SRU-K1-2011-1

Kantongerecht in het Eerste Kanton
A.R. no. 043495
15 februari 2011

Vonnis in de zaak van

NATIONAL PLASTICS EN CO LTD,TEN RECHTE GEHETEN N.V. NATIONAL PLASTICS SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende aan de F. Kallenweg no. 11 en domicilie kiezende te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigden: mr. F.F.P. Truideman en mr. D.F. Chocolaad, advocaten,

contra

DE CENTRALE BANK VAN SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
gedaagde sub a,
gemachtigde: mr. F. Kruisland, advocaat,

en

DE STAAT SURINAME, RECHTSPERSOON, MET NAME HET MINISTERIE VAN FINANCIEN, vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie te Paramaribo,
gedaagde sub b,
gemachtigde: mr. F. Kruisland, advocaat.

Hierna te noemen: “De Staat en de Centrale Bank”.

1. Het procesverloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 27 augustus 2004 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– een schriftelijke conclusie van antwoord;
– een schriftelijke conclusie van repliek met producties;
– een schriftelijke conclusie van dupliek met producties en uitlating producties;
– een schriftelijke conclusie tot uitlating producties;
– het proces-verbaal van een comparitie van partijen;
– een schriftelijke conclusie na gehouden comparitie zijdens eiseres, met producties;
– een schriftelijke conclusie tot uitlating producties zijdens gedaagde, met producties;
– met schriftelijke conclusie tot uitlating producties zijdens eiseres.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiseres heeft in de jaren 1988 tot en met 1992 grondstoffen geïmporteerd voor productie van plastic producten, waaronder de noodzakelijke verpakking voor onder andere eerste levensbehoeften;

2.2 Bij schrijven van 19 juli 1988 [nummer] heeft de Staat aan de President van de Centrale Bank medegedeeld dat er geen bezwaar bestaat, dat voormelde Bank garantie verleent op de aangeboden kredietfaciliteiten van eiseres;

2.3 Eiseres heeft voor de import van grondstof voor de vervaardiging van plastic materiaal diverse vergunningen verkregen van de Staat;

2.4 De Staat heeft bij schrijven van 12 januari 1990 toestemming verleend aan de President van de Centrale Bank van Suriname, om een Letter of Credit te openen voor een totaal bedrag van US$ 696.380,– zoals vermeld op de aangegeven vergunningen ten name van eiser;

2.5 De Staat heeft bij schrijven van 20 maart 1990, de Waarnemend President van de Centrale Bank van Suriname, medegedeeld dat er geen bezwaren bestaan om aan de leverancier van eiseres deviezen beschikbaar te stellen voor de levering van grondstoffen voor het vervaardigen van plastic zakken voor een totaal bedrag van US$ 350.000,–. Het interestpercentage is 0,5 % per maand;

2.6 De Centrale Bank van Suriname heeft aan Silver Star AEC op 26 maart 1990 geschreven dat “we herewith confirm that Centrale Bank van Suriname, Paramaribo will place foreign currency at the disposal of the local bankers of National Plastics N.V., Paramaribo for your delivery of petrochemical raw material for a total amount of US$ 350.000,–. This guarantee letter has a valid period of 8 months after signing date and expires if abovementioned conditions are not fulfilled. The interest percentage will be 0,5% per month”;

2.7 De Centrale Bank van Suriname heeft aan Silver Star AEC op 7 november 1990 geschreven dat “we herewith confirm that Centrale Bank van Suriname, Paramaribo will place foreign currency at the disposal of the local bankers of National Plastics N.N., Paramaribo for your delivery of petrochemical raw material for a total amount of US$ 350.000,–. This guarantee letter has a valid period of 8 months after signing date and expires if abovementioned conditions are not fulfilled. The interest percentage will be 0,5% per month”;

2.8 De Staat heeft bij schrijven van 9 april 1991 toestemming verleend aan de President van de Centrale Bank van Suriname om een letter of credit te openen tot een total bedrag van US$ 91.265,– bij de Hakrinbank N.V., voor de import van goederen zoals vermeld op aangegeven vergunningen van eiseres;

2.9 De President van de Centrale Bank van Suriname heeft bij schrijven van 29 juli 1998 aan eiseres meegedeeld de hoogte van haar openstaande schulden en voorstellen gedaan op welke wijze de schuld kan worden voldaan;

2.10 Eiseres heeft op bovengenoemd schrijven, schriftelijk gereageerd op 3 augustus 1998 en 25 september 1998;

2.11 De Centrale Bank van Suriname heeft bij schrijven van 21 oktober 1998 aan eiseres meegedeeld dat zij de zaak van eiseres zal voorleggen aan het Ministerie van Financiën, waarna er een definitief besluit zal worden genomen over de afwikkeling van de schuld;

2.12 De Centrale Bank van Suriname heeft bij schrijven van 21 oktober 1998 aan eiseres meegedeeld dat de eerste overmaking van de uitstaande schuld van eiseres zal bedragen US$ 460.000,00 waarvan eiseres haar bijdrage is gesteld op SF 82.790.000,00 zijnde 30% en die van de Staat SF 148.510.000,00 zijnde 70% tegen de afgesproken koers van 455;

2.13 De President van de Centrale Bank van Suriname heeft bij schrijven van 9 juli 1999 aan eiseres medegedeeld dat zij niet in staat zijn geweest om de zaak van eiseres af te handelen en dat zij die week US$ 50.000,00 ter beschikking zullen stellen;

2.14 De Centrale Bank van Suriname heeft bij schrijven van 14 september 1999 aan de President van de Republiek Suriname verzocht om de reeds goedgekeurde en uitgevoerde aanvullende overzichten alsnog te bekrachtigen daar waar er een kanttekening ontbreekt en die goed te keuren ten behoeve van de rekening “koersverschillen aflossing oude schulden” van de Bank en deze ten laste te brengen van de rekening van het Ministerie van Financiën. Voorts werd verzocht, voor een richtige uitvoering de Centrale Bank van Suriname te autoriseren en verdere afwikkeling in fasen ter hand te nemen steeds wanneer er fondsen beschikbaar komen en dat deel welk voor rekening van de overheid komt, ten laste te brengen van de rekening van het Ministerie van Financiën.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering
Eiseres wijzigt haar eis en vordert hetgeen is opgenomen in sustenu 18 van haar conclusie na gehouden comparitie, hetgeen als bijlage aan dit vonnis is aangehecht. Voorts vordert eiseres veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

3.2 De grondslag van de vordering
Eiseres voert als grondslag voor haar vordering aan dat de Staat en de Centrale Bank jegens haar wanprestatie plegen, omdat zij geen middelen ter beschikking hebben gesteld ter voldoening van de door de Bank met goedkeuring van de Staat gegarandeerde schulden.

3.3 Het verweer
Het verweer van de Staat en de Centrale Bank zal voorzover relevant, hierna worden besproken.

4. De beoordeling
4.1 Ontvankelijkheid: gedaagden voeren als verweer dat eiseres niet ontvankelijk is in haar vordering, omdat zij niet heeft gesteld en ook niet heeft bewezen dat op het tijdstip van het indienen van haar vordering, haar schuld aan derden nog niet was voldaan. Eiseres heeft geen enkele schuld aan Silver Star Enterprise of Silver Star AEC of welke derde dan ook. Indien en voorzover gedaagden enige verplichting jegens eiseres zouden hebben gehad om ter betaling van buitenlandse schuldeisers betaalmiddelen te harer beschikking te stellen, bestaat een dergelijke verplichting niet meer. Uit de stellingen van eiseres en de door haar overgelegde producties blijkt dat zij nog steeds een openstaande schuld heeft op haar schuldeisers. Er zijn geen feiten of omstandigheden aangedragen die het tegendeel doen blijken. In tegenstelling tot wat gedaagden beweren, is eiseres wel ontvankelijk in haar vordering tegen gedaagden.

4.2 Interessen. Eiseres stelt dat de renteclausules zijn vermeld in de vergunningen en garanties (die als bijlagen zijn overgelegd) die gedaagden zelf met eiseres zijn overeengekomen. Bovendien wordt door de Centrale Bank van Suriname in haar schrijven van 6 juli 2000 aan de raadsman van eiseres concrete toezeggingen gedaan met betrekking tot de aflossingsregeling en waarbij een rentevergoeding van 8% per maand wordt genoemd. Gedaagden voeren als verweer dat interessen de opbrengst zijn van door een persoon uit eigen vermogen belegd kapitaal (artikel 77 Wetboek van Koophandel), hetzij de vergoeding voor door een persoon uit eigen vermogen ter beschikking van een derde gesteld geld (artikel 1784 van het Burgerlijk Wetboek), welke dan een verbintenis om te geven als bedoeld in artikel 1255 van het Burgerlijk Wetboek is. Op gedaagden rustte geen verplichting tot betaling van een geldsom, waarbij een rentebeding was gemaakt, hetzij in het kader van een relatie van eiseres hetzij uit hoofde van het bepaalde in artikel 1271 van het Burgerlijk Wetboek. Uit de door eiseres overgelegde producties nummers 7, 8 en 9 is aangegeven dat buitenlandse betaalmiddelen ter beschikking zouden worden gesteld aan de leverancier van eiseres en/of de bankiers en niet aan eiseres zelf. Het gaat dus om een dienstverlening aan eiseres, een verbintenis om te doen. Bij een verbintenis om te doen kunnen dan ook rechtens nimmer interesseren worden bedongen van de schuldenaar, aangezien het niet de betaling van een geldsom betreft uit hoofde van belegde of ter leen verstrekte gelden. Eventuele toezeggingen die zouden zijn gedaan door gedaagden omtrent rentevergoeding zijn dan ook wegens strijd met het recht, rechtens van onwaarde. Voorts verbiedt de Comtabiliteitswet (G.B. 1953 no. 100 zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1997 no. 15) om rente te betalen. Partijen kunnen overeenkomen om bij overeenkomst af te wijken van wettelijke bepalingen, voozover die niet dwingend zijn. Uit de door eisers overgelegde bijlagen ( zie ook 2.5 tot en met 2.7 van de feiten in dit vonnis) en het schrijven van 6 juli 2000 blijkt dat gedaagden van de door hen genoemde wettelijke bepalingen (artikel 77 Wetboek van Koophandel, artikel 1784 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 1255 van het Burgerlijk Wetboek) zijn afgeweken. Artikel 1359 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat overkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd. Uitgaande van dit artikel had eiseres erop mogen vertrouwen dat gedaagden ook de overeengekomen interessen zouden betalen. Met voorgaande overweging wordt het verweer van gedaagden verworpen.

4.3 Vermeerdering van de eis: gedaagden verzetten zich met klem tegen de herformulering van het petitum aangezien eiseres haar eis heeft vermeerderd, hetgeen ingevolge artikel 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ongeoorloofd is. De door eiseres aangebrachte wijziging van eis in de conclusie na comparitie is naar oordeel van de kantonrechter een vermeerdering van eis. Gedaagden worden hierdoor in hun belangen geschaad. De inhoud van de verzochte wijziging is volgens artikel 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ongeoorloofd en zal daarom niet worden toegestaan.

4.4 Verlenen van vergunningen, Deviezenregeling en verplichting tot beschikbaar stellen van gelden aan eiseres, bevoegdheid CBVS en Deviezencommissie: eiseres stelt dat een vergunning de basis vormt tot het uiteindelijk beschikbaar stellen van deviezen. Uit het feit onder 2.4 van dit vonnis blijkt ondubbelzinnig dat het gaat om de door de Minister van Economische Zaken geautoriseerde opdracht aan de President van de Centrale Bank van Suriname tot het openen van een letter of Credit zijnde een bankaccredetief ten gunste van eiseres. Deze geautoriseerde vergunning waarin is opgenomen een rente – clausule is volledig in overeenstemming met de Wet van 8 sepember 1947 tot vaststelling van een Hernieuwde Regeling van het Deviezenverkeer in Suriname, namelijk Hoofdstuk 1 & 4 Vergunningen artikel 6 sub 1.

Gedaagden voeren het volgend verweer. Noch uit de Deviezenregeling van 1947 noch uit enige wettelijke bepaling blijkt dat door – of vanwege de Staat de middelen tot betaling van die goederen ook ter beschikking moeten worden gesteld. Ook uit de door eiseres aangeduide vergunningen blijkt een dergelijke verplichting van gedaagden, niet. Eiseres heeft niet kunnen waarmaken dat gedaagden de verplichting hadden om aan haar buitenlandse betaalmiddelen ter beschikking te stellen. Voorzover al vanwege de Staat buitenlandse valuta ter beschikking zouden worden gesteld aan private ondernemers zoals eiseres, dan is daartoe krachtens artikel 1 leden 2 en 8 van de Deviezenregeling 1947 uitsluitend de Deviezencommissie bevoegd. Eiseres stelt dat de vergunning de basis vormt voor de uiteindelijke beschikbaarstelling van de buitenlandse betaalmiddelen, zulks ingevolge artikelen 5, 1 lid 8 en 29 van voormelde wet. De grondwetgever heeft in artikel 42 lid 2 van die wet zeer uitdrukkelijk de regeling van het deviezenverkeer aan de wetgever opgedragen. Dat de President van de Republiek Suriname het algemeen deviezenbeleid bepaalt, doet aan het voorgaande niet af en brengt dus daarin geen verandering. Hij mag niet zelf de bevoegdheden van die instantie uitoefenen.

