SRU-HvJ-1999-25

H.M.
GENERALE ROL NO: 13928.

[appellant], wonende te [district] aan [adres], [woonlaats], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,
appellant,
tegen

[geintimeerde], wonende te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.M.R.CARRILHO, advokaat,
geintimeerde,
De Fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het Geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 20 november 1995 en 5 augustus 1996 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 6 februari 1997, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geintimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. dat eiser blijkens bijgaande verklaring afgegeven door het Notariaat R.Ramautar, d.d.3 december 1993, bij akte verkoop en koop, d.d. 30 december 1993, eigenaar is geworden van het erf met alhetgeen daarop staat, gelegen te [disrict] aan [adres], bekend onder B.R.[nummer];
2. dat de eiser tot aankoop van het onroerend goed is overgegaan, omdat de eiser zulks zeer dringend voor eigen gebruik nodig heeft, vermits de eiser met zijn gezin in een huurwoning zit en zulks op verkorte termijn moet verlaten;
3. dat de eiser het perceelland en gebouw heeft gekocht met opname van een groot hypotheekschuld dat hij maandelijks moet aflossen;
4. dat voordat de eiser tot aankoop van het onroerend goed en woning overging de woning in kwestie door de gedaagde werd bewoond;
5. dat de eiser terstond nadat hij daarvan de eigenaar werd de gedaagde op de hoogte heeft gesteld en heeft de eiser de gedaagde alstoen aangezegd om de woning in kwestie gedurende 3 maanden kosteloos te bewonen en daarna zijn woning ter beschikking te stellen, omdat de eiser zulks zeer dringend voor eigen gebruik nodig heeft;
6. dat aanvankelijk de gedaagde wel had toegezegd de woning te verlaten, echter maakt hij thans geen aanstalten te verhuizen, terwijl de eiser zelf in woning nood verkeerd;
7. dat de eiser de gedaagde geen huur heeft gevorderd en betaald de gedaagde ook geen huur, althans maakt deze ook geheel geen beweging in die richting, zodat de gedaagde geacht moet worden geen goede eigenschappen te bezitten;
8. dat als de eiser als eigenaar van het erf en gebouw zich op het terrein voor onderhoud zich bevindt (lees: onderhoud bevindt), de gedaagde de eiser beledigd en zelfs bedreigd met ernstige mishandeling;
9. dat de eiser daarom de gedaagde aldaar niet langer kan handhaven en de ontbinding van de huurovereenkomst dan wel gebruiksovereenkomst, met ontruiming in rechte van de gedaagde wenst te vorderen, nu de gedaagde weigert inderminne zulks te doen;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep, zonder borgtocht, met uitzondering van de veroordeling omtrent de kosten:
a. de reeds vermelde huurovereenkomst zal worden ontbonden, althans voor ontbonden zal worden verklaard en b. gedaagde zal worden veroordeeld om binnen EEN MAAND na de uitspraak, althans binnen een door de Kantonrechter in deze bij vonnis te bepalen termijn, de woning gelegen te [district] aan [adres], bekend onder B.R.[nummer], met alle daarin van zijnentwege zich bevindende personen en goederen te ontruimen, te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van eiser te stellen, met machtiging op de eiser, dat indien de gedaagde ingebreke mocht blijven aan voormelde veroordeling te voldoen, zulks zelf te doen uitvoeren, desnoods met behulp van de Sterke Macht;
Alles met veroordeling van de gedaagde in de kosten van het geding;
Overwegende, dat de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie tot aanvulling van het rekest heeft genomen, in dier voege dat daarin alsvolgt worde aangevuld:
”dat punt 9 der eis alsvolgt moet worden gelezen t.w. ”dat de gedaagde in de woning in kwestie zonder recht of titel en zonder huurbetaling woonachtig is en derhalve de woning in kwestie zondermeer dient te ontruimen danwel te verlaten”;
”dat in het petitum de gevorderde punten a en b komen te vervallen, en derhalve wordt gevraagd, dat de gedaagde zal worden veroordeeld om binnen EEN MAAND na de uitspraak althans binnen een door de Kantonrechter in deze te bepalen termijn, de woning gelegen te [district] aan [adres], bekend onder B.R.[nummer], met alle daarin van zijnentwege zich bevindende personen en goederen te ontruimen, te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van de eiser te stellen, met machtiging op de eiser, dat indien de gedaagde weigeren mocht aan voormelde veroordeling te voldoen, zulks zelf te doen uitvoeren, desnoods met behulp van de Sterke Macht, kosten rechtens;
Overwegende, dat [gedaagde] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:
dat eiser niet zal worden ontvangen in zijn vordering de Kantonrechter althans hem deze zal ontzeggen als zijnde ongegrond en niet bewezen;
Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van eiser tevens een produktie overgelegd, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produktie hier als ingelast moet worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 20 november 1995 op de daarin opgenomen gronden: alvorens verder te beslissen een comparitie van partijen heeft gelast en iedere verdere beslissing heeft aangehouden;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen, zijn verschenen partijen in persoon die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd, waarna de Kantonrechter deze voor gesloten heeft verklaard;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 5 augustus 1996 op de daarin opgenomen gronden:
Voor ontbonden heeft verklaard de in het inleidend verzoekschrift gestelde huurovereenkomst;
Gedaagde heeft veroordeeld om binnen zeven (7) maanden na de uitspraak de litigieuze woning, gelegen te [district] aan [adres] bekend onder B.R.[nummer], met alle daarin van zijnentwege zich bevindende personen en goederen te ontruimen en te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van eiser te stellen;

Eiser heeft gemachtigd om indien gedaagde ingebreke mocht blijven het voormelde gehuurde te ontruimen, deze zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;
Dit vonnis tot zover vermeld sub B en C uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;
Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.474,25 (Vierhonderd en vier en zeventig 25/100 Gulden);
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [gedaagde] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 5 augustus 1996;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder J.E.KOLF van 13 maart 1997 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellant bij pleitnota een produktie overgelegd, terwijl de gemachtigde van geintimeerde bij dupliek pleidooi produkties heeft overgelegd; wordende de inhoud van de overgelegde produkties hier als ingelast beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating produkties heeft genomen, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 2 oktober 1998, doch na enige malen te zijn aangehouden nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het hoger beroep tijdig is ingesteld;
Overwegende, dat appellant enkele grieven tegen het beroepen vonnis heeft aangevoerd, die zich voor gezamenlijke
bespreking lenen;

Overwegende, dat uit het op 20 november 1995, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen uitgesproken tussenvonnis, blijkt dat geintimeerde toen eiser, alvorens voor eis te concluderen, een schriftelijke conclusie tot aanvulling van het inleidend verzoekschrift heeft genomen;
Overwegende, dat uit die, zich onder de processtukken bevindende, conclusie blijkt dat geintimeerde toen eiser het verzoekschrift, kort samengevat, aldus heeft gewijzigd:
– het 9e ”dat”, waarin, voor zoveel hier van belang, oorspronkelijk werd gesteld dat geintimeerde toen eiser de ontbinding van de huurovereenkomst dan wel gebruiksovereenkomst met ontruiming van appellant toen gedaagde wenste te vorderen, diende alsvolgt te worden gelezen, te weten: ”dat de gedaagde in de woning in kwestie zonder recht of titel en zonder huurbetaling woonachtig is en derhalve de woning zonder meer dient te ontruimen dan wel te verlaten”;
– punt a (te weten de vordering tot ontbondenverklaring van de gestelde huurovereenkomst) en punt b (de vordering om gedaagde te veroordelen tot ontruiming van de woning aan [adres] B.R. [nummer]) van het petitum vervielen en werden vervangen door een vordering om, kort gezegd, gedaagde te veroordelen bovenvermelde woning te ontruimen;
Overwegende, dat niet is gesteld of gebleken dat appellant toen gedaagde bezwaar heeft gemaakt tegen deze wijziging;
Overwegende, dat, voor zover appellant erover klaagt dat de Kantonrechter in het beroepen vonnis onderdeel a van het petitum ten onrechte heeft toegewezen door ”de in het inleidend verzoekschrift gestelde huurovereenkomst” voor ontbonden te verklaren, die klacht gegrond is;
Overwegende immers, dat door de wijziging van het verzoekschrift dit petitumonderdeel niet meer ter beslissing stond;
Overwegende, dat het Hof ervan uitgaat dat de opneming van de ontbondenverklaring in het beroepen vonnis op een misverstand berust;
Overwegende, uit het proces-verbaal van de door de Kantonrechter bevolen en op 25 juli 1996 gehouden comparitie van partijen blijkt dat de klacht van appellant dat, anders dan in het beroepen vonnis is vermeld, niet hij maar de Kantonrechter een ontruimingstermijn heeft, gegrond is;
Overwegende, dat in het beroepen vonnis is overwogen dat gedaagde thans appellant de stellingen van eiser thans geintimeerde ter comparitie heeft erkend;
Overwegende, dat appellant dit laatste betwist en een dergelijke erkenning in bovengenoemd procesverbaal weliswaar niet met zoveel woorden voorkomt, maar het Hof uit de bewoordingen van de betreffende rechtsoverweging afleidt dat het hier gaat om hetgeen de Kantonrechter zelf tijdens de comparitie heeft waargenomen;
Overwegende, dat hiervoor te meer reden is, nu appellant toen gedaagde, (a) nadat geintimeerde toen eiser een notariele transportakte d.d. 30 november 1993 had overgelegd, waaruit blijkt dat appellant het betreffende perceel heeft gekocht van iemand die het, kennelijk in het kader van de executie, op een openbare veiling had gekocht en toegewezen had gekregen, het nietszeggende verweer heeft gevoerd dat hij zijn perceel aan niemand heeft verkocht en (b) zich met betrekking tot de voorgestelde ontruimingstermijn aan het oordeel van de Kantonrechter heeft gerefereerd, nadat hij, naar uit meergenoemd proces-verbaal blijkt, over het voorstel overleg met zijn raadsman had gepleegd;
Overwegende, dat appellant’s betwisting dat hij de stellingen van eiser thans geintmeerde ter comparitie heeft erkend dan ook wordt verworpen;
Overwegende, dat de overige grieven in het bovenstaande reeds hun bespreking hebben gevonden en het vonnis waarvan beroep, voor zover daarin de ”in het inleidend verzoekschrift gestelde huurovereenkomst” ontbonden is verklaard dient te worden vernietigd en voor het overige dient te worden bevestigd;
Overwegende, dat nu partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, het Hof de in hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen in voege als hieronder te vermelden zal compenseren;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 5 augustus 1996 tussen partijen uitgesproken vonnis, waarvan beroep, voor zover daarin de ”in het inleidend verzoekschrift gestelde huurovereenkomst” ontbonden is verklaard;
Bevestigt dit vonnis voor het overige;
Compenseert de in hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaten van partijen elk op f.750,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, Fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter Openbare terecht-zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 7 mei 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.
w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.E.S.OMBRE

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.ESSED namens zijn gemachtigde, advokaat
Mr.E.C.M. HOOPLOT en geintimeerde vertegenwoordigd door advo-kaat Mr.Dr.C.D.OOFT namens zijn gemachtigde advokaat, Mr.M.R.CARRILHO, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1994-13

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 27 mei 1994

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, A.C. Veldema en O.W. Abendanon)

[verzoeker], ambtenaar, wonende te [district], ten deze domicilie kiezende aan de Grote Combéweg no. 25-27 ten kantore van Mr. A.L. TJON KWAN PAW, advokaat, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het MINISTERIE VAN ARBEID, ten deze vertegenwoordigd wordende door de heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, advokaat Mr. F. KRUISLAND, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend Vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 27 augustus 1993 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormelde vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat verzoeker in de enquête drie getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de enquête zijdens verzoeker hierna gesloten is verklaard;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder heeft afgezien van contra-enquête;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden enquête heeft genomen, onder overlegging van produkties;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden enquête en tot uitlating produkties heeft genomen;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 18 maart 1994, nader op 10 juni 1994, doch bij vervroeging op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

IN DE ZAAK A-294:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij zijn interlocutoir vonnis, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 27 augustus 1993;

Overwegende, dat het Hof verzoeker niet geslaagd acht in het van hem verlangde bewijs, hem opgedragen bij ’s Hofs voormeld interlocutoir vonnis, hebbende het Hof dat bewijs niet kunnen putten uit de verklaringen der aan de zijde van verzoeker gehoorde getuigen;

Overwegende, dat het ten Hove duidelijk gebleken is, dat het de bedoeling van verweerder is, verzoeker te ontlasten van de [waarnemingsfunctie], met intrekking tevens tot de aan hem in verband met de waarneming van voormelde funktie toegekende toelagen;

Overwegende, dat ten processen als onbetwist rechtens is komen vast te staan, dat de gewraakte resolutie van 23 augustus 1992 Bureau [nummer], op 28 september 1992 door verzoeker is ontvangen;

– dat verweerder deze resolutie heeft doen terugwerken te rekenen van 4 november 1991;

– dat het Hof zulks in strijd acht met het bepaalde in artikel 6 van de Personeelswet (P.W.);

– dat verweerder weliswaar heeft doen stellen, dat verzoeker in elk geval sedert 4 november 1991 de [funcktie] niet meer feitelijk en effectief waarnam, zodat voormelde resolutie in overeenstemming is met de werkelijkheid;

Overwegende, dat het Hof zich dan afvraagt, waarom het zo lang moest duren (23 augustus 1992), – bijna tien maanden na 4 november 1991 – voordat verweerder de gewraakte resolutie heeft doen nemen en uitgaan (door verzoeker ontvangen op 28 september 1992);

– dat nu verweerder, naar ’s Hoven oordeel, geen steekhoudende argumenten heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van die late uitvaardiging van voormelde resolutie, het Hof de ontlasting van verzoeker acht te zijn ingegaan op 28 september 1992;

– dat de vordering van verzoeker, verweerder te veroordelen de gewraakte resolutie van 23 augustus 1992 in te trekken en de ontlasting van verzoeker te doen ingaan met ingang van de dag waarop het besluit te zijner kennis is gebracht, zijnde 28 september 1992, toewijsbaar is;

Overwegende, dat het Hof, met inachtneming van het bepaalde in artikel 82 lid 3 van de Personeelswet, de verweerder zal veroordelen de gewraakte resolutie van 23 augustus 1992 in te trekken en opnieuw besluitende, de ontlasting van verzoeker van de [waarnemingsfunctie] te doen ingaan per 28 september 1992; een en ander in voege als na te melden;

IN DE ZAAK A-295:

Overwegende, dat het Hof – voorzover van belang – hier overneemt, hetgeen bereids hierboven in de zaak A-294 werd overwogen en voorts;

– dat in de onderhavige zaak verzoeker onder meer een dwangsom van f. 500,– (VIJFHONDERD GULDEN) voor iedere dag waarop verweerder in gebreke blijkt om aan de uitvoering van het vonnis ex artikel 82 lid 3 van de Personeelswet gevolg te geven (vide A-294), heeft gevorderd, welke vordering het Hof (eveneens) toewijsbaar acht;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

IN DE ZAAK A-294:

Veroordeelt verweerder om binnen EEN MAAND na betekening van dit vonnis, de resolutie van 23 augustus 1992 Bureau [nummer] in te trekken en een nieuwe resolutie te nemen en te doen uitgaan ter uitreiking aan verzoeker, behelzende onder meer, dat de ontlasting van verzoeker van de [waarnemingsfunctie] ingaat op 28 september 1992 (instede van 4 november 1991);

Wijst af het meer of anders gevorderde door verzoeker;

IN DE ZAAK A-295:

Veroordeelt verweerder om aan verzoeker te betalen, bij wege van dwangsom, het bedrag van f. 500,– (VIJFHONDERD GULDEN) voor iedere dag waarop verweerder nalatig blijft – binnen EEN MAAND na betekening van dit vonnis – de resolutie van 23 augustus 1992 in te trekken en deze te doen vervangen door een nieuwe, als bedoeld in de zaak A-294 hierboven vermeld;

Wijst af het meer of anders gevorderde door verzoeker.

