SRU-HvJ-1991-3

Hof van Justitie
12 april 1991, G.R. 12872
(Mrs. S. Gangaram Panday, A.I. Ramnewash, F.F.P. Truideman)

De Naamloze Vennootschap [naam] Handelsonderneming, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te [adres 1] in het [district 1] , advocaat mr. R.H. Komproe, appellante in conventie,

tegen

[geintimeerde], wonende aan [adres 2], te [district 2], advocaat mr. C. CH. Bhagwandin, geïntimeerde in conventie,

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis gewezen en uitgesproken;

Ten aanzien van de feiten
In conventie:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen is verschenen de heer R. Liesdek, Directeur van de Handelsonderneming de N.V. [naam ], bijgestaan door zijn gemachtigde, advocaat mr. R.H. Komproe, die heeft verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies na gehouden comparitie van partijen hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 12 oktober 1990, doch dit na enige malen te hebben aangehouden, tenslotte heeft bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht
In conventie
Overwegende, dat het Hof hier omtrent en volhardt bij hetgeen bij interlocutoir vonnis van 27 april 1990 is overwogen;

Overwegende, dat de bij dat vonnis bevolen comparitie van partijen is gehouden, waarbij alleen de appellante vertegenwoordigd is geweest en dat uit de conclusie van de geïntimeerde na comparitie blijkt dat de geïntimeerde wegens uitlandigheid daarbij niet aanwezig is geweest;

Overwegende, dat het Hof voormelde comparitie nodig geoordeeld had om de appellante in de gelegenheid te stellen haar vordering nader te specificeren, omdat er geen duidelijkheid daarover in de gedingstukken uit eerste aanleg te vinden was, doch dat ook de informaties die de appellante thans aan het Hof verstrekt heeft niet heeft bijgedragen tot het gemotiveerd en duidelijk aangeven van haar vordering;

Overwegende, dat de grieven tegen het aangevochten vonnis zo algemeen geformuleerd zijn, dat daarin niet exact te vinden is welke bezwaren de appellante daartegen precies heeft en dat aan het verlangen van het Hof dat bij de comparitie daarover enige opheldering zou worden gegeven niet is voldaan, zoals uit het proces-verbaal blijkt;

Overwegende, dat de Kantonrechter aan de appellante de gelegenheid had geboden om bewijs van haar stellingen bij te brengen, waarin zij ook niet geslaagd is en dat nu de appellante in hoger beroep niet gepreciseerd heeft aangegeven waarvan zij bewijs wenst te leveren, zal het Hof aan dit verzoek voorbijgaan;

Overwegende, dat uit een en ander blijkt dat de Kantonrechter reeds in een eerder stadium de appellante niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar vordering omdat zij aan haar stelplicht niet had voldaan, zoals de geïntimeerde terecht gesteld heeft in zijn conclusies (in eerste aanleg);

Overwegende, dat het Hof danook, onder verbetering van de gronden, het vonnis, waarvan beroep, zal bevestigen, met veroordeling van de appellante, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van de geïntimeerde gevallen:

Rechtdoende in hoger beroep
In conventie
Bevestigt onder verbetering van de gronden het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen en uitgesproken tussen partijen op 21 oktober 1986; Veroordeelt appellante in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op Sf. 150,– met inbegrip van het door het Hof aan zijn advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van Sf.150,–; bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellante eveneens op Sf. 150,–;

Hof van Justitie, 27 april 1990 (Interlocutoir vonnis)
(Mrs. S. Gangaram Panday, A.I. Ramnewash, F.F.P. Truideman)

De Naamloze Vennootschap [naam] Handelsonderneming, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te [adres 1] in het [district 3], thans [district 1], advocaat mr. R.H. Komproe, appellant in conventie en in reconventie,

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres 2] in het [district 3], thans [district 2], advocaat mr. C.CH. Bhagwandien, geïntimeerde in conventie en in reconventie,

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton respectievelijk van 15 februari 1983, 8 mei 1984, 4 februari 1986 en 21 oktober 1986 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 18 november 1986, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep:

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat de Naamloze Vennootschap [naam] Handelsonderneming als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat eiseres in het [district 3], te [adres 1], gedurende de periode 1 december 1977 tot en met 17 augustus 1978, aan de gedaagde heeft verkocht en geleverd, gelijk deze ten tijde en ter plaatse als gesteld van de eiseres heeft gekocht en geleverd heeft ontvangen een P.P.M. Graafmachine en diverse tweede handse Deutz Motoren;
  2. dat eiseres voorts in dezelfde periode ten behoeve van de gedaagde diverse reparatiewerkzaamheden heeft verricht aan gedaagde in eigendom toebehorende zwaar materieel, alsmede diverse onderdelen aan de gedaagde heeft verkocht en geleverd;
  3. dat het totaal door gedaagde aan eiseres verschuldigde bedrag als koopprijs van de P.P.M. Graafmachine, diverse tweede handse motoren, geleverde onderdelen en kosten van verrichte reparatie’s per 17 augustus 1980, bedroeg Sf. 60.863,11;
  4. dat door gedaagde gedurende de periode 1 december 1977 tot en met 17 augustus 1978, op voormeld totaal verschuldigde bedrag van Sf. 60.863,11, als inmindering is betaald een bedrag van Sf. 40.148,09, latende een saldo bedrag van Sf. 20.714,92;
  5. dat eiseres tot op heden geen betaling van voormeld saldo bedrag van de gedaagde kan bekomen;
  6. dat eiseres gerechtigd in alle redelijkheid en billijkheid over het per saldo verschuldigde bedrag van Sf. 20.714,92 rente in rekening te brengen nu de eiseres aan de Bank, door wie zij gefinancieerd wordt bij aankoop van machines en onderdelen, rente ad 9% ‘s jaars vergoed, uitmakende de rente per heden de som van Sf. 5.777,83;
  7. dat eiseres van zowel het saldo bedrag ad Sf. 20.714,92 als van de rente ad Sf. 5.777,83 geen betaling van de gedaagde kan bekomen, niettegenstaande hij daartoe herhaaldelijk en dringend is aangemaand;
  8. dat eiseres thans het aan haar verschuldigde bedrag in rechte van de gedaagde wenst te vorderen;
  9. dat eiseres ter verzekering harer voormelde vordering, na daartoe verkregen verlof van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, bij procesverbaal van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, B.S. Ramkhelawan, d.d. 23 maart 1980, conservatoir beslag heeft doen leggen op de in dit procesverbaal omschreven roerende goederen van de gedaagde;
  10. dat dit beslag behoort te worden vanwaarde verklaard;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep, zonder borgtocht, met uitzondering van de veroordeling omtrent de kosten, gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen: a. als hoofdsom Sf. 20.714,92 b. wegens verschenen rente gerekend tot de maand februari 1981 een bedrag van Sf. 5.777,83 c. de rente over voormeld alsnog aan hoofdsom verschuldigde bedrag van Sf. 20.714,92 ad 9% ‘s jaars vanaf de maand maart 1981 tot aan de dag der algehele voldoening; Voorts vanwaarde zal worden verklaard het gelegd conservatoir beslag; Alles met veroordeling van de gedaagde in de kosten van het geding, daaronder begrepen die van het voormeld beslag;

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg voor antwoord in conventie heeft gezegd:

  1. dat gedaagde ontkent en betwist al hetgeen door hem in de hierna volgende stellingen niet en woordelijk wordt erkend, onder aanbod van bewijs van zijn stellingen door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen, zij het onder protest tegen de gehoudenheid daartoe;
  2. dat gedaagde ontkent in de door eiseres bedoelde periode, zoals omschreven in het le “dat” van het inleidend rekest de door haar bedoelde goederen te hebben gekocht en ontvangen;
  3. dat gedaagde blijkens hierbij in fotokopie overgelegde huurkoopovereenkomst op 21 januari 1976 een hydraulische graafmachine type P.P.M. van eiseres heeft gekocht, welke machine is gefinancieerd door de Nationale Trust Financieringsmaatschappij N.V., waardoor eiseres is uitbetaald voor voormelde machine;
  4. dat de wijze waarop eiseres gemeend heeft te voldoen aan haar stelplicht, veel te wensen overlaat, waardoor gedaagde in zijn verweer wordt bemoeilijkt; zo heeft eiseres bijvoorbeeld niet gespecificeerd hoeveel gedaagde wegens reparatie verschuldigd is en aan welke machine, hoeveel voor onderdelen en ·wat voor onderdelen;
  5. dat indien eiseres hieraan alsnog voldoet, zal gedaagde hierop terugkomen, voor alsnog ontkent zij ten stelligste de stellingen van eiseres zoals omschreven in het 2e, 3e, 4e, 6e en 7e ”dat” van het inleidend rekest;
  6. de rente alleen gevorderd kan worden indien zulks schriftelijk is overeengekomen, van te voren aan gedaagde was kenbaar gemaakt of een directe en dadelijke gevolg is van de niet betaling door gedaagde, aangenomen dat hij het door eiseres gevorderde bedrag inderdaad aan haar verschuldigd is – quod non -;
  7. dat gedaagde in ieder geval ontkent aan eiseres het bedrag van Sf. 20.714,92 (al dan niet met rente) danwel enig ander bedrag terzake door eiseres omschreven verschuldigd te zijn;
  8. dat gedaagde wel kan erkennen dat eiseres in 1974 reparatie werkzaamheden heeft verricht aan een hydraulische graafmachine van gedaagde van het merk Poclain Type P.P.M. -15-02; aangezien de machine gerepareerd diende te worden in garantie periode en wel op grond van een fabrieksfout, waren deze kosten geheel voor rekening van eiseres; integendeel dient eiseres gedaagde schadeloos te stellen voor de periode van ± 3 maanden waarin de machine niet geëxploiteerd kon worden;
  9. dat aangezien eiseres het bovenstaande erkende, heeft zij blijkens hierbij in fotokopie overgelegde bescheiden op 20 september 1974 een claim gediend bij de fabrikant van Poclain in Frankrijk tot een bedrag van Sf.39.624,40; in dit bedrag is inbegrepen een vergoeding van Sf. 15.000,– voor gedaagde wegens inkomstenderving ten gevolge van de fabrieksfout;
  10. dat uit de overgelegde bescheiden overduidelijk blijkt dat eiseres de fabrikant aansprakelijk heeft gesteld voor de reparatie en de daarvoor benodigde onderdelen; dat het gedaagde dan ook bevreemdt dat eiseres thans hem daarvoor aanspreekt;
  11. dat alhoewel de door gedaagde geleden schade veel groter is, zal hij zulks beperken tot het bedrag van Sf. 15.000,– dat in den tijd door eiseres aan de fabrikant is opgegeven en ontvangen, alhoewel dit laatste niet relevant is voor gedaagde, omdat eiseres de machine alhier aan gedaagde heeft verkocht, accoord is gegaan met de door gedaagde geleden schade en deze ook dient te betalen;
  12. dat gedaagde deze schade in reconventie van eiseres zal vorderen, aangezien in der zinne hiervan geen betaling is te verkrijgen; en voor eis in reconventie heeft gesteld; 1. dat eiser de Rechter verzoekt om al hetgeen hij hierboven in conventie naar voren heeft gebracht, hier als letterlijk herhaald te willen beschouwen; 2. dat omstreeks het jaar 1974 heeft eiser van gedaagde gekocht en ontvangen een nieuwe hydraulische graafmachine van het merk Poclain type P.P.M.-15-02; 3. dat omstreeks mei 1974 voormelde graafmachine op grond van een fabrieksfout defect is geraakt, er zijn namelijk stukjes koper gevonden in het hydraulische systeem; voormelde machine is toen door gedaagde gerepareerd en deze reparatie heeft 3 maanden geduurd, gedurende welke periode eiser inkomsten heeft moeten derven; 4. dat alhoewel de door eiser gelden schade veel groter is, heeft zij deze in overleg met gedaagde vastgesteld op Sf. 15.000,– berekend alsvolgt: 3 (maanden) x 25 (dagen) x 8 (uren) = 600 uren x Sf. 25,– (vergoeding per uur) = Sf. 15.000,–; 5. dat gedaagde hiermede accoord gaande, deze schade heeft geclaimd van de fabrikant op 20 september 1974 blijkende het e.e.a. uit de hierbij in fotokopie overgelegde bescheiden, 6. dat gedaagde thans weigert deze schade aan eiser te betalen, derhalve hij gerechtigd is zulks in rechte te vorderen;

Overwegende, dat op deze gronden is geconcludeerd: voor antwoord in conventie: dat eiseres in haar vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze haar zal worden ontzegd alszijnde ongegrond en onbewezen; en voor eis in reconventie: dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van Sf. 15.000,– (vijftien duizend gulden) vermeerderd met de wettelijke interessen daarover ad 6% ‘s jaars vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening, kosten rechtens;

Overwegende, dat de eisende partij in conventie een als ingelast te beschouwen conclusie van repliek heeft doen nemen en als gedaagde partij in reconventie voor antwoord heeft gezegd:

  1. dat gedaagde al hetgeen door haar bij eis en repliek naar voren is gebracht hierbij als letterlijk herhaald en geïnsereerd wenst te beschouwen;
  2. dat gedaagde ten stelligste en uitdrukkelijk ontkent dat omstreeks 1974 een door gedaagde aan eiser verkochte graafmachine om fabrieksfout defect is geraakt en het daarom 3 maanden heeft stilgelegen;
  3. dat dan ook ten stelligste moet worden ontkend, dat in overleg de schade Sf. 15.000,– is vastgesteld;
  4. dat gedaagde dan ook met stelligheid ontkent hoegenaamd iets aan de eiser verschuldigd te zijn uit hoofde van een fabrieksfout van een door gedaagde aan eiser verkochte machine als bij reconventie gesteld;
  5. dat eisers vordering volkomen is gefantaseerd;
  6. dat gedaagde ten overvloede nog wenst te stellen dat eiser niet één machine doch verschillende machines, gedurende enkele jaren, van gedaagde heeft gekocht en ook een aantal onderdelen en is hij daarom ook het in conventie gevorderd wordende bedrag verschuldigd;
  7. dat gedaagde verder ontkent al hetgeen niet uitdrukkelijk door haar is erkend;

Overwegende, dat gedaagde in reconventie op deze gronden voor antwoord in reconventie heeft geconcludeerd, dat eiser in zijn vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen, kosten rechtens; en eiser in conventie voor repliek in conventie heeft gepersisteerd bij zijn conclusie van eis;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusie van dupliek in conventie, welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingevoegd, haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 15 februari 1983 in conventie en in reconventie een comparitie van partijen heeft gelast, welke comparitie van partijen niet is gehouden;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies na niet gehouden comparitie van partijen hadden genomen, de Kantonrechter bij vonnis van 8 mei 1984 heeft overwogen: In conventie: dat eiseres aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd overeenkomsten van koop en verkoop van tweedehandse motoren, en onderdelen alsmede reparatiekosten; dat gedaagde het door eiseres gestelde heeft ontkend en betwist, reden waarom eiseres haar stellingen terzake zal dienen te bewijzen, waarna de Kantonrechter nader zal ingaan op de stellingen van partijen; dat de Kantonrechter de produkties door eiseres genoemd onder het 5e “dat” van de conclusie van repliek in conventie niet heeft aangetroffen bij de processtukken, zodat eiseres deze alsnog zal dienen over te leggen; In reconventie: dat daar gedaagde de stellingen van eiser ontkent en betwist, eiser deze zal dienen te bewijzen;

