1981 zijnde een bedrag van ƒ 4.531,20 ontvangt binnen een door het Hof te bepalen termijn althans verweerder zal worden gelast binnen een door het Hof te bepalen termijn overeenkomstig de uitspraak van het Hof een besluit ten aanzien van het verzoek van verzoeker om toekenning van een waarnemingstoelage te nemen op straffe van een dwangsom van ƒ 150,– per dag door verweerder aan verzoeker te betalen voor elke dag dat hij in gebreke blijft aan het door het Hof·te wijzen vonnis te voldoen, kosten rechtens;

Overwegende, dat vervolgens van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarin het navolgende wordt aangevoerd:
1. Verweerder erkent het feit dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet, geldende tekst, S.B. 1985 no. 41;
2.Verweerder ontkent ten stelligste het door verzoeker in zijn inleidend rekest gestelde onder punt 3, als zou verzoeker in de hoedanigheid van Hoofdarchivaris vanaf 1 augustus 1980 tot 25 augustus 1981, hebben waargenomen als Hoofd van de afdeling Post- en Archiefzaken van het Ministerie van Economische Zaken. Als produktie is daarbij overgelegd de gezamenlijke Ministeriële Beschikking van Financiën en Economische Zaken, d.d. [datum 1] no. [nummer 1].

Met verwijzing naar deze laatste produktie dient opgemerkt te worden dat de grondslag van de werkzaamheid van verzoeker als Hoofdarchivaris bij de afdeling Post- en Archiefzaken van het Ministerie van Economische Zaken, niet ontstond doordat verzoeker met de waarneming van die post was belast maar dat hij gewoon werd belast met de functie.

Het onderscheid tussen de uitdrukkingen:
a. belast met de waarneming en
b. belast met de functie
komt vooral in de praktijk van het ambtelijk bestel herhaaldelijk tot uitdrukking o.a. wanneer van een waarneming geen sprake kan zijn omdat de functie of niet is opengevallen c.q. de vervanger helemaal niet gekwalificeerd is om waar te nemen.
In het geval van verzoeker, de heer [verzoeker], voornoemd, is met overleg in de hierboven aangehaalde beschikking gesproken van ”Belast zijn met de leiding van de afdeling”.
In feite werd verzoeker bevorderd om zo gekwalificeerd te zijn voor een benoeming in die functie van Hoofdarchivaris (referte punt 1 onder c), waar ook de bevordering van verzoeker is gesteld, om hem daarna te belasten met de leiding van de afdeling (van waarneming is geen sprake).
Ten grondslag van deze wijze van de positieregeling van verzoeker ligt het Staatsbesluit van 13 maart 1976 no. 123 (hierbij gevoegd met verzoek deze produktie als in dit verweer woordelijk geïnsereerd te willen beschouwen), waarbij de rang van Hoofdarchivaris is de Salarisregeling van het Personeel in dienst van de overheid werd opgenomen.
Verwezen moge worden naar punt 1 onder B van dit Staatsbesluit waarin de Hoofdarchivaris kan dienen in schaal XI, wanneer hij niet in het bezit is van enig S.O.D. diploma;
schaal XII – wel in het bezit van S.O.D.I, in Nederland behaald diploma, schaal XIII – in het bezit van zowel S.O.D.I als S.O.D.II, idem.
Juist om verzoeker te kunnen subsumeren onder de werking van dit Staatsbesluit werd hij eerst bevorderd tot Hoofdarchivaris, en daarna met de leiding van de afdeling belast.
Was de post definitief opengevallen dan zou verzoeker·niet slechts worden belast met de leiding doch worden benoemd. Hij kon evenwel niet worden benoemd omdat de post nog niet was opengevallen, omdat een ander.in die post was benoemd, doch met buitenlands verlof afwezig was.
3.Van ”waarneming in een funktie” in de zin van artikel 22 van de Personeelswet is er dan ook geen sprake geweest t.a.v. verzoeker in de periode waarvoor hij waarnemingstoelage, (4e en 5e sustenu) vraagt.
Evenmin is daarom sprake van een weigering van verweerder om aan verzoeker een waarnemingstoelage toe te kennen van 20% van het minimumsalaris van functionaris – mevr. [naam 1] – toen dienende in schaal XIV, maar dan ook in het bezit van een Mulo-diploma, het Surnumerairs-diploma, het Certificaat van Archiefverzorging, het diploma S.O.D.I en gedeeltelijk S.O.D.II.
Van waarneming was in casu geen sprake en wordt ook het gestelde in het 6e sustenu door verweerder ten stelligste tegengesproken. Wanprestatie, noch strijd met enig in het Algemene rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur doen hier opgeld.
Dat mevr. [naam 1] in schaal XIV kwam te dienen is louter het gevolg van eigen ijver, diensttijd en studie. Van verzoeker kan gesteld worden dat hij slechts bezitter is van het Mulo-diploma, Surnumerairs-diploma en het Certificaat van Archiefverzorging. Voor hem stond dus open, om na bevorderd te zijn tot Hoofdarchivaris in de loop van zijn diensttijd vanuit schaal XI verdere promoties te maken, b.v. na het behalen van het S.O.D. diploma en door ijver en geschiktheid zichzelf in hogere rang waardig te maken.
4. Tenslotte zij vermeld dat verzoeker op [datum 2] bij beschikking van dezelfde datum no. [nummer 2] (hierbij gevoegd met verzoek deze als in dit verweer geïnsereerd te willen beschouwen werd overgeplaatst naar de afdeling Beleidsvoorbereiding. Verzoeker heeft zich vanaf 1981 dejure en defacto berust in de eerder gekregen bevordering en de daarna te zijnen aanzienplaats gehad hebbende mutaties en rangindeling. Omstandigheden, welke ten grondslag liggen aan de opvatting dat verzoeker met zijn vordering bij het Hof van Justitie te laat is;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:
dat verzoeker op grond van al het voorgaande, niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering, c.q. hem deze zal worden ontzegd als zijnde tardief, ongegrond, niet op de Personeelswet steunende en niet bewezen, kosten rechtens;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 31 juli 1989 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr. I. van Trigt, de heer S.R.C. Uiterloo, Onder-direkteur Administratieve Diensten van het departement van Economische Zaken, en Dr.Mr. C. Ooft namens de Staat, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, onder overlegging van produkties, waarvan de inhoud als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vervolgens vonnis in de zaak heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet;

