SRU-HvJ-2018-44

G.R.No.15176

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
1. [verzoeker 1]

2. [verzoeker 2]
3. [verzoeker 3]
5. [verzoeker 4]
6. [verzoeker 5]

7. [verzoeker 6]

8. [verzoeker 7]

8. [verzoeker 8],

allen wonende aan de [adres 1] in het [district 1],
verzoekers,
gemachtigde: mr. J.C.P. Nannan Panday,
advocaat,

tegen

a. [verweerder 1]

b. [verweerder 2], echtelieden van elkaar,
zonder bekende woon- en of verblijfplaats in en buiten Suriname,
verweerders,
gemachtigde: mr. K.J. Hok- A- Hin,
advocaat,

Overwegende ten aanzien van de feiten:

Gezien het verzoekschrift met bijbehorende producties, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 12 juni 2017, afkomstig van verzoekers, welk verzoekschrift strekt tot verval van instantie van het aanhangig gemaakte appel van 30 oktober 1995, in de zaak van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis d.d. 17 oktober 1995 bekend onder
A.R.No. 92-4709;

Gezien het bestreden vonnis d.d. 17 oktober 1995 in de zaak bekend onder A.R.No.92-4709;

Gezien de overige zich in het procesdossier bevindende bescheiden;

Overwegende ten aanzien van het recht:

Verzoekers vorderen om bij vonnis het door verweerders aanhangig gemaakte appel van 30 oktober 1995 in de zaak tussen partijen, bekend onder A.R.No. 92-4709, vervallen te verklaren van instantie.

Verzoekers hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat bij schrijven van de toenmalige advocaat mr. B.A. Halfhide d.d. 30 oktober 1995 er namens [verweerder 1] en [verweerder 2] (verweerders) voornoemd appel werd aangetekend tegen het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis d.d. 17 oktober 1995 bekend onder A.R.No. 92-4709; dat de laatste rechtshandeling in deze dateert van 30 oktober 1995; dat verweerders zijn blijven stilzitten en dat op geen enkele wijze is gebleken dat zij enige actie tot op heden hebben ondernomen om het door hen ingestelde appel te doen behandelen; dat verzoekers recht en belang hebben dat aan voormelde zaak een eind komt en is het redelijk dat thans het verval van instantie zal worden uitgesproken door het Hof van Justitie;

Uit de stukken blijkt dat mr. B.A. Halfhide, toen advocaat van verweerders, bij schrijven d.d. 31 januari 2012 gericht aan de griffier der kantongerechten heeft gevraagd onderhavige zaak, waarvan appel was aangetekend en ook de appelkosten waren voldaan, te doen behandelen c.q. door te sturen naar het Hof van Justitie; voorts dat genoemde advocaat bij brief d.d. 15 januari 2013 zich heeft onttrokken als advocaat van verweerders; dat bij brief van 15 januari 2013 thans de advocaat mr. K.J. Hok-A-Hin zich heeft gesteld als procesgemachtigde van verweerders inzake de behandeling van de zaak in hoger beroep; dat bij exploot van deurwaarder J.E. Febis van 30 maart 2013, no.476 aan [naam] en [verzoeker 1] het hoger beroep is aangezegd;

Gelet op het bepaalde in artikel 211 wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient voorafgaand aan het vervallen van instantie partijen ter terechtzitting te zijn opgeroepen en, voor zover verschenen, te worden gehoord; Uit de stukken blijkt niet dat deze oproeping reeds heeft plaatsgevonden, weshalve verzoekers in de gelegenheid worden gesteld alsnog deze oproeping te doen bij deurwaardersexploot en wel op de volgende wijze; dat uit een productie gehecht aan de conclusie van dupliek in conventie repliek in conventie in eerste aanleg d.d. 21 juni 1994 is gebleken dat verweerders vermoedelijk als adres hebben [adres 2] te [district 2]; dat verzoekers derhalve bij deurwaardersexploot de verweerders dienen op te roepen bij voorkeur op hun woonadres als voormeld en, indien mocht blijken dat verweerders niet op genoemd adres woonachtig zijn en hun feitelijk woonadres niet verder bekend mocht zijn, ten kantore van hun procesgemachtigde de advocaat mr. K.J. Hok A Hin op dag en datum als na te melden;

ledere verdere beslissing wordt aangehouden;

Rechtdoende:

En alvorens verder beslissen:

Bepalen dat de zaak zal dienen bij het Hof van Justitie op vrijdag 20 april 2018 des voormiddags te half negen uur en dat verweerders zullen worden opgeroepen, op hun vermoedelijke woonadres [adres 2] te [district 2] c.q. ten kantore van de advocaat mr. K.J. Hok A Hin teneinde alsdan te verschijnen op onderhavige verzoekschrift te worden gehoord;