Overwegende, dat de Kantonrechter op deze gronden: In conventie: eiseres heeft toegelaten, haar voor zover nodig ambtshalve heeft bevolen om door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen: hetgeen door haar gesteld is in het le, 2e, 3e en 6e “dat” van het inleidend rekest juncto het 2e “dat” van de conclusie van repliek in conventie; In reconventie: eiser heeft toegelaten, hem voor zover nodig ambtshalve heeft bevolen om door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen: hetgeen door hem gesteld is in het 2e tot en met 5e “dat” van de conclusie van wedereis;

Overwegende, dat partijen in de enquête geen getuigen hebben doen horen; In conventie en in reconventie:

Overwegende, dat de Kantonrechter de enquête zijdens partijen ambtshalve gesloten heeft verklaard;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies na niet gehouden enquête hebben genomen, hebbende de gemachtigde van eiseres tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud, alsmede van de overgelegde produkties hier als ingelast moeten worden beschouwd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigde van gedaagde een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating produkties had genomen, de Kantonrechter bij vonnis van 4 februari 1986 op de daarin opgenomen gronden andermaal een comparitie van partijen heeft gelast, welke comparitie van partijen eveneens niet is gehouden, waarna deze door de Kantonrechter ambtshalve gesloten werd verklaard;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 21 oktober 1986 heeft overwogen: In conventie en in reconventie: dat nu partijen op de door Onze Ambtsvoorganger bepaalde dagen voor comparitie van partijen herhaaldelijk niet zijn verschenen en zowel met betrekking tot haar vorderingen in conventie als in reconventie de noodzakelijke inlichtingen niet hebben verstrekt waardoor haar vorderingen vaag zijn gebleven en niet in overeenstemming zijn te brengen met de door haar overgelegde produktie, Wij partijen in haar respectieve vorderingen niet-ontvankelijk dienen te verklaren;

Overwegende, dat de Kantonrechter op deze gronden: In conventie en in reconventie: partijen niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar vordering; de proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd, in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten drage;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal De N.V. [naam] Handelsonderneming in conventie en reconventie in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 21 oktober 1986;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Ch. Balgobind d.d. 20 mei 1987 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat appellant tijdig in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 18 oktober 1988;

Overwegende, dat appellant grieven tegen het beroepen vonnis heeft aangevoerd, doch dat het Hof, alvorens deze aan een bespreking te onderwerpen, in de stellingen van partijen aanleiding vindt een comparitie van partijen te gelasten tot het inwinnen van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling;

Rechtdoende in hoger beroep
Alvorens definitief te beslissen: Gelast partijen ambtshalve in persoon, desgewenst vergezeld van hun gemachtigden om op vrijdag, 18 mei 1990 des voormiddags te half negen uur te verschijnen voor een Rechter-Commissaris, als hoedanig ten deze wordt benoemd, mr. F.F.P. Truideman, Lid van het Hof, tot het inwinnen van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling;

Houdt iedere verdere beslissing aan.

SRU-HvJ-1991-2

HOF VAN JUSTITIE (Civiele Kamer), 15 februari 1991, G.R. 13010.
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. Von Niesewand en F.F.P. Truideman).

a. [appellant sub a], wonende aan de [adres 1] te [woonplaats],

b. [appellant sub b], wonende aan de [adres 2] in het [district 1],

c. [appellant sub c], wonende aan de [adres 3] in het[ district 2], door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr. G. GANGARAM PANDAY, advokaat, appellanten,

tegen

B.V. BRUYNZEEL SURINAME HOUTMIJ (BSH), kantoorhoudende aan de Slangenhoutstraat no.1 te Paramaribo, Beekhuizen, advokaat Mr. E.J. BRUMA, geïntimeerde.

De waarnemend-president spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respektievelijk van 25 oktober 1988 en 22 augustus 1989 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 21 september 1989, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep. Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten.

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat

a. [appellant sub a];

b. [appellant sub b] en c. [appellant sub c] als eisende partijen in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:

1. dat eisers, sub a, b en c, de navolgende vordering wensen in te stellen tegen de B.V. BRUYNZEEL SURINAME HOUTMAATSCHAPPIJ (B.S.H), kantoorhoudende aan de Slangenhoutstraat no.1, te Paramaribo (Beekhuizen), gedaagde;

2. dat eisers op dinsdag 26 mei 1987, als werknemers onder C.A.O. bepalingen in dienst van gedaagde, op staande voet wegens dringende redenen werden ontslagen waarvan hier nevens overgelegd f.c. ontslagbrieven, als ingelast te beschouwen – allen gelijkluidend;

3. dat eerder de eiser sub a en c werden geschorst, waartegen eiser sub c een Kort Geding tegen gedaagde aanspande, welke zaak thans ingetrokken is door de eiser na minnelijke schikking;

4. dat t.a.v. het ontslag wegens dringende redenen een onderzoek werd ingesteld door de Dienst der Arbeidsinspektie (Min. v. Arbeid), resoluterende en een rapport d.d. 8-6-`87, waarvan hier nevens een afschrift wordt overgelegd en het relaas als ingelast en herhaald te beschouwen;

5.dat terzake door de Politie Nieuwe Haven (rechercheur [naam]) een onderzoek werd ingesteld en het dossier inmiddels naar het Parket van de Procureur-Generaal is verzonden – er werden geen aanhoudingen verricht;

6. dat eisers menen dat het ontslag kennelijk onredelijk is gegeven omdat de in de ontslagbrief vermelde redenen voorgewend zijn en vals;

7. dat immers het konflikt met de direkteur, vertegenwoordigende gedaagde, weigerachtig bleef om eisers als belanghebbende en vertolkers van grieven hunner mede arbeiders te ontvangen en te spreken, terwijl het bestuur van de bedrijfsbond zich afzijdig hield, dusdanig konflikt door de direkteur zelve werd uitgelokt;

8. dat reeds geruime tijd de arbeiders de direktie hebben verzocht openheid van zaken te geven met betrekking tot de verantwoording van de door de werknemers gestorte gelden in het Voorzieningsfonds van het bedrijf – daar zij vernamen dat gedaagde deze gelden niet in reserve hield, maar in haar bedrijf investeerde;

9. dat gedaagde herhaaldelijk heeft gedreigd met disciplinaire maatregelen en ontslag tegen werknemers die voor hun belangen zouden opkomen, zonder de bedrijfsbond erbij te betrekken en tenslotte toch enkele arbeiders werden geschorst w.o. eisers – zonder de resultaten van de schorsing af te wachten werden eisers ontslagen;

10. dat de redenen van ontslag voorgewend en vals zijn, dus kennelijk onredelijk, moge blijken uit het feit dat [appellant sub a] 14 jaar in dienst was (loon f. 317,94 / 2 w.) [appellant sub b] 9 jaar in dienst (loon f. 250,31 / 2 w.) en [appellant sub c] 11 jaar in dienst (loon f. 370,50 / 2 w.) – zonder dat eerder gegronde klachten werden gehoord van de werkgever noch dat er op de staat van dienst iets aan te merken viel – bovendien zullen de gevolgen der beëindiging van de dienstbetrekking voor de werknemers in een onevenredige verhouding staan tot het belang van de werkgever bij deze beëindiging;

11. dat gezien het bovenstaande, op die gronden eisers vorderen 1. herstel van de dienstbetrekking; 2. schadevergoeding, ex kosten en interessen van voor elk der eisers een twee wekelijkse loonbetaling, aan te vangen 18 juni 1987 tot de dienstbetrekking hersteld zal zijn op straffe van een dwangsom van 100,- gld. per dag indien niet aan het vonnis wordt voldaan;

Overwegende, dat de eisende partijen op deze gronden hebben gevorderd: – dat bij vonnis zal worden uitgesproken: a. de veroordeling van de B.V. BRUYNZEEL SURINAME HOUT MIJ., gedaagde, tot herstel van de dienstbetrekking met de werknemers [appellant sub a], [appellant sub b] en [appellant sub c], eisers; b. de veroordeling van gedaagde tot betaling van een schadevergoeding over de gehele periode waarin het dienstverband werd verbroken t.w. aan [appellant sub a] 317,94 gld. per 2 weken, aan [appellant sub b] 250,31 gld. per 2 weken en aan appellant sub c] 370,50 gld. per 2 weken ingaande 18 juni 1987 tot de waarop de dienstbetrekking zal zijn hersteld; c. een dwangsom te betalen van 100,– gld. per dag, per persoon voor elke dag waarop gedaagde nalatig zal zijn aan het vonnis te voldoen; d. het ontslag als kennelijk onredelijk zal worden verklaard, kosten rechtens;

Overwegende, dat B.V. Bruynzeel Suriname Houtmij. als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van produkties – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd: – dat de vordering van eisers niet-ontvankelijk zal worden verklaard, althans deze aan hen zal worden ontzegd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 25 oktober 1988 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast, welke comparitie van partijen niet is gehouden;

Overwegende, dat ten dage voor het nemen van een conclusie na niet gehouden comparitie van partijen bepaald, de gemachtigden van partijen hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies hebben genomen;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 22 augustus l989 op de daarin opgenomen gronden: – de vorderingen van eisers heeft afgewezen; – eisers heeft veroordeeld in proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant sub a], [appellant sub b] en [appellant sub c] in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis van 22 augustus 1989;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder K.C.J. Defares van 15 december 1989 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ten dage voor pleidooi bepaald de gemachtigde van appellanten, advokaat Mr. G. Gangaram Panday geen pleitnota heeft overgelegd doch recht op stukken gevraagd, waarna het Hof vonnis in de zaak had bepaald op 10 augustus 1990;

Overwegende, dat het Hof alvorens vonnis te wijzen partijen in de gelegenheid heeft gesteld produkties over te leggen;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna over en weer produkties hebben overgelegd, waarna de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen over en weer schriftelijke conclusies tot uitlating produkties hadden genomen, het Hof vonnis in de zaak had bepaald aanvankelijk op 1 februari 1991, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het appèl tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 22 augustus 1989, tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat appellanten geen grieven tegen het beroepen vonnis hebben aangevoerd en recht op stukken hebben verzocht, zullende het Hof de processtukken dan ook zelfstandig beoordelen;

Overwegende, dat bij rolbeschikking van het Hof van 10 augustus 1990 aan partijen is opgedragen ten processe over te leggen: 1. de ontslagbrief van appellant sub b door appellanten en 2. het besluit door of namens de Minister van geen bezwaar, door geintimeerde;

Overwegende, dat partijen behalve voormelde bescheiden nog meer produkties in het geding hebben gebracht;

Overwegende, dat het Hof op de overige produkties geen acht dient te slaan, hadden de het Hof immers niet meer dan de twee bovengenoemde produkties nodig;

Overwegende, dat blijkens de thans zich in het procesdossier bevindende ontslagbrieven zijn appellanten op 26 mei 1987 met onmiddellijke ingang ontslagen, omdat zij: – zich niet op tijd op het werk hebben aangemeld en zich voor lange tijd hebben onttrokken aan de hen opgedragen werkzaamheden; – zich onbetamelijk, recalcitrant en provocerend hebben gedragen en middels opruiende acties en opruiende taal onrust in het bedrijf van geïntimeerde teweeg gebracht en duidelijk hebben getracht, de normale voortgang der werkzaamheden en de produktie te verstoren; – ernstige pogingen hebben aangewend om de Algemeen Directeur de toegang tot het hoofdkantoor en diens werkruimte te verhinderen en dat zij daarbij handtastelijk tegen de Algemeen Directeur zijn opgetreden;

Overwegend, dat appellanten het aan hen verleend ontslag kwalificeren als kennelijk onredelijk, omdat voormelde redenen voorgewend en vals zijn;

Overwegende, dat ten deze de van essentieel belang zijnde vraag is, of één der partijen bij de arbeidsovereenkomst, bijvoorbeeld de werknemer, gerechtigd is om een rechtsvordering tot schadevergoeding in te stellen terzake van kennelijk onredelijk ontslag, wanneer het ontslag op staande voet werd gegeven wegens een dringende, hem onverwijld medegedeelde reden – gelijk i.c. het geval is -, m.a.w. kan het ontslag wegens een dringende reden ooit kennelijk onredelijk zijn?

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat een zodanige rechtsvordering tot schadevergoeding niet toewijsbaar is, omdat de contractspartij die door opzet of schuld aanleiding heeft gegeven voor een dringende reden – gelijk i.c. het geval is -, zelf schadeplichtig is krachtens artikel 1615 o, lid 3 van het Burgerlijk Wetboek; met een dergelijke schadeplichtigheid is onverenigbaar, dat de ontslagene een aanspraak op schadevergoeding krachtens artikel 1615 s van het Burgerlijk Wetboek zou mogen maken (vgl. noot van P.A.S. bij H.R. 23.2.79, N.J. 70, No.478);

Overwegende, dat waar nu is komen vast te staan, dat appellanten wegens een dringende aan hen onverwijld medegedeelde reden zijn ontslagen, er geen plaats meer is voor een vordering tot schadevergoeding, terzake dat het ontslag op kennelijk onredelijke gronden zou zijn verleend; – dat voor een onderzoek naar die gronden dan ook geen plaats meer is;

Overwegende, dat het beroepen vonnis onder aanvulling en verbetering van gronden dient te worden bevestigd;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt onder aanvulling en verbetering van gronden het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 22 augustus 1989 waarvan beroep; Veroordeelt appellanten in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op f. ….; met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van f. 250,–; bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellanten eveneens op f. 250,–;

SRU-HvJ-1998-26

M.H.
A – 387.

