SRU-HvJ-1990-6

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 12 oktober 1990

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en F.F.P. Truideman)

[verzoeker], wonende [adres], advokaat Mr. R.W. VAN RITTER, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie te zijner Parkette aan de Gravenstraat no. 3, advokaat Mr. F. KRUISLAND, verweerder.

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie te zijner Parkette aan de Gravenstraat no. 3, verweerder,

2. dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet;

3. dat verzoeker in 1980 in dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is getreden;

4. dat verzoeker nadat hij diverse diplomatieke functies in het buitenland had bekleed met de titulatie van Ambassadeur in Algemene Dienst omstreeks 1984 aan het Kabinet van de Bevelhebber van het Nationaal Leger was uitgeleend, alwaar hij zich voornamelijk met buitenlandse betrekkingen van het Kabinet van Suriname heeft bezig gehouden;

5. dat verzoeker blijkens hierbij overgelegd schrijven van 24 april 1989 aan het Militair Gezag het verzoek heeft gedaan om hem per 8 mei 1989 te ontheffen uit de Directeursfunctie op het Kabinet;

6. dat verzoeker blijkens hierbij gevoegd schrijven van 8 mei 1989 aan de Minister van Buitenlandse Zaken heeft bericht dat hij zich ingaande 8 mei 1989 wederom ter beschikking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken stelt.

7. dat verzoeker bij resolutie d.d. 25 april 1989 Bur. [ nummer 1] , welke door hem op 23 mei 1989 is ontvangen op de daarin genoemde overwegingen te rekenen van 1 februari 1989 als Hoofdambtenaar ”A” 2e klasse is overgeplaatst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar dat van Defensie;

8. dat verzoeker zich niet kan verenigen met zijn overplaatsing, hebbende verweerder van die bevoegdheid om bij hem dienende ambtenaren over te plaatsen kennelijk een ander gebruik gemaakt dan het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, zodanig dat hier van misbruik van bevoegdheid sprake is;

9. dat van een herstructurering van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, gelijk in de resolutie staat naar buiten niet is gebleken en lijkt het effectief inzetten van het beschikbare personeel kennelijk door middel van overplaatsing naar een ander Ministerie, klaarblijkelijk alleen op verzoeker te zijn toegepast, hetgeen door verzoeker als willekeur te zijnen opzicht wordt ervaren;

10. dat indien met middelen bedoeld wordt geldmiddelen, verzoeker er op wenst te wijzen dat hij zijn salaris over mei 1989 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft ontvangen, zullende een hervatting van zijn werkzaamheden op dat Ministerie geen verzwaring van het budget van dat Ministerie met zich medebrengen;

11. dat de overplaatsing van verzoeker bij resolutie van 25 april 1989, daags nadat verzoeker om ontheffing als Directeur van het Kabinet van het Militair Gezag had verzocht en wel met terugwerkende kracht tot 1 februari 1989 in strijd is met het in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginsel van behoorlijk bestuur;

12. dat nu verweerder de verzoeker niet heeft gehoord bij zijn voornemen om verzoeker over te plaatsen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar dat van Defensie, verweerder heeft gehandeld in strijd met het algemeen aanvaardbare beginsel van fairplay;

13. dat het toch als onjuist en onaanvaardbaar moet worden aangemerkt dat een ambtenaar die behorend tot het leidinggevend kader van de Overheid, gelet op zijn ervaring op het stuk van de buitenlandse dienst en het door hem ontvangen salaris bij een overplaatsing niet wordt gekend c.q. gehoord waardoor hij zo effectief mogelijk binnen de administratie van verweerder kan functioneren;

14. dat verzoeker de maatregel tot overplaatsing als een tuchtstraf ervaart, waaronder hij geestelijk lijdt, terwijl de motivering van de resolutie tot overplaatsing het besluit niet draagt;

15. dat de rechtszekerheid met name het naar willekeur overplaatsen van ambtenaren c.q. landsdienaren in gevaar wordt gebracht;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

Primair:

dat bij vonnis de resolutie van 25 april 1989 Bureau [nummer 1] zal worden vernietigd c.q. nietig zal worden verklaard;

Subsidiair:

a. dat bij vonnis verweerder zal worden veroordeeld c.q. zal worden bevolen om binnen TWEE WEKEN na het te wijzen vonnis de resolutie van 25 april 1989 Bureau [nummer 1] in te trekken als zijnde in strijd met artikel 79 lid 1 onder a van de Personeelswet, in het bijzonder wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan waartoe die is gegeven (misbruik van bevoegdheid) c.q. als zijnde in strijd met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur met name in strijd met het motiveringsbeginsel, het beginsel van rechtszekerheid en fairplay;

b. dat verweerder zal worden veroordeeld om voor elke dag dat hij in gebreke blijft om aan de veroordeling te voldoen aan verzoeker ten titel van dwangsom zal betalen de som van f. 500,–, kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de bij de Wet gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarin het volgende wordt aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist met klem al hetgeen niet uitdrukkelijk door hem is erkend.

2. Verzoeker heeft bij inleidend rekest primair gevorderd, dat uw Hof de resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 25 april 1989 [nummer 1] nietig zal verklaren. Voormelde resolutie, welke bij voormeld rekest door verzoeker is overgelegd, bevat een besluit tot overplaatsing van verzoeker van het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar het Ministerie van Defensie.

Een dergelijk besluit moet worden beschouwd als een besluit tot benoeming in een andere functie als bedoeld in artikel 21 van de Personeelswet.

Tot kennisneming van een vordering tot nietigverklaring van een besluit als voormeld, is echter Uw Hof ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 5 van de Personeelswet niet bevoegd, aangezien dat besluit niet vatbaar is voor nietigverklaring als aangegeven in artikel 79 lid 2 van voormelde wet.

Bovenvermeld besluit tot benoeming in een andere functie betreft immers niet een besluit betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioen, wachtgeld, vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit, noch tot verlaging van rang. Zoals uit voormeld besluit blijkt, is toch verzoeker met behoud van zijn rang en salaris formeel gemuteerd naar het Departement van Defensie.

3. Verzoeker heeft subsidiair gevorderd, dat Uw Hof verweerder zal veroordelen dan wel bevelen bovenvermeld besluit in te trekken.

Ingevolge artikel 79 leden 1 en 5 is Uw Hof echter slechts bevoegd tot nietigverklaring van een door verweerder genomen besluit dan wel tot het geven van een gebod tot het nemen van een besluit dan wel het verrichten van een handeling of een verbod tot het verrichten van een handeling, zulks onder oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van het bevolen besluit of de bevolen handeling dan wel het toch verrichten van de verboden handeling, waaronder derhalve geenszins valt het geven van een bevel tot intrekking van een besluit.

4. Verweerder kan erkennen hetgeen is gesteld in het 2e en 3e ”sustenu” van het inleidend rekest, met dien verstande, dat verzoeker in 1981 in dienst van verweerder is getreden en te werk is gesteld op het Departement van Buitenlandse Zaken.

5. Verweerder ontkent en betwist met klem, dat verzoeker nimmer is benoemd tot Ambassadeur in Algemene Dienst.

Verzoeker is in juni 1982 benoemd tot Ambassade-Secretaris 1e klasse met de persoonlijke titel van Ambassaderaad titulair op de Ambassade van de Republiek Suriname te Georgetown, Guyana. Per 1 november 1982 is verzoeker vervolgens belast met de functie van Chef de Poste op de Ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag, Nederland, met de titel van Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur van de Republiek Suriname, welke functie hij heeft vervuld tot juli 1984, waarna hij ter beschikking van de Bevelhebber van het Nationaal Leger werd gesteld.

6. Verweerder ontkent en betwist, dat hij van zijn bevoegdheid tot mutatie van een ambtenaar zoals geschied ten aanzien van verzoeker in de ten rekeste vermelde resolutie d.d. 25 april 1989, ”een kennelijk ander gebruik heeft gemaakt dan voor het doel waarvoor die bevoegdheid is gegeven”, zoals verzoeker stelt in het 8e ”sustenu” van het inleidend rekest.

Verzoeker is met ingang van 15 juli 1984 ter beschikking gesteld van de CISM-Commissie Suriname van het Nationaal Leger, zoals blijkt uit het hierbij overgelegde schrijven van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 26 juli 1984 en wel voor de duur van het alstoen te houden CISM-toernooi in Suriname. Na het einde van voormeld toernooi is verzoeker niet teruggekeerd binnen het institutionele raamwerk van het Departement van Buitenlandse Zaken, doch is hij te werk gesteld op het Kabinet van de Bevelhebber van het Nationaal Leger met zijn instemming.

Vervolgens is verzoeker met zijn instemming per 19 november 1985·benoemd tot direkteur van het Kabinet van de Bevelhebber van het Nationaal Leger, welk instituut na de inwerkingtreding van de thans geldende Grondwet werd omgevormd in ”het Kabinet van het Militair Gezag”, zulks op basis van artikel 178 van de Grondwet, waarbij verzoeker als direkteur werd gehandhaafd.

Voormeld instituut heeft tot taak aan de leiding van het Nationaal Leger bijstand te verlenen bij de uitoefening van zijn taak. Op grond van voormelde taak is voormeld instituut dan ook een onderdeel van het Departement van Defensie (vóór 30 juni 1988, Departement van Leger en Politie) binnen het kader van de administratieve ordening van de overheidsorganisatie. Ter staving van het voorgaande verwijst verweerder naar artikel 18 punt 1 sub b van ”het Besluit Instelling en Taakomschrijving van de Departementen van Algemeen Bestuur 1986” (S.B. 1986 no. 23) en naar artikel 9 van het ”Besluit Taakomschrijving Departementen 1988” (S.B. 1988 no. 39), krachtens welke wettelijke bepalingen de zorg voor het Leger berust bij het Departement van Defensie (vóór 30 juni 1988 ”Departement van Leger en Politie”).

Op grond van het voorgaande ressorteerde verzoeker als Direkteur van het Kabinet van de Bevelhebber van het Nationaal Leger, naderhand Kabinet van het Militair Gezag, functioneel mitsdien onder het Departement van Defensie, zulks met zijn instemming en medewerking.

De resolutie van 25 april 1989 [nummer 1] houdt dan ook niet meer in dan verzoekers positie in overeenstemming brengen met de administratieve ordening van de overheidsorganisatie en bracht geenszins enige wijziging in verzoekers plaats binnen de overheidsorganisatie.

Verzoekers stelling, dat verweerder van zijn bevoegdheid een ander gebruik zou hebben gemaakt dan voor het doel, waartoe die bevoegdheid is gegeven, is mitsdien van elke grond ontbloot.

7. Binnen de overheidsorganisatie is het van belang inzicht te hebben in de formatie van de onderdelen van voormelde organisatie en de budgetaire lasten, die aan de onderscheidene onderdelen verbonden zijn, zodat het beschikbare personeel bij een bepaald onderdeel op de meest efficiënte wijze kan worden ingezet en bij het samenstellen van de begroting daarmede als factor rekening kan worden gehouden. Op grond van voormeld uitgangspunt heeft de leiding van het Departement van Buitenlandse Zaken op 21 november 1988 aan de afdeling Personeelszaken van dat Departement de instructie gegeven ervoor zorg te dragen, dat ambtenaren, die functioneel onder een ander departement ressorteerden, niet langer administratief en budgetair ten laste van het Departement van Buitenlandse Zaken zouden komen. Aangezien zulks van toepassing was op verzoeker, is door het Departement van Binnenlandse Zaken een concept-resolutie opgemaakt tot overplaatsing van verzoeker, welke concept-resolutie op 13 januari 1989 naar het Departement van Buitenlandse Zaken is verzonden. Voormelde concept-resolutie hield in de overplaatsing van verzoeker per 1 februari 1989. Op 31 januari 1989 is voormelde concept-resolutie gecontrasigneerd door de Minister van Buitenlandse Zaken en op 8 februari d.a.v. doorgezonden naar het Departement van Defensie voor het contraseign van de Minister van Defensie.

Kennelijk als gevolg van vertragingen binnen de administratie is echter het uiteindelijk besluit eerst op 25 april 1989 door de President van de Republiek Suriname getekend. Uit voorgaande data blijkt dus, dat het besluit tot overplaatsing van verzoeker, teneinde de administratieve ordening tot volkomenheid te brengen, reeds in januari 1989 was genomen en sedert november 1988 in voorbereiding was.

Ten onrechte stelt verzoeker dan ook, dat voormeld besluit ”daags nadat verzoeker om ontheffing als Direkteur van het Kabinet van het Militair Gezag had verzocht en wel met terugwerkende kracht tot 1 februari 1989” zou zijn genomen.

Kennelijk suggereert verzoeker daarmede, dat verweerder opzettelijk toen hij gehoord had van zijn verzoek om ontheffing, hem heeft overgeplaatst.

Uit het voorgaande blijkt, dat zulks echter geheel onjuist en totaal ongegrond is.

Immers lang voor verzoeker om ontheffing verzocht, was het besluit tot zijn overplaatsing al gevallen.

Bovendien wist noch de President van de Republiek, noch de Minister van Buitenlandse Zaken op 25 april 1989, dat verzoeker een ontheffing uit zijn functie als Directeur van het Kabinet van het Militair Gezag had verzocht. Verzoeker heeft namelijk eerst bij schrijven d.d. 8 mei 1989 hetwelk bij inleidend rekest door hem is overgelegd, aan de Minister van Buitenlandse Zaken bericht, dat hij zijn diensten weer ter beschikking van de Minister van Buitenlandse Zaken stelde.

Overigens moet verweerder opmerken, dat een ambtenaar niet kan beslissen, welke functie hij op een bepaald moment zal gaan bekleden, doch zulks is voorbehouden aan bet bevoegd gezag als bedoeld in artikel 3 van de Personeelswet.

Ter staving van het voorgaande legt verweerder hierbij over bovenvermelde instructie van de Direkteur van Buitenlandse Zaken d.d. 21 november 1988 en bovenvermelde concept-resolutie d.d. januari 1989.

8. Verzoeker heeft voorts gesteld, dat aangezien hij niet gehoord is omtrent zijn overplaatsing, verweerder in strijd zou hebben gehandeld met het beginsel van fairplay. Voormeld beginsel is echter in casu in het geheel niet van toepassing, aangezien dat beginsel inhoudt het betrachten van openhartigheid omtrent de doeleinden van en de motieven voor een bepaald beleid, hetgeen niets te maken heeft met het al dan niet horen van een ambtenaar over zijn overplaatsing.

Verweerder moet voorts opmerken, dat zoals boven reeds gesteld, de overplaatsing van verzoeker slechts betrof het administratief tot volkomenheid brengen van een situatie, die in werkelijkheid bestond en die met verzoekers instemming en medewerking tot stand was gekomen. Het horen van verzoeker terzake was dan ook geheel overbodig. Overigens is nergens in de wet aangegeven dat een ambtenaar moet worden gehoord voordat hij kan worden overgeplaatst.

