SRU-HvJ-2000-8

M.R.S.
GENERALE ROL NO.13957.

[appellant], wonende in [district], voor wie als gemach­tigde optreedt Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat,
appellant,

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres], [plaats] in [district],
geïntimeerde,

De Vice-Presi­dent spree­kt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navol­gende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien s’Hofs interlocutoire vonnissen van 22 mei 1998, 17 juli 1998, 19 februari 1999 en 9 juli 1999 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in s’Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voor­ts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden compari­tie van partijen zijn verschenen, appellant in per­soon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.F­.F.P.Tr­uideman die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis had bepaald op 22 oktober 1999, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussen­vonnis van 9 juli 1999 en hetgeen dienaangaande is overwogen;
Overwegende, dat appellant, bij de inlichtingen­compari­tie de dato 13 augustus 1999 in persoon versche­nen, onder meer heeft verklaard, dat hij als bushouder ? Sf.300,– bruto en als rijinstructeur Sf.100,– tot Sf.150,– bruto per dag verdiende; dat hij, na aftrek van alle posten waaronder onder­houd van de bus, brand­stof, smeerolie, belasting enz……enz…, een bedrag van Sf.150,– per dag overhield; dat hij het beroep van rijinstructeur sedert de dood van zijn vrouw niet meer uitoefent; dat hij het beroep van bushouder nog steeds uitoe­fent; dat hij, omdat zijn vorige bus het niet meer deed, genoodzaakt was een andere bus aan te schaffen; dat hij die andere bus al bijkans drie jaren heeft; dat hij met die andere bus Sf.50.000.– per dag verdient en dat, na aftrek van alle kosten Sf.10.000,– overblijft;
Overwegende, dat het Hof voormelde verklaringen van appellant als rechtens vaststaand tussen appellant en geinti­meerde sub A aanneemt, nu geintimeerde sub A, door zich, naar het Hof gebleken is, onbereikbaar te maken, zijnde hij immers vertrokken zonder achterlating van informatie omtrent zijn verblijf elders, blijk gegeven heeft niet te willen verschij­nen bij de bevolen inlichtingencomparitie, op grond waarvan het door appellant verklaarde als juist wordt aangenomen;
Overwegende, dat het Hof aanneemt dat het in dit stadium van het onderhavige proces uitsluitend gaat om de schadepost in het 10e ”dat” onder d van het verzoek­schrift, vorderende appellant het bedrag van Sf.2.160.­000,–, zijnde schade, in verband met arbeids­onge­schiktheid van hem vanaf 5 oktober 1992 tot het berei­ken van de 60 jarige leeftijd van appellant e.e.a. in verband met de schade aan het rechterbeen; gaande het Hof er van uit dat appellant gemeld bedrag aan inkomsten derft over de periode 5 oktober 1992 tot het bereiken van zijn 60 jarige leeftijd blijkende zulks immers uit zijn eigen stel­lingen;
Overwegende, dat het hof voorts er van uitgaat dat voor­melde schade betrekking heeft op derving van inkom­sten, als bushou­der en als rijinstructeur;
Overwegende, dat nu appellant, naar hij ter gele­genheid van de inlichtingencomparitie verklaard heeft, dat, na aftrek van alle kosten een bedrag van Sf.10.00­0,– per dag over­blijft, neerkomende op een inkomen per maand van (25 x Sf.10.­000,- is) Sf.250.00­0,– en per jaar (12 x Sf.250.000,– is) van f.3.000.000,–, het het Hof geheel ont­gaat hoe appel­lant nog vol kan houden aanspraak te maken op vergoe­ding van schade, bestaande uit inkom­stenderving als bushouder en als rijinstructeur, ver­dienende appellant het inkomen van Sf.3.000.000,– per jaar, naar uit zijn verschafte inlichtin­gen blijkt ter gelegenheid van de comparitie van partijen, al drie jaren;
Overwegende, dat appellant mitsdien niet toekomt vergoe­ding van schade, bestaande uit inkomstenderving als bushouder en als rijinstructeur;
Overwegende, dat Wij, bespreking van de tegen het beroe­pen vonnis ontwikkelde grieven als niet langer relevant in het midden latend, het vonnis waarvan beroep zullen vernietigen en appellant zijn vordering voor het overige ontzeggen, zullende hij de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeer­de sub A gevallen, dragen;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 15 april 1997 tussen appellant en geintimeerde sub A gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Ontzegt appellant zijn vordering voor het overige;
Veroordeelt appellant in de kosten in beide in­stanties in prima aan de zijde van geintimeerde sub A begroot op Sf.Nihil;
en in hoger beroep begroot op Sf.Nihil;
met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf.nihil;
bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appel­lant op Sf.3.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND,
Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH, en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter open­bare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJ­DAG, 7 JULI 2000, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.J.R.VON NIESEWAND

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.G.Gangaram-Panday namens de gemachtigde van appellant, advokaat Mr.F.F.P.Truideman, terwijl de geintimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting is verschenen.

SRU-HvJ-1997-10

PRO JUSTITIA
IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!
VONNIS 1997 No. 6

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in af­schrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter-Plaatsver­vanger in het Tweede Kanton op 14 juni 1993 gewezen en uitge­sproken tegen:
[verdachte];
oud 25 jaar;
zonder beroep;
geboren te [land];
wonende aan [adres], te [district],
verdachte;

Gelet op het tijdig door de verdachte ingestelde hoger beroep;

Gelet op het ten deze tegen de behoorlijk gedagvaarde, wegens onbekende- en/of verblijfplaats aangeplakt, doch niet verschenen verdachte in hoger beroep, verleende verstek;

Zijn, van overheidswege toegevoegde, raadsman, Mr.S.MARI­CA, advokaat bij het Hof van Justitie, is niet ter terechtzit­ting aanwezig;

Gehoord de getuigen in hun beëdigde dan wel op belofte afgelegde verklaringen;

Gehoord het Openbaar Ministerie;

Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte bij de inleidende akte van dagvaarding is ten laste gelegd, het feit zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding, welke akte van dagvaarding als hier geïnsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis door de daarin vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, met verdachtes schuld daaraan, dat hij het hem bij inleidende akte van dagvaarding tenlastegelegde heeft begaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven;

met vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde;

Overwegende, dat de Kantonrechter het bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als:
HET AAN ZIJN SCHULD BIJ GELEGENHEID VAN EEN AANRIJDING MET EEN DOOR HEM BESTUURD MOTORRIJTUIG TE WIJTEN ZIJN DAT EEN ANDER ZWAAR LICHAMELIJK LETSEL BEKOMT, TERWIJL DAT LETSEL DOOR DE AANRIJDING IS VEROORZAAKT, voor­zien en straf­baar gesteld bij artikel 20 lid 2 jo artikel 21 lid 1 en 4 van de Rijwet 1971 en de verdachte te dier zake heeft ver­oordeeld tot:

a. gevangenis­straf voor de tijd van VIER WEKEN, met het bevel dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de Rechter later anders mocht gelas­ten, op grond dat de ver­oor­deelde zich voor het einde van een hierbij op DRIE JAREN bepaalde proef­tijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen, met ontzegging aan hem de bevoegdheid motor­rijtuigen te besturen voor de tijd van ZES MAANDEN, met bevel dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 11 lid 2 van de Rijwet 1971 voor het onher­roepelijk worden van deze uitspraak vanaf 17 januari 1993 ingehouden is geweest, op de duur van de voormelde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;

b. een geldboete van TWEEHONDERD EN VIJFTIG GULDEN, met bepa­ling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervan­gen zal worden door hechtenis voor de tijd van VIJF EN TWINTIG DAGEN;

Overwegende, dat het Hof zich niet kan verenigen met het vonnis a quo, weshalve dit moet worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan;

Overwegende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub 1A is telastegelegd, weshalve hij daarvan dient te worden vrijge­spro­ken;

Overwegende, dat het Hof overneemt de bewijsmiddelen die in eerste aanleg door de Kantonrechter gebezigd zijn;

Overwegende, dat die bewijsmiddelen dienen te worden aangevuld met o.a. de verklaring van de [getuige 1], [getuige 2] in hoger beroep afgelegd, zakelijk weergege­ven:
dat hij op de bewuste dag van de aanrijding een autobus bestuurde;
dat hij op een gegeven (moment) tegen de as van de weg stopte om in zijn inrit op te rijden;
dat hij getoeter hoorde van een andere autobus die hij vanuit zijn achteruitspiegel zag aankomen rijden met een volle vaart;
dat hij dacht dat er iets mis was met de remmen van de naderende autobus;
dat hij daarna een zware slag aan zijn autobus voelde;

Overwegen­de, dat het Hof op grond van die bewijsmiddelen en de hier aangehaalde bewijs­middelen, wettig en overtuigend bewezen acht, hetgeen hij bij dagvaarding sub B is te laste gelegd, te weten dat hij:
op 17 januari 1993, te [district], als bestuurder van een autobus, daarmede heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat 1], komende vanuit de richting van de [straat 2] en gaande in de richting van de [straat 3], zijnde die [straat 1] gelegen binnen een bebouwde kom, als bedoeld in artikel 1 sub g van het Rijbesluit 1957 zonder dat hem voor het besturen van dat motorrijtuig door of vanwege de Procureur-Generaal een rijbe­wijs was afgegeven als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub 3 van de Rijwet 1971 en daarbij met dat door hem bestuurde motor­rijtuig heeft gereden met een snelheid van ongeveer 60 km per uur, een hogere snelheid dan de voor dat voertuig ter plaatse voorge­schreven maximumsnelheid van 40 km per uur en bij het naderen van een autobus, hetwelk zich alstoen voor hem, verdachte uit, in dezelfde richting als hem, verdachte voort­bewoog, althans zich bevond, zo dicht achter dat hem, verdach­te uit rijdend motorrijtuig zodanig heeft gereden en gemanoe­vreerd, ten gevolge waarvan toen laatstvermeld motorrijtuig naar rechts, in de richting van een rechts van de weg gelegen inrit af­sloeg, hij verdachte in gewelddadige botsing of aan­rijding is gekomen met vermeld voor hem, verdachte uit rijdend motorrij­tuig door welke gedraging van hem, verdachte in ieder geval de vrijheid van het verkeer zonder noodzaak werd belem­merd;

Overwegende, dat het te laste van verdachte bewezen geach­te feit moet worden gekwalificeerd als:
OVERTREDING VAN EEN VOORSCHRIFT VAN DE RIJWET 1971, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 20 lid 2 jo artikel 21 lid 1 en lid 4;

Overwegende, dat de verdachte deswege strafbaar is zijnde van geen grond tot uitsluiting of opheffing der strafbaarheid gebleken;

Overwegende, met betrekking tot de aan verdachte op te leggen straf:
dat het Hof rekening houdt met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit werd gepleegd als mede met de persoon van de verdachte, waarbij het Hof aantekent, dat indien verdachte de snelheid van het door hem bestuurde motorrijtuig en zijn rijgedrag had aangepast aan de omstandig­heden ter plaatse, hij deze aanrijding wellicht had kunnen voorkomen zelfs indien de bestuurder van de voor hem, verdach­te, uitrijdende motorrijtuig, (plotseling) in de richting van een rechts van hem, verdachte gelegen inrit was afgesla­gen;

Gezien voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 34, 35, 40 en 127 van het Wetboek van Strafrecht;

Overwegende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub A is telastegelegd, en hetgeen hem bij dagvaarding sub B meer of anders is telastegelegd dan bewezen is verklaard, weshalve hij daarvan behoort te worden vrijgesproken;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis van 14 juni 1993 door de Kan­ton­rechter-Plaatsvervanger in het Tweede Kanton gewezen en uitge­sproken tegen [verdachte], waar­van beroep;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen hetgeen hiervoren bewezen is geacht;

Kwalificeert het bewezen verklaarde feit als voormeld;

Verklaart het bewezen verklaarde feit en de verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt hem te dier zake tot een geldboete van Sf1.000,- (EENDUIZEND GULDEN), met bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hech­tenis voor de tijd van DERTIG DAGEN;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de ver­dachte bij dagvaarding sub A is telastegelegd en hetgeen hem bij dagvaarding sub B meer of anders is telastegelegd dan bewezen is verklaard;

SPREEKT HEM DAARVAN VRIJ;

Aldus gewezen door de heren: Mr.A.I.RAMNEWASH, fungerend-President, Mr.W.­R. WILLEMZORG, Lid en Mr.A.A.HERMELIJN, Lid-plaats­vervanger, in tegenwoordig­heid van Mr.R.JANKIPERSAD-GHARBARAN, funge­rend-Griffier, die dit vonnis hebben onderte­kend en ter­stond hebben uitgesproken ter openbare te­rechtzit­ting van het Hof van Justitie van WOENSDAG, 25 JUNI 1997, door de funge­rend-President voornoemd.

