SRU-HvJ-1999-19

H.M
GENERALE ROL NO.13975.

A. [appellant sub A], wonende aan [adres 1], te [district],
B. De Stichting Kepamoko, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de New Delhistraat no.10 te Paramaribo, door wie tot hun beider gemachtigden zijn gesteld de advokaten Mr.E.C.M.HOOPLOT en Mr.R.W van RITTER, zijnde laatstgenoemde thans vervangen door advokaat Mr.G.GANGARAM PANDAY,
appellanten,

tegen

1. [geïntimeerde sub 1] en
2. [geïntimeerde sub 2], respectievelijk wonende aan [adres 2] en [adres 3] te [district], door wie tot hun beider gemachtigden zijn gesteld, Mr.J.KRAAG en Mr.H.P.BOLDEWIJN, advokaten,
geintimeerden,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 16 oktober 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, partijen in persoon, appellanten tevens bijgestaan door advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.G.Gangaram Panday en geintimeerden bijgestaan door Mr.H.P.Boldewijn ook namens advokaat Mr.J.Kraag, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat, naar blijkt uit hun verklaringen, afgelegd bij de inlichtingencomparitie, bevolen bij tussenvonnis van 6 oktober 1998, partijen hebben volhard bij hun stellingen, wordende de inhoud van het opgemaakt proces-verbaal dd. 13 november 1998, als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd aangemerkt;
Overwegende, dat geintimeerden onderdeel I van hun vordering strekkende tot vernietiging c.q. nietigverklaring van de overeenkomst van verkoop en koop dd. 12 januari 1993 en de daarop gevolgde levering van het perceelland, naar uit het verzoekschrift blijkt, hebben willen baseren op artikel 1362 BW( de z.g. actio Pauliana);
Overwegende, dat het Hof onderdeel I van gemelde vordering danook zo zou opvatten als één ex artikel 1362 BW indien de vereiste omstandigheden, nodig voor het met vrucht een beroep kunnen doen op de z.g. actio Pauliana, door geintimeerden in acht zouden zijn genomen;
Overwegende, dat één der omstandigheden die in casu in acht genomen had moeten worden is: benadeling van schuldeisers;
Overwegende, dat benadeling van schuldeisers blijkens de doctrine plaats heeft, indien door de handeling van de schuldenaar zijn vermogen ontoereikend wordt om alle schuldeisers te betalen, of indien een reeds onvoldoende mogelijkheid tot verhaal nog wordt verkleind;
Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat geintimeerden, met betrekking tot voormelde omstandigheid niet aan hun stelplicht hebben voldaan m.n. niet aan de
stelplicht, dat zij zijn benadeeld omdat zij niet hebben gesteld dat gedaagde sub B het in het tweede ”dat’ van het verzoekschrift omschreven onroerend goed juridisch geleverd heeft aan appellante alsgevolg waarvan het vermogen van gedaagde sub B ontoereikend was geworden haar schuldeisers te voldoen of dat de reeds onvoldoende verhaalsmogelijkheden van gedaagde sub B kleiner waren geworden;
Overwegende, dat geintimeerden in onderdeel I van hun vordering strekkende tot vernietiging c.q. nietigverklaring van de overeenkomst van verkoop en koop dd. 12 januari 1993, danook niet ontvankelijk zijn, hebbende zij immers niet voldoende aan hun stelplicht voldaan;
Overwegende, dat nu onderdeel I van de vordering van geintimeerden niet zal worden toegewezen en onderdeel II daarvan als een sequeel van onderdeel I hetzelfde lot zal ondergaan, dient onderdeel II van de vordering strekkende tot veroordeling van gedaagde sub B binnen een maand na betekening van het te wijzen vonnis mee te werken aan de levering van het in het 2e ”dat” van het verzoekschrift vermeld perceelland vrij van beslagen en hypotheken aan geintimeerden tegen het in ontvangst nemen van de saldokoopsom groot Sf.1.500.000,– eveneens met een niet-ontvankelijkheid te worden begroet;
Overwegende, dat gedaagde sub B, naar als onweersproken tussen partijen rechtens vaststaat, geheel in strijd met haar contractuele verplichting niet aan geintimeerden, doch aan appellant het in het 2e ”dat” van het verzoekschrift omschreven onroerend goed juridisch heeft geleverd en zich jegens geintimeerden aan wanprestatie heeft schuldig gemaakt en zij op grond daarvan ingevolge artikel 6 van de overeenkomst d.d. 24 december 1992 de boete ten bedrage van Sf.300.000,– aan geintimeerden verbeurt, hebbende geintimeerden haar terecht van gedaagde sub B gevorderd en dient zij hen alsnog te worden toegewezen;
Overwegende, dat het vonnis waarvan beroep derhalve niet in stand kan blijven en vernietigd zal worden waarbij gedaagde sub B alsnog zal worden veroordeeld tot betaling aan geintimeerden van het bedrag van Sf.300.000,–;
Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 21 april 1995 gewezen en uitgesproken waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Veroordeelt gedaagde sub B om aan geintimeerden tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van Sf.300.000,–;
Verklaart geintimeerden niet ontvankelijk in het tegen gedaagde sub B meer of anders gevorderde;
Verklaart geintimeerden niet ontvankelijk in hun mede tegen appellante ingestelde vordering;
Veroordeelt geintimeerden in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van appellante gevallen en begroot op Sf.5.210,–;
Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf.1500,–;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geintimeerden eveneens op Sf.1500,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.A.I.RAMNEWASH, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare
terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 8 januari 1999, in tegenwoordigheid van Mr. M.E. VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.
w.g.J.R.VON NIESEWAND w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advokaat Mr.M.G.VOS namens hun gemachtigden, advokaten Mr.E.C.M.
Hooplot en Mr.G.GANGARAM PANDAY en geintimeerden vertegenwoordigd door advokaat Mr.A.R.BAARH namens hun gemachtigden, Mr.J.KRAAG en Mr.H.P.Boldewijn, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-18

H.M.
GENERALE ROL NO. 13956.

[appellant], wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat, appellant,
tegen

POSTBANK N.V., rechtspersoon naar Nederlands recht, gevestigd te Amsterdam, Nederland, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Costerstraat no 27 bij het Advokatenkantoor BLUFPAND, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.J.BLUFPAND, advokaat,
geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoire beschikking van 6 maart 1998 tussen partijen gegeven en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormelde beschikking werd overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat de door het Hof bevolen comparitie van partijen niet is gehouden;
Overwegende, dat ten dage voor conclusie na niet gehouden comparitie van partijen peremptoir bepaald, de gemachtigde van appellant een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen – onder overlegging van produkties;

Overwegende, dat advokaat Mr.R.J.Blufpand zich terstond heeft uitgelaten over de overgelegde produkties, onder opmerking:
– dat het hier om een oud stuk gaat;
– dat er ingehouden is NF.22.881,–;
– dat de brief een overzicht geeft van W.A.O. uitkering en betaling aan derden f.1291,–;
– maandelijks wordt er een bedrag van f.687,73 ingehouden;
Het hierbij behorende stuk is juist;

Overwegende, dat advokaat Mr.R.J.Blufpand hierna heeft gepersisteerd en beschikking gevraagd;

Overwegende, dat het Hof beschikking in de zaak aanvankelijk had bepaald op 16 oktober 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat nu ingevolge artikel 410 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tegen de beslissing van de Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton d.d. 19 maart 1997, waarbij op het verzoek van geintimeerde is bevolen, dat het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 450 m² gelegen te [district] aangeduid op de kaart van de landmeter A.E.Calor d.d. 27 april 1966, met de letters ABCD en op diens verzamelkaart d.d. 25 april 1966 aangeduid met het [nummer], deel uitmakende van [plantage], in het openbaar zal worden verkocht ten overstaan van de te Paramaribo residerende notaris L.D. Hira Sing, op een door deze vast te stellen dag en uur en volgens de plaatselijke gebruiken, niet enige voorziening is toegelaten, dient appellant, alsnog in zijn tegen voormelde beslissing ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk te worden verklaard en de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geinti-meerde gevallen te dragen;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:
Verklaart appellant alsnog niet ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton op 19 maart 1997 gegeven;
Veroordeelt hem in de kosten aan de zijde van geintimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op Sf…..;

Aldus gegeven door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Vice-President, Mr.E.S.Ombre en Mr.P.G.Wolff, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 8 januari 1999 in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat, Mr.R.BALDEW namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN en geintimeerde vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.J.BLUFPAND, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1998-22