Overwegende, dat verzoeker bij een op 14 juni 1989 ter griffie ingezonden verzoekschrift, het Hof heeft verzocht rechtdoende in ambtenarenzaken – aldus het petitum opvattend – verweerder een dwangsom van ƒ 150,– per dag op te leggen, te verbeuren voor het verder achterwege laten van het nemen van een besluit of het verrichten van een handeling, strekkende tot toekenning aan hem – verzoeker – van een waarnemingstoelage over de periode 1 augustus 1980 tot en met 25 augustus 1981, een bedrag van ƒ 4.531,20 belopende;

Overwegende, dat verzoeker bij gezamenlijke Ministeriële Beschikking van Financiën en Economische Zaken d.d. [datum 1]no. [nummer 1] is bevorderd tot Hoofdarchivaris (schaal 11: 773-905) en tevens belast met de leiding van genoemde afdeling (afdeling Agenda en Archief van het Departement van Economische Zaken), aangezien het Hoofd van betrokken afdeling, mej. [naam 1], te rekenen van genoemde datum vrijstelling van dienst is verleend en in aansluiting daarop verlof wegens langdurige onafgebroken dienst en waarbij aan haar te rekenen van 1 februari 1981 ontslag uit Staatsdienst wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zal worden verleend;

Overwegende, dat verzoeker zich terecht beroept op het feit, te hebben waargenomen op de afdeling Agenda en Archief, wordende immers blijkens de naar vaste rechtspraak aanvaarde leer onder ”waarneming” verstaan het belasten van een ambtenaar met de waarneming van een hogere taak door de hoogste functionaris van een departement, hetgeen moge blijken uit de hiervoren aangehaalde volzin onder C van de gezamenlijke Ministeriële Beschikking van Financiën en Economische Zaken d.d. [datum 1];

Overwegende, dat verweerder zich als formeel verweer van verste strekking, er op beroepen heeft, dat verzoeker niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vordering, omdat verzoeker niet binnen de bij de Wet Voorgeschreven termijn die vordering heeft aanhangig gemaakt;

