SRU-HvJ-1992-7

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 5 juni 1992
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en E.S. Ombre)

[verzoeker], arbeidscontractant in de zin van artikel 15 van de Personeelswet, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Grote Combeweg no. 25-27 ten kantore van het Advokatenkantoor Tjon Kwan Paw van wie Mr. A.L. Tjon Kwan Paw, advokaat, als zijn gemachtigde optreedt, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME (Ministerie van Binnenlandse Zaken) in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, gemachtigde, advokaat Mr. Dr. F.E.M. MITRASING, verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker wenst de navolgende rechtsvordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME (Ministerie van Binnenlandse Zaken) in rechte vertegenwoordigd door de Edelgrootachtbare Heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no.3, verweerder;

2. Op 15 september 1989 heeft verzoeker zich bij schrijven van zijn procesgemachtigde, hetwelk in fotocopie wordt overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen en waarnaar verzoeker kortheidshalve verwijst (produktie I) gericht tot de Minister van Binnenlandse Zaken met het verzoek tot rektificatie van zijn inschaling in dier voege, dat hij, verzoeker, alsnog met terugwerkende kracht te rekenen van 1 juli 1984 wordt ingeschaald in schaal dertien (13) en wel als volgt: 1984 en 1985 3e periodiek; 1984-4e periodiek; 1987-5e periodiek; 1988-6e periodiek; 1989 en volgende jaren – 7e periodiek. Verzoeker had zijn verzoek gegrond op het besluit van de Raad van Ministers de dato 28 augustus 1984, als weergegeven in het schrijven van de Waarnemend Sekretaris van de Raad van Ministers aan de Minister van Binnenlandse Zaken, Distriktsbestuur en Justitie de dato [datum 1], no.[nummer 1]R.v.M./i.k., hetwelk eveneens in fotocopie wordt overgelegd met het verzoek om de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen (produktie II).

Uit dit schrijven blijkt, dat de Raad van Ministers op eerstbedoelde datum had besloten, dat de landsdienaren, die in het bezit zijn van een H.B.O.diploma te rekenen van 1 juli 1984 dienen te worden bezoldigd volgens schaal 13.

3. Dit besluit van de Raad van Ministers differentieert niet tussen ambtenaren en arbeidscontractanten, doch spreekt slechts van ”landsdienaren” waartoe naast de ambtenaren ook de arbeidscontractanten behoren. Verzoeker is in het bezit van een H.B.O.-diploma, hetgeen moge blijken uit het hier in afschrift overgelegde diploma (produktie III).

Mitsdien had dit besluit ook ten aanzien van hem dienen te worden toegepast, hetgeen echter om aan verzoeker onbekend gebleven redenen niet is geschied.

4. Op grond van het vorenstaande heeft verzoeker belang bij het adieren van Uw Hof. Daar hij nimmer enige reactie heeft mogen ontvangen op zijn hiervoren aangehaalde schrijven, heeft hij met inachtneming van het bepaalde van de artikelen 78, lid 2, sub (b) jO 80, lid 1, sub (b) van de Personeelswet zijn vordering tijdig ingediend en dient hij daarin ontvangen te worden.

5. Verzoeker legt in fotocopie over:

a. de arbeidsovereenkomst (deeltijds) tussen verzoeker en verweerder de dato [datum 2], no. A.D. [nummer 2] (produktie IV); de arbeidsovereenkomst (voltijds) de dato [datum 3], no. A.D. [nummer 3] (produktie V);

c die van [datum 4], A.D [nummer 4] (produktie VI);

d. arbeidsovereenkomst no. V.M. [nummer 5]  (ongedateerd) (produktie VII);

e arbeidsovereenkomst no. V.M. [nummer 6] (ongedateerd) (produktie VIII);

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd: dat het afwijzende besluit, dat verweerder op grond van het bepaalde van artikel 78, lid 2 aanhef en onder (b) van de Personeelswet rechtens geacht moet worden te hebben genomen ten aanzien van verzoekers verzoek, zal worden vernietigd;

b. verweerder zal worden bevolen om verzoeker met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 1984 in te schalen in schaal 13 met dien verstande dat per die datum de inschaling zal geschieden als volgt: schaal 13; derde periodiek, zulks op verbeurte van een dwangsom van Sf. 250,- (TWEEHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) voor elke dag, waarop verweerder weigerachtig mocht blijven om aan het bevel, als verzocht, uitvoering te geven;

c.verweerder zal worden veroordeeld om aan verzoeker uit te betalen de som ad Sf. 10.932,- (TIENDUIZEND NEGENHONDERD TWEE EN DERTIG GULDEN) (6 x (1.329 – 1.190) + (12 x (1.329 – 1.190) + (12 x (1.366 – 1.224) + (12 x (1.402 – 1.279) + (12 x (1.565 – 1.379) + (12 x (1.613 – 1.424) + (4 x 1.613 – 1.424);

d. verweerder zal worden veroordeeld tot de betaling van de kosten van dit geding;

Overwegende, dat van de Staat Suriname geen verweerschrift is binnen gekomen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 16 juli 1990 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, Mr. R.U.F. Truideman namens Mr. A.L. Tjon Kwan Paw, gemachtigde van verzoeker, de heer E. Van der San, Onder-Directeur van Binnenlandse Zaken, die hebben verklaard gelijk in daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker vervolgens produkties heeft overgelegd; waarvan de inhoud als hier ingelast wordt beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;

Overwegende, dat partijen vervolgens vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk werd bepaald op 8 mei 1992, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker landsdienaar is (geweest) in de zin van de Personeelswet (P.W.);

Overwegende, dat verzoeker blijkens het onderhavige verzoekschrift heeft gevorderd:

a. het afwijzende besluit, dat verweerder op grond van het bepaalde van artikel 78, lid 2 aanhef en onder (b) van de Personeelswet (P.W.) rechtens geacht moet worden te hebben genomen ten aanzien van verzoekers verzoek, te vernietigen;

b. verweerder te bevelen om verzoeker met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 1984 in te schalen in schaal 13, met dien verstande dat per die datum de inschaling zal geschieden als volgt: schaal 13; derde periodiek, zulks op verbeurte van een dwangsom van Sf. 250,- (TWEEHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) voor elke dag, waarop verweerder weigerachtig mocht blijven om aan het bevel, als verzocht, uitvoering te geven;

c. verweerder te veroordelen om aan verzoeker uit te betalen de som ad f. 10.932,- (TIENDUIZEND NEGENHONDERD TWEE EN DERTIG GULDEN) (6 x 1.329 – 1.190) + (12 x (1.329 – 1.190) + (12 x (1.366 – 1.224) + (12 x (1.402 – 1.279) + (12 x (1.565 – 1.379) + (12 x (1.613 -1.424) + (4 x (1.613 – 1.424)

d. verweerder te veroordelen tot de betaling van de kosten van dit geding;

Overwegende, dat verzoeker als grondslag van zijn vorderingen onder b en c, voormeld, heeft gesteld; dat de Raad van Ministers in zijn vergadering van 28 augustus 1984 heeft besloten, teneinde de ontstane discrepantie weg te maken dat;

a. ………………………..

b. de landsdienaren, die in het bezit zijn van een H.B.O.-diploma, voorzover zij nog niet worden bezoldigd volgens schaal 13, de bezoldiging volgens deze schaal toe te kennen, met dien verstande dat de inpassing in de nieuwe schaal zal geschieden met evenveel periodieke verhogingen als zij hadden in de oude schaal, een en ander te rekenen van 1 juli 1984;

Overwegende, dat de beslissing van de Raad van Ministers, die verzoeker tot grondslag van het onder b en c gevorderde heeft gesteld, aldus interne werking heeft en geen enkele rechtskracht tegenover verzoeker bezit;

Overwegende, dat reeds op grond van voormelde reden de vorderingen van verzoeker onder b en c dienen te worden afgewezen (cfm. Hof van Justitie 21 februari 1975, S.J. (A) – Ambtenarengerecht – No. 142);

Overwegende, dat verzoeker bij het onder a gevorderde geen belang heeft, weshalve hij daarin niet ontvangen kan worden.

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Wijst de vorderingen van verzoeker onder a, b en c af.

SRU-HvJ-1992-6

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 19 juni 1992
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. Von Niesewand en E.S. Ombre)

[verzoekster], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optrad advokaat Mr. R.H. Komproe, die thans vervangen wordt door advokaat Mr. J. KRAAG, verzoekster,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Arbeid, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.Dr. C.D. OOFT, advokaat, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam·van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoekster hierbij de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, te zijnen kantore aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, verweerder;

2. dat verzoekster ambtenaar is in de zin van artikel 1 van de Personeelswet, dienende in de rang van Ambtenaar ”A” 2e klasse in tijdelijke dienst bij de Stichting Arbeidsmobilisatie en Ontwikkeling op het Ministerie van Arbeid;

3. dat verzoekster bij schrijven de dato 18 mei 1989 te kennen heeft gegeven gebruik te maken van de afvloeiingsregeling bij verweerder (artikel 69a leden 3 en 4 van de Personeelswet);

4. dat bij schrijven van verweerder de dato 14 juni 1989 aan verzoekster, gevraagd werd verweerder zo uitgebreid mogelijk te informeren over de inhoud van haar bedrijf, aan welk verzoek zij heeft voldaan bij schrijven de dato 20 juli 1989;

5. dat bij schrijven van verweerder de dato 20·september 1989 verzoekster werd uitgenodigd voor een gesprek, doch dat dit gesprek niet doorging, waarna bij schrijven de dato 9 oktober 1989 aan verzoekster een bedrijfsplan werd opgevraagd, alsmede een aanzegging om haar dienst te hervatten;

6. dat verzoekster het bedrijfsplan bij schrijven van 31 oktober 1989 heeft ingediend;

7. dat verzoekster bij schrijven van verweerder de dato 31 januari 1991 wederom werd gevraagd haar dienst te hervatten; doch dat verzoekster wegens ziekte en op advies van de behandelende arts haar werkzaamheden niet kon hervatten;

8. dat verzoekster bij beschikking de dato 23 april 1991 werd ontslagen uit Staatsdienst;

9. dat dit ontslag kennelijk onredelijk is, temeer daar verzoekster niet in de gelegenheid is gesteld zich terzake te verweren, waardoor het principe van hoor en wederhoor door verweerder niet in acht is genomen;

10. dat het ontslag bij verzoekster overkomt als misbruik van macht en in strijd is met behoorlijk bestuur;

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

A. dat voor recht zal worden verklaard dat het door verweerder op 23 april 1991 aan verzoekster verleend ontslag kennelijk onredelijk is;

B. dat verweerder zal worden veroordeeld verzoekster wederom in haar funktie of een ander gelijkwaardige funktie te werk te stellen;

C. dat verweerder zal worden veroordeeld haar toekomend salaris vanaf 23 april 1991 vermeerderd met emolumenten uit te keren totdat de dienstbetrekking op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;

Overwegende, dat de Staat Suriname een verweerschrift heeft ingediend, waarin als verweer wordt aangevoerd:

1. Verweerder heeft kennis genomen van de punten 1 t/m 7 van het verzoekschrift waarin getracht is, chronologisch de feiten weer te geven welke zijn voorafgegaan aan de ontslagverlening door de Staat aan de ambtenaar [verzoekster] voornoemd;

2. Het hier weergegeven feitenmateriaal is onvolledig en zelfs onjuist. Kort samengevat komen de relevante feiten neer op het volgende:

a. Aan verzoekster werd op 15 mei 1989·toestemming verleend haar binnenlandsverlof, in het buitenland door te brengen van 12 mei tot en met 14 juli 1989. Na verstrijken van dit verlof is verzoekster niet teruggekeerd en heeft althans haar werkzaamheden niet hervat. Ze was vanaf toen onwettig afwezig.

b. Bij schrijven van 9 oktober 1989 (Min. van Arbeid No. [nummer1]) werd verzoekster opgeroepen om haar werkzaamheden te hervatten. Daarbij werd zelfs het voorstel gedaan de onwettig afwezige dagen van verzoekster, te zullen dekken met het bekende ”verlof·buitenbezwaar” van den lande; – Verzoekster gaf geen gevolg aan de oproep.

c. Ten tweede male werd verzoekster op 31 januari 1991 (Arbeid No. [nummer 2]) opgeroepen haar werkzaamheden te hervatten op 1 februari van het zelfde jaar. Ook op deze oproeping werd nimmer enige reactie van verzoekster ontvangen. Alle beide brieven werden voor ontvangst ondertekend in het expeditieregister van het Ministerie. Op grond hiervan is op 23 apri1 1991 het ontslag verleend ex artikel 69 lid 2 onder punt k juncto artikel 71 lid 6 van de Personeelswet, te weten “wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van verlof of vrijstelling van dienst”.

3. Verweerder weerspreekt hierbij ten stelligste, dat van misbruik van macht sprake zou zijn, bij deze ontslagverlening en evenzo dat in strijd is gehandeld met enig beginsel van behoorlijk bestuur. Zelfs wanneer verzoekster van oordeel zou zijn dat er sprake was van willekeur (hetgeen verzoekster vermoedelijk bedoelt maar dit niet zegt) ook dan weerspreekt verweerder een zodanige opvatting en verwijst opnieuw naar het wegblijven van verzoekster na afloop van verlof en vrijstelling van dienst;

4. Van dit ontslag kan niet gezegd worden dat het kennelijk onredelijk is, omdat er geen plaats is voor de opvatting dat de Minister die het ontslag verleende, in redelijkheid, gelet op de feiten en omstandigheden, na afweging van belangen niet tot dit besluit had kunnen komen;

5. Verweerder merkt op, gelet op het gestelde in het 7e sustenu van het request, dat verzoekster daarin, om haar afwezigheid goed te praten, zegt, dat zij op advies van haar behandelende arts, wegens ziekte haar werkzaamheden niet kon hervatten. Een zodanige mededeling heeft de Dienst pas bereikt nadat het ontslag d.d. 23 april 1991 was verleend, t.w. bij brief van d.d. 9 mei 1991;

6. Op grond van het bovenstaande en op grond van het feit, dat de vordering van verzoekster valt buiten de limitatieve opsomming van artikel 79 van de Personeelswet, behoort de vordering van verzoekster onder alle 3 de punten A, B en C, niet ontvankelijk te worden verklaard.