PRO JUSTITIA IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

VONNIS 1998 No.19

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in af­schrift overgelegd vonnis, door de Kantonrechter in het Derde Kanton op 26 januari 1996 gewezen en uitgesproken tegen:

[verdachte];

oud 34 jaar;

zonder beroep;

geboren te [geboorteplaats];

wonen­de aan [adres] in [district], verdach­te;

Gelet op het tijdig door de verdachte en de Ver­vol­gings­ambtenaar ingestelde hoger beroep;

Gehoord de verdachte in haar verdediging, daarin bijge­staan door haar raadsman, Mr. G. GANGARAM PANDAY, advokaat bij Hof van Justitie;

Gehoord de getuige in zijn beëdigde of op belofte afge­legde verklaring;

Gehoord het Openbaar Ministerie;

Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte bij de inleidende akte van dagvaarding zijn te laste gelegd, de feiten zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding, welke akte van dag­vaarding als hier geïnsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis door de daarin vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewe­zen heeft verklaard, dat verdach­te het haar bij inlei­dende akte van dagvaarding sub II te laste gelegde heeft be­gaan, zoals in voormeld vonnis is weer­gegeven;

met vrijspraak van het meer of anders telaste geleg­de;

Overwegende, dat de Kantonrechter de bewezen ver­klaarde feiten heeft gekwalificeerd als:

1. VALSHEID IN GESCHRIFTE; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 278 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht en de ver­dach­te te dier zake heeft veroordeeld tot gevange­nis­straf voor de tijd van TWAALF MAANDEN, met het bevel dat een gedeelte van tien maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de Kantonrechter later anders mocht gelasten op gornd van het feit dat veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 3 jaren bepaalde proeftijd schuldig heeft gemaakt of gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen, danwel zich niet houdt aan de hierbij opgelegde bijzondere voorwaar­de­ om het saldobedrag binnen een jaar na deze uitspraak terug te betalen aan de benadeelde [coöperatie], met bepa­ling dat de tijd door de veroor­deelde voor de tenuit­voer­leg­ging van deze uit­spraak van 22 november 1995 af, voor­lopig in verzeker­de bewa­ring doorgebracht, bij de uitvoe­ring van de hem opge­legde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, met bevel tot onmiddellijke invrijheid­stelling van de verdachte;

Overwegende, dat het Hof zich niet kan verenigen met het vonnis a quo, weshalve dit moet worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOEN­DE :

Overwegende, dat het Hof overneemt de bewijsmiddelen in eerste aanleg door de Kantonrechter in diens beroepen vonnis gebezigd, vermits deze niet aan nietigheid lijden;

Overwegende, dat die bewijsmiddelen dienen te worden aangevuld met:

1. de verklaring van [getuige] in hoger beroep afgelegd, zakelijk weergegeven :

dat hij nog steeds voorzitter is van de spaar- en krediet [coöperatie], welke gevestigd is te [plaats] in [district];

dat hij [verdachte] kent, vanwege het feit dat zij ongeveer tien jaren als administra­tieve kracht in de voornoemde cooperatie heeft gewerkt;

dat het in 1984 of 1985 moet zijn geweest dat zij in dienst trad en in oktober 1995 met ontslag ging;

dat zij in het laatste jaar 1995 ( voor haar diensttuit­treding ) naast de administratieve werkzaamheden ook belast werd met beheren van de kas, hetgeen onder andere in­hield het verstrek­ken van lenin­gen, deposito’s, stortingen, etc.

dat op een gegeven moment het bestuur van de cooperatie een commissie van toezicht heeft benoemd om controle uit te oefenen;

dat tijdens de controle werkzaamheden van voornoemde commissie, zij, leden van het bestuur, een brief van [verdachte] gedateerd van 19 oktober 1995 kregen, waarin ze te kennen gaf dat ze met ontslag zou gaan en dat ze ook voor de financiele tekortkomingen zou instaan;

dat deze brief de aanleiding was voor een intensief onderzoek;

dat de boekingen, bonnen en kwitanties gecontroleerd werden en er bleek toen een kastekort te zijn over een periode van 1994 / 1995.

dat er kwitanties op naam van [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3] zijn uitgeschreven;

dat wij leden van het bestuur genoemde personen hebben geconfronteerd met die kwitanties en zij hebben toen ken­baar ge­maakt niets van zulke trans­ac­ties af te weten;

dat voornoemde personen ook hebben ontkend hun handteke­ningen op voornoemde kwitanties te hebben ge­plaatst.

dat hij de kwitanties die hem getoond werden positief heeft herkend;

dat het in deze gaat om de kwitanties ten name van [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3] met de nummers 20, 21, 22 t/m 25 en 26 t/m 34;

dat het bestuur frauduleuze handelingen van [verdachte] heeft geconstateerd;

dat de leden van het bestuur [verdachte] hebben geconfron­teerd met de voornoemde kwitanties;

dat zij wel toegaf foutieve boekingen te hebben gepleegd en was ze bereid voor de financiele tekortkomingen in te staan;

dat zij per brief van 26 oktober 1995 uitstel van beta­ling van een week heeft gevraagd;

dat zij per brief van 3 november wederom voor een week uitstel van betaling; gevraagd ten aanzien van de beta­ling en dat ze hierna te kennen heeft gegeven niet meer te kunnen betalen;

dat hij inderdaad op 21 november 1995 aangifte heeft gedaan bij de politie tegen [verdachte] vanwege verduistering;

2. [verdachte] :

dat zij in 1984 of in 1985 in dienst is getreden van de spaar en krediet [coöperatie], welke gevestigd is te [plaats] in [district].

dat zij in het jaar 1985 tot en met oktober 1995 heeft gewerkt heeft als administratieve kracht bij voornoemde coop­eratie;

dat zij in het laatste jaar 1994 of 1995 naast de admi­nistratie tevens belast werd met het beheren van de kas, hetgeen onder andere inhield het ontvangen van geldbedragen en het uitbetalen van geldsbedragen aan de leden;

dat zij kwitanties uitschreef voor degenen die gelden kwamen lenen van de cooperatie en bonnen uitschreef voor degenen die gelden kwamen storten voor andere deposito’s;

dat de cooperatie ongeveer 117 leden telde;

dat zij niet exact kan aangeven hoeveel leden per week of per maand geld kwamen lenen of storten;

dat zij op een gegeven moment ontdekte dat de balans niet klopte;

dat er een tekort aan gelden was in de kas;

dat ze geprobeerd heeft te achterhalen hoe het kastekort is ontstaan doch daarin niet is geslaagd;

dat ze sinds februari 1995 tot ongeveer oktober 1995 het tekort begon te ontdekken;

dat ze het tekort niet in een keer heeft ontdekt, maar verschillende keren in bovengenoemde periode;

dat ze toen uit wanhoop kwitanties op verschillende tijdstippen heeft uitgeschreven op naam van anderen te weten:

[persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3] tenein­de het kaste­kort op te heffen;

dat zij de kwitanties met de nummers 20, 21, 22 t/m 25, 26 t/m 34 die haar geconfronteerd werden valselijk heeft opge­maakt;

dat zij toegeeft valselijk te hebben opgemaakt:

a) ten name van [persoon 3]:

kwitantie nr. 21, d.d. 18 – 10 – 1995, bedrag van Sf200.000,-

b) ten name van [persoon 2]:

kwitantie nr. 22, d.d. 19 – 10 – 1995, bedrag van Sf200.000,-

kwitantie nr. 23, d.d. 14 – 2 – 1995, bedrag van Sf30.500,-

kwitantie nr. 24, d.d. 4 – 5 – 1995, bedrag van Sf 70.000,-

kwitantie nr. 25, d.d. 7 – 4 – 1995, bedrag van Sf30.000,-

c) ten name van [persoon 1]:

kwitantie nr. 26, d.d. 7 – 4 – 1994, bedrag van Sf 50.000,-

kwitantie nr. 27, d.d. 14-2-1995, bedrag van Sf10.000,-

kwitantie nr. 28, d.d. 22-2-1995, bedrag van Sf13.000,-

kwitantie nr. 29, d.d. 11-1-1995, bedrag van Sf20.000,-

kwitantie nr. 30, d.d. 8-3-1995, bedrag van Sf20.000,-

kwitantie nr. 31, d.d. 3-6-1995, bedrag van Sf60.000,-

kwitantie nr. 32, d.d. 21-6-1995, bedrag van Sf60.000,-

kwitantie nr. 33, d.d. 14-8-1995, bedrag van Sf80.000,-

kwitantie nr. 34, d.d. 22-9-1995, bedrag van Sf90.000,-

d) kwitantie nr. 20, op naam van een onbekende, d.d. 19-10-1995, bedrag van Sf 100.000,-

dat het telkens gedeeltelijk voorbe­drukte kwitan­ties van de Spaar en Krediet [coöperatie] be­treft;

dat zij op voormelde kwitan­ties onder andere de naam van de coopera­tie heeft be­schreven als degene van wie het op de betreffende kwitantie vermelde bedrag was ontvangen;

dat zij verder telkens die hiervoor genoemde bedragen, in cij­fers en letters, op de kwitantie heeft beschreven, alsmede de betreffende datum en telkens een handtekening heeft gesteld als was het de handtekening van een van de genoemde personen;