Overwegende, dat verweerder blijkbaar het oog heeft op het bepaalde in artikel 80 lid 2 sub c Pw. luidende:
”Vorderingen als bedoeld in artikel 79, eerste lid, aanhef en onder b en c, zijn niet-ontvankelijk indien zij zijn ingesteld;
– voor zover zij betrekking hebben op een niet genomen beslissing dan wel nagelaten handeling
– meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 tweede lid geacht wordt het besluit te hebben genomen”. En artikel 78 tweede lid: ”Een orgaan wordt mede geacht een besluit te hebben genomen:
a. indien het heeft nagelaten binnen de daarvoor gestelde termijn – of, zo een tijdsbepaling ontbreekt, binnen drie maanden – een verplichte handeling te verrichten;
b. indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek”;

Overwegende, dat artikel 78 lid 2 sub a inhoudt, dat na verloop van de aangegeven periode het orgaan moet hebben beslist en wel afwijzend;
– dat van deze afwijzing, welke als een beslissing van het beroepsorgaan mag worden aangemerkt, binnen een maand nadat het afwijzend besluit ter kennis van klager is gekomen, het Hof als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken kan worden geadieerd; lid 2 sub b van gemeld artikel gaat er van uit, dat een orgaan mede geacht wordt een besluit te hebben genomen indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek;

Overwegende, dat alvorens te oordelen of verweerders formeel verweer al dan niet gegrond is, het Hof informatie van partijen behoeft, eventueel gestaafd door relevante bescheiden (brieven), waartoe het Hof een comparitie van partijen zal gelasten;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Alvorens definitief te beslissen:
Gelast partijen, verzoeker in persoon, verweerder deugdelijk vertegenwoordigd, desverlangd vergezeld van derzelver gemachtigden, om in één der zalen van dit Hof voor het Hof te verschijnen en wel op Vrijdag, 27 april 1990 te 11.00 Uur tot het verstrekken van inlichtingen eventueel gestaafd door bescheiden (brieven);

Houdt iedere verdere beslissing aan.

 

[verzoeker], wonende aan [adres] in het [district], advokaat Mr. Y.V. van. TRIGT, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, (het Ministerie van Economische Zaken), rechtspersoon in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de Gravenstraat no. 3, Mr.Dr. C.D. OOFT, verweerder.

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Hot Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 23 maart 1990 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzend naar en overnemend hetgeen bereids in ’s Hofs interlocutoir vonnis is overwogen en beslist en voorts:

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr. Y.V. VAN TRIGT, de heer H.H. ALBERTZOON, Hoofd Personeelszaken en waarnemend Onder-Direkteur Administratieve Diensten van het Ministerie van Economische Zaken en de gemachtigde van verweerder, advokaat Mr.Dr. C.D. OOFT, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen hierna als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies na gehouden comparitie van partijen hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof vervolgens vonnis in de zaak heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof volhardt bij zijn interlocutoir vonnis, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 23 maart 1990 en hetgeen dienaangaande werd overwogen;

Overwegende, dat verzoeker in het onderhavige geding heeft doen brengen:
– een schrijven de dato 22 juni 1988, waarin ondermeer vervat diens verzoek om toekenning aan hem van een toelage in verband met de waarneming op de afdeling Agenda en Archief gedurende de periode 1 augustus 1980 tot en met 1 september 1981;
– een rappèlschrijven de dato 5 oktober 1988;
– een schrijven de dato 27 december 1988, waarin onder meer gerefereerd wordt aan het schrijven van 22 juni 1988, houdende ondermeer het verzoek alsnog te willen realiseren het in het schrijven van 22 juni 1988 vervat verzoek;

Overwegende, dat het schrijven van 22 juni 1988 moet worden aangemerkt als een verzoek in de zin der Personeelswet;

Overwegende, dat op dit verzoek dan ook een beslissing diende te worden genomen zijdens verweerder binnen zes maanden na de datum van ontvangst, zijnde 27 juni 1988, dus op uiterlijk 27 december 1988 (vide artikel 78 lid 2 sub b Personeelswet), wat inhoudt, dat na het verlopen van de aangegeven periode het orgaan, in casu de Minister van Transport, Handel en Industrie, moet hebben beslist en wel afwijzend;