De grondwetgever heeft in artikel 42 lid 2 van die wet zeer uitdrukkelijk de regeling van het deviezenverkeer aan de wetgever opgedragen. Artikel 1 lid 2 van de Deviezenregeling 1947 bepaalt dat alleen de Deviezencommissie bevoegd is tot het verlenen van ingevolge die wet vereiste vergunningen en bevoegd is tot het ter beschikking stellen van buitenlandse betaalmiddelen (aan private ondernemers zoals eiseres), zulks ingevolge artikelen 5, lid 8 en 29 van voormelde wet. Deze bepaling is dwingend van aard en daarvan kan niet worden afgeweken. Uit de door eiseres overgelegde producties blijkt niet dat er een besluit is van de Deviezencommissie om buitenlandse betaalmiddelen ter beschikking te stellen van eiseres uit de deviezenreserve van gedaagden. De door eiseres geponeerde stellingen vervat in sustenu 6 en 7 van haar conclusie van repliek houden derhalve geen stand. Immers zijn de besluiten van de President van de Republiek van Suriname en gedaagden niet gebaseerd op de Deviezenregeling van 1947.

4.5 Garanties: eiseres stelt dat de door haar overgelegde producties het karakter dragen van een “confirmed guarantee letter” zijnde een geconfirmeerd bankaccreditief waarbij er niet alleen een rechtsverhouding is tussen de Centrale Bank van Suriname en de begunstigde (de leverancier), maar ook een rechtsverhouding tussen eiseres en de Centrale Bank van Suriname. Grondslag voor de “guarantee letter” is de koopovereenkomst tussen eiseres en haar leverancier. Eiseres stelt bij een locale bank middelen beschikbaar voor de omwisseling van deviezen. De Centrale Bank van Suriname als lasthebber, verbindt zich jegens eiseres om deviezen ter beschikking te stellen voor rekening van eiseres. Eiseres kan gelet op deze rechtsverhouding zich dus wel degelijk jegens gedaagden op de inhoud van de garanties beroepen. Uit de bewoordingen van de “confirmed guarantee letter” volgt eenduidig dat de Centrale Bank van Suriname ten doel had om zekerheid aan de schuldeisers te stellen. Deze garantiestellingen kunnen dan ook niet anders worden aangemerkt dan als een verplichting van gedaagden om tot betaling jegens de begunstigde over te gaan.

Gedaagden voeren als verweer dat de Centrale Bank van Suriname was en is niet bevoegd tot het vertrekken van door eiseres bedoelde garanties. De door eiseres bedoelde “letters of credit” (“guarantee letters”) van 1 augustus 1988, 26 maart 1990 en 7 november 1990 zijn afgegeven in strijd met ondermeer artikel 9 van de Bankwet 1956 en zijn dus van rechtswege nietig. De Centrale Bank van Suriname kon dergelijke garanties slechts afgeven als zulks noodzakelijk is in verband met de in artikel 9 van de Bankwet 1956 opgedragen taken. Geen van de in de wettelijke bepaling opgedragen taken dekt de afgifte van garanties aan een particuliere ondernemer voor de betaling van bedragen voortvloeiende uit commerciële transacties, waarvan de inhoud geen enkel verband heeft met zwaarwichtige staatsbelangen. De import van plastic verpakkingsmateriaal voor commerciële bedrijven was geen zwaarwichtig staatsbelang maar een ondernemingsbelang van eiseres. De garantie is slechts een bevestiging aan de vennootschap Silver Star, dat buitenlandse betaalmiddelen aan de locale bankiers van eiseres ter beschikking zullen worden gesteld voor de levering van bepaalde goederen. Voor zover voormelde garanties dan ook als zodanig moeten worden beschouwd, zijn zij zeker niet aan eiseres verstrekt en eiseres kan daar ook geen aanspraken aan ontlenen. Indien en voorzover de door eiseres overgelegde producties als garantiestellingen bedoeld zouden zijn, dan zijn ze nietig en rechtens van onwaarde omdat zij in strijd zijn met meerdere wetten, wier bepalingen van dwingendrechtelijke aard en van openbare orde zijn. De door eiseres bedoelde “letters of credit” (garanties) van 1 augustus 1988, 26 maart 1990 en 7 november 1990 zijn geen garanties, als bedoeld in de ICC Uniform Customs and Practice for Documentary Credits, die van kracht waren vanaf 1 oktober 1984 tot 1 januari 1994, de periode waarin de voormelde “guanrantee letters” zijn afgegeven, welke regels als recht worden aanvaard in de handelswereld.

De vraag is of de Centrale Bank van Suriname de bevoegdheid had om bedoelde garanties te verstrekken. Eiseres heeft niet weersproken dat gedaagden op grond van artikel 9 van de Bankwet van 1956, niet bevoegd zijn om garanties aan haar te verstrekken. Op grond hiervan houdt de stelling van eiseres geen stand. Anders dan eiseres stelt, hebben gedaagden de regels van “Some ICC publications” en de regels van de “Uniform Customs and Practice for Documentary Credits” wel overgelegd. Echter zal hieraan geen overweging worden gewijd omdat reeds op grond van voorgaande overweging, de stelling van eiseres geen stand houdt.

4.6 Staatsbesluit Partiële Compensatie Wisselkoersverliezen: eiseres stelt dat zij niets anders vraagt dan nakoming door gedaagden van de overeenkomsten en accreditieven waarvan het resultaat conform is wat gedaagden zeggen: betaling aan Silver Star AEC. Dat er voor importschulden aanspraak is op compensatie ligt ook in de lijn van bevindingen van de Commissie Inventarisatie Staatsschulden.

Afhandeling vindt plaats met inbegrip van een vergoeding van rente en kosten en met toepassing van de uitgangspunten neergelegd in voornoemd besluit. Gedaagden voeren als verweer dat Artikel 14 leden 1 en 2 van het staatsbesluit Partiële Compensatie Wisselkoersverliezen bepalen dat wisselkoerscompensatie met betrekking tot voldoening aan een betalingsverplichting, zoals eiseres die predenteert te hebben, uitsluitend geschied van bank tot bank en rechtstreeks aan de betreffende schuldenaar, in casu Silver Star AEC. Eiseres kan dan ook geen rechten aan die wettelijke regeling ontlenen. Gedaagden verwijzen naar de wet van 23 februari 1996 (S.B. 1996 no. 11) houdende nadere regels met betrekking tot de overgang van het multiple wisselkoerssysteem op dat van een uniforme wisselkoers. Ter uitvoering van artikel 2 van deze wet werd het Staatsbesluit 10 september 1996 (S.B. no. 45) uitgegeven. Dit staatsbesluit is echter nimmer in werking gesteld door de President van de Republiek Suriname waardoor in het rapport van de Commissie Inventarisatie Staatsschuld de dato 23 maart 2001 de Commissie tot de conclusie komt dat er geen wettelijke grondslag is om enige toezegging aan wie dan ook te doen voor de zogenaamde wissekoers-compensatie. Derhalve constateert de Commissie dat alle zogenaamde erkenningen uit hoofde van wisselkoerscompensatie die zijn toegewezen, “ipso facto” nietig zijn en terugvordering van de verstrekte bedragen moet plaatsvinden. Voorts stelt de Commissie dat ware het Staatsbesluit 10 september 1996 in werking getreden, dan nog zou op grond van artikel 16 van het staatsbesluit geen rente toegekend kunnen worden en analoog daaraan ook geen boete.

Eiseres heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen om haar stelling nader te onderbouwen. De conlusie is dat haar stelling geen stand houdt.

4.7 Gelijkheidsbeginsel: volgens eiseres ging het in het geval van de in Duitsland gevestigde schuldeiser Euler Hermes om importen in de periode eind jaren ’80, toen De Centrale Bank van Suriname niet in staat was deviezen beschikbaar te stellen aan individuele importeurs. In de op 25 en 26 januari 2005 door de President van de Centrale Bank in Duitsland gevoerde besprekingen werd door de door Staat de verantwoordelijkheid aanvaard voor de terugbetaling van de oude importschulden in het licht van onder andere de good governance. Gedaagden voeren daartegenover als verweer dat de kwestie van de in Dutisland gevestigde schuldeiser Euler Hermes de vordering van eiseres niet kan ondersteunen daar er sprake is van een geheel andere situatie dan dat van eiseres. De schuldeiser had een claim ingediend bij de exportverzekeringsinstelling van de Duitse Staat. Die claim werd voldaan en de schuld van de Surinaamse schuldenaar ging toen van rechtswege naar Duits recht, maar ook naar Surinaams recht over op de Staat Duitsland. Teneinde de internationale kredietwaardigheid van Suriname ten opzichte van andere staten te bevorderen, heeft de regering toen besloten om voormelde schuld aan de Staat Duitsland te voldoen.

De stelling van eiseres houdt geen stand omdat het in het geval van Euler Hermes ging om een overeenkomst tussen twee onafhankelijke soevereine staten. De kantonrechter is van oordeel dat eiseres uit een dergelijke overeenkomst, die geen betrekking had op de betaling van de schuld aan een importeur of exporteur, niet de conclusie kan trekken dat ten aanzien van hem de regelgeving opzij moet worden gezet. De nationale wetegeving die in acht moet worden genomen is voor eiseres haar geval relevant. De kantonrechter verwerpt dan ook dit beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel.

Conclusie:

De conclusie uit bovenstaande overwegingen is dat de vordering van eiseres wordt afgewezen en zij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Op de overigen stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter niet ingaan omdat die niet tot een ander oordeel zouden leiden.

5. De beslissing

5.1 Wijst de vordering af.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten van dit geding en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. M.V. Kuldip Singh, kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, en uitgesproken door mr. S.M.M. Chu, kantonrechter-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van dinsdag 15 februari 2011, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Sewgobind.

w.g. A. Sewgobind M.V. Kuldip Singh S.M.M. Chu

SRU-HvJ-1990-13

Hof van Justitie
27 april 1990, SJ 1990, GR. 12780
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, F.F.P. Truideman, R.G. Rodrigues)

A. [appellante sub A],
B. [appellant sub B], echtgenoot van appellante sub A, beiden wonende aan [adres 1] in [district], advocaat mr. H.E. Struiken, appellant in conventie en in reconventie,

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres 2] in [district], advocaat mr. G. Gangaram-Panday, geïntimeerde in conventie en in reconventie.

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Derde Kanton, respektievelijk van 18 november 1985 en 20 januari 1986 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Derde Kanton d.d. 6 februari 1986 waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Derde Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiser de navolgende vordering op verkorte termijn wenst in te stellen tegen:
A. [appellante sub A],
B. [appellant sub B], echtgenoot van Sub A, gedaagden, beiden wonende aan [adres 1], in [district];

2. dat eiser blijkens hierbij overgelegde huurovereenkomst in fotokopie d.d. 28 juli 1982, waarvan wordt verzocht de inhoud als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen aanmerken aan gedaagden heeft verhuurd, gelijk gedaagden van eiser hebben gehuurd de beneden gedeelte van het gebouw, ingericht als kapsalon en gelegen in [district] aan [adres 3], aan partijen zonder nadere omschrijving bekend en zulks voor de tijd van 3 jaren ingaande 1 augustus 1982 en derhalve eindigende op 31 juli 1985 en wel voor een verhuur- en huurprijs van Sf. 200,– (tweehonderd gulden) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

3. dat gedaagden de huurpenningen niet, althans niet naar behoren voldoen, zodat zij thans achterstallig zijn vanaf 1 juli 1984 tot en met heden;

4. dat alzo gedaagden aan eiser verschuldigd zijn aan achterstallige huur tot eind november 1984, zijnde 5 maanden, derhalve in totaal 5 x Sf. 200,– = Sf. 1000,– (eenduizend gulden);

5. dat eiser voormeld bedrag danook opeisbaar van gedaagden te vorderen heeft;

6. dat gedaagden zich derhalve hebben schuldig gemaakt aan wanprestatie;

7. dat eiser de gedaagden herhaaldelijk en dringend heeft aangemaand, doch weigeren, althans ingebreke blijven voormeld bedrag aan eiser te betalen en/of de benedenwoning te ontruimen;

8. dat eiser het verhuurde eveneens voor eigen gebruik nodig heeft;

9. dat eiser op grond van door de gedaagden gepleegde wanprestatie alsmede op grond dat hij het gehuurde nodig heeft voor eigen gebruik, gerechtigd is ontbinding van de overeenkomst, betaling van de huurpenningen alsmede ontruiming in rechte te vorderen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
A. de onderhavige overeenkomst zal worden ontbonden, althans voor ontbonden zal worden verklaard;

B. gedaagden zullen worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting terzake voorschreven, aan eiser te betalen de som van Sf. 1.000,– (eenduizend gulden), zijnde verschuldigde achterstallige huur tot eind november 1984;

C. gedaagden zullen worden veroordeeld om binnen een door de rechter te bepalen termijn de benedengedeelte van de woning, gelegen aan [adres 3], in [district], te ontruimen met alle van hunnentwege zich daarin of daarop bevindende personen en/of goederen met overgave der sleutels en ter vrije en algehele beschikking van eiser te stellen, met machtiging op eiser om, indien gedaagden ingebreke mochten blijven om binnen de door de rechter te bepalen termijn de litigieuze benedengedeelte van het gebouw te ontruimen, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

