SRU-HvJ-1999-30

M.R.S.
GENERALE ROL NO.14029.

[appellant], wonende te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat,
appellant in Kort Geding,

tegen

[geintimeerde], wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.G.GANGARAM-PANDAY, advokaat,
geintimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 8 juni 1995 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 9 juni 1995, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. dat eiser de navolgende rechtsvordering in Kort Geding wenst in te stellen tegen [geintimeerde], wonende aan [adres] te [district], gedaagde;

2. dat de eiser in het jaar 1985 de woning gelegen aan [adres] aan de gedaagde heeft verhuurd voor de huurprijs van Sf. 75,– (VIJF EN ZEVENTIG GULDEN) per maand, welke huurprijs uiteindelijk in verband met de gestegen kosten werd vastgesteld op Sf.150,– (EENHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) per maand;

3. dat gebleken is dat gedurende de duur van deze overeenkomst van huur en verhuur de gedaagde de litigieuze woning heeft onderverhuurd aan andere personen, zonder toestemming van de eiser, in elk geval is gebleken dat andere personen de woning betrekken, hetgeen de eiser de gedaagde niet heeft toegestaan;

4. dat de eiser de gedaagde herhaalde malen heeft aangemaand de woning te ontruimen, niet alleen vanwege het onbehoorlijk gebruik dat de gedaagde van het gehuurde maakt, maar ook vanwege het feit dat de woning in een deplorabele toestand verkeert en dringende reparaties nodig zijn, zoals moge blijken uit het rapport van de Bouwtechnisch Adviseur Ing. C.S.B.SMIT d.d. 19 januari 1995, met het verzoek de inhoud van dit rapport als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

5. dat de eiser dan ook bij schrijven van zijn raadsman d.d. 25 januari 1995, welk schrijven de gedaagde bij deurwaardersexploit is uitgereikt, de gedaagde heeft aangemaand om de woning per eind februari 1995 te ontruimen, aan welke sommatie de gedaagde geen gevolg heeft gegeven, met het verzoek de inhoud van dit schrijven als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

6. dat nu uit het rapport van de deskundige blijkt dat de woning aan een dringende reparatie toe is, ten einde gevaar voor personen en goederen te voorkomen (artikel 1576 BW) de verzoeker een zeer spoedeisend belang heeft om in Kort Geding de gedaagde op te dragen de zeer bouwvallige woning te ontruimen, te meer daar deze vordering geent is op artikel 4 van de Huurbeschermingswet 1949;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:
a. de schorsing zal worden gelast van de overeenkomst van huur en verhuur gesloten in het jaar 1985;

b. de gedaagde zal worden gelast om binnen 1 maand na de uitspraak althans binnen een door de Kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn de woning gelegen aan [adres] te ontruimen met alle zich bevindende personen en goederen en de woning ter beschikking van de eiser te stellen;

c. de eiser zal worden gemachtigd om indien de gedaagde nalatig blijft het gehuurde te ontruimen deze zelf te doen bewerkstelligen desnoods met behulp van de Sterke Arm, kosten rechtens;
Overwegende, dat [geintimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:
dat eiser in zijn vordering jegens de gedaagde niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze aan hem zal worden ontzegd alszijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 13 april 1995 op de daarin opgenomen gronden:
een descente heeft gelast;
Overwegende, dat ter gehouden descente van partijen d.d. 8 juni 1995 partijen in persoon zijn verschenen bijgestaan door hun respectieve gemachtigden, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een schriftelijke conclusie na descente hebben genomen;
Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 8 juni 1995 op de daarin opgenomen gronden:
De van de Kantonrechter gevraagde voorziening heeft geweigerd;
Eiser heeft veroordeeld in de kosten van dit proces, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. Nihil;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 8 juni 1995;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.SITARAM 23 augustus 1996 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellant bij repliekpleidooi een produktie overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 19 juni 1998, doch na enige malen de hebben aangehouden nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat de appellant tijdig in hoger beroep gekomen is van de beslissing van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, rechtdoende in kort geding, d.d. 8 juni 1995;
Overwegende, dat de appellant als eiser in eerste aanleg, de ontruiming van het gehuurde woonhuis van de geintimeerde, gedaagde in eerste aanleg, vordert op grond dat de geintimeerde het woonhuis onderverhuurd zou hebben aan andere personen zonder de toestemming of medeweten van de appellant en op grond dat het verhuurde object in een deplorabele staat zou verkeren;
Overwegende, dat de eerste rechter een gerechtelijke plaatsopneming gelast en gehouden heeft, waarbij van voormelde onderhuur noch het bevinden van dat woonhuis in een deplorabele toestand gebleken is en dat die rechter op grond daarvan en mede op grond dat de vertegenwoordiger van de appellant bij de descente gesteld heeft dat dat woonhuis na de ontruiming door de geintimeerde zal worden afgebroken – en dus niet gerepareerd zou worden – aan de appellant de gevraagde voorzieningen geweigerd heeft;
Overwegende, dat de appellant twee grieven tegen de beslissing van de eerste rechter aangedragen heeft, de eerste inhoudende dat dat huis toch in een zeer slechte staat verkeert en dat dus die rechter een onjuiste waarneming gedaan heeft, en de tweede dat ook al zou de tot ontruiming aanleiding gevende beslissing in kort geding een einde betekenen van de huurrelatie tussen partijen, die beslissing toch gegeven zou moeten worden;
Overwegende, dat de grieven ongegrond zijn, omdat de eerste rechter feitelijk geconstateerd heeft dat van onderhuur en van een zeer slechte staat van de onderhavige woning geen sprake is op grond waarvan de huurovereenkomst zou moeten worden geschorst als de appellant gevorderd heeft;
Overwegende, dat de overweging van de eerste rechter over de afbraak van de woning als een overweging ten overvloede moet worden beschouwd, omdat die geen betrekking heeft op de grondslag van de vordering van de appellant (t.w.: onderhuur en slechte staat);
Overwegende, dat het bovenoverwogene tot gevolg heeft dat het vonnis, waarvan beroep, zal worden bevestigd en dat de appellant – als de in het ongelijk gestelde partij – de gedingkosten voor haar rekening zal moeten nemen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 8 juni 1995 tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;
Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.5.000,–;
Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden toegekende salaris van f.5.000,– ;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van de appellant eveneens op f.5.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM-PANDAY,
Fungerend-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.A.I.RAMNEWASH, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 5 FEBRUARI 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.S.GANGARAM PANDAY

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.BALDEW namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN en geintimeerde vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.G.GANGARAM-PANDAY, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1993-14

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 15 januari 1993
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, E.S. Ombre en O.W. Abendanon)

[verzoeker], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende aan de Watermolenstraat no. 32 te Paramaribo, ten kantore van zijn gemachtigde, advokaat Mr. H.R. SCHURMAN, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Binnenlandse Zaken, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, advokaat Mr. A.R. BAARH, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Dat verzoeker de navolgende wenst in te stellen tegen:

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Binnenlandse Zaken, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, verweerder;

2. Dat verzoeker op 22 augustus 1968 in dienst is getreden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en te werkgesteld op het Bureau voor Burger Zaken (C.B.B.) in het distrikt Coronie;

3. Dat blijkens hierbij overgelegde resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 3 september 1986, verzoeker, te rekenen van 1 januari 1986, is bevorderd tot Hoofd Ambtenaar B 3e klasse (schaal 16) en hem te belasten met de leiding van de afdeling Automatisering, onder toekenning van een bezoldiging van ƒ 1.722,– (EENDUIZEND ZEVENHONDERD TWEE EN TWINTIG GULDEN) per maand;

4. Dat verzoeker altijd zijn werkzaamheden tot volle tevredenheid van zijn superieuren heeft verricht, hebbende verzoeker zich steeds voorbeeldig en integer gedragen.

Verzoeker is ruim 23 jaar geleden in Coronie als controleur in dienst getreden en is vanwege zijn inzichten naar Paramaribo gehaald om op niveau bij te dragen aan de uitbouw van het C.B.B.

Verzoeker is jarenlang docent geweest aan de Interne Basis Opleiding C.B.B. personeel, welke opleiding mede door zijn initiatief tot stand is gekomen.

Verzoeker heeft verscheidene, belangrijke verbeteringen doorgevoerd in de wijze van functioneren van de totale bevolkingsadministratie, automatisering, invoering van hulppersoonskaarten in geheel Suriname, het instellen van hulpbureaus in de distrikten en in het verre binnenland, de verbetering van procedures van en aan dienstverleners, de registratie van vreemdelingen, de onmisbare bijdrage bij de tijdige sanering van de kiezersadministratie bij de organisatie van de verschillende verkiezingen in Suriname in 1977, 1980, 1987 en 1991;

5. Dat blijkens hierbij overgelegde resolutie van de President van de Republiek Suriname, de dato 19 juni 1991 verzoeker met ingang van heden uit zijn functie is ontheven, aangezien hij tijdens verkiezingstoespraken te Coronie in het openbaar heeft verkondigd dat hij personen administratief tijdelijk heeft verhuisd naar Coronie, teneinde hen in staat te stellen in het kiesdistrikt (Coronie) hun stem op hem, verzoeker, als kandidaat van de Nationale Assemblée te brengen.

Dat volgens het Openbaar Ministerie in het onderhavige geval sprake is van vermoeden van gepleegde ernstige strafbare feiten, bij voortduring gepleegd door verzoeker;

6. Verzoeker ontkent met klem enig strafbaar feit te hebben gepleegd en voelt zich in zijn goede naam en eer ernstig aangetast door dit besluit.

Verzoeker is van oordeel dat dit besluit niet in stand kan blijven, nu er geen gronden aanwezig zijn die dit besluit rechtvaardigen.

Verzoeker is ambtenaar en is op hem de Personeelswet (P.W.) van toepassing, daargelaten het feit dat verzoeker niet de gelegenheid heeft gehad zich te verweren;

7. Verzoeker ontkomt niet aan de indruk dat dit besluit met politieke redenen is omkleed, nu hij kandidaat was gesteld van Palu in het distrikt Coronie, bij de afgelopen verkiezing van 25 mei 1991;

8. Dat het besluit van 19 juni 1991 ernstige consekwenten heeft voor verzoeker in zijn verdere loopbaan, hebbende verweerder, althans het Ministerie van Binnenlandse Zaken, niet de nodige zorgvuldigheid in acht genomen, welk betamelijk is in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van een persoon, weshalve zij zich schuldig maakt aan een onrechtmatige dam jegens verzoeker c.q. onbehoorlijk bestuur en de belangen niet goed te hebben afgewogen (vide 4e ”dat”);

9. Verzoeker wenst voorts te stellen dat het besluit van 19 juni 1991 niet in stand kan blijven, nu in het besluit is opgenomen dat: met ingang van heden de Hoofdambtenaar B 3e klasse in vaste dienst, belast met de leiding van de afdeling Inspektie bij het C.B.B. uit zijn functie wordt ontheven.

Verzoeker is blijkens bereids overgelegde resolutie de dato 3 september 1986 belast met de leiding van de afdeling Automatisering.

Onnodig te vermelden dat een ander besluit hierop van toepassing is.

Uit het bovenstaande blijkt dat het voornoemde besluit niet instand kan blijven doch nietig behoort te worden verklaard;

10. Dat verzoeker recht en belang heeft dat het besluit van 19 juni 1991 ongedaan wordt gemaakt c.q. nietig wordt verklaard en verzoeker in staat te stellen zijn huidige functie onmiddellijk te hervatten;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

– dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, verweerder, althans het Ministerie van Binnenlandse Zaken, zal worden gelast het besluit van 19 juni 1991 onmiddellijk, althans binnen een door de Rechter vast te stellen termijn, in te trekken, althans voornoemd besluit te vernietigen op straffe van een dwangsom van ƒ 500,– (VIJFHONDERD GULDEN) per dag, voor elke dag dat verweerder weigert hieraan te voldoen;

Overwegende, dat van de Staat Suriname geen verweer is binnen gekomen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking d.d. 31 oktober 1991 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr. H.R. SCHURMAN, advokaat Mr. A.R. BAARH, gemachtigde van verweerder en Mr. TROON, Directeur van Binnenlandse Zaken, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder een fotocopie van het strafdossier heeft vergelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna hier als geïnsereed aan te merken schriftelijke conclusies tot uitlating hebben genomen;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, onder overlegging van produkties, vonnis is gevraagd, waarvan het Hof de uitspraak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker op de in zijn verzoekschrift aangevoerde gronden heeft gevorderd, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, verweerder zal worden gelast het besluit van 19 juni 1991 Bureau no. II, no. [nummer], onmiddellijk, althans binnen een door het Hof vast te stellen termijn, in te trekken, althans voornoemd besluit te vernietigen, op straffe van een dwangsom van ƒ 500,– (VIJFHONDERD GULDEN) per dag, voor elke dag dat verweerder weigert hieraan te voldoen;

Overwegende, dat wat van de aan verzoekers vordering ten grondslag gelegde feiten ook moge zijn, zij in casu niet kunnen leiden tot toewijzing van verzoekers vordering;

Overwegende immers, dat blijkens de naar vaste rechtspraak aanvaarde leer, hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ammtenarenzaken kan worden gevorderd, limitatief is omschreven in artikel 79 der Personeelswet (G.B. 1962 no. 195); conform:

1) vonnis Hof van Justitie (Ambtenarengerecht) d.d. 3 maart 1967, Surinaams Juristenblad van november 1967 no. 9, vonnis no. 74;

