SRU-HvJ-1994-21

Hof van Justitie
18 maart 1994, G.R. 13304

(Mrs. J.R. von Niesewand, W.R. Willemzorg, O.W. Abendanon)

Surinaamse Televisie Stichting, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Cultuurtuinlaan, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. E. Naarendorp, advocaat, appellant in de hoofdzaak en in het incident,

tegen

Het Telecommunicatie-Bedrijf Suriname (Telesur), gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt mr. F. Kruisland, advocaat, geïntimeerde in de hoofdzaak en in het incident.

De vice-president spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, van 26 januari 1993 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 9 februari 1993, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat het Telecommunicatiebedrijf Suriname als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. Eiseres wenst bij deze de navolgende vordering in te stellen tegen de Surinaamse Televisie Stichting, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Cultuurtuinlaan, gedaagde;

2. Gedaagde heeft in november 1975, althans in het jaar 1975, althans in het jaar 1976, met het landsbedrijf Lands Telegraaf en Telefoonbedrijf een overeenkomst gesloten tot het overbrengen van door gedaagde via haar televisiezender uitgezonden beelden naar de districten in Suriname, in het bijzonder de buitendistricten, middels het gebruik van het microwavelink van voormeld landsbedrijf tegen betaling van het terzake toepasselijke tarief, zoals onder meer aangegeven in het schrijven van voormeld landsbedrijf aan gedaagde d.d. 6 december 1975, hetgeen een vergoeding inhield van tenminste Sf. 157.680,– (eenhonderd zevenenvijftig duizend zeshonderd en tachtig gulden) per jaar;

3. Ingevolge artikel 19 van het Decreet Telecommunicatiebedrijf Suriname (SB 1980 no. 140) is voormelde overeenkomst en alle daaruit voortvloeiende rechten, aanspraken en verplichtingen overgegaan op eiseres, zulks te rekenen vanaf 1 januari 1981;

4. Gedaagde heeft in de periode 1975 – april 1992 slechts een bedrag van Sf. 600.000,– (zeshonderd duizend gulden) terzake van het sub 2 gestelde voldaan aan eiseres en/of voormeld landsbedrijf;

5. Blijkens de hierbij overgelegde staat, waarvan verzocht wordt de inhoud als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen, is gedaagde aan eiseres dan ook alsnog verschuldigd een bedrag van Sf. 1.508.713,37 (een miljoen vijfhonderd en achtduizend zevenhonderd dertien 37/100 gulden);

6. Eiseres kan van gedaagde geen betaling van het sub 5 vermelde bedrag bekomen ondanks herhaalde aanmaningen aan gedaagde;

7. Eiseres heeft dan ook recht en belang betaling van het sub 5 vermelde bedrag in rechte te vorderen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van Sf. 1.508.713,37 (een miljoen vijfhonderd en achtduizend zevenhonderd dertien 37/100 gulden) met de wettelijke interessen daarover ad 6% ’s jaars vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening.

Kosten rechtens;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke incidentele conclusie tot vrijwaring heeft genomen waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage bepaald voor het nemen van een conclusie van antwoord in het incident en tot uitlating in de hoofdzaak de gemachtigde van eiseres een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 26 januari 1993 op de daarin opgenomen gronden,

In de hoofdzaak:

Gedaagde heeft veroordeeld om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van Sf. 1.508.713,37 (een miljoen vijfhonderd en achtduizend zevenhonderd dertien 37/100 gulden), vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar vanaf 10 juli 1992, tot aan de dag der algehele voldoening;

Dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 203,75 (tweehonderd en drie 75/100 gulden);

In het incident:

Gedaagde niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar gestelde vordering;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal de Surinaamse Televisie Stichting in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 26 januari 1993;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel van 31 mei 1993 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
In het incident:

Overwegende, dat in artikel 71 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering anders dan in artikel 68 van het Nederlands Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald, de verweerder die vermeent gronden te hebben om van iemand vrijwaring te vorderen, bevoegd is de Rechter te verzoeken, onder aanvoering van gronden, de oproeping van die persoon te bevelen bij schriftuur van antwoord of bij mondeling antwoord;

Overwegende, dat in bovenvermeld artikel voorts staat, dat bij toewijzing van het verzoek de Rechter, met inachtneming van de daarvoor aangegeven termijn een nadere rechtsdag bepaalt, waarop het rechtsgeding zal worden voortgezet en de oproeping van de waarborg met gelijktijdige uitreiking van een afschrift van het antwoord gelast;

Overwegende voorts, dat in artikel 72 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald, dat, indien het verzoek tot vrijwaring op de bovengemelde rechtsdag niet is gedaan, zonder uitstel in de oorspronkelijke zaak wordt voortgeprocedeerd;

Overwegende, dat uit het hierboven aangehaalde volgt, dat de verweerder in de hoofdzaak of oorspronkelijke zaak slechts bevoegd is verzoek tot oproeping van iemand in vrijwaring te doen tegelijk met het nemen van het schriftuur van antwoord of bij zijn mondeling antwoord in de hoofdzaak en, ingeval de oproeping in vrijwaring door de Rechter wordt gelast, aan de waarborg een afschrift van het antwoord wordt uitgereikt;

Overwegende, dat waar appellante in de hoofdzaak nog geen schriftuur van antwoord had genomen, zij niet gerechtigd was het verzoek te doen om de Staat Suriname in vrijwaring op te roepen, aangezien het de Rechter niet mogelijk was, bij toewijzing van het verzoek, de Staat Suriname een afschrift van de conclusie van antwoord uit te reiken zoals voorgeschreven in artikel 71 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

Overwegende, dat waar artikel 72 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt, dat indien het verzoek niet op bovengemelde rechtsdag, in casu bij het nemen van de conclusie van antwoord is gedaan, in de oorspronkelijke zaak wordt voort geprocedeerd, de appellante terecht niet-ontvankelijk werd verklaard in haar vordering;

In de hoofdzaak:

Overwegende, dat de oorspronkelijke gedaagde op de tegen haar ingestelde vordering in eerste aanleg zich niet verweerd hebbende, ingevolge het bepaalde in artikel 278 lid 2 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd is om in hoger beroep nieuwe verweren van rechten in te brengen, mits deze een verdediging op de hoofdzaak opleveren en niet in het geding ter eerste instantie zijn gedekt;

Overwegende, dat appellante, waar zij als gedaagde in het geheel geen verweer op de tegen haar door de geïntimeerde als eiser ingestelde vordering in eerste aanleg heeft gevoerd, op grond van de aangehaalde wetsbepaling in hoger beroep daartoe wel bevoegd is, kunnende niet worden aangenomen, dat haar verweer in hoger beroep gedekt is, doordat zij in gebreke is gebleven om in eerste aanleg op enigerlei wijze op de eis te antwoorden;

Overwegende echter, dat deze bevoegdheid in hoger beroep door de appellante slechts kan worden uitgeoefend in een der memoriën, als bedoeld in artikel 271 van vermeld Wetboek;

Overwegende, dat van deze bevoegdheid bij het houden der pleidooien evenwel geen gebruik kan worden gemaakt, vermits een pleidooi in het algemeen een toelichting is op reeds gestelde feiten en daaraan verbonden rechtsgevolgen en dat het doen bepleiten van een zaak ingevolge het bepaalde in artikel 281 van vermeld Wetboek niet kan omvatten het inbrengen van nieuwe verweren van rechten als bedoeld in artikel 278 lid 2 van vermeld Wetboek en een pleitnota als inhoudende hetgeen de advocaat ten behoeve van en voor zijn cliënt mondeling ter toelichting van diens zaak ter terechtzitting heeft aangevoerd, geen memorie in de zin van artikel 271 of van artikel 274 dan wel een stuk als bedoeld in artikel 280 van vermeld Wetboek is;

Overwegende, dat nu appellante voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep haar verweer ten principale tegen de haar als gedaagde door de geïntimeerde als eiser ingestelde vordering heeft gevoerd, op grond van de voorgaande overwegingen op dit verweer geen acht kan worden geslagen en de appellante ook in hoger beroep niet geacht kan worden op de vermelde vordering te hebben geantwoord;

Overwegende, dat derhalve evenals in eerste aanleg ook in hoger beroep de vordering van de eiser –geïntimeerde – als door gedaagde – appellante – niet weersproken moet worden aangemerkt (cfm. vs. H.v.J. d.d. 3 september 1954 G.A.E. Cyrus c/a C.J. Ognelodh, G.R No. 6999) O;

Overwegende evenwel, dat het beroepen vonnis, naar het Hof is gebleken, niet juist en niet conform de wettelijke regeling is gewezen, zijnde artikel 65, 3° van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtvordering niet in acht genomen wegens algeheel gemis van redengeving.

Overwegende echter, dat nu het Hof gedaan heeft wat de Kantonrechter heeft nagelaten, het beroepen vonnis onder aanvulling van rechtsgronden zal worden bevestigd;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep
In het incident:

Bevestigt onder aanvulling van rechtsgronden het vonnis d.d. 26 januari 1993, tussen partijen in het incident gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

In de hoofdzaak:

Bevestigt onder aanvulling van rechtsgronden het vonnis, gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton van 26 januari 1993 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen de geïntimeerde als eiser en de appellante als gedaagde;

Veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen met inbegrip van het door het Hof aan haar advocaat voor het gehouden pleidooi toegekende salaris ad Sf. 500,–, begroot op Sf. 500,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellante eveneens op Sf. 500,–.

SRU-HvJ-1994-20

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 15 april 1994
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, en E.S. Ombre)

[verzoeker], wonende te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr. E.C.M. HOOPLOT, advokaat, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr. C.D. OOFT, advokaat, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 68.

2. dat verzoeker blijkens hierbij in fotocopie overgelegde resolutie van de President van Suriname d.d. 19 april 1984 Bureau [nummers 1] te rekenen van 1 oktober 1983 eervol ontslag is verleend uit de militaire dienst en tegelijk op het centraal kantoor van het Ministerie van Leger en Politie is aangesteld in de rang van stafambtenaar B le klasse.

Blijkens de considerans van voormelde resolutie was het de bedoeling dat verzoeker op het centraal kantoor zou worden belast met werkzaamheden van niet militaire aard, welke werkzaamheden verzoeker nooit heeft opgedragen gekregen;

3. dat verzoeker zijn salaris en andere emolumenten steeds heeft uitbetaald gekregen, totdat deze uitbetaling per ultimo juli 1990 voorlopig werd stopgezet nadat verzoeker door de direkteur van Defensie werd uitgenodigd om over zijn rechtspositie te praten.

Verzoeker en de direkteur hebben elkaar steeds misgelopen, waarna de direkteur hem bij schrijven van 24 juli 1990 heeft uitgenodigd om zich ”met onmiddellijke ingang op het Ministerie van Defensie aan te melden voor diensthervatting;

4. dat verzoeker zich toen op het standpunt heeft gesteld dat van hem niet kan worden verlangd dat hij werkzaamheden zou verrichten terwijl zijn salaris opzettelijk is stopgezet, althans niet aan hem werd uitbetaald.

Verzoeker heeft op 25 juli 1990 de direkteur uitdrukkelijk medegedeeld bereid te zijn tot werkhervatting, zodra zijn salaris aan hem zou worden uitbetaald.

Als reactie hierop heeft de Direkteur van Defensie, eerst bij schrijven van 21 augustus 1990 welke verzoeker eerst veel later heeft ontvangen, verzoeker plichtsverzuim verweten en hem aangezegd zich te verweren terzake van het feit ”dat hij zich niet zou hebben aangemeld voor werkhervatting, doch instede daarvan hem heeft bericht alsvolgt: “Derhalve zal ik tot 1 augustus geen gebruik maken van Uw uitnodiging tot diensthervatting en mij op een andere manier financieel veilig stellen etc. …”.

Van verzoeker werd verlangd dat hij zich terzake binnen 48 uur schriftelijk moest verweren.

Bij schrijven van 27 augustus 1990 heeft verzoeker gereageerd op de beschuldiging van plichtsverzuim te hebben gepleegd hebbende hij deze beschuldiging van de hand gewezen, omdat hij terecht meende niet tot prestatie verplicht te zijn nu zijn salaris geheel ongegrond aan hem werd onthouden.

Gelet voorts op de strekking van zijn aanstellingsbeschikking (zie considerans) meende verzoeker terecht te mogen vragen waar hij te werk gesteld zou worden en wat zijn taakomschrijving was, zulks teneinde te voorkomen dat in strijd met de resolutie aan verzoeker wel werkzaamheden van militaire aard zouden worden opgedragen;

5. dat verzoeker hierna niets van de Direkteur heeft vernomen, doch dat nog steeds zijn salaris niet werd uitbetaald, zulks ondanks zijn, zij het voorwaardelijke bereidheid tot werken.

Omstreeks medio oktober 1991 heeft verzoeker zich persoonlijk vervoegd bij de onder-Direkteur van Defensie om zich te beklagen over het feit dat zijn salaris nog steeds niet aan hem werd uitgekeerd en dat hij niet tot werken in staat werd gesteld en hoewel de stopzetting als voorlopige maatregel was bedoeld.

De voornoemde onder-Direkteur heeft verzoeker toen toegezegd dat zijn salaris aan hem zou worden uitbetaald, doch dat hij rustig thuis moest wachten op nadere instructies. Verweerder heeft inderdaad per ultimo december 1991 alle achterstallige salaris ontvangen tot en met december 1991 en bleef dus wachten op nadere instructies;

6. dat echter per ultimo januari 1992 de uitbetaling van het salaris aan verzoeker opnieuw werd stopgezet en toen hij zich op het Ministerie voor informatie vervoegde werd hem op 7 februari 1992 door de Militair direkteur van het Ministerie van Defensie bijgaande fotocopie van de resolutie van 28 augustus 1991 [nummers 2] uitgereikt, waarbij aan verzoeker de tuchtstraf van schorsing met stilstand van bezoldiging voor de duur van 3 (drie) dagen werd opgelegd en voorts werd bepaald dat over de niet gewerkte dagen te rekenen van 25 juli 1990 aan verzoeker geen salaris zal worden uitbetaald.

Verzoeker heeft eerder geen kennis gedragen van deze resolutie;

7. dat voormeld besluit voor wat betreft de wijze van tot standkoming is genomen in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur.

Immers is verzoeker niet door het bevoegd gezag gehoord, althans in de gelegenheid gesteld zich te verweren.

Ten opzichte van verzoeker is de President het bevoegd gezag en niet de Direkteur van Defensie;

8. ook indien voormelde Direkteur krachtens delegatie het bevoegd gezag zou zijn – quod non – dan is de overweging in de resolutie dat verzoeker op het schrijven van deze Direkteur niet zou hebben gereageerd ongegrond en onjuist.

Verzoeker heeft deze reaktie bij schrijven van 29 augustus 1991 hierboven reeds aangehaald, ontkennende hij dat hij de brief van de direkteur heeft ontvangen op 21 augustus 1991;

9. dat het niet in overeenstemming is met de beginselen van behoorlijk bestuur dat de gedaagde vanaf de maand augustus 1990 wacht met het nemen van een besluit terzake van aan verzoeker reeds voor die datum verweten plichtsverzuim en dat dit besluit eerst ruim een jaar daarna op 28 augustus 1991 neemt en bovendien verzoeker eerst bijkans 6 (zes) maanden na de dagtekening van het besluit daarvan in kennis stelt;

10. dat verweerder, alle vorengestelde feiten en omstandigheden in aanmerking genomen en bij afweging van belangen in redelijkheid niet tot het onderwerpelijk besluit had kunnen komen, zijnde dit besluit in strijd met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur waaronder in het bijzonder, de beginselen van rechtszekerheid, van eerlijke en gelijke behandeling, het beginsel van hoor en wederhoor, het beginsel van de draagkrachtigde motivering, wordende met deze opsomming geen enkel beginsel uitgesloten.