Overwegende, dat het Hof op grond van de inhoud van voorschre­ven bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen

acht, het­geen de verdachte bij dagvaarding sub 11 is te laste gelegd, te weten dat zij:

1. op verschillende tijdstippen in het jaar 1995, in Suriname, opzet­telijk meerdere kwitanties, zijnde deze kwitanties ge­schriften die bestemd waren om tot bewijs te dienen van meer- dere uitbetalingen, opzettelijk valselijk heeft opge­maakt met het oogmerk om voormelde valselijk opgemaakte kwitanties als echt en onvervalst te gebruiken, uit welk gebruik enig nadeel kon ontstaan,

hebbende [verdachte] voornoemd immers op vermelde tijden en plaats opzettelijk valselijk meerdere kwitanties van de Spaar-en Krediet [coöperatie] van een fictie­ve hand­te­ke­ning voorzien,

al zulks met het oogmerk om voormelde kwitan­ties, al­thans die geschriften, als echt en onvervalst te gebruiken uit welk ge­bruik enig nadeel kon ontstaan.

Overwegende, dat de te laste van verdachte bewezen geach­te feit moet worden gekwalificeerd als:

1. VALSHEID IN GESCHRIFTE meermalen gepleegd voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 278 lid 1 juncto artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht;

Overwegende, dat de verdachte deswege strafbaar is zijnde van geen grond tot uitsluiting of opheffing der straf­baarheid gebleken;

Overwegende, dat het Hof de navolgende straf in over­eenstemming acht met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte;

Gezien behalve vorenaangehaalde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 11, 38, 44, en 127 van het Wetboek van Straf­recht;

Overwegende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub I is te

laste gelegd en hetgeen haar bij dagvaarding sub II meer of

anders is te laste gelegd dan bewezen is verklaard, weshalve

zij daarvan behoort te worden vrijgespro­ken;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis van 26 januari 1996 door de Kan­ton­rechter in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken tegen [verdachte] waarvan beroep;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen hetgeen hiervoren bewezen is geacht;

Kwalificeert het bewezen verklaarde feit als voormeld;

Verklaart het bewezen verklaarde feit en de verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt haar te dier zake tot :

een gevan­genisstraf voor de tijd van TWAALF MAANDEN.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte van tien maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij het Hof later anders mocht gelasten op grond van het feit dat veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op DRIE JAREN (3) bepaalde proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen;

Bepaalt dat de tijd door de veroor­deelde voor de tenuit­voer­leg­ging van deze uitspraak van 22 november 1995 af, voor­lopig in verzeker­de bewaring doorge­bracht, bij de uitvoe­ring van de haar opge­legde gevange­nisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub I is te laste gelegd en hetgeen haar bij dagvaarding sub II meer of anders is te las­te gelegd dan bewezen is verklaard;

SPREEKT HAAR DAARVAN VRIJ;

Aldus de heren: Mr.E.S. OMBRE, fungerend-Pres.

Mr.A.I. RAMNEWASH en

Mr.K. PULTOO, leden

UITSPRAAK: WOENSDAG 23 DECEMBER 1998

(mej.Mr.A.Jangbahadoer Singh, fungerend – Griffier)

SRU-HvJ-2004-1

Hof van Justitie

01 november 2004

(mrs. A.C. Veldema, A.A. Hermelijn, M.G. de Miranda)

Beschikking inzake beroep ex artikel 376 van het Wetboek van Strafvordering.

Gelezen het beroepschrift ingediend op 2 september 2004 door mr. G.R. Sewcharan, advocaat bij het Hof van Justitie, gemachtigde van de appellante [naam] waarin het verzoek wordt gedaan om de beslissing van de Rechter Commissaris d.d. 31 augustus 2004 te vernietigen en de onmiddellijke invrijheidstelling van de appellante te bevelen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. 22 oktober 2004, waarbij de behandeling van het beroepschrift is bepaald voor donderdag, 28 oktober 2004 des voormiddags te 11.00 uur, waarbij tevens de oproeping van de appellante is bevolen;

Gehoord in Raadkamer, de appellante/ bijgestaan door haar gemachtigde, mr. G.R. Sewcharan, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord, mr.R.P.Baidjnath Panday, Advocaat-Generaal namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het procesdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het beroepschrift in Raadkamer op donderdag, 28 oktober 2004;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellante een toelichting heeft gegeven op het beroepschrift en tevens heeft verzocht, dat te mogen aanvullen met het verzoek het bevel van gevangenhouding van de Kantonrechter nietig te verklaren;

Overwegende, dat het Hof voormeld verzoek heeft afgewezen;

Overwegende, dat de Advokaat-Generaal tijdens het verhoor heeft gevorderd, dat het gedane verzoek wordt afgewezen, op grond van feiten, door hem alstoen aangehaald, welke feiten in het proces-verbaal voornoemd zijn gerelateerd; de inhoud daarvan wordt hier als geïnsereerd aangemerkt;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat zoals in het beroepschrift is gesteld, de verlenging van de bewaring niet tijdig heeft plaatsgehad, zodat het daarna gevolgde bevel tot verlenging van de bewaring onjuist is, weshalve het Hof het gedane verzoek zal toewijzen;

Gezien de betrekkelijke artikelen van het Wetboek van Strafvordering;

beschikkende:

Staat het gedane verzoek toe:

Heft op het bevel van bewaring van de appellante, [naam], gegeven op 31 augustus 2004 door de Rechter Commissaris;

Gelast diens onmiddellijke invrijheidstelling.

SRU-HvJ-1990-4

Hof van Justitie
10 augustus 1990, G.R. 12885
(Mrs. S. Gangaram Panday, E.S. Ombre, A.I. Ramnewash)

[appellant], handelende onder de naam [bedrijf], wonende aan [adres 1] in [district], advocaat mr. R.H. Komproe, appellant,

tegen

[geïntimeerde], wonende in [gebied 1] in [district] , advocaat mr. G. Gangaram-Panday, geïntimeerde.

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1 het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton, van 14 december 1987 tussen partijen gewezen;
2 het proces-verbaal van de Griffier van het Derde Kanton van 11 januari 1988, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Derde Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1 dat eiser hierbij de navolgende vordering wenst in te stellen tegen [appellant], handelende onder de naam [bedrijf], wonende aan [adres 1] in [district];
2 dat gedaagde onder andere het beroep van padie opkoper uitoefent in [district];
3 dat eiser in de maand april 1987 aan de gedaagde heeft verkocht, gelijk gedaagde van de eiser heeft gekocht de gehele partij padie gelegen op de landbouw percelen in [gebied 2] in [district], groot in totaal ongeveer 16 ha;
4 dat tussen partijen was afgesproken dat eiser voormelde padie zelf zou oogsten waarna gedaagde deze van eiser ter plaatse zou kopen tegen de prijs van Sf. 19,50 per zak padie van 80 kg;
5 dat eiser conform de afspraak met de gedaagde de gehele partij padie had afgeoogst doch dat gedaagde slechts 408 zakken padie heeft afgehaald terwijl hij geweigerd heeft de resterende partij van 340 zakken padie af te halen, ondanks herhaalde en dringende aanmaningen in der minne van eiser;
6 dat gedaagde zich derhalve jegens eiser heeft schuldig gemaakt aan wanprestatie tengevolge waarvan eiser schade heeft geleden, welke schade Sf. 5.801,25 bedraagt hetgeen moge blijken uit de hierbij in fotokopie overgelegde rapport van het Ministerie van L.V.V.;
7 dat gedaagde gehouden is de geleden schade aan de eiser te vergoeden;
8 dat gedaagde voorts geweigerd heeft aan de eiser de koopsom van de reeds ontvangen partij padie van 408 zakken, zijnde een bedrag van Sf. 6.961,50 te betalen;
9 dat eiser derhalve van gedaagde in totaal te vorderen heeft Sf. 5.801,25 + Sf. 6.961,50 zijnde een bedrag van Sf. 12.762,75;
10 dat gedaagde ondanks herhaalde en dringende aanmaningen in der minne geweigerd heeft voormeld bedrag aan eiser te betalen, waardoor eiser thans gerechtigd is dit bedrag in rechte van de gedaagde te vorderen;
11 dat eiser na daartoe bekomen verlof van de Rechter bij exploit van deurwaarder M. Sitaram d.d. 26 juni 1987 conservatoir derden beslag onder de Surinaamsche Bank, de Hakrinbank en de Landbouwbank N.V. heeft doen leggen en dat deze beslagen thans van waarde verklaard dienen te worden;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat gedaagde bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep, zal worden veroordeeld om terzake voorschreven tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen een bedrag van Sf. 12.762,75 vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% ‘s jaars vanaf de dag der rechtsingang tot de algehele voldoening alsmede de proceskosten en met van waarde verklaring van het ten deze gelegde beslagen, kosten rechtens;