SRU-HvJ-1998-31

M.H.

GENERALE ROL NO.13994.

[appellant], wonende te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.U.F.TRUIDEMAN, advocaat, appellant in Kort Geding,

t e g e n

A. [geïntimeerde 1] en B. [geïntimeerde 2], beiden wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.DULAM, advocaat,
geïntimeerden in Kort Geding,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde vonnissen in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 15 juni 1995, 27 juli 1995, 4 januari 1996 en 29 februari 1996 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 8 maart 1996, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. Eiser wenst de navolgende rechtsvordering in Kort Geding in te stellen tegen: A. [geïntimeerde 1] en B. [geïntimeerde 2], beiden wonende te [district] aan [adres]’ gedaagden;
2. Enkele maanden terug is eiser aangehouden, in verzekering gesteld en veroordeeld geworden terzake een strafbaar feit. Bij zijn aanhouding werd het motorvoertuig van eiser van het merk Datsun Sunny 120 Y, kleur donkerblauw en met het kentekennummer [nummer] in beslag genomen door de politie;
3. Eiser is de volle en vrije eigenaar van de boven vermelde auto. De auto in kwestie is namelijk door de vorige eigenaar aan hem (eiser) geleverd en ook was de auto bij de inbeslagname door de politie in het bezit van eiser (bezit geldt als volkomen titel). Verder staan alle autopapieren ten name van eiser;
4. Blijkens de hierbij in fotokopie overgelegde beschikking van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 23 maart 1995 met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen, heeft de Kantonrechter het beklag van eiser ex artikel 460 strafvordering gegrond verklaard en de teruggave gelast van de litigieuze auto aan eiser;
5. Nog voordat de beschikking van de kantonrechter in het bezit kwam van eiser, heeft eiser op 3 april 1995 een fiat teruggave van het Parket ontvangen, waarmede hij de auto kon gaan ophalen;
6. Op het politiebureau werd eiser echter medegedeeld, dat de auto op 13 juni 1994 bij exploit no.145 van deurwaarder Ch.Balgobind andermaal in beslag genomen en was meegenomen door genoemde deurwaarder, een en ander ten verzoeke van gedaagden en ten laste van een zekere [naam 1]. Eiser overlegt gemeld exploit in fotokopie met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen;
7. Eiser overlegt verder ook nog in fotokopie het exploit de dato 27 februari 1995 no.038 met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen, waaruit blijkt dat op woensdag 7 juni 1995 de openbare verkoping zal worden gehouden van onder meer het aan eiser in eigendom toebehorende motorvoertuig;
8. Eiser is aldus van oordeel, dat het op 13 juni 1994 gelegde conservatoir beslag vexatoir is, aangezien de auto in eigendom toebehoort aan eiser en niet aan de schuldenaar ([naam 1]) van gedaagden. Eiser is de eigenaar van de auto, omdat de auto aan hem (eiser) is geleverd geworden. Het beslag mocht daarom niet worden gelegd op die auto en daarnaast had de politie de auto nimmer mogen afstaan aan de deurwaarder om mede te nemen, temeer waar er al justitieel beslag op de auto rustte ten laste van eiser;
9. Uit de stellingen van eiser blijkt wel, dat hij een spoedeisend belang heeft bij een voorziening in Kort Geding;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd; dat bij vonnis in Kort Geding tot zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

PRIMAIR:
a. de opheffing zal worden gelast van het op 13 juni 1994 bij exploit no.145 van deurwaarder Ch.Balgobind gelegde conservatoir beslag voor zoveel betreft de auto van eiser van het merk Datsun Sunny 120 Y, kleur donkerblauw en het kentekennummer [nummer];
b. gedaagden zal worden gelast om binnen drie dagen na de uitspraak de aan eiser in eigendom toebehorende auto van het merk Datsun Sunny 120 Y, kleur donkerblauw en het kentekennummer [nummer] aan hem (eiser) terug te geven, op straffe van een dwangsom van Sf.100.000,– voor elke dag die gedaagden in gebreke mochten blijven met de teruggave als verzocht;

SUBSIDIAIR:
zal worden geschorst c.q. opgeschort de voor woensdag 7 juni 1995 geplande openbare verkoping voor zoveel betreft de aan eiser in eigendom toebehorende auto van het merk Datsun Sunny 120 Y, kleur donkerblauw en het kentekennummer [nummer], tot nadat er in het door eiser nog in te stellen bodemgeschil omtrent het eigendomsrecht van de auto een uitspraak ten principale is gekomen;

Overwegende, dat te dienende dage eiser vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.U.F.Truideman, ter terechtzitting is verschenen, terwijl de gedaagden niet zijn verschenen en is ten verzoeke van de gemachtigde van eiser tegen hen verstek verleend, waarna de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd en vonnis heeft gevraagd, waarvan de Kantonrechter de uitspraak had bepaald op 4 mei 1995;

Overwegende, dat Mr.W.A.Richards ter terechtzitting van 4 mei 1995 zich als gemachtigde van gedaagden heeft gesteld, waardoor de gevolgen van het aan hen verleende verstek zijn komen te vervallen;

Overwegende, dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als gedaagden partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – onder overlegging van produkties welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:dat eiser in zijn vordering niet – ontvankelijk zal worden verklaard, althans deze hem zal worden ontzegd, als zijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, onder overlegging van produkties, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 15 juni 1995 op de daarin opgenomen gronden:

Eiser in de gelegenheid heeft gesteld zich alsnog uit te laten over het bewijs van de ABN-AMRO d.d. 15 december 1992; Iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens eiser bepaald, diens gemachtigde een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 27 juli 1995 op de daarin opgenomen gronden:
De Griffier der Kantongerechten heeft gelast te bevorderen dat de strafdossiers ten name van: [naam 1] en [appellant] in het onderhavige geding worden gebracht;
Iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat het door de Kantonrechter gevraagde strafdossier ten name van [naam 1] door de Griffier ter terechtzitting van 17 augustus 1995 is overgelegd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen over het strafdossier bepaald, de gemachtigde van de eiser een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 30 november 1995 de gemachtigde van gedaagden, advokaat Mr.W.A.Richards zich heeft onttrokken aan de zaak’

Overwegende, dat de gedaagde sub A ter terechtzitting van 14 december 1995 bij mondelinge conclusie tot uitlating heeft verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt proces-verbaal staat gerelateerd en waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 4 januari 1996 op de daarin opgenomen gronden:

De Griffier der Kantongerechten in de gelegenheid heeft gesteld te bevorderen dat in het onderhavige geding wordt gebracht een uitgewerkt afschrift van het strafdossier de dato 26 augustus 1993 no.943 in de zaak van de Vervolgingsambtenaar tegen de eiser;
Iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat ten dage voor overlegging strafvonnis ten name van eiser bepaald het verlangde strafvonnis is overgelegd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating overgelegd strafvonnis zijdens partijen bepaald de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 29 februari 1996 op de daarin opgenomen gronden:
De van hem gevraagde voorzieningen heeft geweigerd;
Eiser heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf.nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 29 februari 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.SITARAM van 27 augustus 1996 aan geïntimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 21 november 1997, advokaat Mr.S.Dulam bij monde van advokaat Mr.H.Mungra zich als gemachtigde van geintimeerde heeft gesteld;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van geintimeerde bij antwoord pleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 22 mei 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat de appellant tijdig in hoger beroep gekomen is van de beslissing van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d 26 februari 1996, rechtdoende in Kort Ge­ding;

Overwegende, dat de appellant vier (4) grieven tegen deze beslissing aangevoerd heeft zoals in zijn pleitnota d.d. 5 december 1997 vermeld is;

Overwegende, dat de enige vraag die in casu beantwoord moest worden is of de appellant al dan niet de eigenaar van de bedoelde auto was, omdat hij zijn vordering daarop geba­seerd heeft;

Overwegende, dat uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken duidelijk blijkt dat de appellant daarvan de eigenaar geworden is door aankoop en levering door de vorige eigenaar, ene [naam 2], waarna het nummerbewijs en het verzeke­ringsbewijs te zijnen name gesteld zijn;

Overwegende, dat de geintimeerden danook ten onrechte die auto onder [naam 1] in conservatoir beslag hebben doen nemen, omdat die daarvan in ieder geval geen eigenaar was, ook al zou die auto uit gelden van hem betaald zijn daar het i.c. gaat om de aankoop en levering van dat goed en niet om betaling van de koopsom;

Overwegende, dat de derde grief, inhoudende de bovenge­noemde vraagstelling danook gegrond is en zal het vonnis waarvan beroep danook worden vernietigd, doch kan de primaire noch de subsidiaire vordering van de appellant worden toegewe­zen omdat die auto inmiddels op een openbare veiling (d.d.7 juni 1997) verkocht en aan de koper geleverd is en aan de appel­lant dus de gevraagde voorzieningen niet kunnen worden toegewe­zen omdat de geintimeerden daaraan niet (meer) kunnen voldoen, hetgeen leidt tot zijn niet ontvankelijk­heid in de vorde­ringen;

Overwegende, dat dan ook als na te melden recht zal worden gedaan met veroordeling van de appellant, als de in het onge­lijk gestelde partij, in de gedingkosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Vernietigt het vonnis d.d. 26 februari 1996 door de Kan­ton­rechter in het Eerste Kanton in Kort Geding gewezen tussen partijen en uitge­sproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE IN KORT GE­DING:

Verklaart de appellant alsnog niet ontvankelijk in zijn vorde­ringen;

Veroordeelt appellant in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f…….

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door zijn gehouden pleidooi toegekende salaris van f.2.50­0,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appel­lant
eveneens op f.2.500,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PANDAY, fungerend-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 3 juli 1998, in tegenwoordigheid van Mr.M.TEDJOE, fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak zijn partijen in persoon noch bij gemachtigde, ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2000-7

M.H.
GENERALE ROL NO: 13942.