[verzoekster], eiseres, wonende te [district], aan [adres], ten deze domicilie keizende te Paramaribo aan de Gravenstraat no.122a beneden ten kantore van Mr.K.J.Brandon, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.K.J. BRANDON, advokaat,
verzoekster,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministe­rie van Onderwijs en Volksontwikkeling, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende ten Parket­te aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,
verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoek­schrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoekster wenst de navolgende vordering in te stellen tegen de STAAT SURINAME, met name het Ministe­rie van Onderwijs en Volksontwikkeling, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende ten Parket­te aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, gedaagde;

2. Verzoekster is ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet en is op 15 april 1982 in dienst getreden van de overheid en wel op het Ministerie van Onderwijs en Volksont­wikkeling op het Bureau Onderwijsinformatie en Studiefacili­teiten als secretaresse;

3. Verzoekster is per schrijven van het Hoofd van het Bureau Onderwijsinformatie en Studiefaciliteiten aan de Direkteur van Onderwijs d.d. 13 april 1994 voorgedragen voor bevordering tot medewerkster Beurzen Buitenland en controle studieresultaten, nadat zij deze taak reeds 1 jaar had uitgevoerd. Tevens is door het afdelingshoofd ten behoeve van verzoekster verlening van ontheffing van de salarisstop gevraagd. Van bedoeld schri­jven wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen;

4. Per schrijven d.d. 9 november 1994 van het hoofd van voormeld bureau aan de Minister van Onderwijs en Volksontwik­keling door tussenkomst van de Direkteur van Onderwijs, werd de voordracht van verzoekster onder de aandacht van de Minis­ter van Onderwijs en wederom onder de aandacht van de Direk­teur van Onderwijs gebracht. Van dit schrijven wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen. De Minister heeft blijkens de door hem gestelde aantekening op het schrijven van 9 november 1994 de voordracht goedgekeurd op 13 december 1994, althans in december 1994 en geretourneerd aan het hoofd van verzoeksters afdeling op 23 december 1994. Laatstgenoemde heeft daarna per schrijven d.d 13 januari 1995, van welk schrijven een fotokopie wordt overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en gein­sereerd te beschouwen, aan de onder-direkteur administra­tieve diensten zijn medewerking gevraagd voor:

– het benoemen van verzoekster per 1 januari 1993 in de funktie van medewerkster beurzen buitenland studiecontrole;

– het inschalen van verzoekster in de bij genoemde funktie behorende salarisschaal;

– verlening van ontheffing van de salarisstop aangezien verzoekster het maximum salaris verdiende;

5. Verzoekster pas op 17 januari 1997 – ruim twee jaar nadat het door de minister ondertekende stuk de onder-direkteur admini­stratieve diensten bereikt heeft – een beschikking ontvangen, waarin zij per 1 januari 1996 bevorderd is tot stafambtenaar A 2e klasse (schaal 16) en benoemd is tot mede­werkster beurzen buitenland onder toekenning van een bezoldi­ging van Sf.52.54­5,– per maand en per 1 maart 1996 de bezoldiging is herzien en gebracht op Sf.64.260,–. Van deze beschikking wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen. Verzoekster vraagt zich af waarom de onder-direk­teur administratieve diensten twee jaren nodig had om de handelingen te verrichten voor het gereed maken van de be­schikking; bij navraag op het Ministerie heeft verzoekster daar geen antwoord op kunnen krijgen;

6. Verzoeksters gemachtigde heeft namens haar per brief d.d. 13 februari 1997 ingevolge de Personeelswet tegen voornoemd besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling schriftelijk beklag gedaan bij de President van de Republiek Suriname aangezien zij van mening is dat de datum van de bevordering moet zijn 1 januari 1993 in plaats van 1 januari 1996 omdat de door de Minister van Onderwijs goedgekeurde voordracht dateert van 9 november 1994 en het volgens bij de overheid geldende regels geoorloofd is een bevordering met 2 jaar te doen terugwerken. In casu liggen er niet eens twee jaren de voorgestelde datum en de datum van de voordracht voor bevordering (1 januari 1993 en 13 april 1994). Verzoekster heeft echter tot heden – meer dan 6 maanden na het door haar ingestelde beroep – geen reactie terzake van de President ontvangen;

7. Verzoekster heeft er recht en belang bij dat het besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling vervat in de beschikking d.d 23 december 1996, AD [nummer 1], wordt gewij­zigd in dier voege dat de ingangsdatum van de bevordering wordt gesteld op 1 januari 1993 in plaats van 1 januari 1996 onder toekenning van de daarbij behorende bezoldiging en emolumenten;
Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevor­derd: dat gedaagde zal worden gelast onder verbeurte van een dwangsom van Sf.100.000,– per dag of zoveel minder als in goede justitie billijk mocht worden geacht vanaf het moment van s’ Hoven uitspraak of vanaf een door het Hof te bepalen tijdstip, alle van harentwege benodigde maatregelen te nemen vereist voor het wijzigen van de beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d 23 december 1996, AD [nummer 1], in dier voege dat de ingangsdatum van de bevorde­ring wordt gesteld op 1 januari 1993 in plaats van 1 januari 1996 onder toekenning van de daarbij behorende bezoldiging en emolumenten, Kosten rechtens;
Overwegende, dat van De Staat Suriname binnen de wette­lijk gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarbij hij als verweer heeft aangevoerd:

1. Gedaagde ontkent en betwist al hetgeen in het hier navol­gende, niet woordelijk en uitdrukkelijk wordt erkend;

2. Gedaagde kan erkennen, dat verzoekster ambtenaar is in de zin van de Personeelswet, laatstelijk bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 1 januari 1996, bevorderd tot stafambtenaar A, 2de klasse (schaal 16) en daarbij benoemd tot ”Medewerkster Bureau Buitenland;

3. Het inleidend Rekest van verzoekster, met daarin het PETITUM, is voor gedaagde aanleiding te stellen, dat verzoek­ster in haar vordering niet ontvankelijk zal zijn bij Uw Hof van Justitie, om ondermeer de volgende gronden:

a. Verzoekster vordert dat het Hof van Justitie, oordelende in Ambtenaren Zaken, in strijd met het positieve recht zoals neergelegd in artikel 79 lid 1a van de personeelswet, zal bevelen dat de Staat (gedaagde) de in het PETITUM genoemde beleidsmaatregelen zal nemen, zonder dat een veroordelend vonnis van het Hof, tot vernietiging van enig besluit, aan het bevel is voorafgegaan;

b. Verzoekster’s vordering houdt tevens in, dat het Hof van Justitie, oordelend in Ambtenaren Zaken, zal beslissen over het bevorderingsbeleid van de Administratie, een bevoegdheid welke aan het Hof voornoemd is onttrokken, gelet op de limita­tieve opsomming van de voor vernietiging vatbare besluiten van de overheid (zie artikel 79 2de lid);

4. De vordering van verzoekster, tot het opleggen door het Hof van Justitie van een dwangsom zal, mede gelet op het voorgaande, ook niet voor toewijzing vatbaar zijn, omdat het opleggen van een dwangsom, slechts mogelijk is na (ter nako­ming van) van voorafgaand vonnis als bedoeld in artikel 79 van de Personeelswet, lid 1;

5. Onverminderd het voorgaande, moge gedaagde er nog op wijzen, dat verzoekster met haar vordering te laat is. Ver­zoekster heeft namelijk de termijnen in de Personeelswet dwingend voorgeschreven, niet in acht genomen. Artikel 80 lid 3a, is hier geschonden. Verzoekster heeft langer dan 7 (ZEVEN) maanden na indiening van het BEKLAG, met dit rekest (d.d.29 september 1997), het Hof van Justitie geadieerd en is deswege dan ook niet ontvankelijk in deze vordering;
Overwegende, dat hij op deze gronden heeft gecon­clu­deerd: dat verzoekster niet ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, e.e.a. op grond al het voorgaande, casu quo deze vorderingen aan haar zal worden ontzegd, als zijnde niet bewezen, ongegrond en in strijd met de wet (Personeelswet);
Overwegende, dat ingevolge s’Hofs beschikking van 19 november 1997 in Raadkamer zijn verschenen, verzoek­ster in per­soon, advokaat Mr.K.Brandon, gemachtigde van verzoekster, advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft, gemachtigde van verweerder en de heer H.E.Pinas, Onder-direkteur Administratie Diensten namens verweerder, die hebben ver­klaard gelijk in het daarvan opge­maakte – hier als ingelast te beschou­wen – proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna produkties heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als inge­last dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van verzoekster vervol­gens een pleitnota en uitlating produktie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder tenslotte een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, terwijl ten dage voor repliek pleidooi peremptoir bepaald advokaat Mr.K.Brandon en Mr.Dr. C.­D.Ooft hebben verklaard bij wege van mondelinge pleitnota’s van repliek en dupliek te persisteren bij hun stellingen en vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 22 mei 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat verzoekster op de in haar ver­zoekschrift aangevoerde gronden heeft gevorderd, dat verweerder zal worden gelast onder verbeurte van een dwangsom van Sf.100.00­0,– per dag of zoveel minder als in goede justitie billijk mocht worden geacht, vanaf het moment van ’s Hoven uitspraak of vanaf een door het Hof te bepalen tijdstip, alle van zijnent­wege benodigde maatregelen te nemen vereist voor het wijzigen van de beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksont­wikkeling de dato 23 december 1996, AD [nummer 1], in dier voege dat de ingangsdatum van de bevordering wordt gesteld op 1 januari 1993 in plaats van 1 januari 1996 onder toekenning van de daar­bij behorende bezoldiging en emolumenten;
Overwegende, dat – voorzover ten deze van belang – als onbetwist tussen partijen rechtens vaststaat, dat verzoekster bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwik­keling de dato 23 december 1996, AD [nummer 1], II te rekenen van 1 januari 1996 bevorderd is in de rang van stafambtenaar A 2e klasse (schaal 16) en benoemd als medewerkster beurzen buitenland (E) op het Bureau voor Onderwijs Informatie en Studiefaciliteiten, onder toekenning van een bezoldiging van Sf.52.545,– per maand, en III te rekenen van 1 maart 1996, de bezoldiging van verzoekster ingevolge de beslissing van de Raad van Ministers van 18 april 1996, vervat in de Missive van de Vice-President, Voorzitter van de Raad van Ministers van 18 april 1996 [nummer 2]/R.v.M, te herzien en te brengen op Sf.67.26­0,– per maand; dat verzoeksters procesgemachtigde namens verzoekster per brief de dato 13 februari 1997 ingevol­ge de Personeelswet bij de President van de Republiek Suriname schriftelijk beklag heeft gedaan aangezien zij, verzoekster, van mening is dat de datum van haar bevordering 1 januari 1993 in plaats van 1 januari 1996 moet zijn omdat de door de Minis­ter van Onderwijs goedgekeurde voordracht van 9 november 1994 dateert; dat zij – verzoekster – geen reactie terzake van de President heeft ontvangen;
Overwegende, dat verweerder als formeel verweer van de verste strekking aangevoerd heeft, dat verzoekster te laat is met haar vordering omdat zij de termijnen in de Personeelswet dwingend voorgeschreven, niet in acht genomen heeft en arti­kel 80 lid 3a heeft geschonden, hebbende zij langer dan 7 (zeven) maan­den na indiening van het beklag met haar verzoekschrift (date­rend van 29 september 1997) het Hof van Justitie gea­dieerd en deswege dan ook niet ontvankelijk is in haar vordering;
Overwegende, dat het Hof voormeld verweer thans bespre­kend, opmerkt dat de wetgever de overheid aan een termijn voor het nemen van een beslissing op een klaagschrift heeft willen binden, wat impliceert dat de klager deze periode dient af te wachten voordat hij van het ander rechtsmiddel gebruik maakt, namelijk het instellen van een vordering bij het ambtenarenge­recht;
Overwegende, dat dit ingebouwd is om te voorkomen dat de ambtenarenrechter met allerlei mogelijke vorderingen die reeds middels beklag zijn gedaan wordt opgezadeld;
Overwegende, dat het Hof in dit verband naar artikel 80 lid 3 a van de Personeelswet verwijst hetwelk aangeeft dat indien de beklagprocedure gevolgd is, de klager pas na vier maanden na het instellen van het beklag een vordering bij de ambtenarenrechter mag instellen indien daar geen beslissing op gevolgd is;
Overwegende, dat naar tussen partijen rechtens vaststaat, op het beklag van verzoekster niet is beslist;
Overwegende, dat nu, naar eveneens tussen partijen vast­staat, verzoekster niet binnen vier maanden na indiening van haar beklag bij de President van de Republiek Suriname het Hof van Justitie als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken in casu heeft geadieerd, is zij wel ontvankelijk in haar vorde­ring, zijnde van schending van artikel 80 lid 3a van de Perso­neelswet als door verweerder aangevoerd, geen sprake;
Overwegende, dat het Hof wijders opmerkt, dat nu de correspondentie, waar verzoekster zich op beroepen heeft, interne werking blijkt te hebben en dientengevolge tegenover verzoekster geen enkele rechtskracht bezit is verzoekster in haar tegen verweerder ingestelde vordering niet ontvankelijk, kunnende zij immers daar geen aanspraken aan ontlenen;
Overwegende, dat het Hof, afgezien van het voorgaande, niet nalaten kan er op te wijzen, dat het beslist niet van behoorlijk en verantwoord beleid van verweerder getuigt, dat hij een in december 1994 goedgekeurd bevorderingsvoorstel laat liggen en pas in 1997 daar uitvoering aan geeft met als in­gangsdatum 1 januari 1996. Had verweerder het goedgekeurd voorstel tijdig uitgevoerd, dan behoefde tussen de uitvoe­ringsdatum en de ingangsdatum niet zoveel te tijd liggen. Verweerder kan zich niet op beroepen dat er een te lange periode van terugwerkende kracht is, omdat dit geheel en al aan zijn schuld te wijten is;
Overwegende, dat het Hof op grond van het hiervorenover­wogene van oordeel is dat verzoeksters vordering niet voor toewijzing vatbaar is;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar vorde­ring;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-Presi­dent, Mr.E.S.O­MBRE en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Vice-President uitge­sproken ter openbare terechtzit­ting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 19 juni 1998, in tegen­woor­digheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.M.G.A­.VOS namens haar gemachtigde, advokaat Mr.K.BRANDON en ver­weerder vertegenwoordigd door zijn gemach­tigde, advokaat Mr.Dr.C.D.OOFT, zijn bij de uitspraak ter terechtzit­ting verschenen.

SRU-HvJ-2001-10

H.M.

GENERALE ROL NO.14011.

[appellant], handelende onder de naam ”ARCTOBO” (Aannemingsbedrijf voor Architektonische Bouwwerken en Ontwerpen), wonende te [district] aan [adres], kantoorhoudende aan de Wanicastraat no.48, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat, appellant,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.U.F.TRUIDEMAN, advokaat, geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen respectivelijk van 6 november 1998, 23 juli 1999 en 17 november 2000 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslists en voorts;

Overwegende, dat de geintimeerde in de enquete één getuige heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat advokaat Mr.J.Nibte namens advokaat Mr.E.C.M.Hooplot hierna heeft afgezien van contra-enquete;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na gehouden enquete zijdens geintimeerde bepaald geen conclusie is overgelegd, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 18 mei 2001, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 17 november 2000 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat het Hof de vraag of geintimeerde het van hem verlangde bewijs geleverd heeft ontkennend beantwoordt; uit het zijdens geintimeerde aangedragen bewijsmateriaal, kan dat bewijs immers niet worden geput;

Overwegende, dat het Hof aan het in het 9e ”sustenu” onder b van het verzoekschrift gestelde dan ook als onbewezen voorbijgaat;

Overwegende, dat aan geintimeerde slechts toekomt het bedrag van sf.887.500,–, tot de betaling waarvan appellant zich bereid heeft verklaard ter gelegenheid van de op 27 november 1998 gehouden inlichtingencomparitie;

Overwegende, dat mitsdien het bij verzoekschrift onder B van het petitum gevorderde bedrag van sf.887.500 alsnog behoort te worden toegewezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Veroordeelt appellant om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan geintimeerde te betalen het bedrag van sf.887.500,– met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf 24 mei 1995 tot aan de voldoening; Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op sf…….

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van sf……

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant op sf…….

Aldus gewezen door de heren Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-Presi­dent uitge­sproken ter openbare terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 1 JUNI 2001, in tegenwoor­dig­heid van Mr.R.R.BRIJBHOKUN, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.J.Nibte namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerde vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.U.F.Truideman zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-1991-1

Hof van Justitie
15 februari 1991, G.R. 12979

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. Von Niesewand en F.F.P. Truideman).

[appellante], echtgenote van [geïntimeerde], rechtens wonende te huize van haar echtgenoot doch werkelijk verblijfhoudende te [district] aan [adres 1 ] , advokaat Mr. E.C.M. Hooplot, appellante

tegen

[geïntimeerde], echtgenoot van appellante voornoemd, wonende aan [adres 2] te [district], advokaat Mr. C.CH. Bhagwandien, geïntimeerde.

