SRU-HvJ-1993-5

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 2 juli 1993
(Mrs. R.E.Th.Oosterling, A.C.Veldema en E.S.Ombre)

[verzoekster], echtgenote van [naam], wonende in [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo, aan de Watermolenstraat no. 36 beneden ten kantore van de advokaten Mr. E.C.M. HOOPLOT en Mr. J.G. BOETIUS, van wie als haar gemachtigde optreedt, Mr. E.C.M. HOOPLOT, verzoekster,

tegen

DE STAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no.52-54, Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, advokaat Mr. Y.V. VAN TRIGT, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster], echtgenote van [naam] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, waarin zij heeft gesteld:

1. Verzoekster wenst de navolgende vordering in te stellen tegen:

DE STAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 52-54 te Paramaribo;

2. Verzoekster is ambtenaar in de zin van de Personeelswet en als leerkracht verbonden aan de Openbare Muloschool te [adres], werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling;

3. Bij schrijven van 19 mei 1992 heeft verzoekster ingevolge artikel 69a lid 3 van de Personeelswet de wens te kennen gegeven ingaande 1 oktober daaraanvolgend haar ontslag wegens sanering van Staatsdienst te verlenen. Verzoekster heeft daarbij een bedrijfsplan en ander materiaal van het door haar op te zetten garnalenverwerkingsbedrijf ingediend;

4. De directeur van Onderwijs heeft namens de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling bij schrijven d.d. 5 oktober 1992 verzoekster medegedeeld, dat haar verzoek niet kan worden ingewilligd aangezien de categorie leerkrachten waartoe verzoekster behoort, niet behoeft te worden (weg) gesaneerd;

5. Voormeld besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling, zoals vervat in het schrijven van de directeur van Onderwijs is in strijd met de wet alsook met de beginselen van behoorlijk bestuur en wel om de volgende redenen:

– de afwijzing van het verzoek is in strijd met artikel 69a lid 3 van de Personeelswet aangezien uit het besluit niet blijkt dat de Raad van Ministers of een door deze aan te wijzen orgaan over het verzoek heeft geoordeeld. Immers is in de toelichting van voornoemd artikel aangegeven dat de beslissing aan het oordeel van de Raad van Ministers is overgelaten teneinde een adequate uitvoering te verzekeren;

– voorts blijkt uit het genomen besluit tot afwijzing dat slechts gelet is op de belang van de dienst. De haalbaarheid van de plannen van verzoekster en haar persoonlijke mogelijkheden om de plannen tot een succes te maken zijn bij het vormen van het oordeel niet in ovenweging genomen:

– bovendien is voormeld besluit zoals vervat in het schrijven van 5 oktober 1992 tardief aangezien het verzoek dateert van 19 mei 1992 en verzoekster de wens te kennen heeft gegeven om ingaande 1 oktober 1992 met ontslag te gaan. Het besluit is in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur met name het beginsel van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel. Ervan uitgaande dat haar verzoek stilzwijgend was gehonoreerd, heeft verzoekster de werkzaamheden als leerkracht na de schoolvakantie niet hervat en heeft zich toegelegd op de actualisering van de plannen tot het stichten van een eigen bedrijf. Zij mocht erop vertrouwen dat aan haar het aangevraagde ontslag geheel in de geest en strekking van artikel 69a lid 3 van de Personeelswet was verleend m.i.v. 1 oktober 1992 danwel de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin het verzoek is binnengekomen;

6. Met toepassing van artikel 69a lid 4 van de Personeelswet is verzoekster danook gerechtigd tot toekenning van het laatstelijk genoten salaris gedurende een tijdvak van ten hoogste 18 maanden na haar ontslag;

7. Verzoekster is op grond van het vorenstaande gerechtigd als na te melden te vorderen.

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

– dat bij vonnis;

A: PRIMAIR: voor recht zal worden verklaard dat het besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling zoals vervat in het schrijven van de directeur van Onderwijs d.d. 5 oktober 1992 is non existen;

SUBSIDIAIR: nietig zal worden verklaard, althans zal worden vernietigd het besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling zoals vervat in het schrijven van de directeur van Onderwijs d.d. 5 oktober 1992;

B: PRIMAIR: verweerder zal worden veroordeeld om aan verzoekster ingevolge artikel 69a lid 3 van de Personeelswet te rekenen van 1 oktober 1992 danwel de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin het verzoek is binnengekomen, eervol ontslag uit staatsdienst te verlenen onder toekenning van haar laatstelijk genoten salaris gedurende een tijdvak van ten hoogste 18 maanden na haar ontslag e.e.a. onder verbeurte van een dwangsom van f. 25.000,– voor iedere dag of keer dat gedaagde in strijd met voormelde veroordeling handelt;

SUBSIDIAIR: verweerder zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van f. 25.000,– voor iedere dag dat hij in gebreke blijft het besluit conform het bepaalde in artikel 69a lid 3 van de Personeelswet te nemen, alsmede om gedurende een periode van 18 maanden vanaf haar ontslag, maandelijks op de gebruikelijke wijze aan verzoekster haar bezoldiging uit te keren, kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijk gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

1. Dat hij ontkent en betwist al hetgeen in het navolgende niet uitdrukkelijk door hem wordt erkend onder aanbod van bewijs zijner stellingen door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen.

2. Dat bij verzoekschrift ingekomen ter Griffie van het Hof op 3 november 1992 verzoekster als ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet bij het Hof een vordering aanhangig heeft gemaakt tegen de Staat Suriname met name het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, verweerder, omvattende (citaat):

”A: PRIMAIR: voor recht te verklaren dat het besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling zoals vervat in het schrijven van de directeur van Onderwijs d.d. 5 oktober 1992 is non existent.

SUBSIDIAIR: voor nietig te verklaren althans te vernietigen het besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling zoals vervat in het schrijven van de directeur van Onderwijs d.d. 5 oktober 1992.

B: PRIMAIR: verweerder te veroordelen om aan verzoekster ingevolge artikel 69a lid 3 van de personeelswet te rekenen van 1 oktober 1992 danwel de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin het verzoek is binnengekomen, eervol ontslag uit Staatsdienst te verlenen onder toekenning van haar laatstelijk genoten salaris gedurende een tijdvak van ten hoogste 18 maanden na haar ontslag e.e.a. onder verbeurte van een dwangsom van f. 25.000,– voor iedere dag of keer dat gedaagde in strijd met voormelde veroordeling handelt.

SUBSIDIAIR: Verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van f. 25.000,– voor iedere dag dat hij in gebreke blijft het besluit conform het bepaalde in artikel 69a lid 3 van de Personeelswet te nemen, alsmede om gedurende een periode van 18 maanden vanaf haar ontslag, maandelijks op de gebruikelijke wijze aan verzoekster haar bezoldiging uit te keren” (einde citaat).

3. Met nadruk wijst verweerder op artikel 79 tweede lid van de personeelswet houdende een limitatieve opsomming van de besluiten die vatbaar zijn voor vernietiging door het Hof.

Het Hof is op grond van het hiervoren gestelde onbevoegd kennis te nemen van de vordering als genoemd in het petitum.

4. Het gestelde in het 3e ”dat” van artikel 69a lid 3 is niet een op zichzelf staande, doch dient in samenhang met het 1ste lid van dit artikel te worden gelezen.

5. Genoemd artikel geeft duidelijk de gronden van de ontslagverlening aan en wel reorganisatie, inkrimping en sanering.

Dit ontslag kan:

a. ambtshalve door de President (lid 1) als wel

b. op schriftelijk verzoek van de landsdienaar (lid 2) worden verleend.

6. Verweerder acht het noodzakelijk te wijzen op de twee essentialia in het artikel:

a. het algemeen belang moet er mee gediend zijn en

b. er moet sprake zijn van sanering, reorganisatie, inkrimping.

Voorts wordt er met nadruk gewezen op het woordje ”KAN” hetgeen inhoudt dat de ontslagverlening niet verplichtend gesteld is.

7. Het is juist dat bij schrijven d.d. 5 oktober 1992 verweerder verzoekster mededeelde dat haar verzoek niet kan worden ingewilligd, aangezien de categorie leerkrachten waartoe zij, verzoekster, behoort, niet behoeft te worden gesaneerd.

Verzoekster die in het bezit is van de hoofdakte, verzorgt lessen in het vak Nederlands op de Openbare Muloschool te [adres]. Het is een notoir feit dat er een nijpend tekort is aan onderwijzers, met de onderwijzers- en hoofdakte bevoegdheid in het algemeen en aan onderwijzers die het vak Nederlands verzorgen.

Dit tekort aan leraressen Nederlandse taal doet zich ook op middelbaar niveau gevoelen met als consequentie dat het regelmatig voorkomt dat deze krachten van het Mulo-niveau worden onttrokken en op het middelbaarniveau worden tewerk gesteld.

Op grond hiervan werd reeds in 1991 besloten om in verband met de kritische situatie waarin de leerkrachten-voorziening is komen te verkeren, dat niet langer bevorderd zou worden dat deze categorie van landsdienaren en met hen gelijk gestelden in aanmerking worden gebracht voor de regeling als vervat in artikel 69a van de Personeelswet.

Een uitzondering op het hierboven gestelde werd door de Minister gemaakt voor de categorie van Onderwijzeressen-A. Als produkties worden hierbij overgelegd een fotocopie van het schrijven van de directeur van Onderwijs van 22 april 1991 aan de onder-Directeur van de Hoofdafdeling Onderwijs en van 27 juli 1992 van de directeur van Onderwijs aan de onder-Directeur van de Hoofdafdeling, met verzoek aan U, E.A. de inhoud hierbij als letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen (zie prod. no. 1 en 2).

8. Het door verzoekster in het 5e ”dat” van haar inleidend rekest gestelde, dat het besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling als vervat in het schrijven van de directeur in strijd is met de wet alsook met de beginselen van behoorlijk bestuur alsmede de door haar aangehaalde gronden ter staving van haar stelling is reeds op grond van het hiervoren onder het 7e ”dat” gestelde pertinent onjuist.

De motivering:

a. dat het besluit in strijd is met artikel 69a lid 3 van de Personeelswet aangezien niet blijkt dat de Raad van Ministers danwel een aan te wijzen orgaan over het verzoek heeft geoordeeld, is van elke grond ontbloot. In lid 3 is duidelijk gesteld dat de ontslagverlening wegens sanering na goedkeuring door de Raad van Ministers of een door deze aan te wijzen orgaan wordt beoordeeld. In casu is er absoluut geen sprake van ontslagverlening.

b. dat er slechts gelet is op het algemeen belang van de dienst en niet op de haalbaarheid der plannen is juist. Zoals eerder gesteld is een der essentialia voor de ontslagverlening het algemeen belang. Trouwens had verzoekster kunnen weten dat haar verzoek niet zou worden ingewilligd, aangezien het schrijven van de directeur van Onderwijs dateert van 1991. In genoemd schrijven deed de directeur het verzoek de leerkrachten op de hoogte te brengen van de gewijzigde situatie, waardoor de afvloeiingsregeling niet langer kan worden toegepast.

Dit om eventuele teleurstellingen te voorkomen. Verwezen wordt naar de laatste alinea van genoemd schrijven. In alle redelijkheid kan verzoekster niet van verweerder verwachten dat deze zich gaat verdiepen in haalbaarheid van geëntameerde projekten van partikulieren, burgers. Bovendien stelt verzoekster in haar schrijven aan gedaagde zelf (citaat):

”Als bijlage vindt U een fotokopie van haar produkt dat binnenkort op de Surinaamse markt proffesioneler dan nu het geval is, zal worden geïntroduceerd” (einde citaat). Als produktie wordt hierbij overgelegd een fotokopie van het schrijven van verzoekster van 19 mei 1992 aan de directeur van Onderwijs en Volksontwikkeling, met verzoek aan U, E.A. de inhoud hierbij als letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen (zie prod. no. 3).

c. voormeld besluit is volgens verzoekster tardief aangezien het schrijven van 19 mei 1992 dateert en het besluit van 5 oktober 1992 en verzoekster de wens te kennen had gegeven om ingaande 1 oktober 1992 met ontslag te gaan. Deze stelling van verzoekster is pertinent onjuist. Ingevolge artikel 98, tweede lid wordt een orgaan geacht een besluit te hebben genomen indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist. Verweerster heeft terdege rekening gehouden met de gestelde wettelijke termijn van 6 (zes) maanden getuige de datum van het verzoekschrift 19 mei 1992 en de datum van het besluit 5 oktober 1992. De houding van verzoekster aan te nemen dat het verzoek stilzwijgend was gehonoreerd is op grond van al het vorenstaande onjuist. Verzoekster had de verplichting te informeren bij verweerder of haar verzoek zou worden ingewilligd. Gelet op de eerder genoemde brieven had zij niet het recht er op te vertrouwen dat het gevraagde ontslag zou worden verleend op basis van artikel 69a lid 3. Uit de hele houding van verzoekster blijkt dat zij zeer zelfzuchtig, egoistisch is, alles moet gaan zoals zij verzoekster haar plannen heeft uitgestippeld. Verzoekster heeft door haar werkzaamheden op 1 oktober 1992 NIET te hervatten wanprestatie gepleegd jegens verweerder.

9. Uit het vorenstaande blijkt dat verweerder geenszins gehandeld heeft in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en is het gestelde onder punt 6 van haar verzoekschrift danook absurd.

Op grond van het voorgaande is verweerder danook van oordeel dat voor het gevorderde geen grond bestaat;

Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

– dat verzoekster in haar vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze aan haar zal worden ontzegd alszijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 2 december 1992 in Raadkamer zijn verschenen, verzoekster in persoon, advokaat Mr. H.E. Struiken namens advokaat Mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van verzoekster, advokaat Mr. Y.V. van Trigt, gemachtigde van verweerder en de heer B.L. Tjin Liep Shie, onder-Directeur van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling namens verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – procesverbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verweerder ten dage voor dupliek pleidooi bepaald, gepersisteerd en vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 18 juni 1993, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet (P.W.), en tijdig – zijnde het tegendeel noch gesteld noch gebleken – het Ambtenarengerecht heeft geadieerd;

Overwegende m.b.t. verzoeksters vorderingen onder A:

ad primair:

– dat verzoekster i.c. een ”declaratoir” van het Hof als Ambtenarengerecht verzoekt;

– dat het Hof daartoe onbevoegd is, gevende artikel 79 van de Personeelswet het Hof die bevoegdheid niet;

ad subsidiair:

– dat het Hof ook in dit onderdeel van verzoeksters vordering onbevoegd is te oordelen;

immers geeft artikel 79 lid 2 van de Personeelswet, in het bijzonder het onderdeel e daarvan aan, dat o.a. een besluit tot ontslagverlening door het Hof, voor nietigverklaring vatbaar is (vide art. 69a en 69 lid 2 P.W.);

Overwegende, dat nu het schrijven van de directeur van Onderwijs van 5 november 1992 [nummer], naar ’s Hoven oordeel, zulk een besluit niet inhoudt, is het Hof, gelijk hierboven bereids aangehaald, onbevoegd daarover te oordelen; Overwegende m.b.t. verzoeksters vorderingen onder B:

– dat naar ’s Hoven oordeel, geen verschil valt te constateren tussen het primair en het subsidiair aldaar gevorderde;

– dat het den Hove blijkt, dat de grondslag van verzoeksters vorderingen onder B, het vertrouwensbeginsel is;

Overwegende te dien aanzien, dat het den hove ontgaat, waarom verzoekster er op mocht vertrouwen, dat haar verzoek was ingewilligd;

– dat naar ’sHoven oordeel, verzoeksters rekest op dit punt niet duidelijk is; verzocht was ontslag per 1 oktober 1992 en het schrijven (besluit) van de direkteur van Onderwijs d.d. 5 oktober 1992 is aan verzoekster dus na verstrijking van de gewenste ontslagdatum, medegedeeld;

– dat naar ’s Hoven oordeel, artikel 69a lid 3 van de Personeelswet geen tijdstip vermeldt met ingang waarvan het ontslag moet worden verleend, waarbij nog zij vermeld, dat die bepaling spreekt van ”KAN”;

– dat i.c. mitsdien sprake is van een bevoegdheid van de Staat;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, de Personeelswet geen regeling bezit voor de datum (het tijdstip) waarop of tegen waarbinnen op een verzoek als waarvan hier sprake is, moet worden beslist;

– dat het enkele verstrijken van de gevraagde datum van ontslag onvoldoende wordt geacht, om de hierboven aangehaalde verwachting bij verzoekster te wekken; Overwegende, dat verzoeksters vorderingen sub B (primair als subsidiair) als ongegrond dienen te worden afgewezen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

I Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van en te oordelen over verzoeksters vorderingen sub A, zowel primair als subsidiair;

II. Wijst verzoeksters vorderingen sub B, zowel primair als subsidiair, als ongegrond af;

SRU-HvJ-1999-29

M.R.S. GENERALE ROL No. 14002.