SRU-HvJ-1994-12

Hof van Justitie

27 mei 1994, G.R. 13421

(Mrs. J.R. von Niesewand, A.I. Ramnewash, W.R. Willemzorg)

[appellant], wonende aan [adres 1] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt mr. J.C. Nannan Panday, advocaat, appellant in kort geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres 2] in [district], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. H. Mungra, advocaat,

geïntimeerde in kort geding.

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis in kort geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 12 juli 1993 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 22 juli 1993, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiser de navolgende vordering in kort geding wenst in te stellen tegen [geïntimeerde], wonende aan [adres 2] in [district], gedaagde;

2. dat gedaagde na daartoe van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 1 maart 1993 bekomen verlof naderhand op 10 maart 1993 bij exploit [nummer] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, Ch. Balgobind conservatoir derden beslag heeft gelegd op alle gelden, geldswaarden en/of salaris, die de derde gearresteerde te weten, de Staat Suriname verschuldigd mocht zijn of worden aan eiser, of onder hare berusting van hem mocht hebben of verkrijgen;

3. dat voormeld beslag gelegd werd ter verzekering en om betaling te verlangen van een som van Sf. 54.000,– op welk bedrag gedaagde zijn vordering met renten en kosten heeft begroot;

4. dat eiser ontkent ook maar een cent uit welke hoofde dan ook aan gedaagde verschuldigd te zijn;

5. dat opvallend is dat de Kantonrechter beschikking heeft verleend om het bedoelde beslag te doen leggen terwijl gedaagde bij zijn beslagrekest van februari 1993 op geen enkele wijze zijn pretense vordering zelfs summier heeft kunnen aantonen;

6. dat wijders eiser van mening is dat de Kantonrechter niet mocht overgaan tot het verlenen van die beschikking, aangezien van de pretense vordering op geen enkele wijze ook maar enig spoor is te traceren in het rekest;

7. dat eiser geheel onkundig was van de tegen hem ingebrachte civiele vordering, welke ter griffie der Kantongerechten, bekend staat onder A.R. No. 930780; Noch een betekening van het bedoelde beslag noch de oproep had eiser ooit bereikt,

8. dat eiser onlangs op de hoogte kwam van het gelegde derden beslag ten laste van zijn salaris toen hij zijn loon in ontvangst wenste te nemen bij het Ministerie van Justitie en Politie alwaar hij als ambtenaar werkzaam is;

9. dat vanwege het gelegde beslag eiser opeens in grote financiële problemen is komen te verkeren aangezien hij uit zijn salaris niet alleen zichzelf, doch ook zijn gezin en zijn behoeftige ouders moet onderhouden terwijl hij daarnaast niet langer in staat is om de vaste maandelijkse lasten van de telefoon-, electra-, waterrekening en andere uitgaven te voldoen en het gevaar dreigend aanwezig is dat binnenkort de telefoon-, electra- en waterlevering zullen worden stopgezet indien de rekeningen niet tijdig voldaan worden;

10. dat eiser niet over spaarcenten beschikt om eventuele financiële schikken of plotselinge calamiteiten het hoofd te kunnen bieden, noch minder om thans op normale wijze in het bedoelde levensonderhoud te voorzien en het gezin in een hopeloze situatie verkeert;

11. dat eiser zich vaker gewend heeft tot gedaagde teneinde in der minne opheffing te verkrijgen van het bedoelde beslag, doch is laatstgenoemde daartoe in gebreke gebleven;

12. dat eiser derhalve recht en belang heeft om de rechter thans in de kort-geding-procedure te adiëren, aangezien een voorziening bij voorraad dringend gewenst is;

13. dat deze zaak er een is van onverwijlde spoed die geen verder uitstel gedoogt weshalve de behandeling ervan in kort geding gerechtvaardigd is;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

– dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld om binnen 1 dag na het in deze te wijzen vonnis over te gaan tot opheffing van het conservatoir derden beslag gelegd onder de Staat Suriname op 10 maart 1993 bij exploit [nummer] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, Ch. Balgobind welk beslag gelegd is op alle gelden, geldswaarden en/of salarissen van eiser en wel op straffe van een dwangsom van Sf. 10.000,– per dag indien gedaagde weigeren mocht om aan het in deze te geven vonnis te voldoen, kosten rechtens;

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

– dat eiser in zijn vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard, althans deze hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in kort geding van 12 juli 1993 op de daarin opgenomen gronden:

De gevraagde voorzieningen heeft geweigerd;

Eiser heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in kort geding van 12 juli 1993;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M. Sitaram van 15 januari 1994 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat appellant tegen het beroepen vonnis de navolgende grieven heeft ontwikkeld:

– Ten onrechte heeft de lagere rechter overwogen dat geïntimeerde in zijn conclusies van antwoord en dupliek omstandig heeft aangegeven en toegelicht op welke wijze de vordering van geïntimeerde is ontstaan;

– Ten onrechte heeft de lagere rechter de stelling van geïntimeerde dat appellant geen zekerheid heeft gesteld voor de vordering, overgenomen en het beslag niet opgeheven;

Overwegende, dat appellant voormelde grieven heeft toegelicht, wordende een en ander als in dit vonnis letterlijk herhaald en geïnsereerd aangemerkt;

Overwegende, dat het Hof, alvorens voormelde grieven te bespreken, opmerkt, dat wat appellant in diens ”pleitnota aanduidt als ”Grief III” en ”Grief IV” de iure geen grieven zijn vermits appellant in die ”grieven” geen bezwaren doet gelden tegen de beslissing van de Kantonrechter, doch in die ”grieven” feiten herhaalt die hij aan zijn vordering tot opheffing van het te zijnen laste en ten behoeve van geïntimeerde onder de Staat Suriname bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, Ch. Balgobind, d.d. 10 maart 1993 [nummer] gelegd conservatoir derden beslag eerder heeft ten grondslag gelegd;

Overwegende, dat het Hof zich dan ook tot bespreking van de twee tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven, hiervoren aangehaald, zal beperken, waartoe gelijk wordt overgegaan;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 599, lid 1 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, iedere schuldeiser uit kracht van authentieke of onderhandse bescheiden bevoegd is beslag te doen leggen onder handen van derden op gelden en goederen aan zijn schuldenaar verschuldigd of toebehorende of zich tegen afgifte daarvan te verzetten, behoudens het geval, in de tweede afdeling van de tweede titel des tweeden boeks vermeld, terwijl ingevolge het 2e lid de Kantonrechter van de woonplaats van de schuldenaar, en zelfs die, binnen wiens rechtsgebied derden, onder welke zich gelden en goederen bevinden, woonachtig zijn, bevoegd is op een verzoekschrift verlof te geven tot het leggen van arrest, indien bescheiden niet bestaan;

Overwegende, dat uit de zinsnede “indien bescheiden niet bestaan” volgt, dat de Kantonrechter niet de taak heeft de aanspraak van de crediteur, diepgaand te onderzoeken;

“summierlijk”, aldus de wetgever, gaat hij na of de hem door de crediteur verstrekte gegevens en informaties hem voldoende geloofwaardig en betrouwbaar voorkomen (vgl. Doek c.s. aant. 3 op art. 727 Rv.);

Overwegende, dat het Hof in navolging van genoemde schrijvers dan ook aanneemt, nu er geen bescheiden zijn, dat de Kantonrechter, voordat hij het door geïntimeerde gevraagde verlof tot beslaglegging gaf, summierlijk is nagegaan of de hem door geïntimeerde verstrekte gegevens en informaties hem voldoende geloofwaardig en betrouwbaar voorkwamen en, na zulks wel te hebben bevonden, er toe is overgegaan het gevraagde verlof te verlenen;

Overwegende, dat naar ‘s Hoven voorlopig oordeel dan ook niet gezegd kan worden dat de vordering van geïntimeerde ondeugdelijk is althans (achteraf) niet blijkt te bestaan;

Overwegende, dat de eerste grief dan ook in zoverre ongegrond te achten is;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat appellant onder de grieven omstandigheden slechts dan opheffing van het gelegde conservatoir derden beslag zou kunnen bekomen indien hij genoegzaam zekerheid had gesteld, welke zekerheid hij evenwel niet heeft gesteld;

Overwegende, dat het door appellant aan de Kantonrechter in zijn tweede grief gedane verwijt, dan ook onterecht is;

Overwegende, dat nu geen der grieven tot vernietiging van het beroepen vonnis kan leiden, terwijl het Hof ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, dient dat vonnis te worden bevestigd;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding

Bevestigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 12 juli 1993 tussen partijen in kort geding gewezen, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen.

SRU-HvJ-1994-11

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 10 juni 1994
(Mrs. A.C. Veldema, E.S. Ombre en A.I. Ramnewash)

[verzoekster], gehuwd [naam 1], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, advokaat Mr. B.A. HALFHIDE, verzoekster,

tegen

DE STAAT SURINAME, voor wie als gemachtigde optreedt, advokaat Mr.Dr. C.D. OOFT, verweerder.

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster], gehuwd [naam 1], zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoekster wenst de navolgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, zetelende te Paramaribo, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 52-54, verweerder;

2. Verzoekster is op 16 juli 1985 als arbeidscontractant, in de zin van artikel 1 lid 1 van de Personeelswet (S.B. 1985 no. 41), als tandarts bij verweerder in dienst getreden en te werk gesteld bij het Ministerie van Leger en Politie, t.w. de Militaire Geneeskundige Dienst, als [functie].

De litigieuze arbeidsovereenkomst van 28 oktober 1985 en de daarbij behorende resolutie van de President van de Republiek Suriname van 24 oktober 1985, Bur. [nummer 1], worden hierbij in fotocopie overgelegd;

3. Verzoekster is tezamen met haar echtgenoot, [naam 2], door DE STAAT SURINAME vanuit Nederland aangetrokken. In de pre-contractuele fase, althans de periode voorafgaande aan bovengenoemde arbeidsovereenkomst, is aan verzoekster voorgehouden dat zij dezelfde rechtspositie zou krijgen als de overige medici, te werk gesteld bij de Militaire Geneeskundige Dienst.

Tevens werd haar in het vooruitzicht gesteld dat zij kon rekenen op een verhoging van de toelage van haar maandelijks inkomen, aangezien het Ministerie van Leger en Politie, thans Ministerie van Defensie, doende was deze toelage voor alle artsen van de Militaire Geneeskundige Dienst op te trekken wegens het niet uitoefenen van een particuliere praktijk.

Verzoekster legt ten bewijze hiervan een brief van de Minister van Leger en Politie d.d. 15 november 1984 aan de Minister van Transport, Handel en Industrie ter zake over, met het verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen.

(Verzoekster haar sollicitatie liep namelijk mee met een sollicitatie van haar echtgenoot bij het Ministerie van Transport, Handel en Industrie);

4. De Raad van Ministers heeft bij zijn vergadering van 28 februari 1991 besloten om de toelage van artsen, werkzaam bij de Militaire Geneeskundige Dienst te verhogen tot, althans aan deze artsen naast de bezoldiging een toelage toe te kennen van Sf. 7.000,– per maand, te rekenen vanaf de datum van indiensttreding.

Dit besluit is neergelegd in de missive van de Vice-President van 8 maart 1991, [nummer 3] RvM, waarvan hierbij een fotocopie wordt overgelegd;

5. Verzoekster heeft moeten ervaren dat de verhoging van de toelage haar door DE STAAT SURINAME, althans door de Minister van Defensie is onthouden, terwijl deze wel aan collega-artsen bij de Militaire Geneeskundige Dienst is toegekend.

Verzoekster heeft bij brieven van 28 augustus 1991, 6 januari 1992 en van 15 juli 1992, welke hierbij in fotocopie worden overgelegd, aangedrongen op het aan haar uitkeren van voormelde verhoogde toelage;

6. Verzoekster heeft vervolgens, aangezien in eerste instantie het Ministerie van Defensie haar brieven onbeantwoord liet, bij schrijven van 20 augustus 1992 zich tot de President van de Republiek Suriname gericht.

