SRU-HvJ-1998-29

PRO JUSTITIA

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Vonnis 1998 no.

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in af­schri­ft overgelegde vonnis, door de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 8 februari 1996 gewezen en uitgesproken tegen
[verdachte], geboren op [datum 1], van beroep schilder, geboren in [district], wonende aan [adres] te [district], gevangengehouden verdachte,

Gelet op het door de verdachte en de Vervolgingsambtenaar ingestelde hoger beroep;
Gehoord de vordering van het Openbaar Ministerie, ertoe strekkende hem in zijn vervolging niet-ontvankelijk te verkla­ren;
Gelet op het onderzoek in eerste aanleg en het niet afge­sloten onderzoek in hoger beroep;
Overwegende, ambtshalve dat blijkens een aan het Hof overgelegd uittreksel uit het register van overlijden van Paramaribo, door de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand opgemaakt d.d. [datum 2], de ver­dach­te ten rechte geheten is [naam 1] in ­stede van [naam 2],­­­­­ aldaar op zeventien februari negentien­honderd acht en negentig -ongehuwd- is overleden; dat mitsdien ingevolge artikel 95 van het Wetboek van Stra­frecht in de onderhavige zaak het recht tot strafvordering is vervallen; dat dit meebrengt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvan­kelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging.

Aldus gewezen door de heren: Mr. J.R. VON NIESEWAND, Vice-President, Mr. L.J. BUDHU LALL en Mr.A.A.HERMELIJN, le­den-plaatsvervanger, ­die dit vonnis hebben ondertekend en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzit­ting van het Hof van Jus­titie van WOEN­SDAG 6 MEI 1998, ­in te­genwoor­digheid van Mr. M. TEDJOE, fungerend-Griffier.

SRU-HvJ-1999-45

M.H.
GENERALE ROL No.14054.

GEBROEDERS KHAN N.V. (KHAN & BROS LTD), rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Maagdenstraat no.45, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat
appellante,

tegen

A. [geïntimeerde 1],
B. [geïntimeerde 2],
C. [geïntimeerde 3], allen wonende te [district], door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,
geïntimeerden,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit;

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 maart 1996 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 12 april 1996 waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde 1] en 2 anderen als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. Eisers wensen de navolgende vordering in te stellen tegen GEBROEDERS KHAN N.V. (KHAN & BROS LTD), rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Maagdenstraat no.45;

2. Eisers zijn testamentaire erfgenamen van [naam], die op 11 december 1994 te Paramaribo is overleden;

3. Blijkens hierbij in fotokopie overgelegde en door gedaagde geconfirmeerde offerte d.d. 10 juni 1994 heeft gedaagde van voornoemde [naam ] h.o.d.n. KaWe AGENCIES gekocht, gelijk laatstgenoemde aan gedaagde heeft verkocht een partij visnetten, touw enz. De verscheping zou plaatsvinden vanuit Zuid-Korea binnen 2 (twee) maanden na ontvangst van een onherroepelijk L/C of T/T. Gedaagde heeft naderhand de order uitgebreid met een partij lood blijkens de proforma factuur d.d. 13 juni 1994, welk door gedaagde eveneens is geconfirmeerd voor de totale koopprijs US$ 36.788,25 CIF Paramaribo;

4. Gedaagde is echter ondanks herhaalde toezeggingen in gebreke gebleven tijdig de betaling te garanderen middels het openen van de L/C. Op verzoek van gedaagde heeft [naam] de geldigheidsduur van de offerte herhaaldelijk verlengd, laatstelijk tot 30 september 1994, waarna gedaagde aan laatstgenoemde heeft medegedeeld de order te cancellen;

5. Door als voormeld te handelen heeft gedaagde zich jegens [naam] schuldig gemaakt aan wanprestatie en is hij gehouden de door hem geleden schade aan zijn erfgenamen, eisers, te vergoeden. Deze schade wordt beperkt tot de derving van de winst c.q. commissie van 5% van de totale koopprijs van US$. 36.788,25 of wel US$ 1.839,41;

6. Eisers hebben van gedaagde opeisbaar te vorderen US$ 1.839,41, van welk bedrag geen betaling is te bekomen ondanks herhaalde aanmaningen in der minne.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: Gedaagde zal worden veroordeeld om aan eisers terzake voorschreven tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

Primair: de som van US$ 1.839,41 vermeerderd met de wettelijke rente hiervan ad 6% s’ jaars vanaf de dag der indiening van dit verzoekschrift tot aan die der algehele voldoening;

Subsidiair: de tegenwaarde in Surinaams Courant tegen de koers van de dag van betaling van US$ 1.839,41, vermeerderd met de rente hierover ad 6% s’ jaars vanaf de dag van indiening van dit verzoekschrift tot aan de algehele voldoening, Kosten rechtens;
Overwegende, dat Gebroeders KHAN N.V. (KHAN & BROS LTD) als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden onder overlegging van een produktie en daarbij heeft geconcludeerd:
dat eiser hun vordering zal worden ontzegd alszijnde ongegrond en onbewezen, althans de eisers in hun vordering niet ontvankelijk zullen worden verklaard; wordende de inhoud van de overgelegde produktie hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van eisers tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 19 maart 1996 op de daarin opgenomen gronden:
Gedaagde heeft veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen de som van Us-dollar 1.839,41, vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar vanaf 7 februari 1995 tot aan de dag der algehele voldoening;
Dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;
Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.1.057,25 (eenduizend en zeven en vijftig 25/100 gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal Gebroeders KHAN N.V. (KHAN & BROS LTD) in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis van 19 maart 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.Sitaram van 4 mei 1998 aan geïntimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 6 augustus 1999, doch na enige malen te zijn aangehouden nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat de appellante tijdig in hoger beroep gekomen is van de beslissing van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 19 maart 1996;
Overwegende, dat de appellante niet zes (6) doch vijf (5) grieven aangedragen heeft tegen de beslissing van de eerste rechter, die – kort samengevat – ervan uitgaan dat nu slechts sprake was van een offerte en de letter of credit door de appellante ten behoeve van de leverancier nog niet geopend was, de geintimeerden – als erfgenamen van de tussenpersoon [naam] – nog geen aanspraak maken op de alsdan te verdienen commissie, als door hen gesteld;
Overwegende, dat het Hof niet in herhaling wenst te treden van al hetgeen de Kantonrechter zowel met betrekking tot de feiten als het toegepaste recht heeft overwogen en beslist, omdat het Hof zich daarmede kan verenigen;
Overwegende, immers dat de erflater van de geintimeerden alles gedaan heeft wat van hem i.c. kon en mocht worden verlangd om de onderhavige transactie tussen de appellante en de leverancier mogelijk te maken, welke door de appellante is geannuleerd op grond van haar persoonlijk betreffende omstandigheden, n.l. het niet kunnen beschikken over de nodige Amerikaanse dollars die voor de betaling van de door haar aan te kopen goederen vereist waren, en is dus de commissie door hem terecht als verdiend aangemerkt;
Overwegende, dat het Hof het bestreden vonnis dan ook zal bevestigen, met veroordeling van de appellante, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken op 19 maart 1996;
Veroordeelt appellante in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot op f.5.000,–;
Met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.5000,—;
bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op f.5000,– ;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM-PANDAY, fungerend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 6 AUGUSTUS 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.S.GANGARAM PANDAY

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.G.gangaram Panday namens de gemachtigden van partijen advokaten Mr.F.F.P.Truideman en Mr.E.C.M.Hooplot.

SRU-HvJ-2017-33

G.R.No. 13939
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. [naam sub A], wonende in [district],
B. [naam sub B], wonende in [district],
C. [naam sub C], wonende in [district],
D. [naam sub D], wonende in [district],
E. [naam sub E], wonende in [district]
F. [naam sub F], wonende in [district],

appellanten in conventie en reconventie,
hierna aangeduid als “[appellanten]”,
gemachtigden voor appellanten: I.D. Kanhai, Bsc. en mr. F.M.S. Ishaak, advocaten

tegen

A. [persoon sub A], wonende in [district],
B. [persoon sub B], wonende in [district],
C. [persoon sub C], wonende in [district],
D. [persoon sub D], wonende in [district],
E. [persoon sub E], wonende in [district],
F. [persoon sub F], wonende in [district],
G. [persoon sub G], wonende in [district],
H. [persoon sub H], wonende in [district],

geïntimeerden in conventie en reconventie, hierna aangeduid als: ”[geïntimeerden]”,
gemachtigde voor geïntimeerden: mr. A.R. Baarh, advocaat.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van het Hof van Justitie van 6 maart 1998, de rolbeschikkingen van 5 januari 2007 en van 16 november 2007, de tussenvonnissen van 4 april 2008, 16 mei 2008, 4 juli 2008, 21 november 2008 en 2 december 2011.

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

1. Het verdere procesverloop

– het verslag van het gesprek met gemachtigden d.d. 20 januari 2012;

– de conclusie tot overlegging van de pleitnota van 1 augustus 1997 en de repliekpleitnota van 17 oktober 1997;

– het proces-verbaal van de zitting van 17 februari-, 16 maart-, 20 april-, 18 mei-, 6 juli-, 5 oktober- en 2 november 20I2 en van 18 januari-, 3 mei-, 5 juli-, 2 augustus-, 4 oktober en 1 november 2013, aangetekend op het doorlopend proces-verbaal op het dossieromslag.

2. De feiten

Hiervoor verwijst het Hof naar de hiervoor genoemde tussenvonnissen.

3. De ontvankelijkheid van het beroep

3.1 [appellanten] hebben op 7 mei 1997 appèl aangetekend tegen het kort geding vonnis van 5 mei 1997.

3.2 Zij zijn derhalve ontvankelijk in hun appèl.

4. De grieven
In conventie en reconventie
4.1 [appellanten] hebben in hun pleitnota van 1 augustus 1997 de volgende acht grieven tegen het vonnis aangevoerd:

1. Ten onrechte heeft de kantonrechter in zijn overweging 5.3.6 overwogen alsof [appellanten] destijds gedaagden, hun recht zouden hebben verwerkt. De motivering als of zij hun recht om een beroep te doen op de nietigheid van de ontstane situatie hebben verwerkt is niet gebaseerd op de wet en de goede trouw. In zijn algemeenheid kan met betrekking tot rechtsverwerking worden aangenomen dat de omstandigheid van het geval beslissend zal zijn.

2. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat conform artikel 13 van het huishoudelijk reglement [geïntimeerden] een ledenvergadering mochten uitschrijven nu het bestuur op het verzoek van [geïntimeerden] geen vergadering had uitgeschreven; die redenering is onjuist omdat tussen partijen vaststaat dat op 9 november 1996 een ALV is gehouden en derhalve de noodzaak om een aparte vergadering te houden niet kan worden ingezien; nu het bestuur wel een vergadering had gehouden kon de kantonrechter die conclusies niet trekken met betrekking tot de door [geïntimeerden] gehouden vergadering; het is niet aannemelijk dat [geïntimeerden] niet op de hoogte waren van de vergadering die door het bestuur werd gehouden en als zij dat stellen zijn zij te kwader trouw; de vergadering gehouden door [appellanten] was ook veel groter dan de vergadering aangevraagd en gehouden door [geïntimeerden]; artikel 13 van het huishoudelijk reglement gaat derhalve niet op;

3. De kantonrechter heeft geen antwoord gegeven op de vraag of de vergadering gehouden door [appellanten] rechtsgeldig was doch heeft zonder meer meer gewicht gegeven aan een door [geïntimeerden] gehouden vergadering; er waren op die dag van 9 november 1996 twee vergaderingen namelijk een vergadering gehouden door het bestuur na verzoek van leden, die is gehouden met de leden en een vergadering gehouden door leden die die vergadering bijeen hebben geroepen omdat zij ervan uitgingen dat het bestuur geen vergadering belegde, terwijl het bestuur voor die dag wel een vergadering heeft belegd; aan de eerste vergadering zal meer gewicht gegeven moeten worden, immers is deze belegd door het rechtsgeldig bestuur;

4. De kantonrechter heeft gebruik gemaakt van de lijst van de heer [naam 1] doch heeft daarbij niet onderzocht of [geïntimeerden] nog de hoedanigheid van leden van de vereniging hadden; door een lijst van 1987 te gebruiken had de kantonrechter moeten nagaan of [geïntimeerden] nog leden waren en of zij bevoegdelijk behoorden tot een der grondstructuren van de vereniging, onder andere op basis van artikel 6 van de Statuten; aan [geïntimeerden] konden geen bevoegdheden gegeven worden nu niet door de kantonrechter is getoetst of zij voldeden aan de vereisten om als lid aangemerkt te worden; het risico dat ook ontstaat hiermee is dat in de vereniging op een gegeven moment leden worden bestuurd door niet-leden;

5. De kantonrechter heeft een recent ingesteld politieonderzoek minder gewicht gegeven dan de herinneringen van commissieleden uit 1987; het politieonderzoek had als resultaat dat de handtekeningen bij de nummers 48 tot en met 95 erbij zijn geschreven, hetgeen een indicatie is van de betrouwbaarheid van de lijst; de kantonrechter heeft dit gegeven genegeerd; de politie heeft ook aan de hand van andere constateringen aangegeven dat het mogelijk is dat er gefraudeerd is met de lijst die door [geïntimeerden] wordt gehanteerd;

6. De kantonrechter concludeert in het vonnis onder 6.4.8. dat de lijst gebruikt door de commissie [naam 1] niet uitputtend is geweest; hierdoor wordt bevestigd dat het gevaar bestaat dat de mensen op die lijst misschien niet eens meer lid waren van de vereniging;

7. De kantonrechter heeft bij het geven van de beslissing de maatschappelijke consequenties in de woonomgeving van [appellanten] en [geïntimeerden] niet in beschouwing genomen;

8. De kantonrechter heeft niet de juiste maatstaven ten grondslag gelegd aan de genomen beslissing; de redelijkheid en billijkheid en de maatschappelijke verwikkelingen in de woonomgeving van partijen zouden nimmer tot de genomen beslissing kunnen leiden;
de kantonrechter heeft juist de chaos groter gemaakt en partijen zijn door het vonnis scherper tegen over elkaar komen te staan; de kans op het geheel afbrokkelen van de vereniging is hierdoor vergroot.