9. Verweerder wenst tenslotte met klem te stellen, dat de motivering van de resolutie d.d. 25 april 1989 [nummer 1] helder en duidelijk is en het daarin neergelegde besluit, geheel kan dragen, mede in het licht van hetgeen hierboven is gesteld. Waarop verzoeker zijn stelling grond, dat bovenvermelde resolutie een tuchtstraf zou inhouden, is verweerder geheel duister gebleven;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze hem als ongegrond zal worden ontzegd;

Overwegende, dat partijen, verzoeker in persoon bijgestaan door advokaat Mr.Dr. C.D. Ooft namens de gemachtigde van verzoeker advokaat Mr. R.W. van Ritter, de heer A.CH. Kruisland, ambtenaar bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken en advokaat Mr. K.R. Lieuw On namens de gemachtigde van de Staat Suriname, ingevolge ’s Hofs beschikking d.d. 12 september 1989 in Raadkamer zijn gehoord, waarbij zij hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker daarbij een produktie overgelegd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 26 oktober 1990, doch bij vervroeging op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van artikel 1 van de Personeelswet(Pw.)

Overwegende, dat verzoeker in zijn rekest heeft gesteld, dat nadat hij diverse diplomatieke funkties in het buitenland had bekleed, met de titulatie van Ambassadeur van Algemene Dienst, omstreeks 1984 aan het Kabinet van de bevelhebber van het Nationaal Leger was uitgeleend, alwaar hij zich voornamelijk met buitenlandse betrekkingen van het Kabinet en Suriname heeft beziggehouden;

Overwegende, dat het Hof het allereerst noodzakelijk acht, de ambtelijke loopbaan van verzoeker de revue te laten passeren:

(1). in 1980/81 trad verzoeker in Staatsdienst en wel op het Ministerie van Buitenlandse Zaken;

(2). bij resolutie van de waarnemend-President van de Republiek Suriname d.d. 18 september 1982 Bur [nummer 2] werd verzoeker te rekenen van 1 juni 1982 (hij bekleedde toen de funktie van Hoofdambtenaar B 2e klasse in vaste dienst op het Ministerie van Buitenlandse Zaken), bevorderd tot Hoofdambtenaar B le klasse en gedetacheerd naar Georgetown, Guyana – als Ambassade-Secretaris le klasse met persoonlijke titel Ambassaderaad titulair belast met de tijdelijke waarneming van de funktie van Chef de Poste;

(3). bij resolutie van genoemde waarnemend-President van de Republiek Suriname werd verzoeker met ingang van 1 november 1982 bevorderd tot Hoofdambtenaar A 2e klasse (vide resolutie d.d. 19 november 1982 Bur. [nummer 3]) en belast met de functie van Chef de Poste te Den Haag, Nederland met de titel van Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur van de Republiek Suriname;

(4). in juli 1984 uit Nederland naar Suriname teruggekeerd, werd verzoeker, zoals hij in zijn rekest stelt, uitgeleend aan het Kabinet van de Bevelhebber van het Nationaal Leger, alwaar hij zich voornamelijk met buitenlandse betrekkingen van het Kabinet en Suriname heeft beziggehouden, o.a. werd verzoeker ter beschikking gesteld van de CISM-Commissie (vide brief Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 26 juli 1984 [nummer 4 ] aan de Voorzitter van de CISM-Commissie Suriname),

– voorts werkzaamheden verricht in opdracht van de Bevelhebber in het kader van het vredesproces in Suriname,

– wijders heeft verzoeker zich en is hij op gemeld Kabinet van de Bevelhebber steeds aangeduid als Directeur van het Kabinet van de Bevelhebber;

Overwegende, dat evenwel niet gebleken is dat verzoeker een aanstelling had als Ambassadeur in Algemene Dienst en evenmin als Directeur van het Kabinet van de Bevelhebber;

– dat rechtens wel vaststaat dat verzoeker is Hoofdambtenaar A 2e klasse en sinds juli 1984 de facto werkzaamheden verricht op het Kabinet van de Bevelhebber (Ministerie van Defensie);

Overwegende, dat bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 25 april 1989 Bureau [nummer 1]), het navolgende werd overwogen;

“OVERWEGENDE”:

dat de Hoofdambtenaar ”A” 2e klasse in vaste dienst op het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de heer [verzoeker] vanaf 12 februari 1987 werkzaam is op het Kabinet van de Bevelhebber van het Nationaal Leger, in de functie van Direkteur van voormeld Kabinet en alszodanig ook functioneert;

dat in verband met de herstructurering van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de noodzaak tot het effectief inzetten van het beschikbare personeel, het materieel en de middelen, het wenselijk geacht wordt betrokkene over te plaatsen naar het Ministerie van Defensie, waaronder het Kabinet van de Bevelhebber van het Nationaal Leger ressorteert.

BESLUIT:

Te rekenen van 1 februari 1989, de Hoofdambtenaar “A” 2e klasse de heer [verzoeker] pers. no. [nummer 5] in vaste dienst werkzaam op het Ministerie van Buitenlandse Zaken, over te plaatsen naar het Ministerie van Defensie met behoud van zijn bezoldiging van f. 3.411,– (DRIEDUIZEND VIERHONDERD EN ELF GULDEN) per maand en handhaving van de bijdragegrondslag van f. 40.932,–;

Overwegende, dat verzoeker tegen deze overplaatsingsresolutie is opgekomen, op gronden zoals uitvoerig uiteengezet in het 11e t/m 15e ”dat” van zijn rekest waarvan de inhoud hierboven sub factis bereids is opgenomen en op grond daarvan heeft gevorderd, dat bij vonnis het Hof van Justitie optredend als Gerecht in ambtenarenzaken;

Primair:

zal vernietigen c.q. nietig zal verklaren de resolutie van 25 april 1989 Bureau [nummer 1] ;

Subsidiair:

a) verweerder zal veroordelen c.q. bevelen binnen twee weken na het te wijzen vonnis de resolutie van 25 april 1989 Bureau [nummer 1] in te trekken als zijnde in strijd met artikel 79 lid 1 onder a van de Personeelswet, in het bijzonder wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan waartoe die is gegeven (misbruik van bevoegdheid) c.q. als zijnde in strijd met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur met name in strijd met het motiveringsbeginsel, het beginsel van rechtszekerheid en fairplay;

b) verweerder te veroordelen om voor elke dag dat hij in gebreke blijft om aan de veroordeling te voldoen aan verzoeker ten titel van dwangsom te betalen de som van f. 500,–;

Overwegende, dat verweerder op gronden als in zijn verweerschrift vermeld welke hierboven bereids sub factis zijn vermeld en ook hier als letterlijk herhaald geïnsereerd worden beschouwd, verzoekers zowel primaire als subsidiaire vordering gemotiveerd heeft weersproken en geconcludeerd, dat het Hof zich onbevoegd zal verklaren, althans verzoeker in zijn vorderingen niet te ontvangen, althans hem deze als ongegrond te ontzeggen;

Overwegende, dat het Hof, het primair gevorderde besprekend, van oordeel is, dat verzoeker ten deze daarin niet kan worden ontvangen, nu in artikel 79 lid 2 van de Personeelswet (Pw.) de besluiten, welke vatbaar zijn voor nietigverklaring limitatitef zijn opgesomd en daarin niet is opgenomen een besluit tot overplaatsing (cfm. vonnis Hof van Justitie, als gerecht in ambtenarenzaken, d.d. 7 mei 1971 Sur. Jur. 1971 no. 15 inzake [naam] ca. RIJKSDEEL SUR.);

Overwegende, dat het subsidiaire (zowel onder (a als b)) gevorderde eveneens met een niet-ontvankelijkheid dient te worden begroet, nu, naar verweerder terecht stelt, het Hof ingevolge het bepaalde in artikel 79 leden 1 en 5 van de Personeelswet slechts bevoegd is tot nietigverklaring van een door verweerder genomen besluit dan wel tot het geven van een gebod tot het nemen van een besluit dan wel tot het verrichten van een handeling of een verbod tot het verrichten van een handeling, zulks onder oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van de bevolen handeling dan wel het toch verrichten van de verboden handeling, waaronder geenszins valt het geven van een bevel tot intrekking van een besluit;

Overwegende, dat hoewel in feite niet langer relevant, heeft verzoeker:

a). de terugwerking van de overplaatsing in strijd geacht met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur;

b). zijn niet – gehoord – zijn bij de overplaatsing van het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar dat van Defensie in strijd geacht met het algemeen beginsel van ”fairplay”;

c). het als onjuist en onaanvaardbaar aangemerkt, dat hij als ambtenaar behorend tot het leidinggevend kader van de Overheid gelet op zijn ervaring op het stuk van buitenlandse en het door hem ontvangen salaris, bij een overplaatsing niet wordt gekend c.q. gehoord, waardoor hij zo effectief mogelijk binnen de administratie van verweerder kan functioneren;

d). hij de maatregel tot overplaatsing als een tuchtstraf ervaart, waaronder hij geestelijk lijdt, terwijl de motivering van de resolutie tot overplaatsing het besluit niet draagt;

e). dat hij niet met zekerheid kan zeggen of hij door de overplaatsing financieel nadeel ondervindt, maar wel, dat zijn overplaatsing naar Defensie nadelige invloed zal hebben op zijn diplomatieke carrière in welke richting hij zich heeft bekwaamd;

f). dat de rechtszekerheid met name het naar willekeur overplaatsen van ambtenaren c.q. landsdienaren, in gevaar wordt gebracht;

Overwegende in het algemeen:

– dat naar ’s Hoven oordeel – anders dan verzoeker meent – de motivering van de overplaatsingsresolutie voldoende wordt geacht, om de overplaatsing te rechtvaardigen;

– dat bij overplaatsingen er vanuit wordt gegaan dat de ambtenaar geen financieel nadeel ondervindt;

uitgangspunten zijn o.m. artikel 4 jo artikel 3 lid 6 van de Personeelswet, waarbij behalve met het belang van een goede en doelmatige samenstelling en funktionering van ’s Landsdienst, ook zoveel mogelijk rekening gehouden wordt met de persoonlijke belangen voor degene ten aanzien van wie de bevoegdheid wordt uitgeoefend, waarmee met het laatste – naar ’s Hoven oordeel – blijkens het hierna volgende wel degelijk rekening is gehouden;

ad a). – verzoeker is namelijk sedert 1984 de facto werkzaam op het Ministerie van Defensie (Kabinet van de Bevelhebber) en wordt het dan ook als juist geacht, dat hij zijn bezoldiging door dat Ministerie uitbetaald krijgt;

– verzoeker is, naar gebleken daarbij financieel niet benadeeld;

ad b). de Personeelswet geeft uitdrukkelijk aan, wanneer de ambtenaar/landsdienaar dient te worden gehoord bij besluiten te zijnen aanzien genomen; ten aanzien van een overplaatsing, is zulks niet voorgeschreven, – daargelaten dat, zoals reeds gesteld, overplaatsingsbesluiten niet vallen onder artikel 79 van de Personeelswet – en dus niet aan het oordeel van het Hof als ambtenarenrechter zijn onderworpen;

ad c). volstaan kan worden met hier te verwijzen, naar al hetgeen hiervoren is overwogen;

ad d). in casu is van een tuchtstraf geen sprake; zoals verzoeker zelf bij het verhoor in Raadkamer heeft toegegeven;

– wat de motivering van de overplaatsing betreft, wordt verwezen naar de overwegingen van de overplaatsingsresolutie;

ad e). in hoeverre verzoekers diplomatieke carrière door zijn overplaatsing naar Defensie nadelig beïnvloed zal zijn, kan alleen van belang zijn of verzoeker bij zijn overplaatsing financieel nadeel heeft ondervonden, hetgeen niet het geval blijkt te zijn; het is immers evengoed denkbaar dat verzoeker ook bij het Ministerie van Defensie carrière maakt, zulks met het nog op zijn ervaringen opgedaan met werkzaamheden ten behoeve van de internationale militaire sportorganisatie (CISM);

ad f). dat de rechtszekerheid zoals verzoeker beweert, naar ’s Hoven oordeel, op geen enkele wijze in gevaar is gebracht;

Overwegende, dat het Hof er nog op wijst, dat verzoeker een verzoek d.d. 8 mei 1989 aan de Minister van Buitenlandse Zaken had gericht om wederom ter beschikking te worden gesteld van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, doch dat uit een in fotocopie ten processe aanwezige concept-beschikking, welke niet van valsheid is beticht, blijkt, dat reeds in JANUARI 1989 bedoelde concept-beschikking was geconcipieerd inhoudende de overplaatsing van verzoeker per 1 februari 1989 naar het Ministerie van Defensie, welke beschikking kennelijk door ambtelijke vertraging pas op 25 april 1989 voor ”uitgaan” klaar lag;

Overwegende resumerend:

1. – dat van strijdigheid met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur, geen sprake is;

2. – dat van strijdigheid met het algemeen beginsel van ”fairplay” eveneens geen sprake is;

3. – dat van het in gevaar brengen van de rechtszekerheid van de ambtenaar/ landsdienaar evenmin is gebleken;

4. – dat van misbruik maken van bevoegdheid door de Staat door de overplaatsing van verzoeker ook geen sprake is;

Overwegende, dat na al het voorgaande het Hof alsvolgt dient te beslissen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zowel zijn primaire- als zijn subsidiaire vorderingen.

 

SRU-HvJ-1992-11

HOF VAN JUSTITIE·(Ambtenarengerecht), 7 februari 1992
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en E.S. Ombre)

[verzoeker], ambtenaar bij het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo ten kantore van het Advocatenkantoor TJON KWAN PAW, van wie Mr. U.J. van der VELDT, advocaat, als zijn gemachtigde optreedt, verzoeker,

tegen

De Staat Suriname (Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij), in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3 advokaat Mr.Dr. C.D. OOFT, verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker], zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker wenst de navolgende rechtsvordering in te stellen tegen de Staat Suriname (Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij), verweerder in rechte vertegenwoordigd door de Edelgrootachtbare Heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3;

2. Tot 1 september 1985 was verzoeker werkzaam bij het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij, laatstelijk in de rang van hoofdambtenaar B 3e klasse. Hij werd bezoldigd volgens schaal 16.

3. Met ingang van vorenbedoelde datum werd verzoeker toegevoegd aan de Stichting Planbureau Suriname en wel als medewerker van de toen ingestelde Financieel-Economische Commissie, hetgeen moge blijken uit het schrijven van de Direkteur van Financiën namens de Minister van Financiën de dato 27 september 1985, La.F.[nummer 1], hetwelk in fotocopie wordt overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen (produktie 1). Als lid van die commissie kwam verzoeker in aanmerking voor een bezoldiging volgens schaal 19.