DE STICHTING VOOR DE ONTWIKKELING VAN MACHINALE LANDBOUW IN SURINAME (S.M.L.) rechtspersoon, kantoorhoudende aan de Anton Dragtenweg no.21 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat,
appellante,

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres] te [woonplaats] in [distrikt], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.B.G.BECKLES, advokaat,
geïntimeerde,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit;
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 14 maart 1995 en 10 juni 1997 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 23 juni 1997, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. Eiser wenst de navolgende vordering in te stellen tegen de STICHTING voor de ONTWIKKELING van MACHINALE LANDBOUW in SURINAME (S.M.L.) rechtspersoon, kantoorhoudende aan de Anton Dragtenweg no.21 te Paramaribo, gedaagde;

2. Op 28 oktober 1993 stond de FUCHS graafmachine van eiser na eerder werkzaamheden te hebben verricht vanwege een defect op de aanvoerdam van areaal P76 tussen kavel 4 en kavel 5.

3. Een der werknemers van gedaagde, t.w. koppelbaas [naam 1] moest in opdracht van een andere baas, areaal P76/77 in brand steken, hetgeen gebruikelijk is na de oogst, waarna er water getrokken zou worden voor de natte bewerking.

4. Voormelde medewerker heeft de arealen in brand gestoken en het zaakje geruime tijd in de gaten gehouden om tegen 16.00 uur zich te verwijderen van de locatie.

5. Het blijkt dat voormelde medewerker van gedaagde zich niet goed vergewist heeft van de mogelijkheid dat het vuur weer kon oplaaien en overslaan van de slootrand van kavel 5 vak 2 naar de machine van eiser die volledig afbrandde. Weshalve heeft hij niet de nodige zorgvuldigheid betracht jegens het goed van een ander.
Gedaagde is volledig aansprakelijk voor de onrechtmatige daad van zijn medewerker.

6. Uit de opgemaakte rapporten van zowel de meerdere van deze werknemer en van de politie blijkt dat de machine helemaal verbrand is en de schade enorm.

7. Eiser heeft op verschillende manieren getracht met gedaagde deze zaak in den minne af te wikkelen terwijl ook zijn raadsman zich schriftelijk gewend heeft tot gedaagde, echter zonder enig resultaat;

8. Eiser lijdt door deze handelwijze van gedaagde enorme schade, vermits hij zijn machine heeft verloren en hij inkomsten uit arbeid met de machine heeft moeten derven vanaf november 1993 tot heden.

9. De schade, welke eiser lijdt door het verlies van zijn graafmachine, bedraagt ruim Nf.52.000,– (NED.COURANT TWEE EN VIJFTIG DUIZEND GULDEN) terwijl hij aan inkomsten heeft moeten derven het bedrag voorlopig begroot op Sf.1.200.000,– (EENMILJOEN EN TWEEHONDERDDUIZEND GULDEN). Dit alles met gedaagde’s schuld daaraan althans door toedoen van diens werknemer;

10. Eiser heeft vernomen dat gedaagde om de economische situatie het hoofd te bieden doende is haar roerende goederen te vervreemden, weshalve er gegronde vrees voor verduistering bestaat, terwijl ook de roep om privatisering van het bedrijf luider wordt.

11. Dat,
a. De SURINAAMSCHE BANK N.V. gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 26-28;
b. De HAKRINBANK N.V. gevestigd en kantoorhoudende aan de Dr.S.Redmondstraat no. 11-13;
c. De LANDBOUWBANK N.V. gevestigd en kantoorhoudende aan de Lim A Postraat no. 34, te Paramaribo, gelden, geldswaarden en/of goederen van gedaagde onder zich hebben en/of zullen verkrijgen;

12. Door eiser is na daartoe van de Kantonrechter verkregen verlof bij exploit van de deurwaarder T.Jhagroe d.d. 9 juni 1994, no. 352 CONSERVATOIR DERDEN BESLAG gelegd onder enkele Banken, welk Beslag op 9 juni 1994 bij exploit no. 361 is betekend aan gedaagde;

13. Voormeld Beslag dient te worden van waarde verklaard;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;
dat bij vonnis voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:
a. gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van
Nf. 52.000,– (NED.COURANT TWEE EN VIJFTIGDUIZEND GULDEN) zijnde de schade geleden door het verlies van zijn graafmachine;

b. de schade met rente en kosten door eiser geleden en alsnog te lijden tengevolge van inkomstenderving met de schuld van gedaagde daaraan althans diens werknemer, vanaf november 1993 tot aan de dag der algehele voldoening welke schade nader zal worden opgemaakt bij staat en zal worden vereffend ingevolge de wet;
Van waarde zal worden verklaard het ten deze gelegde beslag, Kosten rechtens;
Overwegende, dat de Stichting voor de Ontwikkeling van Machinale Landbouw in Suriname (S.M.L.) als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van produkties – welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd;
dat de eiser zijn vordering zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen althans hem in deze niet ontvankelijk te verklaren;
Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van eiser tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 14 maart 1995 op de daarin opgenomen gronden:
Gedaagde heeft toegelaten haar zover nodig ambtshalve heeft bevolen om door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen: ”dat die [naam 1] niet in dienstbetrekking tot haar stond.”
en iedere verdere uitspraak heeft aangehouden.
Overwegende, dat bij de door de Kantonrechter bevolen en gehouden enquête zijdens gedaagde, gedaagde 3 getuigen heeft doen horen waarbij die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat ten dage bepaald voor conclusie na gehouden enquete zijdens gedaagde casu quo dagbepaling contra-enquête zijdens eiser de gemachtigde van gedaagde onder overlegging van produkties een hier als geinsereerd aan te werken schriftelijke conclusie heeft genomen;
Overwegende, dat bij de door de Kantonrechter bij rolbeschikking bevolen contra-enquête zijdens eiser, diens gemachtigde heeft afgezien van contra-enquête;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 10 juni 1997 op de daarin opgenomen gronden:
A. gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van Nf.52.000,– (TWEE EN VIJFTIGDUIZEND GULDEN NEDERLANDS COURANT) zijnde de schade geleden door het verlies van zijn graafmachine;
Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;
B. gedaagde voorts heeft veroordeeld om de schade door eiser geleden en alsnog te lijden met de schuld van gedaagde daaraan althans diens werknemer vanaf november 1993 tot aan de dag der algehele voldoening op te maken bij Staat en zal worden vereffend ingevolge de Wet.
de van waarde verklaring van het door deurwaarder Tj.JHAGROE gelegd conservatoir derden beslag d.d. 9 juni 1994 onder no. 352 heeft geweigerd;
gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.1784,50;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal de Stichting voor de Ontwikkeling van Machinale Landbouw in Suriname (S.M.L.) in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 10 juni 1997;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL van 17 oktober 1997 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van geintimeerde bij antwoord pleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient worden beschouwd;
Overwegende, dat partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 20 november 1998, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het hoger beroep tijdig is ingesteld;
Overwegende, dat appellante twee grieven heeft opgeworpen, welke, zakelijk weergegeven, als volgt luiden:
1. dat niet de Kantonrechter in het Eerste Kanton maar die in het Derde Kanton bevoegd is van de vordering kennis te nemen, omdat appellante haar hoofdzetel heeft te [woonplaats] aan [adres] in [district];
2. dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen en beslist dat hij de geintimeerde door de aan zijn zijde gehoorde getuigen geslaagd achtte in het aan hem opgedragen bewijs;
Overwegende, dat geintimeerde met betrekking tot grief 1 heeft aangevoerd dat, volgens de heersende leer, na het antwoord en dus ook niet in hoger beroep nog excepties zoals het verweer in grief 2 te berde mogen worden gebracht;
Overwegende, dat de voor het eerst in hoger beroep door appellante opgeworpen exceptie van onbevoegdheid ingevolge het bepaalde in artikel 120 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als vervallen moet worden aangemerkt en grief 1 derhalve faalt;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij diens tussenvonnis van 14 maart 1995 aan gedaagde- thans-appellante te bewijzen heeft opgedragen dat [naam 1] (lees: [naam 1]) niet in dienstbetrekking tot haar stond;
Overwegende, dat appellante dan ook terecht aanvoert dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij eiser- thans- geintimeerde geslaagd achtte in het opgedragen bewijs;
Overwegende, dat uit de gedingstukken blijkt dat bovenvermelde bewijsopdracht aan gedaagde- thans- appellante is verstrekt in verband met de tussen partijen gerezen vraag of, zoals geintimeerde aan zijn vordering ten grondslag had gelegd en appellante betwistte, bovengenoemde [naam 1] op of omstreeks 28 oktober 1993 ”werknemer” was van appellante;
Overwegende, dat appellanten drie getuigen heeft voorgebracht, waaronder genoemde [naam 1];
Overwegende, dat de [naam 2] en [naam 3], zakelijk weergegeven, hebben verklaard dat laatstgenoemde tot en met het jaar 1983 in dienst was van appellante en sinds 1984 als contractor werkzaamheden voor appellante verricht;
Overwegende, dat uit de verklaring van de [naam 2] is te putten dat [naam 1] op of omstreeks 28 oktober 1993 als contractor werkzaamheden voor appellante uitvoerde;
Overwegende, dat deze verklaringen niet zijn ontzenuwd en appellante dan ook terecht van mening is dat zij geslaagd is in het aan haar opgedragen bewijs;
Overwegende, dat grief 2 derhalve slaagt en het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd, met ontzegging van geintimeerde’s vordering;
Overwegende, dat geintimeerde als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden verwezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, tussen partijen gewezen en op 10 juni 1997 uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Ontzegt aan geintimeerde zijn vordering.
Veroordeelt hem in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van appellante gevallen en tot dusver begroot op f………….
met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van f…….
bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geintimeerde eveneens op f…….

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 19 FEBRUARI 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.BOLDEWIJN namens haar gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN en geïntimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.K.J.BRANDON namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.B.G.BECKLES zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-28

M.H. GENE­RALE ROL NO: 14038.

[appellant], wonende in [distrikt 1] aan de
[adres 1], ten deze domicilie kiezen­de te Paramaribo aan de Watermolenstraat no.36 ben., ten kantore van advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat,
appellant in Kort Geding,

tegen

1. [geintimeerde], wonende in [distrikt 2] te [adres 2].
2. LANDBOUWLUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ SKY FARMERS N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Kwattaweg no.254, door wie tot hun beider gemachtigde is gesteld, Mr.P.E.Bemmel, advokaat,

geinti­meerden in Kort Geding,
De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kanton­rechter in het Eerste Kanton van 16 januari 1997 tussen partijen gewe­zen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 24 januari 1997, waaruit blijkt van het in­stel­len van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:
1. Eiser wenst de navolgende vordering in Kort Geding in te stellen tegen: [geintimeerde], wonende in [distrikt 2] te [adres 2].
B. LANDBOUWLUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ SKY FARMERS N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Kwattaweg no.254;

2. Eiser is voor een onverdeeld aandeel gerechtigd in het erfpachtsrecht en oefent met toestemming van de overige deelgerechtigden de landbouw uit op het per­ceelland gelegen in [distrikt 1] aan [adres 1];

3. Dit perceel is evenals de aangrenzende percelen indertijd door de Overheid aan de rechthebbenden in erfpacht afgestaan voor de uitoefening van de landbouw van droge gewassen, terwijl betrokkenen niet bevoegd zijn om zonder vooraf verkregen toestemming van de Overheid de bestemming der percelen te wijzigen;

4. Gedaagde sub a verbouwt desondanks op het aller­naast het perceel van eiser gelegen perceel aan [adres] bekend als [nummer 1] natte gewassen te weten rijst;

5. Op of omstreeks 20 maart 1996, in ieder geval in de maand maart 1996 heeft gedaagde sub B in opdracht, althans ten behoeve van gedaagde sub A het perceel [nummer 1] vanuit de lucht bespoten met kennelijk onkruidbestrij­dingsmiddelen althans enig chemisch middel, welke bespuiting op zodanig slecht gekozen tijdstip en in ieder geval dermate onzorgvuldig heeft plaatsgehad dat deze be­strijdingsmiddelen terecht zijn gekomen op de aanplant van eiser op het perceelland [nummer 2] en deze aanplant heeft vernield;

6. Ten tijde van voormelde bespuiting is de gehele aanplant teniet gegaan bestaande uit:
2 kt komkommer 2 maanden oud
4 kt antroewa 4 maanden oud
2 kt boulanger 5 maanden oud
8 kt boulanger 2½ maand oud
2 kt boulanger 6 weken oud;

7. Gedaagden moesten begrijpen dat zij door van dit middel en deze wijze van bespuiting gebruik te maken het risico namen dat dit middel terechtkwam op het perceel van eiser met alle voor eiser schadelijke gevolgen van dien;

8. Elk der gedaagden heeft door als voormeld te handelen jegens eiser gehandeld in strijd met de zorg­vuldigheid die hem in het maatschappelijk verkeer ten opzichte van eiser’s persoon en goed betaamt weshalve zij gehouden zijn de schade die eiser als gevolg daar­van heeft geleden en nog zal lijden aan hem te vergoe­den;

9. De kosten van de vernietigde aanplant zijn blij­kens hierbij overgelegde taxatierapport van het Minis­terie van L.V.V. vastgesteld op Sf.1.584.100,– terwijl de nettowinst uit deze aanplant minimaal 40% ofwel Sf.633.644,– bedraagt. Deze betreft slechts de direkte schade al welke schade gedaagden gehouden zijn aan eiser te vergoeden tot het totaal bedrag van Sf.2.217.­754,– van welk bedrag geen betaling is te bekennen van gedaagden ondanks aanmaning in der minne;

10. door deze schade is eiser ook niet in staat op­nieuw te planten, aangezien hij steeds uit de opbrengst van de vorige oogst de aanleg van een nieuwe aanplant bekostigt. Het gaat om een zeer kostbare zaak voorwat betreft plant klaarmaken, aanschaf plantmateriaal, chemicaliën en meststoffen, arbeidsloon etc., hetgeen aangemerkt kan worden als de indirekte schade, tot vergoeding waarvan gedaagden eveneens gehouden zijn;

11. Van gedaagden is evenwel geen betaling te bekomen ondanks aanmaning in der minne, terwijl eiser teneinde de schade te beperken spoedeisend belang heeft bij een onverwijlde voorziening bij voorraad hetgeen een be­slissing in kort geding in na te melden voege recht­vaardigt;

12. Gedaagden is het voorts bekend dat de omwonenden waaronder eiser voor zijn drinkwater en water voor huishoudelijk gebruik afhankelijk is van regenwater dat via de daken van de huizen in vaten wordt opgevangen.

