SRU-HvJ-1999-27

M.H.
A – 391

[verzoekster], wonende in [woonplaats], [land], ten deze domicilie kiezende te Paramari­bo aan de Wagenwegstraat no.41 beneden, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat,
verzoekster,
tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in rechte vertegen­woordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, te diens Parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.C.D.OO­FT, advokaat,
verweerder,

De Vice-Presi­dent spreekt in deze zaak in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoek­schrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:
1. Verzoekster wenst de volgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, Ministerie van Buitenlandse Zaken, in rechte vertegen­woordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no.3, verweerder;

2. Verzoekster is ambtenaar in de zin van de Perso­neelswet in dienst van verweerder geweest;

3. Verzoekster is Hoofdambtenaar B 1e klasse (schaal 20) en is tewerkgesteld geweest bij de Permanente Vertegenwoordiging van de Verenigde Naties in New York van de Republiek Suriname;

4. Verzoekster heeft in opdracht van verweerder te rekenen van 1 januari 1996 tot en met 31 maart 1996 de funktie waargenomen van Chargé d’Affaires en als zoda­nig is verzoekster voor verweerder opgetreden bij de Verenigde Naties als Chargé d’Affaires ad interim;

5. Verzoekster maakt op grond van artikel 22 lid 4 van de Personeelswet aanspraak op waarnemingstoelage. Volgens artikel 7 lid 2 van het Ambtenarenbezoldi­gings­besluit S.B. 1980 no.153 zoals sindsdien gewij­zigd, is de toelage voor de waarneming van een funktie als bedoeld in artikel 22 der Personeelswet gelijk aan het verschil tussen de bezoldiging welke door de ambte­naar wordt genoten en de bezoldiging welke hij bij benoeming in de waargenomen funktie zou genieten;

6.1. De bezoldiging van verzoekster was gedurende de periode van waarneming (01-01-1996 – 31-03-1996) als volgt samengesteld:
a. Bezoldiging Sf.3.470,–
C.L.O.overgangstoelage 400,–
——————————————–
zogeheten thuis salaris Sf.3.870,–

b. Detacheringstoelage US $ 1.000,–

6.2. Met betrekking tot ambtenaren in buitenlandse dienst wordt een omrekenkoers gehanteerd van US $ = Sf.1.80;

7. De bezoldiging van de waargenomen funktie van Ambassadeur is ondergebracht in schaal 23.
a. Bezoldiging Ambassadeur Sf.4.110,–
C.L.O. overgangstoelage 400,–
———————————————-
zogeheten thuis salaris Sf.4.510,–

b. Detacheringstoelage Ambassadeur US $ 2.500,–

8. verzoekster maakt aanspraak op het verschil tus­sen:
a. Ambassadeurssalaris Sf.4.510,–
minus salaris verzoekster Sf.3.870,–
——————————————-
verschil per maand Sf. 640,–
bij een koers van 1 US $ = Sf.1.80 levert dat op
US $ 335,56 per maand. In het tijdvak 01-01-1996 – 31-03-1996 brengt dat op 3 x US $ 335,56 = US $ 956,68
b. Detacheringstoelage Ambassadeur US$ 2500,–
minus detacheringstoelage verzoekster US$ 1000,–
————————————————-
verschil per maand US$ 1500,–
levert op voor het tijdvak 01-01-1996 – 31-03-1996 = 3 x US $ 1500 = US $ 4500,–.
Verzoekster maakt dus aanspraak op een bedrag van US $ 5456,68;

9. Verzoekster kan van voormeld bedrag in der minne, ondanks aanmaning, geen betaling van verweerder ver­krijgen zodat zij gerechtigd is zulks in rechte te vorderen;
Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevor­derd:
dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de verweerder zal worden veroordeeld die (rechts) hande­lingen te verrichten waardoor aan verzoekster alsnog terzake het bedrag van US $ 5.456,68 met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van indie­ning van dit verzoekschrift tot aan de algehele voldoe­ning, zal worden uitbetaald met veroordeling van ver­weerder in de kosten van het geding;
Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wette­lijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen ge­komen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:
1. Verweerder kan erkennen dat verzoekster ambtenaar is in de zin van de Personeelswet. Ook wordt erkend dat verzoekster heeft waargenomen van 1 januari 1996 tot en met 31 maart 1996 in de functie van Chargé d’Affairés.

2. Op grond van deze waarneming maakt verzoekster inderdaad aanspraak op toekenning van waarnemingstoela­ge als bedoeld in art. 2 lid 4 van de Personeelswet, Juncto art.7 2e lid van het A.B.B. S.B.1980 no. 153.

3. Gedaagde is evenwel van oordeel dat de becijfering van het totale bedrag waarop verzoekster meent aan­spraak te moeten maken niet juist is weergegeven in het Inleidend Rekest.
Het door verzoekster zelf aangehaald art. 7 van het A.B.B. schrijft duidelijk voor dat de toelage voor de waarneming wordt gesteld ”op het verschil tussen de bezoldiging welke door de ambtenaar wordt genoten en de bezoldiging welke hij bij benoeming in de waargeno­men functie zou genieten.
Onder bezoldiging wordt dan verstaan het bedrag in geld uitgedrukt zoals dit voorkomt op de bezoldigingsreeksen van het Ambtenaren Bezoldigings Besluit en zoals nader uitgewerkt in art.2 A.B.B. onder de titel ”Bezoldi­ging”.
Op grond van het voorgaande dient de berekening c.q. de becijfering van het gevorderde bedrag alsnog te worden gewijzigd en in overeenstemming gebracht met de hierbo­ven aangehaalde van in het bijzonder Ambtenaren Bezol­digings Besluit.

4. In hoeverre er hier sprake is van een spoedeisend karakter en waarvoor dan ook in kortgeding wordt gepro­cedeerd, refereer ik gaarne naar het oordeel van de rechter, met de aantekening:
a. dat verzoekster als ambtenaar primair zich behoort te wenden tot het Hof van Justitie, oordelende in Ambtenaren Zaken, hetgeen verzoekster ook heeft gedaan bij haar vordering d.d. 6 januari 1998 (A-391),

b. dat het door verzoekster gevraagde voorlopig toe te wijzen bedrag (als voorschot) slechts US$. 56,– verschilt van het totale bedrag van US$.5.460,– waar­door, bij toewijzing van het gevraagde de facto in kortgeding de gehele zaak te principale zal zijn be­slecht.
Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:
dat verzoekster niet ontvankelijk zal worden verklaard c.q. deze niet als voor toewijzing vatbaar aan te merken op grond van, dat de vordering onvoldoen­de is bewezen en in strijd is met de wet, te weten art.79 Personeelswet, omdat geen besluit wordt vermeld, dat voor ”gehele of gedeeltelijke vernietiging” in aanmerking komt, waarna dan pas een bevel – zoals gevorderd – van het Hof van Justitie rechtens mogelijk zou kunnen zijn;
Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschik­king van 3 maart 1998 ten dage voor verhoor van partijen be­paald, advokaat Mr.Baarh gemachtigde van verzoekster,
[naam 1], [naam 2], ambtenaar van beroep, als vertegenwoordiger van verweerder en advokaat Mr.Dr.C.D. Ooft, gemachtigde van verweerder in Raadkamer zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte- hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partij­en de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verde­digd, hebbende de gemachtigden van partijen bij pleidooi, antwoord pleidooi en repliek pleidooi produk­ties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis had bepaald op 16 oktober 1998, doch na enige malen te hebben aangehouden op 5 februari 1999 bij rolbeschik­king heeft gelast dat verweerder in de gelegenheid wordt gesteld een machtiging uitgebracht op naam van [naam 1] over te leggen;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 19 februa­ri 1999 bovengenoemde machtiging is overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat verzoekster blijkens het petitum gevorderd heeft dat bij vonnis verweerder zal worden veroordeeld die (rechts)handelingen te verrichten waardoor aan haar alsnog terzake het bedrag van US$ 5.456,68– met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van indiening van dit verzoek­schrift tot aan de algehele voldoening, zal worden uitbetaald met veroordeling van verweerder in de kosten van het geding;
Overwegende, dat voormeld gevorderde niet kan worden toegewezen, omdat het Hof als gerecht in ambte­narenzaken ingevolge het bepaalde in artikel 79, lid 1 sub b van de Personeelswet, slechts bevoegd is tot de kennisneming van vorderingen tot vergoeding van schade welke voor een ambtenaar is voortgevloeid uit een be­sluit of handeling in strijd met het bij of krachtens genoemde wet bepaalde;
Overwegende, dat nu verzoekster geen zodanig besluit of dergelijke handeling heeft gesteld en daar­van ook niet gebleken is, kan verzoekster in haar tegen verweerder ingestelde vordering niet worden ontvangen;
Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENAREN ZAKEN:
Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in de door haar tegen verweerder ingestelde vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare te­rechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 5 MAART 1999, in tegenwoordigheid van
Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, verzoekster verte­genwoordigd door advo­kaat Mr.L.H.R.ROGERS namens haar gemachtigde, advo­kaat Mr.A.R.BAARH en verweerder verte­genwoor­digd door zijn gemachtigde, advo­kaat Mr.Dr.C.D.Ooft, zijn bij de uitspraak ter terechtzit­ting verschenen.

SRU-HvJ-2018-52

G.R.No. 15089A
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

DE STICHTING AUTEURSRECHTEN SURINAME (SASUR),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante, verder te noemen Sasur,
gevolmachtigde: [naam], algemeen directeur,

tegen

DE STICHTING RADIO OMROEP SURINAME (SRS)
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, verder te noemen SRS,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

en

DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
zetelende te Paramaribo,
geïntimeerde, verder te noemen de Staat,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 5 mei 2015 (A.R.No. 151096) tussen SRS en de Staat als eisers en Sasur als gedaagde spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Dit procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
• een verklaring van de griffier van de kantongerechten civiele zaken van 11 mei 2015, inhoudende dat Sasur op 11 mei 2015 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 5 mei 2015 in kort geding gewezen tussen SRS en de Staat als eisers en Sasur als gedaagde;
• een pleitnota van Sasur van 4 november 2016;
• een antwoordpleitnota van SRS van 3 februari 2017;
• een repliekpleitnota Sasur van 16 juni 2017;
• een dupliekpleitnota van SRS van 3 november 2017.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
Het hoger beroep is door Sasur tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Sasur daarin kan worden ontvangen.

De beoordeling
1. Kort samengevat betreft het geschil in eerste aanleg het volgende:
Bij vonnis in kort geding van 3 december 2009 heeft de kantonrechter op vordering van Sasur aan SRS een verbod opgelegd om een aantal gespecificeerde muziekwerken zonder toestemming van Sasur openbaar te maken of te verveelvoudigen. Voorts heeft de kantonrechter aan SRS verboden “om enig muziekwerk of delen daarvan al dan niet in de oorspronkelijke versie, behorende tot het door eiseres beheerde repertoire middels het door haar geëxploiteerde omroepstation (….) zonder van eiseres verkregen toestemming openbaar te maken danwel te verveelvoudigen”. Ten slotte heeft de kantonrechter SRS veroordeeld tot de betaling van een dwangsom groot SRD 1.000,– voor iedere keer dat SRS deze verboden zou overtreden, tot een maximum van SRD 1.000.000,–.
Sasur heeft op 7 augustus 2014, na aanzegging bij deurwaardersexploot aan SRS dat deze het maximum aan dwangsommen ter hoogte van SRD 1.000.000,– had verbeurd, executoriaal beslag gelegd op het recht van erfpacht op het perceel waarop SRS haar radio-omroepbedrijf exploiteert. Op 21 augustus 2014 heeft zij terzake van de berweerdelijk verbeurde dwangsommen executoriaal derdenbeslag gelegd ten laste van SRS onder de Surinaamse Bank N.V. en Hakrinbank N.V..
Op 10 maart 2015 heeft SRS bij de kantonrechter een vordering in kort geding ingesteld, waarbij zij opkwam tegen bovenbedoelde beslagen. Na vermindering van eis strekt de vordering primair tot a. opheffing van het executoriale beslag op het recht van erfpacht op het perceel land en b. staking van de tenuitvoerlegging van de derdenbeslagen onder de Banken totdat in hoger beroep definitief zal zijn beslist over het vonnis van de kantonrechter 19 januari 2015, AR no.144867. Subsidiair vorderde SRS schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 december 2009, AR no. 073984, terzake van de vastgestelde dwangsom, totdat in hoger beroep onder nummer GR 15038 zal zijn beslist over het vonnis van de kantonrechter van 19 januari 2015, AR no. 144867. In dat vonnis, AR no. 144867, werd de vordering van SRS tot opheffing van het executoriale beslag op het erfpachtsrecht van het perceel van SRS afgewezen. De kantonrechter overwoog daarin onder meer –kort en zakelijk weergegeven- dat Sasur ondanks de intrekking van de ministeriële toestemming aan Sasur om met betrekking tot auteursrechten te bemiddelen bevoegd was gebleven om terzake van die auteursrechten handhavend op te treden en aldus bevoegd was gebleven om de onderhavige dwangsommen door middel van executoriale beslagen te innen.
Bij tussenvonnis van 16 april 2015 heeft de kantonrechter de Staat Suriname toegestaan om zich te voegen in de hoofdzaak aan de zijde van SRS.
In het vonnis waarvan beroep van 5 mei 2015 heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, de primaire vordering van SRS tot opheffing van de onder SRS gelegde executoriale beslagen afgewezen en de subsidiaire vordering, tot schorsing van de executie van dwangsommen, toegewezen.
2.Het hof heeft uit de pleitnota van Sasur begrepen dat Sasur zeven (ongenummerde) grieven aanvoert tegen het vonnis van de kantonrechter van 5 mei 2015.
3. In de eerste grief maakt Sasur er bezwaar tegen dat de kantonrechter het vonnis in kort geding van 3 december 2009 aanduidt als “gewraakt vonnis”. Volgens Sasur is dat onjuist omdat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Kennelijk meent Sasur dat de kantonrechter door het woord “gewraakt” te gebruiken, aanneemt dat tegen dit vonnis nog wel een gewoon rechtsmiddel openstaat. Die uitleg volgt het hof niet. Naar de mening van het hof wil de kantonrechter met “gewraakt vonnis” niet meer zeggen dan “vonnis, dat door partijen verschillend wordt uitgelegd”. De grief faalt.
4. In grief 2 voert Sasur aan dat de kantonrechter ten onrechte vermeldt dat het vonnis van 3 december 2009 op 16 mei 2012 aan SRS is betekend. Volgens Sasur vond die betekening op 10 november 2011 plaats. Uit de processtukken in eerste aanleg blijkt dat de betekening inderdaad op 10 november 2011 geschiedde. De grief is gegrond maar dat heeft geen enkel gevolg voor deze procedure. Relevant is slechts dat de betekening op rechtsgeldige wijze heeft plaats gevonden, wanneer dat geschiedde doet in dit verband niet terzake.
5. Grief 3 richt zich tegen rechtsoverweging 4.3.3. in het vonnis waarvan beroep. Bij wijze van toelichting op het restitutierisico bij inning van de dwangsommen door Sasur voordat het hof in de zaak in de zaak GR 15038 definitief heeft beslist, overweegt de kantonrechter hier dat Sasur de gemotiveerde stelling van SRS en de Staat dat Sasur geen enkel vermogen heeft waarop SRS verhaal zou kunnen zoeken, niet, althans niet gemotiveerd, heeft weersproken. De grief treft geen doel: Sasur heeft de duidelijke stelling van SRS slechts in vage bewoordingen ontkend en deze niet voldoende gemotiveerd weersproken. Voor de hand had gelegen dat Sasur door middel van bankafschriften, eigendomsbewijzen of andere schriftelijke bewijsstukken haar vermogenspositie zou hebben verduidelijkt, maar dat is niet geschied.
6. Grief 4 voert aan dat de kantonrechter ten onrechte een “verkapt appèl” door SRS tegen het vonnis van 3 december 2009 heeft toegestaan. Het vonnis van 3 december 2009 is een vonnis in kort geding, dat dus per definitie slechts een voorlopige voorziening treft. Bij latere wijziging van omstandigheden –zoals in dit geval het intrekken door de minister van justitie en politie van de toestemming aan Sasur om te bemiddelen in auteursrechtzaken- mag onderzocht worden welke consequenties dit voor de executie van het vonnis in kort geding heeft. Dat onderzoek geschiedt in dit geval in de zaak GR 15038. Daarin moet het hof nog uitspraak doen. De kantonrechter heeft in de onderhavige zaak, AR 15089A, redenen gevonden om de executie te schorsen totdat het onderzoek in de zaak GR 15038 is afgerond en daarin uitspraak is gedaan. Dat is iets anders dan het toestaan van een verkapt appèl. De grief faalt.
7. Grief 5 (overweging 2.5 in de pleitnota van Sasur) mist naast de hiervoor behandelde grief 4 zelfstandige betekenis.
8. Grief 6 richt zich tegen de opmerking van de kantonrechter dat het vonnis van 3 december 2009 van langer dan 5 jaar geleden dateert. Deze opmerking wordt gemaakt bij de afweging van het belang van SRS om de beslissing van het hof in de zaak GRNO. 15038 af te wachten tegenover het belang van Sasur om nu reeds de dwangsommen te kunnen executeren, met het risico dat de geïncasseerde bedragen gerestitueerd moeten worden als de uitspraak van het hof in de zaak GR 15038 in voor Sasur ongunstige zin uitvalt. De kantonrechter mocht de omstandigheid dat de incassering van de dwangsommen reeds zo lang op zich heeft laten wachten in haar afweging betrekken. De grief faalt.
9. Grief 7 betoogt dat het vonnis waarvan beroep in strijd is met artikel 492 Rv. Dit betoog gaat echter niet op. Het bepaalde in dit artikel staat er niet aan in de weg dat bij verschil van mening over de vraag of dwangsommen verschuldigd zijn en executie van die dwangsommen toelaatbaar is, dit verschil van mening als executiegeschil in kort geding aan de rechter wordt voorgelegd.
10. Het Hof heeft ambtshalve geen bedenkingen tegen het beroepen vonnis, zodat, nu de grieven zijn verworpen danwel niet relevant zijn bevonden, dit vonnis zal worden bevestigd.
5.Sasur zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het Hof:
Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 5 mei 2015 (A.R.No 151096).
Veroordeelt Sasur in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van SRS tot op deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. R.M. Praag en mr. S.J.S. Bradley, Leden-Plaatsvervanger en
w.g. M.C. Mettendaf
door mr. A.C. Johanns, Fungerend-Griffier bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. Ramlal, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.
Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2000-4