2) vonnis Hof van Justitie (Ambtenarengerecht) van 18 december 1970, Surinaams Juristenblad 1970 no. 15;

3) vonnis Hof van Justitie (Ambtenarengerecht) van 7 mei 1971, Surinaams Juristenblad 1971 no. 15;

Overwegende, dat nu hetgeen verzoeker vordert niet in de limitatieve opsomming is opgenomen, toewijzing van diens vordering reeds daarop afstuit;

– dat daaraan niets afdoet, nu verweerder abusievelijk in gemeld besluit heeft doen opnemen dat verzoeker belast is met de leiding van de afdeling Inspectie bij het Centraal Bureau voor Burgerzaken van het departement van Binnenlandse Zaken, instede van, dat verzoeker belast is met de leiding van de afdeling Automatisering (van gemeld departement);

Overwegende, dat het Hof verzoeker mitsdien niet ontvankelijk zal verklaren in diens vordering;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in de door hem ingestelde vordering;

 

SRU-HvJ-1993-13

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 29 januari 1993

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R.von Niesewand en O.W. Abendanon)

[verzoeker], ambtenaar B lste klasse, wonende te [district] aan de [adres], voor wie als gemachtigde optreedt Mr. J.J. EMANUELSON, advocaat, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Financiën, rechts persoon, in rechten vertegenwoordigd worden door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo te zijnen Parkette aan de Gravenstraat 3, voor wie als gemachtigde optreedt Mr. W.A. RICHARDS, advokaat, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Dat verzoeker de volgende vordering wenst in te stellen bij het Hof als Ambtenarengerecht tegen DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Financiën, rechtspersoon, in rechten vertegenwoordigd worden door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo te zijnen Parkette aan de Gravenstraat 3, verweerder;

2. Dat, blijkens hierbij in afschrift overgelegde beschikking van de Minis­ter van Financiën en Planning de dato 28 januari 1985 no. La. PZ. [nummer 1], te rekenen van 1 januari 1985 verzoeker, werkzaam op het Algemeen Bureau voor de Statistiek, in de rang van ambtenaar B 3de klasse in vaste dienst werd aangesteld, onder toekenning van een bezoldiging van f. 436,- (VIERHONDERD ZES EN DERTIG GULDEN) per maand; dat verzoeker mitsdien is ambtenaar in de zin van de Personeelswet;

3. Dat, blijkens hierbij eveneens in fotocopie overgelegde beschikking van de Minister van Financiën de dato 20 september 1989 La. F. PZ. [nummer 2]:

te rekenen van 1 februari 1985 de bezoldiging van verzoeker werd her­zien en nader vastgesteld op 

f. 453,– (VIERHONDERD DRIE EN VIJFTIG GULDEN) per maand;

b. te rekenen van 1 januari 1986 dit salaris met een bedrag van f. 17,–(ZEVENTIEN GULDEN) werd verhoogd en alzo gebracht op f. 470,–(VIERHONDERD EN ZEVENTIG GULDEN) per maand;

c. te rekenen van 1 januari 1987 verzoeker werd bevorderd tot ambtenaar B lste klasse, onder toekenning van een bezoldiging van f. 546,–(VIJFHONDERD ZES EN VEERTIG GULDEN) per maand;

d. te rekenen van 1 januari 1988 de bezoldiging van verzoeker werd verhoogd met f. 20,– (TWINTIG GULDEN) en alzo gebracht op f. 566,–(VIJFHONDERD ZES EN ZESTIG GULDEN); voorts werd deze bezoldiging, ingevolge de resolutie van 20 januari 1989 no. 366 (GB. 1989 no.7) herzien en gebracht op

f. 586,– (VIJFHONDERD ZES EN TACTHTIG GULDEN) per maand (schaal 6);

e. te rekenen van 1 januari 1989 het salaris van verzoeker werd verhoogd met f. 20,– en alzo gebracht

f. 606,– (ZESHONDERD EN ZES GUL­DEN) per maand;

4. Dat, ondanks alle vorenvermelde beschikkingen van de Minister van Financiën, die een verhoging van het salaris van verzoeker beogen en ondanks de bevordering van verzoeker te rekenen van 1 januari 1987 tot ambtenaar B 1ste klasse, waarbij zoals hiervoren onder het tweede ”dat” onder c vermeld, zijn salaris alstoen f. 546,– (VIJFHONDERD ZES EN VEERTIG GULDEN) per maand had moeten bedragen, verzoeker, blijkens de hierbij overgelegde salarisstroken, tot en met de maand november 1990 slechts een brutobedrag van f. 521,– (VIJFHONDERD EEN EN TWINTIG GULDEN) per maand aan salaris heeft ontvangen;

5. Dat verzoeker voorts hierbij overlegt fotocopie van het door hem op 21 augustus 1985 behaald diploma, na met gunstig gevolg afgelegd Staatsexamen ”Elementair Statistiek” (G.B. 1975 no. 11), welk diploma de bezitter recht geeft op een benoeming in de rang van ambtenaar B 1 ste klasse en de inschaling in schaal 6 van de salarisregeling voor bureau-ambtenaren (f. 546,– – f. 694,–);

6. Dat de inpassing van het salaris van verzoeker in schaal 6 van de in het jaar 1985 voor bureau-ambtenaren geldende salarisreeksen voor verzoeker, na behaald diploma ”Elementair Statistiek” niet heeft plaatsgevonden, doch verzoeker met zijn salaris in schaal 4 van gemelde salarisreeksen is ”blijven steken” en dat zulks, naar verzoeker eerst thans is gebleken geschiedde vanwege en in opdracht van de Directeur van het Algemeen Bu­reau voor de Statistiek. Gemelde Directeur heeft jegens verzoeker de disciplinaire maatregelen getroffen, dat voor hem, verzoeker, gedurende een periode van 4 (vier)jaren, te rekenen van het jaar 1985, geen bevordering c.q. benoeming in een hogere rang zal gelden, ongeacht het bezit van enig diploma;

7. Dat deze maatregel door deDirecteur van het Algemeen Bureau voor de Statistiek jegens verzoeker werd getroffen, vanwege de omstandigheid dat verzoeker niet ”netjes genoeg” en met o.m. ”badslippers” op het werk verschijnt; dat het ook om deze reden is geweest, dat de. voormelde Directeur, te rekenen van 1 november 1990 de uitbetaling van het salaris aan verzoeker dat bruto f. 527,– per rnaand bedraagt en netto f. 429,40 beloopt, heeft geblokkeerd, nadat eerder aan verzoeker de toegang tot het werkterrein werd ontzegd totdat hij behoorlijk gekleed op het werk verschijnt;

8. Dat van de door de Directeur van het Algemeen Bureau voor de Statistiek tegen verzoeker getroffen disciplinaire maatregelen, z.a. de onthouding van bevordering van verzoeker gedurende 4 jaren, ondanks een behaald di­ploma, werd aan verzoeker noch schriftelijk, noch mondeling mededeling gedaan, hetgeen naar het oordeel van verzoeker in strijd is met artikel 5 van de Personeelswet;

9. Dat verzoeker bij schrijven van de Directeur van het Algemeen Bureau voor de Statistiek de dato 28 augustus 1990 FPZ/[nummer 3]49 intern, welk schrijven hierbij wordt overgelegd, onwettig verzuim van het werk gedurende het tijdvak 16 juli 1990 tot en met 22 augustus d.a:v, wordt verweten, met verzoek zich terzake op uiterlijk 1 september 1990 te verantwoorden, aangezien noch het inzenden van een dokters-attest, noch zijn diensthervatting op 23 augustus 1990 als verweer voor zijn onwettige afwezigheid kan worden opgevat; dat een door verzoeker, die maagpatient is, vóór l september 1990 ingezonden verweerschrift geen genade kon vinden bij gemelde Directeur en de door deze tegen verzoeker getroffen disciplinaire maatregelen werden gehandhaafd, zonder dat de door de Personeelswet vereiste schriftelijke mededeling aan verzoeker werd gedaan;

10. Dat, ondanks de ministeriële beschikking van 20 september 1989 La. F. PZ. [nummer 2]  verzoeker, in opdracht van voormelde Directeur van het ABS aldaar als bode/porter van dit Bureau heeft moeten fungeren, hetgeen in feite een degradatie van verzoeker voor hem betekende;

11. Dat zelfs de bemiddeling van de Werknemersorganisatie van het Algemeen Bureau voor de Statistiek om aan verzoeker in deze aangelegenheid recht te doen wedervaren, heeft niet mogen baten. De jegens verzoeker getroffen disciplinaire maatregelen werden en worden nog steeds onverkort gehandhaafd, zoals blijkt uit bijgaand schrijven van deze organisatie de dato 30 augustus 1990 aan de Minister van Financiën, waarvan hierbij een afschrift wordt overgelegd;

12. Dat, naar het oordeel van verzoeker, de Directeur van het Algemeen Bureau voor de Statistiek, geheel ten onrechte aan hem heeft onthouden zijn bevordering na het behalen van het diploma ”Elementair Statistiek” op 21 augustus 1985 en bovendien pertinent weigert te doen uitvoeren de beschikking van de Minister van Financiën de dato 20 september 1989 La. F. PZ. [nummer 2] waarbij verzoeker te rekenen van 1 januari 1987 werd bevorderd tot ambtenaar B l ste klasse, onder toekenning van een aanvangsbezoldiging van f. 546,– (VIJFHONDERD ZES EN VEERTIG GULDEN) per maand, (schaal 6); Deze beschikking werd aan verzoeker, bij aan-vraag, onderhands verstrekt door de afdeling Personeelszaken van het Ministerie van Financiën. Officiële toezending van deze beschikking aan verzoeker heeft nimmer plaatsgevonden en de uitvoering hiervan heeft evenmin plaatsgehad;

13. Dat, naar aanleiding van het vorengestelde, verzoeker in dermate ernstige financiële problemen is komen te verkeren, waardoor hij thans niet meer in staat is in zijn eigen levensonderhoud te voorzien;

14. Dat verzoeker, ondanks herhaalde daartoe gedane pogingen, geen duidelijkheid van verweerder heeft kunnen verkrijgen met betrekking tot zijn rechtspositie alsmede de voortdurende blokkering van zijn salaris;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

– dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voonaad:

A. de verweerder zal worden bevolen onmiddellijk na de uitspraak van het vonnis, althans binnen een door het Hof te bepalen termijn, de blokkering van het salaris van verzoeker, te rekenen van 1 november 1990 op te heffen, onder verbeurte van een dwangsom van f. 100,– per dag voor elke dag dat de verweerder weigert aan voormeld bevel te voldoen;

B. de verweerder zal worden bevolen het beschikbaar gekomen salaris van verzoeker vanaf de maand november 1990, vermeerderd met de wettelijke rente hierover, vanaf de dag van indiening van dit verzoekschrift tot aan de die der algehele voldoening, aan verzoeker uit te betalen c.q. uit te keren en voorts met de uitbetaling van het salaris van verzoeker voort te gaan, zo nodig bijwege van voorschot, totdat verzoekers rechtspositie c.q. diens dienstbetrekking zal zijn hersteld;

C. de verweerder voorts zal worden bevolen aan verzoeker, binnen de gebruikelijke termijn na het behalen van het diploma ”Elementair Statistiek” de bevordering toe te kennen welke in de regel aan bezitters van dit diplo­ma wordt toegekend;

D. de verweerder zal worden bevolen uitvoering te geven aan de beschikking van de Minister van Financiën de dato 20 september 1989 La. F. PZ. [nummer 2], waarbij verzoeker werd bevorderd tot de rang van ambtenaar B 1 ste klasse, kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de bij de Wet gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarbij hij als verweer heeft aangevoerd: dat verzoeker vordert:

a. dat verweerder zal worden bevolen onmiddellijk na de uitspraak van het vonnis, althans binnen een door het Hof te bepalen termijn, de blokkering van het salaris van verzoeker, te rekenen van 1 november 1990 op te heffen, onder verbeurte van een dwangsom van f. 100,– per dag voor elke dag dat de verweerder weigert aan voormeld bevel te voldoen;

b. de verweerder zal worden bevolen het beschikbaar gekomen salaris van verzoeker van de maand november 1990, vermeerderd met de wettelijke rente hierover, vanaf de dag van indiening van dit verzoekschrift tot aan die der algehele voldoening, aan verzoeker uit te betalen c.q. uit te keren, en voorts met de uitbetaling van het salaris van verzoeker voort te gaan, zo nodig bijwege van voorschot, totdat verzoekers rechtspositie c.q. diens dienstbetrekking zal zijn hersteld;

c. de verweerder voorts zal worden bevolen aan verzoeker, binnen de gebruikelijke termijn na het behalen van het diploma ”Elementair Statistiek” de bevordering toe te kennen welke in de regel aan bezitters van dit diploma wordt toegekend;

d. de verweerder zal worden bevolen uitvoering te geven aan de beschikking van de Minister van Financiën de dato 20 september 1989 La. F. PZ. [nummer 2], waarbij verzoeker werd bevorderd tot de rang van ambtenaar B lste klasse;

e. verweerder merkt ten aanzien van het sub a en b gevorderd op, dat verzoeker gedurende de periode invoege als uit de hierbij overlegde copieën ter zake blijken, zonder wettige redenen van het werk heeft verzuimd en derhalve ingevolge het bepaalde in artikel 28 lid 3 van de Personeelswet G.B. 1962 no. 195 geen aanspraak maakt op loon over die periode. Voorts merkt verweerder ten aanzien van het sub c gevorderde op, dat het bevorderen van een ambtenaar na het behalen van het diploma ”Elementair Sta-tistiek” – zoals in casu verzoeker – niet imperatief is voorgeschreven ten blijke waarvan verweerder hierbij een fotocopie overlegt van de resolutie van 28 januari 1975 no. [nummer 4]. Verweerder verwijst tenslotte voor wat het sub d gevorderde betreft, het Hof naar het bepaalde in artikel 5 van de Personeelswet. Bovendien kan verzoeker ten aanzien hiervan niet bij het Hof ingevolge het bepaalde van artikel 80 van evengenoemde wet in beroep komen, vermits ten aanzien van verzoeker over het sub d gevorderde geen ”Besluit” is genomen, nu de beschikking a quo niet aan verzoeker is uitgereikt.