De waarnemend President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respektievelijk van 3 april 1986, 20 januari 1987, 17 november 1987 en 22 maart 1988 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 18 april 1988, waaruit.blijkt van het instellen van hoger beroep; Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

Ten aanzien van de feiten:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellante] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiseres op 25 januari 1979 in het [ressort] te [district] volgens het Huwelijksbesluit der Mohammedanen in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd met [geïntimeerde], wonende aan [adres 2], in [district];

2. dat uit dit huwelijk de navolgende nog in leven zijnde minderjarige kinderen zijn geboren t.w.: a. [kind 1], geboren te [district] op [geboortedag 1]; b. [kind 2], geboren te [district] op [geboortedag 2];

3. dat eiseres echtgenoot staande der partijen huwelijk vleselijke gemeenschap heeft gehad met een andere vrouw dan eiseres en mitsdien zich aan overspel heeft schuldig gemaakt;

4. dat gedaagde zich schuldig maakt aan gewoonte van drankmisbruik, vrijwel dagelijks onder invloed van alcohol verkeert en zich vermaakt met z.g. ”Columbiaanse meisjes”;

5. dat gedaagde zeer frekwent tot diep in de nacht en soms zelfs dagenlang zonder noodzak uit huis blijft en bij terugkomst, aldan niet onder invloed van alcohol verkerende, eiseres mishandelt en bedreigt. Terzake van de mishandeling en bedreiging is gedaagde bij herhaling door de politie ingesloten;

6. dat ook de kinderen door gedaagde zonder enige noodzaak worden mishandelt zodra hij onder invloed van alcohol verkeert. Door de spanningen die gedaagde in de echtelijke woning veroorzaakt zijn zowel eiseres als de kinderen onder konstante psychische druk, die medische behandeling, ook voor fysieke mishandeling vaak noodzakelijk heeft gemaakt;

7. dat eiseres en de minderjarigen in behoeftige omstandigheden verkeren en de gedaagde niet in hun levensonderhoud voorziet, hoewel hij daartoe best in staat is voor eiseres f. 400,– en voor de kinderen f. 200,– per kind per maand bij te dragen, zulks gelet op zijn inkomen van minimaal f. 2.500,– per maand;

8. dat eiseres gehuwd is krachtens het Huwelijksbesluit der Mohammedanen en zij krachtens dit besluit vooraf geen verlof behoeft te verkrijgen de onderhavige vordering tegen haar echtgenoot in te stellen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd: – dat tussen partijen gehuwd als voormeld de ontbinding van het huwelijk zal worden uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien; – dat gedaagde zal worden veroordeeld om binnen een door de Rechter te bepalen termijn met eiseres over te gaan tot scheiding en deling van de goederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd, met benoeming van een notaris en een onzijdige persoon volgens de Wet; – gedaagde zal worden veroordeelt om aan eiseres ter voorziening in haar levensonderhoud maandelijks te betalen het bedrag van f. 400,–, met bepaling van dag en uur waarop het verhoor ter voorziening in de voogdij en toeziende voogdij over de minderjarigen zal plaatsvinden, kosten rechtens;

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd: – dat eiseres niet ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, althans dat deze haar zal worden ontzegd, als zijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiseres bij mondelinge conclusie van repliek heeft gepersisteerd bij zijn conclusie van eis en bewijs zijner stellingen heeft aangeboden;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij rolbeschikking een comparitie van partijen heeft gelast, welke comparitie van partijen niet is gehouden;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 3 april 1986 op de daarin opgenomen gronden: eiseres heeft toegelaten, haar voor zover nodig ambtshalve heeft bevolen om door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen: – hetgeen is gesteld in het 3e tot en met 6e ”dat” van het inleidend rekest;

Overwegende, dat eiseres in de enquête 1 getuige heeft doen horen, die heeft verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ter ambtshalve bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen partijen in persoon en Mr. Nurmohammed, Moestava Shaukat Ali deskundige die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt – hier als ingelast te beschouwen – procesverbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna de enquête zijdens eiseres ambtshalve heeft gesloten;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiseres het politie strafdossier ten processe heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie tot uitlating strafdossier heeft genomen, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 20 januari 1987 op de daarin opgenomen gronden: – gedaagde in de gelegenheid heeft gesteld tot het doen horen van getuigen in contra-enquête naar aanleiding van de bewijsopdracht vermeld in het interlocutoir vonnis van 3 april 1986- iedere verder beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat gedaagde drie getuigen in de contra-enquête heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies na contra-enquête hebben genomen;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 17 november 1987 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast en de deskundige Mr. M.S.A. Nurmohamed heeft verzocht om op voormelde comparitie aanwezig te zijn;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen is verschenen, de heer Nurmohamed, Moestava Shaukat Ali, die heeft verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter vervolgens bij vonnis van 22 maart 1988 op de daarin opgenomen gronden, eiseres haar vordering heeft ontzegd; – de proceskosten tussen partijen die echtelieden zijn heeft gecompenseerd in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt;

Overwegende, dat blijkens hoger vermeld proces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 22 maart 1988;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Tj. Jhagroe van 21 februari 1989 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald aanvankelijk op 1 februari 1991 doch nader op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het appèl tegen het vonnis de dato, 22 maart 1988, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken, tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat appellante in haar enige tegen het beroepen vonnis voorgedragen grief de Kantonrechter het verwijt maakt, dat hij ten onrechte het uitgebrachte deskundigenrapport met toelichting ter comparitie van partijen heeft overgenomen en zulks terwijl hij daartoe niet gehouden was;

Overwegende, ten aanzien van voormelde grief: – dat blijkens de daartoe opgemaakte akte, partijen in het [ressort] op 25 januari 1979 krachtens het Huwelijksbesluit Mohammedanen met elkaar in het huwelijk zijn getreden; – dat blijkens de feiten, in het bijzonder het in het 8e ”dat” gestelde, aan haar vordering ten grondslag gelegd, heeft appellante een vordering tot echtscheiding volgens de leer van de Islam tegen geïntimeerde ingesteld (art. 5 Huwelijkbesluit Mohammedanen); de bepalingen van dit besluit zijn in casu mitsdien van toepassing; – dat de Kantonrechter in het Eerste Kanton bij beschikking van 12 november 1985 ingevolge gemeld besluit tot deskundige heeft benoemd Mr. M.S.A. Nurmohamed als adviseur, welke deskundige in zijn daarop uitgebrachte bericht d.d. 17 februari 1986 – voor zover in hoger beroep nog van belang heeft gesteld, dat mishandeling geen grond is voor echtscheiding, tenzij deze moet worden gekwalificeerd als zware mishandeling en dat de onderscheiding mishandeling/zware mishandeling parallel loopt met hetgeen te onzent als zodanig wordt aangenomen; – dat de Rechter ingevolge het bepaalde in artikel 167 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, weliswaar niet verplicht is om het door de deskundige geuite gevoelen te volgen, indien zijn overtuiging daartegen strijdt, doch dat in enkele bijzondere gevallen de Rechter evenwel aan het door deskundigen uitgebracht rapport gebonden is (zie: Doek c.s. aant. 1 op art. 236 Rv.); – dat één zo een geval verankerd ligt in artikel 10 van het Huwelijksbesluit Mohammedanen, waarin de Kantonrechter, alvorens vonnis te wijzen, zich doet voorlichten door de in artikel 6 bedoelde deskundigen betreffende de beslissing, die naar hun oordeel volgens de leer van de Islam in de zaak zou behoren te worden genomen en van welk gevoelen de deskundigen in het vonnis melding wordt gemaakt; zijnde, de Kantonrechter immers blijkens de strekking en de geschiedenis van de tot standkoming van gemelde wettelijke bepaling·verplicht het gevoelen van de deskundige te volgen; dat de Kantonrechter, uitgaande van zijn gebondenheid aan het door genoemde deskundige uitgebrachte bericht, het gevoelen van de deskundige met betrekking tot de gestelde mishandeling dan ook terecht heeft overgenomen en tot het zijne gemaakt: dat de door appellante voorgedragen grief dan ook als ongegrond dient te worden verworpen; – dat het beroepen vonnis waarmede het Hof zich voor het overige geheel kan verenigen, behoort te worden bevestigd onder algehele compensatie der proceskosten tussen partijen die echtelieden zijn, in dier voege dat ieder der partijen haar eigen kosten draagt;

Rechtdoende in hoger beroep
Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken op 22 maart 1988, waarvan beroep; Compenseert de proceskosten tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt; bepalende het Hof het salaris van de advokaten van partijen op f. 250.- elk;

SRU-HvJ-1992-12

Hof van Justitie
8 mei 1992, G.R. 13125 (Interlocutoir)
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, P.G. Wolff)

A.) [appellant sub A], wonende in het [district],

B.) [appellant sub B], wonende in Nederland, beiden ten deze domicilie kiezende aan de Watermolenstraat no.36 beneden, ten kantore van mr. E.C.M. Hooplot, advocaat, appellanten in kort geding,

tegen

[geïntimeerde], zonder bekende woon- of verblijfplaats in en buiten Suriname geïntimeerde in kort geding;

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname:
Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegde vonnis in kort geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 8 juli 1991 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 11 juli 1991, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat A.) [appellant sub A] en B.) [appellant sub B] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:

1. dat eisers de navolgende vordering in kort geding wensen in te stellen tegen [geïntimeerde], zonder bekende woon- of verblijfplaats in en buiten Suriname;

2. dat [naam 1] bij akte verleden ten overstaan van notaris A.Th. De Miranda d.d. 14 december 1934, ingeschreven ten hypotheek-kantoor in register C deel 255 onder [nummer 1] heeft gekocht en geleverd gekregen van Ainul 405/Ji, gelijk laatst genoemde heeft verkocht en geleverd aan [naam 1] “Het erf met de daarop staande gebouwen, gelegen te Paramaribo aan het [straat] bekend onder nieuwe wijk letter F [nummer 2] ”,

3. dat blijkens de vermelding in de notariële akte voorgeschreven onroerend goed aan [naam 1] is geleverd vrij van hypothecaire inschrijvingen en beslagen;

4. dat [naam 1] te Paramaribo op 16 april 1973 ab intestaat is overleden nalatende tot zijn enige erfgenamen volgens de wet de eisers;

5. dat toen eisers ertoe overging de nalatenschap tot zich te nemen, waaronder voorschreven onroerend goed, zij tot de ontdekking kwamen dat daarop nog steeds een beslag rust ten laste van de rechtsvoorganger van de erflater van eisers, welk executoriaal beslag ten verzoeke van gedaagde is gelegd bij exploit van deurwaarder W.P.F. Dompig d.d. 6 maart 1933 en ten hypotheekkantoor ingeschreven in register D 8 onder no. [nummer 3];

6. dat duidelijk de notaris die de akte van 14 december 1934 heeft opgemaakt zich niet heeft vergewist dat het onroerend goed ten tijde van de overdracht vrij en onbezwaard was, althans is deze in gebreke gebleven de royements akte op te maken danwel te doen overschrijven ten hypotheekkantoor;

7. dat de vordering van gedaagde echter reeds is voldaan en in ieder geval is verjaard, hebbende de gedaagde sinds 1934 geen enkele daad van rechtsvervolging terzake verricht, terwijl uit deze omstandigheid ook blijkt dat de gedaagde geen enkele belang heeft bij de handhaving van het beslag;

8. dat eisers zich inmiddels hadden verbonden dit onroerend goed vrij en onbezwaard over te dragen aan een derde aan wie zij dit onroerend goed hebben verkocht. Thans dringt de koper aan op levering van het onroerend goed;

9. dat eisers spoedeisend belang hebben bij een onverwijlde voorziening bij voorraad, het geen een beslissing in kort geding rechtvaardigt;

Overwegende, dat de eisende partijen op deze gronden hebben gevorderd:

dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut de opheffing zal worden gelast van het beslag gelegd bij exploit van deurwaarder W.P.F. Dompig op voorschreven onroerend goed en ingeschreven ten hypotheekkantoor op 6 maart 1933 in register D deel 8 onder no [nummer 3], kosten rechtens;

Overwegende, dat te dienende dage eisers vertegenwoordigd door hun gemachtigde, advocaat mr. E.C.M. Hooplot ter terechtzitting zijn verschenen, terwijl de gedaagde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen en ten verzoeke van de gemachtigde van eisers tegen hem verstek is verleend, waarna de gemachtigde van eisers voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de kantonrechter hierna bij vonnis van 8 juli 1991 op de daarin opgenomen gronden de gevraagde voorziening heeft geweigerd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal A.) [appelant sub A ] en B.) [appellant sub B] in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis in kort geding van 8 juli 1991;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarde J.E. Kolf van 17 september 1991 aan geïntimeerde aanzegging van het in gestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aan gezegd;

Overwegende, dat ten dage voor pleidooi bepaald de gemachtigde van appellanten een pleitnota heeft overgelegd;

Overwegende, dat hoewel de geïntimeerde behoorlijk is opgeroepen bij exploit van deurwaarder Sh. Kandhai d.d. 17 december 1991, hij niet is verschenen, waarna tegen hem akte van niet-verschijning is verleend;

Overwegende dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat appellanten tijdig in hoger beroep zijn gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 8 juli 1991;

Overwegende, dat de behoorlijk opgeroepen geïntimeerde niet van zijn aanwezen heeft doen blijken, zodat tegen hem verstek wordt verleend;

Overwegende, dat appellanten één grief tegen het beroepen vonnis hebben aangevoerd, doch dat het Hof, alvorens op die grief in te gaan, appellanten in de gelegenheid zal stellen ten processe over te leggen:

a) een uittreksel uit het register van overlijden van [naam 1], en

b) een verklaring van erfrecht met betrekking tot de nalatenschap van [naam 1].