D. gedaagden zullen worden veroordeeld om te rekenen van 1 december 1984 maandelijks aan eiser te betalen de som van Sf. 200,– (tweehonderd gulden) en wel zolang gedaagden ingebreke blijven de litigieuze benedengedeelte van het gebouw te ontruimen;

Overwegende, dat [appellante sub A] en [appellant sub B] als gedaagde partij en in eerste aanleg voor antwoord in conventie hebben gesteld;

1. dat gedaagden alles ontkennen en betwisten wat niet uitdrukkelijk door hen wordt erkend onder bewijsaanbod hunner stellingen door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen;

2. dat gedaagden het gestelde in het 2e ”dat” niet ontkennen;

3. dat gedaagden het gestelde in het 3e ”dat” ontkennen;

4. dat eiser de bovenwoning van het litigieuze woonhuis in de maand juni/juli 1984 heeft laten wassen, waarbij gebruik is gemaakt van een tuinslang.en overvloedig waterge(mis)bruik;

5. dat gedaagden, toen zij kennis kregen van het voornemen van eiser, laatstgenoemde erop hebben gewezen dat een dergelijke handeling ernstig schade aan gedaagden zou kunnen berokkenen omdat de afscheiding tussen de beneden en bovenwoning niet waterdicht was, waardoor water naar het door gedaagden gehuurde benedengedeelte zou stromen en schade zou toebrengen aan de in de als kapsalon ingerichte benedenwoning aanwezige inventaris, de elektrische bedrading, het plafond e.d.;

6. dat eiser, ondanks de waarschuwing van gedaagden, zijn gang is gegaan met het voor gedaagden noodlottige gevolg van waterschade;

7. dat deze onrechtmatige handeling van eiser in strijd is met de in het maatschappelijk verkeer heersende betamelijkheid t.a.v. een anders persoon of goed met zijn schuld daaraan;

8. dat de door gedaagden geleden schade bestaat uit:

a. schoonmaken kapsalon Sf.25,00
b. reparatie elektrische installatie Sf. 100,00
c. elektrische onderdelen Sf.2,40
d. Water Sf.18,14
e. overgordijnen (vlekken en waterschade) Sf.100,00
f. kussens (vlekken en waterschade) Sf.100,00
g. gederfde inkomsten gedurende 3 dagen a Sf. 75,– per dag Sf. 225,00
Totaal Sf. 570,54;

9. dat eiser het waterverbruik van de huurders van de bovenwoning en erfwoningen brengt t.l.v. gedaagden, omdat eiser weigert het waterleiding-systeem te splitsen waardoor iedere huurder zijn eigen rekening kan betalen;
gedaagden betalen vanaf het sluiten van de huurovereenkomst d.d. 1 augustus 1982 tot heden maandelijks Sf. 49,– voor waterverbruik, terwijl hun verbruik maximaal Sf. 25,– per maand is 31 x Sf. 25,– is Sf. 775,–;

10. dat de eiser de lokaliteiten aan gedaagden heeft verhuurd zonder een toilet en gedaagden een bedrag van Sf. 275,– hebben moeten uitgeven om dit aan te leggen, welk bedrag gedaagden gerechtigd zijn in rechte van eiser te vorderen;

11. dat gedaagden alzo van eiser te vorderen hebben Sf. 570,54 + Sf. 775,– = Sf. 1.354,54, welk bedrag zij in reconventie zullen vorderen;

12. dat gedaagden de huur ter beschikking van eiser houden en deze ten allen tijde hierover kan beschikken;
en voor eis in reconventie hebben gesteld:

1. eisers verzoeken de rechter al hetgeen in conventie door hen is aangevoerd hier als letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen aanmerken;

2. dat ondanks herhaalde aanmaningen zij geen betaling van gedaagde kunnen verkrijgen van de som van Sf. 1.354,54;

Overwegende, dat op deze gronden is geconcludeerd:
voor antwoord in conventie:
dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans deze aan hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en niet bewezen;en voor eis in reconventie:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde zal worden veroordeeld om aan eisers tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de deugdelijk verschuldigde som van Sf. 1.354,54 terzake voorschreven met de wettelijke interessen daarover ad 6% ’s jaars vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

Overwegende, dat de eisende partij in conventie een als ingelast te beschouwen conclusie van repliek heeft doen nemen en als gedaagde partij in reconventie voor antwoord heeft gezegd:

1. dat gedaagde de rechter verzoekt al hetgeen in conventie door hem is aangevoerd hier als letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen aanmerken;

2. dat gedaagde de vordering van eisers tot een bedrag van Sf. 570,54 kan erkennen en dit bedrag gelijk aan drie maanden huur wenst te compenseren;

Overwegende, dat op deze gronden voor antwoord in reconventie is geconcludeerd:
dat de vordering van eisers tot een bedrag van Sf. 570,54 zal worden toegewezen en het meer of anders gevorderde hen zal worden ontzegd alszijnde ongegrond en niet bewezen en voor repliek in conventie heeft gepersisteerd bij zijn conclusie van eis;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, welke geacht moeten worden te deze plaatse te zijn ingevoegd, haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis d.d. 18 november 1985 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast, welke comparitie van partijen niet is gehouden;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 20 januari 1986 heeft overwogen:

In conventie
dat eiser aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd een tussen hem en gedaagden bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de benedenwoning gelegen in [district] aan [adres 3];

dat gedaagden niet hebben betwist met betaling van de huurpenningen achterstallig te zijn, doch in verband met een in reconventie ingestelde vordering wegens waterschade deze ter beschikking van eiser hebben gehouden, zodat de vordering van eiser hier op betrekking hebbende, kan worden toegewezen;

dat eiser verder vordert op grond van wanprestatie ontruiming van het litigieuze gebouw;

dat deze vordering kan worden toegewezen aangezien gedaagden niet alleen het bedrag waarop zij menen recht te hebben, hebben achter gehouden, maar ook in totaal Sf. 429,60 en niet getoond hebben bereid te zijn dit bedrag aan eiser te voldoen, zodat ook deze vordering tot ontruiming kan worden toegewezen als na te melden;

In reconventie
dat aangezien gedaagde zich bereid verklaard heeft door de wateroverlast geleden schade te voldoen, deze vordering eisers kan worden toegewezen, terwijl de Kantonrechter het met de gedaagde eens is, nu eisers niet hebben kunnen aantonen dat het waterverbruik maximaal Sf. 25,– (vijf en twintig gulden) per maand kan bedragen, dat het bedrag van Sf. 49,– (negen en veertig gulden) per maand gezien het beroep dat eisers uitoefenen in het litigieuze pand (eisers exploiteren een kapperszaak) niet onredelijk is te noemen, zodat dit deel van hun vordering als ongegrond hun dient te worden ontzegd;

Overwegende, dat de Kantonrechter op deze gronden:

In conventie
A. gedaagden heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van Sf. 1.000,– (eenduizend gulden), zijnde verschuldigde achterstallige huur tot eind november 1984;

B. gedaagden heeft veroordeeld om binnen zes maanden na betekening van dit vonnis, het benedengedeelte van de woning, gelegen aan [adres 3], in [district], te ontruimen met alle van hunnentwege zich daarin of daarop bevindende personen en/of goederen met overgave der sleutels en ter vrije en algehele beschikking van eiser te stellen;

C. eiser heeft gemachtigd om indien gedaagden mochten weigeren het voormelde gehuurde te ontruimen, daartoe zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm,

D. gedaagden voorts heeft veroordeeld om zolang zij ingebreke blijven, voormelde gehuurde te ontruimen, maandelijks te rekenen vanaf 1 december 1984 aan eiser te betalen de som van Sf. 200,– (tweehonderd gulden);

dit vonnis tot zover vermeld sub A t/m D uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;
gedaagden heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 97,50 (zeven en negentig 50/100 gulden);

In reconventie
eiser heeft veroordeeld om aan gedaagden tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van Sf. 570,40 (vijfhonderd en zeventig 40/100 gulden), vermeerderd met de wettelijke interessen daarover ad 6% ’s jaars vanaf 5 december 1984 tot aan de dag der voldoening;

eiser heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. Nihil;

het meer of anders gevorderde heeft ontzegd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellante sub A] en [appellant sub B], gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis d.d. 20 januari 1986;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder S. Hoebba d.d. 3 april 1986 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
In conventie en in reconventie

Overwegende, dat appellanten tijdig in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton te Nieuw Nickerie in het distrikt Nickerie, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 20 januari 1986;

Overwegende, dat appellanten een drietal grieven tegen het beroepen vonnis hebben aangevoerd, luidende:

Grief a:
dat de Kantonrechter ten onrechte geen rekening heeft gehouden met hetgeen in de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie is aangevoerd onder andere met betrekking tot de beschikking van de distrikts-Commissaris van Nickerie d.d. 13 mei 1985 [nummer] waaruit blijkt dat de maximum huurvergoeding Sf. 100,23 per maand bedraagt;

Grief b:
ten onrechte heeft de Kantonrechter appellanten veroordeeld om maandelijks te rekenen vanaf 1 december 1984 aan de geïntimeerde te betalen de som van Sf. 200,– tot aan de ontruiming, terwijl de appellanten de beschikking van de distrikts-Commissaris d.d. 13 mei 1985 hebben overgelegd ten processe;

Grief c:
ten onrechte heeft de Kantonrechter het meer of anders gevorderde aan de appellanten ontzegd;

Overwegende ambtshalve:
dat het den Hove is gebleken, dat partij [geïntimeerde] blijkens het ten processe overgelegde, niet betwiste huurcontract d.d. 28 juli 1982, als gevolmachtigde van [persoon] krachtens lastgeving de litigieuze overeenkomst met partijen [appellanten] was aangegaan;

dat partij [geïntimeerde] evenwel als eisende partij in eerste aanleg, het onderhavige geding op eigen naam heeft ingesteld en blijkens het petitum een en ander voor zichzelf heeft gevorderd en niet ten behoeve van de volmachtgever;

Overwegende, dat partij [geïntimeerde] daartoe niet bevoegd is, haddende zij de vordering in haar hoedanigheid van lasthebber (gevolmachtigde), dus q.q. dienen in te stellen;

dat partij [geïntimeerde] mitsdien niet-ontvankelijk diende te worden verklaard in haar vordering;

dat de vordering in reconventie van partijen [appellanten] hetzelfde dient te delen;

Overwegende, dat de grieven geen bespreking meer behoeve en onder vernietiging van het beroepen vonnis, partijen alsnog niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in haar respektieve vorderingen;

Rechtdoende in hoger beroep:
In conventie en in reconventie

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton te Nieuw Nickerie in het distrikt Nickerie, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 20 januari 1986, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende
In conventie en in reconventie
Verklaart elk der partijen alsnog niet-ontvankelijk in haar respektieve vorderingen;

Compenseert de proceskosten tussen partijen in beide instanties in dier voege, dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

bepalende het Hof het salaris van de advocaten van partijen op Sf. 100,– elk;

SRU-HvJ-1990-12

Hof van Justitie
27 april 1990, G.R. 12817
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, E.S. Ombre)

De Naamloze Vennootschap ”Surtrin”, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Verlengde Gemenelandsweg no. 78 te Paramaribo, advokaat Mr. K.R. Lieuw On, appellante in kort geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende ten kantore van advokaat Mr. P.E. Bemmel, geïntimeerde in kort geding,

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 7 april 1989 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

Ten aanzien van de feiten
Verwijzend naar en overnemend hetgeen bereids in ’s Hofs interlocutoir vonnis is overwogen en beslist en voorts:
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, de [acting General Manager] van partij Surtrin, tevens bijgestaan door haar gemachtigde advokaat Mr. B.A. Halfhide en de geïntimeerde in persoon eveneens bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr. P.E. Bemmel, hebbende zij verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden comparitie van partijen en tot uitlating hadden genomen – tevens onder overlegging van produkties – het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 9 maart 1990, doch nader op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 7 april 1989 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat appellante tegen het beroepen vonnis heeft aangevoerd, dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen:
a. dat gedaagde zich, gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval, niet op het standpunt mag en kan stellen dat zij zich van haar verplichting tot schadeloosstelling jegens de eiser volledig heeft gekweten door aan eiser het bedrag van f.416,– per maand op basis van de Ongevallenregeling te betalen;

b. dat gedaagde voorzieningen had moeten treffen voor doorbetaling van het salaris van eiser in geval van ziekte of ongeval, vooral bij dienstreizen naar het buitenland;

c. dat het niet fors achteruitgaan in inkomen bij ziekte of ongeval in de praktijk als een sociale verworvenheid geldt, te meer daar eiser een ”hoofdarbeider” is;

d. dat gedaagde de helft van het salaris dat eiser het laatst genoot, zal moeten voldoen;

Overwegende aangaande voormelde grief:
dat geïntimeerde, toenmaals eiser op aan zijn vordering(en) ten grondslag gelegde, hier als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd dat bij vonnis in kort geding, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde, thans appellante, te veroordelen:
A. bij wege van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser, thans geïntimeerde, te betalen zijn salaris plus emolumenten tot heden naar rato van f.8.440,– althans een zodanig bedrag als de Kantonrechter in goede Justitie zal vaststellen;