Overwegende, dat ten dage voor antwoord peremptoir bepaald, geen conclusie is genomen, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 14 december 1987 op de daarin opgenomen gronden:
eisers vordering heeft toegewezen;
gedaagde heeft veroordeeld aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van Sf. 12.762,75 (twaalfduizend zevenhonderd twee en zestig 75/100 gulden) met de wettelijke interessen hierover ad 6% per jaar vanaf 2 juli 1987 tot aan die der algehele voldoening;
dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard,
voorts van waarde heeft verklaard de bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, M. Sitaram, de dato 26 juni 1987 no. 310, gelegde conservatoir derden beslagen;
gedaagde heeft verwezen in kosten van dit proces, waaronder begrepen die der beslagleggingen, aan eisers zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 235,– (tweehonderd vijf en dertig gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 14 december 1987;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder G.O. Niekoop van 29 februari 1988 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat appellant tijdig in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen door de Kantonrechter in het Derde Kanton op 14 december 1987 gewezen en uitgesproken vonnis;

Overwegende, dat uit de gedingstukken uit de eerste aanleg blijkt, dat de appellant aldaar, ook na super peremptoir stelling, geen verweer tegen de vordering van geïntimeerde heeft gevoerd en de eerste rechter die dan ook terecht, met rente en kosten, als onweersproken heeft toegewezen;

Overwegende, dat het vaste rechtspraak van het Hof is, dat indien in eerste aanleg geen verweer is gevoerd – hetgeen hier het geval is – in hoger beroep dat verweer slechts bij memorie van grieven kan en mag worden aangedragen en nu dit in casu door de appellant nagelaten is, het Hof geen acht zal slaan op dat verweer, omdat dat bij pleidooi naar voren is gebracht;

Overwegende, dat de geïntimeerde bij antwoord-pleidooi zijn vordering op de appellant heeft verminderd tot het bedrag van Sf. 3.961,50 (drieduizend negenhonderd een en zestig 50/100 gulden), hetgeen met zich mede brengt dat het vonnis van de eerste rechter zal worden vernietigd en voorts recht zal worden gedaan als na te melden, met veroordeling overigens van de appellant in de kosten van het geding in beide instanties, aan de zijde van de geïntimeerde gevallen, omdat niet het door hem ingesteld appèl de aanleiding is van de vernietiging van het voormeld vonnis;

Rechtdoende in hoger beroep
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken op 14 december 1987, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende
Veroordeelt de appellant om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de geïntimeerde te betalen de som van Sf. 3.961,50 (drieduizend negenhonderd een en zestig 50/100 gulden) met de wettelijke interessen hierover ad 6% per jaar vanaf 2 juli 1987 tot aan de dag der algehele voldoening;

Verklaart van waarde de exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, M. Sitaram, d.d. 26 juni 1987 no. 310, gelegde conservatoire derden beslagen;

Veroordeelt appellant in de kosten van het geding in beide instanties, waaronder begrepen die der beslagleggingen, aan de zijde van geïntimeerde gevallen;
in eerste aanleg begroot op Sf. 235,–;
in hoger beroep begroot op Sf. Nihil;

SRU-HvJ-2017-32

G.R. no. 15241

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING in de zaak van:

1. [verzoeker 1]

wonende aan de [adres 1] in het district [district 1],

2. [verzoeker 2]

wonende aan de [adres 2] in het district [district 2],

verzoekers,

gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

tegen

[verweerster],

wonende aan de [adres 3] in het district [district 1],

verweerster,

gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Gezien het verzoekschrift met producties, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 12 juni 2017, afkomstig van verzoekers, welk verzoekschrift strekt tot verval van instantie in de hoger beroepszaak van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis d.d. 18 maart 2014 (A.R. no. 07-4876) tussen verweerster als eiseres en verzoekers als gedaagden;

Gezien het bestreden vonnis d.d. 18 maart 2014 in de zaak bekend onder A.R. no. 07-4876 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

Gezien het proces-verbaal van het verhoor in raadkamer d.d. 20 oktober 2017;

Gezien de overige zich in het procesdossier bevindende bescheiden;

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Verzoekers vorderen om bij vonnis (het hof begrijpt: bij beschikking) het door verweerster aanhangig gemaakte appel in de zaak tussen partijen, bekend onder A.R. no. 07-4876, vervallen te verklaren van instantie.

Verzoekers hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat verweerster, na het aantekenen van appel tegen het vonnis van 18 maart 2014 in bovenvermelde zaak, is blijven stilzitten en dat op geen enkele wijze is gebleken dat zij enige actie heeft ondernomen om het ingestelde appel te doen behandelen;

Van de bij het op 20 oktober 2017 gehouden verhoor in raadkamer door de gemachtigde van verzoekers gegeven mondelinge toelichting op het verzoekschrift, het verweer van de gemachtigde van verweerster, alsmede van de zienswijze van verzoekers en de mondeling gevolmachtigde van verweerster is door de griffier proces-verbaal opgemaakt;

De gemachtigde van verweerster heeft als verweer aangevoerd dat:

1. verzoekers nergens in het verzoekschrift hebben aangegeven op grond waarvan de onderhavige vordering is ingesteld. Verzoekers hadden in het verzoekschrift moeten aangeven op grond van welk wetsartikel verweerster in gebreke is gebleven;

2. verweerster geen verdere stappen kon ondernemen, aangezien zij de stukken benodigd voor de aanzegging van het appel aan verzoekers niet van het kantongerecht heeft ontvangen;

Het hof overweegt ten aanzien van het eerste onderdeel van het verweer dat verzoekers de onderhavige vordering blijkens de aanhef van het verzoekschrift hebben gestoeld op artikel 208 e.v. van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Volgens artikel 208 Rv vervalt alle instantie, indien de zaak binnen drie jaren tijds niet is voortgezet. Uit hetgeen verzoekers aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd bezien in relatie tot het bepaalde in artikel 208 Rv, verstaat het hof de grondslag van de vordering van verzoekers aldus dat verweerster na het aantekenen van appel is blijven stilzitten, waardoor de zaak in hoger beroep binnen drie jaren niet is voortgezet. Gelet op het voorgaande zal dit onderdeel van het verweer worden verworpen;

Naar het oordeel van het hof is het tweede onderdeel van het verweer gegrond. Het hof overweegt dat de wetgever met artikel 208 Rv e.v. heeft beoogd de wederpartij van de partij die nalaat (verdere) proceshandelingen te verrichten de mogelijkheid te geven de zaak te doen beëindigen wegens onredelijke vertraging. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat verweerster na het aantekenen van appel heeft nagelaten verdere proceshandelingen te verrichten. Immers, overweegt het hof, staat als door verzoekers niet weersproken tussen partijen vast dat verweerster geen verdere proceshandelingen heeft kunnen verrichten, omdat zij de stukken (het hof begrijpt: het proces-verbaal van de appelaantekening) benodigd voor de aanzegging van het appel aan verzoekers niet van het kantongerecht heeft ontvangen. Het hof komt derhalve tot de slotsom dat de vertraging, die naar zijn oordeel te wijten is aan het nalaten van het kantongerecht om voormeld proces-verbaal aan verweerster te verstrekken, niet voor rekening van verweerster dient te komen.