4.2 Op grond van voormelde grieven vorderen [appellanten] dat het vonnis in eerste aanleg wordt vernietigd en dat het Hof opnieuw rechtdoende alsnog [geïntimeerden] niet ontvankelijk verklaart in hun vordering.

4.3 Het Hof overweegt dat er tijdens het geding in hoger beroep enkele pogingen zijn ondernomen om tussen partijen een minnelijke regeling tot stand te brengen. Daartoe zijn op verschillende rechtsdagen inlichtingen-comparities gehouden en op 14 december 2007 een descente. Deze pogingen zijn echter vruchteloos gebleken waardoor het Hof thans zal overgaan tot de beoordeling van de zaak.

5. De beoordeling
In conventie en reconventie
Grief I

5.1 [geïntimeerden] hebben op deze grief verweer gevoerd waarbij zij aanvoerden dat er geen juiste weergave wordt gegeven van hetgeen de rechter in het bestreden vonnis heeft overwogen; de leerstukken van nietigheid van een rechtshandeling en rechtsverwerking worden verward met elkaar; rechtsverwerking is een toepassing van de goedertrouw en wel de objectieve goedertrouw, de redelijkheid en billijkheid hetgeen betekent dat de rechter die ambtshalve moet toepassen op basis van door partijen aangedragen feiten en omstandigheden; bij rechtsverwerking kunnen twee verschijningsvormen onderscheiden worden te weten:

rechtsverwerking op grond van onredelijke verzwaring van de positie van de wederpartij en rechtsverwerking op grond van het gerechtvaardigde vertrouwen dat een recht niet meer bestaat (materieel) of dat een recht niet meer zal worden uitgeoefend (processueel); in casu heeft de kantonrechter overwogen dat [appellanten] de bestuursleden hadden geaccepteerd waardoor er sprake is van rechtsverwerking; voorts noemen [appellanten] samenspanning, doch geven niet aan waarin de samenspanning bestond;

5.2 Het Hof overweegt ten aanzien van deze grief dat de kantonrechter in het vonnis onder punt 5.1 tot en met 5.3 heeft besproken dat partijen verdeeld zijn over de vraag welke personen voor 19 mei 1996 deel uitmaakten van het voormalig bestuur van de vereniging. De kantonrechter heeft beide standpunten aangehaald en daarbij ook aangehaald welk standpunt de verschillende personen, eisers en gedaagden, hebben ingenomen in eerdere kort geding procedures, namelijk de procedures bekend onder de algemeen register nummers 941323 en 955655.

5.3 Het hof overweegt dat de kantonrechter heeft geconstateerd dat appellanten [naam sub A], [naam sub B] en [naam sub C], in eerste aanleg gedaagden sub A, B en C, zich hebben beroepen op een verklaring van 1 april 1994 waarin staat dat van de 7 bestuursleden 2 bestuursleden niet accoord gingen met een bepaald voorstel. De bestuursleden die hier bedoeld werden waren de personen van [persoon sub A] (eiser sub 1 in eerste aanleg), [persoon sub B] (eiser sub 2 in eerste aanleg), [persoon sub E] (eiser sub 5 in eerste aanleg), [persoon sub G] (eiser sub 7 in eerste aanleg), [naam 2], de heer [naam sub A] (gedaagde sub A in eerste aanleg) en de heer [naam sub C]. De kantonrechter heeft overwogen dat het feit dat de appellanten [naam sub A], [naam sub B] en [naam sub C], toen gedaagden sub A, B en C, zich van deze verklaring hebben bediend ertoe leidt dat ervan uitgegaan moet worden dat zij deze personen als bestuur aanmerkten. De kantonrechter overweegt in rechtsoverweging 5.3.6. dat de appellanten [naam sub A], [naam sub B] en [naam sub C], toen gedaagden sub A, B en C, zich hierdoor niet erop konden beroepen dat zij de personen niet als bestuursleden aanmerkten. De kantonrechter oordeelt in het vonnis dat zij hun recht, om zich erop te beroepen dat de personen voor 19 mei 1996 niet tot het bestuur behoren, hebben verwerkt.

5.4 Appellanten stellen dat de kantonrechter ten onrechte uitgaat van verwerking van het recht om zich erop te beroepen dat, met name de personen van [persoon sub A], [persoon sub E] en [persoon sub G], voor 19 mei 1996 geen deel uitmaakten van het bestuur. Zij stellen dat de omstandigheden van het geval altijd beslissend zijn wanneer geoordeeld moet worden over verwerking van het recht. Zij stellen dat het van het grootste belang is dat wordt nagegaan of er sprake is geweest van samenspanning zijdens geïntimeerden, toen eisers. Zij stellen voorts dat de nietigheid van een situatie binnen vijf jaar mag worden ingeroepen.

5.5 Het Hof overweegt allereerst dat in het geding in eerste aanleg niets door de appellanten, toen gedaagden, is gevorderd met betrekking tot de nietigverklaring van het bestuur voor 19 mei 1996, het geding betreft voorzieningen in kort geding met betrekking tot partijen die menen het bestuur uit te maken vanaf 9 november 1996. Om die reden is er geen sprake geweest van het inroepen van de nietigheid van die situatie.

5.6 Het Hof overweegt voorts dat, gelijk de geïntimeerden stellen, er verder door appellanten in hun pleitnota niets is vermeld over de genoemde samenspanning, met name hoe deze zou hebben plaatsgevonden en wat het gevolg daarvan geweest zou zijn, waardoor daar ook geen oordeel over gevormd kan worden. Geïntimeerden hebben daar verder ook geen verweer op kunnen voeren omdat er bloot wordt gesteld dat er is samengespannen en dat dat feit een ander licht op een eventuele rechtsverwerking zou werpen.

5.7 Het Hof overweegt dat over rechtsverwerking in de literatuur onder andere staat vermeld (vide ”Het systeem van het Nederlands privaatrecht” – Pitlo – 1981 – pagina 234): ”In het algemeen mag men opmerken dat elk recht kan worden prijsgegeven. Men kan een vordering prijsgeven door kwijtschelding, een beperkt zakelijk recht door er afstand van te doen…..Echter ook uit andere gedragingen, o.a. uit stilzitten, kan men soms afleiden, dat iemand zijn recht prijs geeft. Men spreekt dan van rechtsverwerking. Het recht, dat een oblaat aan een aanbod ontleent, is verwerkt als hij niet binnen een redelijke tijd op het aanbod heeft gereageerd (stilzitten )…..”.

5.8 Het Hof is van oordeel dat de opvatting van de kantonrechter, dat door het in een rechtsgeding (met A.R.No. 941323) aanmerken van de personen als bestuur, en het samenwerken met die personen alsof zij onderdeel uitmaken van het bestuur gedurende een bepaalde periode, op een later tijdstip niet kan worden gesteld dat die personen geen deel uitmaakten van het bestuur, niet onbegrijpelijk is. Om die reden zal aan de eerste grief voorbij gegaan worden.

Grief II.

5.9 [geïntimeerden] hebben op deze grief als verweer aangevoerd dat de grief niet opgaat. Uit het vonnis blijkt duidelijk dat het bestuur geen vergadering heeft uitgeschreven na daartoe het verzoek ontvangen te hebben van de aanvragers. Ingevolge de Statuten hadden de aanvragers de bevoegdheid om dan zelf een vergadering uit te schrijven.

5.10 Het Hof overweegt dat bij exploit van 2 oktober 1996 aan het bestuur is betekend een schrijven afkomstig van een groep van 87 personen, [naam sub H] 86 anderen. In dat schrijven is gevraagd om een ALV uit te schrijven. Bij schrijven van 4 oktober 1996 hebben de bestuursleden van toen, thans appellanten [naam sub A], [naam sub B] en [naam sub C], in eerste aanleg gedaagden sub A, B en C, aan de 87 aanvragers te kennen gegeven dat zij de vergadering niet kunnen uitschrijven. Hieruit blijkt dat aan het verzoek van de aanvragers dus niet is voldaan.

5.11 Het Hof overweegt dat, gelijk geïntimeerden stellen, de 87 aanvragers ingevolge artikel 15 van het Huishoudelijk Reglement van de vereniging, de bevoegdheid hadden om dan zelf ertoe over te gaan een Algemene Vergadering bijeen te roepen onder hun leiding. Appellanten stellen in hun pleitnota dat de groep van 87 aanvragers geen reden hadden om een vergadering uit te schrijven omdat er al een vergadering werd gehouden op 9 november 1996. Naar het oordeel van het Hof gaat dit echter niet op omdat er juist een schrijven is gestuurd door [naam sub A], [naam sub B] en [naam sub C] d.d. 4 oktober 1996 dat er geen ALV zal worden uitgeschreven.

5.12 Het Hof is van oordeel dat om die reden de kantonrechter terecht heeft overwogen dat overeenkomstig het huishoudelijk reglement is gehandeld door de 87 aanvragers.

Grief III

5.13 Geïntimeerden hebben als verweer op deze grief aangevoerd dat appellanten uitgaan van onjuiste feiten. De aanvraag voor een vergadering door 87 aanvragers is per deurwaardersexploit betekend aan het bestuur. Ook het antwoord aan de aanvragers is per deurwaarders exploit betekend. Beide documenten zijn in eerste aanleg overgelegd. In eerste aanleg is aan de kantonrechter voorgehouden op grond waarvan de aanvragers toen zelf een vergadering hebben uitgeschreven voor 9 november 1996. Van een tweede vergadering op diezelfde dag blijkt niet uit exploiten. Hierdoor kon de kantonrechter de vraag met betrekking tot de rechtsgeldigheid van die tweede vergadering niet beantwoorden.

5.14 Het Hof overweegt dat de kantonrechter onder andere onder punt 7 van het vonnis in eerste aanleg in conventie en onder punt 8 van het vonnis in reconventie ingaat op de ALV bedoeld door appellanten.

5.15 De kantonrechter heeft ten aanzien van die ALV overwogen dat [naam 3] namens de leden van de vereniging in het dagblad de West van 28 oktober 1996 een advertentie heeft geplaatst waarin wordt bekend gemaakt dat op 9 november 1996 een ALV zal worden

gehouden met als agendapunt onder andere een bestuursverkiezing. [naam 3] heeft daarna op 14 november 1996 namens de leden een advertentie geplaatst waarin wordt bekend gemaakt dat op zaterdag 9 november 1996 een bestuur is gekozen bestaande uit de in die advertentie genoemde personen.

5.16 De kantonrechter overweegt voorts dat niet is gesteld en niet is gebleken dat het verzoek aan het bestuur om een ALV bijeen te roepen voldoet aan het vereiste van artikel 13 van het Huishoudelijk Reglement, namelijk het vereiste dat zo een verzoek gedaan moet worden door 1/10 deel van de stemgerechtigde leden.

5.17 Het Hof overweegt dat appellanten noch in hun pleitnota, noch in hun repliekpleidooi op die zienswijze van de kantonrechter zijn ingegaan en geen zaken hebben gesteld op grond waarvan aannemelijk zou moeten worden dat het verzoek aan het bestuur om een ALV bijeen te roepen voldeed aan het vereiste van artikel 13 van het Huishoudelijk Reglement. De zienswijze van de kantonrechter is niet onbegrijpelijk en zal, nu appellanten ook in appel geen nadere zaken hebben gesteld hieromtrent, door het Hof worden overgenomen.

5.18 Op grond van het hiervoor overwogene zal ook de derde grief worden verworpen.

Grief IV

5.19 Geïntimeerden hebben op de vierde grief als verweer aangevoerd dat die grief niet juist is.

De kantonrechter heeft juist een uitvoerig onderzoek ingesteld naar de lijst en het lidmaatschap. De appellanten hebben toen op geen enkele wijze betwist of ontkend dat geïntimeerden contributie betalen.