[appellant], wonende aan [adres 1] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.R.L.KEN­SMIL, advokaat,
appellant in conventie

tegen

DE EVANGELISCHE LUTHERSE KERK SURINAME, rechtsper­soon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Waterkant no.102, voor wie als ge­mach­tigde optreedt, Mr.H.E.STRUIKEN, advo­kaat,
geinti­meerde in conventie

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen van 20 maart 1998 en 9 juli 1999 tussen partijen gewezen en uitgespro­ken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
IN CONVENTIE:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatst vermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen appellant en zijn gemach­tigde, advokaat Mr.R.L.­Ken­smil, de heer Wimpel, voorzitter van het bestuur, alsmede vier bestuursleden van het bestuur van geintimeer­de namens geintimeerde en de ge­machtigde van geintimeerde, advokaat Mr.H.E.Struiken, die hebben ver­klaard gelijk in het daar­van opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – pro­ces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden comparitie van partijen heeft genomen;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke con­clusie na gehouden comparitie van partijen heeft genomen waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 7 januari 2000, doch na enige malen te hebben aangehou­den, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
IN CONVENTIE:
Overwegende, dat het Hof zich ten aanzien van de motivering van de beslissing eveneens zal gedragen naar hetgeen in eerder aangehaald interlocutoir vonnis is over­wogen en beslist;
Overwegende, dat ter voldoening aan de ambtshalve gegeven bewijsopdracht, geintimeerde vier getuigen heeft voortgebracht, die door het Hof zijn gehoord en wier ver­klaringen zijn gerelateerd in een daartoe opgemaakt en gesloten proces-verbaal;
Overwegende, dat appellant in contra-enquête drie getuigen door het Hof heeft doen horen, wier verklarin­gen eveneens in een daartoe opgemaakt en gesloten proces-ver­baal zijn gerelateerd;
Overwegende, dat voorzover van belang voor onder­havige vordering en zakelijk weergegeven de [getuige 1] in enquête heeft verklaard, dat hij als gemeente-lid heeft kunnen ondervinden dat er geen adequate opvang is voor de gemeente-predikan­ten en dat de gemeente-predikant voor het [ressort],[naam 1], thans gehuisvest is in een woning [woonplaats], alwaar in feite [naam 2] zou moeten wonen; dat [naam 2] thans gehuis­vest is aan de [adres 2] alwaar Nf.425,– aan huurpen­ningen per maand wordt betaald; dat naar zijn weten de gemeente-predikant gehuisvest dient te worden in een woning alwaar hij zijn gemeente-leden kan ontvangen;

Dat [naam 1] gehuisvest dient te worden in de woning aan de [straat];
Overwegende, dat voorzover van belang voor onder­havige vordering en zakelijk weergegeven de [getuige 2] in enquête heeft verklaard, dat het haar bekend is dat de gemeente geen huisvesting heeft voor een der gemeente-predikan­ten en dat [naam 1] onder­gebracht is in een woning te [woonplaats] alwaar in feite [naam 2] zou moeten wonen;
Overwegende, dat voorzover van belang voor onder­havige vordering en zakelijk weergegeven de [getuige 3] in enquête heeft ver­klaard, dat het haar bekend is dat de litigieuze woning aan de [adres 2] nodig is voor een der gemeente-predi­kanten; dat de gemeente beschikt over 3 dienstwo­ningen, terwijl er thans 4 predi­kanten zijn; dat zij uit eigen ervaring weet dat de gemeen­te-predi­kant gehuisvest dient te worden in de omgeving waar hij/zij de gemeente-leden in alle rust kan begeleiden;
Overwegende, dat nu blijkens de verklaringen van voornoemde getuigen, geintimeerde 4 predikanten heeft, terwijl zij voor de huisvesting vooralsnog de vrije be­schikking heeft over slechts 3 van haar 4 woningen en één der predikanten, met name [naam 1], bovendien in een door geintimeerde gehuurde woning, waarvoor overigens Nf.425,– aan huurpenningen per maand betaald wordt, ge­huisvest is, zal geintimeerdes vordering tegen appellant, tot ontruiming van de litigieuze woning toegewezen dienen te worden; dat hierbij het motief dat toentertijd heeft gegolden aan de zijde van geintimeer­de voor het aangaan van de huurovereenkomst met appel­lant, namelijk onveiligheid van de buurt en de ver­keersdrukte, geheel irrelevant is tegen de achtergrond dat geintimeerde thans geconfronteerd wordt met een dringende woningnoodsituatie voor haar predi­kanten;
Overwegende, dat appellant er niet in is geslaagd om in contra-enquête te ontzenuwen dat geintimeerde de woning door kennelijke nood gedwongen dringend nodig heeft voor eigen gebruik, althans de voorgebrachte getuigen hebben geen ontzenuwende feiten en omstandig­heden geschetst, welke het Hof tot een ander oordeel aanleiding hebben gegeven;
Overwegende, dat appellant een redelijke termijn gelaten dient te worden in het kader van de ontruiming, doch dat daarbij de belangen van geintimeerde ook in acht dienen te worden genomen;
Overwegende, dat de overige stellingen van partij­en, in het bijzonder die betreffende het optie-recht, als niet terzake dienende voor onderhavige vordering, gepasseerd dienen te worden, vermits deze bij meerge­meld interlocutoir vonnis, in het kader van de recon­ventionele vordering reeds zijn besproken en verworpen;
Overwegende, dat appellant als de in het ongelijk gestelde partij verwezen zal dienen te worden in de geding- kosten van beide instanties, aan de zijde van geintimeerde gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
IN CONVENTIE :
Verklaart voor ontbonden de huurovereenkomst tussen partijen gesloten d.d. 1 juli 1992, betreffende de woning gelegen aan [adres 3] te [district];
Veroordeelt appellant om, binnen 9 (negen) maanden na beteke­ning van deze uitspraak aan hem, het gehuurde te ontruimen en te verlaten met medeneming van alle van zij­nentwege zich daarin bevindende personen en goederen en ter vrije en algehele beschikking van geintimeerde te stellen;
Machtigt geintimeerde om, indien appellant in gebreke mocht blijven het gehuurde te ontruimen, dit zelf te doen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;
Veroordeelt appellant voorts tot betaling van de huurpenningen van Sf.10.000,– per maand, tot aan de dag der algehele ontruiming;
Verklaart dit vonnis, tot zover, met uitzondering van de ontbinding, uitvoerbaar bij voorraad;
Veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op sf…….;
met inbegrip van het door het Hof aan gein­timeerdes advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van sf………..
bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op sf……..

Aldus gewezen door de heren: Mr.A.I.RAMNEWASH, Funge­rend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openba­re terechtzit­ting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 2 juni 2000, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDE­REN-RELYVELD, Substi­tuut-Griffier.

Bij de uitspraak is verschenen advokaat Mr.H.ESSED namens advokaat Mr.H.E.STRUIKEN, gemachtigde van geinti­meerde, terwijl appellant noch in persoon noch bij gemach­tig­de ter terechtzitting is verschenen.

SRU-HvJ-1997-9

PRO JUSTITIA
IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!
VONNIS 1997 No. 4

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in af­schrift overgelegd verkort vonnis, door de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 19 mei 1993 gewezen en uitgesproken tegen:

[verdachte];
oud 33 jaar;
van beroep ambtenaar van politie in de rang van agent van politie eerste klasse;
geboren in [district];
wonende aan [adres] te [plaats], verdachte;

Gelet op het tijdig door de Vervolgingsambtenaar inge­steld hoger beroep;
Gehoord de verdachte in zijn verdediging, daarin bijge­staan door zijn raadsman, Mr.J.G.O. KOULEN;
Gehoord de getuigen in hun beëdigde verklaringen;
Gehoord het Openbaar Ministerie;
Gelet op het onderzoek in beide instanties;
Overwegende, dat aan verdachte bij de inleidende akte van dagvaarding zijn te laste gelegd, de feiten zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding, welke als hier geïnse­reerd moet worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, met verdachtes schuld daaraan dat hij het hem bij inleidende akte van dagvaarding sub D te laste gelegde heeft begaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven;
met vrijspraak van het meer of anders te laste gelegde;
Overwegende, dat de Kantonrechter het bewezen aangenomen feit heeft gekwalificeerd als:
ZWARE MISHANDELING, misdrijf, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 362 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht en de verdachte te dier zake heeft veroordeeld tot:
gevangenisstraf voor de tijd van ZES MAANDEN met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de Rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroor­deelde zich voor het einde van de hierbij op DRIE JAREN be­paalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig ge­maakt, dan wel gedu­rende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen;
Overwegende, dat het Hof het vonnis van de Kanton­rechter, dat niet naar de redenen van de wet gemotiveerd is, bevattende immers niet de gronden die tot die beslissing hebben geleid, zal vernietigen en opnieuw zal worden rechtge­daan;
Overwegende dat ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard, zakelijk weergegeven:

1. de [getuige 1]:
dat hij op 31 december 1991 als duorijder meereed met zijn vriend [getuige 2], op diens bromfiets van het merk ”Ciao Vesta”, welke voorzien was van een nummerplaat;
dat zij beiden zonder valhelm op, reden in de richting van de [straat 1];
dat hij op de hoek van de [straat 1] en de [straat 2] zich op een gegeven moment omkeerde en een witge­lakte Isuzu pick-up zag, die voorzien was van een blauw dienst­kente­ken die in volle vaart achter hun reed;
dat hij bemerkte dat zij door de bestuurder van die pick-up achtervolgd werden;
dat toen zij op [adres 2] aangekomen waren, zij naast een gepar­keerde auto van het merk ”Datsun” waren gaan staan om te voorko­men dat ze door de bestuurder opgemerkt zouden worden;
dat zij van de bromfiets waren afgestapt en in een ge­hurkte houding naast de geparkeerde auto zich schuil hielden omdat ze niet wis­ten met wie ze te doen hadden;
dat in de tussentijd de bestuurder van de pick-up kwam aanrij­den het gepar­keerde voertuig voorbij reed, en de pick-up zeven tot acht meter verder tot stilstaand bracht;
dat hij hierna de bestuurder van de pick-up, [verdachte], die hij voor­heen niet kende, uit de pick-up zag stappen;
dat toen [getuige 2] de [verdachte] zag, hij de brom­fiets van de grond pakte en het begon te duwen om meer vaart te geven teneinde daarmee weg te rijden;
dat hij ook opstond en in de richting van [getuige 2] keek en daarna naar de bestuur­der van het voertuig die een vuistvuur­wapen in zijn hand had;
dat hij op het moment dat hij weer even in de richting van [getuige 2] keek, een schot hoorde en van achteren door een kogel werd geraakt ter hoogte van zijn rechterschouderblad;
dat hij van schrik een paar meters verder rende;
dat de [verdachte], naar hem toekwam en hem het volgende te ken­nen gaf: ”Ie sa tak’ pe je mati de”;
dat hij naderhand per ambulance naar het Acade­misch Ziekenhuis vervoerd is alwaar hij verpleegd werd;
dat hij twaalf janua­ri 1992 ontsla­gen werd uit het zie­ken­huis en Sf. 15.000,- betaald heeft aan de specialist;
dat hij toegeeft dat hij geen val­helm ophad maar dat dit geen aanlei­ding had moeten zijn om op hem te schieten;

