SRU-HvJ-1993-12

Hof van Justitie
26 februari. 1993, G.R. 13191
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, A.I. Ramnewash)

[appellante], echtgenote van [naam 1], wonende te [woonplaats], in [land], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. H.R. Schurman, advocaat, appellante in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district], domicilie kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, advocaat mr. B.A. Halfhide, aan de Lim A Postraat no. 1, geïntimeerde, in Kort Geding.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 13 februari 1992 tussen partijen gewezen;

het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 20 februari 1992, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1.        Eiser wenst de navolgende vordering in Kort Geding in te stellen tegen [appellante], echtgenote van [naam 1], wonende te [woonplaats], in [land], gedaagde;

2.        Eiser is eigenaar van het motorvoertuig merk Suzuki, [type], van het bouwjaar 1986, [kenteken];

3.        Blijkens hierbij  in fotokopie overgelegd exploit van de deurwaarder James Edward Kolf d.d. 10 mei 1991 no. 0467, A.R. No. 91-1934, is ten verzoeke van gedaagde revindicatoir beslag gelegd op voormeld motor-voertuig en is dit voertuig door de deurwaarder meegenomen en onder bewaring gesteld bij de heer [naam 2] Vertrouwd, wonende aan [straat].

Blijkens hierbij in fotokopie overgelegd exploit van voornoemde deurwaarder d.d. 18 juli 1991 no. 0779, is [naam 2] Vertrouwd door hem ontslagen als bewaarder en is als nieuwe bewaarder aangesteld mevrouw [naam 3], wonende aan [adres 1], allernaast de woning van de vader van gedaagde die aan [adres 2] woont.

Voormeld voertuig blijft in werkelijkheid op het erf van de vader van gedaagde, die dagelijks gebruik maakt van dit voertuig en daarmee kort geleden een aanrijding op de openbare weg veroorzaakt heeft. Alzo maakt gedaagde misbruik van het besagrecht, weshalve dit beslag dient te worden opgeheven;

4.        Eiser wenst met nadruk te stellen dat het goed in revindicatoir beslag is genomen. Eiser ontkent en betwist de bevoegdheid van gedaagde en van de deurwaarder om bij revindicatoir beslag het beslagen goed mee te nemen en daarover een bewaarder aan te stellen. Ingevolge artikel 588 Rv. zijn op revindicatoir beslag van toepassing de bepalingen die gelden voor inbeslagneming bij executie van roerend goed. Deze bepalingen nu, geven de deurwaarder wel de bevoegdheid een bewaarder aan te stellen (artikel 316 Rv.), doch om in het huis hetzij aan de deur van de gedaagde post te vatten, maar niet om de beslagen goederen mee te nemen. Dit kan ook niet anders omdat het wegnemen zou betekenen het inbreuk maken op het beschikkingsrecht van degene die het bezit uitoefent.

Inbreuk op het beschikkingsrecht van de bezitter is slechs mogelijk op rechterlijk bevel en wel in het geval van sequestratie, zoals vermeld in artikel 1757 sub 2 BW. Ware het tot de bevoedheid van de deurwaarder om de beslagen goederen mee te nemen en daarover een bewaarder aan te stellen, dan was het bepaalde in artikel 1757 sub 2 BW overbodig.

Nu gedaagde c.q. de deurwaarder in strijd met haar bevoegdheid het goed heeft meegenomen en daardoor inbreuk heeft gemaakt op het beschikkingsrecht van eiser, die het recht heeft in zijn bezit niet te worden gestoord en in zijn bezit te worden gelaten, pleegt zij een onrechtmatige daad jegens eiser en is zij voor de door eiser geleden schade aansprakelijk.

Eiser wenst nog te stellen dat gedaagde geen toestemming c.q. verlof van de Kantonrechter heeft bekomen om het voertuig mee te nemen;

5.        De raadsman van gedaagde had toegezegd om op de eerstdienende dag af te concluderen. Kort voor de eerstdienende dag en wel bij schrijven van 21 oktober 1991, heeft hij de reeds bij de raadsman van eiser ingediende conclusie van repliek ingetrokken en verzocht de conclusie van dupliek aan te houden. Op de eerstdienende dag is de conclusie van antwoord ingediend, zoals hierbij overgelegd, doch de raadsman van gedaagde heeft om uitstel voor repliek gevraagd. Eiser kan mede op deze grond niet langer dit onrechtmatig beslag gedogen;

6.        Het litigieuze voertuig verkeert thans in slechte staat van onderhoud en gevreesd wordt dat het bij teruggave in een deplorabele althans niet rijdbare staat zal verkeren. Het voertuig wordt door de vader van gedaagde dagelijks op de openbare weg bereden.

Eiser heeft derhalve een dringend belang bij de opheffing van voormeld beslag;

7.        Eiser heeft dan ook recht en belang de opheffing van het beslag c.q. de afgifte van voormeld voertuig te vorderen, terwijl uit het voorgaande reeds blijkt dat er hier sprake is van een vordering met een spoedeisend karakter. Eisers belang vordert, gelet op het voorgaande, een onverwijlde voorziening bij voorraad;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren:

Primair:

–            de opheffing zal worden bevolen van voormeld ten verzoeke van gedaagde bij proces-verbaal van de deuraarder James Edward Kolf van 10 mei 1991 no. 0467, A.R. No. 91-1934, ten laste van eiser gelegde revindicatoir beslag;

Subsidiair:

–            gedaagde zal worden gelast om binnen 24 uur, althans binnen een door de Rechter in goede justitie vast te, stellen termijn, vorenomschreven voertuig aan eiser af te geven met bepaling dat gedaagde voor elke dag dat zij in gebreke blijft te voldoen aan dit vonnis, ten titel van dwangsom aan eiser een bedrag van f 500,– zal verbeuren, kosten rechtens;

Overwegende, dat [appellante] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van produkties – welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

–            dat eiser niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering, althans hem deze zal worden geweigerd, als zijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, onder overlegging van produkties, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 13 februari 1992 op de daarin opgenomen gronden:

–            gedaagde heeft gelast om binnen één dag na de uitspraak de Jeep van het merk Suzuki [type], politienummer [kenteken], aan de eiser af te geven;

–            gedaagde heeft veroordeeld om ten titel van dwangsom aan de eiser te betalen  de som van Sf. 500,– (vijfhonderd gulden) per dag, voor iedere dag dat zij ingebreke blijf aan voormelde veroordeling te voldoen;

–            dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

–            gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 74,– (vier en zeventig gulden);

–            het meer of anders gevorderde heeft geweigerd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 13 februari 1992;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M. Mangre van 2 juli 1992 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat appellante tijdig in hoger beroep is gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, in Kort Geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 13 februari 1992;

Overwegende, dat appellante zich door het vonnis a quo gegriefd acht en het navolgende heeft aangevoerd:

Appellante heeft na daartoe verkregen verlof van de Kantonrechter in het Eerste Kanton revindicatoir beslag doen leggen op aan haar in eigendom toebehorende auto, merk Suzuki [type], dragende het politiekenteken [kenteken] etc. etc.

Appellante verwijst naar de door haar ingediende bescheiden, welke in eerste aanleg (Kort Geding) door haar zijn overgelegd met verzoek deze bescheiden hier als ingelast en geïnsereerd te willen aanmerken.

Uit genoemde bescheiden blijkt onomstotelijk dat appellante eigenaresse is van het litigieuze voertuig.

Geïntimeerde heeft op geen enkele wijze zijn eigendomsrecht – niet eens summierlijk – in rechte kunnen waarmaken,weshalve appellante niet vermag in te zien, dat geïntimeerde hier als principiële vraag aan de orde stelt of onder de gegeven omstandigheden de gedaagde (lees appellante) het recht heeft het beslagen goed bij de eiser te doen weghalen en in de macht van de bewaarster te stellen (vide 3e overweging vonnis).

Appellante is van oordeel dat bovengenoemde principiële vraag van geïntimeerde thans niet aan de orde is.

Aan de orde is de vraag wie de eigenaar is van voormeld litigieuze voertuig.

Op deze vraag heeft geïntimeerde geen antwoord gegeven, noch heeft op slinkse wijze de rechter om de tuin geleid.

Noch summierlijk, noch door het overleggen van bescheiden heeft geïntimeerde (alstoen eiser) zijn vordering in rechte waargemaakt.

Appellante heeft op grond van de wet, welk recht zij daartoe mocht gebruiken, revindicatoir beslag doen leggen op het litigieuze voertuig.

Revindicatoir beslag is het goed uit de macht van de bezitter te halen, indien men (in casu appellante) summierlijk kan aantonen eigenaar(es) te zijn.

De wetgever heeft expliciet aangegeven dat het goed uit de macht van de bezitter gehaald mag worden, reden waarom de principiële vraag hier niet aan de orde is, Zoals eerder aangegeven is de eigendomsvraag hier aan de orde. Apellante is het niet eens met de Kantonrechter in Kort Geding, wanneer hij onder meer overweegt dat de eiser (lees geïntimeerde) tot op dat ogenblik de houder van die auto is en mag hij hiervan op de normale wijze gebruik maken (vide 4e overweging vonnis). Met deze overweging heeft appellante bijzonder veel preblemen, vooral wanneer in rechte is komen vast te staan, mede gelet op de overgelegde bescheiden die door appellante zijn overlegd, dat zij als eigenaresse van het litigieuze voertuig kan worden aangemerkt. Appellante kan zich niet verenigen met de laatste overweging, wanneer de rechter in Kort Geding onder meer overweegt, dat zij de subsidiaire vordering zullen toewijzen, als na te melden, omdat de gedaagde (lees appellante) in strijd met het karakter van het revindicatoir beslag dat het uit het bezit van de eiser (lees geïntimeerde) heeft doen weghalen etc….

In rechtdoende heeft de Rechter in Kort Geding appellante gelast op grond van de laatste overweging om binnen 1 (één) dag na de uitspraak het litigieuze voertuig aan geïntimeerde af te geven, ten titel van een dwangsom van Sf. 500,– (vijfhonderd gulden) per dag, voor elke dag dat zij in gebreke blijft aan de voormelde veroordeling te voldoen. De Kantonrechter heeft slechts volstaan met de blote redenering dat appellante in strijd heeft gehandeld met het karakter van het revindicatoir beslag door het goed uit het bezit van de geïntimeerde te doen weghalen. Volgens de wet, de doctrine en gewoonte is het karakter van het revindicatoir beslag juist om het goed uit de macht van de ander partij te te halen, wanneer hij/zij die revindicatoir beslag verzocht summierlijk kan aantonen eigenaar te zijn.

Op geen enkele wijze heeft geïntimeerde, noch de Rechter aangegeven dat op andere wijze misbruik/of in strijd is gehandeld met het beslagrecht, in casu het revindicatoir beslag. Integendeel zou appellante, indien zij het voertuig niet uit de macht van geïntimeerde zou halen meer schade hebben geleden. Reeds nu heeft appellante schade.

Met conclusie:

dat het primaire en subsidiaire gevorderde geïntimeerde diende te worden geweigerd, vooral wanneer gelet wordt op de conclusie van antwoord en dupliek, alsmede op de overgelegde bescheiden, welke door geïntimeerde niet van valsheid zijn beticht en die verplicht volledig bewijskracht hebben geleverd, hebbende geïntimeerde het gestelde van appellante (alstoen gedaagde) niet weersproken.

Het is op deze gronden dat appellante de eer heeft te concluderen, dat het het Hof moge behagen, te vernietigen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding gewezen op 13 februari 1992, waarvan beroep en opnieuw rechtdoende, de gevraagde voorziening, zowel het primaire als het subsidiaire zal worden geweigerd, met de teruggave van voormeld litigieuze voertuig aan appellante;

Overwegende, dat appellante naar ’s Hoven voorlopig oordeel over het hoofd heeft gezien, dat de ratio van het conservatoir beslag, namelijk voorkoming van waardevermindering, hier niet geldt;

dat de Kantonrechter terecht heeft beslist, dat de eigendomsvraag onopgelost blijft tot aan de rechterlijke uitspraak op de vordering ten principale over deze vraag en dat tot op dat ogenblik de houder i.c. geïntimeerde op grond van zijn tot dan toe geldende pretentie, het voertuig in kwestie op normale wijze mag gebruiken;

dat appellante als revindicante, naar de Kantonrechter eveneens terecht heeft overwogen, het gebruik van het litigieuze voertuig door geïntimeerde slechts zou kunnen verhinderen door sequestratie (art. 1755 S.B.W.) uit te lokken (zie art, 1757 sub 2 S.B.W.);

Overwegende, dat nu zulks niet is gesteld of gebleken, het er voor moet worden gehouden, dat appellante die mogelijkheid niet te baat heeft genomen;

Overwegende, dat tenslotte zij opgemerkt, dat, ofschoon de Kantonrechter in de vijfde rechtsoverweging van het vonnis a quo oordeelt, het primair gevorderde te zullen weigeren, hetgeen op aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen juist is, zulks toch niet met zoveel woorden in het dictum van het vonnis blijkt;

Overwegende, dat op grond hiervan het beroepen vonnis dient te worden vernietigd en in voege als na te melden opnieuw dient te worden beslist;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 13 februari 1992, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende

Weigert alsnog de primaire gevraagde voorziening;

En voorts

Wijst toe de subsidiaire gevraagde voorziening in voege als na te melden;

Gelast appellante om binnen één dag na betekening van dit vonnis de Jeep van het merk Suzuki [type], politienummer [kenteken] aan geïntimeerde af te geven; Veroordeelt appellante om ten titel van dwangsom aan geïntimeerde te betalen de som van Sf. 500,– (vijfhonderd gulden) per dag voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan voormelde veroordeling te voldoen;

Veroordeelt appellante in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van geïntimeerde gevallen:in eerste aanleg begroot op Sf. 73,–;

in hoger beroep begroot op Sf. 250,–

met inbegrip van het door het Hof aan zijn advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van Sf. 250,–;

bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellante eveneens op Sf. 250,–;