Overwegende, dat verzoeker, die na 27 december 1988, zijnde zes maanden na ontvangst op 27 juni 1988 door verweerder van het schrijven van 22 juni 1988, geen beslissing van verweerder had vernomen, hetgeen neerkwam op een afwijzing op zijn verzoek, binnen drie maanden na 27 december 1988 de burgerlijke rechter in ambtenarenzaken had moeten adiëren, (vide artikel 80 lid 2 sub c Pw.);

Overwegende, dat blijkens aantekening van de Griffier van het Hof van Justitie verzoeker op 14 juni 1989, dus langer dan 5 maanden na 27 december 1988, de onderhavige vordering tegen verweerder heeft ingesteld, hetgeen te laat is en moet leiden tot alsnog niet ontvankelijk verklaring van verzoeker in zijn vordering;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker kennelijk getracht heeft de ontvankelijkheid van de vordering ”te doen herleven” door op 1 maart 1989 een schrijven te richten aan de Directeur van Economische Zaken, betrekking hebbend op de waarneming van verzoeker;
– dat, toen daarop geen reactie kwam, die gemachtigde op 11 mei 1989 een rappèlschrijven heeft doen toekomen aan de Directeur voornoemd;

Overwegende, dat de verweerder terecht niet heeft gereageerd op die brieven, op grond dat zulks zou neerkomen op een onbehoorlijke procesgang, welke de Personeelswet niet toelaat;

Overwegende, dat het Hof er toch op wijst, dat verzoeker kennis draagt van de resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. [datum 3] no. [nummer 3], waarbij aan de heer [naam 2], naar verzoeker stelt:
zijn opvolger, een waarnemingstoelage is toegekend over een periode van 1. augustus 1985 tot 21 december 1985 en wel spontaan, ruim drie jaren na verloop van de waarnemingsperiode;
– dat hij, verzoeker van oordeel is, dat ook hem na jaren, zijn waarnemings-toelage uitgekeerd had dienen te worden;
– dat echter, ondanks zijn verzoek daartoe de verweerder nimmer op zijn brieven heeft gereageerd en hij genoodzaakt was het onderhavige proces aanhangig te maken;
– dat tegen hem dus met een andere maat wordt gemeten, aldus verzoeker;

Overwegende, dat het Hof na al het voorgaande – ondanks het feit, dat verzoeker niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering, en mede gelet op de brief van het Hoofd van de afdeling P.A.Z. d.d. [datum 4] no. [nummer 4], naar de inhoud waarvan kortheidshalve werd verwezen, – aan verweerder in ernstige overweging wordt gegeven om redenen van redelijkheid en billijkheid, ook verzoeker alsnog in aanmerking te doen brengen voor toekenning van de verlangde waarnemingstoelage;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Verklaart verzoeker alsnog niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.

 

 

 

SRU-HvJ-1999-33

M.R.S.

GENERALE ROL NO: 14007.

[appellante], wonende te [district] aan [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.P.BOLDEWIJN, advokaat, appellante tevens geïntimeerde in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres 2] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.J.BRUMA, advokaat, geintimeer­de tevens appellant in Kort Geding,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 17 juli 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voor­meld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen compari­tie van partijen niet is gehouden, waarna deze gesloten werd verklaard;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna – hier als geinsereerd aan te merken – schrifte­lijke conclusies na niet gehouden comparitie van par­tijen hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis had be­paald op 9 april 1999, doch nader op heden;

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

1. Het Hof neemt hier over en volhardt bij hetgeen in zijn tussenvonnis van 17 juli 1998 is overwogen en beslist.

2. Op grond van de in zoverre niet bestreden stellin­gen van partijen en de inhoud van het proces-verbaal van bezichtiging van 9 december 1996 staat het volgende vast:

a. geintimeerde is eigenaar van het erf, gelegen aan [adres 3] te [district], en appellante is eigenaar van het daaraangrenzend erf, gelegen aan [adres 1].

b. op de grens tussen deze twee erven had geintimeerde een zinken schutting opgetrokken; die schutting hing over naar het erf van appellante, maakte een onstabiele indruk en leverde een gevaar op voor degenen die er langs liepen.