2. de [getuige 2]:
dat hij op 31 december 1991, tezamen met zijn vriend, [getuige 1] als duorijder reed op zijn bromfiets van het merk ”Ciao Vesta”, zonder dat zij een helm ophadden;
dat hij de bromfiets gekocht had en in het bezit was van de nodige bescheiden;
dat de bromfiets gekeurd was en voorzien van een nummer­plaat en sticker;
dat hij op een gegeven moment merkte dat hij achtervolgd werd door een auto;
dat hij, zijnde een ex-jun­glecommando lid, niet wist met wie hij te maken had en daarom niet is gestopt, maar gepro­beerd heeft te vluchten;
dat zij kans zagen de pick-up kwijt te raken en in [adres 2] afgestapt zijn en zich schuil hielden achter een stilstaande auto;
dat toen hij de pick-up zag komen aanrijden hij de brom­fiets voortduwde om deze te starten om weg te rijden en dat [getuige 1] achter hem aanrende om op de bromfiets te stappen;
dat hij kort hierop een schot hoorde;

3. de [getuige 3]:
dat hij op 31 december 1991 samen met mijn vriend [getuige 4] zich bevond ten huize van zijn, [getuige 3] moeder aan [adres 2], alwaar zij zaten te borrelen toen hij twee mannen van creoolse afkomst met een bromfiets naast zijn auto van het merk ”Datsun”, welke op het trottoir geparkeerd was voor de woning van zijn, [getuige 3] moeder, zag schuilen;
dat hij kort hierop een pick-up in [adres 2] zag komen aanrijden;
dat hij gelijk daarna één van de mannen de brom­fiets zag duwen in de richting van de Hofstraat, terwijl de andere man, zijnde [getuige 1], achter de eerste, aanliep;dat op een gegeven moment een witte pick-up, zonder poli­tie-embleem, achter zijn auto stopte en de [verdachte] gestoken in burger­kle­ding uitstapte;
dat de [verdachte] achter de twee mannen aanrende met een getrok­ken vuist­vuurwa­pen en op een gegeven moment één schot loste waarbij [getuige 1] geraakt werd;
dat dit heeft plaatsgevonden ongeveer 7 à 8 meter van de plaats waar hij, [getuige 3], zat;
dat terwijl [getuige 1] op de grond lag, de [verdachte] naar hem toe kwam en in het Suri­naams tegen hem zei: ”Ie sab o langa mi ben loe­r ie”;

4. de [getuige 4] verklaart:
dat hij op 31 december 1991 samen met zijn vriend [getuige 3] ten huize van de moeder van [getuige 3] aan [adres 2], een bor­rel­tje zat te drinken toen hij [getuige 1] en [getuige 2], die hij voor­heen niet kende, dekking zag zoeken achter de op het trottoir gepar­keer­de auto van het merk ”Dat­sun”, zijnde het eigendom van [getuige 3];
dat op hetzelfde moment een witte pick-up uit de rich­ting van de Hofstraat kwam aanrijden en achter de auto van zijn vriend stopte, waarna de [verdachte] , die hij voor­heen niet kende, uit de auto stapte en zijn vuistvuurwapen te­voor­schijn trok;
dat de [verdachte] achter de twee mannen aanrende en op een gege­ven moment één schot loste, waarbij [getuige 1] werd geraakt, dit op ongeveer 5 meter afstand van de plaats waar hij, [getuige 4], zich bevond;
dat hij, [getuige 4], nog gezien had dat [getuige 1] zijn handen in de lucht had gehouden;
dat hij gehoord heeft dat de [verdachte] die naar [getuige 1] toekwam de vol­gende uitla­ting deed: ”Ie ben wan long”;
dat de [verdachte] in burgerkleding gestoken was maar dat hij, [getuige 4], aan de wijze waarop de verdachte het vuistvuurwapen trok bemerkte dat hij een politieagent moest zijn;

5. de [verdachte]:
dat hij vanaf juli 1991 gestationeerd was op de politie­post Albina en op 31 december 1991 voor de dienst in de stad moest zijn;
dat hij in burger gekleed was en in dienstwagen reed, nl. een witte pick-up, voorzien van een blauwe dienstkentekennum­mer;
dat hij over de Zwartenhoven­brug­straat reed toen hij twee mannen, die hij voorheen niet kende, op een groen wit gelak­te bromfiets van het merk ”CIAO”, zonder valhelm voor hem zag rijden;
dat de brom­fiets noch voorzien was van een kenteken noch van een sticker;
dat het hem bekend was dat regelmatig brom­fietsen van het merk ”CIAO” vanuit Frans-Guyana naar Suriname gesmok­keld werden en daarom besloot de bromfietsbe­stuurder te verba­li­se­ren;
dat hij ze achtervolgd en gewenkt heeft dat ze moesten stoppen terwijl hij schreeuwde:” Stop, Skowtu”, waaraan ze echter geen gevolg hebben gegeven;
dat hij tussen de [straat 3] en [straat 4] op het trot­toir van [adres 2] de be­stuur­der met de bromfiets zag rennen richting [adres 2] en de andere man achter hem aan zag rennen;
dat hij verdachte intussen uit de auto was gestapt en achter hen aan begon te rennen, onderwijl hen toeschreeuwend: ”Tang knapu skowtu”;
dat toen ze hieraan geen gehoor gaven, hij, verdachte, zijn vuist­vuurwapen tevoor­schijn heeft gehaald en na een waarschuwingschot gelost te hebben gericht heeft geschoten in de rich­ting van de mannen waarbij [getuige 1] geraakt werd;
dat hij op [getuige 1] in kwestie gescho­ten heeft, slechts met de bedoe­ling hem aan te houden, omdat door de handelingen van hen, het hem duidelijk was geworden, dat de brom­fiets van diefstal afkomstig moest zijn;

6. Overwegende, dat een geneeskundige verklaring d.d. 2 januari 1992 op beroepseed opgemaakt door chirurg R. Girja­sing, betreffende [getuige 1], zakelijk weergegeven onder meer inhoudt:
dat op het lichaam is aangetroffen een schotverwonding aan de borstkas, hemato-pneuma thorax;

Overwegende, dat de raadsman van de verdachte, Mr. J.O.G. KOULEN namens verdachte – voorzover rechtens van belang – als verweer naar voren heeft gebracht:

dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden omdat de behandeling van de zaak in appel niet binnen een redelijke termijn gevoerd is en daardoor in strijd met internationale verdragen als art. 6 lid 1 EVRM, art. 14 lid 3 aanhef onder c van het BUPO verdrag, art. 7 lid 5 ACHR (­American Convention on Human Rights) gehandeld is;
dat mocht het Hof geen niet-ontvankelijkheid tegen het Openbaar Ministerie uitspreken hij dan een beroep doet op de recht­vaar­di­gingsgrond dat het hande­len van de verdachte op grond van artikel 9 lid c, art. 15 lid 1, art. 17 lid 3 en art. 18 lid 2 sub d van het Politie Handvest, binnen de in­structies van zijn functie was gelegen met als gevolg dat de verdachte ontsla­gen dient te worden van alle rechtsvervolging;

Overwegende, dat de waarnemend-Procureur-Generaal, Mr. S. PUNWASI, het beroep bestreden heeft door te stellen, dat het Openbaar Ministerie niet bepaald wanneer een zaak voor het gerecht gaat en deswege het Openbaar Ministerie niet verweten kan worden de eisen van procesvoering binnen redelij­ke termijn overschreden te hebben;
dat echter wel rekening gehouden moet worden met het feit dat de redelijke termijn overschreden is zodat het daardoor billijk is een lagere straf te requireren, namelijk een gevan­genisstraf van zes maanden voorwaardelijk;

Overwegende, dat het Hof op grond van de inhoud van de voormelde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen acht, hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub D is te laste gelegd, te weten:

dat hij op 31 december 1991 te [district 2] , opzettelijk [getuige 1], zwaar lichamelijk letsel heeft toege­bracht, hebbende, hij verdachte opzettelijk gewelddadig met een vuistvuur­wapen een schot op het lichaam van [getuige 1] voornoemd gelost, tengevolge waarvan [getuige 1] voornoemd heeft bekomen schotverwon­ding aan zijn borstkas (hemato-pneuma thorax); dat die [getuige 1] gedurende enige tijd in een ziekenhuisin­richting moest worden verpleegd en opera­tief ingrijpen noodza­kelijk was;

Overwegende, dat het Hof kennis draagt van de redenen die tot vertraging van de behandeling van strafzaken in hoger beroep leiden welke redenen naar zijn mening echter niet te verwijten zijn aan het Openbaar Ministerie; dat het beroep op ontslag van alle rechtsvervolging, zijdens de verdachte, aangevoerd door de raadsman van de verdachte, faalt, nu ter terechtzitting in hoger beroep geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die zulk een beroep schragen;

Overwegende, dat het ten laste van verdachte bewezen geachte feit moet worden gekwalificeerd als:
”ZWARE MISHANDE­LING”, misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 362 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht;

Overwegende, dat de verdachte deswege strafbaar is zijnde van geen grond tot uitsluiting of opheffing der strafbaarheid gebleken;

Overwegende, dat het Hof bij de strafoplegging rekening heeft gehouden met de ernst van het gepleegde feit, de omstan­digheden waaronder het werd gepleegd en de persoon van de verdachte en dienten­gevolge een hogere straf zou opleggen, echter gelet op het feit dat de redelijke termijn van proces­voering overschreden is, deze zal verdisconteren in de straf­maat;

Gezien voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 11, 17, 18, 38, en 127 van het Wetboek van Strafrecht;

Overwegende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub A, B en C is te laste gelegd en hetgeen hem bij dagvaarding sub D meer of anders is te laste gelegd dan bewezen is ver­klaard, weshal­ve hij daarvan behoort te worden vrijgespro­ken;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis van 19 mei 1993 door de Kan­tonrechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken tegen de [verdachte], waarvan beroep;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen hetgeen hiervoren bewezen is geacht;

Kwalificeert het bewezen verklaarde feit als voormeld;

Verklaart het bewezen verklaarde feit en de verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt hem te dier zake tot gevangenisstraf voor de tijd van ZES (6) MAANDEN;

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer ge­legd, tenzij het Hof later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een hierbij op DRIE JAREN bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub A, B en C is te laste gelegd en hetgeen hem bij dagvaarding sub D meer op anders is te laste gelegd dan bewezen is verklaard;

SPREEKT HEM DAARVAN VRIJ;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S. GANGARAM-PANDAY, fungerend- President, Mr.P.G. WOLFF en Mr. K. PULTOO, leden

in tegen­woor­digheid van Mr. M.E. VAN GENDEREN-RELYVELD, Substi­tuut-Grif­fier, die dit vonnis hebben ondertekend en uitgespro­ken ter openba­re terechtzitting van het Hof van Justitie van WOENSDAG, 21 MEI 1997, door de fungerend-

Presi­dent voornoemd.

SRU-HvJ-2000-6

H.M.
GENERALE ROL NO.13630.

