SRU-HvJ-1992-10

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 3 april 1992
(Mrs. R.E.Th.·Oosterling, J.R. von Niesewand en E.S. Ombre)

[verzoeker], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende aldaar, aan de Watermolenstraat 36 ben., ten kantore van advokaat Mr. E.C.M. HOOPLOT, verzoeker,

tegen

’s LANDS BOSBEDRIJF “SURINAM TIMBER”, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Cornelis Jongbawstraat no. 31, advokaat Mr. A.R. BAARH, verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Hot Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen:

’s LANDS BOSBEDRIJF SURINAM TIMBER, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Duisburglaan no. 18.

2. Dat verzoeker in dienst is van verweerder, een door de Staat Suriname opgerichte rechtspersoon in de zin van artikel 2 Personeelswet, zijnde verzoeker mitsdien in de zin van genoemde Wet, landsdienaar.

3. Dat in het jaar 1988, toen hij buiten functie werd gesteld een loon genoot van f. 17,– per dag en een bostoelage van f. 8,– per dag bij een zesdaagse werkweek.

4. Dat verzoeker bij schrijven van verweerder d.d. 28 april 1986 ingaande 1 april 1986 buiten funktie is gesteld met stilstand van salaris, in afwachting van het resultaat van een tegen hem ingesteld wordende onderzoek. Op 22 januari 1987 nam het Openbaar Ministerie het besluit verzoeker terzake niet te vervolgen, tenzij verzoeker zich binnen de door het Openbaar Ministerie gestelde proeftijd zou schuldig maken aan een strafbaar feit.

5. Dat hoewel verzoeker steeds heeft aangeboden zijn werkzaamheden te hervatten verweerder zich konsekwent daartegen heeft verzet, zich op het standpunt stellende dat de dienstbetrekking zou zijn geëindigd.

6. Dat verzoeker bij verzoekschrift van 30 november 1988 Uw Hof heeft geadieerd, dat bij vonnis van 22 juni 1990 (A-217), ervan uitgaande dat in afwijking van het standpunt van verweerder, de dienstbetrekking niet is geëindigd, verweerder heeft veroordeeld om aan verzoeker zijn salaris door te betalen als gevorderd.

7. Dat verzoeker ook na voormelde vonnis de verweerder schriftelijk en bij herhaling heeft kenbaar gemaakt, zulks via zijn raadsman, dat hij zijn dienstbetrekking wenst te hervatten, echter zonder enige reaktie.

8. Dat verweerder als reaktie op deze brief van verzoeker’s raadsman d.d. 30 oktober 1990, – waarvan bijgaand afschrift wordt overgelegd met verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen bij schrijven van 19 december 1990 met bijlagen aan verzoeker’s raadsman heeft doen weten dat verzoeker op 7 augustus 1990 met onmiddellijke ingang wegens dringende reden zou zijn ontslagen.

Van gemeld schrijven d.d. 19 december 1990, alsmede de daarbij behorende bijlagen wordt bijgaand fotokopieën overgelegd, met het verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.

9. Dat verzoeker nimmer enige brief heeft ontvangen om zich te verweren en zeker niet de brief van 24 juli 1990. Verzoeker heeft evenmin de ontslagbrief van 7 augustus 1990 ontvangen, hebbende hij eerst van het ontslag vernomen toen de brief hem werd voorgehouden door zijn raadsman op 24 december 1990.

10. Dat verzoeker zich niet in dit ontslag wenst te berusten en daarom daartegen thans in beroep komt.

11. Dat op de eerste plaats het ontslag qua wijze en moment van verlening volstrekt te kwadertrouw is en in ieder geval een houding van een werkgever etaleert die in een normale arbeidsrelatie te goedertrouw niet kan worden getolereerd en op zich wanprestatie oplevert. Verweerder heeft immers in bovengemelde procedure welke geëindigd is met het vonnis van Uw Hof d.d. 22 juni 1990, zich steeds op het standpunt gesteld dat verzoeker niet langer in haar dienst was en reeds was ontslagen en derhalve geen arbeid in haar dienst behoefde te verrichten. Hoe kon dan de verweerder aan verzoeker in haar schrijven van 24 juli 1990 het verwijt maken dat hij vanaf 1987 of vanaf 1986 zich niet voor het verrichten van arbeid heeft aangemeld en van hem verlangen dat hij zich terzake behoorde te verweren. Anderzijds heeft de heer Vrede als vertegenwoordiger van de verweerder in de procedure tijdens het verhoor van partijen medegedeeld dat verweerder zich op 23 april 1986, daags na zijn invrijheidsteIling bij hem heeft aangemeld om zijn werkzaamheden te hervatten doch dat hij dat niet accepteerde. Bovendien heeft verzoeker geen enkele gelegenheid onbenut gelaten, ook in het proces, om zijn diensten aan te bieden aan de verweerder. Nadat het Hof reeds alle omstandigheden van het geval had bekeken en had vastgesteld dat de dienstbetrekking voortduurde had verweerder als behoorlijk werkgever verzoeker moeten oproepen voor de hervatting van zijn werkzaamheden, temeer nu de verzoeker o.m. door het instellen van de vordering had blijk gegeven te willen werken en zulks ook nog uitdrukkelijk heeft aangeboden.

12. Dat de verweerder nooit de brief heeft ontvangen om zich te verweren. Overigens wist de verweerder dat verzoeker woonplaats had gekozen bij zijn raadsman, aan wie verweerder ook een gedeelte van het loon van verzoeker heeft betaald en ook het feit dat verzoeker ook na het vonnis via zijn raadsman met de verweerder communiceerde. Deze omstandigheden behoorden voor de verweerder aanleiding te zijn om de brief van 24 juli 1990 via verzoeker’s raadsman aan hem te doen toekomen.

13. Verzoeker ontkent mitsdien dat hij het niet de moeite waard gevonden heeft zich te verweren en dat hij blijk zou hebben gegeven geen belangstelling meer te hebben voor zijn werk. Integendeel blijkt uit alle activiteiten van verzoeker dat hij wel belangstelling heeft voor zijn werk.

14. Verzoeker ontkent voorts dat het ontslag aan hem is verleend met voorafgaande toestemming van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie, zijnde zulks in strijd met de statuten van verweerder.

15. Dat het aan verzoeker verleende ontslag mitsdien in strijd is met de Wet, de statuten van verweerder en in het algemeen in strijd met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur, w.o. in het bijzonder het beginsel van fairplay, het motiveringsbeginsel, zijnde voor wat dit laatstebeginsel betreft het ontslag in strijd met de waarheid gemotiveerd;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd; dat bij vonnis het aan verzoeker bij schrijven van verweerder d.d. 7 augustus 1990 verleende ontslag nietig zal worden verklaard, althans deze zal worden vernietigd en voorts gedaagde zal worden veroordeeld om aan verzoeker tegen kwijting te betalen zijn vol salaris met emolumenten e.e.a. onder aftrek van de gebruikelijke wettelijke aftrekposten; Kosten rechtens;

Overwegende, dat ’s Lands Bosbedrijf Surinam Timber een verweerschrlft heeft ingediend, waarin als verweer wordt aangevoerd:

1. Verweerder ontkent al hetgeen hij hierna niet uitdrukkelijk heeft erkend onder bewijsaanbod.

2. Verzoeker heeft zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim blijkende zulks uit het tegen hem ingesteld strafrechtelijk onderzoek gevolgd door het besluit van het Openbaar Ministerie d.d. 22 januari 1987 verzoeker ter zake niet te vervolgen, tenzij hij zich binnen de door het Openbaar Ministerie gestelde proeftijd zou schuldig maken aan een strafbaar feit.

3. Hoewel verweerder zich in een door verzoeker bij Uw Hof aanhangig gemaakt geding, bekend onder A-217, op het standpunt had gesteld dat verzoeker niet meer in dienst van verweerder was, heeft het Hof dit standpunt niet gehonoreerd aangezien, zoals Uw Hof overwoog in vermeld vonnis, hem gebleken is dat verweerder op geen enkele wijze een besluit tot ontslag ter kennis van de verzoeker heeft gebracht, het dienstverband geacht moet worden te hebben voortbestaan.

4. Uit deze overweging valt te concluderen dat de ontslaggrond voor Uw Hof vaststond doch dat het bepaalde in artikel 5 van de Personeelswet het ontslagbesluit deed vitiëren.

5. Thans heeft verweerder met inachtneming van artikel 5 van de Personeelswet en onder opgave van de ontslagredenen, verzoeker bij brief d.d. 7 augustus 1990 [kenmerk 1] ontslagen nadat verzoeker bij brief d.d. 24 juli 1990 [kenmerk 2] in de gelegenheid is gesteld zich te verweren.

6. Verzoeker ontkent dat deze brieven (besluiten) ex-artikel 5 van de P.W. aan hem zijn uitgereikt.

7. Verweerder legt hierbij in fotocopie over een verklaring van de dienst der Posterijen d.d. 4 april 1991 waaruit blijkt, dat vermelde brieven aan verzoeker zijn uitgereikt.

8. Verzoeker heeft als algemene gehoudenheid jegens verweerder zich steeds zo te gedragen als een goed en getrouw landsdienaar betaamt (art. 36 lid 1). Hieronder valt de verplichting voor verzoeker aan zijn werkgever een opgave te verstrekken van zijn juiste woonplaats alsmede de wijzigingen daarin. Op grond van de aan verweerder verstrekte woonplaats zijn vermelde besluiten aan hem aangetekend verzonden. Deze besluiten zijn door mej. [naam] als huisgenote van verzoeker aan hem overhandigd en mitsdien door of vanwege het bevoegd gezag.

9. De gekozen woonplaats van verzoeker bij zijn raadsman is in deze irrelevant.

10 Verzoeker heeft op geen enkele wijze zijn bereidheid getoond zijn werkzaamheden te willen hervatten, hebbende verzoeker zich na het vonnis van Uw Hof d.d. 22 juni 1990 niet aangemeld voor diensthervatting; ook na de vermelde brief van 24 juli 1990 niet. De aktiviteiten van verzoeker wijzen niet in die richting anders had hij zich daadwerkelijk voor diensthervatting aangemeld, waartoe hij overigens na het vonnis gehouden is. Wanneer de schorsing van een landsdienaar geëxpireerd is of een ontslag door Uw Hof is vernietigd of het dienstverband in takt wordt bevonden, rust op de landsdienaar de plicht zich voor diensthervatting aan te melden. Hij mag niet stilzitten en een afwachtende houding aannemen. Verzoeker probeert de rollen om te keren.