Voormeld schrijven wordt hierbij in fotocopie overgelegd;

7. De Militair-Directeur van het Ministerie van Defensie heeft bij schrijven van 2 september 1992 negatief beslist op het verzoek van verzoekster om de verhoging van de toelage eveneens aan haar te doen uitkeren. De President van de Republiek Suriname heeft dit besiuit alsmede de motivering daarvan overgenomen en dit tot de zijne gemaakt, hetwelk aan verzoekster is medegedeeld door de Directeur van zijn Kabinet bij diens schrijven van 21 september 1992.

Beide brieven worden hierbij in fotocopie overgelegd, met het verzoek, de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.

8. De arbeidsovereenkomst tussen verzoekster en verweerder is op 30 april 1991, na opzegging door verzoekster, beëdigd;

9. Verzoekster kan zich niet verenigen met het besluit van de President van de Republiek Suriname, vervat in het schrijven van de Directeur van het Kabinet van de President van 21 september 1992.

Dit besluit is verzoekster overigens niet ter kennis gebracht op de wijze als voorgeschreven in artikel 5 van de Personeelswet, doch heeft haar via de post bij niet-aangetekend schrijven bereikt;

10. Verzoekster komt tegen voormeld besluit van de President van de Republiek Suriname bij Uw Hof in beroep, als zijnde in strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

11. Verweerder heeft eerstens in de pre-contractuele fase bij verzoekster de verwachting gewekt dat haar rechtspositie dezelfde zou zijn als van de overige medici (artsen) bij de Militaire Geneeskundige Dienst en dat zij in aanmerking zou komen voor de verhoging van de toelage, die voor hen in het verschiet lag.

(Vide: eerder overgelegde brief van de Minister van Leger en Politie van 15 november 1984).

Verweerder heeft, met het onthouden van de verhoging van danook ernstig beschaamd;

12. Verzoekster wenst er tweedens op te wijzen dat er motivering van het besluit van de President van de Republiek Suriname van 21 september 1992, zijnde analoog aan de motivering van het besluit van de Militair-Directeur van het Ministerie van Defensie terzake, ondeugdelijk is, althans dit besluit niet kan dragen.

Het is overduidelijk dat voor de Raad van Ministers bij het vaststellen van de hoogte van de toelage aan artsen, werkzaam bij de Militaire Geneeskundige Dienst, de maatstaven van het Staatsziekenfonds slechts richtinggevend zijn geweest.

(De toelage heeft namelijk rechtstreeks te maken met gemist inkomen, wegens het niet uitoefenen van een particuliere praktijk). Het is bepaaldelijk niet zo dat deze toelage iets uit te staan heeft met een overeenkomst van artsen althans tandartsen danwel specialisten met het Staatsziekenfonds.

Ten overvloede: de artsen, werkzaam bij de Militaire Geneeskundige Dienst, aan wie de verhoging wel is uitgekeerd, hebben geen overeenkomst met het Staatsziekenfonds.

Bij de motivering van het besluit zijn danook twee rechtsmomenten, waarbij weliswaar het Staatsziekenfonds om de hoek komt kijken, maar die voor de rest niets met elkaar uit te staan hebben, met elkaar verward;

13. Het besluit tot het niet toekennen van de verhoging van de toelage aan verzoekster is derdens strijdig met het gelijkheidsbeginsel, zijnde de zwaarte van de vooropleiding van verzoekster alsmede haar functie bij de Militaire Geneeskundige Dienst immers vergelijkbaar met die van de artsen werkzaam bij deze Dienst, die wel voor de verhoging van de toelage in aanmerking zijn gekomen, althans er zijn geen verschillen die in redelijkheid een afwijkende behandeling zouden rechtvaardigen.

Verzoekster, van beroep tandarts, heeft daarenboven, evenals de artsen, tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst inkomsten uit een particuliere praktijk moeten missen.

Het argument dat tot de verhoging van de toelage heeft geleid geldt danook eveneens voor haar;

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. het besluit van de President van de Republiek Suriname tot het niet aan verzoekster toekennen van de verhoogde toelage, overeenkomstig het besluit van de Raad van Ministers van 28 februari 1991, neergelegd in de missive van de Vice-President van 8 maart 1991, [nummer 3] RvM, zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;

II. Verweerder zal worden veroordeeld om aan verzoekster bij wegen van schadevergoeding, voor de duur van de arbeidsovereenkomst, zijnde van 16 juli 1985 tot en met 30 april 1991, alsnog een verhoogde toelage uit te betalen overeenkomstig het bepaalde terzake in de missive van de Vice-President van 8 maart 1991 [nummer 3] RvM;

III. Verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Overwegende, dat van DE STAAT SURINAME binnen de bij de Wet gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarin als verweer wordt aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen hierna niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend, en biedt bewijs aan door alle middelen rechtens, in het bijzonder door getuigen, echter zonder gehoudenheid daartoe;

2. Verweerder kan erkennen dat verzoekster arbeidscontractant bij DE STAAT is geweest en als zodanig als landsdienaar in 1985 te werk was gesteld bij het Ministerie van Leger en Politie;

3. Ten aanzien van het gestelde in het 3e sustenu van het Inleidend request van verzoekster, dat haar was ”voorgehouden” dezelfde rechtspositie te zullen verkrijgen als haar man en verder ”in het vooruitzicht was gesteld een verhoogde maandelijkse toelage te zullen ontvangen”, wenst verweerder te verwijzen naar de door verzoekster zelf overgelegde Arbeidsovereenkomst van 28 oktober 1985, door haar en een orgaan van verweerder overeengekomen en getekend, waar in artikel VI der slotbepalingen:

”De werkneemster verklaart dat haar geen andere toezeggingen of beloften zijn gedaan dan die in deze overeenkomst zijn vervat”.

Deze slotbepaling in een arbeidsovereenkomst als deze, is bewust daarin opgenomen ter voorkoming van geschillen en procedures, zoals thans door verzoekster aan het Hof van Justitie oordelend in Ambtenarenzaken, ter beoordeling is voorgelegd;

Reeds op grond van dit contract en de slotbepaling daarin, dient verzoekster in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, althans deze vordering niet te worden toegewezen;

Vermeldenswaard is hierbij, dat hetgeen pre-contractueel door de ene partij aan de andere partij wordt ”voorgehouden” of ”in het vooruitzicht wordt gesteld” nog geen toezegging is als bedoeld in het leerstuk van de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, bij schending waarvan mogelijkerwijs een onrechtmatige daad zou kunnen ontstaan.

Van een harde belofte of een echte bindende toezegging is hier geen sprake; nog daargelaten dat verzoekster in volle bewustzijn zelf van elke pre-contractuele belofte of toezegging afstand heeft gedaan door bijzonder duidelijk, als werkneemster, de overeenkomst van 28 oktober 1985 te signeren;

4. Ten overvloede wenst verweerder er nog op, dat de zogenaamde toezeggingen pas inhoud konden krijgen wanneer deze door het daartoe bevoegd grondwettelijk orgaan zouden zijn goedgekeurd.

Dit blijkt ook uit het zogenaamde bewijsstuk dat door verzoekster wordt overgelegd, te weten de brief van 15 november 1984 [nummer 2] van de Minister van Leger en Politie aan de Minister van Transport, Handel en Industrie (T.H.I.);

Eerstens is de inhoud van de brief niet als een toezegging gericht aan verzoekster, maar aan een lid van de Raad van Ministers.

Tweedens deelt daarin de Minister van Leger en Politie mee, dat er een Raadsvoorstel zal worden ingediend.

Het wachten was dus op de eventuele goedkeuring van de Raad van Ministers, welke goedkeuring voor wat [verzoekster] betreft, is uitgebleven om redenen welke hieronder nader worden uitgewerkt;

Deze bijlage (brief van Minister van Leger en Politie d.d. 15 november 1984 [nummer 2]), om te dienen om de zogenaamde ”toezegging te onderbouwen”, is daartoe niet geschikt;

Naast de verwerping van verzoeksters eis op de grondslag als hierboven aangegeven, wil verweerder nog vastleggen dat de toegekende toelage die in 1991 aan artsen werkzaam bij de Militaire Geneeskundige Dienst, werd uitgekeerd de jure op [verzoekster] niet van toepassing kon zijn omdat zij:

A. geen gewone huisarts is, maar tandarts specialist;

B. geen eigen poli-kliniek had, waarnaar toe door het Staatsziekenfonds ad hoc patiënten konden worden verwezen;

C. en zij als specialist geen werkrelatie (overeenkomst) had met het Staatsziekenfonds, en derhalve tot gelding kwam het contractueel onder artikel I sub g van de schriftelijke overeenkomst tussen partijen opgenomen bepaling luidende:

”Indien (dus pas wanneer) met het S.Z.F. een specialistenovereenkomst wordt aangedaan, zal werkneemster aanspraak maken op een nog vast te stellen percentage van de bij het S.Z.F. gedeclareerde- en betaalbaar gestelde vergoedingen”.

Het besluit van de President heeft in ieder geval verzoekster, die inmiddels in [land] praktiseert, wel bereikt;

Naar het oordeel van verweerder is het besluit juist.

Aan het besluit kleeft geen enkel gebrek met name niet de in het request aangegeven gebreken (schending), zoals in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur in het bijzonder niet met het gelijkheidsbeginsel en niet met het nakomen van gedane toezeggingen (12e en 13e sustenu);

dat verzoekster op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering c.q. haar deze zal worden ontzegd, alszijnde ongegrond, niet op de Personeelswet steunende en niet bewezen.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoekster als toenmalig contractante, tandarts, vallende onder Personeelswet als gewezen ambtenaar moet worden beschouwd;

Overwegende, met betrekking tot de ontvankelijkheid van verzoekster:

dat op grond van het vorenoverwogene en aangezien het aangevallen besluit op 5 september 1992 is genomen en het verzoekschrift op 21 oktober 1992 ter Griffe van het Hof is ingediend naar ’s Hoven oordeel verzoekster ontvankelijk is in haar vordering;

Overwegende, dat verzoekster aan haar vordering ten grondslag legt één schrijven d.d. 15 november 1984 [nummer 2] aan de Minister van Transport, Handel en Industrie gericht door de Minister van Leger en Politie en voorts de missive van de Vice-President d.d. 8 maart 1991 welker inhoud geacht hier te zijn opgenomen;

Overwegende, dat verzoekster op grond hiervan vordert onder meer:

dat het besluit van de President van de Republiek Suriname tot het niet aan verzoekster toekennen van de verhoogde toelage, overeenkomstig het besluit van de Raad van Ministers van 28 februari 1991, neergelegd in de missive van de Vice-President van 8 maart 1991, [nummer 3] RvM, te vernietigen, althans nietig te verklaren;

Verweerder te veroordelen om aan verzoekster bij wege van schadevergoeding, voor de duur van de arbeidsovereenkomst, zijnde van 16 juli 1985 tot en met 30 april 1991, alsnog een verhoogde toelage uit te betalen overeenkomstig het bepaalde terzake in de missive van de Vice-President van 8 maart 1991 [nummer 3] RvM;

Overwegende, dat verweerder als verweer tegen deze vordering heeft aangevoerd, dat uit de overgelegde arbeidsovereenkomst op 28 oktober 1985 door verzoekster en een orgaan van verweerder overeengekomen ondermeer staat vermeld ”de werkneemster verklaart dat haar geen andere toezeggingen of beloften zijn gedaan dan die in deze overeenkomst zijn vervat”; dit ter voorkoming van procedures;

met conclusie dat het Hof verzoekster in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat nu de rechtsverhouding door deze overeenkomst wordt beheerst waarin ondubbelzinnig is opgenomen de door verweerder aangehaalde slotbepaling met betrekking tot toezeggingen en beloften verzoekster niet met recht een beroep kan doen op één op 15 november 1984 gericht schrijven tussen twee organen van verweerder, inhoudende omdat een voorstel aan de Raad van Ministers zal worden gedaan verzoekster aan te trekken, welks voorstel ook gehonoreerd is geworden en geleid hebbende tot het aangaan van eerder bedoelde arbeidsovereenkomst;

Overwegende, dat het Hof verder van oordeel is dat gezien de strekking van de brief van 15 november 1984 daarin U duidelijk als richtlijn is aangehouden de verhouding tussen de artsen werkzaam voor het S.Z.F. en het S.Z.F., met betrekking tot het doen aanvragen van toelages voor de M.G.D.-artsen;

Overwegende, dat aangezien noch uit de stellingen van verzoekster noch uit het door het Hof gehouden verhoor van partijen, kan worden geput dat aan andere tandartsen bij de M.G.D. de toelage als vervat in de missive van de Vice-President is toegekend of dat de S.Z.F. met andere tandartsen een overeenkomst zou hebben gesloten, verzoekster hiervan uitsluitend door gemelde arbeidsovereenkomst met verweerder gesloten, die aanleiding zou kunnen geven haar, verzoekster, een toelage toe te kennen, zodat verzoekster onterecht zich erop beroept dat het gelijkheidsbeginsel niet zou zijn toegepast;

Overwegende, dat het Hof op grond van het vorenoverwogene verzoeksters vordering als ongegrond haar zal ontzeggen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Ontzegt verzoekster van haar vordering.

 

SRU-HvJ-1999-24

H.M.
GENERALE ROL NO.14074.