Tijdens de bespuitingsactiviteiten van gedaagde sub B in opdracht van gedaagde sub A komen de chemicaliën eveneens op de daken van de woningen, waaronder de woning van eiser terecht, alsgevolg waarvan het drink­water van eiser wordt vergiftigd en alzo voor eiser en zijn gezin een levensbedreigende situatie wordt gescha­pen;

13. Ook dit is in voorschreven zin een onrechtmatige daad jegens eiser en ook hiertegen heeft eiser spoedei­send belang bij een onverwijlde voorziening bij voor­raad;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad:
a. gedaagden elk zullen worden veroordeeld om bij wege van voorschot, de een betalende de ander zal zijn bevrijd aan eiser tegen kwijting te betalen de som van Sf.2.200.000,–;

b. gedaagden elk zullen worden bevolen om met onmid­dellijke ingang te stoppen met het vanuit de lucht bespuiten of te doen bespuiten met chemicaliën van op het perceel [nummer 1] aan [adres 1] in [distrikt 1] voorkomende aanplant, althans en in ieder geval te stoppen met bespuitingsactiviteiten als voor­schreven op en nabij het perceel [nummer 2] aan [adres 1] in [distrikt 1]:

c. gedaagden elk zullen worden verboden om in de toekomst de sub b bedoelde bespuitingsactiviteiten uit te voeren dan wel te doen uit voeren;

d. gedaagden elk zullen worden veroordeeld tot beta­ling van een dwangsom van Sf.5.000.000,– voor elke dag dat zij in gebreke blijven aan dit vonnis te voldoen;
Overwegende, dat [geintimeerde] en Landbouwlucht­vaartmaat­schappij Sky Farmers N.V., als gedaagden in eerste aanleg bij conclusie van ant­woord onder overleg­ging van produkties – welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconclu­deerd:
dat eiser in zijn vordering niet zal worden ont­vangen c.q. hem deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen;
Overwegende, dat de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie van repliek heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een mondelijke conclusie van dupliek heeft genomen;
Overwegende, dat de Kantonrechter ter terechtzit­ting van 14 november 1996 Mevr.Van Sauers-Muller als deskundige heeft beëdigd, die hem haar rapport op 12 december 1996 heeft doen toekomen;
Overwegende, dat ten dage bepaald voor uitlating zijdens partijen over overgelegd rapport, de gemachtig­den van partijen schriftelijke conclusies hebben geno­men, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 16 januari 1997 op de daarin opgenomen gronden:
De van hem verlangde voorzieningen heeft gewei­gerd;
De eiser heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf.nihil;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld pro­ces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvon­nis in Kort Geding van 16 januari 1997;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Sh.KANDHAI van 18 februari 1998 aan geintimeerden aan­zegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de recht­sdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partij­en is aange­zegd;
Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 6 november 1998, doch na enige malen te zijn aange­houden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat de appellant tijdig in hoger beroep gekomen is van de beslissing van de Kantonrech­ter in het Eerste Kanton, rechtdoende in Kort Geding,d.d. 16 januari 1997;
Overwegende, dat uit de gedingkosten in eerste aanleg blijkt dat de appellant een schadeactie uit onrechtmatige daad tegen de geintimeerden ingesteld heeft op grond, dat:
1. de geintimeerde sub 2, de Sky Framers N.V., ten behoeve van de geintimeerde sub 1, [geintimeerde] en in opdracht van deze bespuitingswerkzaamheden vanuit de lucht uitgevoerd heeft op diens rijstareaal, zijnde het perceel [nummer 1] aan [adres 1] in [distrikt 1];
2. dit geschied is op of omstreeks 20 maart 1996, waarbij kennelijk onkruidbestrijdingsmiddelen, althans enig chemisch middel, gebruikt zijn/is, welke bespui­ting op zodanig slecht gekozen tijdstip en in ieder geval dermate onzorgvuldig heeft plaatsgehad dat de droge gewassenaanplant van de appellant op het naast het perceel van de geintimeerde sub 1 gelegen per­ceel [nummer 2] aan [adres 1] schade heeft opgelo­pen (zie het 5e en 7e sustenu van het inleidend verzoek­schrift);
Overwegende, dat de geintimeerden de bovengenoemde stel­lingen van de appellant gemotiveerd bestreden hebben en hebben o.a. naar voren gebracht dat de be­spuitingen op daarvoor geschikte tijdstippen uitgevoerd zijn en dat daarbij van een insectenbestrijdingsmiddel en meststoffen gebruik gemaakt is;
Overwegende, dat uit het door de appellant ten processe overgelegd rapport d.d.18 april 1996 van de ressortleider van Wanica A, de heer D.Chedammi van het Ministerie van L.V.V., afdeling Landbouwvoorlichting, blijkt dat er toen vermoedelijk met een herbicide gespoten zou zijn en dat na enkele bezoeken door hem aan het groenteareaal van de appel­lant vastgesteld werd dat de gewassen (antroewa, bou­langer en komkommer) geheel als verloren kunnen worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter zich deskundig heeft doen voorlichten door de entomoloog van het Landbouwproefsta­tion, Alies van Sauers-Muller, die een rapport, gedagtekend 11 december 1996, uitgebracht heeft, waarin zij tot de conclusie komt dat niet aange­toond kan worden welk middel verantwoorde­lijk is voor het afsterven van de aanplant van de appellant;
Overwegende, dat nu de grondslag van de vordering van appel­lant geen steun vindt in de rapportage van de twee des­kundigen en de appellant die ook op andere wijze niet aanneme­lijk gemaakt had, heeft de eerste rechter terecht de ge­vraagde voorzieningen geweigerd en zijn de daartegen aangevoer­de grie­ven ongegrond, omdat de appellant ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt heeft dat door handelingen van gein­timeer­den hij schade geleden heeft zoals door hem gesteld is;
Overwegende, dat danook het aangevochten vonnis zal worden bevestigd, met veroordeling van de appel­lant, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:
Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken op 16 januari 1997, waarvan beroep;
Veroordeelt appellant in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot op f.5.000,–;
Met inbegrip van het door het Hof aan hun advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.5.00­0,-;
Bepalende het Hof het salaris van de appellant eveneens op f.5.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PANDAY, fungerend-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openba­re terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG 19 FEBRUARI 1999, in tegenwoordig­heid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.P.Boldewijn namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerden vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.MANGROELAL namens hun gemachtigde, advo­kaat Mr.P.E.BEMMEL, zijn bij de uitspraak ter terecht­zit­ting ver­schenen.

SRU-HvJ-1999-27

M.H.
A – 391

[verzoekster], wonende in [woonplaats], [land], ten deze domicilie kiezende te Paramari­bo aan de Wagenwegstraat no.41 beneden, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat,
verzoekster,
tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in rechte vertegen­woordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, te diens Parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.C.D.OO­FT, advokaat,
verweerder,

De Vice-Presi­dent spreekt in deze zaak in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoek­schrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:
1. Verzoekster wenst de volgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, Ministerie van Buitenlandse Zaken, in rechte vertegen­woordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no.3, verweerder;

2. Verzoekster is ambtenaar in de zin van de Perso­neelswet in dienst van verweerder geweest;

3. Verzoekster is Hoofdambtenaar B 1e klasse (schaal 20) en is tewerkgesteld geweest bij de Permanente Vertegenwoordiging van de Verenigde Naties in New York van de Republiek Suriname;

4. Verzoekster heeft in opdracht van verweerder te rekenen van 1 januari 1996 tot en met 31 maart 1996 de funktie waargenomen van Chargé d’Affaires en als zoda­nig is verzoekster voor verweerder opgetreden bij de Verenigde Naties als Chargé d’Affaires ad interim;

5. Verzoekster maakt op grond van artikel 22 lid 4 van de Personeelswet aanspraak op waarnemingstoelage. Volgens artikel 7 lid 2 van het Ambtenarenbezoldi­gings­besluit S.B. 1980 no.153 zoals sindsdien gewij­zigd, is de toelage voor de waarneming van een funktie als bedoeld in artikel 22 der Personeelswet gelijk aan het verschil tussen de bezoldiging welke door de ambte­naar wordt genoten en de bezoldiging welke hij bij benoeming in de waargenomen funktie zou genieten;

6.1. De bezoldiging van verzoekster was gedurende de periode van waarneming (01-01-1996 – 31-03-1996) als volgt samengesteld:
a. Bezoldiging Sf.3.470,–
C.L.O.overgangstoelage 400,–
——————————————–
zogeheten thuis salaris Sf.3.870,–

b. Detacheringstoelage US $ 1.000,–

6.2. Met betrekking tot ambtenaren in buitenlandse dienst wordt een omrekenkoers gehanteerd van US $ = Sf.1.80;

7. De bezoldiging van de waargenomen funktie van Ambassadeur is ondergebracht in schaal 23.
a. Bezoldiging Ambassadeur Sf.4.110,–
C.L.O. overgangstoelage 400,–
———————————————-
zogeheten thuis salaris Sf.4.510,–

b. Detacheringstoelage Ambassadeur US $ 2.500,–

8. verzoekster maakt aanspraak op het verschil tus­sen:
a. Ambassadeurssalaris Sf.4.510,–
minus salaris verzoekster Sf.3.870,–
——————————————-
verschil per maand Sf. 640,–
bij een koers van 1 US $ = Sf.1.80 levert dat op
US $ 335,56 per maand. In het tijdvak 01-01-1996 – 31-03-1996 brengt dat op 3 x US $ 335,56 = US $ 956,68
b. Detacheringstoelage Ambassadeur US$ 2500,–
minus detacheringstoelage verzoekster US$ 1000,–
————————————————-
verschil per maand US$ 1500,–
levert op voor het tijdvak 01-01-1996 – 31-03-1996 = 3 x US $ 1500 = US $ 4500,–.
Verzoekster maakt dus aanspraak op een bedrag van US $ 5456,68;

9. Verzoekster kan van voormeld bedrag in der minne, ondanks aanmaning, geen betaling van verweerder ver­krijgen zodat zij gerechtigd is zulks in rechte te vorderen;
Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevor­derd:
dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de verweerder zal worden veroordeeld die (rechts) hande­lingen te verrichten waardoor aan verzoekster alsnog terzake het bedrag van US $ 5.456,68 met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van indie­ning van dit verzoekschrift tot aan de algehele voldoe­ning, zal worden uitbetaald met veroordeling van ver­weerder in de kosten van het geding;
Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wette­lijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen ge­komen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:
1. Verweerder kan erkennen dat verzoekster ambtenaar is in de zin van de Personeelswet. Ook wordt erkend dat verzoekster heeft waargenomen van 1 januari 1996 tot en met 31 maart 1996 in de functie van Chargé d’Affairés.

2. Op grond van deze waarneming maakt verzoekster inderdaad aanspraak op toekenning van waarnemingstoela­ge als bedoeld in art. 2 lid 4 van de Personeelswet, Juncto art.7 2e lid van het A.B.B. S.B.1980 no. 153.

3. Gedaagde is evenwel van oordeel dat de becijfering van het totale bedrag waarop verzoekster meent aan­spraak te moeten maken niet juist is weergegeven in het Inleidend Rekest.
Het door verzoekster zelf aangehaald art. 7 van het A.B.B. schrijft duidelijk voor dat de toelage voor de waarneming wordt gesteld ”op het verschil tussen de bezoldiging welke door de ambtenaar wordt genoten en de bezoldiging welke hij bij benoeming in de waargeno­men functie zou genieten.
Onder bezoldiging wordt dan verstaan het bedrag in geld uitgedrukt zoals dit voorkomt op de bezoldigingsreeksen van het Ambtenaren Bezoldigings Besluit en zoals nader uitgewerkt in art.2 A.B.B. onder de titel ”Bezoldi­ging”.
Op grond van het voorgaande dient de berekening c.q. de becijfering van het gevorderde bedrag alsnog te worden gewijzigd en in overeenstemming gebracht met de hierbo­ven aangehaalde van in het bijzonder Ambtenaren Bezol­digings Besluit.

4. In hoeverre er hier sprake is van een spoedeisend karakter en waarvoor dan ook in kortgeding wordt gepro­cedeerd, refereer ik gaarne naar het oordeel van de rechter, met de aantekening:
a. dat verzoekster als ambtenaar primair zich behoort te wenden tot het Hof van Justitie, oordelende in Ambtenaren Zaken, hetgeen verzoekster ook heeft gedaan bij haar vordering d.d. 6 januari 1998 (A-391),

b. dat het door verzoekster gevraagde voorlopig toe te wijzen bedrag (als voorschot) slechts US$. 56,– verschilt van het totale bedrag van US$.5.460,– waar­door, bij toewijzing van het gevraagde de facto in kortgeding de gehele zaak te principale zal zijn be­slecht.
Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:
dat verzoekster niet ontvankelijk zal worden verklaard c.q. deze niet als voor toewijzing vatbaar aan te merken op grond van, dat de vordering onvoldoen­de is bewezen en in strijd is met de wet, te weten art.79 Personeelswet, omdat geen besluit wordt vermeld, dat voor ”gehele of gedeeltelijke vernietiging” in aanmerking komt, waarna dan pas een bevel – zoals gevorderd – van het Hof van Justitie rechtens mogelijk zou kunnen zijn;
Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschik­king van 3 maart 1998 ten dage voor verhoor van partijen be­paald, advokaat Mr.Baarh gemachtigde van verzoekster,
[naam 1], [naam 2], ambtenaar van beroep, als vertegenwoordiger van verweerder en advokaat Mr.Dr.C.D. Ooft, gemachtigde van verweerder in Raadkamer zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte- hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partij­en de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verde­digd, hebbende de gemachtigden van partijen bij pleidooi, antwoord pleidooi en repliek pleidooi produk­ties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis had bepaald op 16 oktober 1998, doch na enige malen te hebben aangehouden op 5 februari 1999 bij rolbeschik­king heeft gelast dat verweerder in de gelegenheid wordt gesteld een machtiging uitgebracht op naam van [naam 1] over te leggen;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 19 februa­ri 1999 bovengenoemde machtiging is overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat verzoekster blijkens het petitum gevorderd heeft dat bij vonnis verweerder zal worden veroordeeld die (rechts)handelingen te verrichten waardoor aan haar alsnog terzake het bedrag van US$ 5.456,68– met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van indiening van dit verzoek­schrift tot aan de algehele voldoening, zal worden uitbetaald met veroordeling van verweerder in de kosten van het geding;
Overwegende, dat voormeld gevorderde niet kan worden toegewezen, omdat het Hof als gerecht in ambte­narenzaken ingevolge het bepaalde in artikel 79, lid 1 sub b van de Personeelswet, slechts bevoegd is tot de kennisneming van vorderingen tot vergoeding van schade welke voor een ambtenaar is voortgevloeid uit een be­sluit of handeling in strijd met het bij of krachtens genoemde wet bepaalde;
Overwegende, dat nu verzoekster geen zodanig besluit of dergelijke handeling heeft gesteld en daar­van ook niet gebleken is, kan verzoekster in haar tegen verweerder ingestelde vordering niet worden ontvangen;
Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENAREN ZAKEN:
Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in de door haar tegen verweerder ingestelde vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare te­rechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 5 MAART 1999, in tegenwoordigheid van
Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, verzoekster verte­genwoordigd door advo­kaat Mr.L.H.R.ROGERS namens haar gemachtigde, advo­kaat Mr.A.R.BAARH en verweerder verte­genwoor­digd door zijn gemachtigde, advo­kaat Mr.Dr.C.D.Ooft, zijn bij de uitspraak ter terechtzit­ting verschenen.