SRU-HvJ-1993-11

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 12 maart 1993
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R.von Niesewand en R.W. Willemzorg)

[verzoeker], wonende te [district] aan de [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. J.G.O. KOULEN, advokaat, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Justitie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, advokaat Mr. Dr. C.D. OOFT, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Dat verzoeker de navolgende vordering bij het ambtenarengerecht aanhangig wenst te maken tegen DE STAAT SURINAME, (m.n. het Ministerie van Justitie) in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie en zetelende aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo;

2. Dat verzoeker op 15 februari 1985 in dienst is getreden van het Ministerie van Justitie;

3. Dat i.v.m. een luchtwegaandoening verzoeker door de behandelende specialist erop is geattendeerd dat hij geen avond- en nachtdienst mag verrichten totdat zijn algehele gezondheidstoestand zich in positieve zin zal hebben ontwikkeld;

4. Dat verzoeker nog niet helemaal hersteld is doch toch met de hiervoren vermelde restrictie zijn werkzaamheden verricht;

5. Dat verzoeker te rekenen van 3 januari 1990 t/m 18 februari 1991 tegen zijn wil in werd gemuteerd naar het Bureau voor Familierechtelijke Zaken;

6. Dat verzoeker gedurende de staking van personeelsleden van de Centrale Penitentiaire Inrichting te Santo Boma van 23 mei 1990 t/m 1 juni 1990 naar Santo Boma werd gemuteerd alwaar hij als penitentiair-ambtenaar zijn werk verricht;

7. Dat verzoeker daarom niet kan inzien waarom hij na de stakingsperiode niet alszodanig gehandhaafd kon worden;

8. Dat verzoeker in aanmerking diende te komen voor bevordering doch bij schrijven d.d. 12 februari 1992 [nummer 1] afkomstig van de onder-Directeur Deliquentenzorg aan hem werd medegedeeld dat hij niet voor promotie in aanmerking kon worden gebracht omdat hij vanwege het feit dat hij op advies van de behandelende specialist geen middag- en nachtdiensten mag verrichten, niet volledig inzetbaar zou zijn en dientengevolge als een middelmatige kracht is beoordeeld;

9. Dat het vorenstaand standpunt van zijn werkgever geen stand kan houden als het gestelde in punt 6 daarmede in relatie wordt gebracht;

10. Dat verzoeker zich afvraagt of hij er geen recht op heeft carriere te maken, omdat hij buiten omstandigheden welke binnen zijn invloedssfeer liggen niet wordt ingezet, doch zijn werk als penitentiair-ambtenaar altijd correct tracht uit te voeren;

11. Dat echter zoals hiervoren vermeld verzoeker tegen zijn wil in naar het Bureau voor Familierechtelijke Zaken werd gemuteerd waardoor het gestelde ten aanzien daarvan in het schrijven van de onder-Directeur Delinquentenzorg d.d. 24 juni 1991 [nummer 2] hem niet kan worden verweten;

12. dat het algemeen bekend is dat de heren [naam 1], [ naam 2] en [ naam 3] allen penitentiair-ambtenaar, die indertijd ook in dezelfde situatie hebben verkeerd als verzoeker wel in aanmerking zijn gekomen voor bevordering, terwijl verzoeker zulks onthouden wordt;

13. Dat het in een rechtsstaat past dat de Staat één gedragslijn volgt teneinde de burgers rechtszekerheid te geven en zich moet onthouden van delingen die als basis willekeur inhouden, zoals in het onderhavig geval van verzoeker.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

– dat de Staat Suriname m.n. het ministerie van Justitie en Politie, zal worden bevolen de rechtmatig aan verzoeker toekomende bevordering met terugwerkende kracht te rekenen van 1 juli 1990 te willen toekennen, kosten rechtens; Overwegende, dat de Staat Suriname binnen de bij de Wet gestelde termijn een verweerschrift heeft ingediend waarin hij als verweer heeft aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend, met beroep op de onsplitsbaarheid van zijn stellingen en biedt bewijs aan door alle middelen rechtens, in het bijzonder door getuigen;

2. Verweerder erkent, dat verzoeker op 15 februari 1985 in dienst van de Staat is getreden in de hoedanigheid van adspirant penitentiaire ambtenaar en dat al gauw na zijn aanstelling er klachten waren met betrekking tot zijn gezondheid.

Reeds op 7 april 1987 werd hij door de Directeur van Justitie opgedragen zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek, in verband met zijn arbeidsgeschiktheid c.q. ongeschiktheid.

Op 7 april 1987 werd betrokkene gekeurd met de aantekening, dat verzoeker, gelet op zijn gezondheidstoestand, ”geen nachtdiensten mag verrichten” (medicus E.P. HO A SJOE). Venmoedelijk wordt dat bedoeld in het derde sustenu van het inleidend rekest, waarin verzoeker zegt of stelt ”een luchtwegaandoening te hebben”;

3. Op grond van deze ziekelijke omstandigheid van verzoeker, is hij vanaf 1987 nooit volledig inzetbaar geweest als penitentiaire ambtenaar, hoewel hij toch kort daarvoor op 16 juni 1986 werd aangesteld tot penitentiaire ambtenaar 4e klasse. Hij heeft nooit avond- of nachtdiensten meer verricht. Vanaf toen ging het niet zo goed met verzoeker, hetgeen blijkt uit het personeelsdossier in het bijzonder zijn beoordelingslijsten vanaf 1986. Meer dan 12 keren in zijn korte diensttijd is betrokkene in de gelegenheid gesteld zich te verweren voor vele tekortkomingen, waarvan een aantal voor onwettig verzuim of in diensttijd zijn post verlaten, maar ook wegens overtreding van ernstige aard, waaromtrent desnodig nader bewijs door verweerder zal kunnen worden geleverd, aan de hand van zijn personeelsdossier (onder de sectie ”plichtsverzuim” );

4. Omtrent het gestelde in de punten 5, 6 en 7 van bet verzoekschrift, te weten, de mutatie van betrokkene naar het Bureau voor Familierechtelijke Zaken en het waarnemen gedurende één week (tussen 23 mei 1990 en 1 juni 1990) tijdens de staking in de penitentiaire inrichting te Santo Boma is niets vreemds aan de orde, omdat het allemaal werkzaamheden zijn, welke aan een penitentiaire ambtenaar kunnen worden opgedragen c.q. hem eenzijdig arbeid kan doen verrichten op een post, waar hij beter inzetbaar is. Ook het achtste sustenu is alszodanig onvolledig, omdat daarin alleen met het ziek zijn van verzoeker, die dus geen avond- of nachtdiensten doet, rekening is gehouden en over zijn plichtsverzuim niets is gezegd;

5. Verweerder kan dan ook niet inzien welk recht van verzoeker kan zijn geschonden, wanneer hij niet zo vlot carriere maakt. Evenmin is het duidelijk, in ieder geval niet door verzoeker nader gemotiveerd, dat er van ongelijke behandeling sprake zou zijn tussen verzoeker en de heren [naam 1] , [naam 2] en [ naam 3].

De omstandigheden namelijk van de drie in het verzoekschrift genoemde penitentiaire ambtenaren verschillen al te duidelijk wanneer het betreft de langere diensttijd, de inzetbaarheid en het gedrag (prestatie) van genoemde collegae, omstandigheden die tot grondslag hebben gediend voor hun bevordering. Op grond hiervan wordt danook door verweerder, punt 13 van het verzoekschrift nadrukkelijk tegengesproken, omdat het niet slechts gaat om één gedragslijn voor allen, maar om dezelfde gedragslijn voor allen die verkeren onder nagenoeg dezelfde c.q. gelijke omstandigheden, waardoor willekeur of discriminatie wordt uitgesloten. Het gelijkheidsbeginsel, door verzoeker in bet 13e sustenu in verband gebracht met de rechtsstaat, is op zichzelf nog niet een voldoende duidelijk criterium tot het vinden van hetgeen in een bepaald geval als recht moet gelden. Daarenboven is de jurisprudentie algemeen van oordeel, dat dit gelijkheidsbeginsel niet goed toepasselijk is terzake van bevorderingen, omdat in die gevallen niet licht van gelijke gevallen, welke op gelijke wijze moeten worden behandeld, sprake zal zijn (zie rapport ALGEMENE BEPALINGEN VAN ADMINISTRATIEF RECHT e.d. 1980 punt 3.2.6.5.4., blz. 182);

Inderdaad zijn de gevallen door verweerder aangehaald niet gelijk aan zijn geval. De met name genoemde collegea hebben een langere diensttijd dan verzoeker, vervullen normaal alle diensten in de inrichting (shift) en hebben geen gelijke conduitestaat als die van verzoeker;

6. Onverminderd het voorgaande doet verweerder zeggen, dat daargelaten, dat de feiten hierboven aangehaald geen grond opleveren tot toewijzing van de vordering door het Hof van Justitie als ambtenarengerecht, het ook zo is, dat het petitum zal behoren te leiden tot niet ontvankelijkheid, wegens in strijd met de Personeelswet.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

– dat de vordering van verzoeker niet voor toewijzing vatbaar is, wegens ongegrondheid en niet bewezen, alsook niet ontvankelijk zal zijn, wegens in strijd met de Personeelswet i.h.b. artikel 79;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking d.d. 20 oktober 1992 in Raadkamer zijn verschenen verzoeker in persoon, advokaat Mr. J.G.O. Koulen, gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr. Dr. C.D. Ooft, gemachtigde van verweerder en mej. P. Sanichar, Hoofd afdeling Delinquentenzorg, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof de uitspraak aanvankelijk had bepaald op 26 maart 1993, doch bij vervroeging op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker, ambtenaar in de tin van artikel 1 van de Personeelswet, verzoekt op grond van feiten, aan zijn vordering ten grondslag gelegd en die als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd dienen te worden aangemerkt, verweerder te bevelen hem – verzoeker – te rekenen van 1 juli 1990 te bevorderen tot de, naar uit de door verzoeker in het geding gebrachte bescheiden valt af te leiden, naast hogere rang;

Overwegende, dat tijdens het verhoor van partijen gebleken is, dat verzoeker de ingangsdatum van de verzochte bevordering heeft bedoeld te stellen op 1 januari 1991, nu hij zijn diploma op 21 december 1990 zou hebben gehaald;

Overwegende, dat verweerder zich te dezen aanzien aan ’s Hofs oordeel heeft gerefereerd en zich dus niet persé daartegen heeft verzet, zodat aan verzoeker akte wordt verleend van deze wijziging;

Overwegende, dat blijkens het door de onder-Direkteur Delinquentenzorg aan verzoeker, (toen) penitentiaire ambtenaar 4e klasse, gericht schrijven d.d. 12 februari 1992 (kenmerk [nummer 1]), onderwerp: ”Bevordering”, kennelijk als reactie op een door verzoeker gedaan verzoek om bevordering, hem – verzoeker – alstoen de mededeling is gedaan, dat hij voorshands niet in aanmerking kan worden gebracht voor een benoeming in de naast hogere rang, om redenen, in gemeld schrijven vastgelegd en welke als hier ingelast dienen to worden aangemerkt;

– dat in meergemeld schrijven is gerelateerd een besluit in de zin van de Personeelswet, met de inhoud waarvan verzoeker zich niet kan verenigen, hetgeen moge blijken uit het in het 9e tot en met 12e ”dat” van het verzoekschrift gestelde;

– Overwegende, dat verzoeker ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet het Hof dan ook had moeten vragen om nietigverklaring van gemeld besluit en wel binnen de bij artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet voorgeschreven termijn, hetgeen verzoeker niet blijkt to hebben gedaan; Overwegende, dat verzoekers vordering, strekkende tot het bevelen van verweerder hem te rekenen van 1 juli 1990(lees: 1 januari 1991) te bevorderen tot de naast hogere rang naar verweerder terecht aanvoert, niet toewijsbaar is, omdat deze niet valt onder de in artikel 79 van genoemde wet omschreven limitatieve opsomming;

– dat verzoeker in zijn vordering dan ook niet ontvankelijk is;

Overwegende, dat naar blijkt uit de namens verzoeker in het geding gebrachte besckikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 14 augustus 1992 [nummer 3], verzoeker te rekenen van 1 januari 1992 is bevorderd tot de rang zoals in gemelde beschikking vermeld;

– dat naar uit diens pleitnota blijkt, verzoeker zich niet kan verenigen met de datum van ingang zijner bevordering, te weten: 1 januari 1992, stellende verzoeker dat de datum van ingang had moeten zijn 1 januari 1991,

hebbende verzoeker gesteld zijn vordering te verminderen in dier voege dat, aldus zijn stellingen opvattend, worden gelezen 1 januari 1992 instede van 1 juli 1990 en verzocht dienovereenkomstig te beslissen, waarvan bereids akte is verleend;

Overwegende, dat verzoeker, naar’s Hoven oordeel, nu hij zich niet kan verenigen met de beschikking van 14 augustus 1992 het Hof van Justitie had moeten adiëren en vragen om nietigverklaring van gemelde beschikking en voorts verweerder te veroordelen het nodige te verrichten ter bevordering van hem – verzoeker – tot de naast hogere rang en wel met ingang van 1 januari 1991, hetgeen verzoeker ook niet blijkt te hebben gedaan;

– dat het verzoek van verzoeker als vervat in diens pleitnota d.d. 20 november 1992, – trots het feit`dat verweerder zich te dien aanzien aan het oordeel van het Hof heeft gerefereerd – niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat inwilliging daarvan en toewijzing van het dan gewijzigd verzoek (eveneens) zouden neerkomen op het in strijd handelen met artikel 79 van de Personeelswet, waarin hetgeen van het Hof kan worden gevorderd limitatief is omschreven, onder welke limitatieve omschrijving niet valt gemeld verzoek;

Overwegende, dat verzoeker mitsdien niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

 

SRU-HvJ-1993-10

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 26 maart 1993
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R.von Niesewand en E.S. Ombre)

[verzoekster], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. W.C.PENGEL, advocaat, verzoekster,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Economische Zaken, in rechten vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3,

B. [verweerder sub B], rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan [adres], voor wie als hun beider gemachtigde optreedt Mr. R.W. VAN RITTER, advokaat, verweerders.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

Verzoekster wenst bij deze de navolgende vordering in te stellen tegen:

A. DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Economische Zaken, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, domicilie kiezende aan de Gravenstraat no. 3.