Artikel 79 lid 5 van de Personeelswet is namelijk hier van toepassing;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

– dat verzoekster op grond van al het voorgaande, niet ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, c.q. haar deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond, niet op de Personeelswet steunende en niet bewezen; kosten rechtens;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 22 november 1991 advokaat Mr. R.H. Komproe zich als gemachtigde van verzoekster aan de zaak heeft onttrokken, terwijl terzelfde terechtzitting advokaat Mr. J. Kraag zich als gemachtigde van verzoekster heeft gesteld;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoekster produkties heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoekster hierna een schriftelijke conclusie tot vermindering van eis heeft genomen, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder vervolgens een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;

Overwegende, dat advokaat Mr. E.C.M. Hooplot namens advokaat Mr. J. Kraag vonnis heeft gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat rechtens tussen partijen is komen vast te staan, dat verzoekster als ambtenaar in de zin van de Personeelswet, bij beschikking van de Minister van Arbeid d.d. 23 april 1991, Bureau No. [nummer 3], te rekenen van 1 februari 1991, ingevolge artikel 69 lid 2 sub k juncto artikel 71 lid 6 van de Personeelswet, uit Staatsdienst werd ontslagen;

Overwegende, dat verzoekster bij verzoekschrift d.d. 4 juni 1991, ingekomen ter Griffie van het Hof op 6 juni 1991 tegen voormeld aan haar gegeven ontslag is opgekomen bij het Hof als Ambtenarengerecht;

Overwegende, dat verzoekster, in verband met de beoordeling of zij tempore utile tegen de ontslagbeschikking is opgekomen, niet heeft gesteld, wanneer zij de gewraakte beschikking heeft ontvangen;

– dat uit het verweerschrift van verweerder – vide 5e sustenu van bedoeld geschrift – evenwel blijkt, dat verzoekster bij brief van verweerder d.d. 9 mei 1991 in kennis is gesteld van de ontslagbeschikking;

– dat aangenomen dient te worden dat verzoekster op of omstreeks die datum -9 mei 1991- kennis droeg van het aan haar gegeven ontslag;

– dat zij mitsdien het Hof tijdig heeft geädieerd met haar verzoekschrift;

Overwegende, dat verzoekster, bij ter terechtzitting van 20 maart 1992 genomen daartoe strekkende conclusie, heeft verzocht haar vorderingen te verminderen in die zin dat verweerder veroordeeld zal worden aan haar -verzoekster- ontslag op eigen verzoek te verlenen ingevolge artikel 70, juncto artikel 71 lid 1 van de Personeelswet, met inachtneming van artikel 69a, meer speciaal lid 4 en tevens heeft verzocht haar terzake akte te verlenen;

– dat blijkens het verzoekschrift, verzoekster alstoen heeft gevorderd:

A. Voor recht te verklaren dat het door verweerder op 23 april 1991 aan haar verleend ontslag kennelijk onredelijk is;

B. Verweerder te veroordelen verzoekster wederom in haar funktie of een ander gelijkwaardige funktie te werk te stellen;

C. Verweerder te veroordelen haar toekomend salaris vanaf 23 april 1991 vermeerderd met emolumenten uit te keren, totdat de dienstbetrekking op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;

Overwegende, dat verweerder hiertegen heeft aangevoerd, dat ”een zodanig voorstel tot volledige intrekking van de oorspronkelijke vordering (al zijn deze woorden niet gebruikt) is in het procesrecht niet toegelaten en kan op zijn minst gekwalificeerd worden als in strijd met het rechtsbeginsel van behoorlijke procesvoering”;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, van vermindering van haar vorderingen, waarvan verzoekster in haar conclusie gewag maakt en ten aanzien waarvan zij om akte-verlening vraagt, in termen van de Wet c.q. artikel 109 van de Burgerlijke Rechtsvordering, geen sprake is;

– dat van vermindering in de zin van gemelde wettelijke bepaling slechts sprake is, wanneer de aanlegger het oorspronkelijk gevorderde met één of meer punten daarvan vermindert;

– dat zulks in casu, naar is gebleken, niet het geval is;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel eerder sprake is van verandering c.q. wijziging van de eis, hetgeen in beginsel naar ’s Hoven oordeel – ook in een ”ambtenaren procedure” – mogelijk is en niet, zoals verweerder stelt, in strijd is met een behoorlijk procesvoering;

Overwegende, dat verzoekster overigens bij het gedaan verzoek als vervat in de conclusie van 20 maart 1992, bij inwilliging daarvan, uiteindelijk toch geen baat zou hebben, omdat de ”verminderde” vordering en evenmin de oorspronkelijke vorderingen, onder de limitatieve omschrijving vallen van hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken, ingevolge artikel 79 van de Personeelswet kan worden gevorderd, terwijl bovendien die eis (de ”verminderde”) niet gedragen wordt door het ten rekeste gestelde;

Overwegende, dat op grond van al het voorgaande, alsvolgt dient te worden rechtgedaan;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Weigert het verzoek van verzoekster tot “vermindering” van haar vorderingen;

Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar (oorspronkelijke) vorderingen;

 

SRU-HvJ-1992-5

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 19 juni 1992
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en O.W. Abendanon)

[verzoeker], wonende aan [adres] te [district], verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van NATUURLIJKE HULPBRONNEN, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname te zijnen kantore aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, gemachtigde advokaat Mr. B.A. HALFHIDE, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen de STAAT SURINAME, meer precies het Ministerie van NATUURLIJKE HULPBRONNEN, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname te zijnen kantore aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, hierna te noemen verweerder;

2. dat verzoeker is ambtenaar in de zin van de Personeelswet en diende als bosbouwkundige in de rang van stafambtenaar A tweede klasse in vaste dienst bij het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen en belast met de leiding van de Hoofd afdeling Opleidingen;

3. dat verzoeker op 30 augustus 1990 met goed gevolg het Bachelor of Science examen in de rechtswetenschappen aan de Anton de Kom Universiteit van Suriname, Faculteit der Maatschappij wetenschappen met goed gevolg heeft afgelegd;

4. dat verzoeker van dit resultaat het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen in kennis heeft gesteld, op grond waarvan het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen per schrijven d.d. 9 november 1990 om advies heeft gevraagd aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken, van welk schrijven een kopie wordt bijgevoegd met het verzoek de inhoud als hier herhaald en geïnsereerd te willen aanmerken;

5. dat het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen er van bewust is dat de wet met name S.B. 1989 no. 76 geen gewag maakt van aangepaste werkzaamheden en dus het behalen van het diploma een conditie is om te worden bezoldigd volgens schaal 16 van de vigerende salaris schalen.

Bovenstaande moge blijken uit de derde alinea van eerdergenoemd schrijven van de onder-directeur administratieve diensten;

6. dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken per schrijven d.d. 10 mei 1991 het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen onomwonden heeft medegedeeld, dat verzoeker ingevolge S.B. 1989 no. 76 dient te worden bezoldigd volgens schaal 16;

7. dat verzoeker heeft moeten ervaren, dat ondanks dit advies van het Ministerie van Binnenlandse Zaken het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen als uitvoeringsorgaan nalatig blijft verzoeker conform de Wet te bezoldigen althans tot heden door het Ministerie aan verzoeker geen resolutie is uitgereikt waarin dit besluit is vastgelegd;

8. dat bovenaangehaalde handelswijze van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen bij verzoeker overkomt als misbruik van macht en in strijd met behoorlijk bestuur;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

A. dat verweerder zal worden veroordeeld verzoeker met onmiddellijke ingang althans binnen redelijke termijn met terugwerkende kracht ingaande 30 augustus 1990 te bezoldigen conform de wet en het advies van het Ministerie belast met ambtenarenzaken (Binnenlandse Zaken);

B. alle tot nu toe achterstallige tegoeden in elk geval het verschil tussen schaal 14 en 16 sedert 30 augustus 1990 onmiddellijk aan verzoeker te doen uitbetalen met alle aan deze bezoldiging causaal verbonden emolumenten;

C. verweerder zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van Sf. 500,- (VIJF HONDERD GULDEN) per dag voor iedere dag, dat zij verweerder nalatig mocht blijven aan het voorgaande althans aan een door het Hof gegeven besluit te voldoen;

Overwegende, dat de Staat Suriname een verweerschrift heeft ingediend, waarin als verweer wordt aangevoerd:

1. Bij rekest van 19 augustus 1991 heeft verzoeker zich gewend tot het Hof van Justitie met het verzoek zoals in het petitum daarvan vermeld.

2. Het sub 2 ten rekeste gestelde is juist. Het sub 3 ten rekeste gestelde wordt door verweerder niet ontkend.

3. Als meest verstrekkend verweer wenst verweerder aan te voeren dat Uw Hof niet bevoegd is in eerste instantie kennis te nemen van deze zaak, althans vindt deze vordering geen steun in artikel 79 van de Personeelswet. Ingevolge artikel 79 van deze wet oordeelt Uw Hof over vorderingen terzake door de Overheid genomen besluiten, terwijl in casu niet in beroep wordt gegaan van een genomen Overheidsbesluit. Verzoeker had ingevolge artikel 78 eerst beklag moeten doen binnen de administratie en zou daarna van het genomen besluit in beroep kunnen gaan. Aangezien het petitum sub 1 en 2 niet voor toewijzing vatbaar is, is daarmee ook het petitum sub 3 niet voor toewijzing vatbaar.

4. Verzoeker dient als bosbouwkundige en is thans afgestudeerd in de rechtswetenschappen. Verweerder is doende na te gaan of aan verzoeker aangepast werk kan worden verleend. Er is te dier zake nog geen besluit genomen, weshalve de vordering prematuur is. Ook op deze grond is de vordering niet voor toewijzing vatbaar.

5. Verzoeker heeft gebruikmakende van interne correspondentie gesteld dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken een advies heeft gegeven, zonder daarbij aan te geven op grond waarvan verweerder gebonden zou zijn aan dat advies.

Ook heeft verzoeker zich niet de moeite getroost om aan te geven de wettelijke regelingen die verweerder verplichten hem (verzoeker) te benoemen in schaal 16. Verzoeker wordt uitgenodigd aan te geven de wettelijke bepalingen die verweerder verplichten hem (verzoeker) te benoemen in schaal 16. Verzoeker wordt uitgenodigd aan te geven de wettelijke bepalingen die verweerder verplichten hem (verzoeker) te benoemen in schaal 16, ook al zou geen aangepast werk beschikbaar zijn.

6. Om al het voorgaande is de vordering van verzoeker niet voor toewijzing vatbaar;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

– dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat ingevolge ‘s Hofs beschikking van 8 october 1991 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, advokaat Mr. B.A. Halfhide, gemachtigde van de Staat Suriname, de heer Ch. Stijnberg, onder-direkteur administratieve diensten van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen omtrent verloop van het gesprek bepaald de verzoeker in persoon heeft verklaard: “ik ben direkteur van het Jan Starke opleidingscentrum en kan de studenten midden in het jaar niet in de steek laten. Ik ben bereid naar de Juridische afdeling te gaan, echter niet van de ene op de andere dag. Ik heb een brief geschreven naar de Minister doch daarop nog geen reactie ontvangen”;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna mondeling heeft verklaard: “Verzoeker wenst niet te voldoen aan de opdracht van de Minister. Het is de Minister, die bepaalt wie op welke post thuis hoort”;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen vervolgens de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 5 juni 1992 doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet (P.W.);

Overwegende voorts, dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken in confesso is, dat verzoeker op 30 augustus 1990 met goed gevolg het Bachelor of Science-examen in de rechtswetenschappen aan de Anton De Kom Universiteit van Suriname, Faculteit der Maatschappijwetenschappen heeft afgelegd;

Overwegende, dat verzoeker in het onderhavige geding vordert:

A. verweerder te veroordelen verzoeker met onmiddellijke ingang althans binnen redelijke termijn met terugwerkende kracht ingaande 30 augustus 1990 te bezoldigen conform de wet en het advies van het Ministerie belast met ambtenarenzaken (Binnenlandse Zaken);

B. alle tot nu toe achterstallig tegoeden in elk geval het verschil tussen schaal 14 en 16 sedert 30 augustus 1990 onmiddellijk aan verzoeker te doen uitbetalen met alle aan deze bezoldiging causaal verbonden emolumenten;

C. gedaagde te veroordelen tot betaling van een dwangsom van f. 500,- per dag voor iedere dag dat verweerder nalatig mocht blijven aan het voorgaande, althans aan een door het Hof gegeven besluit te voldoen;

een en ander op grond van feiten gesteld in het 4e tot en met 7e “dat” van het verzoekschrift, welke feiten als hier ingelast dienen te worden aangemerkt;

Overwegende, dat verzoekers vorderingen op grond van het navolgende niet toewijsbaar zullen blijken;

– dat verzoeker van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen had moeten uitlokken een besluit in de zin van artikel 78 van de Personeelswet over zijn bezoldiging volgens schaal 16;

– dat van dit besluit, – waarvan, gelet op de houding van verweerder in dit proces, mag worden aangenomen, dat het niet in verzoekers voordeel zou uitvallen – verzoeker, nadat het ter kennis van hem conform artikel 5 van de Personeelswet zou zijn gebracht, binnen één maand in beklag had kunnen komen bij een hoger gezag. (de President van de Republiek Suriname);

– dat indien verzoeker het met de beslissing van het hoger gezag niet eens zou zijn, zou hij bij het Hof van Justitie een vordering kunnen instellen, gebaseerd op het bepaalde in artikel 79 lid 2 sub a van de Personeelswet, na de door de wet gestelde termijn in acht genomen te hebben;

Overwegende, dat nu verzoeker, niet eerst de beklagprocedure, zoals hierboven aangegeven blijkt te hebben gevolgd, kan hij niet in zijn vorderingen ontvangen worden;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.