De verweerder ontkent al hetgeen dat niet woordelijk en uitdrukkelijk door haar wordt erkend;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

– dat verzoeker zowel zijn primaire als subsidiaire vorderingen zullen worden afgewezen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking d.d. 27 december 1991 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr. J.J. Emanuelson, de gemachtigde van verweerder advokaat Mr. W.A. Richards, de heer E.R. van Varseveld, Hoofd Personeelszaken van het Ministerie van Financiën en mevrouw C.I. Pinas, maatschappelijk werkster op het Ministerie van Financiën, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat door de gemachtigde van verweerder hierna een evaluatie rapport over verzoeker is overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker vervolgens een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating over het door verweerder uitgebracht rapport heeft genomen;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 15 januari 1993, nader op 12 februari 1993, doch bij vervroeging op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker blijkens het petitum onder A van zijn verzoekschrift heeft gevorderd, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, verweerder te bevelen onmiddellijk na de uitspraak van het vonnis, althans binnen een door het Hof te bepalen termijn, de blokkering van het salaris van verzoeker, te rekenen van 1 november 1990 op te heffen, onder verbeurte van een dwangsom van f. 100,– per dag, voor elke dag dat de verweerder weigert aan voormeld bevel te voldoen;

Overwegende, te dien aanzien, dat tussen partijen als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, in confesso is, dat verzoeker ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet, tewerkgesteld is op het Ministerie van Financiën, afdeling Algemeen Bureau voor de Statistiek; dat verzoekers salaris door verweerder op 1 november 1990 werd geblokkeerd;

Overwegende, dat naar luid van artikel 80 lid 2, aanhef en onder b, zijn vorderingen, als bedoeld in artikel 79, eerste lid aanhef en onder ben c, niet ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld:

a. …………………………………

b. – voorzover zij betrekking hebben op een genomen besluit of een verrichte handeling – meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht, dan wel de handeling geacht kan worden te zijner kennis te zijn gekomen;

Overwegende, dat het Hof ervan uitgaat, dat de blokkering van verzoekers salaris geacht wordt op 1 november 1990 ter kennis van verzoeker te zijn gekomen, immers uit de zich in het procesdossier bevindende salarisslip in fotocopie blijkt dat;

Overwegende, dat blijkens de aantekening van de Griffier van het Hof van Justitie het verzoekschrift van verzoeker op 31 oktober 1991 ter Griffie van het Hof is ingekomen;

– dat nu de vordering onder A van het petitum, naar uit het voorgaande blijkt, meer dan een maand nadat de handeling, i.c. de blokkering van verzoekers salaris, geacht wordt ter kennis van hem – verzoeker – te zijn gekomen, is ingediend, is verzoeker in het onder A van het petitum gevorderde niet ontvankelijk;

Overwegende, dat verzoeker ook in het onder B van het petitum gevorderde niet ontvankelijk is, nu het is een sequeel van het onder A gevorderde ondergaat;

Overwegende, dat verzoeker onder C van het petitum heeft gevorderd, verweerder te bevelen aan hem – verzoeker – binnen de gebruikelijke termijn na het behalen van het diploma ”Elementair Statistlek” de bevordering toe te kennen, welke in de regel aan bezitters van het diploma wordt toegekend;

Overwegende, dat tussen partijen als enerzijds gesteld en anderzijds erkend rechtens in confesso is, dat verzoeker op 21 augustus 1985 het diploma ”Elementair Statistiek” heeft behaald;

– dat verzoeker, ten bewijze van zijn stelling, dat het diploma de bezitter daarvan recht geeft op een benoeming in de rang van ambtenaar B lste klasse en de inschaling in schaal 6 van de salarisregeling voor bureauambtenaren, heeft verwezen naar de passage in een zich onder de gedingstukken bevindende folder van het ALgemeen Bureau voor de Statistiek, luidende:

”Bezitters van het diploma Elementair Statistiek maken in Overheidsdienst aanspraak op een benoeming tot ambtenaar B lste klasse (schaal 6, per 5 augustus 1982 bruto maandinkomen 457 – 566)”;

Overwegende, dat nu aan de folder van het A!gemeen Bureau voor de Statistiek elke wettelijke basis ontbreekt en niet gesproken kan worden van een vereiste, waaraan men moet voldoen om benoemd te worden tot ambtenaar B lste klasse, dient toewijzing van dat gevorderde onder C geheel achterwege te blijven;

Overwegende, dat door verzoeker onder D van het petitum wordt gevorderd, verweerder te bevelen uitvoering te geven aan de beschikking van de Minister van Financiën d.d. 20 september 1989 La. F. PZ. [nummer 2], waarbij verzoeker werd bevorderd tot de rang van ambtenaar B 1 ste klasse;

Overwegende, dat opgemerkt zij, dat de omstandigheid, dat de inhoud van voormelde beschikking niet op de bij artikel 5 Personeelswet voorgeschreven wijze ter kennis van verzoeker is gebracht, aan de totstandkoming daarvan niet afdoet;

Overwegende, dat het den Hove overigens voorkomt, dat gelet op het feit, dat hetgeen van het Hof als Gerecht in Ambtenarenzaken kan worden gevorderd, limitatief omschreven is in artikel 79 der Personeelswet en het onder D van het petitum gevorderde daaronder niet valt, het Hof niet bevoegd is tot kennisneming daarvan;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, verzoeker zijn vordering had moeten baseren op het bepaalde onder artikel 79 lid l sub b van genoemde wet, wat hij niet heeft gedaan;

Overwegende, dat het Hof dan ook tot de slotconclusie komt, dat verzoeker niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen sub A t/m D;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vorderingen;

 

SRU-HvJ-1993-12

Hof van Justitie
26 februari. 1993, G.R. 13191
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, A.I. Ramnewash)

[appellante], echtgenote van [naam 1], wonende te [woonplaats], in [land], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. H.R. Schurman, advocaat, appellante in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district], domicilie kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, advocaat mr. B.A. Halfhide, aan de Lim A Postraat no. 1, geïntimeerde, in Kort Geding.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 13 februari 1992 tussen partijen gewezen;

het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 20 februari 1992, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1.        Eiser wenst de navolgende vordering in Kort Geding in te stellen tegen [appellante], echtgenote van [naam 1], wonende te [woonplaats], in [land], gedaagde;

2.        Eiser is eigenaar van het motorvoertuig merk Suzuki, [type], van het bouwjaar 1986, [kenteken];

3.        Blijkens hierbij  in fotokopie overgelegd exploit van de deurwaarder James Edward Kolf d.d. 10 mei 1991 no. 0467, A.R. No. 91-1934, is ten verzoeke van gedaagde revindicatoir beslag gelegd op voormeld motor-voertuig en is dit voertuig door de deurwaarder meegenomen en onder bewaring gesteld bij de heer [naam 2] Vertrouwd, wonende aan [straat].

Blijkens hierbij in fotokopie overgelegd exploit van voornoemde deurwaarder d.d. 18 juli 1991 no. 0779, is [naam 2] Vertrouwd door hem ontslagen als bewaarder en is als nieuwe bewaarder aangesteld mevrouw [naam 3], wonende aan [adres 1], allernaast de woning van de vader van gedaagde die aan [adres 2] woont.

Voormeld voertuig blijft in werkelijkheid op het erf van de vader van gedaagde, die dagelijks gebruik maakt van dit voertuig en daarmee kort geleden een aanrijding op de openbare weg veroorzaakt heeft. Alzo maakt gedaagde misbruik van het besagrecht, weshalve dit beslag dient te worden opgeheven;

4.        Eiser wenst met nadruk te stellen dat het goed in revindicatoir beslag is genomen. Eiser ontkent en betwist de bevoegdheid van gedaagde en van de deurwaarder om bij revindicatoir beslag het beslagen goed mee te nemen en daarover een bewaarder aan te stellen. Ingevolge artikel 588 Rv. zijn op revindicatoir beslag van toepassing de bepalingen die gelden voor inbeslagneming bij executie van roerend goed. Deze bepalingen nu, geven de deurwaarder wel de bevoegdheid een bewaarder aan te stellen (artikel 316 Rv.), doch om in het huis hetzij aan de deur van de gedaagde post te vatten, maar niet om de beslagen goederen mee te nemen. Dit kan ook niet anders omdat het wegnemen zou betekenen het inbreuk maken op het beschikkingsrecht van degene die het bezit uitoefent.

Inbreuk op het beschikkingsrecht van de bezitter is slechs mogelijk op rechterlijk bevel en wel in het geval van sequestratie, zoals vermeld in artikel 1757 sub 2 BW. Ware het tot de bevoedheid van de deurwaarder om de beslagen goederen mee te nemen en daarover een bewaarder aan te stellen, dan was het bepaalde in artikel 1757 sub 2 BW overbodig.

Nu gedaagde c.q. de deurwaarder in strijd met haar bevoegdheid het goed heeft meegenomen en daardoor inbreuk heeft gemaakt op het beschikkingsrecht van eiser, die het recht heeft in zijn bezit niet te worden gestoord en in zijn bezit te worden gelaten, pleegt zij een onrechtmatige daad jegens eiser en is zij voor de door eiser geleden schade aansprakelijk.

Eiser wenst nog te stellen dat gedaagde geen toestemming c.q. verlof van de Kantonrechter heeft bekomen om het voertuig mee te nemen;

5.        De raadsman van gedaagde had toegezegd om op de eerstdienende dag af te concluderen. Kort voor de eerstdienende dag en wel bij schrijven van 21 oktober 1991, heeft hij de reeds bij de raadsman van eiser ingediende conclusie van repliek ingetrokken en verzocht de conclusie van dupliek aan te houden. Op de eerstdienende dag is de conclusie van antwoord ingediend, zoals hierbij overgelegd, doch de raadsman van gedaagde heeft om uitstel voor repliek gevraagd. Eiser kan mede op deze grond niet langer dit onrechtmatig beslag gedogen;

6.        Het litigieuze voertuig verkeert thans in slechte staat van onderhoud en gevreesd wordt dat het bij teruggave in een deplorabele althans niet rijdbare staat zal verkeren. Het voertuig wordt door de vader van gedaagde dagelijks op de openbare weg bereden.

Eiser heeft derhalve een dringend belang bij de opheffing van voormeld beslag;

7.        Eiser heeft dan ook recht en belang de opheffing van het beslag c.q. de afgifte van voormeld voertuig te vorderen, terwijl uit het voorgaande reeds blijkt dat er hier sprake is van een vordering met een spoedeisend karakter. Eisers belang vordert, gelet op het voorgaande, een onverwijlde voorziening bij voorraad;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren:

Primair:

–            de opheffing zal worden bevolen van voormeld ten verzoeke van gedaagde bij proces-verbaal van de deuraarder James Edward Kolf van 10 mei 1991 no. 0467, A.R. No. 91-1934, ten laste van eiser gelegde revindicatoir beslag;

Subsidiair:

–            gedaagde zal worden gelast om binnen 24 uur, althans binnen een door de Rechter in goede justitie vast te, stellen termijn, vorenomschreven voertuig aan eiser af te geven met bepaling dat gedaagde voor elke dag dat zij in gebreke blijft te voldoen aan dit vonnis, ten titel van dwangsom aan eiser een bedrag van f 500,– zal verbeuren, kosten rechtens;

Overwegende, dat [appellante] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van produkties – welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

–            dat eiser niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering, althans hem deze zal worden geweigerd, als zijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, onder overlegging van produkties, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 13 februari 1992 op de daarin opgenomen gronden:

–            gedaagde heeft gelast om binnen één dag na de uitspraak de Jeep van het merk Suzuki [type], politienummer [kenteken], aan de eiser af te geven;

–            gedaagde heeft veroordeeld om ten titel van dwangsom aan de eiser te betalen  de som van Sf. 500,– (vijfhonderd gulden) per dag, voor iedere dag dat zij ingebreke blijf aan voormelde veroordeling te voldoen;

–            dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

–            gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 74,– (vier en zeventig gulden);

–            het meer of anders gevorderde heeft geweigerd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 13 februari 1992;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M. Mangre van 2 juli 1992 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat appellante tijdig in hoger beroep is gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, in Kort Geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 13 februari 1992;

Overwegende, dat appellante zich door het vonnis a quo gegriefd acht en het navolgende heeft aangevoerd:

Appellante heeft na daartoe verkregen verlof van de Kantonrechter in het Eerste Kanton revindicatoir beslag doen leggen op aan haar in eigendom toebehorende auto, merk Suzuki [type], dragende het politiekenteken [kenteken] etc. etc.