Het hof is zich er terdege van bewust dat de zaak niet ten eeuwige dage kan blijven voortsudderen. Het heeft derhalve ambtshalve een onderzoek ingesteld, uit welk onderzoek aan de ene kant weliswaar is gebleken dat het kantongerecht het proces-verbaal van de appelaantekening in de zaak tussen partijen, bekend onder A.R. no. 07-4876, nog niet heeft opgemaakt, doch aan de andere kant dat zulks ten spoedigste zal geschieden waarna voormeld proces-verbaal aan verweerster zal worden verstrekt teneinde de appelaanzegging aan verzoekers mogelijk te maken. In het verlengde hiervan maakt het hof van de gelegenheid gebruik om een beroep op verweerster te doen om met enige voortvarendheid aan de verdere formaliteiten te voldoen, zodat de behandeling van de zaak in hoger beroep zonder onnodig nader oponthoud kan plaatsvinden.

Gelet op al het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat het gevorderde dient te worden afgewezen en zullen verzoekers, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding worden veroordeeld aan de zijde van verweerster gevallen en zoals nader te begroten in het dictum;

BESCHIKKENDE:

Wijst af het gevorderde;

Veroordeelt verzoekers in de gedingkosten aan de zijde van verweerster gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gegeven door: mr. A. Charan, fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, lid, en mr. S.J.S. Bradley, lid-plaatsvervanger, op heden 17 november 2017 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Ombre, fungerend-griffier.

SRU-HvJ-1990-2

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 17 augustus 1990
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en F.F.P. Truideman)

[verzoeker], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende aldaar aan de Watermolenstraat no. 36 beneden, ten kantore van de advokaten Mr. E.C.M. HOOPLOT en Mr. J.G. BOETIUS, verzoeker,
tegen
DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, advokaat Mr. H. MUNGRA, verweerder.

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:
1. Dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen: DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3.
2. Dat verzoeker belast is geweest met de waarneming van de functie van consul-generaal in Frans-Guyana, met alle aan deze functie verbonden vergoedingen en emolumenten welke aan verzoeker werden vergoed in de valuta van het land waarin verzoeker te werk gesteld was, althans in vreemde valuta.
3. Dat verzoeker tijdens zijn detachering in Frans-Guyana niet in de mogelijkheid heeft verkeerd zijn verlof op te nemen, zulks vanwege de bijzondere verantwoordelijkheden die op hem rustte en de intensiteit zijner activiteiten alsgevolg van de oorlogssituatie in het oosten des lands.
4. Dat verzoeker onder de aandacht van zijn minister heeft gebracht dat hij aanspraak maakte op gecumuleerd verlof, doch dat de werkzaamheden niet toelieten dat hij dit vooralsnog opnam. De behoefte om dit onder de aandacht van de Minister te brengen heeft zich bij verzoeker opgedrongen toen hij na de bestuurswisseling des lands – de indruk kreeg dat er (politieke) krachten werkzaam waren die om zijn overplaatsing riepen.
5. Dat verzoeker hiermede heeft beoogd om door de Minister in de gelegenheld te worden gesteld zijn verlof op te nemen nog vóór beëindiging van zijn detachering zodat hij evenals zijn collegae in staat zou zijn tijdens zijn verlofperiode zijn salaris cum annexis in de gebruikelijke vreemde valuta uitgekeerd te krijgen, zulks mede vanwege de door hem in het vreemd land aangegane valuta verplichtingen.
6. Dat de Minister van Buitenlandse Zaken de argumentatie van verzoeker had begrepen en ook kon billijken, weshalve hij het verzoek van verzoeker heeft geaccordeerd in aanwezigheid van de direkteur van het Ministerie.
Voor de goede orde heeft verzoeker het gesprek met de minister bevestigd aan de direkteur, die immers belast is met de uitvoering van dit besluit, een en ander bij schrijven d.d. 19 mei 1989, waarvan bijgaand afschrift wordt overgelegd, met verzoek de inhoud als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.
7. Dat verzoeker met deze toezegging van de Minister erop mocht vertrouwen dat hij tijdig vóór het voornemen hem te muteren daarvan op de hoogte zou worden gesteld, teneinde zijn verlof als beoogd en door de minister begrepen op te nemen, althans dat hem tijdig zou worden aangezegd zijn verlof op te nemen.
8. Dat verzoeker vooruitlopend op de mogelijkheid dat hij abrupt zou worden overgeplaatst aan de Minister heeft verzocht hem te doen overplaatsen i.c. zijn detachering in Frans-Guyana te beëindigen, ervan uitgaande dat zulks zou geschieden op een zodanig tijdstip dat verzoeker nog in staat zou zijn voorafgaand aan zijn overplaatsing zijn verlof·op te nemen.
9. Dat evenwel bij ongedagtekend telex-bericht, in ieder geval van na 19 mei 1989 en welke verzoeker op of omstreeks 24 juni 1989 mocht ontvangen aan hem werd aangezegd dat hij per 1 augustus 1989 werd gemuteerd naar het hoofdkantoor, alsmede dat hij zijn gecumuleerd verlof moest opnemen voor laatst vermelde datum.
10. Dat ook indien verzoeker terstond een aanvang had gemaakt met het opnemen van zijn verlof de periode tot 1 augustus te kort zou zijn geweest aangezien verzoeker alstoen aanspraak maakte op 3 maanden en 4 dagen verlof.
Bovendien waren de omstandigheden zowel in Frans Guyana alsook rondom het totale oorlogsgebeuren aantoonbaar van dien aard dat verzoeker onmogelijk met verlof zijn post kon verlaten.
Hierover heeft verzoeker zowel de minister als het hoofd Algemene en Personele Zaken gesproken die steeds mondeling aan verzoeker de verzekering hebben gegeven dat het feit dat verzoeker na 24 juni het verlof niet heeft kunnen opnemen, niets afdeed aan de toezegging van de minister.
11. Dat nu echter de verzoeker zijn verlof wenst op te nemen op de wijze en met de gevolgen als met de minister overeengekomen zulks stuit op bezwaren vanwege het Ministerie.
12. Dat verzoeker door de niet nakoming van de toezegging van de Minister schade lijdt hierin bestaande dat hem zijn salaris C.A. ad U.S.$. 2.500,– per maand over zijn verlofperiode niet aan hem wordt ca uitbetaald tot een totaal bedrag van U.S.$.7.900,–.
13. Dat verzoeker nog steeds schulden in Cayenne heeft te voldoen, waarvoor hij dit bedrag dringend behoeft. Inmiddels heeft de telefoondienst in Cayenne in een onlangs door verzoeker ontvangen sommatie hem bedreigd met rechtsmaatregelen indien hij een nog openstaande telefoonrekening ad Fr. 22.774,44 niet per ommegaande voldoet.
14. Dat gedaagde door als voormeld te handelen jegens verzoeker handelt in strijd met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende regels van behoorlijk bestuur en wel in het bijzonder het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel alsmede het beginsel van fairplay;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis:
a. voor recht zal worden verklaard dat verzoeker aanspraak maakt op verlof gedurende drie kalender maanden en 4 dagen over de dienstperiode tot 1 augustus 1988 en gedurende drie verlofperiode aanspraak op maakt dat zijn salaris en emolumenten aan hem wordt uitbetaald op de wijze en in de valuta als gebruikelijk voor beëindiging van zijn detachering in Frans Guyana,
b. verweerder zal worden veroordeeld om de sub a gestelde beslissing te gehengen en gedogen en om ten titel van dwangsom aan verzoeker te betalen een som van f. 1.500,– voor iedere dag waarop zij in strijd met de beslissing handelt, kosten rechtens;