5.20 Het Hof overweegt dat de kantonrechter in het vonnis in eerste aanleg onder punt 6, gelijk geïntimeerden stellen, uitgebreid is ingegaan op de weren van appellanten, toen gedaagden, ten aanzien van de ledenlijst met 217 namen. Appellanten, toen gedaagden, hebben in hun conclusie van antwoord toen onder punt 5 als verweer aangevoerd dat de aanvragers geen vergadering konden uitschrijven omdat de door hun gehanteerde lijst van 2017 personen vals is. Die lijst van 217 personen is door de appellanten, toen gedaagden, bij antwoord overgelegd. De kantonrechter heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar deze lijst, waarbij ook tijdens het kort geding de personen van [naam 1], [naam 4] en [naam 5] zijn gehoord over de samenstelling van de ledenlijst. De kantonrechter heeft na het onderzoek aannemelijk geacht dat aan de verkiezing op 9 november 1996 wel leden hebben deelgenomen.

5.21 Het Hof overweegt dat de vierde grief van appellanten erop neerkomt dat de kantonrechter geen onderzoek heeft gedaan naar de vraag of de aanvragers, dat zijn de 87 personen die de ALV hadden aangevraagd, nog lid waren.

5.22 Het Hof is van oordeel dat, nu de kantonrechter uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar de ledenlijsten die in het geding zijn gebracht en daarnaast de appellanten, toen gedaagden, in eerste aanleg niet als verweer hebben opgeworpen dat de 87 personen genoemd op de lijst van de aanvragers geen leden zijn, de kantonrechter geen redenen had om ook dat nog te onderzoeken. Immers is de lijst van aanvragers niet alszodanig betwist. Hierdoor zal ook voorbij gegaan worden aan de vierde grief.

Grief V

5.23 Geïntimeerden hebben op de vijfde grief als verweer aangevoerd dat het aangedragen bewijs de discretionaire bevoegdheid van de rechter is. De kantonrechter heeft daarnaast wel gebruik gemaakt van het technisch rapport voor zover het niet gemotiveerd was betwist.

5.24 Het Hof overweegt dat in het proces in eerste aanleg in de conclusie van antwoord in conventie melding is gemaakt van een aangifte met betrekking tot de valsheid van de ledenlijst. Ook wordt gesteld dat de geïntimeerden, toen eisers sub 1, 3, 4 en 6 in eerste aanleg zijn gehoord door de politie. In antwoord wordt ook melding gemaakt van het technisch rapport van agent G.A. Arupa, welk rapport is overgelegd. Geïntimeerden, toen eisers, hebben in hun conclusie van repliek aangevoerd dat het rapport niet relevant is omdat niet blijkt wat vals zou zijn aan de lijst. Appellanten, toen gedaagden hebben in hun conclusie van dupliek aangevoerd dat uit het politieonderzoek is gebleken dat de lijst van 217 personen vals is. Het Openbaar Ministerie moet thans beslissen of er vervolgd zal worden.

5.25 Het Hof overweegt dat in het geding de lijst met 2017 namen is overgelegd evenals het rapport van de agent van politie G.A. Arupa gedateerd 31 augustus 1996. De vijfde grief richt zich hierop dat appellanten stellen dat de kantonrechter geen gewicht heeft gegeven aan de conclusie van de agent van politie, die in zijn bevindingen stelt dat handtekeningen onder aan de pagina’s van de lijst gecopieerd zijn van het origineel. De politieagent constateert dat de handtekeningen op pagina 1 gelijk zijn aan de handtekeningen van pagina 2, en de handtekeningen van pagina 1a gelijk zijn aan de handtekeningen op pagina 7, voorts de handtekeningen op pagina 1b gelijk zijn aan de handtekeningen op pagina 4 en die van pagina 1c gelijk zijn aan de handtekeningen op pagina 5 en tenslotte de handtekeningen van pagina 1d gelijk zijn aan die van pagina 9. Het betreft de drie handtekeningen onder aan de lijsten, namelijk de drie handtekeningen van de commissieleden die de ledenlijst hebben samengesteld. De constatering van de agent van politie is dat van de aan de politie overgedragen lijst de handtekeningen copieën zijn en niet origineel zijn.

5.26 Het Hof overweegt dat de kantonrechter tijdens de behandeling in eerste aanleg tijdens de zittingen van 15 april 1997 en 5 mei 1997 de personen van [naam 5], [naam 1] en [naam 4] heeft gehoord. Tijdens deze verhoren is de lijst van 217 namen aan hen getoond. De personen van [naam 5], [naam 1] en [naam 4] hebben allen antwoord gegeven op de vragen gesteld door de kantonrechter.

5.27 De kantonrechter heeft in zijn vonnis in eerste aanleg onder 6.4.5 en 6.4.6 overwogen wat de drie personen hebben verklaard. Uit hun verklaringen heeft de kantonrechter aannemelijk geacht dat het de lijst betreft die door deze drie personen is samengesteld. Hierna heeft de kantonrechter zijn beoordeling op die aannemelijkheid gebaseerd.

5.28 Het Hof is van oordeel dat de kantonrechter niet voorbij is gegaan aan het politierapport.

De kantonrechter heeft de personen van wie de handtekeningen in het politierapport werden betwijfeld, op de zitting gehoord en heeft naar aanleiding van hun eigen verklaringen de zaak beoordeeld. Hierdoor zal het Hof voorbij gaan aan de vijfde grief.

Grief VI

5.29 Geïntimeerden hebben op de zesde grief als verweer verwezen naar hetgeen zij hebben aangevoerd op de vierde grief.

5.30 De zesde grief richt zich hierop dat de kantonrechter in zijn vonnis in rechtsoverweging 6.4.8 overweegt dat de lijst gemaakt door de commissie [naam 1] geen uitputtende opsomming is van leden van de vereniging. Appellanten stellen dat de kantonrechter hiermee zelf aangeeft dat de lijst niet juist is. Het oordeel van de kantonrechter dat de geïntimeerden, toen eisers, moeten worden aangemerkt als het rechtmatig bestuur kan daarom dan ook niet juist zijn.

5.31 Het Hof overweegt dat, gelijk hierboven reeds overwogen onder de punten 5.20, 5.25,

5.26 en 5.27, de kantonrechter in het kort geding in eerste aanleg voldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of tijdens de ALV leden hebben deelgenomen aan de verkiezingen. Nu de zesde grief ook daarop gericht is zal het Hof appellanten verwijzen naar haar overwegingen in die genoemde punten.

Grief VII en Grief VIII.

5.32 Geïntimeerden hebben op de zevende en de achtste grief als verweer aangevoerd dat die grieven geen betrekking hebben op het vonnis.

5.33 Het Hof overweegt dat, gelijk geïntimeerden stellen, die grieven zich richten op de consequenties van het vonnis voor de vereniging.

5.34 Het Hof overweegt dat deze grieven het verwijt in zich hebben dat de kantonrechter geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van zijn beslissing voor de vereniging.

5.35 Het Hof overweegt dat bij de beoordeling van de vordering door de kantonrechter en de beoordeling van de grieven van appellanten door het Hof, de stellingen en weren van partijen, de overgelegde producties en eventuele verklaringen van informanten, zoals in het onderhavig geval, worden meegenomen. In kort geding, zoals de onderhavige zaak, dient de aannemelijkheid van de grondslag of van het verweer getoetst te worden. Het feit dat het vonnis consequenties kan hebben voor partijen doet daar niets aan af.

5.36 Het Hof overweegt dat bij de behandeling in hoger beroep eerst is getracht tussen partijen een minnelijke regeling tot stand te brengen. Na enkele pogingen daartoe die vruchteloos bleken, is overgegaan tot het beoordelen van de grieven. Zowel de kantonrechter als het Hof zullen, indien geen minnelijke regeling tot stand komt, uiteindelijk de grondslag en de grieven moeten toetsen, hetgeen met zich meebrengt dat er een beslissing komt die consequenties zal hebben voor beide partijen.

5.37 Op grond hiervan zal ook aan de zevende en achtste grief voorbij gegaan moeten worden.

5.38 Nu aan de grieven van appellanten voorbij gegaan moet worden zal het vonnis in eerste aanleg bevestigd worden.

6. De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
In conventie en reconventie

6.1 Bevestigt het vonnis van 5 mei 1997, bekend in het Algemeen Register onder A.R.No. 964305, waarvan beroep;

6.2 Veroordeelt [appellanten] in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. drs. C.C.L.A. Valstein-Montnor, Vice-Presiden, mr. A. Charan, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 7 juli 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtigde van geïntimeerden, terwijl appellanten noch in person noch bij gemachtigde zijn verschenen.

SRU-HvJ-1999-44

M.H
GENERALE ROL NO.138­30.

[appellant], wonende in de [plaats 1] bekend als wooncentrum [nummer], in het [dis­trict], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.G.GANGARAM PANDAY, advokaat,
appellant in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [plaats 2] in het [district] Nickerie, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.B.A.HALFHIDE, advo­kaat,
geintimeerde in Kort Geding,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien s’Hofs interlocutoire vonnissen in Kort Geding van 20 juni 1997 en 19 juni 1998 tussen partijen gewezen en uitge­sproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter voldoening aan laatstvermeld vonnis de gemachtigde van appellant aan het Hof schrif­telijke informatie heeft verstrekt, onder overlegging van produkties, waarvan de inhoud, alsmede van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerde hierna een hier als geinsereerd aan te merken schrifte­lijke conclusie tot uitlating produkties heeft genomen, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 8 januari 1999, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat geintimeerde als eiser in prima het spoedeisend karakter van zijn vordering adstruerend heeft gesteld dat hij de woning dringend nodig heeft voor zichzelf en met de nodige dringende reparaties en verbouwing met spoed dient aan te vangen, doch dat zulks niet kan plaatsvinden zolang gedaagde danwel derden zich in de woning bevinden;
Overwegende, dat naar het Hof gebleken is, appel­lant voormelde stellingen gemotiveerd heeft weerspro­ken;
Overwegende, dat, naar het Hof wijders gebleken is, de Kantonrechter het, ondanks het zijdens appellant gemotiveerd gevoerd verweer, heeft doen voorkomen alsof voormelde stellingen van geintimeerde in rechte zijn komen vast te staan;
Overwegende, dat de Kantonrechter, naar het oor­deel van het Hof geheel ten onrechte daarvan is uitge­gaan zijnde het element van spoedeisend belang niet bewezen en mitsdien in rechte tussen partijen niet is komen vast te staan;
Overwegende, dat het Hof de eerste grief gegrond achtend, bespreking van de overige grieven en de ter inlichtingencomparities van respectievelijk 22 augustus 1997 en 3 oktober 1997 verstrekte informaties als niet langer relevant geheel in het midden latend de gevraag­de voorziening onder vernietiging van het beroepen vonnis, alsnog zal weigeren en geintimeerde veroordelen in de kosten op beide instanties aan de zijde van appellant gevallen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Derde Kanton zittinghoudende te Nieuw Nickerie in het distrikt Nickerie, op 17 oktober 1995 tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Weigert alsnog de gevraagde voorziening;
Veroordeelt geintimeerde in de kosten in beide instanties in prima aan de zijde van appellant begroot op Sf…….. en in hoger beroep begroot op Sf…….. met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf…… bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geintimeerde eveneens op Sf…….

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare te­rechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 8 oktober 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDE­REN-RELYVELD, Substituut-Grif­fier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advo­kaat, Mr.T.GANGARAM PANDAY namens zijn gemachtigde advokaat, Mr.G.GA­NGARAM PANDAY en geintimeerde verte­genwoor­digd door advo­kaat, Mr.H.E.STRUIKEN namens zijn gemachtigde advokaat, Mr.B.A.HALFHIDE, zijn bij de uitspraak ter te­rechtzit­ting verschenen.

 

 

 

 

SRU-HvJ-1991-7

Hof van Justitie
11 oktober 1991, SJ 1991, G.R. 13037
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. Von Niesewand en E.S. Ombre).

[appellante], wonende te [district] aan [adres 1], advokaat, Mr. E.C.M. Hooplot, appellante,

tegen

[geïntimeerde], gehuwd [naam], wonende te [district] aan [adres 2], advokaat Mr. A.R. Baarh, geïntimeerde,

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname:
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. het in afschrift overgelegde vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 23 oktober 1990 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 22 november 1990, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep; Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde], als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter, in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiseres de navolgende vordering op verkorte termijn wenst in te stellen tegen [appellante], wonende te [district] aan [adres 1];

2. dat eiseres eigenares is van het erf met daarop staande woningen, gelegen te [district] aan [adres 1].