4. Ingevolge de beslissing van de Raad van Ministers de dato 2 juni 1988 is het Secretariaat van de Commissie met ingang van 15 juni 1988 opgeheven hetgeen blijkt uit het schrijven van de Vice-President van de Republiek Suriname aan de Minister van Financiën en Planning de dato 15 juni 1988, kenmerk K.V.P.[nummer 2], hetwelk eveneens in fotocopie wordt overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen (produktie II).

Verzoeker werd ingevolge dit besluit teruggeplaatst bij het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij, en wel met ingang van 1 oktober 1988, vide het eveneens in fotocopie overgelegde schrijven van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij de dato 6 oktober 1988, kenmerk [nummer 3] (produktie III).

5. Tot verbazing van verzoeker is in laatstbedoeld schrijven vermeld, dat hij na zijn terugplaatsing wederom volgens schaal 16 bezoldigd zou worden, en wel zulks niettegenstaande het feit, dat de Minister van Financiën blijkens diens schrijven aan verzoeker de dato 30 juni 1989 La.F. [nummer 4], had vastgesteld dat verzoeker aanspraak bleef maken op bezoldiging volgens schaal 19.

Verzoeker legt ook dit schrijven in fotocopie over met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen (produktie IV).

6. Verzoeker heeft de kwestie van deze in strijd met zijn rechtspositie zijnde en mitsdien onrechtmatige korting op zijn bezoldiging enige malen op het Departement van Landbouw, Veeteelt en Visserij ter sprake gebracht, echter zonder dat zulks tot rektifikatie leidde. Slechts vage toezeggingen dat ”iets aan de zaak gedaan zou worden” waren het resultaat. Tenslotte heeft verzoeker zich genoodzaakt om de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, JAMES EDWARD KOLF de dato 5 februari 1990, no. 0082, hetwelk eveneens in afschrift wordt overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan als, hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen (produktie V) te doen aanschrijven en tot rektifikatie te doen sommeren.

7. Verzoeker heeft op dit schrijven geen antwoord ontvangen weshalve ingevolge het bepaalde van artikel 78, lid 2 sub (b) j080, lid 2, sub (c) van die Wet is verzoeker tegen die afwijzende beslissing tijdig bij Uw Hof in beroep gekomen.

8. Het afwijzende besluit van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij op het verzoek van verzoeker tot het weder in het genot stellen van bezoldiging volgens schaal 19 met verdiscontering van de sedert 1 oktober 1988 verschenen periodieken is in strijd met het bepaalde van artikel 25 van de Personeelswet, houdende de uitbetaling van bezoldiging volgens schaal 16 immers in feite een terugstelling in rang is. Krachtens dit artikel is verlaging van rang van een ambtenaar slechts mogelijk als tuchtstraf of in de gevallen waarin aan de betrokken ambtenaar ontslag uit de Staatsdienst kan worden verleend. Uit de formulering van dat wettelijke voorschrift dient te worden opgemaakt, dat het hier gaat om een limitatieve opsomming. Het besluit is, mitsdien in strijd met de Wet genomen en dient op die grond nietig te worden verklaard, althans te worden vernietigd;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

a. dat het afwijzende besluit, als vorenbedoeld, nietig zal worden verklaard, althans zal worden vernietigd;

b. dat verweerder zal worden veroordeeld om·verzoeker alsnog met terugwerkende kracht te rekenen van 1 oktober 1988 zijn bezoldiging uit te betalen volgens schaal 19 met verdiscontering van alle sedertdien verschenen periodieken en met daarop in mindering brenging van hetgeen aan hem, verzoeker, bereids volgens schaal 16 is uitbetaald;

c. dat verweerder zal worden bevolen te beschikken, dat per 1 oktober 1988 verzoeker’s bezoldiging volgens schaal 19 als pensioengrondslag zal gelden;

d. dat verweerder zal worden veroordeeld tot de betaling van de kosten van dit geding;

Overwegende, dat vervolgens van de Staat Suriname binnen de bij de Wet gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarin het navolgende wordt aangevoerd: Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend, met beroep op de onspitsbaarheid van zijn stellingen en biedt bewijs aan door alle middelen rechtens, in het bijzonder door getuigen;

2. Door verweerder wordt het gestelde in punt 1 van het inleidend rekest van verzoeker niet tegengesproken;

3 Ten aanzien van het gestelde in de 2de en 3de sustenuen dient de vraag gesteld te worden of verzoeker wel door het bevoegde administratief orgaan en bij het daartoe wettelijk voorgeschreven besluit (Resolutie),

a. is overgeplaatst (is toegevoegd) van het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (L.V.V.) naar de Stichting Planbureau Suriname,

b. de vaststelling van zijn bezoldiging, ongemotiveerd, van de ene op de andere dag, kon geschieden vanuit schaal 16 naar schaal 19.

Verweerder ontkent de bevoegdheid tot zijn (verzoeker’s) overplaatsing (toevoeging) en salarisvaststelling van de Minister van Financiën en Planning. Verweerder ontkent ook daarom de competentie van de Minister van Financiën en Planning c.q. de direkteur van de Stichting Planbureau Suriname, die heeft getekend, nu door verzoeker de wettigheid van deze competentie niet door producties of andere bescheiden wordt gestaafd. Verzoeker heeft in zijn inleidend rekest niet het ter zake dienende bewijsmateriaal geproduceerd.

4. Verzoeker verwijst in het 4de punt van zijn rekest naar de brief van de Raad van Ministers d.d. 15 juni 1988 m.b.t. de opheffing van de Financiële Economische Commissie (F.E.C.) per dato 15 juni 1988.

Dit had tot gevolg dat verzoeker niet meer werkzaam zou zijn bij deze Commissie, die ressorteert onder het Ministerie van Financiën en Planning. Terecht schrijft de Minister van L.V.V. op 6 oktober 1988 de verzoeker aan, dat hij vanaf 1 oktober 1988 wederom zijn dienst op het Ministerie van L.V.V. zou hervatten (in de rang van hoofdambtenaar B-derde klasse schaal 16);

5. Verzoeker heeft het aan het verkeerde eind wanneer hij blijft vasthouden dat hij in schaal 19 moet worden bezoldigd. Het in het geding brengen van het schrijven van de Minister van Financiën van 30 juni 1989 (La.F.[nummer 5]) kan geen effect sorteren omdat ook hier weer de onbevoegdheid van de Minister van Financiën tot het vaststellen (bij eenvoudige brief) van de bezoldiging of de hoogte daarvan, voor een ambtenaar in dienst van een ander Ministerie (L.V.V.) aan de orde is, nog daar gelaten, dat de door verzoeker geproduceerde brief in zoverre zelfs onjuist is (onwaar) nu de Minister van Financiën voornoemd in zijn brief constateert dat het ambtelijk salaris van verzoeker schaal 19 ”is”. Hij schreef dit op 30 juni 1989 terwijl verzoeker op 6 oktober 1988 gerekend vanaf 1 oktober, was teruggeplaatst en zijn eigen Minister hem had duidelijk gemaakt dat hij weer zou dienen in schaal 16 als hoofdambtenaar B-derde klasse. Om kort te zijn: de ondersteuning welke verzoeker zoekt bij de Minister van Financiën en Planning faalt allerwegen;

6. A. In de punten 6, 7 en 8 van het inleidend rekest van verzoeker, wordt er van uit gegaan dat verzoeker zich bedient van de rechtsmiddelen aan elke ambtenaar gegeven ex art.·78 e.v. P.W. Niets is echter minder waar. Verzoeker adstrueert namelijk zelf in zijn 6de sustenu, dat hij niet heeft ingesteld de bijzonder administratief rechterlijke procedure, maar heeft toegepast de gewone civiel rechterlijke procedure uitgaande van het Burgelijk recht op de grondslagen van het voorschrift neergelegd in art. 1259 B.W. en de daarin voorgeschreven ”in gebreke stelling”, of sommatie. Anders dan art. 78 le lid van de Personeelswet voorschrift, richtte verzoeker zich ook niet tot het hoger gezag dan het orgaan dat het besluit genomen heeft (had), maar ”SOMMEERDE” de Minister zelf c.q. stelde deze in gebreke in de vorm van een deurwaarders exploit.

B. Een zodanige sommatie alsonder punt A hierboven bedoeld, geeft geen recht op een beslissing van de gesommeerde Minister, waardoor het gestelde in art. 78, 2de lid onder b van Personeelswet hier niet meer van toepassing is;

C. Verzoeker zoekt in het 8e punt van zijn rekest steun bij art. 25 van P.W. Ook dit artikel is echter hier niet van toepassing, omdat hier geen sprake is van ”verlaging van rang”, terwijl er nog minder sprake is van.een ”afwijzend besluit” van de Minister van L.V.V. Derhalve: verzoeker vraagt van het Hof van Justitie iets te vernietigen wat er niet is. De vordering van verzoeker tot vernietiging van enig afwijzend besluit, is reeds op deze gronden niet voor toewijzing vatbaar.

7. De vorderingen van verzoeker onder de punten b, c en d van het petitum zullen noodwendig niet ontvankelijk moeten worden verklaard door Uw hoog college, omdat verzoeker defacto en dejure, met overslaan van het rechtsmiddel van ”Beklag binnen de administratie” (art. 78 P.W.) zich rechtsstreeks heeft gewend tot het Hof van Justitie oordelende in ambtenarenzaken in eerste en hoogste aanleg. Immers, verzoeker is pas op 3 september 1990 met zijn verzoekschrift bij het Hof van Justitie binnengekomen, terwijl het besluit tot diensthervatting plaatsvond bij het schriftelijk besluit van de Minister van L.V.V. d.d. 6 oktober 1988 [nummer 3] (zie produktie III door verzoeker zelf overgelegd). Artikel 80 van de P.W. le lid onder b is hier van toepassing. Immers, verzoeker is ruim 22 maanden te laat met het indienen van zijn vordering tot nietig verklaren van een daarvoor niet vatbaar besluit;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd, dat verzoeker op grond van al het voorgaande niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering c.q. hem deze zal worden ontzegd alszijnde ongegrond, niet op de Personeelswet steunende en niet bewezen, kosten rechtens;

Overwegende, dat ingevolge `s Hofs beschikking van 24 oktober 1990 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, advocaat Mr. U.J. van der Veldt, gemachtigde van verzoeker, advocaat Mr.Dr. C.D. Ooft, gemachtigde van verweerder en C.H.M. REIZIGER-LIESDEK, Hoofd Personeelszaken van het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker een produktie heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijk conclusie tot uitlating overgelegde produktie heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen vervolgens de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 22 november 1991, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat in confesso is, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet (P.W.);

Overwegende, dat verzoeker tot 1 september 1985 werkzaam bij het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij, laatstelijk in de rang van hoofdambtenaar B 3e klasse en bezoldigd volgens schaal 16, met ingang van gemelde datum werd toegevoegd aan de Stichting Planbureau als medewerker van de destijds ingestelde Financiële Economische Commissie en als lid van deze commissie werd bezoldigd volgens schaal 19;

– dat het Secretariaat van genoemde commissie bij besluit van de Raad van Ministers van 2 juni 1988 werd opgeheven;

– dat verzoeker ingevolge gemeld besluit daarna wederom volledig ter beschikking werd gesteld van het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij met ingang·van 1 oktober 1988;

– dat het besluit van de Raad van Ministers van 2 juni 1988 aan verzoeker bij schrijven van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij d.d. 6 oktober 1988 (kenmerk [nummer 3]) werd medegedeeld;

– dat in gemeld schrijven tevens werd beslist, dat verzoeker in de rang en functie die hij bekleedde vóór zijn toevoeging bij de Financiële Economische Commissie, dit is hoofdambtenaar B 3e klasse (schaal 16) op de Hoofdafdeling Planning en Ontwikkeling, wordt geplaatst;

– dat ten verzoeke van verzoeker werd uitgebracht door de deurwaarder bij het Hof van Justitie, J.E. KOLF een exploit d.d. 5 februari 1990 no. 0082, waarbij aan de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij werd betekend een schrijven d.d. 2 februari 1990, aan genoemde Minister gericht met de volgende inhoud:

”Tot mij heeft zich gewend de heer [verzoeker], ambtenaar te Uwent, met het verzoek om het navolgende onder Uw aandacht te willen brengen: Per 1 september 1985 werd cliënt als medewerker toegevoegd aan de Financiële Economische Commissie en werd, in verband hiermede, aan hem een bezoldiging toegekend volgens schaal 19 van de toen vigerende bezoldigingsschaal voor ambtenaren. Met ingang van 1 oktober 1988 is cliënt wederom teruggeplaatst naar Uw Departement en tewerkgesteld als Coördinator van de Stichting Proeftuinen in Suriname. Bij deze terugplaatsing is cliënt echter geheel ten onrechte, want in strijd met het bepaalde van artikel 2 van de Personeelswet, teruggeplaatst in schaal 16. Dit artikel bepaalt immers, dat het salaris van een ambtenaar slechts kan worden verminderd krachtens een staatsbesluit, strekkende tot een algemene salarisverlaging of een besluit tot verlaging van rang of oplegging van de tuchtstraf van vermindering van salarisanciënniteit. Verlaging van rang is slechts mogelijk in de limitatief in artikel 25 opgesomde gevallen. In casu valt de salarisverlaging niet onder een van de in de artikelen 25 j bedoelde gevallen. Cliënt heeft herhaaldelijk bij U aangedrongen op rechtzetting van deze niet op enige wettelijke grond gebaseerde salarisverlaging, evenwel zonder enig positief gevolg. In de hoedanigheid van zijn gemachtigde zie ik mij danook genoodzaakt om U te sommeren om binnen 1 maand na heden te bewerkstelligen, dat cliënt met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 1988 alsmede met verdiscontering van de sedertdien verschenen periodieken alsnog in het genot zal worden gesteld van salaris volgens schaal 19. Mocht hieraan geen gevolg worden gegeven, dan zal hij niet schromen om ter zake de ambtenarenrechter te adiëren;”

Overwegende, dat verzoeker van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij op gemeld schrijven geen antwoord heeft ontvangen; dat verzoeker in het onderhavige proces dan ook vordert, dat het Hof:

a. het afwijzend besluit nietig zal verklaren althans zal vernietigen:

b. verweerder zal veroordelen verzoeker alsnog met terugwerkende kracht te rekenen van 1 oktober 1988 zijn bezoldiging uit te betalen volgens schaal 19 met verdiscontering van alle sedertdien verschenen periodieken en met daarop in minderingbrenging van hetgeen aan hem, verzoeker, bereids volgens schaal 16 is uitbetaald;

c. verweerder zal bevelen te beschikken, dat per 1 oktober 1988 verzoekers bezoldiging volgens schaal 19 als pensioengrondslag zal gelden;

d. verweerder te veroordelen tot betaling der proceskosten;