B. [verweerder sub B], rechtspersoon,

gevestigd en kantoorhoudende aan [adres], verweerders;

2. Verzoekster is ambtenaar als bedoeld in artikel van de Personeelswet;

3. Verzoekster is per schrijven van de Minister van Economische Zaken met ingang van 7 maart 1989 benoemd tot Stafambtenaar A tweede klasse en tewerk gesteld als waarnemend directrice van [verweerder sub B].

Voorheen heeft verzoekster van 1 september 1981 af gediend in de functie van boekhoudkundige stafmedewerkster;

4. Dat verzoekster sindsdien ononderbroken voormelde functie heeft bekleed en verzoekster, die voorzover er wettelijke vereisten voor benoembaarheid in deze functie bestaat daaraan voldoet uit kracht van het bepaalde in artikel 22 lid 5 Personeelswet moet worden geacht met ingang van 1 maart 1991 stilzwijgend in die functie, die sinds 1 maart 1989 definitief opengevallen was, althans moet worden geacht opengevallen te zijn, te zijn benoemd. De vorige directeur van verweerder sub B is op 1 maart 1989 ontslagen uit zijn functie;

5. Dat verzoekster ingevolge het bepaalde in artikel 24 lid 4 van de Personeelswet sinds 1 maart 1991 aanspraak maakt op de bevordering tot de rang behorende bij de functie van directeur van [verweerder sub B], althans op het te verrichten door verweerder van de administratiefrechterlijke rechtshandeling tot het in overeenstemming brengen van verzoeksters bezoldiging met die welke verbonden is aan de definitieve vervulling sinds 1 maart 1991 van voormelde functie, zijnde die verbonden aan de functie van [verweerder sub B] salaris f. 3.300,–;

6. Dat verzoekster ondertussen onder protest en ten onrechte bij schrijven van 2 april 1991 hangende het door de Raad van Ministers te nemen besluit per 28 maart 1991 uit haar functie werd ontheven;

7. Dat sindsdien de directie van [verweerder sub B] door een stuurgroep onder leiding van de President-Commissaris de heer [naam] wordt bekleed.

Voorzover verzoekster bekend heeft de Raad van Ministers terzake geen besluit genomen;

8. Dat verzoekster op 7 november 1991 een schrijven heeft ontvangen van de Minister van Economische Zaken dd 24 mei 1991 afkomstig van de Raad van Ministers waarin verzoekster nog steeds als Stafambtenaar A tweede klasse gerekend van 29 maart 1989 tot en met 28 maart 1991 een waarnemingstoelage naar rede van f. 1.330,– per maand en over de periode 19 maart 1989 tot en met januari 1991 f. 815,– per rnaand over de periode 1 februari 1991 tot en met 28 maart 1991 is toegekend, zonder haar definitief te benoemen;

9. Dat verzoekster gebruik wenst te maken van het bepaalde in artikel 80 lid la van bedoelde verordening nu zij er recht en belang bij heeft te vorderen dat aan verweerders, althans verweerder sub A een dwangsom zal worden opgelegd voor het verder achterwege laten van primair van de bevordering en subsidiair van voorgenoemd administratieve rechtshandeling:

10. Dat het achterwege laten van voormelde bevordering in geval van stilzwijgende benoeming wordt in strijd geacht met het in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur en als een daad van willekeur moet worden beschouwd althans in strijd is met de rechtszekerheid;

11. Dat nu voormelde functie gewaardeerd wordt met een salaris van f. 3.200,– per rnaand en dat verzoekster aanspraak maakt op de benoembaarheid in deze functie van Hoofdambtenaar B eerste klasse schaal 20 nieuw en is zij gerechtigd zulks in rechte te vorderen, ingevolge artikel 24 lid 4 van de Personeelswet.

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

PRIMAIR: dat voor recht zal worden verklaard dat verzoekster geacht wordt stilzwijgend definitief te zijn benoemd in de functie van directeur van [verweerder sub B] en aan verweerder zal worden opgelegd een dwangsom van f. 5.000,– per maand voor het verder vanaf de 30ste dag van het te wijzen vonnis achterwege te laten, van de bevordering van verzoekster met ingang van 1 maart 1991 tot de rang behorende bij de functie van directeur [verweerder sub B] zijnde die van de Hoofdambtenaar B eerste klasse.

SUBSIDIAIR: dat aan de handeling strekkende tot het in overeenstemming brengen met ingang van 1 rnaart 1991 van verzoeksters bezoldiging met die verbonden aan de functie van directeur van [verweerder sub B] zijnde salaris van f. 3.400,– uitvoering zal worden gegeven, kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de bij de Wet gestelde termijn geen verweerschrift is binnengekomen;

Overwegende, dat ingevolge’s Hofs beschikking d.d. 14 februari 1992 in Raadkamer zijn verschenen verzoekster in persoon, advokaat Mr. W.C. Pengel, gemachtigde van verzoekster, advokaat Mr. R.W. van Ritter, gemachtigde van verweerders, Mr. R.M. Sallons, Directeur van het Ministerie van Handel en Industrie namens verweerder sub A en de heer [naam], plaatsvervangend President-Commissaris van [verweerder sub B] namens verweerder sub B, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerders produkties heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies tot uitlating hebben genomen, de gemachtigde van verweerders onder ovcrlegging van een produktie;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies tot uitlating produktie hebben genomen tevens onder overlegging van produkties;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating produktie zijdens verzoekster peremptoir bepaald, geen conclusie is overgelegd, waarna advokaat Mr. R.W. van Ritter vonnis heeft gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 12 maart 1993, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat vooraf zij opgemerkt, dat er van uit wordt gegaan, dat ingevolge het bepaalde in artikel 1, 2e lid, sub a van de Personeelswet, die Personeelswet op personeel van [verweerder sub B] van toepassing is, nu voor [verweerder sub B] als rechtspersoon, door of vanwege het Land opgericht, geen afzonderlijke voorschriften blijken te zijn vastgesteld;

Overwegende, dat verzoekster, ambtenaar zijnde in de zin van artikel 1 van de personeelswet, haar vordering(en) waarmede zij zich tot het Hof van Justitie als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken heeft gewend, gebaseerd heeft op het bepaalde in artikel 22 lid 5 van de Personeelswet, luidende:

”Zodra een landsdienaar gedurende meer dan een jaar in totaal een definitief opengevallen functie heeft waargenomen en hij aan de wettelijke eisen van benoembaarheid daarin voldoet, wordt hij geacht stilzwijgend in die functie te zijn benoemd”;

– dat verzoekster, blijkens het primair gevorderde, van het Hof van Justitie ondermeer heeft willen uitlokken, een beslissing van declaratoire aard, luidende: voor recht te verklaren, dat verzoekster geacht wordt stilzwijgend definitief te zijn benoemd in de functie van directeur van [verweerder sub B] en …..

Overwegende, dat nu hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken kan worden gevorderd, in artikel 79 van de Personeelswet limitatief is omschreven en het eerste gedeelte van het primair gevorderde daaronder niet valt, dient de niet ontvankelijkverklaring daarvan te volgen,

Overwegende, dat het tweede gedeelte van het primair gevorderde, betrekking hebbende op het verbeuren van de dwangsom, naar’s Hoven oordeel ook niet zou kunnen worden toegewezen, omdat een dwangsom slechts kan worden gesteld op een veroordeling, die in casu niet blijkt te zijn gevorderd;

Overwegende, dat toewijzing van het subsidiair gevorderde ook achterwege dient te blijven, nu het niet valt onder de limitatieve omschrijving van artikel 79 van de Personeelswet;

Overwegende, dat verzoekster zowel in haar primaire als in haar subsidiaire vordering niet kan worden ontvangen;

– dat tenslotte een onderzoek naar de vraag of verzoekster aan de wettelijke eisen van benoembaarheid heeft voldaan, geheel achterwege kan blijven;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar vorderingen jegens verweerders;

SRU-HvJ-1993-9

Hof van Justitie

26 maart 1993, G.R. 13172

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, E.S. Ombre)

N.V. Hotelmaatschappij Torarica, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan het mr. Rietbergplein, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. B.A. Halfhide, advocaat, appellante in Kort Geding,

tegen

[bedrijf], rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. G. Gangaram Panday, advocaat, geïntimeerde in Kort Geding.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 december 1991 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 24 december 1991, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [bedrijf], als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiseres hierbij de navolgende vordering in Kort Geding wenst in te stellen tegen N.V. Hotelmaatschappij Torarica, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan het mr. Rietbergplein;

2. dat eiseres een aannemingsmaatschappij is en op 22 oktober 1990 met de gedaagde een overeenkomst heeft gesloten voor het bouwen van 2 winkelruimten voor de aanneemsom van Sf. 400.000,– exclusief meerwerk;

dat eiseres hierbij de overeenkomst in fotokopie overlegt met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen (produktie 1);

3. dat tussen partijen was afgesproken dat de direktievoering van het werk zou geschieden door het architectenbureau KDV, terwijl de gedaagde zich tevens had verbonden om alle declaraties die door dit bureau zouden zijn goedgekeurd, binnen een week na aanbieding aan eiseres uit te betalen; (zie art. 5 van de overeenkomst);

4. dat eiseres op 15 augustus 1991 een declaratie ten bedrage van Sf.134.894,– aan de gedaagde ter betaling heeft aangeboden en op 1 oktober 1991 een declaratie ten bedrage van Sf. 50.179,–, zijnde in totaal Sf.185.073,–;

dat beide declaraties zijn goedgekeurd door de direktie; (produkties 2, 3 en 4)

5. dat gedaagde ondanks herhaalde en dringende aanmaningen in der minne – zonder gegronde redenen – weigert de declaraties aan eiseres te voldoen;

6. dat eiseres van de gedaagde derhalve voormeld bedrag ad Sf. 185.073,–opeisbaar heeft te vorderen alsmede het onderhoudsbedrag van 5% van de aanneemsom ad Sf. 20.000,–, zijnde in totaal Sf. 205.073,–

7. dat eiseres t.b.v. dit project schulden heeft gemaakt, waaronder het kopen van bouwmaterialen op rekening, welke schulden eiseres reeds had moeten voldoen;

dat de schuldeisers bij eiseres aandringen op betaling en gedreigd hebben tegen haar op korte termijn rechtsmaatregelen te zullen treffen ter inning van hun gelden;

8. dat eiseres daarnaast anders dringende financiële verplichtingen jegens derden heeft en dat zij daardoor thans in ernstige financiële noodsituatie is komen te verkeren;

9. dat uit voorgaande stellingen het spoedeisend karakter van eiseresses vordering is gebleken, zodat eiseres recht en belang heeft bij een voorziening bij voorraad in Kort Geding;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep, gedaagde terzake voorschreven zal worden veroordeeld om bij wege van voorschot aan eiseres te betalen een bedrag van Sf. 205.073,–, althans enig ander bedrag door de Rechter in goede Justitie te bepalen en wel binnen 7 dagen na vonniswijziging en voorts, dat gedaagde zal worden veroordeeld in de proceskosten;

Overwegende, dat N.V. Hotelmaatschappij Torarica als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiseres in haar vordering niet zal worden ontvangen, althans de gevraagde voorziening zal worden geweigerd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusie van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen tevens over en weer produkties overgelegd;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie tot uitlating produkties zijdens eiseres bepaald, de gemachtigde van eiseres een schriftelijke – hier als geïnsereerd aan te merken – conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij rolbeschikking ambtshalve een comparitie van partijen heeft bevolen, op welke comparitie-zitting zijn verschenen, partijen, vertegenwoordigd door hun directeuren, tevens bijgestaan door hun respektieve gemachtigden. die hebben verklaard, gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als geïnsereerd aan te merken – procesverbaal staat gerelateerd:

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 19 december 1991 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft bevolen om bij wege van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te voldoen het bedrag van Sf. 150.000,– (een honderd en vijftig duizend gulden);

Dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

De proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd in dier voege dat ieder haar eigen kosten draagt;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal N.V. Hotelmaatschappij Torarica in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 19 december 1991;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel van 22 januari 1992 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende advocaat mr. F. Kruisland namens advocaat mr. B.A. Halfhide en advocaat mr. J.C.P. Nannan Panday namens advocaat mr. G. Gangaram Panday over en weer gepersisteerd respectievelijk bij re- en dupliek pleidooi en vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat appellante tijdig in hoger beroep is gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 19 decemberb 1991;

Overwegende, dat appellante zich door het vonnis gegriefd en bezwaard acht en daartegen heeft aangevoerd;

Grief A: Ten onrechte heeft de Kantonrechter beslist, zij het implicite, dat gebleken is van de noodzaak tot een voorlopige voorziening zoals door hem gegeven, terwijl appllante die noodzaak met klem van redenen heeft weersproken zoals verrmeld sub 9 en 10 van de conclusie van antwoord en sub 7 van de conclusie van dupliek in prima. Aan die redenen is de Kantonrechter geheel voorbijgegaan. Weliswaar heeft de Kantonrechter in de 6e rechtsoverweging van voormeld vonnis gesteld, dat geïntimeerde ter gehouden comparitie van partijen heeft toegelicht grote financiële problemen te hebben, doch uit voormeld vonnis blijkt in geen enkel opzicht wat die toelichting inhield en waarom door die toelichting de spoedeisendheid der vordering gestaafd werd.

Uit het verweer van appellante blijkt,naar het voorkomt duidelijk dat van spoedeisendheid geen sprake was en ook dat, gelet op het belang van appellante in dat kader, namelijk de mogelijkheid van gebrek aan verhaal in geval van een contraire beslissing van de gewone rechter, die spoedeisendheid, indien aanwezig, niettemin niet mocht leiden tot toewijzing der vordering, waaraan de Kantonrechter geheel voorbij is gegaan.