SRU-HvJ-2018-52

G.R.No. 15089A
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

DE STICHTING AUTEURSRECHTEN SURINAME (SASUR),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante, verder te noemen Sasur,
gevolmachtigde: [naam], algemeen directeur,

tegen

DE STICHTING RADIO OMROEP SURINAME (SRS)
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, verder te noemen SRS,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

en

DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
zetelende te Paramaribo,
geïntimeerde, verder te noemen de Staat,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 5 mei 2015 (A.R.No. 151096) tussen SRS en de Staat als eisers en Sasur als gedaagde spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Dit procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
• een verklaring van de griffier van de kantongerechten civiele zaken van 11 mei 2015, inhoudende dat Sasur op 11 mei 2015 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 5 mei 2015 in kort geding gewezen tussen SRS en de Staat als eisers en Sasur als gedaagde;
• een pleitnota van Sasur van 4 november 2016;
• een antwoordpleitnota van SRS van 3 februari 2017;
• een repliekpleitnota Sasur van 16 juni 2017;
• een dupliekpleitnota van SRS van 3 november 2017.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
Het hoger beroep is door Sasur tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Sasur daarin kan worden ontvangen.

De beoordeling
1. Kort samengevat betreft het geschil in eerste aanleg het volgende:
Bij vonnis in kort geding van 3 december 2009 heeft de kantonrechter op vordering van Sasur aan SRS een verbod opgelegd om een aantal gespecificeerde muziekwerken zonder toestemming van Sasur openbaar te maken of te verveelvoudigen. Voorts heeft de kantonrechter aan SRS verboden “om enig muziekwerk of delen daarvan al dan niet in de oorspronkelijke versie, behorende tot het door eiseres beheerde repertoire middels het door haar geëxploiteerde omroepstation (….) zonder van eiseres verkregen toestemming openbaar te maken danwel te verveelvoudigen”. Ten slotte heeft de kantonrechter SRS veroordeeld tot de betaling van een dwangsom groot SRD 1.000,– voor iedere keer dat SRS deze verboden zou overtreden, tot een maximum van SRD 1.000.000,–.
Sasur heeft op 7 augustus 2014, na aanzegging bij deurwaardersexploot aan SRS dat deze het maximum aan dwangsommen ter hoogte van SRD 1.000.000,– had verbeurd, executoriaal beslag gelegd op het recht van erfpacht op het perceel waarop SRS haar radio-omroepbedrijf exploiteert. Op 21 augustus 2014 heeft zij terzake van de berweerdelijk verbeurde dwangsommen executoriaal derdenbeslag gelegd ten laste van SRS onder de Surinaamse Bank N.V. en Hakrinbank N.V..
Op 10 maart 2015 heeft SRS bij de kantonrechter een vordering in kort geding ingesteld, waarbij zij opkwam tegen bovenbedoelde beslagen. Na vermindering van eis strekt de vordering primair tot a. opheffing van het executoriale beslag op het recht van erfpacht op het perceel land en b. staking van de tenuitvoerlegging van de derdenbeslagen onder de Banken totdat in hoger beroep definitief zal zijn beslist over het vonnis van de kantonrechter 19 januari 2015, AR no.144867. Subsidiair vorderde SRS schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 december 2009, AR no. 073984, terzake van de vastgestelde dwangsom, totdat in hoger beroep onder nummer GR 15038 zal zijn beslist over het vonnis van de kantonrechter van 19 januari 2015, AR no. 144867. In dat vonnis, AR no. 144867, werd de vordering van SRS tot opheffing van het executoriale beslag op het erfpachtsrecht van het perceel van SRS afgewezen. De kantonrechter overwoog daarin onder meer –kort en zakelijk weergegeven- dat Sasur ondanks de intrekking van de ministeriële toestemming aan Sasur om met betrekking tot auteursrechten te bemiddelen bevoegd was gebleven om terzake van die auteursrechten handhavend op te treden en aldus bevoegd was gebleven om de onderhavige dwangsommen door middel van executoriale beslagen te innen.
Bij tussenvonnis van 16 april 2015 heeft de kantonrechter de Staat Suriname toegestaan om zich te voegen in de hoofdzaak aan de zijde van SRS.
In het vonnis waarvan beroep van 5 mei 2015 heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, de primaire vordering van SRS tot opheffing van de onder SRS gelegde executoriale beslagen afgewezen en de subsidiaire vordering, tot schorsing van de executie van dwangsommen, toegewezen.
2.Het hof heeft uit de pleitnota van Sasur begrepen dat Sasur zeven (ongenummerde) grieven aanvoert tegen het vonnis van de kantonrechter van 5 mei 2015.
3. In de eerste grief maakt Sasur er bezwaar tegen dat de kantonrechter het vonnis in kort geding van 3 december 2009 aanduidt als “gewraakt vonnis”. Volgens Sasur is dat onjuist omdat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Kennelijk meent Sasur dat de kantonrechter door het woord “gewraakt” te gebruiken, aanneemt dat tegen dit vonnis nog wel een gewoon rechtsmiddel openstaat. Die uitleg volgt het hof niet. Naar de mening van het hof wil de kantonrechter met “gewraakt vonnis” niet meer zeggen dan “vonnis, dat door partijen verschillend wordt uitgelegd”. De grief faalt.
4. In grief 2 voert Sasur aan dat de kantonrechter ten onrechte vermeldt dat het vonnis van 3 december 2009 op 16 mei 2012 aan SRS is betekend. Volgens Sasur vond die betekening op 10 november 2011 plaats. Uit de processtukken in eerste aanleg blijkt dat de betekening inderdaad op 10 november 2011 geschiedde. De grief is gegrond maar dat heeft geen enkel gevolg voor deze procedure. Relevant is slechts dat de betekening op rechtsgeldige wijze heeft plaats gevonden, wanneer dat geschiedde doet in dit verband niet terzake.
5. Grief 3 richt zich tegen rechtsoverweging 4.3.3. in het vonnis waarvan beroep. Bij wijze van toelichting op het restitutierisico bij inning van de dwangsommen door Sasur voordat het hof in de zaak in de zaak GR 15038 definitief heeft beslist, overweegt de kantonrechter hier dat Sasur de gemotiveerde stelling van SRS en de Staat dat Sasur geen enkel vermogen heeft waarop SRS verhaal zou kunnen zoeken, niet, althans niet gemotiveerd, heeft weersproken. De grief treft geen doel: Sasur heeft de duidelijke stelling van SRS slechts in vage bewoordingen ontkend en deze niet voldoende gemotiveerd weersproken. Voor de hand had gelegen dat Sasur door middel van bankafschriften, eigendomsbewijzen of andere schriftelijke bewijsstukken haar vermogenspositie zou hebben verduidelijkt, maar dat is niet geschied.
6. Grief 4 voert aan dat de kantonrechter ten onrechte een “verkapt appèl” door SRS tegen het vonnis van 3 december 2009 heeft toegestaan. Het vonnis van 3 december 2009 is een vonnis in kort geding, dat dus per definitie slechts een voorlopige voorziening treft. Bij latere wijziging van omstandigheden –zoals in dit geval het intrekken door de minister van justitie en politie van de toestemming aan Sasur om te bemiddelen in auteursrechtzaken- mag onderzocht worden welke consequenties dit voor de executie van het vonnis in kort geding heeft. Dat onderzoek geschiedt in dit geval in de zaak GR 15038. Daarin moet het hof nog uitspraak doen. De kantonrechter heeft in de onderhavige zaak, AR 15089A, redenen gevonden om de executie te schorsen totdat het onderzoek in de zaak GR 15038 is afgerond en daarin uitspraak is gedaan. Dat is iets anders dan het toestaan van een verkapt appèl. De grief faalt.
7. Grief 5 (overweging 2.5 in de pleitnota van Sasur) mist naast de hiervoor behandelde grief 4 zelfstandige betekenis.
8. Grief 6 richt zich tegen de opmerking van de kantonrechter dat het vonnis van 3 december 2009 van langer dan 5 jaar geleden dateert. Deze opmerking wordt gemaakt bij de afweging van het belang van SRS om de beslissing van het hof in de zaak GRNO. 15038 af te wachten tegenover het belang van Sasur om nu reeds de dwangsommen te kunnen executeren, met het risico dat de geïncasseerde bedragen gerestitueerd moeten worden als de uitspraak van het hof in de zaak GR 15038 in voor Sasur ongunstige zin uitvalt. De kantonrechter mocht de omstandigheid dat de incassering van de dwangsommen reeds zo lang op zich heeft laten wachten in haar afweging betrekken. De grief faalt.
9. Grief 7 betoogt dat het vonnis waarvan beroep in strijd is met artikel 492 Rv. Dit betoog gaat echter niet op. Het bepaalde in dit artikel staat er niet aan in de weg dat bij verschil van mening over de vraag of dwangsommen verschuldigd zijn en executie van die dwangsommen toelaatbaar is, dit verschil van mening als executiegeschil in kort geding aan de rechter wordt voorgelegd.
10. Het Hof heeft ambtshalve geen bedenkingen tegen het beroepen vonnis, zodat, nu de grieven zijn verworpen danwel niet relevant zijn bevonden, dit vonnis zal worden bevestigd.
5.Sasur zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het Hof:
Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 5 mei 2015 (A.R.No 151096).
Veroordeelt Sasur in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van SRS tot op deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. R.M. Praag en mr. S.J.S. Bradley, Leden-Plaatsvervanger en
w.g. M.C. Mettendaf
door mr. A.C. Johanns, Fungerend-Griffier bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. Ramlal, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.
Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2000-4

H.M.

GENERALE ROL NO.14035.

[appellant], wonende te
[district]aan de [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat,
appellant in Kort Geding,

tegen

DE STICHTING VOLKSHUISVESTING SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Madeliefjestraat no.34-36, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.M.I.VOS, advokaat,
geïntimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien s’Hofs interlocutoir vonnis van 8 januari 1999 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 19 februari 1999, advokaat Mr.H.E.Struiken namens de gemachtigde van geintimeerde, advokaat Mr.M.I.Vos, zich aan de processen-verbaal heeft gerefereerd;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;
Overwegende, dat het Hof in de zaak aanvankelijk vonnis had bepaald op 23 april 1999, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
1. Het Hof neemt hier over en volhardt bij zijn tussenvonnis van 8 januari 1999.
2. Op grond van de stellingen van partijen staat, voor zover hier van belang en kort gezegd, het volgende vast:
2a. Appellant is in dienst van geintimeerde getreden en oefende laatstelijk de funktie van direkteur van geintimeerde uit.
2b. Volgens artikel 7 van de statuten van geintimeerde wordt de direkteur door de Minister van Arbeid en Volkshuisvesting benoemd, geschorst en ontslagen.
2c. Bij brief van 15 november 1996 heeft de Minister van Sociale Zaken en Volkshuisvesting aan appellant bericht dat door hem, de Minister is besloten ”Uw ter beschikking- en tewerkstelling bij de genoemde stichting met ingang van 18 november 1996 te beëindigen”.
3. Appellant heeft, na wijziging van de eis, kort gezegd, gevorderd schorsing, althans opschorting van de (werking van) hogergenoemde brief van 15 november 1996 en betaling bij wege van voorschot van een bedrag groot sf.400.000,–, betaling van verschillende emolumenten, betaling van de periodieke verhoging vanaf 1 januari 1995 en de voorgeschreven salarisaanpassing, alsmede verschaffing van geneeskundige voorzieningen, dit laatste onder verbeurte van een dwangsom van sf.100.000,per keer of per dag.
4. De vordering van appellant berust hierop dat zijn, appellant’s dienstverband met geintimeerde bij de hierboven onder 2c vermelde brief was beëindigd en wel zonder dat de wettelijke termijnen en voorschriften, in het bijzonder die van het Ontslagdecreet E-39 en E-39A, in acht waren genomen. Geintimeerde heeft, voor zoveel hier van belang, aangevoerd dat appellant bij genoemde brief buiten functie is gesteld, althans dat zulks de strekking was van genoemde brief.
5. De Kantonrechter heeft de gevraagde voorzieningen geweigerd, mede uit overweging (zie 7e rechtsoverweging) dat het Hem niet gebleken was dat door of zijdens de gedaagde de dienstbetrekking van ’eiser” (thans appellant) is beëindigd.
6. Appellant heeft een vijftal grieven tegen het beroepen vonnis opgeworpen. Geen van die grieven zijn echter gericht tegen de hierboven onder 5 vermelde vaststelling van de Kantonrechter, zodat het Hof van hetgeen aldaar is vastgesteld dient uit te gaan. De grondslag van de vordering is derhalve niet komen vast te staan, zodat die vordering niet kan worden toegewezen. Gegrondbevinding van de grieven kan hierin geen verandering brengen, zodat die grieven niet behoeven te worden besproken. Het beroepen vonnis dient dus te worden bevestigd en appellant zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 23 oktober 1997, waarvan beroep.
Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f.1.000,–;
Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door haar gehouden pleidooi toegekende salaris van f.1.000,–;
Bepalen het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f.1.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, Fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 7 april 2000, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.E.S.OMBRE

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.Marica namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.B.A.Halfhide namens haar gemachtigde, advokaat Mr.M.I.VOS, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1993-4

Hof van Justitie

16 juli 1993, G.R. 13187

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, A.C. Veldema, A.I. Ramnewash)

[appellante], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Grote Combéweg 25-27, advocaat mr. A.L. Tjon Kwan Paw, appellante,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district] aan [adres 1], advocaat mr. H.E. Struiken, geïntimeerde.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 4 juni 1991 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 27 juni 1991, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellante] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. Eiseres wenst de navolgende rechtsvordering op verkorte termijn in te stellen tegen [geïntimeerde], wonende te [district] aan [adres 1], gedaagde;

2. Gedaagde in enig en algemeen erfgename van [naam], overleden op 7 juni 1989, met wie zij in gemeenschap van goederen was gehuwd. Zulks moge blijken uit de verklaring van erfrecht de dato 7 september 1989 van de notaris te Paramaribo W.H. Tjon, welke in fotokopie wordt overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen (produktie I).