B. maandelijks tegen behoorlijk bewijs van kwijting te rekenen vanaf heden bij wege van voorschot aan eiser, thans geïntimeerde te betalen diens salaris ad f.3.465,– en de hem toekomende emolumenten ad f.735,– althans een zodanig bedrag als de Kantonrechter in goede Justitie zal vaststellen;

Overwegende, dat appellante, toenmaals gedaagde, blijkens de aan haar verweer ten grondslag gelegde stellingen de aan geïntimeerdes vordering(en) ten grondslag gelegde feiten gemotiveerd heeft betwist, wordende appellante haar stellingen als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd aangemerkt;

Overwegende, dat als niet, althans niet gemotiveerd betwist, en deels gestaafd door de zich in het proces-dossier bevindende niet betwiste bescheiden tussen partijen naar ’s Hoven voorlopig oordeel vaststaat:
– dat geïntimeerde op 1 december 1971 als werknemer in dienst is getreden van appellante en er sindsdien onafgebroken werkzaam is en thans de functie bekleedt van Manager Sales & Service en een salaris geniet van f.3.465,– per maand exclusief emolumenten;

– dat geïntimeerde op 27 juni 1985 naar Port of Spain Trinidad, vertrok voor het verrichten van dienstwerkzaamheden ten behoeve van appellante;

– dat de terugreis – na voltooiing van de dienstopdracht – via Guyana moest verlopen alwaar werd overnacht;

– dat op weg van Georgetown naar het vliegveld voor het verder ondernemen van zijn terugreis naar Suriname, de auto waarin geïntimeerde zich als passagier bevond, in botsing kwam met een ander voertuig op de openbare weg, waarbij geïntimeerde onder andere opliep een luxatie van de linkerschouder met ernstige beschadiging van de zenuwbundels van de linkerarm, als gevolg waarvan motorische uitvalverschijnselen zijn ontstaan;

– dat geïntimeerde, na in eerste instantie in Guyana te zijn behandeld, in Suriname eerst [naam orthopaed-chirurg] en in verband met zenuwbeschadiging en uitvalverschijnselen, de [naam neuroloog] heeft geconsulteerd;

– dat geïntimeerde van 17 februari 1986 tot de derde week van augustus 1986 in Nederland heeft vertoefd voor medische en specialistische behandeling;

– dat appellante aan geïntimeerde een schrijven, gedateerd 24 juli 1986 heeft verzonden met de volgende inhoud:

“Geachte heer [geïntimeerde],

In verband met het ongeval dat U op 1 Juli 1985 is overkomen heeft Surtrin een claim ingediend bij de verzekeringsmaatschappij de Nationale, welke maatschappij, zich beroepende op artikel 3 lid 1 van de Ongevallenregeling, deze claim heeft afgewezen.

Ingevolge de wet behoudt een werknemer zijn aanspraak op loon gedurende een betrekkelijk korte tijd, hetgeen in de Surinaamse praktijk op 6 weken neerkomt.

Indien het ongeval de werknemer is overkomen in verband met de dienstbetrekking, is de werkgever wel gehouden de geneeskundige behandeling voor zijn rekening te nemen alsmede de werknemer schadeloos te stellen.

De schadeloosstelling is ingevolge de wet 80% van f.2000,– aldus f.16,– per werkdag. De Raad van Commissarissen heeft in het licht van het bovenstaande besloten de loonbetalingen en andere emolumenten aan U stop te zetten per 1 augustus 1986 en U konform de 0ngevallenregeling schadeloos te stellen”;

– dat geïntimeerde (dus) zijn vol salaris vermeerderd met emolumenten van appellante heeft ontvangen van juli 1985 tot augustus 1986;

– dat geïntimeerde na juli 1986 van appellante niet meer heeft ontvangen diens maandelijks inkomen vermeerderd met emolumenten, doch konform de Ongevallenregeling, een schadeloosstelling van f.416,– per maand, waarmede geïntimeerde zich hoegenaamd niet kan verenigen;

Overwegende, dat naar uit het inleidend rekest en met name het petitum valt af te leiden, geïntimeerde naar ’s Hoven voorlopig oordeel in het onderhavige geval vordert nakoming door appellante van haar uit de met hem – geïntimeerde – bestaande arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen namelijk – bij wege van voorschot – tot betaling c.q. door – betaling van diens – geïntimeerdes – maandelijks inkomen plus emolumenten ingaande augustus 1986;

Overwegende, dat blijkens de doctrine en de naar vaste rechtspraak aanvaarde leer in kortgeding een vordering tot nakoming, bestaande in het verrichten van een prestatie, in het algemeen slechts in twee gevallen toewijsbaar is: hetzij wanneer de gedaagde een kennelijk geheel ongegrond verweer voert, zodat er geen twijfel is dat de gewone rechter de vordering ook zal toewijzen, hetzij wanneer de eiser een zo groot belang heeft bij een onmiddellijke prestatie, dat zijn belang moet prevaleren boven dat van gedaagde om een uitspraak van de gewone rechter af te wachten;

Overwegende, dat wanneer nu de vordering(en) aan deze twee criteria wordt c.q. worden getoetst, het voorlopig oordeel van het Hof moet luiden: enerzijds, dat de verweren van appellante niet op het eerste gezicht ongegrond voorkomen en dat het Hof het onzeker acht hoe de uitslag van een bodemprocedure zal zijn, en anderzijds, dat niet gezegd kan worden dat het belang van geïntimeerde bij een onmiddellijke prestatie prevaleert boven dat van appellante bij een afwachten van de beslissing in de bodemprocedure;

Overwegende immers, dat een werknemer, in casu geïntimeerde, aanspraak op loon, dus recht op nakoming behoudt, wanneer aan twee vereisten is voldaan. De werknemer moet bereid zijn de bedongen arbeid te verrichten en de werkgever, c.q. werkgeefster, in casu appellante moet aan deze bereidheid, hetzij door eigen schuld, hetzij door een hem/haar persoonlijk betreffende toevallige verhindering, geen gebruik hebben gemaakt;

Overwegende, dat er geen bereidheid is indien de werknemer zijn lichamelijke toestand het hem onmogelijk maakt de bedongen arbeid te verrichten (zie: Arbeidsovereenkomstenrecht, Prof. Mr. W.C.L. van der Grinten, 12de druk, p’s 53 en 54)

Overwegende, dat het Hof zich geroepen voelt – zij het summier – te onderzoeken of, gelet op geïntimeerdes lichamelijke toestand, al dan niet sprake is van bereidheid van de zijde van geïntimeerde;

Overwegende, dat blijkens de ten processe door geïntimeerde zelf in het geding gebrachte ziekte-briefje van [naam orthopaed-chirurg], van respectievelijk 24 augustus 1986 en 30 september 1986, geïntimeerde op 1 september 1986, toen hij zich voor werkhervatting bij appellante aanmeldde, door ziekte niet in staat was zijn arbeid te verrichten;

– dat door gemelde ziekte-biljetten en verklaring van [naam orthopaed-chirurg] naar ’s Hoven voorlopig oordeel wordt bevestigd, dat geïntimeerde’s lichamelijke toestand het hem onmogelijk maakt, d.i. hem niet in staat stelt, de bedongen arbeid te verrichten;

– dat, naar ’s Hoven voorlopig oordeel, geïntimeerde geen aanspraak maakt op en appellante niet gehouden is tot (door-) betaling van loon;

– dat immers enerzijds in redelijkheid niet gezegd kan worden dat van de zijde van geïntimeerde als werknemer de bereidheid tot het verrichten van de bedongen arbeid bestaat en anderzijds niet kan worden volgehouden dat appellante als werkgeefster door eigen schuld of door een haar persoonlijk betreffende toevallige verhindering van die arbeid geen gebruik heeft gemaakt;

Overwegende ten overvloede:
– dat naar ’s Hoven voorlopig oordeel, de vraag of geïntimeerde op een passend deel van zijn loon cum annexis aanspraak maakt, een onderzoek vergt, enerzijds en anderzijds of van appellante gevergd kan worden van de aldus aangeboden (deel) arbeid gebruik te maken, waarvoor in kort geding geen plaats is;

Overwegende, dat het Hof de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde uit vier delen bestaande grief gelijk besproken hebbend en deze gegrond achtend, het beroepen vonnis zal vernietigen en de gevraagde voorzieningen alsnog weigeren;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken op 12 februari 1987, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende
Weigert alsnog de gevraagde voorzieningen;
Veroordeelt geïntimeerde in de kosten van beide instanties aan de zijde van appellante gevallen:
– in eerste aanleg begroot op f. nihil
– in hoger beroep begroot op f.124,50
met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van f.150,–;
bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geïntimeerde eveneens op f.150,–

SRU-HvJ-2001-14

M.H
GENERALE ROL NO.14088.

DE STAAT SURINAME, zetelende te Paramaribo, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optrad, Mr.E.J.BRUMA, die thans vervangen wordt door Mr.F.F.J.TROON en Mr.R.BALDEW, advokaten,
appellant in Kort Geding,

c/a
DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP WIJMA SURINAME N.V.
, gevestigd te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.KRUISLAND, advokaat,
geintimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien’s Hofs interlocutoir vonnis van 16 juni 2000 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat de door het Hof bevolen comparitie van partijen na enkele malen te zijn aangehouden niet is gehouden, waarna de zaak werd verwezen naar de terechtzitting van vrijdag 26 januari 2001 voor mededeling bereidheid tot compromie of geen bereidheid tot compromie;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 26 januari 2001 de gemachtigden van partijen hebben verklaard dat er geen mogelijkheid is om tot een compromie te komen;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 2 maart 2001, vervolgens op 16 maart 2001, doch nader heeft bepaald op heden.

OVERWEGENDE, TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
1. Het Hof neemt hier over en volhardt bij hetgeen in zijn tussenvonnis van 16 juni 2000 is overwogen en beslist. De bij vorenbedoeld tussenvonnis bevolen verzoeningscomparitie heeft niet het beoogde resultaat gehad.

2. Appellant heeft tegen het beroepen vonnis vijf, hieronder zakelijk weergegeven, grieven opgeworpen, te weten:
– eerste grief: Ten onrechte heeft de Rechter aangenomen dat de vordering van geintimeerde spoedeisend moet worden geacht;

– tweede grief: De Rechter heeft bij de afweging van belangen het beweerdelijk geschonden belang van geintimeerde gesteld boven het belang dat de gehele samenleving heeft bij een voor de exportmarkt van visprodukten noodzakelijke voorziening, die tot de door geintimeerde gewraakte beschikking aanleiding heeft gegeven;

– derde grief: Veel feiten die door de Rechter zijn gebruikt om tot zijn oordeel te geraken zijn geen bewezen beweringen van geintimeerde noch tussen partijen vaststaande en erkende feiten noch van algemene bekendheid zijnde feiten;

– vierde grief: De Rechter heeft geintimeerde toegestaan ten tweede male (op 14 november 1997) een schriftelijke conclusie van eis te nemen waarbij aan het petitum onderdelen IV, V en VI zijn toegevoegd, hetgeen de Rechter niet mocht doen, terwijl appellant geen gelegenheid is geboden zich over de late aanvulling van het petitum uit te laten;

– vijfde grief: De Rechter heeft ten onrechte aangenomen dat de litigieuze beschikking als zijnde een belastende beschikking is genomen zonder dat de hoorplicht en motiveringsplicht zijn in acht genomen.

3. Geintimeerde heeft de grieven bestreden.

4.1. De derde grief heeft, naar uit appellant’s stellingen blijkt, geen betrekking op de feiten die in de vierde rechtsoverweging van het beroepen vonnis als vaststaand zijn aangenomen, zodat van drie feiten wordt uitgegaat.

4.2. Voor de duidelijkheid worden die feiten hier, in het kort, herhaald, te weten:
– bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie d.d. 24 november 1987 is aan geintimeerde voor de duur van 40 jaren het recht van grondhuur verleend op een perceelland gelegen in [district] aan de [rivier];

– bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen d.d. 19 november 1996 is eerder vermeld recht van grondhuur gedeeltelijk vervallen verklaard.

5. Geintimeerde is als eiser in eerste aanleg, onder andere, tegen de beschikking van 19 november 1996 opgekomen en heeft met betrekking daartoe, zakelijk weergegeven, gevorderd dat die beschikking zou worden geschorst althans opgeschort totdat de Rechter over de rechtmatigheid daarvan zal hebben beslist. De Kantonrechter heeft deze (en de overige) vordering (en) toegewezen.

6.1. De in de vierde grief bedoelde schriftelijke conclusie van eis en de daarin genoemde onderdelen IV, V en VI van het petitum hebben, naar uit die conclusie blijkt, betrekking op feiten die zich zouden hebben voorgedaan tussen de indiening van het oorspronkelijk verzoekschrift en de eerste behandeling van de zaak. Waar het kort geding is bedoeld om met zo weinig mogelijk formaliteiten en op zo kort mogelijke termijn tot een beslissing te komen, stond het naar het oordeel van het Hof aan de eerste rechter vrij aan de geintimeerde toe te staan het petitum aan te vullen en deze daardoor aan de bestaande toestand aan te passen.

6.2. Uit de overgelegde stukken blijkt dat, nadat de aanvullende conclusie van eis was genomen, de advokaat van appellant een pleitnota heeft overgelegd en bij diezelfde gelegenheid twee keer aan het woord is gekomen. Daarna is namens de advokaat van appellant nog op twee verschillende terechtzittingen het woord gevoerd. Appellant is derhalve voldoende in de gelegenheid geweest om zich over de aanvullende conclusie uit te laten. Gelet op hetgeen hier en hierboven onder 6.1 is overwogen faalt de vierde grief.