Overwegende, dat vervolgens van de Staat Suriname binnen de bij de Wet gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarin het navolgende wordt aangevoerd:
1. dat hij ontkent en tegenspreekt al hetgeen door verzoeker in zijn verzoekschrift is gesteld, tenzij hierna erkend, met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn erkentenis en onder aanbod van bewijs van al zijn weren, voorzoveel op hem enig bewijslast mag rusten – quod non;
2. dat het sub 2 in het verzoekschrift gestelde wordt erkend;
3. dat het sub 3 in het verzoekschrift gestelde ten stelligste wordt ontkend;
4. dat bij schrijven d.d. 19 mei 1988 verzoeker, destijds gedetacheerd te Cayenne in Frans Guyana heeft gevraagd dat hij in aansluiting op zijn gecumuleerd verlof naar Paramaribo wordt gemuteerd;
5. dat vermits gedurende EEN MAAND na ontvangst van het voormeld schrijven van verzoeker geen verlofaanvraag het ministerie had bereikt en de Minister van Buitenlandse Zaken aan wie het mutatiebeleid behoort de overplaatsing van verzoeker naar Paramaribo wel noodzakelijk achtte, werd verzoeker bij telexbericht d.d. 24 juni 1988 in kennis gesteld terzake zijn mutering naar het Hoofdkantoor te Paramaribo, zulks te rekenen per 1 augustus 1988;
6. dat in het desbetreffende telexbericht d.d. 24 juni 1988 aan verzoeker duidelijk te kennen is gegeven, dat eventueel gecumuleerd verlof vóór 1 augustus 1988, zijnde de datum van mutering dient te worden opgenomen, daar bij opname van het gecumuleerd verlof na de datum van mutering het salaris in Suriname zal worden uitbetaald op basis van het thuissalaris;
7. dat verzoeker in de periode 19 mei 1988 tot aan zijn mutering slechts 5 werkdagen verlof heeft opgenomen, terwijl het niet aan verweerder heeft gelegen dat verzoeker niet van een langer verlof periode gebruik heeft gemaakt, danwel heeft kunnen maken, indien hij daartoe de intentie had;
8. dat het niet opnemen van het gecumuleerd verlof danook niet aan de schuld van verweerder te wijten is, doch geheel voor rekening van verzoeker komt;
9. dat het niet juist is dat verzoeker tijdens zijn detachering in Frans Guyana niet in de mogelijkheid heeft verkeerd zijn verlof op te nemen vanwege bijzondere verantwoordelijkheden die op hem rustten en de intensiteit zijner activiteiten alsgevolg van de oorlogssituatie in het oosten des lands;
10. dat de beoordeling omtrent de door verzoeker bedoelde situatie niet aan verzoeker is, doch het beleid van verweerder aangaat, die zonodig voorzieningen kon treffen, indien verzoeker het verlof wel had opgenomen. Evenwel heeft verzoeker dit verlof geheel niet aangevraagd – zoals voorgeschreven is volgens de Personeelswet – doch heeft hij zonder meer doorgediend op eigen verantwoordelijkheid en risico van verlies van het valuta-inkomen zoals hem in de telex van 24 juni 1988 was voorgehouden;
11. dat de door de Minister gedane toezegging was verwekt in de telex van 24 juni 1988, doch verzoeker heeft daarvan zelf geen gebruik willen maken;
12. dat het toch de verzoeker niet zal zijn ontgaan, dat het valuta inkomen, naast het salarisschaal bestanddeel, verder opgebouwd is uit toelage-componenten ter dekking van de hoge kosten van gezinsconsumptie in het land van detachering, hetwelk de diplomaat in staat moet stellen zijn funktie adequaat en naar behoren te kunnen uitoefenen;
Op grond van het voorgaande moeten argumenten, terzake door verzoeker nog te vervullen financiële verplichtingen in Cayenne (betaling telefoon-rekening e.d.), welke afhankelijk zijn gesteld op een uitbetaling van een vermeende verlofsalarisclaim, als ongegrond moeten worden beschouwd;
In dit licht bezien moet afkeuring worden uitgesproken over de niet nakoming van verplichtingen als gesteld in Cayenne, daar het diplomaten verboden is schulden danwel financiële verplichtingen in dat land aan te gaan, die niet zijn nagekomen;
13. dat ook de vigerende comptabele wetten, circulaires en instrukties terzake zich verzetten tegen uitbetaling van het valuta-inkomen na beëindiging van de detacheringsperiode.
De verweerder kan danook niet worden gevraagd om bestaande wettelijke regelingen te overtreden, zoals thans van hem wordt gevorderd;
14. dat ingevolge artikel 48 en 49 Personeelswet van het vakantieverlof wordt verleend op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de ambtenaar. In casu ontbreekt een dergelijk verzoek geheel;
Indien verzoeker dit schriftelijk verzoek wel had gedaan – quod non – dan kon de Minister slechts bij een met redenen omkleed besluit dit verzoek weigeren, artikel 48 lid 5 Personeelswet;
15. dat noch de vigerende Personeelswet noch enig andere wettelijke regeling de mogelijkheid biedt om aan een ambtenaar die financiële voordelen bij opname van verlof toe te kennen, welke bij verlofopname in het buitenland als gedetacheerde kracht gelden; De verweerder is danook onbevoegd alzo te handelen, althans zou een dergelijk handelen in strijd met de wet zijn, hetgeen niet van verweerder kan worden gevraagd, die juist moet waken voor een richtige toepassing van de wet;
16. dat verweerder ontkent dat verzoeker enig schade lijdt of zal lijden als in punt 12 van het verzoek gesteld;
17. dat ontkend wordt dat verweerder handelt in strijd met de regels van behoorlijk bestuur, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel van fairplay;
18. dat de wet geen ruimte biedt om aan het verlangen van verzoeker, welke rijkelijk laat thans schriftelijk word gedaan, tegemoet te komen;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:
dat het sub a en b in het petitum gevraagde als zijnde ongegrond en onbewezen aan verzoeker moet worden ontzegd, althans verzoeker daarin niet ontvankelijk dient te worden verklaard, kosten rechtens;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 19 september 1989 in Raadkamer zijn verschenen verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, de Staat Suriname vertegenwoordigd door de heer Letnom, Onder-Direkteur Administratieve Diensten bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken en advokaat Mr. H. MUNGRA, die hebben verklaar gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd onder overlegging van producties, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 10 augustus 1990, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet (Pw.);

Overwegende, dat verzoeker in zijn onderhavige rekest vordert:
a. voorrecht te verklaren, dat hij – verzoeker – aanspraak maakt op verlof gedurende drie kalendermaanden en vier dagen over de dienstperiode tot 1 augustus 1988 en dat hij, verzoeker, gedurende die verlofperiode aanspraak op maakt, dat hem zijn salaris en emolumenten worden uitbetaald op de wijze en in de valuta als gebruikelijk vóór beëindiging van zijn detachering in Frans Guyana;
b. verweerder te veroordelen de onder a verlangde beslissing te gehengen en te gedogen en om ten titel van dwangsom aan hem – verzoeker – te verbeuren een som van f. 1.500,– per dag voor iedere dag waarop verweerder in strijd met de beslissing handelt;

Overwegende, dat hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenaren-zaken kan worden gevorderd limitatief is omschreven in artikel 79 van de Personeelswet; (conform vonnis Hof van Justitie d.d. 18 december 1970 Surinaams Jurisprudentie 1970 no. 15);
– dat hetgeen onder a) is gevorderd niet kan worden gerangschikt onder die opsomming, weshalve verzoeker daarin niet kan worden ontvangen;
– dat hetgeen wijders onder b) wordt gevorderd, voor wat betreft het eerste onderdeel, ook niet toewijsbaar is, nu het onder a) gevorderde met een niet-ontvankelijkheid moet worden begroet;
– dat voor wat betreft het tweede onderdeel van de vordering sub b, opgemerkt zij, dat waar deze vordering uitsluitend gebaseerd kan zijn op het bepaalde in artikel 79 lid 1 sub c van de Personeelswet en het sub a) gevorderde, ook al zou het worden toegewezen – quod non -, niet op gemelde wettelijke bepaling is gebaseerd, kan toewijzing van het tweede onderdeel van het sub b) gevorderde, ook niet volgen;

Overwegende, dat, afgezien van het vorenoverwogene, verzoeker ook hierom niet-ontvankelijk is in zijn vordering, omdat hij daarbij geen belang heeft, brengende het vonnis hem immers geen baat ten opzichte van verweerder;
– dat toch het besluit vervat in het telex-bericht, dat in verzoekers bezit op 24 juni 1988 kwam, welk telex-bericht afkomstig is van verweerder, ook in geval van toewijzing van de verzochte beslissing, van kracht zou blijven, zijnde het Hof van oordeel dat voormeld besluit pas dan zijn rechtskracht zou verliezen en mitsdien ongedaan gemaakt worden indien het bij vonnis zou worden nietig verklaard danwel vernietigd, hetgeen verzoeker evenwel niet heeft gevorderd;

Overwegende, dat het Hof ten overvloede opmerkt dat verzoeker in zijn verzoekschrift, bij het aanhalen van data (vide 6e en 9e ”dat” van zijn verzoekschrift) steeds spreekt van ”1989”, hetgeen uit de overgelegde stukken duidelijk moet zijn ”1988”;

Overwegende, dat het Hof een en ander zal opvatten als kennelijke verschrij- vingen van verzoeker en overal in het 6e en 9e ”dat” van zijn verzoekschrift, de aldaar aangehaalde dat zal verstaan als te zijn ”1988” in plaats van ”1989”;

Overwegende, dat verzoeker bij schrijven van 19 mei 1988 aan de Directeur van Buitenlandse Zaken, over zijn overplaatsing spreekt en zijn verlofaanspraken tijdens zijn detachering te Cayenne;