Overwegende, dat verweerder zich, als formeel verweer van de verste strekking, er op beroepen heeft, dat verzoeker niet ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vorderingen, ter adstructie waarvan verzoeker heeft aangevoerd, dat het verzoekschrift op 3 september 1990 ter Griffie van het Hof van Justitie is ingediend, terwijl het schrijven van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij, waarbij is beslist, dat verzoeker vanaf 1 oktober 1988 wederom tewerkgesteld werd op het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij in de rang en functie die hij bekleedde voor zijn tewerkstelling bij de Financieel Economische Commissie, dit is hoofdambtenaar B 3e klasse (klasse 16) op de Hoofdafdeling Planning en Ontwikkeling, van 6 oktober 1988 dateert;

– dat verzoeker 22 maanden te laat is met zijn vorderingen, strekkende tot nietigverklaring van een daarvoor niet vatbaar besluit;

Overwegende, dat verzoeker voormeld formeel verweer bestrijdend heeft aangevoerd, dat verweerder c.q. de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij op het schrijven d.d. 5 februari 1990, hetwelk hem bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, J.E. KOLF, d.d. 5 februari 1990 no. 82 werd betekend, niet heeft beslist, wat neerkomt op een afwijzend besluit van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij op zijn – verzoekers – verzoek tot het weder in het genot stellen van bezoldiging volgens schaal 19 met verdiscontering van de sedert 1 oktober 1988 verschenen periodieken;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, voormeld betoog verzoeker niet vermag te baten en derhalve faalt;

– dat voorop zij gesteld, dat bij beklag, van welk middel verzoeker zich in casu bedient, beroep wordt ingesteld bij een hoger orgaan dan het orgaan dat de beslissing heeft genomen;

– dat waar blijkt uit het schrijven d.d. 2 februari 1990, verzoeker het middel van beklag heeft aangewend tegen het in de brief van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij van 6 oktober 1988 vervatte besluit van 1 oktober 1988;

– dat verzoeker mitsdien bij een hoger gezag, in casu de President van de Republiek Suriname, in beroep had moeten komen en niet bij het orgaan dat de beslissing heeft genomen, te weten de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij;

Overwegende, dat verzoeker mitsdien niet op de bij de wet voorschreven wijze het middel van beklag heeft aangewend, wat neerkomt op het niet binnen de administratie in beroep zijn gekomen van de beslissing, vervat in het schrijven van 6 oktober 1988 van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij;

– dat van een afwijzend besluit van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij waarvan verzoeker in het 8ste ”sustenu” van het verzoekschrift gewag maakt, dan ook geen sprake is en daar geen nietigheid van zou gevorderd kunnen worden;

Overwegende, dat verweerders beroep op niet ontvankelijk verklaring van verzoeker in zijn vorderingen, dan ook gegrond is te achten;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.

 

SRU-HvJ-1998-24

M.R.S.

GENERALE ROL No.14024.

[appellant], wonende aan [adres 1] te [district], ten deze domicilie kiezende ten kantore van Mr.F.F.P.TRUIDEMAN en voor wie als gemachtigde optreedt, advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN,

appellant,

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres 2] te [district],

geïntimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit;

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder,

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 16 april 1996 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 17 mei 1996, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonnrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. dat eiser de navolgende rechtsvordering op verkorte termijn wenst in te stellen tegen [geïntimeerde variant], ten rechte geheten [geïntimeerde], wonende te [adres 2] te [district], gedaagde;

2. dat de eiser op 14 juni 1993 van mevrouw [naam 1] weduwe van [naam 2] heeft gekocht het erf met daarop staande gebouwen, gelegen te [district] aan [adres 2], zoals blijkt uit de notariële akte d.d. 14 juni 1993, met het verzoek de inhoud er van als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

3. dat bij de koop en verkoop het litigieuze perceelland was verhuurd aan een aantal huurders, waarvan 3 reeds verhuisd zijn, welke verhuizing het gevolg is vanwege de slechte staat waarin de woningen verkeerden;

4. dat de eiser vanwege de slechte staat waarin in de woning verkeert, waardoor gevaar voor instorting aanwezig is, de gedaagde verschillende malen heeft aangemaand, om te ontruimen, echter tot op heden zonder enig resultaat;

5. dat de eiser dan ook bij schrijven van zijn raadsman d.d. 9 februari 1995 onder no. 111 de gedaagde opnieuw heeft gesommeerd de woning te ontruimen, onder de daarbij aangegeven gronden en wel tot uiterlijk eind maart 1995, aan welke sommatie de gedaagde opnieuw geen gevolg heeft gegeven, met het verzoek de inhoud van dit schrijven als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen; dit schrijven is de gedaagde bij deurwaardersexploit uitgereikt door Deurwaarder Dasimin Toekimin;

6. dat nu door de gedaagde gehuurde woning in een bouwvallige staat verkeert en dringende reparaties behoeft, ten einde te voorkomen dat de eiser zich schuldig maakt voor (lees: aan) overtreding van artikel 1390 BW mede in aanmerking nemende artikel 4 lid c van de Huurbeschermingswet 1949, de eiser thans genoodzaakt is de ontbinding van de met de gedaagde gesloten huurovereenkomst te vorderen, waartoe hij de hulp van de Kantonrechter nodig heeft, welke ontbinding mede moet worden gezien in het licht van artikel 1576 B.W.;

7. dat het de eiser niet is gelukt de zaak minnelijk met de gedaagde op te lossen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd; dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. zal worden ontbonden althans voor ontbonden zal worden verklaard de met de gedaagde gesloten overeenkomst van huur en verhuur;

b. de gedaagde zal worden zal veroordeeld om binnen 1 (een) maand na de uitspraak, althans binnen een door de Kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn de woning gelegen aan [adres 2] te [district] te ontruimen, met medeneming van alle zich daarin bevindende personen en goederen en de sleutels ter vrije en algehele beschikking van de eiser te stellen;

c. de eiser zal worden gemachtigd om indien de gedaagde nalatig blijft de woning te ontruimen deze zelf te bewerkstelligen desnoods met behulp van de Sterke Arm, kosten rechtens;

Overwegende, dat tegen de behoorlijk opgeroepen maar niet verschenen gedaagde verstek is verleend;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 16 april 1996 op de daarin opgenomen gronden: eiser’s vorderingen heeft afgewezen;
eiser heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 16 april 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.SITARAM van 14 oktober 1996 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ten dage voor pleidooi bepaald de gemachtigde van appellant een pleitnota heeft genomen – onder overlegging van produkties wordende de inhoud van de overgelegde produkties hier als ingelast beschouwd, terwijl tenzelfde dage de zoon van de geintimeerde in persoon verschenen heeft verklaard dat geintimeerde inmiddels is overleden;

Overwegende, dat ten dage voor overlegging bewijs van overlijden, zulks niet is overgelegd;

Overwegende, dat ten dage voor antwoord pleidooi en uitlating produkties peremptoir bepaald, deze niet is genomen, waarna advokaat Mr.Mungra namens Mr.F.F.P.Truideman vonnis heeft gevraagd, waarna de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 16 oktober 1998, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellant aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, dat tussen hem en geintimeerde bestaat een overeenkomst van huur en verhuur betreffende de woning aan [adres 2] te [district]; dat de bij geintimeerde in huur zijnde woning in een bouwvallige staat verkeert en dringende reparatie behoeft ter voorkoming dat hij – appellant – zich schuldig maakt aan overtreding van artikel 1390 BW, mede in aanmerking nemende artikel 4 lid c van de Huurbeschermingswet 1949;

Overwegende, dat appellant, ten einde voormelde grondslag van zijn vordering te bewijzen, bij pleitnota d.d. 3 april 1998 in het geding heeft gebracht een schrijven van de Direkteur van Openbare Werken en Verkeer d.d. 18 december 1995 [nummer] waarvan de inhoud als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd wordt aangemerkt;

Overwegende, dat, wat van voormeld schrijven ook moge zijn, het vermag appellant in casu niet te baten, omdat het, naar daaruit blijkt, betrekking heeft op de gebouwen bekend als [adres 3] en niet op de bij geintimeerde in huur zijnde woning;

Overwegende, dat verdere bespreking van voormeld schrijven door het Hof dan ook in het midden kan worden gelaten;

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het beroep van appellant daarop, opmerkt dat letter c van artikel 4 van de Huurbeschermingswet 1949 eist dat de verhuurder het verhuurde goed nodig heeft teneinde te kunnen voldoen aan de verplichting welke hem door enig rechtsvoorschrift of door een beschikking van overheidswege is opgelegd;

Overwegende, dat appellant op grond van het geval in artikel 4 sub c van de Huurbeschermingswet 1949 onder a van het petitum heeft gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te ontbinden althans voor ontbonden te verklaren de met geintimeerde gesloten overeenkomst van huur en verhuur;

Overwegende, dat het Hof opmerkt, dat het geval onder C van de Huurbeschermingswet 1949 geen wanprestatie oplevert, weshalve ook geen ontbinding althans ontbonden verklaring op grond daarvan kan volgen;

Overwegende, dat het onder a van het petitum gevorderde daarom alsnog met een niet ontvankelijkheid begroet dient te worden; het onder b van het petitum gevorderde eveneens als sequeel van het onder a gevorderde;

Overwegende, dat het Hof het beroepen vonnis d.d. 16 april 1996 dan ook zal vernietigen en, zoals eerder overwogen, appellant zijn vorderingen met een niet-ontvankelijkheid begroeten, bespreking van de tegen dat vonnis ontwikkelde grieven als thans volkomen overbodig geheel in het midden latend;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt, het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 16 april 1996 gewezen vonnis, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE :

Verklaart appellant alsnog niet ontvankelijk in de door hem ingestelde vorderingen;

Veroordeelt hem in de kosten in beide instanties aan de zijde van geintimeerde gevallen en in prima begroot op Sf………..

en in hoger beroep begroot op Sf…………

met inbegrip van het door het Hof aan de advokaat van geintimeerde voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf…………..

bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op Sf…….

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President en Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 6 NOVEMBER 1998, in tegenwoordigheid van Mr.M.TEDJOE, fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen de gemachtigde van appellant, advokaat Mr.F.F.P.Truideman, terwijl geintimeerde noch in persoon, noch bij gemachtigde is verschenen.

 

SRU-HvJ-1992-10

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 3 april 1992
(Mrs. R.E.Th.·Oosterling, J.R. von Niesewand en E.S. Ombre)

[verzoeker], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende aldaar, aan de Watermolenstraat 36 ben., ten kantore van advokaat Mr. E.C.M. HOOPLOT, verzoeker,

tegen

’s LANDS BOSBEDRIJF “SURINAM TIMBER”, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Cornelis Jongbawstraat no. 31, advokaat Mr. A.R. BAARH, verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Hot Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen:

’s LANDS BOSBEDRIJF SURINAM TIMBER, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Duisburglaan no. 18.

2. Dat verzoeker in dienst is van verweerder, een door de Staat Suriname opgerichte rechtspersoon in de zin van artikel 2 Personeelswet, zijnde verzoeker mitsdien in de zin van genoemde Wet, landsdienaar.

3. Dat in het jaar 1988, toen hij buiten functie werd gesteld een loon genoot van f. 17,– per dag en een bostoelage van f. 8,– per dag bij een zesdaagse werkweek.

4. Dat verzoeker bij schrijven van verweerder d.d. 28 april 1986 ingaande 1 april 1986 buiten funktie is gesteld met stilstand van salaris, in afwachting van het resultaat van een tegen hem ingesteld wordende onderzoek. Op 22 januari 1987 nam het Openbaar Ministerie het besluit verzoeker terzake niet te vervolgen, tenzij verzoeker zich binnen de door het Openbaar Ministerie gestelde proeftijd zou schuldig maken aan een strafbaar feit.

5. Dat hoewel verzoeker steeds heeft aangeboden zijn werkzaamheden te hervatten verweerder zich konsekwent daartegen heeft verzet, zich op het standpunt stellende dat de dienstbetrekking zou zijn geëindigd.

6. Dat verzoeker bij verzoekschrift van 30 november 1988 Uw Hof heeft geadieerd, dat bij vonnis van 22 juni 1990 (A-217), ervan uitgaande dat in afwijking van het standpunt van verweerder, de dienstbetrekking niet is geëindigd, verweerder heeft veroordeeld om aan verzoeker zijn salaris door te betalen als gevorderd.

7. Dat verzoeker ook na voormelde vonnis de verweerder schriftelijk en bij herhaling heeft kenbaar gemaakt, zulks via zijn raadsman, dat hij zijn dienstbetrekking wenst te hervatten, echter zonder enige reaktie.

8. Dat verweerder als reaktie op deze brief van verzoeker’s raadsman d.d. 30 oktober 1990, – waarvan bijgaand afschrift wordt overgelegd met verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen bij schrijven van 19 december 1990 met bijlagen aan verzoeker’s raadsman heeft doen weten dat verzoeker op 7 augustus 1990 met onmiddellijke ingang wegens dringende reden zou zijn ontslagen.

Van gemeld schrijven d.d. 19 december 1990, alsmede de daarbij behorende bijlagen wordt bijgaand fotokopieën overgelegd, met het verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.

9. Dat verzoeker nimmer enige brief heeft ontvangen om zich te verweren en zeker niet de brief van 24 juli 1990. Verzoeker heeft evenmin de ontslagbrief van 7 augustus 1990 ontvangen, hebbende hij eerst van het ontslag vernomen toen de brief hem werd voorgehouden door zijn raadsman op 24 december 1990.