In ieder geval zijn de in het besluit t.o.v. verzoeker getroffen maatregelen niet in redelijke verhouding tot de ernst en de gevolgen het aan verzoeker verweten plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat nietig zal worden verklaard althans zal worden vernietigd het besluit van verweerder vervat in de resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 28 augustus 1991, [nummers 2], meer speciaal voor wat betreft de daarin opgelegde tuchtstraf en het achteraf genomen besluit dat vanaf 25 juli 1990 aan verzoeker geen salaris zal worden uitbetaald, kosten rechtens;

Overwegende, dat van DE STAAT SURINAME binnen de bij de Wet gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarin als verweer is aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk uitdrukkelijk door hem wordt erkend, met beroep op de onsplitsbaarheid van zijn stellingen en biedt bewijs aan door allen middelen rechtens, in het bijzonder door getuigen;

2. Verweerder kan bevestigen dat aan verzoeker bij Resolutie van 19 april 1984, te rekenen vanaf 01 oktober 1983 eervol ontslag is verleend uit de Militaire Dienst met gelijktijdige aanstelling in de rang van Stafambtenaar 1e klasse op het Ministerie van Leger en Politie;

3. Na de overgang (uit de actieve Militaire dienst naar de ambtelijke bureaudienst) doen zich dan in de rechtsverhouding tussen verzoeker en DE STAAT SURINAME (verweerder), een aantal feiten en omstandigheden voor.

Verweerder beschrijft deze feiten en voorvallen breedvoerig in de punten 3, 4 en 5 van zijn inleidend request.

Hij doet dit subjectief als belanghebbende, om dan in zijn petitum aan het Hof van Justitie te vragen nietig·te verklaren, het besluit vervat in de Resolutie van 28 augustus 1991 [nummers 2 – variant];

4. Verweerder doet zijnerzijds hier summier zeggen:

a. Het is een feit dat tussen 1980/1990 de rechtsorde in Suriname niet altijd steun en grondslag vond in de rechtsstaat gedachte, namelijk dat in de rechtsstaat, ook de macht van gezagsdragers wordt beperkt door regels van Recht;

Deze omstandigheid, creëerde voor het Nationaal Leger en de manschappen daarin, een positie, die enerzijds wel kon steunen op de Wet en het Recht, maar welke daarna en soms daarnaast één van Wet en Recht vervreemde dimensie bezat. Uit deze ”school” van ’s landsdienaren is ook [verzoeker], voortgekomen.

Zijn subjectieve opvatting van wat een ambtenaar·rechtens is toegestaan en wat niet, c.q. wat in de ambtelijke verhouding mag en niet mag, blijkt vooral in de weergave van het feitenmateriaal neergelegd, in het Inleidend request in de punten 6, 7, 8 en 9;

b. Dan komt er omstreeks 1990 een ommekeer in de rechtsorde (Grondwet en gekozen Parlement) en in de Gezagscentra, te weten daar waar het Militair Gezag van voorheen (1980/1989) plaats moet maken voor het Ministerieel Gezag (Minister van Defensie 1989/1990);

c. Verzoeker blijkt na de overgang van de actieve militaire dienst naar de ambtelijke/administratieve dienst, in werkelijkheid, vanaf 01 oktober 1983 niet te hebben gewerkt c.q. niet aan het werk te zijn geweest, aldus geen prestatie te hebben geleverd voor het maandelijkse salaris dat aan hem gedurende 6 (zes) jaren lang is uitgekeerd;

d. Pas in 1989/1990 hebben de nieuwe beleidmakers en niet van het toenmalige militair gezag afhankelijke bestuurders, ten aanzien van verzoeker een nieuw beleid uitgestippeld.

Dit beleid richtte zich vooral op het onverantwoordelijk blijven uitkeren van honorarium aan verzoeker die geen ambtelijke prestaties leverde, maar die daartoe wel verplicht was;

Verzoeker is één van de eersten die dan ook overeenkomstig de regels van onder meer de Personeelswet werd aangemaand, zich aan te melden voor dienst op het Ministerie van Defensie.

Dit vond plaats bij schrijven van de Direkteur van Defensie van 24 juli 1990 [nummer 3];

5. De ambtenaar [verzoeker] heeft vermoedelijk toen niet begrepen waar het in rechte om ging, heeft de nieuwe wind niet voelen waaien en heeft geweigerd te voldoen aan deze opdracht van zijn superieuren;

De eerste sanctie op dit plichtsverzuim van verzoeker was de voorlopige stopzetting van zijn salaris (waarvoor hij al niet werkte), hetgeen hem door de Direkteur van het Departement werd meegedeeld in dezelfde brief van 24 juli 1990 [nummer 3], hier bijgevoegd.

Verzoeker heeft zich duidelijk op een verkeerd standpunt gesteld, wanneer hij in zijn request zegt: ”dat van hem niet kan worden verlangd, dat hij werkzaamheden zou verrichten, terwijl zijn salaris niet aan hem werd uitbetaald”.

Verzoeker gaat, al of niet opzettelijk, voorbij aan het beginsel ”no work no pay” in artikel 28 lid 3 Personeelswet neergelegd.

Toen volgde terecht, de bekende Resolutie van 28 augustus 1991 [nummers 2 – variant] en werd aan verzoeker verder geen salaris uitgekeerd.

Met het voorgaande wordt de stellingname van verweerder in de punten 3 en 4 als onjuist door verweerder verworpen.

Ter oriëntatie van het Hof van Justitie worden hieronder nog enkele feiten gememoreerd die in onze gemeenschap algemeen bekend zijn:

a. Eiser is vanaf 01 januari 1984 gemachtigde van het schoonmaakbedrijf ANBA door hem en zijn echtgenote gesticht en gedreven.

b. Op 01 februari 1990 is door eiser, de heer [verzoeker], gesticht het [bedrijf], waarvan hij eigenaar en direkteur is.

Uittreksel terzake van de Kamer van Koophandel worden hier bijgevoegd ter kennisneming.

6. De zienswijze van verzoeker, dat hij niet gehoord zou zijn (punt 7 van zijn Inleidend request) althans niet behoorlijk is opgeroepen, mist feitelijke grondslag en wordt hierbij nadrukkelijk tegengesproken. De direkteuren van Departementen en zelfs hoofden van Administratieve diensten hebben steeds mandaat, om een zodanige oproep te doen aan het leger personeel.

Van strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur is er dan ook geen sprake.

De opvatting van verzoeker dat hij niet door het bevoegde gezag is gehoord is ook onjuist.

In zijn eigen mededeling, punten 3 en 4 van zijn Inleidend request alinea 2, zegt verzoeker, dat de direkteur hem had aangezegd dat hij zich moest verweren en dat hij dit niet heeft gedaan, doch in stede daarvan hem heeft bericht alsvolgt:

”Derhalve zal ik tot 01 augustus geen gebruik maken van Uw uitnodiging tot dienst hervatting en mij op één en ander manier financieel veilig stellen”.

Deze eigenhandig geschreven brief van [verzoeker], d.d. 25 juli 1990 wordt hierbij aan Uw Hof overgelegd, met verzoek deze als hierbij geïnsereerd en deeluitmakende van dit verweer te willen beschouwen.

Ook deelt verzoeker zelf mee, dat hij wist dat van hem werd verlangd, dat hij zich terzake binnen 48 (acht en veertig) uren schriftelijk moest verweren;

7. De mededeling van requestrant in zijn verzoekschrift in de punten 5 en 6 laten zien, hoe onordelijk en zelfs in strijd met het Recht, d.w.z. zijn bevoegdheid, een Militair-Onderdirekteur op het Ministerie van Defensie, een eerder door de Minister van Defensie, stopgezette (salaris)uitkering aan [verzoeker] heeft genegeerd, en volkomen onbevoegd heeft bewerkstelligd dat verzoeker die niet aan het werk kwam, en die dagelijks aan twee eigen particuliere bedrijven leiding geeft, toch zijn salaris kreeg uitgekeerd vanaf oktober 1991 tot en met december 1991.

Te dien aanzien wordt Uw Hof aangeboden, de brief van de Onder-Direkteur van Defensie (Luit. Kol. dhr. D.L. KAMPERVEEN) d.d. 10 oktober 1991 aan de heer [verzoeker], welke tot grondslag heeft gediend om aan betrokkene ondanks de brief van de Minister van Defensie d.d. 24 juli 1990 [nummer 4] (eerder aangehaald), toch nog verzoeker aan zijn salaris te helpen;

8. Verweerder spreekt de opvattingen van verzoeker, neergelegd in de punten 8 en 9 van het Inleidend request van verzoeker, tegen zoals eerder bleek, wilde verzoeker wel aan het werk onder de volgende voorwaarden:

1. Eerst moet zijn salaris binnen een week aan hem worden uitbetaald;

2. Hij wil uitsluitend op het Ministerie van Defensie aan de Gravenstraat werkzaam zijn;

3. Hij wil uitsluitend werkzaamheden verrichten van niet militaire aard. Van onbehoorlijk bestuur zijdens DE STAAT is hier geen sprake.

9. Verweerder doet tenslotte zeggen, dat hij op geen enkel wijze, enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden door te besluiten zoals de President deed in zijn Resolutie van 28 augustus 1991 [nummers 2];

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering c.q. hem deze zal worden ontzegd, alszijnde ongegrond, niet op de Personeelswet steunende en niet bewezen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 8 juni 1992 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr. E.C.M. HOOPLOT, advokaat Mr.Dr. C.D. OOFT, gemachtigde van verweerder en de heer H.H. HAIME, Direkteur van het Ministerie van Defensie, die hebben verklaard, gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna zij vonnis hebben gevraagd;

Overwegende, dat door het Hof bij rolbeschikking d.d. 7 januari 1994 overlegging van parlementaire stukken is gelast, welke stukken zijn overgelegd door de Griffier van het Hof van Justitie en waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat partijen zich hierna ten aanzien van voormelde stukken hebben gerefereerd en vonnis gevraagd, waarvan uitspraak aanvankelijk was bepaaad op 4 maart 1994, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker het Hof tijdig heeft geadieerd, opkomende tegen de resolutie van de President van de Republiek Suriname van 28 augustus 1991, Ministerie van Defensie, Bureau [nummers 2], zijnde het tegendeel gesteld noch gebleken;

Overwegende, dat de, ingevolge Rolbeschikking van het Hof d.d. 7 januari 1994, door het Hof verlangde parlementaire stukken betrekking hebbende op artikel 30 e.v. van de Personeelswet, door de Griffier van het Hof aan de Griffier van de Nationale Assemblée, zijn opgevraagd en door laatstgenoemde aan het Hof toegezonden, hebbende partijen zich met betrekking tot de inhoud dier stukken (mondeling) aan het oordeel van het Hof gerefereerd;

Overwegende, dat verzoeker op gronden in zijn verzoekschrift vermeld, heeft gevorderd, dat het Hof moge behagen om, optredende als Ambtenarengerecht, nietig te verklaren althans te vernietigen het besluit van verweerder vervat in de resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 28 augustus 1991 [nummers 2], meer speciaal voor wat betreft de daarin opgelegde tuchtstraf en het achteraf genomen besluit dat vanaf 25 juli 1990 aan verzoeker geen salaris zal worden uitbetaald, kosten rechtens;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet danwel onvoldoende weersproken, rechtens tussen partijen vaststaat:

1. – dat verzoeker blijkens in fotocopie overgelegde resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 19 april 1983 eervol ontslag is verleend uit Militaire dienst en tegelijk op het centraal kantoor van het Ministerie van Leger en Politie is aangesteld in de rang Stafambtenaar B 1e klasse en dat het blijkens de considerans van voormelde resolutie de bedoeling was dat verzoeker op het centraal kantoor zou worden belast met werkzaamheden van niet militaire aard;

2. – dat verzoeker zijn salaris en andere emolumenten steeds heeft uitbetaald gekregen, totdat deze uitbetaling per ultimo juli 1990 voorlopig werd stopgezet, nadat verzoeker door de Direkteur van Defensie werd uitgenodigd om over zijn rechtspositie te praten;

3. – dat het gesprek tussen verzoeker en de direkteur voornoemd over de door verzoeker te verrichten werkzaamheden niet tot het voor betrokkene gewenste resultaat heeft geleid;

4. – dat verzoeker dan ook geen werkzaamheden heeft verricht, hoewel naar hij onbetwist stelt, zich daartoe bereid toonde, zoudende verzoeker immers – aldus de considerans van de resolutie van 19 april 1984 op het centraal kantoor worden belast met werkzaamheden van niet militaire aard, de welke hij – wat daarvan ook moge zijn – niet aangeboden kreeg;

5. – dat verzoeker bij schrijven van de Direkteur van Defensie d.d. 21 augustus 1990 werd aangeschreven zich te verweren terzake het feit dat hij zich niet zou hebben aangemeld voor werkzaamheden;

6. Overwegende, dat volgens de gewraakte resolutie van 28 augustus 1991, verzoeker werd uitgenodigd zich te verweren, hebbende hij van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt;

7. Overwegende, dat als door verzoeker gesteld en door verweerder niet betwist, althans niet gemotiveerd, rechtens is komen vast te staan, dat verzoeker zich naar aanleiding van het schrijven van de Direkteur van Defensie, wel heeft verweerd en wel bij brief van 27 augustus 1990;

8. Overwegende, dat het besluit tot oplegging van de tuchtstraf van schorsing van verzoeker dan ook niet op een deugdelijke feitelijke grondslag berust;

8a. – dat het Hof opmerkt, dat de landsdienaar bij het opleggen van een tuchtstraf niet door het bevoegde gezag behoeft te worden gehoord, geschiedende zulks immers veelal door de directe Chef van betrokken landsdienaar;

9. Overwegende, dat de Personeelswet (P.W.)·geen bepaling bevat over de termijn waarbinnen een tuchtstraf moet worden.opgelegd (zo daartoe wordt besloten!);

9a. – dat evenwel de ten aanzien van een landsdienaar in acht te nemen zorgvuldigheid met zich brengt, dat een dergelijk besluit binnen een redelijke termijn wordt genomen;

9b. – dat de termijn van bijkans een jaar na het verweer van verzoeker, naar ’s Hoven oordeel, als te lang moet worden aangemerkt, nu geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken, die tot een andere conclusie zouden leiden;

10. Overwegende, dat ook op deze grond het gewraakte besluit tot oplegging van een tuchtstraf nietig is;

11. Overwegende, dat de vraag dient te worden gesteld en beantwoord, of verzoeker vanaf 25 juli 1990 onwettig van zijn werk afwezig was;

11a. – dat verzoeker als reden voor het niet voldoen aan de uitnodiging tot onmiddellijke diensthervatting, zich heeft beroepen op de onbevoegdheid van de Direkteur van Defensie zijn salaris te blokkeren;

11b. – dat het Hof opmerkt, dat in de desbetreffende brief van de Direkteur van Defensie van 24 juli 1990 sprake is van een ”voorlopige” stopzetting en wel op grond van het niet verrichten van werkzaamheden;

12. Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, het voor verzoeker duidelijk kon zijn, dat sprake was van stopzetting, totdat hij zich voor het verrichten van werkzaamheden had aangemeld;

12a. Overwegende, dat ook indien de Direkteur van Defensie of de Staat niet bevoegd zou zijn de uitbetaling van salaris stop te zetten, was verzoeker verplicht aan de uitnodiging (lees: opdracht) van zijn Chef gevolg te geven (vide art. 36 lid 1 P.W.), waarbij het verzoeker uiteraard vrijstond tegen het besluit tot de stopzetting van zijn salaris ter bevoegde instantie op te komen;

13. Overwegende, dat verzoeker mitsdien, naar ’s Hoven oordeel, terecht als onwettig afwezig aangemerkt is en wel in ieder geval vanaf 25 juli 1990;

14. Overwegende, dat thans de vraag beantwoord dient te worden of artikel 1614 b van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op ambtenaren;

14a. – dat artikel 28 lid 3 van de P.W. weliswaar bepaalt, dat de bepalingen van de P.W. betreffende loon, waartoe artikel 1614 b B.W. gerekend kan worden, van toepassing zijn, doch voorzover daarvan in de P.W. niet is afgeweken;

14b. – dat naar ’s Hoven oordeel, in artikel 30 lid 1 van de P.W. een zodanige afwijking kan worden gezien;

14c. – dat dus inhouding of korting op het salaris·van een ambtenaar slechts mogelijk is in de artikel 30 e.v. P.W. genoemde gevallen;

15. Overwegende, dat onder de door de Griffier van de Nationale Assemblée aan het Hof toegezonden stukken zich bevindt, het Decreet C-55 van 18 september 1981 tot wijziging van de Personeelswet (S.B. 1962 No. 195, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1980 No. 84), houdende een wijziging in artikel 30 P.W. (vide Staatsblad 1981 No. 148);

15a. – dat volgens de Nota van Toelichting, in artikel 30 van de P.W. een limitatieve opsomming is gegeven van inhoudingen of kortingen op het salaris van de landsdienaar;

16. Overwegende, dat het onderhavige geval nu, naar ’s Hoven oordeel, niet valt onder de in artikel 30 P.W. limitatief voormelde gevallen;

17. Overwegende tenslotte, dat het Hof na al het voorgaande en gelet op de wetsartikelen als hierboven aangehaald, tot het oordeel is gekomen, dat de gewraakte resolutie van 28 augustus 1991 [nummers 2 – variant], niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart nietig de resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 28 augustus 1991, Ministerie van Defensie, Bureau [nummers 2], voor wat betreft de daarin opgelegde tuchtstraf en het achteraf genomen besluit dat vanaf 25 juli 1990 aan verzoeker geen salaris zal worden uitbetaald.