11. Het ontslag is aan verzoeker verleend met toestemming van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen overeenkomstig zijn statuten. Het ontslag is mitsdien ex lege en terecht;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd: dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans hem deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 11 april 1991 in Raadkamer zijn verschenen; Verzoeker in persoon, advokaat Mr. H.E. Struiken namens advokaat Mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van verzoeker, de heer M.S. Vreden, personeelschef van verweerster en advokaat Mr. A.R. Baarh gemachtigde van verweerster die hebben verklaard gelijk in het daarvan gemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces- verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerster produkties heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker hierna een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen vervolgens de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 10 januari 1992, doch na enkele keren te zijn aangehouden nader werd bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof allereerst zal verstaan, dat het slot van het petitum van verzoekers inleidend rekest, beginnende met ”en voorts gedaagde ……” dient te luiden: ”te gelasten die handelingen te verrichten opdat aan verzoeker tegen behoorlijke kwijting zal worden uitbetaald zijn salaris verhoogd met de hem toekomende emolumenten, na aftrek van de gebruikelijke aftrekposten”, etc.;

Overwegende, dat ten processe·vaststaat dat verzoeker landsdienaar is (geweest) in de zin van de Personeelswet (P.W.);

Overwegende, dat verzoeker bij brief van verweerder van 7 augustus 1990 met onmiddellijke ingang blijkt te zijn ontslagen, nadat hij, verzoeker tevoren zou zijn aangeschreven zich wegens plichtsverzuim te verweren;

Overwegende, dat verzoeker heeft aangevoerd, dat hij die brieven nimmer heeft ontvangen, zeker niet volgens de op de P.W. voorgeschreven wijze;

Overwegende, hieromtrent:

– dat de P.W. niet aangeeft op welke wijze aan een landsdienaar moet worden medegedeeld, dat hij zich dient te verantwoorden (verweren) tegen een hem verweten plichtsverzuim;

– dat artikel 5 van de P.W. op een dergelijke mededeling niet van toepassing is, aangezien een mededeling om zich te verweren, geen besluit is in de zin van de P.W.;

Overwegende, dat i.c. rechtens tussen partijen vaststaat:

-1) dat verweerder een schrijven van 24 juli 1990 per aangetekende post heeft verzonden naar het door verzoeker aan verweerder opgegeven woonadres;

-2) dat deze brief op 27 juli 1990 op dat adres is besteld;

Overwegende, dat verzoeker stelt tot 13 maart 1989 wel op bedoeld adres te hebben gewoond, doch niet betwist is, dat hij aan verweerder geen opgave van adreswijziging heeft gedaan, terwijl hij op 23 mei 1991 nog steeds op het oud adres stond ingeschreven in het Bevolkingsregister;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, onder dergelijke omstandigheden op verzoeker het risico rust, dat hij de brief niet ontvangen heeft en dat zijn stellingen, dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zich te verweren, dan ook niet opgaan;

-·dat het naar ’s Hoven oordeel dan ook niet toedoet of de brief wel of niet door verzoeker’s concubine op het oud adres is ontvangen;

Overwegende met betrekking tot de ontslagbrief van 7 augustus 1990;

– dat artikel 5 van de P.W. wel van toepassing hierop is;

– dat hier de uitreiking van die brief, welke een besluit inhoudt, in persoon, met zoveel woorden wordt voorgeschreven;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, deze bepaling in het belang van de landsdienaar dient, en het Hof geen reden aanwezig acht deze bepaling ten gunste van verweerster ruim op te vatten;

– dat niet in achtneming van artikel 5 van de P.W. met zich meebrengt, dat het besluit niet werkt ten nadele van de belanghebbende (vide artikel 6 van de P.W.);

– dat ten processe is gebleken, dat verweerder niet aan artikel 5 P.W. heeft voldaan;

Overwegende, dat het voorgaande niet impliceert, dat bedoeld besluit nietig is en dat zulks door verzoeker met succes kan worden gevorderd, wel, dat zoals bereids overwogen, dit besluit niet te zijnen nadele werkt;

Overwegende, dat verzoeker mitsdien niet ontvankelijk is in het eerste deel van het petitum van zijn inleidend rekest, inhoudende nietigverklaring van het besluit van 7 augustus 1990, het aan hem verleende ontslag inhoudende bij gebrek aan belang daarbij;

Overwegende, dat aan verzoeker wel toewijsbaar is het tweede deel(slot) van het petitum, gelijk hierboven door het Hof verbeterd is te verstaan, weshalve het Hof in voege als na te melden zal rechtdoen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering tot nietigverklaring van het besluit van verweerder vervat in het schrijven van 7 augustus 1990;

Gelast verweerder die handelingen te verrichten, opdat aan verzoeker tegen behoorlijke kwijting wordt uitbetaald zijn salaris verhoogd met de hem toekomende emolumenten, na aftrek van de gebruikelijke aftrekposten;

SRU-HvJ-2001-9

H.M.
GENERALE ROL NO.14057 en 14058.

SURINAM AMERICAN INDUSTRIES LIMITED N.V., gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.A.THIJM en Mr.J.KRAAG, advokaten
appellant,

tegen

[geïntimeerde], handelende onder de naam WESTERN INTERNATIONAL TRADERS, wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.R.LIM A PO, die thans vervangen wordt door Mr.A.R.BAARH, advokaat,
geïntimeerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 22 oktober 1999 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, de heer E.K.Mannes namens appellant, bijgestaan door advokaat Mr.J.Kraag gemachtigde van appellant en de heer E.T.J.Wong bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr.A.R.Baarh, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 6 oktober 2000, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Het Hof neemt hierover hetgeen in het tussenvonnis van 22 oktober 1999 is overwogen en volhard daarbij;
Overwegende, dat partijen op de bevolen en gehouden comparitie nadere inlichtingen hebben verschaft;
Overwegende, dat het Hof zich kan verenigen met het beroepen vonnis en zal dit dan ook bevestigen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 7 april 1998 tussen partijen gewezen, waarvan beroep;
Veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f……
Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van sf…..
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op sf….

Aldus gewezen door: Mr.A.I.RAMNEWAH, Fungerend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 1 JUNI 2001 in tegenwoordigheid van Mr.R.R.BRIJOBHOKUN, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.KRAAG en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.M.DERBY namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.BAARH, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1992-9

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 8 mei 1992
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en E.S. Ombre).

[verzoeker], gewezen ambtenaar, wonende te [district] aan [adres], gemachtigde Mr. J.J. EMANUELSON, advokaat, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Volksgezondheid, rechtspersoon in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo te zijnen Parkette aan de Gravenstraat 3, gemachtigde Mr.Dr. C.D. OOFT, advokaat, verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit;

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende;

1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen bij Uw Hof als Ambtenarengerecht tegen DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Volksgezondheid, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo te zijnen Parkette aan de Gravenstraat 3, verweerder;

2. dat, blijkens de hierbij overgelegde verklaringen van:

A. de onder-directeur Administratieve Diensten van ’s Lands Hospitaal te Paramaribo, verzoeker te rekenen van 24 februari 1967 in dit ziekenhuis is werkzaam geweest als mannelijke hulpkracht tot en met 30 april 1971 en, te rekenen van 1 mei 1971 tot en met 19 juni 1988 als portier bij dit ziekenhuis;

B. de directie van ’s Lands Psychiatrische Inrichting, verzoeker te rekenen van 20 juni 1988 tot en met 14 mei 1991 als ambtenaar B 1ste klasse (portier 1ste klasse) in ”vaste dienst” in deze ziekeninrichting is werkzaam geweest;

dat verzoeker mitsdien is geweest ambtenaar in de zin van de personeelswet;

3. dat, zoals blijkt uit de hierbij tevens overgelegde, door verzoeker op 13 juni 1991 ontvangen afschrift-beschikking van de Minister van Volksgezondheid, gedagtekend [datum] 12 juni 1991 [nummer 1], te rekenen van 15 mei 1991 aan verzoeker wegens plichtverzuim, oneervol ontslag uit Staatsdienst is verIeend;

4. dat het plichtsverzuim, waarvan verzoeker in voormelde beschikking wordt verweten, naar het oordeel van de directie van ’s Lands Psychiatrische Inrichting, daarin zou hebben bestaan, dat hij, verzoeker, ”sexuele handelingen” met een patiënte van gemelde ziekeninrichting zou hebben gepleegd; dat verzoeker zulks ten stelligste heeft ontkend en nog steeds blijft ontkennen; dat de lokaliteiten waarin de vrouwelijke patiënten van de inrichting zijn ondergebracht, ook aan de vóórzijde alwaar de ingangen zich bevinden, dusdanig door middel van opstaande stenen spijlen zijn afgesloten waardoor deze vertrekken niet zonder meer kunnen worden betreden en ook de patiënten deze vertrekken niet kunnen verlaten;

5. dat, naar het oordeel van verzoeker, de beschuldiging hiervoren in het derde sustenu bedoeld, hem valselijk en ten onrechte wordt verweten en mitsdien de beschikking van de Minister van Volksgezondheid de dato 12 juni 1991 [nummer 1], waarvan hierbij een afschrift wordt overgelegd, en waarbij aan hem, verzoeker, te rekenen van 15 mei 1991 oneervol ontslag uit Staatsdienst wordt verleend, dient te worden vernietigd, althans dient te worden nietig verklaard;

6. dat verzoeker op 12 mei 1991 als portier de middagdienst had in de ’s Lands Psychiatrische Inrichting. Het was op deze datum ”moederdag” en, hoewel verzoeker in de morgenuren van deze dag wat alcoholische drank tot zich genomen had, hetgeen hem bij schrijven van de geneesheer-directeur van gemelde ziekeninrichting werd verweten, hij niettemin zijn dienst naar behoren heeft verricht; dat hem in hetzelfde schrijven tevens werd verweten op 12 mei 1991 met een patiënte van de inrichting ”sexuele handelingen” te hebben gepleegd en daarbij werd uitgenodigd zich, terzake, binnen twee dagen te verantwoorden; dat verzoeker binnen de gestelde termijn bij verweerschrift heeft toegegeven op 12 mei 1991 wat alcoholische drank te hebben gebruikt, doch ten stelligste heeft ontkend zelfs gepoogd te hebben ”sexuele handelingen” met een patiënte van de ziekeninrichting te plegen; dat verzoeker hierbij overlegt afschrift van het door hem van de geneesheer-directeur van L.P.I. ontvangen schrijven, alsmede afschrift van het door hem, terzake, ingediend verweerschrift, met verzoek deze stukken als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen;

7. dat verzoeker, naar aanleiding van het door hem ingezonden verweerschrift en de tegen hem ingebrachte beschuldiging, bij schrijven van de directie van L.P.I. de dato 21 mei 1991 werd uitgenodigd voor een onderhoud op woensdag 22 mei 1991; dat dit onderhoud met de directie op gemelde datum heeft plaatsgehad, waarbij verzoeker nogmaals de tegen hem ingebrachte beschuldiging van het plegen van ”sexuele handelingen” met een patiënte van de inrichting met stelligheid heeft ontkend;

8. dat, naar het oordeel van verzoeker, de door de Minister van Volksgezondheid in haar (lees: zijn) beschikking de dato 12 juni 1991 [nummer 1] aangehaalde grond om het ontslag van verzoeker te rechtvaardigen, bij het onderhoud met de directie niet is gebleken en daarom is onjuist;

9. dat zelfs indien zou zijn gebleken dat verzoeker gepoogd zou hebben sexuele handelingen met een patiënte van de inrichting te plegen, quod non, dan nog staat de hem opgelegde disciplinaire straf/maatregel niet in een redelijke verhouding tot de ernst en de gevolgen van het verondersteld gepleegd plichtsverzuim;

10. dat in de hiervoren aangehaalde beschikking van de Minister van Volksgezondheid verzoeker steeds wordt aangeduid als de persoon van [verzoeker], waardoor twijfel kan ontstaan of met deze aanduiding verzoeker, dan wel een ander persoon hiermede wordt bedoeld; dat vanwege deze onduidelijkheid in voormelde beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 12 mei 1991 [nummer 1] als ondeugdelijk moet worden aangemerkt;