10. Dat verzoeker zich niet in dit ontslag wenst te berusten en daarom daartegen thans in beroep komt.

11. Dat op de eerste plaats het ontslag qua wijze en moment van verlening volstrekt te kwadertrouw is en in ieder geval een houding van een werkgever etaleert die in een normale arbeidsrelatie te goedertrouw niet kan worden getolereerd en op zich wanprestatie oplevert. Verweerder heeft immers in bovengemelde procedure welke geëindigd is met het vonnis van Uw Hof d.d. 22 juni 1990, zich steeds op het standpunt gesteld dat verzoeker niet langer in haar dienst was en reeds was ontslagen en derhalve geen arbeid in haar dienst behoefde te verrichten. Hoe kon dan de verweerder aan verzoeker in haar schrijven van 24 juli 1990 het verwijt maken dat hij vanaf 1987 of vanaf 1986 zich niet voor het verrichten van arbeid heeft aangemeld en van hem verlangen dat hij zich terzake behoorde te verweren. Anderzijds heeft de heer Vrede als vertegenwoordiger van de verweerder in de procedure tijdens het verhoor van partijen medegedeeld dat verweerder zich op 23 april 1986, daags na zijn invrijheidsteIling bij hem heeft aangemeld om zijn werkzaamheden te hervatten doch dat hij dat niet accepteerde. Bovendien heeft verzoeker geen enkele gelegenheid onbenut gelaten, ook in het proces, om zijn diensten aan te bieden aan de verweerder. Nadat het Hof reeds alle omstandigheden van het geval had bekeken en had vastgesteld dat de dienstbetrekking voortduurde had verweerder als behoorlijk werkgever verzoeker moeten oproepen voor de hervatting van zijn werkzaamheden, temeer nu de verzoeker o.m. door het instellen van de vordering had blijk gegeven te willen werken en zulks ook nog uitdrukkelijk heeft aangeboden.

12. Dat de verweerder nooit de brief heeft ontvangen om zich te verweren. Overigens wist de verweerder dat verzoeker woonplaats had gekozen bij zijn raadsman, aan wie verweerder ook een gedeelte van het loon van verzoeker heeft betaald en ook het feit dat verzoeker ook na het vonnis via zijn raadsman met de verweerder communiceerde. Deze omstandigheden behoorden voor de verweerder aanleiding te zijn om de brief van 24 juli 1990 via verzoeker’s raadsman aan hem te doen toekomen.

13. Verzoeker ontkent mitsdien dat hij het niet de moeite waard gevonden heeft zich te verweren en dat hij blijk zou hebben gegeven geen belangstelling meer te hebben voor zijn werk. Integendeel blijkt uit alle activiteiten van verzoeker dat hij wel belangstelling heeft voor zijn werk.

14. Verzoeker ontkent voorts dat het ontslag aan hem is verleend met voorafgaande toestemming van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie, zijnde zulks in strijd met de statuten van verweerder.

15. Dat het aan verzoeker verleende ontslag mitsdien in strijd is met de Wet, de statuten van verweerder en in het algemeen in strijd met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur, w.o. in het bijzonder het beginsel van fairplay, het motiveringsbeginsel, zijnde voor wat dit laatstebeginsel betreft het ontslag in strijd met de waarheid gemotiveerd;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd; dat bij vonnis het aan verzoeker bij schrijven van verweerder d.d. 7 augustus 1990 verleende ontslag nietig zal worden verklaard, althans deze zal worden vernietigd en voorts gedaagde zal worden veroordeeld om aan verzoeker tegen kwijting te betalen zijn vol salaris met emolumenten e.e.a. onder aftrek van de gebruikelijke wettelijke aftrekposten; Kosten rechtens;

Overwegende, dat ’s Lands Bosbedrijf Surinam Timber een verweerschrlft heeft ingediend, waarin als verweer wordt aangevoerd:

1. Verweerder ontkent al hetgeen hij hierna niet uitdrukkelijk heeft erkend onder bewijsaanbod.

2. Verzoeker heeft zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim blijkende zulks uit het tegen hem ingesteld strafrechtelijk onderzoek gevolgd door het besluit van het Openbaar Ministerie d.d. 22 januari 1987 verzoeker ter zake niet te vervolgen, tenzij hij zich binnen de door het Openbaar Ministerie gestelde proeftijd zou schuldig maken aan een strafbaar feit.

3. Hoewel verweerder zich in een door verzoeker bij Uw Hof aanhangig gemaakt geding, bekend onder A-217, op het standpunt had gesteld dat verzoeker niet meer in dienst van verweerder was, heeft het Hof dit standpunt niet gehonoreerd aangezien, zoals Uw Hof overwoog in vermeld vonnis, hem gebleken is dat verweerder op geen enkele wijze een besluit tot ontslag ter kennis van de verzoeker heeft gebracht, het dienstverband geacht moet worden te hebben voortbestaan.

4. Uit deze overweging valt te concluderen dat de ontslaggrond voor Uw Hof vaststond doch dat het bepaalde in artikel 5 van de Personeelswet het ontslagbesluit deed vitiëren.

5. Thans heeft verweerder met inachtneming van artikel 5 van de Personeelswet en onder opgave van de ontslagredenen, verzoeker bij brief d.d. 7 augustus 1990 [kenmerk 1] ontslagen nadat verzoeker bij brief d.d. 24 juli 1990 [kenmerk 2] in de gelegenheid is gesteld zich te verweren.

6. Verzoeker ontkent dat deze brieven (besluiten) ex-artikel 5 van de P.W. aan hem zijn uitgereikt.

7. Verweerder legt hierbij in fotocopie over een verklaring van de dienst der Posterijen d.d. 4 april 1991 waaruit blijkt, dat vermelde brieven aan verzoeker zijn uitgereikt.

8. Verzoeker heeft als algemene gehoudenheid jegens verweerder zich steeds zo te gedragen als een goed en getrouw landsdienaar betaamt (art. 36 lid 1). Hieronder valt de verplichting voor verzoeker aan zijn werkgever een opgave te verstrekken van zijn juiste woonplaats alsmede de wijzigingen daarin. Op grond van de aan verweerder verstrekte woonplaats zijn vermelde besluiten aan hem aangetekend verzonden. Deze besluiten zijn door mej. [naam] als huisgenote van verzoeker aan hem overhandigd en mitsdien door of vanwege het bevoegd gezag.

9. De gekozen woonplaats van verzoeker bij zijn raadsman is in deze irrelevant.

10 Verzoeker heeft op geen enkele wijze zijn bereidheid getoond zijn werkzaamheden te willen hervatten, hebbende verzoeker zich na het vonnis van Uw Hof d.d. 22 juni 1990 niet aangemeld voor diensthervatting; ook na de vermelde brief van 24 juli 1990 niet. De aktiviteiten van verzoeker wijzen niet in die richting anders had hij zich daadwerkelijk voor diensthervatting aangemeld, waartoe hij overigens na het vonnis gehouden is. Wanneer de schorsing van een landsdienaar geëxpireerd is of een ontslag door Uw Hof is vernietigd of het dienstverband in takt wordt bevonden, rust op de landsdienaar de plicht zich voor diensthervatting aan te melden. Hij mag niet stilzitten en een afwachtende houding aannemen. Verzoeker probeert de rollen om te keren.

11. Het ontslag is aan verzoeker verleend met toestemming van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen overeenkomstig zijn statuten. Het ontslag is mitsdien ex lege en terecht;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd: dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans hem deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 11 april 1991 in Raadkamer zijn verschenen; Verzoeker in persoon, advokaat Mr. H.E. Struiken namens advokaat Mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van verzoeker, de heer M.S. Vreden, personeelschef van verweerster en advokaat Mr. A.R. Baarh gemachtigde van verweerster die hebben verklaard gelijk in het daarvan gemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces- verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerster produkties heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker hierna een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen vervolgens de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 10 januari 1992, doch na enkele keren te zijn aangehouden nader werd bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof allereerst zal verstaan, dat het slot van het petitum van verzoekers inleidend rekest, beginnende met ”en voorts gedaagde ……” dient te luiden: ”te gelasten die handelingen te verrichten opdat aan verzoeker tegen behoorlijke kwijting zal worden uitbetaald zijn salaris verhoogd met de hem toekomende emolumenten, na aftrek van de gebruikelijke aftrekposten”, etc.;

Overwegende, dat ten processe·vaststaat dat verzoeker landsdienaar is (geweest) in de zin van de Personeelswet (P.W.);

Overwegende, dat verzoeker bij brief van verweerder van 7 augustus 1990 met onmiddellijke ingang blijkt te zijn ontslagen, nadat hij, verzoeker tevoren zou zijn aangeschreven zich wegens plichtsverzuim te verweren;

Overwegende, dat verzoeker heeft aangevoerd, dat hij die brieven nimmer heeft ontvangen, zeker niet volgens de op de P.W. voorgeschreven wijze;

Overwegende, hieromtrent:

– dat de P.W. niet aangeeft op welke wijze aan een landsdienaar moet worden medegedeeld, dat hij zich dient te verantwoorden (verweren) tegen een hem verweten plichtsverzuim;

– dat artikel 5 van de P.W. op een dergelijke mededeling niet van toepassing is, aangezien een mededeling om zich te verweren, geen besluit is in de zin van de P.W.;

Overwegende, dat i.c. rechtens tussen partijen vaststaat:

-1) dat verweerder een schrijven van 24 juli 1990 per aangetekende post heeft verzonden naar het door verzoeker aan verweerder opgegeven woonadres;

-2) dat deze brief op 27 juli 1990 op dat adres is besteld;

Overwegende, dat verzoeker stelt tot 13 maart 1989 wel op bedoeld adres te hebben gewoond, doch niet betwist is, dat hij aan verweerder geen opgave van adreswijziging heeft gedaan, terwijl hij op 23 mei 1991 nog steeds op het oud adres stond ingeschreven in het Bevolkingsregister;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, onder dergelijke omstandigheden op verzoeker het risico rust, dat hij de brief niet ontvangen heeft en dat zijn stellingen, dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zich te verweren, dan ook niet opgaan;

-·dat het naar ’s Hoven oordeel dan ook niet toedoet of de brief wel of niet door verzoeker’s concubine op het oud adres is ontvangen;

Overwegende met betrekking tot de ontslagbrief van 7 augustus 1990;

– dat artikel 5 van de P.W. wel van toepassing hierop is;

– dat hier de uitreiking van die brief, welke een besluit inhoudt, in persoon, met zoveel woorden wordt voorgeschreven;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, deze bepaling in het belang van de landsdienaar dient, en het Hof geen reden aanwezig acht deze bepaling ten gunste van verweerster ruim op te vatten;

– dat niet in achtneming van artikel 5 van de P.W. met zich meebrengt, dat het besluit niet werkt ten nadele van de belanghebbende (vide artikel 6 van de P.W.);

– dat ten processe is gebleken, dat verweerder niet aan artikel 5 P.W. heeft voldaan;

Overwegende, dat het voorgaande niet impliceert, dat bedoeld besluit nietig is en dat zulks door verzoeker met succes kan worden gevorderd, wel, dat zoals bereids overwogen, dit besluit niet te zijnen nadele werkt;

Overwegende, dat verzoeker mitsdien niet ontvankelijk is in het eerste deel van het petitum van zijn inleidend rekest, inhoudende nietigverklaring van het besluit van 7 augustus 1990, het aan hem verleende ontslag inhoudende bij gebrek aan belang daarbij;

Overwegende, dat aan verzoeker wel toewijsbaar is het tweede deel(slot) van het petitum, gelijk hierboven door het Hof verbeterd is te verstaan, weshalve het Hof in voege als na te melden zal rechtdoen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering tot nietigverklaring van het besluit van verweerder vervat in het schrijven van 7 augustus 1990;

Gelast verweerder die handelingen te verrichten, opdat aan verzoeker tegen behoorlijke kwijting wordt uitbetaald zijn salaris verhoogd met de hem toekomende emolumenten, na aftrek van de gebruikelijke aftrekposten;

SRU-HvJ-2001-9

H.M.
GENERALE ROL NO.14057 en 14058.

SURINAM AMERICAN INDUSTRIES LIMITED N.V., gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.A.THIJM en Mr.J.KRAAG, advokaten
appellant,

tegen

[geïntimeerde], handelende onder de naam WESTERN INTERNATIONAL TRADERS, wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.R.LIM A PO, die thans vervangen wordt door Mr.A.R.BAARH, advokaat,
geïntimeerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 22 oktober 1999 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, de heer E.K.Mannes namens appellant, bijgestaan door advokaat Mr.J.Kraag gemachtigde van appellant en de heer E.T.J.Wong bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr.A.R.Baarh, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 6 oktober 2000, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Het Hof neemt hierover hetgeen in het tussenvonnis van 22 oktober 1999 is overwogen en volhard daarbij;
Overwegende, dat partijen op de bevolen en gehouden comparitie nadere inlichtingen hebben verschaft;
Overwegende, dat het Hof zich kan verenigen met het beroepen vonnis en zal dit dan ook bevestigen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 7 april 1998 tussen partijen gewezen, waarvan beroep;
Veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f……
Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van sf…..
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op sf….

Aldus gewezen door: Mr.A.I.RAMNEWAH, Fungerend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 1 JUNI 2001 in tegenwoordigheid van Mr.R.R.BRIJOBHOKUN, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.KRAAG en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.M.DERBY namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.BAARH, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1992-9

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 8 mei 1992
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en E.S. Ombre).