N.V.BELFIMA, rechtspersoon, gevestigd en kantoor­houdende aan de Heerenstraat no.7 boven, te Paramaribo, voor wie als gemach­tigde optrad, Mr.J.O.KOULEN, die thans vervangen wordt door, Mr.R.OEMAR, advo­kaat,
appellante in conventie en in reconventie,

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres] te [district 1], voor wie als gemach­tigde op­trad, Mr.J.C.P. NANNAN PANDAY, die thans vervangen wordt door Mr. A.R.BAARH, advokaat,
geïntimeerde in conventie en in reconven­tie,

De Vice-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 5 februari 1999 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
In conventie en in reconventie:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden compari­tie van partijen zijn verschenen [naam 1], Notariële gevolmachtigde van geintimeerde, advokaat Mr.A.R.Baarh, gemachtigde van geintimeerde en advokaat Mr.R.Oemar gemachtigde van appellante, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte pro­cessen-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating na gehou­den comparitie van partijen zijdens partijen peremptoir bepaald, advokaat Mr.H.P.Bolde­wijn namens advokaat Mr.A.R.Baarh hierbij heeft ver­klaard: ”Partijen zijn in termen van schik­king”;
Overwegende, dat het Hof, na wederom de uitlating na gehouden comparitie van partijen zijdens partijen peremptoir te hebben aangehouden, vonnis in de zaak aan­van­kelijk had bepaald op 4 februari 2000, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
In conventie en in reconventie:
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussen­vonnis van 5 februari 1999 en hetgeen dienaangaande is overwogen;
Overwegende, dat [geïntimeerde] haar gevol­mach­tigde [naam 1], bij de op 16 april 1999 gehouden inlich­tin­gencomparitie verschenen – voorzover ten deze van belang – ondermeer heeft verklaard, dat het hem name­lijk bekend is dat [geïntimeerde] van partij Belfima een stuk grond te [project] heeft ge­kocht; dat hij, [naam 1], op die grond waar er een huis op staat al zes jaar woonachtig is; dat [geïntimeerde] oor­spron­kelijk die grond had gekocht voor een bedrag van f.12.000.— en, nadat zij een deel van de koopsom had betaald en niet verder betalen kon, hij en [geintimeerde] naar partij Belfima zijn geweest en is aan partij Belfima voorgehouden dat [geintimeerde] niet verder beta­len kon, waarna afgesproken werd dat hij het bedrag dat [geïntimeerde] betaald had aan haar terug zou betalen en dat partij Belfima vervolgens aan hem [naam 1], dat stuk grond zou verkopen; dat hij het bedrag van f.6.000,–, dat [geïntimeerde] betaald had aan haar heeft terugbetaald; dat hij aan partij Belfima van wie hij gekocht had voor f.12.000,–, dit bedrag ook heeft betaald; dat partij Belfima aan hem niet juridisch geleverd heeft ofschoon hij haar het bedrag waarvoor hij dat stuk grond gekocht had volledig aan partij Belfima had voldaan; dat partij Belfima dat stuk grond verkocht en overgedragen heeft aan zekere [naam 2];
Overwegende, dat de gevolmachtigde van [geïntimeerde] ten bewijze, dat [naam 2] het stuk grond heeft gekocht en geleverd gekregen, ter gemelde comparitie heeft overgelegd een hypothecair-uittreksel d.d. 2 februari 1998;
Overwegende, dat partij Belfima noch bij gemelde inlichtingen comparitie van 16 april 1999 noch bij de voor 11 juni 1999 bepaalde voort­gezette en gehouden inlichtingen comparitie is versche­nen zonder van een verontschuldigende reden te doen blij­ken, weshalve het Hof zowel van de juist­heid van de zijdens [geïntimeerde] ver­schafte informaties ter gele­genheid van de op 16 april 1999 gehouden inlichtingen comparitie als van de inhoud van het niet door partij Belfima betwist hypo­the­cair-uittreksel uitgaande, van oordeel is, dat het primair gevorderde niet toewijsbaar is omdat partij Belfima nu zij sedert 6 oktober 1994 niet meer de beschik­king over het litigieuze stuk grond heeft, niet veroordeeld kan worden tot juridische levering daarvan waaraan niet af kan doen dat zij – partij Belfima – zich daartoe in de onmogelijkheid heeft gesteld;
Overwegende, dat het subsidiair gevorderde even­min voor toewijzing in aanmerking kan komen nu, naar uit de informatie door de gevolmachtigde van [geïntimeerde] aan het Hof ter gelegenheid van de gehouden inlichtingen comparitie verschaft, [geïntimeerde] , door het aan haar geres­titueerde bedrag f.6.000,– door haar gevolmach­tigde, van hem in ontvangst te nemen waarna haar gevol­machtig­de het stuk land van partij Belfima kocht voor f.12.000,–, welk bedrag ook aan partij Belfima is betaald en door haar in ontvangst genomen – zij het stilzwijgend – aan beëindiging van de tussen haar en partij Belfima eerder gesloten overeenkomst betreffen­de het litigieuze stuk land, heeft mede gewerkt en mits­dien ook geen aanspraak meer maakte op betaling van het bedrag van f.112.500,– aan haar als door haar gevor­derd;
Overwegende, dat toewijzing van zowel de primaire als de subsidiaire vordering mitsdien achterwege dient te blijven;
Overwegende, dat het Hof ten aanzien van de vorde­ring van partij Belfima opmerkt dat het sub A gevor­derde haar niet kan worden toegewezen; de tussen par­tij­en gesloten overeenkomst is immers, zij het stil­zwijgend, beëindigd; het sub B gevorderde evenmin omdat partij Belfima door het litigieuze stuk land te verko­pen en juridisch te leveren aan [naam 2] daar hoegenaamd geen belang meer bij heeft;
Overwegende, dat het sub C gevorderde toewijsbaar is nu [geïntimeerde] door eraan mede te werken – zij het stilzwijgend – dat de tussen haar en partij Belfima gesloten overeenkomst van verkoop en koop betreffende het litigieuze stuk land werd beëindigd door het in het ontvangst nemen van het bedrag van f.6.000,– van de koper van dat stuk land, [naam 1] , na de beëindi­ging van de eerste koopovereenkomst, geacht moet worden geen belang meer te hebben bij haar verweer tegen toewijzing van het sub C gevorderde gaande het Hof ervan uit dat [geïntimeerde] het verweer heeft laten varen;
Overwegende, dat op grond van het hiervorenover­wogene het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven en behoort te worden vernietigd als hierna te melden;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
In conventie en in reconventie:
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 10 januari 1995, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
In conventie:
Wijst geintimeerde zowel haar primaire als haar subsidi­are vordering af;
Veroordeelt de geintimeerde in de kosten in beide instanties in prima aan de zijde van appellante be­groot op f…
en in hoger beroep op f…

In reconventie:
Gelast de opheffing van het conservatoir beslag, gelegd bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie Sh.Kandhai d.d. 24 mei 1993 no.272 op:
– het perceelland groot 10.0023 ha gelegen in [district 2] ten Oosten van het [gebied] aangeduid op de kaart van de landmeter A.E.Calor de dato 20 maart 1963 met de letters ABEF.

– het perceelland groot 1.72 ha met inbegrip van de langs de hierna te vermelden lijn F.S.lopende strook grond land ter breedte van 5 meters op de kaart van de land­meter J.C.De La Parra de dato 24 mei 1934 aangeduid met de letters EFST van de plantage Beekhuizen bekend als het Belfima projekt, met uitzondering van de ver­kochte en overgedragen delen waarvan kavel no 27 nog niet is overgedragen;

Veroordeelt geintimeerde in de proceskosten van hoger beroep tot 2/3 deel van de kosten aan de zijde van appellante gevallen en begroot op f…..

Wijst af het meer of anders gevorderde;

In conventie en in reconventie:

Aldus gewezen door de Heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare te­rechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 5 MEI 2000, in tegenwoordig­heid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.S.Marica namens haar gemachtigde, advokaat Mr.R.Oemar en geintimeerde vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.Struiken namens haar gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-48

H.M.
GENERALE ROL NO: 13752.

[appellant], tijdelijk wonende aan de [adres] in het [district], voor wie als gemach­tigde op­trad, Mr.R.BALDEW, die thans vervangen wordt door Mr.G.­GANGARAM PANDAY, advo­kaat,
appellant,

tegen

STICHTING BOUWFONDS POLITIE, rechtspersoon, geves­tigd te Paramaribo, voor wie als ge­mach­tigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advo­kaat,
geinti­meerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 3 oktober 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat de bij voormeld interlocutoir vonnis bevolen comparitie van partijen niet is gehou­den en de zaak naar de rolzitting werd verwezen voor nadere dagbepaling comparitie van partijen;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 5 december 1997, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot zich per brief, geda­teerd 5 december 1997, als gemachtigde van appellant aan de zaak heeft onttrokken;
Overwegende, dat per schrijven d.d. 17 december 1997 gericht aan de President van het Hof, advokaat Mr.R.S.Baldew de mededeling doet dat hij als raadsman voor appellant zal optreden;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 6 februari 1998 de comparitie van partijen werd bepaald op 27 maart 1998;
Overwegende, dat de comparitie van partijen na enkele malen te zijn aangehouden uiteindelijk werd gehouden op 29 mei 1998;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden compari­tie van partijen zijn verschenen, appellant in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.Baldew, de heren Hendricus Ruben Geerlings, W.P. Mijnard en R.J. Nibte, blijkens overgelegde akte van volmacht, gevolmachtigde van de Stichting Bouwfonds Politie en advokaat Mr.F.F.P.Truideman, gemachtigde van voornoemde Stichting en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen-proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke con­clusie voor overlegging origineel procesverbaal van comparitie van partijen heeft genomen;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 20 novem­ber 1998 geconstateerd werd dat advokaat Mr.R.Baldew zich per brief d.d. 20 oktober 1998 als gemachtigde van appellant aan de zaak heeft onttrokken, terwijl ter terechtzitting van 9 april 1999, advokaat Mr.T.Gangaram Panday namens Mr.G.­Gangaram Panday het Hof heeft mede­gedeeld dat laatstgenoemde zich als gemachtigde van appellant heeft gesteld;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant hierna een – hier als geinsereerd aan te merken – schriftelij­ke conclusie met produkties heeft overge­legd; wordende de inhoud van de overgelegde produkties hier als ingelast beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerde vervolgens een – hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusie tot uitlating produkties heeft genomen en daarbij tevens produkties heeft overgelegd, wordende de inhoud van de overgelegde produkties hier als ingelast beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een – hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvan­kelijk had bepaald op 6 augustus 1999, doch na enige malen te hebben aangehouden nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof hier overneemt en blijft bij hetgeen in eerdergenoemd tussenvonnis d.d. 3 okto­ber 1997 is overwogen en beslist;
Overwegende, dat het Hof in voornoemd tussenvonnis de partijen bij bevolen comparitie van partijen in de gelegenheid heeft gesteld tot een vergelijk te komen in de onderhavige zaak;
Overwegende, dat voormelde comparitie van partijen op 29 mei 1998 is gehouden waarvan het proces-verbaal hier als ingelast wordt beschouwd;
Overwegende, dat het Hof opmerkt dat partijen blijkens hun gedane uitlatingen na voornoemde compari­tie van partijen niet tot een vergelijk zijn gekomen;
Overwegende, dat op grond van hetgeen reeds eerder in het tussenvonnis d.d. 3 oktober 1997 is overwogen appellant, onder vernietiging van het beroepen vonnis, alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering;
Overwegende, dat appellant, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding als in voege na te melden zal worden verwezen;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter op 5 december 1995 in deze zaak tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn vordering;
Veroordeelt appellant in de kosten in beide in­stanties aan de zijde van geintimeerde gevallen en in prima begroot op f….
en in hoger beroep begroot op f…..
Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van f…..
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f….