3. Op 23 oktober 1979 heeft eiseres van voornoemde [naam] gekocht en van deze in eigendom geleverd gekregen het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitende gebruik van de woning, gelegen op de derde verdieping van het perceel [adres 2], kadastraal bekend [gemeente] [nummer], uitmaken het een achtste aandeel in de gemeenschap. Blijkens punt 5 van de onderwerpelijke transportakte is dit appartementsrecht aan eiseres geleverd vrij van hypotheken, hypothecaire inschrijvingen en beslagen met uitzonderingen van een tweetal hypothecaire inschrijvingen, te weten een eerste hypotheek ten behoeve van de Coöperatieve Raiffeisen Boerenleenbank Amsterdam W.A. (thans Rabobank), in hoofdsom groot Nf. 100.000,– om ten laste van voornoemde [naam], alsmede een tweede hypotheek ten behoeve van de Financieringsmaatschappij Metropool-Doerga B.V., in hoofdsom groot Nf. 40.000,– en eveneens ten laste van voornoemde [naam]. Deze hypotheken zijn beide op het onderwerpelijke appartementsrecht gevestigd bij ten overstaan van de notaris te Amsterdam J.J.E. Stuijt op 8 oktober 1979 verleden akten. Eveneens blijkt uit punt 5 van de transportakte, dat de schulden, ter verzekering waarvan die hypotheken zijn gevestigd, voor rekening van [naam] zouden blijven. Laatst bedoelde schuldvordering met hypotheekstelling werd door de Financieringsmaatschappij Metropool-Doerga B.V., gecodeerd aan de Interfin Holland N.V., die deze vervolgens, alstoen pro resto groot Nf. 35.800,– op 9 juli 1982 codeerde aan [persoon]. Eiseres legt in fotokopie over de transportakte de dato 23 oktober 1979, de beide hypotheekakten de dato 8 oktober 1979 en de akte van cessie de dato 9 juli 1982 met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen. (produkties II, IIa, IIb, IIc);

4. Na het overlijden van voornoemde [naam] zijn op deze geldlening geen aflossingen meer, verricht. Op 1 november j.l. deelde de Rabobank aan eiseresses advocaat te Amsterdam mede, dat haar vordering op de nalatenschap per die datum de som ad Nf. 66.426,26 ex P.M.-rente bedroeg (pro-resto stand lening Nf. 64.000,–; achterstallige rente per 30 juni 1989 Nf. 2.426,26). Tevens werd [naam] bij schrijven de dato 6 juni 1989 medegedeeld, dat de schuld aan [persooon] per 30 juni 1989 de som ad Nf. 25.645,– zou belopen. Eiseres legt beide opgaven in fotokopie over met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaal en geïnsereerd te willen beschouwen. (produkties III en IIIa);

5. Alhoewel gedaagde blijkens het voortdurende gebruik van de goederen van de nalatenschap alsmede het vorderen van daartoe behorende schuldvorderingen, waaronder één of meer levensverzekeringsuitkeringen, geacht moet worden de erfenis stilzwijgend te hebben aanvaard, weigert zij het saldo van beide hypothecaire leningen te voldoen, stellende met deze leningen niets van doen te hebben, zulks geheel ten onrechte. Naar Surinaams recht kan de aanvaarding niet slechts een deel der nalatenschap betreffen, doch omvat zij daarentegen de nalatenschap als zodanig, dus met inbegrip van alle activa en passiva. De vorenbedoelde schulden maken mitsdien deel uit van de door gedaagde als enige en algemene erfgename aanvaarde nalatenschap en behoren daaruit te worden voldaan.

6. gedaagde maakt zich door haar weigering de vorenbedoelde schulden van de gemeenschap te voldoen jegens eiseres schuldig aan een onrechtmatige daad; waardoor zij, eiseres, met gedaagde’s schuld daaraan, op korte termijn schade dreigt te lijden, hierin bestaande, dat de hypotheeknemers krachtens artikel 1223, lid 2, Ned. B.W. (1207, lid 2, Sur. B.W.) tot de parate executie van het haar in eigendom toebehorende appatementsrecht zullen overgaan. Eiseres is mitsdien alleszins gerechtigd om, ter voorkoming van deze op korte termijn dreigende parate executie van gedaagde te vorderen, dat het saldo van deze schulden met inbegrip van de inmiddels verschenen en niet voldane interesttermijnen, op een zo kort mogelijke termijn aan de in het derde sustenu van dit rekest bedoelde hypotheeknemers wordt voldaan;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij uitvoerbaar verklaard vonnis gedaagde zal worden bevolen om:

a. binnen twee weken na het bevel, als verzocht, althans binnen een door de Rechter in Goede Justitie te bepalen termijn, aan de Rabobank te betalen de som ad Nf. 66.426,26 (Zes en zestigduizend vierhonderd zes en twintig 26/100 Nederlandse gulden), vermeerderd met de achterstallige contractuele rente daarover althans van het op dat tijdstip aan deze hypotheeknemer verschuldigde saldo der hoofdschuld, vermeerderd met de achterstallige rente, zulks op verbeurte van een dwangsom ad Sf 10.000,– (tienduizend gulden) voor elke dag, waarop gedaagde weigerachtig mocht blijken om aan het bevel, als verzocht te voldoen;

b. binnen twee weken na het bevel, als verzocht, althans binnen een door de Rechter in Goede Justitie te bepalen termijn, aan [persoon] te betalen de som ad Nf. 25.645,– (vijf twintigduizend zeshonderd vijf en veertig Nederlandse gulden), vermeerderd met de achterstallige contractuele rente daarover, althans van het op dat tijdstip aan deze hypotheeknemer verschuldigde saldo der hoofdsom alsmede de nog verschuldigde rente, zulks op verbeurte van een dwangsom ad Sf. 10.000,– (tienduizend gulden), voor elke dag, waarop gedaagde weigerachtig mocht blijken om aan het bevel, als verzocht te voldoen.

c. Gedaagde zal worden veroordeeld tot de betaling van de kosten dezer procedure;

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

Dat de eiseres in haar vorderingen niet zal worden ontvangen, althans deze aan haar zullen worden ontzegd als zijnde ongegrond en niet bewezen met nietig verklaring althans zal worden verklaard dat de door de erflater van gedaagde aangegane overeenkomsten in strijd zijn met de Wet meer in het bijzonder de Deviezenregeling G.B. 1947 no. 136;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiseres bij mondelinge conclusie van repliek heeft gepersisteerd bij zijn conclusie van eis;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie van dupliek heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 4 juni 1991 op de daarin opgenomen gronden: Eiseres haar vordering heeft ontzegd;

Haar heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f. Nihil;

Overwegende, dat blijkens hoger vermeld proces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 4 juni 1991;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder D.E. Hew A Kee van 11 juni 1992 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd;

Overwegende, dat partijen de van het Hof verlangde produkties hebben overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen zich hierna ten aanzien van de overgelegde produkties over en weer hebben gerefereerd;

Overwegende, dat het Hof vervolgens vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 18 juni 1993, nader op 13 augustus 1993, doch bij vervroeging op heden;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat appellante tijdig in hoger beroep is gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 4 juni 1991;

Overwegende, dat appellante twee grieven tegen het beroepen vonnis heeft aangevoerd, luidende:

Grief 1: Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen en beslist, dat rechtens vaststaat, althans niet betwist, dat [naam] ten tijde van het aangaan van de bedoelde overeenkomsten in Suriname woonde. De appellante legt bij haar pleitnota een verklaring van de [Gemeente] d.d. 12 mei 1992 over, waaruit ondubbelzinnig blijkt, dat [naam] (nu wijlen) laatstelijk sedert 27 februari 1986 stond ingeschreven aan [adres 2 – variant]. [naam] was ook een ingezetene van Nederland, althans van de [stad] en derhalve bevoegd om rechtshandelingen in dat land te verrichten.

Grief 2: Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen en beslist dat ingevolge artikel 14 lid 1 sub e van de Deviezenwet 1947, het aan ingezetenen anders dan krachtens een vergunning verboden is onder bezwarende titel buitenlandse vorderingen te verkrijgen. De appellante merkt op, dat dit voorschrift slechts toepassing zou vinden, indien [naam] (nu wijlen) uitsluitend als ingezetene van Suriname kon worden aangemerkt. De appellante heeft middels een schriftelijk bescheid aangetoond, dat zulks niet het geval is; hebbende appellante aanvulling van het petitum van het inleidend rekest, door achter de bedragen Nf. 66.426,26 en Nf. 25.645,– op te nemen de woorden: “althans de tegenwaarde in Surinaams Courant tegen de koers van de dag” met betrekking tot welke aanvulling geïntimeerde zich aan het oordeel van het Hof heeft gerefereerd, zullende het Hof appellante akte van voormelde aanvulling verlenen;

Overwegende, dat appellante tenslotte heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en opnieuw rechtdoende, alsnog toewijzing van haar vordering heeft verzocht;

Overwegende, dat geïntimeerde de grieven van appellant heeft bestreden en tot bevestiging van het beroepen vonnis heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat partijen, ter voldoening aan ’s Hofs rolbeschikking van 23 april 1993 produkties hebben overgelegd afkomstig van respectievelijk de Inspecteur van het Centraal Bureau van Burgerzaken in Suriname d.d. 18 mei 1993 en van het bevolkingsregister der [Gemeente], Nederland met betrekking tot de diverse adressen alwaar [naam] was ingeschreven, wordende de inhoud van die produkties hier als geïnsereerd beshouwd;

Overwegende, dat het Hof hier overneemt, dan wel daarnaar verwijst, de tussen partijen vaststaande feiten, zoals door de Kantonrechter in de eerste rechtsoverweging van het beroepen vonnis aangenomen, zijnde daartegen geen grieven aangevoerd;

Overwegende, ambthalve met betrekking tot het ten deze toepasselijk recht:

– Dat naar ’s Hoven oordeel, op de onderhavige transactie, in casu de overeenkomst van koop en verkoop tussen wijlen [naam] en appellante betreffende het in het 3e “sustenu” van het verzoekschrift omschreven onroerend goed, Nederlands recht toepasselijk is, zijnde het recht van de plaats waar het onroerend goed waarop de overeenkomst betrekking heeft, gelegen is;

Overwegende voorts, dat de vraag of genoemde transactie alsdan niet geldig is, naar ’s Hoven oordeel, dan ook naar Nederlands recht, d.i. het Deviezenbesluit 1945 dient te worden beantwoord;

Overwegende, dat vooraf zij opgemerkt, dat appellante als ingezetene in de zin van artikel 5 lid 3 sub a van gemeld besluit dient te worden aangemerkt, nu het tegendeel niet gesteld of gebleken is en wijlen [naam] voornoemd, als niet-ingezetene in de zin van artikel 5 lid 4 sub a van meergemeld besluit, blijkende zulks immers uit de verklaring van het Hoofd van de afdeling Inspectie van het Centraal Bureau voor Burgerzaken (C.B.B.) d.d. 18 mei 1993, aangevende, dat meergenoemde [naam], nu wijlen, vanaf 2 december 1966 ingeschreven heeft gestaan in het bevolkingsregister van Suriname, zijnde gemelde verklaring niet betwist of van valsheid beticht;

– Dat de eerder aan de orde gestelde vraag of de transactie tussen appellante en wijlen [naam] voornoemd, betreffende het in het 3e “sustenu” van het verzoekschrift omschreven onroerend goed, al dan niet geldig is, thans beantwoordend, het navolgend zij opgemerkt;

– Dat blijkens de zich ten processe bevindende bescheiden, te weten de notariële akte van verkoop en koop, d.d. 23 oktober 1979, verleden ten overstaan van de Amsterdam, Nederland, residerende notaris, Mr. J.J.E. Stuijt en de verklaring van het Hoofd van de Inspectie van het Centraal Bureau voor Burgerzaken, d.d. 18 mei 1993, appellante als ingezetene in de zin van artikel 5 lid 3 sub a van het Deviezenbesluit 1945 onder bezwarende titel heeft verkregen, een in het binnenland, dat is het Rijk in Europa (artikel 5 lid 1 van het Deviezenbesluit 1945) gelegen onroerend goed van een niet-ingezetene in de zin van artikel 5 lid 4 sub a van meergemeld besluit 1945, welke transactie geldig is, wordende deze transactie niet getroffen door één der in hoofdstuk II genoemde verbodsbepalingen van het Deviezenbesluit 1945, zijnde geïntimeerde als zijn erfgename, die de nalatenschap van wijlen [naam] voornoemd zuiver heeft aanvaard, zijnde het tegendeel niet gebleken dan wel tegengesproken, mitsdien gehouden tot betaling van de schulden der nalatenschap;

Overwegende, dat op grond van al het voorgaande de eerste grief als ongegrond wordt verworpen, terwijl de tweede grief gegrond wordt bevonden;

– Dat het beroepen vonnis mitsdien niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd;

Overwegende, dat geïntimeerde in haar dupliek pleidooi d.d. 12 maart 1993 mede heeft aangevoerd, dat het in casu niet mogelijk is, een dwangsom bij veroordeling tot een geldsom nog te vorderen;

– Dat naar ’s Hoven oordeel deze bewering van geïntimeerde op een verkeerde lezing van het petitum berust;

– Dat in casu met name is gevorderd, veroordeling tot betaling van een geldsom aan derden, te weten de Rabobank en [persoon], in welk geval de uitzondering, dat geen dwangsom kan worden opgelegd bij veroordeling tot betaling van een geldsom, niet geldt (vide N.J. 1982, 190):

Overwegende, dat de vorderingen van appellante thans dan ook alsnog – na akte-verlening van aanvulling van het petitum – zullen worden toegewezen in voege als na te melden;

Rechtdoende in hoger beroep

Verleent appellante akte van de aanvulling van het petitum van het inleidend rekest, in voege als hierboven in de rechtsoverwegingen bereids aangehaald;

Vernietigd het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 4 juni 1991, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende

Beveelt geïntimeerde om:

a. Binnen drie maanden na betekening van dit vonnis aan de Rabobank (voorheen de Coöperatieve Raiffeisen-Boerenleenbank Amsterdam W.A.) te betalen de som van Nf. 66.426,26 (zes en zestigduizend vierhonder zes en twintig 26/100 Nederlandse gulden) althans de tegenwaarde in Surinaams Courant tegen de koers van de dag, vermeerderd met de achterstallige contractuele rente daarover, althans van het op dat tijdstip (van betaling) aan deze hypotheeknemer verschuldigde saldo als hoofdschuld, vermeerderd met de achterstallige rente, zulks op verbeurte van een dwangsom ad Sf. 10.000,– (tienduizend gulden) te betalen aan appellante voor elke dag waarop geïntimeerde weigerachtig mocht blijken aan dit bevel te voldoen, het bedrag van Sf. 200.000,– (tweehonderd duizend gulden) niet te boven gaande;

b. Binnen drie maanden na betekening van dit vonnis, aan [persoon] wonende te [adres 3], Nederland, te betalen de som van Nf. 25.645,–( vijf en twintigduizend zeshonderd vijf en veertig Nederlandse gulden), althans de tegenwaarde in Surinaams Courant tegen de koers van de dag, vermeerderd met de achterstallige contractuele rente daarover, althans van het op dat tijdstip (van betaling) aan deze hypotheeknemer verschuldigde saldo der hoofdsom, alsmede de nog verschuldigde rente zulks op verbeurte van een dwangsom van Sf. 5000,– (vijfduizend gulden) te betalen aan appellante, voor elke dag, waarop geïntimeerde weigerachtig mocht blijken aan dit bevel te voldoen, het bedrag van Sf. 100.000,– (een honderd duizend gulden) niet te boven gaande;

Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van appellante gevallen:

– In eerste aanleg begroot op Sf. 202,50;

– In hoger beroep begroot op Sf. 613,50;

Met in begrip van het door het Hof aan haar advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van Sf. 350,–; bepalende het Hof het salaris van de advocaat van geïntimeerde eveneens op Sf. 350,–; Wijst af het meer of anders gevorderde.