Houden iedere verdere beslissing aan;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. J.J. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en
w.g. D.D. Sewratan door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 januari 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. CharanBij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. J.C.P. Nannan Panday, gemachtigde van appellanten, terwijl geïntimeerden noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie
namens deze,
mr. S.K. Gho

SRU-HvJ-2018-43

G.R.No. 14777

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
STICHTING [naam], hierna te noemen de Stichting,
gevestigd te Paramaribo,
appellante,
gemachtigde: mr. S. Sheombar, advocaat,
tegen
1.[geïntimeerde 1],
2.[geïntimeerde 2],
3.[geïntimeerde 3],
geïntimeerden,
hierna individueel ook wel aan te duiden respectievelijk als [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3],
allen wonende te [district],

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter van het eerste kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 26 juli 2012 (A.R.No. 122389) tussen appellanten als eisers in conventie en gedaagden in reconventie en de Stichting als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het volgende vonnis in kort geding uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat de Stichting op 7 augustus 2012 – tijdig – hoger beroep heeft ingesteld;
– de pleitnota van de Stichting van 1 maart 2013;
– de antwoordpleitnota van 3 mei 2013;
– de pleitnota van repliek van 7 juni 2013;
– de pleitnota van dupliek van 4 oktober 2013;
– de uitlating van de Stichting over de bij de pleitnota van dupliek overgelegde producties.

De beoordeling
1. Het gaat in dit geding om het volgende.
1.1 [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben in 2008 een hypotheek op een stuk perceelland (hierna: het perceel) op [adres] verleend tot zekerheid voor de terugbetaling van een geldlening van de Stichting ten bedrage van € 10.000. Ook andere geldbedragen hebben zij geleend. Over de geleende bedragen is rente verschuldigd. Op de leningen zijn afbetalingen gedaan, (onder andere) op naam van [geïntimeerde 3]. De Stichting heeft aanvankelijk een openbare verkoop op 11 november 2011 aangezegd, zulks op de grond dat geïntimeerden niet aan hun afbetalingsverplichtingen hadden voldaan. Tegen deze aanzegging hebben geïntimeerden een kort geding gevoerd. Nadat was gebleken dat partijen in onderling overleg geen schikking hadden kunnen bereiken, heeft de kantonrechter bij vonnis in kort geding van 5 april 2012 de vorderingen van geïntimeerden afgewezen. Hij heeft daarbij onder meer overwogen dat het bedrag der deelbetalingen weliswaar het bedrag van € 10.000 oversteeg, maar niet duidelijk was op welke leningen was afbetaald. De door geïntimeerden gevorderde stopzetting van de voorgenomen openbare verkoop werd afgewezen omdat de daarvoor vastgestelde datum inmiddels was verstreken.
Enkele maanden later in 2012 werd namens de Stichting opnieuw een openbare verkoop van het perceel aangekondigd, waartegen geïntimeerden wederom een kort geding aanspanden. Ook toen stelde de Stichting zich op het standpunt dat geïntimeerden in gebreke waren gebleven met betaling van het door hen verschuldigde. De kantonrechter in deze procedure heeft in het aangevallen vonnis de door geïntimeerden gevorderde stopzetting van de aangekondigde openbare verkoop van het perceel op 3 augustus 2012 gelast, en de Stichting verboden het perceel wederom ter openbare verkoop aan te bieden totdat de bodemrechter heeft beslist over de hoogte van de hypothecaire schuld, een en ander op straffe van een dwangsom. Tegen deze beslissingen keren zich de twee grieven van de Stichting in hoger beroep. De kantonrechter heeft in reconventie de vordering van de Stichting tot betaling van de op €56.621,90 berekende achterstand met rente afgewezen. De kantonrechter heeft in dit verband overwogen twijfels te hebben over de vraag, of de aflossingen al dan niet waren gedaan op de hypothecaire lening en daarom het door geïntimeerden gevorderde royement als prematuur afgewezen.

1.2 Geïntimeerden erkennen dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hun handtekening hebben geplaatst onder de schuldbekentenis van 28 juli 2008 maar stellen ook dat zij het betreffende bedrag van € 10.000 nooit hebben ontvangen. Het hof gaat aan deze stelling voorbij nu de ondertekening van de akte behoudens tegenbewijs meebrengt dat het geld ook daadwerkelijk is ontvangen. Zij hebben hun stelling niet aannemelijk gemaakt en daarom is geen tegenbewijs geleverd. Het hof verwijst nog naar de kwitantie (productie 1 bij conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie), waaruit voorshands de bevestiging valt af te leiden dat het bedrag van € 10.000 is ontvangen.