Aldus gewezen door de heren: Mr.P.G.WOLFF, Funge­rend- President, Mr.K.PULTOO, Lid en Mr.L.J.BUDHU LALL, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitge­sproken ter open­bare te­recht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJ­DAG, 19 november 1999, in tegen­woordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substi­tuut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.P.G.WOLFF

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.T.Gangaram Panday namens de gemachtigden van partijen advokaten Mr.G.Gangaram Panday en Mr.F.F.P­.Truideman.

SRU-HvJ-1999-47

H.M.
GENERALE ROL NO.13892.

a.[appellante 1], weduwe van [naam 1] overleden op 11 april 1992;
b.[appellante 2];
c.[appellante 3], gehuwd met [naam 2];
d.[appellante 4], gehuwd met [naam 3], allen erfgenamen van [naam 1], voornoemd, en wonende in het [district], door wie tot hun aller gemach­tigde is gesteld, Mr.B.A.HALFHIDE, advo­kaat,
appellanten,

tegen

[geintimeerde], wonende in het [district], voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.E.J.BRUMA, advo­kaat,
geïntimeerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 21 juni 1994, 16 mei 1995 en 19 maart 1996 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 2 april 1996 waaruit blijkt van het instel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen:
a.[appellante 1], weduwe van [naam 1] overle­den op 11 april 1992;
b.[appellante 2];
c.[appellante 3], gehuwd met [naam 2];
d.[appellante 4], gehuwd met [naam 3], allen erfgenamen van [naam 1], voornoemd, en wonende aan de van Drimmelenpolder Serie E no.29 in het [district], gedaagden;

2. Dat eiser in de maand juli 1990 met de heer [naam 1], nu wijlen, erflater van de gedaagden, is overeen­gekomen dat in verband met de overdracht van het huur­recht van [naam 1] voornoemd op het perceelland groot ± 25.30 ha, gelegen te Proefpolder Middenstandsbedrij­ven Serie D [nummer 1] gelegen in het [district], aan eiser door eiser aan [naam 1] voornoemd voor de beter­schap van genoemd perceelland een bedrag van f.140.00­0,– Surinaams courant zou worden voldaan;
3. Dat [naam 1] voornoemd ter uitvoering van het over­eengekomene een verzoekschrift richtte aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen t.a.v. de directeur Mr.E.J­.van Varseveld, waarbij verzocht werd het betref­fende perceel aan eiser te mogen overdragen, welk verzoekschrift mede-ondertekend werd door eiser (af­schrift bijgevoegd);

4. Dat zoals blijkt uit het verzoekschrift betrokkene wegens ziekte en financiële problemen de grond niet meer kon bewerken en dus verplicht was deze over te dragen;

5. Dat hierbij overgelegd wordt een verklaring van de behandelende arts Dr.D.J.Hanoeman, waaruit blijkt dat betrokkene geen zware arbeid mocht verrichten;

6. Dat eiser ter financiering van de overdracht een lening c.q een krediet van Sf.140.000 ,– vroeg bij de Landbouwbank N.V., welke lening door de bank werd goed­gekeurd (afschrift bijgevoegd);

7. Dat de Bestuurs-opzichter t.a.v. de overdracht van het perceel aan eiser bij zijn brief van 28 september 1990 een gunstig advies uitbracht (afschrift bijge­voegd);

8. Dat ook de Coördinator Regio West van het Ministe­rie van Landbouw, Veeteelt en Visserij Dr.H.J.Soekarijo bij zijn brief van 1 november 1991 daartoe om advies gevraagd door de Distrikts-Commissaris van Nickerie, met betrekking tot de overdracht van voormeld perceel, een gunstig advies uitbracht (afschrift bijgevoegd);

9. Dat de Distrikts-Commissaris van Nickerie het betreffend verzoekschrift tenslotte indiende op het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen en in elk geval het verzoekschrift op 28 juli 1992 althans in het jaar 1992 ter finalisering werd aangeboden aan het Hoofd van de Dienst der Domeinen;

10. dat genoemde heer [naam 1] op 11 april 1992, althans in het jaar 1992 is overleden en de erfgenamen de op volgers zijn onder algemene titel en derhalve delen in de rechten en verplichtingen van de erflater, wijlen [naam 1];

11. Dat door het overlijden van [naam 1] de overdracht van het perceel aan eiser tegen betaling van Sf.140.00­0,– voor de beterschap, zoals was overeenge­komen, niet heeft plaatsgevonden;

12. Dat de gedaagden eigenmachtig het voorschreven perceelland aan een andere hebben verhuurd;

13. Dat volgens brief van het Ministerie van Natuur­lijke Hulpbronnen d.d 26 februari 1993 [nummer 2], eerst toestemming verkregen moet worden van de erfgenamen waaruit blijkt dat hunnerzijds geen bezwaren bestaan tegen overdracht van de op het betreffende perceel aangebrachte beterschap, alvorens tot overschrijving van het huurrecht op naam van eiser kan worden overge­gaan (zie bijgevoegd afschrift);

14. Dat volgens vorenvermelde brief van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen van 26 februari 1993 het hier gaat om de aangebrachte beterschap waarover eiser, zoals uit de overgelegde stukken blijkt, bereids over­eengekomen was met [naam 1] thans wijlen, ten bedrage van Sf.140.000,–;

15. Dat gedaagden ondanks aanmaningen in der minne weigeren mede te werken aan de overdracht van de op het bedoeld perceel aangebrachte beterschap;

16. Dat volgens brief van de Onderdirecteur Domeinbe­heer van het Ministerie van natuurlijke Hulpbronnen d.d. 25 augustus 1993 [nummer 3], het Ministerie zal overgaan tot toewijzing van het betreffend perceel aan gedaagden indien de zaak niet aan de rechter wordt voorgelegd;

17. Dat eiser daarom verplicht is de tussenkomst van de Kantonrechter in te roepen om de overdracht door gedaagden te doen plaatsvinden tegen betaling van de beterschap ad Sf.140.000,–;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaag­den, zullen worden veroordeeld mede te werken, voorzo­ver het gedaagden regardeert, aan de overdracht van het voorschreven perceel op naam van eiser tegen betaling van het bedrag van Sf.140.000,– voor de beterschap, onder verbeurte van een dwangsom van Sf.50.000,– per dag voor iedere dag welke gedaagde in gebreke blijft aan voormelde veroordeling te voldoen, kosten rechtens;

Overwegende, dat J.S.KERTOSENTONO e.a. als gedaag­de partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaat­se te zijn ingelast onder overlegging van produkties – de vorde­ring heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:
dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen; wordende de inhoud van de overgelegde produkties hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 21 juni 1994 op de daarin opgenomen gronden alvorens verder te beslissen een comparitie van partijen heeft gelast, en iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen is gehouden op 22 november 1994 en op 20 december 1994 is voortgezet;

Overwegende, dat de Kantonrechter op 17 januari 1995 als deskundige van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen heeft gehoord, de heer G.J.Eliazer, waarna partijen zich bij akte hebben uitgelaten over de des­kundi­genverklaring;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 16 mei 1996 op de daarin opgenomen gronden:[geïntimeerde] heeft toegelaten hem zoveel nodig ambts­halve heeft bevolen door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen dat
– de handtekening op de brief d.d. 31 juli 1990 aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen afkomstig is van erflater [naam 1];
Hem voorts heeft bevolen bij de conclusie na bewijslevering te produceren de beschikking van 23 september 1968 [nummer 4].

Overwegende, dat de eiser in de enquête enkele getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te be­schouwen – processen-verbaal staat gerelateerd; terwijl de gedaagden hebben afgezien van contra-enquête;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna – eveneens hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusies tot uitlating na gehouden enquête hebben genomen;

Overwegende, dat de Kantonrechter vervolgens bij vonnis van 19 maart 1996 op de daarin opgenomen gron­den:

Gedaagden heeft veroordeeld mede te werken aan de overdracht van het perceelland groot ongeveer 25,30 ha gelegen te Proefpolder Middenstands­bedrijven Serie D [nummer 5] gelegen in het [district], op naam van eiser tegen betaling van het bedrag van Sf.140.000,– (honderd en veertig duizend gulden) voor de beterschap, onder verbeurte van een dwangsom van sf.50.000,– (vijftigduizend gulden) per dag voor iedere dag welke gedaagden in gebreke blijven aan voormelde veroordeling te voldoen;

– Dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

– Gedaagden heeft veroordeeld in de kosten van het geding, voor zover tot op heden aan de zijde van eiser gevallen, bepaald op sf.496,50 (vier­honderd en zesenne­gentig gulden en vijftig centen);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal J.S.KERTOSENTONO e.a. in hoger beroep zijn geko­men van voormeld eindvonnis van 19 maart 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.Sitaram van 21 oktober 1996 aan geïntimeerde aanzeg­ging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag, voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie, aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appel­lanten bij repliek pleidooi een produktie overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvan­kelijk had bepaald op 22 mei 1998, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld, zodat appellanten daarin kunnen worden ontvangen.

2. Appellanten hebben tegen het beroepen vonnis enkele grieven opgeworpen die, kort weergegeven, op het volgende neerkomen:

2.1 De Kantonrechter heeft zijn beslissing geba­seerd op de verklaringen van getuigen, welke verklarin­gen het bewijs zouden hebben geleverd dat geintimeerde gekocht zou hebben. Het is evenwel niet duidelijk wat gekocht is.

2.2 De Kantonrechter heeft ten onrechte aan gein­timeerde bewijs opgedragen dat de handtekening onder de brief van 31 juli 1990 aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen afkomstig is van [naam 1] en wel omdat deze brief irrelevant is. In bedoelde brief vraagt [naam 1]immers om ”het perceel” te mogen overdragen, doch dit perceel behoorde niet in eigendom toe aan [naam 1] en hij kon het dus niet in eigendom overdragen. Appellanten kunnen dus niet veroordeeld worden om mee te werken aan de overdracht van het perceel.

2.3 Ingevolge de wet en het gebruik ten aanzien van in huur gegeven domeingrond kan een huurder zijn huurrecht niet overdragen aan een derde. Appellanten kunnen dus niet veroordeeld worden om het huurrecht van het litigieuze perceel aan geïntimeerde over te dragen.

2.4 De Kantonrechter is ten onrechte voorbijgegaan aan het verweer van appellanten in prima dat de door geintimeerde opgegeven causa aan hen geen verplichting oplegt tot medewerking aan de overdracht van het per­ceel.

2.5 De Kantonrechter heeft ten onrechte geen rekening gehouden met het verweer van appellanten dat in het inleidend rekest niet is aangegeven welk recht moet worden overgedragen. Evenmin is aangegeven waaruit de medewerking aan de overdracht zou moeten bestaan.