SRU-HvJ-1999-32

[appellante], verstoten echtgenote van [geïntimeerde], wonende te [adres 1] in [district 1], voor wie als gemach­tigde op­treedt Mr.H.R.SCHURMAN, advo­kaat, appellante,

t e g e n

[geïntimeerde], verstoten echtgenoot van eiseres voornoemd, wonende aan [adres 2] te [district 2], voor wie als ge­machtig­de op­treedt, Mr.E.J.BRUMA, advokaat, geïntimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kanton­rech­ter in het Eerste Kanton, van 22 juni 1993 tussen par­tijen gewe­zen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 21 juli 1993, waaruit blijkt van het instel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellante] als eisen­de partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:

  1. dat eiseres de navolgende vordering wenst in te stel­len tegen [geïntimeerde], verstoten echtgenoot van eiseres voornoemd, wonende aan [adres 2];
  2. dat eiseres op 21 juni 1971 in het ressort Surina­me/NH met gedaagde is gehuwd, welk huwelijk door middel van verstoting, de dato 7 januari 1986, is ontbonden;
  3. dat tot de huwelijksgoederen gemeenschap enkele onroerende en roerende goederen behoren:
  • het perceelland, groot 2669,24 m², gelegen in [district 1] te [adres 3], Kadastraal bekend als [nummer 1] voorheen perceel [nummer 2] en nader aange­duid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter Ing.J.L.Wijdenbosch de dato 14 mei 1985 met de letters A B C D;
  • een auto van het merk Toyota Carina;
  • een t.v;
  1. dat eiseres hierbij overlegt een fotokopie van een regeling, gesloten ingevolge het Huwelijksbesluit der Mohamedanen met verzoek de inhoud als geinsereerd te willen aanmerken, waaruit blijkt dat ten aanzien van de boedelscheiding de man zich heeft verplicht het recht van grondhuur op het perceelland voornoemd te zullen overdragen aan eiseres ten behoeve van de kinde­ren met dien verstande dat notarieel door de vrouw het recht van vruchtgebruik wordt gevestigd, waarmee de vrouw accoord gaat, terstond nadat de beschikking van grond­huur van Domeinkantoor uit is. De man behoudt de auto van het merk Toyota Carina alsmede een t.v.;
  2. dat gedaagde thans weigert het overeengekomene na te komen, ofschoon hij dringend en herhaaldelijk daar­toe is aangemaand;
  3. dat eiseres recht en belang heeft dat het overeen­gekomene door gedaagde wordt nagekomen, weshalve hij in rechte wordt aangesproken;
  4. dat eiseres ter verzekering van haar vordering, con­servatoir beslag heeft doen leggen op de (lees:he­t) in het 3e ”dat” genoemde onroerend goed bij exploit van deurwaar­der J.E.Kolf de dato 18 juli 1991;
  5. dat vermeld beslag van waarde dient te worden verklaard;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde zal worden veroordeeld om de regeling, gesloten ingevolge het huwelijksbesluit der mohamedanen de dato 7 januari 1986, onmiddellijk, althans binnen een door de rechter vast te stellen termijn na te komen, tegen verbeurte van een dwangsom van Sf.250,– (TWEEHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) per dag voor elke dag dat gedaagde weigert hieraan te voldoen. Voorts dat het door deurwaarder J.E.Ko­lf, de dato 18 juli 1991 gelegd beslag van waarde zal worden verklaard, Kostens rechtens;

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclu­sie van antwoord onder overleg­ging van een pro­duk­tie – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:
dat eiseres niet in haar vordering zal worden ontvangen, althans haar deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen, met opheffing van het ten deze gelegde beslag, Kosten rechtens;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toege­licht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van eiseres tevens een produktie overgelegd, waarvan de inhoud hier als inge­last dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 22 juni 1993 op de daarin opgenomen gronden:
Eiseres niet ontvankelijk heeft verklaard in haar vordering;
Eiseres heeft verwezen in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-ver­baal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eind­vonnis van 22 juni 1993;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL d.d. 31 oktober 1995 aan geïntimeerde aan­zeg­ging van het inge­stelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de recht­sdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ten dage voor pleidooi peremptoir bepaald geen pleitnota is overgelegd, terwijl advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens advokaat Mr.H.R.Schurman recht op stukken heeft gevraagd;

Overwegende, dat advokaat Mr.R.Baldew namens advokaat Mr.E.J.Bruma zich t.a.v. de stellingen heeft gerefereerd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof, nu geintimeerde zich ten aanzien van het verzoek van appellante om recht te doen op stukken, aan het oordeel van het Hof heeft gerefe­reerd, dat verzoek inwilligend, recht zal doen als hierna te melden;

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdos­sier, partijen op 21 juni 1971 in het ressort Sur/NM krachtens het Huwelijksbesluit Mohamedanen (G.B.1940 No.149) in algehele gemeenschap van goederen met elkaar in het huwelijk zijn getreden; dat uit dit huwelijk vier kinderen zijn geboren; dat het huwelijk van par­tijen op 7 januari 1986 middels verstoting is ontbon­den;

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdos­sier blijkt, geintimeerde bij beschikking van de Minis­ter van Natuurlijke Hulpbronnen d.d. 11 december 1989 [nummer 3] voor de duur van veertig jaren is verleend het recht van grondhuur ter uitoefening van de tuinbouw op het perceelland groot 2669,24 m², gelegen in het [district 1] te [adres 3] kadastraal bekend als [nummer 1] voorheen perceel [nummer 2] en nader aange­duid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter Ing.J.L.Wijdenbosch d.d. 14 mei 1985 met de letters ABCD;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat nu het huwelijk van partijen op 7 januari 1986 door versto­ting is ontbonden en geintimeerde op 11 december 1989 het zakelijk genotsrecht van grondhuur op vorenomschre­ven perceelland verwierf, appellante geheel ten on­rechte gesteld heeft dat dat perceelland mede tot de huwe­lijks­goederen gemeenschap behoort;

Overwegende, dat nu de Regeling van de gevolgen van de ontbinding van het huwelijk van partijen ten aanzien van boedelscheiding (vermogen) d.d.7 januari 1986 tot stand gekomen is, lang vóórdat geintimeerde voormeld zakelijk genotsrecht op het litigieuze per­ceel­land bij beschikking van de Minister van Natuurlij­ke Hulpbronnen d.d. 11 december 1989 verwierf is die rege­ling luidende: De man (i.c. geintimeerde) verplicht zich de grondhuur op perceel [nummer 4] te [adres 3] te zullen overdragen, aan de vrouw (i.c. appellante) ten behoeve van de kinderen met dien verstande dat notarieel door de vrouw (i.c.appellante) het recht van vruchtgebruik wordt gevestigd waarmee de vrouw (i.c. appellante) accoord gaat terstond nadat de beschikking van grondhuur van Domeinkantoor uit is. De man (i.c. geintimeerde) behoudt de auto van het merk Toyota Carina alsmede een televisie uit de huishoudelijke boedel, zonder oorzaak nu de oorzaak aan één der beoog­de verbintenissen heeft ontbroken en mitsdien van rechtswege nietig is;

Overwegende immers, dat het litigieuze za­kelijk genotsrecht als onroerende zaak op de datum van tot­standkoming van voormelde regeling in het geheel nog niet bestond;

Overwegende, dat, naar eveneens uit het procesdos­sier blijkt appellante bij beschikking van de Kanton­rechter in het Eerste kanton d.d. 31 mei 1991 verlof is verleend om ter verzekering harer rechten, conservatoir beslag te mogen doen leggen op het in het derde ”dat” van het verzoekschrift, ingediend ter Griffie op 24 mei 1991, omschreven onroerend goed;

Overwegende, dat appellante bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, J.E.KOLF d.d. 18 juli 1991 [nummer 5], conservatoir beslag heeft doen leggen op eerder omschreven onroerend goed, welk beslag overgeschreven is ten Hypotheekkantore op 18 juli 1991 in register [nummer 6];

Overwegende, dat het hof, ervan uitgaande dat appellante op vorenomschreven onroerend goed conserva­toir maritaal beslag heeft doen leggen, die beslagleg­ging als in strijd met de wet als onrechtmatig beschou­wt omdat zij plaatsgevonden heeft op een onroe­rend goed dat ten tijde van de ontbinding van het huwelijk van partijen (7 januari 1986) in het geheel nog niet be­stond en van de ontbonden huwelijksgoederen­gemeenschap derhalve hoegenaamd geen deel uitmaakte; bovendien heeft de wet niet voorzien in de mogelijkheid te vorde­ren de vanwaardeverklaring van een maritaal be­slag nu dat beslag, in tegenstelling tot de andere conservatoire beslagen, niet strekt ter verzekering van een geldvor­de­ring van de beslaglegger;

Overwegende, dat het Hof appellante haar vordering tot vanwaardeverklaring van dat beslag als geen steun vindend in de wet, met een niet ontvankelijk verklaring zal begroeten, de opheffing gelasten, zo ook de doorha­ling van de overschrijving daarvan;

Overwegende, dat het Hof, onder vernietiging van het beroepen vonnis, dan ook zal beslissen als in het dictum van dit vonnis te melden, onder veroordeling van appellante als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten op dit geding aan de zijde van geinti­meerde gevallen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 22 juni 1993 tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart appellante alsnog niet ontvankelijk in de door haar ingestelde vorderingen;

Gelast de opheffing van het conservatoir beslag, gelegd bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, J.E.KOLF, d.d. 10 juli 1991 [nummer 5]; op: ”Het recht van grondhuur ter uitoefening van de tuinbouw voor de duur van veertig jaren op het perceelland, groot 2669,24 m², gelegen in [district 1] te [adres 3], kadastraal bekend als [nummer 1], voor­heen perceel [nummer 2] en nader aangeduid op de in vier­voud opgelegde uitmetingskaart van de landmeter Ing.J.L.Wij­denbosch de dato 14 mei 1985 met de letters ABCD” en welk beslag overgeschreven is ten Hypotheek­kantore op 18 juli 1991 in register [nummer 6];

Gelast tevens de doorhaling van de overschrijving van gemeld conservatoir beslag op vorenomschreven onroerend goed;

Veroordeelt appellante in de kosten in beide instanties aan de zijde van geintimeerde gevallen en in prima begroot op f.nihil; en in hoger beroep begroot op f.nihil;

Aldus gewezen door de heren Mr.J.R.VON NIESE­WAND, Vice-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-Presi­dent uitge­sproken ter open­ba­re terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJ­DAG, 8 januari 1999, in tegenwoor­dig­heid van

Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.M.G.VOS namens haar gemach­tigde, advo­kaat Mr.H.R.SCHURMAN en geintimeerde verte­gen­woor­digd door advokaat Mr.R.BALDEW namens zijn gemachtigde, advo­kaat Mr.E.J.BRUMA, zijn bij de uit­spraak ter terecht­zit­ting ver­sche­nen.