7.1. Naar het Hof uit appellant’s stellingen begrijpt heeft de eerste grief betrekking op de vordering tot schorsing, althans opschorting, van de beschikkimg van 19 november 1996.

7.2. Ter toelichting van deze grief heeft appellant aangevoerd dat noch uit de aard van de vordering noch uit de specifiek aangevoerde argumenten en omstandigheden – die dan in het vonnis vermeld hadden moeten zijn – vloeit voort dat de vordering spoedeisend moet worden geacht.

7.3. In haar oorspronkelijk inleidend verzoekschrift heeft geintimeerde, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, aangevoerd:
– dat zij de grond ten aanzien waarvan zij het recht van grondhuur heeft verkregen door haar ten zeerste benodigd is voor de opslag van hout in verband met het ter plaatste door haar opgezette houtverwerkingsbedrijf;

– dat zij door de vervallenverklaring van het grondhuurrecht niet in staat zal zijn het benodigde hout op effectieve naar de nabijgelegen houtverwerkingsinstallatie te vervoeren;

– dat de aanvoer van hout over de [rivier] naar haar verwerkingsbedrijf onmogelijk wordt, althans in gevaar komt, hetgeen de continuiteit van haar onderneming op de helling zet;

7.4. Voormelde stellingen brengen, anders dan appellant meent, in voldoende mate het spoedeisend belang van geintimeerde bij de door haar verlangde voorziening tot uitdrukking.

7.5. Appellant heeft ter toelichting op de eerste grief verder aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft gepasseerd het argument dat de geintimeerde eerst ongeveer 1 jaar nadat de Minister de gewraakte beschikking heeft gegeven, de behoefte heeft gevoeld om daartegen op te komen.

7.6. Bij de beantwoording van de vraag of geintimeerde tijdig (datum van indiening van de vordering: 20 oktober 1997) tegen de gewraakte beschikking is opgekomen bij de Rechter zijn alle omstandigheden van het geval van belang en niet alleen het feit dat die beschikking een jaar voor het instellen van de vordering is gegeven. De Kantonrechter heeft terecht laten meewegen het door hem als vaststaand aangenomen feit – tegen welke vaststelling geen grief is opgeworpen – dat geintimeerde pas op of omstreeks 1 oktober 1997 informeel een afschrift van de gewraakte beschikking heeft bekomen en heeft terecht het beroep van appellant op het ontbreken van spoedeisendheid verworpen.

7.7. Op grond van hetgeen onder 7.1 tot en met 7.6 is overwogen moet de eerste grief worden verworpen.

8. Appellant heeft in zijn pleitnota aangekondigd de derde grief in het verder verloop van die pleitnota nader feitelijk te zullen onderbouwen. Het Hof heeft die onderbouwing niet kunnen vinden in die pleitnota noch in de andere door appellant overgelegde processtukken. De derde grief wordt dan ook verworpen.

9.1. Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde bescheiden, voor zover niet betwist, staat naast de hierboven onder 4.2 vermelde feiten, vast dat tussen (vertegenwoordigers van) appellant, (vertegenwoordigers van) enkele visverwerkingsbedrijven die ten westen van het hierboven onder 4.2 bedoelde perceelland zijn gelegen en (vertegenwoordigers van ) geintimeerde besprekingen zijn gevoerd ter oplossing van problemen die voor de visverwerkingsbedrijven waren ontstaan in verband met door de [gemeenschappen] en de [staat] gestelde kwaliteitseisen, te weten het (bij de produktie van visprodukten) van elkaar gescheiden zijn van schone en vuile sectoren (of zones met gering risico en zones met hoog risiko) respectievelijk het gebruiken van een van de aanvoerroute verschillende afvoerroute voor naar [land] te exporteren vis.

9.2. Appellant heeft in eerste aanleg bij pleitnota d.d. 14 november 1997 aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat partijen na de besprekingen op voorstel van geintimeerde besloten hebben dat het Ministerie van Openbare Werken een bindende beslissing zou nemen waaraan alle partijen zich zouden conformeren; voorts, dat die beslissing bij brief van 18 oktober 1996 is genomen en is besloten dat het voorstel van de Onder-Direkteur Grondbeheer, [naam], zou worden uitgevoerd.

9.3 Het Hof begrijpt uit appellant’s stellingen dat hij verder stelt dat bedoeld voorstel in de gewraakte beschikking van 19 november 1996 is neergelegd.

10.1 Appellant verwijt in het kader van de vijfde grief aan de Kantonrechter:

(a) dat deze op bladzijde 11 van het beroepen vonnis ten onrechte heeft overwogen dat hij, appellant, niet heeft kunnen bewijzen dat geintimeerde heeft deelgenomen aan besprekingen:

(b) dat deze de indruk wekt alsof aan appellant een bewijsopdracht op voormeld punt (te weten: het deelgenomen hebben aan besprekingen die geresulteerd hebben in voornoemde besluiten) was gegeven en appellant niet was geslaagd in de bewijslevering.

10.2 Het onder 10.1 (a) bedoelde verwijt berust op een onjuiste lezing van het vonnis. De Kantonrechter heeft namelijk, zakelijk weergegeven, niet overwogen dat appellant (toen gedaagde) niet heeft kunnen bewijzen dat geintimeerde heeft deelgenomen aan besprekingen, maar wel dat appellant niet heeft bewezen dat geintimeerde (toen eiseres) heeft deelgenomen aan ”besprekingen die geresulteerd hebben in de besluiten, in gemelde pleitnota aangehaald” (onderstreping door het Hof).

10.3 Ook het onder 10.1 (b) bedoelde verwijt is niet terecht. Appellant had geen bescheiden overgelegd ter staving van de betreffende, door geintimeerde betwiste, stelling, hetgeen hij zonder bewijsopdracht had kunnen doen. Bovendien betreft het in casu een kort geding en de Kantonrechter heeft kennelijk geen termen aanwezig geacht om aan appellant bewijs van zijn, door geintimeerde betwiste, stelling bij te brengen. De Kantonrechter kon bedoelde stelling dan ook als niet bewezen beschouwen en heeft dit op bladzijde 11 van vonnis kennelijk dan ook gedaan, zij het dat hij daarbij kennelijk abusievelijk het woord ”kunnen” heeft gebruikt.

10.4 Appellant gaat er van uit dat hij, door overleg te initieren tussen vertegenwoordigers van de Staat, van genoemde visverwerkingsbedrijven en van geintimeerde om gezamenlijk oplossingsmodellen voor het hierboven onder 9.1 bedoelde probleem te bespreken jegens geintimeerde aan zijn hoorplicht heeft voldaan (zie pagina 4, 4e alinea van de pleitnota van 8 januari 1999: ”.. en daardoor in ruime mate gehoord te worden”). Dit standpunt is reeds hierom onjuist, omdat niet gesteld of gebleken is dat een eventueel voornemen van appellant om ter oplossing van gemeld probleem de in de gewraakte beschikking vermelde beslissingen te nemen onderwerp van de besprekingen heeft uitgemaakt en dat geintimeerde in de gelegenheid is gesteld om over dat voornemen haar zienswijze te geven.

10.5 De vijfde grief dient op grond van hetgeen onder 9.1 tot en met 10.3 is overwogen worden verworpen.

11.1 Uit het beroepen vonnis blijkt niet dat de beslissing van de Kantonrechter berust op belangenafweging, zodat hetgeen appellant met betrekking tot de tweede grief heeft gesteld verder als niet terzake doende kan worden gepasseerd.

12.1 Nu alle grieven worden verworpen dient het vonnis waarvan beroep te worden bevestigd.

12.2 Appellant zal als de in het ongelijk gestelde partij in de aan de zijde van geintimeerde gevallen kosten worden verwezen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter tussen partijen in kort geding gewezen op 5 december 1997.

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f………..;

met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f………;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f………………..;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 6 APRIL 2001, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.E.Naarendorp namens zijn gemachtigde, advokaten Mr.F.F.J.Troon en Mr.R.Baldew en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.E.Struiken namens haar gemachtigde advokaat Mr.F.Kruisland, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1998-33

M.R.S.

GENERALE ROL NO. 13903.

[appellante], wonende aan [adres 1] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.R.J.BLUFPAND, advokaat, appellante,

t e g e n

[geïntimeerde], wonende aan [adres 2] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.G.GANGARAM-PANDAY, advokaat, geintimeerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien’s Hofs interlocutoir vonnis van 16 mei 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating hebben genomen, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 7 november 1997, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof hier overneemt en volhard bij hetgeen in voormeld tussenvonnis is overwogen en beslist; Overwegende, dat op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde bescheiden het volgende vaststaat:
1. geintimeerde, nader te noemen [geïntimeerde], heeft als eiser in eerste aanleg een vordering, bekend onder A.R.960390, tegen appellante, nader te noemen [appellante], ingediend, welke vordering strekte tot ontbondenverklaring van de beweerdelijk tussen partijen bestaande huurovereenkomst betreffende de woning aan [adres 1] en tot veroordeling van [appellante] tot ontruiming van die woning en tot betaling van de huurpenningen vanaf 1 januari 1996 tot aan de ontruiming;

2. advokaat Mr.H.Matawlie is door [appellante] als haar gemachtigde in bovenvermeld geding aangesteld;

3. op 15 juli 1996 heeft de Kantonrechter in het Eerste Kanton in het hierboven vermelde geding vonnis uitgesproken en het gevorderde toegewezen, uit overweging ”dat nu gedaagde hoewel daartoe ruimschoots in de gelegenheid gesteld geen verweer tegen de vordering van eiser heeft gevoerd, Wij eisers vordering, die Ons noch onrechtmatig noch ongegrond is voorgekomen, hem zullen toewijzen met veroordeling van de gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding”;

4. bij brief van 13 augustus 1996, ingediend ter griffie der Kantongerechten op 21 augustus 1996, heeft advokaat Mr.H.Matawlie namens [appellante] appèl aangetekend tegen het hierboven genoemde vonnis;

5. [appellante] was bij de uitspraak van het vonnis van 15 juli 1996 niet tegenwoordig en de griffier van het Eerste Kanton heeft bij brief d.d. 14 oktober 1996 het vonnis van 15 juli 1996 overeenkomstig artikel 119 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan [appellante] medegedeeld;

6. bij brief van 24 oktober 1996, ingekomen ter griffie op 25 oktober 1996, heeft advocaat Mr.Blufpand namens [appellante] hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van 15 juli 1996;

7. advocaat Mr.Blufpand heeft op 11 november 1996 namens [appellante] ter griffie van het Hof een verzoekschrift ingediend, waarin wordt verzocht het niet-nemen van de conclusie van antwoord (in de zaak A.R.960390) alsmede het daarop gewezen vonnis d.d. 15 juli 1996 en het daarop gevolgde appèl, aangetekend op 21 augustus 1996 van onwaarde te verklaren;

8. het hierboven onder 4 bedoelde hoger beroep is op 15 januari 1997 door Mr.Matawlie ingetrokken;

Overwegende, dat [appellante] heeft aangevoerd dat het geding in de hoofdzaak volgens artikel 196 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet worden geschorst tot aan het vonnis van ontkentenis;

Overwegende, dat [appellante] zich in de desaveuprocedure erover beklaagt dat Mr.Matawlie in de zaak A.R.960390 geen conclusie van antwoord heeft genomen;

Overwegende, dat, waar hij zich richt tegen een nalaten van Mr.Matawlie, deze klacht niet de ontkentenis inhoudt van een gerechtelijke verrichting als bedoeld in artikel 191 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

Overwegende, dat een redelijke wetsuitlegging in verband met de eisen van een goede procesorde meebrengt dat in een zodanig geval geen grond voor schorsing van het geding aanwezig is en bovenweergegeven stelling van [appellante] derhalve niet opgaat;

Overwegende, dat [appellante] heeft aangevoerd dat het aantekenen van appèl door Mr.Matawlie zonder haar machtiging daartoe is geschied en van onwaarde is;

Overwegende, dat nu [appellante] deze stelling in een zodanig stadium van het geding heeft geponeerd, te weten bij conclusie tot uitlating d.d. 1 augustus 1997, dat [geïntimeerde] zich daarover niet meer heeft kunnen uitlaten, aan die stelling zal worden voorbijgegaan;

Overwegende bovendien, dat [appellante] niet kan volstaan met te ontkennen dat Mr.Matawlie volmacht had tot het instellen van het hoger beroep, maar een vordering tot desaveu, gebaseerd op het bepaalde in artikel 203 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, had moeten instellen, hetgeen zij echter niet heeft gedaan, waardoor haar ontkenning verder terzijde moet worden gelaten;

Overwegende, dat nu, zoals hierboven is gebleken het vonnis van 15 juli 1996 op 14 oktober 1996 aan [appellante] is medegedeeld,de termijn, waarbinnen zij hoger beroep tegen het vonnis van 15 juli 1996 kon instellen, op grond van het bepaalde in het derde lid van artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verstreek op 13 november 1996;

Overwegende, dat het door Mr. Matawlie ingestelde hoger beroep dus tijdig is ingesteld en, waar geen feiten zijn gebleken die tot een andere conclusie leiden, ervan wordt uitgegaan dat dit hoger beroep op de juiste wijze is ingesteld;

Overwegende, dat door de op 21 augustus 1996 ter griffie der Kantongerechten ontvangen verklaring van Mr.Matawlie het hoger beroep reeds was aangevangen en de daarna afgelegde verklaring van hoger beroep van Mr.Blufpand derhalve geen effect meer kon sorteren;

Overwegende, dat, nu het door Mr.Matawlie ingestelde hoger beroep is ingetrokken, het Hof niets anders te doen staat dan deze intrekking vast te stellen;

Overwegende, dat derhalve als volgt zal worden beslist;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Verstaat dat het hoger beroep is ingetrokken.