11. dat, op grond van al het voorgaande, de vorenaangehaalde beschikking van de Minister van Volksgezondheid de dato 12 juni 1991 [nummer 1], waarbij aan [verzoeker] te rekenen van 15 mei 1991, oneervol ontslag uit Staatsdienst wordt verleend en waarmede waarschijnlijk verzoeker wordt bedoeld, niet in stand kan blijven en behoort te worden nietig verklaard;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de Minister van Volksgezondheid de dato 12 juni 1991 [nummer 1], waarbij aan [verzoeker], met wie waarschijnlijk verzoeker wordt bedoeld, te rekenen van 15 mei 1991 op de daarin vermelde grond, oneervol ontslag uit Staatsdienst is verleend, zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard en zal worden bepaald dat verzoeker in zijn functie van ambtenaar B 1ste klasse in vaste dienst bij ’s Lands Psychiatrische Inrichting van het Ministerie van Volksgezondheid zal worden hersteld;

Kosten rechtens;

Overwegende, dat de Staat Suriname een verweerschrift heeft ingediend, waarin als verweer wordt aangevoerd;

1. Verweerder ontkent al hetgeen door verzoeker bij inleidend request wordt gesteld, behoudens hetgeen hij gaaf en onvoorwaardelijk als juist kan erkennen, onder aanbod van bewijs, door alle middelen rechtens, ook door getuigen;

2. Verweerder kan erkennen hetgeen in het verzoekschrift is gesteld in het 2e en 3e sustenu;

3. Door verweerder wordt evenwel ten stelligste weersproken, de toedracht zoals verzoeker die geeft (in de punten 3 en 4 van het verzoekschrift) omtrent de grondslag voor het plichtsverzuim op grond waarvan verzoeker is ontslagen en stelt daartegenover:

a. In de ontslag beschikking is met zoveel woorden overwogen dat verzoeker ten tijde van zijn dienst in beschonken toestand (onder invloed van alcohol) verkeerde; hierbij is aangetekend dat dit door verweerder in zijn verweer is erkend.

Het verzoekschrift in de punten hierboven aangehaald verzwijgt dit.

b. De ontkenning van verzoeker wordt te niet gedaan door de getuigenis van een aantal ambtenaren die daarop gehoord, hun getuigenis hebben afgelegd, waarvan ten behoeve van het Hof van Justitie, een samenvatting (door de Directie van L.P.I. opgesteld ten behoeve van de Directie van het Ministerie van Volksgezondheid d.d. 24 mei 1991 [nummer 2]) wordt bijgevoegd, met het verzoek deze samenvatting als hier geïnsereerd en deel uitmakende van dit verweer door Uw Hof van Justitie wordt beschouwd.

4. Op grond van het voorgaande kon dan ook verweerder tot het oordeel komen dat het gedrag, c.q. complex van gedragingen en feiten van verzoeker, plichtsverzuim opleveren en werd hem gemotiveerd, disciplinair ontslag verleend, e.e.a. ingevolge de Personeelswet. Verweerder biedt gaarne aan dat de getuigen hierboven bedoeld tot het aanbrengen van het wettige bewijs, door Uw Hof van Justitie, alsnog desnodig onder ede worden gehoord. Met het voorgaande zijn ook de punten in het inleidend request van verzoeker te weten 6 tot en met 10 weergelegd en weersproken, met dien verstande, dat verweerder thans als zijn oordeel wil stellen dat de opgelegde straf dejure tenminste evenredig is ten opzichte van het gepleegde verzuim en eerder te licht en zeker niet te zwaar moet worden geacht;

5. Omdat verzoeker met zoveel woorden de opgelegde straf in twijfel trekt, doet verweerder stellen, dat hij, juist om de heer [verzoeker] een dubbele straf te onthouden, van het gepleegde feit geen directe aangifte heeft gedaan bij de politie, op grond waarvan anders, gelet op het bewijsmateriaal en het verkeren onder invloed van alcohol, met één aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, verzoeker door de politie zou zijn opgebracht en voor verdere verhoor in verzekerde bewaring zou zijn gesteld.

6. Met betrekking tot het gestelde in punt 10 van het inleidend request, waarin verzoeker poogt een beroep te doen op een formeel gebrek in de beschikking van de Minister van Volksgezondheid, wenst verweerder te stellen dat ook dit beroep zal stranden vermits er maar één [verzoeker] Personeels [nummer 3] bij de ’s Lands Psychiatrische Inrichting als ambtenaar B Eerste klasse, in dienst was als portier;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, danwel hem deze zal worden ontzegd alszijnde ongegrond, in strijd met de Personeelswet en niet bewezen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 10 october 1991 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, advokaat Mr. J.J. EMANUELSON, gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr.Dr. C.D. OOFT, gemachtigde van verweerder en de heer R.A. REID, hoofd Algemene- en Personeelszaken van L.P.I., die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen vervolgens de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat ten processe vaststaat, dat verzoeker ambtenaar, is (geweest) in de zin van de Personeelswet (P.W.)

– dat verzoeker bij besluit van de Minister van Volksgezondheid d.d. 12 juni 1991 [nummer 1] , te rekenen van 15 mei 1991 uit Staatsdienst werd ontslagen, op grond dat hij:

1. op 12 mei 1991 tijdens het uitoefenen van zijn werkzaamheden in beschonken toestand verkeerde;

2. op 12 mei 1991 sexuele handelingen heeft gepleegd met een patiënte van ’s Lands Psychiatrische Inrichting;

Overwegende, dat verzoeker tijdig van voormeld besluit is opgekomen bij het Hof als ambtenarengerecht;

Overwegende, aangaande de sub 1 vermelde grond van het ontslag:

– dat verzoeker blijkens zijn verweerschrift heeft toegegeven, dat hij op 12 mei 1991 ”onder invloed van alcohol” op zijn werk kwam en dat hij op zijn werkzijnde, bezoek van een vriend kreeg met wie hij nog twee biertjes heeft gebruikt;

– dat verzoeker tijdens het verhoor ter terechtzitting van 25 oktober 1991 heeft verklaard, dat hij (3) biertjes gedronken had op die 12e mei 1991;

Overwegende, dat verzoekers gedrag terzake, naar ’s Hoven oordeel, als indisciplinair c.q. plichtsverzuim wordt gekwalificeerd;

Overwegende, aangaande de sub 2 vermelde grond van het ontslag;

– dat naar uit het schrijven van de Geneesheer-Direkteur van ’s Lands Psychiatrische Inrichting d.d. 24 mei 1991 [nummer 2], blijkt, als getuigen zijn gehoord de verpleegkundigen [naam 1] en [naam 2] en de hulpkracht [naam 3], die – voor zover van belang – hebben verklaard: [naam 1]: ”De meneer in kwestie (bedoeld wordt verzoeker), liep achter de aanplantingen (faja-lobies) en kwam zo bij de spijlen waarachter patiënte [naam 4] op de tegels van de vloer lag. Hij was zodanig bezig, dat hij mij niet eens opmerkte. De patiënte merkte mij wel op en zei tegen [verzoeker]: ”kijk zuster”. Hij, [verzoeker], had een manja in zijn hand om die dame aan te lokken. Die dame haar hand was tegen de spijlen bij de broek van de portier (i.c. verzoeker). Ik kon moeilijk tussen de spijlen zijn penis zien, maar wel was zijn gulp open.”

[naam 2]:

Zij hoorde iemand zeggen: “Er is iemand bij patiënte [naam 4]”.

– dat zij de patiënte naar voren zag schuiven, terwijl de portier (i.c. verzoeker) bezig was met zijn handen tussen de benen van de dame;

– dat zij – zuster [naam 2] – van de patiënte vertrouwelijk heeft vernomen, dat hij – verzoeker – inderdaad zijn penis uit zijn broek had en in haar hand; dat zij het moest vasthouden;

Overwegende, dat, naar uit gemelde verklaring blijkt, zuster [naam 2] omtrent door verzoeker gepleegde sexuele handelingen niets heeft gezien of meegemaakt;

[naam 3]:

”Ik wist niet dat hij (verzoeker) tussen de spijlen van de vrouwenobservatie stond te kijken. Ik zat op een stoel, keek naar de dameskant, zag de portier (verzoeker) klimmen en in de dameskamer kijken. Toen hij ons zag zakte hij;

Overwegende, dat het den Hove niet gebleken is, dat de patiënte [naam 4] behoorlijk is gehoord, en ook niet met verzoeker is geconfronteerd;

– dat zulks te meer geboden was, nu verzoeker heeft ontkend sexuele handelingen met genoemde patiënte te hebben gepleegd;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, uit de verklaringen van genoemde personen, in onderling verband en samenhang beschouwd, hooguit valt af te leiden, dat verzoeker zou hebben gepoogd sexuele handelingen te plegen met de patiënte [naam 4];

Overwegende, dat de Geneesheer-Direkteur, na behoorlijke en gedegen evaluatie van de verklaringen van genoemde personen, [naam 1], [naam 2] en [naam 3], dan ook terecht tot het oordeel is gekomen, dat verzoeker gepoogd heeft sexuele handelingen te plegen met een patiënte van de Inrichting (vide brief van 24 mei 1991 [nummer 2] );

– dat voormeld schrijven van de Geneesheer-Direkteur voornoemd als basis heeft gediend, waarop het gewraakte ontslag – besluit van de Minister van Volksgezondheid steunt;

Overwegende, dat verzoeker evenwel niet mede op grond van poging tot het plegen van sexuele handelingen met een patiënte van de Inrichting werd ontslagen, hetgeen voor de hand lag, maar mede op grond van het plegen van sexuele handelingen met patiënte [naam 4], een voltooid delict dus, wat niet is komen vast te staan, c.q. bewezen;

Overwegende, dat de motivering van het ontslagbesluit van 12 juni 1991 [nummer 1], op dit punt een ondeugdelijke feitelijke grondslag heeft, hetgeen tot consequentie heeft, dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en moet worden vernietigd, wegens schending van het in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginsel van behoorlijk bestuur;

Overwegende, dat, gelijk hierboven bereids overwogen, verzoeker zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt door ”in beschonken toestand” op zijn werk te verschijnen, zodat een tuchtstraf op zijn plaats is;

– dat evenwel de straf van ontslag niet in verhouding staat tot de gepleegde gedragingen als voormeld;

– dat niet gesteld of gebleken is, dat verzoeker eerder onbehoorlijke gedragingen heeft vertoond, waarvoor hij eerder ook tuchtrechtelijk zou zijn gestraft;

Overwegende, dat het Hof de tuchtstraf van schorsing voor de duur van 1 (een week), met stilstand van salaris, in overeenstemming acht met het geconstateerde plichtsverzuim, als voormeld;

Overwegende, dat het Hof danook als volgt zal rechtdoen:

RECHTDOENDE ALS GERECHT IN AMBTENARENZAKEN:

Vernietigt het Besluit van de Minister van Volksgezondheid van 12 juni 1991 [nummer 1] tegen verzoeker genomen.