Voormeld vonnis is dan ook behalve materieel onjuist, ook niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Grief B: Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat mede op grond van het feit, dat appellante het aannemingscontract heeft opgezegd zonder geïntimeerde in de gegegenheid te stellen in de onderhoudsperiode eventuele alsdan blijkende gebreken te herstellen, veroordeling van appellante moest volgen.

Immers heeft appellante met klem van redenen betoogd dat en op welke wijze geïntimeerde tegenover haar had gewanpresteerd en appellante had dan ook geen enkele verplichting om het werk voor geïntimeerde te doen voltooien, zodat ook een onderhoudsperiode na de eerste oplevering van het werk niet aan de orde zou komen.

Voorts had appellante het recht het aannemingscontract op te zeggen voor de oplevering, zodat die opzegging niet kan worden beschouwd als een ten onrechte in het leven geroepen verhindering van onderhoud zoals de Kantonrechter kennelijk heeft gedaan;

met conclusie:

dat het Hof het vonnis waarvan beroep, zal vernietigen en alsnog geïntimeerde in haar vordering niet ontvankelijk zal verklaren, althans de gevraagde voorziening zal weigeren;

Overwegende, dat de vordering van geïntimeerde ertoe strekt, dat appellante wordt veroordeeld bij wege van voorschot aan geïntimeerde te betalen, een bedrag van Sf. 205.073,– althans enig ander bedrag in goede justitie te bepalen en wel binnen ± zeven dagen na vonniswijzing en voorts appellante te veroordelen in de proceskosten;

Overwegende, dat geïntimeerde, blijkens haar in eerste aanleg gestelde feiten, haar belang bij een onmiddellijke voorziening aldus heeft aangeduid, dat zij ten behoeve van het ten rekeste gestelde projekt schulden heeft gemaakt, waaronder het kopen van bouwmaterialen op rekening, welke schulden zij, geïntimeerde reeds had moeten voldoen;

dat de schuldeisers bij geïntimeerde aandringen op betaling en gedreigd hebben tegen haar op korte termijn rechtsmaatregelen te zullen treffen ter inning van hun schulden; dat zij, geïntimeerde, daarnaast andere dringende financiële verplichtingen jegens derden heeft en dat zij daardoor thans in ernstige financiële noodsituatie is komen te verkeren; dat zij, geïntimeerde, een schuld heeft aan de Surinaamsche Bank N.V, ten bedrage van Sf. 925.007,71; Overwegende, dat appellante, naar blijkt uit haar stellingen in het 9e en 10e “sustenu” van de conclusie van antwoord d.d. 7 november 1991 en uit het 7e “sustenu” van de conclusie van dupliek d.d. 21 november 1991, welke stellingen als hier ingelast dienen te worden aangemerkt, het spoedeisend belang van geïntimeerde gemotiveerd heeft weersproken;

dat uit de gedingstukken verder niet blijkt, dat geïntimeerde tegenover de stellingen van appellante haar spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening nader heeft uiteengezet;

dat naar ‘s Hoven voorlopig oordeel zulks meebrengt,dat haar stellingen omtrent het spoedeisend belang, als onvoldoende gemotiveerd niet kan worden aanvaard;

dat met name niet kan worden aanvaard, dat een spoedeisend belang voor wat betreft de schuld aan de Surinaamsche Bank N.V., nu geïntimeerde heeft gesteld noch doen blijken, dat deze schuld een opeisbare is en dat zij tot betaling daarvan aan genoemde bankinstelling door haar ingebreke is gesteld;

dat naar ’s Hoven voorlopig oordeel bij het vorenstaande mede in aanmerking moet worden genomen, dat het hier om een geschil over een geldvordering gaat en dat de gevorderde voorziening er in wezen toe strekt, betaling te verkrijgen zonder dat omtrent de rechtspositie van partijen ten gronde een uitspraak is gedaan;

dat toewijzing van een zodanige voorziening het risico meebrengt dat van het desbetreffende bedrag – wanneer over de vordering in een bodemgeschil is beslist en uit die beslissing voortvloeit dat het bedrag moet worden terug betaald – restitutie niet meer kan worden verkregen;

dat mede met het oog op dit risico met betrekking tot een voorziening in Kort Geding, bestaande in betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is en mag van een partij die een zodanige voorziening vraagt – en van de rechter die haar toewijst – worden verlangd, dat naar behoren feiten en omstandigheden worden aangedragen, die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden;

Overwegende, dat het vorenstaande meebrengt, dat het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, rechtdoende in Kort Geding, d.d. 19 december 1991, onder gegrondbevinding van de eerste, grief moet worden vernietigd en de gevraagde voorziening alsnog worden geweigerd en dat de tweede grief als niet langer relevant buiten bespreking kan worden gelaten;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 19 december 1991, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende

Weigert alsnog de door geïntimeerde – toenmaals eiseres – gevraagde voorziening;

Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van appellante gevallen:

in eerste aanleg begroot op nihil;

in hoger beroep begroot op Sf. 523,50;

met inbegrip van het door het Hof aan haar advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van Sf. 350,–

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van geïntimeerde eveneens op Sf. 350,–.

SRU-HvJ-1993-8

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 7 mei 1993
(Mrs. R.E.Th.Oosterling, J.R.von Niesewand en R.W. Willemzorg)

[verzoekster], wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigede optreedt, advocaat, Mr. H.E. STRUIKEN, verzoekster,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Binnenlandse Zaken, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd worden door de Procureur- Generaal bij het Hof van justitie van Suriname, kantoorhoudende te zijnen Parkette op de hoek van de Gravenstraat en Tourtonnelaan, voor wie als gemachtigde optreedt, advokaat Mr.Dr.C.D. OOFT, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Repubiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1.Dat verzoekster hierbij de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, afdeling Ministerie van Binnenlandse Zaken, ten deze in rechte vertegenwoordigd wordende door de heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijnen Parkette op de hoek van de Gravenstraat en Tourtonnelaan te Paramaribo, verweerder;

2.Dat verzoekster is ambtenaar in de zin der personeelswet en wel in de rang van Hoofdambtenaar B 1e klasse;

3.Dat verzoekster blijkens hierbij overgelegde resolutie van de President van de Republiek Suriname [nummer 1] d.d. 30 mei 1991 te rekenen van 1 januari 1991 is bevorderd tot Hoofdambtenaar B Ie klasse (schaal 18) onder toekenning van een toelage van 10% (TIEN PROCENT) van de door haar genoten wordende bezoldiging;

4.Dat blijkens hierbij overgelegde resolutie d.d. 9 juli 1992 Bureau [nummer 2] van de President van de Republiek Suriname door verzoekster op 19 juli 1992 ontvangen, te rekenen vanaf 1 januari 1992:

a.haar bezoldiging is verhoogd met f. 80,– (TACHTIG GULDEN) en alszo is gebracht op f. 3.550,– en

b. zij ontlast is uit de functies van secretaresse van de Minister van Binnenlandse Zaken en van coördinatrice van vrouwenzaken, met behoud van haar bezoldiging van f 3.550,– en met gelijktijdige buitenwerkingstelling van de aan verzoekster bij resolutie van 5 juni 1987 [nummer 3] toegekende toelage van 10% van haar bezoldiging in verband met het verrichten van meer en verantwoordelijker werkzaamheden;

5. Dat verzoekster zich door het onder 1b van voormelde resolutie bepaalde nl. gelijktijdige buitenwerkingstelling van de aan haar bij resolutie van 5 juni 1987 [nummer 3] toegekende toelage van 10% van haar bezoldiging, gegriefd voelt;

6. Dat verzoekster van mening is, dat het onder 1b bepaalde van voormelde resolutie d.d. 9 juli 1992 [nummer 2] krachtens artikel 6 (zes) van de personeelswet (G.B. 1962 no. 195 / Staatsblad 1985 no. 41) niet eerder werkt t.o.v. verzoekster, dan de dag nadat het te harer kennis is gekomen, dit is in dit cas 18 juli 1992 en krachtens het bepaalde onder punt 2 van artikel 6 der personeelswet geen terugwerkende kracht jegens verzoekster mag hebben vermits het voor haar nadelig is;

7. Dat verzoekster op grond van het vorenstaande van mening is dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de personeelswet en met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur;

8. Dat verzoekster op grond van het vorenstaande gerechtigd is in rechte te vorderen dat de resolutie d.d. 9 juli 1992 [nummer 2] voor wat betreft het bepaalde onder punt 1b met betrekking tot de terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1992 wordt vernietigd en de verweerder veroordeeld wordt haar toelage van 10% (tien procent) van haar bezoldiging, zijnde 10% van f.3.550,– = f. 335,– per maand, vanaf 1 april 1992 t/m 18 juli 1992 te betalen zijnde een bedrag groot 3 x f. 355,- + 18/30 x f. 355,- = f. 1.278,- . Verweerder heeft t/m de maand maart 1992 de 10% toelage doorbetaald;

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

a. dat nietig zal worden verklaard het bepaalde onder 1b van het besluit van de President van de Republiek Suriname d.d. 9 juli 1992 Bureau [nummer 2] waarbij te rekenen van 1 januari 1992 gelijktijdig buitenwerking wordt gesteld, de aan verzoekster bij resolutie van 5 juni 1987 toegekende toelage van 10% van verzoeksters bezoldiging in verband met het verrichten van meer en verantwoordelijke werkzaamheden;

b. dat verweerder zal worden veroordeeld om aan verzoekster te betalen het bedrag groot f.1.278,– met de wettelijke rente hierover terzake voorschreven, vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

c. dat verweerder zal worden veroordeeld in de kosten deze procedure;

Overwegende, dat van de Staat Suriname geen verweerschrift is binnengekomen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 23 oktober 1992 in Raadkamer zijn verschenen verzoekster in persoon, advokaat Mr. H. E. Struiken, gemachtigde van verzoekster, de heer E.J. van der San, waarnemend-Directeur van Binnenlandse Zaken namens verweerder en advokaat Mr. Dr. C.D. Ooft, gemachtigde van verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwenproces-verbaal staat gerelateerd; Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hadden toegelict en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verweerder bij zijn antwoord pleidooi een produktie overgelegd, het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoekster ambtenaar is in de zin van, de Personeelswet, in de rang van Hoofdambtenaar B Ie klasse, Op het Ministerie van Binnenlandse Zaken;

– dat verzoekster, bij resolutie van de President van de Republiek Suriname, [nummer 1] van 30 mei 1991, te rekenen van I januari 1991 in voormelde rang is bevorderd, bij gemelde resolutie een toelage van 10% van de door haar genoten wordende bezoldiging is toegekend, kennelijk wegens meer en verantwoordelijker werkzaamheden, uit hoofde van haar functie van secretaresse van de Minister van Binnenlandse Zaken en coordinatrice van vrouwenzaken;

Overwegende, dat bij resolutie d.d. 9 juli 1992 [nummer 2] van de President van de Republiek Suriname – door verzoekster onbetwist ontvangen op 19 juli 1992 – verzoekster per 1 januari 1992 is ontlast uit de functie van secretaresse van de Minister van Binnenlandse Zaken en van coordinatrice van vrouwenzaken, met gelijktijdige buitenwerkingstelling van de aan verzoekster toegekende l0% toelage van haar bezoldiging,i.v.m. het verrichten van meer en verantwoordelijker werkzaamheden (vide ”moeder” resolutie m.b.t de toelage van 5 juni 1987 [nummer 3]);

Overwegende, dat verzoekster zich door voormelde buitenwerkingstelling van de 10% toelage van haar bezoldiging gegriefd acht en tijdig het Hof van Justitie als gerecht voor ambtenarenzaken heeft geadieerd, hebbende verzoekster verzocht:

a. dat het Hof nietig zal verklaren het bepaalde onder Ib van het besluit van de President van de Republiek Suriname d.d. 9 juli 1992 Bureau [nummer 2] waarbij, te rekenen van 1 januari 1992 gelijktijdig buitenwerking wordt gesteld,,de aan verzoekster bij resolutie van 5 juni 1987 toegekende toelage van 10% van verzoeksters bezoldiging in verband met het verrichten van meer en verantwoordelijke werkzaamheden;

b. dat verweerder zal worden veroordeeld om aan verzoekster te betalen het bedrag groot f. 1.278,– met de wettelijke rente hierover terzake voorschreven, vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

c. verweerder zal worden veroordeeld in de kosten dezer procedure;

Overwegende, dat uit de tijdens het verhoor van partijen d.d. 4 december 1992 verkregen informatie blijkt en kan mitsdien als tussen partijen rechtens vaststaand worden aangenomen, dat verzoekster, na eerst met verlof te zijn gegaan en daarna ziek was geworden, zich op 23 maart 1992 op kantoor heeft aangemeld ter hervatting van haar werkzaamheden, welke werkhervatting toen niet heeft plaatsgevonden;

– dat als onbetwist als vaststaand moet worden aangenomen, dat verzoekster in ieder geval vanaf 1 januari 1992 de functies van secretaresse van de Minister van Binnenlandse Zaken en van coördinatrice van vrouw en zaken niet meer daadwerkelijk heeft uitgeoefend en zij, naar zij zelf tijdens gemeld verhoor heeft verklaard, niet meer in aanmerking kwam voor de aan de uitoefening van gemelde functies verbonden toelage van 10% van haar bezoldiging, hetgeen moet worden geacht te zijn overeenkomstig aard en strekking van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van het Ambtenarenbezoldigingsbesluit 1976 en artikel 22 van de Personeelswet;

Overwegende, dat nu verzoekster vanaf 1 januari 1992 niet meer heeft gefunctioneerd als secretaresse van de Minister van Binnenlandse Zaken en als coördinatrice van vrouwenzaken, zij mitsdien geen aanspraak maakt op de toelage van 10% van haar bezoldiging ( zijnde 10% van f. 3.550,– of f. 355,–) en het het Hof ontgaat welk belang verzoekster heeft bij het onder a van het petitum gevorderde, zijnde de resolutie van 9 juli 1992 Bureau [nummer 2], waarbij tevens gelijktijdig buitenwerking werd gesteld de aan haar bij resolutie van 5 juni 1987 [nummer 3] toegekende toelage van 10% van verzoeksters bezoldiging ingaande 1 januari 1992 voor haar, anders dan verzoekster heeft gesteld, geen nadeel;

Overwegende, dat verzoekster dan ook zowel in het door haar sub a als sub b gevorderde, niet ontvankelijk dient te worden verklaard;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar vorderingen;

SRU-HvJ-1993-7

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 18 juni 1993
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, A.C. Veldema en E.S. Ombre).