 

 

SRU-HvJ-1992-4

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 14 augustus 1992
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en E.S. Ombre)

[verzoeker], wonende te [adres] in het [district] , ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Jessurunstraat no. 8 ten kantore van Mr. R.W. van Ritter, advokaat, verzoeker,

tegen

De STAAT SURINAME, (MINISTERIE VAN REGIONALE ONTWIKKELING) rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, te zijner parkette aan de Gravenstraat no. 52 te Paramaribo, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker], zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

I. 1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen de STAAT SURINAME, (MINISTERIE VAN REGIONALE ONTWIKKELING) rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door·de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, te zijner parkette aan de Gravenstraat no. 52 te Paramaribo, verweerder;

2. dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet;

3. dat verzoeker omstreeks 28 februari 1953 in dienst van verweerder is getreden;

4. dat verweerder sedert 21 april 1973 dient bij de bestuursdienst en onafgebroken op het Commissariaat dient, thans in de rang van Distrikts-Secretaris;

5. dat verzoeker bij schrijven van de Direkteur van Regionale Ontwikkeling d.d. [datum 1] [ nummer 1] is medegedeeld dat verzoeker met ingang van 15 november 1991 is gemuteerd naar het Commissariaat Paramaribo/Zuid-West;

6. dat het ten aanzien van verzoeker genomen besluit in strijd is met de Wet zijnde dit besluit niet genomen door het ter zake bevoegde gezag in casu de President van de Republiek Suriname;

7. dat de zinsnede in de genoemde brief ”namens de bewindsman” vreemd is aan de Personeelswet die de aanduiding niet kent;

8. dat het besluit van 11 oktober 1991 voorts in strijd is met de in algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur zijnde dit besluit niet met redenen omkleed en is verzoeker evenmin gehoord omtrent het voornemen tot zijn overplaatsing;

9. dat verweerder op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met de belangen van verzoeker die langer dan 18 jaren woont en werkt in het distrikt Commewijne zodat het geruime tijd zal vergen om met zijn gezin op verantwoorde wijze te verhuizen naar Paramaribo;

10. dat verzoeker niet beschikt over een woning in Paramaribo alwaar hij verblijf zal kunnen houden, terwijl indien het in het voornemen van verweerder ligt om verzoeker dagelijks op en neer van het distrikt Commewijne naar Paramaribo te doen reizen, zulks vermindering van verzoekers inkomsten zal betekenen, aangezien hij een aanzienlijk deel van zijn inkomsten voor vervoer visa versa zal moeten betalen, hetgeen door verweerder niet zal worden vergoed;

11. dat het noodzaak c.q. gebruik is dat ·ambtenaren van de Bestuursdienst wonen ter plaatse van detachering hetgeen is reeds gezegd voor verzoeker niet mogelijk is nu hij niet over verblijf in Paramaribo beschikt;

12. dat verzoeker van oordeel is dat verweerder met de mutatie een ander oogmerk heeft dan hetgeen het belang van de dienst vordert, makende verweerder van zijn recht tot overplaatsing van ambtenaren een ander gebruik dan waartoe dat recht is gegeven;

13. dat verzoeker van oordeel is dat het voornemen van verweerder tot zijn overplaatsing kennelijk gelegen is in het feit dat verzoeker een andere politieke overtuiging heeft dan degenen die zijn overplaatsing willen bewerkstelligen hetgeen in strijd is met de Grondwet;

14. dat verzoeker met volle inzet van zijn persoon de hem opgedragen werkzaamheden verricht;

15. dat op grond van al het voorgaande het besluit van 11 oktober 1991 niet in stand kan blijven doch behoort dit te worden vernietigd;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat hij het Hof optredende als Ambtenarengerecht nadert met het verzoek om:

a. bij vonnis het door verweerder genomen besluit vervat in het schrijven van de Directeur van Regionale Ontwikkeling d.d. [datum 1] [nummer 1] te vernietigen, althans nietig te verklaren;

b. bij vonnis verweerder te veroordelen om voor elke keer waarop hij in strijd met het te wijzen vonnis zal handelen ten titel van dwangsom aan verzoeker verschuldigd zal zijn de som van f. 500,–, kosten rechtens;

Overwegende, dat de Staat Suriname een verweerschrift heeft ingediend, waarin als verweer wordt aangevoerd:

II. 1. dat zij ontkent en betwist al hetgeen in het navolgende niet uitdrukkelijk door haar wordt erkend onder aanbod van bewijs harer stellingen door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen;

2. dat bij verzoekschrift ingekomen ter griffie op 11 november 1991 verzoeker als ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet bij Uw Hof een vordering aanhangig heeft gemaakt tegen de Staat Suriname met name het Ministerie van Regionale Ontwikkeling, verweerder, omvattende:

a. dat een door verweerder genomen besluit vervat in het schrijven van de Directeur van Regionale Ontwikkeling d.d. [datum 1] [nummer 1] vernietigd, althans nietig wordt verklaard;

b. bij vonnis verweerder te veroordelen om voor elke keer waarop hij in strijd met het te wijzen vonnis zal handelen ten titel van dwangsom aan verzoeker verschuldigd zal zijn de som van Sf 500,–.

3. Op grond van het eerste lid van artikel 20 van de Personeelswet kan het bevoegde gezag een landsdienaar, hetzij op diens verzoek, hetzij ambtshalve, een ander dan de bij de aanvang van zijn dienstverband vastgestelde standplaats aanwijzen. De aanwijzing van een andere standplaats kan alleen indien het belang van de dienst zulks vordert.

Verweerder wijst met nadruk op artikel 79 tweede lid van de Personeelswet waarin een limitatieve opsomming gegeven is van besluiten die vatbaar zijn voor vernietiging door Uw Hof.

Genoemde besluiten betreffen:

a. salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;

b. verlaging van rang;

c. vrijstelling van dienst, ver!of of non-aktiviteit;

d. oplegging tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping;

e. schorsing of ontslag.

In de toelichting op de Personeelswet op de artikelen 80-84 is het volgende opgenomen.

”Na de algemene beschouwingen in punt 7 moge hier worden volstaan met enkele nadere opmerkingen over speciale punten.

De voor vernietiging vatbare besluiten zijn limitatief opgesomd in artikel 80 tweede lid. Hiertoe behoren b.v. niet benoemingen in een andere funktie of aanwijzingen van een (andere) standplaats. Nietig verklaring van een dergelijk besluit zou trouwens toch licht niet kunnen voorkomen daar het Hof zich in beginsel heeft te onthouden van een beoordeling van hetgeen door het belang van de dienst wordt gevorderd”.

Uw Hof is op grond van het hiervoren onbevoegd kennis te nemen van de vordering als genoemd in het petitum.

4. Ten stelligste wordt ontkend dat de mutatie van verzoeker een ander oogmerk heeft, en dat van het recht van overplaatsing een ander gebruik wodt gemaakt.

Ten bewijze hiervan kan het volgende dienen.

Bij circulaire van de toenmalige Directeur van Distriktsbestuur de heer Mr. H. MUNGRA d.d. 13 maart 1984 bij schrijven van de toenmalige Minister van Regionale Ontwikkeling, de heer Drs. WERNER VREEDZAAM aangeboden aan alle Distrikts-Commissarissen is het volgende opgenomen (citaat).”In verband met de noodzaak tot de politiek-bestuurlijke vernieuwing heeft de Departementsleiding een aantal maatregelen genomen die moeten leiden tot het geven van gestalte aan de vernieuwingsgedachte. Een van de maatregelen is de steeds voortgaande vorming van het personeel bij de bestuursdienst. Om de zware taken die de politiek-bestuurlijke vernieuwing met zich mee·brengt te kunnen torsen is het van belang de uitdragers van het beleid ter zake toe te rusten met de nodige kennis en vaardigheden. De nieuwe doelstelling heeft mede als richtsnoer het instituut van de bestuursdienst te betrekken en daadwerkelijk in te zetten bij ontwikkelingen in de distrikten en het binnenland. Het initiëren van ontwikkelingsstrategieën en het uitvoeren daarvan in genoemde gebieden zal geen kans van slagen hebben, indien de uitdragers van het beleid niet beschikken over de juiste houding en de motivatie om zich volledig in te zetten, daar waar zij nodig blijken te zijn. Dit houdt in dat bestuursambtenaren bereid moeten zijn hun krachten overal in het land te geven. In feite is dit het intrappen van een open deur aangezien de aard van de dienst met zich mee brengt dat bestuursambtenaren overal inzetbaar moeten zijn. Het komt de Departementsleiding toch dienstig voor, te wijzen op de bevoorrechte plaats en funktie van de bestuursambtenaar binnen het overheidsapparaat. Gelet op de nieuwe structuren en het daadwerkelijk inhoud geven aan de doelstellingen, heeft de Departementsleiding besloten bestuursambtenaren voortaan om de 3 (drie) jaren te muteren, uitzonderingen daargelaten. Deze maatregelen zal in de vorm van toerbeurten geschieden en is bovendien nodig gebleken om te voorkomen dat bestuursambtenaren verstarren en langer dan nodig is werkzaam worden gelaten op een Commissariaat. Naast de vele andere voordelen is het voor de bestuursambtenaar voorts van belang dat hij kennis en ervaring opdoet in verschillende gebieden, waardoor zijn kansen op het maken van promotie wordt vergroot. Ik moge U verzoeken het bovenstaande onder de aandacht van het onder U dienende personeel te brengen”. (einde citaat).

Als produkties worden hierbij overgelegd het schrijven van de Minister van Regionale Ontwikkeling d.d. [datum 2] [nummer 2], alsmede van de circulaire van [datum 3] PZSWLW [ nummer 4], met verzoek aan U, E.A. de inhoud hierbij als letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen (zie prod. IA en IB).

5. De overplaatsing van verzoeker is uitsluitend gebaseerd op het belang van de dienst en niet op grond van politieke motieven als door verzoeker gesteld. De mutatie heeft plaatsgevonden in verband met de benoeming.van de Distrikts-Secretaris de heer E. ARICHERO tot beleidsmedewerker waardoor in de opengevallen plaats diende te worden voorzien. Gelet op de jarenlange ervaring van eiser·en het feit, zoals eiser zelf stelt langer dan 18 jaar niet te zijn gemuteerd is beslist eiser naar Paramaribo Zuid-West over te plaatsen. Bovendien kan worden verwezen naar de betreffende circulaire waar het belang van overplaatsing van bestuursambtenaren is vastgesteld en de opgenomen motieven niet voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn. Het beroep van verzoeker niet te zijn gehoord bij de overplaatsing is onterecht aangezien er in casu geen sprake is van een tuchtstraf en het recht van hoor en wederhoor ingevolge artikel 63 lid 2 slechts in dat geval is voorgeschreven. Met betrekking tot het beroep van verzoeker reeds 18 jaren in het distrikt te wonen en het ontwrichten van zijn huishouding kan worden opgemerkt dat een dergelijk beroep zijn bezwaren tegen de mutatie niet rechtvaardigt. Elke mutatie brengt in het huishouden van een ambtenaar de nodige problemen met zich mee en indien op een dergelijk beroep gevolg wordt gegeven is mutatie van ambtenaren niet meer mogelijk. Als Distrikts-Secretaris werkzaam in de bestuursdienst dient eiser te weten dat de mogelijkheid van overplaatsing steeds aanwezig is en zelfs om de drie jaren mogelijk is zoals uit eerder genoemde circulaire blijkt. Indien verzoeker weigert hieraan mee te werken dan maakt hij zich schuldig aan wanprestatie en dan is de laagste straf die opgelegd kan worden overplaatsing naar een ander tak van dienst met de daaruit voortvloeiende financiële consequenties.

6. Het gestelde in het 10e ”sustenu” dat het op en neer reizen van verzoeker vermindering van verzoekers inkomsten met zich mee brengt is pertinent onjuist. In de toelichting op artikel 20 is het volgende vermeld ”uitdrukkelijke aanwijzing van een andere standplaats is mede van belang met het oog op de vergoeding van reis- en verblijfkosten. Zodra de aanwijzing heeft plaats gehad en een voor de landsdienaar geschikte woning in zijn nieuwe standplaats beschikbaar is, kan hij genoopt worden deze te betrekken (vgl. art. 40). Als hij nalatig is met verhuizen, heeft hij geen aanspraak meer op vergoeding van de kosten van reizen naar, en verblijf in, zijn nieuwe standplaats.

7. Verweerder acht het van belang op het inconsequente in de houding van verzoeker te wijzen. Uit de hierbij als produktie overgelegde stukken van 22 februari 1988, van verzoeker aan de Distrikts-Commissaris van Commewijne, en de brief van 23 februari 1988 en 24 maart, blijkt dat verzoeker zelf de wens van overplaatsing elders kenbaar maakte. Als produkties worden hierbij overgelegd de brieven van 22 februari 1988, 23 februari en 24 maart 1988 en 5 mei 1988 met verzoek aan U, E.A. de inhoud hierbij als letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen (zie prod. 2A, 2B, 2C en 2D).

8. Bij schrijven d.d. [datum 4] [nummer 4], werd het besluit van de Minister van Regionale Ontwikkeling aan de Distrikts-Commissaris van Commewijne ter zake de overplaatsing van verzoeker naar het Distrikts-Commissariaat van Marowijne bekend gemaakt met verzoek de verzoeker van de mutatie op de hoogte te stellen, welk besluit vervat is in de beschikking van de bewindsman in zijn beschikking van 4 november 1988. De overplaatsing zou per 1 december 1988 plaats hebben. Tegen genoemde beschikking bracht verzoeker bezwaren in die betrekking hadden op repercussies van de abrupte mutatie voor hem als gemuteerde en zijn gezin en verweerder ter verantwoording riep inzake de redenen die tot de overplaatsing aanleiding hebben gegeven, en het rekening hebben gehouden met de voorzieningen. Het bezwaarschrift van verzoeker werd op grond van een door de onderdirekteur van het Departement uitgebracht advies afgewezen bij schrijven d.d. 30 november 1988 (zie prod. 3A, 3B en 3C).

9. Het vorenstaande was kennelijk aanleiding voor verzoeker de rechter in KORT GEDING, te adiëren bij inleidend Rekest van 2 december 1988 met verzoek de litiqieuze beschikking in haar werking te schorsen althans op te schorten onder verbeurte van een dwangsom van Sf. 1000,–, voor elke dag gedaagde weigerachtig mocht blijven aan het te nemen vonnis te voldoen (zie prod. 4).

10. Op de door de rechter bevolen comparitie van 26 februari 1989 kwamen partijen overeen dat de ingangsdatum van de overplaatsing instede van op 1 december 1988 zou worden gesteld op 1 september 1989 dat is een verschuiving van ruim 9 (negen) maanden. Het een en ander werd bij beschikking van de Minister van [datum 5] [ nummer 5] vastgesteld.

11. Verzoeker heeft nimmer gevolg gegeven aan de overplaatsing en heeft zich steeds van ziekte brieven bediend met als eind resultaat de herplaatsing van verzoeker, die nimmer zijn dienst op het commissariaat Marowijne heeft aangevangen, op het Distrikt-Commissariaat Commewijne. Als produkties worden hierbij de brieven betreffende het ziekteverlof van verzoeker alsmede de beschikking waaruit de herplaatsing blijkt overgelegd met verzoek aan U, E.A. de inhoud hierbij als letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen (zie prod. 5A t/m 5J).