EN OPNIEUW BESLISSENDE:

Legt verzoeker de tuchtstraf op van schorsing voor de duur van 1 (een week), met stilstand van salaris;

 

SRU-HvJ-1992-8

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 8 mei 1992
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, E.S. Ombre en O.W. Abendanon)

[verzoeker], wonende aan [adres] in het [district], verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. G.H. GUNTHER, advokaat, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

– dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen:

de Staat Suriname, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, verweerder;

– dat verzoeker op 6 juli 1987 in dienst is getreden als schipper-motorist bij het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen tegen een maandelijkse vergoeding van f. 546,– en sedertdien ambtenaar is en alszodanig aanspraak maakt op rechtsbescherming ingevolge de personeelswet;

– dat verzoeker bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen d.d. 28 november 1989 [nummer 1] van een vaste aanstelling is voorzien;

– dat verzoeker het diploma voor schipper-motorist heeft behaald op 26 oktober 1979;

– dat verzoeker bij schrijven van het Hoofd van de Dienst ’s Landsbosbeheer d.d. 2 november 1987 [nummer 2] werd medegedeeld dat hij vanaf 3 november 1987 zijn werkzaamheden aan de Corantijn-rivier en op de L.B.B.-posten Wakay en Mac-Clemen moest verrichten;

– dat verzoeker bij schrijven van 10 oktober 1990 [nummer 3] belast werd met de leiding van de afdeling Watertransport;

– dat verzoeker bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen d.d. 8 mei 1991 [nummer 4] is bevorderd tot ambtenaar A 2e kl. (schaal 8) te rekenen van 1 augustus 1991;

– dat verzoeker steeds zijn dienst naar behoren heeft verricht;

– dat verzoeker de mening toegedaan is, dat hij in deze benadeeld is geworden;

– dat verzoeker de werkzaamheden verricht als gezagvoerder (boodsman);

– dat verzoeker tevens fungeert als waarnemend-plaats-vervangend- chef van de afdeling Watertransport bij L.B.B.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat de door de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen gegeven beschikking d.d. 8 mei 1991 [nummer 4] zal worden vernietigd en voor recht zal worden verklaard dat eiser in de naast hogere schaal wordt benoemd.

Overwegende, dat de Staat Suriname een verweerschrift heeft ingediend, waarin als verweer wordt aangevoerd:

1. dat verweerder het dienstverband met verzoeker erkent, zomede de gegeven beschikking en wel bijzonderlijk de beschikking van 8 mei 1991 [nummer 4] terzake bevordering en inpassing in schaal 8 van het Bezoldigingsbesluit voor Ambtenaren en wel als van toepassing op een ambtenaar A 2de klasse, ing. 1 augustus 1991;

2. dat verzoeker van deze opgemelde beschikking niet in beroep is gekomen binnen de administratie en zich rechtstreeks heeft gewend tot het Hof;

3. dat verzoeker meent dat hij terzake benadeeld is geworden en verzoekt de gegeven beschikking te doen vernietigen en opnieuw rechtdoende voor recht te verklaren dat hij, verzoeker zal worden benoemd in de naast hogere schaal (t.w. schaal 9);

4. dat het verzoek van eiser een onmogelijkheid is, daar de schalen aan bepaalde funkties gebonden zijn en de inpassing in een naast hogere schaal dan pas gerealiseerd kan worden na de bevordering in een hogere funktie c.q. rang;

5. dat verzoeker laatstelijk gediend heeft in schaal 6 en door funktieverandering thans werd beloond naar de normen geldend voor schaal 8, hetgeen alleszins redelijk en billijk is, waardoor van benadeling geen sprake kan zijn;

6. dat verzoeker zich beroept op zijn plichtsgetrouwe dienstvervulling kan geen argument zijn, aangezien dat van elke ambtenaar verwacht moet worden;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd;

– dat verzoeker in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 8 oktober 1991 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, advokaat Mr. G.H. Gunther, gemachtigde van verweerder en Ch. Stijnberg, onder-Directeur Administratieve Diensten van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de verzoeker hierna een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, terwijl de gemachtigde van verweerder hiervan heeft afgezien;

Overwegende, dat partijen vonnis hebben gevraagd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 17 april 1992, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet, (P.W.);

Overwegende, dat verzoeker op grond van feiten genoemd in zijn verzoekschrift, vordert, dat hij in schaal 9 bevorderd diende te worden, in plaats van schaal 8 van de salarisregeling;

Overwegende, dat het Hof allereerst verzoekers petitum verbeterd leest alsvolgt;

”dat de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen d.d. 28 november 1989, [nummer 1] wordt vernietigd met veroordeling van verweerder zodanige handelingen te verrichten, dat verzoeker in een hogere schaal (n.l. schaal 9) wordt bevorderd, onder verbeuring van een dwangsom van f. 25,– per dag, voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft aan het veroordelend vonnis te voldoen”;

Overwegende, dat ten processe rechtens is komen vast te staan, dat verzoeker aanvankelijk dienende in schaal 6 van de salaris- regeling en op voordracht van zijn superieuren te rekenen van 1 augustus 1991 bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen van 8 mei 1991 [nummer 4] is bevorderd tot ambtenaar A 2e klasse (schaal 8);

Overwegende, dat uit het verhoor van partijen gebleken is, dat verzoeker, die in schaal 6 diende niet werd bevorderd in de aanloopschaal 7, doch in de functionele schaal 8;

– dat schaal 9 bestemd is als uitloopschaal;

Overwegende, dat nu, naar ’s Hoven oordeel, de door verzoeker in zijn verzoekschrift en tijdens de verhoren aangedragen feiten, geen aanspraak geven op benoeming in schaal 9, dient zijn verzoek als ongegrond te worden afgewezen.

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Wijst verzoekers vordering af.

 

 

SRU-HvJ-2000-5

M.R.S.

GENERALE ROL NO.14028.

N.V.SCHEEPVAART MAATSCHAPPIJ SURINAME, rechtsper­soon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Waterkant no.44 te Parama­ribo, voor wie als gemachtigde op­treedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advo­kaat, appellante in conventie en in reconventie in Kort Ge­ding,

tegen

SURINAME COAST TRADERS N.V., rechtspersoon, ge­ves­tigd te Paramaribo, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Mr.F.H.R.Lim A Postraat no.1, bij het Advokatenkantoor Lim a Po, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.B.A.HALFHI­DE, advo­kaat, ge­intimeerde in conventie en in reconventie in Kort Ge­ding,

De Funge­rend-Presi­dent spree­kt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navol­gende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 5 maart 1999 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;`

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden compari­tie van partijen zijn verschenen de heer M.E.Lieuw A Paw directeur van S.M.S. namens appellante, de heer C.R.Manes en de heer R.K.Pahaladsing namens geinti­meer­de en de gemachtigden van partijen de advokaten Mr.E.C­.M.Hooplot en Mr.B.A Halfhide, die hebben ver­klaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gere­lateerd;

Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was be­paald op 9 juli 1999, doch na enige malen te hebben aangehou­den nader op heden.

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT :

IN CONVENTIE:

Het Hof neemt over en volhardt bij hetgeen bij tussen­vonnis d.d. 5 maart 1999 is overwogen en beslist. De bij voormeld tussenvonnis bevolen comparitie van par­tijen voor het inwinnen van inlichtingen en het be­proe­ven van de mogelijkheden van een minnelijke rege­ling is gehouden op 16 april 1999 en daarna voortgezet op 30 april 1999, waarbij vertegenwoordigers van par­tijen zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt proces-verbaal, hetwelk zich tussen de processtukken bevindt, staat gerelateerd. De verte­genwoordigers van partijen hebben ter gelegenheid van de comparitie van partijen d.d. 16 april 1999 verklaard – kort samengevat en in zoverre van belang – dat zij in deze zaak alleen een beslissing in de be­slagkwestie, welke bij het bestreden vonnis beslecht is, verlangen, in dier voege dat er een uitspraak komt ten aanzien van de al dan niet terechte opheffing van de derdenbesla­gen. Appellante heeft tegen het beroepen vonnis drie grieven ontwikkeld, waarvan de eerste alsvolgt luidt:

A. ten onrechte heeft de Kantonrech­ter aangenomen dat appellante aan geintimeerden Sf.38­6.030,26 (moet zijn Sf. 368.030.968,26) verschul­digd was.

B. De Kantonrechter heeft ten onrechte aangenomen dat de vordering van appellante door compensatie te niet was gegaan en de opheffing van het beslag daarop geba­seerd.

C. Het standpunt van de Kantonrechter met betrekking tot het verschuldigd worden van de boete is niet zo ongenuanceerd in de doctrine. De boete vervalt bij gebleken wanprestatie, dit is zodra de debiteur in verzuim is. Voor het in verzuim raken is in het alge­meen een ingebrekestelling vereist, doch niet in het geval – zoals in casu – dat er sprake is van een fata­le termijn in de overeenkomst. Gelet op de verklarin­gen van de vertegenwoordigers van partijen ter gele­genheid van voormelde comparitie behoeft de grief, hiervoor onder C aangegeven, geen bespreking (meer) aangezien de rele­vantie daarvan is komen weg te val­len. De grief, hier­voor onder A aangegeven, komt het Hof gegrond voor. Immers heeft partij SURINAM COAST TRADERS N.V. ter staving van zijn daartoe strekkende stelling volstaan met een door haar eenzijdig opge­maakt overzicht dien­aangaande in het geding te bren­gen, welke partij S.M.S. gemotiveerd heeft weersproken in respectievelijk het 4e en 6e ”dat” van haar conclu­sie van antwoord in eerste aanleg.

Gelet op het voorgaande heeft de Kantonrechter geheel ten onrechte de schuldplichtigheid van partij S.M.S. tot het in het vonnis genoemd bedrag ad Sf.386.030.968­,26 aangenomen. Met inachtneming van het voorgaande is de daarop gevolgde compensatie – zoals door de Kantonrechter toegepast – onterecht vastge­steld. De door appellante aangevoerde grief, zoals hiervoor onder B weergegeven, is derhalve eveneens gegrond. Immers is de schuldplichtigheid van appellan­te – zoals hiervoor besproken – onvoldoende komen vast te staan en de als uitvloeisel daarvan gevolgde com­pensa­tie door de Kantonrechter ten onrechte toegepast. In het geding in eerste aanleg is in elk geval wel de schuldplichtigheid van partij SURINAM COAST TRADERS N.V. tot het bedrag van U.S.$ 46.500,–, zijnde res­tant koopsom van het motorschip ”Suriname”, komen vast te staan, doch uit de stellingen van de appellante blijkt dat zij de beslagen niet alleen gelegd heeft voor de zekerheid van de voldoening van de saldo koop­som, doch nog meer voor de zekerheid van de door haar vastgestel­de boete ad +U.S.$ 3.000.000,– (Drie Miljoen Ameri­kaanse Dollars), waarvan de verschuldigd­heid discutabel is en Wij Ons kunnen verenigen met het oordeel van de Kanton­rechter dat de ingebrekestelling met betrekking daartoe niet is komen vast te staan, hetgeen toch een vereiste is. De beslaglegging komt het Hof danook vexatoir voor, daar de geintimeerde uit hoofde van verhuur van veerbo­ten ook vorderingen op de appellante heeft en de be­slaglegging, gelet op de verhaalsmoge­lijkheden op de geintimeerde, niet noodza­kelijk was. Tussen partijen is voorts in confesso dat er in het beroepen vonnis sprake is geweest van een kennelijke verschrijving zijdens de Kantonrechter aangezien uit de ten processe overgelegde stukken blijkt dat op pagina 5 daarvan (laatste alinea) inste­de van Sf.386.030.968,26 diende te staan Sf.368.030.9­68,26. Het Hof zal voormeld vonnis verbe­te­ren in voege als hiervoor vermeld. Op grond van al het voorgaande zullen Wij het vonnis, waarvan beroep, danook – onder verbetering en aanvul­ling van gronden als hiervoor aangegeven – bevestigen, met veroordeling van appellante, als de in het ongelijk gestelde par­tij, in de gedingkosten in hoger beroep.