Overwegende, dat verzoeker op 24 juni 1988 (volgens rekest 28 juni 1988 tijdens verhoor) kennis neemt van een telex-bericht afkomstig van de Directeur van Buitenlandse Zaken, bestemd voor verzoeker (CG CAY), als reactie op zijn brief van 19 mei 1988, luidende:
”Referte Uw schrijven d.d. 19 mei 1988 inzake bovenvermeld onderwerp, deel ik U mede dat accoord wordt gegaan met Uw verzoek om mutatie naar HQ en wel per 1 augustus 1988. Eventueel gecumuleerd verlof gedurende Uw detacheringsperiode dient vóór 1 augustus 1988 te worden opgenomen. Bij opname van dit verlof na 1 augustus 1988 zal salaris worden uitbetaald in Surinaams op basis van het thuissalaris stop”;

Overwegende, dat dit telex-bericht duidelijk is en geen.ruimte biedt voor twijfels;

Overwegende, dat deze mededeling in geschrifte; naar ’s Hoven oordeel wordt geacht te zijn een Besluit in de zin van de Personeelswet, afkomstig van de Directeur van Buitenlandse Zaken;

Overwegende, dat indien verzoeker geen genoegen had genomen met dit besluit, hij hiervan binnen een maand nadat dit besluit te zijner kennis was gcbracht, zich tot het Hof zou moeten wenden (vide artikel 80 lid … Personeelswet);

Overwegende, dat verzoeker door pas bij rekest van l0 juli 1989, ingekomen ter Griffie op 27 juli 1989, zich tot het Hof te wenden, hij rijkelijk te laat zou zijn met zijn vordering;
– dat verzoeker mitsdien ook hierom niet-ontvankelijk verklaard zou worden in zijn vorderingen;

Overwegende, dat verzoeker nog heeft betoogd dat hij van de Minister van Buitenlandse Zaken de toezegging had gekregen, dat hij zijn gecumuleerd verlof voorafgaande aan zijn mutatie mocht opnemen, welke toezegging hij heeft gestaafd met overlegging van een brief van [naam 1] d.d. 8 mei 1989, gericht aan de raadsman van verzoeker Mr. E.C.M. Hooplot;

Overwegende, dat de Minister het voorgaande heeft weersproken en bij Memo d.d. 25 januari 1990, gemotiveerd het navolgende heeft kenbaar gemaakt;
”Aan de heer [verzoeker] , gewezen Consul op het Consulaat-Generaal van de Republiek Suriname te Cayenne in Frans Guyana, zijn op generlei wijze toezeggingen gedaan aanziens het opnemen van het totaal betrokkene gecumuleerd vakantie tegoed, vóór zijn mutering naar Suriname.
Op het mondeling verzoek van betrokkene terzake het voorgaande is door ondergetekende slechts medegedeeld dat opdracht zal worden gegeven om na te gaan of medewerking daartoe zou kunnen worden verleend, voorzover de wettelijke voorschriften zulks toestaan.
De ondergetekende is van mening dat de heer [verzoeker], in de periode 19 mei tot 1 augustus 1988 in de gelegenheid is geweest zijn vakantieverlof op te nemen, indien hij daartoe de behoefte had.
w.g. [naam 2]”;

Overwegende, dat na al het voorgaande, het lot van verzoekers vorderingen moet zijn, dat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.

SRU-HvJ-1990-1

Hof van Justitie
17 augustus 1990, G.R. 13011
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, E.S. Ombre)

[appellant], wonende te [adres 1], advocaat mr. B.A. Halfhide, apellant in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres 2], advocaat mr. J. Kraag, geïntimeerde in Kort Geding.

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, de navolgende beschikking uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1 het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 9 juli 1990, tussen partijen gewezen;
2 het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 11 juli 1990, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1 dat eiser de navolgende vordering in Kort Geding wenst in te stellen tegen: [appellant], wonende te [adres 1], gedaagde;
2 dat eiser reeds geruime tijd althans tien tot vijftien jaren het erf met de woning gelegen aan de [adres 3], aan gedaagde als woonhuis heeft verhuurd voor de huurprijs van Sf. 110,30 per maand;
3 dat het eiser recentelijk gebleken dat gedaagde de woning thans niet meer bewoont doch gebruikt als kantoorruimte voor zijn bedrijf dat o.a. airco’s repareert en installeert, waarbij alle meubilair uit het huis is weggedragen en aldaar zijn secretaresse heeft die dagelijks alszodanig werkzaamheden verricht, zonder toestemming van eiser;
4 dat gedaagde aldaar reparatiewerkzaamheden aan airco’s en/of koelinstallaties verricht zonder toestemming van eiser alsook dat hij een gedeelte van de woning heeft uitgebouwd, althans een uitbouw heeft verricht eveneens zonder toestemming van eiser, welke bijbouw hij als opslagruimte gebruikt;
5 dat gedaagde gaten graaft in de grond op het litigieuse erf, waarin hij kapotte airco’s en onderdelen van airco’s, althans afval materiaal werpt, zonder daartoe toestemming van eiser te hebben verkregen;
6 dat de bestemming van de litigieuse woning door gedaagde zoals vorenomschreven zonder toestemming van eiser is veranderd en in een erg verwaarloosde toestand is gebracht o.a. tieren houtluizen welig in de woning, die met zich meebrengt dat ernstige reparaties dienen plaats te vinden ter voorkoming dat die woning niet in haar geheel vergaat;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronde heeft gevorderd:
dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minuten en op alle dagen en uren, gedaagde zal worden veroordeeld om binnen 1 (een) week, althans binnen een door de Rechter te wijzen vonnis gedaagde zal worden bevolen het litigieus onroerend goed te ontruimen met alles en allen die zich aldaar zijnent wege bevinden, met last op eiser om indien gedaagde weigert of weigerachtig blijft het ten rekeste omschreven onroerend goed te ontruimen zulks te doen desnoods met behulp van de Sterke Arm.
De bestaande huurovereenkomst tussen partijen te schorsen, althans op te schorten, kosten rechtens;

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van een produkt – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:
dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans dat deze hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 9 juli 1990 op de daarin opgenomen gronden:
a. de tussen partijen bestaande huurovereenkomst heeft geschorst;
b. gedaagde heeft veroordeeld om binnen drie weken na betekening van dit vonnis het erf met de woning gelegen aan de [adres 3] te ontruimen met alles en allen die zich aldaar van zijnent wege bevinden;
c. eiser heeft gemachtigd indien gedaagde ingebreke mocht blijven het voormelde gehuurde te ontruimen deze zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;
dit vonnis tot zover vermeld sub b en c uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;
gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 115,50 (eenhonderd en vijftien 50/100 gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van vermeld eindvonnis in Kort Geding van 9 juli 1990;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder J.E. Kolf van 13 juli 1990 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het appèl tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, d.d. 9 juli 1990, in Kort Geding tussen partijen gewezen en uitgesproken, tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat appellant tegen het beroepen vonnis vier grieven heeft ontwikkeld, luidende:
I ten onrechte is de Kantonrechter enkel vanwege een lege koelkast tot de conclusie gekomen, dat het gebouw niet bewoond wordt. Uit het proces-verbaal van de descente blijkt dat de woning wel bewoond wordt;
II ten onrechte heeft de Kantonrechter aangehaald dat het erf glibberig was. Ten rekeste is niets omtrent de toestand van het erf aangehaald, weshale de Kantonrechter dit feit niet in het vonnis had moeten betrekken;
III ten onrechte heeft de Kantonrechter, overwegende dat het gebouw aan het verrotten is, de vordering toegewezen.
Immers, is het gebouw aan de buitenzijde wel aan enige reparatie toe, doch deze reparatie dient te geschieden door eiser in prima, thans geïntimeerde en niet door appellant, weshalve appellant het gelag betalen moet;
IV ten onrechte heeft de Kantonrechter een ontruimingstermijn bepaald van 3 weken na de betekening van het vonnis. Appellant woont reeds 17 jaren in het pand, weshalve in redelijkheid niet een zo korte termijn mag worden bepaald;

Overwegende ambtshalve:
dat, de procesgemachtigde van geïntimeerde desgevraagd aan het Hof ter terechtzitting van 10 augustus 1990 heeft verklaard, dat geïntimeerde het gebouw zal repareren en daarin zijn intrek zal nemen indien het Hof het beroepen vonnis mocht bevestigen en appellant daarna het gebouw geheel ontruimd ter beschikking zal hebben gesteld van geïntimeerde;
dat uit aan het Hof gedane mededeling blijkt, dat na de ontruiming herstel in de vorige toestand niet meer mogelijk is;
dat op grond van het door geïntimeerde na de ontruiming beoogde, de gevraagde voorziening moet worden geacht een definitief karakter te dragen tot het geven waarvan de rechter in Kort Geding niet bevoegd is, nu, naar blijkt, toewijzing van de onderhavige vordering een definitieve beëindiging van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding zou betekenen;