[verzoeker], ambtenaar, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat no. 18 ten kantore van zijn gemachtigde, advokaat Mr. U.J. VAN DER VELDT, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Defensie, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de Gravenstraat no.52-54,voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. J.J. EMANUELSON, advokaat, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, waarin hij heeft gesteld:

1. Verzoeker wenst de navolgende rechtsvordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME (Ministerie van Defensie), in rechte vertegenwoordigd door de Edelgrootachtbare Heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 52-54, verweerder;

2. Verzoeker is per 1 oktober 1980 aangesteld in vaste dienst als Stafambtenaar A 1e klasse en tewerkgesteld op het Departement van Leger en Politie (thans: Departement van Defensie). Laatstelijk heeft hij aldaar gediend in de rang van Hoofdambtenaar A 2e klasse en wel te rekenen van 1 januari 1990.

E.e.a. moge blijken uit de aanstellingsresolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 14 juli 1987, Bureau [nummers 1], en de bevorderingsresolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 8 januari 1990, Bureau [nummers 2], welke in fotocopie worden overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan voor zoveel zakelijk van belang als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen;

3. Op 26 maart 1991 heeft verzoeker het schriftelijk verzoek gedaan om met toepassing van het bepaalde van artikel 69a, de leden 3 en 4 van de Personeelswet uit de Staatsdienst te worden ontslagen. Dit ontslag is hem met ingang van 1 februari 1992 eervol verleend. E.e.a. moge blijken uit de ontslagresolutie van de President van de Republiek Suriname de date 23 mei 1991, Bureau [nummers 3], welke in fotocopie wordt overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan voor zoveel zakelijk van belang als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen;

4. Vooruitlopend op zijn ontslag heeft verzoeker zijn verlof aangevraagd en verkregen, hetgeen moge blijken uit de brief van de Minister van Defensie de dato 8 maart 1991, [kenmerk 1] hetwelk eveneens met vorenbedoeld verzoek in fotocopie wordt overgelegd. Uit dit schrijven blijkt voorts, dat hem toestemming was verleend om gedurende het vakantie-verlof in dienst van derden te treden

5. Op 13 mel 1992 ontving verzoeker een schrijven van de Directeur van het Departement van Defensie, [kenmerk 2], waarin hem werd medegedeeld, dat om redenen als in dit schrijven uiteengezet en waarnaar verzoeker kortheidshalve moge verwijzen, de uitbetaling van zijn salaris is geblokkeerd. Verzoeker legt deze brief met bet vorenbedoeld verzoek in fotocopie over;

6. Verzoeker kan zich niet verenigen met het in laatstbedoeld schrijven vervat besluit en de gronden waarop dat besluit is genomen en wel om de navolgende redenen:

Een ontslag uit de Staatsdienst ingevolge het bepaalde van artikel 69a, de leden 3 en 4 van de Personeelswet geschiedt met behoud van salaris gedurende een tijdvak van ten hoogste achttien maanden. Uit de resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 23 mei 1991 blijkt, dat verzoeker te rekenen van de datum van ingang van zijn ontslag (1 februari 1992) aanspraak maakt op volledige uitbetaling van zijn bezoldiging over tenminste het tijdvak van 1 februari 1992 tot en met 31 juli 1992;

Kachtens het bepaalde van de artikelen 69a lid 4 en 76 lid 2 jo 30 lid 5 van de Personeelswet mag op het salaris van een landsdienaar, die met inachtneming van het bepaalde van artikel 69a lid 3 met ontslag is gegaan, slechts kortingen of inhoudingen worden gedaan, die in vorenbedoeld artikel 30, lid 5, limitatief zijn opgesomd. Inkortingen gelijk uit inkomsten uit andere hoofde verkregen, zijn in die limitatieve opsomming niet begrepen;

In tegenstelling tot hetgeen in het schrijven van de Directeur van Defensie de dato 13 mei j.l. volstrekt abusievelijk is gesteld en op grond van welke volstrekt abusievelijk reden het in dat schrijven vervatte besluit kennelijk is genomen, is op het salaris van de landsdienaar, die met inachtneming van artikel 69a, lid 3 met ontslag is gegaan, niet artikel 74 in zijn geheel doch slechts het vierde lid ervan van toepassing. Met name is niet van toepassing het derde lid van dit artikel, volgens welk lid inkorting kan plaatsvinden op wachtgeld bij het genieten van inkomsten uit andere bron.

7. Op grond van het vorenstaande is verzoeker mitsdien de overtuiging toegedaan, dat het besluit tot blokkering van zijn salaris, als vervat in eerder vermeld schrijven van de Directeur van Defensie de dato 13 mei 1992, [kenmerk 2] genomen in strijd met de wet, meer bijzonderlijk in strijd met het bepaalde van de artikelen 69a lid 4, 76 lid 2, 30 lid 5 en 74 lid 4 van de Personeelswet, subsidiair in strijd met het algemene beginsel van behoorlijk bestuur dat aan de beschikkende Overheid voorschrijft, dat de gronden waarop een besluit is genomen, dat besluit dienen te kunnen dragen. Ingevolge het bepaalde van het artikel 79, de leden 1 sub a. en 2 sub a. van de Personeelswet is het Hof bevoegd om van zijn op die overtuiging gegronde vordering kennis te nemen;

8. Gelet op het bepaalde van artikel 80, lid 1 sub b, van de Personeelswet is de onderhavige vordering tijdig ingesteld;

Ovenwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat het besluit van de Directeur van Defensie de dato 13 mei 1992, als vervat in diens schrijven per die datum, [kenmerk 2], nietig zal worden verklaard, kosten rechtens;

Overwegende, dat de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift heeft ingediend, waarin het navolgende als venweer wordt aangevoerd:

1. Blijkens de door verzoeker overgelegde produkties en bet door hem in het tweede, derde en vierde sustenu van zijn verzoekschrift de dato 18 mel 1992 gestelde, is naar het oordeel van verweerder aangetoond dat de verzoeker is gewezen ambtenaar in de zin van de Personeelswet;

2. De verweerder erkent voorts dat door verzoeker bij schrijven van 26 maart 1991 aan de Minister van Defensie het verzoek is gedaan om met toepassing van de leden 3 en 4 van artikel 69a van de Personeelswet uit Staatsdienst te worden ontslagen. In verband met een door de verzoeker eerder aangevraagd hem toekomende vakantieverlof voor de duur van 10 maanden, werd het gevraagde ontslag door de President van de Republiek Suriname bij resolutie van 23 mei 1991 [nummers 3 – variant] rekening houdend met het aangevraagde vakantieverlof, verleend met ingang van 1 februari 1992;

3. Bij zijn verzoek om vakantieverlof voor de duur van 10 maanden te mogen genieten, werd door verzoeker tevens het verzoek gedaan om gedurende dit verlof in dienst van derden te mogen treden, welk verzoek eveneens werd ingewilligd en de verzoeker trad gedurende het genot van dit vakantieverlof in dienst van een derde. Na afloop van dit vakantieverlof bleef verzoeker in dienst van deze derde en wel tegen een hogere maandelijkse financiële vergoeding dan het laatst door hem bij de Surinaamse Overheid genoten salaris. Verzoeker verlangt nu van de verweerder de voortzetting van de uitkering na het laatst door hem genoten salaris nadat zijn ontslag, overeenkomstig artikel 69a het 3de en 4de lid van de Personeelswet, aangezien hij, naar zijn oordeel meent daarop aanspraak te maken;

4. Bezien wij thans artikel 69a alsmede de toelichting op dit artikel van de Personeelswet. Ingevolge het decreet C 4A van 19 september 1983 (Stabl. no. 46) werd de Personeelswet met dit artikel aangevuld. In de toelichting op artikel 69a van de Personeelswet staat o.m. het volgende te lezen:”Teneinde het voor de ambtenaar, die het voornemen heeft zich ”particulier” te vestigen en aldus een bestaan op te bouwen, aantrekkelijk te maken om ook daadwerkelijk die stap te nemen, is bepaald dat gedurende ten hoogste 18 maanden na zijn ontslag hem het laatstelijk genoten salaris zal worden doorbetaald. Door deze regeling is de gewezen ambtenaar verzekerd van inkomsten gedurende de tijd die hij nodig heeft om een ”bedrijf” op te bouwen of anderszins zich van een bestaan te verzekeren. De uitkering kan natuurlijk eerder worden beëindigd ingeval de gewezen ambtenaar intussen andere inkomsten heeft weten te verwerven, dat van een redelijk handelende overheid niet mag worden verwacht om nog verder uitkeringen ten laste van de Staat te doen”. Dit Decreet alsmede zijn toelichting worden hierbij overgelegd, met verzoek de inhoud hiervan als hier woordelijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen;

5. De bedoeling van de bepalingen van artikel 69a van de Personeelswet is duidelijk. De wetgever wenst met deze bepalingen twee doelen na te streven en te bereiken.

I. Sanering en inkrimping van het Overheidsapparaat en verwezenlijking van de doelstelling van de ambtenaar om ”particulier” een eigen bestaan op te bouwen. Afhankelijk van de omstandigheden zal doorbetaling van de ontslagen ambtenaar van het laatstgenoten salaris plaatsvinden tot ten hoogste 18 maanden. Wordt, zoals in het onderhavige geval, door de ontslagen ambtenaar geen ernstige pogingen gedaan om zelfstandig (particulier) een bestaan op te bouwen, dan kan de uitkering eerder worden beëindigd;

6. Artikel 69a van de Personeelswet heeft geenszins de bedoeling om een ambtenaar, die op grond van de leden 3 en 4 van dit artikel de Overheidsdienst met ontslag heeft verlaten en in dienst treedt van een willekeurige derde gedurende 18 maanden en zelfs niet gedurende enige tijd een uitkering van het laatst genoten salaris te garanderen. De regeling geldt uitsluitend voor degenen die zelfstandig een bedrijf/beroep wensen op te bouwen c.q. uit te oefenen;

Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

– dat de verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans en in ieder geval hem zijn vordering zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen, met veroordeling in de kosten van het geding;

Overwegende, dat ten dage voor verhoor van partijen bepaald zijn verschenen verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr. U.J. VAN DER VELDT, advokaat Mr. J.J. EMANUELSON, gemachtigde van verweerder en heer H.H. HAIME, algemeen-Directeur van Defensie, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker ten dage voor repliek pleidooi peremptoir bepaald gepersisteerd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is (geweest) in de zin van de Personeelswet (P.W.);

Overwegende, dat het Hof aanstonds vaststelt, dat hij niet bevoegd is van verzoekers vordering kennis te nemen;

– dat toch artikel· 79 van de Personeelswet de bevoegdheid van het Hof regelt over welke besluiten hij mag oordelen en welke besluiten voor nietig-verklaring in aanmerking komen (vide lid 1 en lid 2 artikel 79 P.W.);

– dat artikel 79 lid 2 sub a spreekt van besluiten betreffende: salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeid;

– dat verzoekers vordering betreft nietigverklaring van een besluit tot blokkering ”salaris”;

– dat in casu evenwel niet gezegd kan wordcn dat verzoeker aanspraak maakt op een bedrag uit hoofde van dienstverband;

verzoekers dienstverband is immers geëindigd door ontslag;

Overwegende, dat naar ’s Hovcn oordeel artikel 69a lid 4 van het Decreet C 4a alsvolgt dient te worden gelezen:

”……………………… een bedrag gelijk aan het laatstelijk genoten salaris”, hetgeen impliceert, dat van ”salaris” i.c. gecn sprake is;

Ovenwegende voorts, dat overigens ook artikel 74 lid 3 van de Personeelswet i.c. niet toepasselijk is;

– dat in de resolutie van 23 Inei 1991 Bureau [nummers 3] slechts wordt verwezen naar de definitie in artikel 74 lid 4 van de Personeelswet (” …………… zoals bedoeld …………..”), zonder dat hiermee wordt aangegeven, dat overige bepalingen van artikel 74 van de Personeelswet van toepassing zijn;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen van de Personeelswet;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart zich onbevoegd van de vordering van verzoeker kennis te nemen;

SRU-HvJ-1993-6

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 2 juli 1993
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. Von Niesewand en E.S. Ombre).