SRU-HvJ-1993-3

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 13 augustus 1993
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, A.C. Veldema en E.S. Ombre).

[verzoeker], wonende in [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Wagenwegstraat no. 41, ten kantore van Mr. A.R. BAARH, advokaat door verzoeker tot gemachtigde wordt gesteld, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, (Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme) in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo, advokaat Mr. Dr. C.D. OOFT, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, bet navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, waarin hij heeft gesteld:

1. Verzoeker wenst de volgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, (Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme) in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Tourtonnelaan hoek Gravenstraat;

2. Verzoeker is ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet (geweest), zijnde hem bij resolutie d.d. 20 september I992 Bureau [nummers 1] te rekenen van 1 maart 1992 wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd eervol ontslag uit Staatsdienst verleend. Vermelde resolutie heeft verzoeker ontvangen op 15 oktober 1992;

3. Verzoeker is bij resolutie d.d. 7 mei 1990 Bureau [nummers 2] op grond van het rapport van het Centraal Staforgaan Formatiezaken en Efficiëncy van november 1987 te rekenen van 1 januari 1987 te ingedeeld in schaal 14 onder toekenning van de rang van Stafambtenaar A 3e klasse en een bezoldiging van Sf. 1.637,– per maand en de funktie van Airport Operations Officer;

4. Uit de considerans van vermelde resolutie blijkt, dat verzoeker benoemd had moeten worden tot Stafambtenaar A 2e klasse instede van Stafambtenaar A 3e klasse;

5. Verzoeker is ettelijke jaren belast geweest met het beheer van het vliegveld Zorg en Hoop en op grond van zijn dienstijver, plichtsbetrachting, de kwaliteit en het gehalte der werkzaamheden heeft de Minister van Economische Zaken in 1990 (Minister Grep) een resolutie voorbereid om verzoeker te bevorderen tot Stafambtenaar A 1e klasse schaal 15 in de funktie van Beheerder vliegveld Zorg en Hoop.

In verband met de machtsovername in 1990 heeft de President de resolutie terug gezonden naar de Minister van Economische Zaken om haar te ondertekenen. De toenmalige Minister van Economische Zaken bekrachtigde de resolutie ook met zijn handtekening in 1991;

Weer was het de machtsovergang die als spelbreker optrad en moest de resolutie terug naar de huidige Minister belast met transportzaken met name de Minister van Transport, Communicatie en Toerisme, ter contrasignering.

De betreffende bescheiden worden hierbij in fotocopie overgelegd waarvan de inhoud hier als geïnsereerd wordt beschouwd;

6. De terugzending van de resolutie had slechts tot doel de aanpassing van de namen van de funcktionarissen aan destijds vigerende en huidige omstandigheden;

7. Als gevolg van administratieve indolentie zijn de administratiefrechte-. lijke bescheiden blijven liggen op het Ministerie van Economische Zaken en na de instelling van het Ministerie van Transport, Commmunicatie en Toerisme heeft verzoeker via zijn gemachtigde en persoonlijk aangedrongen om met voortvarendheid de vermelde bescheiden (alsnog) via de gebruikelijke kanalen te zenden naar de President, helaas zonder resultaat;

8. Alsgevolg van deze nalatigheid zijdens verweerder, die een onrechtmatige daad jegens verzoeker oplevert en in strijd is met de beginselen van be-

hoorlijk bestuur is verzoeker niet op tijd dus voor zijn pensionering bevorderd/benoemd in de rang van Stafambtenaar A 1e klasse onder toekenning van de aan die rang verbonden bezoldiging volgens de overeenkomstige schaal;

9. Deze onrechtmatige daad en het handelen in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur zijdens verweerder heeft ertoe geleid dat de pensioengrondslag van verzoeker is vastgesteld overeenkomstig de rang van Stafambtenaar A 2e klasse en dito schaal en bezoldiging terwijl verzoeker aanspraak maakt op een pensioengrondslag conform de rang van Stafambtenaar A 1e klasse en dito schaal en bezoldiging;

10. Verzoeker heeft er belang bij dat hij alsnog ingedeeld wordt in de rang van Stafambtenaar A 1e klasse vanaf de resolutie de eerste keer onder Minister GREP ter vaststelling was aangeboden aan de President;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat verweerder zal worden veroordeeld die administratiefrechtelijke maatregelen te nemen waardoor verzoeker alsnog met terugwerkende kracht wordt bevorderd/ benoemd in de rang van Stafambtenaar A 1e klasse en dienovereenkomstig bezoldiging en ingeschaald onder vaststelling van zijn pensioengrondslag met dien verstande dat de ingangsdatum van vermelde bevordering/ benoeming blijvend het uit te keren pensioen aan verzoeker in overeenstemming zal doen zijn met de bovenvermelde schaal en bezoldiging e.e.a. verhoogd met de voor alle ambtenaren geldende aanpassingen van de bezoldiging met veroordeling van verweerder tot het betalen van een boete van Sf. 10.000,- voor elke dag of keer dat hij in gebreke mocht blijven met de uitvoering van het te deze te wijzen vonnis.

Tenslotte met veroordeling van verweerder in de kosten van het geding;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker bij pleidooi wijziging van het petitum heeft gevraagd in dier voege dat in het petitum in regel 2 na veroordelen een dubbele punt wordt geplaatst gevolgd door:

Primair:

Voor de laatste zin wordt opgenomen.

Subsidiair:

Tot het betalen aan verzoeker van een bedrag ad Sf. 100.000,-(EENHONDERD DUIZEND GULDEN) ter zake schade vergoeding, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift is binnen gekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist al het geen niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend, met beroep op de onsplitsbaarheid van zijn stellingen en biedt bewijs aan door alle middelen rechtens, in het bijzonder door getuigen;

2. Verweerder kan erkennen dat verzoeker gewezen ambtenaar is, die op 01 maart 1992 eervol met ontslag de dienst heeft verlaten. (Resolutie van 20 september 1992 [nummers 1 – variant]);

3. Verweerder bevestigt ook, dat bij resolutie van 07 mei 1990 Bureau [nummers 2], de gewezen ambtenaar [verzoeker], is ingedeeld in schaal 14 onder toekenning van de rang van Stafambtenaar A 3e klasse met een bezoldiging van f 1.637.– (EENDUIZEND ZESHONDERD EN ZEVEN EN DERTIG GULDEN) per maand. De benoeming vond plaats met terugwerkende kracht vanaf 01 januari 1986. De resolutie is tijdig ter kennisneming aan verzoeker gebracht en ten volle uitgevoerd overeenkomstig het Besluit dat daarin is vervat;

Thans, ruim 1½ jaar later, stelt verzoeker, zich met dit besluit niet te kunnen verenigen, althans bestrijdt hij de rechtsgeldigheid daarvan, zonder dat verzoeker eerder en tijdig, gebruik heeft gemaakt van één der rechtsmiddelen, welke te zijner beschikking staan in het Zesde Hoofdstuk van de Personeelswet, t.w. artikelen 79 tot 83.

Om deze reden is verzoeker te laat, met zijn proces bij de Ambtenarenrechter, omdat hij in strijd handeld met de voorgeschreven termijnen voor het aanleggen van een zodanige vordering e.e.a. zoals dwingend voorgeschreven in artikel 78, juncto artikel 80 van de Personeelswet. Op deze grond is reeds de eis van verzoeker niet ontvankelijk en moge verweerder daartoe concluderen, in verband met het nemen van een beslissing door Uw Hof van Justitie rechtdoende in Ambtenarenzaken;

4. Uit egards voor verzoeker en voor het rechtsprekend college, verweerder toch wel ingaan op enkele in het inleidend request door verzoeker ingenomen standpunten, welke ook door verweerder worden tegengesproken. Deze standpunten zijn neergelegd in de punten 4, 5 en 6 van het inleidend request.

Verzoeker gaat van een verkeerde veronderstelling uit, dat een considerans van een resolutie rechtscheppend zou zijn voor degene op wie het Besluit na de considerans betrekking heeft. Bij tikfouten, bij stelfouten, kan het gebeuren dat per ongeluk in plaats van het cijfer 2 het cijfer 3 of 4 wordt geslagen, of geschreven. Dit vond hier plaats.

Voorts blijkt uit de mededeling van verzoeker zelf in het 5e sustenu DAT HET CENTRAAL STAFORGAAN EN EFFICIENCY eerder had voorgesteld om verzoeker in te delen in schaal 14 onder toekenning van de rang van Stafambtenaar A 3e klasse.

Wanneer verzoeker vanuit dit advies van het Staforgaan geredeneerd zou hebben dan had verzoeker betere grond onder de voeten. Daarentegen blijkt zoals verzoeker zelf meedeelt in het 5e sustenu dat de verantwoordelijke bewindsman die uiteindelijk de Resolutie zou moeten contrasigneren en het bevoegde orgaan, de President, die zou moeten bekrachtigen, geweigerd hebben een daarna voorbereide Resolutie waarop verzoeker niet werd gebracht in schaal 14 maar in schaal 15, en ook niet werd bevorderd tot Stafambtenaar A 3e (VOORSTEL STAFORGAAN), te tekenen. Dit voorbeeld geeft aan dat de considerans gewoon een verschrijving is, indien OPZET niet in het spel is geweest, terwijl het deviëren, het deskundig advies door het STAFORGAAN gegeven, overduidelijk terzijde werd gelaten, om de ambtelijke positie van verzoeker zo gunstig mogelijk te stellen;

5. Rechtens kan gezegd worden dat de voorbereiding tot een Besluit, nog niet het constutief element is, dat door belanghebbende kan worden aangegrepen om een nieuw recht te vorderen, zolang het Besluit zelve niet is geslagen, gecontrasigneerd en bekrachtigd.

Gelijke opmerking dient gemaakt te worden ten aanzien van de punten 5 en 6 waarin verzoeker zelf in duidelijke bewoordingen, de toestand van OVERMACHT heeft geschetst welke vóór, tijdens en na de zogenaamde telefooncoup van december 1990, de besluitvorming bij de opeenvolgende regeringen en verantwoordelijke Ministers heeft beïnvloed. Met gewone woorden kan gesteld worden dat de nieuw optredende regeringen (Ministers) niet van plan waren alles te honoreren, wat vorige bewindslieden hadden voorbereid.

Niet vóór de coup, niet tijdens en ook niet nadat de coupregering naar huis was gezonden. De loyaliteit van ambtenaren c.q. destabiliserende aktie van anderen bij de wisseling van de (politieke) wacht, spelen bij deze, door verzoeker zo keurig geschetste regeringswisselingen een bijzondere grote rol, wanneer het gaat om een uiteindelijke beslissing zoals in het geval van [verzoeker].

Het is dan geen ”nonchalance” en ook geen ”indolentie”, noch ”nalatigheid” (7e en 8e sustenu) zijdens de administratie, maar het totale samenspel van beleids- en politieke factoren die het uiteindelijk besluit, dat genomen werd, heeft beïnvloed;

6. Op grond van het hierboven gestelde is verweerder dan ook van oordeel, dat de Staat rond het gebeurde, met betrekking tot de benoeming van verzoeker op 07 mei 1990 tot Stafambtenaar A 3e klasse in schaal 14 op geen enkele wijze, zich heeft schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad, en ook dat door de Staat Suriname, verweerder, in casu niet is gehandeld in strijd van enig Beginsel van Behoorlijk Bestuur.

Althans dat verweerder in geen enkel opzicht schuld heeft aan welke schade dan ook, welke verzoeker zou hebben geleden, doordat, hij bij Resolutie van 07 mei 1990 werd ingedeeld in de rang van Stafambtenaar A 3e klasse schaal 14;

7. De eis (het petitum) van verzoeker is, onverminderd het voorgaande, waarin de niet ontvankelijkheid c.q. de ongegrondheid van verzoekers vordering is daargesteld, ook niet voor toewijzing vatbaar, omdat deze valt buiten de limitatieve omschrijving van hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken kan worden gevorderd. Artikel 79 P.W. lid 5 van dit artikel is van toepassing;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker, op grond van al het voorgaande, niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering, c.q. hem deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond, niet op de Personeelswet steunende en niet bewezen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 13 januari 1993 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, verzoeker i.p., bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr. BAARH, de heer R. VLIET, Hoofd Beleidsmedewerker van het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme, namens verweerder en advokaat Mr. Dr. OOFT, gemachtigde van verweerder, in Raadkamer zijn verschenen die hebben verklaard, gelijk in het daarvan opgemaakte – als hier geïnsereerd te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof verzoeker akte zal verlenen van de wijziging van zijn eis in dier voege, dat in het petitum in regel 2 na veroordelen een dubbele punt wordt geplaatst, gevolgd door:

primair:………………….”

en dat vóór de laatste zin wordt opgenomen:

”subsidiair:

Tot het betalen aan verzoeker van een bedrag ad Sf. 100.000,-(EENHONDERD DUIZEND GULDEN) ter zake schadevergoeding, tegen behoorlijk bewijs van kwijting met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening”;

hebbende verweerder zich niet bepaaldelijk daartegen verzet;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, verzoeker in dit geding niet opkomt tegen de resolutie van 7 mei 1990 Bureau [nummers 2], aangehaald in het 3e sustenu van zijn verzoekschrift;

– dat verzoeker bepaaldelijk opkomt tegen het feit dat de concept-resolutie van oktober 1990 – in fotocopie ten processe overgelegde – niet is geëffectueerd, vóórdat hij krachtens resolutie van 20 september 1992 Bureau [nummers 1] te rekenen van 1 maart 1992 met pensioen ging;

– dat blijkens die concept-resolutie, hij – verzoeker – benoemd had moeten worden tot Stafambtenaar A 2e klasse instede van Stafambtenaar A 3e klasse; Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, vorenbedoelde concept-resolutie in de fase verkeerde, dat deze een intern-stuk is, waaraan verzoeker geen enkel recht kan ontlenen (Cfm. Vs. H.v.J. 21-2-1975 S.J. (A.) no. 142, inzake Kartomo/Suriname);

Overwegende, dat verzoekers vordering dan ook als ongegrond dient te worden afgewezen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

– Verleent verzoeker akte van de wijziging van het petitum van zijn rekest in voege als voormeld;

– Wijst de gewijzigde vordering van verzoeker zowel primair als subsidiair af;

SRU-HvJ-2000-3

M.H.
GENERALE ROL 13785

[appellante], wonende te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,
appellante,

tegen

A. [geïntimeerde 1], advokaat, kantoorhoudende aan [adres] boven, te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.E.NAARENDORP, advokaat,