Appellante verwijst naar de door haar ingediende bescheiden, welke in eerste aanleg (Kort Geding) door haar zijn overgelegd met verzoek deze bescheiden hier als ingelast en geïnsereerd te willen aanmerken.

Uit genoemde bescheiden blijkt onomstotelijk dat appellante eigenaresse is van het litigieuze voertuig.

Geïntimeerde heeft op geen enkele wijze zijn eigendomsrecht – niet eens summierlijk – in rechte kunnen waarmaken,weshalve appellante niet vermag in te zien, dat geïntimeerde hier als principiële vraag aan de orde stelt of onder de gegeven omstandigheden de gedaagde (lees appellante) het recht heeft het beslagen goed bij de eiser te doen weghalen en in de macht van de bewaarster te stellen (vide 3e overweging vonnis).

Appellante is van oordeel dat bovengenoemde principiële vraag van geïntimeerde thans niet aan de orde is.

Aan de orde is de vraag wie de eigenaar is van voormeld litigieuze voertuig.

Op deze vraag heeft geïntimeerde geen antwoord gegeven, noch heeft op slinkse wijze de rechter om de tuin geleid.

Noch summierlijk, noch door het overleggen van bescheiden heeft geïntimeerde (alstoen eiser) zijn vordering in rechte waargemaakt.

Appellante heeft op grond van de wet, welk recht zij daartoe mocht gebruiken, revindicatoir beslag doen leggen op het litigieuze voertuig.

Revindicatoir beslag is het goed uit de macht van de bezitter te halen, indien men (in casu appellante) summierlijk kan aantonen eigenaar(es) te zijn.

De wetgever heeft expliciet aangegeven dat het goed uit de macht van de bezitter gehaald mag worden, reden waarom de principiële vraag hier niet aan de orde is, Zoals eerder aangegeven is de eigendomsvraag hier aan de orde. Apellante is het niet eens met de Kantonrechter in Kort Geding, wanneer hij onder meer overweegt dat de eiser (lees geïntimeerde) tot op dat ogenblik de houder van die auto is en mag hij hiervan op de normale wijze gebruik maken (vide 4e overweging vonnis). Met deze overweging heeft appellante bijzonder veel preblemen, vooral wanneer in rechte is komen vast te staan, mede gelet op de overgelegde bescheiden die door appellante zijn overlegd, dat zij als eigenaresse van het litigieuze voertuig kan worden aangemerkt. Appellante kan zich niet verenigen met de laatste overweging, wanneer de rechter in Kort Geding onder meer overweegt, dat zij de subsidiaire vordering zullen toewijzen, als na te melden, omdat de gedaagde (lees appellante) in strijd met het karakter van het revindicatoir beslag dat het uit het bezit van de eiser (lees geïntimeerde) heeft doen weghalen etc….

In rechtdoende heeft de Rechter in Kort Geding appellante gelast op grond van de laatste overweging om binnen 1 (één) dag na de uitspraak het litigieuze voertuig aan geïntimeerde af te geven, ten titel van een dwangsom van Sf. 500,– (vijfhonderd gulden) per dag, voor elke dag dat zij in gebreke blijft aan de voormelde veroordeling te voldoen. De Kantonrechter heeft slechts volstaan met de blote redenering dat appellante in strijd heeft gehandeld met het karakter van het revindicatoir beslag door het goed uit het bezit van de geïntimeerde te doen weghalen. Volgens de wet, de doctrine en gewoonte is het karakter van het revindicatoir beslag juist om het goed uit de macht van de ander partij te te halen, wanneer hij/zij die revindicatoir beslag verzocht summierlijk kan aantonen eigenaar te zijn.

Op geen enkele wijze heeft geïntimeerde, noch de Rechter aangegeven dat op andere wijze misbruik/of in strijd is gehandeld met het beslagrecht, in casu het revindicatoir beslag. Integendeel zou appellante, indien zij het voertuig niet uit de macht van geïntimeerde zou halen meer schade hebben geleden. Reeds nu heeft appellante schade.

Met conclusie:

dat het primaire en subsidiaire gevorderde geïntimeerde diende te worden geweigerd, vooral wanneer gelet wordt op de conclusie van antwoord en dupliek, alsmede op de overgelegde bescheiden, welke door geïntimeerde niet van valsheid zijn beticht en die verplicht volledig bewijskracht hebben geleverd, hebbende geïntimeerde het gestelde van appellante (alstoen gedaagde) niet weersproken.

Het is op deze gronden dat appellante de eer heeft te concluderen, dat het het Hof moge behagen, te vernietigen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding gewezen op 13 februari 1992, waarvan beroep en opnieuw rechtdoende, de gevraagde voorziening, zowel het primaire als het subsidiaire zal worden geweigerd, met de teruggave van voormeld litigieuze voertuig aan appellante;

Overwegende, dat appellante naar ’s Hoven voorlopig oordeel over het hoofd heeft gezien, dat de ratio van het conservatoir beslag, namelijk voorkoming van waardevermindering, hier niet geldt;

dat de Kantonrechter terecht heeft beslist, dat de eigendomsvraag onopgelost blijft tot aan de rechterlijke uitspraak op de vordering ten principale over deze vraag en dat tot op dat ogenblik de houder i.c. geïntimeerde op grond van zijn tot dan toe geldende pretentie, het voertuig in kwestie op normale wijze mag gebruiken;

dat appellante als revindicante, naar de Kantonrechter eveneens terecht heeft overwogen, het gebruik van het litigieuze voertuig door geïntimeerde slechts zou kunnen verhinderen door sequestratie (art. 1755 S.B.W.) uit te lokken (zie art, 1757 sub 2 S.B.W.);

Overwegende, dat nu zulks niet is gesteld of gebleken, het er voor moet worden gehouden, dat appellante die mogelijkheid niet te baat heeft genomen;

Overwegende, dat tenslotte zij opgemerkt, dat, ofschoon de Kantonrechter in de vijfde rechtsoverweging van het vonnis a quo oordeelt, het primair gevorderde te zullen weigeren, hetgeen op aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen juist is, zulks toch niet met zoveel woorden in het dictum van het vonnis blijkt;

Overwegende, dat op grond hiervan het beroepen vonnis dient te worden vernietigd en in voege als na te melden opnieuw dient te worden beslist;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 13 februari 1992, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende

Weigert alsnog de primaire gevraagde voorziening;

En voorts

Wijst toe de subsidiaire gevraagde voorziening in voege als na te melden;

Gelast appellante om binnen één dag na betekening van dit vonnis de Jeep van het merk Suzuki [type], politienummer [kenteken] aan geïntimeerde af te geven; Veroordeelt appellante om ten titel van dwangsom aan geïntimeerde te betalen de som van Sf. 500,– (vijfhonderd gulden) per dag voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan voormelde veroordeling te voldoen;

Veroordeelt appellante in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van geïntimeerde gevallen:in eerste aanleg begroot op Sf. 73,–;

in hoger beroep begroot op Sf. 250,–

met inbegrip van het door het Hof aan zijn advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van Sf. 250,–;

bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellante eveneens op Sf. 250,–;

SRU-HvJ-1993-11

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 12 maart 1993
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R.von Niesewand en R.W. Willemzorg)

[verzoeker], wonende te [district] aan de [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. J.G.O. KOULEN, advokaat, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Justitie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, advokaat Mr. Dr. C.D. OOFT, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Dat verzoeker de navolgende vordering bij het ambtenarengerecht aanhangig wenst te maken tegen DE STAAT SURINAME, (m.n. het Ministerie van Justitie) in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie en zetelende aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo;

2. Dat verzoeker op 15 februari 1985 in dienst is getreden van het Ministerie van Justitie;

3. Dat i.v.m. een luchtwegaandoening verzoeker door de behandelende specialist erop is geattendeerd dat hij geen avond- en nachtdienst mag verrichten totdat zijn algehele gezondheidstoestand zich in positieve zin zal hebben ontwikkeld;

4. Dat verzoeker nog niet helemaal hersteld is doch toch met de hiervoren vermelde restrictie zijn werkzaamheden verricht;

5. Dat verzoeker te rekenen van 3 januari 1990 t/m 18 februari 1991 tegen zijn wil in werd gemuteerd naar het Bureau voor Familierechtelijke Zaken;

6. Dat verzoeker gedurende de staking van personeelsleden van de Centrale Penitentiaire Inrichting te Santo Boma van 23 mei 1990 t/m 1 juni 1990 naar Santo Boma werd gemuteerd alwaar hij als penitentiair-ambtenaar zijn werk verricht;

7. Dat verzoeker daarom niet kan inzien waarom hij na de stakingsperiode niet alszodanig gehandhaafd kon worden;

8. Dat verzoeker in aanmerking diende te komen voor bevordering doch bij schrijven d.d. 12 februari 1992 [nummer 1] afkomstig van de onder-Directeur Deliquentenzorg aan hem werd medegedeeld dat hij niet voor promotie in aanmerking kon worden gebracht omdat hij vanwege het feit dat hij op advies van de behandelende specialist geen middag- en nachtdiensten mag verrichten, niet volledig inzetbaar zou zijn en dientengevolge als een middelmatige kracht is beoordeeld;

9. Dat het vorenstaand standpunt van zijn werkgever geen stand kan houden als het gestelde in punt 6 daarmede in relatie wordt gebracht;

10. Dat verzoeker zich afvraagt of hij er geen recht op heeft carriere te maken, omdat hij buiten omstandigheden welke binnen zijn invloedssfeer liggen niet wordt ingezet, doch zijn werk als penitentiair-ambtenaar altijd correct tracht uit te voeren;

11. Dat echter zoals hiervoren vermeld verzoeker tegen zijn wil in naar het Bureau voor Familierechtelijke Zaken werd gemuteerd waardoor het gestelde ten aanzien daarvan in het schrijven van de onder-Directeur Delinquentenzorg d.d. 24 juni 1991 [nummer 2] hem niet kan worden verweten;

12. dat het algemeen bekend is dat de heren [naam 1], [ naam 2] en [ naam 3] allen penitentiair-ambtenaar, die indertijd ook in dezelfde situatie hebben verkeerd als verzoeker wel in aanmerking zijn gekomen voor bevordering, terwijl verzoeker zulks onthouden wordt;

13. Dat het in een rechtsstaat past dat de Staat één gedragslijn volgt teneinde de burgers rechtszekerheid te geven en zich moet onthouden van delingen die als basis willekeur inhouden, zoals in het onderhavig geval van verzoeker.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

– dat de Staat Suriname m.n. het ministerie van Justitie en Politie, zal worden bevolen de rechtmatig aan verzoeker toekomende bevordering met terugwerkende kracht te rekenen van 1 juli 1990 te willen toekennen, kosten rechtens; Overwegende, dat de Staat Suriname binnen de bij de Wet gestelde termijn een verweerschrift heeft ingediend waarin hij als verweer heeft aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend, met beroep op de onsplitsbaarheid van zijn stellingen en biedt bewijs aan door alle middelen rechtens, in het bijzonder door getuigen;

2. Verweerder erkent, dat verzoeker op 15 februari 1985 in dienst van de Staat is getreden in de hoedanigheid van adspirant penitentiaire ambtenaar en dat al gauw na zijn aanstelling er klachten waren met betrekking tot zijn gezondheid.

Reeds op 7 april 1987 werd hij door de Directeur van Justitie opgedragen zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek, in verband met zijn arbeidsgeschiktheid c.q. ongeschiktheid.

Op 7 april 1987 werd betrokkene gekeurd met de aantekening, dat verzoeker, gelet op zijn gezondheidstoestand, ”geen nachtdiensten mag verrichten” (medicus E.P. HO A SJOE). Venmoedelijk wordt dat bedoeld in het derde sustenu van het inleidend rekest, waarin verzoeker zegt of stelt ”een luchtwegaandoening te hebben”;

3. Op grond van deze ziekelijke omstandigheid van verzoeker, is hij vanaf 1987 nooit volledig inzetbaar geweest als penitentiaire ambtenaar, hoewel hij toch kort daarvoor op 16 juni 1986 werd aangesteld tot penitentiaire ambtenaar 4e klasse. Hij heeft nooit avond- of nachtdiensten meer verricht. Vanaf toen ging het niet zo goed met verzoeker, hetgeen blijkt uit het personeelsdossier in het bijzonder zijn beoordelingslijsten vanaf 1986. Meer dan 12 keren in zijn korte diensttijd is betrokkene in de gelegenheid gesteld zich te verweren voor vele tekortkomingen, waarvan een aantal voor onwettig verzuim of in diensttijd zijn post verlaten, maar ook wegens overtreding van ernstige aard, waaromtrent desnodig nader bewijs door verweerder zal kunnen worden geleverd, aan de hand van zijn personeelsdossier (onder de sectie ”plichtsverzuim” );

4. Omtrent het gestelde in de punten 5, 6 en 7 van bet verzoekschrift, te weten, de mutatie van betrokkene naar het Bureau voor Familierechtelijke Zaken en het waarnemen gedurende één week (tussen 23 mei 1990 en 1 juni 1990) tijdens de staking in de penitentiaire inrichting te Santo Boma is niets vreemds aan de orde, omdat het allemaal werkzaamheden zijn, welke aan een penitentiaire ambtenaar kunnen worden opgedragen c.q. hem eenzijdig arbeid kan doen verrichten op een post, waar hij beter inzetbaar is. Ook het achtste sustenu is alszodanig onvolledig, omdat daarin alleen met het ziek zijn van verzoeker, die dus geen avond- of nachtdiensten doet, rekening is gehouden en over zijn plichtsverzuim niets is gezegd;

5. Verweerder kan dan ook niet inzien welk recht van verzoeker kan zijn geschonden, wanneer hij niet zo vlot carriere maakt. Evenmin is het duidelijk, in ieder geval niet door verzoeker nader gemotiveerd, dat er van ongelijke behandeling sprake zou zijn tussen verzoeker en de heren [naam 1] , [naam 2] en [ naam 3].