2.6 De Kantonrechter heeft ten onrechte geen acht geslagen op het verweer van appellanten dat de erflater in gemeenschap van goederen was gehuwd met appellante sub a, die geheel niet op de hoogte was van de eventue­le overeenkomst tussen geintimeerde en de erflater.

3. Uit de, in zoverre niet betwiste, processtuk­ken blijkt het volgende:

3.1 bij beschikking van 23 september 1968 [nummer 4] is het perceelland, groot 25,30 ha en gelegen te Middenstandspolder Serie D [nummer 5] in het [district], ter uitoefening van de rijstbouw aan [naam 1] in huur uitgegeven;

3.2 [naam 1] is op 11 april 1992 overleden met achterlating van appellanten als zijn erfgenamen.

4.1 Geintimeerde heeft als eiser in eerste aanleg gevorderd, voor zoveel hier van belang, dat gedaagden (thans-appellanten) onder verbeurte van een dwangsom van f. 50.000 zullen worden veroordeeld mede te werken, voor zover het hen regardeert, aan de overdracht van voorschreven perceel op naam van de eiser tegen beta­ling van f. 140.000 voor de beterschap.

4.2 Geintimeerde heeft bij inleidend verzoek­schrift, voor zoveel hier van belang en zakelijk weer­gegeven, aan zijn vordering het volgende ten grondslag gelegd:
a. geintimeerde is in de maand juli 1990 met [naam 1] overeengekomen dat door hem, geintimeerde, in verband met de overdracht van het huurrecht van [naam 1] op het hierboven onder 3.1 vermelde perceel, aan [naam 1] voor de beterschap van genoemd perceel f. 140.000 zou worden voldaan;

b.[naam 1] heeft ter uitvoering van het overeenge­komene aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen een verzoekschrift gericht om het betreffende perceel aan geintimeerde te mogen overdragen;

c. door het overlijden van [naam 1] heeft de over­dracht van het perceel aan geintimeerde tegen betaling van f. 140.000 voor de beterschap niet plaatsgevonden;

d. volgens de brief van het Ministerie van Na­tuurlijke Hulpbronnen d.d. 26 februari 1993 moet van de erfgenamen van [naam 1] eerst toestemming worden verkregen waaruit blijkt dat hunnerzijds geen bezwaren bestaan tegen overdracht van de op het perceel aange­brachte beterschap alvorens tot overschrijving van het huur­recht op naam van geintimeerde kan worden overge­gaan;

e. appellanten weigeren ondanks aanmaning in der minne mee te werken aan de overdracht van de op het perceel aangebrachte beterschap.

5.1 Het is van algemene bekendheid dat degene, aan wie door de Distrikts-Commissaris een perceel in huur is uitgegeven, de huur bij overeenkomst op een derde kan doen overgaan (zie onder andere de bij GB 1937 [nummer 6] behorende modelovereenkomst). Naar bestaand spraak­gebruik staat een dergelijk doen overgaan van de huur bekend als ”overdracht van de huur” of ”overdracht van het huurperceel”. Van algemene bekendheid is ook dat die ”overdracht” in de praktijk aldus plaatsvindt dat de huurder de op en in het perceel tot stand gebrachte beterschap aan de derde verkoopt, de Distrikts-Commis­saris op verzoek van de huurder (om het perceel aan de derde ”over te dragen” of om de huurovereenkomst op naam van de derde ”over te schrijven”) met de derde een nieuwe huurovereenkomst aangaat en de huurder de beter­schap feitelijk aan de derde levert.

5.2 Appellanten konden op grond van hetgeen onder 5.1 is overwogen uit de hierboven onder 4.2.a tot en met 4.2.e weergegeven stellingen van geintimeerde begrijpen dat geintimeerde aan zijn vordering ten grondslag legde dat hij met [naam 1] was overeengekomen om de huur van het onder 3.1 vermelde perceel op hem, geinti­meerde, te doen overgaan en dat hij in verband daarmee de op en in het perceel tot stand gebrachte beterschap voor f. 140.000 van [naam 1] had gekocht.

5.3 In het inleidend verzoekschrift wordt welis­waar op verschillende plaatsen gesproken over het overdragen van ”het perceel” en over de overdracht van ”het perceel”, maar datzelfde stuk bevat ook de hierbo­ven onder 4.2.d en 4.2.e weergegeven stellingen, waarin er sprake is van overdracht van de op het perceel aangebrachte ”beterschap”. Voorts wordt in de conclusie van repliek gesteld: ”Het gaat er om dat gedaagden medewerken (er staat, kennelijk abusievelijk, ”gedaagde medewerkt”) aan de overdracht van de beterschap tegen betaling van een bedrag van f. 140.000 door eiser”. Uit dit alles kon, mede gelet op hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen, het voor appellanten duidelijk zijn dat in het petitum voor ”mede te werken … aan de over­dracht van het voorschreven perceel op naam van de eiser” moet worden gelezen ”mede te werken … aan de feitelijke overdracht van de op voorschreven perceel aangebrachte beterschap aan eiser”.

6.1 Appellanten hebben geen grief opgeworpen tegen de beslissing van de Kantonrechter dat hij bewezen achtte, zakelijk weergegeven, dat de brief van 31 juli 1990 aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen (mede) is ondertekend door [naam 1]. Er kan dus van de echtheid van [naam 1]’s handtekening worden uitgegaan.

6.2 In bovenbedoelde brief, die door [naam 1] ”Voor overdracht” en door geintimeerde ”Voor overname” is ondertekend, verzoekt eerstgenoemde aan de Minister om het perceel aan geintimeerde te mogen overdragen. Door de inhoud van deze brief, van de brief van de Bestuurs­opzichter Ch. Soochit d.d. 28 september 1990 en van de leningsaanvraag d.d. 23 juli 1990 acht het Hof bewezen dat geintimeerde en [naam 1] zijn overeengekomen om de onder 3.1 vermelde huur aan eerstgenoemde te doen overgaan en dat geintimeerde in verband daarmee de beterschap van [naam 1] heeft gekocht voor f. 140.000.

7.1 Met betrekking tot de hierboven onder 2.1 weergegeven grief heeft geintimeerde, zakelijk weerge­geven, aangevoerd dat het in die grief aan de Kanton­rechter gemaakte verwijt, niet terecht is. Het Hof is het met de geintimeerde eens: uit niets blijkt dat de Kantonrechter zijn beslissingen heeft gebaseerd op getuigenverklaringen als door appellanten gesteld. Overigens blijkt uit hetgeen onder 6.2 is overwogen wat er gekocht is. Grief 2.1 gaat dus niet op.

7.2 Grief 2.2 en grief 2.3, die ervan uitgaan dat gevorderd wordt dat appellanten worden veroordeeld mede te werken aan de overdracht van de eigendom, respektie­velijk het huurrecht, van het perceel gaan, op grond van hetgeen onder 5.3 is overwogen, evenmin op.

7.3 Aangezien het in grief 2.4 en grief 2.5 ver­melde verweer van appellanten terzake diende was had de Kantonrechter daarop acht moeten slaan, hetgeen hij echter niet heeft gedaan. De grieven zijn in zoverre dan ook gegrond. Het in grief 2.4 vermelde verweer gaat echter niet op, nu de verkoop van de beterschap voor [naam 1], en na diens overlijden voor zijn erfgenamen, de verplichting meebracht aan de feitelijke levering van die beterschap mede te werken. Het in grief 2.5 vermel­de verweer, evenals het verweer dat niet is aangegeven waaruit de medewerking aan de overdracht zou moeten bestaan, stuiten naar het oordeel van het Hof af op hetgeen hierboven onder 5.1 tot en met 5.3 is overwo­gen. De hier besproken grieven leiden dus niet tot vernietiging van het beroepen vonnis.

7.4 In het in grief 2.6 vermelde verweer kan, zij het niet zonder moeite, een beroep op het bepaalde in artikel 163 lid 1 BW worden gezien. Afgezien van de omstandigheid dat uit de door appellanten gestelde feiten niet volgt dat in casu sprake is van een van de in genoemd wetsartikel bedoelde overeenkomsten, voor het aangaan waarvan de toestemming van de niet-hande­lende echtgenoot vereist is, is een handeling in strijd met het wetsartikel slechts vernietigbaar. Het enkele feit dat, zoals uit het verweer zou kunnen worden opgemaakt, [naam 1] heeft gehandeld in strijd met artikel 163 lid 1 BW, staat dus niet in de weg aan toewijzing van de vordering van geintimeerde. De Kantonrechter heeft het verweer kennelijk niet relevant geacht en kon zulks naar het oordeel van het Hof ook doen. De grief faalt derhalve.

8.Het vonnis waarvan beroep dient op grond van al het vorenoverwogene, onder aanvulling en verbetering van de gronden, te worden bevestigd. Appellanten zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskos­ten worden veroordeeld.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt, onder aanvulling en verbetering van de gronden, het door de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen en op 19 maart 1996 uitgesproken vonnis, waar­van beroep.
Veroordeelt appellanten in de proceskosten aan de zijde van de geintimeerde gevallen…
Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f…..Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellanten eveneens op f……….

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, funge­rend-President, Mr.P.G.WOLFF, Lid en Mr.L.J.BUDHU LALL, Lid-Plaatsvervanger, en door de fungerend-Presi­dent uitgesproken ter openba­re terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 22 oktober 1999, in tegen­woordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substi­tuut-Griffier.

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.E.STRUIKEN namens hun gemachtigde, advokaat Mr.B.A.HALFHIDE en geïntimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.BOLDEWIJN namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.J.BRUMA, zijn bij de uitspraak ter te­rechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-1998-30

PRO JUSTITIA

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Vonnis 1998 no.14

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis, door de Kantonrechter in het Derde Kanton op 3 december 1997 gewezen en uitgesproken tegen:

[verdachte], oud 45 jaar, van beroep landbouwer, geboren in het [distrikt], wonende te [adres] in het [distrikt], thans gevangengehouden, verdachte;

Gelet op het tijdig door de Vervolgingsambtenaar ingestelde hoger beroep;
Gehoord de verdachte in zijn verdediging daarin bijgestaan door zijn raadsman, Mr. A.R. Baarh, advokaat bij het Hof van Justitie van Suriname;
Gehoord de getuigen in hun beëdigde verklaringen;
Gehoord de waarnemend Procureur-Generaal;
Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte bij de inleidende akte van dagvaarding zijn te laste gelegd, de feiten zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding, welke akte van dagvaarding als hier geïnsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat hij, verdachte, het hem bij de betreffende inleidende akte van dagvaarding sub A te laste gelegde heeft begaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven;
met vrijspraak van het meer of anders te laste gelegde;

Overwegende, dat de Kantonrechter het bewezen verklaarde feit heeft gekwalificeerd als:
OPLICHTING, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 386 van het Wetboek van Strafrecht en de verdachte te dier zake heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van TWAALF MAANDEN, met bevel dat van deze straf een gedeelte van VIER MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de Rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van het hierbij op DRIE JAREN bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, danwel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen, met bepaling dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak van 22 oktober 1997 af, voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht; voorts heeft de Kantonrechter de teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan de rechtmatige eigenaar bevolen en als bijzondere voorwaarde gesteld dat binnen DRIE MAANDEN na heden het totale bedrag ter waarde van Sf. (Drie Honderd Twintig Duizend Gulden) terugbetaalt (lees: terugbetaald) wordt aan de benadeelde, met bevel tot gevangenhouding van de verdachte;

Overwegende, dat het Hof zich kan verenigen met het vonnis a quo, behalve ten aanzien van de aan verdachte opgelegde straf, weshalve dit vonnis behoort te worden bevestigd met uitzondering van dat gedeelte waarbij aan verdachte straf werd opgelegd, op welk punt dit vonnis moet worden vernietigd;

Overwegende, dat het Hof de navolgende straf in overeenstemming acht met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit werd gepleegd en de persoon en de draagkracht van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken;

Gezien de in het vonnis aangehaalde wetsartikelen alsmede de artikelen 17, 18 en 19 van het Wetboek van Strafrecht;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis van 3 december 1997 door de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken tegen de [verdachte], waarvan beroep, behoudens ten aanzien van de aan verdachte opgelegde straf;

Vernietigt dit vonnis te dien aanzien en in zoverre opnieuw rechtdoende:

Veroordeelt hem te dier zake tot een gevangenisstraf voor de tijd van TWAALF MAANDEN;

Beveelt dat van deze straf een gedeelte van DRIE MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij het Hof later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een hierbij op DRIE JAREN bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen;

Bepaalt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak vanaf 22 oktober 1997 voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Stelt als bijzondere voorwaarde dat binnen DRIE MAANDEN na heden het totale bedrag ad Sf. 278.985,- (Tweehonderd Acht en Zeventigduizend en Negenhonderd Vijf en Tachtig Gulden Surinaaams Courant) door of namens de veroordeelde terugbetaald wordt aan de [benadeelde].