Overwegende, dat de gevraagde voorziening mitsdien, met voorbijgaan aan bespreking van de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven als niet langer relevant, onder vernietiging van het beroepen vonnis, dient te worden geweigerd;

Overwegende, dat tot slot zij opgemerkt, dat nu, naar duidelijk blijkt, geïntimeerde als verhuurder belang heeft bij een spoedige behandeling van een ontruimingsvordering tegen appellant hem – geïntimeerde – in overweging wordt gegeven met een uitdrukkelijk beroep op het bepaalde in artikel 8, lid 2 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gewone rechter te adiëren in een tegen appellant aanhangig te maken vordering tot ontruiming;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen in Kort Geding en uitgesproken op 9 juli 1990, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende
Weigert de gevraagde voorziening;

Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van appellant gevallen:
in eerste aanleg begroot op Sf. nihil;
in hoger beroep begroot op Sf. 123,50;
met inbegrip van het door het Hof aan zijn advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van Sf. 150,–; bepalende het Hof het salaris van de advocaat van geïntimeerde eveneens op Sf. 150,–.

 

SRU-HvJ-1999-17

H.M.

GENERALE ROL NO: 13847.

[appellant], wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.L.KENSMIL, advokaat,
appellant in Kort Geding,
te g e n

A. [geintimeerde 1],
B. [geintimeerde 2],
C. [geintimeerde 3],
D. [geintimeerde 4],
E. [geintimeerde 5],
F. [geintimeerde 6],
G. [geintimeerde 7],
H. [geintimeerde 8], allen wonende te [district], door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr.F.KRUISLAND, advokaat,
geintimeerden in Kort Geding,
De fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien’s Hofs interlocutoir vonnis van 1 augustus 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen in bereids vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, appellant in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr.R.L.Kensmil, Mw.Iris M.Wijdenbosch, één van de geintimeerden en de gemachtigde van geintimeerden, advokaat Mr.F.Kruisland, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden comparitie van partijen heeft genomen, terwijl advokaat Mr.H.Lim A Po namens advokaat Mr.F.Kruisland, ten dage voor conclusie na gehouden comparitie van partijen zijdens geintimeerden bepaald, heeft gepersisteerd;
Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak had bepaald op 23 januari 1998;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant op verzoek van het Hof hierna een hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusie tot overlegging produkties heeft genomen;
Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerden vervolgens een eveneens hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating produkties heeft genomen, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 22 januari 1999, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof hier overneemt en volhardt bij al hetgeen in het tussenvonnis d.d. 1 augustus 1997 is overwogen en beslist;
Overwegende, dat de bij dat tussenvonnis bevolen comparitie van partijen gehouden is op 10 oktober 1997 en hebben de appellant en een der geintimeerden het Hof de verlangde inlichtingen verstrekt;
Overwegende, dat de appellant daarna produkties overgelegd heeft, waarover de tegenpartij zich heeft uitgelaten;
Overwegende, dat dit kortgeding ertoe strekt de beslissing van de eerste rechter die over het bodemgeschil tussen partijen een oordeel gegeven heeft te schorsen, enzovoorts (zie het geding bekend onder A.R.92/3011, en G.R.13902), doch nu in dat bodemgeschil heden de beslissing in hoger beroep gevallen is, waarbij het vonnis van de Kantonrechter onder verbetering van de rechtsgronden bevestigd is, heeft de appellant geen belang meer bij de vordering in kortgeding;
Overwegende, dat de appellant dan ook niet ontvan-kelijk zal worden verklaard in het door hem ingesteld hoger beroep, met zijn veroordeling, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:
Verklaart de appellant niet ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep;
Veroordeelt appellant in de kosten aan de zijde van geintimeerden in hoger beroep gevallen begroot op f.5.000,–;
Met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.5.000,–;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van de appellant eveneens op f.5.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PANDAY, fungerend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 23 april 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.BOLDEWIJN namens zijn gemachtigde advokaat Mr.R.L.Kensmil en geintimeerden vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.LIM A PO namens hun gemachtigde advokaat Mr.F.Kruisland zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2001-6

M.R.S.

A – 365.

[verzoeker], wonende te [district] aan [adres] ten deze domicilie kiezende aldaar aan de Watermolenstraat no. 36 beneden ten kantore van Mr.E.C.M.HOOPLOT,
verzoeker,
t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,
verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen respectievelijk van 16 mei 1997, 9 januari 1998 en 3 juli 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in s’Hofs laatstmeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat de door het Hof bepaalde comparitie van partijen niet is gehouden;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen c.q. dagbepaling comparitie van partijen advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft heeft verklaard dat verzoeker voorgedragen is maar dat de Raad van Ministers hierover nog beslissen moet;
Overwegende, dat het Hof ter terechtzitting van 2 juli 1999 wederom een comparitie van partijen heeft bepaald op 13 augustus 1999, welke comparitie van partijen echter niet is gehouden;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 3 december 1999 advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft heeft verklaard dat er nog geen resolutie is uitgekomen;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen bepaald, Mr.M.A.Bodha namens de gemachtigde van verweerder Mr.Dr.C.D.Ooft een produktie heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd, en tevens heeft verklaard dat verzoeker intussen bevorderd is;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens verzoeker peremptoir bepaald, advokaat Mr.J.Kraag namens advokaat Mr.E.C.M.Hooplot uitstel heeft gevraagd vanwege uitlandigheid van Mr.E.C.M.Hooplot;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 6 oktober 2000 advokaat Mr.T.Gangaram-Panday namens advokaat Mr.E.C.M.Hooplot wederom uitstel heeft gevraagd, welk verzoek werd afgewezen;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk heeft bepaald op 17 november 2000, doch nader heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat verzoeker, naar blijkt uit het ter Griffie van het Hof van Justitie op 2 augustus 1996 ingediend verzoekschrift de dato 30 juli 1996 het Hof van Justitie als Gerecht in ambtenarenzaken in het onderhavige proces het verzoek gedaan heeft verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van
Sf.100.000,– voor iedere dag dat hij, verweerder, in gebreke blijft om binnen 1 (één) maand na de uitspraak van dit vonnis althans een door het Hof van Justitie in goede justitie vast te stellen termijn:
Primair: de handelingen te verrichten die er toe moeten leiden dat hij wordt bevorderd tot de rang van Hoofdverificateur bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen van het Ministerie van Financiën;
Subsidiair: tot het nemen en ter kennis van verzoeker brengen van een besluit waarbij verzoeker met ingang van dezelfde datum als [persoon] e.a. althans een andere door het Hof van Justitie in goede justitie te bepalen termijn wordt bevorderd tot Hoofdverificateur bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen van het Ministerie van Financiën;
Overwegende, dat zijdens verweerder ter terechtzitting van vrijdag, 19 mei 2000 in het geding is gebracht een afschrift in fotokopie van de resolutie de dato 12 mei 2000 [nummer], waarbij verzoeker met ingang van 1 januari 2000 bevorderd is tot Adjunct-Inspecteur;
Overwegende, dat verzoeker, ofschoon hem daartoe ettelijke keren de gelegenheid is geboden, nagelaten heeft zich uit te laten over voormelde resolutie, weshalve het Hof van de juistheid van die resolutie uitgaande thans bewezen acht en als tussen partijen
rechtens vaststaand aanneemt, dat verzoeker bij voormelde resolutie met ingang van 1 januari 2000 bevorderd is tot Adjunct-Inspecteur;
Overwegende, dat nu verzoeker, naar het Hof uit eigen wetenschap bekend is, bij resolutie van 1 januari 2000 bevorderd is in een hogere rang dan waarin hij gevorderd heeft bevorderd te worden en hij dientengevolge geen belang meer heeft niet slechts bij het primair gevorderde doch ook bij het subsidiair gevorderde, dient hij in die vorderingen alsnog niet ontvankelijk te worden verklaard;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Verklaart verzoeker alsnog niet ontvankelijk in zowel zijn primaire als zijn subsidiaire vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 19 JANUARI 2001, in tegenwoordigheid van
Mr.R.R.BRIJOBHOKUN, Fungerend-Griffier.

w.g. R.R.BRIJOBHOKUN w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.