IN RECONVENTIE:

Het Hof neemt hier eveneens over en volhardt bij het­geen bij tussenvonnis d.d. 5 maart 1999 is overwogen en beslist. De bij voormeld tussenvonnis bevolen com­pari­tie van partijen voor het inwinnen van inlichtin­gen en het beproeven van de mogelijkheden van een minnelijke regeling is gehouden op 16 april 1999 en daarna voort­gezet op 30 april 1999, waarbij vertegen­woordigers van partijen zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt proces-ver­baal, hetwelk zich tussen de processtukken bevindt, staat gerelateerd. De vertegenwoordigers van partijen hebben ter gelegenheid van de comparitie van partijen d.d. 16 april 1999 verklaard – kort samengevat en in zoverre van belang – dat zij in deze zaak alleen een beslissing in de be­slagkwestie, welke bij het bestre­den vonnis beslecht is, verlangen, in dier voege dat er een uitspraak komt ten aanzien van de al dan niet terechte opheffing van de derdenbeslagen. Gelet op het voorgaande zal het er in dit geding voor worden gehou­den dat appellante geen belang (meer) heeft bij het ingestelde rechtsmiddel ten aanzien van hetgeen in reconventie door de Kantonrech­ter in het bestreden vonnis d.d. 22 augustus 1995 is overwogen en vastge­steld en zal dat vonnis, waarvan beroep, danook worden bevestigd, met veroordeling van de appellant, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten in hoger beroep.

RECHTDOENDE IN KORT GEDING IN HOGER BEROEP:

IN CONVENTIE:

Bevestigt, onder aanvulling en verbetering van gronden, het vonnis d.d. 22 augustus 1995 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken, waarvan beroep;

Veroordeelt appellante in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op Sf…….

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf.10.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geintimeerde eveneens op f.10.000,–;

IN RECONVENTIE:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken op 22 augustus 1995, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en be­groot op f….

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf.10.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geintimeerde eveneens op f.10.000,–;

IN CONVENTIE EN IN RECONVENTIE:

Aldus gewezen door de heren: Mr.G.GANGARAM-PAN­DAY, Fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.W­OLFF, Leden en door de Fungerend-President uitge­sproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 16 JUNI 2000, in tegenwoor­digheid van Mevr.Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substi­tuut-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.Dr.C.D.Ooft namens haar gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.A.M.Essed namens haar gemachtigde, advo­kaat Mr.B.A.Halfhide, zijn bij de uitspraak ter te­rechtzit­ting verschenen.

SRU-HvJ-2001-8

M.H.

GENERALE ROL NO.13668.

[appellant], wonende te [adres] in het [district] voor wie als gemachtigde op­treedt Mr.H.R.SCHURMAN, advo­kaat, appellant,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte verte­genwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie te zijner Parkette aan de Gravenstraat no.4 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.C.Ch.BHAGWANDIN, advokaat, geïntimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kanton­rech­ter in het Eerste Kanton van 3 december 1991 tussen par­tijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 23 december 1991, waaruit blijkt van het in­stel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisen­de partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:

1. dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie te zijner Parkette aan de Gravenstraat no.4 te Paramaribo, gedaagde;

2. dat eiser in 1963 van de Dorpsgemeente van [plaats] in huur heeft verkregen het perceelland groot 1.43 ha gelegen te [plaats] in het [district] Serie B aangeduid op de kaart van de landmeter A.W. Brakke d.d. 20 juni 1927 met het [nummer 1];

3. dat de vorige bezitter van het perceel zekere [naam] langer dan 10 jaren genoemd perceel heeft bezeten;

4. dat zowel die [naam] als eiser genoemd perceel voortdurend, onafgebroken ongestoord en openbaar ondub­belzinnig hebben bezeten met de oppervlakte van 1.43 ha;

5. dat eiser bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie d.d. 4 augustus 1986 Bureau [nummer 2] [nummer 3] in grondhuur ter uitoefe­ning van de tuinbouw voor de duur van 40 jaren heeft verkregen het perceelland groot 1.0777 ha gelegen in het [district] te [plaats] bekend als [nummer 4] (Kadastraal [nummer 4]) en nader aangeduid op de kaart van de landmeter Ing.H.Kalloe d.d. 10 oktober 1985 met de letters ABCD, zijnde genoemd perceel hetzelfde perceel dat op de uitmetingskaart van de landmeter A.W.Brakke d.d. 20 juni 1927 1.43 ha bedraagt en met het [nummer 1] is aangeduid;

6. dat eiser zich benadeelt voelt nu de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie eiser het perceel op een kleinere omvang heeft bepaald, althans aan hem een kleiner perceel heeft verstrekt t.w. 1.0777 ha instede van 1.43 ha;

7. dat ten tijde waarop de genoemde beschikking werd genomen t.w. 4 augustus 1986 eiser het perceel reeds 23 jaar bezat (1963 naar 1986) terwijl als reeds gesteld zowel hij eiser als zijn voorganger [naam] die het perceel langer dan 10 jaren bezat, dat perceel van 1.43 ha ongestoord, ondubbelzinnig en het openbaar hebben bezeten leverende dat bezit 23 jaar + 10 jaar is 33 jaar op;

8. dat eiser gerechtigd is om zich met betrekking tot de omvang van het bezit van het genoemd perceel ad 1.43 ha op de verkrijgende verjaring te beroepen;

9. dat blijkens hierbij overgelegde betalingsbewijzen eiser voor het perceel aan huur f.3.50,– per jaar betaalde zijnde f.2,– per ha zodat de betaling reeds aangeeft dat eiser een vergoeding betaalde voor een perceel van 1.45 ha;

10. dat op grond van al het voorgaande eiser zich niet kan verenigen met de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie d.d. 4 augustus 1986, zullende deze beschikking dienen te worden ver­nietigd, althans kan deze niet instand blijven;

11. dat gedaagde weigert om de zaak in der minne te beslechten;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;

Primair

a. dat bij vonnis, zonodig uitvoerbaar bij voorraad voor recht zal worden verklaard dat eiser het perceel­land groot 1.43 ha gelegen te [plaats] Serie B [nummer 1] thans [nummer 4] in het [district] aangeduid op de kaart van de landmeter A.W.Brakke d.d. 20 juni 1927 door verjaring heeft verkregen, hebbende eiser en zijn rechtsvoorganger genoemd perceel ter grootte van 1.43 ha openbaar, voortdurend, ongestoord en ondubbelzinnig gedurende langer dan 30 jaren bezeten.

b. dat bij vonnis, zonodig uitvoerbaar bij voorraad de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie d.d. 4 augustus 1986 bureau [nummer 2] [nummer 3] zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard en gedaagde zal worden veroordeeld om binnen DERTIG DAGEN na betekening van het vonnis aan eiser in grondhuur te verstrekken althans af te staan voor de duur van 40 jaren ter uitoefening van de tuin­bouw, het perceelland groot 1.43 ha gelegen te [plaats] Serie B [nummer 1] thans [nummer 4] in het [district], althans gedaagde, het Ministerie van Natuurlijke Hulp­bronnen, zal worden veroordeeld om de beschikking van 4 augustus 1986 Bureau [nummer 2] [nummer 3] te wijzigen in dier voege dat de grootte van het genoemd perceel 1.43 ha in stede van 1.0777 ha bedraagt met veroorde­ling van gedaagde om voor iedere dag waarop hij in gebreke blijft om aan het vonnis te voldoen aan eiser ten titel van dwangsom verschuldigd zal zijn een bedrag van f.1.000.–;

Subsidiair:

a. dat bij vonnis voor recht zal worden verklaard dat het perceel van eiser gelegen te [plaats] Serie B [nummer 4] vroeger [nummer 1] in het [district] een grootte heeft van 1.43 ha in stede van 1.0777 ha;

b. dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser in grondhuur af te staan althans te verstrekken voor de duur van 40 jaren ter uitoefening van de tuinbouw, het perceelland groot 1.43 ha gelegen te [plaats] Serie B [nummer 1] thans [nummer 4] in het [district] zoals aangeduid op de kaart van de landmeter A.W.Brakke d.d 20 juni 1927.

c. dat bij vonnis de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie d.d. 4 augustus 1986 Bureau [nummer 2] [nummer 3] zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard en gedaagde zal worden veroordeeld om genoemde beschikking te wijzigen in dier voege dat het aan eiser in grondhuur verstrekte perceel te [plaats] Serie B [nummer 1] thans [nummer 4] in het [district] 1.43 ha bedraagt in stede van 1.0777 ha, met veroordeling van gedaagde om voor elke dag waarop hij in gebreke blijft om aan het vonnis te voldoen aan eiser ten titel van dwangsom verschuldigd zal zijn de som van f.1.000,–, Kosten rechtens;

Overwegende, dat De Staat Suriname als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclu­sie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconclu­deerd:

dat eiser in zijn vorderingen niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze hem zullen worden ontzegd, alszijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervol­gens bij conclu­sies van repliek en dupliek haar stel­lingen nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 3 december 1991 op de daarin opgenomen gronden:

Eiser zijn vorderingen heeft ontzegd;

Hem in de proceskosten heeft veroordeeld aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-ver­baal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voor­meld eind­vonnis van 3 december 1991;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.SITARAM van 12 januari 1996 aan geïntimeerde aan­zeg­ging van het inge­stelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de recht­sdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een pleitnota heeft genomen, terwijl de gemachtigde van geintimeerde ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld geen pleidooi heeft overgelegd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvan­kelijk had bepaald op 2 maart 2001, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellant tegen het beroepen vonnis de dato 3 december 1991 twee grieven heeft ontwikkeld, luidende:

I. ten onrechte is de Kantonrechter geheel voorbijge­gaan aan de stelling van hem, appellant, en aan het overgelegd bewijs, hetwelk door geintimeerde overigens niet is betwist en de bescheiden niet van valsheid heeft beticht, dat hij, appellant, het perceel heeft verkregen bij beschikking van de Minister van Natuur­lijke Hulpbronnen, nadat daartoe een onderzoek was ingesteld door de Bestuursopzichter ter plaatse;

II. ten onrechte heeft de Kantonrechter niet beslist over zaken, die hem door partijen zijn voorgelegd; de Kantonrechter diende te beslissen of de Overheid zich behoorlijk danwel onbehoorlijk heeft gedragen door een beschikking de dato 4 augustus 1986 bureau [nummer 2], [nummer 3] te geven waarin een deel van het perceel van appellant wordt ingetrokken, terwijl hij dat reeds 23 jaren bewoont en bewerkt. Daarbij geldt dat een eenmaal verkregen recht niet zonder noodzaak wordt teniet gedaan. De centrale overheid is onzorgvuldig geweest en heeft appellant ernstig benadeeld;

Overwegende, dat de eerste grief Ons voorkomt als te zijn onjuist en ongegrond en mitsdien dient te worden verworpen, hebbende de Kantonrechter immers zeer terecht aan een bespreking onderworpen, de feiten, ten grondslag gelegd aan het primair gevorderde in onder­deel a. van het petitum en zeer terecht dat gevorderde op basis van de aan het beroepen vonnis ten grondslag gelegde rechtsoverwegingen, die het Hof volkomen juist voorkomen en door het Hof worden overgenomen en tot de zijne gemaakt, heeft ontzegd;