3. dat eiseres aan gedaagde verhuurd heeft gelijk deze van eiseres gehuurd heeft, de woning staande op het erf te [district] aan [adres 1] voor de huurprijs van f. 60,– (zestig gulden) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

4. dat deze overeenkomst van huur en verhuur tussen partijen tot stand is gekomen vanwege het dienstverband van gedaagde als huishoudster bij eiseres;

5. dat zowel het dienstverband als de overeenkomst van huur en verhuur met gedaagde per 19 februari 1990 zijn opgezegd;

6. dat gedaagde menigmaal door eiseres mondeling is aangemaand voornoemde woning ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen daar de overeenkomst van huur en verhuur is opgezegd alsook het dienstverband als huishoudster bij eiseres om welk zij de beschikking had gekregen van meergenoemde woning en deze woning ter beschikking moet worden gesteld van een andere werknemer van eiseres, doch zij, gedaagde weigerachtig blijft aan dit verzoek te voldoen en zet zij, gedaagde bovendien tegen eiseres een brutale mond op;

7. dat eiseres op grond van bovengenoemde feiten gerechtigd is de ontbinding van de overeenkomst van huur en verhuur tussen partijen aangegaan en de ontruiming van meergenoemde woning te vorderen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de overeenkomst van huur en verhuur tussen partijen zal worden ontbonden en gedaagde zal worden veroordeeld om binnen 1 x 24 uur na het te wijzen vonnis, althans binnen een door de Rechter in goede justitie vast te stellen termijn, de woning staande op het erf gelegen te [district] aan [adres 1], te ontruimen en te verlaten met alle van harentwege zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of goederen ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen, uiteraard met overgave der sleutels, met machtiging van eiseres om indien gedaagde in gebreke mocht blijven binnen de bij vonnis bepaalde termijn te ontruimen, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm en wel op kosten van gedaagde: dat bij vonnis, gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van de maandelijkse huur over meergenoemde woning ad f. 60,– (zestig gulden) tot aan de dag der algehele ontruiming, kosten rechtens;

Overwegende, dat [appellante], als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd dat eiseres in haar vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard, althans deze aan haar zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 23 oktober 1990 op de daarin opgenomen gronden: a. Voor onthouden heeft verklaard de in het inleidend rekest vermelde huurovereenkomst. b. Gedaagde heeft veroordeeld om binnen 5 maanden (vijf maanden) na betekening van dit vonnis de woning staande op het erf gelegen aan [adres 1] te ontruimen, met alle van harentwege zich daarin bevindende personen en goederen en ter vrije en algehele beschikking van de eiseres te stellen. c. Eiseres heeft gemachtigd om indien de gedaagde na het verstrijken van de punt B bedoelde termijn nalatig is gebleven het gehuurde te ontruimen, deze zelfte doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm. d. Gedaagde voorts heeft veroordeeld om, zolang zij in het gehuurde blijft, maandelijks de huur ad f. 60,– (zestig gulden) per maand te betalen tot de dag der ontruiming. Dit vonnis tot zover de punten B, C en D uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f. 72,50 (twee en zeventig 50/100 gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld procesverbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 23 oktober 1990;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder K.C.J. Defares van 24 juni 1991 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het appèl tegen het vonnis d.d. 23 oktober 1990, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken, tijdig is gesteld;

Overwegende, dat appellante tegen het beroepen vonnis drie grieven heeft ontwikkeld, luidende: Grief I. Ten onrechte heeft de Kantonrechter geoordeeld dat geïntimeerde bevoegd was de ontruiming van de woning c.q. ontbinding van de huurovereenkomst te vorderen. Immers heeft de Kantonrechter een aantal bevoegde personen tot het verhuren van een woning genoemd doch niet tot nuance gemaakt tussen enerzijds de beschikkingsbevoegdheid van de vruchtgebruiker, de erflater, de lasthebber en anderzijds die van de mede-eigenaar. Laatstgenoemde kan slechts mede namens de overige eigenaren verhuren op grond van het feit dat hij slechts van de mede-eigenaren zijn volledige beschikkingsbevoegdheid kan verkrijgen. In casu heeft geïntimeerde mede namens alle eigenaren, als hun lasthebber aan appellante verhuurd. Grief II. Ten onrechte is de Kantonrechter zonder meer voorbijgegaan aan het verweer van appellante in prima dat in het inleidend rekest alle mede-eigenaren genoemd behoorden te worden en als formele procespartij behoorden op te treden. Grief III. Ten onrechte heeft de Kantonrechter uit de bereidheid van appellante om te verhuizen, mits rekening gehouden wordt met haar belang en die van haar kinderen afgeleid dat appellante afstand doet van haar recht op huurbescherming en zich niet langer zou moeten beroepen op afwezigheid van de ontruimingsgronden genoemd in de Huurbeschermingswet;

Overwegende, dat het Hof, alvorens voormelde grieven aan een bespreking te onderwerpen, termen aanwezig acht een comparitie van partijen te gelasten tot het verstrekken van inlichtingen;

Rechtdoende in hoger beroep
Alvorens definitief te beslissen: Gelast partijen om in persoon, desverlangd vergezeld van derzelver gemachtigden, in één der zalen van het Hof van Justitie te verschijnen en wel op 9 augustus 1991 des voormiddags te 8.30 uur, voor een RechterCommissaris, als hoedanig ten deze wordt benoemd Mr. J.R. von Niesewand, lid van het Hof, tot het verstrekken van inlichtingen; Houdt elke verdere uitspraak aan;

[appellante], wonende te [district] aan [adres 1], advokaat, Mr. E.C.M. Hooplot, appellante,

tegen

[geïntimeerde], gehuwd [naam], wonende te [district] aan [adres 2], advokaat Mr. A.R. Baarh, geïntimeerde,

De waarnemend President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek,
het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname
Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 19 juli 1991 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

Ten aanzien van de feiten
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts:

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, partijen in persoon, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat het Hof hierna aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 16 augustus 1991, doch nader op heden;

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 19 juli 1991 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat partijen ter bevolen en gehouden inlichtingencomparitie hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal is gerelateerd;

Overwegende, dat het Hof op grond van de door partijen ter inlichtingencomparitie verstrekte niet betwiste informaties bewezen acht, dat geïntimeerde enkele jaren geleden aan appellante heeft verhuurd gelijk appellante van geïntimeerde heeft gehuurd het woonhuis [adres 1], staande op het erf dat gelegen is aan [straat], tegen de prijs van f 60,– per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

Overwegende, dat het Hof opmerkt, dat nu van de in prima ambtshalve gelaste en gehouden comparitie van partijen geen proces-verbaal blijkt te zijn opgemaakt en appellante tijdens de in hoger beroep gehouden inlichtingencomparitie blijkt te hebben ontkend alstoen te hebben verklaard bereid te zijn te verhuizen mits met haar belang en dat van haar kinderen rekening wordt gehouden, zal het Hof, nu daarvan door geïntimeerde ook geen bewijs is aangeboden, daar geen acht op slaan;

Overwegende, dat geïntimeerde in het onderhavige proces heeft gevorderd ontbinding der ten rekeste gestelde huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, doch dat geïntimeerde, naar het Hof is gebleken, geen der ontruimingsgronden, limitatief opgesomd in het bepaalde in artikel 4 van de Huurbeschermingswet 1949, waar appellante zich zowel in prima als in hoger beroep uitdrukkelijk op beroepen heeft, aan haar vordering heeft ten grondslag gelegd, hetgeen, naar het oordeel van het Hof, had gemoeten;

Overwegende, dat geïntimeerde dan ook ten ene male te kort geschoten is in haar stelplicht hetgeen onder vernietiging van het beroepen vonnis en met voorbijgaan aan bespreking van de daartegen ontwikkelde grieven als irrelevant, moet leiden tot het alsnog niet-ontvankelijk verklaren van geïntimeerde in haar oorspronkelijke vordering;

Rechtdoende in hoger beroep
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 23 oktober 1990 tussen partijen gewezen en uitgesproken waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende
Verklaart geïntimeerde alsnog niet-ontvankelijk in haar vordering jegens appellante;

 

SRU-HvJ-1998-28

Hof van Justitie, 3 juli 1998, G.R.13490

Mrs. S. Gangaram Panday, P.G. Wolff, K. Pultoo)

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien het schrijven d.d. 17 maart 1998 afkomstig van mr. E.C. Hooplot, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie d.d. 1 april 1998 en geregistreerd onder P. no. 166 (i);
Gezien het ‘s Hofs eindvonnis in deze zaak tussen partijen gewezen en uitgesproken op 17 mei 1996;
Gezien het proces-verbaal van bespreking met de betrokken advocaten d.d. 22 april 1998;
Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat het in casu evident is en ook uit de rechtsoverwegingen van voormeld vonnis blijkt (zie o.a de pagina’s 6, 8 en 9) dat er sprake is geweest van een verschrijving onder punt B van het dictum van vonnis d.d. 17 mei 1996, te weten dat daarin als datum staat vermeld “23 januari 1993”, terwijl daar had moeten staan “23 november 1993”.
Overwegende, dat het Hof op grond van het voorgaande zal vaststellen dat het dictum sub B van voormeld vonnis als na te melden zal worden gelezen.

Rechtdoende

Stelt vast dat het gestelde onder punt B van het dictum van het vonnis van het Hof van Justitie d.d. 17 mei 1996, na verbetering als volgt wordt gelezen:
“Schorst alle besluiten die door de algemene vergaderingen van aandeelhouders van de geïntimeerde sub A op 19 maart 1998 en op 23 november 1993 genomen zijn, totdat in een door appellanten en/of hun rechtsopvolgers in een binnen drie maanden na deze uitspraak aanhangig gemaakt bodemgeschil (zo die niet aanhangig is) daarover definitief zal zijn beslist;”

SRU-HvJ-1999-43

H.M.
GENERALE ROL NO: 13926.

[appellant], wonende aan [adres], [plaats], te [district], voor wie als gemach­tigde optrad, Mr.R.BALDEW, advokaat, die thans vervangen wordt door Mr.G.GANGARAM PANDAY, advo­kaat,
appellant in Kort Ge­ding,

tegen

STICHTING BOUWFONDS POLITIE, rechtspersoon, geves­tigd te Paramaribo, voor wie als gemachtig­de optreedt, Mr.F.F.P.TRUI­DEMAN, advokaat,
geintimeer­de in Kort Geding,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen respectie­velijk van 17 april 1998 en 23 april 1999 tussen par­tijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 23 april 1999 advokaat Mr.G.Gangaram Panday het Hof heeft mede­gedeeld dat hij zich als gemachtigde van appellant stelt;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen peremptoir bepaald de gemachtigde van appel­lant een hier als geinsereerd aan te merken schrifte­lijke conclusie tot uitlating heeft genomen, terwijl advokaat Mr.J.F.Echteld namens advokaat Mr.F.F.P.Trui­de­man heeft gepersis­teerd bij zijn stellingen;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
1. Het Hof neemt hier over en volhardt bij hetgeen in zijn tussenvonnissen van 17 april 1998 en 23 april 1999 is overwogen en beslist.

2. Op grond van de, in zoverre niet betwiste, stel­lingen van partijen en de inhoud van de overgelegde produkties, staat, voor zover hier van belang, het volgende vast:

2.1 Bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, op 16 oktober 1984 uitgesproken in de zaak AR 781985, is geintimeerde in reconventie veroordeeld om aan appellant en [naam 1] te betalen de door appellant en genoemde [naam 1] geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

2.2 Appellant heeft bij exploiten van deurwaarder B. Balgobind d.d. 15 oktober 1992 en 19 december 1992 uit kracht van voormeld vonnis ten laste van geintimeerde executoriaal derdenbeslag en executoriaal beslag op een in het betreffende exploit nader omschreven perceelland doen leggen.

2.3 Op vordering van geintimeerde heeft de Kantonrech­ter in het Eerste Kanton, rechtdoende in kort geding in de zaak AR 920503, bij vonnis van 20 januari 1993 de schorsing van de executie van het hierboven onder 2.1 vermelde vonnis bevolen, voorzover gewezen tussen geintimeerde en appellant.

2.4 Vervolgens heeft geintimeerde in het kort geding, bekend onder AR 930875, als eiseres in eerste aanleg, gevorderd dat appellant, onder verbeurte van een dwang­som van f. 1000 per dag, zou worden gelast de hierboven onder 2.2 vermelde beslagen op te heffen. Bij vonnis van 19 april 1993 is de gevraagde voorziening door de Kantonrechter in het Eerste Kanton geweigerd.

2.5 Bij vonnis van het Hof van Justitie van 17 decem­ber 1993 (GR 13284) is het onder 2.4 vermelde vonnis, onder verbetering en aanvulling van gronden, bevestigd.

2.6 Appellant heeft uit kracht van het hierboven onder 2.1 vermelde vonnis bij exploit van deurwaarder R. Kappel d.d. 2 september 1996 ten laste van geintimeerde executoriaal beslag doen leggen op het in genoemd exploit nader omschreven perceelland.

2.7 Bij in kort geding (AR 963309) gewezen vonnis van 16 januari 1997 heeft de Kantonrechter in het Eerste Kanton op vordering van geintimeerde de opheffing en de doorhaling van de overschrijving van het onder 2.6 vermelde beslag gelast.