[appellant], echtgenoot van [geïntimeerde], wonende te [district 1] aan [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.A.R.BAARH, advokaat,appellant,

tegen

[geïntimeerde], echtgenote van eiser voornoemd rechtens wonende ten huize van haar echtgenoot, doch feitelijk verblijfhoudende aan [adres 2] in [district 2], voor wie als gemachtigde optrad,
Mr.P.E.BEMMEL, die thans vervangen wordt door advokaat Mr.Dr.J.V.VAN DIJK-SILOS, advokaat,
geïntimeerde,
De Vice-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van respectievelijk van 27 oktober 1992 en 28 februari 1995 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 4 december 1995, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. dat eiser blijkens eerder overgelegde huwelijksakte op 26 maart 1964 in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd met [geïntimeerde], wonende aan [adres 2] in [district 2], gedaagde;

2. dat uit voormeld huwelijk der partijen o.m. is geboren het navolgende thans nog in leven zijnde minderjarige kind met de namen [naam 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag];

3. dat eiser staande het huwelijk heeft moeten ervaren dat gedaagde met andere mannen, althans met een andere man dan eiser vleselijke gemeenschap heeft gehad en zich derhalve aan overspel heeft schuldig gemaakt;

4. dat eiser voorts heeft moeten ondervinden dat gedaagde de echtelijke woning kwaadwillig heeft verlaten en zij haar intrek gedurende enige maanden bij een andere man dan eiser heeft genomen;

5. dat op grond van voormelde feiten eiser gerechtigd is een vordering tot echtscheiding subsidiair scheiding van tafel en bed tegen gedaagde in te stellen waartoe hij verlof van de Kantonrechter heeft bekomen bij beschikking d.d. 23 april 1992;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis de echtscheiding subsidiair scheiding van tafel en bed zal worden uitgesproken tussen partijen gehuwd op 26 maart 1976, met alle wettelijke gevolgen van dien, met bepaling van plaats en tijd waar en waarop het verhoor als bedoeld bij art.282 Sur B.W. subsidiair art.299 zal worden gehouden;
Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:
dat eiser niet ontvankelijk zal worden verklaard dan wel hem de vordering zal worden ontzegd als zijnde niet gegrond en niet bewezen, Kosten rechtens;
Overwegende, dat de gemachtigde van eiser bij mondelinge conclusie van repliek heeft gepersisteerd bij zijn stellingen en bewijs heeft aangeboden;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 27 oktober 1992 op de daarin opgenomen gronden:

Alvorens verder te beslissen;
Eiser heeft toegelaten hem ambtshalve heeft bevolen om door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen:
Hetgeen is gesteld in het 3e en 4e ”dat” van het inleidend rekest;
en iedere verdere uitspraak heeft aangehouden;
Overwegende, dat ten dage bepaald voor enquête zijdens eiser, zijn verschenen, partijen in persoon en twee getuigen die hebben verklaard, gelijk in het daarvan opgemaakt hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat ten dage voor beraad intrekking peremptoir, er geen conclusie is genomen;
Overwegende, dat ten dage bepaald voor conclusie na gehouden enquête zijdens eiser peremptoir, de gemachtigde van eiser heeft afgezien van het nemen van een conclusie;
Overwegende, dat ten dage bepaald voor conclusie na gehouden enquête zijdens gedaagde, er geen conclusie is genomen;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 28 februari 1995 op de daarin opgenomen gronden:
Eiser zijn vordering heeft ontzegd;
Eiser heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.nihil;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 28 februari 1995;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Debipersad Hieralal d.d. 11 juni 1998 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 2 oktober 1998 advokaat Mr.S.Mangroelal namens advokaat Mr.P.E.Bemmel het Hof heeft mede gedeeld dat advokaat Mr.P.E.Bemmel zich als gemachtigde van geintimeerde aan de zaak heeft onttrokken, en dat advokaat Mr.J.V.Van Dijk-Silos zich als gemachtigde van geintimeerde heeft gesteld;
Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van geintimeerde bij antwoord pleidooi een produktie overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat naar uit het procesdossier blijkt, de Kantonrechter in het Eerste Kanton bij tussenvonnis van 27 oktober 1992 appellant heeft toegelaten c.q. bevolen door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen hetgeen is gesteld in het 3e en 4e ”dat” van het inleidend rekest; dat appellant ten dage daarvoor bepaald twee getuigen heeft doen horen, te weten [naam 2] en [naam 3], die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt proces-verbaal de dato 2 augustus 1993 is gerelateerd, wordende de verklaring van elk der genoemde getuigen als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd aangemerkt; dat de Kantonrechter bij vonnis van 28 februari 1995 appellant zijn vordering heeft ontzegd, na te hebben overwogen appellant niet geslaagd te achten in het hem opgedragen bewijs omdat de aan zijn zijde gehoorde getuigen omtrent het probandum niets kunnen verklaren; dat appellant bij schrijven van diens raadsman, Mr.A.R.Baarh, de dato 1 december 1995 hoger beroep heeft aangetekend tegen voormeld vonnis;
Overwegende, dat appellant tegen het beroepen vonnis een grief heeft ontwikkeld luidende: Ten onrechte heeft de Kantonrechter appellant niet geslaagd geacht in het probandum aangezien de gehoorde getuigen wel hebben aangegeven de overspelige verhouding die tussen geintimeerde en een andere man heeft bestaan en bestaat;
Overwegende, dat het Hof, anders dan appellant, van oordeel is dat de Kantonrechter terecht appellant niet geslaagd geacht heeft in het hem opgedragen bewijs, blijkende immers uit de verklaringen van de op appellant zijn verzoek gehoorde getuigen geenszins het van hem verlangde bewijs;
Overwegende, dat appellant, nu het Hof van oordeel is dat de Kantonrechter terecht overwogen heeft dat appellant niet geslaagd te achten is in het hem opgedragen bewijs, de wens te kennen gegeven heeft tot het bewijs van het overspel te worden toegelaten;
Overwegende, dat het Hof een en ander aldus opvat, dat appellant een aanbod tot bewijs van het overspel heeft gedaan;
Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat appellant nu hij in eerste aanleg ook reeds getuigen heeft doen horen, zijn aanbod had moeten motiveren door bijvoorbeeld de namen van de te horen personen op te geven of een aanduiding te geven of en zo ja, op welke wijze de te horen personen betrokken waren bij het overspel of omstandigheden waaruit dat overspel zou kunnen worden afgeleid;
Overwegende, dat nu, naar het Hof gebleken is, van een gemotiveerd gedaan aanbod tot bewijs door getuigen geen sprake is, dient het als niet ernstig gemeend te worden gepasseerd;
Overwegende, dat op grond van het hiervorenoverwogene het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd onder algehele compensatie der proceskosten tussen partijen in dier voege dat elk der partijen haar eigen kosten draagt, nu zij zijn echtelieden;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 28 oktober 1995 tussen partijen gewezen waarvan beroep;
Compenseert de proceskosten in beide instanties in dier voege dat iedere partij de hare draagt;

Aldus gewezen door de heren Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 23 april 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.
w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.BOLDEWIJN namens hun gemachtigden, advokaat Mr.A.R.BAARH en advokaat Mr.Dr.J.V.VAN DIJK-SILOS, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-22

H.M.
GENERALE ROL NO.13743.

[appellant], wonende te [district 1], voor wie als gemachtigde optreedt,
Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,
appellant in conventie en in reconventie tevens geintimeerde in conventie en in reconventie,

tegen

A. [geintimeerde 1]
B. [geintimeerde 2] en
C. [geintimeerde 3], allen wonende in het distrikt [district 2] aan [adres 1], door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr.B.A.HALFHIDE, advokaat,
geintimeerden in conventie en in reconventie tevens appellanten
in conventie en in reconventie,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien s’Hofs interlocutoir vonnis van 23 januari 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in s’Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, appellant in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerde sub B eveneens bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr.B.A.Halfhide, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies na gehouden comparitie van partijen hebben genomen; Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 3 juli 1998, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
In conventie en in reconventie:
1. Overwegende, dat het Hof hier overneemt en volhard bij hetgeen in zijn tussenvonnis van 23 januari 1998 is overwogen;
2. Overwegende, dat op grond van de stellingen van partijen, zowel in eerste aanleg en in hoger beroep, alsmede door de inhoud van de overgelegde stukken, een en ander voor zover niet betwist, het volgende vaststaat:
a. bij notariële akte d.d. 30 november 1990, verleden ten overstaan van notaris Mr. L.D. Hira Sing, heeft [geintimeerde 1] ten behoeve van [appellant], hypotheek verleend op het in die akte nader omschreven, aan hem, [geintimeerde 1], toebehorend perceelland met al hetgeen daarop staat tot zekerheid van de voldoening van al hetgeen [geintimeerde 1], [geintimeerden] , alsmede [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3], zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk als trekster, endossante, acceptante, of medetekenares van enig door [appellant] gedisconteerd of te disconteren, gekocht of te kopen handelspapier, gefourneerde gelden, of uit enig andere hoofde ook aan [appellant] voornoemd verschuldigd mocht zijn of worden tot een bedrag van f. 3.725.000;

b. bij onderhandse akte van 30 november 1990 hebben [geintimeerde 1], [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] verklaard het bedrag van f. 3.725.000, hetwelk zij hoofdelijk schuldig zijn aan [appellant] wegens door hem voorgeschoten contanten voor:
a. het kopen van een perceel aan de [adres 2];
b. het bouwen van een winkel, woonhuis + opslagplaats, bestrating andere werkzaamheden en
c. notariële kosten, bankprovisie, administratiekosten, rente en overige kosten, zulks in verband met de akte crediet-hypotheek de dato heden voor Mr. Loyd Djaiprakash Hira Sing te zullen betalen binnen twee maanden ”na heden”, renteloos, met dien verstande dat indien het bedrag van f. 3.725.000 niet binnen twee maanden ”na heden” is afbetaald, de schuldenaren aan de schuldeiser een boete van f. 150 per dag verschuldigd zijn voor iedere dag verzuim;

c. het borderel ter inschrijving van het hierboven onder 2.a vermeld hypothecair verband vermeld als (maximaal)bedrag van de schuld f. 725.000;
d. ondanks aanmaning in der minne zijn [geintimeerde 1], [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3], hieronder gezamenlijk aangeduid als [geintimeerden], in gebreke gebleven om na het opeisbaar worden daarvan per 30 januari 1991 de vordering te voldoen, waarna [appellant] bij exploit van 19 oktober 1991 de openbare verkoop van het bezwaarde perceelland aan [geintimeerden] heeft aangezegd;
e. [appellant] heeft bij exploit van 22 november 1991 aan [geintimeerden] de verschuldigdheid van de boete ad f. 150 per dag vanaf 25 november 1991 aangezegd en hen ingebreke gesteld;
f. de voor 10 december 1991 aangekondigde openbare verkoop heeft geen voortgang gehad op verzoek van[geintimeerden], die bij die gelegenheid in mindering op de schuld f. 1.000.000 hebben voldaan;
g. de openbare verkoop heeft op 30 januari 1992 plaatsgevonden en het verbonden perceel is aan [appellant] toegewezen voor een bedrag van f. 2.100.000;

3.1 Overwegende, dat allereerst aan de orde is de vraag voor welk (maximum)bedrag door [geintimeerde 1] hypotheek is verleend;
3.2 Overwegende, dat [appellant] terecht heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat hij, anders dan de eerste rechtsoverweging van ’s Kantonrechters vonnis zou doen vermoeden, nimmer heeft erkend dat tussen partijen een geldleningsovereenkomst met hypotheekstelling is gesloten voor een bedrag van f. 725.000;
3.3 Overwegende, dat voor de beantwoording van de onder 3.1 vermelde vraag beslissend is de inhoud van de hypotheek-akte en niet, zoals, [appellant] meent, de inhoud van het borderel, zijnde het borderel slechts een zakelijk uittreksel uit de hypotheek-akte;
3.4 Overwegende, dat, gelet op de niet betwiste inhoud van de hierboven onder 2.a vermelde hypotheek-akte, rechtens vaststaat dat door [geintimeerde 1] ten behoeve van [appellant] hypotheek is verleend tot een bedrag van f. 3.725.000;
3.5 Overwegende, dat de stelling van [geintimeerde 1] dat hypotheek is verleend tot een bedrag van f. 725.000 dan ook dient te worden verworpen, terwijl, voor zover [geintimeerden] in zijn verdere stellingen heeft willen betogen dat door de betaling van het bedrag van f. 1.000.000 de schuld (en het hypotheekrecht) teniet is (zijn) gegaan, dat betoog evenmin opgaat;

4.1 Overwegende, dat partijen ook van mening verschillen omtrent de vraag of, zoals [appellant] beweert en [geintimeerden] betwisten, eerstgenoemde het in de hypotheek-akte vermelde bedrag van f. 3.725.000 aan laatstgenoemden heeft voorgeschoten;
4.2 Overwegende, dat [appellant] zich ten bewijze van zijn stelling heeft beroepen op de hierboven onder 2.b vermelde schuldbekentenis;
4.3 Overwegende, dat [geintimeerden] hebben aangevoerd dat deze schuldbekentenis niet voorzien is van een goedschrift en op zijn best slechts als begin van schriftelijk bewijs kan worden aangemerkt;
4.4 Overwegende, dat de in machineschrift gestelde schuldbekentenis inderdaad geen goedschrift bevat en derhalve vrije bewijskracht bezit;
4.5 Overwegende, dat geen feiten zijn gesteld of gebleken die ertoe leiden om aan de schuldbekentenis geen enkele bewijskracht toe te kennen, terwijl anderzijds het feit dat [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2], naar uit de hypotheek-akte blijkt, industrieel zijn en zij, als zodanig geacht mogen worden niet ondoordacht hun handtekening onder een zakelijk stuk te plaatsen, voor het Hof aanleiding is door de schuldbekentenis, ook ten aanzien van
[geintimeerde 3], tegen de inhoud waarvan [geintimeerden] geen concreet aanbod van tegenbewijs hebben gedaan, volledig bewezen te achten dat [appellant] het bedrag van f. 3.725.000 aan [geintimeerden] heeft voorgeschoten;
4.6 Overwegende, dat het verweer van [geintimeerden] dat het boetebeding niet in werking is getreden, omdat de schuldbekentenis geen bewijs oplevert van de werkelijke verschuldigdheid, op grond van hetgeen onder 4.5 is overwogen niet opgaat;
4.7 Overwegende, dat [geintimeerden] de becijfering van hetgeen zij aan [appellant] verschuldigd waren voor het overige niet hebben betwist, zodat van die becijfering, welke hieronder volgt, kan worden uitgegaan:

hoofdsom f. 3.725.000
verschuldigde boete 25 nov.-t/m 10 dec.1991 f. 2.400
notariskosten voor stopzetting (veiling) f. 6.750
f. 3.734.150
aflossing minus f. 1.000.000
——————————————-
saldo f. 2.734.150
boete 11 dec. 1991 t/m 30 jan. 1992 f. 7.850
advocaat- en proceskosten f. 10.100
——————————————-
f. 2.752.100
veilingopbrengst minus f. 2.000.000
——————————————-
saldo f. 652.000