H.M.

GENERALE ROL NO.14035.

[appellant], wonende te
[district]aan de [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat,
appellant in Kort Geding,

tegen

DE STICHTING VOLKSHUISVESTING SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Madeliefjestraat no.34-36, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.M.I.VOS, advokaat,
geïntimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien s’Hofs interlocutoir vonnis van 8 januari 1999 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 19 februari 1999, advokaat Mr.H.E.Struiken namens de gemachtigde van geintimeerde, advokaat Mr.M.I.Vos, zich aan de processen-verbaal heeft gerefereerd;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;
Overwegende, dat het Hof in de zaak aanvankelijk vonnis had bepaald op 23 april 1999, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
1. Het Hof neemt hier over en volhardt bij zijn tussenvonnis van 8 januari 1999.
2. Op grond van de stellingen van partijen staat, voor zover hier van belang en kort gezegd, het volgende vast:
2a. Appellant is in dienst van geintimeerde getreden en oefende laatstelijk de funktie van direkteur van geintimeerde uit.
2b. Volgens artikel 7 van de statuten van geintimeerde wordt de direkteur door de Minister van Arbeid en Volkshuisvesting benoemd, geschorst en ontslagen.
2c. Bij brief van 15 november 1996 heeft de Minister van Sociale Zaken en Volkshuisvesting aan appellant bericht dat door hem, de Minister is besloten ”Uw ter beschikking- en tewerkstelling bij de genoemde stichting met ingang van 18 november 1996 te beëindigen”.
3. Appellant heeft, na wijziging van de eis, kort gezegd, gevorderd schorsing, althans opschorting van de (werking van) hogergenoemde brief van 15 november 1996 en betaling bij wege van voorschot van een bedrag groot sf.400.000,–, betaling van verschillende emolumenten, betaling van de periodieke verhoging vanaf 1 januari 1995 en de voorgeschreven salarisaanpassing, alsmede verschaffing van geneeskundige voorzieningen, dit laatste onder verbeurte van een dwangsom van sf.100.000,per keer of per dag.
4. De vordering van appellant berust hierop dat zijn, appellant’s dienstverband met geintimeerde bij de hierboven onder 2c vermelde brief was beëindigd en wel zonder dat de wettelijke termijnen en voorschriften, in het bijzonder die van het Ontslagdecreet E-39 en E-39A, in acht waren genomen. Geintimeerde heeft, voor zoveel hier van belang, aangevoerd dat appellant bij genoemde brief buiten functie is gesteld, althans dat zulks de strekking was van genoemde brief.
5. De Kantonrechter heeft de gevraagde voorzieningen geweigerd, mede uit overweging (zie 7e rechtsoverweging) dat het Hem niet gebleken was dat door of zijdens de gedaagde de dienstbetrekking van ’eiser” (thans appellant) is beëindigd.
6. Appellant heeft een vijftal grieven tegen het beroepen vonnis opgeworpen. Geen van die grieven zijn echter gericht tegen de hierboven onder 5 vermelde vaststelling van de Kantonrechter, zodat het Hof van hetgeen aldaar is vastgesteld dient uit te gaan. De grondslag van de vordering is derhalve niet komen vast te staan, zodat die vordering niet kan worden toegewezen. Gegrondbevinding van de grieven kan hierin geen verandering brengen, zodat die grieven niet behoeven te worden besproken. Het beroepen vonnis dient dus te worden bevestigd en appellant zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 23 oktober 1997, waarvan beroep.
Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f.1.000,–;
Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door haar gehouden pleidooi toegekende salaris van f.1.000,–;
Bepalen het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f.1.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, Fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 7 april 2000, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.E.S.OMBRE

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.Marica namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.B.A.Halfhide namens haar gemachtigde, advokaat Mr.M.I.VOS, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1993-4

Hof van Justitie

16 juli 1993, G.R. 13187

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, A.C. Veldema, A.I. Ramnewash)

[appellante], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Grote Combéweg 25-27, advocaat mr. A.L. Tjon Kwan Paw, appellante,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district] aan [adres 1], advocaat mr. H.E. Struiken, geïntimeerde.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 4 juni 1991 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 27 juni 1991, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellante] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. Eiseres wenst de navolgende rechtsvordering op verkorte termijn in te stellen tegen [geïntimeerde], wonende te [district] aan [adres 1], gedaagde;

2. Gedaagde in enig en algemeen erfgename van [naam], overleden op 7 juni 1989, met wie zij in gemeenschap van goederen was gehuwd. Zulks moge blijken uit de verklaring van erfrecht de dato 7 september 1989 van de notaris te Paramaribo W.H. Tjon, welke in fotokopie wordt overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen (produktie I).

3. Op 23 oktober 1979 heeft eiseres van voornoemde [naam] gekocht en van deze in eigendom geleverd gekregen het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitende gebruik van de woning, gelegen op de derde verdieping van het perceel [adres 2], kadastraal bekend [gemeente] [nummer], uitmaken het een achtste aandeel in de gemeenschap. Blijkens punt 5 van de onderwerpelijke transportakte is dit appartementsrecht aan eiseres geleverd vrij van hypotheken, hypothecaire inschrijvingen en beslagen met uitzonderingen van een tweetal hypothecaire inschrijvingen, te weten een eerste hypotheek ten behoeve van de Coöperatieve Raiffeisen Boerenleenbank Amsterdam W.A. (thans Rabobank), in hoofdsom groot Nf. 100.000,– om ten laste van voornoemde [naam], alsmede een tweede hypotheek ten behoeve van de Financieringsmaatschappij Metropool-Doerga B.V., in hoofdsom groot Nf. 40.000,– en eveneens ten laste van voornoemde [naam]. Deze hypotheken zijn beide op het onderwerpelijke appartementsrecht gevestigd bij ten overstaan van de notaris te Amsterdam J.J.E. Stuijt op 8 oktober 1979 verleden akten. Eveneens blijkt uit punt 5 van de transportakte, dat de schulden, ter verzekering waarvan die hypotheken zijn gevestigd, voor rekening van [naam] zouden blijven. Laatst bedoelde schuldvordering met hypotheekstelling werd door de Financieringsmaatschappij Metropool-Doerga B.V., gecodeerd aan de Interfin Holland N.V., die deze vervolgens, alstoen pro resto groot Nf. 35.800,– op 9 juli 1982 codeerde aan [persoon]. Eiseres legt in fotokopie over de transportakte de dato 23 oktober 1979, de beide hypotheekakten de dato 8 oktober 1979 en de akte van cessie de dato 9 juli 1982 met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen. (produkties II, IIa, IIb, IIc);

4. Na het overlijden van voornoemde [naam] zijn op deze geldlening geen aflossingen meer, verricht. Op 1 november j.l. deelde de Rabobank aan eiseresses advocaat te Amsterdam mede, dat haar vordering op de nalatenschap per die datum de som ad Nf. 66.426,26 ex P.M.-rente bedroeg (pro-resto stand lening Nf. 64.000,–; achterstallige rente per 30 juni 1989 Nf. 2.426,26). Tevens werd [naam] bij schrijven de dato 6 juni 1989 medegedeeld, dat de schuld aan [persooon] per 30 juni 1989 de som ad Nf. 25.645,– zou belopen. Eiseres legt beide opgaven in fotokopie over met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaal en geïnsereerd te willen beschouwen. (produkties III en IIIa);

5. Alhoewel gedaagde blijkens het voortdurende gebruik van de goederen van de nalatenschap alsmede het vorderen van daartoe behorende schuldvorderingen, waaronder één of meer levensverzekeringsuitkeringen, geacht moet worden de erfenis stilzwijgend te hebben aanvaard, weigert zij het saldo van beide hypothecaire leningen te voldoen, stellende met deze leningen niets van doen te hebben, zulks geheel ten onrechte. Naar Surinaams recht kan de aanvaarding niet slechts een deel der nalatenschap betreffen, doch omvat zij daarentegen de nalatenschap als zodanig, dus met inbegrip van alle activa en passiva. De vorenbedoelde schulden maken mitsdien deel uit van de door gedaagde als enige en algemene erfgename aanvaarde nalatenschap en behoren daaruit te worden voldaan.

6. gedaagde maakt zich door haar weigering de vorenbedoelde schulden van de gemeenschap te voldoen jegens eiseres schuldig aan een onrechtmatige daad; waardoor zij, eiseres, met gedaagde’s schuld daaraan, op korte termijn schade dreigt te lijden, hierin bestaande, dat de hypotheeknemers krachtens artikel 1223, lid 2, Ned. B.W. (1207, lid 2, Sur. B.W.) tot de parate executie van het haar in eigendom toebehorende appatementsrecht zullen overgaan. Eiseres is mitsdien alleszins gerechtigd om, ter voorkoming van deze op korte termijn dreigende parate executie van gedaagde te vorderen, dat het saldo van deze schulden met inbegrip van de inmiddels verschenen en niet voldane interesttermijnen, op een zo kort mogelijke termijn aan de in het derde sustenu van dit rekest bedoelde hypotheeknemers wordt voldaan;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij uitvoerbaar verklaard vonnis gedaagde zal worden bevolen om:

a. binnen twee weken na het bevel, als verzocht, althans binnen een door de Rechter in Goede Justitie te bepalen termijn, aan de Rabobank te betalen de som ad Nf. 66.426,26 (Zes en zestigduizend vierhonderd zes en twintig 26/100 Nederlandse gulden), vermeerderd met de achterstallige contractuele rente daarover althans van het op dat tijdstip aan deze hypotheeknemer verschuldigde saldo der hoofdschuld, vermeerderd met de achterstallige rente, zulks op verbeurte van een dwangsom ad Sf 10.000,– (tienduizend gulden) voor elke dag, waarop gedaagde weigerachtig mocht blijken om aan het bevel, als verzocht te voldoen;

b. binnen twee weken na het bevel, als verzocht, althans binnen een door de Rechter in Goede Justitie te bepalen termijn, aan [persoon] te betalen de som ad Nf. 25.645,– (vijf twintigduizend zeshonderd vijf en veertig Nederlandse gulden), vermeerderd met de achterstallige contractuele rente daarover, althans van het op dat tijdstip aan deze hypotheeknemer verschuldigde saldo der hoofdsom alsmede de nog verschuldigde rente, zulks op verbeurte van een dwangsom ad Sf. 10.000,– (tienduizend gulden), voor elke dag, waarop gedaagde weigerachtig mocht blijken om aan het bevel, als verzocht te voldoen.

c. Gedaagde zal worden veroordeeld tot de betaling van de kosten dezer procedure;

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

Dat de eiseres in haar vorderingen niet zal worden ontvangen, althans deze aan haar zullen worden ontzegd als zijnde ongegrond en niet bewezen met nietig verklaring althans zal worden verklaard dat de door de erflater van gedaagde aangegane overeenkomsten in strijd zijn met de Wet meer in het bijzonder de Deviezenregeling G.B. 1947 no. 136;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiseres bij mondelinge conclusie van repliek heeft gepersisteerd bij zijn conclusie van eis;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie van dupliek heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 4 juni 1991 op de daarin opgenomen gronden: Eiseres haar vordering heeft ontzegd;

Haar heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f. Nihil;

Overwegende, dat blijkens hoger vermeld proces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 4 juni 1991;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder D.E. Hew A Kee van 11 juni 1992 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd;

Overwegende, dat partijen de van het Hof verlangde produkties hebben overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen zich hierna ten aanzien van de overgelegde produkties over en weer hebben gerefereerd;

Overwegende, dat het Hof vervolgens vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 18 juni 1993, nader op 13 augustus 1993, doch bij vervroeging op heden;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat appellante tijdig in hoger beroep is gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 4 juni 1991;

Overwegende, dat appellante twee grieven tegen het beroepen vonnis heeft aangevoerd, luidende:

Grief 1: Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen en beslist, dat rechtens vaststaat, althans niet betwist, dat [naam] ten tijde van het aangaan van de bedoelde overeenkomsten in Suriname woonde. De appellante legt bij haar pleitnota een verklaring van de [Gemeente] d.d. 12 mei 1992 over, waaruit ondubbelzinnig blijkt, dat [naam] (nu wijlen) laatstelijk sedert 27 februari 1986 stond ingeschreven aan [adres 2 – variant]. [naam] was ook een ingezetene van Nederland, althans van de [stad] en derhalve bevoegd om rechtshandelingen in dat land te verrichten.