3. Appellant is van laatstvermeld vonnis in hoger beroep gekomen en heeft daarbij vijf grieven opgewor­pen.

4.1 Het Hof heeft, in verband met de eerste grief, de processtukken van de zaak GR 13284 bij de voorliggende laten voegen en heeft partijen in de gelegenheid ge­steld zich over die stukken uit te laten.

4.2 Zoals appellant terecht heeft aangevoerd heeft het Hof in zijn vonnis van 17 december 1993, gewezen in laatstvermelde zaak, overwogen dat ”appellante’s stel­ling, welke zij als grondslag aanvoert, dat de liti­gieuze executoriale beslagen niet kunnen steunen op het vonnis van de Kantonrechter van 16 oktober 1984, ver­mits dit vonnis is geschorst, in afwachting van de schadestaatprocedure, naar ’s Hoven voorlopig oordeel onjuist is;”. Appellante in die zaak (thans geintimeer­de) heeft inderdaad voormelde stelling geponeerd, maar uit de processtukken blijkt dat zij, direkt voorafgaand aan die stelling (zie pleitnota blz. 3), heeft aange­voerd, hetgeen als grondslag van haar vordering is te beschouwen, dat bedoelde beslagen slechts kunnen steu­nen op een vonnis van de Kantonrechter, waarbij het bedrag der schade wordt vastgesteld. Het is deze laat­ste stelling die het Hof op het oog had en in de aange­haalde rechtsoverweging beoogde als onjuist aan te merken. Immers wordt, wat dit laatste betreft, algemeen aangenomen dat uit kracht van een vonnis, houdende een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat executoriaal beslag kan worden gelegd. Appellant is overigens van mening (zie zijn conclusie van antwoord) dat het Hof in zijn vonnis van 17 december 1993 de leer dat, kort gezegd, krachtens een veroordeling tot scha­devergoeding, nader op te maken bij staat, executoriaal beslag kan worden gelegd, heeft overgenomen.

4.3 Appellant heeft in eerste aanleg, zakelijk weerge­geven, aangevoerd dat het vonnis van het Hof van 17 december 1993 ”in kracht van gewijsde (is) en wel in negatief gewijsde, hetgeen betekent, dat een partij niet voor de tweede maal op dezelfde gronden tegen dezelfde persoon mag ageren”. De Kantonrechter heeft dit verweer verworpen en de eerste grief en de tweede grief komen op tegen deze beslissing en de door de Kantonrechter gegeven motivering daarvan.

4.4 Die motivering, te weten, zakelijk weergegeven, dat een vonnis in kort geding slechts voorlopige oorde­len en beslissingen bevat waaraan partijen niet in de bodemprocedure en evenmin in een later geding gebonden zijn, wijst erop dat de Kantonrechter het verweer heeft opgevat als een beroep op positief gezag van gewijsde, hetgeen, gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, onjuist is. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van het beroepen vonnis. Appellant ziet immers over het hoofd dat het niet om dezelfde voorziening en dezelfde feiten gaat: onderwerp van de voorliggende zaak is het executoriaal beslag van 2 september 1996 en gevorderd is om, onder verbeurte van een dwangsom van f. 500.000 per dag, de opheffing en doorhaling daarvan te gelasten en om appellant te veroordelen tot betaling van f. 150.000 terzake nodeloos veroorzaakte kosten, ter­wijl de zaak, waarin op 17 december 1993 vonnis is gewezen, tot onderwerp had de executoriale beslagen van 15 oktober- en 19 december 1992 en daarin werd gevor­derd om appellant, onder verbeurte van een dwangsom van f. 1.000 per dag, te gelasten die beslagen op te hef­fen.

5. De derde grief faalt, omdat de Kantonrechter, anders dan appellant beweert, niet heeft ontkend het vonnis van 20 januari 1993, AR 920503, te hebben gewe­zen. Deze grief zou overigens, ook indien juist, niet tot vernietiging van het beroepen vonnis kunnen leiden.

6. De Kantonrechter heeft op bladzijde 6 en 7 van het beroepen vonnis overwogen, zakelijk weergegeven, dat vaststond dat het liquidatieproces strekkende tot vaststelling van het tevoren niet bepaalde beloop der kosten, schade en interessen, niet tot die vaststelling heeft geleid, ”zijnde gedaagde’s daartoe strekkende vordering bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 5 december 1995 (A.R. No. 92/3944) afgewezen”. Appellant stelt derhalve in zijn vierde grief ten onrechte dat de Kantonrechter ter vermelde plaatse heeft gesteld dat in het liquidatieproces de vaststelling van het bedrag niet is geschiedt, ”met als gevolg dat die vordering dan ook is ontzegd” (onder­streping door het Hof). De grief faalt.

7.1 In zijn vijfde grief stelt appellant dat de Kan­tonrechter ten onrechte op pagina 7 van zijn vonnis heeft overwogen dat hij gerede aanleiding vindt ertoe over te gaan het bij exploit van deurwaarder R. Kappel d.d. 2 september 1996 no. 0551 gelegd executoriaal beslag op het in het exploit omschreven onroerend goed op te heffen. In zijn toelichting op de grief stelt appellant dat de Kantonrechter zijn opvatting alleen op van [naam 2] steunt en wel op aantekening 4 op artikel 612 en aantekening 9 op artikel 289, welke hij verkeerd casu quo onvolledig heeft gelezen. Verder heeft appellant aangevoerd, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, dat de opvatting van de Kan­tonrechter geen steun vindt in jurisprudentie, volgens welke tot verzekering van verhaal van een nog onveref­fend bedrag executoriaal beslag kan worden gelegd, met dien verstande dat er geen dwang tot betaling kan worden uitgeoefend.

7.2 Uit de door de grief gewraakte overweging blijkt dat de Kantonrechter reeds het feit dat de (schade)ver­goeding nog niet bij rechterlijk vonnis is vastgesteld en de voortgang van de executie bezwaren zal opleveren voldoende heeft geoordeeld om het executoriaal beslag van 2 september 1996 op te heffen. Dit standpunt is niet in overeenstemming met de, ook door het Hof aange­hangen leer, dat uit kracht van een vonnis, houdende een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat, executoriaal beslag kan worden gelegd. De grief is, in zoverre deze strekt ten betoge hiervan, gegrond.

8.1 Het vorenstaande leidt evenwel niet tot vernieti­ging van het vonnis. Geintimeerde heeft immers aan haar vordering onder meer ten grondslag gelegd dat de wer­king van het vonnis van 16 oktober 1984, A.R. 781985, bij vonnis van 20 januari 1993, A.R. 920530, werd geschorst.

8.2 Uit de hierboven als vaststaand aangenomen feiten blijkt dat de Kantonrechter in het Eerste Kanton, rechtdoende in kort geding in de zaak AR 920503, bij vonnis van 20 januari 1993 de schorsing van de executie van het hierboven onder 2.1 vermelde vonnis heeft bevolen, voorzover gewezen tussen geintimeerde en appellant. Appellant heeft aangevoerd dat hij tegen dit vonnis (hoger) beroep heeft aangetekend en dat het Hof op 17 december 1993 het vonnis van de Kantonrechter onder aanvulling en verbetering van gronden heeft bevestigd. Dit een en ander moet op een vergissing berusten, omdat bij het ’s Hofs vonnis van 17 december 1993, onder aanvulling en verbetering van gronden is bevestigd het vonnis van 19 april 1993 (gewezen in de zaak AR 930875) en niet het vonnis van 20 januari 1993. Nu het tegendeel niet is gebleken wordt het ervoor gehouden dat geen appèl tegen dit laatste vonnis is ingesteld.

8.3 Het op 2 september 1996 uit kracht van het vonnis van 16 oktober 1984 gelegd executoriaal beslag heeft, nu de schorsing van de executie van dat vonnis bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis was bevolen, naar ’s Hoven voorlopig oordeel geen rechtskracht en de vorde­ring van geintimeerde om de opheffing en de doorhaling van dat beslag te gelasten is toewijsbaar. Het vonnis waarvan beroep kan derhalve, onder verbetering van gronden, worden bevestigd.

9. Appellant zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORTGEDING:
Bevestigt, onder verbetering van gronden, het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en op 16 januari 1997 in de zaak AR 963309 uitgesproken vonnis, waarvan beroep.
Veroordeelt appellant in de proceskosten aan de zijde van de geintimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.5.000,–;
Met inberip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden toegekende salaris van f.1.000,–;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant op f.5.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, funge­rend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de funge­rend-President uitge­sproken ter openba­re te­rechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 6 augustus 1999, in tegen­woor­dig­heid van Mr.M.E.VAN GENDE­REN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.G.GANGARAM PANDAY en geinti­meer­de vertegenwoordigd door advokaat Mr.G.Gangaram Panday namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.TRUI­DE­MAN, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting ver­sche­nen.

SRU-HvJ-1991-6

Hof van Justitie
23 augustus 1991, G.R. 13074
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, F.F.P. Truideman)

[appellant], domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat no. 18 ten kantore van mr. U.J. van der Veldt, advocaat, appellant in kort geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende [adres], advocaat mr. J.G.O. Koulen, geïntimeerde in Kort Geding,

De waarnemend President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname:
Gezien ‘s Hofs interlocutoir vonnis van 19 juli 1991 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

Ten aanzien van de feiten
Verwijzend naar en overnemend hetgeen bereids in voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen partijen in persoon bijgestaan door hun respektieve gemachtigden, advocaten mr. U.J. Van Der Veldt en mr. J.G.O. Koulen, hebbende zij verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat advocaat mr. J.J. Emanuelson namens de gemachtigden van partijen vervolgens vonnis heeft gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 19 juli 1991 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat partijen ter gelegenheid van de gehouden inlichtingencomparitie van 2 augustus 1991 hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal is gerelateerd;

Overwegende, dat het Hof thans zal overgaan tot bespreking der tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven;

dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans niet gemotiveerd betwist en gestaafd door de zich in het procesdossier bevindende bescheiden, tussen partijen – voorzover ten deze van belang – vaststaat: dat geïntimeerde, na daartoe bij beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 22 december 1989 verlof te hebben bekomen te zijnen behoeve en ten laste van appellant bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, G.O. Niekoop d.d. 22 december 1989, conservatoir derden beslag heeft doen leggen onder de Surinaamsche Bank N.V., op alle gelden, geldswaarden en/of goederen, die genoemde bankinstelling onder haar berusting heeft of zal verkrijgen van of verschuldigd is of zal worden aan appellant zulks ter verzekering en om betaling te bekomen ener som van Sf. 190.000,-, op welk bedrag de vordering van geïntimeerde ten laste van onder meer appellant bij voormelde beschikking voorlopig werd begroot;

dat geïntimeerde optredend als eiser en appellant en twee anderen als gedaagden in het proces, bekend in het A.R. onder nummer 89/5379 onder meer heeft gesteld, dat appellant en de twee anderen zich aan oplichting in vereniging hebben schuldig gemaakt, zo ook aan wanprestatie op grond van feiten, gesteld in het 3e tot en met 5e ”dat” van het verzoekschrift, wordende die feiten als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd aangemerkt;

Overwegende, dat appellant in het onderhavige proces opheffing vraagt van het onder de Surinaamsche Bank N.V. gelegd conservatoir derden beslag onder aanvoering zich niet te hebben schuldig gemaakt aan oplichting of aan verduistering noch tezamen en in vereniging met anderen noch alleen; dat hij deze feiten tijdens het opsporingsonderzoek niet heeft toegegeven, terwijl hem deze feiten ook niet zijn tenlastegelegd blijkens de dagvaarding waarvan een fotokopie zich onder de gedingstukken bevindt, stellende appellant dat de door geïntimeerde op hem gepretendeerde vordering (achteraf) niet blijkt te bestaan;

Overwegende, dat, naar appellant terecht stelt, uit de in het geding gebrachte dagvaarding geenszins blijkt dat hem daarin wordt verweten medeplegen van althans medeplichtigheid aan oplichting c.q. verduistering van het bedrag van Sf. 181.000,– althans van enig bedrag, toebehorende aan geïntimeerde;

dat de medeverdachten [naam 1] en [naam 2] voormelde feiten wel zijn verweten en zij, nadat die feiten als bewezen zijn aangenomen, terzake zijn veroordeeld bij inmiddels in kracht van gewijsde gegane strafvonnissen van 15 februari 1991;

Overwegende, dat uit de ter gelegenheid van de gehouden inlichtingencomparitie verkregen informaties niet is gebleken en mitsdien niet is bewezen, dat tussen partijen heeft bestaan een rechtsverhouding op grond waarvan appellant zich jegens geïntimeerde had verplicht er voor te zorgen, dat geïntimeerde in aanmerking zou komen voor autobussen, noch dat appellant in het kader daarvan van geïntimeerde heeft ontvangen een bedrag van Sf. 181.000,-;

dat, anders dan geïntimeerde heeft gesteld in het proces, bekend in het A.R. onder nummer 89/5377, naar ‘s Hoven voorlopig oordeel geen sprake is van wanprestatie, door appellant jegens geïntimeerde gepleegd;

dat appellant jegens geïntimeerde uit hoofde daarvan dan ook niet schadeplichtig is;