[verzoeker], gewezen ambtenaar, wonende te [district] aan [adres], gemachtigde Mr. J.J. EMANUELSON, advokaat, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Volksgezondheid, rechtspersoon in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo te zijnen Parkette aan de Gravenstraat 3, gemachtigde Mr.Dr. C.D. OOFT, advokaat, verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit;

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende;

1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen bij Uw Hof als Ambtenarengerecht tegen DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Volksgezondheid, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo te zijnen Parkette aan de Gravenstraat 3, verweerder;

2. dat, blijkens de hierbij overgelegde verklaringen van:

A. de onder-directeur Administratieve Diensten van ’s Lands Hospitaal te Paramaribo, verzoeker te rekenen van 24 februari 1967 in dit ziekenhuis is werkzaam geweest als mannelijke hulpkracht tot en met 30 april 1971 en, te rekenen van 1 mei 1971 tot en met 19 juni 1988 als portier bij dit ziekenhuis;

B. de directie van ’s Lands Psychiatrische Inrichting, verzoeker te rekenen van 20 juni 1988 tot en met 14 mei 1991 als ambtenaar B 1ste klasse (portier 1ste klasse) in ”vaste dienst” in deze ziekeninrichting is werkzaam geweest;

dat verzoeker mitsdien is geweest ambtenaar in de zin van de personeelswet;

3. dat, zoals blijkt uit de hierbij tevens overgelegde, door verzoeker op 13 juni 1991 ontvangen afschrift-beschikking van de Minister van Volksgezondheid, gedagtekend [datum] 12 juni 1991 [nummer 1], te rekenen van 15 mei 1991 aan verzoeker wegens plichtverzuim, oneervol ontslag uit Staatsdienst is verIeend;

4. dat het plichtsverzuim, waarvan verzoeker in voormelde beschikking wordt verweten, naar het oordeel van de directie van ’s Lands Psychiatrische Inrichting, daarin zou hebben bestaan, dat hij, verzoeker, ”sexuele handelingen” met een patiënte van gemelde ziekeninrichting zou hebben gepleegd; dat verzoeker zulks ten stelligste heeft ontkend en nog steeds blijft ontkennen; dat de lokaliteiten waarin de vrouwelijke patiënten van de inrichting zijn ondergebracht, ook aan de vóórzijde alwaar de ingangen zich bevinden, dusdanig door middel van opstaande stenen spijlen zijn afgesloten waardoor deze vertrekken niet zonder meer kunnen worden betreden en ook de patiënten deze vertrekken niet kunnen verlaten;

5. dat, naar het oordeel van verzoeker, de beschuldiging hiervoren in het derde sustenu bedoeld, hem valselijk en ten onrechte wordt verweten en mitsdien de beschikking van de Minister van Volksgezondheid de dato 12 juni 1991 [nummer 1], waarvan hierbij een afschrift wordt overgelegd, en waarbij aan hem, verzoeker, te rekenen van 15 mei 1991 oneervol ontslag uit Staatsdienst wordt verleend, dient te worden vernietigd, althans dient te worden nietig verklaard;

6. dat verzoeker op 12 mei 1991 als portier de middagdienst had in de ’s Lands Psychiatrische Inrichting. Het was op deze datum ”moederdag” en, hoewel verzoeker in de morgenuren van deze dag wat alcoholische drank tot zich genomen had, hetgeen hem bij schrijven van de geneesheer-directeur van gemelde ziekeninrichting werd verweten, hij niettemin zijn dienst naar behoren heeft verricht; dat hem in hetzelfde schrijven tevens werd verweten op 12 mei 1991 met een patiënte van de inrichting ”sexuele handelingen” te hebben gepleegd en daarbij werd uitgenodigd zich, terzake, binnen twee dagen te verantwoorden; dat verzoeker binnen de gestelde termijn bij verweerschrift heeft toegegeven op 12 mei 1991 wat alcoholische drank te hebben gebruikt, doch ten stelligste heeft ontkend zelfs gepoogd te hebben ”sexuele handelingen” met een patiënte van de ziekeninrichting te plegen; dat verzoeker hierbij overlegt afschrift van het door hem van de geneesheer-directeur van L.P.I. ontvangen schrijven, alsmede afschrift van het door hem, terzake, ingediend verweerschrift, met verzoek deze stukken als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen;

7. dat verzoeker, naar aanleiding van het door hem ingezonden verweerschrift en de tegen hem ingebrachte beschuldiging, bij schrijven van de directie van L.P.I. de dato 21 mei 1991 werd uitgenodigd voor een onderhoud op woensdag 22 mei 1991; dat dit onderhoud met de directie op gemelde datum heeft plaatsgehad, waarbij verzoeker nogmaals de tegen hem ingebrachte beschuldiging van het plegen van ”sexuele handelingen” met een patiënte van de inrichting met stelligheid heeft ontkend;

8. dat, naar het oordeel van verzoeker, de door de Minister van Volksgezondheid in haar (lees: zijn) beschikking de dato 12 juni 1991 [nummer 1] aangehaalde grond om het ontslag van verzoeker te rechtvaardigen, bij het onderhoud met de directie niet is gebleken en daarom is onjuist;

9. dat zelfs indien zou zijn gebleken dat verzoeker gepoogd zou hebben sexuele handelingen met een patiënte van de inrichting te plegen, quod non, dan nog staat de hem opgelegde disciplinaire straf/maatregel niet in een redelijke verhouding tot de ernst en de gevolgen van het verondersteld gepleegd plichtsverzuim;

10. dat in de hiervoren aangehaalde beschikking van de Minister van Volksgezondheid verzoeker steeds wordt aangeduid als de persoon van [verzoeker], waardoor twijfel kan ontstaan of met deze aanduiding verzoeker, dan wel een ander persoon hiermede wordt bedoeld; dat vanwege deze onduidelijkheid in voormelde beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 12 mei 1991 [nummer 1] als ondeugdelijk moet worden aangemerkt;

11. dat, op grond van al het voorgaande, de vorenaangehaalde beschikking van de Minister van Volksgezondheid de dato 12 juni 1991 [nummer 1], waarbij aan [verzoeker] te rekenen van 15 mei 1991, oneervol ontslag uit Staatsdienst wordt verleend en waarmede waarschijnlijk verzoeker wordt bedoeld, niet in stand kan blijven en behoort te worden nietig verklaard;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de Minister van Volksgezondheid de dato 12 juni 1991 [nummer 1], waarbij aan [verzoeker], met wie waarschijnlijk verzoeker wordt bedoeld, te rekenen van 15 mei 1991 op de daarin vermelde grond, oneervol ontslag uit Staatsdienst is verleend, zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard en zal worden bepaald dat verzoeker in zijn functie van ambtenaar B 1ste klasse in vaste dienst bij ’s Lands Psychiatrische Inrichting van het Ministerie van Volksgezondheid zal worden hersteld;

Kosten rechtens;

Overwegende, dat de Staat Suriname een verweerschrift heeft ingediend, waarin als verweer wordt aangevoerd;

1. Verweerder ontkent al hetgeen door verzoeker bij inleidend request wordt gesteld, behoudens hetgeen hij gaaf en onvoorwaardelijk als juist kan erkennen, onder aanbod van bewijs, door alle middelen rechtens, ook door getuigen;

2. Verweerder kan erkennen hetgeen in het verzoekschrift is gesteld in het 2e en 3e sustenu;

3. Door verweerder wordt evenwel ten stelligste weersproken, de toedracht zoals verzoeker die geeft (in de punten 3 en 4 van het verzoekschrift) omtrent de grondslag voor het plichtsverzuim op grond waarvan verzoeker is ontslagen en stelt daartegenover:

a. In de ontslag beschikking is met zoveel woorden overwogen dat verzoeker ten tijde van zijn dienst in beschonken toestand (onder invloed van alcohol) verkeerde; hierbij is aangetekend dat dit door verweerder in zijn verweer is erkend.

Het verzoekschrift in de punten hierboven aangehaald verzwijgt dit.

b. De ontkenning van verzoeker wordt te niet gedaan door de getuigenis van een aantal ambtenaren die daarop gehoord, hun getuigenis hebben afgelegd, waarvan ten behoeve van het Hof van Justitie, een samenvatting (door de Directie van L.P.I. opgesteld ten behoeve van de Directie van het Ministerie van Volksgezondheid d.d. 24 mei 1991 [nummer 2]) wordt bijgevoegd, met het verzoek deze samenvatting als hier geïnsereerd en deel uitmakende van dit verweer door Uw Hof van Justitie wordt beschouwd.

4. Op grond van het voorgaande kon dan ook verweerder tot het oordeel komen dat het gedrag, c.q. complex van gedragingen en feiten van verzoeker, plichtsverzuim opleveren en werd hem gemotiveerd, disciplinair ontslag verleend, e.e.a. ingevolge de Personeelswet. Verweerder biedt gaarne aan dat de getuigen hierboven bedoeld tot het aanbrengen van het wettige bewijs, door Uw Hof van Justitie, alsnog desnodig onder ede worden gehoord. Met het voorgaande zijn ook de punten in het inleidend request van verzoeker te weten 6 tot en met 10 weergelegd en weersproken, met dien verstande, dat verweerder thans als zijn oordeel wil stellen dat de opgelegde straf dejure tenminste evenredig is ten opzichte van het gepleegde verzuim en eerder te licht en zeker niet te zwaar moet worden geacht;

5. Omdat verzoeker met zoveel woorden de opgelegde straf in twijfel trekt, doet verweerder stellen, dat hij, juist om de heer [verzoeker] een dubbele straf te onthouden, van het gepleegde feit geen directe aangifte heeft gedaan bij de politie, op grond waarvan anders, gelet op het bewijsmateriaal en het verkeren onder invloed van alcohol, met één aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, verzoeker door de politie zou zijn opgebracht en voor verdere verhoor in verzekerde bewaring zou zijn gesteld.

6. Met betrekking tot het gestelde in punt 10 van het inleidend request, waarin verzoeker poogt een beroep te doen op een formeel gebrek in de beschikking van de Minister van Volksgezondheid, wenst verweerder te stellen dat ook dit beroep zal stranden vermits er maar één [verzoeker] Personeels [nummer 3] bij de ’s Lands Psychiatrische Inrichting als ambtenaar B Eerste klasse, in dienst was als portier;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, danwel hem deze zal worden ontzegd alszijnde ongegrond, in strijd met de Personeelswet en niet bewezen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 10 october 1991 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, advokaat Mr. J.J. EMANUELSON, gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr.Dr. C.D. OOFT, gemachtigde van verweerder en de heer R.A. REID, hoofd Algemene- en Personeelszaken van L.P.I., die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen vervolgens de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat ten processe vaststaat, dat verzoeker ambtenaar, is (geweest) in de zin van de Personeelswet (P.W.)

– dat verzoeker bij besluit van de Minister van Volksgezondheid d.d. 12 juni 1991 [nummer 1] , te rekenen van 15 mei 1991 uit Staatsdienst werd ontslagen, op grond dat hij:

1. op 12 mei 1991 tijdens het uitoefenen van zijn werkzaamheden in beschonken toestand verkeerde;

2. op 12 mei 1991 sexuele handelingen heeft gepleegd met een patiënte van ’s Lands Psychiatrische Inrichting;

Overwegende, dat verzoeker tijdig van voormeld besluit is opgekomen bij het Hof als ambtenarengerecht;

Overwegende, aangaande de sub 1 vermelde grond van het ontslag:

– dat verzoeker blijkens zijn verweerschrift heeft toegegeven, dat hij op 12 mei 1991 ”onder invloed van alcohol” op zijn werk kwam en dat hij op zijn werkzijnde, bezoek van een vriend kreeg met wie hij nog twee biertjes heeft gebruikt;

– dat verzoeker tijdens het verhoor ter terechtzitting van 25 oktober 1991 heeft verklaard, dat hij (3) biertjes gedronken had op die 12e mei 1991;

Overwegende, dat verzoekers gedrag terzake, naar ’s Hoven oordeel, als indisciplinair c.q. plichtsverzuim wordt gekwalificeerd;

Overwegende, aangaande de sub 2 vermelde grond van het ontslag;

– dat naar uit het schrijven van de Geneesheer-Direkteur van ’s Lands Psychiatrische Inrichting d.d. 24 mei 1991 [nummer 2], blijkt, als getuigen zijn gehoord de verpleegkundigen [naam 1] en [naam 2] en de hulpkracht [naam 3], die – voor zover van belang – hebben verklaard: [naam 1]: ”De meneer in kwestie (bedoeld wordt verzoeker), liep achter de aanplantingen (faja-lobies) en kwam zo bij de spijlen waarachter patiënte [naam 4] op de tegels van de vloer lag. Hij was zodanig bezig, dat hij mij niet eens opmerkte. De patiënte merkte mij wel op en zei tegen [verzoeker]: ”kijk zuster”. Hij, [verzoeker], had een manja in zijn hand om die dame aan te lokken. Die dame haar hand was tegen de spijlen bij de broek van de portier (i.c. verzoeker). Ik kon moeilijk tussen de spijlen zijn penis zien, maar wel was zijn gulp open.”

[naam 2]:

Zij hoorde iemand zeggen: “Er is iemand bij patiënte [naam 4]”.

– dat zij de patiënte naar voren zag schuiven, terwijl de portier (i.c. verzoeker) bezig was met zijn handen tussen de benen van de dame;

– dat zij – zuster [naam 2] – van de patiënte vertrouwelijk heeft vernomen, dat hij – verzoeker – inderdaad zijn penis uit zijn broek had en in haar hand; dat zij het moest vasthouden;

Overwegende, dat, naar uit gemelde verklaring blijkt, zuster [naam 2] omtrent door verzoeker gepleegde sexuele handelingen niets heeft gezien of meegemaakt;

[naam 3]:

”Ik wist niet dat hij (verzoeker) tussen de spijlen van de vrouwenobservatie stond te kijken. Ik zat op een stoel, keek naar de dameskant, zag de portier (verzoeker) klimmen en in de dameskamer kijken. Toen hij ons zag zakte hij;

Overwegende, dat het den Hove niet gebleken is, dat de patiënte [naam 4] behoorlijk is gehoord, en ook niet met verzoeker is geconfronteerd;

– dat zulks te meer geboden was, nu verzoeker heeft ontkend sexuele handelingen met genoemde patiënte te hebben gepleegd;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, uit de verklaringen van genoemde personen, in onderling verband en samenhang beschouwd, hooguit valt af te leiden, dat verzoeker zou hebben gepoogd sexuele handelingen te plegen met de patiënte [naam 4];

Overwegende, dat de Geneesheer-Direkteur, na behoorlijke en gedegen evaluatie van de verklaringen van genoemde personen, [naam 1], [naam 2] en [naam 3], dan ook terecht tot het oordeel is gekomen, dat verzoeker gepoogd heeft sexuele handelingen te plegen met een patiënte van de Inrichting (vide brief van 24 mei 1991 [nummer 2] );

– dat voormeld schrijven van de Geneesheer-Direkteur voornoemd als basis heeft gediend, waarop het gewraakte ontslag – besluit van de Minister van Volksgezondheid steunt;

Overwegende, dat verzoeker evenwel niet mede op grond van poging tot het plegen van sexuele handelingen met een patiënte van de Inrichting werd ontslagen, hetgeen voor de hand lag, maar mede op grond van het plegen van sexuele handelingen met patiënte [naam 4], een voltooid delict dus, wat niet is komen vast te staan, c.q. bewezen;

Overwegende, dat de motivering van het ontslagbesluit van 12 juni 1991 [nummer 1], op dit punt een ondeugdelijke feitelijke grondslag heeft, hetgeen tot consequentie heeft, dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en moet worden vernietigd, wegens schending van het in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginsel van behoorlijk bestuur;

Overwegende, dat, gelijk hierboven bereids overwogen, verzoeker zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt door ”in beschonken toestand” op zijn werk te verschijnen, zodat een tuchtstraf op zijn plaats is;

– dat evenwel de straf van ontslag niet in verhouding staat tot de gepleegde gedragingen als voormeld;

– dat niet gesteld of gebleken is, dat verzoeker eerder onbehoorlijke gedragingen heeft vertoond, waarvoor hij eerder ook tuchtrechtelijk zou zijn gestraft;

Overwegende, dat het Hof de tuchtstraf van schorsing voor de duur van 1 (een week), met stilstand van salaris, in overeenstemming acht met het geconstateerde plichtsverzuim, als voormeld;

Overwegende, dat het Hof danook als volgt zal rechtdoen:

RECHTDOENDE ALS GERECHT IN AMBTENARENZAKEN:

Vernietigt het Besluit van de Minister van Volksgezondheid van 12 juni 1991 [nummer 1] tegen verzoeker genomen.