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 19 JUNI 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.E.Struiken namens haar gemachtigde,advokaat Mr.R.J.Blufpand en geintimeerde door advokaat Mr.F.Ishaak namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.G.Gangaram-Panday, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2001-13

PRO JUSTITIA IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!
VONNIS 2001 No.1

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding, waaronder het in af­schrift overgelegd vonnis, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 14 augustus 1997 gewezen en uitgesproken tegen:
[verdachte];
oud 46 jaar;
ambtenaar van beroep;
geboren te [district];
wonen­de aan [adres] te [woonplaats], verdach­te;
Gelet op het tijdig door de verdachte ingestelde hoger beroep;
Gehoord de verdachte in zijn verdediging, daarin bijge­staan door zijn raadsvrouwe, Mr. T. SEWDIEN, advokate bij Hof van Justitie;

Gehoord de getuige op belofte afge­legde verklaring;

Gehoord het Openbaar Ministerie;

Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte bij inleidende akte van dagvaarding zijn te laste gelegd, de feiten zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding, welke akte van dag­vaarding als hier geïnsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis door de daarin vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewe­zen heeft verklaard, dat verdach­te het hem bij inlei­dende akte van dagvaarding het te laste gelegde heeft be­gaan, zoals in voormeld vonnis is weer­gegeven;

met vrijspraak van het meer of anders telaste geleg­de;

Overwegende, dat de Kantonrechter het bewezen ver­klaarde feit heeft gekwalificeerd als:
1. MISHANDELING; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 360 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht en de ver­dach­te te dier zake heeft veroordeeld tot gevange­nis­straf voor de tijd van EEN WEEK, met het bevel dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de Kantonrechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 3 jaren bepaalde proeftijd schuldig heeft gemaakt of gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen, subsidiair een geldboete van vijfhonderd gulden, met de bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hechtenis, voor de tijd van een dag.

Overwegende, dat het Hof zich met het beroepen vonnis kan verenigen, behalve ten aanzien van de aan verdachte opgelegde straf, weshalve dit vonnis behoort te worden bevestigd, met uitzondering van dat gedeelte waarbij aan verdachte straf werd opgelegd, op welk punt dit vonnis moet worden vernietigd; met dien verstande echter, dat de in het beroepen vonnis gebezigde bewijsmiddelen dienen te worden aangevuld met de verklaringen van de [getuige] en de [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd:
1. de verklaring van de getuige [getuige] in hoger beroep afgelegd, zakelijk weergegeven :
dat op 18 juni 1997 de [persoon] aangifte heeft gedaan tegen de persoon van [verdachte] wegens mishandeling gepleegd op dinsdag 17 juni 1997 op het terrein van de STVS aan de Letitia Vriesdelaan in het distrikt Paramaribo;

dat het slachtoffer [persoon] voornoemd ten tijde van de aangifte ongeveer twintig jaar oud was;
dat [persoon] voornoemd emotioneel was toen zij de aangifte deed tegen de heer [verdachte] voornoemd;
dat de aangifte inhield dat de heer [verdachte] haar op het terrein van de STVS een klap in haar gezicht heeft toegebracht, waarbij haar gezondheidsbril krom is geraakt en haar oorbel kapot is gegaan;
dat zij voorts klaagde van pijn in haar gezicht;
dat hij de persoon van [verdachte] ook gehoord heeft en dat hij, [verdachte] heeft toegegeven zich schuldig te hebben gemaakt aan het aan hem te laste gelegde feit van mishandeling;
dat hij heeft toegegeven haar een duw in haar gezicht te hebben gegeven;
dat hij voor het overige persisteert bij alle door hem opgemaakte processen-verbaal;

2. de [verdachte]:
dat op de bewuste dag van dinsdag 17 juni 1997 [persoon] op zijn werkplaats van de STVS gelegen aan de Letitia Vriesdelaan in het distrikt Paramaribo was gekomen;
dat hij net kwam aanrijden toen hij haar op het terrein van voornoemde werkplaats zag;
dat hij haar te kennen gaf dat zij hier niet moest komen;
dat zij zeer demonstratief over kwam met de woorden:” Je kan gaan waar je wilt, niemand kan mij iets doen”;
dat hij haar toen een duw in haar gezicht heeft gegeven;
dat hij vraagt dat er rekening wordt gehouden met zijn omstandigheden, namelijk de werkdrukte, molest van [persoon] op zijn werkplaats en van zijn gezin;
Overwegende, dat het Hof de navolgende straf in over­eenstemming acht met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte;

Gezien, de aangehaalde artikelen 9, 11, 34, 40, en 127 van het Wetboek van Straf­recht;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt onder aanvulling der bewijsmiddelen het vonnis van 14 augustus 1997 door de Kan­ton­rechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken tegen de [verdachte] waarvan beroep, behoudens ten aanzien van de aan verdachte opgelegde straf;

Vernietigt dit vonnis te dien aanzien en in zoverre opnieuw rechtdoende:

Veroordeelt de verdachte tot :
Een geldboete van tienduizend (10.000,-) surinaams courant, met bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hech­tenis voor de tijd van een (1) week;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.­VON NIESE­WAND, Vice-President, Mw.Mr.C.C.L.A. VALSTEIN – MONTNOR, Lid en Mr.M.G. DE MIRANDA, Lid-plaats­vervanger, in tegenwoordig­heid van Mw.Mr.G.A. KISOENSINGH – JANGBAHADOER SINGH, Fungerend-Griffier, die dit vonnis hebben onderte­kend en hebben uitgesproken ter openbare te­rechtzit­ting van het Hof van Justitie van WOENSDAG, 25 JULI 2001, door de Vice-President voornoemd.

SRU-HvJ-1998-32

M.H.

GENERALE ROL NO: 13811.

DE STAAT SURINAME, zetelende te Paramaribo, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domici­lie hebbende te diens Parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.KRUISLAND, advokaat, appellant in Kort Geding,

t e g e n

A. APOTEC INC., rechtspersoon naar Canadees recht, gevestigd en kantoorhoudende in Weston, Ontario in Canada,

B. [bedrijf], rechtspersoon, geves­tigd en kantoorhoudende te [district] aan [adres], beiden ten deze domicilie kiezende te Para­ma­ribo aan de Heerenstrat nr.6B bij het advokatenkan­toor Gangaram Panday, door wie tot hun beider gemach­tigde is gesteld, Mr.G.GANGARAM PANDAY, advokaat, geintimeerden in Kort Ge­ding,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het Geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegde vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectieve­lijk van 24 augustus 1995 en 8 februari 1996 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 20 februari 1996, waaruit blijkt van het in­stellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat APOTEC INC. en [bedrijf] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:

1. dat eiseressen hierbij de navolgende vordering in Kort Geding wensen in te stellen tegen:

a. DE STAAT SURI­NAME, met name de Ministeries van Volksgezondheid en Financi­ën, rechtspersoon, in rechte vertegen­woor­digd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Graven­straat no.3 te Paramaribo,
b. DE CENTRALE BANK VAN SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Waterkant nr.20 te Paramaribo;

2. dat eiseres sub A een health care and Pharma­ceutical company is die gevestigd is in Weston, Ontario in Canada en dat zij in april 1991 aan gedaagde sub a ten behoeve van de gezondheidssector een creditline van 3 (drie) miljoen U.S.dollars ter beschikking heeft gesteld voor de aanschaf van medicamenten;

3. dat eiseres B handelsagent en vertegenwoordiger van eiseres sub A in Suriname is;

4. dat gedaagde sub b zich jegens eiseressen heeft ver­bonden om na levering van de goederen vreemde valuta (deviezen) voor eiseres beschikbaar te zullen stellen om de rekeningen te voldoen. dat gedaagde sub a zich jegens eiseres sub A garant had gesteld voor de richti­ge nakoming van alle terzake gemaakte afspraken;

5. dat eiseressen ter staving van hun stellingen hier­bij 5 brieven overleggen met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen, t.w: Een schrijven van eiseres sub A aan gedaagde sub b d.d. 9 april 1991 (1).
– Een schrijven van eiseres sub B aan de Vice-Presi­dent van de Republiek Suriname d.d. 11 april 1995 (2).
– Een schrijven van de President van de Centrale Bank van Suriname d.d. 12 april 1991 (3).
– Een schrijven van de Vice-President van de Repu­bliek Suriname d.d. 12 april 1991 aan eiseres sub A (4).
– Een schrijven van de Honorair Commercieel Verte­genwoor­diger van Canada in Suriname d.d. 12 april 1991 (5).

6. dat eiseres sub A in het kader van bovengenoemde creditline gedurende de jaren 1991 en 1992 dtkv eiseres sub B goederen ter waarde van in totaal $l.784.020,20 aan gedaagde sub a heeft verkocht en geleverd, gelijk laatstgenoemde heeft gekocht en ontvangen. dat eiseres sub B conform afspraak in de jaren 1991 en 1992 de tegenwaarde van voormeld geldbedrag, zijnde Sf.3.165.­885,– (renteloos) bij gedaagde sub b heeft gestort. dat eiseres sub B ter staving van haar stel­lingen hierbij 6 produkties overlegt, genummerd 6a, 6b, 6c, 6d, 6e en 6f;

7. dat tussen partijen een rente van 12% per jaar was afgesproken en dat deze schuld per 31 augustus 1995 US$ 2.427.783,27 bedraagt. dat eiseres sub B ter staving van deze stelling hierbij een produktie genummerd 7, overlegt;

8. dat gedaagden sub a en b ondanks herhaalde en dringende aanmaningen in gebreke zijn gebleven voormeld geldbedrag ter beschikking te stellen en zich jegens eiseres hebben schuldig gemaakt aan wanpresta­tie. dat door deze houding van gedaagden sub a en b het vertrou­wen dat eiseres sub A in hun had ernstig is geschaad. dat eiseressen ter staving van deze stelling hierbij de navolgende brieven overleggen t.w.:

Een schrijven van eiseres sub B d.d. 5 juni 1991 (8).
Een schrijven van eiseres sub B d.d. 18 augustus 1993 (9).
Een schrijven van eiseres sub B d.d. 22 november 1993 (10).
Een schrijven van de Minister van Volksgezondheid d.d. 27 januari 1994 met als bijlagen 2 brieven d.d. 25 maart 1993 en 20 april 1993 (11a, 11b en 11c).
Een fax van eiseres sub A aan eiseres sub B d.d. 14 maart 1994 (12).
Een schrijven van gedaagde sub b aan eiseres sub B d.d.9 juni 1994 (13).
Een schrijven van eiseres sub B aan gedaagde sub b d.d. 21 juli 1994 met 3 bijlagen genummerd 14a, 14b, 14c en 14d.
Een fax van eiseres sub A aan eiseres sub B d.d. 17 januari 1995 (15).
Een schrijven van de Minister van Volksgezondheid aan de Minister van Volksgezondheid aan de Minister van Financiën d.d. 26 mei 1995 (16);

9. dat eiseressen de rechter verzoeken om al hun hier­boven genoemde en overgelegde produkties als let­terlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen;

10. dat doordat de gedaagden hun betalingsverplichtin­gen jegens eiseressen nog steeds niet zijn nagekomen, eiseressen grote schade lijden, welke schade overigens steeds toeneemt. Eiseres sub A heeft de rekeningen i.v.m. de leveringen van de medicamenten door de leve­ranciers in Canada aan haar, nog niet betaald en zij hebben gedreigd rechtsmaatregelen tegen haar te zullen treffen terwijl eiseres sub A nog andere dringende financiële verplichtingen jegens derden heeft. dat eiseres sub B een rechtspersoon is met 15 personeelsle­den en dat het in haar bedoeling lag om met de winst goederen t.b.v. haar bedrijf uit het buitenland te importeren, waartoe zij thans niet in staat is. Overi­gens lijdt eiseres sub B door de wanprestatie van gedaagden sub a en b schade doordat de goede naam die zij jaren lang bij eiseres sub A had opgebouwd, thans ernstig is aangetast;

11. dat zowel de hoogte van de vordering als de opeis­baarheid daarvan onomstotelijk vaststaan;

12. dat eiseressen op grond van al de voorgaande stellin­gen gerechtigd zijn te vorderen dat gedaagden sub a en b geboden zullen worden hun betalingsverplich­tingen terzake na te komen cq de terzake benodigde deviezen beschikbaar te stellen, althans een bedrag als verzocht in het petitum bij wege van voorschot beschik­baar te stellen;

13. dat eiseressen recht en belang hebben bij een voor­ziening bij voorraad. dat deze zaak er één is van onverwijlde spoed die geen verder uitstel kan gedogen waardoor een behandeling in Kort Geding gerechtvaardigd is;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd; dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande verzet of hoger beroep:

PRIMAIR:
Gedaagden sub a en b zullen worden veroordeeld, des de één presterende de ander zal zijn bevrijd, om binnen 5 dagen na vonniswijzing aan eiseressen althans aan eiseres sub A danwel aan eiseres sub B t.b.v. eiseres sub A, deviezen ten bedrage van US$ 2.427.783,27 be­schikbaar te stellen cq af te geven, vermeerderd met de overeen­gekomen rente ad 12% per jaar over de som van US$ 1.784.020,20 ingaande 1 september 1995 tot aan de dag der algehele beschikbaarstelling, op straffe van en dwangsom van Sf.3.000.000,– per dag voor elke dat gedaagden sub a en b ingebreke mochten blijven aan deze veroordeling te voldoen, het een en ander desnoods onder door de rechter in goede justitie nader te bepa­len voorwaarden. Voorts gedaagden sub a en b zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding, des de één betalende de ander zal zijn bevrijd.