1.3 Vervolgens komt de vraag aan de orde, of en in hoeverre de betalingen door geïntimeerden, die naar onvoldoende weersproken is tezamen meer dan € 10.000 bedragen, geacht kunnen worden in mindering te strekken op de hypothecaire lening. Deze vraag is in het kortgedingvonnis aldus beantwoord, dat niet uit te sluiten valt dat de betalingen geheel in mindering hebben gestrekt op de hypothecaire lening, waardoor verhaal op de hypothecaire zekerheid niet meer mogelijk zou zijn. Anderzijds kan ook niet worden vastgesteld dat het tegendeel het geval is. Het hof deelt dit standpunt van de kantonrechter en met name haar oordeel, dat deze onduidelijkheid voor rekening van de Stichting als schuldeiseres van de leningen dient te komen. Het hof voegt hieraan toe dat ook in hoger beroep niet is gebleken, welke bedragen in mindering op welke leningen zijn afbetaald. Daarom kan ook in hoger beroep niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de betalingen niet op de hypothecaire lening in mindering zijn te brengen. Het door de Stichting beoogde dwangmiddel van openbare verkoop mag dus niet worden gehanteerd.

1.4 De kantonrechter heeft de bevoegdheid als kortgedingrechter om het voorwaardelijk verbod van “ geen openbare verkoop zonder beslissing van de bodemrechter” uit te spreken. Daarvan heeft zij naar het oordeel van het hof in dit geval terecht gebruik gemaakt. De Stichting heeft in hoger beroep opnieuw niet de noodzakelijke duidelijkheid gegeven over de vraag op welke leningen is afgelost. Er moet van worden uitgegaan dat de Stichting een bodemprocedure niet heeft aangespannen. Ook die beslissing moet voor haar rekening komen. Daarom is voor het vergaande middel van openbare verkoop van het betreffende perceel geen plaats. Dit wil niet zeggen dat voor de Stichting geen andere wegen open staan om bij een aanwijsbare achterstand in de betalingen na ingebrekestelling haar recht te verkrijgen en haar vorderingen te innen.

1.5 Uit het voorgaande volgt dat de kortgedingrechter gelet op de omstandigheden van deze zaak terecht de stopzetting van de aangekondigde openbare verkoop heeft bevolen en met een juist gebruik van haar bevoegdheden heeft verboden het perceel opnieuw in het openbaar aan te bieden. De eerste grief is dus ongegrond. De tweede grief is eveneens ongegrond, nu de kortgedingrechter de bevoegdheid had, en daarvan een juist gebruik heeft gemaakt, om aan het bevel tot stopzetting een dwangsom te verbinden. De in hoger beroep herhaalde vordering van de Stichting in reconventie tot betaling door geïntimeerden van de achterstand is onvoldoende aannemelijk geworden en zal in verband met het voorgaande worden afgewezen.

1.6 De Stichting zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding.

2. De beslissing in hoger beroep

Het hof:
bekrachtigt het vonnis in conventie en in reconventie, waarvan beroep;
veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. R.M. Praag, Lid-Plaatsvervanger en w.g. D.D. Sewratan

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 februari 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-42

G.R.No. 14794

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP BOVAM,
gevestigd te District Nickerie,
appellante in conventie en reconventie, nader aangeduid als Bovam,
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat,
tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district 1],
geïntimeerde in conventie en reconventie, nader aangeduid als [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. S.R. Ramrattansing, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 12 augustus 2008 (A.R.No. 072299) tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie en Bovam als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
– een pleidooi van 19 april 2013, houdende 8 grieven;
– een antwoord pleidooi van 21 juni 2013;
– een repliek pleidooi plus aanvulling eis in reconventie ex artikel 278 BRv met 9 producties en
– een dupliek pleidooi en uitlating betrekking tot aanvulling eis in reconventie van 4 oktober 2013, waarbij [geïntimeerde] zich niet tegen de eiswijziging verzet.