4.8 Overwegende, dat voormeld bedrag op grond van hetgeen hierboven is overwogen opeisbaar is en, nu het naar rechtens vaststaat door [geintimeerden] niet is betaald, aan [appellant] kan worden toegewezen;
5.1 Overwegende, dat [appellant] als vergoeding voor de rente, die hij beweerdelijk heeft moeten derven doordat [geintimeerden] de voorgeschoten gelden niet tijdig heeft terugbetaald, heeft gevorderd betaling van f. 415.583,09;
5.2 Overwegende, dat als vergoeding voor de schade geleden wegens vertraging in de voldoening van een geldsom slechts de wettelijke rente kan worden gevorderd en het onder 5.1 bedoelde bedrag niet toewijsbaar is;
5.3 Overwegende, dat [appellant] heeft gevorderd de voldoening van buitengerechtelijke kosten ad 10% van het aan hem toegewezen bedrag;
5.3 Overwegende, dat [geintimeerden] hebben aangevoerd niet tot betaling van deze kosten te kunnen worden veroordeeld, omdat de vordering niet steunt op de wet noch op een tussen partijen gesloten overeenkomst;
5.4 Overwegende, dat [appellant] niet heeft aangegeven waaruit genoemde buitengerechtelijke kosten bestaan, noch heeft vermeld op grond waarvan [geintimeerden] verplicht is dergelijke kosten te betalen en wel tot genoemd percentage;
5.5 Overwegende, dat [appellant] derhalve onvoldoende feiten heeft gesteld om toewijzing van bedoelde vordering te rechtvaardigen;
6.1 Overwegende, dat [appellant] stellende, kort gezegd, door de toewijzing op de openbare verkoop eigenaar van het winkelpand te zijn geworden, alwaar [geintimeerde 1] zonder recht of titel verblijft, de ontruiming van die [geintimeerde 1] heeft gevorderd alsmede diens veroordeling terzake van huurderving tot betaling van f. 80.000 vermeerderd met de wettelijke rente en f. 20.000 per maand vanaf de maand juni 1992 tot aan de ontruiming;
6.2 Overwegende, dat [geintimeerden] hebben aangevoerd dat de veiling nietig is, omdat (a) hun verschuldigdheid niet is komen vast te staan en (b) door de betaling van het bedrag van f. 100.000 het hypotheekrecht was teniet gegaan;
6.3 Overwegende, dat de onjuistheid van hetgeen onder 6.2.(a) en 6.2.(b) is vermeld blijkt uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.5 en 3.1 tot en met 3.4;
6.4 Overwegende echter, dat nu het borderel, voor wat het bedrag van de schuld betreft, afwijkt van de hypotheek-akte, de inschrijving van het borderel nietig is en ten behoeve van [appellant] geen hypotheekrecht is tot stand gekomen;
6.5 Overwegende, dat [appellant] derhalve ten onrechte meent door de koop (en overschrijving van het proces-verbaal van veiling en toewijzing) eigenaar van het bezwaarde perceel te zijn geworden en zijn onder 6.1 vermelde vordering dan ook niet toewijsbaar is;
7. Overwegende, dat het vonnis van de Kantonrechter, voor zover in conventie gewezen, op grond van al het voorgaande dient te worden vernietigd;

8.1 Overwegende, dat [geintimeerden] in reconventie, kort samengevat, heeft gevorderd om voor recht te verklaren; (a) dat de ten verzoeke van [appellant] op 30 januari 1992 gehouden openbare verkoop nietig is en (b) dat [geintimeerde 1] eigenaar is van het perceelland;
8.2 Overwegende, dat deze vordering van [geintimeerden] , op grond van hetgeen onder 6.4 en 6.5 is overwogen, toewijsbaar is;
8.3 Overwegende, dat de Kantonrechter de vordering van [geintimeerden] heeft toegewezen en dit vonnis derhalve in zoverre onder verbetering van gronden dient te worden bevestigd;
8.4 Overwegende, dat het Hof met [appellant] van oordeel is dat het onder 8.1 bedoelde declaratoir niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard en het vonnis in zoverre dient te worden vernietigd;
9.1 Overwegende, dat het Hof op grond van al het vorenstaande als volgt zal beslissen en, in conventie, [geintimeerden] en, in reconventie, [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal verwijzen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
In conventie:
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 23 november 1993, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Veroordeelt partij [geintimeerden] hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan partij [appellant] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

1. de som van f. 652.000 (Zeshonderdentweeenvijftigduizend gulden Surinaams Courant), vermeerderd met de wettelijke interessen daarover ad 6% per jaar vanaf 15 mei 1992 tot aan de dag der algehele voldoening;
2. de boete ad f. 150 (Eenhonderdenvijftig gulden Surinaams Courant) per dag vanaf 31 januari 1992 tot aan de dag van de algehele voldoening van de onder A.1 genoemde geldsom;
Verklaart dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad;
Veroordeelt partij [geintimeerden] in de proceskosten aan de zijde van [appellant] gevallen en begroot op f.7.820,–;
Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.1500,–;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van partij [geintimeerden] eveneens op f.1500,–;
Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

In reconventie:
Verklaart partij [geintimeerden] niet ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep;
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, waarvan beroep, voor zover dat vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;
Bevestigt dat vonnis voor het overige;
Veroordeelt partij [appellant] in de proceskosten aan de zijde van partij [geintimeerden] gevallen en begroot op f.1500,–;
Met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.1500,–;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van partij [appellant] eveneens op f.1500,–;

In conventie en in reconventie:

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, Fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare te­rechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 5 februari 1999, in tegenwoordigheid van
Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advo­kaat, Mr.R.BALDEW namens zijn gemachtigde advokaat, Mr.E.C.M.HOOPLOT en geintimeerden vertegenwoor­digd door advo­kaat, Mr.H.E.STRUIKEN namens hun gemachtigde advokaat, Mr.B.A.HALFHIDE, zijn bij de uitspraak ter te­rechtzit­ting verschenen.

SRU-HvJ-1990-5


Hof van Justitie
10 augustus 1990. G.R. 12812
(Mrs. S. Gangaram Panday, F.F.P. Truideman, O.W. Abendanon)

[appellant], wonende te [district 1], advokaat Mr. E.J. Bruma, appellant in conventie,

tegen

[geïntimeerde], gescheiden echtgenote van appellant voornoemd, wonende te [district 1], advokaat Mr. F .Kruisland, geïntimeerde in conventie.

De fungerend-President spreekt in deze in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname:
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1.het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, van 27 maart 1984 tussen partijen gewezen;
2.het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 17 april 1990, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter heeft gewend, daarbij stellende:
1.dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen [geintimeerde], gescheiden echtgenote van eiser, wonende aan de ….straat no.36 in het [district 2];
2.dat partijen op 16 november 1971 te [district 1] volgens het Huwelijksbesluit Hindoes in het ressort P/Ch onder huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd, welk huwelijk door echtscheiding is ontbonden bij vonnis van Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 6 maart 1982 (Inschrijving in de Openbare Registers d.d. 7 april 1982);
3.dat de eiser, toen partijen nog gehuwd waren, twee percelen land gelegen aan de ….straat no.19 en no.20 heeft gekocht en deze percelen ten name van de gedaagde heeft gesteld, hoewel de koopprijs der percelen geheel uit middelen van de eiser is betaald;
4.dat bij akte verleden ten overstaan van notaris Mr. R. Currie, bedoelde percelen, waarop toen nog een saldoschuld groot f.13.800,–, moest worden voldaan hypothecair verbonden zijn tezamen met een perceel met gebouwen van eiser gelegen aan de ….straat no.18, voor een schuld van eiser groot f.85.000,–, waarin begrepen het saldobedrag dat hij nog voor de beide percelen no.19 en no.20 diende te betalen;
5.dat door de eiser reeds eerder een gedeelte was betaald zijnde de koopsom der percelen minus het bedrag van f.13.800,–;
6.dat nu partijen gescheiden zijn de gedaagde zich op het standpunt stelt dat de beide percelen no.19 en no. 20 aan haar in eigendom toebehoren, zich daartoe erop beroepend, dat uit de inschrijving in de Openbare Registers van haar eigendomsrecht op de percelen blijkt; dat eiser van zijn eigendomsrecht op de genoemde percelen gebruik wenst te maken;
7.dat immers de gedaagde niets uit haar eigen inkomen heeft betaald voor de verkrijging van de beide percelen en de inschrijving in de Openbare Registers slechts ter bescherming van de Rechten van derden geldt en geenszins het bestaan van een verhouding als hiervoren uiteengezet bij de verkrijging der percelen in de weg staat;
8.dat de gedaagde ondanks aanmaningen in der minne weigert mede te werken om de percelen over te dragen aan eiser althans om de waarde der percelen aan eiser te vergoeden; deze waarde wordt geschat op f.150.000,–;
9.dat eiser nu gebleken is dat de gedaagde de ten rekeste genoemde percelen wenst te vervreemden, waardoor eiser geen verhaal voor zijn vordering zal hebben indien dit gebeurt;
10.dat eiser derhalve op voormelde percelen conservatoir beslag wenst te doen leggen maar daartoe van de Rechter verlof behoeft;
11.dat eiser na daartoe van de Rechter verlof te hebben verkregen bij exploit van de deurwaarder Walther Cervius Leysner, d.d. 28 juni 1982 in conservatoir beslag heeft genomen;
1.het perceelland groot 950.25 m² gelegen in het [district 2] , aangeduid op de kaart van de landmeter G. van der Jagt de dato 20 augustus 1969 met de letters ABCD en met het nummer 19, benevens een deel van de langs voormeld perceel lopende weg op voormelde kaart aangeduid met de letters ABba, deel uitmakende van het perceelland bekend als [gebied ] [nummer] ;
2.het perceelland groot 910.08 m² gelegen in het [district 2], aangeduid op de kaart van de landmeter G. Koulen de dato 3 november 1975 met de letter ABCD en met het nummer 20, benevens een deel van de langs voormeld perceel lopende weg op voormelde kaart aangeduid met de letters ABba, deel uitmakende van het perceelland bekend als [gebied] [nummer] ;
12.dat dit beslag behoort te worden van waarde verklaard;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
–dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de gedaagde zal worden veroordeeld:
Primair: om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser terzake voorschreven te betalen de deugdelijk verschuldigde som groot f.150.000,– met rente en kosten volgens de Wet;
Subsidiair: voor recht zal worden verklaard dat de ten rekeste genoemde percelen land aan eiser in eigendom toebehoren en de gedaagde zal worden veroordeeld om terstond, althans binnen een door de Rechter te bepalen termijn mede te werken aan de notariële overdracht van vermelde percelen op naam van eiser en aal daartoe behorende handelingen te verrichten; alles met bepaling van een dwangsom ten bedrage van f.10.000,– voor elke dag dat de gedaagde in gebreke blijft aan de subsidiaire veroordeling te voldoen.
Met veroordeling van de gedaagde in de kosten van dit geding;

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg voor antwoord in conventie heeft gezegd:
1.dat zij ontkent al hetgeen door haar niet woordelijk wordt erkend, met een uitdrukkelijk beroep op de onsplitsbaarheid van haar aveu;
2.dat zij de gestelde echtscheiding kan erkennen;
3.dat zij ook de gestelde hypotheekstelling van de litigieuze percelen kan erkennen;
4.dat gedaagde evenwel ten stelligste ontkent en betwist dat de litigieuze percelen gekocht zouden zijn door eiser en dat de koopprijs der percelen geheel uit middelen van de eiser zou zijn betaald;
5.dat integendeel het de gedaagde is die uit haar eigen middelen middels maandelijkse aflossingen de koopprijs heeft betaald tot op het moment van de bovenvermelde hypotheekstelling;
6.dat op het moment van bovenvermelde hypotheekstelling gedaagde zodanige betaling had gedaan op de koopsommen van de litigieuze percelen dat de schuldpositie daarvan alsvolgt was:

t.av. perceel no.19 (per 20 juli 1978)
hoofdsom f. 1.877,48
rente f. 41,91


saldoschuld f. 1.919,39

t.a.v. perceel no.20 (per 30 juni ’78)
hoofdsom f. 11.967,80
rente f. 80,96


saldoschuld f. 10.178,15

Totale saldoschuld op beide percelen f.12.178,15

7.dat derhalve het door eiser vermeld bedrag ad f.13.800,– foutief is en dient te worden gecorrigeerd tot het bedrag van het saldo van de totale schuld als bovenvermeld;
8.dat gedaagde bereid en in staat is en zij zelfs al aan eiser via De Surinaamsche Bank N.V. heeft aangeboden vermeld totaal saldo te betalen aan eiser om aldus het arrangement met voornoemde bank ter verzekering waarvan meerbedoelde hypotheek op de litigieuze percelen was gevestigd, te doen beëindigen;
9.dat eiser op het aanbod van gedaagde nog steeds niet heeft gereageerd, doch gedaagde zulks in dit geding nadrukkelijk wenst te herhalen, met verzoek haar akte daarvan te verlenen;
10.dat gedaagde zich rechtens op het juiste standpunt stelt dat zij eigenares is van de litigieuze percelen. Gedaagde is zich bewust van het feit dat eiser de schuld ad f.12.178,15 op 19 juli 1978 heeft overgenomen en gedaagde is dan ook bereid vermeld bedrag aan eiser terug te betalen, waardoor bij het beëindigen van vermeld arrangement met DSB haar percelen schuldvrij kunnen worden gemaakt;
11.dat gedaagde het door eiser genoemde en gevorderde bedrag van éénhonderd vijftig duizend gulden ongegrond en onjuist acht.
In het beslagrekest van eiser heeft hij een bedrag van vijftig duizend gulden vermeld en in zijn verzoek tot van waardeverklaring heeft hij bedoeld bedrag met eenhonderdduizend gulden verhoogd, zonder nader aan te geven op welke gronden vermelde verhoging berust;
12.dat gedaagde ook gelden heeft voorgeschoten aan eiser, welke bedragen dienen te worden verrekend met eventuele vorderingen van eiser op gedaagde. Gedaagde zal mitsdien in reconventie bedoelde voorschotten vorderen van eiser; en voor eis in reconventie heeft gesteld:
1.eiseres verzoekt al hetgeen door haar in conventie is aangevoerd – voor zover van belang – hier als ingevoegd te beschouwen;
2.door eiseres zijn de navolgende bedragen aan gedaagde voorgeschoten, terwijl gedaagde thans weigert die bedragen aan eiseres terug te betalen, nu partijen van de echt zijn gescheiden;
3.tussen partijen is op 6 maart 1982 bij vonnis van de Kantonrechter van het Eerste Kanton de echtscheiding uitgesproken, nadat gedaagde vanaf de maand oktober 1980 de echtelijke woning had verlaten en geweigerd heeft aan eiseres huishoudgeld te verstrekken.
Na het vertrek van gedaagde uit de echtelijke woning, was eiseres verplicht te voorzien in het levensonderhoud van de twee dochters van gedaagde, die ten laste van eiseres achterbleven. Eiseres is redelijkerwijs ervan uitgegaan dat gedaagde zijn verplichting tot het bestrijden van de kosten van het levensonderhoud van zijn kinderen besefte en hij dientengevolge de door eiseres daarvoor ter beschikking gestelde bedragen dient terug te betalen aan eiseres. Van de door eiseres ter beschikking gestelde bedragen wenst zij van gedaagde terug te ontvangen het bedrag van f.200,– per kind per maand vanaf november 1980 tot de dag waarop zij niet meer ten laste waren van eiseres t.w.:

voor de oudere dochter
vanaf november 1980 t/m december 1981
d.i. 14 x f.200,– = f. 2.800,–

voor de jongere dochter
vanaf november 1980 t/m december 1981
d.i. 14 x f.200,– = f. 4.200,–

Totaal f. 7.000,–

4.gedaagde heeft ondanks herhaalde aanmaningen zijdens eiseres steeds geweigerd bedoelde door eiseres voorgeschreven gelden aan haar terug te betalen c.q. aan haar de nodige bedragen ter hand te stellen ter bestrijding van de kosten van levensonderhoud van zijn twee dochters;
5.voorts heeft eiseres gedurende de periode november 1978 tot 1979 op verzoek van gedaagde aan hem maandelijks een bedrag van f.251,– voorgeschoten, door zijn maandelijkse aflossingen op de N.V. Landbouwbank voor hem te voldoen. Uit de hierbij in fotocopie overgelegde bankafschriften van de N.V. ABN blijken de overmakingen van de rekening van eiseres naar de Landbouwbank.
Ook deze door eiseres voorgeschoten bedragen tot een totaal van f.2.008,– weigert gedaagde – ondanks aanmaningen – terug te betalen aan eiseres;
6.aangezien gedaagde weigerachtig is vermelde bedragen van f.7.000,– + f.2.008,– = f.9.008,– aan eiseres terug te betalen, is zij genoodzaakt zulks thans in rechte te vorderen;

Overwegende, dat op deze gronden is geconcludeerd:
voor antwoord in conventie:
–dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans hem die zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen, kosten rechtens;
en voor eis in reconventie:
–dat gedaagde in reconventie zal worden veroordeeld terzake van voorschreven aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van f.9.008,– vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% ‘s jaars vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der voldoening, kosten rechtens;

Overwegende, dat de eisende partij in conventie een als ingelast te beschouwen conclusie van repliek heeft doen nemen en als gedaagde partij in reconventie voor antwoord heeft gezegd:
1.gedaagde in reconventie verzoekt de Rechter alhier alles wat hij in conventie heeft gesteld als letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen;
2.dat gedaagde in geen enkel opzicht aan eiseres in reconventie enig geldsbedrag verschuldigd is. Inderdaad is de echtscheiding op 6 maart 1982 door de Kantonrechter uitgesproken, nadat sedert oktober 1980 de samenleving is verbroken, toen eiseres trachtte de gedaagde te vergiftigen. Gedaagde heeft de kinderen niet voor eiseres ter verzorging achtergelaten; Eiseres heeft, om gebruik te kunnen blijven maken van de woning van gedaagde de kinderen tegen gedaagde opgezet en heeft hen in ieder geval vrijwillig bij zich gehouden, hoewel de gedaagde de kinderen bij zich in huis wenste te nemen;
3.dat gedaagde de grondslag van de door eiseres ingestelde vordering dan ook niet begrijpt en het hem niet duidelijk is op grond, waarvan de eiseres meent een alimentatie-vordering voor de kinderen op haar naam tegen de gedaagde te kunnen instellen;
4.dat de gedaagde ontkent dat eiseres de genoemde bedragen ten behoeve van de kinderen heeft besteed, maar zelfs indien zulks het geval was geweest dan zou langs deze weg eiseres deze bedragen niet van de gedaagde kunnen terug vorderen; Eiseres heeft ook nooit aan gedaagde gelden gevraagd voor levensonderhoud der kinderen;
5.dat de gedaagde dan ook eiseres sommeert te verklaren welke de grondslag van haar vordering is;
6.dat de gedaagde eveneens ontkent aan eiseres het door haar gevorderde bedrag van f.2.008,– verschuldigd te zijn; Gedaagde ontkent dat tussen hem en eiseres een overeenkomst van de strekking als door haar bedoeld is gemaakt, waaraan zij het recht zou kunnen ontlenen om de door haar betaalde bedragen van hem terug te vorderen. Gedaagde sommeert de eiseres te verklaren hoe de tussen partijen gesloten afspraken met betrekking tot bedoelde gelden luidden; Zoals gebruikelijk tussen echtelieden zijn betalingen vaak uit het inkomen van eiseres geschied voor gemeenschappelijke schulden, terwijl daartegenover uit gedaagde’s inkomen iets anders voor haar betaald werd. Ten aanzien van de onderhavige betalingen herinnert de gedaagde zich niet op grond waarvan deze via de bankrekening van de eiseres hebben plaatsgevonden en ontkent hij derhalve uit gebrek aan wetenschap dat ze zijn, gedaagde’s persoonlijke schuld zouden betreffen en dat enige overeenkomst aan die transactie ten grondslag ligt, die aan eiseres het recht tot terugvordering van genoemde bedragen geeft. Gedaagde wenst dan ook gaarne te weten welke afspraken volgens de eiseres ten aanzien van de terugbetaling en het tijdstip daarvan zouden zijn gemaakt. Immers ook indien de betalingen zijn verricht met de bedoeling dat deze gelden zouden moeten worden terugbetaald – quod non – dan nog zal ter beoordeling van de opeisbaarheid moeten vaststaan wat er op dat punt was overeengekomen;
7.dat de gedaagde derhalve niets verschuldigd is aan eiseres en haar vordering aan haar moet worden ontzegd;

Overwegende, dat gedaagde in reconventie op deze gronden voor antwoord in reconventie heeft geconcludeerd, dat de Kantonrechter de reconventionele vordering van eiseres aan haar zal worden ontzegd, althans in haar vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, kosten rechtens en als eiser in conventie voor repliek in conventie heeft gepersisteerd bij zijn conclusie van eis;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van dupliek in conventie en van repliek en dupliek in reconventie, welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingevoegd, haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 27 maart 1984 heeft overwogen:
In conventie en in reconventie:
–dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans niet gemotiveerd betwist, tussen partijen de navolgende relevante feiten vast staan t.w.:
1.partijen zijn op 16 november 1971 te Paramaribo volgens het Huwelijksbesluit Hindoes in het ressort P/CH onder huwelijkse voorwaarden gehuwd;
2.het huwelijk van partijen is op 7 april 1982 door inschrijving van het echtscheidingsvonnis d.d. 6 maart 1982 in de daartoe bestemde registers, ontbonden;
in conventie:
–dat aan zijn vordering eiser ten grondslag heeft gelegd dat:
1.hij – eiser –, toen partijen nog gehuwd waren, twee percelenland gelegen aan de ….straat no.19 en no.20 heeft gekocht en deze percelen ten name van de gedaagde heeft gesteld, hoewel de koopprijs der percelen geheel uit middelen van de eiser is betaald;
2.bij akte, verleden ten overstaan van notaris R. Currie, bedoelde percelen, waarop toen nog een saldoschuld groot f.13.800,– moest worden voldaan hypothecair verbonden zijn tezamen met een perceel met gebouwen van eiser gelegen aan de ….straat no.18, voor een schuld van eiser groot f.85.000,–, waarin begrepen het saldobedrag dat hij nog voor de beide percelen no.19 en no.20 diende te betalen;
3.door hem – eiser – reeds eerder een gedeelte was betaald zijnde de koopsom der percelen immers het bedrag van f.13.800,–;
4.nu partijen gescheiden zijn de gedaagde zich op het standpunt stelt dat de beide percelen no.19 en no.20 aan haar in eigendom toebehoren, zich daartoe erop beroepend, dat uit de inschrijving in de Openbare Registers van haar eigendomsrecht op de percelen blijkt;
5.hij – eiser – van zijn eigendomsrecht op de genoemde percelen gebruik wenst te maken;
6.immers de gedaagde niets uit haar eigen inkomen heeft betaald voor de verkrijging van de beide percelen en de inschrijving in de Openbare Registers slechts ter bescherming van de Rechten van derden geldt en geenszins het bestaan van een verhouding als hiervoren uiteengezet bij de verkrijging der percelen in de weg staat;
7.gedaagde ondanks aanmaningen in der minne weigert mede te werken om de percelen over te dragen aan eiser althans om de waarde der percelen aan eiser te vergoeden;
8.de waarde wordt geschat op f.150.000,–;
hebbende eiser op grond dezer feiten gevorderd:
–dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de gedaagde zal worden veroordeeld:
Primair: tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser ter zake voorschreven te betalen de deugdelijk verschuldigde som groot f.150.000,–, met rente en kosten volgens de Wet;
Subsidiair: voor recht te verklaren dat de ten rekeste genoemde percelenland aan eiser in eigendom toebehoren en de gedaagde te veroordelen om terstond, althans binnen een door de Rechter te bepalen termijn mede te werken aan de notariële overdracht van vermelde percelen op naam van eiser en alle daartoe behorende handelingen te verrichten;
alles met bepaling van een dwangsom ten bedrage van f.10.000,– voor elke dag dat de gedaagde ingebreke blijft aan de subsidiaire veroordeling te voldoen, kosten rechtens;
– dat gedaagde de aan eisers vordering ten grondslag gelegde feiten gemotiveerd betwistend, onder overlegging van een aantal produkties aangevoerd heeft, dat de litigieuze percelen aan haar toebehoren;

Ten aanzien van dit verweer:
–dat artikel I van de huwelijkse voorwaarden op 10 november 1971 in extenso overgeschreven in het Openbaar Register, hetwelk wordt gehouden ter Griffie van het Kantongerecht in het Eerste Kanton en van de inhoud waarvan de Kantonrechter ambtshalve kennis heeft genomen, luidt aldus:
“Er zal tussen de echtgenoten geen enkele vermogensrechtelijke gemeenschap bestaan”.
Artikel 5 dier huwelijkse voorwaarden luidt: “Van de goederen staande huwelijk door ieder der echtgenoten te verkrijgen, zullen indien van de verkrijging daarvan niet uit authentieke stukken blijkt, staten of lijsten opgemaakt en door de beide echtgenoten ondertekend worden, onverminderd het recht van ieder der echtgenoten of zijn (haar) erfgenamen om bij gebreke van dien de aankomst door alle hem (haar) ten dienste staande middelen te bewijzen”. In dit artikel is vastgelegd de tussen partijen gemaakte afspraak met betrekking tot het bewijs van latere verkrijging;
–dat de gemaakte afspraak aldus kan worden uitgelegd dat voor onroerende en andere op naam staande zaken de authentieke akte in beginsel als middel van bewijs de titel van aankomst moet zijn;
–dat uit de door gedaagde in het geding gebrachte uittreksels in fotocopie uit het dagregister, waarin woordelijk zijn overgeschreven de authentieke akten, waarbij de litigieuze percelenland aan gedaagde zijn overgedragen, blijkt, dat perceel no.19 op 30 november 1972 en perceel no.20 op 18 februari 1976, dus staande huwelijk door gedaagde zijn verkregen en dat gedaagde, nu eiser gemelde authentieke akten niet heeft betwist noch van valsheid beticht en evenmin daartegen tegenbewijs aangeboden, door die authentieke stukken ingevolge artikel 5 der akte huwelijkse voorwaarden, die tussen partijen bindt, haar eigendomsrecht op de litigieuze percelen volledig heeft bewezen, waaraan de omstandigheid dat die percelen met gelden van eiser zouden zijn gekocht door gedaagde, hetgeen gedaagde gemotiveerd heeft betwist, niet afdoet. Eisers vorderingen zullen hem mitsdien als onbewezen worden ontzegd, onder algehele comparitie der proceskosten tussen partijen, die gewezen echtelieden zijn. Nu geen vanwaardeverklaring van het gelegde beslag is verzocht, zal de Kantonrechter de opheffing daarvan gelasten;
en in reconventie:
–dat eiseres van gedaagde vordert betaling van:
1.het bedrag van f.7000,–, zijnde het totaal der door eiseres ter beschikking gestelde gelden, aangewend ter bestrijding van de kosten van levensonderhoud van twee van gedaagdes kinderen gedurende de periode november 1980 tot en met december 1981, naar rede van f.200,– per kind per maand;
2.het bedrag van f.2.008,– zijnde het totaal der door eiseres aan gedaagde voorgeschoten gelden gedurende de periode november 1978 tot juni 1979;
–dat gedaagde de onderhavige vordering heeft bestreden en ten aanzien van de post van f.7.000.–aangevoerd, dat de vordering de vereiste grondslag ontbeert;
–dat eiseres daartegenover op gronden in het derde “dat” van de conclusie van repliek in reconventie heeft aangevoerd, dat het handelen van eiseres als zaakwaarneming in de zin der Wet moet worden aangemerkt. Dat Hij het met eiseres eens is, aangezien de door haar aangevoerde feiten en omstandigheden terzake, indien bewezen, wel degelijk als zaakwaarneming kunnen worden gekwalificeerd (N.J. 1924, p. 656). Dat gedaagdes terzake gevoerd verweer mitsdien als ongegrond dient te worden verworpen;
–dat Hij eiseres tenslotte zal belasten met het bewijs der aan haar vordering ten grondslag gelegde feiten, nu gedaagde die heeft ontkend;