Overwegende, dat blijkens de doctrine de bewijslast dat de schuldvordering wel bestaat, op de crediteur, i.c. geïntimeerde rust;

Overwegende, dat anticiperend op de beslissing ten principale de beslagdebiteur, i.c. appellant, er niet van behoeft te worden weerhouden, op eerder aangehaalde grond opheffing van het beslag te vorderen;

Overwegende, dat anders dan de Kantonrechter heeft overwogen, niet op appellant de bewijslast drukt van de ondeugdelijkheid der vordering doch dat geïntimeerde als schuldeiser dient te bewijzen dat de schuldvordering deugdelijk – bestaand – is (zie Doek C.S. aant. 2 op art. 732 Rv);

Overwegende, dat het Hof tenslotte nog opmerkt, dat een eenmaal gelegd conservatoir (derden) beslag blijkens de doctrine niet slechts in geval van zekerheidstelling door de beslagdebiteur wordt opgeheven, doch ook in geval van ondeugdelijkheid der vordering dan wel het onnodige van het gelegde beslag (zie a.w.; t.a.b.);

Overwegende, dat nu geïntimeerde niet heeft kunnen bewijzen dat de schuldvordering op appellant deugdelijk – bestaand – is, had de verzochte opheffing van het gelegde conservatoir derden beslag onder de Surinaamsche Bank N.V. moeten zijn gelast;

Overwegende, dat het Hof de besproken grieven gegrond achtend, de gevraagde voorziening onder vernietiging van het beroepen vonnis, alsnog zal geven;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding
Vernietigt het door de Kantonrechter in het Kantongerecht in het Eerste Kanton op 25 maart 1991 tussen partijen in kort geding gewezen vonnis, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende
Gelast de opheffing van het conservatoir derden beslag, bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, G.O. Niekoop d.d. 22 december 1989 no. 598, gelegd onder de Surinaamsche Bank N.V op alle gelden, geldswaarden en/of goederen die de Surinaamsche Bank N.V. verschuldigd is of zal worden aan dan wel onder haar berusting heeft of zal verkrijgen van appellant; Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van appellant gevallen: – in eerste aanleg begroot op Sf. 87,50 – in hoger beroep begroot op Sf. 240,50 met inbegrip van het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf. 150,–: bepalend het Hof het salaris van de advocaat van geïntimeerde eveneens op Sf. 150.–:

Hof van justitie, 19 juli 1991 (Interlocutoir vonnis)
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. Von Niesewand, F.F.R. Truideman)

[appellant], domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat no. 18 ten kantore van mr. U.J. Van Der Veldt, advocaat, appellant in kort geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [adres], advocaat mr. J.G.O. Koulen, geïntimeerde in Kort Geding.

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname:
Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis in kort geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 25 maart 1991 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 2 april 1991, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep; Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende. dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. eiser wenst de navolgende rechtsvordering in kort geding in te stellen tegen [geïntimeerde]. wonende te [adres], gedaagde;

2. bij exploit no. 598 de dato 22 december 1989 van de deurwaarder bij het Hof Gerrit Otwald Niekoop heeft gedaagde conservatoir derden beslag doch leggen op alle gelden, geldswaarden en/of goederen, welke De Surinaamsche Bank N.V schuldig mocht zijn of worden aan eiser dan wel van eiser onder haar berusting mocht hebben of verkrijgen. Eiser legt in fotokopie over voormeld exploit alsmede de kennisgeving van het beslag door voornoemde Bank aan eiser de dato 8 januari 1990 met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen (produkties I & II). Uit laatstbedoelde produktie blijkt, dat eiser sedert 8 januari 1990 niet meer kan beschikken over de saldi van zijn rekeningen no.’s [rekeningnummer 1], [rekeningnummer 2]en [rekeningnummer 3] bij voornoemde bankinstelling;

3. op 29 december 1989 heeft gedaagde de van waardeverklaring van dit beslag gevraagd, hetgeen moge blijken uit het eveneens hierbij in fotokopie overgelegde, daartoe strekkende, verzoekschrift (AR. No. 89/5377) (produktie III);

4. reeds op 13 november 1989 was op last van de vervolgingsambtenaar mr. S. Punwasi op de saldi van eisers bankrekeningen bij De Surinaamsche Bank N.V. justitieel beslag gelegd, welk beslag op 20 februari 1991 werd opgeheven. E.e.a. moge blijken uit het schrijven van voornoemde vervolgingsambtenaar de dato 20 februari 1991, welke eveneens in fotokopie wordt overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen (produktie IV). Dit justitiële beslag was gelegd in verband met de omstandigheid, dat eiser werd verdacht van het tezamen met [naam 2] en [naam 1] medeplegen van een aantal oplichtingen, w.o. de oplichting van gedaagde voor het bedrag ad Sf. 181.000,– c.q de verduistering van dit aan gedaagde toebehorende bedrag:

5. in weerwil van hetgeen gedaagde in zijn rekest tot vanwaardeverklaring (zevende sustenu) heeft gesteld, heeft eiser terzake van dit feit nimmer een bekentenis afgelegd. Oplichting van gedaagde voor vorenbedoeld bedrag dan wel verduistering ervan is aan eiser ook niet te laste gelegd, aangezien uit de resultaten van het voorbereidend onderzoek kennelijk de onhoudbaarheid van de verdenking van eiser van die feiten was gebleken. Hij is uiteraard door de rechter in het Tweede Kanton in diens vonnis de dato 15 februari 1991 daarvoor ook niet veroordeeld. Eiser legt de op 3 april 1990 tegen hem uitgebrachte tenlastelegging (produktie V) over, waaruit zulks gevoegelijk blijkt:

6. in het onder het A.R. No. 89/5377 dienende geding heeft gedaagde geen enkel verificatoir bijgebracht, waaruit de vermeende betrokkenheid van eiser aan oplichting van gedaagde c.q. verduistering van aan deze toebehorende gelden zou moeten blijken. Naar eisers overtuiging kan dan ook gevoegelijk gesteld worden, dat er geen enkele geldige reden is om hem ,naast de twee overige gedaagde, t.w. voornoemde [naam 2] en [naam 1], mede aansprakelijk te achten. Het conservatoire derden beslag op zijn bankrekeningen bij De Surinaamsche Bank N.V. is dan ook vexatoir;

7. gedaagde heeft ter verzekering van zijn pretense vordering niet slechts conservatoir derden beslag doen leggen op een aan voornoemde [naam 1] (die inderdaad wel terzake van oplichting van gedaagde is veroordeeld) toebehorend perceelland, hetgeen moge blijken uit het exploit van voornoemde deurwaarder de dato 22 december 1989 no. 597, ingeschreven ten Hypotheekkantore op die datum in register D onder [nummer], hetwelk eveneens in fotokopie wordt overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen (produktie VI). Dit perceel biedt geheel op zichzelf reeds meer dan voldoende verhaalsmogelijkheden, waarbij gedaagde het wel aan de voornoemde [naam 1] kan overlaten om, in het hoogst onwaarschijnlijke geval dat eiser in civilibus ook zou worden veroordeeld, op hem regres te nemen. Ook in dit opzicht is het conservatoire derden beslag op eisers bankrekeningen volstrekt onnodig en mitsdien vexatoir te achten;

8. sedert de datum van vorenbedoeld conservatoire derden beslag kan eiser niet meer over zijn gelden beschikken. Hij heeft mitsdien een spoedeisend belang bij de opheffing ervan, hetwelk een onverwijlde voorziening van de rechter vordert;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd: – dat bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in kort geding de opheffing zal worden bevolen van het op 22 december 1989 bij exploit no. 598 van de deurwaarder bij het Hof van Justitie Gerrit Otwald Niekoop onder De Surinaamsche Bank N.V. gelegde conservatoire derden beslag op alle gelden, geldswaarden en/of goederen, die de derde-gearresteerde aan eiser schuldig is of zal zijn dan wel van hem onder haar berusting heeft of zal verkrijgen met de veroordeling van gedaagde tot de betaling van de kosten van dit kort geding;

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd: dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen wegens ongegrondheid en onbewezenheid;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 25 maart 1991, op de daarin opgenomen gronden:

de gevraagde voorziening heeft geweigerd;

eiser heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in kort geding van 25 maart 1991;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel van 24 april 1991 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, waarbij tevens is betekend een memorie van grieven door appellant genomen, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd, hebbende de gemachtigde van appellant hierna gepersisteerd bij zijn memorie van grieven;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het appél tegen het vonnis d.d. 25 maart 1991, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken, tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat appellant bij memorie van grieven, ingediend ter Griffie op 2 april 1991, tegen het beroepen vonnis twee grieven heeft ontwikkeld, luidende:

I ten onrechte heeft de Edelachtbare Heer Kantonrechter overwogen niet geroepen te zijn op het door appellant als eiser in prima gestelde in te gaan, zijnde dit een verweer ten principale;

II ten onrechte is de Edelachtbare Heer Kantonrechter ongemotiveerd voorbijgegaan aan de verificatoren, welke appellant in prima als summier bewijs van zijn stellingen in het geding heeft gebracht;

Overwegende, dat het Hof alvorens op de grieven in te gaan een comparitie van partijen noodzakelijk acht tot het verschaffen van inlichtingen, meer in het bijzonder omtrent het verloop c.q. de stand van het tussen partijen gevoerd wordende civielgeding, bekend onder AR. 89/5379;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding
Alvorens definitief te beslissen:

Gelast partijen om in persoon, desverlangd vergezeld van derzelver gemachtigden, in één der zalen van het Hof van Justitie te verschijnen en wel op vrijdag 2 augustus 1991 des voormiddags te 8.30 uur, voor een Rechter-Commissaris, als hoedanig ten deze wordt benoemd mr. R.E.Th Oosterling, waarnemend-President van het Hof, tot het verschaffen van inlichtingen:

Houdt elke verdere uitspraak aan;

SRU-HvJ-1991-5

Hof van Justitie
19 juli 1991, G.R. 12992
(Mrs. S. Gangaram Panday, E.S. Ombre en A.I. Ramnewash).

[appellant], wonende aan [adres 1], advokaat Mr. R.B. Mitrasing, appellant in de hoofdzaak,

tegen

A. [geïntimeerde sub A], wonende aan [adres 2], advokaat Mr. E.J. Bruma,
B. de Staat Suriname, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, advokaat Mr. C.CH. Bhagwandin, geïntimeerden in de hoofdzaak,

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname:
gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respektievelijk van 24 januari 1984, 26 juni 1984, 23 juli 1985, 10 december 1985, 14 juli 1987, 24 mei 1988, 11 april 1989 en 8 augustus 1989 tussen partijen gewezen;

2. het procesverbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 17 augustus 1989, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep; Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. eiser wenst de navolgende vordering in te stellen tegen: a) [geïntimeerde sub A], wonende aan [adres 2],

b) DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, zetelende te Paramaribo, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, gedaagden;

2. eiser heeft zich op of omstreeks 19 mei 1981 onder behandeling gesteld van gedaagde sub A, die uroloog is, wegens prostaat hypertrofie c.q. prostaatontsteking. Op of omstreeks 2 juni 1981 heeft gedaagde sub A eiser geopereerd;

3. bij deze operatie heeft gedaagde sub A buiten medeweten van eiser om en dus ook zonder zijn toestemming, eisers prostaat verwijderd. Voorts heeft gedaagde sub A met zijn schuld daaraan de sfincter (kringspier van de urineblaas) ernstig beschadigd, als gevolg waarvan eiser incontinent is geworden (d.w.z. de afsluiting van de urineblaas niet meer beheerst, waardoor de urine ongecontroleerd uit de blaas stroomt). Bovendien heeft gedaagde sub A bij voormelde ingreep, met zijn schuld daaraan, ernstig letsel veroorzaakt aan de urethra (urethrastrictuur per plaatse van de pars membranatia) als gevolg waarvan de urethra (urinebuis) zo vernauwd geraakte dat de blaas niet normaal (via de urethra) kon draineren. Als gevolg van deze urethrastrictuur kon voorts de zaadproduktie niet normaal worden afgevoerd, waardoor eiser ettelijke malen een ontsteking van de testikels heeft opgelopen. Na de operatie van 2 juni 1981 heeft gedaagde sub A niet de vereiste zorg aan eiser besteed zodat eiser bezig was dood te bloeden. Door ingrijpen van een andere medicus is met spoed bloedtransfusie toegediend, waarbij maar liefst 8 donors bloed hebben afgestaan. Ook heeft gedaagde sub A eiser zo overmatig penicilline en andere antibiotica-injecties laten toedienen dat eiser zijn smaakvermogen tijdelijk is kwijt geraakt en gedurende enkele maanden te lijden had van zenuwontstekingen, hetgeen een zo hevige pijn tot gevolg had dat hij nauwelijks kon lopen (pijn over het gehele lichaam);

4. gedurende de periode 2 juni medio september 1981 is eiser poliklinisch onder behandeling van gedaagde sub A gebleven, met name vanwege het feit dat hij incontinent bleef en leed aan ontstekingen van de testikels. Ook na een aantal malen door gedaagde sub A te zijn gebougigeerd (= inbrenging van stalen of rubberen pennen van oplopende dikte in de penis teneinde de urethra open te rekken) bleef de urine spontaan lopen. Op 31 augustus 1981 kreeg eiser een urineretentie (= ophoping van de urine in de blaas wegens afvoerbelemmering) waarvoor hij op of omstreeks 4 september 1981 door gedaagde sub A in het ziekenhuis werd behandeld. Op of omstreeks 6 september 1981 kreeg eiser wederom een urineretentie, waarbij met geen mogelijkheid een transurethrale katheter (= via de penis) kon worden ingebracht. Daarom werd een suprapubische katheter (= via een snee vlak boven het schaambeen) in de blaas geschoven;

5. aangezien de behandeling geen verbetering bracht in eisers ernstig geschade gezondheidstoestand en eiser de indruk kreeg de gedaagde sub A zaken voor hem had verzwegen, is hij op advies van een andere medicus naar Nederland vertrokken, alwaar hij op 15 december 1981 is opgenomen in het Wilhelmina Gasthuis te Amsterdam. De opname en verpleging aldaar heeft tot en met 22 januari 1982 geduurd;

6. pas na het onderzoek door de urologen van voornoemd ziekenhuis is eiser gebleken dat zijn prostaat verwijderd was. Teneinde toekomstige ontstekingen van de testikels te voorkomen moest eiser worden gesteriliseerd. Voorts werd eiser enkele malen gedilateerd (= inbrenging van stalen pennen van oplopende dikte in de penis teneinde de urethra open te rekken op de plaats waar de strictuur zich bevindt).