3. Appellante heeft als eiseres in eerste aanleg, voor zoveel hier van belang, gevorderd dat geintimeer­de, toen-gedaagde, zou worden gelast de schutting te repareren c.q. te ver­nieuwen onder verbeurte van een dwangsom van f.100.000,– per dag. Na tevergeefs getracht te hebben een minnelijke regeling tot stand te brengen, heeft de Kantonrechter, met het door hem uitgesproken doel het probleem waarmee partijen al geruime tijd kampten uit de wereld te helpen, geintimeerde gelast om op de plaats waar de zinken schutting had gestaan een heg c.q. heining van struikgewas ter hoogte van ten minste een meter aan te leggen.

4.1 Appellante heeft tegen het vonnis van de eerste rechter als grief opgeworpen dat blijkens artikel 690 BW een muur geenszins vervangen mag worden door een heining en de veroor­deling tot het doen plaatsen van een heg c.q. heining in strijd is met de wet. Zij heeft verder aangevoerd dat de Kantonrechter geen, althans in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met haar belangen, nu zij ten tijde van het bestaan van de ”experimentele” heining reeds te kennen had gegeven enorme overlast te ondervinden van loslopende straat­honden, die zich gemakkelijk een weg door de heining konden banen.

4.2. Geintimeerde heeft tegen het vorenstaande naar voren gebracht, kort gezegd, dat het beroep op artikel 690 BW geen doel treft, omdat tussen de erven nooit een muur heeft ge­staan, wel een schutting; verder, dat uit het beroepen vonnis blijkt dat de Kantonrechter zich heeft ingespannen om met alle belangen van partijen, ook met die van appellante, rekening te houden.

5. De strekking van artikel 690 BW is dat de ene buur, in beginsel, een solide afscheiding niet mag vervangen door een minder solide. Een redelijke wets­uitleg van artikel 690 BW brengt dan mee dat niet alleen een muur maar ook een uit zinkplaten bestaande schutting niet mag worden vervangen door een heg of heining. Het anders luidend oordeel van geintimeer­de gaat niet op en wordt verworpen.

6. Artikel 690 BW is van regelend recht, zodat de buren daarvan mogen afwijken. Dit artikel brengt dan mee dat appel­lante, behalve indien zij daarmee heeft ingestemd, niet hoeft te dulden dat geintimeerde de zinken schutting door een heg of heining vervangt. Hoewel genoemd wetsartikel zich niet tot de Kantonrechter richt, moet worden aangenomen dat een veroorde­ling als door de Kantonrechter uitgesproken slechts mogelijk is indien aan de Kantonrechter was gebleken dat appellante met de aanleg van een heining of heg in de plaats van de zinken­schutting, die er had gestaan, instemde. Dat dit laatste het geval was is niet gebleken. Integendeel blijkt uit de stukken van het geding in eerste aanleg dat geintimeerde de voorkeur gaf aan een afsluiting bestaande uit vier rijen op elkaar geplaatste bouwstenen met daarop (kippen) gaas of een ander materiaal. Het vonnis waarvan beroep kan daarom niet in stand blijven en behoort te worden vernietigd.

7. In het onderhavig geval had appellante gebruik moeten maken van het voor haar uit artikel 689 BW voortvloeiend recht om gedaagde te doen veroordelen om mede te werken aan en bij te dragen in de kosten van herstel van de schutting. Nu zij dit niet heeft gedaan maar heeft gevorderd om geintimeerde te veroordelen om die schutting te repareren c.q. te vernieuwen is zij niet ontvankelijk in haar vordering. Appellante zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Vernietigt het door de Kantonrechter op 8 mei 1997 uit­gesproken vonnis, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart appellante niet ontvankelijk in haar vordering.

Veroordeelt haar in de proceskosten aan de zijde van geintimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.1500,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van

f.1.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appel­lante op f.1500,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, funge­rend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de funge­rend-President uitgesproken ter openba­re terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 21 mei 1999, in tegen­woordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD-Substituut-Grif­fier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.E.S.OMBRE

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.