Beveelt dat de veroordeelde gevangengehouden zal blijven;

Aldus gewezen door de heren: Mr. J.R. Von Niesewand, waarnemend President, Mr. M.G. De Miranda en Mr. L.J. Budhu Lall, Leden-Plaatsvervanger, in tegenwoordig­heid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier, die dit vonnis hebben ondertekend, hetwelk door de waarnemend-President is uitgesproken ter openbare terechtzit­ting van het Hof van Justitie van WOENSDAG, 8 JULI 1998.

w.g.A.CHARAN w.g.J.R.VON NIESEWAND

w.g.M.G. DE MIRANDA w.g.L.J.BUDHU LALL

Voor afschrift, De Griffier van het Hof van Justitie,

Vermits de verdachte, [verdachte] niet bij de uit­spraak van dit vonnis ter terechtzitting is versche­nen, heb ik ondergetekende, fungerend-Grif­fier bij het Hof van Justi­tie, ingevolge artikel 350 van het Wet­boek van Strafvorde­ring, op 8 juli 1998, nadat de ver­oordeelde voornoemd ten kanto­re van het Hof van Justi­tie is aangevoerd, aan hem dit vonnis voorgelezen.

De Griffier van het Hof van Justitie namens deze,
(R.R.BRIJOBHOKUN)

SRU-HvJ-1999-46

M.H
GENERALE ROL NO.13665.

[appellant], wonende te [district 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,
appellant,

tegen

[geïntimeerde], weduwe van [naam], wonende te [district 1] aan [adres], voor wie als gemachtigde optraden, Mr.J.LACHMON en Mr.B.A.HALFHIDE, thans Mr.B.A.HALFHIDE, advokaat,
geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kan­tonrech­ter in het Eerste Kanton van 17 januari 1995 tussen partijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 25 januari 1995, waaruit blijkt van het in­stellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:
1. dat rekestrant de navolgende vordering wenst in te stellen tegen: [geïntimeerde], weduwe van [naam], wonende te [district 1] aan [adres];

2. dat [naam] blijkens verklaringen van erfrecht d.d. 22 september 1986 en 18 augustus 1993 opgemaakt te [plaats] in [land 1] door notaris Mr.L.DE LA RAMBELJE op 30 augustus 1986 in [district 2] is overleden na bij testament over zijn nalatenschap te hebben geschikt en te hebben benoemd tot zijn erfgenamen tezamen en voor gelijke delen zijn echtgenote, zijnde gerekestreerde en zijn negen wettige kinderen, w.o. rekestrant. Voorts is gerekestreerde benoemd tot uitvoerster van deze uiterste wilsbeschikking ofwel tot executrice testamentair;

3. dat tot de nalatenschap hebben behoort meerderheids aandelenpakketten in diverse naamloze vennootschappen waarover de erflater zeggenschap had, grote schulden aan bankinstellingen, uitstaande privé en vennootschapsvorderingen etc.;

4. dat gerekestreerde na het overlijden van de erflater de zaken op hun beloop heeft gelaten en nimmer een boedelbeschrijving heeft gemaakt. Rekestrant woonde in Nederland en had geen inzicht in noch overzicht van de boedel, totdat hij naar [land 2] kwam en ontdekte welke chaotische situatie was ontstaan sinds de dood van de erflater. Telkens wanneer rekestrant de poging deed om, ondanks zijn vanwege het testament beperkte mogelijkheden en de zeer nauwe relatie tot gerekestreerde die tot zekere piëteit verplicht, in te grijpen werd zijdens gerekestreerde een gebaar gemaakt dat goede perspectieven scheen te bieden;

5. dat gerekestreerde echter telkens weer de belangen van vooral de vennootschappen verwaarloosde omdat noch haar intellectueel niveau noch haar kennis van en ervaring met zaken doen haar in staat stelde in het bijzonder de vennootschappen te besturen. Op gegeven moment heeft gerekestreerde een broer van rekestrant aangesteld als beheerder van een der belangrijkste vennootschappen, N.V. CULTUURONDERNEMING NICKERIE, die een schuldpositie had van f.8.000.000,–. Deze schuld is opgelopen tot ruim f.20.000.000,–. Door een ingreep van rekestrant, met toestemming van gerekestreerde, is het gelukt de zaak nog te redden, waardoor de schuld volledig is voldaan. Voorts zijn drie tot de boedel behorende bedrijven gesloten en de actieva verkocht, omdat gerekestreerde wanbeheer gevoerd heeft, zijnde, de pelmolen, HANDELMIJ SARAMACCA DOORSTEEK en EURO RICE B.V. Ook is een nieuwe motor dekschuit met een waarde van ruim Nf.1.000.000.– spoorloos;

6. dat gerekestreerde desondanks voormelde broer opnieuw heeft belast met de leiding van die vennootschap met alle nadelige gevolgen van dien;

7. dat het thans noodzakelijk is orde op zaken te stellen, waartoe vereist is dat alsnog een boedelbeschrijving wordt gemaakt en gerekestreerde wordt ontzet als executrice testamentair in gevolge artikel 1050 jo 435 lid 2 BW, nu zij onbekwaamheid aan de dag legt, misbruik blijkt te maken van haar bevoegdheid en in het algemeen haar verplichtingen blijkt te verwaarlozen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gerekestreerde zal worden ontzet als executrice testamentair over de nalatenschap van wijlen [naam], Kosten rechtens;

Overwegende, dat ten dage voor verhoor in Raadkamer bepaald, zijn verschenen partijen in persoon tevens bijgestaan door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.J.Lachmon, waarna de gemachtigde van rekestrant voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerster hierna een verweerschrift met bijlagen heeft overgelegd, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produkties hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor voortzetting verhoor in Raadkamer bepaald, deze geen voortgang heeft gehad;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna de zaak heeft aangehouden voor het nemen van een conclusie tot uitlating zijdens rekestrant op welke terechtzitting de gemachtigde van rekestrant een schriftelijke conclusie met bijlagen heeft genomen, waarvan de inhoud alsmede die der overgelegde produkties hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating produkties zijdens verweerster bepaald, diens gemachtigde eveneens een schriftelijke conclusie onder overlegging van produkties heeft genomen, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produkties hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor voortzetting verhoor van partijen bepaald, partijen in persoon ter terechtzitting zijn verschenen, en alsvolgt hebben verklaard:

De rekestrant:

” de zaak is zeer ernstig. Het proces van vernietiging

van de nalatenschap is nog steeds gaande. Banktegoeden, behorende tot de onderwerpelijke nalatenschap, zijn nog steeds niet zichtbaar. Verweerster beweert dat zij ongeveer 8 jaar geleden notaris Manichand had verzocht een boedelbeschrijving op te maken, maar notaris Manichand ontkent dat een dergelijk verzoek is gedaan. Verder blijf ik bij hetgeen namens mij door Mr.Hooplot is aangevoerd. Als er een notaris zou moeten worden benoemd om een boedelbeschrijving op te maken, zie ik graag dat een neutrale persoon wordt benoemd, bv. notaris L.Hira Sing. Notaris Manichand is de afgelopen 8 jaar belast geweest met de openbare verkoop van allerlei bezittingen uit de nalatenschap en hij was ook commissaris van de N.V.Cultuur Onderneming Nickerie. Hij stelt zich ook om zichzelf vrij te pleiten, partijdig op ”;

De gerekestreerde:

” Ik verblijf bij hetgeen mijn procesgemachtigde, Mr.J.Lachmon, namens mij naar voren heeft gebracht”.

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen peremptoir bepaald de gemachtigden van partijen een schriftelijke conclusie hebben genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 17 januari 1995 op de daarin opgenomen gronden:
Rekestrant niet ontvankelijk in zijn verzoek heeft verklaard;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvon­nis van 17 januari 1995;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL van 24 januari 1996 aan geintimeerde aanzeg­ging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de recht­sdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ten dage voor dagbepaling pleidooi bepaald advokaat Mr.B.A.Halfhide zich mede heeft gesteld voor geintimeerde;

Overwegende, dat ten dage voor pleitnota peremptoir bepaald advokaat Mr.H.Lim A Po namens de gemachtigde van geintimeerde advokaat Mr.B.A.Halfhide het Hof heeft medegedeeld dat partijen in termen van schikking zijn;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating schikking zijdens partijen peremptoir bepaald de gemachtigde van appellant advokaat Mr.E.C.M.Hooplot het Hof heeft medegedeeld dat er geen schikking is bereikt en een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 23 april advokaat Mr.G.Gangaram Panday namens advokaat Mr.J.Lachmon heeft verklaard dat Mr.J.lachmon zich als gemachtigde van geintimeerde aan de zaak heeft onttrokken;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie zijdens geintimeerde peremptoir bepaald advokaat Mr.Tj.Sewdien namens advokaat Mr.B.A.Halfhide recht op stukken heeft gevraagd, terwijl advokaat Mr.H.Essed namens advokaat Mr.E.C.M.Hooplot gepersisteerd heeft;

Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;

Overwegende, dat partijen hierna beschikking in de zaak hebben gevraagd, waarvan de uitspraak bepaald is op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat nu het Hof zich volkomen kan verenigen met de overwegingen aan de beschikking, waarvan beroep, ten grondslag gelegd, dient deze beschikking, bespreking van de hier tegen ontwikkelde grieven als volkomen irrelevant in het midden latend, te worden bevestigd;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt de beschikking door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 17 januari 1995 tussen partijen gegeven, waarvan beroep;

Aldus gegeven door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 22 OKTOBER 1999 in tegen­woordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.BOLDEWIJN namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.E.STRUIKEN namens haar gemachtigde, advokaat Mr.B.A.HALFHIDE, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.