EN OPNIEUW BESLISSENDE:

Legt verzoeker de tuchtstraf op van schorsing voor de duur van 1 (een week), met stilstand van salaris;

 

SRU-HvJ-1992-8

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 8 mei 1992
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, E.S. Ombre en O.W. Abendanon)

[verzoeker], wonende aan [adres] in het [district], verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. G.H. GUNTHER, advokaat, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

– dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen:

de Staat Suriname, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, verweerder;

– dat verzoeker op 6 juli 1987 in dienst is getreden als schipper-motorist bij het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen tegen een maandelijkse vergoeding van f. 546,– en sedertdien ambtenaar is en alszodanig aanspraak maakt op rechtsbescherming ingevolge de personeelswet;

– dat verzoeker bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen d.d. 28 november 1989 [nummer 1] van een vaste aanstelling is voorzien;

– dat verzoeker het diploma voor schipper-motorist heeft behaald op 26 oktober 1979;

– dat verzoeker bij schrijven van het Hoofd van de Dienst ’s Landsbosbeheer d.d. 2 november 1987 [nummer 2] werd medegedeeld dat hij vanaf 3 november 1987 zijn werkzaamheden aan de Corantijn-rivier en op de L.B.B.-posten Wakay en Mac-Clemen moest verrichten;

– dat verzoeker bij schrijven van 10 oktober 1990 [nummer 3] belast werd met de leiding van de afdeling Watertransport;

– dat verzoeker bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen d.d. 8 mei 1991 [nummer 4] is bevorderd tot ambtenaar A 2e kl. (schaal 8) te rekenen van 1 augustus 1991;

– dat verzoeker steeds zijn dienst naar behoren heeft verricht;

– dat verzoeker de mening toegedaan is, dat hij in deze benadeeld is geworden;

– dat verzoeker de werkzaamheden verricht als gezagvoerder (boodsman);

– dat verzoeker tevens fungeert als waarnemend-plaats-vervangend- chef van de afdeling Watertransport bij L.B.B.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat de door de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen gegeven beschikking d.d. 8 mei 1991 [nummer 4] zal worden vernietigd en voor recht zal worden verklaard dat eiser in de naast hogere schaal wordt benoemd.

Overwegende, dat de Staat Suriname een verweerschrift heeft ingediend, waarin als verweer wordt aangevoerd:

1. dat verweerder het dienstverband met verzoeker erkent, zomede de gegeven beschikking en wel bijzonderlijk de beschikking van 8 mei 1991 [nummer 4] terzake bevordering en inpassing in schaal 8 van het Bezoldigingsbesluit voor Ambtenaren en wel als van toepassing op een ambtenaar A 2de klasse, ing. 1 augustus 1991;

2. dat verzoeker van deze opgemelde beschikking niet in beroep is gekomen binnen de administratie en zich rechtstreeks heeft gewend tot het Hof;

3. dat verzoeker meent dat hij terzake benadeeld is geworden en verzoekt de gegeven beschikking te doen vernietigen en opnieuw rechtdoende voor recht te verklaren dat hij, verzoeker zal worden benoemd in de naast hogere schaal (t.w. schaal 9);

4. dat het verzoek van eiser een onmogelijkheid is, daar de schalen aan bepaalde funkties gebonden zijn en de inpassing in een naast hogere schaal dan pas gerealiseerd kan worden na de bevordering in een hogere funktie c.q. rang;

5. dat verzoeker laatstelijk gediend heeft in schaal 6 en door funktieverandering thans werd beloond naar de normen geldend voor schaal 8, hetgeen alleszins redelijk en billijk is, waardoor van benadeling geen sprake kan zijn;

6. dat verzoeker zich beroept op zijn plichtsgetrouwe dienstvervulling kan geen argument zijn, aangezien dat van elke ambtenaar verwacht moet worden;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd;

– dat verzoeker in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 8 oktober 1991 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, advokaat Mr. G.H. Gunther, gemachtigde van verweerder en Ch. Stijnberg, onder-Directeur Administratieve Diensten van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de verzoeker hierna een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, terwijl de gemachtigde van verweerder hiervan heeft afgezien;

Overwegende, dat partijen vonnis hebben gevraagd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 17 april 1992, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet, (P.W.);

Overwegende, dat verzoeker op grond van feiten genoemd in zijn verzoekschrift, vordert, dat hij in schaal 9 bevorderd diende te worden, in plaats van schaal 8 van de salarisregeling;

Overwegende, dat het Hof allereerst verzoekers petitum verbeterd leest alsvolgt;

”dat de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen d.d. 28 november 1989, [nummer 1] wordt vernietigd met veroordeling van verweerder zodanige handelingen te verrichten, dat verzoeker in een hogere schaal (n.l. schaal 9) wordt bevorderd, onder verbeuring van een dwangsom van f. 25,– per dag, voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft aan het veroordelend vonnis te voldoen”;

Overwegende, dat ten processe rechtens is komen vast te staan, dat verzoeker aanvankelijk dienende in schaal 6 van de salaris- regeling en op voordracht van zijn superieuren te rekenen van 1 augustus 1991 bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen van 8 mei 1991 [nummer 4] is bevorderd tot ambtenaar A 2e klasse (schaal 8);

Overwegende, dat uit het verhoor van partijen gebleken is, dat verzoeker, die in schaal 6 diende niet werd bevorderd in de aanloopschaal 7, doch in de functionele schaal 8;

– dat schaal 9 bestemd is als uitloopschaal;

Overwegende, dat nu, naar ’s Hoven oordeel, de door verzoeker in zijn verzoekschrift en tijdens de verhoren aangedragen feiten, geen aanspraak geven op benoeming in schaal 9, dient zijn verzoek als ongegrond te worden afgewezen.

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Wijst verzoekers vordering af.

 

 

SRU-HvJ-2000-5

M.R.S.

GENERALE ROL NO.14028.

N.V.SCHEEPVAART MAATSCHAPPIJ SURINAME, rechtsper­soon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Waterkant no.44 te Parama­ribo, voor wie als gemachtigde op­treedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advo­kaat, appellante in conventie en in reconventie in Kort Ge­ding,

tegen

SURINAME COAST TRADERS N.V., rechtspersoon, ge­ves­tigd te Paramaribo, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Mr.F.H.R.Lim A Postraat no.1, bij het Advokatenkantoor Lim a Po, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.B.A.HALFHI­DE, advo­kaat, ge­intimeerde in conventie en in reconventie in Kort Ge­ding,

De Funge­rend-Presi­dent spree­kt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navol­gende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 5 maart 1999 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;`

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden compari­tie van partijen zijn verschenen de heer M.E.Lieuw A Paw directeur van S.M.S. namens appellante, de heer C.R.Manes en de heer R.K.Pahaladsing namens geinti­meer­de en de gemachtigden van partijen de advokaten Mr.E.C­.M.Hooplot en Mr.B.A Halfhide, die hebben ver­klaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gere­lateerd;

Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was be­paald op 9 juli 1999, doch na enige malen te hebben aangehou­den nader op heden.

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT :

IN CONVENTIE:

Het Hof neemt over en volhardt bij hetgeen bij tussen­vonnis d.d. 5 maart 1999 is overwogen en beslist. De bij voormeld tussenvonnis bevolen comparitie van par­tijen voor het inwinnen van inlichtingen en het be­proe­ven van de mogelijkheden van een minnelijke rege­ling is gehouden op 16 april 1999 en daarna voortgezet op 30 april 1999, waarbij vertegenwoordigers van par­tijen zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt proces-verbaal, hetwelk zich tussen de processtukken bevindt, staat gerelateerd. De verte­genwoordigers van partijen hebben ter gelegenheid van de comparitie van partijen d.d. 16 april 1999 verklaard – kort samengevat en in zoverre van belang – dat zij in deze zaak alleen een beslissing in de be­slagkwestie, welke bij het bestreden vonnis beslecht is, verlangen, in dier voege dat er een uitspraak komt ten aanzien van de al dan niet terechte opheffing van de derdenbesla­gen. Appellante heeft tegen het beroepen vonnis drie grieven ontwikkeld, waarvan de eerste alsvolgt luidt:

A. ten onrechte heeft de Kantonrech­ter aangenomen dat appellante aan geintimeerden Sf.38­6.030,26 (moet zijn Sf. 368.030.968,26) verschul­digd was.

B. De Kantonrechter heeft ten onrechte aangenomen dat de vordering van appellante door compensatie te niet was gegaan en de opheffing van het beslag daarop geba­seerd.

C. Het standpunt van de Kantonrechter met betrekking tot het verschuldigd worden van de boete is niet zo ongenuanceerd in de doctrine. De boete vervalt bij gebleken wanprestatie, dit is zodra de debiteur in verzuim is. Voor het in verzuim raken is in het alge­meen een ingebrekestelling vereist, doch niet in het geval – zoals in casu – dat er sprake is van een fata­le termijn in de overeenkomst. Gelet op de verklarin­gen van de vertegenwoordigers van partijen ter gele­genheid van voormelde comparitie behoeft de grief, hiervoor onder C aangegeven, geen bespreking (meer) aangezien de rele­vantie daarvan is komen weg te val­len. De grief, hier­voor onder A aangegeven, komt het Hof gegrond voor. Immers heeft partij SURINAM COAST TRADERS N.V. ter staving van zijn daartoe strekkende stelling volstaan met een door haar eenzijdig opge­maakt overzicht dien­aangaande in het geding te bren­gen, welke partij S.M.S. gemotiveerd heeft weersproken in respectievelijk het 4e en 6e ”dat” van haar conclu­sie van antwoord in eerste aanleg.

Gelet op het voorgaande heeft de Kantonrechter geheel ten onrechte de schuldplichtigheid van partij S.M.S. tot het in het vonnis genoemd bedrag ad Sf.386.030.968­,26 aangenomen. Met inachtneming van het voorgaande is de daarop gevolgde compensatie – zoals door de Kantonrechter toegepast – onterecht vastge­steld. De door appellante aangevoerde grief, zoals hiervoor onder B weergegeven, is derhalve eveneens gegrond. Immers is de schuldplichtigheid van appellan­te – zoals hiervoor besproken – onvoldoende komen vast te staan en de als uitvloeisel daarvan gevolgde com­pensa­tie door de Kantonrechter ten onrechte toegepast. In het geding in eerste aanleg is in elk geval wel de schuldplichtigheid van partij SURINAM COAST TRADERS N.V. tot het bedrag van U.S.$ 46.500,–, zijnde res­tant koopsom van het motorschip ”Suriname”, komen vast te staan, doch uit de stellingen van de appellante blijkt dat zij de beslagen niet alleen gelegd heeft voor de zekerheid van de voldoening van de saldo koop­som, doch nog meer voor de zekerheid van de door haar vastgestel­de boete ad +U.S.$ 3.000.000,– (Drie Miljoen Ameri­kaanse Dollars), waarvan de verschuldigd­heid discutabel is en Wij Ons kunnen verenigen met het oordeel van de Kanton­rechter dat de ingebrekestelling met betrekking daartoe niet is komen vast te staan, hetgeen toch een vereiste is. De beslaglegging komt het Hof danook vexatoir voor, daar de geintimeerde uit hoofde van verhuur van veerbo­ten ook vorderingen op de appellante heeft en de be­slaglegging, gelet op de verhaalsmoge­lijkheden op de geintimeerde, niet noodza­kelijk was. Tussen partijen is voorts in confesso dat er in het beroepen vonnis sprake is geweest van een kennelijke verschrijving zijdens de Kantonrechter aangezien uit de ten processe overgelegde stukken blijkt dat op pagina 5 daarvan (laatste alinea) inste­de van Sf.386.030.968,26 diende te staan Sf.368.030.9­68,26. Het Hof zal voormeld vonnis verbe­te­ren in voege als hiervoor vermeld. Op grond van al het voorgaande zullen Wij het vonnis, waarvan beroep, danook – onder verbetering en aanvul­ling van gronden als hiervoor aangegeven – bevestigen, met veroordeling van appellante, als de in het ongelijk gestelde par­tij, in de gedingkosten in hoger beroep.

IN RECONVENTIE:

Het Hof neemt hier eveneens over en volhardt bij het­geen bij tussenvonnis d.d. 5 maart 1999 is overwogen en beslist. De bij voormeld tussenvonnis bevolen com­pari­tie van partijen voor het inwinnen van inlichtin­gen en het beproeven van de mogelijkheden van een minnelijke regeling is gehouden op 16 april 1999 en daarna voort­gezet op 30 april 1999, waarbij vertegen­woordigers van partijen zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt proces-ver­baal, hetwelk zich tussen de processtukken bevindt, staat gerelateerd. De vertegenwoordigers van partijen hebben ter gelegenheid van de comparitie van partijen d.d. 16 april 1999 verklaard – kort samengevat en in zoverre van belang – dat zij in deze zaak alleen een beslissing in de be­slagkwestie, welke bij het bestre­den vonnis beslecht is, verlangen, in dier voege dat er een uitspraak komt ten aanzien van de al dan niet terechte opheffing van de derdenbeslagen. Gelet op het voorgaande zal het er in dit geding voor worden gehou­den dat appellante geen belang (meer) heeft bij het ingestelde rechtsmiddel ten aanzien van hetgeen in reconventie door de Kantonrech­ter in het bestreden vonnis d.d. 22 augustus 1995 is overwogen en vastge­steld en zal dat vonnis, waarvan beroep, danook worden bevestigd, met veroordeling van de appellant, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten in hoger beroep.

RECHTDOENDE IN KORT GEDING IN HOGER BEROEP:

IN CONVENTIE:

Bevestigt, onder aanvulling en verbetering van gronden, het vonnis d.d. 22 augustus 1995 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken, waarvan beroep;

Veroordeelt appellante in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op Sf…….

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf.10.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geintimeerde eveneens op f.10.000,–;

IN RECONVENTIE:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken op 22 augustus 1995, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en be­groot op f….

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf.10.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geintimeerde eveneens op f.10.000,–;

IN CONVENTIE EN IN RECONVENTIE:

Aldus gewezen door de heren: Mr.G.GANGARAM-PAN­DAY, Fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.W­OLFF, Leden en door de Fungerend-President uitge­sproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 16 JUNI 2000, in tegenwoor­digheid van Mevr.Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substi­tuut-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.Dr.C.D.Ooft namens haar gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.A.M.Essed namens haar gemachtigde, advo­kaat Mr.B.A.Halfhide, zijn bij de uitspraak ter te­rechtzit­ting verschenen.

SRU-HvJ-2001-8

M.H.

GENERALE ROL NO.13668.