SUBSIDIAIR:
Gedaagden sub a en b zullen worden veroordeeld om binnen 5 dagen na vonniswijzing des de één presterende de ander zal zijn bevrijd, om terzake voorschreven aan eiseressen, althans aan eiseres sub A, danwel aan eiseres sub B t.b.v. eiseres sub A, bij wege van voor­schot beschik­baar te stellen cq af te geven cq te betalen een bedrag van US$ 2.400.000,– en wel op straffe van een dwangsom van Sf.3.000.000,– per dag voor elke dag dat gedaagden sub a en b ingebreke moch­ten blijven aan deze veroorde­ling te voldoen, het een en ander desnoods onder door de rechter in goede justi­tie nader te bepalen voorwaar­den.

Voorts gedaagden sub a en b zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding, des de één betalende de ander zal zijn bevrijd;

Overwegende, dat DE STAAT SURINAME en DE CENTRALE BANK VAN SURINAME als gedaagden partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van een produktie welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering hebben bestreden en daar­bij hebben geconcludeerd;

Gedaagde sub a:
dat eiseressen in hun vordering niet zullen worden ontvangen, althans dat deze aan hun zal worden ontzegd;

Gedaagde sub b:
dat eiseressen in hun vordering niet zullen worden ontvangen c.q. hen deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 24 augustus 1997 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast;

Overwegende, dat ter gehouden comparitie van partijen zijn verschenen: de heer Otto Ezechiels, directeur van de Centrale Bank, Mr.D.J.PH.Arrias, Waarnemend-direkteur van het Ministerie van Volksge­zondheid en de gemachtigden van partijen, die hebben verklaard gelijk in de daarvan door de Kantonrechter opgemaakte processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gedaagden zich bij schrifte­lijke conclusie hebben uitgelaten over een schikkings­voorstel, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiser (lees: eiseressen) bij schriftelijke conclusie zijn reactie op het aangeboden voorstel heeft gegeven, wordende de inhoud daarvan als hier geinsereerd aangemerkt;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis in Kort Geding van 8 februari 1996 op de daarin opgenomen gronden:

Eiseres sub B niet ontvankelijk heeft verklaard in haar mede tegen gedaagden ingestelde vordering;

Eiseres sub A niet ontvankelijk heeft verklaard in haar tegen gedaagde sub B ingestelde vordering;

Gedaagde sub A heeft veroordeeld tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres sub A tegen de koers van de dag van betaling in Surinaams Courant te betalen het bedrag van US$ 1.684.020,20,–;

Dit vonnis voorzover betreft sub C uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

De proceskosten tussen partijen heeft gecompen­seerd (d.z. eiseres sub A en gedaagde sub A) in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

Het meer of anders gevorderde heeft geweigerd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal DE STAAT SURINAME in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 8 februari 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL van 21 mei 1996 aan geintimeerden aan­zegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rech­t­sdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aange­zegd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een pleitnota heeft genomen onder overlegging van produk­ties, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke inci­dentele conclusie tot schorsing van het geding heeft genomen;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 4 juli 1997 het geding is hervat;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvanke­lijk had bepaald op 23 januari 1998, doch na enige malen te zijn aangehouden nader werd bepaald op heden.

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Appellant is tijdig in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 8 februari 1996.
Het Hof heeft bij vonnis van 16 mei 1997, gewezen en uitgesproken tussen partijen en bekend onder GR 13823, de in het beroepen vonnis van 8 februari 1996 gedane erkentenissen, alsmede gemeld vonnis van 8 februari 1996, van onwaarde verklaard. Het Hof is van oordeel dat het onderhavige geding tussen partijen zich thans wederom bevindt in de stand waarin het zich bevond voor de gedane erkentenissen, en derhalve staat voor het nemen van een conclusie van antwoord. Het Hof zal het geding danook verwijzen naar de rechter in eerste aanleg, met compensatie van de proceskosten tussen partijen, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten voldoet.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Verwijst de zaak terug naar de rechter van eerste aanleg ter hernieuwde berechting, aan te vangen op het punt voordat de ontkende verrichtingen plaatsvonden;
Machtigt de meest gerede partij, bij de eerste rechter de zaak ter rolle te doen brengen, voor het nemen van een conclusie van antwoord;
Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten voldoet;

Aldus gewezen door de heren: Mr.A.I.RAMNEWASH, Fungerend-President, Mr.P.­G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Fungerend-President uitge­sproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 19 juni 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.E.STRUIKEN namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.­KRUISLAND en geintimeerden vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.F.ISHAAK namens hun gemachtigde, advo­kaat Mr.G.GANGARAM PANDAY, zijn bij de uitspraak ter te­recht­zitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2001-12

M.H.
GENERALE ROL NO.13959.

[appellant], wonende in [district 1] aan [adres 1], voor wie als gemachtigde op­treden, Mr.T.GANGARAM PANDAY en Mr.I.KANHAI, advo­katen,
appellant in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district 2] aan [adres 2], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.MARICA, advokaat,
geïntimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde vonnissen in Kort Geding van de Kanton­rech­ter in het Eerste Kanton res­pectievelijk van 15 augustus 1996 en 14 novem­ber 1996 tussen par­tijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 26 november 1996, waaruit blijkt van het in­stel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisen­de partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:
1. dat eiser de navolgende rechtsvordering in Kort Geding wenst in te stellen tegen: [appellant], wonende in [district 1] aan [adres 1], gedaag­de;

2. dat eiser d.d. 11 oktober 1995 bij beschikking van de Minister van het Ministerie van Natuurlijke Hulp­bronnen het recht van grondhuur ter uitoefening van de tuinbouw/landbouw voor de duur van 40 jaren verkreeg op het perceelland groot 2.2883 ha gelegen in [district 1] bekend als [plaats] serie 9 [nummer 1] a en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname Ir. E.S.Devid d.d. 03 mei 1995 door de figuur ABCD;

3. dat eiser een afschrift van deze beschikking aan de Hypotheekbewaarder ter overschrijving in de Openbare Registers heeft aangeboden die het inschreef in het Dagregister A deel 187 [nummer 2] d.d. 18 januari 1996 waardoor rechtens vaststaat dat eiser grondhuurder is van voormeld perceelland. Worde hierbij de beschikking met de daaropgestelde aantekening van de Hypotheekbe­waarder in afschrift overgelegd met verzoek het hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen be­schouwen (produktie 1);

4. dat eiser tot de ontdekking is gekomen dat door een andere i.c. gedaagde zonder zijn voorkennis en toestemming het litigieuze perceelland bewerkt en daarop op bescheiden schaal aan de veeteelt doet;

5. dat eiser de plaatselijke politie (station Santo Boma) met overlegging van zijn bescheiden assistentie gevraagd heeft gedaagde te ontruimen maar dat zulks niet tot een bevredigende (lees:bevredigend) resultaat heeft geleid;

6. dat eiser hierna door tussenkomst van zijn raads­man gedaagde aanschreef d.d. 19 april 1996 voormeld perceelland te ontruimen, welke (lees:welk) schrijven bij exploit van de deurwaarder J.E.Kolf d.d. 24 april 1996 [nummer 3] aan hem is uitgereikt. In dit schrijven heeft eiser gedaagde in kennis gesteld van zijn verwor­ven recht van grondhuur en hem aangenaamd binnen 2 weken na ontvangst van het schrijven te ontruimen op straffe van het treffen van rechtsmaatregelen, met verzoek het deurwaardersexploit als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen; (productie 2)

7. dat het eiser gebleken is dat gedaagde de sommatie naast zich heeft neergelegd waardoor eiser ernstig wordt geschaad in het genot en het gebruik van de (lees:het) gehele aan hem in grondhuur toebehorende perceelland;

8. dat gezien het voorgaande gedaagde in strijd handelt met de betamende maatschappelijke zorgvuldig­heid, althans handelt in strijd met de zorgvuldigheid die hij jegens eiser in acht behoort te nemen. De handelingen althans gedragingen van gedaagde zijn in hoge mate verwijtbaar en onzorgvuldig nu hij reeds enige tijd ermee bekend is dat het litigieuze perceel­land in grondhuur is afgestaan aan eiser en hij weigert te ontruimen;

9. dat eiser deze onhoudbare situatie niet langer wenst te tolereren en hij derhalve gerechtigd is een voorziening bij voorraad te eisen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis in KORT GEDING, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:
– Gedaagde zal worden veroordeeld om binnen één week na het te dezen te wijzen vonnis althans binnen één door de Rechter in goede justitie vast te stellen termijn het voorschreven perceelland te ontruimen en te verlaten en ter vrije beschikking van eiser te stellen onder verbeurte van een dwangsom van sf.50.000,– voor iedere dag dat gedaagde in gebreke mocht blijven met de uitvoering van het te dezen te wijzen vonnis.

Met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding;

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclu­sie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconclu­deerd:

dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard althans aan hem deze zal worden ont­zegd alszijnde in strijd met de redelijkheid en de billijkheid, Kosten rechtens;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen ter terechtzitting van 25 juli 1996 hun standpunten monde­ling hebben toegelicht gelijk in het daarvan opgemaakt – en hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 15 augustus 1996, op de daarin opgenomen gronden, alvorens verder te beslis­sen een comparitie van partijen heeft gelast, tevens de Griffier der Kantonge­rechten heeft gelast Ing. G.Eliazer, Onderdirec­teur Domeinbeheer op het Ministerie van Natuurlijke Hulp­bronnen, schriftelijk uit te nodigen bij de gelaste comparitie aanwezig te zijn, en iedere verdere beslis­sing heeft aangehouden;

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen en gehouden comparitie van partijen op 4 september 1996 is gehouden, waarbij zijn verschenen partijen in per­soon en ingenieur [naam 2] die daarbij stukken heeft overgelegd, waarvan de inhoud als inge­last dient te worden beschouwd, en waarbij partijen hebben ver­klaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als inge­last te beschouwen proces-verbaal staat gerela­teerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde ten dage voor uitlating bepaald een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens eiser bepaald, diens gemachtigde een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 14 november 1996 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft veroordeeld het perceelland, groot 2,2883 ha, gelegen in [district 1], bekend als [plaats] Serie 9 [nummer 1] a en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart aan de landmeter in Suriname Ir. E.S.Devid de dato 3 mei 1995 door de figuur ABCD, aan eiser bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen de dato 11 oktober 1995 [nummer 3], overgeschreven ten hypotheekkantore op 8 januari 1996 in register C 1311 onder [nummer 4], binnen drie maanden na de uitspraak van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van eiser te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van f.50.000,– per dag voor iedere dag dat gedaagde in gebreke blijven mocht aan dit vonnis uitvoering te geven;

Dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren heeft verklaard;

Gedaagde heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan eisers zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op sf.4.752,50 (vierduizend Zevenhon­derd twee en vijftig 50/100 gulden);

Het meer of anders gevorderde heeft geweigerd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-ver­baal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eind­vonnis in Kort Geding van 14 november 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL van 13 juni 1997 aan geïntimeerde aan­zeg­ging van het inge­stelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ten dage voor dagbepaling plei­dooi bepaald geintimeerde niet was opgeroepen waarna de zaak werd afgevoerd;

Overwegende, dat ten dage voor nadere dagbepaling pleidooi advokaat Mr.T.Gangaram Panday het Hof heeft medegedeeld dat Mr.I.kanhai zich mede stelt als gemach­tigde van appellant;

Overwegende, dat ten dage voor pleidooi peremptoir bepaald de gamachtigden van appellant een pleitnota hebben overgelegd, onder overlegging van een produktie, wor­dende de inhoud van de overgelegde produktie hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellant bij repliek pleidooi een produktie overgelegd, wordende de inhoud van de overgelegde produktie eveneens hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvan­kelijk had beplaald op 16 juni 2000, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

2. Appellant heeft tegen het beroepen vonnis twee grieven aangevoerd, zakelijk weergegeven, luidende:
grief 1
De Kantonrechter heeft ten onrechte overwogen alsof appellant (onderstreping door appellant), des­tijds gedaagde, zich in 1990 (onderstreping door appel­lant) zonder een daartoe gerechtigde titel op het aan een ander toebehorende perceelland heeft gevestigd;

grief 2
De Kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat het onwaarschijnlijk lijkt dat de beschikking van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen met succes zal kunnen worden aangevochten.