Grief 2: Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen en beslist dat ingevolge artikel 14 lid 1 sub e van de Deviezenwet 1947, het aan ingezetenen anders dan krachtens een vergunning verboden is onder bezwarende titel buitenlandse vorderingen te verkrijgen. De appellante merkt op, dat dit voorschrift slechts toepassing zou vinden, indien [naam] (nu wijlen) uitsluitend als ingezetene van Suriname kon worden aangemerkt. De appellante heeft middels een schriftelijk bescheid aangetoond, dat zulks niet het geval is; hebbende appellante aanvulling van het petitum van het inleidend rekest, door achter de bedragen Nf. 66.426,26 en Nf. 25.645,– op te nemen de woorden: “althans de tegenwaarde in Surinaams Courant tegen de koers van de dag” met betrekking tot welke aanvulling geïntimeerde zich aan het oordeel van het Hof heeft gerefereerd, zullende het Hof appellante akte van voormelde aanvulling verlenen;

Overwegende, dat appellante tenslotte heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en opnieuw rechtdoende, alsnog toewijzing van haar vordering heeft verzocht;

Overwegende, dat geïntimeerde de grieven van appellant heeft bestreden en tot bevestiging van het beroepen vonnis heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat partijen, ter voldoening aan ’s Hofs rolbeschikking van 23 april 1993 produkties hebben overgelegd afkomstig van respectievelijk de Inspecteur van het Centraal Bureau van Burgerzaken in Suriname d.d. 18 mei 1993 en van het bevolkingsregister der [Gemeente], Nederland met betrekking tot de diverse adressen alwaar [naam] was ingeschreven, wordende de inhoud van die produkties hier als geïnsereerd beshouwd;

Overwegende, dat het Hof hier overneemt, dan wel daarnaar verwijst, de tussen partijen vaststaande feiten, zoals door de Kantonrechter in de eerste rechtsoverweging van het beroepen vonnis aangenomen, zijnde daartegen geen grieven aangevoerd;

Overwegende, ambthalve met betrekking tot het ten deze toepasselijk recht:

– Dat naar ’s Hoven oordeel, op de onderhavige transactie, in casu de overeenkomst van koop en verkoop tussen wijlen [naam] en appellante betreffende het in het 3e “sustenu” van het verzoekschrift omschreven onroerend goed, Nederlands recht toepasselijk is, zijnde het recht van de plaats waar het onroerend goed waarop de overeenkomst betrekking heeft, gelegen is;

Overwegende voorts, dat de vraag of genoemde transactie alsdan niet geldig is, naar ’s Hoven oordeel, dan ook naar Nederlands recht, d.i. het Deviezenbesluit 1945 dient te worden beantwoord;

Overwegende, dat vooraf zij opgemerkt, dat appellante als ingezetene in de zin van artikel 5 lid 3 sub a van gemeld besluit dient te worden aangemerkt, nu het tegendeel niet gesteld of gebleken is en wijlen [naam] voornoemd, als niet-ingezetene in de zin van artikel 5 lid 4 sub a van meergemeld besluit, blijkende zulks immers uit de verklaring van het Hoofd van de afdeling Inspectie van het Centraal Bureau voor Burgerzaken (C.B.B.) d.d. 18 mei 1993, aangevende, dat meergenoemde [naam], nu wijlen, vanaf 2 december 1966 ingeschreven heeft gestaan in het bevolkingsregister van Suriname, zijnde gemelde verklaring niet betwist of van valsheid beticht;

– Dat de eerder aan de orde gestelde vraag of de transactie tussen appellante en wijlen [naam] voornoemd, betreffende het in het 3e “sustenu” van het verzoekschrift omschreven onroerend goed, al dan niet geldig is, thans beantwoordend, het navolgend zij opgemerkt;

– Dat blijkens de zich ten processe bevindende bescheiden, te weten de notariële akte van verkoop en koop, d.d. 23 oktober 1979, verleden ten overstaan van de Amsterdam, Nederland, residerende notaris, Mr. J.J.E. Stuijt en de verklaring van het Hoofd van de Inspectie van het Centraal Bureau voor Burgerzaken, d.d. 18 mei 1993, appellante als ingezetene in de zin van artikel 5 lid 3 sub a van het Deviezenbesluit 1945 onder bezwarende titel heeft verkregen, een in het binnenland, dat is het Rijk in Europa (artikel 5 lid 1 van het Deviezenbesluit 1945) gelegen onroerend goed van een niet-ingezetene in de zin van artikel 5 lid 4 sub a van meergemeld besluit 1945, welke transactie geldig is, wordende deze transactie niet getroffen door één der in hoofdstuk II genoemde verbodsbepalingen van het Deviezenbesluit 1945, zijnde geïntimeerde als zijn erfgename, die de nalatenschap van wijlen [naam] voornoemd zuiver heeft aanvaard, zijnde het tegendeel niet gebleken dan wel tegengesproken, mitsdien gehouden tot betaling van de schulden der nalatenschap;

Overwegende, dat op grond van al het voorgaande de eerste grief als ongegrond wordt verworpen, terwijl de tweede grief gegrond wordt bevonden;

– Dat het beroepen vonnis mitsdien niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd;

Overwegende, dat geïntimeerde in haar dupliek pleidooi d.d. 12 maart 1993 mede heeft aangevoerd, dat het in casu niet mogelijk is, een dwangsom bij veroordeling tot een geldsom nog te vorderen;

– Dat naar ’s Hoven oordeel deze bewering van geïntimeerde op een verkeerde lezing van het petitum berust;

– Dat in casu met name is gevorderd, veroordeling tot betaling van een geldsom aan derden, te weten de Rabobank en [persoon], in welk geval de uitzondering, dat geen dwangsom kan worden opgelegd bij veroordeling tot betaling van een geldsom, niet geldt (vide N.J. 1982, 190):

Overwegende, dat de vorderingen van appellante thans dan ook alsnog – na akte-verlening van aanvulling van het petitum – zullen worden toegewezen in voege als na te melden;

Rechtdoende in hoger beroep

Verleent appellante akte van de aanvulling van het petitum van het inleidend rekest, in voege als hierboven in de rechtsoverwegingen bereids aangehaald;

Vernietigd het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 4 juni 1991, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende

Beveelt geïntimeerde om:

a. Binnen drie maanden na betekening van dit vonnis aan de Rabobank (voorheen de Coöperatieve Raiffeisen-Boerenleenbank Amsterdam W.A.) te betalen de som van Nf. 66.426,26 (zes en zestigduizend vierhonder zes en twintig 26/100 Nederlandse gulden) althans de tegenwaarde in Surinaams Courant tegen de koers van de dag, vermeerderd met de achterstallige contractuele rente daarover, althans van het op dat tijdstip (van betaling) aan deze hypotheeknemer verschuldigde saldo als hoofdschuld, vermeerderd met de achterstallige rente, zulks op verbeurte van een dwangsom ad Sf. 10.000,– (tienduizend gulden) te betalen aan appellante voor elke dag waarop geïntimeerde weigerachtig mocht blijken aan dit bevel te voldoen, het bedrag van Sf. 200.000,– (tweehonderd duizend gulden) niet te boven gaande;

b. Binnen drie maanden na betekening van dit vonnis, aan [persoon] wonende te [adres 3], Nederland, te betalen de som van Nf. 25.645,–( vijf en twintigduizend zeshonderd vijf en veertig Nederlandse gulden), althans de tegenwaarde in Surinaams Courant tegen de koers van de dag, vermeerderd met de achterstallige contractuele rente daarover, althans van het op dat tijdstip (van betaling) aan deze hypotheeknemer verschuldigde saldo der hoofdsom, alsmede de nog verschuldigde rente zulks op verbeurte van een dwangsom van Sf. 5000,– (vijfduizend gulden) te betalen aan appellante, voor elke dag, waarop geïntimeerde weigerachtig mocht blijken aan dit bevel te voldoen, het bedrag van Sf. 100.000,– (een honderd duizend gulden) niet te boven gaande;

Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van appellante gevallen:

– In eerste aanleg begroot op Sf. 202,50;

– In hoger beroep begroot op Sf. 613,50;

Met in begrip van het door het Hof aan haar advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van Sf. 350,–; bepalende het Hof het salaris van de advocaat van geïntimeerde eveneens op Sf. 350,–; Wijst af het meer of anders gevorderde.

SRU-HvJ-1993-3

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 13 augustus 1993
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, A.C. Veldema en E.S. Ombre).

[verzoeker], wonende in [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Wagenwegstraat no. 41, ten kantore van Mr. A.R. BAARH, advokaat door verzoeker tot gemachtigde wordt gesteld, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, (Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme) in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo, advokaat Mr. Dr. C.D. OOFT, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, bet navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, waarin hij heeft gesteld:

1. Verzoeker wenst de volgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, (Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme) in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Tourtonnelaan hoek Gravenstraat;

2. Verzoeker is ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet (geweest), zijnde hem bij resolutie d.d. 20 september I992 Bureau [nummers 1] te rekenen van 1 maart 1992 wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd eervol ontslag uit Staatsdienst verleend. Vermelde resolutie heeft verzoeker ontvangen op 15 oktober 1992;

3. Verzoeker is bij resolutie d.d. 7 mei 1990 Bureau [nummers 2] op grond van het rapport van het Centraal Staforgaan Formatiezaken en Efficiëncy van november 1987 te rekenen van 1 januari 1987 te ingedeeld in schaal 14 onder toekenning van de rang van Stafambtenaar A 3e klasse en een bezoldiging van Sf. 1.637,– per maand en de funktie van Airport Operations Officer;

4. Uit de considerans van vermelde resolutie blijkt, dat verzoeker benoemd had moeten worden tot Stafambtenaar A 2e klasse instede van Stafambtenaar A 3e klasse;

5. Verzoeker is ettelijke jaren belast geweest met het beheer van het vliegveld Zorg en Hoop en op grond van zijn dienstijver, plichtsbetrachting, de kwaliteit en het gehalte der werkzaamheden heeft de Minister van Economische Zaken in 1990 (Minister Grep) een resolutie voorbereid om verzoeker te bevorderen tot Stafambtenaar A 1e klasse schaal 15 in de funktie van Beheerder vliegveld Zorg en Hoop.

In verband met de machtsovername in 1990 heeft de President de resolutie terug gezonden naar de Minister van Economische Zaken om haar te ondertekenen. De toenmalige Minister van Economische Zaken bekrachtigde de resolutie ook met zijn handtekening in 1991;

Weer was het de machtsovergang die als spelbreker optrad en moest de resolutie terug naar de huidige Minister belast met transportzaken met name de Minister van Transport, Communicatie en Toerisme, ter contrasignering.

De betreffende bescheiden worden hierbij in fotocopie overgelegd waarvan de inhoud hier als geïnsereerd wordt beschouwd;

6. De terugzending van de resolutie had slechts tot doel de aanpassing van de namen van de funcktionarissen aan destijds vigerende en huidige omstandigheden;

7. Als gevolg van administratieve indolentie zijn de administratiefrechte-. lijke bescheiden blijven liggen op het Ministerie van Economische Zaken en na de instelling van het Ministerie van Transport, Commmunicatie en Toerisme heeft verzoeker via zijn gemachtigde en persoonlijk aangedrongen om met voortvarendheid de vermelde bescheiden (alsnog) via de gebruikelijke kanalen te zenden naar de President, helaas zonder resultaat;

8. Alsgevolg van deze nalatigheid zijdens verweerder, die een onrechtmatige daad jegens verzoeker oplevert en in strijd is met de beginselen van be-

hoorlijk bestuur is verzoeker niet op tijd dus voor zijn pensionering bevorderd/benoemd in de rang van Stafambtenaar A 1e klasse onder toekenning van de aan die rang verbonden bezoldiging volgens de overeenkomstige schaal;

9. Deze onrechtmatige daad en het handelen in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur zijdens verweerder heeft ertoe geleid dat de pensioengrondslag van verzoeker is vastgesteld overeenkomstig de rang van Stafambtenaar A 2e klasse en dito schaal en bezoldiging terwijl verzoeker aanspraak maakt op een pensioengrondslag conform de rang van Stafambtenaar A 1e klasse en dito schaal en bezoldiging;

10. Verzoeker heeft er belang bij dat hij alsnog ingedeeld wordt in de rang van Stafambtenaar A 1e klasse vanaf de resolutie de eerste keer onder Minister GREP ter vaststelling was aangeboden aan de President;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat verweerder zal worden veroordeeld die administratiefrechtelijke maatregelen te nemen waardoor verzoeker alsnog met terugwerkende kracht wordt bevorderd/ benoemd in de rang van Stafambtenaar A 1e klasse en dienovereenkomstig bezoldiging en ingeschaald onder vaststelling van zijn pensioengrondslag met dien verstande dat de ingangsdatum van vermelde bevordering/ benoeming blijvend het uit te keren pensioen aan verzoeker in overeenstemming zal doen zijn met de bovenvermelde schaal en bezoldiging e.e.a. verhoogd met de voor alle ambtenaren geldende aanpassingen van de bezoldiging met veroordeling van verweerder tot het betalen van een boete van Sf. 10.000,- voor elke dag of keer dat hij in gebreke mocht blijven met de uitvoering van het te deze te wijzen vonnis.

Tenslotte met veroordeling van verweerder in de kosten van het geding;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker bij pleidooi wijziging van het petitum heeft gevraagd in dier voege dat in het petitum in regel 2 na veroordelen een dubbele punt wordt geplaatst gevolgd door:

Primair:

Voor de laatste zin wordt opgenomen.