[appellant], wonende te [adres] in het [district] voor wie als gemachtigde op­treedt Mr.H.R.SCHURMAN, advo­kaat, appellant,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte verte­genwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie te zijner Parkette aan de Gravenstraat no.4 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.C.Ch.BHAGWANDIN, advokaat, geïntimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kanton­rech­ter in het Eerste Kanton van 3 december 1991 tussen par­tijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 23 december 1991, waaruit blijkt van het in­stel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisen­de partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:

1. dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie te zijner Parkette aan de Gravenstraat no.4 te Paramaribo, gedaagde;

2. dat eiser in 1963 van de Dorpsgemeente van [plaats] in huur heeft verkregen het perceelland groot 1.43 ha gelegen te [plaats] in het [district] Serie B aangeduid op de kaart van de landmeter A.W. Brakke d.d. 20 juni 1927 met het [nummer 1];

3. dat de vorige bezitter van het perceel zekere [naam] langer dan 10 jaren genoemd perceel heeft bezeten;

4. dat zowel die [naam] als eiser genoemd perceel voortdurend, onafgebroken ongestoord en openbaar ondub­belzinnig hebben bezeten met de oppervlakte van 1.43 ha;

5. dat eiser bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie d.d. 4 augustus 1986 Bureau [nummer 2] [nummer 3] in grondhuur ter uitoefe­ning van de tuinbouw voor de duur van 40 jaren heeft verkregen het perceelland groot 1.0777 ha gelegen in het [district] te [plaats] bekend als [nummer 4] (Kadastraal [nummer 4]) en nader aangeduid op de kaart van de landmeter Ing.H.Kalloe d.d. 10 oktober 1985 met de letters ABCD, zijnde genoemd perceel hetzelfde perceel dat op de uitmetingskaart van de landmeter A.W.Brakke d.d. 20 juni 1927 1.43 ha bedraagt en met het [nummer 1] is aangeduid;

6. dat eiser zich benadeelt voelt nu de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie eiser het perceel op een kleinere omvang heeft bepaald, althans aan hem een kleiner perceel heeft verstrekt t.w. 1.0777 ha instede van 1.43 ha;

7. dat ten tijde waarop de genoemde beschikking werd genomen t.w. 4 augustus 1986 eiser het perceel reeds 23 jaar bezat (1963 naar 1986) terwijl als reeds gesteld zowel hij eiser als zijn voorganger [naam] die het perceel langer dan 10 jaren bezat, dat perceel van 1.43 ha ongestoord, ondubbelzinnig en het openbaar hebben bezeten leverende dat bezit 23 jaar + 10 jaar is 33 jaar op;

8. dat eiser gerechtigd is om zich met betrekking tot de omvang van het bezit van het genoemd perceel ad 1.43 ha op de verkrijgende verjaring te beroepen;

9. dat blijkens hierbij overgelegde betalingsbewijzen eiser voor het perceel aan huur f.3.50,– per jaar betaalde zijnde f.2,– per ha zodat de betaling reeds aangeeft dat eiser een vergoeding betaalde voor een perceel van 1.45 ha;

10. dat op grond van al het voorgaande eiser zich niet kan verenigen met de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie d.d. 4 augustus 1986, zullende deze beschikking dienen te worden ver­nietigd, althans kan deze niet instand blijven;

11. dat gedaagde weigert om de zaak in der minne te beslechten;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;

Primair

a. dat bij vonnis, zonodig uitvoerbaar bij voorraad voor recht zal worden verklaard dat eiser het perceel­land groot 1.43 ha gelegen te [plaats] Serie B [nummer 1] thans [nummer 4] in het [district] aangeduid op de kaart van de landmeter A.W.Brakke d.d. 20 juni 1927 door verjaring heeft verkregen, hebbende eiser en zijn rechtsvoorganger genoemd perceel ter grootte van 1.43 ha openbaar, voortdurend, ongestoord en ondubbelzinnig gedurende langer dan 30 jaren bezeten.

b. dat bij vonnis, zonodig uitvoerbaar bij voorraad de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie d.d. 4 augustus 1986 bureau [nummer 2] [nummer 3] zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard en gedaagde zal worden veroordeeld om binnen DERTIG DAGEN na betekening van het vonnis aan eiser in grondhuur te verstrekken althans af te staan voor de duur van 40 jaren ter uitoefening van de tuin­bouw, het perceelland groot 1.43 ha gelegen te [plaats] Serie B [nummer 1] thans [nummer 4] in het [district], althans gedaagde, het Ministerie van Natuurlijke Hulp­bronnen, zal worden veroordeeld om de beschikking van 4 augustus 1986 Bureau [nummer 2] [nummer 3] te wijzigen in dier voege dat de grootte van het genoemd perceel 1.43 ha in stede van 1.0777 ha bedraagt met veroorde­ling van gedaagde om voor iedere dag waarop hij in gebreke blijft om aan het vonnis te voldoen aan eiser ten titel van dwangsom verschuldigd zal zijn een bedrag van f.1.000.–;

Subsidiair:

a. dat bij vonnis voor recht zal worden verklaard dat het perceel van eiser gelegen te [plaats] Serie B [nummer 4] vroeger [nummer 1] in het [district] een grootte heeft van 1.43 ha in stede van 1.0777 ha;

b. dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser in grondhuur af te staan althans te verstrekken voor de duur van 40 jaren ter uitoefening van de tuinbouw, het perceelland groot 1.43 ha gelegen te [plaats] Serie B [nummer 1] thans [nummer 4] in het [district] zoals aangeduid op de kaart van de landmeter A.W.Brakke d.d 20 juni 1927.

c. dat bij vonnis de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie d.d. 4 augustus 1986 Bureau [nummer 2] [nummer 3] zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard en gedaagde zal worden veroordeeld om genoemde beschikking te wijzigen in dier voege dat het aan eiser in grondhuur verstrekte perceel te [plaats] Serie B [nummer 1] thans [nummer 4] in het [district] 1.43 ha bedraagt in stede van 1.0777 ha, met veroordeling van gedaagde om voor elke dag waarop hij in gebreke blijft om aan het vonnis te voldoen aan eiser ten titel van dwangsom verschuldigd zal zijn de som van f.1.000,–, Kosten rechtens;

Overwegende, dat De Staat Suriname als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclu­sie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconclu­deerd:

dat eiser in zijn vorderingen niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze hem zullen worden ontzegd, alszijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervol­gens bij conclu­sies van repliek en dupliek haar stel­lingen nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 3 december 1991 op de daarin opgenomen gronden:

Eiser zijn vorderingen heeft ontzegd;

Hem in de proceskosten heeft veroordeeld aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-ver­baal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voor­meld eind­vonnis van 3 december 1991;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.SITARAM van 12 januari 1996 aan geïntimeerde aan­zeg­ging van het inge­stelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de recht­sdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een pleitnota heeft genomen, terwijl de gemachtigde van geintimeerde ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld geen pleidooi heeft overgelegd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvan­kelijk had bepaald op 2 maart 2001, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellant tegen het beroepen vonnis de dato 3 december 1991 twee grieven heeft ontwikkeld, luidende:

I. ten onrechte is de Kantonrechter geheel voorbijge­gaan aan de stelling van hem, appellant, en aan het overgelegd bewijs, hetwelk door geintimeerde overigens niet is betwist en de bescheiden niet van valsheid heeft beticht, dat hij, appellant, het perceel heeft verkregen bij beschikking van de Minister van Natuur­lijke Hulpbronnen, nadat daartoe een onderzoek was ingesteld door de Bestuursopzichter ter plaatse;

II. ten onrechte heeft de Kantonrechter niet beslist over zaken, die hem door partijen zijn voorgelegd; de Kantonrechter diende te beslissen of de Overheid zich behoorlijk danwel onbehoorlijk heeft gedragen door een beschikking de dato 4 augustus 1986 bureau [nummer 2], [nummer 3] te geven waarin een deel van het perceel van appellant wordt ingetrokken, terwijl hij dat reeds 23 jaren bewoont en bewerkt. Daarbij geldt dat een eenmaal verkregen recht niet zonder noodzaak wordt teniet gedaan. De centrale overheid is onzorgvuldig geweest en heeft appellant ernstig benadeeld;

Overwegende, dat de eerste grief Ons voorkomt als te zijn onjuist en ongegrond en mitsdien dient te worden verworpen, hebbende de Kantonrechter immers zeer terecht aan een bespreking onderworpen, de feiten, ten grondslag gelegd aan het primair gevorderde in onder­deel a. van het petitum en zeer terecht dat gevorderde op basis van de aan het beroepen vonnis ten grondslag gelegde rechtsoverwegingen, die het Hof volkomen juist voorkomen en door het Hof worden overgenomen en tot de zijne gemaakt, heeft ontzegd;

Overwegende, dat de tweede grief appellant, wat daarvan ook zij, ook niet vermag te baten en mitsdien faalt, omdat appellant, naar het Hof gebleken is, met betrekking tot het gevorderde in onderdeel b van het petitum niet aan zijn stelplicht heeft voldaan;

appellant heeft immers geen feiten gesteld die, indien bewezen tot toewijzing van bedoeld onderdeel van het petitum zouden leiden;

Overwegende, dat het Hof voor wat betreft het subsidiair gevorderde in onderdeel a van het petitum refereert aan wat de Kantonrechter overwogen heeft in het beroepen vonnis en geleid heeft tot ontzegging van appellant zijn vordering nemende het Hof dat overwogene ook in dit opzicht over en makende het tot de zijne;

Overwegende, dat nu, naar appellant onweersproken heeft gesteld, hij in grondhuur afgestaan gekregen heeft het perceel groot 1.0777 ha zijnde een deel van het perceel, dat een oppervlakte beslaat van 1.43 ha, ontgaat het Ons geheel hoe appellant thans in grondhuur zou kunnen worden afgestaan het gehele perceel, groot 1.43 ha, dus inclusief het deel, groot 1.0777 ha;

toewijzing van het subsidiair gevorderde in onderdeel b van het petitum stuit dan ook geheel af op het zo juist overwogene;

Overwegende, dat nu appellant voor wat betreft het subsidiair gevorderde in onderdeel c van het petitum, naar het Hof gebleken is, ook niet aan zijn stelplicht heeft voldaan stuit toewijzing van dit gevorderde eveneens daarop af;

met betrekking tot dit gevorderde merkt het Hof ook nog op dat de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie de dato 4 augustus 1986 Bureau [nummer 2] [nummer 3] na aanbieding door appellant zelf daartoe, is overgeschreven in de bestemde regis­ters ten Hypotheekkantore, en mitsdien is uitgewerkt; het ontgaat het Hof dan ook geheel hoe vernietiging c.q. wijziging van die beschikking zou kunnen volgen;

Overwegende, dat het hof op grond van al het vorenoverwogene het vonnis, waarvan beroep zal vernie­tigen en zowel het primair als het subsidiair gevorder­de alsnog afwijzen, onder veroordeling van appellant als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten op dit geding aan de zijde van geintimeerde gevallen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 3 december 1991 tussen partijen gewe­zen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Wijst af zowel het primair als het subsidiair gevorderde;

Veroordeelt appellant in de kosten in beide in­stanties aan de zijde van geintimeerde gevallen en in prima begroot op Sf……

en in hoger beroep begroot op Sf…..

bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant op Sf….

Aldus gewezen door de heren Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Le­den en door de Vice-Presi­dent uitge­spro­ken ter open­ba­re te­recht­zitting van het Hof van Justi­tie van VRIJ­DAG, 6 april 2001 in tegenwoor­dig­heid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is versche­nen advokaat Mr.J.NIBTE namens de respectieve gemachtigden van partij­en, advokaten Mr.H.R.SCHURMAN en Mr.C.CH.BHAG­WAN­DIN.

SRU-HvJ-2001-7

H.M.
GENERALE ROL NO.14014.

[appellante], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.E.STRUIKEN, advokaat,
appellante,

tegen

[geïntimeerde], wonende in [land], ten deze domicilie kiezende ten kantore van Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat,
geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen respectivelijk van 5 maart 1999 en 6 oktober 2000 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslists en voorts;
Overwegende, dat de geintimeerde in de enquete geen getuigen heeft doen horen, waarna de gemachtigde van geintimeerde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot overlegging notariële akte heeft genomen;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 15 juni 2001, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 6 oktober 2000 en hetgeen dienaangaande is overwogen;
Overwegende, dat geintimeerde, ten einde het van haar verlangde bewijs te leveren bij daartoe strekkende conclusie de dato 9 februari 2001 in het onderhavige geding heeft doen brengen een notariële akte van verkoop en koop, verleden ten overstaan van notaris Jacob Jozef Elias Stuyt op 23 oktober 1979, te Amsterdam, een akte de dato 8 juli 1991 houdende de ontvangst van de koopsom ad Nf.99.000,– en een akte de dato 27 mei 1991, naar aanleiding van de gedwongen openbare verkoop opgemaakt;
Overwegende, dat het Hof de vraag of geintimeerde het van haar verlangde bewijs geleverd heeft, ontkennend beantwoordt;
Overwegende toch, dat koopprijs en waarde van een onroerend goed, niet identieke begrippen zijn; immers, (koop) prijs die partijen en niet anderen, moeten bepalen, een bedrag is bestaande uit een bepaalde hoeveelheid wettig betaalmiddel; waarde is de, meestal in een geldsbedrag uitgedrukte, economische betekenis die een lichaamlijke zaak heeft; de waarde van een zaak is geen vast gegeven; zij kan variëren al naar de gezichtshoek, waaronder men haar economische betekenis meet of de maatstaf, die men daarbij aanlegt;
Overwegende, dat mitsdien niet bewezen is, dat het appartement bij de levering aan geintimeerde een waarde had van Nf.271.000,– zodat zij – geintimeerde – door de gedwongen openbare verkoop op 27 mei 1997 een schade lijdt van Nf.271.000,–;
Overwegende, dat het Hof dan ook, onder vernietiging van het vonnis waarvan beroep geintimeerde haar vordering haar alsnog als onbewezen zal ontzeggen, onder veroordeling van geintimeerde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten op dit geding aan de zijde van appellante gevallen;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN KORT GEDING:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 14 januari 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Ontzegt geintimeerde alsnog haar oorspronkelijke vordering;
Weigeren alsnog de van waardeverklaring van de door de deurwaarder bij het Hof van Justitie, D.Toekimin, de dato 14 en 15 april 1994 no’s 261, 262 en 266 gelegde conservatoire beslagen en het conservatoir derden beslag;
Veroordeelt geintimeerde in de kosten in beide instanties aan de zijde van appellante gevallen en in prima begroot op Sf….
en in hoger beroep begroot op Sf….
Met inbegrip van het door het Hof aan de advokaat van appellante voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf……
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geintimeerde eveneens op Sf…….

Aldus gewezen door de heren Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 6 JULI 2001, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.BRIJBHOKUN, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen, de gemachtigden van partijen, Mr.H.E.STRUIKEN en Mr.F.F.P.TRUIDEMAN.