12. Er is een Frans spreekwoord dat luidt: Le histoire se répête. Thans in het jaar 1991 hanteert verzoeker dezelfde procedure als in de jaren 1988/1989. Ook nu weer meent verzoeker zowel de KORT GEDING als de administratieve rechter te adiëren teneinde het besluit vervat in het schrijven van de Directeur van Regionale Ontwikkeling d.d. [ datum1] [ nummer 1] namens de Minister van Regionale Ontwikkeling te vernietigen althans nietig te verklaren. Te Uwer informatie zij vermeld dat het besluit als vervat in het hierboven genoemde schrijven is vastgelegd in de beschikking van [datum 6] [ nummer 6] . Als produktie wordt hierbij overgelegd een fotokopie van de beschikking van [datum 6] [ nummer 6 – variant] met verzoek aan U, E.A. de inhoud hierbij als letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen (zie prod. 6). Door eiser wordt in het 6e ”dat” voorts gesteld dat met bevoegd gezag bedoeld wordt de President van de Republiek van Suriname. Verweerder wijst er met nadruk op dat in artikel 3 lid 1 duidelijk is aangegeven dat aanstelling, bevordering en schorsing dienen te geschieden door hetzij de President, hetzij de Minister. Bij overplaatsing van landsdienaren met name ambtenaren bij de bestuursdienst is het sinds mensen heugenis gebruik eerst bij schrijven namens de bewindsman de mutatie aan betrokkenen bekend te maken waarna bij beschikking van de Minister de mutatie wordt vastgesteld. Ook bij de huidige mutatie is de gebruikelijke procedure gevolgd. Op grond van het voorgaande is verweerder dan ook van oordeel dat voor het gevraagde geen grond bestaat;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard althans dat deze aan hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 14 februari 1992 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, advokaat Mr. VAN RITTER, gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr. VAN TRIGT, gemachtigde van verweerder en F.E.E. BABEL, Hoofd Beleidsmedewerker van het Ministerie van Regionale Ontwikkeling, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd tevens onder overlegging van produkties, hebbende advokaat Mr. VAN RITTER ten dage voor repliek pleidooi peremptoir bepaald mondeling verklaard: ”verzoeker persisteert bij alle genomen conclusies en overgelegde stukken en stelt, dat hij pas in december 1991 de overplaatsingsbeschikking heeft gehad en dat de brief van de Directeur van Regionale Ontwikkeling formeel niet juist is”.

Overwegende, dat advokaat Mr. VAN TRIGT voor dupliek pleidooi heeft gepersisteerd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker onder a van het petitum vordert, dat het door verweerder genomen besluit vervat in het schrijven van de Directeur van Regionale Ontwikkeling d.d. [ datum1] [nummer 1], zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;

Overwegende, dat het besluit waar verzoeker het over heeft – voor zover van belang – alsvolgt luidt: ”Hierbij deel ik U, namens de bewindsman mede, dat U ingaande 15 november 1991 naar het Commissariaat Paramaribo/Zuid-West wordt gemuteerd. U gelieve in verband met deze mutatie alle voorbereidingen ter zake te treffen en zich op vorenvermelde datum aan te melden bij de Distrikts-Commissaris van Paramaribo Zuid-West”.

De Directeur van Regionale Ontwikkeling,

w.g. J.D. Lo A Njoe – van Varsseveld

(Mr. J.D. Lo A Njoe – van Varsseveld).

Overwegende, dat, naar blijkt uit de Memorie van Toelichting op de Personeelswet, een besluit een samenvattende aanduiding is van resoluties van de President van de Republiek Suriname en beschikkingen van Ministers of lagere administratieve organen;

Overwegende, dat onder beschikking wordt verstaan een eenzijdige naar buiten gerichte wilsverklaring van een administratief orgaan van de (centrale) overheid, gegeven krachtens een in enig staats- of administratiefrechterlijk voorschrift vervatte bevoegdheid of verplichting en gericht op de vaststelling, de wijziging of opheffing van een bestaande rechtsverhouding of het scheppen van een nieuwe rechtsverhouding dan wel inhoudende de weigering tot zodanig vaststellen, wijzigen, opheffen of scheppen (zie C.D. OOFT in ”Kortbegrip van het Surinaams Administratief-recht, deel I, p. 20) en onder een resolutie een schriftelijk besluit ten aanzien van een of meer personen door het bevoegde bestuursgezag (de President onder verantwoordelijkheid van een Minister) genomen (zie p. 19 a.w.);

Overwegende, dat het besluit waar verzoeker het in het petitum onder a heeft, na toetsing daarvan aan evenvermelde onderschrijvingen, niet als een besluit in de zin van de Personeelswet kan worden aangemerkt;

Overwegende, dat nu het Hof als gerecht in ambtenarenzaken ingevolge de Personeelswet kennis mag nemen van vorderingen tot vernietiging althans nietigverklaring van besluiten in de zin van die wet en het besluit waarvan verzoeker om vernietiging althans nietigverklaring vraagt, niet onder die besluiten valt, dient verzoekers vordering, zonder een onderzoek te hoeven in te stellen naar de juistheid van de (overige) stellingen van verzoeker als niet langer relevant, met een niet-ontvankelijkheid te worden begroet;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering.

 

SRU-HvJ-1992-3

GR. 13158

HvJ 9 oktober 1992

1. [appellant 1],

2. [appellant 2],

3. [appellant 3],

4. [appellant 4],

5. [appellant 5],

6. [appellant 6],

7. [appellant 7] en

8. [appellant 8],

Allen wonende te [district 1], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Mr.F.H.R. Lim A Postraat no.1, bij het Advokatenkantoor Lim A Po, van wie Mr. F. Kruisland als hun gemachtigde optreedt,

appellanten in kort geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende in het [district 2] aan de [adres], voor wie als gemachtigde optreedt Mr. H. Matawlie, advokaat

Geïntimeerde in kort geding.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis in kort geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 27 februari 1992 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 28 februari 1992, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

Ten aan zien van de feiten:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant 1] en 7 anderen als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:

1. Eisers wensen de navolgende vordering in kort geding in te stellen tegen [geïntimeerde], wonende in het [district 2] aan de [adres], gedaagde.

2. Eisers zijn mede-eigenaren van de [plantage], gelegen in het [district 2]. Als zodanig zijn eisers, tezamen met de overige mede-eigenaren, ten volle gerechtigd tot het genot en de beschikking van voormelde plantage. Eisers behoeven dan ook niet te dulden, dat derden zonder enig recht of titel zich het genot van voormelde plantage, althans gedeelten daarvan toeëigenen en gebruik maken van die plantage, althans gedeelten daarvan zonder enig recht of titel. Eisers behoeven evenmin te dulden dat derden zonder enige bevoegdheid daartoe, gedeelten van voormelde plantage occuperen, althans doen occuperen en met betrekking tot de grond allerhande activiteiten ontwikkelen of doen ontwikkelen, zoals landbouw en tuinbouwactiviteiten.

3. Gedaagde heeft op onderscheidende tijdstippen in de jaren 1990 en 1991 zonder daartoe gerechtigd te zijn, aan een of meer personen gedeelten van de sub 2 vermelde plantage verhuurd en/of in gebruik afgestaan en als vergoeding daarvoor gelden van die personen ontvangen. Nog++ steeds ontvangt gedaagde voormelde gelden.

4. Op 16 maart 1991 hebben eisers als mede-eigenaren van de sub 2 vermelde plantage gedaagde doen aanzeggen de sub 3 vermelde handelingen te staken en zich verder te onthouden van handelingen, welke inbreuk maken op het (mede-) eigendomsrecht van eisers.

5. Eisers hebben echter recentelijk ontdekt, dat gedaagde ook na de sub 4 vermelde aanzegging is voortgegaan met de sub 3 vermelde handelingen in zodanige mate en op zodanige wijze, dat thans een zeer groot gedeelte van het voorland van voormelde plantage door personen is geoccupeerd, op grond van aan hen verleende toestemming zijdens gedaagde en/of op grond van door gedaagde met hen gesloten huur- of gebruiksovereenkomsten. Zoals gesteld is gedaagde tot het verrichten van voormelde handelingen in het geheel niet bevoegd en maakt met het plegen van die handelingen dan ook inbreuk op het (mede-) eigendomsrecht van eiseres.

6. Gedaagde doet zich evenwel voor als terzake bevoegd te zijn met betrekking tot de sub 3 en 5 vermelde handelingen de indruk gewekt, dat hij daartoe bevoegd is, aangezien hij ter plaatse woont en in strijd met de waarheid aan voormelde personen voorhoudt eigenaar, althans beheerder van de sub 2 vermelde plantage te zijn.

7. Ondanks aandrang zijdens eiseres weigert gedaagde aan eisers de nodige inlichtingen te verschaffen omtrent de personen met wie hij voormelde handelingen pleegt tot occupatie en exploitatie van voormelde plantage, althans gedeelten daarvan, hoewel hij van hun identiteit en verblijfplaats geheel op de hoogte is. Eiseres kunnen niet op andere wijze aan voormelde informatie komen, aangezien het voor het overgrote deel personen uit de binnenlanden van Suriname betreft, die voor hen niet naspoorbaar zijn.

8. Eiseres lijden door het handelen van gedaagde als voormeld grote schade doordat zij zelf geen nut kunnen trekken van voormelde plantage, althans de geoccupeerde gedeelten daarvan en evenmin daarop vrijelijk activiteiten kunnen ontplooien. Bovendien gaat voormelde plantage, althans de vanwege gedaagde geoccupeerde gedeelten daarvan, sterk in waarde achteruit, aangezien vorenbedoelde personen alle bomen en andere plantengroei verwijderen. Het voorgaande is geheel aan gedaagde bekend en wordt bewust door hem toegelaten, althans geïnspireerd.

9. Gedaagde handelt dan ook vooreerst in strijd met het (mede-) eigendomsrecht van eiseres, doch voorts ook op ernstige wijze in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van eiseres en de hen in eigendom toebehorende goederen.

10. Eiseres zijn dan ook gerechtigd te vorderen, dat gedaagde zijn onrechtmatige handelingen als vorenomschreven staakt en de aan eiseres toebehorende plantage als sub 2 vermeld, althans de door derden geoccupeerde gedeelten daarvan wederom in de vorige toestand brengt, althans doet brengen.

11. Eiseres’ belang terzake vordert een onverwijlde voorziening bij voorraad;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

– dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

a. gedaagde zal worden bevolen zorg te dragen, althans te bewerkstelligen, dat alle personen, welke zich op de [plantage] in het [district 2] of gedeelten daarvan vanwege gedaagde zonder recht of titel bevinden, deze ontruimen, verlaten en ter vrije beschikking van eiseres en de andere (mede-) eigenaren stellen, zulks binnen 3 (Drie) dagen na het in deze te wijzen vonnis,althans binnen een door de rechter te bepalen termijn, met machtiging op eiseres om indien gedaagde daarmede in gebreke mocht blijven, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Macht;

b. gedaagde zal worden bevolen zich te onthouden van handelingen, welke inbreuk maken op het (mede-) eigendomsrecht van eiseres, zoals het onder meer verhuren of in gebruik afstaan van gedeelten van voormelde [plantage] in het [district 2];

c. gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van Sf. 10.000,– (Tienduizend Gulden) voor elke dag of elke keer, dat hij de sub a en b bedoelde bevelen niet nakomt, kosten rechtens;

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast- de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd;

– dat eiseres in hun vordering niet zal worden ontvangen, althans hen deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, – onder overlegging van produkties;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating produktie zijdens eiseres bepaald, Mr.BA Halfhide namens de gemachtigde van eiseres heeft doen zeggen:

“de overgelegde produktie levert geen enkel bewijs met betrekking tot de medeëigendom van gedaagde. Het stuk is niet authentiek, bovendien komt de naam van de gedaagde er niet eens op voor”;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 27 februari 1992 op de daarin opgenomen gronden:

– eiseres niet ontvankelijk heeft verklaard in hun vordering;

– eiseres heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihill;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant 1] e.a. in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis in kort geding van 27 februari 1992;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Sh. Kandhai van 23 maart 1992 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht:

Overwegende, dat het appel tegen het vonnis d.d. 27 februari 1992, in kort geding tussen partijen gewezen en uitgesproken door de Kantonrechter, tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat appellanten tegen het beroepen vonnis een grief hebben aangevoerd, luidende:

Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat op grond van de stellingen van partijen en uit de inhoud van de overgelegde produkties blijkt, dat deze zaak te ingewikkeld van aard is om in kort geding te worden toegelicht en voorlopig te worden beslecht. In de eerste plaats geeft de kantonrechter niet aan op welke stellingen van partijen en op welke produkties hij het oog heeft, zodat het vonnis naar het oordeel van appelanten niet naar eis der wet met gronden is omkleed. In de tweede plaats staat het volgende als erkend, althans niet weersproken, rechtens tussen partijen vast:

a. Appellanten zijn mede-eigenaren van de [plantage]. Als zodanig behoeven zij niet te dulden, dat derden inbreuk maken op hun eigendomsrecht zonder daartoe enig recht te hebben. Ter staving van hun eigendomsrechten hebben appellanten een verklaring van erfrecht overgelegd, welke in het geding in geen enkel opzicht van valsheid is beticht. Die verklaring levert in elk geval a prima facie volledig bewijs op van het eigendomsrecht van appellanten.