Overwegende, dat de Kantonrechter op deze gronden:
in conventie:
–eisers vordering heeft ontzegd;
–de opheffing heeft gelast van het bij exploit van deurwaarder W.C. Leysner, d.d. 28 juni 1982 gelegd conservatoir beslag;
–de proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal Waaldijk eiser in conventie tevens gedaagde in reconventie in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 27 maart 1984;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder CH. Balgobind van 20 mei 1987 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
In conventie:
Overwegende, dat de appellante tijdig hoger beroep heeft aangetekend tegen de door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 27 maart 1984 tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis;

Overwegende, dat uit de gedingstukken in eerste aanleg, inzoverre hier van belang, het navolgende blijkt:
1.dat partijen met elkaar buiten elke gemeenschap van goederen gehuwd waren, welk huwelijk door echtscheiding werd ontbonden;
2.dat de geïntimeerde tijdens dat huwelijk twee percelenland (kavels), bekend als ….straat nummers 19 en 20, door koop en levering verkregen heeft, waarvan de appellant stelt de volle koopsom uit eigen middelen te hebben voldaan, terwijl de geïntimeerde erkent dat de appellante slechts de som van f.12.178,15 (TWAALFDUIZEND HONDERD ACHT EN ZEVENTIG 15/100 GULDEN) daarvan heeft voldaan;
3.dat de discussie tussen partijen gaat over:
a.of de appellant aanspraak maakt op de eigendom van die twee percelen
b.of hem slechts een geldvordering op de geïntimeerde ten bedrage van de voldoening door hem van (een gedeelte van) de koopsom toekomt en
c.of hem een geldvordering op de percelen toekomt ten grootte van de waarde van die percelen ten tijde van het instellen van de vordering;

Overwegende, dat uit de pleitnota van de appellant, nader toegelicht bij repliekpleidooi, blijkt dat hij tegen zowel de ontzegging van de primaire als tegen de ontzegging van de subsidiaire vordering door de Kantonrechter bezwaren heeft en hoger beroep genoegdoening verlangt;

Overwegende, dat wat de subsidiaire vordering betreft, namelijk levering door de geïntimeerde aan de appellant van de beide percelen, de eerste rechter terecht beslist heeft dat hij daarop geen rechtsaanspraak maakt, daar die percelen door de geïntimeerde zijn gekocht en door de verkoper aan haar ook juridisch geleverd zijn, hetgeen tussen partijen, die toen buiten elke gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd waren, bindend vaststaat;

Overwegende, dat de primaire vordering van de appellant stoelt op betaling door hem van de volle koopsom van die percelen uit eigen (privé) middelen ten behoeve van geïntimeerde, op grond waarvan hij ervan uitgaat dat de geïntimeerde aan hem de waarde van die percelen ten tijde van het instellen van deze vordering dient te vergoeden, of indien dat rechtens niet mogelijk is – aldus verstaat het Hof de desbetreffende stellingen van de appellant – hij aanspraak maakt op vergoeding van de door hem betaalde koopsom van die percelen ten behoeve van de geïntimeerde;

Overwegende, dat wat die betalingen betreft partijen van elkaar van opvatting verschillen over de grootte daarvan door de appellant, daarvan deze stelt dat hij de gehele koopsom heeft voldaan (zie het 3e “dat “ van het inleidend rekest) – uit de overgelegde transportakten blijkt dat het totaal daarvan het bedrag van f.16.326,88 (ZESTIENDUIZEND DRIEHONDERD ZES EN TWINTIG 88/100 GULDEN) beslaat – terwijl de geïntimeerde stelt dat de appellant slechts het bedrag van f.12.178,15 (TWAALFDUIZEND HONDERD ACHT EN ZEVENTIG 15/100 GULDEN) op de koopsom van die percelen ten behoeve van haar heeft voldaan, welk bedrag zij bereid en in staat is aan hem terug te betalen, van welke betalingen zij uitdrukkelijk aanbod heeft gedaan (zie 5e tot en met het 10e “dat “ van de conclusie van antwoord);

Overwegende, dat indien partijen buiten elke gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd zijn en de ene echtgenoot betalingen ten behoeve van de andere echtgenoot uit eigen middelen doet, op de aldus bevoordeelde echtgenoot slechts de verplichting rust die betalingen aan zijn echtgenoot te vergoeden en maakt laatstgenoemde dus geen aanspraak op de waarde van goederen, waarvoor die betalingen gedaan zijn;

Overwegende, dat nu in casu tussen partijen evenwel verschil van opvatting over de grootte van de bovengenoemde betalingen bestaat, het Hof de appellant overeenkomstig diens aanbod (zie het derde sustenu van diens pleitnota in hoger beroep in verband met het derde sustenu van zijn conclusie van repliek in prima) met het bewijs van de grootte der door hem ten behoeve van de geïntimeerde gedane betalingen op de voormelde koopsommen zal belasten, aangezien de appellant slechts daarop als vergoeding door de geïntimeerde aanspraak maakt;

Rechtdoende in hoger beroep
In conventie:
Alvorens definitief te beslissen:
Appellant bewijst:
–dat hij de gehele koopsommen van de percelen nummers 19 en 20 aan de ….straat ten behoeve van de geïntimeerde aan de verkoper uit eigen middelen heeft voldaan en niet slechts het door de geïntimeerde erkende bedrag van f.12.178,15 (TWAALFDUIZEND HONDERD ACHT EN ZEVENTIG 15/100 GULDEN);
Bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden ter terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag, 19 oktober 1990 des voormiddags te half negen uur in de zittingszaal van dit Hof aan het Onafhankelijkheidsplein no.4 te Paramaribo en wel ten overstaan van een Rechter-Commissaris als hoedanig hierbij wordt benoemd Mr. S. Gangaram-Panday, lid van dit Hof.

SRU-HvJ-1998-23

M.H.

A – 357.

[verzoeker], wonende te [district], aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Grote Combéweg no.25-27 ten kantore van Mr.R.U­.F.TRUIDEMAN, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name HET MINISTE­RIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, ten deze verte­gen­woor­digd wordende door de Procu­reur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suri­na­me, te diens Parkette aan de Graven­straat no.3 te Paramari­bo, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.C.D.OOFT, advo­kaat,

verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen van respectieve­lijk 4 april 1997 en 7 november 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat verweerder in de enquête 6 getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvan­kelijk had bepaald op 22 mei 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 7 november 1997 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat verweerder, ten einde het van hem ver­langde bewijs bij te brengen als getuigen heeft doen horen [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5] en [naam 6], wier verklaringen als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd worden aange­merkt;

Overwegende, dat het Hof op grond van die verklaringen, in onderling verband en samenhang be­schouwd, welke verklarin­gen bij gebreke van contra enquête niet zijn ontzenuwd en weerlegd, van oordeel is, dat verweerder geslaagd te achten is in de van hem verlangde bewijslevering zijnde immers uit die verklaringen van genoemde getui­gen ondubbelzinnig gebleken van feiten en omstandighe­den waaruit kan worden afgeleid, dat verzoeker onvoldoende waar­borgen voor betrouw­baarheid heeft laten blijken;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat hem niet gebleken is, dat het aan verzoeker verleend ontslag in wanver­hou­ding staat tot de als bewezen aangenomen gedragingen van verzoeker;

Overwegende, dat aan verzoeker dan ook terecht door verweerder ontslag is verleend uit staatsdienst;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat verzoekers vordering hem dan ook als ongegrond en onbewezen dient te worden ontzegd;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENAREN­ZAKEN:

Ontzegt aan verzoeker zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-Presi­dent, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PU­LTOO, Leden en door de Vice-Presi­dent uitge­spro­ken ter openba­re terechtzit­ting van het Hof van Justi­tie van VRIJDAG, 7 augustus 1998, in tegen­woordig­heid van Mr. M.TEDJOE, funge­rend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advo­kaat

Mr.M.ISHAAK namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.U.F.TRUIDEMAN en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advo­kaat Mr.Dr.C.D.OOFT, zijn bij de uit­spraak ter te­rechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-21

M.R.S A-393.

[verzoeker], wonende aan [adres] te [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Gravenstraat no.63 boven, bij het advokatenkantoor Beckles & Brandon, voor wie Mr.B.G.Beckles als gemachtigde optreedt,
verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het MINISTERIE VAN DEFENSIE, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoor houdende ten Parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.C.D., OOFT, advokaat,
verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:
1. Verzoeker wenst de navolgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, met name het MINISTERIE VAN DEFENSIE, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoor houdende ten Parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, verweerder.

2. Verzoeker is ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet.

3. Verzoeker is op 2 januari 1975 bij verweerder in dienst getreden als dienstplichtig soldaat en werd op 23 augustus 1975 bevorderd tot dienstplichtig sergeant. Verzoeker is thans Majoor en is in deze rang benoemd op 1 maart 1994 en bekleedt de functie van Hoofd Sectie 1 van de Landmacht. Verzoeker overlegt een fotocopie van zijn staat van dienst met het verzoek de inhoud ervan als hier woordelijk herhaald en geinsereerd te beschouwen. Deze bijlage wordt genummerd als bijlage 1.

4. Verzoeker is van mening dat hij reeds eerder, dus vóór 1994, bevorderd moest zijn tot Majoor en dat hij door handhaving van laatstgenoemde datum van bevordering in zijn anciënniteit en carrieregang achteruit is gegaan.
Verzoeker heeft vanaf maart 1983 constant in de tweede lijn van de defensie organisatie gediend en heeft nimmer mondelinge en/of schriftelijke bezwaren ten aanzien van zijn functioneren mogen ontvangen; desondanks is verzoeker benadeeld in zijn anciënniteit. Er zijn militairen die nimmer, of op een later tijdstip in de tweede lijn hebben gediend en zelfs lager in rang waren, en die heden ten dage ouder in anciënniteit zijn dan verzoeker en zelfs hogere posities dan hem bekleden.
Verzoeker is reeds in 1988 in Brazilië opgeleid om de taak van Majoor te vervullen. Aangezien de anciënniteit in de organisatie een essentiële factor is en bevordering geschiedt naar anciënniteit is het rectificeren van zijn datum van bevordering voor verzoeker een belangrijke aangelegenheid.

5. Verzoeker doet gelet op het voorgaande nadrukkelijk een beroep op het gelijkheidsbeginsel, welk beginsel niet zonder meer om toepassing vraagt, maar ervan uitgaat dat onder gelijke omstandigheden verkerende burgers, gelijkelijk zullen worden behandeld en politiek favoritisme, voortrekkerij en discrimininatie geen rol mogen spelen. Verzoeker is van oordeel dat dit beginsel door verweerder met de voeten is getreden daar militairen die op een later tijdstip dan verzoeker in de tweede lijn hebben gediend vóór hem bevorderd zijn tot Majoor.

6. Verzoeker heeft zijn beklag gedaan bij de President van de Republiek Suriname maar heeft echter nooit een reactie daarop ontvangen van de President. Verzoeker overlegt van dit schrijven een copie met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen. Deze bijlage wordt genummerd als bijlage 2.

7. Verzoeker heeft er recht en belang bij dat in casu het gelijkheidsbeginsel wordt gehanteerd en zijn anciënniteit wordt veranderd zodanig dat hij niet wordt benadeeld in zijn carrieregang.
Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verweerder zal worden veroordeeld die handelingen te verrichten die nodig zijn voor het veranderen van de anciënniteit van verzoeker zodanig dat hij niet wordt benadeeld in zijn carrieregang, zulks onder verbeurte van een dwangsom van Sf.100.000,– per dag of zoveel minder als in goede justitie billijk wordt worden geacht vanaf het moment van ’s Hoven uitspraak of vanaf een door het Hof te bepalen tijdstip, kosten rechtens;
Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijk gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie
is binnen gekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:
1. Verweerder betwist en ontkent al hetgeen verzoeker in zijn inleidend rekest naar voren heeft gebracht en gesteld, voor zover dit niet woordelijk door verweerder wordt erkend. Verweerder biedt bewijs aan voor zijn stellingen indien en voor zoverre de bewijslast op hem mocht rusten.

2. Verweerder erkent, dat verzoeker ambtenaar is, in de zin van artikel 1 van de Personeelswet.
Verzoekers rechtspositie, zoals weergegeven in het derde sustenu van het inleidend rekest is (juist mede gelet op de bijlage (1) door verzoeker zelf overgelegd).