De omstandigheden namelijk van de drie in het verzoekschrift genoemde penitentiaire ambtenaren verschillen al te duidelijk wanneer het betreft de langere diensttijd, de inzetbaarheid en het gedrag (prestatie) van genoemde collegae, omstandigheden die tot grondslag hebben gediend voor hun bevordering. Op grond hiervan wordt danook door verweerder, punt 13 van het verzoekschrift nadrukkelijk tegengesproken, omdat het niet slechts gaat om één gedragslijn voor allen, maar om dezelfde gedragslijn voor allen die verkeren onder nagenoeg dezelfde c.q. gelijke omstandigheden, waardoor willekeur of discriminatie wordt uitgesloten. Het gelijkheidsbeginsel, door verzoeker in bet 13e sustenu in verband gebracht met de rechtsstaat, is op zichzelf nog niet een voldoende duidelijk criterium tot het vinden van hetgeen in een bepaald geval als recht moet gelden. Daarenboven is de jurisprudentie algemeen van oordeel, dat dit gelijkheidsbeginsel niet goed toepasselijk is terzake van bevorderingen, omdat in die gevallen niet licht van gelijke gevallen, welke op gelijke wijze moeten worden behandeld, sprake zal zijn (zie rapport ALGEMENE BEPALINGEN VAN ADMINISTRATIEF RECHT e.d. 1980 punt 3.2.6.5.4., blz. 182);

Inderdaad zijn de gevallen door verweerder aangehaald niet gelijk aan zijn geval. De met name genoemde collegea hebben een langere diensttijd dan verzoeker, vervullen normaal alle diensten in de inrichting (shift) en hebben geen gelijke conduitestaat als die van verzoeker;

6. Onverminderd het voorgaande doet verweerder zeggen, dat daargelaten, dat de feiten hierboven aangehaald geen grond opleveren tot toewijzing van de vordering door het Hof van Justitie als ambtenarengerecht, het ook zo is, dat het petitum zal behoren te leiden tot niet ontvankelijkheid, wegens in strijd met de Personeelswet.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

– dat de vordering van verzoeker niet voor toewijzing vatbaar is, wegens ongegrondheid en niet bewezen, alsook niet ontvankelijk zal zijn, wegens in strijd met de Personeelswet i.h.b. artikel 79;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking d.d. 20 oktober 1992 in Raadkamer zijn verschenen verzoeker in persoon, advokaat Mr. J.G.O. Koulen, gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr. Dr. C.D. Ooft, gemachtigde van verweerder en mej. P. Sanichar, Hoofd afdeling Delinquentenzorg, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof de uitspraak aanvankelijk had bepaald op 26 maart 1993, doch bij vervroeging op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker, ambtenaar in de tin van artikel 1 van de Personeelswet, verzoekt op grond van feiten, aan zijn vordering ten grondslag gelegd en die als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd dienen te worden aangemerkt, verweerder te bevelen hem – verzoeker – te rekenen van 1 juli 1990 te bevorderen tot de, naar uit de door verzoeker in het geding gebrachte bescheiden valt af te leiden, naast hogere rang;

Overwegende, dat tijdens het verhoor van partijen gebleken is, dat verzoeker de ingangsdatum van de verzochte bevordering heeft bedoeld te stellen op 1 januari 1991, nu hij zijn diploma op 21 december 1990 zou hebben gehaald;

Overwegende, dat verweerder zich te dezen aanzien aan ’s Hofs oordeel heeft gerefereerd en zich dus niet persé daartegen heeft verzet, zodat aan verzoeker akte wordt verleend van deze wijziging;

Overwegende, dat blijkens het door de onder-Direkteur Delinquentenzorg aan verzoeker, (toen) penitentiaire ambtenaar 4e klasse, gericht schrijven d.d. 12 februari 1992 (kenmerk [nummer 1]), onderwerp: ”Bevordering”, kennelijk als reactie op een door verzoeker gedaan verzoek om bevordering, hem – verzoeker – alstoen de mededeling is gedaan, dat hij voorshands niet in aanmerking kan worden gebracht voor een benoeming in de naast hogere rang, om redenen, in gemeld schrijven vastgelegd en welke als hier ingelast dienen to worden aangemerkt;

– dat in meergemeld schrijven is gerelateerd een besluit in de zin van de Personeelswet, met de inhoud waarvan verzoeker zich niet kan verenigen, hetgeen moge blijken uit het in het 9e tot en met 12e ”dat” van het verzoekschrift gestelde;

– Overwegende, dat verzoeker ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet het Hof dan ook had moeten vragen om nietigverklaring van gemeld besluit en wel binnen de bij artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet voorgeschreven termijn, hetgeen verzoeker niet blijkt to hebben gedaan; Overwegende, dat verzoekers vordering, strekkende tot het bevelen van verweerder hem te rekenen van 1 juli 1990(lees: 1 januari 1991) te bevorderen tot de naast hogere rang naar verweerder terecht aanvoert, niet toewijsbaar is, omdat deze niet valt onder de in artikel 79 van genoemde wet omschreven limitatieve opsomming;

– dat verzoeker in zijn vordering dan ook niet ontvankelijk is;

Overwegende, dat naar blijkt uit de namens verzoeker in het geding gebrachte besckikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 14 augustus 1992 [nummer 3], verzoeker te rekenen van 1 januari 1992 is bevorderd tot de rang zoals in gemelde beschikking vermeld;

– dat naar uit diens pleitnota blijkt, verzoeker zich niet kan verenigen met de datum van ingang zijner bevordering, te weten: 1 januari 1992, stellende verzoeker dat de datum van ingang had moeten zijn 1 januari 1991,

hebbende verzoeker gesteld zijn vordering te verminderen in dier voege dat, aldus zijn stellingen opvattend, worden gelezen 1 januari 1992 instede van 1 juli 1990 en verzocht dienovereenkomstig te beslissen, waarvan bereids akte is verleend;

Overwegende, dat verzoeker, naar’s Hoven oordeel, nu hij zich niet kan verenigen met de beschikking van 14 augustus 1992 het Hof van Justitie had moeten adiëren en vragen om nietigverklaring van gemelde beschikking en voorts verweerder te veroordelen het nodige te verrichten ter bevordering van hem – verzoeker – tot de naast hogere rang en wel met ingang van 1 januari 1991, hetgeen verzoeker ook niet blijkt te hebben gedaan;

– dat het verzoek van verzoeker als vervat in diens pleitnota d.d. 20 november 1992, – trots het feit`dat verweerder zich te dien aanzien aan het oordeel van het Hof heeft gerefereerd – niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat inwilliging daarvan en toewijzing van het dan gewijzigd verzoek (eveneens) zouden neerkomen op het in strijd handelen met artikel 79 van de Personeelswet, waarin hetgeen van het Hof kan worden gevorderd limitatief is omschreven, onder welke limitatieve omschrijving niet valt gemeld verzoek;

Overwegende, dat verzoeker mitsdien niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

 

SRU-HvJ-1993-10

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 26 maart 1993
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R.von Niesewand en E.S. Ombre)

[verzoekster], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. W.C.PENGEL, advocaat, verzoekster,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Economische Zaken, in rechten vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3,

B. [verweerder sub B], rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan [adres], voor wie als hun beider gemachtigde optreedt Mr. R.W. VAN RITTER, advokaat, verweerders.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

Verzoekster wenst bij deze de navolgende vordering in te stellen tegen:

A. DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Economische Zaken, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, domicilie kiezende aan de Gravenstraat no. 3.

B. [verweerder sub B], rechtspersoon,

gevestigd en kantoorhoudende aan [adres], verweerders;

2. Verzoekster is ambtenaar als bedoeld in artikel van de Personeelswet;

3. Verzoekster is per schrijven van de Minister van Economische Zaken met ingang van 7 maart 1989 benoemd tot Stafambtenaar A tweede klasse en tewerk gesteld als waarnemend directrice van [verweerder sub B].

Voorheen heeft verzoekster van 1 september 1981 af gediend in de functie van boekhoudkundige stafmedewerkster;

4. Dat verzoekster sindsdien ononderbroken voormelde functie heeft bekleed en verzoekster, die voorzover er wettelijke vereisten voor benoembaarheid in deze functie bestaat daaraan voldoet uit kracht van het bepaalde in artikel 22 lid 5 Personeelswet moet worden geacht met ingang van 1 maart 1991 stilzwijgend in die functie, die sinds 1 maart 1989 definitief opengevallen was, althans moet worden geacht opengevallen te zijn, te zijn benoemd. De vorige directeur van verweerder sub B is op 1 maart 1989 ontslagen uit zijn functie;

5. Dat verzoekster ingevolge het bepaalde in artikel 24 lid 4 van de Personeelswet sinds 1 maart 1991 aanspraak maakt op de bevordering tot de rang behorende bij de functie van directeur van [verweerder sub B], althans op het te verrichten door verweerder van de administratiefrechterlijke rechtshandeling tot het in overeenstemming brengen van verzoeksters bezoldiging met die welke verbonden is aan de definitieve vervulling sinds 1 maart 1991 van voormelde functie, zijnde die verbonden aan de functie van [verweerder sub B] salaris f. 3.300,–;

6. Dat verzoekster ondertussen onder protest en ten onrechte bij schrijven van 2 april 1991 hangende het door de Raad van Ministers te nemen besluit per 28 maart 1991 uit haar functie werd ontheven;

7. Dat sindsdien de directie van [verweerder sub B] door een stuurgroep onder leiding van de President-Commissaris de heer [naam] wordt bekleed.

Voorzover verzoekster bekend heeft de Raad van Ministers terzake geen besluit genomen;

8. Dat verzoekster op 7 november 1991 een schrijven heeft ontvangen van de Minister van Economische Zaken dd 24 mei 1991 afkomstig van de Raad van Ministers waarin verzoekster nog steeds als Stafambtenaar A tweede klasse gerekend van 29 maart 1989 tot en met 28 maart 1991 een waarnemingstoelage naar rede van f. 1.330,– per maand en over de periode 19 maart 1989 tot en met januari 1991 f. 815,– per rnaand over de periode 1 februari 1991 tot en met 28 maart 1991 is toegekend, zonder haar definitief te benoemen;

9. Dat verzoekster gebruik wenst te maken van het bepaalde in artikel 80 lid la van bedoelde verordening nu zij er recht en belang bij heeft te vorderen dat aan verweerders, althans verweerder sub A een dwangsom zal worden opgelegd voor het verder achterwege laten van primair van de bevordering en subsidiair van voorgenoemd administratieve rechtshandeling:

10. Dat het achterwege laten van voormelde bevordering in geval van stilzwijgende benoeming wordt in strijd geacht met het in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur en als een daad van willekeur moet worden beschouwd althans in strijd is met de rechtszekerheid;

11. Dat nu voormelde functie gewaardeerd wordt met een salaris van f. 3.200,– per rnaand en dat verzoekster aanspraak maakt op de benoembaarheid in deze functie van Hoofdambtenaar B eerste klasse schaal 20 nieuw en is zij gerechtigd zulks in rechte te vorderen, ingevolge artikel 24 lid 4 van de Personeelswet.

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

PRIMAIR: dat voor recht zal worden verklaard dat verzoekster geacht wordt stilzwijgend definitief te zijn benoemd in de functie van directeur van [verweerder sub B] en aan verweerder zal worden opgelegd een dwangsom van f. 5.000,– per maand voor het verder vanaf de 30ste dag van het te wijzen vonnis achterwege te laten, van de bevordering van verzoekster met ingang van 1 maart 1991 tot de rang behorende bij de functie van directeur [verweerder sub B] zijnde die van de Hoofdambtenaar B eerste klasse.

SUBSIDIAIR: dat aan de handeling strekkende tot het in overeenstemming brengen met ingang van 1 rnaart 1991 van verzoeksters bezoldiging met die verbonden aan de functie van directeur van [verweerder sub B] zijnde salaris van f. 3.400,– uitvoering zal worden gegeven, kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de bij de Wet gestelde termijn geen verweerschrift is binnengekomen;

Overwegende, dat ingevolge’s Hofs beschikking d.d. 14 februari 1992 in Raadkamer zijn verschenen verzoekster in persoon, advokaat Mr. W.C. Pengel, gemachtigde van verzoekster, advokaat Mr. R.W. van Ritter, gemachtigde van verweerders, Mr. R.M. Sallons, Directeur van het Ministerie van Handel en Industrie namens verweerder sub A en de heer [naam], plaatsvervangend President-Commissaris van [verweerder sub B] namens verweerder sub B, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerders produkties heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies tot uitlating hebben genomen, de gemachtigde van verweerders onder ovcrlegging van een produktie;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies tot uitlating produktie hebben genomen tevens onder overlegging van produkties;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating produktie zijdens verzoekster peremptoir bepaald, geen conclusie is overgelegd, waarna advokaat Mr. R.W. van Ritter vonnis heeft gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 12 maart 1993, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat vooraf zij opgemerkt, dat er van uit wordt gegaan, dat ingevolge het bepaalde in artikel 1, 2e lid, sub a van de Personeelswet, die Personeelswet op personeel van [verweerder sub B] van toepassing is, nu voor [verweerder sub B] als rechtspersoon, door of vanwege het Land opgericht, geen afzonderlijke voorschriften blijken te zijn vastgesteld;

Overwegende, dat verzoekster, ambtenaar zijnde in de zin van artikel 1 van de personeelswet, haar vordering(en) waarmede zij zich tot het Hof van Justitie als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken heeft gewend, gebaseerd heeft op het bepaalde in artikel 22 lid 5 van de Personeelswet, luidende:

”Zodra een landsdienaar gedurende meer dan een jaar in totaal een definitief opengevallen functie heeft waargenomen en hij aan de wettelijke eisen van benoembaarheid daarin voldoet, wordt hij geacht stilzwijgend in die functie te zijn benoemd”;

– dat verzoekster, blijkens het primair gevorderde, van het Hof van Justitie ondermeer heeft willen uitlokken, een beslissing van declaratoire aard, luidende: voor recht te verklaren, dat verzoekster geacht wordt stilzwijgend definitief te zijn benoemd in de functie van directeur van [verweerder sub B] en …..