b. Geïntimeerde is geen eigenaar of mede-eigenaar van voormelde plantage, hetgeen blijkt uit de sub a bedoelde verklaring van erfrecht. Weliswaar heeft geïntimeerde als enig relevant verweer, gepoogd aan te tonen, dat hij mede-erfgenaam is omdat hij dezelfde naam zou dragen als enkele der mede-eigenaren, doch zulks snijdt uiteraard geen hout. Nu het dragen van dezelfde naam bepaaldelijk niet inhoudt dat dan burgerrechtelijke betrekkingen bestaan tussen de naamgenoten, welke erfrechtelijke gevolgen zouden hebben en uit dien hoofde geïntimeerde mede-eigenaar zou zijn.

c. Geïntimeerde heeft niet, althans niet behoorlijk weersproken, dat hij zich zou hebben gedragen jegens appellanten zoals daartoe gerechtigd te zijn derden gedeelten van de [plantage] heeft doen occuperen en hen het genot daarvan heeft toebedeeld;

Overwegende, gemelde grief gegrond moet worden geacht, zijnde immers geen sprake van dat de zaak te ingewikkeld van aard is om in kort geding te worden toegelicht en voorlopig te worden beslecht;

– dat de ingestelde vordering dan ook ten onrechte met een niet-ontvankelijk verklaring werd begroet;

– dat op grond van: 1. de verklaring van erfrecht d.d. 24 februari 1987 en 2. het hypothecair-uittreksel d.d 15 mei 1990, alles in fotocopie, in onderling verband en samenhang, welke bescheiden geïntimeerde niet heeft betwist of van valsheid beticht noch de inhoud dezer bescheiden op enigerlei wijze heeft kunnen weerleggen, wordt bewezen geacht en staat mitsdien tussen partijen vast, dat appellanten gezamenlijk eigenaren zijn van:

– Het deel, groot 500 akkers, gelijkstaande aan ongeveer 240,5 ha van de [Grond 1] , grenzende aan de [Grond 2], op de kaart van de landmeter A.E. Calor d.d. 2 december 1954 aangeduid met de letters BCDE met uitzondering van:

1) het 3/20ste aandeel onverdeeld, verkocht en geleverd door mevrouw [naam 1] , weduwe van de heer [naam 2] aan [appellant 4], echtgenote van de heer[naam 3];

2) het 7/45ste aandeel onverdeeld, verkocht en geleverd door de heer [naam 4], in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met mevrouw [naam 5] aan [appellant 4], echtgenote van de heer [naam 3];

Overwegende, dat geïntimeerde dan ook ten onrechte heeft gesteld mede-rechthebbende te zijn op vorenomschreven onroerend goed;

– dat appellanten dan ook geen handelingen van geïntimeerde hoeven te dulden die inbreuk maken op hun eigendomsrecht op vorenomschreven goed;

Overwegende, dat appellanten in het 5e “sustenu” van het verzoekschrift een motivering hebben gegeven waarom de zaak nog steeds spoedeisend is;

– dat geïntimeerde dan ook ten onrechte heeft aangevoerd, dat het spoedeisend belang van de onderhavige vordering is komen weg te vallen nu appellantenpas in 1992 geïntimeerde in rechte aanspreken, terwijl appellanten stellen dat geïntimeerde sinds 1990 bezig is met onrechtmatige handelingen;

Overwegende, dat het Hof alvorens de overige stellingen van appellanten te bespreken, een gerechtelijke plaatsopneming ten einde de situatie ter plaatse te bezichtigen gewenst acht en die dan ook zal gelasten, nu geïntimeerde de in het 3e en 5e “sustenu” van het verzoekschrift gestelde handelingen heeft betwist en is blijven betwisten;

Rechtdoende in hoger beroep in Kort Geding:

Alvorens definitief te beslissen:

Bepaalt, dat het Hof zich vergezeld van de Griffier op …………………….des voormiddags te … uur zal begeven naar het perceel, zoals omschreven in het 2de “sustenu” van het inleidend rekest en gelegen in het [district 2], bekend als [plantage], teneinde die te bezichtigen, ter gelegenheid waarvan partijen in persoon, desverlangd vergezeld van hare advokaten, aanwezig dienen te zijn voor het verstrekken van inlichtingen i.v.m. het slot van de laatste rechtsoverweging;

Houdt iedere verdere uitspraak aan;

Aldus gewezen door de heren Mr.R.E.TH. Oosterling, President, Mr.J.R.Von Niesenwand, Lid en Mr. O.W. Abandonon, Lidplaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag 9 oktober 1992 in tegenwoordigheid van Mr ENRanchor, Substituut-Griffier.

w.g. E.M. Ranchor R.E.TH. Oosterling.

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advokaat Mr.H. Lim A Po namens hun gemachtigde, advokaat Mr.F. Kruisland en geïntimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.T. Gangaram Panday namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.H. Matawlie, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-31

M.H.
GENERALE ROL No.13953

l. [appellant 1], wonende te [district 1];
2. [appellant 2], wonende te [district 1];
3. [appellant 3], wonende te [district 1];
4. [appellant 4], wonende in [land];
5. [appellant 5], wonende in [land];
6. [appellant 6], wonende in [land];
7. [appellant 7], wonende in [land];
8. [appellant 8], wonende in [land];
9. [appellant 9], wonende te [district 1];
10. [appellant 10], wonende te [district 1];
11. [appellant 11], wonende in [land];
12. [appellant 12], wonende in [land];
13. [appellant 13], wonende in [land];
14. [appellant 14], wonende in [land];
15. [appellant 15], wonende in [land];
16. [appellant 16], wonende in [land];
17. [appellant 17], wonende in [land];
allen ten deze domicilie kiezende te [district 1], door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat,

appellanten,

tegen

A. [geintimeerde 1],wonende te [district 1] aan de [adres 1];
B. [geintimeerde 2],wonende in [woonplaats],[land] aan [adres 2],
C. [geintimeerde 3],wonende te [district 1] aan [adres 3],
D. [geintimeerde 4], wonende te [district 1] aan [adres 4];
E. [geintimeerde 5], wonende in [district 2] aan de [adres 5], door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr.B.A.HALFHIDE, advocaat,

geintimeerden,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien s’Hofs interlocutoir vonnis van 8 mei 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat appellanten in de enquete één getuige hebben doen horen, die verklaard heeft gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat ten dage voor conclusie na gehouden enquete zijdens appellanten bepaald, advokaat Mr.Glunder namens advokaat Mr.F.F.P.Truideman en de gemachtigde van geintimeerden advokaat Mr.B.A.Halfhide, hebben gepersisteerd en vonnis hebben gevraagd;
Overwegende, dat het Hof vervolgens uitspraak heeft bepaald op 7 augustus 1998, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof hier overneemt en volhard bij hetgeen in zijn tussenvonnis van 8 mei 1998 is overwogen;
Overwegende, dat het Hof appellanten op hun uitdrukkelijk verzoek heeft toegelaten tot het horen van twee met name genoemde getuigen;

Overwegende, dat appellanten ter voldoening aan dit tussenvonnis één getuige hebben doen horen wiens verklaring is gerelateerd in het proces-verbaal van 12 juni 1998 waarvan de inhoud als hier herhaald en geinsereerd wordt beschouwd;
Overwegende, dat nu – naar de mening van het Hof – appellanten niet geslaagd zijn in het leveren van het verlangde bewijs, het Hof alsvolgt zal beslissen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter van 15 april 1997 met veroordeling van appellanten in de proceskosten welke aan de zijde van geintimeerden zijn gevallen en begroot op nihil;

Aldus gewezen door de heren: Mr.A.I.RAMNEWASH, Fungerend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 5 februari 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advokaat, Mr.S.MARICA namens hun gemachtigde advokaat, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN en geintimeerden vertegenwoordigd door advokaat, Mr.H.E.STRUIKEN namens hun gemachtigde advokaat, Mr.B.A.HALFHIDE, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1992-2

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 18 december 1992
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en E.S. Ombre)

KORT GEDING (12 september 1991); Kantonrechter

(Mr. F.F.P. Truideman)

[eiser], ambtenaar B 3e klasse in vaste dienst, werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, Afdeling Technische Diensten, wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. J.J. Emanuelson, advokaat, eiser in Kort Geding,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het MINISTERIE VAN ONDERWIJS EN VOLKSONTWIKKELING, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te zijnen Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat 3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. J. Kraag, advokaat, gedaagde in Kort Geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad, op alle dagen en uren:

A. de gedaagde zal worden bevolen, onmiddellijk na de uitspraak van het vonnis, althans binnen een door de Rechter te bepalen termijn, de blokkering van het salaris van eiser, te rekenen van 1 maart 1991 op te heffen, onder verbeurte van een dwangsom van f. 100,– (EENHONDERD GULDEN) per dag voor elke dag dat de gedaagde weigert aan het ten rekeste vermelde bevel te voldoen.

B. de gedaagde zal worden bevolen het beschikbaar gekomen salaris van eiser vanaf de maand maart 1991, vermeerderd met de wettelijke rente hierover, vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan die der algehele voldoening, aan eiser uit te betalen casu quo uit te keren, en voorts met de uitbetaling van het salaris van eiser voort te gaan, zonodig bijwege van voorschot, totdat eiser’s rechtspositie casu quo diens dienstbetrekking zal zijn hersteld.

Kosten rechtens.

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie van antwoord heeft genomen, onder overlegging van produkties, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie van repliek heeft genomen, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde bij mondelinge conclusie van dupliek heeft gepersisteerd bij stellingen.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat na doorneming van de stellingen van de eiser Wij van oordeel zijn dat er van een spoedeisend belang geen sprake is, nu Wij te doen hebben met een vermoedelijk gepleegd plichtsverzuim, verweerschriftprocedure, beslissing door de Minister, zodat Wij Kantonrechter in Kort Geding zonder grondig onderzoek moeilijk kunnen beslissen, dat de blokkade met betrekking tot het salaris van de eiser moet worden opgeheven.

RECHTDOENDE IN KORT GEDING:

Weigeren de gevraagde voorziening.

Veroordelen eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f. ……

HOF VAN JUSTITIE, 9 oktober 1992

[verzoeker], ambtenaar B 3e klasse in vaste dienst, werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, Afdeling Technische Diensten, wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. J.J. EMANUELSON, advokaat, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het MINISTERIE VAN ONDERWIJS EN VOLKSONTWIKKELING, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te zijnen Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat 3, voor wie als gemachtigde optreedt,

Mr. Dr. C.D. OOFT, advokaat, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken;

Gehoord de partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen bij het Hof als Ambtenarengerecht tegen de Staat Suriname, met name het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, rechtspersoon, in rechten vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo te zijnen Parkette aan de Gravenstraat 3, verweerder;

2. Blijkens hierbij in afschrift overgelegde beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling de dato 14 november 1990 AD [nummer 1], is verzoeker ambtenaar B 3e klasse in vaste dienst en werkzaam op de afdeling Technische Diensten als bewaker op de Calorschool te Paramaribo; dat verzoeker mitsdien is ambtenaar in de zin van de Personeelswet;

3. Op maandag 3 december 1990 deed verzoeker de nachtwacht op de Calorschool aan de Dr. Sophie Redmonstraat te Paramaribo. De nachtwacht duurt van 22.00 uur van de ene dag tot 6.00 uur van de daarop volgende dag.

Te omstreeks 22.30 uur verscheen bij verzoeker de wachtcontroleur, de heer [naam 1] , die hem de presentielijst voor die dag ter tekening aanbood. Dit gebeurde ter plaatse, bij de omheining van het schoolterrein.

Bij het plaatsen van zijn handtekening op de presentielijst werd deze enigszins beschadigd vanwege de omstandigheid dat er ter plaatse op één enkel vel papier moest worden getekend. De omrastering van het schoolterrein is van koffiegaas opgetrokken, waarop verzoeker zijn handtekening heeft moeten plaatsen.

Vanwege de beschadiging van de presentielijst, raakte de wachtcontroleur [naam 1] dermate verstoord en vertrok, de presentielijst aan verzoeker achterlatende;

4. Verzoeker erkent, dat vanwege het ongemak ter plaatse, bij het stellen van zijn handtekening op het papier, deze door zijn schuld enigszins werd beschadigd, doch ontkent ten stelligste de presentielijst opzettelijk te hebben gescheurd of verscheurd;

5. Van het Hoofd van de afdeling Schoonmaak en Bewaking van de Hoofdafdeling Technische Diensten van voormeld ministerie, [naam Hoofd], ontving verzoeker een schrijven, gedagtekend 4 december 1990, kenmerk [nummer 2], welk schrijven, hierbij wordt overgelegd, waarin, hem ter zake het gebeurde (het verscheuren van de presentielijst), plichtsverzuim wordt verweten en verzoeker in de gelegenheid wordt gesteld zich, ter zake, te verweren binnen vijf dagen na dagtekening. Door verzoeker werd zijn verweerschrift binnen de gestelde termijn ingezonden, waarbij het voorval als bovenvermeld werd aangehaald.

Tot op heden heeft verzoeker geen antwoord (beslissing) op zijn verweerschrift ontvangen, waardoor hij tot op heden in het duister tast omtrent zijn rechtspositie bij verweerder, terwijl inmiddels de uitbetaling van zijn salaris ingaande 1 maart 1991 door het Ministerie van Financiën werd geblokkeerd;

6. Verzoeker heeft, na het voorval van 3 december 1990, zijn arbeid normaal verricht en ontving op 24 december 1990 wederom een schrijven van het Hoofd van de afdeling Schoonmaak en Bewaking, [naam Hoofd] om op 27 september 1990 (dit moet zijn 27 december 1990) des voormiddags te 9.00 uur zich aan te melden voor een gesprek, waaraan verzoeker gevolg heeft gegeven. Bij dit gesprek waren aanwezig de heren [naam Hoofd] en [naam 2], die aan verzoeker mededeelden dat zijn verweerschrift zal worden doorgeleid naar de afdeling Personeelszaken van het ministerie die, ter zake, een beslissing zal nemen.