[verzoeker], wonende aan [adres], [plantage] in [district], advokaat Mr. Y.V. VAN TRIGT, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME (Ministerie van Economische Zaken) rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 3, advokaat Mr. J.J. EMANUELSON, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 7 februari 1992 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzend naar en overnemend hetgeen bereids in’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts:

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr. Y.V. VAN TRIGT, advokaat Mr. J.J. EMANUELSON, gemachtigde van verweerder en de heer E.J. VAN DER SAN, Waamemend Direkteur van Binnenlandse Zaken, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker hierna een akte behorende bij het verzoekschrift en produktie heeft overgelegd, waarvan de inhoud, alsmede van de overgelegde produktie hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder vervolgens een antwoord akte heeft overgelegd, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast wordt beschouwd;

Overwegende, dat het Hof tenslotte vonnis in de zaak, aanvankelijk, had bepaald op 14 augustus 1992, doch na dit enige malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij zijn interlocutoir vonnis, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 7 februari 1992;

Overwegende, dat het in de rechtsoverwegingen van gemeld interlocutoir vonnis, geconstateerd schikkingsstadium waarin partijen alstoen verkeerden niet tot een minnelijke schikking tussen partijen heeft geleid, hebbende verweerder een op 8 april 1992 Bureau [nummers] gedagtekende resolutie ten aanzien van verzoeker doen uitgaan, waarmee de verzoeker zich niet kan verenigen;

– hebbende verzoeker het door hem ingediend verzoekschrift in zijn totaliteit gehandhaafd;

Overwegende met betrekking tot de thans ontstane rechtspositie van verzoeker en de daarmede verbandhoudende desiderata:

– dat naar luid van artikel 22 lid 5 van de Personeelwet (P.W.) wordt een landsdienaar zodra hij gedurende meer dan een jaar in totaal een definitief opengevallen functie heeft waargenomen en hij aan de wettelijke eisen van benoembaarheid daarin voldoet, geacht stilzwijgend in die functie te zijn benoemd;

– dat niet kan worden ontkend, dat voor het stilzwijgend benoemd geacht worden, een aantal voorwaarden moet zijn vervuld;

– de eerste is, dat de betrokken ambtenaar door of vanwege het bevoegde gezag met de waarneming van de functie moet zijn belast;

– dat dat in casu is geschied, blijkt uit het schrijven van 14 november 1989 van de Minister van Economische Zaken, waarbij de functie van Hoofd van de Afdeling Post- en Archiefzaken, te rekenen van 7 september 1989 werd waargenomen door het Onderhoofd daarvan, .i.c. verzoeker;

– dat zij opgemerkt, dat .het belasten van een ambtenaar met de waarneming van een hogere, in casu leidinggevende taak door de hoogste functionaris van een ministerie, verwachtingen wekt en impliceert, dat de daarvoor vereiste formaliteiten zijn vervuld, dan wel zullen worden vervuld;

– dat het achterwege laten daarvan, zonder aan verzoeker mede te delen, dat aan zijn taakvervulling een vormfout kleeft, die het intreden van wettelijk geregelde voordelen in de weg staat, in strijd is met in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur, dat eist, dat de andere partij – i.c. de ambtenaar – eerlijk wordt behandeld;

Overwegende, dat nu geen argument voor het tegendeel is aangevoerd, moet worden aangenomen, dat ook de andere voorwaarden in deze, te weten, het definitief opengevallen zijn der waargenomen functie en het voldoen van verzoeker aan de wettelijke eisen van benoembaarheid, zijn vervuld;

Overwegende, dat verzoeker dan ook moet worden geacht met ingang van 7 september 1990, een jaar nu zijn waarneming op 7 september 1989, stilzwijgend te zijn benoemd tot Hoofd van de Afdeling Post- en Archiefzaken;

– dat hieraan de (veel) latere benoeming van een andere functionaris op het Ministerie van Economische Zaken in de functie van Hoofd van de Afdeling Post- en Archiefzaken, hoegenaamd geen afbreuk kan doen;

Overwegende, dat de resolutie van 8 april 1992 Bureau [nummers], geenszins tot gevolg heeft, dat verzoeker geen belang meer zou hebben bij zijn vordering, blijkende immers uit gemelde resolutie, dat verzoeker te rekenen van 7 september 1989 is bevorderd tot stafambtenaar 3e klasse, schaal 13 (ƒ1.334,– – ƒ1.613,–), belast met de functie van Hoofd van de Afdeling Post- en Archiefzaken, hetgeen de iure niet gelijke is te stellen met het (geacht worden stilzwijgend) te zijn benoemd tot Hoofd van de Afdeling Post- en Archiefzaken;

Overwegende, dat het dictum van ’s Hofs vonnis dan ook als na te melden dient te luiden:

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen van de Personeelswet;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Gelast verweerder om de benoeming en het salaris van verzoeker te doen geschieden als Hoofd van de Afdeling Post- en Archiefzaken van het Ministerie van thans Handel en Industrie, volgens het bepaalde in artikel 22 lid 5 van de Personeelswet, en wel te rekenen van 7 september 1990, overeenkomstig schaal 13 der salarisregeling;

Bepaalt, dat verzoeker een dwangsom van ƒ 250,– (TWEEHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) per dag zal verbeuren, te betalen aan verzoeker voor elke dag dat hij binnen DRIE MAANDEN na dagtekening van dit vonnis, in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen;

Wijst af het meer of anders gevorderde.

SRU-HvJ-1993-5

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 2 juli 1993
(Mrs. R.E.Th.Oosterling, A.C.Veldema en E.S.Ombre)

[verzoekster], echtgenote van [naam], wonende in [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo, aan de Watermolenstraat no. 36 beneden ten kantore van de advokaten Mr. E.C.M. HOOPLOT en Mr. J.G. BOETIUS, van wie als haar gemachtigde optreedt, Mr. E.C.M. HOOPLOT, verzoekster,

tegen

DE STAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no.52-54, Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, advokaat Mr. Y.V. VAN TRIGT, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster], echtgenote van [naam] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, waarin zij heeft gesteld:

1. Verzoekster wenst de navolgende vordering in te stellen tegen:

DE STAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 52-54 te Paramaribo;

2. Verzoekster is ambtenaar in de zin van de Personeelswet en als leerkracht verbonden aan de Openbare Muloschool te [adres], werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling;

3. Bij schrijven van 19 mei 1992 heeft verzoekster ingevolge artikel 69a lid 3 van de Personeelswet de wens te kennen gegeven ingaande 1 oktober daaraanvolgend haar ontslag wegens sanering van Staatsdienst te verlenen. Verzoekster heeft daarbij een bedrijfsplan en ander materiaal van het door haar op te zetten garnalenverwerkingsbedrijf ingediend;

4. De directeur van Onderwijs heeft namens de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling bij schrijven d.d. 5 oktober 1992 verzoekster medegedeeld, dat haar verzoek niet kan worden ingewilligd aangezien de categorie leerkrachten waartoe verzoekster behoort, niet behoeft te worden (weg) gesaneerd;

5. Voormeld besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling, zoals vervat in het schrijven van de directeur van Onderwijs is in strijd met de wet alsook met de beginselen van behoorlijk bestuur en wel om de volgende redenen:

– de afwijzing van het verzoek is in strijd met artikel 69a lid 3 van de Personeelswet aangezien uit het besluit niet blijkt dat de Raad van Ministers of een door deze aan te wijzen orgaan over het verzoek heeft geoordeeld. Immers is in de toelichting van voornoemd artikel aangegeven dat de beslissing aan het oordeel van de Raad van Ministers is overgelaten teneinde een adequate uitvoering te verzekeren;

– voorts blijkt uit het genomen besluit tot afwijzing dat slechts gelet is op de belang van de dienst. De haalbaarheid van de plannen van verzoekster en haar persoonlijke mogelijkheden om de plannen tot een succes te maken zijn bij het vormen van het oordeel niet in ovenweging genomen:

– bovendien is voormeld besluit zoals vervat in het schrijven van 5 oktober 1992 tardief aangezien het verzoek dateert van 19 mei 1992 en verzoekster de wens te kennen heeft gegeven om ingaande 1 oktober 1992 met ontslag te gaan. Het besluit is in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur met name het beginsel van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel. Ervan uitgaande dat haar verzoek stilzwijgend was gehonoreerd, heeft verzoekster de werkzaamheden als leerkracht na de schoolvakantie niet hervat en heeft zich toegelegd op de actualisering van de plannen tot het stichten van een eigen bedrijf. Zij mocht erop vertrouwen dat aan haar het aangevraagde ontslag geheel in de geest en strekking van artikel 69a lid 3 van de Personeelswet was verleend m.i.v. 1 oktober 1992 danwel de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin het verzoek is binnengekomen;

6. Met toepassing van artikel 69a lid 4 van de Personeelswet is verzoekster danook gerechtigd tot toekenning van het laatstelijk genoten salaris gedurende een tijdvak van ten hoogste 18 maanden na haar ontslag;

7. Verzoekster is op grond van het vorenstaande gerechtigd als na te melden te vorderen.

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

– dat bij vonnis;

A: PRIMAIR: voor recht zal worden verklaard dat het besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling zoals vervat in het schrijven van de directeur van Onderwijs d.d. 5 oktober 1992 is non existen;

SUBSIDIAIR: nietig zal worden verklaard, althans zal worden vernietigd het besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling zoals vervat in het schrijven van de directeur van Onderwijs d.d. 5 oktober 1992;

B: PRIMAIR: verweerder zal worden veroordeeld om aan verzoekster ingevolge artikel 69a lid 3 van de Personeelswet te rekenen van 1 oktober 1992 danwel de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin het verzoek is binnengekomen, eervol ontslag uit staatsdienst te verlenen onder toekenning van haar laatstelijk genoten salaris gedurende een tijdvak van ten hoogste 18 maanden na haar ontslag e.e.a. onder verbeurte van een dwangsom van f. 25.000,– voor iedere dag of keer dat gedaagde in strijd met voormelde veroordeling handelt;

SUBSIDIAIR: verweerder zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van f. 25.000,– voor iedere dag dat hij in gebreke blijft het besluit conform het bepaalde in artikel 69a lid 3 van de Personeelswet te nemen, alsmede om gedurende een periode van 18 maanden vanaf haar ontslag, maandelijks op de gebruikelijke wijze aan verzoekster haar bezoldiging uit te keren, kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijk gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

1. Dat hij ontkent en betwist al hetgeen in het navolgende niet uitdrukkelijk door hem wordt erkend onder aanbod van bewijs zijner stellingen door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen.

2. Dat bij verzoekschrift ingekomen ter Griffie van het Hof op 3 november 1992 verzoekster als ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet bij het Hof een vordering aanhangig heeft gemaakt tegen de Staat Suriname met name het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, verweerder, omvattende (citaat):

”A: PRIMAIR: voor recht te verklaren dat het besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling zoals vervat in het schrijven van de directeur van Onderwijs d.d. 5 oktober 1992 is non existent.

SUBSIDIAIR: voor nietig te verklaren althans te vernietigen het besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling zoals vervat in het schrijven van de directeur van Onderwijs d.d. 5 oktober 1992.

B: PRIMAIR: verweerder te veroordelen om aan verzoekster ingevolge artikel 69a lid 3 van de personeelswet te rekenen van 1 oktober 1992 danwel de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin het verzoek is binnengekomen, eervol ontslag uit Staatsdienst te verlenen onder toekenning van haar laatstelijk genoten salaris gedurende een tijdvak van ten hoogste 18 maanden na haar ontslag e.e.a. onder verbeurte van een dwangsom van f. 25.000,– voor iedere dag of keer dat gedaagde in strijd met voormelde veroordeling handelt.

SUBSIDIAIR: Verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van f. 25.000,– voor iedere dag dat hij in gebreke blijft het besluit conform het bepaalde in artikel 69a lid 3 van de Personeelswet te nemen, alsmede om gedurende een periode van 18 maanden vanaf haar ontslag, maandelijks op de gebruikelijke wijze aan verzoekster haar bezoldiging uit te keren” (einde citaat).

3. Met nadruk wijst verweerder op artikel 79 tweede lid van de personeelswet houdende een limitatieve opsomming van de besluiten die vatbaar zijn voor vernietiging door het Hof.

Het Hof is op grond van het hiervoren gestelde onbevoegd kennis te nemen van de vordering als genoemd in het petitum.

4. Het gestelde in het 3e ”dat” van artikel 69a lid 3 is niet een op zichzelf staande, doch dient in samenhang met het 1ste lid van dit artikel te worden gelezen.

5. Genoemd artikel geeft duidelijk de gronden van de ontslagverlening aan en wel reorganisatie, inkrimping en sanering.

Dit ontslag kan:

a. ambtshalve door de President (lid 1) als wel

b. op schriftelijk verzoek van de landsdienaar (lid 2) worden verleend.

6. Verweerder acht het noodzakelijk te wijzen op de twee essentialia in het artikel:

a. het algemeen belang moet er mee gediend zijn en

b. er moet sprake zijn van sanering, reorganisatie, inkrimping.

Voorts wordt er met nadruk gewezen op het woordje ”KAN” hetgeen inhoudt dat de ontslagverlening niet verplichtend gesteld is.

7. Het is juist dat bij schrijven d.d. 5 oktober 1992 verweerder verzoekster mededeelde dat haar verzoek niet kan worden ingewilligd, aangezien de categorie leerkrachten waartoe zij, verzoekster, behoort, niet behoeft te worden gesaneerd.

Verzoekster die in het bezit is van de hoofdakte, verzorgt lessen in het vak Nederlands op de Openbare Muloschool te [adres]. Het is een notoir feit dat er een nijpend tekort is aan onderwijzers, met de onderwijzers- en hoofdakte bevoegdheid in het algemeen en aan onderwijzers die het vak Nederlands verzorgen.

Dit tekort aan leraressen Nederlandse taal doet zich ook op middelbaar niveau gevoelen met als consequentie dat het regelmatig voorkomt dat deze krachten van het Mulo-niveau worden onttrokken en op het middelbaarniveau worden tewerk gesteld.

Op grond hiervan werd reeds in 1991 besloten om in verband met de kritische situatie waarin de leerkrachten-voorziening is komen te verkeren, dat niet langer bevorderd zou worden dat deze categorie van landsdienaren en met hen gelijk gestelden in aanmerking worden gebracht voor de regeling als vervat in artikel 69a van de Personeelswet.

Een uitzondering op het hierboven gestelde werd door de Minister gemaakt voor de categorie van Onderwijzeressen-A. Als produkties worden hierbij overgelegd een fotocopie van het schrijven van de directeur van Onderwijs van 22 april 1991 aan de onder-Directeur van de Hoofdafdeling Onderwijs en van 27 juli 1992 van de directeur van Onderwijs aan de onder-Directeur van de Hoofdafdeling, met verzoek aan U, E.A. de inhoud hierbij als letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen (zie prod. no. 1 en 2).

8. Het door verzoekster in het 5e ”dat” van haar inleidend rekest gestelde, dat het besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling als vervat in het schrijven van de directeur in strijd is met de wet alsook met de beginselen van behoorlijk bestuur alsmede de door haar aangehaalde gronden ter staving van haar stelling is reeds op grond van het hiervoren onder het 7e ”dat” gestelde pertinent onjuist.