Overwegende, dat nu hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken kan worden gevorderd, in artikel 79 van de Personeelswet limitatief is omschreven en het eerste gedeelte van het primair gevorderde daaronder niet valt, dient de niet ontvankelijkverklaring daarvan te volgen,

Overwegende, dat het tweede gedeelte van het primair gevorderde, betrekking hebbende op het verbeuren van de dwangsom, naar’s Hoven oordeel ook niet zou kunnen worden toegewezen, omdat een dwangsom slechts kan worden gesteld op een veroordeling, die in casu niet blijkt te zijn gevorderd;

Overwegende, dat toewijzing van het subsidiair gevorderde ook achterwege dient te blijven, nu het niet valt onder de limitatieve omschrijving van artikel 79 van de Personeelswet;

Overwegende, dat verzoekster zowel in haar primaire als in haar subsidiaire vordering niet kan worden ontvangen;

– dat tenslotte een onderzoek naar de vraag of verzoekster aan de wettelijke eisen van benoembaarheid heeft voldaan, geheel achterwege kan blijven;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar vorderingen jegens verweerders;

SRU-HvJ-1993-9

Hof van Justitie

26 maart 1993, G.R. 13172

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, E.S. Ombre)

N.V. Hotelmaatschappij Torarica, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan het mr. Rietbergplein, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. B.A. Halfhide, advocaat, appellante in Kort Geding,

tegen

[bedrijf], rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. G. Gangaram Panday, advocaat, geïntimeerde in Kort Geding.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 december 1991 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 24 december 1991, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [bedrijf], als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiseres hierbij de navolgende vordering in Kort Geding wenst in te stellen tegen N.V. Hotelmaatschappij Torarica, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan het mr. Rietbergplein;

2. dat eiseres een aannemingsmaatschappij is en op 22 oktober 1990 met de gedaagde een overeenkomst heeft gesloten voor het bouwen van 2 winkelruimten voor de aanneemsom van Sf. 400.000,– exclusief meerwerk;

dat eiseres hierbij de overeenkomst in fotokopie overlegt met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen (produktie 1);

3. dat tussen partijen was afgesproken dat de direktievoering van het werk zou geschieden door het architectenbureau KDV, terwijl de gedaagde zich tevens had verbonden om alle declaraties die door dit bureau zouden zijn goedgekeurd, binnen een week na aanbieding aan eiseres uit te betalen; (zie art. 5 van de overeenkomst);

4. dat eiseres op 15 augustus 1991 een declaratie ten bedrage van Sf.134.894,– aan de gedaagde ter betaling heeft aangeboden en op 1 oktober 1991 een declaratie ten bedrage van Sf. 50.179,–, zijnde in totaal Sf.185.073,–;

dat beide declaraties zijn goedgekeurd door de direktie; (produkties 2, 3 en 4)

5. dat gedaagde ondanks herhaalde en dringende aanmaningen in der minne – zonder gegronde redenen – weigert de declaraties aan eiseres te voldoen;

6. dat eiseres van de gedaagde derhalve voormeld bedrag ad Sf. 185.073,–opeisbaar heeft te vorderen alsmede het onderhoudsbedrag van 5% van de aanneemsom ad Sf. 20.000,–, zijnde in totaal Sf. 205.073,–

7. dat eiseres t.b.v. dit project schulden heeft gemaakt, waaronder het kopen van bouwmaterialen op rekening, welke schulden eiseres reeds had moeten voldoen;

dat de schuldeisers bij eiseres aandringen op betaling en gedreigd hebben tegen haar op korte termijn rechtsmaatregelen te zullen treffen ter inning van hun gelden;

8. dat eiseres daarnaast anders dringende financiële verplichtingen jegens derden heeft en dat zij daardoor thans in ernstige financiële noodsituatie is komen te verkeren;

9. dat uit voorgaande stellingen het spoedeisend karakter van eiseresses vordering is gebleken, zodat eiseres recht en belang heeft bij een voorziening bij voorraad in Kort Geding;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep, gedaagde terzake voorschreven zal worden veroordeeld om bij wege van voorschot aan eiseres te betalen een bedrag van Sf. 205.073,–, althans enig ander bedrag door de Rechter in goede Justitie te bepalen en wel binnen 7 dagen na vonniswijziging en voorts, dat gedaagde zal worden veroordeeld in de proceskosten;

Overwegende, dat N.V. Hotelmaatschappij Torarica als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiseres in haar vordering niet zal worden ontvangen, althans de gevraagde voorziening zal worden geweigerd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusie van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen tevens over en weer produkties overgelegd;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie tot uitlating produkties zijdens eiseres bepaald, de gemachtigde van eiseres een schriftelijke – hier als geïnsereerd aan te merken – conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij rolbeschikking ambtshalve een comparitie van partijen heeft bevolen, op welke comparitie-zitting zijn verschenen, partijen, vertegenwoordigd door hun directeuren, tevens bijgestaan door hun respektieve gemachtigden. die hebben verklaard, gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als geïnsereerd aan te merken – procesverbaal staat gerelateerd:

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 19 december 1991 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft bevolen om bij wege van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te voldoen het bedrag van Sf. 150.000,– (een honderd en vijftig duizend gulden);

Dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

De proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd in dier voege dat ieder haar eigen kosten draagt;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal N.V. Hotelmaatschappij Torarica in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 19 december 1991;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel van 22 januari 1992 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende advocaat mr. F. Kruisland namens advocaat mr. B.A. Halfhide en advocaat mr. J.C.P. Nannan Panday namens advocaat mr. G. Gangaram Panday over en weer gepersisteerd respectievelijk bij re- en dupliek pleidooi en vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat appellante tijdig in hoger beroep is gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 19 decemberb 1991;

Overwegende, dat appellante zich door het vonnis gegriefd en bezwaard acht en daartegen heeft aangevoerd;

Grief A: Ten onrechte heeft de Kantonrechter beslist, zij het implicite, dat gebleken is van de noodzaak tot een voorlopige voorziening zoals door hem gegeven, terwijl appllante die noodzaak met klem van redenen heeft weersproken zoals verrmeld sub 9 en 10 van de conclusie van antwoord en sub 7 van de conclusie van dupliek in prima. Aan die redenen is de Kantonrechter geheel voorbijgegaan. Weliswaar heeft de Kantonrechter in de 6e rechtsoverweging van voormeld vonnis gesteld, dat geïntimeerde ter gehouden comparitie van partijen heeft toegelicht grote financiële problemen te hebben, doch uit voormeld vonnis blijkt in geen enkel opzicht wat die toelichting inhield en waarom door die toelichting de spoedeisendheid der vordering gestaafd werd.

Uit het verweer van appellante blijkt,naar het voorkomt duidelijk dat van spoedeisendheid geen sprake was en ook dat, gelet op het belang van appellante in dat kader, namelijk de mogelijkheid van gebrek aan verhaal in geval van een contraire beslissing van de gewone rechter, die spoedeisendheid, indien aanwezig, niettemin niet mocht leiden tot toewijzing der vordering, waaraan de Kantonrechter geheel voorbij is gegaan.

Voormeld vonnis is dan ook behalve materieel onjuist, ook niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Grief B: Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat mede op grond van het feit, dat appellante het aannemingscontract heeft opgezegd zonder geïntimeerde in de gegegenheid te stellen in de onderhoudsperiode eventuele alsdan blijkende gebreken te herstellen, veroordeling van appellante moest volgen.

Immers heeft appellante met klem van redenen betoogd dat en op welke wijze geïntimeerde tegenover haar had gewanpresteerd en appellante had dan ook geen enkele verplichting om het werk voor geïntimeerde te doen voltooien, zodat ook een onderhoudsperiode na de eerste oplevering van het werk niet aan de orde zou komen.

Voorts had appellante het recht het aannemingscontract op te zeggen voor de oplevering, zodat die opzegging niet kan worden beschouwd als een ten onrechte in het leven geroepen verhindering van onderhoud zoals de Kantonrechter kennelijk heeft gedaan;

met conclusie:

dat het Hof het vonnis waarvan beroep, zal vernietigen en alsnog geïntimeerde in haar vordering niet ontvankelijk zal verklaren, althans de gevraagde voorziening zal weigeren;

Overwegende, dat de vordering van geïntimeerde ertoe strekt, dat appellante wordt veroordeeld bij wege van voorschot aan geïntimeerde te betalen, een bedrag van Sf. 205.073,– althans enig ander bedrag in goede justitie te bepalen en wel binnen ± zeven dagen na vonniswijzing en voorts appellante te veroordelen in de proceskosten;

Overwegende, dat geïntimeerde, blijkens haar in eerste aanleg gestelde feiten, haar belang bij een onmiddellijke voorziening aldus heeft aangeduid, dat zij ten behoeve van het ten rekeste gestelde projekt schulden heeft gemaakt, waaronder het kopen van bouwmaterialen op rekening, welke schulden zij, geïntimeerde reeds had moeten voldoen;

dat de schuldeisers bij geïntimeerde aandringen op betaling en gedreigd hebben tegen haar op korte termijn rechtsmaatregelen te zullen treffen ter inning van hun schulden; dat zij, geïntimeerde, daarnaast andere dringende financiële verplichtingen jegens derden heeft en dat zij daardoor thans in ernstige financiële noodsituatie is komen te verkeren; dat zij, geïntimeerde, een schuld heeft aan de Surinaamsche Bank N.V, ten bedrage van Sf. 925.007,71; Overwegende, dat appellante, naar blijkt uit haar stellingen in het 9e en 10e “sustenu” van de conclusie van antwoord d.d. 7 november 1991 en uit het 7e “sustenu” van de conclusie van dupliek d.d. 21 november 1991, welke stellingen als hier ingelast dienen te worden aangemerkt, het spoedeisend belang van geïntimeerde gemotiveerd heeft weersproken;

dat uit de gedingstukken verder niet blijkt, dat geïntimeerde tegenover de stellingen van appellante haar spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening nader heeft uiteengezet;

dat naar ‘s Hoven voorlopig oordeel zulks meebrengt,dat haar stellingen omtrent het spoedeisend belang, als onvoldoende gemotiveerd niet kan worden aanvaard;

dat met name niet kan worden aanvaard, dat een spoedeisend belang voor wat betreft de schuld aan de Surinaamsche Bank N.V., nu geïntimeerde heeft gesteld noch doen blijken, dat deze schuld een opeisbare is en dat zij tot betaling daarvan aan genoemde bankinstelling door haar ingebreke is gesteld;

dat naar ’s Hoven voorlopig oordeel bij het vorenstaande mede in aanmerking moet worden genomen, dat het hier om een geschil over een geldvordering gaat en dat de gevorderde voorziening er in wezen toe strekt, betaling te verkrijgen zonder dat omtrent de rechtspositie van partijen ten gronde een uitspraak is gedaan;

dat toewijzing van een zodanige voorziening het risico meebrengt dat van het desbetreffende bedrag – wanneer over de vordering in een bodemgeschil is beslist en uit die beslissing voortvloeit dat het bedrag moet worden terug betaald – restitutie niet meer kan worden verkregen;

dat mede met het oog op dit risico met betrekking tot een voorziening in Kort Geding, bestaande in betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is en mag van een partij die een zodanige voorziening vraagt – en van de rechter die haar toewijst – worden verlangd, dat naar behoren feiten en omstandigheden worden aangedragen, die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden;

Overwegende, dat het vorenstaande meebrengt, dat het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, rechtdoende in Kort Geding, d.d. 19 december 1991, onder gegrondbevinding van de eerste, grief moet worden vernietigd en de gevraagde voorziening alsnog worden geweigerd en dat de tweede grief als niet langer relevant buiten bespreking kan worden gelaten;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 19 december 1991, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende

Weigert alsnog de door geïntimeerde – toenmaals eiseres – gevraagde voorziening;

Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van appellante gevallen:

in eerste aanleg begroot op nihil;

in hoger beroep begroot op Sf. 523,50;

met inbegrip van het door het Hof aan haar advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van Sf. 350,–

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van geïntimeerde eveneens op Sf. 350,–.