SRU-HvJ-1994-19

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 15 april 1994
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en W.R. Willemzorg)

[verzoeker], militair-ambtenaar, reg. [nummer], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Wagenwegstraat no. 41 ten kantore van advokaat Mr. A.R. BAARH, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, (Ministerie van Defensie), in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, advokaat Mr. E.C.M. HOOPLOT, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker wenst de navolgende rechtsvordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME (het Ministerie van Defensie), in rechte vertegenwoordigd door de Edelgrootachtbare Heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, verweerder.

2. Verzoeker is te rekenen vanaf 16 februari 1989 in dienst van het Nationaal Leger als kortverbandvrijwilliger, hetgeen moge blijken uit de hierbij in fotocopie overgelegde arbeidsovereenkomst de dato 21 maart 1989. Gelet op het bepaalde van artikel II.I juncto II.V is deze arbeidsovereenkomst op 16 februari 1992 stilzwijgend verlengd voor de duur van een jaar. Gelet op de taak die hij zou dienen te vervullen en de omstandigheid, dat hij als student ingeschreven was bij de Faculteit der Maatschappijwetenschappen van de Universiteit van·Suriname, juridische studierichting, werd met hem tevens een studie-overeenkomst gesloten en wel op 21 maart 1989, hetgeen moge blijken uit de eveneens hierbij in fotocopie overgelegde onderhandse akte. Verzoeker verzoekt Uw Hof om de inhoud van vorenbedoelde producties als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.

3. Vóór de ondertekening van de arbeidsovereenkomst en wel op 21 februari 1989 werd aan verzoeker een overzicht van zijn carriëregang voorgehouden. Deze carriëregang wordt hierbij in fotocopie overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen. Verzoeker bleek alstoen, dat deze carriëregang, en met name punt (2) daarvan, niet in overeenstemming was met het bepaalde van artikel 3, lid 1, sub (c) van het Staatsbesluit van 5 augustus 1981 ter uitvoering van artikel 3 van de Dienstplichtwet, S.B. 1981 No. 118 (het Besluit Kortverbandvrijwilligers en Vrijwillig-nadienenden), volgens welke wettelijke bepaling de minimum schoolopleiding is, aan welke kwalificatie verzoeker als ingeschreven student aan de Universiteit alleszins voldeed.

4. Toen verzoeker tijdens vorenbedoeld gesprek te kennen gaf het met deze carriëregang niet eens te zijn, werd aan hem te verstaan gegeven, dat hij had te tekenen of anders te wachten op een latere lichting, reden waarom hij besloot voor accoord te tekenen. Na zijn indiensttreding heeft hij getracht alsnog een herziening van de door hem vastgestelde carriëregang te bewerkstelligen, hetgeen moge blijken uit de hierbij in fotocopie overgelegde correspondentie (brieven van verzoeker aan de Chef Staf Nationaal Leger de dato 24 april 1989, 10 juli 1989, 6 september 1989, 5 maart 1990, en aan het Hoofd Organisatie en Personeel de dato 1 februari 1990 en 28 november 1990), naar de inhoud waarvan verzoeker verwijst met het verzoek om die inhoud als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.

Op al deze pogingen om zijn rechtspositie ter discussie te stellen, werd niet gereageerd.

5. Vervolgens ging verzoeker in beklag bij de Bevelhebber van het Nationaal Leger en wel bij beklagschrift de dato 12 januari 1992. Toen ook op dit beklagschrift niet werd gereageerd, richtte hij zich bij beklagschrift de dato 16 april 1992 tot de Minister van Defensie. Verzoeker legt deze beklagschriften eveneens in fotocopie over met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen. Ook hierop heeft hij geen enkele reactie verkregen.

6. Gelet op het bepaalde van de artikelen 78, lid 2, sub (b) jo. 80, lid 2 sub (u) van de Personeelswet is hij tijdig in beroep gekomen van de fictieve afwijzende beslissing van de Minister tot herziening van zijn rechtspositie.

7. Blijkens de hierbij in fotocopie overgelegde verklaring van de Dekaan van de Faculteit der Maatschappijwetenschappen de dato 11 juni 1992 heeft verzoeker op 8 oktober 1990 de B. I fase van zijn academische studie afgerond.

8. Verzoeker is de overtuiging toegedaan, dat hij in elk geval onmiddellijk na voltooiing van de Elementaire Algemene Opleiding had behoren te worden bevorderd tot de rang van Tweede Luitenant, zulks conform het bepaalde van artikel 3, lid 1, sub (c) van eerder aangehaald Besluit Kortverbandvrijwilligers en Vrijwillig-nadienenden. Voorts is verzoeker de overtuiging toegedaan, dat de carriëregang, zoals hem voorgelegd, en die genoodzaakt is geworden om voor accoord te tekenen, nietig is wegens strijd met vorenbedoeld wettelijk voorschrift. Uit de artikelen 2 en 3, lid 1, van het Besluit blijkt immers, dat personen, die als kortverbandvrijwilliger in dienst worden genomen, dienen te worden aangesteld in de rang, die bij de door hen genoten schoolopleiding past. Blijkens de strekking van het tweede lid van artikel 3 (”Op grond van opgedane ervaring op vaktechnisch gebied of genoten opleiding kan door de Minister, gehoord de Bevelhebber, van het in het vorig lid bepaalde worden afgeweken”.) is slechts een afwijking daarvan geoorloofd in die zin, dat een K.V.V. er kan worden aangesteld in een hogere rang dan die, welke hij op grond van zijn schoolopleiding heeft genoten. Het Besluit voorziet uitdrukkelijk niet in de mogelijkheid van aanstelling in een rang, lager dan die waarin betrokkene zou moeten worden aangesteld gelet op zijn vooropleiding.

Gelet op deze nietigheid, althans vernietigbaarheid van deze carriëregang mag men hem mitsdien niet houden aan zijn accoordverklaring en te meer niet, daar hij bij weigering ervan niet in dienst had kunnen treden. Aangezien hij bereids meer dan een jaar voordien had gesolliciteerd en in die tussenliggende periode geen andere passende arbeid had kunnen vinden, heeft men naar zijn overtuiging misbruik gemaakt van deze omstandigheid door op hem druk uit te oefenen in dier voege, dat men hem te verstaan heeft gegeven bij weigering alsdan niet in dienst te worden genomen.

9. Verzoeker heeft op 15 april 1989 de Elementaire Algemene Opleiding afgerond. Per 1 mei werd hij bevorderd tot Korporaal, in welke rang hij nog thans dient;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

1. dat het besluit tot bevordering van verzoeker in de rang van Korporaal, genomen per 1 mei 1989, zal worden vernietigd;

2. dat zal worden bepaald, dat verweerder verzoeker binnen één maand na betekening van het vonnis, als verzocht, met terugwerkende kracht te rekenen van 1 mei 1989 zal dienen te bevorderen tot de rang van Tweede Luitenant (effectief dan wel titulair), zulks op verbeurte van een dwangsom ad Sf. 100,– (EENHONDERD GULDEN) voor elke dag, waarop verweerder weigerachtig mocht blijken om tot die bevordering van verzoeker over te gaan;

Overwegende, dat van DE STAAT SURINAME geen verweerschrift is binnen gekomen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 23 maart 1993 in Raadkamer zijn verschenen verzoeker in persoon, advokaat Mr. TRUIDEMAN namens de gemachtigde van verzoeker en advokaat Mr. HOOPLOT gemachtigde van verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker bij repliek pleidooi produkties overgelegd;

Overwegende, dat het Hof vervolgens vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 18 maart 1994, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat ten processe vaststaat, dat verzoeker landsdienaar is (arbeidscontractant) in de zin van de Personeelswet;

Overwegende, dat verzoeker op de in zijn verzoekschrift aangevoerde gronden heeft gevorderd:

1. het besluit tot zijn bevordering in de rang van korporaal, genomen per 1 mei 1989, te vernietigen;

2. te bepalen dat verweerder hem, verzoeker binnen één maand na betekening van het vonnis, als verzocht, met terugwerkende kracht te rekenen van 1 mei 1989 zal dienen te bevorderen tot de rang van tweede luitenant (effectief dan wel titulair), zulks op verbeurte van een dwangsom van Sf. 100,– (EENHONDERD GULDEN) voor elke dag waarop verweerder weigerachtig mocht blijken om tot die bevordering van verzoeker over te gaan;

Overwegende, dat naar vaste rechtspraak aanvaarde leer, hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken kan worden gevorderd, limitatief is omschreven in artikel 79 van de Personeelswet;

Overwegende, dat nu hetgeen de verzoeker vordert (nietigverklaring van een besluit tot zijn bevordering en bevordering tot een rang) niet in de limitatieve opsomming van voormeld artikel is opgenomen, toewijzing van diens vorderingen reeds daarop afstuit;

Overwegende, dat verzoeker mitsdien niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.

SRU-HvJ-2000-2

H.M.
GENERALE ROL NO.13333.

[appellant],wonende te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M. HOOPLOT, advokaat,
appellant,

tegen

A. [geïntimeerde 1] wonende in [land], zonder bekend woonadres;
B. [geïntimeerde 2] wonende te [plaats 1] aan [adres 1];
C. [geïntimeerde 3] wonende in [land];
D. [geïntimeerde 4] echtgenote van [naam 1], wonende te [plaats 1] aan de [adres 2];
E. [geïntimeerde 5] weduwe van [naam 1], wonende te [ plaats 1] aan de [adres 3], door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr.H.E.STRUIKEN, advokaat,
geintimeerden,