3. De opvatting van verzoeker in zijn vierde en vijfde sustenu van zijn verzoekschrift wordt evenwel ten stelligste weersproken door gedaagde omdat het daar gestelde op geen enkele grond berust en verzoeker niet eens poogt zijn beweringen te bewijzen c.q. met feiten te onderbouwen.
Verzoeker zegt niets (lees:niet), waarom ”naar zijn mening” hij reeds vóór 1994 bevorderd moest zijn tot majoor. Uit deze in het luchtledige, door verzoeker getrokken conclusie, komt dan zijn onjuiste bewering dat hij ”in zijn anciënniteit en carrieregang achteruit is gegaan.”
Verzoeker vergeet daarenboven mee te delen, dat hij voortijdig is bevorderd namelijk te rekenen van 1 maart 1990, functioneel, tot Majoor-Tijdelijk. Op 1 maart 1994 werd verzoeker geëffectueerd, in de rang van Majoor. Bij de functionele bevordering van 1990 werd ten gunste van verzoeker een verkorte procedure toegepast, ten aanzien van de carrieregang van Majoor-Tijdelijk. In plaats van bevordering na 8 jaren werd toen de periode ingekort tot 4 jaren.
In de tweede alinea van het vierde sustenu zet verzoeker zijn uit het niets getrokken conclusie voort en herhaalt dat hij benadeeld is in zijn anciënniteit. Verzoeker stelt dan, zonder zijn mededelingen met bewijzen
te staven, dat anderen hogere posities dan hij bekleden, hoewel zij later in dienst zijn getreden.

4. Wanneer verzoeker dan ook in zijn vijfde sustenu van het verzoekschrift een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel en daarbij de negatieve uitwassen die in strijd zijn met het beginsel aanhaalt, dan ziet verweerder zich verplicht nadrukkelijk te ontkennen dat het gelijkheidsbeginsel in de algemene beginselen van behoorlijk bestuur hier geschonden zou zijn. Zolang verzoeker zijn stellingen niet staaft met sterke bewijzen en onderbouwt met tenminste één of meer voorbeelden om zijn belastende mededeling een schijn van waarheid te geven, behoort verzoeker niet ontvankelijk te zijn in zijn vordering om bevorderd te worden, liefst, tot majoor.

5. Verzoeker vergeet bij de algemene opsomming van wat het gelijkheidsbeginsel inhoudt, dat bevorderen van een landsdienaar niet alleen stoelt op het stuk van zijn anciënniteit, maar dat er andere criteria, die veel belangrijker zijn, door het bevoegde gezag in overweging worden genomen alvorens tot de bevordering over te gaan, bijvoorbeeld: Bekwaamheid, Kennis en Ervaring, Loyaliteit, Vaardigheid en Inzicht alsook Betrouwbaarheid en in het algemeen, de in het Ambtenaren Bezoldigings Besluit aangegeven criteria onder art.5 en daarna, uitgewerkt in de bekende bijlage E van het A.B.B. S.B. 1980 no. 153.

6. Onverminderd het voorgaande, is de vordering van verzoeker ook niet op de goede leest van het Administratief Recht in de Personeelswet neergelegd, geschoeid. Immers, het petitum vraagt aan het Hof van Justitie om zondermeer de STAAT te veroordelen tot betaling van een dwangsom van Sf.100.000,– (EENHONDERD DUIZEND GULDEN) voor elke dag dat verweerder in gebreke zou zijn aan het vonnis zoals
verzocht te voldoen. Het petitum is formeelrechterlijk geheel in strijd met de Personeelswet, omdat:
1. artikel 79 Personeelswet aan het Hof van Justitie optredende als Rechter in Ambtenaren Zaken binnen duidelijke grenzen de bevoegdheid geeft tot gehele of gedeeltelijke nietig verklaring van één daarvoor vatbaar besluit.
Verzoeker wijst geen enkel besluit aan dat hier voor vernietiging vatbaar zou kunnen zijn. Verzoeker schiet alsdan tekort in zijn stelplicht.

2. Verzoeker vraagt c.q. vordert slechts een exorbitante hoge dwangsom, terwijl er geen vonnis tot vernietiging van enig overheidsbesluit is voorafgegaan, uit welk voorafgaand vonnis, het onrechtmatig of in strijd met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur handelen van de administratie blijkt.
Ook het vorderen van een dwangsom alléén, zonder voorafgaande veroordeling van de STAAT, is in casu ook niet mogelijk zoals herhaaldelijk in ’s Hovens Jurisprudentie mag blijven.

3. Verweerder moge tenslotte erop wijzen dat in de opgenomen BESLUITEN (art.97 tweede lid) vatbaar voor vernietiging door het Hof in Ambtenaren Zaken, een besluit tot al of niet bevorderen van een ambtenaar, expres is weggelaten, tengevolge waarvan het Hof van Justitie niet competent zal zijn over de bevordering zoals gewild te beslissen.
Het Hof van Justitie is wel bevoegd wanneer het ging om verlaging van rang, maar mist de bevoegdheid wanneer het gaat om bevordering (verhoging) van rang. De opsomming van art.79 tweede lid Personeelswet, is namelijk limitatief, zoals weer uit ’s Hovens vaste jurisprudentie blijkt.
Overwegende, dat de verweerder op deze gronden
heeft geconcludeerd:
dat verzoeker niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering, c.q. hem het gevraagde zal worden ontzegd als zijnde onbewezen ongegrond, en in strijd met de Personeelswet;
Overwegende, dat ingevolge’s Hofs beschikking van 17 maart 1998 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, verzoeker in persoon bijgestaan door advokaat Mr.K.Brandon namens zijn gemachtigde, advokaat, Mr.B.G.Beckles, de heer Sondroju Theodurus stafmedewerker Juridische Zaken van het Ministerie van Defensie en advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft, gemachtigde van verweerder in Raadkamer zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast – te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 20 november 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat verzoeker blijkens het petitum vordert dat bij vonnis verweerder wordt veroordeeld die handelingen te verrichten die nodig zijn voor het veranderen van de anciënniteit van hem, verzoeker, zodanig dat hij niet wordt benadeeld in zijn carrieregang, zulks onder verbeurte van een dwangsom van Sf.100.000,– per dag of zoveel minder als in goede justitie billijk mocht worden geacht vanaf het moment van ’s Hoven uitspraak of vanaf een door het Hof te bepalen tijdstip;
Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het door verzoeker gevorderde opmerkt, dat hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken, als de onderhavige, kan worden gevorderd limitatief is omschreven in artikel 79 van de Personeelswet;
Overwegende, dat nu hetgeen verzoeker vordert niet onder de litimatieve omschrijving van gemelde wettelijke bepaling valt, zal het Hof verzoeker niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in de door hem ingestelde vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.VON NIESEWAND,Vice-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 22 JANUARI 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.K.Brandon namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.B.G.Beckles en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-20

M.H..
GENERALE ROL NO.14033

[appellant], wonende te [district] aan [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.M.R.CARRILHO, advocaat,
appellant in Kort Geding,

tegen

[geintimeerde], wonende te [district] aan [adres 2], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.U.F.TRUIDEMAN, advocaat,
geïntimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 10 juli 1997 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 22 juli 1997, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. Eiseres wenst de navolgende rechtsvordering in KORT GEDING in te stellen tegen: [appellant], wonende te [district] aan de [adres 1], gedaagde;

2. Blijkens de hierbij in fotokopie overgelegde akte de dato 20 november 1996 met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen, heeft eiseres op de VEILING gekocht: ”het recht van grondhuur – vervallende 6 november 2030 – op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 300 m², gelegen te [district] deel uitmakende van de [grond] bekend als [nummer] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter J.L.Wijdenbosch de dato 28 juni 1982 door de figuur ABCD en blijkens de in dorso gestelde aantekening van Ing.H. Kalloe de dato 6 september 1990 thans bekend als [adres 3];

3. De vorige eigenaar (gedaagde) weigert echter om het pand te verlaten, ondanks het feit dat voormeld pand krachtens artikel 1207 S.B.W. in het openbaar is verkocht en toegewezen aan eiseres. Gedaagde verblijft thans dus ZONDER ENIGE RECHT OF TITEL in het pand;

4. Eiseres heeft het pand zeer dringend van node, hetgeen door de koppige en onrechtmatige houding van gedaagde wordt belemmerd;

5. Uit de stellingen van eiseres blijkt wel, dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorziening in KORT GEDING;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in KORT GEDING tot zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:
a. gedaagde zal worden veroordeeld om binnen één week na de uitspraak in deze, het ZONDER RECHT OF TITEL door hem bewoonde pand staande en gelegen op het in grondhuur uitgegeven perceelland, groot 300 m², gelegen te [district], deel uitmakende van de [grond] bekend als [nummer], thans bekend als [adres 3], te ontruimen met medeneming van de zijnen en het zijnent en ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen, met machtiging van eiseres om de gewenste ontruiming zelf te bewerkstelligen met behulp van de STERKE ARM, indien en voor zover gedaagde in gebreke mocht blijven met de ontruiming als verzocht binnen de vast te stellen termijn;
b. gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;
Overwegende, dat ten dage voor afpleiten bepaald, de gemachtigden van partijen de zaak mondeling hebben bepleit en verklaard hebben, gelijk in het daarvan opgemaakt proces-verbaal staat gerelateerd en waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat ten dage bepaald voor uitlating zijdens gedaagde, de gemachtigde van gedaagde schriftelijke conclusie heeft genomen onder overlegging van produkties, waarvan de inhoud, evenals van de overgelegde produkties hier als ingelast dienen te worden beschouwd;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens eiseres bepaald, de gemachtigde van eiseres schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis in Kort Geding van 10 juli 1997 op de daarin opgenomen gronden:
Gedaagde heeft veroordeeld binnen Twee Maanden na deze uitspraak het pand, staande en gelegen op het perceelland, groot 300 m², gelegen te [district], deel uitmakende van de [grond] bekend als [nummer], en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter J.L.Wijdenbosch de dato 28 juni 1982 door de figuur ABCD en blijkens de in dorso gestelde aantekening van Ing.H.Kalloe de dato 6 september 1990 thans bekend als [adres 3], waarop het recht van grondhuur – vervallende 6 november 2030 – bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie de dato 18 oktober 1990, is verleend, te ontruimen en te verlaten en, met medeneming van al de zijnen en al het zijne, ter vrije en algehele beschikking van de eiseres te stellen; met machtiging op eiseres om, indien gedaagde weigeren mocht te ontruimen daartoe zelf over te gaan desnoods met behulp van de Sterke Arm;
Dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard op de minuut en op alle dagen en uren;
Gedaagde heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan eiseres haar zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op sf.4.562,– (VIERDUIZEND VIJFHONDERD TWEE EN ZESTIG GULDEN);
Het meer of anders gevorderde heeft geweigerd;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 10 juli 1997;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder CH.BALGOBIND van 20 februari 1998 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende advokaat Mr.L.H.R.Rogers namens de gemachtigde van appellant advokaat Mr.M.R.Carrilho ten dage voor repliek pleidooi peremptoir bepaald mondeling gepersisteerd bij haar stellingen, terwijl ter zelfde terechtzitting, advokaat Mr.L.H.R.Rogers voornoemd namens de gemachtigde van geintimeerde, advokaat Mr.R.U.F.Truideman eveneens mondeling heeft gepersisteerd voor dupliek pleidooi en vonnis heeft gevraagd;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 2 oktober 1998, doch na één maal te hebben aangehouden, nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het hoger beroep tijdig is ingesteld;
Overwegende, dat geen grief is aangevoerd tegen de vaststelling van de feiten in het beroepen vonnis, zodat ook in hoger beroep als vaststaand kan worden aangenomen dat geintimeerde eigenaar is van het in bedoeld vonnis nader omschreven recht van grondhuur;
Overwegende, dat uit de stellingen van partijen is op te maken dat geintimeerde dat recht in eigendom heeft verkregen door koop op een openbare veiling en door overschrijving van het proces-verbaal van veiling en toewijzing;
Overwegende, dat appellant als enige grief tegen het vonnis a quo heeft aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij de grondslag van de vordering van geintimeerde niet, althans niet gemotiveerd, heeft weersproken;
Overwegende, dat appellant verder heeft aangevoerd dat hij in eerste aanleg in zijn conclusie tot uitlating over het proces-verbaal van toewijzing uitvoerig heeft aangegeven welke onjuistheden zich hebben voorgedaan, die de vernietiging c.q. nietigheid tot gevolg hebben, voorts, dat de Kantonrechter aan vermeld verweer is voorbijgegaan;
Overwegende, dat de vordering van geintimeerde, behalve op het hierboven vermeld vaststaand feit, kort gezegd, is gebaseerd op de stelling dat appellant zonder recht of titel in het betreffende pand zit;
Overwegende, dat appellant in zijn hoger vermelde conclusie tot uitlating heeft aangevoerd dat zaken niet op de juiste wijze zijn afgehandeld en hij derhalve doende was in een bodemgeschil een vordering in te dienen tot vernietiging van het proces-verbaal van toewijzing op de openbare verkoop;
Overwegende, dat appellant ter staving daarvan heeft aangevoerd dat in de schuldbekentenis d.d. 19 maart 1996 vermeld staat dat de geleende som Nf.8.000,– bedraagt, terwijl in de akte van geldleen met hypotheekstelling d.d. 19 maart 1996 als hoofdsom vermeld staat Nf.12.800,– en in het exploit d.d. 2 oktober 1996 Nf.12.000,–;
Overwegende, dat nu appellant niet heeft aangegeven op welke ”zaken” hij het oog had en ook niet heeft vermeld wat er aan de afhandeling van die ”zaken” schortte noch waarom die misslag(en) grond voor vernietiging of nietigverklaring van het proces-verbaal van toewijzing zouden moeten leiden en dit alles ook niet bleek uit het feit dat in de genoemde stukken verschillende bedragen werden genoemd, de Kantonrechter terecht tot het oordeel is gekomen dat de grondslag van de vordering niet gemotiveerd was betwist;
Overwegende, dat de grief derhalve faalt en het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd, met de verwijzing van appellant in de proceskosten als de in het ongelijk gestelde partij;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 10 juli 1997 uitgesproken vonnis, waarvan beroep;
Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f….
Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f…..
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f.

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 8 januari 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.L.H.R.Rogers namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.M.R.Carrilho en geïntimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.Baldew namens haar gemachtigde, advokaat Mr.R.U.F.Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.