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding
Alvorens definitief te beslissen;

Gelast appellanten de in de rechtsoverweging onder a) en b) genoemde stukken ten processe over te leggen;

Bepaalt, dat de zaak daartoe zal worden afgeroepen ter terechtzitting van 22 mei 1992 te 8.30 uur;

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Hof van Justitie, 10 juli 1992 (eindvonnis)

A.) [appellant sub A], wonende in het [district],

B.) [appellant sub B], wonende in Nederland, beiden ten deze domicilie kiezende aan de Watermolenstraat no. 36 beneden, ten kantore van mr.E.C.M. Hooplot, advocaat, appellanten in kort geding,

tegen

[geïntimeerde], zonder bekende woon- of verblijfplaats in en buiten Suriname, geïntimeerde in kort geding.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname:
Gezien ‘s Hofs Interlocutoir vonnis van 8 mei 1992 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

Ten aanzien van de feiten
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ‘s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter voldoening aan voormeld vonnis de gemachtigde van appellanten een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot overlegging produkties, vergezeld van produkties, heeft genomen;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 17 juli 1992, doch bij vervroeging op heden;

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 8 mei 1992 tussen partijen gewezen en uitgesproken en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat appellanten, ter voldoening aan gemeld tussenvonnis, ten processe hebben overgelegd een tweetal verklaringen van erfrecht in fotokopie, waaruit blijkt, dat [naam 1], weduwnaar van mevrouw [naam 2], te Paramaribo op 16 april 1973 ab instato en niet hertrouwd is overleden, achterlatende tot zijn enige en algehele erfgenamen zijner gehele nalatenschap ingevolge de wet, een gewettigd kind, met name [naam 3], en voorts dat mevrouw [naam 3], te Paramaribo op 27 mei 1986 ab intestato ongehuwd, ouderloos en zonder achterlating van wettige broers en zusters of afstammelingen van dezen, achterlatende tot haar enige en algehele erfgenaam, ingevolge de wet twee natuurlijke wettelijk erkende kinderen, met namen:

[appellant sub A] en [appellant sub B] heeft achter gelaten;

Overwegende, dat uit gemelde verklaringen van erfrecht in fotokopie de door het Hof van appellanten verlangde informatie, genoegzaam aan het Hof is gebleken;

Overwegende, dat appellanten in hun enige tegen het beroepen vonnis d.d. 8 juli 1991 ontwikkelde grief, de Kantonrechter het verwijt maken, dat hij ten onrechte in zijn rechtsoverweging heeft geconcludeerd dat hij niet geroepen is op gronden in het inleidend rekest onder meer dat de vordering van gedaagde (lees: geïntimeerde) is voldaan en in ieder geval verjaard, omdat gedaagde (lees: geïntimeerde) sinds 1934 geen rechtsvervolging ter zake heeft verricht, te gelasten de opheffing van het executoriaal beslag;

Overwegende, dat, naar blijkt uit het mede door appellanten in het geding in prima overgelegde hypothecaire uittreksel in fotokopie d.d. 16 mei 1991, is ten verzoeke van [geïntimeerde] en ten laste van [naam 1] bij exploit van deurwaarder W.F. Dompig executoriaal beslag gelegd op het erf met de Daaropstaande Gebouwen, gelegen te Paramaribo aan het [straat], bekend onder Nieuwe Wijk letter F [nummer 2], welk beslag is overgeschreven op 6 maart 1933 in register D deel 8 onder [nummer 3] ;

Overwegende, dat appellanten in het onderhavige proces vorderen de opheffing van gemeld executoriaal beslag op grond dat de vordering waarvoor het executoriaal beslag is voldaan en zij – appellanten – zich inmiddels hebben verbonden vorenomschreven onroerend goed vrij en onbezwaard over te dragen aan een derde aan wie zij het hebben verkocht en dat de koper thans aandringt op levering daarvan;

Overwegende, dat het Hof gemelde grief thans besprekend, oordeelt, dat die hem gegrond voorkomt, gaande de literatuur thans uitdrukkelijk van uit dat de Rechter in kort geding wel degelijk bevoegd is te gelasten de opheffing van een executoriaal beslag;

Overwegende, dat het Hof, doende wat de Kantonrechter heeft nagelaten, de gevraagde voorziening alsnog zal geven, komende de vordering van appellanten waarvan de vereiste spoed uit de stellingen blijkt, hem noch onrechtmatig noch ongegrond voor;

Gezien de betrekkelijke wetartikelen;

Rechtdoende in kort geding in hoger beroep
Vernietigd het door de kantonrechter in het eerste kanton op 8 juli 1991 in kort geding tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis;

En opnieuw rechtdoende
Gelast alsnog de opheffing van het executoriaal beslag, bij exploit van deurwaarde W.P.F. Dompig gelegd op het erf met de daaropstaande gebouwen, gelegen te Paramaribo aan de [straat], bekend onder Nieuwe Wijk letter F [nummer 2], en overgeschreven op 6 maart 1933 in register D deel 8 onder [nummer 3];

Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van appellanten gevallen en begroot op f……….;
met inbegrip van het door het Hof aan de advocaat van appelanten voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van f …….

SRU-HvJ-1998-25

H.M.

GENERALE ROL NO. 13774.

[appellante], wonende te [district] aan [adres], in haar hoedanigheid van moeder-voogdes van rechtswege over de minderjarige [naam 1], voor wie als gemachtig­de optreedt, Mr.W.C.PEN­GEL, advokaat, appellante q.q,

t e g e n

[persoon], gewoond hebbende in Nederland, overleden te [woonplaats] in Nederland op [datum 1], oorspronkelijke geïntimeerde, zijnde het geding, wegens overlijden, geschorst en hervat ten name van de geza­menlijke erfgenamen van [persoon], t.w.

  1. [geïntimeerde sub A], echtgenote van [naam 2];
  2. [geïntimeerde sub B], geboren op [datum 2] te [district];
  3. [geïntimeerde], geboren op [datum 3] te [district], allen wonende in Nederland, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.H.MUNGRA, advokaat, geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 6 maart 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in s’Hofs voormeld vonnis werd overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden compari­tie van partijen zijn verschenen de heer [naam 3] gevolmachtigde van geintimeerden en appellante q.q. in persoon, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te be­schouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna hier als ingelast te beschouwen schriftelijke conclusies na gehouden comparitie van partijen hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aan­vankelijk had bepaald op 16 oktober 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussen­vonnis van 6 maart 1998 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat geintimeerden bij monde van hun gevolmachtigde, [naam 3], ter op 15 mei 1998 gehouden inlichtingen comparitie hebben ver­klaard, dat zij vanwege de inflatie en de devaluering van de Surinaamse gulden, rekening onder meer houdend met die omstandigheden, een berekening hebben gemaakt van het bedrag van toen (Sf.10.906,55) en een bedrag na die drie jaren en vier maanden; dat zij hier duidelijk stellen dat gewerkt is met het bedrag waarvan de Kan­tonrechter in rechtsoverweging 7 van het beroepen vonnis gewag gemaakt heeft te weten Sf.601.383,71; dat daarvan genomen is 1/15 deel als aandeel gedeeld door de wisselkoers, geldend voor het jaar 1989 ad Sf.17.2­0; dat dit gelijk is aan een dollar waarde van 2331; dat dit bedrag uitgedrukt in de Sf waarde waar­bij de huidige parallelkoers van 455 gebruikt is, oplevert een bedrag van Sf.1.060.573,–;

Overwegende, dat het Hof opmerkt volledig te kunnen meegaan met de wijze waarop de Kantonrechter het door hem aan appellante q.q. toegewezen bedrag van Sf.10.906,55 heeft bepaald en zich voorts volledig kan terugvinden in de berekeningswijze van geintimeerden die geresulteerd heeft in het bedrag van Sf.1.060.573,–;

Overwegende, dat de tegen het beroepen vonnis d.d. 3 januari 1995 ontwikkelde grieven onder 2 en 4 van de Pleitnota d.d. 2 mei 1997 welke grieven als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd worden aange­merkt en geacht, worden gelijk te zijn besproken, als onjuist en ongegrond worden verworpen;

Overwegende, dat nu niet beide partijen het ver­zoek hebben gedaan een actuaris te benoemen hebbende geintimeerden tegen de voorgestelde benoeming bezwaar geopperd, gaat het Hof daarvan als, niet steunend op de wet voorbij;

Overwegende, dat het Hof, onder vernietiging van het vonnis, waarvan beroep, aan appellante q.q. zal toewijzen het bedrag van Sf.1.060.573,– onder veroor­deling van geintimeerden, als de in het ongelijk ge­stelde partij in de kosten op dit geding aan de zijde van appellante q.q. gevallen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 3 januari 1995 tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Veroordeelt geintimeerden tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan appellante q.q. te betalen de som van Sf.1.060.573,– ;

Veroordeelt geintimeerden in de kosten van dit proces in hoger beroep aan de zijde van appellante q.q. gevallen en begroot op Sf.5.940,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door hen gehouden pleidooi toegekende salaris van sf.3.000,–;

Bepalen het Hof het salaris van de advokaat van appellante q.q. eveneens op sf.3.000,–;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice­rend-President, Mr.K.PULTOO, Lid en Mr.L.J.BUDHU LALL, Lid-Plaatsvervanger en door de Vice-President uitge­sproken ter openba­re terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG 20 NOVEMBER 1998, in tegenwoordig­heid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is versche­nen de gemachtigde van geintimeerde, advokaat Mr.H.MUN­GRA, terwijl de gemachtigde van appellante niet is versche­nen.

SRU-HvJ-1990-6

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 12 oktober 1990

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en F.F.P. Truideman)

[verzoeker], wonende [adres], advokaat Mr. R.W. VAN RITTER, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie te zijner Parkette aan de Gravenstraat no. 3, advokaat Mr. F. KRUISLAND, verweerder.

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie te zijner Parkette aan de Gravenstraat no. 3, verweerder,

2. dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet;

3. dat verzoeker in 1980 in dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is getreden;

4. dat verzoeker nadat hij diverse diplomatieke functies in het buitenland had bekleed met de titulatie van Ambassadeur in Algemene Dienst omstreeks 1984 aan het Kabinet van de Bevelhebber van het Nationaal Leger was uitgeleend, alwaar hij zich voornamelijk met buitenlandse betrekkingen van het Kabinet van Suriname heeft bezig gehouden;

5. dat verzoeker blijkens hierbij overgelegd schrijven van 24 april 1989 aan het Militair Gezag het verzoek heeft gedaan om hem per 8 mei 1989 te ontheffen uit de Directeursfunctie op het Kabinet;

6. dat verzoeker blijkens hierbij gevoegd schrijven van 8 mei 1989 aan de Minister van Buitenlandse Zaken heeft bericht dat hij zich ingaande 8 mei 1989 wederom ter beschikking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken stelt.

7. dat verzoeker bij resolutie d.d. 25 april 1989 Bur. [ nummer 1] , welke door hem op 23 mei 1989 is ontvangen op de daarin genoemde overwegingen te rekenen van 1 februari 1989 als Hoofdambtenaar ”A” 2e klasse is overgeplaatst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar dat van Defensie;

8. dat verzoeker zich niet kan verenigen met zijn overplaatsing, hebbende verweerder van die bevoegdheid om bij hem dienende ambtenaren over te plaatsen kennelijk een ander gebruik gemaakt dan het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, zodanig dat hier van misbruik van bevoegdheid sprake is;

9. dat van een herstructurering van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, gelijk in de resolutie staat naar buiten niet is gebleken en lijkt het effectief inzetten van het beschikbare personeel kennelijk door middel van overplaatsing naar een ander Ministerie, klaarblijkelijk alleen op verzoeker te zijn toegepast, hetgeen door verzoeker als willekeur te zijnen opzicht wordt ervaren;

10. dat indien met middelen bedoeld wordt geldmiddelen, verzoeker er op wenst te wijzen dat hij zijn salaris over mei 1989 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft ontvangen, zullende een hervatting van zijn werkzaamheden op dat Ministerie geen verzwaring van het budget van dat Ministerie met zich medebrengen;

11. dat de overplaatsing van verzoeker bij resolutie van 25 april 1989, daags nadat verzoeker om ontheffing als Directeur van het Kabinet van het Militair Gezag had verzocht en wel met terugwerkende kracht tot 1 februari 1989 in strijd is met het in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginsel van behoorlijk bestuur;

12. dat nu verweerder de verzoeker niet heeft gehoord bij zijn voornemen om verzoeker over te plaatsen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar dat van Defensie, verweerder heeft gehandeld in strijd met het algemeen aanvaardbare beginsel van fairplay;

13. dat het toch als onjuist en onaanvaardbaar moet worden aangemerkt dat een ambtenaar die behorend tot het leidinggevend kader van de Overheid, gelet op zijn ervaring op het stuk van de buitenlandse dienst en het door hem ontvangen salaris bij een overplaatsing niet wordt gekend c.q. gehoord waardoor hij zo effectief mogelijk binnen de administratie van verweerder kan functioneren;

14. dat verzoeker de maatregel tot overplaatsing als een tuchtstraf ervaart, waaronder hij geestelijk lijdt, terwijl de motivering van de resolutie tot overplaatsing het besluit niet draagt;

15. dat de rechtszekerheid met name het naar willekeur overplaatsen van ambtenaren c.q. landsdienaren in gevaar wordt gebracht;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

Primair:

dat bij vonnis de resolutie van 25 april 1989 Bureau [nummer 1] zal worden vernietigd c.q. nietig zal worden verklaard;

Subsidiair:

a. dat bij vonnis verweerder zal worden veroordeeld c.q. zal worden bevolen om binnen TWEE WEKEN na het te wijzen vonnis de resolutie van 25 april 1989 Bureau [nummer 1] in te trekken als zijnde in strijd met artikel 79 lid 1 onder a van de Personeelswet, in het bijzonder wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan waartoe die is gegeven (misbruik van bevoegdheid) c.q. als zijnde in strijd met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur met name in strijd met het motiveringsbeginsel, het beginsel van rechtszekerheid en fairplay;

b. dat verweerder zal worden veroordeeld om voor elke dag dat hij in gebreke blijft om aan de veroordeling te voldoen aan verzoeker ten titel van dwangsom zal betalen de som van f. 500,–, kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de bij de Wet gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarin het volgende wordt aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist met klem al hetgeen niet uitdrukkelijk door hem is erkend.

2. Verzoeker heeft bij inleidend rekest primair gevorderd, dat uw Hof de resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 25 april 1989 [nummer 1] nietig zal verklaren. Voormelde resolutie, welke bij voormeld rekest door verzoeker is overgelegd, bevat een besluit tot overplaatsing van verzoeker van het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar het Ministerie van Defensie.

Een dergelijk besluit moet worden beschouwd als een besluit tot benoeming in een andere functie als bedoeld in artikel 21 van de Personeelswet.

Tot kennisneming van een vordering tot nietigverklaring van een besluit als voormeld, is echter Uw Hof ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 5 van de Personeelswet niet bevoegd, aangezien dat besluit niet vatbaar is voor nietigverklaring als aangegeven in artikel 79 lid 2 van voormelde wet.

Bovenvermeld besluit tot benoeming in een andere functie betreft immers niet een besluit betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioen, wachtgeld, vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit, noch tot verlaging van rang. Zoals uit voormeld besluit blijkt, is toch verzoeker met behoud van zijn rang en salaris formeel gemuteerd naar het Departement van Defensie.

3. Verzoeker heeft subsidiair gevorderd, dat Uw Hof verweerder zal veroordelen dan wel bevelen bovenvermeld besluit in te trekken.

Ingevolge artikel 79 leden 1 en 5 is Uw Hof echter slechts bevoegd tot nietigverklaring van een door verweerder genomen besluit dan wel tot het geven van een gebod tot het nemen van een besluit dan wel het verrichten van een handeling of een verbod tot het verrichten van een handeling, zulks onder oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van het bevolen besluit of de bevolen handeling dan wel het toch verrichten van de verboden handeling, waaronder derhalve geenszins valt het geven van een bevel tot intrekking van een besluit.

4. Verweerder kan erkennen hetgeen is gesteld in het 2e en 3e ”sustenu” van het inleidend rekest, met dien verstande, dat verzoeker in 1981 in dienst van verweerder is getreden en te werk is gesteld op het Departement van Buitenlandse Zaken.

5. Verweerder ontkent en betwist met klem, dat verzoeker nimmer is benoemd tot Ambassadeur in Algemene Dienst.

Verzoeker is in juni 1982 benoemd tot Ambassade-Secretaris 1e klasse met de persoonlijke titel van Ambassaderaad titulair op de Ambassade van de Republiek Suriname te Georgetown, Guyana. Per 1 november 1982 is verzoeker vervolgens belast met de functie van Chef de Poste op de Ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag, Nederland, met de titel van Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur van de Republiek Suriname, welke functie hij heeft vervuld tot juli 1984, waarna hij ter beschikking van de Bevelhebber van het Nationaal Leger werd gesteld.

6. Verweerder ontkent en betwist, dat hij van zijn bevoegdheid tot mutatie van een ambtenaar zoals geschied ten aanzien van verzoeker in de ten rekeste vermelde resolutie d.d. 25 april 1989, ”een kennelijk ander gebruik heeft gemaakt dan voor het doel waarvoor die bevoegdheid is gegeven”, zoals verzoeker stelt in het 8e ”sustenu” van het inleidend rekest.