De Vice-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 18 juni 1991 en 2 maart 1993 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 21 maart 1993 waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen:
a. [geïntimeerde 1] wonende in Nederland, zonder bekend woonadres.
b. [geïntimeerde 2] wonende te [district] aan de [adres 1]
c. [geïntimeerde 3], wonende in [land].
d. [geïntimeerde 3], echtgenote van [naam 2], wonende te [plaats 1 ] aan de [adres 2]
e. [geïntimeerde 4] weduwe van [naam 1], wonende te [adres 1] aan de [adres 3];
2. dat door gedaagden op 22 mei 1987 een akte is verleden ten overstaan van notaris R.Ramautar, residerende te Paramaribo, tot gedeeltelijke scheiding en deling van de nalatenschap van de te Paramaribo op 22 oktober 1980 ab intestaat overleden [naam 3], waarbij o.a. alsvolgt is toebedeeld:
I aan gedaagde sub d:
a. ”de blote eigendom van het erf met al hetgeen daarop staat, gelegen te Paramaribo aan de Tourtonnelaan bekend onder Nieuwe Wijk letter B no. 261a52 thans BR no.52”.
b. het perceelland, groot 271,3 m², gelegen in het distrikt Suriname, thans Paramaribo, ten westen van de Anamoestraat aangeduid op de kaart van de landmeter A.E.Calor d.d. 23 juli 1962 met de letters ABCD en op diens verzamelkaart d.d. 23 juli 1962 bekend als no.64, benevens de strook grond, uitmakende een deel van de langs voormeld perceel lopende weg, op voormelde kaart aangeduid met de letters ABba, welk perceel deel uitmaakt van het perceelland groot 3 ha,21a, gelegen in het distrikt Suriname ten westen van de Tourtonnelaan, aangeduid op de kaart van de landmeter A.E.Calor d.d. 9 mei 1962 vervaardigd naar de kaart van de landmeter F.Emanuels d.d. 15 september 1953 met de letters ABCDEF, deel uitmakende van een perceelland, groot 23 ha 70,7 m², gelegen in het distrikt Suriname, deel uitmakende van de plantage Tourtonne op de kaart van de landmeter F.Emanuels d.d. 3 augustus 1953 aangeduid met de letters ABCDEFGHK.
II aan gedaagde sub b
Het erf met daarop staande gebouwen gelegen te Paramaribo aan de Anniestraat bekend als BR.71.
III aan gedaagden sub a tot en met d tesamen:
a. de blote eigendom van het perceelland groot 75a, gelegen in het distrikt Suriname, thans Paramaribo aan de Hendrikstraat en deel uitmakende van de grond Mottonshoop no.73.
IV aan gedaagde sub e het levenslange recht van vruchtgebruik van alle voorschreven percelen;
3. dat de gehele akte van rechtswege nietig is, zijnde deze tot stand gekomen in strijd met de bepalingen van de Deviezenwet (G.B. 1947 no.136) i.h.b. art.12 sub f, art.13 sub g jo art.33, hebbende de gedaagden sub a tot en met c, die ten tijde van het passeren van de akte deviezen niet-ingezetenen in de zin der Wet waren, geen vergunning verkregen tot het passeren van de akte;
4. dat voorts blijkens pagina 3 en 4 van de akte de eiser het levenslange recht van vruchtgebruik heeft op de voorschreven percelenland, weshalve de toescheiding bij voormelde akte van het levenslange recht van vruchtgebruik van deze percelen aan gedaagde sub e nietig is, nu de gedaagden niet meer rechten aan gedaagde sub e konden toebedelen dan zij zelf hadden;
5. dat het de gedaagden bekend is, althans dat zij geacht worden bekend te zijn met het feit dat
voorschreven percelenland van de eiser zijn, hebbende hij deze krachtens tussen hem en de erflater van gedaagden bestaande mondelinge overeenkomst gesteld ten name van de erflater onder gehoudenheid van laatstgenoemde om de percelen wederom aan eiser in eigendom over te dragen bij de eerste aanmaning. Deze procedure is door eiser en de erflater van gedaagden gevolgd met de bedoeling de eiser te beschermen die toentertijd huwelijksproblemen had met zijn echtgenote;
6. dat gedaagden na de dood van de erflater zijn aangemaand om de percelen aan eiser over te dragen doch dat zij daarmede ingebreke zijn gebleven, althans weigerachtig zijn;
7. dat eiser gerechtigd is thans in rechte te vorderen dat gemelde percelen aan hem juridisch worden overgedragen en subsidiair dat gedaagden aan eiser zullen voldoen de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet, voor het geval zij niet langer in staat zouden zijn gemelde onroerende goederen aan eiser juridisch te leveren;
8. dat de erflater van gedaagden ondanks voorschreven afspraken en ondanks het feit dat eiser voor alsnog het levenslange recht van vruchtgebruik heeft over de hierboven in het 2e sustenu onder IIIa en b omschreven percelen, zand heeft afgegraven van deze percelen zonder toestemming van eiser en deze heeft door verkocht zonder de netto opbrengst aan eiser af te geven.
Door als voormeld te handelen heeft de erflater van gedaagden zich schuldig gemaakt aan wanprestatie, althans heeft hij gehandeld in strijd met zijn eigen rechtsplicht en het subjectief recht van eiser en in ieder geval in strijd met de zorgvuldigheid die hem in het maatschappelijk verkeer jegens eiser betaamt, weshalve hij gehouden is de schaden die eiser als gevolg daarvan met de schuld van de erflater van gedaagden daaraan heeft geleden aan hem te vergoeden.
Deze schade bedraagt voor de afgegraven hoeveelheid zand van 22500 m² a f.3,50 zijnde in totaal f.56.250,– van welk bedrag ook geen betaling van gedaagden is te bekomen;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard voorschreven akte van scheiding en deling verleden op 22 mei 1987 ten overstaan van notaris R.Ramautar.
b.PRIMAIR:
gedaagden zullen worden veroordeeld om binnen een door de rechter in goede justitie vast te stellen termijn in het 2e sustenu voorschreven onroerende goederen aan eiser notarieel over te dragen, onder verbeurte van een dwangsom van f.10.000,– voor elke dag waarop gedaagden in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen.SUBSIDIAIR:
gedaagden zullen worden veroordeeld tegen kwijting aan eiser te betalen de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet, vermeerderd met de rente hierover ad 6% per jaar vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening, zulks terzake van de niet levering van de onroerende goederen.
c. gedaagden voorts zullen worden veroordeeld om aan eiser tegen kwijting te betalen de som van f.56.250,– vermeerderd met de rente hierover ad 6% per jaar vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening, Kosten rechtens;
Overwegende, dat te dienende dage eiser en de gedaagden sub B en E vertegenwoordigd door hun respektieve gemachtigden Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.H.E.Struiken ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;
Overwegende, dat de gedaagden sub A,C en D niet ter terechtzitting zijn verschenen, waarna de Kantonrechter tegen de gedaagden sub A en C akte van niet verschijning heeft verleend, terwijl de Kantonrechter tegen de niet verschenen gedaagde sub D verstek heeft verleend;
Overwegende, dat ten dage voor overlegging A.R.S. ten aanzien van gedaagden sub A en C bepaald,
Mr.H.E. Struiken de Kantonrechter heeft medegedeeld dat hij zich als gemachtigde van gedaagden sub A, C en D aan de zaak stelt waarbij de gevolgen van het tegen hen verleende verstek is komen te vervallen;
Overwegende, dat hierna K.MOENNE e.a. als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:
dat de eiser in zijn vorderingen zowel het primair als subsidiair gevorderde niet zal worden ontvangen, althans deze aan hem zullen worden ontzegd als zijnde ongegrond en niet bewezen met opheffing van de gelegde beslagen en weigering van de van waarde verklaring, Kosten rechtens;
Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 18 juni 1991 op de daarin opgenomen gronden:
Alvorens verder te beslissen;
Eiser heeft toegelaten hem voor zover nodig ambtshalve heeft bevolen om door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen:
hetgeen is gesteld in 1.”de in het 5e ”dat” van het inleidend rekest gestelde tussen eiser en de erflater van gedaagden mondeling aangegane, overeenkomst”.
2. ”de in het 6e ”dat” van het inleidend rekest gestelde aanmaning”.
3. ”het afgraven van zand door de erflater van
gedaagden, een en ander als omschreven in het 8e ”dat” van het inleidend rekest, alsmede de aldaar gestelde schade”. En de dag voor het getuigenverhoor heeft bepaald;
Iedere verdere uitspraak heeft aangehouden;
Overwegende, dat eiser in de enquête peremptoir bepaald geen getuigen heeft doen horen, hebbende de Kantonrechter de enquête gesloten verklaard;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 2 maart 1993 op de daarin opgenomen gronden:
Nietig heeft verklaard de scheiding en deling van de nalatenschap van [naam 1], verleden ten overstaan van RAMDEW RAMAUTAR, notaris in Suriname, op 22 mei 1987;
De proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt;
Het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 2 maart 1993;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder D.E.Hew A Kee van 13 juli 1993 aan geïntimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat ten dage voor pleidooi bepaald, geen oproeping heeft plaatsgevonden waarna de zaak werd afgevoerd;
Overwegende, dat ten dage voor pleidooi nader bepaald, wederom geen oproeping heeft plaatsgevonden waarna de zaak nogmaals werd afgevoerd;
Overwegende, dat het Hof nadat de nodige termijn was verstreken en partijen rechtens geen aktie hebben ondernomen, de zaak voor verval van instantie heeft verklaard;
Overwegende, dat ten dage voor verval van instantie bepaald, de gemachtigde van appellant een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating verval van instantie heeft genomen;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens geïntimeerde bepaald, advokaat Mr.H.E.Struiken zich heeft gerefereerd ten aanzien van hetgeen appellant in zijn uitlating heeft gesteld;
Overwegende, dat het Hof vervolgens vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat uit het procesdossier blijkt dat tussen appellant als de eiser en geïntimeerden als gedaagden op 2 maart 1993 (A.R.No.90/5249) door de Kantonrechter in het Eerste Kanton vonnis is gewezen en uitgesproken, waarvan het dictum luidt: Verklaren nietig de scheiding en deling van de nalatenschap van Mohamed Ismael Moenne, verleden ten overstaan van Ramdew Ramautar, notaris in Suriname, op 22 mei 1987; compenseren de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt;
dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigden bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen;
dat de Kantonrechter de inhoud van gemeld vonnis bij aangetekende dienstbrief de dato 25 maart 1993 door de Griffier aan partijen heeft doen mededelen; dat eiser/appellant bij schrijven van diens raadman
Mr.E.C.M.Hooplot, Advokaat bij het Hof van Justitie, de dato 21 april 1993 van meergemeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld; dat bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, D.E.Hew A Kee de dato 13 juli 1993 No.389 aanzegging is gedaan aan geintimeerden van het door appellant ingesteld hoger beroep; dat de Griffier de tot de zaak betrekkelijke stukken, met het in de zaak opgemaakte proces-verbaal en een afschrift van het vonnis alsmede een uittreksel uit de in het register gehouden aantekening van beroep op 21 juli 1993 aan het Hof heeft gezonden; dat de betrekkelijke stukken, het in de zaak opgemaakte proces-verbaal en een afschrift van het vonnis alsmede een uittreksel uit de in het algemeen register gehouden aantekening van beroep door het Hof van Justitie zijn ontvangen op 27 juli 1993;
Overwegende, dat naar wijders uit het procesdossier blijkt de President van het Hof van Justitie bij beschikking de dato 13 oktober 1993 de dag en het uur, waarop de zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie zou dienen heeft bepaald en heeft, met in achtneming van de termijn van oproeping, voorgeschreven bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 13, partijen doen oproepen teneinde op 5 november 1993 te verschijnen;
Overwegende, dat, naar blijkt uit de aantekening van de griffier op pagina 3 van het Audiëntieblad van de terechtzitting van vrijdag, 5 november 1993 van welk audiëntieblad het Hof ambtshalve kennis heeft genomen, de zaak afgevoerd is omdat alstoen geen oproeping heeft plaatsgevonden;
Overwegende, dat naar eveneens uit het procesdossier blijkt de President van het Hof van Justitie bij beschikking de dato 17 november 1993 de dag en uur waarop de zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie zou dienen, nader heeft bepaald en heeft, met inachtneming van de termijn van oproeping, voorgeschreven bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 13, partijen doen oproepen teneinde op 4 februari 1994 te verschijnen;
Overwegende, dat naar blijkt uit de aantekening van de griffier op pagina 9 van het Audiëntieblad van de terechtzitting van vrijdag, 4 februari 1994, van welk audiëntieblad het Hof ambtshalve kennis heeft genomen, de zaak wederom afgevoerd is omdat alstoen ook geen oproeping heeft plaatsgevonden;
Overwegende, dat op pagina 11 van het Audiëntieblad van de terechtzitting van vrijdag, 4 augustus 2000 de zaak gestaan heeft voor: verval van instantie welke zaak alstoen uitgesteld is naar de terechtzitting van vrijdag, 6 oktober 2000 voor verval van instantie;
Overwegende, dat op pagina 11 van het Audiëntieblad van de terechtzitting van vrijdag, 6 oktober 2000, de zaak gestaan heeft voor verval van instantie; dat appellant alstoen heeft doen nemen en overleggen een conclusie tot uitlating over verval van instantie de dato 6 oktober 2000, bij welke conclusie appellant ondermeer heeft aangevoerd: sinds het appel in de onderhavige zaak is aangetekend door appellant is van zijnentwege er alles aan gedaan de zaak op de Rol van het Hof voor behandeling te doen plaatsen. Zulks is echter tot onlangs tevergeefs geweest. Eerst waren op de Griffie der Kantongerechten hindernissen om de zaak door te doen geleiden naar het Hof en vervolgens waren op het Hof zelf hindernissen om de zaak op de zol te krijgen. Al deze notoire hindernissen hebben gelegen buiten de invloedsfeer van appellant weshalve het thans in strijd met een redelijke uitleg van de desbetreffende wetsbepaling zou zijn om ten detrimente van appellant de zaak van instantie vervallen te verklaren. Het heeft beslist niet aan appellant gelegen dat over zo’n lange tijd niets in deze zaak is gebeurd. In tegendeel, heeft appellant er alle belang bij in deze zaak voort te procederen;
Overwegende, evenwel, dat uit de door het Hof aangegeven loop van de gebeurtenissen na de uitspraak van de Kantonrechter de dato 2 maart 1993 geenszins blijkt van hindernissen waarvan appellant gewag maakt in het 3e ”sustenu” van de conclusie tot uitlating over verval van instantie de dato 6 oktober 2000;
Overwegende, dat de bewering van appellant dan ook volkomen onjuist is en mitsdien van elke grond ontbloot; het Hof gaat daaraan dan ook geheel voorbij;
Overwegende, dat nu, naar het Hof gebleken is, de zaak binnen drie jaren tijds nà 4 februari 1994 niet is voortgezet dient de instantie in hoger beroep te worden verklaard te zijn vervallen; mitsdien zal worden beslist als na te melden;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Verklaart te zijn vervallen de instantie in hoger beroep;
Compenseert de proceskosten in hoger beroep gevallen in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 3 november 2000 in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.BALDEW namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en geintimeerden vertegenwoordigd door advokaat Mr.F.M.S.ISHAAK namens hun gemachtigde, advokaat Mr.H.E.STRUIKEN, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1994-18

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 15 april 1994
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en W.R. Willemzorg)

[verzoeker], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt Mr. R.W. VAN RITTER, advokaat, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Binnenlandse Zaken, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.Dr. C.D. OOFT, advokaat, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME (Ministerie van Binnenlandse Zaken), rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, verweerder;

2. dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet;

3. dat verzoeker op 2 december 1980 in dienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken is getreden en te werk gesteld bij het Centraal Bureau Burgerzaken te [plaats] in [district];

4. dat verzoeker thans de functie bekleedt van ambtenaar B 2e klasse;

5. dat verzoeker door de gevechtshandelingen, althans oorlogssituatie in [district] door illegale gewapende groepen en het Nationaal Leger was verzoeker niet in staat om in de periode van 1 mei 1987 tot en met 21 februari 1991 op het werk te verschijnen om de bedongen arbeid te verrichten, zoals ook is gesteld in het hierbij gevoegd schrijven van de Directeur van het Centraal Bureau voor Burgerzaken d.d. 2 april 1991;

6. dat verzoeker op 22 februari 1991 wederom in staat was om zijn werkzaamheden bij het C.B.B. te hervatten;

7. dat verzoeker over de periode van 1 mei 1987 tot en met 21 februari 1991 geen salaris heeft ontvangen, zijnde hem bij schrijven van de wnd. Directeur van Binnenlandse Zaken d.d. 22 juni 1992 [nummer 1] medegedeeld dat verzoeker die in genoemde periode de bedongen arbeid niet heeft verricht krachtens het bepaalde in artikel 23 lid 3 van de Personeelswet juncto 1614-b van het Surinaams Burgerlijk Wetboek geen aanspraak maakt op salaris;

8. dat bij schrijven van de raadsman van verzoeker aan de wnd. Directeur van Binnenlandse Zaken d.d. 31 augustus 1992 het verzoek is gedaan, op grond van de in dat schrijven vermelde gronden, zijn beslissing te herzien neergelegd in het schrijven d.d. 22 juni 1992 en aan verzoeker de gederfde inkomsten over de periode 1 mei 1987 tot en met 21 februari 1991 uit te betalen wordende hierbij een fotocopie gevoegd met het verzoek om de inhoud daarvan als hier herhaald te willen beschouwen;

9. dat bij schrijven van de wnd. Directeur van Binnenlandse Zaken van 30 oktober 1992 [nummer 2] aan de raadsman van verzoeker is medegedeeld dat door de Raad van Ministers is beslist dat aan landsdienaren die door de oorlogssituatie in het binnenland zich niet hebben aangemeld voor de dienst, bij aanmelding voor diensthervatting aan hen 6 maanden salaris vóór de periode van hun aanmelding wordt uitbetaald;

10. dat de door de wnd. Directeur van Binnenlandse Zaken aangehaalde raadsbeslissing niet bij het schrijven van 30 oktober 1992 is gevoegd zodat verzoeker zich bij gebrek aan wetenschap omtrent de inhoud van die beslissing niet kan uitlaten;

11. dat de raadsman van verzoeker bij schrijven d.d. 17 november 1992 gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken, waarvan hierbij een fotocopie wordt gevoegd met het verzoek om de inhoud daarvan als letterlijk hier herhaald te willen beschouwen heeft gesteld zich op grond van de in het schrijven aangehaalde gronden niet te kunnen verenigen met de beslissing om aan verzoeker slechts 6 maanden van de periode voor de diensthervatting van verzoeker aan salaris uit te betalen, zijnde het verzoek aan de minister gedaan om verzoeker over de gehele periode van 1 mei 1987 tot en met 21 februari 1991 uit te betalen niet gehonoreerd, hebbende verzoekers raadsman noch verzoeker op het genoemde schrijven aan de Minister van Binnenlandse Zaken enig bericht ontvangen;

12. dat verzoeker uitdrukkelijk wenst te stellen dat nu verweerder, althans het Ministerie van Binnenlandse Zaken erkent dat door overmacht verzoeker niet in staat was om de bedongen arbeid te verrichten in de periode van 1 mei 1987 tot en met 21 februari 1991, terwijl verzoeker daartoe wel bereid was, verweerder geen beroep kan doen op het bepaalde in artikel 1614-b van het Surinaams Burgerlijk Wetboek;

13. dat het bepaalde in artikel 1614-b van het Burgerlijk Wetboek: ”Geen loon is verschuldigd voor de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht” betrekking heeft op de gevallen waarbij de werknemer weigert om de bedongen arbeid te verrichten, of zich in een aan zijn schuld te wijten positie heeft gebracht dat hij niet in staat is de bedongen arbeid te verrichten hetgeen in casu niet het geval is;

14. dat nu buiten de schuld van verzoeker hij niet in staat was om de bedongen arbeid te verrichten, verweerder gehouden is om het salaris gedurende de periode waartoe hij daartoe niet in staat was aan hem uit te betalen;

15. dat nu verweerder heeft nagelaten om een beslissing ten aanzien van verzoeker te nemen, verzoeker gerechtigd is om het Hof als ambtenarengerecht te adiëren;

16. dat het besluit van verweerder om aan verzoeker slechts 6 maanden salaris uit te betalen niet alleen in strijd is met de wet, doch eveneens in strijd is met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur;

17. dat verzoeker op grond van overmacht niet in staat was om de bedongen arbeid te verrichten in de periode van 1 mei 1987 tot en met 21 februari 1991, verweerder althans het Ministerie van Binnenlandse Zaken gehouden is om het aan verzoeker toekomende salaris over die periode uit te betalen;

18. dat verzoeker in 1987 een inkomen genoot van f. 536,- per maand, vermeerderd met een bedrag van f. 30,- per maand aan standplaatstoelage;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

a. dat bij vonnis het besluit van de wnd. Directeur van Binnenlandse Zaken d.d. 30 oktober 1992 [nummer 2] zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;

b. dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, verweerder, althans het Ministerie van Binnenlandse Zaken zal worden veroordeeld om aan verzoeker tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het salaris over de periode van 1 mei 1987 tot en met 21 februari 1991 vermeerderd met standplaatstoelage en jaarlijkse periodieke-verhogingen en andere financiële voordelen die ten aanzien van de funktie van verzoeker tot stand zijn gekomen in voormelde periode met de rente daarover ad 6% ’s jaars vanaf de dag van indiening van het rekest tot die der algehele voldoening, kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de bij de wet gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarin als verweer wordt aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend, met beroep op de onsplitsbaarheid van zijn stellingen en biedt bewijs aan door alle middelen rechtens in het bijzonder door getuigen. Verweerder erkent dat verzoeker ambtenaar is;

2. In het jongste verleden heeft het zich voorgedaan dat personen die voor het één of ander ministerie in het binnenland werkzaam waren, door oorlogshandelingen of anderszins plotseling van het werk wegbleven en zich daarna niet meer op het werk hebben aangemeld.