Tevens werd aan verzoeker medegedeeld, dat hij voorlopig niet op het werk behoeft te verschijnen, in afwachting van een schrijven van de afdeling Personeelszaken van voormeld ministerie;

7. Van de afdeling Personeelszaken van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling heeft verzoeker tot op heden geen antwoord op zijn verweerschrift ontvangen, terwijl zijn salaris door het Ministerie van Financiën geblokkeerd blijft;

8. Bij schrijven van 3 mei 1991, kenmerk [nummer 3] van het Hoofd van de afdeling Schoonmaak en Bewaking, welk schrijven hierbij wordt overgelegd, werd aan verzoeker medegedeeld, dat hij zich, ter zake (onwettig) verzuim van het werk over de periode 24 december 1990 tot en met 3 mei 1991 dient te verantwoorden, hetgeen door hem gedaan werd bij verweerschrift de dato 6 mei 1991 en daarin uitdrukkelijk heeft vermeld, dat hij zich, in opdracht van de heren [naam Hoofd] EN [naam 2] van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling niet op het werk mocht begeven, in afwachting van bericht op zijn verweerschrift zijdens de afdeling Personeelszaken van voormeld ministerie;

9. Nu verzoeker, ook na het indienen van een verweerschrift in verband met zijn afwezigheid van het werk van 24 december 1990 tot en met 3 mei 1991, tot nog toe geen antwoord van verweerder heeft ontvangen en ook de opheffing van de blokkering van zijn salaris nog niet heeft plaatsgevonden, verzoeker in zeer ernstige financiële problemen is komen te verkeren, waardoor hij thans niets meer in staat is in zijn eigen levensonderhoud te voorzien;

10. Ondanks herhaalde door verzoeker daartoe aangewende pogingen, hij toch maar geen duidelijkheid van verweerder heeft kunnen verkrijgen met betrekking tot zijn rechtspositie jegens verweerder alsmede de voortdurende blokkering van zijn bezoldiging;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad;

A. de verweerder zal worden veroordeeld, onmiddellijk na de uitspraak van het vonnis, althans binnen een door het Hof te bepalen termijn, de blokkering van het salaris van verzoeker, te rekenen van 1 maart 1991 op te heffen onder verbeurte van een dwangsom van f. 100,- (EENHONDERD GULDEN) per dag voor elke dag dat de verweerder weigert aan voormeld bevel te voldoen.

B. de verweerder zal worden veroordeeld het beschikbaar gekomen salaris van verzoeker vanaf de maand maart 1991, vermeerdert met de wettelijke rente hierover, vanaf de dag van indiening van dit verzoekschrift tot aan die der algehele voldoening, aan verzoeker uit te betalen c.q. uit te keren, en voorts met de uitbetaling van verzoeker voort te gaan, zonodig bijwege van voorschot, totdat verzoekers rechtspositie c.q. in diens dienstbetrekking zal zijn hersteld, kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de bij de wet gestelde termijn een verweerschrift is ontvangen, waarbij hij heeft gesteld:

1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend, met beroep op de onsplitsbaarheid van zijn stellingen en biedt bewijs aan door alle middelen rechtens, in het bijzonder door getuigen.

2. Verweerder erkent dat verzoeker krachtens aanstelling in vaste dienst bij beschikking d.d. 14 november 1991 [nummer 1], ambtenaar is geweest tot aan de dag waarop hem bij beschikking d.d. november 1991[nummer 4] van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling ingevolge de Personeelswet, ontslag uit Staatsdienst is verleend. Deze beschikking wordt hierbij gevoegd, met verzoek derzelve als hier geïnsereerd en deel uitmakende van deze conclusie te willen beschouwen.

3. Verweerder ontkent evenwel de toedracht van zaken met betrekking tot de verminkte presentielijst. In werkelijkheid was verzoeker boos, omdat hij de controleur kwalijk nam en hem ervan beschuldigde, dat hij gerapporteerd had van zijn afwezigheid.

Dezelfde vordering van eiser, eerder behandeld in kort geding werd aldaar afgewezen, althans werd de gevraagde voorziening geweigerd, op gronden het kortgedingproces rakende (referte bijgevoegd vonnis).

4. Inmiddels is aan verzoeker bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 6 november 1991 AD [nummer 4] ontslag uit Staatsdienst verleend, met toepassing van artikel 61 lid 1 Personeelswet. De overweging waarop dit ontslag steunt is ondermeer het veelvuldig onwettig verzuim van verzoeker.

Een verzuim, dat ook nadat het salaris van betrokkene rechtens was geblokkeerd, voortduurde. De opgegeven reden van verzoeker, dat hij was aangezegd om thuis te blijven is niet aanvaardbaar, nu betrokkene niet uit een vage mededeling die niet afkomstig is van een bevoegd orgaan: niet de Minister, niet zijn directe chef Dhr. [naam Hoofd], Hoofd Bewaking en evenmin van Dhr. PINAS Onderdirecteur Hoofd Administratieve Diensten.

5. Gelet op de in de Personeelswet artikel 78 juncto 80 voorgeschreven termijnen, zijn de vorderingen van verzoeker laat ingediend en derhalve niet ontvankelijk bij Uw Hof. Naar het oordeel van verweerder valt ook de beslissing op de vorderingen alszodanig, buiten de competentie van de Burgerlijke rechter in ambtenarenzaken, nu deze vorderingen hun grondslag niet ontlenen aan de in het Zesde Hoofdstuk van de Personeelswet 1962 gestelde norm.

6. Voor het gestelde in de punten 6 t/m 11 van het Inleidend Request doet verweerder opmerken, dat het aldaar gestelde misschien wel dienst had kunnen doen in het proces in kort geding, doch gelet op het verzoek van requestrant in dit geschil, voor de ambtenaren rechter nauwelijks relevant is. Verweerder herhaald dan ook dat hij betwist alhetgeen in deze punten is aangebracht, tenzij verweerder zulks nadrukkelijk wel erkent;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering c.q., hem deze zal worden ontzegd, al zijnde ongegrond, niet op de Personeelswet steunende en niet bewezen;

Overwegende, dat partijen – verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr. EMANUELSON, advokaat Mr.Dr. OOFT, gemachtigde van verweerder en de hr. H.E. PINAS, wnd. Onderdirekteur Administratieve Diensten van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling – ingevolge ’s Hofs beschikking d.d. 14 februari 1992 in Raadkamer zijn gehoord, waarbij zij hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat partijen hierna de zaak bij pleidooi minder hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker bij pleidooi produkties overgelegd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 17 juli 1992, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker in het onderhavige proces vordert, – voorzover ten deze van belang – bij·vonnis:

A. Verweerder te veroordelen onmiddellijk na de uitspraak van het vonnis, althans binnen een door het Hof te bepalen termijn, de blokkering van het salaris van verzoeker te rekenen van 1 maart 1991 op te heffen, onder verbeurte van een dwangsom van f. 100,– (EENHONDERD GULDEN) per dag voor elke dag dat verweerder weigert aan voormeld bevel te .voldoen;

B. verweerder te veroordelen het beschikbaar gekomen salaris van verzoeker vanaf de maand maart 1991, vermeerderd met de wettelijke rente hierover, vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan die der algehele voldoening, aan verzoeker uit te betalen c.q. uit te leveren en voorts met de uitbetaling aan verzoeker voort te gaan, zodanig bij wege van voorschot, totdat verzoekers rechtspositie c.q. dienstbetrekking zal zijn hersteld;

Overwegende, dat verweerder zich tegen de tegen hem ingestelde vorderingen verwerend, als formeel verweer van de verste strekking zich erop beroepen heeft, dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen, nu verzoeker die vorderingen niet binnen de bij artikel 78 juncto artikel 80 van de Personeelswet voorgeschreven termijn heeft ingediend;

Overwegende, dat voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van verzoekers vordering van belang is, na te gaan wanneer verzoeker zijn vordering in kort geding, strekkende tot onder meer het bevelen van verweerder onmiddellijk na de uitspraak van het vonnis althans binnen een door de rechter te bepalen termijn, de blokkering van het salaris van hem, eiser te rekenen van 1 maart 1991 op te·heffen, onder verbeurte van een dwangsom van f. 100,– per dag voor elke dag dat gedaagde weigert aan het ten rekeste vermelde bevel te voldoen, heeft ingesteld, nu verzoeker, die de onderhavige vordering, naar blijkt uit de aantekening van de Griffier op 31 oktober 1991 heeft ingesteld, bij de uitspraak van het kortgeding vonnis noch in persoon noch bij gemachtigde aanwezig was en de naar aanleiding daarvan aan hem toegezonden Griffiersbrief van 11 oktober 1991 dateert;

Overwegende, dat het Hof de Griffier zal gelasten, te bevorderen, dat het proces-dossier bekend onder A.R. No. 91/0247 tussen partijen als eiser en gedaagde door de Griffier der Kantongerechten aan het Hof wordt toegezonden;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Alvorens definitief te beslissen:

Gelast de Griffier te bevorderen, dat het proces-dossier bekend onder A.R. No. 91/0247 tussen partijen als respectievelijk eiser en gedaagde, door de Griffier der Kantongerechten naar het Hof wordt toegezonden;

Bepaalt dat de zaak daartoe wederom zal worden afgeroepen ter terechtzitting van VRIJDAG, 6 NOVEMBER 1992 te 8.30 uur;

Houdt iedere verdere beslissing aan.

HOF VAN JUSTITIE, 18 december 1992

[verzoeker], ambtenaar B 3e klasse in vaste dienst, werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, Afdeling Technische Diensten, wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. J.J. Emanuelson, advokaat, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het MINISTERIE VAN ONDERWIJS EN VOLKSONTWIKKELING, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te zijnen Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat 3, voor wie als gemachtigde optreedt,

Mr. Dr. C.D. Ooft, advokaat, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken;

Gehoord de partijen;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 9 oktober 1992 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis werd overwogen en beslist en voorts; Overwegende, dat het door het Hof verlangde proces-dossier bekend door A.R. No. 91/0247 is overgelegd, waarvan de inhoudt hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen zich hierna hebben gerefereerd ten aanzien van het overgelegde dossier;

Overwegende, dat het Hof vervolgens vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 4 december 1992, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 9 oktober 1992 en hetgeen diepaangaande is overwogen;

Overwegende, dat aan het Hof uit het in het onderhavige geding gebracht proces-dossier (A.R. No. 91/0247) gebleken is, dat verzoeker in het onderhavige proces bij verzoekschrift, ingediend ter Griffie der Kantongerechten op 13 augustus 1991, alstoen de Rechter in kort geding heeft geadieerd en onder meer gevraagd verweerder in het onderhavige proces te bevelen de blokkering van het salaris van hem – verzoeker – te rekenen van 1 maart 1991, op te heffen onder verbeurte van een dwangsom van f. 150,– per dag voor elke dag dat verweerder weigert aan voormeld bevel te voldoen;

Overwegende, dat naar uit evenvermelde overweging blijkt, verzoeker vóór, althans op 13 augustus 1991 kennis droeg van de handeling van verzoeker, in casu de blokkering van zijn – verzoekers – salaris;

Overwegende, dat verzoeker het onderhavige proces, waarin hij onder meer vraagt dat de blokkering van zijn salaris te rekenen van 1 maart 1991 wordt opgeheven, blijkens aantekening van de Griffier van het Hof, tegen verweerder op 31 oktober 1991 heeft aangelegd;

Overwegende, dat nu verzoeker de onderhavige vordering tot opheffing van de blokkering van zijn salaris meer dan een maand na 13 augustus 1991 bij het Hof van Justitie als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken tegen verweerder heeft ingesteld, dient hij in zijn vordering onder A van het petitum niet-ontvankeIijk te worden verklaard;

Overwegende, dat het onder B van het petitum gevorderde als sequeel van het onder A gevorderde eveneens niet-ontvankelijk is;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering;

 

SRU-HvJ-1992-1

Hof van Justitie

18 december 1992, GR. 13192

(Mrs. R.E.Th. Oosterling,, J.R. von Niesewand, W.R. Willemzorg)

[appellant], wonende te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. J. Kraag, advocaat, appellant in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], kantoorhoudende aan [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt mr. J.C.P. Nannan Panday, advocaat, geïntimeerde in Kort Geding.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, van 11 juni 1992 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het eerste Kanton van 19 juni 1992, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

Eiser wenst de navolgende vordering Kort Geding in te stellen tegen:

[geïntimeerde], kantoorhoudende aan [adres 1] hierna te noemen gedaagde.

1. dat tussen partijen in het jaar 1991 ene overeenkomst van huur/verhuur werd gesloten betreffende het pand staande en gelegen aan [adres 2] te [district], dit tegen de destijds tussen partijen verbleven huurprijs van Sf. 400,– (vierhonderd gulden) per maand.

2. dat eiser recentelijk heeft moeten ervaren dat door gedaagde voormeld pand niet is gebruikt ten faveure van het doel waarvoor het aan hem is verhuurd door eiser zijnde dus als woonhuis, tevens niet genoegzaam van huisraad is voorzien en bovendien geheel open en bloot is blijven staan.

3. dat eiser omstreeks februari 1992 van omwonende de mededeling kreeg, dat uit en voormeld pand bestanddelen en zaken daarvan waren weggedragen door net nader geïdentificeerde individuen, waarvan ter zake door eiser na beschouwing van het pand aangifte van diefstal werd gedaan en tevens ook van vernielingen toegebracht aan het pand.