B. N.V.HINDE TRADING, rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende aan de Rust en Vredestraat no.136 B, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat,
geïntimeerden,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname:
Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen van 20 juni 1997, 7 november 1997 en 8 mei 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 22 oktober 1999, nadat de zaak herhaalde malen was uitgesteld, advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens advokaat Mr.E.C.M.Hooplot heeft verklaard: ”Expeditie van het vonnis kan nog steeds niet worden overgelegd ondanks pogingen gedaan bij de Griffier der Kantongerechten”;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op 3 december 1999, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat appellante, ofschoon daartoe ettelijke keren in de gelegenheid gesteld, aan het Hof niet heeft kunnen overleggen de gevraagde expeditie van het vonnis de dato 5 juli 1991, gewezen en uitgesproken in de zaak bekend in het Algemeen Register onder nummer 91/2479, met een verklaring van de Griffier der Kantongerechten dat te harer Griffie op het daartoe bestemde Register geen aantekening voorkomt van gedaan hoger beroep gedurende de appeltermijn en derhalve niet aan het tussenvonnis van het Hof van Justitie de dato 8 mei 1998 heeft voldaan;
Overwegende, dat het Hof evenwel geen termen aanwezig acht bij gemeld tussenvonnis te volharden omdat beantwoording van de vraag of appellante van het vonnis de dato 5 juli 1991 destijds in hoger beroep is gegaan, in verband met het bepaalde in artikel 4 lid 3 van de Faillissementswet 1935 niet langer relevant te achten is;
Overwegende immers, dat gemeld vonnis van 5 juli 1991 ingevolge artikel 4 lid 3 van de Faillissementswet 1935, bij voorraad op de minuut uitvoerbaar is, niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening;
Overwegende, dat, naar als niet betwist, tussen partijen vaststaat in rechte, dat Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat bij het Hof van Justitie, bij gemeld vonnis tot curator is benoemd in het faillissement van appellante;
Overwegende, dat nu het tegendeel gesteld noch gebleken is het Hof er van uitgaat dat het faillissement niet is geëindigd c.q. opgeheven;
Overwegende, dat nu, naar het Hof gebleken is, het in het onderhavige proces niet betreft vorderingen, waarbij de boedel niet rechtstreeks betrokken is, dus die niet voor alles persoonlijke of familiebelangen van de schuldenaar betreffen, had ingevolge artikel 22 van de Faillissementswet 1935 niet appellante doch haar curator de vorderingen tegen geintimeerden moeten instellen en, nu zulks niet het geval blijkt te zijn, dient appellante alsnog niet ontvankelijk verklaard te worden in haar vorderingen;
Overwegende, dat de omstandigheid dat geintimeerden zich niet op appellante haar niet – ontvankelijkheid hebben beroepen, haar vorderingen niet kan redden, vermits het Hof ambtshalve moet onderzoeken of partijen gerechtigd zijn in rechten op te treden (cfm. Hof van Just. 6 nov. 1970 inz. Het Transportbedrijf gebroeders Moenne tegen S.B.Adhien);
Overwegende, dat nu de Kantonrechter, instede van appellante haar vorderingen met een niet – ontvankelijkheid te begroeten, appellante haar verzoek heeft geweigerd, zal het Hof, doende wat de Kantonrechter heeft nagelaten, het beroepen vonnis vernietigen en appellante haar oorspronkelijke vorderingen alsnog met een niet ontvankelijkheid begroeten, onder veroordeling van appellante als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten op dit geding aan de zijde van geintimeerden gevallen, komende de door appellante tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven door deze beslissing niet meer aan de orde;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 23 februari 1993 tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Verklaart appellante alsnog niet ontvankelijk in de door haar ingestelde vorderingen;
Veroordeelt haar in de kosten in beide instanties aan de zijde van geintimeerden gevallen en in prima begroot op
Sf.nihil;
en in hoger beroep begroot op Sf.nihil;
met inbegrip van het door het Hof aan de advokaten van geintimeerden voor de door hen gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf.3000,–;
bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op Sf.3000,–;

Aldus gewezen door de Heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 5 MEI 2000, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.Mangroelal namens haar gemachtigde, advokaat
Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerden sub A en B vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.Marica namens hun gemachtigden, advokaten Mr.E.Naarendorp en Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1993-2

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 8 oktober 1993

(Mrs. J.R. von Niesewand, A.I. Ramnewash en W.R. Willemzorg).

[verzoeker], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Mr. F.H.R. Lim A Postraat no. 1, bij het Advokatenkantoor LIM A PO, van wie Mr. F. KRUISLAND als zijn gemachtigde optreedt, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, zetelende te Paramaribo, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. Dr. C.D. OOFT, advokaat, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Ovenwegende, dat [VERZOEKER] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, waarin hij heeft gesteld:

1. Verzoeker wenst bij deze de navolgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, zetelende te Paramaribo, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 52-54, verweerder;

2. Verzoeker is op 25 november 1975 in dienst getreden van verweerder in de rang van Adjunct Onderofficier, althans onderofficier bij de Surinaamse Krijgsmacht en bij resolutie van de President van Suriname d.d.4 augustus 1978 bevorderd tot 2e Luitenant, welke resolutie hierbij wordt overgelegd;

3. Verzoeker was alstoen dan ook ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet en is zulks nog steeds, zoals uit het hiernavolgende zal blijken. In ieder geval is verzoeker gewezen ambtenaar in de zin van artikel 79 van de Personeelswet, zoals ook hierna zal blijken;

4. Bij Decreet C-l d.d. 11 september 1980 is verzoeker wegens plichtsverzuim uit staatsdienst ontslagen. Voormeld decreet is nimmer op de in artikel 5 van de Personeelswet voorgeschreven wijze ter kennis van verzoeker gebracht;

5. Het sub 4 vermelde decreet is evenwel van rechtswege nietig, althans heeft voormeld decreet ten aanzien van verzoeker geen rechtsgevolg gehad op grond van het navolgende. Vooormeld decreet is kennelijk gegeven onder vigeur van de bij Algemeen Decreet d.d.13 augustus 1980 (S.B. no. 59) afgekondigde noodtoestand voor geheel Suriname. Zulks blijkt uit het Algemeen Decreet C d.d. 14 november 1980(S.B. 1980 no.123). Wettelijke regelingen, welke een algemene strekking hebben of gericht zijn op een regeling in bet algemeen van een bepaalde materie, zoals kennelijk voormeld decreet beoogde, kunnen weliswaar onder vigeur van de noodtoestand tot stand worden gebracht door bet krachtens staatsnoodrecht optredende overheidsgezag, doch slechts in zoverre als die wettelijke regelingen of door staatsnood geboden waren of dergelijke regelingen geboden waren door de noodzaak tot rechtelijke voorzieningen in verband met zeer zwaarwichtige maatschappelijke belangen en en ter zake opheffing van de noodtoestand niet kon worden afgewacht. Verzoeker stelt met klem, dat geen van beide gronden voor optreden krachtens staatsnoodrecht aanwezig was, aangezien vooreerst plichtsverzuim van een ambtenaar bestaande in het niet verrichten van aan zijn funktie verbonden werkzaamheden de staat bepaaldelijk niet in nood brengt,en voorts, indien van dergelijk plichtsverzuim sprake was, zoals in voormeld decreet gesteld, artikel 69 van de Personeelswet alle ruimte bevatte daartegen op te treden en dus ook geen rechtelijke voorziening in verband met zwaarwichtige maatschappelijke belangen vereist was. Bovendien wijst verzoeker erop, dat ingevolge artikel 4 lid 1 sub c van het Algemeen Decreet d.d. 14 november 1980, C-decreten slechts regelingen mochten inhoudend met een min of meer permanent karakter, welk karakter geheel ontbreekt aan het sub 4 vermelde decreet.

Laatstgemeld decreet is dan ook in strijd met het staatsnoodrecht en met de procedurele regels die op dat rechtsgebied golden, indien het materieel daarmede wel in overeenstemming zou zijn;

6. Verzoeker wenst voorts met klem te stellen, dat hij, anders dan het sub 4 vermelde decreet stelt, zich niet aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt.

Immers is verzoeker vanwege gedragingen van bet toenmalige feitelijke overheidsgezag in de onmogelijkheid geweest de aan zijn funktie verbonden werkzaamheden te verrichten.

Verzoeker is toch door dat gezag vanaf 26 februari 1980 tot en met 24 maart d.a.v. gedetineerd geweest zonder enige rechtsgrond. De feitelijke grondslag van voormeld decreet is dan ook ten enen male onjuist. Daarmede is mitsdien het beginsel van behoorlijk bestuur, dat in bet algemeen rechtsbewustzijn heeft, inhoudende dat overheidsbesluiten een juiste motivering dienen te hebben geschonden;

7. Hoewel de dienstbetrekking tussen verzoeker en verweerder als officier bij de Surinaamse Krijgsmacht feitelijk sindsdien beëindigd is, heeft verzoeker recht en belang in rechte te doen vaststellen, dat het sub 4 bedoelde decreet nietig is, althans verklaard wordt nietig te zijn.

Immers maakte verzoeker aanspraak op een maandelijkse uitkering van het Koninkrijk der Nederlanden ingevolge de Regeling Financiële Voorzieningen Overgang Surinaamse Krijgsmacht (Staatsblad van bet Koninkrijk der Nederlanden 1977 no. 710), welke regeling echter in artikel 3 daarvan de voorziening bevatte, dat in geval van ontslag door eigen toedoen de uitkering kwam te vervallen, hetgeen als gevolg van voormeld decreet op verzoeker van toepassing is verklaard;

8. Verzoeker heeft bij verzoekschrift d.d. 18 november 1991, hetwelk hierbij wordt overgelegd, aan de President van de Republiek Suriname verzocht op grond van het nietig zijn van voormeld decreet hem ontslag te verlenen als 2e Luitenant bij de Surinaamse Krijgsmacht, zulks te rekenen vanaf 25 februari 1980, overeenkomstig het bepaalde in artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet.

Ingevolge artikel 28 lid 1 sub b van de Personeelswet had verweerder op uiterlijk 18 mei 1992 op voormeld verzoek moeten beslissen. Een besluit als voormeld is echter niet genomen.

Evenwel was de President tot het nemen van een besluit als voormeld gehouden, nu ingevolge artikel 69 lid 1 van de Personeelswet het verlenen van ontslag op eigen verzoek dwingend is voorgeschreven;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis:

1. Primair:

Voor recht zal worden verklaard, dat het Decreet C-l d.d. II september 1980, waarbij onder meer verzoeker wegens plichtsverzuim werd ontslagen, in elk geval te zijnen aanzien nietig en van onwaarde is en elk rechtsgevolg ontbeert.

Subsidiair:

Het Decreet C-l d.d. 11 september 1980, waarbij onder meer verzoeker wegens plichtsverzuim werd ontslagen, in elk geval te zijnen aanzien zal worden nietig verklaard.

II.Verweerder zal worden veroordeeld om binnen een maand na het in deze te wijzen vonnis of de betekening daarvan, althans binnen een door Uw Hof te bepalen termijn, aan verzoeker als 2e Luitenant, althans officier bij de Surinaalnse Krijgsmacht, ontslag te vcrlenen overeenkomstig artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet, zulks te rekenen vanaf 25 februari 1980, zulks op verbeurte van een dwangsom aan verzoeker van Sf. 250,-voor elke dag dat verrweerder nalatig mocht blijven aan voormelde veroordeling te voldoen, kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijk gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarin het navolgende wordt aangevoerd:

1.Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk en uitdnukkelijk door hem wordt erkend, met beroep op de onsplitsbaarheid van zijn stellingen en biedt bewijs aan door alle middelen rechtens, in het bijzonder door getuigen;

2. Verweerder kan erkennen, dat verzoeker gewezen ambtenaar is, en bevoegd is op de grondslag van artikel 79 van de Personeelswet zich tot het Hof van Justitie met een vordering te wenden. Niettemin wil verweerder reeds nu stellen, dat naar zijn oordeel – nader te argumenteren – verzoeker te laat is met zijn vordering en dat deze niet voldoet aan wettelijke eisen zoals gesteld in het Zesde Hoofdstuk van de Personeelswet;

3. Verweerder ontkent dat verzoeker nog steeds ambtenaar zou ziijn. Het Decreet C-l waarbij verzoeker met nog 18 andere ambtenaren werd ontslagen, heeft niet alleen rechtsgevolg gehad maar is ook feitelijk, door zowel de organen van de STAAT als door de ontslagene, stuk voor stuk gedurende 12 lange jaren geaccepteerd, althans hebben dezen zich naar het ontslag gedragen, en zich daarbij geaccommodeerd, althans zich zowel intern als extern naar buiten toe, aan de gevolgen van de Staatsgreep aangepast.

Het bevreemdt verweerder dan ook zeer dat nu, l2 jaar later, verzoeker met een vordering zich wendt tot het Hof van Justitie in zijn hoedanigheid van Ambtenarengerecht, oordelend in Eerste en Hoogste aanleg;

4. Het opstel van verzoeker in de punten4, 5 en 6 van zijn inleidend request geeft een gedachtenstroom te zien, waar geen juridische oorsprong en rechtsgevolg aan te verbinden zijn. Hier worden theorieën ontwikkeld, welke niet zijn onderbouwd en dus niet gegrond, door redegevende argumenten.

Op blz. 02 van het Request in de regels 7 t/m 11 is een opvatting neergelegd over de werking van de noodtoestand en het Staatsnoodrecht, zonder dat verzoeker aangeeft, welk positief recht of gebruik (”gewoonte recht), danwel redelijkheid of billijkheid, zijn these ondersteunen.

Wanneer verzoeker daarna een opvatting geeft over de onwettigheid van het Decreet C-l van 11 september 1980, dan rust op hem nog steeds de plicht, zulks te bewijzen;

5. Verweerder wil zijnerzijds, om de stellingen van verzoeker tegen te spreken met betrekking tot het Decreet C-1 van 11 september 1980, alsdan verwijzen naar de geldende Grondwet van de Republiek Suriname, artikel 183 daarvan, waarbij óók de Decreten die vanaf 25 februari l980 zijn uitgevaardigd, kracht van Wet hebben behouden. Dit artikel luidt alsvolgt: ”De wettelijke regelingen, zoals die bestonden voor het in werking treden van deze Grondwet, waaronder begrepen de wetten en decreten die vanaf 25 februari 1980 zijn uitgevaardigd, blijven van kracht, totdat zij door andere volgens deze Grondwet zijn vervangen, met bepaling dat zij, voor zover zij inhoudelijk in strijd zijn met de Grondwet, niet later dan aan het einde van de eerste zittingsperiode van de Nationale Assemblée met deze Grondwet in overeenstemming moeten zijn gebracht, bij gebreke waarvan zij hun rechtskracht verliezen.”(-onderstr. d. venw.).

Ten aanzien van het hierboven aangehaalde Decreet C-1, wenst verweerder tevens te stellen, alszo de opvattingen van verzoeker ten deze ten stelligste weersprekende, dat bet Decreet niet alléén kracht van wet is blijven behouden maar dat het nog altijd een wet in formele zin is, zoals alle andere Decreten bedoeld in artikel 183 van de Grondwet, en dat ook op dit Decreet van toepassing is, het gestelde in artikel 80 lid I van de Grondwet, luidende:

”De wetten zijn onschendbaar behoudens het bepaalde in artikel 106, 137 en 144 lid 2.”;

6. Op gelijke wijze zijn door verzoeker de feitelijke en de rechtstoestanden, die er ontstaan na een STAATSGREEP in hun maatschappelijkjuridisch en feitelijke gezagsverhouding, door een minder goed zicht, met elkaar verward. Verzoeker verliest daarbij uit het oog, dat direct na een STAATSGREEP – vooral nadat t.a.v. de machtsovername geen twijfels meer bestaan, de bestaande rechtsorde in die Staat wordt omgezet in een machtsorde, die als één van de duidelijke kenmerken heeft, de afwezigheid van de toepassing van marginale rechtsbeginselen, zoals die voorkomen in bijvoorbeeld de ”ALGEMENE BEGINSELEN VAN BEHOORLIJK BESTUUR”, zoals we die in Suriname kennen uit het nog altijd ongeschreven Bestuursrecht van het twee eeuwen oude Koninkrijk Der Nederlanden. Zich op deze beginselen beroepen om een bij Decreet van de nieuwe gezagdragers in 1980 verleend ontslag wegens plichtsverzuim onverbindend (nietig) te doen verklaren, kan moeilijk die relevantie met zich meebrengen, als de toepassing van die beginselen in een normale democratische rechtsstaat;

Verweerder is ook van mening dat niet het Hof van Justitie, als Ambtenarengerecht, 12 jaren na het voorval dient te worden geadieerd op zoek naar recht of onrecht ten tijde van een administratie welke gestructureerd lag onder het door verzoeker zelf aangehaald Decreet van 13 augustus 1980:

a. toen de noodtoestand werd afgekondigd;

b. toen het Militair Gezag in de plaats trad van de uitvoerende macht (President en Raad van Ministers);

c. toen de Grondwet werd opgeschort;

d. toen wetgevingsbevoegdheid werd toebedeeld aan anderen dan Parlement en Regering, waardoor het maken van Decreten een bevoegdheid werd van het Militair Gezag;

7. Verweerder spreekt met klem de opvatting van verzoeker tegen, neergelegd in het zevende sustenu van het request, dat hoewel de dienstbetrekking met de STAAT feitelijk is beëindigd – het rechtsgevolg van het ontslag wordt hier expressie verbis toegegeven – door middel van Decreet C-l, hij nog belang heeft in rechte te doen vaststellen dat het Decreet nietig zou zijn.