De motivering:

a. dat het besluit in strijd is met artikel 69a lid 3 van de Personeelswet aangezien niet blijkt dat de Raad van Ministers danwel een aan te wijzen orgaan over het verzoek heeft geoordeeld, is van elke grond ontbloot. In lid 3 is duidelijk gesteld dat de ontslagverlening wegens sanering na goedkeuring door de Raad van Ministers of een door deze aan te wijzen orgaan wordt beoordeeld. In casu is er absoluut geen sprake van ontslagverlening.

b. dat er slechts gelet is op het algemeen belang van de dienst en niet op de haalbaarheid der plannen is juist. Zoals eerder gesteld is een der essentialia voor de ontslagverlening het algemeen belang. Trouwens had verzoekster kunnen weten dat haar verzoek niet zou worden ingewilligd, aangezien het schrijven van de directeur van Onderwijs dateert van 1991. In genoemd schrijven deed de directeur het verzoek de leerkrachten op de hoogte te brengen van de gewijzigde situatie, waardoor de afvloeiingsregeling niet langer kan worden toegepast.

Dit om eventuele teleurstellingen te voorkomen. Verwezen wordt naar de laatste alinea van genoemd schrijven. In alle redelijkheid kan verzoekster niet van verweerder verwachten dat deze zich gaat verdiepen in haalbaarheid van geëntameerde projekten van partikulieren, burgers. Bovendien stelt verzoekster in haar schrijven aan gedaagde zelf (citaat):

”Als bijlage vindt U een fotokopie van haar produkt dat binnenkort op de Surinaamse markt proffesioneler dan nu het geval is, zal worden geïntroduceerd” (einde citaat). Als produktie wordt hierbij overgelegd een fotokopie van het schrijven van verzoekster van 19 mei 1992 aan de directeur van Onderwijs en Volksontwikkeling, met verzoek aan U, E.A. de inhoud hierbij als letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen (zie prod. no. 3).

c. voormeld besluit is volgens verzoekster tardief aangezien het schrijven van 19 mei 1992 dateert en het besluit van 5 oktober 1992 en verzoekster de wens te kennen had gegeven om ingaande 1 oktober 1992 met ontslag te gaan. Deze stelling van verzoekster is pertinent onjuist. Ingevolge artikel 98, tweede lid wordt een orgaan geacht een besluit te hebben genomen indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist. Verweerster heeft terdege rekening gehouden met de gestelde wettelijke termijn van 6 (zes) maanden getuige de datum van het verzoekschrift 19 mei 1992 en de datum van het besluit 5 oktober 1992. De houding van verzoekster aan te nemen dat het verzoek stilzwijgend was gehonoreerd is op grond van al het vorenstaande onjuist. Verzoekster had de verplichting te informeren bij verweerder of haar verzoek zou worden ingewilligd. Gelet op de eerder genoemde brieven had zij niet het recht er op te vertrouwen dat het gevraagde ontslag zou worden verleend op basis van artikel 69a lid 3. Uit de hele houding van verzoekster blijkt dat zij zeer zelfzuchtig, egoistisch is, alles moet gaan zoals zij verzoekster haar plannen heeft uitgestippeld. Verzoekster heeft door haar werkzaamheden op 1 oktober 1992 NIET te hervatten wanprestatie gepleegd jegens verweerder.

9. Uit het vorenstaande blijkt dat verweerder geenszins gehandeld heeft in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en is het gestelde onder punt 6 van haar verzoekschrift danook absurd.

Op grond van het voorgaande is verweerder danook van oordeel dat voor het gevorderde geen grond bestaat;

Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

– dat verzoekster in haar vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze aan haar zal worden ontzegd alszijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 2 december 1992 in Raadkamer zijn verschenen, verzoekster in persoon, advokaat Mr. H.E. Struiken namens advokaat Mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van verzoekster, advokaat Mr. Y.V. van Trigt, gemachtigde van verweerder en de heer B.L. Tjin Liep Shie, onder-Directeur van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling namens verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – procesverbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verweerder ten dage voor dupliek pleidooi bepaald, gepersisteerd en vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 18 juni 1993, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet (P.W.), en tijdig – zijnde het tegendeel noch gesteld noch gebleken – het Ambtenarengerecht heeft geadieerd;

Overwegende m.b.t. verzoeksters vorderingen onder A:

ad primair:

– dat verzoekster i.c. een ”declaratoir” van het Hof als Ambtenarengerecht verzoekt;

– dat het Hof daartoe onbevoegd is, gevende artikel 79 van de Personeelswet het Hof die bevoegdheid niet;

ad subsidiair:

– dat het Hof ook in dit onderdeel van verzoeksters vordering onbevoegd is te oordelen;

immers geeft artikel 79 lid 2 van de Personeelswet, in het bijzonder het onderdeel e daarvan aan, dat o.a. een besluit tot ontslagverlening door het Hof, voor nietigverklaring vatbaar is (vide art. 69a en 69 lid 2 P.W.);

Overwegende, dat nu het schrijven van de directeur van Onderwijs van 5 november 1992 [nummer], naar ’s Hoven oordeel, zulk een besluit niet inhoudt, is het Hof, gelijk hierboven bereids aangehaald, onbevoegd daarover te oordelen; Overwegende m.b.t. verzoeksters vorderingen onder B:

– dat naar ’s Hoven oordeel, geen verschil valt te constateren tussen het primair en het subsidiair aldaar gevorderde;

– dat het den Hove blijkt, dat de grondslag van verzoeksters vorderingen onder B, het vertrouwensbeginsel is;

Overwegende te dien aanzien, dat het den hove ontgaat, waarom verzoekster er op mocht vertrouwen, dat haar verzoek was ingewilligd;

– dat naar ’sHoven oordeel, verzoeksters rekest op dit punt niet duidelijk is; verzocht was ontslag per 1 oktober 1992 en het schrijven (besluit) van de direkteur van Onderwijs d.d. 5 oktober 1992 is aan verzoekster dus na verstrijking van de gewenste ontslagdatum, medegedeeld;

– dat naar ’s Hoven oordeel, artikel 69a lid 3 van de Personeelswet geen tijdstip vermeldt met ingang waarvan het ontslag moet worden verleend, waarbij nog zij vermeld, dat die bepaling spreekt van ”KAN”;

– dat i.c. mitsdien sprake is van een bevoegdheid van de Staat;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, de Personeelswet geen regeling bezit voor de datum (het tijdstip) waarop of tegen waarbinnen op een verzoek als waarvan hier sprake is, moet worden beslist;

– dat het enkele verstrijken van de gevraagde datum van ontslag onvoldoende wordt geacht, om de hierboven aangehaalde verwachting bij verzoekster te wekken; Overwegende, dat verzoeksters vorderingen sub B (primair als subsidiair) als ongegrond dienen te worden afgewezen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

I Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van en te oordelen over verzoeksters vorderingen sub A, zowel primair als subsidiair;

II. Wijst verzoeksters vorderingen sub B, zowel primair als subsidiair, als ongegrond af;

SRU-HvJ-1999-29

M.R.S. GENERALE ROL No. 14002.

DE STICHTING VOOR DE ONTWIKKELING VAN MACHINALE LANDBOUW IN SURINAME (S.M.L.) rechtspersoon, kantoorhoudende aan de Anton Dragtenweg no.21 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat,
appellante,

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres] te [woonplaats] in [distrikt], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.B.G.BECKLES, advokaat,
geïntimeerde,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit;
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 14 maart 1995 en 10 juni 1997 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 23 juni 1997, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. Eiser wenst de navolgende vordering in te stellen tegen de STICHTING voor de ONTWIKKELING van MACHINALE LANDBOUW in SURINAME (S.M.L.) rechtspersoon, kantoorhoudende aan de Anton Dragtenweg no.21 te Paramaribo, gedaagde;

2. Op 28 oktober 1993 stond de FUCHS graafmachine van eiser na eerder werkzaamheden te hebben verricht vanwege een defect op de aanvoerdam van areaal P76 tussen kavel 4 en kavel 5.

3. Een der werknemers van gedaagde, t.w. koppelbaas [naam 1] moest in opdracht van een andere baas, areaal P76/77 in brand steken, hetgeen gebruikelijk is na de oogst, waarna er water getrokken zou worden voor de natte bewerking.

4. Voormelde medewerker heeft de arealen in brand gestoken en het zaakje geruime tijd in de gaten gehouden om tegen 16.00 uur zich te verwijderen van de locatie.

5. Het blijkt dat voormelde medewerker van gedaagde zich niet goed vergewist heeft van de mogelijkheid dat het vuur weer kon oplaaien en overslaan van de slootrand van kavel 5 vak 2 naar de machine van eiser die volledig afbrandde. Weshalve heeft hij niet de nodige zorgvuldigheid betracht jegens het goed van een ander.
Gedaagde is volledig aansprakelijk voor de onrechtmatige daad van zijn medewerker.

6. Uit de opgemaakte rapporten van zowel de meerdere van deze werknemer en van de politie blijkt dat de machine helemaal verbrand is en de schade enorm.

7. Eiser heeft op verschillende manieren getracht met gedaagde deze zaak in den minne af te wikkelen terwijl ook zijn raadsman zich schriftelijk gewend heeft tot gedaagde, echter zonder enig resultaat;

8. Eiser lijdt door deze handelwijze van gedaagde enorme schade, vermits hij zijn machine heeft verloren en hij inkomsten uit arbeid met de machine heeft moeten derven vanaf november 1993 tot heden.

9. De schade, welke eiser lijdt door het verlies van zijn graafmachine, bedraagt ruim Nf.52.000,– (NED.COURANT TWEE EN VIJFTIG DUIZEND GULDEN) terwijl hij aan inkomsten heeft moeten derven het bedrag voorlopig begroot op Sf.1.200.000,– (EENMILJOEN EN TWEEHONDERDDUIZEND GULDEN). Dit alles met gedaagde’s schuld daaraan althans door toedoen van diens werknemer;

10. Eiser heeft vernomen dat gedaagde om de economische situatie het hoofd te bieden doende is haar roerende goederen te vervreemden, weshalve er gegronde vrees voor verduistering bestaat, terwijl ook de roep om privatisering van het bedrijf luider wordt.

11. Dat,
a. De SURINAAMSCHE BANK N.V. gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 26-28;
b. De HAKRINBANK N.V. gevestigd en kantoorhoudende aan de Dr.S.Redmondstraat no. 11-13;
c. De LANDBOUWBANK N.V. gevestigd en kantoorhoudende aan de Lim A Postraat no. 34, te Paramaribo, gelden, geldswaarden en/of goederen van gedaagde onder zich hebben en/of zullen verkrijgen;

12. Door eiser is na daartoe van de Kantonrechter verkregen verlof bij exploit van de deurwaarder T.Jhagroe d.d. 9 juni 1994, no. 352 CONSERVATOIR DERDEN BESLAG gelegd onder enkele Banken, welk Beslag op 9 juni 1994 bij exploit no. 361 is betekend aan gedaagde;

13. Voormeld Beslag dient te worden van waarde verklaard;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;
dat bij vonnis voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:
a. gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van
Nf. 52.000,– (NED.COURANT TWEE EN VIJFTIGDUIZEND GULDEN) zijnde de schade geleden door het verlies van zijn graafmachine;

b. de schade met rente en kosten door eiser geleden en alsnog te lijden tengevolge van inkomstenderving met de schuld van gedaagde daaraan althans diens werknemer, vanaf november 1993 tot aan de dag der algehele voldoening welke schade nader zal worden opgemaakt bij staat en zal worden vereffend ingevolge de wet;
Van waarde zal worden verklaard het ten deze gelegde beslag, Kosten rechtens;
Overwegende, dat de Stichting voor de Ontwikkeling van Machinale Landbouw in Suriname (S.M.L.) als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van produkties – welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd;
dat de eiser zijn vordering zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen althans hem in deze niet ontvankelijk te verklaren;
Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van eiser tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 14 maart 1995 op de daarin opgenomen gronden:
Gedaagde heeft toegelaten haar zover nodig ambtshalve heeft bevolen om door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen: ”dat die [naam 1] niet in dienstbetrekking tot haar stond.”
en iedere verdere uitspraak heeft aangehouden.
Overwegende, dat bij de door de Kantonrechter bevolen en gehouden enquête zijdens gedaagde, gedaagde 3 getuigen heeft doen horen waarbij die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat ten dage bepaald voor conclusie na gehouden enquete zijdens gedaagde casu quo dagbepaling contra-enquête zijdens eiser de gemachtigde van gedaagde onder overlegging van produkties een hier als geinsereerd aan te werken schriftelijke conclusie heeft genomen;
Overwegende, dat bij de door de Kantonrechter bij rolbeschikking bevolen contra-enquête zijdens eiser, diens gemachtigde heeft afgezien van contra-enquête;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 10 juni 1997 op de daarin opgenomen gronden:
A. gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van Nf.52.000,– (TWEE EN VIJFTIGDUIZEND GULDEN NEDERLANDS COURANT) zijnde de schade geleden door het verlies van zijn graafmachine;
Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;
B. gedaagde voorts heeft veroordeeld om de schade door eiser geleden en alsnog te lijden met de schuld van gedaagde daaraan althans diens werknemer vanaf november 1993 tot aan de dag der algehele voldoening op te maken bij Staat en zal worden vereffend ingevolge de Wet.
de van waarde verklaring van het door deurwaarder Tj.JHAGROE gelegd conservatoir derden beslag d.d. 9 juni 1994 onder no. 352 heeft geweigerd;
gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.1784,50;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal de Stichting voor de Ontwikkeling van Machinale Landbouw in Suriname (S.M.L.) in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 10 juni 1997;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL van 17 oktober 1997 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van geintimeerde bij antwoord pleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient worden beschouwd;
Overwegende, dat partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 20 november 1998, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het hoger beroep tijdig is ingesteld;
Overwegende, dat appellante twee grieven heeft opgeworpen, welke, zakelijk weergegeven, als volgt luiden:
1. dat niet de Kantonrechter in het Eerste Kanton maar die in het Derde Kanton bevoegd is van de vordering kennis te nemen, omdat appellante haar hoofdzetel heeft te [woonplaats] aan [adres] in [district];
2. dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen en beslist dat hij de geintimeerde door de aan zijn zijde gehoorde getuigen geslaagd achtte in het aan hem opgedragen bewijs;
Overwegende, dat geintimeerde met betrekking tot grief 1 heeft aangevoerd dat, volgens de heersende leer, na het antwoord en dus ook niet in hoger beroep nog excepties zoals het verweer in grief 2 te berde mogen worden gebracht;
Overwegende, dat de voor het eerst in hoger beroep door appellante opgeworpen exceptie van onbevoegdheid ingevolge het bepaalde in artikel 120 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als vervallen moet worden aangemerkt en grief 1 derhalve faalt;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij diens tussenvonnis van 14 maart 1995 aan gedaagde- thans-appellante te bewijzen heeft opgedragen dat [naam 1] (lees: [naam 1]) niet in dienstbetrekking tot haar stond;
Overwegende, dat appellante dan ook terecht aanvoert dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij eiser- thans- geintimeerde geslaagd achtte in het opgedragen bewijs;
Overwegende, dat uit de gedingstukken blijkt dat bovenvermelde bewijsopdracht aan gedaagde- thans- appellante is verstrekt in verband met de tussen partijen gerezen vraag of, zoals geintimeerde aan zijn vordering ten grondslag had gelegd en appellante betwistte, bovengenoemde [naam 1] op of omstreeks 28 oktober 1993 ”werknemer” was van appellante;
Overwegende, dat appellanten drie getuigen heeft voorgebracht, waaronder genoemde [naam 1];
Overwegende, dat de [naam 2] en [naam 3], zakelijk weergegeven, hebben verklaard dat laatstgenoemde tot en met het jaar 1983 in dienst was van appellante en sinds 1984 als contractor werkzaamheden voor appellante verricht;
Overwegende, dat uit de verklaring van de [naam 2] is te putten dat [naam 1] op of omstreeks 28 oktober 1993 als contractor werkzaamheden voor appellante uitvoerde;
Overwegende, dat deze verklaringen niet zijn ontzenuwd en appellante dan ook terecht van mening is dat zij geslaagd is in het aan haar opgedragen bewijs;
Overwegende, dat grief 2 derhalve slaagt en het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd, met ontzegging van geintimeerde’s vordering;
Overwegende, dat geintimeerde als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden verwezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, tussen partijen gewezen en op 10 juni 1997 uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Ontzegt aan geintimeerde zijn vordering.
Veroordeelt hem in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van appellante gevallen en tot dusver begroot op f………….
met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van f…….
bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geintimeerde eveneens op f…….