Ten aanzien van deze landsdienaren is er wisselend een beleid gevoerd, waarbij voor degenen die zich bij de in verzetzijnde binnenlandse commando’s hadden aangesloten als ”onwettig afwezig” werden gekwalificeerd en geen uitkering kregen, omdat zij reeds elders loon of salaris hebben ontvangen;

3. De regering heeft zich over deze aangelegenheid nader beraden. De Raad van Ministers heeft te dezen aanzien nog onlangs besloten om alle landsdienaren die door de oorlogssituatie in het binnenland weerhouden waren om hun dienst te hervatten, en die zich mochten aanmelden weer in dienst te nemen en het ontbeerde loon ten volle (vanaf hun afwezigheid) uit te betalen.

De vorige beslissing van de Raad van Ministers dat zulks zou geschieden vanaf 1 januari 1991 werd ook ingetrokken.

Ter oriëntatie van het Hof van Justitie wordt hierbij de desbetreffende beslissing van de Raad van Ministers van 2 juni 1993 [nummer 3] ter vertrouwelijke kennisneming bijgevoegd, met verzoek dit besluit (met voor de dienst nog interne administratieve werking) als van dit verweer deel uitmakende en hierbij geïnsereerd te willen beschouwen.

Aan het besluit van de Raad van Ministers dient uitvoering te worden gegeven door middel van een beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

– dat het verhoor van partijen voor nog enige tijd, althans voor een periode door het Hof van Justitie te bepalen, zal worden aangehouden;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 5 juli 1993 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr. R.W. VAN RITTER, advokaat Mr.Dr. C.D. OOFT, gemachtigde van verweerder en de heer M.C. GRETNA, onder-Direkteur van het Ministerie van Binnenlandse Zaken namens verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens verzoeker bepaald de gemachtigde van verweerder produkties heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating produkties zijdens verzoeker peremptoir bepaald, deze niet is overgelegd, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 1 april 1994, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker in het onderhavige geding vordert vernietiging van het besluit van de Direkteur van Binnenlandse Zaken d.d. 30 oktober 1992 [nummer 2], welk besluit haar grondslag had in de beslissing van de Raad van Ministers van 24 mei 1991 [nummer 4];

– dat deze beslissing van de Raad van Ministers inmiddels is ingetrokken bij beslissing van de Raad van Ministers van 2 juni 1993 [nummer 3], welke laatste beslissing inmiddels in een resolutie is vastgelegd van 5 augustus 1993 No. 4864, afgekondigd in het Staatsblad 1993 No. 60, inhoudende dat de uitbetaling van het ontbeerde loon ten volle zal worden uitbetaald, indien aanmelding daartoe binnen 6 (zes) maanden na dagtekening van deze resolutie daartoe schriftelijk het verzoek is gedaan aan de leiding van het Departement waaronder de landsdienaar ressorteerd;

– dat aan verzoeker inmiddels uitbetalingen hebben plaatsgevonden, waarvan verzoeker thans specificatie van verweerder verlangt;

Overwegende, dat nu de vernietiging van de aangevochten beslissing van de Direkteur van Binnenlandse Zaken als voormeld niet langer valide is, kan verzoeker niet langer worden ontvangen in zijn vorderingen sub a en b, zijnde de vordering sub b toch een sequeel van de vordering sub a;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker alsnog niet-ontvankelijk in zijn vordering.

SRU-HvJ-1994-17

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 15 april 1994
(Mrs. A.C. Veldema, E.S. Ombre en A.I. Ramnewash)

[verzoekster], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. E. NAARENDORP, advokaat, verzoekster,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, m.n. het Ministerie van Justitie en Politie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt Mr. G. GANGARAM PANDAY, advokaat, verweerder.

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend daarbij stellende:

1. Verzoekster wenst de navolgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, verweerder.

2. Verzoekster is bij beschikking d.d. 10 augustus 1974 [nummer 1], in tijdelijke dienst aangesteld tot opzichter 4e klasse bij de dienst der Delinquentenzorg van het Ministerie van Justitie en Politie, te rekenen van 1 maart 1974. Bij beschikking d.d. 21 juli 1977 [nummer 2] is deze tijdelijke aanstelling omgezet in een definitieve, te rekenen van 1 maart 1977.

3. Bij beschikking d.d. 30 november 1990 is verzoekster bevorderd tot Hoofd Penitentiaire Ambtenaar 3e klasse rekenen van 1 september 1990.

4. Verzoekster is werkzaam in de Centrale Penitentiaire Inrichting te [adres].

5. Bij schrijven d.d. 3 mei 1992, afkomstig van de Directeur van de Centrale Penitentiaire Inrichting, is verzoekster erop geattendeerd dat ze in strijd met de in de Inrichting geldende regels, toestemming had verleend aan relaties van de gedetineerde [naam 1] om etenswaren te bezorgen, die door eerder genoemde gedetineerde genuttigd waren.

Verzoekster werd opgedragen zich binnen 1 x 24 uur te verweren, hetgeen ze ook deed bij schrijven d.d. 6 mei 1992.

6. Verzoekster ging in haar verweerschrift uitvoerig in op het haar ten laste gelegde feit, waarbij ze ook uitlegde dat ze niet ten behoeve van [naam 1], maar ten behoeve van [naam 2] etenswaren had aangenomen, die door laatstgenoemde ook genuttigd zijn.

7a. Bij resolutie d.d. 1 maart 1993 [nummer 3] werd aan verzoekster de tuchtstraf van geldboete opgelegd wegens plichtsverzuim. Het plichtsverzuim bestond uit het in ontvangst nemen van consumptie ten behoeve van [naam 1], welke consumptie door haar genuttigd zou zijn.

Dit verweerschrift werd geretourneerd bij schrijven d.d. 11 mei 1992 van de directeur voornoemd. Gedaagde verweerder zich toen noodgedwongen erg summier bij schrijven van 11 mei 1992.

7b. Verzoekster legt hierbij over:

2 resoluties respectievelijk d.d. 30/11/1990 en 1/3/1993,

1 beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 10/8/1974,

2 brieven van de Directeur van de Centrale Penitentiaire Inrichting respectievelijk d.d. 3/5/1992 en 11/3/1992,

2 verweerschriften respectievelijk d.d. 6/5/1992 en 11/3/1992, met het verzoek de inhoud hiervan als hierbij letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen.

8. Verzoekster is dus ten onrechte gestraft voor een feit waaraan zij zich niet heeft schuldig gemaakt, zonder dat verweerder rekening heeft gehouden met het verweer van verzoekster. Deze resolutie is door volslagen gebrek aan grondslag in strijd met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur en komt op grond van artikel 79 van de Personeelswet in aanmerking voor vernietiging.

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

– dat bij vonnis de resolutie d.d. 1 maart 1993 [nummer 3] zal worden vernietigd;

Overwegende, dat van DE STAAT SURINAME binnen de bij de Wet gestelde termijn een verweerschrift is binnen gekomen waarbij als verweer is aangevoerd:

– dat verzoeksters vordering aan haar zal worden ontzegd als zijnde ongegrond;

Overwegende, dat ingevolge ‘s Hofs beschikking van 7 oktober 1993 in Raadkamer zijn verschenen, verzoekster in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde advokaat Mr. E. NAARENDORP, advokaat Mr. J.C.P. NANNAN PANDAY namens advokaat Mr. G. GANGARAM PANDAY, gemachtigde van verweerder en Mevr. P. SANICHAR, hoofd Beheer der Inrichtingen, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak hierna bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd en bij repliek en dupliek pleidooi hebben gepersisteerd bij hun stellingen;

Overwegende, dat het Hof vervolgens vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat tussen partijen in confesso rechtens vaststaat dat verzoekster is ambtenaar in de zin der wet;

Overwegende, dat aan verzoekster bij resolutie d.d. 1 maart 1993 tuchtstraf is opgelegd en dat verzoekster op 5 juli 1993 de vordering tot nietig verklaring van deze resolutie heeft ingesteld;

Overwegende, dat nu het Hof niet is gebleken dat vermelde resolutie langer dan een maand voor 15 juli 1993 aan verzoekster bekend is geworden, zij op grond van het voorgaande en hierdoor in haar vordering ontvankelijk is;

Overwegende, dat als niet betwist rechtens tussen partijen vaststaat dat in vermelde resolutie is opgelegd de tuchtstraf zoals omschreven in bedoelde resolutie op grond dat zij, verzoekster ten behoeve van [naam 1] consumptie in ontvangst zou hebben genomen;

Overwegende, dat eveneens rechtens tussen partijen vaststaat dat verzoekster op het in vermelde resolutie gestelde tijdstip anders dan daarin opgenomen ten behoeve van [naam 2] consumptie had aangenomen, zodat de vermelding van [naam 1] in de resolutie onjuist is;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat hierdoor bedoelde resolutie een juiste feitelijke grondslag ontbeert, zodat die nietig is en derhalve nietig dient te worden verklaard;

Overwegende, dat door deze beslissing het Hof niet behoeft in te gaan op de overige stellingen en weren van partijen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart nietig de resolutie d.d. 1 maart 1993 waarbij aan verzoekster tuchtstraf is opgelegd.

 

SRU-HvJ-1994-16

Hof van Justitie
15 april 1994, G.R. 13320
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, W.R. Willemzorg)

[bedrijf], rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te [district] aan [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. C. Ch. Bhagwandin, advocaat, appellante,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district] aan [adres 2], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. B.A. Halfhide, advocaat, geïntimeerde.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, van 16 februari 1993 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 16 maart 1993, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. Eiser wenst de navolgende vordering op verkorte termijn in te stellen tegen [bedrijf], rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te [district] aan [adres 1], gedaagde.

2. Blijkens hierbij in fotokopie overgelegde arbeidsovereenkomst is eiser op 1 januari 1995 in dienst getreden van gedaagde in de funktie van Directeur.

3. Blijkens hierbij in fotokopie overgelegde brief van 6 mei 1991 zou eiser zijn ontslagen door gedaagde en wel per 6 augustus 1991.

Dit ontslag is nietig, in ieder geval niet rechtsgeldig en wel om de volgende reden.

Het ontslag is verleend in strijd met artikel 2 van het “Decreet Ontslagvergunning”. Ingevolge die bepaling kan een werknemer slechts worden ontslagen na vooraf verleende vergunning door of namens de Minister van Arbeid.

Onder het begrip “Werknemer” in de zin van voormelde wettelijke regeling valt ook de direkteur van een naamloze vennootschap die, zoals eiser, een arbeidsovereenkomst met de vennootschap is aangegaan. (Vide vonnis Hof van Justitie d.d. 12 december 1986, G.R. no. 12425, EBS/Emanuels).

Bij dit vonnis is verder beslist, dat de werkgever de dienstbetrekking pas rechtmatig kan opzeggen na verkrijging van de ontslagvergunning, waarna pas de van toepassing zijnde opzeggingstermijn kan ingaan.

Er is voor het onderhavige ontslag geen ontslagvergunning verleend en derhalve is het ontslag overeenkomstig artikel 7 van het “Decreet Ontslagvergunning” van rechtswege nietig.

4. Het is eiser ter ore gekomen dat gedaagde, althans de aandeelhouder van gedaagde, doende is een nieuwe direkteur te benoemen, hetgeen ernstige afbreuk kan doen aan de positie van eiser als direkteur en hem terzake zijn functionering in een onmogelijke positie kan plaatsen, nu de huidige statuten van gedaagde één (1) direkteur kennen.

Voorts weigert gedaagde eiser in de gelegenheid te stellen de bedongen werkzaamheden uit te oefenen, althans naar behoren te verrichten.

5. Het salaris van eiser bedraagt Sf. 7.200,– per maand. Gedaagde is voornemens de uitbetaling van het salaris na 6 augustus 1991 stop te zetten. Eiser geniet geen ander inkomen en is aangewezen op het van gedaagde te ontvangen salaris.

6. Ingevolge artikel 7 van de arbeidsovereenkomst genieten eiser, zijn echtgenote en de tot zijn gezin behorende kinderen vrije geneeskundige behandeling zoals aangegeven in deze kontraktbepaling. Gedaagde is voornemens deze aanspraak na 6 augustus 1991 niet meer te honoreren.

7. Ingevolge artikel 9 van de arbeidsovereenkomst maakt eiser aanspraak op een dienstauto. Gedaagde heeft de dienstauto tot zich genomen en weigert deze aan eiser af te staan, terwijl eiser niet in het bezit is van een vervoermiddel.

8. Ingevolge de arbeidsovereenkomst maakt eiser aanspraak op de volgende emolumenten:

a. de jaarlijkse periodieke verhoging van het maandsalaris met Sf. 100,–, krachtens artikel 2 sub 2 van de arbeidsovereenkomst;

b. de bonus uitkering (kerstgratificatie) gelijk aan één (1) maand salaris, krachtens artikel 4 van de arbeidsovereenkomst;

c. de vakantietoeslag gelijk aan het laatstgenoten maandsalaris, krachtens artikel 3 sub 4 van de arbeidsovereenkomst;

d. voortzetting van eisers persoonlijke ongevallenverzekering, zoals bedoeld in artikel 5 van de arbeidsovereenkomst, naar rato van een bedrag van Sf. 150.000,–;

e. voortzetting van de op basis van de bijdragegrondslag·door gedaagde te verrichten storting van de pensioenpremie, overeenkomstig artikel 6 sub 1 van de arbeidsovereenkomst.