4. dat uit vorenvermeld pand ontvreemd bleken te zijn een aanrecht, acht stopcontacten, een douche, vier fluoricent lampen en een zekeringskast, terwijl bleek dat een schuifdeur van het pand vernield was, door een bouwdeskundigen werd als verklaard dat de schade aan het pand met in beschouwingenneming van het vorenaangehaalde ongeveer Sf. 14.221,– (veertien duizend en tweehonderd een en twintig gulden) betrof.

5. dat eiser sterk de mening is toegedragen dat de alsnu ontstane situatie aan de schuld, althans onachtzaamheid van gedaagde te wijten is en hij daarvoor aansprakelijk is, het welke eiser ten bodemgeschil zal vorderen.

6. dat vorenstaande bovendien nog sterker is een onrechtmatige daad daar gedaagde aan eiser nimmer bericht heeft doen toekomen van al het vorenaangehaalde, terwijl door hem jegens eiser zijn persoon en goed niet in acht is genomen die zorgvuldigheid welk gedaagde betaamde.

7. dat in vorenbedoelde woning van wege de slechte staat van onderhoud, nijpend en dringend gerepareerd dient te worden, hetgeen in feite ook tussen partijen was afgesproken en ten laste van gedaagde zou komen, doch tot op heden niet is geschiedt en geen verder uitstel gedoogt.

8. dat eiser derhalve elke recht en eminent belang heeft om gedaagde tot betaling van een voorschot der schade aan te spreken groot Sf 7000,– (zevenduizend gulden) daar er een dringende noodzaak tot onverwijlde invoering bestaat, terwijl redelijkerwijs van eiser niet verwacht kan worden naar ratio van de zijdens gedaagde al dan niet gepleegde handelingen danwel geëtaleerde gedragingen, de bestaande huurrelatie met gedaagde te continueren en dan ook daarvan schorsing vordert met ontruiming van het pand, hetgeen dermate spoedeisend is dat een voorziening ten deze rechtsgang alleszins te rechtvaardigen is.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding zover als mogelijk uitvoerbaar verklaard bij voorraad:

– de tussen partijen geldende overkomst van huur en verhuur zal worden geschorst.

– gedaagde zal worden veroordeeld om binnen een dag na dit vonnis althans binnen een door de Rechter in goede Justitie te bepalen termijn tot ontruiming over te gaan van het pand staande en gelegen aan [adres 2] te [district] met medeneming van al hetgeen en al degenen welke zich van zijnentwege aldaar moge bevinden en deze ter vrije en algehele beschikking van eiser te stellen middels afgifte der sleutels, alsmede eiser zal worden gemachtigd om indien gedaagde mocht weigeren althans nalatig mocht blijven gevolg te geven aan het door de Rechter te wijzen vonnis, zelf de gevorderde ontruiming te bewerkstelligen desnoods met behulp van de Sterke Arm.

– gedaagde voorts zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser bij wege van voorschot op de ontstane schade te betalen het bedrag van Sf. 7000,– (zevenduizend gulden), alsmede de proceskosten van dit geding, kosten rechtens;

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd: dat eiser in zijn vordering niet-ontvangelijk verklaard zal worden, althans die aan hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen, althans dat de Rechter zich onbevoegd zal verklaren om van de onderhavige vordering kennis te nemen, kosten rechtens;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusie van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 11 juni 1992 op de daarin opgenomen gronden:

De gevraagde voorziening heeft geweigerd;

Eiser heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot deze uitspraak begroot op nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [geïntimeerde] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 11 juni 1992;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder D.E. Hew A Kee van 29 juni 1992 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat appellant tijdig in hoger beroep is gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, in Kort geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 11 juni 1992;

Overwegende, dat appellant een vijftal grieven tegen het beroepen vonnis heeft aangevoerd, luidende;

Grief Ia:

Appellant meent te mogen stellen dat allereerst de Kantonrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat de appellant in zijn hoedanigheid als eigenaar van het onderhavige pand een eminent belang ervaart bij de verzekeringvan diensgoede staat van onderhoud.

Grief Ib:

Dat immers door de Kantonrechter niet genoegzaam in acht is genomen, de staat (aan partijen voldoende bekend) waarin het pand is verhuurd, alsmede het doel waarom het pand is verhuurd.

Grief II:

Dat voorts door de Kantonrechter terzijde is gelegd de door appellant destijds eiser in het geding gebrachte produkties, ondermeer het schade-rapport van de aannemer [naam] ter grootte van Sf. 14.221,– (veertienduizend twee honderd een en twintig gulden).

Grief III:

Dat de Kantonrechter zich te buiten heeft gewaagd door er vanuit te gaan, dat voor de geïntimeerde destijds de gedaagde reeds een bedrag van Sf. 4800,– (vierduizend achthonderd gulden) zou hebben gestort, weshalve aan hem niet die gedragingen zouden kunnen worden verweten welke aan appellant niet die reden zouden kunnen opleveren om de litigieuze huurovereenkomst met geïntimeerde stop te zetten, terwijl klaarblijkelijk niet in ogenschouw is genomen dat vorengenoemde bedrag geenszins kan opwegen tegen de ten gevolge van geïntimeerde’s schuld ontstane schade.

Grief IV:

Dat voorts door de Kantonrechter aan de appellant de ruimte niet is geboden zijn eigendom te controleren op zijn goede staat van onderhoud, zijnde in het vonnis waarvan beroep met geen woord daarover gerept, weshalve in het ons rechtssysteem meest volledig bestaande recht geweld werd aangedaan.

Overwegende, dat geïntimeerde zowel in prima als in hoger beroep de stellingen van appellant, die de grondslag van zijn vordering vormen, gemotiveerd heeft betwist;

dat zulks voor het Hof aanleiding zou (kunnen) zijn, appellant met het bewijs van die feiten te belasten, waartoe door het Hof evenwel niet behoeft te worden overgegaan, nu in de onderhavige procedure, waarbij het gaat om het treffen van voorlopige voorzieningen, de gewone wettelijke regelen omtrent de te bezigen bewijsmiddelen en de daaraan te kennen bewijskracht, toepassing missen;

Overwegende, dat het Hof dan ook onder verwerping van de tegen het beroepen vonnis aangevoerde grieven, als volkomen irrelevant en onder verbetering van gronden, gemeld vonnis zal bevestigen;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding
Bevestigt, onder verbetering van gronden het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 11 juni 1992, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op Sf. …..; met inbegrip van het Hof aan zijn advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf. 250,–;

Bepalend het Hof het salaris van de advocaat van appellant eveneens op Sf.250,-.

SRU-K1-2012-1

Kantonrechter in Kort Geding

A.R. No. 11-0347

5 januari 2012

Vonnis in de zaak van

A. [eiseres sub A],

B. [eiseres sub B],

C. [eiseres sub C],

D. [eiser sub D],

E. [eiseres sub E],

eisers sub A, B, D en E, wonende in [district 1],

eiseres sub C, wonende in Nederland,

gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,

eisers in kort geding,

hierna te noemen: “de erfgenamen”,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,

B. [bedrijf] N.V., gevestigd en kantoorhoudende te [district 2],

gedaagden in kort geding,

hierna te noemen: “de Staat en de NV”,

gemachtigde voor de Staat: mr. M.J. Stekkel, jurist verbonden aan het bureau Landsadvocaten,

gemachtigde voor de NV: mr. H.A.M. Essed, advocaat.

1. Het proces verloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

– het verzoekschrift met producties, dat op 19 januari 2011 ter griffie der kantongerechten is ingediend;

– de conclusie van antwoord, zijdens de Staat,

– de conclusie van antwoord, zijdens de NV,

– de conclusie van repliek,

– de respectieve conclusies van dupliek zijdens elk der gedaagden.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kort geding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 De erflater van de erfgenamen heeft in het jaar 1991 het recht van grondhuur verkregen op het perceelland groot 0.5896 ha, gelegen in [district 1].

2.2 De erflater is overleden op 17 augustus 1996.

2.3 Bij beschikking van 14 juni 2010 is aan de NV het recht van grondhuur toegewezen voor een periode van 40 jaar voor het opzetten van visserijfaciliteiten.

3. De vordering en de grondslagen daarvan

3.1 De vordering

De erfgenamen vorderen, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

1. de NV verbiedt om het recht van grondhuur door haar verkregen bij beschikking van 14 juni 2010, te verkopen en of anderszins te vervreemden en of met hypotheek te bezwaren en of daarop beheersdaden te verrichten, totdat bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis is beslist op de vordering tot doorhaling van de overschrijving van voormelde ministeriële beschikking en de hypothecaire registers, zulks op straffe van een aan de erfgenamen te verbeuren dwangsom van SRD. 500.000,= per keer dat de NV het verbod overtreedt;

23. de Staat beveelt om het onder 1 genoemd verbod te gehengen en te gedogen op straffe van een dwangsom van SRD 100.000,= per keer dat de Staat dit bevel niet opvolgt en voorts

3. gedaagden veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2 De grondslag

De erfgenamen hebben als grondslag voor hun vordering aangevoerd dat zij onlangs tot de ontdekking zijn gekomen dat de Staat een perceeelland aan de NV heeft uitgegeven in grondhuur waarbij een deel van het uitgegeven perceelland deel uitmaakt van het perceelland dat was uitgegeven aan de erflater van de erfgenamen, namelijk 0,2132 ha. Dit stuk land van 0,2132 ha hectare, hierna te noemen de ‘overlapping’ had niet uitgegeven mogen worden nu het niet behoorde tot het vrije domein. De erfgenamen stellen dat zij een bodemprocedure hebben ingesteld teneinde weer de beschikking te krijgen over de overlapping, waarop zij landbouwactiviteiten ontplooien. Echter vrezen zij dat gedurende de bodemprocedure de NV de overlapping zou kunnen vervreemden en daar beheersdaden op zou kunnen plegen, terwijl die overlapping aan de erfgenamen toekomt.

De erfgenamen voeren aan dat de uitgifte aan de NV, doordat het al aan de erflater was uitgegeven, nietig is en van onwaarde en dat de uitgifte door de Staat in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur en derhalve onrechtmatig jegens eisers. Zij voeren aan dat ook de NV onrechtmatig heeft gehandeld door grond aan te vragen die reeds aan een ander toekomt.

4. Het verweer

Gedaagden hebben beide als verweer aangevoerd dat de uitgifte van de overlapping niet onrechtmatig is omdat de grond al weer terug gevloeid was in de boezem van de Staat nu de erfgenamen, na het overlijden in 1996, niet conform artikel 16 van het Decreet Uitgifte Domeingrond, binnen 18 maanden een verzoek hebben ingediend om het recht van grondhuur te doen overgaan op één der erfgenamen. Zij voeren aan dat het recht van grondhuur daardoor, na het verstrijken van de genoemde termijn, van rechtsweg is vervallen.

5. De beoordeling

5.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen.

5.2 De erfgenamen hebben op het verweer van gedaagden aangevoerd dat artikel 16 lid 2 van het decreet uitgifte domeingrond, waarin is bepaald dat het recht van rechtswege vervalt, eigenlijk een ‘dode letter ‘ is. Zij voeren aan dat er sprake is van onbehoorlijke wetgeving omdat niet gezegd wordt wat de consequenties zijn van het van rechtswege vervallen van het recht en of dat betekent dat de grond terugvloeit in de boezem van de Staat. Daarnaast voeren zij aan dat het artikel zoals het thans geredigeerd is in strijd is met de Grondwet en met het Inter-Amerikaans mensenrechten verdrag, omdat het op onteigening aankomt, en voorts dat een toepassing van dit artikel maatschappelijk niet verantwoord is, vooral in verband met gevestigde hypotheken.

5.3 De gedaagden hebben van hun zijd weer daarop gereageerd door te stellen dat het niet juist is dat artikel 16 lid 2 niet geldig moet worden geacht, noch dat dit artikel in strijd is met de grondwet of een verdrag. Zij voeren aan dat juist uit de memorie van toelichting blijkt wat de wetgever beoogde met het artikel, namelijk het voorkomen van boedelvorming. Zij voeren tevens aan dat de erfgenamen wel stellen dat zij aanspraak maken op de grond doch geen enkel hypothecair uittreksel hebben kunnen overleggen waaruit dat blijkt.

5.4 De kantonrechter is van oordeel dat, gelijk gedaagden stellen, het wetsartikel duidelijk is. Indien de erfgenamen niet binnen 18 maanden na het overlijden een verzoek indienen, vervalt het recht van rechtswege. De uitzondering hierop is overmacht. De kantonrechter overweegt dat, alhoewel in de praktijk vaak ook na die 18 maanden de erfgenamen in de gelegenheid worden gesteld om alsnog een persoon aan te wijzen, dit artikel recht overeind staat en het beroep op dit artikel door de nieuwe grondhuurbezitter, in casu de NV, niet kan worden gepasseerd, immers is dat beroep gestoeld op een bestaand geldend wetsartikel.

5.5 De kantonrechter is van oordeel dat het verweer daardoor aannemelijk is geworden waardoor het gevorderde zal worden afgewezen.

5.6 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en de erfgenamen, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van dit geding.

6. De beslissing

6.1 Wijst af het gevorderde;

6.2 Veroordeelt eisers in de kosten van dit geding aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding en uitgesproken door mr. I.S. Lachitjaran-Chhangur, kantonrechter, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 5 januari 2012, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier. mr. D. Ramdin.

w.g. D. Ramdin w.g. A.C Johanns

w.g. I.S. Lachitjaran-Chhangur