SRU-HvJ-1993-8

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 7 mei 1993
(Mrs. R.E.Th.Oosterling, J.R.von Niesewand en R.W. Willemzorg)

[verzoekster], wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigede optreedt, advocaat, Mr. H.E. STRUIKEN, verzoekster,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Binnenlandse Zaken, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd worden door de Procureur- Generaal bij het Hof van justitie van Suriname, kantoorhoudende te zijnen Parkette op de hoek van de Gravenstraat en Tourtonnelaan, voor wie als gemachtigde optreedt, advokaat Mr.Dr.C.D. OOFT, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Repubiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1.Dat verzoekster hierbij de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, afdeling Ministerie van Binnenlandse Zaken, ten deze in rechte vertegenwoordigd wordende door de heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijnen Parkette op de hoek van de Gravenstraat en Tourtonnelaan te Paramaribo, verweerder;

2.Dat verzoekster is ambtenaar in de zin der personeelswet en wel in de rang van Hoofdambtenaar B 1e klasse;

3.Dat verzoekster blijkens hierbij overgelegde resolutie van de President van de Republiek Suriname [nummer 1] d.d. 30 mei 1991 te rekenen van 1 januari 1991 is bevorderd tot Hoofdambtenaar B Ie klasse (schaal 18) onder toekenning van een toelage van 10% (TIEN PROCENT) van de door haar genoten wordende bezoldiging;

4.Dat blijkens hierbij overgelegde resolutie d.d. 9 juli 1992 Bureau [nummer 2] van de President van de Republiek Suriname door verzoekster op 19 juli 1992 ontvangen, te rekenen vanaf 1 januari 1992:

a.haar bezoldiging is verhoogd met f. 80,– (TACHTIG GULDEN) en alszo is gebracht op f. 3.550,– en

b. zij ontlast is uit de functies van secretaresse van de Minister van Binnenlandse Zaken en van coördinatrice van vrouwenzaken, met behoud van haar bezoldiging van f 3.550,– en met gelijktijdige buitenwerkingstelling van de aan verzoekster bij resolutie van 5 juni 1987 [nummer 3] toegekende toelage van 10% van haar bezoldiging in verband met het verrichten van meer en verantwoordelijker werkzaamheden;

5. Dat verzoekster zich door het onder 1b van voormelde resolutie bepaalde nl. gelijktijdige buitenwerkingstelling van de aan haar bij resolutie van 5 juni 1987 [nummer 3] toegekende toelage van 10% van haar bezoldiging, gegriefd voelt;

6. Dat verzoekster van mening is, dat het onder 1b bepaalde van voormelde resolutie d.d. 9 juli 1992 [nummer 2] krachtens artikel 6 (zes) van de personeelswet (G.B. 1962 no. 195 / Staatsblad 1985 no. 41) niet eerder werkt t.o.v. verzoekster, dan de dag nadat het te harer kennis is gekomen, dit is in dit cas 18 juli 1992 en krachtens het bepaalde onder punt 2 van artikel 6 der personeelswet geen terugwerkende kracht jegens verzoekster mag hebben vermits het voor haar nadelig is;

7. Dat verzoekster op grond van het vorenstaande van mening is dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de personeelswet en met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur;

8. Dat verzoekster op grond van het vorenstaande gerechtigd is in rechte te vorderen dat de resolutie d.d. 9 juli 1992 [nummer 2] voor wat betreft het bepaalde onder punt 1b met betrekking tot de terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1992 wordt vernietigd en de verweerder veroordeeld wordt haar toelage van 10% (tien procent) van haar bezoldiging, zijnde 10% van f.3.550,– = f. 335,– per maand, vanaf 1 april 1992 t/m 18 juli 1992 te betalen zijnde een bedrag groot 3 x f. 355,- + 18/30 x f. 355,- = f. 1.278,- . Verweerder heeft t/m de maand maart 1992 de 10% toelage doorbetaald;

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

a. dat nietig zal worden verklaard het bepaalde onder 1b van het besluit van de President van de Republiek Suriname d.d. 9 juli 1992 Bureau [nummer 2] waarbij te rekenen van 1 januari 1992 gelijktijdig buitenwerking wordt gesteld, de aan verzoekster bij resolutie van 5 juni 1987 toegekende toelage van 10% van verzoeksters bezoldiging in verband met het verrichten van meer en verantwoordelijke werkzaamheden;

b. dat verweerder zal worden veroordeeld om aan verzoekster te betalen het bedrag groot f.1.278,– met de wettelijke rente hierover terzake voorschreven, vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

c. dat verweerder zal worden veroordeeld in de kosten deze procedure;

Overwegende, dat van de Staat Suriname geen verweerschrift is binnengekomen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 23 oktober 1992 in Raadkamer zijn verschenen verzoekster in persoon, advokaat Mr. H. E. Struiken, gemachtigde van verzoekster, de heer E.J. van der San, waarnemend-Directeur van Binnenlandse Zaken namens verweerder en advokaat Mr. Dr. C.D. Ooft, gemachtigde van verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwenproces-verbaal staat gerelateerd; Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hadden toegelict en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verweerder bij zijn antwoord pleidooi een produktie overgelegd, het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoekster ambtenaar is in de zin van, de Personeelswet, in de rang van Hoofdambtenaar B Ie klasse, Op het Ministerie van Binnenlandse Zaken;

– dat verzoekster, bij resolutie van de President van de Republiek Suriname, [nummer 1] van 30 mei 1991, te rekenen van I januari 1991 in voormelde rang is bevorderd, bij gemelde resolutie een toelage van 10% van de door haar genoten wordende bezoldiging is toegekend, kennelijk wegens meer en verantwoordelijker werkzaamheden, uit hoofde van haar functie van secretaresse van de Minister van Binnenlandse Zaken en coordinatrice van vrouwenzaken;

Overwegende, dat bij resolutie d.d. 9 juli 1992 [nummer 2] van de President van de Republiek Suriname – door verzoekster onbetwist ontvangen op 19 juli 1992 – verzoekster per 1 januari 1992 is ontlast uit de functie van secretaresse van de Minister van Binnenlandse Zaken en van coordinatrice van vrouwenzaken, met gelijktijdige buitenwerkingstelling van de aan verzoekster toegekende l0% toelage van haar bezoldiging,i.v.m. het verrichten van meer en verantwoordelijker werkzaamheden (vide ”moeder” resolutie m.b.t de toelage van 5 juni 1987 [nummer 3]);

Overwegende, dat verzoekster zich door voormelde buitenwerkingstelling van de 10% toelage van haar bezoldiging gegriefd acht en tijdig het Hof van Justitie als gerecht voor ambtenarenzaken heeft geadieerd, hebbende verzoekster verzocht:

a. dat het Hof nietig zal verklaren het bepaalde onder Ib van het besluit van de President van de Republiek Suriname d.d. 9 juli 1992 Bureau [nummer 2] waarbij, te rekenen van 1 januari 1992 gelijktijdig buitenwerking wordt gesteld,,de aan verzoekster bij resolutie van 5 juni 1987 toegekende toelage van 10% van verzoeksters bezoldiging in verband met het verrichten van meer en verantwoordelijke werkzaamheden;

b. dat verweerder zal worden veroordeeld om aan verzoekster te betalen het bedrag groot f. 1.278,– met de wettelijke rente hierover terzake voorschreven, vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

c. verweerder zal worden veroordeeld in de kosten dezer procedure;

Overwegende, dat uit de tijdens het verhoor van partijen d.d. 4 december 1992 verkregen informatie blijkt en kan mitsdien als tussen partijen rechtens vaststaand worden aangenomen, dat verzoekster, na eerst met verlof te zijn gegaan en daarna ziek was geworden, zich op 23 maart 1992 op kantoor heeft aangemeld ter hervatting van haar werkzaamheden, welke werkhervatting toen niet heeft plaatsgevonden;

– dat als onbetwist als vaststaand moet worden aangenomen, dat verzoekster in ieder geval vanaf 1 januari 1992 de functies van secretaresse van de Minister van Binnenlandse Zaken en van coördinatrice van vrouw en zaken niet meer daadwerkelijk heeft uitgeoefend en zij, naar zij zelf tijdens gemeld verhoor heeft verklaard, niet meer in aanmerking kwam voor de aan de uitoefening van gemelde functies verbonden toelage van 10% van haar bezoldiging, hetgeen moet worden geacht te zijn overeenkomstig aard en strekking van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van het Ambtenarenbezoldigingsbesluit 1976 en artikel 22 van de Personeelswet;

Overwegende, dat nu verzoekster vanaf 1 januari 1992 niet meer heeft gefunctioneerd als secretaresse van de Minister van Binnenlandse Zaken en als coördinatrice van vrouwenzaken, zij mitsdien geen aanspraak maakt op de toelage van 10% van haar bezoldiging ( zijnde 10% van f. 3.550,– of f. 355,–) en het het Hof ontgaat welk belang verzoekster heeft bij het onder a van het petitum gevorderde, zijnde de resolutie van 9 juli 1992 Bureau [nummer 2], waarbij tevens gelijktijdig buitenwerking werd gesteld de aan haar bij resolutie van 5 juni 1987 [nummer 3] toegekende toelage van 10% van verzoeksters bezoldiging ingaande 1 januari 1992 voor haar, anders dan verzoekster heeft gesteld, geen nadeel;

Overwegende, dat verzoekster dan ook zowel in het door haar sub a als sub b gevorderde, niet ontvankelijk dient te worden verklaard;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar vorderingen;

SRU-HvJ-1993-7

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 18 juni 1993
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, A.C. Veldema en E.S. Ombre).

[verzoeker], ambtenaar, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat no. 18 ten kantore van zijn gemachtigde, advokaat Mr. U.J. VAN DER VELDT, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Defensie, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de Gravenstraat no.52-54,voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. J.J. EMANUELSON, advokaat, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, waarin hij heeft gesteld:

1. Verzoeker wenst de navolgende rechtsvordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME (Ministerie van Defensie), in rechte vertegenwoordigd door de Edelgrootachtbare Heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 52-54, verweerder;

2. Verzoeker is per 1 oktober 1980 aangesteld in vaste dienst als Stafambtenaar A 1e klasse en tewerkgesteld op het Departement van Leger en Politie (thans: Departement van Defensie). Laatstelijk heeft hij aldaar gediend in de rang van Hoofdambtenaar A 2e klasse en wel te rekenen van 1 januari 1990.

E.e.a. moge blijken uit de aanstellingsresolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 14 juli 1987, Bureau [nummers 1], en de bevorderingsresolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 8 januari 1990, Bureau [nummers 2], welke in fotocopie worden overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan voor zoveel zakelijk van belang als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen;

3. Op 26 maart 1991 heeft verzoeker het schriftelijk verzoek gedaan om met toepassing van het bepaalde van artikel 69a, de leden 3 en 4 van de Personeelswet uit de Staatsdienst te worden ontslagen. Dit ontslag is hem met ingang van 1 februari 1992 eervol verleend. E.e.a. moge blijken uit de ontslagresolutie van de President van de Republiek Suriname de date 23 mei 1991, Bureau [nummers 3], welke in fotocopie wordt overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan voor zoveel zakelijk van belang als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen;

4. Vooruitlopend op zijn ontslag heeft verzoeker zijn verlof aangevraagd en verkregen, hetgeen moge blijken uit de brief van de Minister van Defensie de dato 8 maart 1991, [kenmerk 1] hetwelk eveneens met vorenbedoeld verzoek in fotocopie wordt overgelegd. Uit dit schrijven blijkt voorts, dat hem toestemming was verleend om gedurende het vakantie-verlof in dienst van derden te treden

5. Op 13 mel 1992 ontving verzoeker een schrijven van de Directeur van het Departement van Defensie, [kenmerk 2], waarin hem werd medegedeeld, dat om redenen als in dit schrijven uiteengezet en waarnaar verzoeker kortheidshalve moge verwijzen, de uitbetaling van zijn salaris is geblokkeerd. Verzoeker legt deze brief met bet vorenbedoeld verzoek in fotocopie over;

6. Verzoeker kan zich niet verenigen met het in laatstbedoeld schrijven vervat besluit en de gronden waarop dat besluit is genomen en wel om de navolgende redenen:

Een ontslag uit de Staatsdienst ingevolge het bepaalde van artikel 69a, de leden 3 en 4 van de Personeelswet geschiedt met behoud van salaris gedurende een tijdvak van ten hoogste achttien maanden. Uit de resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 23 mei 1991 blijkt, dat verzoeker te rekenen van de datum van ingang van zijn ontslag (1 februari 1992) aanspraak maakt op volledige uitbetaling van zijn bezoldiging over tenminste het tijdvak van 1 februari 1992 tot en met 31 juli 1992;

Kachtens het bepaalde van de artikelen 69a lid 4 en 76 lid 2 jo 30 lid 5 van de Personeelswet mag op het salaris van een landsdienaar, die met inachtneming van het bepaalde van artikel 69a lid 3 met ontslag is gegaan, slechts kortingen of inhoudingen worden gedaan, die in vorenbedoeld artikel 30, lid 5, limitatief zijn opgesomd. Inkortingen gelijk uit inkomsten uit andere hoofde verkregen, zijn in die limitatieve opsomming niet begrepen;

In tegenstelling tot hetgeen in het schrijven van de Directeur van Defensie de dato 13 mei j.l. volstrekt abusievelijk is gesteld en op grond van welke volstrekt abusievelijk reden het in dat schrijven vervatte besluit kennelijk is genomen, is op het salaris van de landsdienaar, die met inachtneming van artikel 69a, lid 3 met ontslag is gegaan, niet artikel 74 in zijn geheel doch slechts het vierde lid ervan van toepassing. Met name is niet van toepassing het derde lid van dit artikel, volgens welk lid inkorting kan plaatsvinden op wachtgeld bij het genieten van inkomsten uit andere bron.