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 19 FEBRUARI 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.BOLDEWIJN namens haar gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN en geïntimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.K.J.BRANDON namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.B.G.BECKLES zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-28

M.H. GENE­RALE ROL NO: 14038.

[appellant], wonende in [distrikt 1] aan de
[adres 1], ten deze domicilie kiezen­de te Paramaribo aan de Watermolenstraat no.36 ben., ten kantore van advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat,
appellant in Kort Geding,

tegen

1. [geintimeerde], wonende in [distrikt 2] te [adres 2].
2. LANDBOUWLUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ SKY FARMERS N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Kwattaweg no.254, door wie tot hun beider gemachtigde is gesteld, Mr.P.E.Bemmel, advokaat,

geinti­meerden in Kort Geding,
De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kanton­rechter in het Eerste Kanton van 16 januari 1997 tussen partijen gewe­zen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 24 januari 1997, waaruit blijkt van het in­stel­len van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:
1. Eiser wenst de navolgende vordering in Kort Geding in te stellen tegen: [geintimeerde], wonende in [distrikt 2] te [adres 2].
B. LANDBOUWLUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ SKY FARMERS N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Kwattaweg no.254;

2. Eiser is voor een onverdeeld aandeel gerechtigd in het erfpachtsrecht en oefent met toestemming van de overige deelgerechtigden de landbouw uit op het per­ceelland gelegen in [distrikt 1] aan [adres 1];

3. Dit perceel is evenals de aangrenzende percelen indertijd door de Overheid aan de rechthebbenden in erfpacht afgestaan voor de uitoefening van de landbouw van droge gewassen, terwijl betrokkenen niet bevoegd zijn om zonder vooraf verkregen toestemming van de Overheid de bestemming der percelen te wijzigen;

4. Gedaagde sub a verbouwt desondanks op het aller­naast het perceel van eiser gelegen perceel aan [adres] bekend als [nummer 1] natte gewassen te weten rijst;

5. Op of omstreeks 20 maart 1996, in ieder geval in de maand maart 1996 heeft gedaagde sub B in opdracht, althans ten behoeve van gedaagde sub A het perceel [nummer 1] vanuit de lucht bespoten met kennelijk onkruidbestrij­dingsmiddelen althans enig chemisch middel, welke bespuiting op zodanig slecht gekozen tijdstip en in ieder geval dermate onzorgvuldig heeft plaatsgehad dat deze be­strijdingsmiddelen terecht zijn gekomen op de aanplant van eiser op het perceelland [nummer 2] en deze aanplant heeft vernield;

6. Ten tijde van voormelde bespuiting is de gehele aanplant teniet gegaan bestaande uit:
2 kt komkommer 2 maanden oud
4 kt antroewa 4 maanden oud
2 kt boulanger 5 maanden oud
8 kt boulanger 2½ maand oud
2 kt boulanger 6 weken oud;

7. Gedaagden moesten begrijpen dat zij door van dit middel en deze wijze van bespuiting gebruik te maken het risico namen dat dit middel terechtkwam op het perceel van eiser met alle voor eiser schadelijke gevolgen van dien;

8. Elk der gedaagden heeft door als voormeld te handelen jegens eiser gehandeld in strijd met de zorg­vuldigheid die hem in het maatschappelijk verkeer ten opzichte van eiser’s persoon en goed betaamt weshalve zij gehouden zijn de schade die eiser als gevolg daar­van heeft geleden en nog zal lijden aan hem te vergoe­den;

9. De kosten van de vernietigde aanplant zijn blij­kens hierbij overgelegde taxatierapport van het Minis­terie van L.V.V. vastgesteld op Sf.1.584.100,– terwijl de nettowinst uit deze aanplant minimaal 40% ofwel Sf.633.644,– bedraagt. Deze betreft slechts de direkte schade al welke schade gedaagden gehouden zijn aan eiser te vergoeden tot het totaal bedrag van Sf.2.217.­754,– van welk bedrag geen betaling is te bekennen van gedaagden ondanks aanmaning in der minne;

10. door deze schade is eiser ook niet in staat op­nieuw te planten, aangezien hij steeds uit de opbrengst van de vorige oogst de aanleg van een nieuwe aanplant bekostigt. Het gaat om een zeer kostbare zaak voorwat betreft plant klaarmaken, aanschaf plantmateriaal, chemicaliën en meststoffen, arbeidsloon etc., hetgeen aangemerkt kan worden als de indirekte schade, tot vergoeding waarvan gedaagden eveneens gehouden zijn;

11. Van gedaagden is evenwel geen betaling te bekomen ondanks aanmaning in der minne, terwijl eiser teneinde de schade te beperken spoedeisend belang heeft bij een onverwijlde voorziening bij voorraad hetgeen een be­slissing in kort geding in na te melden voege recht­vaardigt;

12. Gedaagden is het voorts bekend dat de omwonenden waaronder eiser voor zijn drinkwater en water voor huishoudelijk gebruik afhankelijk is van regenwater dat via de daken van de huizen in vaten wordt opgevangen.

Tijdens de bespuitingsactiviteiten van gedaagde sub B in opdracht van gedaagde sub A komen de chemicaliën eveneens op de daken van de woningen, waaronder de woning van eiser terecht, alsgevolg waarvan het drink­water van eiser wordt vergiftigd en alzo voor eiser en zijn gezin een levensbedreigende situatie wordt gescha­pen;

13. Ook dit is in voorschreven zin een onrechtmatige daad jegens eiser en ook hiertegen heeft eiser spoedei­send belang bij een onverwijlde voorziening bij voor­raad;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad:
a. gedaagden elk zullen worden veroordeeld om bij wege van voorschot, de een betalende de ander zal zijn bevrijd aan eiser tegen kwijting te betalen de som van Sf.2.200.000,–;

b. gedaagden elk zullen worden bevolen om met onmid­dellijke ingang te stoppen met het vanuit de lucht bespuiten of te doen bespuiten met chemicaliën van op het perceel [nummer 1] aan [adres 1] in [distrikt 1] voorkomende aanplant, althans en in ieder geval te stoppen met bespuitingsactiviteiten als voor­schreven op en nabij het perceel [nummer 2] aan [adres 1] in [distrikt 1]:

c. gedaagden elk zullen worden verboden om in de toekomst de sub b bedoelde bespuitingsactiviteiten uit te voeren dan wel te doen uit voeren;

d. gedaagden elk zullen worden veroordeeld tot beta­ling van een dwangsom van Sf.5.000.000,– voor elke dag dat zij in gebreke blijven aan dit vonnis te voldoen;
Overwegende, dat [geintimeerde] en Landbouwlucht­vaartmaat­schappij Sky Farmers N.V., als gedaagden in eerste aanleg bij conclusie van ant­woord onder overleg­ging van produkties – welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconclu­deerd:
dat eiser in zijn vordering niet zal worden ont­vangen c.q. hem deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen;
Overwegende, dat de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie van repliek heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een mondelijke conclusie van dupliek heeft genomen;
Overwegende, dat de Kantonrechter ter terechtzit­ting van 14 november 1996 Mevr.Van Sauers-Muller als deskundige heeft beëdigd, die hem haar rapport op 12 december 1996 heeft doen toekomen;
Overwegende, dat ten dage bepaald voor uitlating zijdens partijen over overgelegd rapport, de gemachtig­den van partijen schriftelijke conclusies hebben geno­men, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 16 januari 1997 op de daarin opgenomen gronden:
De van hem verlangde voorzieningen heeft gewei­gerd;
De eiser heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf.nihil;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld pro­ces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvon­nis in Kort Geding van 16 januari 1997;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Sh.KANDHAI van 18 februari 1998 aan geintimeerden aan­zegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de recht­sdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partij­en is aange­zegd;
Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 6 november 1998, doch na enige malen te zijn aange­houden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat de appellant tijdig in hoger beroep gekomen is van de beslissing van de Kantonrech­ter in het Eerste Kanton, rechtdoende in Kort Geding,d.d. 16 januari 1997;
Overwegende, dat uit de gedingkosten in eerste aanleg blijkt dat de appellant een schadeactie uit onrechtmatige daad tegen de geintimeerden ingesteld heeft op grond, dat:
1. de geintimeerde sub 2, de Sky Framers N.V., ten behoeve van de geintimeerde sub 1, [geintimeerde] en in opdracht van deze bespuitingswerkzaamheden vanuit de lucht uitgevoerd heeft op diens rijstareaal, zijnde het perceel [nummer 1] aan [adres 1] in [distrikt 1];
2. dit geschied is op of omstreeks 20 maart 1996, waarbij kennelijk onkruidbestrijdingsmiddelen, althans enig chemisch middel, gebruikt zijn/is, welke bespui­ting op zodanig slecht gekozen tijdstip en in ieder geval dermate onzorgvuldig heeft plaatsgehad dat de droge gewassenaanplant van de appellant op het naast het perceel van de geintimeerde sub 1 gelegen per­ceel [nummer 2] aan [adres 1] schade heeft opgelo­pen (zie het 5e en 7e sustenu van het inleidend verzoek­schrift);
Overwegende, dat de geintimeerden de bovengenoemde stel­lingen van de appellant gemotiveerd bestreden hebben en hebben o.a. naar voren gebracht dat de be­spuitingen op daarvoor geschikte tijdstippen uitgevoerd zijn en dat daarbij van een insectenbestrijdingsmiddel en meststoffen gebruik gemaakt is;
Overwegende, dat uit het door de appellant ten processe overgelegd rapport d.d.18 april 1996 van de ressortleider van Wanica A, de heer D.Chedammi van het Ministerie van L.V.V., afdeling Landbouwvoorlichting, blijkt dat er toen vermoedelijk met een herbicide gespoten zou zijn en dat na enkele bezoeken door hem aan het groenteareaal van de appel­lant vastgesteld werd dat de gewassen (antroewa, bou­langer en komkommer) geheel als verloren kunnen worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter zich deskundig heeft doen voorlichten door de entomoloog van het Landbouwproefsta­tion, Alies van Sauers-Muller, die een rapport, gedagtekend 11 december 1996, uitgebracht heeft, waarin zij tot de conclusie komt dat niet aange­toond kan worden welk middel verantwoorde­lijk is voor het afsterven van de aanplant van de appellant;
Overwegende, dat nu de grondslag van de vordering van appel­lant geen steun vindt in de rapportage van de twee des­kundigen en de appellant die ook op andere wijze niet aanneme­lijk gemaakt had, heeft de eerste rechter terecht de ge­vraagde voorzieningen geweigerd en zijn de daartegen aangevoer­de grie­ven ongegrond, omdat de appellant ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt heeft dat door handelingen van gein­timeer­den hij schade geleden heeft zoals door hem gesteld is;
Overwegende, dat danook het aangevochten vonnis zal worden bevestigd, met veroordeling van de appel­lant, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:
Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken op 16 januari 1997, waarvan beroep;
Veroordeelt appellant in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot op f.5.000,–;
Met inbegrip van het door het Hof aan hun advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.5.00­0,-;
Bepalende het Hof het salaris van de appellant eveneens op f.5.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PANDAY, fungerend-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openba­re terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG 19 FEBRUARI 1999, in tegenwoordig­heid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.P.Boldewijn namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerden vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.MANGROELAL namens hun gemachtigde, advo­kaat Mr.P.E.BEMMEL, zijn bij de uitspraak ter terecht­zit­ting ver­schenen.