Subsidiair:

Tot het betalen aan verzoeker van een bedrag ad Sf. 100.000,-(EENHONDERD DUIZEND GULDEN) ter zake schade vergoeding, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift is binnen gekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist al het geen niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend, met beroep op de onsplitsbaarheid van zijn stellingen en biedt bewijs aan door alle middelen rechtens, in het bijzonder door getuigen;

2. Verweerder kan erkennen dat verzoeker gewezen ambtenaar is, die op 01 maart 1992 eervol met ontslag de dienst heeft verlaten. (Resolutie van 20 september 1992 [nummers 1 – variant]);

3. Verweerder bevestigt ook, dat bij resolutie van 07 mei 1990 Bureau [nummers 2], de gewezen ambtenaar [verzoeker], is ingedeeld in schaal 14 onder toekenning van de rang van Stafambtenaar A 3e klasse met een bezoldiging van f 1.637.– (EENDUIZEND ZESHONDERD EN ZEVEN EN DERTIG GULDEN) per maand. De benoeming vond plaats met terugwerkende kracht vanaf 01 januari 1986. De resolutie is tijdig ter kennisneming aan verzoeker gebracht en ten volle uitgevoerd overeenkomstig het Besluit dat daarin is vervat;

Thans, ruim 1½ jaar later, stelt verzoeker, zich met dit besluit niet te kunnen verenigen, althans bestrijdt hij de rechtsgeldigheid daarvan, zonder dat verzoeker eerder en tijdig, gebruik heeft gemaakt van één der rechtsmiddelen, welke te zijner beschikking staan in het Zesde Hoofdstuk van de Personeelswet, t.w. artikelen 79 tot 83.

Om deze reden is verzoeker te laat, met zijn proces bij de Ambtenarenrechter, omdat hij in strijd handeld met de voorgeschreven termijnen voor het aanleggen van een zodanige vordering e.e.a. zoals dwingend voorgeschreven in artikel 78, juncto artikel 80 van de Personeelswet. Op deze grond is reeds de eis van verzoeker niet ontvankelijk en moge verweerder daartoe concluderen, in verband met het nemen van een beslissing door Uw Hof van Justitie rechtdoende in Ambtenarenzaken;

4. Uit egards voor verzoeker en voor het rechtsprekend college, verweerder toch wel ingaan op enkele in het inleidend request door verzoeker ingenomen standpunten, welke ook door verweerder worden tegengesproken. Deze standpunten zijn neergelegd in de punten 4, 5 en 6 van het inleidend request.

Verzoeker gaat van een verkeerde veronderstelling uit, dat een considerans van een resolutie rechtscheppend zou zijn voor degene op wie het Besluit na de considerans betrekking heeft. Bij tikfouten, bij stelfouten, kan het gebeuren dat per ongeluk in plaats van het cijfer 2 het cijfer 3 of 4 wordt geslagen, of geschreven. Dit vond hier plaats.

Voorts blijkt uit de mededeling van verzoeker zelf in het 5e sustenu DAT HET CENTRAAL STAFORGAAN EN EFFICIENCY eerder had voorgesteld om verzoeker in te delen in schaal 14 onder toekenning van de rang van Stafambtenaar A 3e klasse.

Wanneer verzoeker vanuit dit advies van het Staforgaan geredeneerd zou hebben dan had verzoeker betere grond onder de voeten. Daarentegen blijkt zoals verzoeker zelf meedeelt in het 5e sustenu dat de verantwoordelijke bewindsman die uiteindelijk de Resolutie zou moeten contrasigneren en het bevoegde orgaan, de President, die zou moeten bekrachtigen, geweigerd hebben een daarna voorbereide Resolutie waarop verzoeker niet werd gebracht in schaal 14 maar in schaal 15, en ook niet werd bevorderd tot Stafambtenaar A 3e (VOORSTEL STAFORGAAN), te tekenen. Dit voorbeeld geeft aan dat de considerans gewoon een verschrijving is, indien OPZET niet in het spel is geweest, terwijl het deviëren, het deskundig advies door het STAFORGAAN gegeven, overduidelijk terzijde werd gelaten, om de ambtelijke positie van verzoeker zo gunstig mogelijk te stellen;

5. Rechtens kan gezegd worden dat de voorbereiding tot een Besluit, nog niet het constutief element is, dat door belanghebbende kan worden aangegrepen om een nieuw recht te vorderen, zolang het Besluit zelve niet is geslagen, gecontrasigneerd en bekrachtigd.

Gelijke opmerking dient gemaakt te worden ten aanzien van de punten 5 en 6 waarin verzoeker zelf in duidelijke bewoordingen, de toestand van OVERMACHT heeft geschetst welke vóór, tijdens en na de zogenaamde telefooncoup van december 1990, de besluitvorming bij de opeenvolgende regeringen en verantwoordelijke Ministers heeft beïnvloed. Met gewone woorden kan gesteld worden dat de nieuw optredende regeringen (Ministers) niet van plan waren alles te honoreren, wat vorige bewindslieden hadden voorbereid.

Niet vóór de coup, niet tijdens en ook niet nadat de coupregering naar huis was gezonden. De loyaliteit van ambtenaren c.q. destabiliserende aktie van anderen bij de wisseling van de (politieke) wacht, spelen bij deze, door verzoeker zo keurig geschetste regeringswisselingen een bijzondere grote rol, wanneer het gaat om een uiteindelijke beslissing zoals in het geval van [verzoeker].

Het is dan geen ”nonchalance” en ook geen ”indolentie”, noch ”nalatigheid” (7e en 8e sustenu) zijdens de administratie, maar het totale samenspel van beleids- en politieke factoren die het uiteindelijk besluit, dat genomen werd, heeft beïnvloed;

6. Op grond van het hierboven gestelde is verweerder dan ook van oordeel, dat de Staat rond het gebeurde, met betrekking tot de benoeming van verzoeker op 07 mei 1990 tot Stafambtenaar A 3e klasse in schaal 14 op geen enkele wijze, zich heeft schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad, en ook dat door de Staat Suriname, verweerder, in casu niet is gehandeld in strijd van enig Beginsel van Behoorlijk Bestuur.

Althans dat verweerder in geen enkel opzicht schuld heeft aan welke schade dan ook, welke verzoeker zou hebben geleden, doordat, hij bij Resolutie van 07 mei 1990 werd ingedeeld in de rang van Stafambtenaar A 3e klasse schaal 14;

7. De eis (het petitum) van verzoeker is, onverminderd het voorgaande, waarin de niet ontvankelijkheid c.q. de ongegrondheid van verzoekers vordering is daargesteld, ook niet voor toewijzing vatbaar, omdat deze valt buiten de limitatieve omschrijving van hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken kan worden gevorderd. Artikel 79 P.W. lid 5 van dit artikel is van toepassing;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker, op grond van al het voorgaande, niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering, c.q. hem deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond, niet op de Personeelswet steunende en niet bewezen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 13 januari 1993 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, verzoeker i.p., bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr. BAARH, de heer R. VLIET, Hoofd Beleidsmedewerker van het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme, namens verweerder en advokaat Mr. Dr. OOFT, gemachtigde van verweerder, in Raadkamer zijn verschenen die hebben verklaard, gelijk in het daarvan opgemaakte – als hier geïnsereerd te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof verzoeker akte zal verlenen van de wijziging van zijn eis in dier voege, dat in het petitum in regel 2 na veroordelen een dubbele punt wordt geplaatst, gevolgd door:

primair:………………….”

en dat vóór de laatste zin wordt opgenomen:

”subsidiair:

Tot het betalen aan verzoeker van een bedrag ad Sf. 100.000,-(EENHONDERD DUIZEND GULDEN) ter zake schadevergoeding, tegen behoorlijk bewijs van kwijting met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening”;

hebbende verweerder zich niet bepaaldelijk daartegen verzet;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, verzoeker in dit geding niet opkomt tegen de resolutie van 7 mei 1990 Bureau [nummers 2], aangehaald in het 3e sustenu van zijn verzoekschrift;

– dat verzoeker bepaaldelijk opkomt tegen het feit dat de concept-resolutie van oktober 1990 – in fotocopie ten processe overgelegde – niet is geëffectueerd, vóórdat hij krachtens resolutie van 20 september 1992 Bureau [nummers 1] te rekenen van 1 maart 1992 met pensioen ging;

– dat blijkens die concept-resolutie, hij – verzoeker – benoemd had moeten worden tot Stafambtenaar A 2e klasse instede van Stafambtenaar A 3e klasse; Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, vorenbedoelde concept-resolutie in de fase verkeerde, dat deze een intern-stuk is, waaraan verzoeker geen enkel recht kan ontlenen (Cfm. Vs. H.v.J. 21-2-1975 S.J. (A.) no. 142, inzake Kartomo/Suriname);

Overwegende, dat verzoekers vordering dan ook als ongegrond dient te worden afgewezen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

– Verleent verzoeker akte van de wijziging van het petitum van zijn rekest in voege als voormeld;

– Wijst de gewijzigde vordering van verzoeker zowel primair als subsidiair af;

SRU-HvJ-2000-3

M.H.
GENERALE ROL 13785

[appellante], wonende te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,
appellante,

tegen

A. [geïntimeerde 1], advokaat, kantoorhoudende aan [adres] boven, te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.E.NAARENDORP, advokaat,

B. N.V.HINDE TRADING, rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende aan de Rust en Vredestraat no.136 B, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat,
geïntimeerden,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname:
Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen van 20 juni 1997, 7 november 1997 en 8 mei 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 22 oktober 1999, nadat de zaak herhaalde malen was uitgesteld, advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens advokaat Mr.E.C.M.Hooplot heeft verklaard: ”Expeditie van het vonnis kan nog steeds niet worden overgelegd ondanks pogingen gedaan bij de Griffier der Kantongerechten”;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op 3 december 1999, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat appellante, ofschoon daartoe ettelijke keren in de gelegenheid gesteld, aan het Hof niet heeft kunnen overleggen de gevraagde expeditie van het vonnis de dato 5 juli 1991, gewezen en uitgesproken in de zaak bekend in het Algemeen Register onder nummer 91/2479, met een verklaring van de Griffier der Kantongerechten dat te harer Griffie op het daartoe bestemde Register geen aantekening voorkomt van gedaan hoger beroep gedurende de appeltermijn en derhalve niet aan het tussenvonnis van het Hof van Justitie de dato 8 mei 1998 heeft voldaan;
Overwegende, dat het Hof evenwel geen termen aanwezig acht bij gemeld tussenvonnis te volharden omdat beantwoording van de vraag of appellante van het vonnis de dato 5 juli 1991 destijds in hoger beroep is gegaan, in verband met het bepaalde in artikel 4 lid 3 van de Faillissementswet 1935 niet langer relevant te achten is;
Overwegende immers, dat gemeld vonnis van 5 juli 1991 ingevolge artikel 4 lid 3 van de Faillissementswet 1935, bij voorraad op de minuut uitvoerbaar is, niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening;
Overwegende, dat, naar als niet betwist, tussen partijen vaststaat in rechte, dat Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat bij het Hof van Justitie, bij gemeld vonnis tot curator is benoemd in het faillissement van appellante;
Overwegende, dat nu het tegendeel gesteld noch gebleken is het Hof er van uitgaat dat het faillissement niet is geëindigd c.q. opgeheven;
Overwegende, dat nu, naar het Hof gebleken is, het in het onderhavige proces niet betreft vorderingen, waarbij de boedel niet rechtstreeks betrokken is, dus die niet voor alles persoonlijke of familiebelangen van de schuldenaar betreffen, had ingevolge artikel 22 van de Faillissementswet 1935 niet appellante doch haar curator de vorderingen tegen geintimeerden moeten instellen en, nu zulks niet het geval blijkt te zijn, dient appellante alsnog niet ontvankelijk verklaard te worden in haar vorderingen;
Overwegende, dat de omstandigheid dat geintimeerden zich niet op appellante haar niet – ontvankelijkheid hebben beroepen, haar vorderingen niet kan redden, vermits het Hof ambtshalve moet onderzoeken of partijen gerechtigd zijn in rechten op te treden (cfm. Hof van Just. 6 nov. 1970 inz. Het Transportbedrijf gebroeders Moenne tegen S.B.Adhien);
Overwegende, dat nu de Kantonrechter, instede van appellante haar vorderingen met een niet – ontvankelijkheid te begroeten, appellante haar verzoek heeft geweigerd, zal het Hof, doende wat de Kantonrechter heeft nagelaten, het beroepen vonnis vernietigen en appellante haar oorspronkelijke vorderingen alsnog met een niet ontvankelijkheid begroeten, onder veroordeling van appellante als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten op dit geding aan de zijde van geintimeerden gevallen, komende de door appellante tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven door deze beslissing niet meer aan de orde;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 23 februari 1993 tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Verklaart appellante alsnog niet ontvankelijk in de door haar ingestelde vorderingen;
Veroordeelt haar in de kosten in beide instanties aan de zijde van geintimeerden gevallen en in prima begroot op
Sf.nihil;
en in hoger beroep begroot op Sf.nihil;
met inbegrip van het door het Hof aan de advokaten van geintimeerden voor de door hen gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf.3000,–;
bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op Sf.3000,–;

Aldus gewezen door de Heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 5 MEI 2000, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.Mangroelal namens haar gemachtigde, advokaat
Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerden sub A en B vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.Marica namens hun gemachtigden, advokaten Mr.E.Naarendorp en Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1993-2

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 8 oktober 1993

(Mrs. J.R. von Niesewand, A.I. Ramnewash en W.R. Willemzorg).

[verzoeker], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Mr. F.H.R. Lim A Postraat no. 1, bij het Advokatenkantoor LIM A PO, van wie Mr. F. KRUISLAND als zijn gemachtigde optreedt, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, zetelende te Paramaribo, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. Dr. C.D. OOFT, advokaat, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Ovenwegende, dat [VERZOEKER] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, waarin hij heeft gesteld:

1. Verzoeker wenst bij deze de navolgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, zetelende te Paramaribo, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 52-54, verweerder;

2. Verzoeker is op 25 november 1975 in dienst getreden van verweerder in de rang van Adjunct Onderofficier, althans onderofficier bij de Surinaamse Krijgsmacht en bij resolutie van de President van Suriname d.d.4 augustus 1978 bevorderd tot 2e Luitenant, welke resolutie hierbij wordt overgelegd;

3. Verzoeker was alstoen dan ook ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet en is zulks nog steeds, zoals uit het hiernavolgende zal blijken. In ieder geval is verzoeker gewezen ambtenaar in de zin van artikel 79 van de Personeelswet, zoals ook hierna zal blijken;

4. Bij Decreet C-l d.d. 11 september 1980 is verzoeker wegens plichtsverzuim uit staatsdienst ontslagen. Voormeld decreet is nimmer op de in artikel 5 van de Personeelswet voorgeschreven wijze ter kennis van verzoeker gebracht;

5. Het sub 4 vermelde decreet is evenwel van rechtswege nietig, althans heeft voormeld decreet ten aanzien van verzoeker geen rechtsgevolg gehad op grond van het navolgende. Vooormeld decreet is kennelijk gegeven onder vigeur van de bij Algemeen Decreet d.d.13 augustus 1980 (S.B. no. 59) afgekondigde noodtoestand voor geheel Suriname. Zulks blijkt uit het Algemeen Decreet C d.d. 14 november 1980(S.B. 1980 no.123). Wettelijke regelingen, welke een algemene strekking hebben of gericht zijn op een regeling in bet algemeen van een bepaalde materie, zoals kennelijk voormeld decreet beoogde, kunnen weliswaar onder vigeur van de noodtoestand tot stand worden gebracht door bet krachtens staatsnoodrecht optredende overheidsgezag, doch slechts in zoverre als die wettelijke regelingen of door staatsnood geboden waren of dergelijke regelingen geboden waren door de noodzaak tot rechtelijke voorzieningen in verband met zeer zwaarwichtige maatschappelijke belangen en en ter zake opheffing van de noodtoestand niet kon worden afgewacht. Verzoeker stelt met klem, dat geen van beide gronden voor optreden krachtens staatsnoodrecht aanwezig was, aangezien vooreerst plichtsverzuim van een ambtenaar bestaande in het niet verrichten van aan zijn funktie verbonden werkzaamheden de staat bepaaldelijk niet in nood brengt,en voorts, indien van dergelijk plichtsverzuim sprake was, zoals in voormeld decreet gesteld, artikel 69 van de Personeelswet alle ruimte bevatte daartegen op te treden en dus ook geen rechtelijke voorziening in verband met zwaarwichtige maatschappelijke belangen vereist was. Bovendien wijst verzoeker erop, dat ingevolge artikel 4 lid 1 sub c van het Algemeen Decreet d.d. 14 november 1980, C-decreten slechts regelingen mochten inhoudend met een min of meer permanent karakter, welk karakter geheel ontbreekt aan het sub 4 vermelde decreet.