3. Blijkens de toelichting op grief 1 voelt appellant zich gegriefd omdat, naar hij stelt, door de woordkeus in de derde rechtsoverweging op pagina 3 van het beroe­pen vonnis de schijn wordt gewekt alsof het terrein reeds in 1990 aan geintimeerde toebehoorde.

4. In de door appellant gewraakte passage heeft de Kantonrechter, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, overwogen dat uit de in het dossier van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen voorkomende gegevens is af te leiden dat appellant zich in 1990, zonder een daartoe gerechtigde titel, ”op het perceel­land, aan een ander toebehorend,” heeft gevestigd. Het Hof is van oordeel dat de gewraakte passage, noch op zichzelf beschouwd noch gelezen in samenhang met de overige rechtsoverwegingen in het beroepen vonnis, de schijn wekt dat het perceelland reeds in 1990 aan geintimeerde toebehoorde. Dit klemt te meer, nu de Kantonrechter, met betrekking tot de aanspraken van geintimeerde op het betreffende perceel, reeds in zijn eerste rechtsoverweging als vaststaand heeft aangeno­men, zakelijk weergegeven, dat geintimeerde in 1996 (te weten op 18 januari van dat jaar, zijnde de datum van inschrijving van de betreffende beschikking in de openbare registers) het recht van grondhuur op het betreffende perceelland heeft verkregen. Grief 1 gaat dus niet op.

5. Er is geen grief aangevoerd tegen de hierboven onder 4 reeds aangehaalde vaststelling door de Kanton­rechter dat uit de in het dossier van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen voorkomende gegevens is af te leiden dat appellant zich in 1990, zonder een daar­toe gerechtigde titel, ”op het perceelland, aan een ander toebehorend” heeft gevestigd. Het Hof gaat er dan ook met de Kantonrechter ervan uit dat appellant (sinds 1990) zonder recht of titel op het betreffende perceel woont.

6. Uit de toelichting op grief 2 begrijpt het Hof dat appellant van oordeel is dat de huurovereenkomst, die met betrekking tot het hier aan de orde zijnde perceel­land tussen de Staat Suriname en [naam 3] bestond, door eerstgenoemde diende te worden beëindigd; dat het perceelland pas na die beëindiging in de boezem van de Staat terugkeerde en de Staat derhalve pas na die beëindiging over het perceelland kon beschikken door het aan geintimeerde in grondhuur uit te geven; dat (tijdens de in eerste aanleg gehouden comparitie) de Staat niet heeft aangegeven en (ook overigens) niet is gebleken dat de huurrelatie tussen [naam 3] en de Overheid is opgehouden te bestaan.

7. Appellant ziet naar de mening van het Hof over het hoofd dat het betreffende perceelland door de Staat Suriname aan [naam 3] in huur was verstrekt en het perceel dus steeds in de boezem van de Staat Suriname is gebleven.

8. Verder heeft, naar uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal blijkt, ing.[naam 2], ter verstrek­king van informaties gehoord, gesteld, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, dat, nadat [naam 3] had verzocht om het perceel over te schrijven en hem daartoe geen toestemming was verleend, het perceel is ingetrokken. Deze feiten zijn noch bij de comparitie noch daarna door appellant tegengesproken en staan derhalve vast.

9. Onder ”intrekken van het perceel” wordt in geval­len als de onderhavige in het algemeen spraakgebruik verstaan het beëindigen van de huurovereenkomst door de Staat Suriname, zodat op grond van hetgeen onder 8 is overwogen vaststaat dat de huurovereenkomst met be­trekking tot het onderwerpelijk perceelland tussen [naam 3] en de Staat Suriname is opgehouden te bestaan. Grief 2, welke ervan uitgaat dat zulks in dit geding niet zou zijn gebleken gaat dus niet op.

10. Nu beide grieven falen dient het vonnis a quo te worden bevestigd. Appellant zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en op 14 november 1996 uitgesproken.

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en be­groot op f….

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f..

Bepalende het Hof het salaris van de advokaten van appellant eveneens op f……

Aldus gewezen door de heren Mr.E.S.OMBRE, Funge­rend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Le­den en door de Fungerend-Presi­dent uitge­spro­ken ter open­ba­re te­recht­zitting van het Hof van Justi­tie van VRIJ­DAG, 16 FEBRUARI 2001, in tegenwoor­dig­heid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.T.Gangaram Panday die tevens ook optreedt namens advokaat Mr.I.Kanhai en geintimeer­de verte­gen­woordigd door advokaat Mr.K.Brand­on namens zijn gemach­tigde, advokaat Mr.S.Marica, zijn bij de uitspraak ter terecht­zitting verschenen.

SRU-HvJ-1989-3

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 10 maart 1989

(Mrs. S. Gangaram Panday, A.I. Ramnewash en F.F.P. Truideman).

[verzoeker], wonende te [district] aan [adres], advokaat Mr. K.R. LIEUW ON,
verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, kantoor houdende aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, en ter terechtzitting vertegenwoordigd wordende door Mr. W.R. WILLEMZORG,
verweerder.

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende. dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof van Justitie heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker wenst de navolgende vordering in te stellen tegen De Staat Suriname, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, verweerder.

2. Verzoeker, ambtenaar B 2e klasse in tijdelijke dienst en belast met de functie van bewaker bij het Ministerie van Volksgezondheid, is door verweerder te rekenen van 26 januari 1988 wegens plichtsverzuim ontslag uit staatsdienst verleend, e.e.a, blijkende uit de hierbij in fotokopie overgelegde beschikking van 26 april 1988.

3. Verzoeker heeft voormelde beschikking op of omstreeks 30 mei 1988 in zijn brievenbus gevonden, zodat die datum moet worden geacht de datum te zijn waarop door verweerder aan verzoeker kennis is gegeven van het besluit tot zijn ontslag zoals in die beschikking gerelateerd.

4. Verzoeker acht zich door dit besluit tot zijn ontslag gegriefd en bezwaard, zijnde immers dit besluit in strijd met de Personeelswet, althans wordt door verweerder de bevoegdheid tot ontslag gebruikt voor een ander doel dan waartoe die is gegeven en in ieder geval moet het litigieuze besluit worden geacht in strijd te zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

5. Immers heeft verzoeker zich niet schuldig gemaakt aan ongeoorloofde handelingen en nog minder aan plichtsverzuim en in ieder geval niet aan de in artikel 69 van de Personeelswet limitatief opgesomde ontslaggronden.

Verzoeker heeft inderdaad, toen hij vrijaf was van dienst (met toestemming van een der wachters) met zijn concubine (met wie hij samenwoont)na afloop van een filmvoorstelling een zgn. “Kentucky Fried Chicken” in een aan verweerder toebehorend pand genuttigd, hetgeen evenwel geen reden tot ontslag oplevert

6. Verzoeker is dan ook gerechtigd de nietigverklaring te vorderen van het litigieuze door verweerder t.a.v. verzoeker genomen besluit, alsmede te vorderen dat zijn salaris en overige emolumenten vanaf het litigieuze ontslag aan hem zullen worden uitgekeerd.

7. Blijkens het hierbij overgelegd certificaat van onvermogen is verzoeker niet bij machte de aan dit proces verbonden kosten te betalen;

Overwegende, dat verzoeker op deze grond heeft gevorderd:

dat bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. het besluit van verweerder zoals neergelegd in de beschikking van de Minister van Volksgezondheid [nummer] d.d. 26 april 1988 waarbij is besloten aan verzoeker ontslag uit staatsdienst te verlenen, nietig zal worden verklaard, althans zal worden vernietigd;

II. verweerder zal worden veroordeeld aan verzoeker te betalen zijn salaris en alle overige emolumenten, waaronder het vakantiegeld, te rekenen vanaf mei 1988, vermeerderd met de wettelijke interessen hierover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening, kosten rechtens;

Overwegende, dat de Staat Suriname een verweerschrift heeft ingediend, waarin als verweer wordt aangevoerd:

dat zij bevestigt hetgeen gesteld is in het 2e sustenu van het inleidend rekest;

dat verzoeker zich op beroept dat de ingangsdatum van zijn ontslagverlening diende te geschieden op 30 mei 1988, zijnde de datum waarop verzoeker zijn ontslagbeschikking heeft ontvangen, instede van 26 april 1988, zijnde de datum van de beschikking;

dat deze stelling van verzoeker geen hout snijdt aangezien artikel 70 lid 5 van de personeelswet uitdrukkelijk aangeeft dat ontslag met terugwerkende kracht kan worden verleend tot het tijdstip waarop de buitenfunctiestelling (schorsing) is ingegaan;

dat nu verzoeker bij brief van 26 januari 1988 door de Onderdirecteur Administratieve Diensten buiten functie is gesteld, de ontslagdatum zonder meer terecht is gesteld;

dat verzoeker stelt zich gegriefd en bezwaard te voelen door het aan hem verleende ontslag;

dat zulks aan zijn eigen schuld te wijten is daar verzoeker recentelijk bij beschikking van 20 januari 1988 m~ 247 wegens plichtsverzuim samen met vier andere bewakers voor Een week werd geschorst waarbij in vermelde beschikking uitdrukkelijk is gesteld dat bij herhaald plichtsverzuim een zwaardere tuchtstraf zou worden overwogen;

dat verzoeker niet voor geschroomd heeft om binnen een kort tijdbestek na zijn schorsing zich wederom aan plichtsverzuim schuldig te maken;

dat verzoeker aanvoert zich niet daaraan schuldig te hebben gemaakt door zo simpel voor te stellen aan “Kentucky Fried Chicken” samen met zijn concubine in een aan verweerder toebehorende pand te hebben genuttigd:

doen omdat de verzoeker door de verweerder niet geschorst is geweest en omdat toen het ontslagbesluit werd genomen het besluit tot buitenfunctiestelling, zoals boven reeds gesteld is, reeds was uitgewerkt en dus niet meer van kracht was en waarmede tevens de rechtsverhouding tussen partijen volledig hersteld was, omdat buitenfunctiestelling een op schorsing of ontslag vooruitlopende maatregel is;

Overwegende, dat het voormeld ontslagbesluit van verweerder op de bovengenoemde gronden als in strijd met de wet door het Hof dan ook zal worden nietig verklaard en de verweerder zal worden veroordeeld aan de verzoeker het salaris en emolumenten vanaf de maand mei 1988 uit te betalen, met veroordeling van de verweerder, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten aan de zijde van de verzoeker gevallen.

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart nietig het ontslagbesluit van de Minister van Volksgezondheid d.d. 26 april 1988 no. 436, waarbij aan de verzoeker ontslag uit Staatsdienst werd verleend;

Veroordeelt de verweerder om aan de verzoeker te rekenen vanaf de maand mei 1988 het salaris en alle emolumenten, waaronder het vacantiegeld, vermeerderd met de wettelijke renten daarover a 6% per jaar vanaf 23 juni 1988 tot aan de dag der algehele voldoening, te voldoen;

Veroordeelt verweerder in de kosten aan de zijde van de verzoeker gevallen en begroot op f. …..,..

 

 

 

SRU-HvJ-2001-11

H.M.
GENERALE ROL NO.14087.

DE SURINAAMSE BAKKERSBOND, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Prinsenstraat no.9, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.KRAAG, advokaat,
appellante,

tegen

[geïntimeerde], gevestigd en kantoorhoudende aan de Heerenstraat no.52, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.MARICA, advokaat,
geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 1 december 2000 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de geintimeerde in de enquete 2 getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerde hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden enquete heeft genomen, hebbende hij tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 15 juni 2001, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 1 december 2000 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat geintimeerde, ten einde het van hem verlangde bewijs te leveren als getuigen heeft doen horen [naam 1] en [naam 2] en bij conclusie na gehouden enquete de dato 25 april 2001 heeft overgelegd een stortingsbewijs in fotocopie van de Hakrinbank N.V. de dato 28 augustus 1990;

Overwegende, dat het Hof de vraag of geintimeerde het van hem verlangde bewijs geleverd heeft ontkennend beantwoordt, blijkende dat immers niet uit voormelde aangedragen bewijsmiddelen;

Overwegende, dat mitsdien niet bewezen is en dien tengevolge tussen partijen in rechte niet is komen vast te staan hetgeen gesteld is in de 1 ste tot en met 11e alinea van het verzoekschrift;

Overwegende, dat het Hof, bespreking van de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grief, die het Hof bovendien voorkomt als feitelijke onjuist, geheel in het midden latend, het beroepen vonnis zal vernietigen en geintimeerde zijn vordering hem alsnog als onbewezen zal ontzeggen, onder veroordeling van geintimeerde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten op dit geding aan de zijde van appellante gevallen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 10 februari 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Ontzegt geintimeerde alsnog zijn vordering;

Veroordeelt geintimeerde in de kosten in beide instanties aan de zijde van appellante gevallen en in prima begroot op sf….

en in hoger beroep begroot op sf……

Met inbegrip van het door het Hof aan hem gehouden pleidooi toegekende salaris van sf…

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geintimeerde eveneens op sf……

Aldus gewezen door de heren Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-Presi­dent uitge­sproken ter openbare terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 6 JULI 2001, in tegenwoor­dig­heid van Mr.R.R.BRIJBHOKUN, Fungerend-Griffier.

Partijen, vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advokaat Mr.J.Kraag en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat, Mr.J.Nibte namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.S.Marica, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.