Verzoeker is met ingang van 15 juli 1984 ter beschikking gesteld van de CISM-Commissie Suriname van het Nationaal Leger, zoals blijkt uit het hierbij overgelegde schrijven van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 26 juli 1984 en wel voor de duur van het alstoen te houden CISM-toernooi in Suriname. Na het einde van voormeld toernooi is verzoeker niet teruggekeerd binnen het institutionele raamwerk van het Departement van Buitenlandse Zaken, doch is hij te werk gesteld op het Kabinet van de Bevelhebber van het Nationaal Leger met zijn instemming.

Vervolgens is verzoeker met zijn instemming per 19 november 1985·benoemd tot direkteur van het Kabinet van de Bevelhebber van het Nationaal Leger, welk instituut na de inwerkingtreding van de thans geldende Grondwet werd omgevormd in ”het Kabinet van het Militair Gezag”, zulks op basis van artikel 178 van de Grondwet, waarbij verzoeker als direkteur werd gehandhaafd.

Voormeld instituut heeft tot taak aan de leiding van het Nationaal Leger bijstand te verlenen bij de uitoefening van zijn taak. Op grond van voormelde taak is voormeld instituut dan ook een onderdeel van het Departement van Defensie (vóór 30 juni 1988, Departement van Leger en Politie) binnen het kader van de administratieve ordening van de overheidsorganisatie. Ter staving van het voorgaande verwijst verweerder naar artikel 18 punt 1 sub b van ”het Besluit Instelling en Taakomschrijving van de Departementen van Algemeen Bestuur 1986” (S.B. 1986 no. 23) en naar artikel 9 van het ”Besluit Taakomschrijving Departementen 1988” (S.B. 1988 no. 39), krachtens welke wettelijke bepalingen de zorg voor het Leger berust bij het Departement van Defensie (vóór 30 juni 1988 ”Departement van Leger en Politie”).

Op grond van het voorgaande ressorteerde verzoeker als Direkteur van het Kabinet van de Bevelhebber van het Nationaal Leger, naderhand Kabinet van het Militair Gezag, functioneel mitsdien onder het Departement van Defensie, zulks met zijn instemming en medewerking.

De resolutie van 25 april 1989 [nummer 1] houdt dan ook niet meer in dan verzoekers positie in overeenstemming brengen met de administratieve ordening van de overheidsorganisatie en bracht geenszins enige wijziging in verzoekers plaats binnen de overheidsorganisatie.

Verzoekers stelling, dat verweerder van zijn bevoegdheid een ander gebruik zou hebben gemaakt dan voor het doel, waartoe die bevoegdheid is gegeven, is mitsdien van elke grond ontbloot.

7. Binnen de overheidsorganisatie is het van belang inzicht te hebben in de formatie van de onderdelen van voormelde organisatie en de budgetaire lasten, die aan de onderscheidene onderdelen verbonden zijn, zodat het beschikbare personeel bij een bepaald onderdeel op de meest efficiënte wijze kan worden ingezet en bij het samenstellen van de begroting daarmede als factor rekening kan worden gehouden. Op grond van voormeld uitgangspunt heeft de leiding van het Departement van Buitenlandse Zaken op 21 november 1988 aan de afdeling Personeelszaken van dat Departement de instructie gegeven ervoor zorg te dragen, dat ambtenaren, die functioneel onder een ander departement ressorteerden, niet langer administratief en budgetair ten laste van het Departement van Buitenlandse Zaken zouden komen. Aangezien zulks van toepassing was op verzoeker, is door het Departement van Binnenlandse Zaken een concept-resolutie opgemaakt tot overplaatsing van verzoeker, welke concept-resolutie op 13 januari 1989 naar het Departement van Buitenlandse Zaken is verzonden. Voormelde concept-resolutie hield in de overplaatsing van verzoeker per 1 februari 1989. Op 31 januari 1989 is voormelde concept-resolutie gecontrasigneerd door de Minister van Buitenlandse Zaken en op 8 februari d.a.v. doorgezonden naar het Departement van Defensie voor het contraseign van de Minister van Defensie.

Kennelijk als gevolg van vertragingen binnen de administratie is echter het uiteindelijk besluit eerst op 25 april 1989 door de President van de Republiek Suriname getekend. Uit voorgaande data blijkt dus, dat het besluit tot overplaatsing van verzoeker, teneinde de administratieve ordening tot volkomenheid te brengen, reeds in januari 1989 was genomen en sedert november 1988 in voorbereiding was.

Ten onrechte stelt verzoeker dan ook, dat voormeld besluit ”daags nadat verzoeker om ontheffing als Direkteur van het Kabinet van het Militair Gezag had verzocht en wel met terugwerkende kracht tot 1 februari 1989” zou zijn genomen.

Kennelijk suggereert verzoeker daarmede, dat verweerder opzettelijk toen hij gehoord had van zijn verzoek om ontheffing, hem heeft overgeplaatst.

Uit het voorgaande blijkt, dat zulks echter geheel onjuist en totaal ongegrond is.

Immers lang voor verzoeker om ontheffing verzocht, was het besluit tot zijn overplaatsing al gevallen.

Bovendien wist noch de President van de Republiek, noch de Minister van Buitenlandse Zaken op 25 april 1989, dat verzoeker een ontheffing uit zijn functie als Directeur van het Kabinet van het Militair Gezag had verzocht. Verzoeker heeft namelijk eerst bij schrijven d.d. 8 mei 1989 hetwelk bij inleidend rekest door hem is overgelegd, aan de Minister van Buitenlandse Zaken bericht, dat hij zijn diensten weer ter beschikking van de Minister van Buitenlandse Zaken stelde.

Overigens moet verweerder opmerken, dat een ambtenaar niet kan beslissen, welke functie hij op een bepaald moment zal gaan bekleden, doch zulks is voorbehouden aan bet bevoegd gezag als bedoeld in artikel 3 van de Personeelswet.

Ter staving van het voorgaande legt verweerder hierbij over bovenvermelde instructie van de Direkteur van Buitenlandse Zaken d.d. 21 november 1988 en bovenvermelde concept-resolutie d.d. januari 1989.

8. Verzoeker heeft voorts gesteld, dat aangezien hij niet gehoord is omtrent zijn overplaatsing, verweerder in strijd zou hebben gehandeld met het beginsel van fairplay. Voormeld beginsel is echter in casu in het geheel niet van toepassing, aangezien dat beginsel inhoudt het betrachten van openhartigheid omtrent de doeleinden van en de motieven voor een bepaald beleid, hetgeen niets te maken heeft met het al dan niet horen van een ambtenaar over zijn overplaatsing.

Verweerder moet voorts opmerken, dat zoals boven reeds gesteld, de overplaatsing van verzoeker slechts betrof het administratief tot volkomenheid brengen van een situatie, die in werkelijkheid bestond en die met verzoekers instemming en medewerking tot stand was gekomen. Het horen van verzoeker terzake was dan ook geheel overbodig. Overigens is nergens in de wet aangegeven dat een ambtenaar moet worden gehoord voordat hij kan worden overgeplaatst.

9. Verweerder wenst tenslotte met klem te stellen, dat de motivering van de resolutie d.d. 25 april 1989 [nummer 1] helder en duidelijk is en het daarin neergelegde besluit, geheel kan dragen, mede in het licht van hetgeen hierboven is gesteld. Waarop verzoeker zijn stelling grond, dat bovenvermelde resolutie een tuchtstraf zou inhouden, is verweerder geheel duister gebleven;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze hem als ongegrond zal worden ontzegd;

Overwegende, dat partijen, verzoeker in persoon bijgestaan door advokaat Mr.Dr. C.D. Ooft namens de gemachtigde van verzoeker advokaat Mr. R.W. van Ritter, de heer A.CH. Kruisland, ambtenaar bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken en advokaat Mr. K.R. Lieuw On namens de gemachtigde van de Staat Suriname, ingevolge ’s Hofs beschikking d.d. 12 september 1989 in Raadkamer zijn gehoord, waarbij zij hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker daarbij een produktie overgelegd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 26 oktober 1990, doch bij vervroeging op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van artikel 1 van de Personeelswet(Pw.)

Overwegende, dat verzoeker in zijn rekest heeft gesteld, dat nadat hij diverse diplomatieke funkties in het buitenland had bekleed, met de titulatie van Ambassadeur van Algemene Dienst, omstreeks 1984 aan het Kabinet van de bevelhebber van het Nationaal Leger was uitgeleend, alwaar hij zich voornamelijk met buitenlandse betrekkingen van het Kabinet en Suriname heeft beziggehouden;

Overwegende, dat het Hof het allereerst noodzakelijk acht, de ambtelijke loopbaan van verzoeker de revue te laten passeren:

(1). in 1980/81 trad verzoeker in Staatsdienst en wel op het Ministerie van Buitenlandse Zaken;

(2). bij resolutie van de waarnemend-President van de Republiek Suriname d.d. 18 september 1982 Bur [nummer 2] werd verzoeker te rekenen van 1 juni 1982 (hij bekleedde toen de funktie van Hoofdambtenaar B 2e klasse in vaste dienst op het Ministerie van Buitenlandse Zaken), bevorderd tot Hoofdambtenaar B le klasse en gedetacheerd naar Georgetown, Guyana – als Ambassade-Secretaris le klasse met persoonlijke titel Ambassaderaad titulair belast met de tijdelijke waarneming van de funktie van Chef de Poste;

(3). bij resolutie van genoemde waarnemend-President van de Republiek Suriname werd verzoeker met ingang van 1 november 1982 bevorderd tot Hoofdambtenaar A 2e klasse (vide resolutie d.d. 19 november 1982 Bur. [nummer 3]) en belast met de functie van Chef de Poste te Den Haag, Nederland met de titel van Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur van de Republiek Suriname;

(4). in juli 1984 uit Nederland naar Suriname teruggekeerd, werd verzoeker, zoals hij in zijn rekest stelt, uitgeleend aan het Kabinet van de Bevelhebber van het Nationaal Leger, alwaar hij zich voornamelijk met buitenlandse betrekkingen van het Kabinet en Suriname heeft beziggehouden, o.a. werd verzoeker ter beschikking gesteld van de CISM-Commissie (vide brief Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 26 juli 1984 [nummer 4 ] aan de Voorzitter van de CISM-Commissie Suriname),

– voorts werkzaamheden verricht in opdracht van de Bevelhebber in het kader van het vredesproces in Suriname,

– wijders heeft verzoeker zich en is hij op gemeld Kabinet van de Bevelhebber steeds aangeduid als Directeur van het Kabinet van de Bevelhebber;

Overwegende, dat evenwel niet gebleken is dat verzoeker een aanstelling had als Ambassadeur in Algemene Dienst en evenmin als Directeur van het Kabinet van de Bevelhebber;

– dat rechtens wel vaststaat dat verzoeker is Hoofdambtenaar A 2e klasse en sinds juli 1984 de facto werkzaamheden verricht op het Kabinet van de Bevelhebber (Ministerie van Defensie);

Overwegende, dat bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 25 april 1989 Bureau [nummer 1]), het navolgende werd overwogen;

“OVERWEGENDE”:

dat de Hoofdambtenaar ”A” 2e klasse in vaste dienst op het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de heer [verzoeker] vanaf 12 februari 1987 werkzaam is op het Kabinet van de Bevelhebber van het Nationaal Leger, in de functie van Direkteur van voormeld Kabinet en alszodanig ook functioneert;

dat in verband met de herstructurering van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de noodzaak tot het effectief inzetten van het beschikbare personeel, het materieel en de middelen, het wenselijk geacht wordt betrokkene over te plaatsen naar het Ministerie van Defensie, waaronder het Kabinet van de Bevelhebber van het Nationaal Leger ressorteert.

BESLUIT:

Te rekenen van 1 februari 1989, de Hoofdambtenaar “A” 2e klasse de heer [verzoeker] pers. no. [nummer 5] in vaste dienst werkzaam op het Ministerie van Buitenlandse Zaken, over te plaatsen naar het Ministerie van Defensie met behoud van zijn bezoldiging van f. 3.411,– (DRIEDUIZEND VIERHONDERD EN ELF GULDEN) per maand en handhaving van de bijdragegrondslag van f. 40.932,–;

Overwegende, dat verzoeker tegen deze overplaatsingsresolutie is opgekomen, op gronden zoals uitvoerig uiteengezet in het 11e t/m 15e ”dat” van zijn rekest waarvan de inhoud hierboven sub factis bereids is opgenomen en op grond daarvan heeft gevorderd, dat bij vonnis het Hof van Justitie optredend als Gerecht in ambtenarenzaken;

Primair:

zal vernietigen c.q. nietig zal verklaren de resolutie van 25 april 1989 Bureau [nummer 1] ;

Subsidiair:

a) verweerder zal veroordelen c.q. bevelen binnen twee weken na het te wijzen vonnis de resolutie van 25 april 1989 Bureau [nummer 1] in te trekken als zijnde in strijd met artikel 79 lid 1 onder a van de Personeelswet, in het bijzonder wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan waartoe die is gegeven (misbruik van bevoegdheid) c.q. als zijnde in strijd met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur met name in strijd met het motiveringsbeginsel, het beginsel van rechtszekerheid en fairplay;

b) verweerder te veroordelen om voor elke dag dat hij in gebreke blijft om aan de veroordeling te voldoen aan verzoeker ten titel van dwangsom te betalen de som van f. 500,–;

Overwegende, dat verweerder op gronden als in zijn verweerschrift vermeld welke hierboven bereids sub factis zijn vermeld en ook hier als letterlijk herhaald geïnsereerd worden beschouwd, verzoekers zowel primaire als subsidiaire vordering gemotiveerd heeft weersproken en geconcludeerd, dat het Hof zich onbevoegd zal verklaren, althans verzoeker in zijn vorderingen niet te ontvangen, althans hem deze als ongegrond te ontzeggen;

Overwegende, dat het Hof, het primair gevorderde besprekend, van oordeel is, dat verzoeker ten deze daarin niet kan worden ontvangen, nu in artikel 79 lid 2 van de Personeelswet (Pw.) de besluiten, welke vatbaar zijn voor nietigverklaring limitatitef zijn opgesomd en daarin niet is opgenomen een besluit tot overplaatsing (cfm. vonnis Hof van Justitie, als gerecht in ambtenarenzaken, d.d. 7 mei 1971 Sur. Jur. 1971 no. 15 inzake [naam] ca. RIJKSDEEL SUR.);

Overwegende, dat het subsidiaire (zowel onder (a als b)) gevorderde eveneens met een niet-ontvankelijkheid dient te worden begroet, nu, naar verweerder terecht stelt, het Hof ingevolge het bepaalde in artikel 79 leden 1 en 5 van de Personeelswet slechts bevoegd is tot nietigverklaring van een door verweerder genomen besluit dan wel tot het geven van een gebod tot het nemen van een besluit dan wel tot het verrichten van een handeling of een verbod tot het verrichten van een handeling, zulks onder oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van de bevolen handeling dan wel het toch verrichten van de verboden handeling, waaronder geenszins valt het geven van een bevel tot intrekking van een besluit;