Overwegende, dat de tweede grief appellant, wat daarvan ook zij, ook niet vermag te baten en mitsdien faalt, omdat appellant, naar het Hof gebleken is, met betrekking tot het gevorderde in onderdeel b van het petitum niet aan zijn stelplicht heeft voldaan;

appellant heeft immers geen feiten gesteld die, indien bewezen tot toewijzing van bedoeld onderdeel van het petitum zouden leiden;

Overwegende, dat het Hof voor wat betreft het subsidiair gevorderde in onderdeel a van het petitum refereert aan wat de Kantonrechter overwogen heeft in het beroepen vonnis en geleid heeft tot ontzegging van appellant zijn vordering nemende het Hof dat overwogene ook in dit opzicht over en makende het tot de zijne;

Overwegende, dat nu, naar appellant onweersproken heeft gesteld, hij in grondhuur afgestaan gekregen heeft het perceel groot 1.0777 ha zijnde een deel van het perceel, dat een oppervlakte beslaat van 1.43 ha, ontgaat het Ons geheel hoe appellant thans in grondhuur zou kunnen worden afgestaan het gehele perceel, groot 1.43 ha, dus inclusief het deel, groot 1.0777 ha;

toewijzing van het subsidiair gevorderde in onderdeel b van het petitum stuit dan ook geheel af op het zo juist overwogene;

Overwegende, dat nu appellant voor wat betreft het subsidiair gevorderde in onderdeel c van het petitum, naar het Hof gebleken is, ook niet aan zijn stelplicht heeft voldaan stuit toewijzing van dit gevorderde eveneens daarop af;

met betrekking tot dit gevorderde merkt het Hof ook nog op dat de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie de dato 4 augustus 1986 Bureau [nummer 2] [nummer 3] na aanbieding door appellant zelf daartoe, is overgeschreven in de bestemde regis­ters ten Hypotheekkantore, en mitsdien is uitgewerkt; het ontgaat het Hof dan ook geheel hoe vernietiging c.q. wijziging van die beschikking zou kunnen volgen;

Overwegende, dat het hof op grond van al het vorenoverwogene het vonnis, waarvan beroep zal vernie­tigen en zowel het primair als het subsidiair gevorder­de alsnog afwijzen, onder veroordeling van appellant als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten op dit geding aan de zijde van geintimeerde gevallen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 3 december 1991 tussen partijen gewe­zen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Wijst af zowel het primair als het subsidiair gevorderde;

Veroordeelt appellant in de kosten in beide in­stanties aan de zijde van geintimeerde gevallen en in prima begroot op Sf……

en in hoger beroep begroot op Sf…..

bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant op Sf….

Aldus gewezen door de heren Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Le­den en door de Vice-Presi­dent uitge­spro­ken ter open­ba­re te­recht­zitting van het Hof van Justi­tie van VRIJ­DAG, 6 april 2001 in tegenwoor­dig­heid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is versche­nen advokaat Mr.J.NIBTE namens de respectieve gemachtigden van partij­en, advokaten Mr.H.R.SCHURMAN en Mr.C.CH.BHAG­WAN­DIN.

SRU-HvJ-2001-7

H.M.
GENERALE ROL NO.14014.

[appellante], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.E.STRUIKEN, advokaat,
appellante,

tegen

[geïntimeerde], wonende in [land], ten deze domicilie kiezende ten kantore van Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat,
geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen respectivelijk van 5 maart 1999 en 6 oktober 2000 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslists en voorts;
Overwegende, dat de geintimeerde in de enquete geen getuigen heeft doen horen, waarna de gemachtigde van geintimeerde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot overlegging notariële akte heeft genomen;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 15 juni 2001, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 6 oktober 2000 en hetgeen dienaangaande is overwogen;
Overwegende, dat geintimeerde, ten einde het van haar verlangde bewijs te leveren bij daartoe strekkende conclusie de dato 9 februari 2001 in het onderhavige geding heeft doen brengen een notariële akte van verkoop en koop, verleden ten overstaan van notaris Jacob Jozef Elias Stuyt op 23 oktober 1979, te Amsterdam, een akte de dato 8 juli 1991 houdende de ontvangst van de koopsom ad Nf.99.000,– en een akte de dato 27 mei 1991, naar aanleiding van de gedwongen openbare verkoop opgemaakt;
Overwegende, dat het Hof de vraag of geintimeerde het van haar verlangde bewijs geleverd heeft, ontkennend beantwoordt;
Overwegende toch, dat koopprijs en waarde van een onroerend goed, niet identieke begrippen zijn; immers, (koop) prijs die partijen en niet anderen, moeten bepalen, een bedrag is bestaande uit een bepaalde hoeveelheid wettig betaalmiddel; waarde is de, meestal in een geldsbedrag uitgedrukte, economische betekenis die een lichaamlijke zaak heeft; de waarde van een zaak is geen vast gegeven; zij kan variëren al naar de gezichtshoek, waaronder men haar economische betekenis meet of de maatstaf, die men daarbij aanlegt;
Overwegende, dat mitsdien niet bewezen is, dat het appartement bij de levering aan geintimeerde een waarde had van Nf.271.000,– zodat zij – geintimeerde – door de gedwongen openbare verkoop op 27 mei 1997 een schade lijdt van Nf.271.000,–;
Overwegende, dat het Hof dan ook, onder vernietiging van het vonnis waarvan beroep geintimeerde haar vordering haar alsnog als onbewezen zal ontzeggen, onder veroordeling van geintimeerde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten op dit geding aan de zijde van appellante gevallen;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN KORT GEDING:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 14 januari 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Ontzegt geintimeerde alsnog haar oorspronkelijke vordering;
Weigeren alsnog de van waardeverklaring van de door de deurwaarder bij het Hof van Justitie, D.Toekimin, de dato 14 en 15 april 1994 no’s 261, 262 en 266 gelegde conservatoire beslagen en het conservatoir derden beslag;
Veroordeelt geintimeerde in de kosten in beide instanties aan de zijde van appellante gevallen en in prima begroot op Sf….
en in hoger beroep begroot op Sf….
Met inbegrip van het door het Hof aan de advokaat van appellante voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf……
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geintimeerde eveneens op Sf…….

Aldus gewezen door de heren Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 6 JULI 2001, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.BRIJBHOKUN, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen, de gemachtigden van partijen, Mr.H.E.STRUIKEN en Mr.F.F.P.TRUIDEMAN.

SRU-HvJ-1992-7

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 5 juni 1992
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en E.S. Ombre)

[verzoeker], arbeidscontractant in de zin van artikel 15 van de Personeelswet, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Grote Combeweg no. 25-27 ten kantore van het Advokatenkantoor Tjon Kwan Paw van wie Mr. A.L. Tjon Kwan Paw, advokaat, als zijn gemachtigde optreedt, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME (Ministerie van Binnenlandse Zaken) in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, gemachtigde, advokaat Mr. Dr. F.E.M. MITRASING, verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker wenst de navolgende rechtsvordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME (Ministerie van Binnenlandse Zaken) in rechte vertegenwoordigd door de Edelgrootachtbare Heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no.3, verweerder;

2. Op 15 september 1989 heeft verzoeker zich bij schrijven van zijn procesgemachtigde, hetwelk in fotocopie wordt overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen en waarnaar verzoeker kortheidshalve verwijst (produktie I) gericht tot de Minister van Binnenlandse Zaken met het verzoek tot rektificatie van zijn inschaling in dier voege, dat hij, verzoeker, alsnog met terugwerkende kracht te rekenen van 1 juli 1984 wordt ingeschaald in schaal dertien (13) en wel als volgt: 1984 en 1985 3e periodiek; 1984-4e periodiek; 1987-5e periodiek; 1988-6e periodiek; 1989 en volgende jaren – 7e periodiek. Verzoeker had zijn verzoek gegrond op het besluit van de Raad van Ministers de dato 28 augustus 1984, als weergegeven in het schrijven van de Waarnemend Sekretaris van de Raad van Ministers aan de Minister van Binnenlandse Zaken, Distriktsbestuur en Justitie de dato [datum 1], no.[nummer 1]R.v.M./i.k., hetwelk eveneens in fotocopie wordt overgelegd met het verzoek om de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen (produktie II).

Uit dit schrijven blijkt, dat de Raad van Ministers op eerstbedoelde datum had besloten, dat de landsdienaren, die in het bezit zijn van een H.B.O.diploma te rekenen van 1 juli 1984 dienen te worden bezoldigd volgens schaal 13.

3. Dit besluit van de Raad van Ministers differentieert niet tussen ambtenaren en arbeidscontractanten, doch spreekt slechts van ”landsdienaren” waartoe naast de ambtenaren ook de arbeidscontractanten behoren. Verzoeker is in het bezit van een H.B.O.-diploma, hetgeen moge blijken uit het hier in afschrift overgelegde diploma (produktie III).

Mitsdien had dit besluit ook ten aanzien van hem dienen te worden toegepast, hetgeen echter om aan verzoeker onbekend gebleven redenen niet is geschied.

4. Op grond van het vorenstaande heeft verzoeker belang bij het adieren van Uw Hof. Daar hij nimmer enige reactie heeft mogen ontvangen op zijn hiervoren aangehaalde schrijven, heeft hij met inachtneming van het bepaalde van de artikelen 78, lid 2, sub (b) jO 80, lid 1, sub (b) van de Personeelswet zijn vordering tijdig ingediend en dient hij daarin ontvangen te worden.

5. Verzoeker legt in fotocopie over:

a. de arbeidsovereenkomst (deeltijds) tussen verzoeker en verweerder de dato [datum 2], no. A.D. [nummer 2] (produktie IV); de arbeidsovereenkomst (voltijds) de dato [datum 3], no. A.D. [nummer 3] (produktie V);

c die van [datum 4], A.D [nummer 4] (produktie VI);

d. arbeidsovereenkomst no. V.M. [nummer 5]  (ongedateerd) (produktie VII);

e arbeidsovereenkomst no. V.M. [nummer 6] (ongedateerd) (produktie VIII);

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd: dat het afwijzende besluit, dat verweerder op grond van het bepaalde van artikel 78, lid 2 aanhef en onder (b) van de Personeelswet rechtens geacht moet worden te hebben genomen ten aanzien van verzoekers verzoek, zal worden vernietigd;

b. verweerder zal worden bevolen om verzoeker met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 1984 in te schalen in schaal 13 met dien verstande dat per die datum de inschaling zal geschieden als volgt: schaal 13; derde periodiek, zulks op verbeurte van een dwangsom van Sf. 250,- (TWEEHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) voor elke dag, waarop verweerder weigerachtig mocht blijven om aan het bevel, als verzocht, uitvoering te geven;

c.verweerder zal worden veroordeeld om aan verzoeker uit te betalen de som ad Sf. 10.932,- (TIENDUIZEND NEGENHONDERD TWEE EN DERTIG GULDEN) (6 x (1.329 – 1.190) + (12 x (1.329 – 1.190) + (12 x (1.366 – 1.224) + (12 x (1.402 – 1.279) + (12 x (1.565 – 1.379) + (12 x (1.613 – 1.424) + (4 x 1.613 – 1.424);

d. verweerder zal worden veroordeeld tot de betaling van de kosten van dit geding;

Overwegende, dat van de Staat Suriname geen verweerschrift is binnen gekomen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 16 juli 1990 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, Mr. R.U.F. Truideman namens Mr. A.L. Tjon Kwan Paw, gemachtigde van verzoeker, de heer E. Van der San, Onder-Directeur van Binnenlandse Zaken, die hebben verklaard gelijk in daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker vervolgens produkties heeft overgelegd; waarvan de inhoud als hier ingelast wordt beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;