Laatstgemeld decreet is dan ook in strijd met het staatsnoodrecht en met de procedurele regels die op dat rechtsgebied golden, indien het materieel daarmede wel in overeenstemming zou zijn;

6. Verzoeker wenst voorts met klem te stellen, dat hij, anders dan het sub 4 vermelde decreet stelt, zich niet aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt.

Immers is verzoeker vanwege gedragingen van bet toenmalige feitelijke overheidsgezag in de onmogelijkheid geweest de aan zijn funktie verbonden werkzaamheden te verrichten.

Verzoeker is toch door dat gezag vanaf 26 februari 1980 tot en met 24 maart d.a.v. gedetineerd geweest zonder enige rechtsgrond. De feitelijke grondslag van voormeld decreet is dan ook ten enen male onjuist. Daarmede is mitsdien het beginsel van behoorlijk bestuur, dat in bet algemeen rechtsbewustzijn heeft, inhoudende dat overheidsbesluiten een juiste motivering dienen te hebben geschonden;

7. Hoewel de dienstbetrekking tussen verzoeker en verweerder als officier bij de Surinaamse Krijgsmacht feitelijk sindsdien beëindigd is, heeft verzoeker recht en belang in rechte te doen vaststellen, dat het sub 4 bedoelde decreet nietig is, althans verklaard wordt nietig te zijn.

Immers maakte verzoeker aanspraak op een maandelijkse uitkering van het Koninkrijk der Nederlanden ingevolge de Regeling Financiële Voorzieningen Overgang Surinaamse Krijgsmacht (Staatsblad van bet Koninkrijk der Nederlanden 1977 no. 710), welke regeling echter in artikel 3 daarvan de voorziening bevatte, dat in geval van ontslag door eigen toedoen de uitkering kwam te vervallen, hetgeen als gevolg van voormeld decreet op verzoeker van toepassing is verklaard;

8. Verzoeker heeft bij verzoekschrift d.d. 18 november 1991, hetwelk hierbij wordt overgelegd, aan de President van de Republiek Suriname verzocht op grond van het nietig zijn van voormeld decreet hem ontslag te verlenen als 2e Luitenant bij de Surinaamse Krijgsmacht, zulks te rekenen vanaf 25 februari 1980, overeenkomstig het bepaalde in artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet.

Ingevolge artikel 28 lid 1 sub b van de Personeelswet had verweerder op uiterlijk 18 mei 1992 op voormeld verzoek moeten beslissen. Een besluit als voormeld is echter niet genomen.

Evenwel was de President tot het nemen van een besluit als voormeld gehouden, nu ingevolge artikel 69 lid 1 van de Personeelswet het verlenen van ontslag op eigen verzoek dwingend is voorgeschreven;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis:

1. Primair:

Voor recht zal worden verklaard, dat het Decreet C-l d.d. II september 1980, waarbij onder meer verzoeker wegens plichtsverzuim werd ontslagen, in elk geval te zijnen aanzien nietig en van onwaarde is en elk rechtsgevolg ontbeert.

Subsidiair:

Het Decreet C-l d.d. 11 september 1980, waarbij onder meer verzoeker wegens plichtsverzuim werd ontslagen, in elk geval te zijnen aanzien zal worden nietig verklaard.

II.Verweerder zal worden veroordeeld om binnen een maand na het in deze te wijzen vonnis of de betekening daarvan, althans binnen een door Uw Hof te bepalen termijn, aan verzoeker als 2e Luitenant, althans officier bij de Surinaalnse Krijgsmacht, ontslag te vcrlenen overeenkomstig artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet, zulks te rekenen vanaf 25 februari 1980, zulks op verbeurte van een dwangsom aan verzoeker van Sf. 250,-voor elke dag dat verrweerder nalatig mocht blijven aan voormelde veroordeling te voldoen, kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijk gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarin het navolgende wordt aangevoerd:

1.Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk en uitdnukkelijk door hem wordt erkend, met beroep op de onsplitsbaarheid van zijn stellingen en biedt bewijs aan door alle middelen rechtens, in het bijzonder door getuigen;

2. Verweerder kan erkennen, dat verzoeker gewezen ambtenaar is, en bevoegd is op de grondslag van artikel 79 van de Personeelswet zich tot het Hof van Justitie met een vordering te wenden. Niettemin wil verweerder reeds nu stellen, dat naar zijn oordeel – nader te argumenteren – verzoeker te laat is met zijn vordering en dat deze niet voldoet aan wettelijke eisen zoals gesteld in het Zesde Hoofdstuk van de Personeelswet;

3. Verweerder ontkent dat verzoeker nog steeds ambtenaar zou ziijn. Het Decreet C-l waarbij verzoeker met nog 18 andere ambtenaren werd ontslagen, heeft niet alleen rechtsgevolg gehad maar is ook feitelijk, door zowel de organen van de STAAT als door de ontslagene, stuk voor stuk gedurende 12 lange jaren geaccepteerd, althans hebben dezen zich naar het ontslag gedragen, en zich daarbij geaccommodeerd, althans zich zowel intern als extern naar buiten toe, aan de gevolgen van de Staatsgreep aangepast.

Het bevreemdt verweerder dan ook zeer dat nu, l2 jaar later, verzoeker met een vordering zich wendt tot het Hof van Justitie in zijn hoedanigheid van Ambtenarengerecht, oordelend in Eerste en Hoogste aanleg;

4. Het opstel van verzoeker in de punten4, 5 en 6 van zijn inleidend request geeft een gedachtenstroom te zien, waar geen juridische oorsprong en rechtsgevolg aan te verbinden zijn. Hier worden theorieën ontwikkeld, welke niet zijn onderbouwd en dus niet gegrond, door redegevende argumenten.

Op blz. 02 van het Request in de regels 7 t/m 11 is een opvatting neergelegd over de werking van de noodtoestand en het Staatsnoodrecht, zonder dat verzoeker aangeeft, welk positief recht of gebruik (”gewoonte recht), danwel redelijkheid of billijkheid, zijn these ondersteunen.

Wanneer verzoeker daarna een opvatting geeft over de onwettigheid van het Decreet C-l van 11 september 1980, dan rust op hem nog steeds de plicht, zulks te bewijzen;

5. Verweerder wil zijnerzijds, om de stellingen van verzoeker tegen te spreken met betrekking tot het Decreet C-1 van 11 september 1980, alsdan verwijzen naar de geldende Grondwet van de Republiek Suriname, artikel 183 daarvan, waarbij óók de Decreten die vanaf 25 februari l980 zijn uitgevaardigd, kracht van Wet hebben behouden. Dit artikel luidt alsvolgt: ”De wettelijke regelingen, zoals die bestonden voor het in werking treden van deze Grondwet, waaronder begrepen de wetten en decreten die vanaf 25 februari 1980 zijn uitgevaardigd, blijven van kracht, totdat zij door andere volgens deze Grondwet zijn vervangen, met bepaling dat zij, voor zover zij inhoudelijk in strijd zijn met de Grondwet, niet later dan aan het einde van de eerste zittingsperiode van de Nationale Assemblée met deze Grondwet in overeenstemming moeten zijn gebracht, bij gebreke waarvan zij hun rechtskracht verliezen.”(-onderstr. d. venw.).

Ten aanzien van het hierboven aangehaalde Decreet C-1, wenst verweerder tevens te stellen, alszo de opvattingen van verzoeker ten deze ten stelligste weersprekende, dat bet Decreet niet alléén kracht van wet is blijven behouden maar dat het nog altijd een wet in formele zin is, zoals alle andere Decreten bedoeld in artikel 183 van de Grondwet, en dat ook op dit Decreet van toepassing is, het gestelde in artikel 80 lid I van de Grondwet, luidende:

”De wetten zijn onschendbaar behoudens het bepaalde in artikel 106, 137 en 144 lid 2.”;

6. Op gelijke wijze zijn door verzoeker de feitelijke en de rechtstoestanden, die er ontstaan na een STAATSGREEP in hun maatschappelijkjuridisch en feitelijke gezagsverhouding, door een minder goed zicht, met elkaar verward. Verzoeker verliest daarbij uit het oog, dat direct na een STAATSGREEP – vooral nadat t.a.v. de machtsovername geen twijfels meer bestaan, de bestaande rechtsorde in die Staat wordt omgezet in een machtsorde, die als één van de duidelijke kenmerken heeft, de afwezigheid van de toepassing van marginale rechtsbeginselen, zoals die voorkomen in bijvoorbeeld de ”ALGEMENE BEGINSELEN VAN BEHOORLIJK BESTUUR”, zoals we die in Suriname kennen uit het nog altijd ongeschreven Bestuursrecht van het twee eeuwen oude Koninkrijk Der Nederlanden. Zich op deze beginselen beroepen om een bij Decreet van de nieuwe gezagdragers in 1980 verleend ontslag wegens plichtsverzuim onverbindend (nietig) te doen verklaren, kan moeilijk die relevantie met zich meebrengen, als de toepassing van die beginselen in een normale democratische rechtsstaat;

Verweerder is ook van mening dat niet het Hof van Justitie, als Ambtenarengerecht, 12 jaren na het voorval dient te worden geadieerd op zoek naar recht of onrecht ten tijde van een administratie welke gestructureerd lag onder het door verzoeker zelf aangehaald Decreet van 13 augustus 1980:

a. toen de noodtoestand werd afgekondigd;

b. toen het Militair Gezag in de plaats trad van de uitvoerende macht (President en Raad van Ministers);

c. toen de Grondwet werd opgeschort;

d. toen wetgevingsbevoegdheid werd toebedeeld aan anderen dan Parlement en Regering, waardoor het maken van Decreten een bevoegdheid werd van het Militair Gezag;

7. Verweerder spreekt met klem de opvatting van verzoeker tegen, neergelegd in het zevende sustenu van het request, dat hoewel de dienstbetrekking met de STAAT feitelijk is beëindigd – het rechtsgevolg van het ontslag wordt hier expressie verbis toegegeven – door middel van Decreet C-l, hij nog belang heeft in rechte te doen vaststellen dat het Decreet nietig zou zijn.

Hier komt de aap uit de mouw.

Verzoekers belang bij deze vordering is dus niet verbonden aan zijn dienstbetrekking als Gewezen Ambtenaar in de Republiek Suriname, maar wordt beheerst door zijn vroeger dienstverband met bet Koninkrijk Der Nederlanden, waarvan de regering (Minister van Defensie van Nederland) aan hem, verzoeker, een uitkering in het vooruitzicht heeft gesteld. Verweerder stelt ten deze dan ook met klem:

a. dat verweerder zijn recht niet moet zoeken bij de Administratieve Rechter in de Staat Suriname, maar daar waar hij zijn recht gelaten heeft, t.w. bij de Administratieve weldoeners in het Koninkrijk Der Nederlanden, die zich met verzoeker verbonden hebben tot een uitkering.

De vraag of verzoeker door eigen toedoen of niet, ontslagen is geworden, moet en kan beter in Nederland beantwoord worden. Immers heeft ten aanzien van deze vraag Nederland in ruime mate beroepsinstanties en expertise in huis;

b. de vordering (zie het petitum) is ook niet overeenkomstig de dwingende vereisten van de Personeelswet (art. 79 lid 1) en dient dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard;

c. het ”besluit” in artikel 79 van de Personeelswet, is een administratief besluit. Het ”Decretenbesluit” valt daar niet onder, omdat een Decreet van toen en nu kracht van Wet in formele zin bezit. Nietigverklaring van een formele Wet, valt ook niet onder de bevoegdheden van het Hof van Justitie, oordelende in eerste en hoogste aanleg;

d. het petitum onder punt 2 zal daarom ook noodzakelijk leiden tot niet ontvankelijkheid;

8. Ten overvloede wordt opnieuw verwezen naar de tekst van artikel 79 P.W· waarin de vorderingen, die er kunnen worden ingesteld beperkt zijn tot:

a. NIETIGVERKLARING van een daarvoor vatbaar besluit, (het Decreet C-l is daarvoor niet vatbaar).

b. SCHADE, waartoe in het petitum van verzoeker niets te vinden is.

c. DWANGSOM die wel gevraagd is maar die niet steunt hetzij op de Wet of op de uitvoering van een rechtens gegeven vonnis;

9. Daargelaten dat de vordering op andere gronden niet voor toewijzing vatbaar is, zal deze ook niet ontvankelijk zijn, omdat de vordering is ingesteld 12 jaar na de door P.W. dwingend voorgeschreven termijnen voor indienen daarvan bij het Hof van Justitie.

Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

Dat verzoeker op grond van het voorgaande niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering c.q. hem deze zal worden ontzegd, als zijnde in strijd met de Grondwet, ongegrond, niet op de Personeelswet steunende en niet bewezen;

Overwegende, dat ingevolge’s Hofs bschikking van 7 oktober 1992 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, verzoeker i.p., bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat, Mr. F. KRUISLAND, advokaat Mr. Dr. C. OOFT, gemachtigde van verweerder en de heer H.E. HAIME, Algemeen Directeur van Defensie in Raadkamer zijn verschenen, die hebben verklaard, gelijk in het daarvan opgemaakte – als hier geïnsereerd te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 16 juli 1993, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker, naar het Hof aanneemt, bij pleidooi het verzoek heeft gedaan om wijziging van het onder 11 van het medium gevorderde alsvolgt:

Verweerder zal worden veroordeeld om binnen een maand na het in deze te wijzen vonnis of de betekening daarvan, althans binnen een door Uw Hof te bepalen termijn, ten aanzien van verzoeker een besluit te nemen waarin word vastgesteld, althans waaruit blijkt, dat aan verzoeker als 2e Luitenant althans officier bij de Surinaamse Krijgsmacht ontslag is verleend, althans geacht wordt ontslag te zijn verleend wegens opheffing van zijn functie, althans op grond van de feitelijke verbreking van de dienstbetrekking tussen hem en verweerder, zulks te rekenen vanaf 25 februari 1980, zulks op verbeurte van een dwangsom aan verzoeker van f. 250,– voor elke dag dat verweerder nalatig mocht blijven aan voormelde veroordeling te voldoen;

Overwegende, dat nu verweerder zich niet tegen toewijzing van voormeld

Verzoek heeft verzet en het op de Wet is gegrond, dient het te worden ingewilligd, zullende het Hof verzoeker te dier zake akte verlenen;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans niet gemotiveerd betwist en gestaafd door de door verzoeker in het geding gebrachte niet door verweerder betwiste bescheiden tussen partijen rechtens vaststaat, dat verzoeker op 15 januari 1957 in dienst is getreden van het Koninkrijk der Nederlanden als militair en bij de onafhankelijkheid van de Republiek Suriname op 25 november 1975, in dienst is getreden van de Surinaamse Krijgsmacht, op grond waarvan verzoekers dienstverband bij de krijgsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden is beëindigd; dat verzoeker, voordien nog de rang van Adjunct Onderofficier bekledend, bij resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 4 augustus 1978 No. 6523, te rekenen van 1 november 1977 werd bevorderd tot Tweede Luitenant; dat verzoeker bij Decreet C-l van 11 september 1980 met ingang van 25 februari 1980 wegens plichtsverzuim oneervol werd ontslagen;

Overwegende, dat verzoeker onder I van het petitum primair vordert, dat voor recht zal worden verklaard, dat het Decreet C-l de dato 11 september 1980, waarbij ondermeer hij – verzoeker – wegens plichtsverzuim werd ontslagen, in elk geval te zijnen aanzien nietig en van onwaarde is en elk rechtsgevolg ontbeert, na te hebben gesteld:

– dat voormeld Decreet kennelijk gegeven is onder vigeur van de bij Algemeen Decreet A de dato 13 augustus 1980 (S.B. 1980 No. 59) afgekondigde noodtoestand voor geheel Suriname, zoals blijkt uit het Algemeen Decreet C de dato 14 november 1980 (S.B. 1980 No. 123);

– dat de wettelijke regelingen, welke een algemene strekking hebben of gericht zijn op een regeling in het Algemeen van een bepaalde materie, zoals kennelijk voormeld Decreet beoogde, weliswaar onder vigeur van de noodtoestand tot stand worden gebracht door het krachtens staatsnoodrecht optredende overheidsgezag, doch slechts in zoverre als die wettelijke regelingen of door staatsnood geboden waren of dergelijke regelingen geboden waren door de noodzaak tot rechterlijke voorzieningen in verband met zeer zwaarwichtige maatschappelijke belangen en ter zake opheffing van de noodtoestand niet kon worden afgewacht;

– dat geen van beide gronden voor optreden krachtens staatsnoodrecht aanwezig was, aangezien vooreerst plichtsverzuim van ambtenaar bestaande in het niet verrichten van aan zijn functie verbonden werkzaamheden de Staat bepaaldelijk niet in nood brengt en voorts indien van dergelijk plichtsverzuim sprake was, zoals in voormeld Decreet gesteld, artikel 69 van de Personeelswet alle ruimte bevatte daartegen op te treden en dus ook geen rechtelijke voorziening in verband met zwaarwichtige maatschappelijke belangen vereist was;

– dat voorts er op gewezen zij, dat ingevolge artikel 4 lid 1 sub c van bet Algemeen Decreet de dato 14 november 1980, C-decreten slechts regelingen mochten inhouden met een min of meer permanent karakter, welk karakter geheel ontbreekt aan bet Decreet C-l de dato 11 september 1980;

– dat Decreet C-l de dato 11 september 1980 dan ook in strijd is met het staatsnoodrecht en met de procedurele regels die op dat rechtsgebied golden, indien het materieel daarmede wel in overeenstemming zou zijn;

Overwegende, dat verweerder zich formeel op beroepen heeft, dat verzoeker niet ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vordering, omdat die vordering is ingesteld twaalf jaar na de door de Personeelswet dwingend voorgeschreven termijnen voor indiening daarvan bij het Hof van Justitie;

Overwegende, dat dit verweer als ongegrond moet worden verworpen, ziende verweerder immers over het hoofd, dat verzoeker in casu uitdrukkelijk, expliciet, een verklaring van declaratoire aard vordert, dat het Decreet C-l de dato 11 september 1980 waarbij onder meer hij – verzoeker – wegens plichtsverzuim werd ontslagen, te zijnen aanzien nietig, en van onwaarde is, welke vordering te allen tijde kan worden ingesteld mits daarbij aanwezig is een voldoende belang bij de verklaring voor recht als een onmisbaar vereiste voor het bestaan van het recht op rechtsbescherming door rechtsverkenning zonder meer;

Overwegende, dat het Hof wijders opmerkt, dat, al moge verweerder terecht hebben gesteld, dat het Decreet C-l van 11 september 1980 kracht van wet in formele zin heeft, het daarmede nog geen wet in formele zin is geworden, immers ook voor de staatsgreep van 25 februari 1980, waren al bekend staatsbesluiten niet wetskracht; het Staatsbesluit van 21 januari 1977 no. 7580, tot algehele herziening van de bepalingen omtrent de eindexamens van openbare scholen voor Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs, zoals vervat in bet Reglement voor de eindexamens van de Openbare – school voor Hoger Algemeen Vormend Onderwijs (G.B. 1971 no. 117) in een nieuwe regeling (Regeling Eindexamens H.A.V.O.-scholen 1976 (G.B. 1977 no. 4) en bet Staatsbesluit van 10 juni 1977 tot nadere wijziging van het Rijbesluit 1957 (geldende tekst G.B. 1960 no. 105, zoals laatstelijk gewijzigd bij G.B. 1974 no. 53) (S.B. 1977 no. 29), zijn daar voorbeelden van;

Overwegende dat, anders dan verweerder stelt, Decreet C-l van 11 september 1980 niet is een wet in formele zin, omdat het niet, naar verzoeker terecht stelt, in overeenstemming met de Grondwet tot stand is gebracht door de Regering en de Volksvertegenwoordiging gezamenlijk, zoals aangegeven in artikel 87 van de Grondwet van 1975, welke van kracht was op 25 februari 1980;

Overwegende immers, dat bij Algemeen Decreet A van 13 augustus 1980 (S.B. 1980 no. 59) de noodtoestand voor geheel Suriname was afgekondigd (art. 3) en tot nadere aankondiging de Grondwet geheel in haar werking geschorst (art. 4) en waren bij Algemeen Decreet A-1 van 13 augustus 1980 (S.B. 1980 no. 60) tot nader order het Parlement en de Raad van Advies buiten werking gesteld (art. 1), terwijl bij Algemeen Decreet B-l van 14 augustus 1980 (S.B. 1980 no. 61) in de benoeming van de President was voorzien(art. 1);

Overwegende, dat blijkens de doctrine, de rechter in beginsel het toetsingsrecht van wetsbesluiten heeft, hebbende hij de plicht om elke nationale regel, waarvan hem de toepassing gevraagd wordt, op zijn rechtsgeldigheid te toetsen, behalve wanneer hem dit met zoveel woorden is verboden, als in artikel 93 Grondwet (oud); artikel 80, tweede lid Grondwet;

Overwegende dat het Hof zich thans geroepen voelt tot beantwoording van de rechtens van belang zijnde vraag of wettelijke regelingen, gericht op een regeling in het algemeen van een bepaalde materie, zoals kennelijk Decreet C-l van 11 september 1980 beoogde, geboden waren door de noodzaak tot rechtelijke voorzieningen in verband met zeer zwaarwichtige maatschappelijke belangen en ter zake opheffing van de noodtoestand niet kon worden afgewacht;

Overwegende, dat het Hof, daartoe overgaande, opmerkt dat nu, aannemend dat verzoeker zich aan plichtsverzuim had schuldig gemaakt, zoals in Decreet C-l gesteld, artikel 69 van de Personeelswet, naar verzoeker onweersproken heeft gesteld, alle ruimte bood daartegen op te treden en dus geen rechtelijke voorziening in verband met zwaarwichtige belangen vereist was, de gestelde vraag ontkennend beantwoord dient te worden;

Overwegende, dat nu, naar uit het vorenoverwogene blijkt, de gebodenheid tot het stand doen komen en afkondigen van Decreet C-l van 11 september 1980, niet aanwezig kan zijn geweest, aan dit decreet verbindende kracht mag worden ontzegd;

Overwegende, dat het Hof, met voorbijgaan aan de overige daartegen gevoerde weren van formele aard als niet relevant, de gevorderde verklaring voor recht zal geven, nu het door de rechtspraak vereiste belang blijkens het in het 7e ”sustenu” van het verzoekschrift gestelde, aanwezig is;

Overwegende, dat het Hof de onder 11 van het petitum (naderhand) gewijzigde vordering eveneens zal toewijzen nu zij niet voldoende gemotiveerd b1ijkt te zijn betwist;

Overwegende, dat het Hof tenslotte nog opmerkt, zich als Burgerlijke Rechter niet onbevoegd te(hebben kunnen) verklaren van de onderhavige vorderingen kennis te nemen, doch bereid is geweest tot aanvullende rechtsbescherming, die in een geval als het onderhavige nodig is, nu de rechtsbescherming bij de ambtenaren- rechter onvoldoende is (zie n.t.v. LJAD, onder HR. NJ. ’92, 687 in AA42 (1993)4 283);

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verleent verzoeker akte van wijziging zijner vordering sub II;

I.Verklaart voor recht, dat het Decreet C-l d.d. 11 september 1980, waarbij ondermeer verzoeker wegens plichtsverzuim oneervol werd ontslagen, te zijnen aanzien nietig en van onwaarde is;

II. Veroordeelt verweerder binnen een maand na betekening van dit vonnis ten aanzien van verzoeker een besluit te nemen waarin wordt vastgesteld, dat aan verzoeker als Tweede Luitenant ontslag is verleend op grond van feitelijke verbreking van de dienstbetrekking tussen hem en verweerder, zulks te rekenen vanaf 25 februari 1980, zulks op verbeurte van een dwangsom aan verzoeker van f. 250,– voor elke dag dat verweerder nalatig mocht blijven aan voormelde veroordeling te voldoen;

Wijst af hetgeen door verzoeker meer of anders is gevorderd;

Veroordeelt verweerder in de kosten aan de zijde van verzoeker gevallen en begroot op f……;

SRU-HvJ-1993-1

Hof van Justitie

19 november 1993, G.R.13298
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, W.R. Willemzorg)

[appellant], wonende te [district 1] aan [adres 1], advocaat mr. J.G.O. Koulen, appellant in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district 1], ten deze domicilie kiezende aldaar aan de Watermolenstraat 36 beneden ten kantore van de advocaten mr. E.C.M. Hooplot en mr. H.M. Soemodihardjo, geïntimeerde in Kort Geding.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 10 mei 1993 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 18 mei 1993, waaruit blijkt van bet instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten.

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Eiser wenst de navolgende vordering in Kort Geding in te stellen tegen [appellant], wonende te [district 1] aan [adres 1];
  2. Blijkens hierbij in fotokopie overgelegd hypothecaire uittreksel, met verzoek de inhoud hiervan als hier herhaald en geïnsereerd te beschouwen, is eiser via verkoop en koop eigenaar van het pand, gelegen op het perceelland groot 337 m² en op de kaart van de landmeter R. Lieuw Kie Song d.d. 9 januari 1968 aangeduid met de letters ABCD en op diens verzamelkaart d.d. 3 januari 1968 met [nummer], deel uitmakende van de [grond], thans bekend als [adres 1];
  3. Voormeld pand wordt vanaf november 1989 door de gedaagde bewoond zonder daartoe gerechtigd te zijn c.q. van eiser toestemming te hebben verkregen;
  4. Ondanks sommaties blijft gedaagde die zonder recht of titel in het litigieuze pand verblijft, in gebreke dit pand te verlaten en te ontruimen en handelt hij jegens eiser in strijd met zijn subjectief recht, in strijd met zijn eigen rechtsplicht en in het algemeen in strijd met de zorgvuldigheid, die hem in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens eiseres persoon en goed, weshalve hij gehouden is de schade die eiser geleden heeft en nog zal lijden aan hem te vergoeden;
  5. Door verwaarlozing verkeert het litigieuze pand m slechte staat en is eiser genoodzaakt, alvorens hij daarin zijn intrek kan nemen, het pand te renoveren;
  6. Eiser heeft voorlopig zijn intrek genomen bij zijn familie in [district 2] en moet dagelijks voor zijn werk naar [district 1] afreizen. Door niet te kunnen beschikken over voormeld pand maakt eiser onnodig veel vervoerskosten;
  7. Eiser wenst thans met zijn gezin bestaande uit zijn echtgenote en vier minderjarige kinderen variërend in de leeftijd van 20 en 6 jaren zijn intrek te nemen in meergenoemd pand;
  8. Eiser heeft een spoedeisend belang om deze ernstige inbreuk op zijn eigendomsrecht stop te zetten alsmede de schade te beperken hetgeen een onverwijlde voorziening bij voorraad rechtvaardigt:

Overwegende, dar de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

    • gedaagde zal worden veroordeeld om binnen 24 uren na de uitspraak van het te dezen te wijzen vonnis het voorschreven pand te ontruimen en te verlaten met medeneming van al wie of wat zich van zijnentwege in het pand bevinden en met afgifte van de sleutels dezer ter vrij en algehele beschikking te stellen van eiser;
    • eiser zal worden gemachtigd om het pand zelf te doen ontruimen indien gedaagde hiermede in gebreke blijft, zulks desnoods met behulp van de “Sterke Arm”;

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van een produktie – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat de vordering aan eiser zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen, kosten rechtens;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van eiser tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produkties, eveneens hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij rolbeschikking een comparitie van partijen heeft gelast, welke op 19 april 1993 is gehouden, zijnde hiervan – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal opgemaakt;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 10 mei 1993 op de daarin opgenomen gronden:

De gedaagde heeft gelast per 1 september 1993 het perceel, groot 337 m², met gebouw, gelegen te [district 1] aan [adres 1], deel uitmakende van de [grond] en bekend als [nummer], te ontruimen en te verlaten met medeneming van al wie of wat zich van zijnentwege in het pand bevinden en met afgifte van de sleutels dezer ter vrije en algehele beschikking te stellen van eiser.

Eiser heeft gemachtigd om indien gedaagde in gebreke mocht blijven het voormelde pand te ontruimen, deze zelf te doen bewerkstelligen desnoods met behulp van de Sterke Arm.

Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 127,50 (eenhonderd en zevenentwintig 50/100 gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 10 mei 1993:

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel van 31 mei 1993 aan geïntimeerde aanzegmug van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat appellant tijdig in hoger beroep is gekomen tegen het vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken op 10 mei 1993:

Overwegende, dat appellant een vijftal grieven tegen het beroepen vonnis heeft aangevoerd, luidende:

Grief I:

Door de Kantonrechter is ten onrechte overwogen, dat het spoedeisend karakter der vordering blijkt uit de aard de stellingen van het inleidend rekest van geïntimeerde, destijds eiser.