Overwegende, dat hoewel in feite niet langer relevant, heeft verzoeker:

a). de terugwerking van de overplaatsing in strijd geacht met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur;

b). zijn niet – gehoord – zijn bij de overplaatsing van het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar dat van Defensie in strijd geacht met het algemeen beginsel van ”fairplay”;

c). het als onjuist en onaanvaardbaar aangemerkt, dat hij als ambtenaar behorend tot het leidinggevend kader van de Overheid gelet op zijn ervaring op het stuk van buitenlandse en het door hem ontvangen salaris, bij een overplaatsing niet wordt gekend c.q. gehoord, waardoor hij zo effectief mogelijk binnen de administratie van verweerder kan functioneren;

d). hij de maatregel tot overplaatsing als een tuchtstraf ervaart, waaronder hij geestelijk lijdt, terwijl de motivering van de resolutie tot overplaatsing het besluit niet draagt;

e). dat hij niet met zekerheid kan zeggen of hij door de overplaatsing financieel nadeel ondervindt, maar wel, dat zijn overplaatsing naar Defensie nadelige invloed zal hebben op zijn diplomatieke carrière in welke richting hij zich heeft bekwaamd;

f). dat de rechtszekerheid met name het naar willekeur overplaatsen van ambtenaren c.q. landsdienaren, in gevaar wordt gebracht;

Overwegende in het algemeen:

– dat naar ’s Hoven oordeel – anders dan verzoeker meent – de motivering van de overplaatsingsresolutie voldoende wordt geacht, om de overplaatsing te rechtvaardigen;

– dat bij overplaatsingen er vanuit wordt gegaan dat de ambtenaar geen financieel nadeel ondervindt;

uitgangspunten zijn o.m. artikel 4 jo artikel 3 lid 6 van de Personeelswet, waarbij behalve met het belang van een goede en doelmatige samenstelling en funktionering van ’s Landsdienst, ook zoveel mogelijk rekening gehouden wordt met de persoonlijke belangen voor degene ten aanzien van wie de bevoegdheid wordt uitgeoefend, waarmee met het laatste – naar ’s Hoven oordeel – blijkens het hierna volgende wel degelijk rekening is gehouden;

ad a). – verzoeker is namelijk sedert 1984 de facto werkzaam op het Ministerie van Defensie (Kabinet van de Bevelhebber) en wordt het dan ook als juist geacht, dat hij zijn bezoldiging door dat Ministerie uitbetaald krijgt;

– verzoeker is, naar gebleken daarbij financieel niet benadeeld;

ad b). de Personeelswet geeft uitdrukkelijk aan, wanneer de ambtenaar/landsdienaar dient te worden gehoord bij besluiten te zijnen aanzien genomen; ten aanzien van een overplaatsing, is zulks niet voorgeschreven, – daargelaten dat, zoals reeds gesteld, overplaatsingsbesluiten niet vallen onder artikel 79 van de Personeelswet – en dus niet aan het oordeel van het Hof als ambtenarenrechter zijn onderworpen;

ad c). volstaan kan worden met hier te verwijzen, naar al hetgeen hiervoren is overwogen;

ad d). in casu is van een tuchtstraf geen sprake; zoals verzoeker zelf bij het verhoor in Raadkamer heeft toegegeven;

– wat de motivering van de overplaatsing betreft, wordt verwezen naar de overwegingen van de overplaatsingsresolutie;

ad e). in hoeverre verzoekers diplomatieke carrière door zijn overplaatsing naar Defensie nadelig beïnvloed zal zijn, kan alleen van belang zijn of verzoeker bij zijn overplaatsing financieel nadeel heeft ondervonden, hetgeen niet het geval blijkt te zijn; het is immers evengoed denkbaar dat verzoeker ook bij het Ministerie van Defensie carrière maakt, zulks met het nog op zijn ervaringen opgedaan met werkzaamheden ten behoeve van de internationale militaire sportorganisatie (CISM);

ad f). dat de rechtszekerheid zoals verzoeker beweert, naar ’s Hoven oordeel, op geen enkele wijze in gevaar is gebracht;

Overwegende, dat het Hof er nog op wijst, dat verzoeker een verzoek d.d. 8 mei 1989 aan de Minister van Buitenlandse Zaken had gericht om wederom ter beschikking te worden gesteld van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, doch dat uit een in fotocopie ten processe aanwezige concept-beschikking, welke niet van valsheid is beticht, blijkt, dat reeds in JANUARI 1989 bedoelde concept-beschikking was geconcipieerd inhoudende de overplaatsing van verzoeker per 1 februari 1989 naar het Ministerie van Defensie, welke beschikking kennelijk door ambtelijke vertraging pas op 25 april 1989 voor ”uitgaan” klaar lag;

Overwegende resumerend:

1. – dat van strijdigheid met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur, geen sprake is;

2. – dat van strijdigheid met het algemeen beginsel van ”fairplay” eveneens geen sprake is;

3. – dat van het in gevaar brengen van de rechtszekerheid van de ambtenaar/ landsdienaar evenmin is gebleken;

4. – dat van misbruik maken van bevoegdheid door de Staat door de overplaatsing van verzoeker ook geen sprake is;

Overwegende, dat na al het voorgaande het Hof alsvolgt dient te beslissen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zowel zijn primaire- als zijn subsidiaire vorderingen.

 

SRU-HvJ-1992-11

HOF VAN JUSTITIE·(Ambtenarengerecht), 7 februari 1992
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en E.S. Ombre)

[verzoeker], ambtenaar bij het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo ten kantore van het Advocatenkantoor TJON KWAN PAW, van wie Mr. U.J. van der VELDT, advocaat, als zijn gemachtigde optreedt, verzoeker,

tegen

De Staat Suriname (Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij), in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3 advokaat Mr.Dr. C.D. OOFT, verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker], zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker wenst de navolgende rechtsvordering in te stellen tegen de Staat Suriname (Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij), verweerder in rechte vertegenwoordigd door de Edelgrootachtbare Heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3;

2. Tot 1 september 1985 was verzoeker werkzaam bij het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij, laatstelijk in de rang van hoofdambtenaar B 3e klasse. Hij werd bezoldigd volgens schaal 16.

3. Met ingang van vorenbedoelde datum werd verzoeker toegevoegd aan de Stichting Planbureau Suriname en wel als medewerker van de toen ingestelde Financieel-Economische Commissie, hetgeen moge blijken uit het schrijven van de Direkteur van Financiën namens de Minister van Financiën de dato 27 september 1985, La.F.[nummer 1], hetwelk in fotocopie wordt overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen (produktie 1). Als lid van die commissie kwam verzoeker in aanmerking voor een bezoldiging volgens schaal 19.

4. Ingevolge de beslissing van de Raad van Ministers de dato 2 juni 1988 is het Secretariaat van de Commissie met ingang van 15 juni 1988 opgeheven hetgeen blijkt uit het schrijven van de Vice-President van de Republiek Suriname aan de Minister van Financiën en Planning de dato 15 juni 1988, kenmerk K.V.P.[nummer 2], hetwelk eveneens in fotocopie wordt overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen (produktie II).

Verzoeker werd ingevolge dit besluit teruggeplaatst bij het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij, en wel met ingang van 1 oktober 1988, vide het eveneens in fotocopie overgelegde schrijven van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij de dato 6 oktober 1988, kenmerk [nummer 3] (produktie III).

5. Tot verbazing van verzoeker is in laatstbedoeld schrijven vermeld, dat hij na zijn terugplaatsing wederom volgens schaal 16 bezoldigd zou worden, en wel zulks niettegenstaande het feit, dat de Minister van Financiën blijkens diens schrijven aan verzoeker de dato 30 juni 1989 La.F. [nummer 4], had vastgesteld dat verzoeker aanspraak bleef maken op bezoldiging volgens schaal 19.

Verzoeker legt ook dit schrijven in fotocopie over met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen (produktie IV).

6. Verzoeker heeft de kwestie van deze in strijd met zijn rechtspositie zijnde en mitsdien onrechtmatige korting op zijn bezoldiging enige malen op het Departement van Landbouw, Veeteelt en Visserij ter sprake gebracht, echter zonder dat zulks tot rektifikatie leidde. Slechts vage toezeggingen dat ”iets aan de zaak gedaan zou worden” waren het resultaat. Tenslotte heeft verzoeker zich genoodzaakt om de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, JAMES EDWARD KOLF de dato 5 februari 1990, no. 0082, hetwelk eveneens in afschrift wordt overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan als, hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen (produktie V) te doen aanschrijven en tot rektifikatie te doen sommeren.

7. Verzoeker heeft op dit schrijven geen antwoord ontvangen weshalve ingevolge het bepaalde van artikel 78, lid 2 sub (b) j080, lid 2, sub (c) van die Wet is verzoeker tegen die afwijzende beslissing tijdig bij Uw Hof in beroep gekomen.

8. Het afwijzende besluit van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij op het verzoek van verzoeker tot het weder in het genot stellen van bezoldiging volgens schaal 19 met verdiscontering van de sedert 1 oktober 1988 verschenen periodieken is in strijd met het bepaalde van artikel 25 van de Personeelswet, houdende de uitbetaling van bezoldiging volgens schaal 16 immers in feite een terugstelling in rang is. Krachtens dit artikel is verlaging van rang van een ambtenaar slechts mogelijk als tuchtstraf of in de gevallen waarin aan de betrokken ambtenaar ontslag uit de Staatsdienst kan worden verleend. Uit de formulering van dat wettelijke voorschrift dient te worden opgemaakt, dat het hier gaat om een limitatieve opsomming. Het besluit is, mitsdien in strijd met de Wet genomen en dient op die grond nietig te worden verklaard, althans te worden vernietigd;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

a. dat het afwijzende besluit, als vorenbedoeld, nietig zal worden verklaard, althans zal worden vernietigd;

b. dat verweerder zal worden veroordeeld om·verzoeker alsnog met terugwerkende kracht te rekenen van 1 oktober 1988 zijn bezoldiging uit te betalen volgens schaal 19 met verdiscontering van alle sedertdien verschenen periodieken en met daarop in mindering brenging van hetgeen aan hem, verzoeker, bereids volgens schaal 16 is uitbetaald;

c. dat verweerder zal worden bevolen te beschikken, dat per 1 oktober 1988 verzoeker’s bezoldiging volgens schaal 19 als pensioengrondslag zal gelden;

d. dat verweerder zal worden veroordeeld tot de betaling van de kosten van dit geding;

Overwegende, dat vervolgens van de Staat Suriname binnen de bij de Wet gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarin het navolgende wordt aangevoerd: Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend, met beroep op de onspitsbaarheid van zijn stellingen en biedt bewijs aan door alle middelen rechtens, in het bijzonder door getuigen;

2. Door verweerder wordt het gestelde in punt 1 van het inleidend rekest van verzoeker niet tegengesproken;

3 Ten aanzien van het gestelde in de 2de en 3de sustenuen dient de vraag gesteld te worden of verzoeker wel door het bevoegde administratief orgaan en bij het daartoe wettelijk voorgeschreven besluit (Resolutie),

a. is overgeplaatst (is toegevoegd) van het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (L.V.V.) naar de Stichting Planbureau Suriname,

b. de vaststelling van zijn bezoldiging, ongemotiveerd, van de ene op de andere dag, kon geschieden vanuit schaal 16 naar schaal 19.

Verweerder ontkent de bevoegdheid tot zijn (verzoeker’s) overplaatsing (toevoeging) en salarisvaststelling van de Minister van Financiën en Planning. Verweerder ontkent ook daarom de competentie van de Minister van Financiën en Planning c.q. de direkteur van de Stichting Planbureau Suriname, die heeft getekend, nu door verzoeker de wettigheid van deze competentie niet door producties of andere bescheiden wordt gestaafd. Verzoeker heeft in zijn inleidend rekest niet het ter zake dienende bewijsmateriaal geproduceerd.

4. Verzoeker verwijst in het 4de punt van zijn rekest naar de brief van de Raad van Ministers d.d. 15 juni 1988 m.b.t. de opheffing van de Financiële Economische Commissie (F.E.C.) per dato 15 juni 1988.

Dit had tot gevolg dat verzoeker niet meer werkzaam zou zijn bij deze Commissie, die ressorteert onder het Ministerie van Financiën en Planning. Terecht schrijft de Minister van L.V.V. op 6 oktober 1988 de verzoeker aan, dat hij vanaf 1 oktober 1988 wederom zijn dienst op het Ministerie van L.V.V. zou hervatten (in de rang van hoofdambtenaar B-derde klasse schaal 16);

5. Verzoeker heeft het aan het verkeerde eind wanneer hij blijft vasthouden dat hij in schaal 19 moet worden bezoldigd. Het in het geding brengen van het schrijven van de Minister van Financiën van 30 juni 1989 (La.F.[nummer 5]) kan geen effect sorteren omdat ook hier weer de onbevoegdheid van de Minister van Financiën tot het vaststellen (bij eenvoudige brief) van de bezoldiging of de hoogte daarvan, voor een ambtenaar in dienst van een ander Ministerie (L.V.V.) aan de orde is, nog daar gelaten, dat de door verzoeker geproduceerde brief in zoverre zelfs onjuist is (onwaar) nu de Minister van Financiën voornoemd in zijn brief constateert dat het ambtelijk salaris van verzoeker schaal 19 ”is”. Hij schreef dit op 30 juni 1989 terwijl verzoeker op 6 oktober 1988 gerekend vanaf 1 oktober, was teruggeplaatst en zijn eigen Minister hem had duidelijk gemaakt dat hij weer zou dienen in schaal 16 als hoofdambtenaar B-derde klasse. Om kort te zijn: de ondersteuning welke verzoeker zoekt bij de Minister van Financiën en Planning faalt allerwegen;

6. A. In de punten 6, 7 en 8 van het inleidend rekest van verzoeker, wordt er van uit gegaan dat verzoeker zich bedient van de rechtsmiddelen aan elke ambtenaar gegeven ex art.·78 e.v. P.W. Niets is echter minder waar. Verzoeker adstrueert namelijk zelf in zijn 6de sustenu, dat hij niet heeft ingesteld de bijzonder administratief rechterlijke procedure, maar heeft toegepast de gewone civiel rechterlijke procedure uitgaande van het Burgelijk recht op de grondslagen van het voorschrift neergelegd in art. 1259 B.W. en de daarin voorgeschreven ”in gebreke stelling”, of sommatie. Anders dan art. 78 le lid van de Personeelswet voorschrift, richtte verzoeker zich ook niet tot het hoger gezag dan het orgaan dat het besluit genomen heeft (had), maar ”SOMMEERDE” de Minister zelf c.q. stelde deze in gebreke in de vorm van een deurwaarders exploit.

B. Een zodanige sommatie alsonder punt A hierboven bedoeld, geeft geen recht op een beslissing van de gesommeerde Minister, waardoor het gestelde in art. 78, 2de lid onder b van Personeelswet hier niet meer van toepassing is;

C. Verzoeker zoekt in het 8e punt van zijn rekest steun bij art. 25 van P.W. Ook dit artikel is echter hier niet van toepassing, omdat hier geen sprake is van ”verlaging van rang”, terwijl er nog minder sprake is van.een ”afwijzend besluit” van de Minister van L.V.V. Derhalve: verzoeker vraagt van het Hof van Justitie iets te vernietigen wat er niet is. De vordering van verzoeker tot vernietiging van enig afwijzend besluit, is reeds op deze gronden niet voor toewijzing vatbaar.