9. Gelet op het vermeend ontslag en buitenfunktiestelling en de mededeling op grond daarvan zijdens gedaagde, dat na genoemde datum van 6 augustus 1991 niet tot verdere uitbetaling van salaris en emolumenten zal worden overgegaan, bestaat gegronde vrees dat gedaagde haar verplichting tegenover eiser niet zal nakomen, zodat eiser reeds thans belang heeft de nakoming daarvan in rechte te vorderen.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht zal worden verklaard dat het aan eiser bij schrijven d.d. 6 mei 1991 verleende ontslag nietig is, althans voormeld ingaande 6 augustus 1991 aan eiser verleend ontslag zal worden nietig verklaard;

b. gedaagde zal worden bevolen eiser in de gelegenheid te stellen zijn funktie van direkteur van gedaagde uit te oefenen overeenkomstig de terzake relevante wettelijke en statutaire bepalingen, met bepaling dat gedaagde aan eiser ten titel van dwangsom zal verbeuren Sf. 1.000,– voor iedere dag of keer dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen;

c. gedaagde zal worden verboden eiser overigens belemmeringen of beletsels in de weg te leggen bij de uitoefening van zijn funktie van direkteur anders dan krachtens de wet of statuten geoorloofd is, met bepaling dat gedaagde aan eiser ten titel van dwangsom zal verbeuren, Sf. 1.000,– voor iedere dag of keer dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen;

d. gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen zijn salaris van Sf. 7.200,– maandelijks, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag van verschuldigdheid van het loon tot aan die der algehele voldoening van het verschuldigde;

e. gedaagde zal worden bevolen om aan eiser de terzake vereiste medewerking te verlenen ter realisatie van eisers aanspraak op vrije geneeskundige behandeling zoals vermeld in artikel 7 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, met bepaling dat gedaagde aan eiser ten titel van dwangsom zal verbeuren Sf. 1.000,– voor iedere dag of keer dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen;

f. gedaagde zal worden veroordeeld de dienstauto ter beschikking van eiser te stellen en alle brandstof- en onderhoudskosten nodig voor de uitoefening van eisers werkzaamheden voor haar (gedaagdes) rekening te nemen, zulks zoals bedoeld in artikel 9 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, met bepaling dat gedaagde aan eiser ten titel van dwangsom zal verbeuren Sf. 1.000,– voor iedere dag of keer dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen;

g. gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser zijn aanspraak op jaarlijkse periodieke verhoging toe te kennen en dienovereenkomstig zijn salaris jaarlijks te verhogen krachtens artikel 2 sub 2 van de arbeidsovereenkomst;

h. gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser zijn aanspraak op bonus uitkering (kerstgratificatie) gelijk aan één (1) maand salaris toe te kennen en dienovereenkomstig krachtens artikel 4 van de arbeidsovereenkomst gelijk met het salaris over de maand december uit te betalen;

i. gedaagde zal worden veroordeeld tot voortzetting van eisers persoonlijke ongevallenverzekering zoals bedoeld in artikel 5 van de arbeidsovereenkomst, met bepaling dat gedaagde aan eiser ten titel van dwangsom zal verbeuren Sf. 1.000,– voor iedere dag of keer dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen;

j. gedaagde zal worden veroordeeld tot voortzetting van de storting van de pensioenpremie ten behoeve van eiser zoals genoemd in artikel 6 sub I van de arbeidsovereenkomst, met bepaling dat gedaagde aan eiser ten titel van dwangsom zal verbeuren Sf. 1.000,– voor iedere dag of keer dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen; kosten rechtens;

Overwegende, dat [bedrijf] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van een produktie – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze hem zullen worden ontzegd, alszijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie van repliek en uitlating produkties heeft genomen, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie van dupliek heeft genomen, waarvan de inhoud ook hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 16 februari 1993 op de daarin opgenomen gronden:

A. Voor recht heeft verklaard dat het bij schrijven d.d. 6 mei 1991 aan eiser verleende ontslag nietig is;

B. Gedaagde heeft veroordeeld om, zolang de tussen partijen bestaande dienstbetrekking voortduurt:

1. aan eiser de benodigde medewerking te verlenen ter realisatie van zijn aanspraak op vrije geneeskundige behandeling zoals vermeld in artikel 7 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst;

2. de dienstauto ter beschikking van de eiser te stellen;

3. eisers persoonlijke ongevallenverzekering zoals bedoeld in artikel 5 van de arbeidsovereenkomst voort te zetten;

C. Gedaagde heeft veroordeeld om voor iedere dag of iedere keer dat zij in gebreke blijft aan voormelde veroordeling te voldoen ten titel van dwangsom aan eiser te betalen de som van Sf. 1.000,– (eenduizend gulden);

D. Gedaagde heeft veroordeeld om, zolang de tussen partijen bestaande dienstbetrekking voortduurt, overeenkomstig artikel 2 sub 2 van de arbeidsovereenkomst, de jaarlijkse periode verhoging aan eiser toe te kennen;

E. Gedaagde heeft veroordeeld om, zolang de tussen partijen bestaande dienstbetrekking voortduurt, overeenkomstig artikel 4 van de arbeidsovereenkomst aan eiser de kerstgratifikatie toe te kennen en uit te betalen;

Dit vonnis tot zover vermeld sub B tot en met E uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 85,75 (vijf en tachtig 75/100 gulden);

Het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [bedrijf] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 16 februari 1993;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel van 7 juli 1993 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak was bepaald op 21 januari 1994;

Overwegende, dat het Hof bij rolbeschikking d.d. 21 januari 1994 overlegging van een arbeidsovereenkomst zijdens geïntimeerde heeft bevolen;

Overwegende, dat de gemachtigde van geïntimeerde een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot overlegging produktie heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant hierna een eveneens hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;

Overwegende, dat partijen vervolgens vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 18 maart 1994, doch nader op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat appellante tijdig in hoger beroep is gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 16 februari 1993;

Overwegende, dat appellante vijf grieven tegen het beroepen vonnis heeft aangevoerd, luidende:

Grief 1:“De Kantonrechter heeft verzuimd de door geïntimeerde aan zijn vordering tegen grondslag gelegde arbeidsovereenkomst op de juiste wijze te interpreteren c.q. te onderzoeken, teneinde na te gaan welke de bedoeling der partijen bij het aangaan van die overeenkomst is geweest”.

Grief 2: “De Kantonrechter heeft derhalve tengevolge van dit verzuim ook niet kunnen vaststellen of de eerder aangehaalde overeenkomst een is voor bepaalde tijd danwel voor onbepaalde tijd aangegaan”.

Grief 3: “De Kantonrechter heeft geheel ten onrechte vastgesteld en aangenomen dat appellante de stelling van geïntimeerde dat het Decreet Ontslagvergunning op hem in zijn verhouding tot de appellante van toepassing is niet heeft betwist”, (zie 5e rechtsoverweging).

Grief 4: “De Kantonrechter heeft, doordat hij het karakter en de strekking van voormelde arbeidsovereen-komst niet heeft onderzocht en vastgesteld, ten onrechte beslist dat het Decreet Ontslagvergunning op de (arbeids-) verhouding van partijen van toepassing is”.

Grief 5: “De Kantonrechter zou bij een gedegen onderzoek en uitleg van de desbetreffende arbeidsovereen-komst zeker tot een ander besluit zijn gekomen dan door hem aangenomen en vastgesteld in rechtsoverweging No. 9 omtrent de in artikel 3 van het Decreet ontslagvergunning genoemde uitzonderingen”;

hebbende appellante deze grieven uitvoerig toegelicht, met conclusie, dat het het Hof moge behagen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 16 februari 1993, waartegen beroep, te vernietigen en dat het Hof moge behagen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 16 februari 1993, waartegen beroep, te vernietigen en dat het Hof opnieuw rechtdoende geïntimeerde in zijn vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans hem deze zal ontzeggen als zijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat de geïntimeerde de door appellante aangevoerde grieven heeft bestreden, met conclusie, dat het het Hof moge behagen het beroepen vonnis te bevestigen, met uitzondering van de afwijzing van petitum sub d en terzake daarvan opnieuw rechtdoende appellante te veroordelen aan geïntimeerde te voldoen zijn salaris ad Sf. 7.200,– maandelijks, te rekenen van 6 augustus 1991, zoals in petitum sub d verzocht;

Overwegende, dat geïntimeerde in het eerste “sustenu” en antwoord pleidooi d.d. 8 oktober 1993 opkomt tegen de overweging van de Kantonrechter, dat hij eiser (geïntimeerde) niet heeft gesteld dat hij bereid was gedurende voormelde periode de bedongen arbeid te verrichten, zodat hij niet kan worden ontvangen in zijn vordering, hebbende geïntimeerde ter weerlegging van deze overweging aangevoerd, dat appellante hem, – geïntimeerde – de toegang tot het terrein van appellante heeft ontzegd, weshalve geïntimeerde de bedongen werkzaamheden niet kan/kon verrichten;

dat geïntimeerde overigens door het indienen van de vordering te kennen heeft gegeven arbeid te willen verrichten, temeer daar hij gevorderd heeft appellante te bevelen hem (geïntimeerde) in de gelegenheid te stellen zijn functie uit te oefenen, hebbende geïntimeerde geconcludeerd tot bevestiging van het beroepen vonnis met uitzondering van de afwijzing van het petitum sub d en terzake daarvan opnieuw rechtdoende appellante te veroordelen aan geïntimeerde te voldoen zijn salaris ad Sf. 7.200,– maandelijks, te rekenen van 6 augustus 1991, zoals in petitum sub d verzocht;

Overwegende, dat appellante bij repliek pleidooi d.d. 5 november 1993 tegen voormelde stellingen heeft ingebracht, dat, nu geïntimeerde tegen het vonnis van 16 februari 1993 niet in appèl is gegaan, hetgeen impliceert dat hij zich met het vonnis a quo in zijn geheel kan verenigen, daarop geen acht dient te worden geslagen en appellants op die stellingen ook niet (verder) zal ingaan;

Overwegende, dat geïntimeerde bij dupliek-pleidooi d.d. 17 december 1993 heeft gesteld, dat door het appèl van appellante de zaak in haar volle omvang is onderworpen aan het oordeel van het Hof;

dat appellante – aldus geïntimeerde – ervan uitgaat dat de devolutieve werking van het appèl hier van toepassing is, hetgeen niet juist is, daar niet geïntimeerde in beroep is gegaan tegen onderdelen van het dictum, waarbij onderdelen van zijn vordering zijn toegewezen;

dat in het Surinaams rechtssysteem geïntimeerde bij incidentieel appèl zou kunnen appelleren tegen onderdelen van het dictum, hetgeen in casu niet mogelijk is, daar appellante geen memorie van grieven heeft ingediend en geïntimeerde alzo niet bij incidentieel appèl zijn grieven tegen het vonnis in eerste aanleg gemotiveerd kon voordragen;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat als niet juist kan worden aanvaard, dat de rechter in hoger beroep het gehele geschil tussen partijen, zoals dit aan het oordeel van de rechter in eerste aanleg onderworpen is geweest, geheel en in volle omvang opnieuw in behandeling neemt, vermits anders het in de wet opgenomen instituut van het incidentieel appèl (artikel 267 en 274 van vermeld wetboek) volmaakt overbodig zou zijn;

Overwegende, dat derhalve op de door de geïntimeerde aangevoerde stelling alleen dan zou kunnen worden ingegaan, indien geïntimeerde zijnerzijds in elk geval incidentieel appèl tegen vermeld vonnis zou hebben ingesteld, doch nu hij dit nagelaten heeft, het vonnis a quo, zover dit ten gunste van appellants is gewezen, in hoger beroep niet meer in beschouwing kan worden genomen, ten ware het Hof krachtens artikel 52 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of een bepaling van openbare orde zich genoodzaakt zou zien hier in afwijking van de Kantonrechter een in het nadeel van appellante strekkende beslissing te geven, waarvan echter ten deze geen sprake is;

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van geïntimeerdes tegenwerping bij dupliek-pleidooi opmerkt, dat deze niet opgaat, vermits ook al wordt in de praktijk de memorie van geïntimeerde veelal aangeduid als de “memorie van antwoord”, nergens het indienen van een memorie door geïntimeerde afhankelijk wordt gesteld van het overgelegd zijn van een memorie door appellante, waarop zou moeten worden geantwoord (vide Vs. HvJ. d.d. 5 nov. 1954, S.J. 1954 No. 26 inz. C.J. Bloem e.a. c/a N.V. Sur. Houtmij);

Overwegende, dat het Hof in dit verband nog opmerkt, dat artikel 274 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als termijn, waarbinnen geïntimeerde bevoegd is een memorie in te dienen en daarbij incidenteel te appelleren, dertig dagen “na de dagtekening van de aanzegging van het beroep” noemt en niet “na de dag van betekening van het afschrift van de memorie (van eis)”; vide naschrift J.D.C. onder HvJ 5 nov. 1954, S.J. ‘54 No. 26);

Overwegende, dat partijen blijkens haar stellingen het er over eens zijn, dat de tussen hen bestaande rechtsverhouding, gerelateerd in de zich onder de gedingstukken bevindende niet betwiste c.q. niet van valsheid betichte akte in fotokopie d.d. januari 1985, een arbeidsovereenkomst is, althans alszodanig te kwalificeren is;

Overwegende, dat appellante van oordeel is, dat die arbeidsovereenkomst één is voor bepaalde tijd aangegaan, want een overeenkomst is voor bepaalde tijd aangegaan, indien het tijdstip van beëindiging op grond van de overeenkomst of het reglement, van de wet of van het gebruik, van te voren objectief is vast te stellen, daarbij refererend aan Asser-Kamphuizen, bijz. overeenk., derde druk blz.409, terwijl geïntimeerde, onder verwijzing naar het tussen partijen uitdrukkelijk overeengekomen, de mening is toegedaan, dat de door partijen gesloten arbeidsovereenkomst één is voor onbepaalde tijd aangegaan;

Overwegende, dat het Hof, anders dan appellante, van oordeel is, dat in casu sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan, nu geen einddatum van de arbeidsverhouding tussen partijen blijkt te zijn overeengekomen;

Overwegende, dat nu er geen sprake is, van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan, artikel 3 lid 1 sub b van het “Decreet Ontslagvergunning”, waar appellante zich uitdrukkelijk op beroepen heeft, toepassing mist;

Overwegende, dat appellante, naar geïntimeerde terecht heeft gesteld, de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst niet had mogen beëindigen, zonder dat vooraf ontslagvergunning door of namens de Minister van Arbeid aan haar was verleend;

Overwegende, dat nu appellante met negering van artikel 2 van gemeld decreet, de dienstbetrekking heeft beëindigd, stelt geïntimeerde terecht dat de opzegging van rechtswege nietig is;

Overwegende, dat de door appellante tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven op de derde grief na, omdat appellante wel degelijk heeft betwist dat het Decreet Ontslagvergunning op geïntimeerde in zijn verhouding tot appellante van toepassing is doch evenwel niet, naar zal blijken, leiden zal tot een voor appellante gunstige beslissing, al welke grieven geacht worden gelijk te zijn besproken, danook als ongegrond dienen te worden verworpen;

Overwegende, dat nu de door appellante bij repliek pleidooi d.d. 5 november 1993 in het geding gebrachte brieven van respectievelijk 8 oktober 1990 van geïntimeerde aan de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij en 18 april 1991 van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij aan geïntimeerde, geen wijziging brengen in het oordeel van het Hof dat het beroepen vonnis behoort te worden bevestigd, kan bespreking van deze brieven geheel achterwege blijven;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep
Bevestigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 16 februari 1993 tussen partijen gewezen waarvan beroep;

Veroordeelt appellante in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op Sf. 500,–.

SRU-HvJ-2000-1

H.M.
A – 379

[verzoeker], wonende te [plaats] in het [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat 36 beneden, ten kantore van de advokaat Mr.E.C.M.Hooplot, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat nr.5, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat,
verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen van 6 februari 1998 en 22 januari 1999 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in
laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot, Mevr.K.Hussain Ali-Mathoera, Hoofd-Inspekteur van Politie (Afdeling Personeelszaken van Politie) namens verweerder en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 9 april 1999, Mr.H.P.Boldewijn namens de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder hebben gepersisteerd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 21 mei 1999, doch na enige malen te zijn aangehouden nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof andermaal volhardt bij het tussenvonnis van 6 februari 1998 en hetgeen dienaangaande is overwogen;
Overwegende, dat het Hof de vraag of verweerder in de van hem verlangde bewijslevering is geslaagd, bevestigend beantwoordt, blijkende immers uit de verklaringen van de op zijn, verweerders, verzoek gehoorde getuigen [naam 1] en [naam 2], in onderling verband en samenhang beschouwd, welke verklaringen eerder bevestiging dan weerlegging vinden in de verklaringen van de in de contra-enquete gehoorde getuigen [naam 3] en [naam 4], gevoegd bij de bij tussenvonnis van 22 januari 1999 gelaste en ter op 26 februari 1999 gehouden inlichtingencomparitie door verzoeker verschafte informaties zodanige maatregelen te treffen om te voorkomen dat de verdachte [naam 5] onrechtmatig van zijn vrijheid is beroofd;
Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat verzoeker zich derhalve heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim en hiervoor gestraft behoort te worden;
, dat hij, verzoeker, op 10 maart 1996 verzuimd heeft
Overwegende, dat het Hof de door de Minister van Justitie en Politie opgelegde tuchtstraffen niet in overeenstemming acht met de aan verzoeker verweten gedraging weshalve de beschikking waarvan beroep behoort te worden vernietigd, zullende het Hof tevens met toepassing van artikel 82 lid 4 van de Personeelswet een tuchtstraf opleggen als in het dictum van dit vonnis te melden RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Vernietigt de beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 11 juli 1996 [nummer];
Bepaalt dat verzoeker wegens plichtsverzuim zal worden geschorst voor de tijd van een maand met inhouding van zijn bezoldiging;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 18 februari 2000, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.J.R.VON NIESEWAND

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.H.ESSED namens de gemachtigden van partijen, advokaten Mr.E.C.M.HOOPLOT en Mr.A.R.BAARH.