Het is namelijk zo, dat geïntimeerde het litigieuze perceel waarvan de ontruiming door hem is gevorderd, hij geïntimeerde daarvan sedert het jaar 1989 de koopakte daarvan had doen verlijden en sedertdien, niets van zich heeft !aten horen en plotseling in het jaar 1993 is komen aanzetten met het Kort Geding.

Appellant is van mening, dat wanneet er inderdaad sprake zou zijn van een belang met een spoedeisend karakter hij geïntimeerde, destijds eiser, reeds toen aan de bel had moeten trekken en niet na 4 jaren later komen opdagen met een vordering in Kort Geding.

Appellant heeft dan ook als zijn verstrekkend verweer aangevoerd, dat hij sedert het jaar 1985 het litigieuze erf met gebouw van de rechtsvoorganger van geïntimeerde, zekere [naam] had gekocht en alstoen een voorschot had betaald van Sf. 50.000,– (vijftigduizend gulden) waarvan de kwijting in fotokopie door hem in het geding is gebracht. Appellant kan uit de gedragingen van geïntimeerde niet anders concluderen, dat de overdracht aan hem geïntimeerde een schijnhandeling c.q. schijnkoop betreft welke schijnhandeling c.q. schijnkoop alleen in bodemgeschil kan worden opgelost en niet in civilibus. Deze zaak kan derhalve alleen door de bodemgeschillen rechter worden opgelost

Grief II:

Door het geven van een beslissing tot ontruiming van het pand waarover de vordering loopt is appellant in een dusdanige positie komen te verkeren, dat hij zijn rechten niet adequaat kan uitoefenen, terwijl hij appellant het betreffende erf met al hetgeen daarop staat van de zogenaamde rechtsvoorganger van geïntimeerde reeds jaren voor hem geïntimeerde heeft gekocht en wel op 19 augustus 1985 en hem alstoen betaalde het bedrag van Sf. 50.000,– (vijftigduizend gulden) als voorschot en sedertdien na ontvangst van de sleutels in het huis met zijn gezin is gaan wonen en nog steeds aldaar verblijft. Geïntimeerde heeft naar zijn zeggen het gezegd perceel in het jaar 1989 van [naam] gekocht. Na de koop zwijgt geïntimeerde vreemd genoeg in alle talen en komt pas na 4 jaren en wel na het overlijden van [naam] appellant bespringen met een Kort Geding daarbij stellende, dat hij een spoedeisend belang heeft waarvoor een voorziening bij voorraad noodzakelijk is. Ook voert hij aan, dat appellant aldaar zonder enig recht of titel verblijft. Appellant heeft in zijn conclusie van antwoord betoogd deze zaak naar de bodemgeschillen rechter te verwijzen alwaar hij meer tijd heeft om zijn rechten te kunnen verdedigen.

De overdracht aan geïntimeerde betreft een schijnhandeling dan wel een schijnkoop. Appellant heeft ook de kwijting van het bedrag van Sf. 50.000,– (vijftigduizend gulden) eveneens in fotokopie overgelegd. Het ontzenuwen van een dergelijke zaak heeft veel tijd nodig waarbij getuigen verhoor en andere zaken zuilen gaan spelen. Trouwens de geïntimeerde is niet te goeder trouw. Niemand zal een onroerend goed kopen zonder dat object te hebben bekeken dan wel te hebben onderzocht of het wel vrij is van huurders etc. Je kunt tocht niet 4 jaren lang wachten voordat je jezelf als eigenaar aan de bewoners zal komen voorstellen, maar liefst met een proces in Kort Geding, terwijl je al vaak in het land vertoeft en nota bene ook een aantal gemachtigden hebt. Uit deze lakse houding van geïntimeerde blijkt, reeds meer dan duidelijk, dat er niets klopt ten aanzien van diens koop en zeker in flagrante strijd is met de logica.

Grief III:

Ondanks het feit, dat geïntimeerde in het 5e en 7e “dat” van zijn conclusie van repliek heeft onderschreven, dat appellant het onderhavig onroerend goed niet zonder enig recht of titel bewoont, door te stellen tegen appellant een coulance te betrachten, heeft de rechter met geen woord daarover gerept c.q. niet betrokken in zijn rechtsoverwegingen.

Grief IV:

Dat de comparitie van partijen welks bij rolbeschikking was gelast door de rechter ook niet het gewenste resultaat kon opleveren aangezien appellant ten dage van de comparitie wel was verschenen, terwijl geïntimeerde verstek liet gaan zonder opgaaf van redenen.

Nu geïntimeerde niet is verschenen bij de gehouden comparitie van partijen hij reeds op die grond diende te worden geacht niet te persisteren bij hetgeen door hem was aangevoerd en zijn vordering op die grond diende te worden ontzegd.

Grief V:

Dat de koopakte waarop geïntimeerde zich beroept betreffende het litigieuze erf met gebouw, door appellant wordt beticht van een schijnhandeling dan wel een schijnkoop te zijn.

Met conclusie:

dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd dan wel alsnog opnieuw rechtdoende geïntimeerde’s vordering wordt verwezen naar de bodemgeschillen rechter voor verdere behandeling, kosten rechtens;

Overwegende, dat geïntimeerde blijkens het verzoekschrift zijn belang bij een onmiddellijke voorziening aldus heeft aangeduid, dat het litigieuze pand door verwaarlozing in slechte staat verkeert en dat hij – geïntimeerde – genoodzaakt is om, alvorens daarin zijn intrek te nemen, het pand te renoveren;

dat hij – geïntimeerde – voorlopig zijn intrek heeft gnomen bij zijn familie in [district 2] en dat hij dagelijks voor zijn werk naar [district 1] moet afreizen;

Overwegende, dat appellant daartegenover betwistend, dat de voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed gevorderd wordt heeft aangevoerd, dat hem, nadat hij op 19 augustus 1985 van de heer [naam] het perceel met daaropstaand gebouw aan [adres 1] had gekocht en een voorschot van de koopsom van Sf. 50.000,– had betaald aan genoemde [naam], het gekochte feitelijk werd geleverd en hij – appellant – daar in alstoen met zijn gezin zijn intrek genomen had en aldaar nog steeds woonachtig is;

dat geïntimeerde in oktober 1989 vooromschreven onroerend goed van [naam] heeft gekocht en juridisch geleverd gekregen;

dat geïntimeerde in oktober 1989 eigenaar geworden, pas in februari 1993, dus na drie jaar en drie maanden appellant in Kort Geding aanspreekt tot ontruiming;

dat geïntimeerde de Nederlandse nationaliteit bezittend, blijkens zijn eigen opgave in de koopakte, woonachtig was aan [adres 2] te [district 1], terwijl hij volgens de Burgerlijke Stand staat ingeschreven aan [adres 3];

dat geïntimeerde, door diens opgave in [district 2] te wonen zonder enige aanduiding van nummer en plaats, waardoor appellant niet in staat is een en ander te verifiëren, misleidend bezig is;

dat geïntimeerde dan ook met klem ontkent dat appellant zijn intrek bij zijn familie op [district 2] genomen heeft en dagelijks voor zijn werk in [district 1] moet;

dat het niet juist is dat het litigieuze pand door verwaarlozing in slechte staat verkeert en dat als gevolg daarvan renovatie noodzakelijk is;

Overwegende, dat geïntimeerde tegenover voormelde stellingen van appellant zijn spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening niet nader heeft uiteengezet;

dat dit meebrengt, dat zijn stelling omtrent het spoedeisend belang, als onvoldoende gemotiveerd niet kan worden aanvaard;

Overwegende, dat de eerste grief, die geacht moet worden te zijn besproken, dan ook moet worden geacht te zijn gegrond;

dat zulks tot vernietiging van het beroepen vonnis en weigering van de gevraagde voorziening leidt, met voorbijgaan aan bespreking van de overige grieven als niet langer relevant;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, in Kort Geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 10 mei 1993, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende

Weigert alsnog de door geïntimeerde oorspronkelijk gevraagde voorzieningen;

Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van appellant gevallen:

– in eerste aanleg begroot op Sf….,..;

– in hoger beroep begroot op Sf….,..;

met inbegrip van het door het Hof aan zijn advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van Sf. 250,–;

bepalende het Hof het salaris van de advocaat van geïntimeerde eveneens op Sf. 250,–;

SRU-HvJ-1994-23

Hof van Justitie

21 januari 1994, G.R. 13272

(Mrs. J.R. von Niesewand, A.I. Ramnewash, P.G. Wolff)

[appellant], echtgenoot van [geïntimeerde], wonende aan [adres] in [district 1], advocaat mr. E. Naarendorp, appellant,

tegen

[geïntimeerde], echtgenote van appellant voornoemd, rechtens en feitelijk wonende ten huize van haar echtgenoot, aan [adres] in [district 1], advocaat mr. W.A. Richards.

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 15 juli 1991 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 9 augustus 1991, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

dat eiseres blijkens hierbij overgelegde fotokopie van het bewijs van huwelijksvoltrekking in [district 2] op 24 juli 1981 in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd met [appellant], wonende aan [adres] in [district 1];

dat uit dit huwelijk het nog in leven zijnde minderjarig kind is geboren; [naam 1], geboren te [district 3] op [geboortedatum 1];

terwijl door het opvolgend huwelijk van partijen erkend en gewettigd zijn de nog in leven zijnde minderjarige kinderen;

1. [naam 2], geboren te [district 3] op [geboortedatum 2];

2. [naam 3], geboren te [district 3] op [geboortedatum 3];

dat eiseres heeft moeten ondervinden dat haar echtgenoot staande der partijen huwelijk vleselijke gemeenschap heeft gehad met andere vrouwen, althans met een andere vrouw dan met haar eiseres en zich derhalve aan overspel heeft schuldig gemaakt;

dat eiseres op grond hiervan gerechtigd is een vordering tot echtscheiding tegen haar voormelde echtgenoot in te stellen, waartoe zij toestemming heeft verkregen bij beschikking van de Rechter d.d. 7 maart 1991;

dat haar voormelde echtgenoot in dienst is van [bedrijf] en een inkomen geniet van SSf. 1.500,– per maand;

dat eiseres in behoeftige omstandigheden verkeert en haar eerder voormelde echtgenoot niet voorziet in haar levensonderhoud en die van de minderjarigen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis tussen partijen de echtscheiding zal worden uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien;

voorts met veroordeling van de gedaagde om met eiseres over te gaan tot scheiding en deling der huwelijksgoederengemeenschap met benoeming van een Notaris voor wie, indien partijen niet binnen een bij het vonnis te bepalen termijn over de keuze van een Notaris overeenkomen, de werkzaamheden dier scheiding en deling zullen plaats hebben op deze – of de gekozen Notaris te bepalen plaats en tijd en van een onzijdige persoon om gedaagde te vertegenwoordigen, indien deze in gebreke mocht blijven op voor de scheiding en deling bepaalde plaats en tijd te verschijnen of verschenen zijnde mocht weigeren tot de scheiding en deling mede te werken wijders met bepaling van plaats en tijd waar en waarop het verhoor bedoeld bij artikel 282 Burgerlijk Wetboek zal worden gehouden, met veroordeling van gedaagde het bedrag van Sf. 100,– per maand per kind te betalen ter voorziening in hun levensonderhoud vermeerderd met de kinderbijslag, die gedaagde ten behoeve van de kinderen ontvangt of kan ontvangen, en het bedrag van Sf. 300,– per maand voor haar levensonderhoud, kosten rechtens;

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – heeft geconcludeerd:

dat de vordering van eiseres zal worden toegewezen;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 15 juli 1991 op de daarin opgenomen gronden:

de echtscheiding heeft uitgesproken tussen:

[appellant] en [geïntimeerde] gehuwd op 24 juli 1981 in [district 1], met alle wettelijke gevolgen van dien.

Heeft bepaald het verhoor der ouders, bloedverwanten en/of aangehuwden van der partijen minderjarige kinderen te weten:

1. [naam 2],

2. [naam 3] en

3. [naam 1],

allen geboren te [district 3], respectievelijk op [geboortedatum 2], [geboortedatum 1] en [geboortedatum 3], ter voorziening in de voogdij en toeziende voogdij ter Raadkamer van het Kantongerecht in het Eerste Kanton van dinsdag 12 november 1991 des voormiddags te 8.30 uur;

gedaagde heeft veroordeeld om met eiseres over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd met benoeming zo partijen niet binnen één maand nadat dit vonnis zal zijn ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de Burgerlijke Stand, anders daaromtrent zullen zijn overeengekomen, van mr. C.A. Calor notaris te Paramaribo, tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van die scheiding en deling zullen plaats hebben op de door deze of gekozen notaris te bepalen plaats en tijd van mr. H. Matawlie, advocaat te Paramaribo tot onzijdig persoon om gedaagde bij die scheiding en deling te vertegenwoordigen zo hij ingebreke blijft op de voor de scheiding en deling bepaalde tijd en plaats te verschijnen of verschenen zijnde, weigeren mocht tot de scheiding en deling mede te werken;

gedaagde heeft veroordeeld om aan eiseres ter voorziening voor haar levensonderhoud maandelijks te betalen de som van Sf. 300,– (driehonderd gulden), zulks te rekenen vanaf de dag waarop dit vonnis zal zijn ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de Burgerlijke Stand;

de proceskosten heeft gecompenseerd tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt, behoudens dat de executiekosten ten laste van gedaagde komen indien hij vrijwillig voldoet aan de hem bij dit vonnis opgedragen levensonderhoud ten behoeve van de eiseres;

het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 15 juli 1991;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Tj. Jhagroe van 18 februari 1993 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd;

Overwegende, dat ten dage voor vonnis bepaald, het Hof bij rolbeschikking overlegging van een produkties zijdens appellant heeft gelast, waarna de gemachtigde van appellant een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot overlegging produktie heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van geïntimeerde vervolgens een eveneens hier als geïnsereerd aan·te merken schriftelijke conclusie tot uitlating produktie heeft genomen, hebbende partijen vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 7 januari 1994, doch nader op heden;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat appellant tijdig in hoger beroep is gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 15 juli 1991;

Overwegende, dat appellant’s – nader te noemen de man – enige grief tegen het beroepen vonnis alsvolgt luidt:

Ten onrechte heeft de Kantonrechter aangenomen dat de nevenvordering – betreffende alimentatie – in eerste aanleg van geïntimeerde, destijds eiseres, voor toewijzing vatbaar was.

Appellant heeft zich immers alleen gerefereerd aan het oordeel van de Kantonrechter ten aanzien van de grondslag van de hoofdvordering namelijk het overspel.