7. De vorderingen van verzoeker onder de punten b, c en d van het petitum zullen noodwendig niet ontvankelijk moeten worden verklaard door Uw hoog college, omdat verzoeker defacto en dejure, met overslaan van het rechtsmiddel van ”Beklag binnen de administratie” (art. 78 P.W.) zich rechtsstreeks heeft gewend tot het Hof van Justitie oordelende in ambtenarenzaken in eerste en hoogste aanleg. Immers, verzoeker is pas op 3 september 1990 met zijn verzoekschrift bij het Hof van Justitie binnengekomen, terwijl het besluit tot diensthervatting plaatsvond bij het schriftelijk besluit van de Minister van L.V.V. d.d. 6 oktober 1988 [nummer 3] (zie produktie III door verzoeker zelf overgelegd). Artikel 80 van de P.W. le lid onder b is hier van toepassing. Immers, verzoeker is ruim 22 maanden te laat met het indienen van zijn vordering tot nietig verklaren van een daarvoor niet vatbaar besluit;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd, dat verzoeker op grond van al het voorgaande niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering c.q. hem deze zal worden ontzegd alszijnde ongegrond, niet op de Personeelswet steunende en niet bewezen, kosten rechtens;

Overwegende, dat ingevolge `s Hofs beschikking van 24 oktober 1990 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, advocaat Mr. U.J. van der Veldt, gemachtigde van verzoeker, advocaat Mr.Dr. C.D. Ooft, gemachtigde van verweerder en C.H.M. REIZIGER-LIESDEK, Hoofd Personeelszaken van het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker een produktie heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijk conclusie tot uitlating overgelegde produktie heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen vervolgens de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 22 november 1991, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat in confesso is, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet (P.W.);

Overwegende, dat verzoeker tot 1 september 1985 werkzaam bij het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij, laatstelijk in de rang van hoofdambtenaar B 3e klasse en bezoldigd volgens schaal 16, met ingang van gemelde datum werd toegevoegd aan de Stichting Planbureau als medewerker van de destijds ingestelde Financiële Economische Commissie en als lid van deze commissie werd bezoldigd volgens schaal 19;

– dat het Secretariaat van genoemde commissie bij besluit van de Raad van Ministers van 2 juni 1988 werd opgeheven;

– dat verzoeker ingevolge gemeld besluit daarna wederom volledig ter beschikking werd gesteld van het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij met ingang·van 1 oktober 1988;

– dat het besluit van de Raad van Ministers van 2 juni 1988 aan verzoeker bij schrijven van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij d.d. 6 oktober 1988 (kenmerk [nummer 3]) werd medegedeeld;

– dat in gemeld schrijven tevens werd beslist, dat verzoeker in de rang en functie die hij bekleedde vóór zijn toevoeging bij de Financiële Economische Commissie, dit is hoofdambtenaar B 3e klasse (schaal 16) op de Hoofdafdeling Planning en Ontwikkeling, wordt geplaatst;

– dat ten verzoeke van verzoeker werd uitgebracht door de deurwaarder bij het Hof van Justitie, J.E. KOLF een exploit d.d. 5 februari 1990 no. 0082, waarbij aan de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij werd betekend een schrijven d.d. 2 februari 1990, aan genoemde Minister gericht met de volgende inhoud:

”Tot mij heeft zich gewend de heer [verzoeker], ambtenaar te Uwent, met het verzoek om het navolgende onder Uw aandacht te willen brengen: Per 1 september 1985 werd cliënt als medewerker toegevoegd aan de Financiële Economische Commissie en werd, in verband hiermede, aan hem een bezoldiging toegekend volgens schaal 19 van de toen vigerende bezoldigingsschaal voor ambtenaren. Met ingang van 1 oktober 1988 is cliënt wederom teruggeplaatst naar Uw Departement en tewerkgesteld als Coördinator van de Stichting Proeftuinen in Suriname. Bij deze terugplaatsing is cliënt echter geheel ten onrechte, want in strijd met het bepaalde van artikel 2 van de Personeelswet, teruggeplaatst in schaal 16. Dit artikel bepaalt immers, dat het salaris van een ambtenaar slechts kan worden verminderd krachtens een staatsbesluit, strekkende tot een algemene salarisverlaging of een besluit tot verlaging van rang of oplegging van de tuchtstraf van vermindering van salarisanciënniteit. Verlaging van rang is slechts mogelijk in de limitatief in artikel 25 opgesomde gevallen. In casu valt de salarisverlaging niet onder een van de in de artikelen 25 j bedoelde gevallen. Cliënt heeft herhaaldelijk bij U aangedrongen op rechtzetting van deze niet op enige wettelijke grond gebaseerde salarisverlaging, evenwel zonder enig positief gevolg. In de hoedanigheid van zijn gemachtigde zie ik mij danook genoodzaakt om U te sommeren om binnen 1 maand na heden te bewerkstelligen, dat cliënt met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 1988 alsmede met verdiscontering van de sedertdien verschenen periodieken alsnog in het genot zal worden gesteld van salaris volgens schaal 19. Mocht hieraan geen gevolg worden gegeven, dan zal hij niet schromen om ter zake de ambtenarenrechter te adiëren;”

Overwegende, dat verzoeker van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij op gemeld schrijven geen antwoord heeft ontvangen; dat verzoeker in het onderhavige proces dan ook vordert, dat het Hof:

a. het afwijzend besluit nietig zal verklaren althans zal vernietigen:

b. verweerder zal veroordelen verzoeker alsnog met terugwerkende kracht te rekenen van 1 oktober 1988 zijn bezoldiging uit te betalen volgens schaal 19 met verdiscontering van alle sedertdien verschenen periodieken en met daarop in minderingbrenging van hetgeen aan hem, verzoeker, bereids volgens schaal 16 is uitbetaald;

c. verweerder zal bevelen te beschikken, dat per 1 oktober 1988 verzoekers bezoldiging volgens schaal 19 als pensioengrondslag zal gelden;

d. verweerder te veroordelen tot betaling der proceskosten;

Overwegende, dat verweerder zich, als formeel verweer van de verste strekking, er op beroepen heeft, dat verzoeker niet ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vorderingen, ter adstructie waarvan verzoeker heeft aangevoerd, dat het verzoekschrift op 3 september 1990 ter Griffie van het Hof van Justitie is ingediend, terwijl het schrijven van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij, waarbij is beslist, dat verzoeker vanaf 1 oktober 1988 wederom tewerkgesteld werd op het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij in de rang en functie die hij bekleedde voor zijn tewerkstelling bij de Financieel Economische Commissie, dit is hoofdambtenaar B 3e klasse (klasse 16) op de Hoofdafdeling Planning en Ontwikkeling, van 6 oktober 1988 dateert;

– dat verzoeker 22 maanden te laat is met zijn vorderingen, strekkende tot nietigverklaring van een daarvoor niet vatbaar besluit;

Overwegende, dat verzoeker voormeld formeel verweer bestrijdend heeft aangevoerd, dat verweerder c.q. de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij op het schrijven d.d. 5 februari 1990, hetwelk hem bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, J.E. KOLF, d.d. 5 februari 1990 no. 82 werd betekend, niet heeft beslist, wat neerkomt op een afwijzend besluit van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij op zijn – verzoekers – verzoek tot het weder in het genot stellen van bezoldiging volgens schaal 19 met verdiscontering van de sedert 1 oktober 1988 verschenen periodieken;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, voormeld betoog verzoeker niet vermag te baten en derhalve faalt;

– dat voorop zij gesteld, dat bij beklag, van welk middel verzoeker zich in casu bedient, beroep wordt ingesteld bij een hoger orgaan dan het orgaan dat de beslissing heeft genomen;

– dat waar blijkt uit het schrijven d.d. 2 februari 1990, verzoeker het middel van beklag heeft aangewend tegen het in de brief van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij van 6 oktober 1988 vervatte besluit van 1 oktober 1988;

– dat verzoeker mitsdien bij een hoger gezag, in casu de President van de Republiek Suriname, in beroep had moeten komen en niet bij het orgaan dat de beslissing heeft genomen, te weten de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij;

Overwegende, dat verzoeker mitsdien niet op de bij de wet voorschreven wijze het middel van beklag heeft aangewend, wat neerkomt op het niet binnen de administratie in beroep zijn gekomen van de beslissing, vervat in het schrijven van 6 oktober 1988 van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij;

– dat van een afwijzend besluit van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij waarvan verzoeker in het 8ste ”sustenu” van het verzoekschrift gewag maakt, dan ook geen sprake is en daar geen nietigheid van zou gevorderd kunnen worden;

Overwegende, dat verweerders beroep op niet ontvankelijk verklaring van verzoeker in zijn vorderingen, dan ook gegrond is te achten;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.

 

SRU-HvJ-1998-24

M.R.S.

GENERALE ROL No.14024.

[appellant], wonende aan [adres 1] te [district], ten deze domicilie kiezende ten kantore van Mr.F.F.P.TRUIDEMAN en voor wie als gemachtigde optreedt, advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN,

appellant,

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres 2] te [district],

geïntimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit;

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder,

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 16 april 1996 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 17 mei 1996, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonnrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. dat eiser de navolgende rechtsvordering op verkorte termijn wenst in te stellen tegen [geïntimeerde variant], ten rechte geheten [geïntimeerde], wonende te [adres 2] te [district], gedaagde;

2. dat de eiser op 14 juni 1993 van mevrouw [naam 1] weduwe van [naam 2] heeft gekocht het erf met daarop staande gebouwen, gelegen te [district] aan [adres 2], zoals blijkt uit de notariële akte d.d. 14 juni 1993, met het verzoek de inhoud er van als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

3. dat bij de koop en verkoop het litigieuze perceelland was verhuurd aan een aantal huurders, waarvan 3 reeds verhuisd zijn, welke verhuizing het gevolg is vanwege de slechte staat waarin de woningen verkeerden;

4. dat de eiser vanwege de slechte staat waarin in de woning verkeert, waardoor gevaar voor instorting aanwezig is, de gedaagde verschillende malen heeft aangemaand, om te ontruimen, echter tot op heden zonder enig resultaat;

5. dat de eiser dan ook bij schrijven van zijn raadsman d.d. 9 februari 1995 onder no. 111 de gedaagde opnieuw heeft gesommeerd de woning te ontruimen, onder de daarbij aangegeven gronden en wel tot uiterlijk eind maart 1995, aan welke sommatie de gedaagde opnieuw geen gevolg heeft gegeven, met het verzoek de inhoud van dit schrijven als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen; dit schrijven is de gedaagde bij deurwaardersexploit uitgereikt door Deurwaarder Dasimin Toekimin;

6. dat nu door de gedaagde gehuurde woning in een bouwvallige staat verkeert en dringende reparaties behoeft, ten einde te voorkomen dat de eiser zich schuldig maakt voor (lees: aan) overtreding van artikel 1390 BW mede in aanmerking nemende artikel 4 lid c van de Huurbeschermingswet 1949, de eiser thans genoodzaakt is de ontbinding van de met de gedaagde gesloten huurovereenkomst te vorderen, waartoe hij de hulp van de Kantonrechter nodig heeft, welke ontbinding mede moet worden gezien in het licht van artikel 1576 B.W.;

7. dat het de eiser niet is gelukt de zaak minnelijk met de gedaagde op te lossen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd; dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. zal worden ontbonden althans voor ontbonden zal worden verklaard de met de gedaagde gesloten overeenkomst van huur en verhuur;

b. de gedaagde zal worden zal veroordeeld om binnen 1 (een) maand na de uitspraak, althans binnen een door de Kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn de woning gelegen aan [adres 2] te [district] te ontruimen, met medeneming van alle zich daarin bevindende personen en goederen en de sleutels ter vrije en algehele beschikking van de eiser te stellen;

c. de eiser zal worden gemachtigd om indien de gedaagde nalatig blijft de woning te ontruimen deze zelf te bewerkstelligen desnoods met behulp van de Sterke Arm, kosten rechtens;

Overwegende, dat tegen de behoorlijk opgeroepen maar niet verschenen gedaagde verstek is verleend;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 16 april 1996 op de daarin opgenomen gronden: eiser’s vorderingen heeft afgewezen;
eiser heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 16 april 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.SITARAM van 14 oktober 1996 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ten dage voor pleidooi bepaald de gemachtigde van appellant een pleitnota heeft genomen – onder overlegging van produkties wordende de inhoud van de overgelegde produkties hier als ingelast beschouwd, terwijl tenzelfde dage de zoon van de geintimeerde in persoon verschenen heeft verklaard dat geintimeerde inmiddels is overleden;

Overwegende, dat ten dage voor overlegging bewijs van overlijden, zulks niet is overgelegd;

Overwegende, dat ten dage voor antwoord pleidooi en uitlating produkties peremptoir bepaald, deze niet is genomen, waarna advokaat Mr.Mungra namens Mr.F.F.P.Truideman vonnis heeft gevraagd, waarna de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 16 oktober 1998, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellant aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, dat tussen hem en geintimeerde bestaat een overeenkomst van huur en verhuur betreffende de woning aan [adres 2] te [district]; dat de bij geintimeerde in huur zijnde woning in een bouwvallige staat verkeert en dringende reparatie behoeft ter voorkoming dat hij – appellant – zich schuldig maakt aan overtreding van artikel 1390 BW, mede in aanmerking nemende artikel 4 lid c van de Huurbeschermingswet 1949;

Overwegende, dat appellant, ten einde voormelde grondslag van zijn vordering te bewijzen, bij pleitnota d.d. 3 april 1998 in het geding heeft gebracht een schrijven van de Direkteur van Openbare Werken en Verkeer d.d. 18 december 1995 [nummer] waarvan de inhoud als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd wordt aangemerkt;

Overwegende, dat, wat van voormeld schrijven ook moge zijn, het vermag appellant in casu niet te baten, omdat het, naar daaruit blijkt, betrekking heeft op de gebouwen bekend als [adres 3] en niet op de bij geintimeerde in huur zijnde woning;

Overwegende, dat verdere bespreking van voormeld schrijven door het Hof dan ook in het midden kan worden gelaten;

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het beroep van appellant daarop, opmerkt dat letter c van artikel 4 van de Huurbeschermingswet 1949 eist dat de verhuurder het verhuurde goed nodig heeft teneinde te kunnen voldoen aan de verplichting welke hem door enig rechtsvoorschrift of door een beschikking van overheidswege is opgelegd;

Overwegende, dat appellant op grond van het geval in artikel 4 sub c van de Huurbeschermingswet 1949 onder a van het petitum heeft gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te ontbinden althans voor ontbonden te verklaren de met geintimeerde gesloten overeenkomst van huur en verhuur;

Overwegende, dat het Hof opmerkt, dat het geval onder C van de Huurbeschermingswet 1949 geen wanprestatie oplevert, weshalve ook geen ontbinding althans ontbonden verklaring op grond daarvan kan volgen;

Overwegende, dat het onder a van het petitum gevorderde daarom alsnog met een niet ontvankelijkheid begroet dient te worden; het onder b van het petitum gevorderde eveneens als sequeel van het onder a gevorderde;

Overwegende, dat het Hof het beroepen vonnis d.d. 16 april 1996 dan ook zal vernietigen en, zoals eerder overwogen, appellant zijn vorderingen met een niet-ontvankelijkheid begroeten, bespreking van de tegen dat vonnis ontwikkelde grieven als thans volkomen overbodig geheel in het midden latend;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt, het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 16 april 1996 gewezen vonnis, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE :

Verklaart appellant alsnog niet ontvankelijk in de door hem ingestelde vorderingen;

Veroordeelt hem in de kosten in beide instanties aan de zijde van geintimeerde gevallen en in prima begroot op Sf………..

en in hoger beroep begroot op Sf…………

met inbegrip van het door het Hof aan de advokaat van geintimeerde voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf…………..

bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op Sf…….

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President en Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 6 NOVEMBER 1998, in tegenwoordigheid van Mr.M.TEDJOE, fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen de gemachtigde van appellant, advokaat Mr.F.F.P.Truideman, terwijl geintimeerde noch in persoon, noch bij gemachtigde is verschenen.