7. na zijn ontslag uit het Wilhelmina Gasthuis is eiser onmiddellijk naar Suriname teruggekeerd en heeft zich onder behandeling gesteld van onder meer Dr. Veerman, door wie eiser om de 2 weken wordt gedilateerd. Het doel van deze behandeling is te bewerkstelligen dat de urethra kompleet open wordt gemaakt en er geen andere obstrukties aanwezig zijn;

8. indien dit laatste lukt zal eiser medio 1982 weer naar Nederland althans het buitenland moeten vertrekken, alwaar de sfincter operatief zal worden verwijderd, waarna een kunstsfincter zal worden ingebracht, volgens het hydraulische principe: Volgens de urologen van het Wilhelmina Gasthuis is eiser alleen met behulp van deze methode definitief te helpen. Een succesvolle behandeling en operatie zal tot gevolg hebben dat de urine niet meer ongecontroleerd uit de blaas stroomt;

9. uit het vorenstaande blijkt dat gedaagde sub A in de uitoefening van zijn beroep als uroloog met zijn schuld daaraan heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid welke hem in het maatschappelijk verkeer jegens eiser betaamde. Als gevolg van de onrechtmatige daad van gedaagde sub A heeft eiser schade geleden, welke schade gedaagde sub A gehouden is aan hem te vergoeden;

10. gedaagde sub A was ten tijde van de behandeling in de periode begin juni – midden september 1981 als uroloog in dienst van gedaagde sub B en heeft de voorschreven jegens eiser onrechtmatige verrrichtingen veroorzaakt in de werkzaamheden waartoe hij door gedaagde sub B werd gebruikt, althans heeft de dienstbetrekking de gelegenheid gegeven tot het plegen van de onrechtmatige daad. Als gevolg hiervan is gedaagde sub B op grond van artikel 1388 lid 3 B.W. (= art. 1403 lid 3 Ned. B.W.) ook aansprakelijk voor de door eiser geleden en te lijden schade;

11. de door eiser geleden schade bestaat onder meer uit: a) gemaakte kosten voor medische behandeling en verpleging in Suriname en in Nederland; b) gemaakte reis- en verblijfkosten naar en van Nederland; c) nog te maken kosten voor medische behandeling en verpleging in Suriname en in Nederland c.q. het buitenland; d) nog te maken reis- en verblijfkosten naar en van Nederland c.q. het buitenland; e) gederfde en nog te derven inkomsten. (Eiser oefent een vrij beroep uit en kan dus niet terugvallen op voorzieningen van een werkgever); f) smartegeld wegens geleden en nog te lijden pijn en ongemak en gederfde en nog te derven levensvreugde.

12. aangezien het op dit moment nog niet zeker is hoe de verdere behandeling inclusief de operatie die eiser nog in het buitenland zal moeten ondergaan zal uitpakken en in hoverre eiser gedurende zijn gehele verdere leven nog last zal ondervinden van de onrechtmatige gedragingen van gedaagde sub A, is het thans niet mogelijk een nauwkeurige opgave te doen van voormelde schadeposten, redenen waarom eiser de schade wenst te zien opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet. Eiser is echter reeds nu de mening toegedaan dat deze schade tenminste Sf. 450.000,– zal bedragen;

13. gezien de hoge kosten die eiser heeft gemaakt en in de naaste toekomst zal moeten maken, vereist zijn belang een spoedeisend behandeling. Op grond hiervan wenst eiser de gedaagde op verkorte termijn op te roepen;

14. na hiertoe van de Rechter verlof te hebben bekomen bij beschikking d.d. 16 maart 1982, heeft eiser ter verzekering van zijn vordering, bij exploit van de deurwaarder D.E. Hew A Kee d.d. 19 maart 1982, No. 233, conservatoir beslag doen leggen op de in dit exploit omschreven, aan gedaagde sub A in eigendom toebehorende onroerende goederen. Dit beslag dient van waarde te worden verklaard;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden terzake voorschreven zullen worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen een bedrag, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met de wettelijk interessen daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die er algehele voldoening, des de een betalende de andere zal zijn bevrijd; voorts het ten deze gelegde beslag van waarde zal worden verklaard, kosten rechtens;

Overwegende, dat [geïntimeerde sub A] en De Staat Suriname als gedaagden partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd: dat eiser in zijn vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard, althans deze hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen, onder opheffing van de gelegde beslagen als zijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 24 januari 1984 op de daarin opgenomen gronden: Alvorens verder te beslissen: De Secretaris van het medisch Tuchtcollege heeft gelast te bevorderen dat het in Onze rechtsoverweging gemeld dossier ten name van gedaagde sub A (geïntimeerde sub A]) in dit geding wordt gebracht; Iedere verder beslissing heeft aangehouden; Het door de Kantonrechter verlangd Medisch Tuchtcollege dossier ten name van gedaagde sub A (geïntimeerde sub A]) is ten processe overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd. Ten dage voor het nemen van een conclusie tot uitlating over het overgelegd dossier zijdens partijen bepaald, hebben de gemachtigden van eiser en de gedaagde sub A hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies genomen, terwijl de gemachtigde van gedaagde sub B bij mondelinge conclusie heeft gerefereerd bij zijn stellingen;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 26 juni 1984 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast; Ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen eiser en de gedaagde sub B in persoon, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd. Advokaat Mr. E.J. Bruma heeft de Kantonrechter medegedeeld dat hij de zaak van advokaten Mr. S.A. Thijm c.s. overneemt en zich mitsdien als gemachtigde van gedaagde sub A stelt. De gemachtigde van gedaagde sub A heeft een schriftelijke conclusie na gehouden comparitie van partijen onder overlegging van produkties genomen, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produkties hier als ingelast moet worden beschouwd. Nadat de gemachtigde van eiser een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden comparitie van partijen en tot uitlating produkties had genomen, heeft de Kantonrechter bij vonnis van 23 juli 1985 op de daarin opgenomen gronden: Alvorens verder te beslissen: Gedaagde sub A toegelasten, hem voor zover nodig bevolen ambtshalve om door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen te bewijzen: 1. Dat hij met toestemming van eiser bij de op hem – eiser – op 2 juni 1981 verrichte operatieve ingreep een deel van de prostaat-adenoom heeft verwijderd; 2. De gang van zaken tijdens de behandeling van eiser; Iedere verdere uitspraak heeft aangehouden; Gedaagde sub A heeft in de enquête 8 (acht) getuigen doen horen, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd. De gemachtigde van partijen [geïntimeerde sub A] heeft ter terechtzitting van 12 november 1985 een schriftelijke incidentele conclusie tot rogatoire commissie genomen, waarbij hij heeft verzocht: dat aan de bevoegde Rechter in Nederland zal worden gevraagd de in die conclusie genoemde getuigen bij wege van rogatoire commissie over het bewijsthema te horen, met bepaling van de datum waarop de zaak wederom op de rol zal worden geplaatst, wordende de inhoud van deze conclusie geacht hier te zijn opgenomen. De eiser heeft een schriftelijke conclusie van antwoord in het incident, onder overlegging van produkties genomen, waarvan de inhoud alsmede van de overgelede produkties eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 10 december 1985 op de daarin opgenomen gronden: In het incident: De Kantonrechter te Den Haag, Nederland, heeft verzocht als getuige te horen: [naam 1], Arts wonende aan [adres 3], [woonplaats 1] , Nederland; De Kantonrechter te Amsterdam, nederland, heeft verzocht als getuige te horen: [naam 2] wonende te [adres 4] [woonplaats 2], Nederland; allen aangaande het in de hoofdzaak opgenomen bewijsthema, luidende: 1. dat hij (gedaagde sub A) met toestemming van eiser bij de op hem – eiser – op 2 juni 1981 verrichte operatieve ingreep een deel van de prostaatadenoom heeft verwijderd; 2. de gang van zaken tijdens de behandeling van eiser; De termijn die in acht moet worden genomen bij het betekenen aan de wederpartij, van dag, uur en plaats, waarop een zodanig verhoor zal worden gehouden heeft bepaald op Drie Weken; De beslissing omtrent de op dit incident gevallen kosten heeft aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. Ter voldoening aan laatstvermeld vonnis is door de Kantonrechter te Amsterdam in Nederland gehoord [naam 2] wiens verklaring hier als ingelast moet worden beschouwd. De gemachtigde van gedaagde sub A heeft afgezien van verder getuigenverhoor, waarna de Kantonrechter de enquête ambtshalve gesloten heeft verklaard. Eiser en de gemachtigde van gedaagde sub A hebben hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies na gehouden rogatoire commissie genomen, terwijl de gemachtigde van gedaagde sub B bij mondelinge conclusie heeft gepersisteerd bij zijn stellingen;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 14 juli 1987 op de daarin opgenomen gronden: Alvorens verder te beslissen: partijen (eiser en gedaagde sub A) in de gelegenheid heeft gesteld eventueel overeen te komen omtrent de persoon of drie personen, welke zij als deskundige(n) mochten verlangen; Iedere verdere beslising heeft aangehouden; In de hoofdzaak: De gemachtigden van partijen hebben hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies tot benoeming deskundige genomen, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 24 mei 1988 op de daarin opgenomen gronden: Alvorens verder te beslissen: Een comparitie van partijen heeft gelast, teneinde in de samenspraak met partijen overeenstemming te bereiken over de aan te wijzen deskundige. Iedere verdere beslissing heeft aangehouden. Ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen eiser en de gedaagde sub A in persoon, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd. Ter terechtzitting van 17 oktober 1988 heeft de door de Kantonrechter benoemde en beëdigde deskundige, Dr. B.M. van Ulden een deskundig rapport overgelegd, wordende de inhoud daarvan geacht hier te zijn opgenomen. Ten dage voor de uitlating over deskundig rapport zijdens partijen bepaald, hebben de gemachtigden van eiser en de gedaagde sub A hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies genomen, onder overlegging van produkties zijdens de gemachtigde van gedaagde sub A, wordende de inhoud daarvan eveneens hier als ingelast beschouwd, terwijl de gemachtigde van gedaagde sub B geen conclusies heeft opgenomen. Nadat de gemachtigde van eiser een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating produktie had genomen, heeft de Kantonrechter bij vonnis van 11 april 1989 op de daarin opgenomen gronden: Alvorens verder te beslissen: Een comparitie van partijen gelast en de Griffier opgedragen de deskundige voornoemd uit te nodigen casu quo aan te zeggen ter vermelde comparitie van partijen gelast en de Griffier opgedragen de deskundige voornoemd uit te nodigen casus quo aan te zeggen ter vermelde terechtzitting aanwezig te zijn, teneinde het terzake door hem uitgebracht rapport toe te lichten en zodanig te antwoorden op vragen die daarbij mochten rijzen. Iedere verdere beslissing aangehouden. De door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen is gehouden, op welke terechtzitting is verschenen Dr. B.M. van Ulden die heeft verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd. Ten dage voor het nemen van een conclusie na gehouden comparitie van partijen peremptoir bepaald, heeft de gemachtigde van gedaagde sub A een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie genomen, terwijl eiser gepersisteerd heeft bij zijn stellingen en vonnis heeft gevraagd;