7. Op grond van het vorenstaande is verzoeker mitsdien de overtuiging toegedaan, dat het besluit tot blokkering van zijn salaris, als vervat in eerder vermeld schrijven van de Directeur van Defensie de dato 13 mei 1992, [kenmerk 2] genomen in strijd met de wet, meer bijzonderlijk in strijd met het bepaalde van de artikelen 69a lid 4, 76 lid 2, 30 lid 5 en 74 lid 4 van de Personeelswet, subsidiair in strijd met het algemene beginsel van behoorlijk bestuur dat aan de beschikkende Overheid voorschrijft, dat de gronden waarop een besluit is genomen, dat besluit dienen te kunnen dragen. Ingevolge het bepaalde van het artikel 79, de leden 1 sub a. en 2 sub a. van de Personeelswet is het Hof bevoegd om van zijn op die overtuiging gegronde vordering kennis te nemen;

8. Gelet op het bepaalde van artikel 80, lid 1 sub b, van de Personeelswet is de onderhavige vordering tijdig ingesteld;

Ovenwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat het besluit van de Directeur van Defensie de dato 13 mei 1992, als vervat in diens schrijven per die datum, [kenmerk 2], nietig zal worden verklaard, kosten rechtens;

Overwegende, dat de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift heeft ingediend, waarin het navolgende als venweer wordt aangevoerd:

1. Blijkens de door verzoeker overgelegde produkties en bet door hem in het tweede, derde en vierde sustenu van zijn verzoekschrift de dato 18 mel 1992 gestelde, is naar het oordeel van verweerder aangetoond dat de verzoeker is gewezen ambtenaar in de zin van de Personeelswet;

2. De verweerder erkent voorts dat door verzoeker bij schrijven van 26 maart 1991 aan de Minister van Defensie het verzoek is gedaan om met toepassing van de leden 3 en 4 van artikel 69a van de Personeelswet uit Staatsdienst te worden ontslagen. In verband met een door de verzoeker eerder aangevraagd hem toekomende vakantieverlof voor de duur van 10 maanden, werd het gevraagde ontslag door de President van de Republiek Suriname bij resolutie van 23 mei 1991 [nummers 3 – variant] rekening houdend met het aangevraagde vakantieverlof, verleend met ingang van 1 februari 1992;

3. Bij zijn verzoek om vakantieverlof voor de duur van 10 maanden te mogen genieten, werd door verzoeker tevens het verzoek gedaan om gedurende dit verlof in dienst van derden te mogen treden, welk verzoek eveneens werd ingewilligd en de verzoeker trad gedurende het genot van dit vakantieverlof in dienst van een derde. Na afloop van dit vakantieverlof bleef verzoeker in dienst van deze derde en wel tegen een hogere maandelijkse financiële vergoeding dan het laatst door hem bij de Surinaamse Overheid genoten salaris. Verzoeker verlangt nu van de verweerder de voortzetting van de uitkering na het laatst door hem genoten salaris nadat zijn ontslag, overeenkomstig artikel 69a het 3de en 4de lid van de Personeelswet, aangezien hij, naar zijn oordeel meent daarop aanspraak te maken;

4. Bezien wij thans artikel 69a alsmede de toelichting op dit artikel van de Personeelswet. Ingevolge het decreet C 4A van 19 september 1983 (Stabl. no. 46) werd de Personeelswet met dit artikel aangevuld. In de toelichting op artikel 69a van de Personeelswet staat o.m. het volgende te lezen:”Teneinde het voor de ambtenaar, die het voornemen heeft zich ”particulier” te vestigen en aldus een bestaan op te bouwen, aantrekkelijk te maken om ook daadwerkelijk die stap te nemen, is bepaald dat gedurende ten hoogste 18 maanden na zijn ontslag hem het laatstelijk genoten salaris zal worden doorbetaald. Door deze regeling is de gewezen ambtenaar verzekerd van inkomsten gedurende de tijd die hij nodig heeft om een ”bedrijf” op te bouwen of anderszins zich van een bestaan te verzekeren. De uitkering kan natuurlijk eerder worden beëindigd ingeval de gewezen ambtenaar intussen andere inkomsten heeft weten te verwerven, dat van een redelijk handelende overheid niet mag worden verwacht om nog verder uitkeringen ten laste van de Staat te doen”. Dit Decreet alsmede zijn toelichting worden hierbij overgelegd, met verzoek de inhoud hiervan als hier woordelijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen;

5. De bedoeling van de bepalingen van artikel 69a van de Personeelswet is duidelijk. De wetgever wenst met deze bepalingen twee doelen na te streven en te bereiken.

I. Sanering en inkrimping van het Overheidsapparaat en verwezenlijking van de doelstelling van de ambtenaar om ”particulier” een eigen bestaan op te bouwen. Afhankelijk van de omstandigheden zal doorbetaling van de ontslagen ambtenaar van het laatstgenoten salaris plaatsvinden tot ten hoogste 18 maanden. Wordt, zoals in het onderhavige geval, door de ontslagen ambtenaar geen ernstige pogingen gedaan om zelfstandig (particulier) een bestaan op te bouwen, dan kan de uitkering eerder worden beëindigd;

6. Artikel 69a van de Personeelswet heeft geenszins de bedoeling om een ambtenaar, die op grond van de leden 3 en 4 van dit artikel de Overheidsdienst met ontslag heeft verlaten en in dienst treedt van een willekeurige derde gedurende 18 maanden en zelfs niet gedurende enige tijd een uitkering van het laatst genoten salaris te garanderen. De regeling geldt uitsluitend voor degenen die zelfstandig een bedrijf/beroep wensen op te bouwen c.q. uit te oefenen;

Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

– dat de verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans en in ieder geval hem zijn vordering zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen, met veroordeling in de kosten van het geding;

Overwegende, dat ten dage voor verhoor van partijen bepaald zijn verschenen verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr. U.J. VAN DER VELDT, advokaat Mr. J.J. EMANUELSON, gemachtigde van verweerder en heer H.H. HAIME, algemeen-Directeur van Defensie, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker ten dage voor repliek pleidooi peremptoir bepaald gepersisteerd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is (geweest) in de zin van de Personeelswet (P.W.);

Overwegende, dat het Hof aanstonds vaststelt, dat hij niet bevoegd is van verzoekers vordering kennis te nemen;

– dat toch artikel· 79 van de Personeelswet de bevoegdheid van het Hof regelt over welke besluiten hij mag oordelen en welke besluiten voor nietig-verklaring in aanmerking komen (vide lid 1 en lid 2 artikel 79 P.W.);

– dat artikel 79 lid 2 sub a spreekt van besluiten betreffende: salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeid;

– dat verzoekers vordering betreft nietigverklaring van een besluit tot blokkering ”salaris”;

– dat in casu evenwel niet gezegd kan wordcn dat verzoeker aanspraak maakt op een bedrag uit hoofde van dienstverband;

verzoekers dienstverband is immers geëindigd door ontslag;

Overwegende, dat naar ’s Hovcn oordeel artikel 69a lid 4 van het Decreet C 4a alsvolgt dient te worden gelezen:

”……………………… een bedrag gelijk aan het laatstelijk genoten salaris”, hetgeen impliceert, dat van ”salaris” i.c. gecn sprake is;

Ovenwegende voorts, dat overigens ook artikel 74 lid 3 van de Personeelswet i.c. niet toepasselijk is;

– dat in de resolutie van 23 Inei 1991 Bureau [nummers 3] slechts wordt verwezen naar de definitie in artikel 74 lid 4 van de Personeelswet (” …………… zoals bedoeld …………..”), zonder dat hiermee wordt aangegeven, dat overige bepalingen van artikel 74 van de Personeelswet van toepassing zijn;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen van de Personeelswet;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart zich onbevoegd van de vordering van verzoeker kennis te nemen;

SRU-HvJ-1993-6

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 2 juli 1993
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. Von Niesewand en E.S. Ombre).

[verzoeker], wonende aan [adres], [plantage] in [district], advokaat Mr. Y.V. VAN TRIGT, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME (Ministerie van Economische Zaken) rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 3, advokaat Mr. J.J. EMANUELSON, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 7 februari 1992 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzend naar en overnemend hetgeen bereids in’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts:

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr. Y.V. VAN TRIGT, advokaat Mr. J.J. EMANUELSON, gemachtigde van verweerder en de heer E.J. VAN DER SAN, Waamemend Direkteur van Binnenlandse Zaken, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker hierna een akte behorende bij het verzoekschrift en produktie heeft overgelegd, waarvan de inhoud, alsmede van de overgelegde produktie hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder vervolgens een antwoord akte heeft overgelegd, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast wordt beschouwd;

Overwegende, dat het Hof tenslotte vonnis in de zaak, aanvankelijk, had bepaald op 14 augustus 1992, doch na dit enige malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij zijn interlocutoir vonnis, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 7 februari 1992;

Overwegende, dat het in de rechtsoverwegingen van gemeld interlocutoir vonnis, geconstateerd schikkingsstadium waarin partijen alstoen verkeerden niet tot een minnelijke schikking tussen partijen heeft geleid, hebbende verweerder een op 8 april 1992 Bureau [nummers] gedagtekende resolutie ten aanzien van verzoeker doen uitgaan, waarmee de verzoeker zich niet kan verenigen;

– hebbende verzoeker het door hem ingediend verzoekschrift in zijn totaliteit gehandhaafd;

Overwegende met betrekking tot de thans ontstane rechtspositie van verzoeker en de daarmede verbandhoudende desiderata:

– dat naar luid van artikel 22 lid 5 van de Personeelwet (P.W.) wordt een landsdienaar zodra hij gedurende meer dan een jaar in totaal een definitief opengevallen functie heeft waargenomen en hij aan de wettelijke eisen van benoembaarheid daarin voldoet, geacht stilzwijgend in die functie te zijn benoemd;

– dat niet kan worden ontkend, dat voor het stilzwijgend benoemd geacht worden, een aantal voorwaarden moet zijn vervuld;

– de eerste is, dat de betrokken ambtenaar door of vanwege het bevoegde gezag met de waarneming van de functie moet zijn belast;

– dat dat in casu is geschied, blijkt uit het schrijven van 14 november 1989 van de Minister van Economische Zaken, waarbij de functie van Hoofd van de Afdeling Post- en Archiefzaken, te rekenen van 7 september 1989 werd waargenomen door het Onderhoofd daarvan, .i.c. verzoeker;

– dat zij opgemerkt, dat .het belasten van een ambtenaar met de waarneming van een hogere, in casu leidinggevende taak door de hoogste functionaris van een ministerie, verwachtingen wekt en impliceert, dat de daarvoor vereiste formaliteiten zijn vervuld, dan wel zullen worden vervuld;

– dat het achterwege laten daarvan, zonder aan verzoeker mede te delen, dat aan zijn taakvervulling een vormfout kleeft, die het intreden van wettelijk geregelde voordelen in de weg staat, in strijd is met in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur, dat eist, dat de andere partij – i.c. de ambtenaar – eerlijk wordt behandeld;

Overwegende, dat nu geen argument voor het tegendeel is aangevoerd, moet worden aangenomen, dat ook de andere voorwaarden in deze, te weten, het definitief opengevallen zijn der waargenomen functie en het voldoen van verzoeker aan de wettelijke eisen van benoembaarheid, zijn vervuld;

Overwegende, dat verzoeker dan ook moet worden geacht met ingang van 7 september 1990, een jaar nu zijn waarneming op 7 september 1989, stilzwijgend te zijn benoemd tot Hoofd van de Afdeling Post- en Archiefzaken;

– dat hieraan de (veel) latere benoeming van een andere functionaris op het Ministerie van Economische Zaken in de functie van Hoofd van de Afdeling Post- en Archiefzaken, hoegenaamd geen afbreuk kan doen;

Overwegende, dat de resolutie van 8 april 1992 Bureau [nummers], geenszins tot gevolg heeft, dat verzoeker geen belang meer zou hebben bij zijn vordering, blijkende immers uit gemelde resolutie, dat verzoeker te rekenen van 7 september 1989 is bevorderd tot stafambtenaar 3e klasse, schaal 13 (ƒ1.334,– – ƒ1.613,–), belast met de functie van Hoofd van de Afdeling Post- en Archiefzaken, hetgeen de iure niet gelijke is te stellen met het (geacht worden stilzwijgend) te zijn benoemd tot Hoofd van de Afdeling Post- en Archiefzaken;

Overwegende, dat het dictum van ’s Hofs vonnis dan ook als na te melden dient te luiden:

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen van de Personeelswet;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Gelast verweerder om de benoeming en het salaris van verzoeker te doen geschieden als Hoofd van de Afdeling Post- en Archiefzaken van het Ministerie van thans Handel en Industrie, volgens het bepaalde in artikel 22 lid 5 van de Personeelswet, en wel te rekenen van 7 september 1990, overeenkomstig schaal 13 der salarisregeling;

Bepaalt, dat verzoeker een dwangsom van ƒ 250,– (TWEEHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) per dag zal verbeuren, te betalen aan verzoeker voor elke dag dat hij binnen DRIE MAANDEN na dagtekening van dit vonnis, in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen;

Wijst af het meer of anders gevorderde.