De Kantonrechter heeft de nevenvordering met name de alimentatievordering zonder enige motivatie toegewezen;

met conclusie, dat het Hof, rechtdoende in hoger beroep, het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 15 juli 1991, waartegen beroep, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, de vordering van appellant (welke·vordering blijkt, niet met zoveel woorden;

kennelijk bedoelt de man dat de alimentatie vordering van de vrouw alsnog wordt afgewezen) alsvolgt zal toewijzen;

Overwegende, dat – nader te noemen: de vrouw de aangevoerde grief heeft bestreden, met conclusie dat het Hof het beroepen vonnis zal bevestigen;

Overwegende, dat naar blijkt, de man tegen de mede tegen hem ingestelde vordering, strekkende tot diens veroordeling tot betaling aan de vrouw van het bedrag van Sf. 300,– per maand voor haar levensonderhoud, in prima, geen verweer heeft gevoerd, althans die vordering onweersproken heeft gelaten;

Overwegende, dat de Kantonrechter – op grond van de feiten, die de vrouw – als eiseres – aan de onderhavige (alimentatie) vordering ten grondslag heeft gelegd, te weten:

dat haar voornoemde echtgenoot in dienst is van [bedrijf] en een inkomen geniet van Sf. 1.500,– per maand en dat zij, de vrouw – toen eiseres – in behoeftige omstandigheden verkeert en dat de man niet voorziet in haar levensonderhoud, bij diens vonnis van 15 juli 1991, de man – toen gedaagde – heeft veroordeeld aan de vrouw te betalen het bedrag van Sf. 300,– per maand, ter voorziening in haar levensonderhoud;

Overwegende, dat nu de man tegen de mede tegen hem ingestelde alimentatie-vordering in prima, in het geheel·geen verweer heeft gevoerd zou hij daartoe in hoger beroep nog wel bevoegd zijn, welke bevoegdheid door hem slechts zou kunnen worden uitgeoefend, in een der memoriën, als bedoeld in artikel 271 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

dat van deze bevoegdheid evenwel bij het houden der pleidooien, geen gebruik kan worden gemaakt, vermits een pleidooi in het algemeen een toelichting is op reeds gestelde feiten en daaraan verbonden rechtsgevolgen;

dat het doen bepleiten van een zaak ingevolge het bepaalde in artikel 281 van voormeld wetboek, niet kan omvatten, het inbrengen van nieuwe weren van rechten als bedoeld in artikel 278 lid 2 van voormeld wetboek;

dat een pleitnota als inhoudende hetgeen de advocaat ten behoeve van en voor zijn cliënt (mondeling of schriftelijk) ter toelichting van diens zaak ter terechtzitting heeft aangevoerd, geen memorie is, in de zin van artikel 271, of van artikel 274, dan wel van een stuk als bedoeld in artikel 280 van voormeld wetboek;

Overwegende, dat nu de man voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep, zijn verweer ten principale tegen de tegen hem als gedaagde door de vrouw als eiseres ingestelde (alimentatie) vordering heeft gevoerd, kan op grond van het voorgaande op dit verweer geen acht worden geslagen;

dat evenals in eerste aanleg moet ook in hoger beroep de vordering van de vrouw, als door de man niet weersproken worden aangemerkt;

dat mitsdien het vonnis waarvan beroep, als zijnde juist en conform de wettelijke regels gewezen, in hoger beroep worden bevestigd, met passering van de aangevoerde ”grief” onder compensatie van de proceskosten tussen partijen – die echtelieden waren – in hoger beroep, in dier voege, dat iedere partij haar eigen kosten draagt; (vide 1. Vs. Hof van Justitie, 2 november 1951, Surinaams Jurisprudentie 1951 no. 13; 2. Vs. Hof van Justitie, 26 september 1952, Surinaams Jurisprudentie 1952 no. 15;

Rechtdoende in hoger beroep

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 15 juli 1991, voor wat betreft de alimentatie-veroordeling, waarvan beroep;

Compenseert de proceskosten tussen partijen, die echtelieden waren, in hoger beroep gevallen, in dier voege, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

SRU-HvJ-1994-22

Hof van Justitie

04 februari 1994, G.R. 13290

(Mrs. J.R. von Niesewand, E.S. Ombre en W.R. Willemzorg).

[appellant], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt Mr. A.L. Tjon Kwan Paw, advokaat,

appellant in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende aan de Heerenstraat no. 17 boven, ten kantore van zijn raadsman, Mr. R.L. Kensmil, advokaat,

geïntimeerde in Kort Geding.

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, van 21 december 1992 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 28 december 1992, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. Eiser wenst de navolgende vordering in Kort Geding in te stellen tegen [appellant], wonende te [district] aan [adres], gedaagde;

2. Eiser is eigenaar van een autobus van het merk ”Isuzu”, bouwjaar 1988, [motornummer], [chassisnummer], welke autobus na verkrijging door eiser bij de politie te zijner name werd geregistreerd;

Ten bewijze hiervan overlegt eiser hierbij een fotocopie van het te zijner name staand voorlopige registratie bewijs van vorengenoemde voertuig met het verzoek de inhoud hiervan als ingelast en geïnsereerd te beschouwen;

3. In de maand oktober 1992 werd tussen eiser en gedaagde, die een jongere broer van hem is, afgesproken om vorenomschreven voertuig tijdelijk op naam van gedaagde te registreren, aangezien eiser ambtenaar bij de Ontvanger der Direkte Belastingen is, en registratie te zijner name van een voertuig welke krachtens een vervoerovereenkomst met het Ministerie van Onderwijs voor het vervoer van schoolkinderen wordt gebruikt, tot voor hem ongewenste gevolgen zou kunnen leiden;

4. Dat tussen partijen evenwel was afgesproken, dat vorenomschreven voertuig wederom op naam van eiser zou worden overgeschreven, nadat aan hem in februari 1993 op zijn verzoek ontslag krachtens artikel 69a van de personeelswet zou zijn verleend;

5. Eiser heeft ten dien einde een onderhandse verklaring aan gedaagde, d.d. 12 oktober 1992 afgegeven om het vorenomschreven voertuig bij de politie op naam van geregistreerde te registreren, vermeldende als oorzaak der overschrijving dat bedoelde voertuig door hem zou zijn geschonken;

6. Door gedaagde wordt thans geheel te kwader trouw, de eigendom van het ten rekeste omschreven voertuig gevorderd en heeft gedaagde revindicatoir beslag op vorenomschreven voertuig doen leggen bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie Ch. Balgobind, d.d. 24 november 1992;

Eiser overlegt hierbij als bewijs een fotocopie van vorengenoemd exploit met het verzoek deze als ingelast en geïnsereerd te beschouwen;

7. Eiser heeft evenwel nimmer de bedoeling gehad om het ten rekeste omschreven voertuig aan gedaagde in de zin der wet te schenken en hem te bevoordelen, hebbende eiser dan ook nimmer de door artikel 1701 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek dwingend vereiste notariële akte doen opmaken, weshalve de aan de vordering van gedaagde ten grondslag liggende schenking dan ook nietig is;

8. dat gedaagde dan ook nimmer eigenaar in de zin der wet van het ten rekeste omschreven voertuig is geworden, weshalve het door hem bij exploit van de deurwaarder Ch. Balgobind, d.d. 24 november 1992, gelegd revindicatoir beslag onrechtmatig is, daargelaten het feit dat aan eiser door de Kantonrechter geen toestemming is verleend om het door hem gerevindiceerde te doen weghalen uit de macht van de bezitter;

9. De kwader trouw van gedaagde blijkt voorts uit het feit, dat terwijl gedaagde zijn vorderingsrecht in zijn rekest ter bekoming van toestemming van de Kantonrechter tot het leggen van revindicatoir beslag op het voertuig baseert op een verklaring van eiser, d.d. 12 oktober 1992, waarvan hierbij een fotocopie wordt overgelegd, uit een van het Hoofd van de Verkeers-Technische Dienst van het Korps Politie afkomstig verklaring blijkt, dat vorenomschreven voertuig reeds vanaf 9 oktober 1992 op naam van gedaagde was overgeschreven.

Een fotocopie van de desbetreffende verklaring van het Hoofd voornoemd, de Majoor van Politie [naam], wordt hierbij als bewijs door eiser overgelegd;

Als gevolg hiervan wordt thans door de Afdeling Fraude van de politie tegen gedaagde een strafrechtelijk onderzoek verricht, ten gevolge waarvan op vorenomschreven voertuig als corpus delicti door de justitie eveneens beslag is gelegd;

Een copie van het proces-verbaal van ontvangst wordt hierbij eveneens als bewijs overgelegd;

10. Eiser heeft dringend belang bij een spoedeisende voorziening in Kort Geding, aangezien tussen eiser en het Ministerie van Onderwijs een vervoerscontract is gesloten om met het ten rekeste omschreven voertuig dagelijks schoolkinderen te vervoeren en onttrekking van vorenomschreven autobus aan deze bestemming tot grote financiële schade voor eiser kan leiden;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;

a. dat bij vonnis in Kort Geding gedaagde zal worden veroordeeld om het door hem op het ten rekeste omschreven gelegd revindicatoir beslag als zijnde onrechtmatig terstond na de door de Rechter, uit te spreken veroordeling of binnen een door de Rechter, in goede justitie te bepalen termijn zal worden opgeheven c.q. te doen opheffen;

b. gedaagde zal worden veroordeeld tot een dwangsom van Sf. 25.000,– per dag voor iedere dag dat hij ingebreke blijft om aan de door de Rechter, onder a uit te spreken veroordeling gevolg te geven;

c. gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding, inclusief het honorarium van eisers raadsman;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiser bij schriftelijke conclusie aanvulling van de conclusie van eis heeft verzocht in dier voege dat:

1. in het 7e sustenu van het inleidend rekest na de woorden ”ook nietig is” worde aangevuld:

”dat ook al ware het bepaalde in artikel 1701 van het Burgerlijk Wetboek in casu niet van toepassing, de door gedaagde gestelde schenkingsovereenkomst niet tot stand is gekomen, vermits de door artikel 1706 van het Burgerlijk Wetboek vereiste levering van het ten rekeste omschreven voertuig aan gedaagde nimmer heeft plaatsgevonden”;

2.2 Aanvulling van het petitum

Na het woord ”omschreven” (regel 2 van het petitum) aanvullen het woord ”Voertuig”;

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans dat de vordering moet worden afgewezen als zijnde ondeugdelijk en niet bewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van eiser tevens produktles overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 21 december 1992 op de daarin opgenomen gronden;

Heeft opgeheven bij het exploit van Ch. Balgobind, deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname d.d. 24 november 1992 gelegd revindicatoir beslag op ”een autobus van het merk ”ISUZU” bouwjaar 1988, [motornummer], [chassisnummer]”.

Het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;

Dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 21 december 1992;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder J.E. Kolf van 24 april 1993 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 17 december 1993 doch nader op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat appellant tijdig in hoger beroep is gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 21 december 1992;

Overwegende, dat appellant tegen gemeld vonnis twee grieven heeft ontwikkeld, luidende:

I. Ten onrechte heeft de Kantonrechter, zo wordt uitgegaan van de door hem appel1ant overgelegde akten van schenking van 8 en 12 oktober 1992 en van het verzekeringsbewijs van de N.V. Assuria, overwogen en beslist dat, omdat de eiser, thans geïntimeerde, geweigerd heeft de appellant de sleutels van die bus ter hand te stellen, daardoor niet van een schenking kan worden gesproken weshalve moet worden aangenomen, dat de eiser, thans geïntimeerde, terecht de opheffing van het gelegende revindicatoir beslag vordert, omdat hij, geïntimeerde, naar het voorlopig oordeel van de Kantonrechter, de eigenaar van de bovenvermelde bus is;

II. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen en beslist dat de geïntimeerde eigenaar is van de bus.

Voor zijn eigendomsrecht heeft de geïntimeerde in eerste aanleg overgelegd een voorlopig registratiebewijs van de litigieuze autobus.

De appellant merkt op dat dit registratiebewijs geen bewijs van eigendom kan zijn, aangezien de geïntimeerde in zijn conclusie van repliek onder punt 9 in eerste aanleg zelf stelt, dat de overschrijving van een voertuig in de administratie van de politie geen wijze van eigendomsverkrijging is, vermits voertuigen naar de heersende leer geen register goederen zijn.

De appellant wil tot slot naar voren brengen, dat de beslissing die de Kantonrechter inzake het eigendomsrecht van de bus heeft genomen, pas mogelijk zou zijn na een uitgebreid bewijsrechtelijk onderzoek, zodat de Kantonrechter een eindbeslissing heeft genomen, zonder een gedegen onderzoek.

De beslissing van de Kantonrechter lijdt dus aan een duidelijk motiveringsgebrek;

Overwegende, dat het Hof termen aanwezig acht voormelde grieven tegelijk te bespreken nu zij nauw verband met elkaar houden;

Overwegende, dat geïntimeerde zich, naar het Hof is gebleken, zowel in prima (vide 2e alinea van het 9e ”sustenu” van de conclusie van repliek d.d. 11 december 1992) als in hoger beroep (vide 7e ”sustenu” dupliek pleidooi d.d. 5 november 1993) heeft beroepen op bezit van de litigieuze autobus van het merk Isuzu, bouwjaar 1988, [motornummer], [chassisnummer];

– dat de bezitter van een roerend goed tegenover elk en een eigenlijk als eigenaar wordt beschouwd, zolang een ander niet een beter recht daarop bewijst, hetgeen aldus moet worden verstaan, dat er slechts dan een beter recht van een ander is, indien de ”vermeende” bezitter in werkelijkheid slechts houder is of artikel 1998 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is;

Overwegende, dat appellant naar ’s Hoven voorlopig oordeel, dan ingevolge artikel 1998 lid 1 van gemeld wetboek, feiten en omstandigheden zou moeten stellen en bij tegenspraak bewijzen, c.q. aannemelijk maken, waaruit voort vloeit, dat de stelling van geïntimeerde, als hiervoren vermeld niet juist is;

Overwegende, dat in dit verband zij opgemerkt, dat appellant zich zowel in prima als in hoger beroep erop heeft beroepen, dat geïntimeerde hem de litigieuze autobus heeft geschonken;

Overwegende, dat nog daargelaten, dat geïntimeerde heeft ontkend en is blijven ontkennen, appellant de autobus te hebben geschonken en die schenking, naar het voorlopig oordeel van het Hof, niet is komen vast te staan, bovendien nog zij opgemerkt, dat een dergelijke bewering van appellant het Hof ongeloofwaardig voorkomt;

– dat broers elkaar geen auto’s c.q. autobussen, die zeer kostbaar zijn, plegen te schenken;

– dat de door appellant gestelde, doch door geïntimeerde betwiste titel op de bus, naar ’s Hoven voorlopig oordeel, dan ook ”hoogst abnormaal” is;

– dat deze ”abnormale titel” zou moeten worden bewezen door degene die zich daarop beroept;

– dat naar ’s Hoven voorlopig oordeel, het immers veel normaler is dat de ene broer aan de andere diens auto(bus) tegen een gereduceerde, danwel ”schappelijke” prijs verkoopt of, zo niet, in bruikleen afstaat, dan dat hij hem die schenkt;

– dat toch ”het normale” een vermoeden van juistheid heeft;

Overwegende, dat nu de door appellant gestelde ”abnormale titel”, naar het voorlopig oordeel van het Hof niet is komen vast te staan c.q. aannemelijk is gemaakt, dient het beroepen vonnis, onder aanvulling en verbetering van gronden te worden bevestigd, onder verwerping van de daartegen ontwikkelde grieven als ongegrond;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding

Bevestigt onder aanvulling en verbetering van gronden, het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, in kort geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 21 december 1992, waarvan beroep,