Overwegende, dat de Kantonrechter vervolgens bij vonnis van 8 augustus 1989 op de daarin opgenomen gronden: Eiser zijn vordering heeft ontzegd; En ten laste van gedaagde sub A door de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname D.E. Hew A Kee d.d. 19 maart 1982 no. 233 gelegde conservatoire beslagen heeft opgeheven; Zonodig de doorhaling heeft gelast van de overschrijving van voormelde beslagen in de openbare registers ten hypotheekkantore. Eiser heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen, met uitzondering van de helft van het honorarium van de in de rechtsoverwegingen met name genoemde deskundige, en tot aan deze uitspraak begroot op f. 737,– (zevenhonderd zeven en dertig gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 8 augustus 1989;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Ch. Balgobind van 11 september 1989 aan geïntimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de gemachtigde van appellant een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating produktie heeft genomen;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 23 november 1990, doch na enige malen te hebben aangehouden, tenslotte heeft bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat de appellant tijdig in hoger beroep is gekomen van de tussen partijen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en op 8 augustus 1989 uitgesproken vonnis;

Overwegende, dat uit de gedingstukken in eerste aanleg, inzoverre hier van belang, blijkt:

1. dat de appellant omstreeks 19 mei 1981 o.a. prostaatklachten had en zich in de privé polikliniek door geïntimeerde sub A, de uroloog [geïntimeerde sub A], liet onderzoeken;

2. dat de geïntimeerde sub A op 2 juni 1981 de appellant aan zijn prostaat heeft geopereerd wegens prostaathypertrofie in het Diakonessen Ziekenhuis, waarbij hij transurethrale prostaatresectie heeft uitgevoerd, hetgeen betekent dat hij via de pisbus met instrumenten de prostaat van de appellant heeft verkleind;

3. dat de appellant door de geïntimeerde sub A nog enige maanden nabehandeld en medisch begeleid is wegens klachten van incontinentie, die zich periodiek voordeden en wel tot 16 september 1981, waarna hij geen prijs meer stelde op verdere behandeling door geïntimeerde sub A, omdat hij geen vertrouwen meer in hem had en zich door andere medici hier, in Nederland en in de Verenigde Staten van Noord Amerika heeft laten behandelen;

4. dat na onderzoek door de urologen N.F. Dabhoiwala en H.H.R. Bakker, verbonden aan de Urologische kliniek van het Wilhelmina Gasthuis te Amsterdam, Nederland, in december 1981 en januari 1982 bleek dat de appellant compleet incontinent was, hetgeen volgens die medische specialisten te wijten was aan een ernstige urethrastrictuur in het gebied van de sfincter, doch of dit enige relate heeft met de transurethrale resectie van de prostaat, verricht door de geïntimeerde sub A, durven zij niet met zekerheid te stellen, doch zij achten dat wel hoogst waarschijnlijk;

5. dat de appellant ook onderzocht en behandeld is door Prof. Dr. P.J. Klopper, uroloog, verbonden aan het Academisch Ziekenhuis van de Universiteit van Amsterdam, die geconstateerd heeft dat herstel sfincter onwaarschijnlijk is gelet op de mate van insufficiëntie;

6. dat Dr. David M. Barret, verbonden aan de Maya Clinic te Rochester, Minnesota (V.S.) de appellant ook onderzocht heeft en ook geconstateerd heeft dat hij lijdt aan een uitgesproken sphincter incontinentie, welk een direkt gevolg is van een eerder door hem ondergane operatie ter verwijdering van een prostaat-adenoom, (waarbij zowel interne (gladde spier) als externe (skeletspier) sphincter beschadigd is opgetreden, welke permanent van aard is;

7. dat de appellant van opvatting is dat de geïntimeerde sub A, die onweersproken gesteld heeft de appellant als privé patiënt te hebben behandeld, met zijn schuld daaraan met de voormelde operatie de sfincter (kringspier van de urineblaas) ernstig beschadigd heeft, als gevolg waarvan appellant incontinent is geworden en voorts daarbij met zijn schuld daaraan ernstig letsel aan de urehtra veroorzaakt heeft, als gevolg waarvan de urethra (urinebuis) zo vernauwd geraakte dat de blaas niet normaal kon draineren, ten gevolge van welke beschadiging en letsel de appellant schade heeft geleden, die de geïntimeerde sub A, gehouden is aan de appellant te vergoeden;

8. dat de appellant voorts van opvatting is dat de geïntimeerde sub A ten tijde van de behandeling in de periode begin juni – midden september 1981 als uroloog in dienst van de geïntimeerde sub B was en heeft hij de onrechtmatige verrichtingen jegens de appellant gepleegd in de werkzaamheden waartoe hij door de geïntimeerde sub B werd gebruikt, althans heeft de dienstbetrekking aan de geïntimeerde sub A de gelegenheid gegeven tot het plegen van die onrechtmatige daad, op grond waarvan de geïntimeerde sub B ook aansprakelijk is voor de door appellant geleden en te lijden schade;

9. dat de Kantonrechter zich door partijen uitgebreid heeft doen informeren, documenten door partijen heeft doen overleggen, bewijs aan de appellant heeft opgedragen, deskundigenbericht heeft ingewonnen en tenslotte tot het oordeel is gekomen dat de appellant zijn vordering niet hard heeft kunnen maken, welke hij aan appellant heeft ontzegd;

Overwegende, dat nu de operatie aan de prostaat van de appellant door de geïntimeerde sub A in het Diakonessenhuis, een particulier ziekenhuis, verricht is, alwaar de appellant als particuliere patiënt van hem opgenomen was, niet juist is de opvatting van de appellant dat de geïntimeerde sub B ook aansprakelijk is voor eventueel daarbij door de schuld van de geïntimeerde sub A veroorzaakte schade, omdat een medisch specialist, ook al is hij in dienst van de Staat, toegestaan is particuliere patiënten te behandelen, waarbij de Staat voorzieningen ten behoeve van die specialist in overheidsziekenhuizen beschikbaar stelt, doch is de Staat voor diens verrichtingen als specialist niet aansprakelijk, omdat de Staat nu eenmaal geen instructies aan de specialist kan en mag geven over de uit te voeren ingrepen, ook al is een zekere ondergeschiktheidsrelatie tussen de Staat en de medische specialist, die in overheidsdienst is, aanwezig.

Overwegende, dat de appellant dan ook door de eerste rechter in zijn vordering tegen de geïntimeerde sub B, de Staat Suriname, niet ontvankelijk had moeten zijn verklaard, welke misslag het Hof zal rechttrekken, ook omdat die rechter deze aangelegenheid niet heeft beslist, hoewel de geïntimeerde sub B die herhaaldelijk aan de orde heeft gesteld;

Overwegende, dat de rechtsvraag die tussen de appellant en de geïntimeerde sub A aan de orde is deze is of de operatieve ingreep van de geïntimeerde sub A voldoet aan de maatstaf van de zorgvuldigheid, die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend specialist mocht worden verwacht;

Overwegende, dat uit in eerste aanleg door de geïntimeerde sub A overgelegde documenten, die door de appellant niet van valsheid zijn beticht, blijkt dat hij een ervaren uroloog is en uit de inhoud van in eerste aanleg overgelegde documenten, waaronder stukken van het Medische Tuchtcollege uit verklaringen van de in eerste aanleg gehoorde getuigen en uit het deskundigenbericht, die in eerste aanleg door de eerste rechter is ingewonnen, niet gebleken is dat de geïntimeerde sub A de bovengenoemde zorgvuldigheid niet in acht heeft genomen en treft hem dus het door de appellant gemaakte verwijt niet;

Overwegende, dat de door de appellant naar voren gebrachte grieven die van zijn hierboven sub 7 vermelde opvatting blijk geven dan ook geen doel treffen;

Overwegende, dat hoewel de beslissing door de Kantonrechter gegeven tussen de appellant en de geïntimeerde sub A juist is, het Hof die beslissing om bovenoverwogen reden (geen beslissing in de rechtsverhouding tussen de appellant en de Staat Suriname) zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de appellant in zijn vordering tegen de Staat niet-ontvankelijk zal verklaren en zijn vordering tegen de geïntimeerde sub A als niet bewezen zal ontzeggen, met veroordeling van appellant, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten in beide instanties en met opheffing van het gelegde conservatoir beslag op onroerende goederen van de geïntimeerde sub A;

Rechtdoende in hoger beroep
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en op 8 augustus 1989 uitgesproken, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende
Verklaart de appellant niet-ontvakelijk in zijn vordering tegen de geïntimeerde sub B, de Staat Suriname; Ontzegt de appellant zijn vordering tegen de geïntimeerde sub A, [geïntimeerde sub A]; Heft op de ten laste van de geïntimeerde sub A bij deurwaardersexploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, D.E. Hew A Kee d.d. 19 maart 1982 no. 233 gelegde conservatoir beslag op de onroerende goederen, te weten: 1. “het perceelland met de daarop staande gebouwen, groot 1146,325 m2, gelegen aan de [straat] ten westen van de Domineekreek, op de uitmetingskaart van de landmeter H. Raatgever d.d. 26 oktober 1950 aangeduid met de letters i.h.k.j. en deel uitmakende van de zuidelijke helft van de grond [woonplaats ] in het [district] ”’ 2. “het perceelland met de daarop staande gebouwen, groot 1238,1031 m2, gelegen aan de [straat] ten westen van de Domineekreek, aangeduid op de kaart van de landmeter H. Raatgever d.d. 26 oktober 1950 met de letters j.k.N.M. en deel uitmakende van de zuidelijke helft van de grond [woonplaats] in het [district]”, overgeschreven ten hypotheekkantore in Suriname op 19 maart 1982 in register SD 42 onder [nummer];

Veroordeelt appellant in de gedingkosten in beide instanties aan de zijde van geïntimeerde gevallen:

SRU-HvJ-1991-4

Hof van Justitie
26 april 1991, G.R. 12812
(Mrs. S. Gangaram Panday, A.I. Ramnewash, O.W. Abendanon)

[appellant], wonende in [land] ten deze domicilie kiezende ten kantore van, advokaat Mr. E.J. Bruma, Kromme Elleboogstraat 7 te Paramaribo, appellant in conventie

tegen

[geïntimeerde], gescheiden echtgenote van appellant voornoemd, wonende te [district], advokaat Mr. F. Kruisland, geïntimeerde in conventie,

De fungerend – President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname:
Gezien ‘s Hofs interlocutoir vonnis van 10 augustus 1990 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

Ten aanzien van de feiten
Verwijzend naar en overnemend hetgeen bereids in ‘s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts:

Overwegende, dat appellant in de enquête geen getuigen heeft doen horen;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies na niet gehouden enquête hadden genomen, vonnis in de zaak werd bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht
In conventie:
Overwegende, dat het Hof hier overneemt en volhardt bij al hetgeen bij interlocutoir vonnis dd. 10 augustus 1990 is overwogen:

Overwegende, dat aan appellante daarbij een gepreciseerde bewijsopdracht werd verstrekt, doch dat hij dat bewijs op geen enkele wijze heeft bijgebracht;

Overwegende, dat het Hof danook de geldvordering van appellant op de geïntimeerde tot het bedrag van f.12.178,15 (TWAALFDUIZEND EENHONDERD ACHT EN ZEVENTIG 15/100 GULDEN) met de daarover vanaf de dag van de rechtsingang tot aan de dag der betaling verschuldigde wettelijke rente ad 6% ‘s jaars zal toewijzen – met veroordeling van de geïntimeerde als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten in beide instanties aan de zijde van de appellant gevallen – welke betalingen (van hoofdsom en rente) evenwel aan de voorwaarde zullen worden verbonden dat de percelen nummers 19 en 20 van de geïntimeerde gelegen aan de ….straat te [district] uit het hypothecair verband, waarin die ten behoeve van de appellant bij de Surinaamsche Bank N.V. verbonden zijn, worden ontslagen, omdat de geïntimeerde daarbij belang heeft als onweersproken door haar is gesteld;

Overwegende, dat het bovenoverwogene met zich medebrengt dat het vonnis, waartegen beroep, zal worden vernietigd, en recht zal worden gedaan als eerder overwogen;

Rechtdoende in hoger beroep
In conventie:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 27 maart 1984, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende
In conventie:

Veroordeelt de geïntimeerde om aan de appellant tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen het bedrag van f.12.178,15(TWAALFDUIZEND EENHONDERD ACHT EN ZEVENTIG 15/100 GULDEN), met de wettelijke rente ad 6% ‘s jaars hierover vanaf 3 juli 1982 tot aan de dag der algehele voldoening, evenwel onder de voorwaarde dat deze betalingen pas zullen geschieden nadat de appellant aan de geïntimeerde getoond heeft een bewijs van de Surinaamsche Bank N.V. dat de percelen nummers 19 en 20 van de geïntimeerde aan de ….straat te [district] uit het hypothecair verband, waarin die ten behoeve van de appellant aan die Bank zijn verbonden, zijn ontslagen;

Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van appellant gevallen:
– in eerste aanleg begroot op f.121,50;
– in hoger beroep begroot op f.399,50;
met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van f.200,–;
bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geïntimeerde eveneens op f.200,–;

Wijst af het meer of anders gevorderde.