SRU-HvJ-1994-15

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 13 mei 1994
(Mrs. J.R. von Niesewand, W.R. Willemzorg en O.W. Abendanon)

[verzoeker], wonende aan [adres] te [woonplaats], Nederland, domicilie kiezende te Paramaribo aan de Heerenstraat No. 17 boven, ten kantore van zijn gemachtigde, advokaat Mr. R.L. KENSMIL, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. F. KRUISLAND, advokaat, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [VERZOEKER] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, het Ministerie van Buitenlandse Zaken in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat No. 3, verweerder;

2. dat verzoeker op 15 mei 1981 als arbeidscontractant in dienst is getreden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor het verrichten van werkzaamheden als autobestuurder op de Ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag, Nederland;

3. dat verzoeker blijkens de hierbij in fotocopie overgelegde beschikking van de Minister van Buitenlandse Zaken, d.d. 24 oktober 1985 [nummer], te rekenen van 1 januari 1983 in vaste dienst werd aangesteld als Ambtenaar B der 1e klasse en werkzaam gelaten op de Ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag, Nederland, in de functie van conciërge-autobestuurder.

Verzoeker is derhalve ambtenaar in de zin van de Personeelswet;

4. dat bij de aanstelling van verzoeker hij niet in het genot werd gesteld van een tegemoetkoming voor huishuurvergoeding welke door het Ministerie wordt vergoed aan ambtenaren te werk gesteld op haar diplomatieke vestigingen;

5. dat op herhaalde verzoeken bij de Chef de Poste om een verklaring voor de niet toekenning aan hem van de tegemoetkoming voor huishuurvergoeding aan verzoeker steeds is voorgehouden dat hij niet in aanmerking komt voor vorengenoemde vergoeding, vermits deze niet wordt toegekend aan personeelsleden die voor de Ambassade lokaal zijn aangetrokken c.q. niet vanuit Suriname naar de Ambassade zijn gedetacheerd, tot welke categorie ambtenaren verzoeker alstoen werd gerekend;

6. dat verzoeker op eigen verzoek, te rekenen van 1 februari 1987 werd gemuteerd naar Suriname en te werk gesteld op het Ministerie van Buitenlandse Zaken te Paramaribo;

7. dat verzoeker te rekenen van 22 januari 1991 wederom werd gedetacheerd naar de Ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag, Nederland, alwaar hij thans nog te werk is gesteld;

8. dat het verzoeker evenwel thans bekend is geworden, dat aan minstens drie ambtenaren die behoren tot de categorie waartoe verzoeker werd gerekend, door het Ministerie van Buitenlandse Zaken een bedrag ad Nf. 500,– (VIJFHONDERD NEDERLANDSE GULDEN) per maand als huishuurvergoeding is toegekend, te rekenen vanaf de dag van hun aanstelling als ambtenaar werkzaam op de Ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag;

9. dat het eveneens ambtenaren betreft die gelijk verzoeker als lokaal aangetrokken krachten in vaste dienst werden aangesteld, nadat zij enige jaren als arbeidscontractanten op de Ambassade te Den Haag werkzaam zijn geweest en derhalve niet vanuit Suriname waren gedetacheerd;

10. dat door het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan twee dezer ambtenaren bereids een bedrag is uitgekeerd als huishuurvergoeding te rekenen vanaf de dag van hun aanstelling als ambtenaar in vaste dienst tot aan de dag hunner mutatie naar Paramaribo naar rato van Nf. 500,– per maand, terwijl een der bedoelde ambtenaren nog steeds werkzaam is op de Ambassade;

11. dat verzoeker, nadat hij met de in het 8e “dat” bedoelde beslissing van de Minister bekend was geworden, zich bij schrijven, d.d. 25 september 1992, heeft gewend tot de Chef de Poste van de Ambassade te Den Haag, met het verzoek om alsnog in aanmerking te worden gebracht voor de toekenning van huishuurvergoeding over de periode vanaf de dag zijner aanstelling als ambtenaar in vaste dienst op de Ambassade ingaande 1 januari 1983 tot aan de dag van zijn mutatie naar Paramaribo t.w. 1 februari 1987.

Een fotocopie van bedoeld schrijven wordt hierbij aan het Hof overgelegd met het verzoek de inhoud als geïnsereerd te beschouwen;

12. dat verzoeker bij schrijven d.d. 23 maart 1993 van de Direkteur van Buitenlandse Zaken van het Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken in kennis werd gesteld, dat door de Minister voornoemd afwijzend was beschikt op het verzoek van verzoeker, d.d. 5 september 1992, om alsnog in aanmerking te worden gebracht voor huishuurvergoeding over de periode 1 januari 1983 tot 1 februari 1987, met het argument dat verzoeker alstoen niet vanuit Suriname was gedetacheerd, zulks niettegenstaande het feit dat inmiddels aan minstens drie ambtenaren behorende tot de categorie ambtenaren waartoe verzoeker alstoen werd gerekend, huishuurvergoeding door de Minister van Buitenlandse Zaken bereids is toegekend en uitbetaald;

13. dat verzoeker van de inhoud van het in het 12e “dat” bedoeld schrijven van de Direkteur van Buitenlandse Zaken bij brief van de Charge d’ Affaires a.i., d.d. 25 maart 1993, met het verzoek de inhoud hiervan als geïnsereerd te beschouwen;

14. dat verzoeker van oordeel is, dat verweerder door het vorengenoemd besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken, heeft gehandeld in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, meer in het bijzonder in strijd met het Gelijkheidsbeginsel;

15. dat verzoeker op grond van het vorenstaande gerechtigd is in rechte te vorderen, dat het besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken vervat in de tweede alinea van het schrijven van de Direkteur van Buitenlandse Zaken, d.d. 23 maart 1993, wordt vernietigd en verweerder veroordeeld wordt aan verzoeker te betalen het bedrag van Nf. 24.500,– (VIERENTWINTIGDUIZEND EN VIJFHONDERD GULDEN) zijnde de aan verzoeker toekomende vergoeding voor huishuurtoelage over de periode 1 januari 1983 tot 1 februari 1987, naar rato van Nf. 500,– per maand;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

PRIMAIR:

a. dat nietig zal worden verklaard het besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken vervat in de tweede alinea van het schrijven van de Direkteur van Buitenlandse Zaken, d.d. 23 maart 1993;

b. dat verweerder, het Ministerie van Buitenlandse Zaken, zal worden veroordeeld om aan verzoeker te betalen het bedrag groot Nf. 24.500,– (VIERENTWINTIGDUIZEND EN VIJFHONDERD NEDERLANDSE GULDEN) met de wettelijke rente hierover terzake voorgeschreven vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

SUBSIDIAIR:

– verweerder, het Ministerie van Buitenlandse Zaken, zal worden veroordeeld aan verzoeker te betalen het bedrag van Nf. 24.000,– zijnde de schade door verzoeker geleden en voortvloeiende uit het besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken, genomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel en vervat in de tweede alinea van het schrijven van de Directeur van Buitenlandse Zaken, d.d. 23 maart 1993, kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de bij de Wet gestelde termijn, een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin als verweer wordt aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet uitdrukkelijk door hem is erkend.

2. Verweerder wenst met klem te stellen, dat verzoeker in zijn vordering niet-ontvankelijk is.

Verzoeker wenst namelijk toekenning van een huishuurvergoeding over de periode 1 januari 1983 – 1 februari 1987. Verzoeker stelt echter zelf in het 5e “sustenu” van het inleidend rekest, dat gedurende voormelde periode door hem herhaaldelijk het verzoek is gedaan om toekenning van een huishuurvergoeding, doch steeds dat verzoek is afgewezen.

Verzoeker is te rekenen vanaf 1 februari 1987 gemuteerd van Nederland naar Suriname. Zulks betekent, dat verzoeker op zijn laatst nog op 31 januari 1987 een verzoek als voormeld kon hebben gedaan.

Daarna heeft verzoeker in elk geval een dergelijk verzoek niet meer gedaan.

Zulks betekende, dat in elk geval het besluit of besluiten tot afwijzing van het verzoek of de verzoeken tot toekenning van een huishuurvergoeding in de periode 1 januari 1983 – 1 februari 1987 op uiterlijk 3 maart 1987 ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 1 sub b van de Personeelswet onaantastbaar waren geworden en daartegen derhalve niet meer kan worden opgekomen.

Het feit, dat verzoeker op 25 september 1992 opnieuw een verzoek heeft gedaan om een huishuurvergoeding over de periode 1 januari 1983 – 1 februari 1987 te ontvangen, brengt daarin geen verandering, aangezien dat verzoek niet los kan worden gezien van de vorige verzoeken, waartegen rechtens niet langer kon worden opgekomen.

Het is toch in strijd met het beginsel van rechtszekerheid, welk beginsel ook strekt tot bescherming van de Overheid, dat indien zij eenmaal een besluit heeft genomen over een bepaalde materie, zij steeds weer geconfronteerd zou kunnen worden met vorderingen tot aantasting van dat besluit, omdat de verzoeker meent nieuwe en later opgekomen gronden daarvoor te hebben.

Een efficiënt optreden van de overheid vergt voorts, dat indien zij eenmaal een besluit heeft genomen binnen redelijke termijn binnen het kader van het door haar gevoerde beleid, zij ervan moet kunnen uitgaan, dat besluit verder onaantastbaar is, zodat op dat besluit bij haar verder optreden kan worden voortgebouwd.

In dat kader heeft mitsdien ook de overheid behoefte aan rechtsbescherming voor een deugdelijke vervulling van haar taak (zie omtrent het voorgaande: Donner: Nederlands Bestuursrecht, 1973, Algemeen Deel, p. 290 e.v.; D. Simson: Bescherming van de overheid versus bescherming tegen de overheid, R.M. Themis 1967, p. 23 e.v.).

In het voorgaande kan geen verandering brengen, dat volgens verzoeker, zoals hij stelt in het 8e ”sustenu” van het inleidend rekest, thans aan hem bekend is geworden, dat aan tenminste drie ambtenaren die in dezelfde positie verkeerden als hij, wel een huurvergoeding zou zijn toegekend.

Inderdaad is aan twee ambtenaren, die werkzaam waren op de Ambassade van Suriname in Den Haag, Nederland en aldaar waren aangetrokken een huishuurvergoeding toegekend.

Die toekenning geschiedde echter bij besluiten van 4 september 1991 en 10 augustus 1992 en over respektievelijk een periode van 1 januari 1988 en 31 oktober 1990 en september 1988 – februari 1992.

Voormelde besluiten werden dan ook genomen lang nadat de ten aanzien van verzoeker genomen besluiten onaantastbaar waren geworden en liepen over perioden gelegen na de periode waarover verzoeker meende aanspraak op huurvergoeding te maken, althans tot het verkrijgen daarvan het verzoek deed.

Reeds om die redenen kan van schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake zijn.

Daarvan zou vooreerst slechts sprake kunnen zijn indien de betreffende besluiten in hetzelfde tijdvak waren genomen en over dezelfde perioden liepen.

In de tweede plaats zou daarvan toch slechts sprake kunnen zijn, indien in hetzelfde kader eerst aan één of meerdere ambtenaren de huishuurvergoeding was toegestaan en daarna aan verzoeker was geweigerd, aangezien eerst dan het punt van ongelijke behandeling aan de orde zou zijn.

In de derde plaats wijst verweerder erop, dat de besluiten om enerzijds de huurvergoeding toe te kennen (september 1991 en augustus 1992) en het besluit van 23 maart 1993 te ver uit elkaar liggen om daarop een conclusie van ongelijke behandeling te gronden, te meer waar laatstgemeld besluit slechts een bevestiging was van de eerder in de periode 1983 – 1987 genomen besluiten.

Tenslotte wijst verweerder erop, dat hoewel zijn beleid in beginsel terzake ongewijzigd is gebleven, hij na 1987 wel een verfijning daarop heeft aangebracht in die zin, dat in individuele gevallen huishuurvergoeding kon worden toegekend, voor zover zulks naar zijn oordeel gerechtvaardigd was.

Uiteraard kan een dergelijk gewijzigd beleidsinzicht alleen voor de toekomst gelden.

3. Verweerder wenst verder met klem te stellen, dat verzoeker noch aan de wet, noch aan enige andere rechtsbron een aanspraak kan ontlenen op huishuurvergoeding. Voorts heeft verzoeker geen enkele grond aangevoerd op basis waarvan verzoeker meent dat de omvang van de door hem gepretendeerde aanspraak Nf. 500,– per maand zou moeten zijn.

Indien verzoeker die aanspraak zou baseren op de aan twee andere ambtenaren toegekende huurvergoeding, dan is die grondslag ondeugdelijk, aangezien binnen het kader van verweerders beleid terzake tenminste twee modaliteiten aanwezig zijn, met name volledige huurvergoeding dan wel gehele of gedeeltelijke vergoeding van de z.g. ”kale huur”, i.e. huur exclusief water, electriciteit, gas en verwarming, zulks afhankelijk van de rang en funktie van de betreffende ambtenaar.

Wat de ”kale huur” betreft, is het beleid van verweerder geweest ten aanzien van voormelde ambtenaren, deze slechts te vergoeden op basis van de werkelijk terzake gemaakte kosten en dan nog slechts tot een maximum van Nf. 500,– per maand. Die kosten waren geen Nf. 500.–.

Uit het voorgaande blijkt dat verzoekers vordering ook ten aanzien van de omvang volstrekt ondeugdelijk is.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

– dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze hem als ongegrond zal worden ontzegd;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 21 juli 1993 in Raadkamer zijn verschenen de gemachtigden van partijen, advokaten Mr. R. KENSMIL en Mr. F. KRUISLAND, hebbende Mr. R. KENSMIL verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte, hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker hierna een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen, onder overlegging van een produktie;

Overwegende, dat nadat de gemachtigde van verweerder een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating produktie had genomen, partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 15 april 1994, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker op de in zijn verzoekschrift aangevoerde gronden heeft gevorderd:

PRIMAIR:

a. nietig verklaring van het besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken vervat in de tweede alinea van het schrijven van de Directeur van Buitenlandse Zaken, d.d. 23 maart 1993;

b. verweerder te veroordelen aan verzoeker te betalen het bedrag groot Nf. 24.000,– met de wettelijke rente hierover ter zake voorschreven, vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

SUBSIDIAIR:

gedaagde te veroordelen aan verzoeker te betalen het bedrag van Nf. 24.000,– zijnde de schade, door verzoeker geleden en voortvloeiende uit het besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken, genomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel en vervat in de tweede alinea van het schrijven van de Directeur van Buitenlandse Zaken d.d. 23 maart 1993;

Overwegende, dat de vordering van verzoeker naar het oordeel van het Hof blijkens de in het 8ste tot en met 10e ”dat” van het verzoekschrift gestelde feiten, die als in dit vonnis letterlijk herhaald en geïnsereerd dienen te worden aangemerkt, hierop gebaseerd is dat verweerder het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van hem heeft geschonden c.q. veronachtzaamd;

Overwegende, dat als onbetwist tussen partijen rechtens vaststaat:

– dat verzoeker op 15 mei 1981 als arbeidscontractant in dienst is getreden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor het verrichten van werkzaamheden als autobestuurder op de Ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag, Nederland;

– dat verzoeker bij beschikking van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 24 oktober 1985 [nummer] te rekenen van 1 januari 1983 in vaste dienst werd aangesteld als Ambtenaar B der 1ste klasse en werkzaam gelaten op de Ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag, Nederland, in de functie van conciërge-autobestuurder;

– dat bij verzoekers aanstelling verzoeker niet in het genot werd gesteld van een tegemoetkoming voor huishuurvergoeding;