Overwegende, dat partijen vervolgens vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk werd bepaald op 8 mei 1992, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker landsdienaar is (geweest) in de zin van de Personeelswet (P.W.);

Overwegende, dat verzoeker blijkens het onderhavige verzoekschrift heeft gevorderd:

a. het afwijzende besluit, dat verweerder op grond van het bepaalde van artikel 78, lid 2 aanhef en onder (b) van de Personeelswet (P.W.) rechtens geacht moet worden te hebben genomen ten aanzien van verzoekers verzoek, te vernietigen;

b. verweerder te bevelen om verzoeker met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 1984 in te schalen in schaal 13, met dien verstande dat per die datum de inschaling zal geschieden als volgt: schaal 13; derde periodiek, zulks op verbeurte van een dwangsom van Sf. 250,- (TWEEHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) voor elke dag, waarop verweerder weigerachtig mocht blijven om aan het bevel, als verzocht, uitvoering te geven;

c. verweerder te veroordelen om aan verzoeker uit te betalen de som ad f. 10.932,- (TIENDUIZEND NEGENHONDERD TWEE EN DERTIG GULDEN) (6 x 1.329 – 1.190) + (12 x (1.329 – 1.190) + (12 x (1.366 – 1.224) + (12 x (1.402 – 1.279) + (12 x (1.565 – 1.379) + (12 x (1.613 -1.424) + (4 x (1.613 – 1.424)

d. verweerder te veroordelen tot de betaling van de kosten van dit geding;

Overwegende, dat verzoeker als grondslag van zijn vorderingen onder b en c, voormeld, heeft gesteld; dat de Raad van Ministers in zijn vergadering van 28 augustus 1984 heeft besloten, teneinde de ontstane discrepantie weg te maken dat;

a. ………………………..

b. de landsdienaren, die in het bezit zijn van een H.B.O.-diploma, voorzover zij nog niet worden bezoldigd volgens schaal 13, de bezoldiging volgens deze schaal toe te kennen, met dien verstande dat de inpassing in de nieuwe schaal zal geschieden met evenveel periodieke verhogingen als zij hadden in de oude schaal, een en ander te rekenen van 1 juli 1984;

Overwegende, dat de beslissing van de Raad van Ministers, die verzoeker tot grondslag van het onder b en c gevorderde heeft gesteld, aldus interne werking heeft en geen enkele rechtskracht tegenover verzoeker bezit;

Overwegende, dat reeds op grond van voormelde reden de vorderingen van verzoeker onder b en c dienen te worden afgewezen (cfm. Hof van Justitie 21 februari 1975, S.J. (A) – Ambtenarengerecht – No. 142);

Overwegende, dat verzoeker bij het onder a gevorderde geen belang heeft, weshalve hij daarin niet ontvangen kan worden.

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Wijst de vorderingen van verzoeker onder a, b en c af.

SRU-HvJ-1992-6

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 19 juni 1992
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. Von Niesewand en E.S. Ombre)

[verzoekster], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optrad advokaat Mr. R.H. Komproe, die thans vervangen wordt door advokaat Mr. J. KRAAG, verzoekster,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Arbeid, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.Dr. C.D. OOFT, advokaat, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam·van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoekster hierbij de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, te zijnen kantore aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, verweerder;

2. dat verzoekster ambtenaar is in de zin van artikel 1 van de Personeelswet, dienende in de rang van Ambtenaar ”A” 2e klasse in tijdelijke dienst bij de Stichting Arbeidsmobilisatie en Ontwikkeling op het Ministerie van Arbeid;

3. dat verzoekster bij schrijven de dato 18 mei 1989 te kennen heeft gegeven gebruik te maken van de afvloeiingsregeling bij verweerder (artikel 69a leden 3 en 4 van de Personeelswet);

4. dat bij schrijven van verweerder de dato 14 juni 1989 aan verzoekster, gevraagd werd verweerder zo uitgebreid mogelijk te informeren over de inhoud van haar bedrijf, aan welk verzoek zij heeft voldaan bij schrijven de dato 20 juli 1989;

5. dat bij schrijven van verweerder de dato 20·september 1989 verzoekster werd uitgenodigd voor een gesprek, doch dat dit gesprek niet doorging, waarna bij schrijven de dato 9 oktober 1989 aan verzoekster een bedrijfsplan werd opgevraagd, alsmede een aanzegging om haar dienst te hervatten;

6. dat verzoekster het bedrijfsplan bij schrijven van 31 oktober 1989 heeft ingediend;

7. dat verzoekster bij schrijven van verweerder de dato 31 januari 1991 wederom werd gevraagd haar dienst te hervatten; doch dat verzoekster wegens ziekte en op advies van de behandelende arts haar werkzaamheden niet kon hervatten;

8. dat verzoekster bij beschikking de dato 23 april 1991 werd ontslagen uit Staatsdienst;

9. dat dit ontslag kennelijk onredelijk is, temeer daar verzoekster niet in de gelegenheid is gesteld zich terzake te verweren, waardoor het principe van hoor en wederhoor door verweerder niet in acht is genomen;

10. dat het ontslag bij verzoekster overkomt als misbruik van macht en in strijd is met behoorlijk bestuur;

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

A. dat voor recht zal worden verklaard dat het door verweerder op 23 april 1991 aan verzoekster verleend ontslag kennelijk onredelijk is;

B. dat verweerder zal worden veroordeeld verzoekster wederom in haar funktie of een ander gelijkwaardige funktie te werk te stellen;

C. dat verweerder zal worden veroordeeld haar toekomend salaris vanaf 23 april 1991 vermeerderd met emolumenten uit te keren totdat de dienstbetrekking op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;

Overwegende, dat de Staat Suriname een verweerschrift heeft ingediend, waarin als verweer wordt aangevoerd:

1. Verweerder heeft kennis genomen van de punten 1 t/m 7 van het verzoekschrift waarin getracht is, chronologisch de feiten weer te geven welke zijn voorafgegaan aan de ontslagverlening door de Staat aan de ambtenaar [verzoekster] voornoemd;

2. Het hier weergegeven feitenmateriaal is onvolledig en zelfs onjuist. Kort samengevat komen de relevante feiten neer op het volgende:

a. Aan verzoekster werd op 15 mei 1989·toestemming verleend haar binnenlandsverlof, in het buitenland door te brengen van 12 mei tot en met 14 juli 1989. Na verstrijken van dit verlof is verzoekster niet teruggekeerd en heeft althans haar werkzaamheden niet hervat. Ze was vanaf toen onwettig afwezig.

b. Bij schrijven van 9 oktober 1989 (Min. van Arbeid No. [nummer1]) werd verzoekster opgeroepen om haar werkzaamheden te hervatten. Daarbij werd zelfs het voorstel gedaan de onwettig afwezige dagen van verzoekster, te zullen dekken met het bekende ”verlof·buitenbezwaar” van den lande; – Verzoekster gaf geen gevolg aan de oproep.

c. Ten tweede male werd verzoekster op 31 januari 1991 (Arbeid No. [nummer 2]) opgeroepen haar werkzaamheden te hervatten op 1 februari van het zelfde jaar. Ook op deze oproeping werd nimmer enige reactie van verzoekster ontvangen. Alle beide brieven werden voor ontvangst ondertekend in het expeditieregister van het Ministerie. Op grond hiervan is op 23 apri1 1991 het ontslag verleend ex artikel 69 lid 2 onder punt k juncto artikel 71 lid 6 van de Personeelswet, te weten “wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van verlof of vrijstelling van dienst”.

3. Verweerder weerspreekt hierbij ten stelligste, dat van misbruik van macht sprake zou zijn, bij deze ontslagverlening en evenzo dat in strijd is gehandeld met enig beginsel van behoorlijk bestuur. Zelfs wanneer verzoekster van oordeel zou zijn dat er sprake was van willekeur (hetgeen verzoekster vermoedelijk bedoelt maar dit niet zegt) ook dan weerspreekt verweerder een zodanige opvatting en verwijst opnieuw naar het wegblijven van verzoekster na afloop van verlof en vrijstelling van dienst;

4. Van dit ontslag kan niet gezegd worden dat het kennelijk onredelijk is, omdat er geen plaats is voor de opvatting dat de Minister die het ontslag verleende, in redelijkheid, gelet op de feiten en omstandigheden, na afweging van belangen niet tot dit besluit had kunnen komen;

5. Verweerder merkt op, gelet op het gestelde in het 7e sustenu van het request, dat verzoekster daarin, om haar afwezigheid goed te praten, zegt, dat zij op advies van haar behandelende arts, wegens ziekte haar werkzaamheden niet kon hervatten. Een zodanige mededeling heeft de Dienst pas bereikt nadat het ontslag d.d. 23 april 1991 was verleend, t.w. bij brief van d.d. 9 mei 1991;

6. Op grond van het bovenstaande en op grond van het feit, dat de vordering van verzoekster valt buiten de limitatieve opsomming van artikel 79 van de Personeelswet, behoort de vordering van verzoekster onder alle 3 de punten A, B en C, niet ontvankelijk te worden verklaard.

Artikel 79 lid 5 van de Personeelswet is namelijk hier van toepassing;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

– dat verzoekster op grond van al het voorgaande, niet ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, c.q. haar deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond, niet op de Personeelswet steunende en niet bewezen; kosten rechtens;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 22 november 1991 advokaat Mr. R.H. Komproe zich als gemachtigde van verzoekster aan de zaak heeft onttrokken, terwijl terzelfde terechtzitting advokaat Mr. J. Kraag zich als gemachtigde van verzoekster heeft gesteld;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoekster produkties heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoekster hierna een schriftelijke conclusie tot vermindering van eis heeft genomen, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder vervolgens een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;

Overwegende, dat advokaat Mr. E.C.M. Hooplot namens advokaat Mr. J. Kraag vonnis heeft gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat rechtens tussen partijen is komen vast te staan, dat verzoekster als ambtenaar in de zin van de Personeelswet, bij beschikking van de Minister van Arbeid d.d. 23 april 1991, Bureau No. [nummer 3], te rekenen van 1 februari 1991, ingevolge artikel 69 lid 2 sub k juncto artikel 71 lid 6 van de Personeelswet, uit Staatsdienst werd ontslagen;

Overwegende, dat verzoekster bij verzoekschrift d.d. 4 juni 1991, ingekomen ter Griffie van het Hof op 6 juni 1991 tegen voormeld aan haar gegeven ontslag is opgekomen bij het Hof als Ambtenarengerecht;

Overwegende, dat verzoekster, in verband met de beoordeling of zij tempore utile tegen de ontslagbeschikking is opgekomen, niet heeft gesteld, wanneer zij de gewraakte beschikking heeft ontvangen;

– dat uit het verweerschrift van verweerder – vide 5e sustenu van bedoeld geschrift – evenwel blijkt, dat verzoekster bij brief van verweerder d.d. 9 mei 1991 in kennis is gesteld van de ontslagbeschikking;

– dat aangenomen dient te worden dat verzoekster op of omstreeks die datum -9 mei 1991- kennis droeg van het aan haar gegeven ontslag;

– dat zij mitsdien het Hof tijdig heeft geädieerd met haar verzoekschrift;

Overwegende, dat verzoekster, bij ter terechtzitting van 20 maart 1992 genomen daartoe strekkende conclusie, heeft verzocht haar vorderingen te verminderen in die zin dat verweerder veroordeeld zal worden aan haar -verzoekster- ontslag op eigen verzoek te verlenen ingevolge artikel 70, juncto artikel 71 lid 1 van de Personeelswet, met inachtneming van artikel 69a, meer speciaal lid 4 en tevens heeft verzocht haar terzake akte te verlenen;