Hier komt de aap uit de mouw.

Verzoekers belang bij deze vordering is dus niet verbonden aan zijn dienstbetrekking als Gewezen Ambtenaar in de Republiek Suriname, maar wordt beheerst door zijn vroeger dienstverband met bet Koninkrijk Der Nederlanden, waarvan de regering (Minister van Defensie van Nederland) aan hem, verzoeker, een uitkering in het vooruitzicht heeft gesteld. Verweerder stelt ten deze dan ook met klem:

a. dat verweerder zijn recht niet moet zoeken bij de Administratieve Rechter in de Staat Suriname, maar daar waar hij zijn recht gelaten heeft, t.w. bij de Administratieve weldoeners in het Koninkrijk Der Nederlanden, die zich met verzoeker verbonden hebben tot een uitkering.

De vraag of verzoeker door eigen toedoen of niet, ontslagen is geworden, moet en kan beter in Nederland beantwoord worden. Immers heeft ten aanzien van deze vraag Nederland in ruime mate beroepsinstanties en expertise in huis;

b. de vordering (zie het petitum) is ook niet overeenkomstig de dwingende vereisten van de Personeelswet (art. 79 lid 1) en dient dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard;

c. het ”besluit” in artikel 79 van de Personeelswet, is een administratief besluit. Het ”Decretenbesluit” valt daar niet onder, omdat een Decreet van toen en nu kracht van Wet in formele zin bezit. Nietigverklaring van een formele Wet, valt ook niet onder de bevoegdheden van het Hof van Justitie, oordelende in eerste en hoogste aanleg;

d. het petitum onder punt 2 zal daarom ook noodzakelijk leiden tot niet ontvankelijkheid;

8. Ten overvloede wordt opnieuw verwezen naar de tekst van artikel 79 P.W· waarin de vorderingen, die er kunnen worden ingesteld beperkt zijn tot:

a. NIETIGVERKLARING van een daarvoor vatbaar besluit, (het Decreet C-l is daarvoor niet vatbaar).

b. SCHADE, waartoe in het petitum van verzoeker niets te vinden is.

c. DWANGSOM die wel gevraagd is maar die niet steunt hetzij op de Wet of op de uitvoering van een rechtens gegeven vonnis;

9. Daargelaten dat de vordering op andere gronden niet voor toewijzing vatbaar is, zal deze ook niet ontvankelijk zijn, omdat de vordering is ingesteld 12 jaar na de door P.W. dwingend voorgeschreven termijnen voor indienen daarvan bij het Hof van Justitie.

Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

Dat verzoeker op grond van het voorgaande niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering c.q. hem deze zal worden ontzegd, als zijnde in strijd met de Grondwet, ongegrond, niet op de Personeelswet steunende en niet bewezen;

Overwegende, dat ingevolge’s Hofs bschikking van 7 oktober 1992 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, verzoeker i.p., bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat, Mr. F. KRUISLAND, advokaat Mr. Dr. C. OOFT, gemachtigde van verweerder en de heer H.E. HAIME, Algemeen Directeur van Defensie in Raadkamer zijn verschenen, die hebben verklaard, gelijk in het daarvan opgemaakte – als hier geïnsereerd te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 16 juli 1993, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker, naar het Hof aanneemt, bij pleidooi het verzoek heeft gedaan om wijziging van het onder 11 van het medium gevorderde alsvolgt:

Verweerder zal worden veroordeeld om binnen een maand na het in deze te wijzen vonnis of de betekening daarvan, althans binnen een door Uw Hof te bepalen termijn, ten aanzien van verzoeker een besluit te nemen waarin word vastgesteld, althans waaruit blijkt, dat aan verzoeker als 2e Luitenant althans officier bij de Surinaamse Krijgsmacht ontslag is verleend, althans geacht wordt ontslag te zijn verleend wegens opheffing van zijn functie, althans op grond van de feitelijke verbreking van de dienstbetrekking tussen hem en verweerder, zulks te rekenen vanaf 25 februari 1980, zulks op verbeurte van een dwangsom aan verzoeker van f. 250,– voor elke dag dat verweerder nalatig mocht blijven aan voormelde veroordeling te voldoen;

Overwegende, dat nu verweerder zich niet tegen toewijzing van voormeld

Verzoek heeft verzet en het op de Wet is gegrond, dient het te worden ingewilligd, zullende het Hof verzoeker te dier zake akte verlenen;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans niet gemotiveerd betwist en gestaafd door de door verzoeker in het geding gebrachte niet door verweerder betwiste bescheiden tussen partijen rechtens vaststaat, dat verzoeker op 15 januari 1957 in dienst is getreden van het Koninkrijk der Nederlanden als militair en bij de onafhankelijkheid van de Republiek Suriname op 25 november 1975, in dienst is getreden van de Surinaamse Krijgsmacht, op grond waarvan verzoekers dienstverband bij de krijgsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden is beëindigd; dat verzoeker, voordien nog de rang van Adjunct Onderofficier bekledend, bij resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 4 augustus 1978 No. 6523, te rekenen van 1 november 1977 werd bevorderd tot Tweede Luitenant; dat verzoeker bij Decreet C-l van 11 september 1980 met ingang van 25 februari 1980 wegens plichtsverzuim oneervol werd ontslagen;

Overwegende, dat verzoeker onder I van het petitum primair vordert, dat voor recht zal worden verklaard, dat het Decreet C-l de dato 11 september 1980, waarbij ondermeer hij – verzoeker – wegens plichtsverzuim werd ontslagen, in elk geval te zijnen aanzien nietig en van onwaarde is en elk rechtsgevolg ontbeert, na te hebben gesteld:

– dat voormeld Decreet kennelijk gegeven is onder vigeur van de bij Algemeen Decreet A de dato 13 augustus 1980 (S.B. 1980 No. 59) afgekondigde noodtoestand voor geheel Suriname, zoals blijkt uit het Algemeen Decreet C de dato 14 november 1980 (S.B. 1980 No. 123);

– dat de wettelijke regelingen, welke een algemene strekking hebben of gericht zijn op een regeling in het Algemeen van een bepaalde materie, zoals kennelijk voormeld Decreet beoogde, weliswaar onder vigeur van de noodtoestand tot stand worden gebracht door het krachtens staatsnoodrecht optredende overheidsgezag, doch slechts in zoverre als die wettelijke regelingen of door staatsnood geboden waren of dergelijke regelingen geboden waren door de noodzaak tot rechterlijke voorzieningen in verband met zeer zwaarwichtige maatschappelijke belangen en ter zake opheffing van de noodtoestand niet kon worden afgewacht;

– dat geen van beide gronden voor optreden krachtens staatsnoodrecht aanwezig was, aangezien vooreerst plichtsverzuim van ambtenaar bestaande in het niet verrichten van aan zijn functie verbonden werkzaamheden de Staat bepaaldelijk niet in nood brengt en voorts indien van dergelijk plichtsverzuim sprake was, zoals in voormeld Decreet gesteld, artikel 69 van de Personeelswet alle ruimte bevatte daartegen op te treden en dus ook geen rechtelijke voorziening in verband met zwaarwichtige maatschappelijke belangen vereist was;

– dat voorts er op gewezen zij, dat ingevolge artikel 4 lid 1 sub c van bet Algemeen Decreet de dato 14 november 1980, C-decreten slechts regelingen mochten inhouden met een min of meer permanent karakter, welk karakter geheel ontbreekt aan bet Decreet C-l de dato 11 september 1980;

– dat Decreet C-l de dato 11 september 1980 dan ook in strijd is met het staatsnoodrecht en met de procedurele regels die op dat rechtsgebied golden, indien het materieel daarmede wel in overeenstemming zou zijn;

Overwegende, dat verweerder zich formeel op beroepen heeft, dat verzoeker niet ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vordering, omdat die vordering is ingesteld twaalf jaar na de door de Personeelswet dwingend voorgeschreven termijnen voor indiening daarvan bij het Hof van Justitie;

Overwegende, dat dit verweer als ongegrond moet worden verworpen, ziende verweerder immers over het hoofd, dat verzoeker in casu uitdrukkelijk, expliciet, een verklaring van declaratoire aard vordert, dat het Decreet C-l de dato 11 september 1980 waarbij onder meer hij – verzoeker – wegens plichtsverzuim werd ontslagen, te zijnen aanzien nietig, en van onwaarde is, welke vordering te allen tijde kan worden ingesteld mits daarbij aanwezig is een voldoende belang bij de verklaring voor recht als een onmisbaar vereiste voor het bestaan van het recht op rechtsbescherming door rechtsverkenning zonder meer;

Overwegende, dat het Hof wijders opmerkt, dat, al moge verweerder terecht hebben gesteld, dat het Decreet C-l van 11 september 1980 kracht van wet in formele zin heeft, het daarmede nog geen wet in formele zin is geworden, immers ook voor de staatsgreep van 25 februari 1980, waren al bekend staatsbesluiten niet wetskracht; het Staatsbesluit van 21 januari 1977 no. 7580, tot algehele herziening van de bepalingen omtrent de eindexamens van openbare scholen voor Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs, zoals vervat in bet Reglement voor de eindexamens van de Openbare – school voor Hoger Algemeen Vormend Onderwijs (G.B. 1971 no. 117) in een nieuwe regeling (Regeling Eindexamens H.A.V.O.-scholen 1976 (G.B. 1977 no. 4) en bet Staatsbesluit van 10 juni 1977 tot nadere wijziging van het Rijbesluit 1957 (geldende tekst G.B. 1960 no. 105, zoals laatstelijk gewijzigd bij G.B. 1974 no. 53) (S.B. 1977 no. 29), zijn daar voorbeelden van;

Overwegende dat, anders dan verweerder stelt, Decreet C-l van 11 september 1980 niet is een wet in formele zin, omdat het niet, naar verzoeker terecht stelt, in overeenstemming met de Grondwet tot stand is gebracht door de Regering en de Volksvertegenwoordiging gezamenlijk, zoals aangegeven in artikel 87 van de Grondwet van 1975, welke van kracht was op 25 februari 1980;

Overwegende immers, dat bij Algemeen Decreet A van 13 augustus 1980 (S.B. 1980 no. 59) de noodtoestand voor geheel Suriname was afgekondigd (art. 3) en tot nadere aankondiging de Grondwet geheel in haar werking geschorst (art. 4) en waren bij Algemeen Decreet A-1 van 13 augustus 1980 (S.B. 1980 no. 60) tot nader order het Parlement en de Raad van Advies buiten werking gesteld (art. 1), terwijl bij Algemeen Decreet B-l van 14 augustus 1980 (S.B. 1980 no. 61) in de benoeming van de President was voorzien(art. 1);

Overwegende, dat blijkens de doctrine, de rechter in beginsel het toetsingsrecht van wetsbesluiten heeft, hebbende hij de plicht om elke nationale regel, waarvan hem de toepassing gevraagd wordt, op zijn rechtsgeldigheid te toetsen, behalve wanneer hem dit met zoveel woorden is verboden, als in artikel 93 Grondwet (oud); artikel 80, tweede lid Grondwet;

Overwegende dat het Hof zich thans geroepen voelt tot beantwoording van de rechtens van belang zijnde vraag of wettelijke regelingen, gericht op een regeling in het algemeen van een bepaalde materie, zoals kennelijk Decreet C-l van 11 september 1980 beoogde, geboden waren door de noodzaak tot rechtelijke voorzieningen in verband met zeer zwaarwichtige maatschappelijke belangen en ter zake opheffing van de noodtoestand niet kon worden afgewacht;

Overwegende, dat het Hof, daartoe overgaande, opmerkt dat nu, aannemend dat verzoeker zich aan plichtsverzuim had schuldig gemaakt, zoals in Decreet C-l gesteld, artikel 69 van de Personeelswet, naar verzoeker onweersproken heeft gesteld, alle ruimte bood daartegen op te treden en dus geen rechtelijke voorziening in verband met zwaarwichtige belangen vereist was, de gestelde vraag ontkennend beantwoord dient te worden;

Overwegende, dat nu, naar uit het vorenoverwogene blijkt, de gebodenheid tot het stand doen komen en afkondigen van Decreet C-l van 11 september 1980, niet aanwezig kan zijn geweest, aan dit decreet verbindende kracht mag worden ontzegd;

Overwegende, dat het Hof, met voorbijgaan aan de overige daartegen gevoerde weren van formele aard als niet relevant, de gevorderde verklaring voor recht zal geven, nu het door de rechtspraak vereiste belang blijkens het in het 7e ”sustenu” van het verzoekschrift gestelde, aanwezig is;

Overwegende, dat het Hof de onder 11 van het petitum (naderhand) gewijzigde vordering eveneens zal toewijzen nu zij niet voldoende gemotiveerd b1ijkt te zijn betwist;

Overwegende, dat het Hof tenslotte nog opmerkt, zich als Burgerlijke Rechter niet onbevoegd te(hebben kunnen) verklaren van de onderhavige vorderingen kennis te nemen, doch bereid is geweest tot aanvullende rechtsbescherming, die in een geval als het onderhavige nodig is, nu de rechtsbescherming bij de ambtenaren- rechter onvoldoende is (zie n.t.v. LJAD, onder HR. NJ. ’92, 687 in AA42 (1993)4 283);

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verleent verzoeker akte van wijziging zijner vordering sub II;

I.Verklaart voor recht, dat het Decreet C-l d.d. 11 september 1980, waarbij ondermeer verzoeker wegens plichtsverzuim oneervol werd ontslagen, te zijnen aanzien nietig en van onwaarde is;

II. Veroordeelt verweerder binnen een maand na betekening van dit vonnis ten aanzien van verzoeker een besluit te nemen waarin wordt vastgesteld, dat aan verzoeker als Tweede Luitenant ontslag is verleend op grond van feitelijke verbreking van de dienstbetrekking tussen hem en verweerder, zulks te rekenen vanaf 25 februari 1980, zulks op verbeurte van een dwangsom aan verzoeker van f. 250,– voor elke dag dat verweerder nalatig mocht blijven aan voormelde veroordeling te voldoen;

Wijst af hetgeen door verzoeker meer of anders is gevorderd;

Veroordeelt verweerder in de kosten aan de zijde van verzoeker gevallen en begroot op f……;