– dat verzoeker op zijn herhaalde verzoeken bij de Chef de Poste om een verklaring voor de niet toekenning aan hem van·de tegemoetkoming voor huishuurvergoeding, steeds is voorgehouden dat hij niet in aanmerking komt voor die vergoeding omdat zij niet wordt toegekend aan personeelsleden die voor de Ambassade lokaal zijn aangetrokken c.q. niet vanuit Suriname naar de Ambassade zijn gedetacheerd, tot welke categorie ambtenaren verzoeker alstoen·werd gerekend;

– dat verzoeker op eigen verzoek te rekenen van 1 februari 1988 werd gemuteerd naar Suriname en te werk gesteld op het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Suriname;

– dat verzoeker te rekenen van 22 januari 1991 wederom werd gedetacheerd naar de Ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag, Nederland, alwaar hij thans nog werkzaam is;

– dat verzoeker bij schrijven d.d. 25 september 1992 aan de Chef de Poste van de Ambassade te Den Haag, aan hem het verzoek heeft gedaan alsnog in aanmerking te worden gebracht voor de toekenning van huishuurvergoeding over de periode vanaf de dag zijner aanstelling als ambtenaar in vaste dienst op de Ambassade ingaande 1 januari 1983 tot aan de dag van zijn mutatie naar Suriname t.w. 1 februari 1987;

– dat bij besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken afwijzend is beslist op het verzoek van verzoeker van 25 september 1992 omdat verzoeker alstoen niet vanuit Suriname was gedetacheerd;

Overwegende, dat verzoeker bij monde van zijn raadsman tijdens het verhoor als bedoeld in artikel 714e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft verklaard, dat er geen wettelijke grondslag is voor huishuurvergoeding maar dat er wel circulaires zijn waarin bepaalde regelingen zijn vastgelegd;

Overwegende, dat verzoeker, ten einde de grondslag zijner vordering te bewijzen bij conclusie d.d. 4 februari 1994 in het geding heeft gebracht een lijst op basis waarvan ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, die op een harer diplomatieke respectievelijk consulaire vestigingen zijn te werk gesteld, emolumenten zoals verblijfsvergoeding en huishuurvergoeding worden uitgekeerd;

Overwegende, dat verweerder, ontkend hebbend het gelijkheidsbeginsel te hebben geschonden, aangevoerd heeft, dat hij inderdaad aan twee ambtenaren, die werkzaam waren op de Ambassade van Suriname in Den Haag, Nederland, en aldaar waren aangetrokken een huishuurvergoeding heeft toegekend;

– dat die toekenning echter geschiedde bij besluiten van 4 september 1991 en 10 augustus 1992 en over respectievelijk een periode van 1 januari 1988 – 31 oktober 1990 en september 1988 – februari 1992;

– dat voormelde besluiten dan ook genomen werden lang nadat de ten aanzien van verzoeker genomen besluiten onaantastbaar waren geworden en over perioden liepen gelegen na de periode waarover verzoeker meende aanspraak op huurvergoeding te maken, althans tot het verkrijgen daarvan het verzoek deed en dat reeds om die reden van schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake kan zijn;

– dat daarvan vooreerst slechts sprake zou kunnen zijn, indien de betreffende besluiten in hetzelfde tijdvak waren genomen en over dezelfde perioden liepen;

– dat in de tweede plaats daarvan toch slechts sprake zou kunnen zijn, indien in hetzelfde kader eerst aan één of meerdere ambtenaren de huishuurvergoeding was toegestaan en daarna aan verzoeker was geweigerd, aangezien eerst dan het punt van ongelijke behandeling aan de orde zou zijn;

– dat verweerder in de derde plaats erop wijst, dat de besluiten om enerzijds de huurvergoeding toe te kennen (5 september 1991 en augustus 1992) en het besluit van 23 maart 1993 te ver uit elkaar liggen om daarop een conclusie van ongelijke behandeling te gronden, te meer waar laatst gemeld besluit slechts een bevestiging was van de eerder in de periode 1983 – 1987 genomen besluiten;

– dat verweerder tenslotte erop wijst, dat hoewel zijn beleid in beginsel terzake ongewijzigd is gebleken, hij na 1987 wel een verfijning daarop heeft aangebracht in die zin, dat in individuele gevallen huishuurvergoeding kon worden toegekend, voorzover zulks naar zijn oordeel gerechtvaardigd was, welk gewijzigd beleidsinzicht uiteraard alleen voor de toekomst kan gelden;

Overwegende, dat het gelijkheidsbeginsel, waar verzoeker zich op beroept en in strijd waarmede verweerder, naar blijkt uit de feiten aan de vordering van verzoeker ten grondslag gelegd, heeft gehandeld, niet vraagt om toepassing van gelijkheid zonder meer, maar er van uitgaat dat onder gelijke omstandigheden verkerende burgers, deze gelijkelijk moeten worden behandeld, geen voortrekkerij, geen discriminatie (zie C.D. OOFT in ”Kort begrip van het Sur. Adm. recht I, p. 46);

Overwegende, dat verzoeker bij conclusie tot uitlating met betrekking tot de overgelegde produktie d.d. 4 februari 1994, in het geding heeft gebracht een lijst op basis waarvan aan ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, die op een harer diplomatieke respectievelijk consulaire vestigingen zijn te werk gesteld, emolumenten zoals verblijfsvergoeding en huishuurvergoeding worden uitgekeerd;

Overwegende, dat het Hof aanstonds opmerkt, dat verzoeker, zo hij zich als bewijs van de grondslag zijner vordering zou willen beroepen opgemelde lijst, beslist niet kan worden geacht dat bewijs te hebben bijgebracht, nu naar uit die lijst blijkt, verzoeker niet behoort tot één der categorieën van ambtenaren, vallende onder een van de op die lijst aangegeven thuisrangen;

Overwegende, dat verzoeker blijkens zijn overige stellingen niettemin meent aanspraak te moeten maken op huishuurvergoeding als door hem gevorderd, daarbij aanvoerend, dat vanaf de vestiging van diplomatieke posten in het buitenland door de Republiek Suriname in 1976, aan ambtenaren dienende in een lagere rang (secretaressen) bedoelde emolumenten, aangepast aan de rang en functie werden vergoed;

– dat laatst bedoelde situatie omstreeks 1983 aanzienlijke uitbreiding onderging, nadat de arbeidsverhouding met alle personeelsleden werkzaam op de diplomatieke vestigingen door het Ministerie werd omgezet in een ambtenarenverhouding voor personen dienende in lagere rangen;

– dat bedoelde omzetting ook werd toegepast op het tot 1 januari 1983 tussen verzoeker en het Ministerie bestaande arbeidscontract, van welke datum af verzoeker in een ambtenaarsverhouding kwam te staan;

Overwegende, dat nu verzoeker, na gemotiveerde betwisting door verweerder van voormelde stellingen, geen bewijs dier stellingen heeft aangeboden, het Hof aan die stellingen als volkomen ongemotiveerd voorbijgaat;

Overwegende, dat verzoeker tenslotte nog heeft aangevoerd, dat hem bekend geworden is dat aan minstens één ambtenaar, die in 1988 in Den Haag werd aangetrokken door het Ministerie voor werkzaamheden op de Ambassade in Den Haag, vanaf zijn in-diensttreding huishuurvergoeding is toegekend;

voorts dat het hem eveneens bekend is dat aan twee ambtenaren die aanvankelijk als arbeidscontractanten in Den Haag waren aangetrokken, huishuurvergoeding is toegekend door de leiding van het Ministerie;

Overwegende, dat, nog daargelaten dat verweerder ook voormelde stellingen heeft ontkend en verzoeker daarop ook geen bewijs van die stellingen heeft aangeboden op grond waarvan aan die stellingen als volkomen ongemotiveerd dient te worden voorbij gegaan, het Hof bovendien opmerkt, dat zo die stellingen tussen partijen als erkend zouden zijn komen vast te staan, zulks schending van het gelijkheidsbeginsel toch niet zou rechtvaardigen, nu de feiten, daaromtrent gesteld, beslist onvoldoende te achten zijn;

Overwegende, dat nu na al het vorenoverwogene, niet gezegd kan worden, dat verweerder, door niet aan verzoeker uit te keren de huishuurvergoeding als door verzoeker in het onderhavige proces van verweerder gevorderd, het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, dienen verzoekers vorderingen als onbewezen te worden ontzegd;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Ontzegd verzoeker zijn (primaire en subsidiaire) vorderingen.

SRU-HvJ-1994-14

Hof van Justitie
13 mei 1994, G.R. 13368

(Mrs. J.R. von Niesewand, E.S. Ombre, W.R. Willemzorg)

[appellant], echtgenoot van [geïntimeerde], wonende aan [adres 1] in [district 1], voor wie als gemachtigde optreedt mr. W.A. Richards, advocaat, appellant,

tegen

[geïntimeerde], echtgenote van [appellant], rechtens wonende ten huize van haar echtgenoot, doch feitelijk verblijfhoudende aan [adres 2] te [district 2], voor wie als gemachtigde optreedt mr. J.J. Emanuelson, advocaat, geïntimeerde.

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, van 23 februari 1993 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 17 maart 1993, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat, blijkens eerder overgelegd bewijs van huwelijksvoltrekking, eiseres op 16 juli 1974 te [woonplaats]/Nederland in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd met [appellant], wonende aan [adres 1] in [district], gedaagde;

2. dat uit het huwelijk van partijen geen kinderen zijn geboren;

3. dat eiseres gedurende haar voormeld huwelijk met de gedaagde heeft moeten ondervinden, dat deze meerdere malen vleselijke gemeenschap heeft gehad met andere vrouwen, althans met een andere vrouw dan met haar, eiseres, en zich derhalve aan overspel heeft schuldig gemaakt;

4. dat de gedaagde voorts, gedurende der partijen huwelijk, voornamelijk: gedurende de laatste twee jaren van het huwelijk van partijen jegens eiseres, herhaaldelijk, buitensporigheden heeft gepleegd door eiseres meerdere malen te prikkelen en te kwetsen en alzo tussen partijen twist uit te lokken en alsdan, onder het uiten van beledigende woorden over haar en haar hele familie, haar te bedreigen, haar in elkaar te zullen ranselen, indien zij hem blijft tegenspreken, waardoor zij, hem kennende zich telkenmale weer voor haar leven bedreigd gevoelt; dat eiseres vaak door de gedaagde is mishandeld;

5. dat de gedaagde gedurende de laatste twee jaren van het huwelijk van partijen pertinent weigert enige geldelijke bijdrage te leveren ter bestrijding van de kosten der gemeenschappellijke huishouding of van de kosten van levensonderhoud van eiseres;

6. dat eiseres, op grond van voormelde feiten gerechtigd is tegen de gedaagde in te stellen:

a. primair: een vordering tot echtscheiding op grond van overspel;

b. subsidiair: een vordering tot scheiding van tafel en bed op grond van buitensporigheden w.o., eiseres meerdere malen te prikkelen en te kwetsen en alzo tussen partijen twist uit te lokken en alsdan, onder het uiten van beledigende woorden over haar en haar gehele familie, haar te bedreigen, haar in elkaar te zullen ranselen, indien zij hem blijft tegenspreken, waardoor zij, hem kennende, zich telkenmale weer voor haar leven bedreigd gevoelt;

dat eiseres vaak door de gedaagde is mishandeld;

dat eiseres hiertoe van de Rechter verlof heeft bekomen bij beschikking de dato 2 juli 1992;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis tussen partijen de 16 de juli 1974 te [woonplaats]/Nederland in algehele gemeenschap van goederen gehuwd:

Primair: de echtscheiding zal worden uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien;

Subsidair: partijen zullen worden verklaard gescheiden van tafel en bed, met alle wettelijke gevolgen van dien;

Kosten rechtens.

Overwegende, dat [appellant] zich als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – heeft gerefereerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 23 februari 1993 op de daarin opgenomen gronden;

De echtscheiding heeft uitgesproken tussen:

[appellant] en [geïntimeerde] gehuwd op 16 juli 1974 te [woonplaats]/Nederland in algehele gemeenschap van goederen, met alle wettelijke gevolgen van dien.

De kosten tussen partijen die echtelieden zijn, heeft gecompenseerd in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten drage.

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 23 februari 1994;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel van 4 augustus 1993 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dag de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 13 mei 1994, doch nader op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat de stellingen neergelegd in de pleitnota d.d. 18 februari 1994 op het navolgende neerkomen:

– [appellant] is op 16 juli 1974 te Rotterdam in Nederland in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [geïntimeerde] ;

– geïntimeerde, [geïntimeerde], heeft, na daartoe gedaan verzoek d.d. 18 juni 1992 aan de Kantonrechter in het Eerste Kanton, het verzoek gedaan haar verlof te verlenen tot het instellen van een vordering ter verkrijging van echtscheiding;

– geïntimeerde, [geïntimeerde], heeft, het gevraagde verlof bij beschikking d.d. 2 juli 1992 verkregen hebbend, door tussenkomst van haar procesgemachtigde, mr. J.J. Emanuelson, advocaat bij het Hof van Justitie, doen indienen tegen [appellant] een vordering tot echtscheiding, bekend in het Algemeen Register onder nummer 92/2246;

– Mr. M.R. Carrilho, advocaat bij het Hof van Justitie, procesgemachtigde van [appellant], heeft ter terechtzitting van 26 januari 1993, nadat de zaak enkele malen voor antwoord was uitgesteld, in voormeld proces buiten medeweten van [appellant] om en zonder zijn uitdrukkelijke schriftelijke volmacht daartoe, zich bij antwoord ten aanzien van het gestelde overspel aan het oordeel van de Edelachtbare Heer Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft bij vonnis d.d. 23 februari 1993 gewezen, de echtscheiding tussen [appellant] en geïntimeerde uitgesproken;

– [appellant] heeft daarop en wel tijdig tegen gemeld vonnis hoger beroep aangetekend;

– [appellant] heeft in het proces in prima zijn procesgemachtigde noch mondeling noch schriftelijk de opdracht gegeven zich terzake de door geïntimeerde tegen appellant, ingestelde vordering tot echtscheiding aan het oordeel van de Edelachtebare Heer Kantonrechter ten aanzien van het door geïntimeerde gestelde overspel te refereren;

– [appellant] heeft terzake een désaveu procedure tegen zijn toenmalige procesgemachtigde, mr. M.R. Carrilho, advocaat, aangelegd, bekend in het Algemeen Register nummer 93/2519, die op de zitting van 25 januari 1994 voor repliek heeft gediend;

Overwegende, dat [appellant] op voormelde gronden heeft gevorderd vernietiging van het vonnis in prima gewezen en uitgesproken door de Edelachtbare Heer Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 23 februari 1993 (Algemeen Register nummer 92/2246) tussen [appellant] als gedaagde en geïntimeerde als eiseres, en geïntimeerde alsnog toe te laten tot het bewijs harer stellingen in vermeld proces;

Overwegende, dat het, naar ‘s Hoven oordeel, in casu betreft een désaveu van een handeling, gescheid in een geding dat reeds geëindigd is door een eindvonnis, tegen welk vonnis echter hoger beroep is ingesteld;

Overwegende, dat [appellant] geheel in overeenstemming met de naar vaste rechtspraak aanvaarde leer het désaveu direct voor het Hof als appèlinstantie heeft gebracht;

Overwegende, dat het Hof als appèlinstantie in het onderhavige geval uitsluitend de deugdelijkheid der ontkentenis zou hebben te beoordelen, en bij deugdelijke verklaring het vonnis te vernietigen en de zaak naar de eerste rechter terug te wijzen ter hernieuwde berechting, aan te vangen op het punt, voordat de ontkende verrichting, het ten aanzien van het gestelde overspel zich refereren aan het oordeel van de rechter, plaats had;

Overwegende, dat, naar het Hof is gebleken, [appellant] nagelaten heeft zijn toenmalige procesgemachtigde, mr. M.R. Carrilho, advocaat bij het Hof van Justitie, in het onderhavige désaveu geding, dat tegen genoemde advocaat gericht zou moeten zijn, behoorlijk op te roepen teneinde zich te verweren tegen de ontkentenis door [appellant] van de verrichtingen van meergenoemde advocaat;

Overwegende, dat voormelde omissie dan ook moet leiden tot niet-ontvankelijkheid der vordering tot désaveu;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep

Verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot désaveu.