– dat blijkens het verzoekschrift, verzoekster alstoen heeft gevorderd:

A. Voor recht te verklaren dat het door verweerder op 23 april 1991 aan haar verleend ontslag kennelijk onredelijk is;

B. Verweerder te veroordelen verzoekster wederom in haar funktie of een ander gelijkwaardige funktie te werk te stellen;

C. Verweerder te veroordelen haar toekomend salaris vanaf 23 april 1991 vermeerderd met emolumenten uit te keren, totdat de dienstbetrekking op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;

Overwegende, dat verweerder hiertegen heeft aangevoerd, dat ”een zodanig voorstel tot volledige intrekking van de oorspronkelijke vordering (al zijn deze woorden niet gebruikt) is in het procesrecht niet toegelaten en kan op zijn minst gekwalificeerd worden als in strijd met het rechtsbeginsel van behoorlijke procesvoering”;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, van vermindering van haar vorderingen, waarvan verzoekster in haar conclusie gewag maakt en ten aanzien waarvan zij om akte-verlening vraagt, in termen van de Wet c.q. artikel 109 van de Burgerlijke Rechtsvordering, geen sprake is;

– dat van vermindering in de zin van gemelde wettelijke bepaling slechts sprake is, wanneer de aanlegger het oorspronkelijk gevorderde met één of meer punten daarvan vermindert;

– dat zulks in casu, naar is gebleken, niet het geval is;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel eerder sprake is van verandering c.q. wijziging van de eis, hetgeen in beginsel naar ’s Hoven oordeel – ook in een ”ambtenaren procedure” – mogelijk is en niet, zoals verweerder stelt, in strijd is met een behoorlijk procesvoering;

Overwegende, dat verzoekster overigens bij het gedaan verzoek als vervat in de conclusie van 20 maart 1992, bij inwilliging daarvan, uiteindelijk toch geen baat zou hebben, omdat de ”verminderde” vordering en evenmin de oorspronkelijke vorderingen, onder de limitatieve omschrijving vallen van hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken, ingevolge artikel 79 van de Personeelswet kan worden gevorderd, terwijl bovendien die eis (de ”verminderde”) niet gedragen wordt door het ten rekeste gestelde;

Overwegende, dat op grond van al het voorgaande, alsvolgt dient te worden rechtgedaan;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Weigert het verzoek van verzoekster tot “vermindering” van haar vorderingen;

Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar (oorspronkelijke) vorderingen;

 

SRU-HvJ-1992-5

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 19 juni 1992
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en O.W. Abendanon)

[verzoeker], wonende aan [adres] te [district], verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van NATUURLIJKE HULPBRONNEN, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname te zijnen kantore aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, gemachtigde advokaat Mr. B.A. HALFHIDE, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen de STAAT SURINAME, meer precies het Ministerie van NATUURLIJKE HULPBRONNEN, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname te zijnen kantore aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, hierna te noemen verweerder;

2. dat verzoeker is ambtenaar in de zin van de Personeelswet en diende als bosbouwkundige in de rang van stafambtenaar A tweede klasse in vaste dienst bij het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen en belast met de leiding van de Hoofd afdeling Opleidingen;

3. dat verzoeker op 30 augustus 1990 met goed gevolg het Bachelor of Science examen in de rechtswetenschappen aan de Anton de Kom Universiteit van Suriname, Faculteit der Maatschappij wetenschappen met goed gevolg heeft afgelegd;

4. dat verzoeker van dit resultaat het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen in kennis heeft gesteld, op grond waarvan het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen per schrijven d.d. 9 november 1990 om advies heeft gevraagd aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken, van welk schrijven een kopie wordt bijgevoegd met het verzoek de inhoud als hier herhaald en geïnsereerd te willen aanmerken;

5. dat het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen er van bewust is dat de wet met name S.B. 1989 no. 76 geen gewag maakt van aangepaste werkzaamheden en dus het behalen van het diploma een conditie is om te worden bezoldigd volgens schaal 16 van de vigerende salaris schalen.

Bovenstaande moge blijken uit de derde alinea van eerdergenoemd schrijven van de onder-directeur administratieve diensten;

6. dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken per schrijven d.d. 10 mei 1991 het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen onomwonden heeft medegedeeld, dat verzoeker ingevolge S.B. 1989 no. 76 dient te worden bezoldigd volgens schaal 16;

7. dat verzoeker heeft moeten ervaren, dat ondanks dit advies van het Ministerie van Binnenlandse Zaken het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen als uitvoeringsorgaan nalatig blijft verzoeker conform de Wet te bezoldigen althans tot heden door het Ministerie aan verzoeker geen resolutie is uitgereikt waarin dit besluit is vastgelegd;

8. dat bovenaangehaalde handelswijze van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen bij verzoeker overkomt als misbruik van macht en in strijd met behoorlijk bestuur;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

A. dat verweerder zal worden veroordeeld verzoeker met onmiddellijke ingang althans binnen redelijke termijn met terugwerkende kracht ingaande 30 augustus 1990 te bezoldigen conform de wet en het advies van het Ministerie belast met ambtenarenzaken (Binnenlandse Zaken);

B. alle tot nu toe achterstallige tegoeden in elk geval het verschil tussen schaal 14 en 16 sedert 30 augustus 1990 onmiddellijk aan verzoeker te doen uitbetalen met alle aan deze bezoldiging causaal verbonden emolumenten;

C. verweerder zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van Sf. 500,- (VIJF HONDERD GULDEN) per dag voor iedere dag, dat zij verweerder nalatig mocht blijven aan het voorgaande althans aan een door het Hof gegeven besluit te voldoen;

Overwegende, dat de Staat Suriname een verweerschrift heeft ingediend, waarin als verweer wordt aangevoerd:

1. Bij rekest van 19 augustus 1991 heeft verzoeker zich gewend tot het Hof van Justitie met het verzoek zoals in het petitum daarvan vermeld.

2. Het sub 2 ten rekeste gestelde is juist. Het sub 3 ten rekeste gestelde wordt door verweerder niet ontkend.

3. Als meest verstrekkend verweer wenst verweerder aan te voeren dat Uw Hof niet bevoegd is in eerste instantie kennis te nemen van deze zaak, althans vindt deze vordering geen steun in artikel 79 van de Personeelswet. Ingevolge artikel 79 van deze wet oordeelt Uw Hof over vorderingen terzake door de Overheid genomen besluiten, terwijl in casu niet in beroep wordt gegaan van een genomen Overheidsbesluit. Verzoeker had ingevolge artikel 78 eerst beklag moeten doen binnen de administratie en zou daarna van het genomen besluit in beroep kunnen gaan. Aangezien het petitum sub 1 en 2 niet voor toewijzing vatbaar is, is daarmee ook het petitum sub 3 niet voor toewijzing vatbaar.

4. Verzoeker dient als bosbouwkundige en is thans afgestudeerd in de rechtswetenschappen. Verweerder is doende na te gaan of aan verzoeker aangepast werk kan worden verleend. Er is te dier zake nog geen besluit genomen, weshalve de vordering prematuur is. Ook op deze grond is de vordering niet voor toewijzing vatbaar.

5. Verzoeker heeft gebruikmakende van interne correspondentie gesteld dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken een advies heeft gegeven, zonder daarbij aan te geven op grond waarvan verweerder gebonden zou zijn aan dat advies.

Ook heeft verzoeker zich niet de moeite getroost om aan te geven de wettelijke regelingen die verweerder verplichten hem (verzoeker) te benoemen in schaal 16. Verzoeker wordt uitgenodigd aan te geven de wettelijke bepalingen die verweerder verplichten hem (verzoeker) te benoemen in schaal 16. Verzoeker wordt uitgenodigd aan te geven de wettelijke bepalingen die verweerder verplichten hem (verzoeker) te benoemen in schaal 16, ook al zou geen aangepast werk beschikbaar zijn.

6. Om al het voorgaande is de vordering van verzoeker niet voor toewijzing vatbaar;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

– dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat ingevolge ‘s Hofs beschikking van 8 october 1991 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, advokaat Mr. B.A. Halfhide, gemachtigde van de Staat Suriname, de heer Ch. Stijnberg, onder-direkteur administratieve diensten van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen omtrent verloop van het gesprek bepaald de verzoeker in persoon heeft verklaard: “ik ben direkteur van het Jan Starke opleidingscentrum en kan de studenten midden in het jaar niet in de steek laten. Ik ben bereid naar de Juridische afdeling te gaan, echter niet van de ene op de andere dag. Ik heb een brief geschreven naar de Minister doch daarop nog geen reactie ontvangen”;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna mondeling heeft verklaard: “Verzoeker wenst niet te voldoen aan de opdracht van de Minister. Het is de Minister, die bepaalt wie op welke post thuis hoort”;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen vervolgens de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 5 juni 1992 doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet (P.W.);

Overwegende voorts, dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken in confesso is, dat verzoeker op 30 augustus 1990 met goed gevolg het Bachelor of Science-examen in de rechtswetenschappen aan de Anton De Kom Universiteit van Suriname, Faculteit der Maatschappijwetenschappen heeft afgelegd;

Overwegende, dat verzoeker in het onderhavige geding vordert:

A. verweerder te veroordelen verzoeker met onmiddellijke ingang althans binnen redelijke termijn met terugwerkende kracht ingaande 30 augustus 1990 te bezoldigen conform de wet en het advies van het Ministerie belast met ambtenarenzaken (Binnenlandse Zaken);

B. alle tot nu toe achterstallig tegoeden in elk geval het verschil tussen schaal 14 en 16 sedert 30 augustus 1990 onmiddellijk aan verzoeker te doen uitbetalen met alle aan deze bezoldiging causaal verbonden emolumenten;

C. gedaagde te veroordelen tot betaling van een dwangsom van f. 500,- per dag voor iedere dag dat verweerder nalatig mocht blijven aan het voorgaande, althans aan een door het Hof gegeven besluit te voldoen;

een en ander op grond van feiten gesteld in het 4e tot en met 7e “dat” van het verzoekschrift, welke feiten als hier ingelast dienen te worden aangemerkt;

Overwegende, dat verzoekers vorderingen op grond van het navolgende niet toewijsbaar zullen blijken;

– dat verzoeker van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen had moeten uitlokken een besluit in de zin van artikel 78 van de Personeelswet over zijn bezoldiging volgens schaal 16;

– dat van dit besluit, – waarvan, gelet op de houding van verweerder in dit proces, mag worden aangenomen, dat het niet in verzoekers voordeel zou uitvallen – verzoeker, nadat het ter kennis van hem conform artikel 5 van de Personeelswet zou zijn gebracht, binnen één maand in beklag had kunnen komen bij een hoger gezag. (de President van de Republiek Suriname);

– dat indien verzoeker het met de beslissing van het hoger gezag niet eens zou zijn, zou hij bij het Hof van Justitie een vordering kunnen instellen, gebaseerd op het bepaalde in artikel 79 lid 2 sub a van de Personeelswet, na de door de wet gestelde termijn in acht genomen te hebben;

Overwegende, dat nu verzoeker, niet eerst de beklagprocedure, zoals hierboven aangegeven blijkt te hebben gevolgd, kan hij niet in zijn vorderingen ontvangen worden;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.