De beoordeling
In conventie en reconventie
1. Tussen partijen staat het volgende vast:
a) Partijen hebben op 4 augustus 1986 een zogenaamde huurkoopovereenkomst gesloten, waarbij [geïntimeerde] van Bovam heeft gekocht twee percelen grond, genummerd 38 en 40, elk groot 431,34 m2, gelegen aan [adres] in het [district 2] en bekend als het [naam], verder ook de twee percelen te noemen.
b) Artikel 1 van de overeenkomst luidt als volgt: ‘De koopsom voor het bovenomschreven perceel nr 38/40 bedraagt Sf 25.880. Van voormelde koopsom is door de koper op heden aan de verkoper betaald Sf 1.000,–. Het saldobedrag der koopsom, ad Sf 24.880,– zal de koper betalen in 120 opeenvolgende maandelijkse termijnen van tenminste Sf 323,50, elk dezer termijnen te voldoen steeds aan het begin (uiterlijk de 3e) van elke kalendermaand. De eerste termijn op uiterlijk 31-8-1986. De rente bedraagt 9 ½ procent per jaar, over het saldo van de koopsom of het pro-resto daarvan, ingaande heden. De maandelijkse termijnen zijn inclusief rente.’
Ingevolge artikel 11 van de overeenkomst kan de verkoper, als de koper in gebreke blijft drie termijnen te voldoen na behoorlijke ingebrekestelling ‘gerechtigd zijn te zijnen keuze, of de overeenkomst als het door enkel intreden der gemelde omstandigheden als van rechtswege terstond, zonder rechterlijke tussenkomst, als ontbonden te beschouwen, met alle wettelijke gevolgen van dien, waaronder de verplichting van de koper om het voormeld perceelland onmiddellijk ter beschikking te stellen van verkoper evenwel met dien verstande dat de koper alle door hem aangebrachte gebouwen en getimmerten mag afbreken en mede nemen, terwijl de verkoper gerechtigd is om alle nog onbetaalde en niet verschenen termijnen als verschenen en onmiddellijk opeisbaar te beschouwen en deze en al hetgeen de koper krachtens deze overeenkomst verder aan de verkoper verschuldigd mocht zijn, terstond en ineens van de koper te vorderen, vermeerderd met alle kosten, schaden en interesten. Bij ontbinding van de overeenkomst zal de koper aan de verkoper verschuldigd zijn een bedrag gelijk 10 procent van de definitieve koopsom plus de bereids verschenen rente, welke bedragen onmiddellijk opvorderbaar zullen zijn.’
c) [geïntimeerde] heeft zich niet steeds aan de overeengekomen maandelijkse termijn-betalingen gehouden en is ook meermalen meer dan drie maanden ingebreke gebleven. Zij is meermalen aangemaand om de verschuldigde termijnen te voldoen, waarbij ook op voormeld artikel 11 wordt gewezen en op de mogelijkheid van ontbinding buiten rechte van de koopovereenkomst, maar Bovam heeft zich buiten rechte tegenover [geïntimeerde] nimmer op het standpunt gesteld dat de overeenkomst definitief is ontbonden.
d) [geïntimeerde] heeft in totaal Sf 33.221,35 aan Bovam betaald, terwijl het totaal verschuldigde bedrag uit de overeenkomst (restant koopsom plus renten) 120 X Sf 323,50= Sf 38.760,– bedraagt, welk bedrag per 31 augustus 1996 had moeten zijn voldaan.
e) Ter uitvoering van het bestreden vonnis van de kantonrechter heeft Bovam de twee percelen juridisch geleverd aan [geïntimeerde]. De twee percelen zijn nog steeds in haar bezit.

2. [geïntimeerde] heeft in conventie kort gezegd de juridische levering gevorderd van de twee percelen, op straffe van een dwangsom. Bovam op haar beurt heeft in reconventie van de kantonrechter gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van SRD 12.550,– aan gemaakte buitengerechtelijke kosten en een bedrag van US$ 43.286,11 aan valuta- en renteschade en tenslotte om de betreffende percelen kort gezegd te ontruimen.

3. De kantonrechter heeft de vordering in conventie toegewezen en de vorderingen in reconventie afgewezen, daarbij telkens Bovam veroordelend in de kosten van het geding.

Voorts in conventie:
4. De tijdig in appel gekomen Bovam heeft acht grieven voorgedragen, die in het navolgende achtereenvolgens worden behandeld. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Daarop zal bij de behandeling van de grieven zonodig worden ingegaan.
5. De 1e grief betreft het verwijt dat Bovam ten onrechte is gedagvaard in het eerste kanton, terwijl zij gevestigd is in Nickerie en dus in het derde kanton opgeroepen had moeten worden. Hoewel op zich juist is dat Nickerie in het derde kanton ligt en Bovam daar gevestigd is, blijkens het overgelegde uittreksel van het Handelsregister, heeft zij daar in deze fase van het geding geen belang meer bij, nu zij tijdig is verschenen, zij in haar verweer niet is geschaad en de zaak inmiddels in hoger beroep voor wijzen staat. Om die reden wordt de grief verworpen.
6. In de 2e grief beroept Bovam zich op het nebis in idem beginsel, nu een soortgelijke vordering van [geïntimeerde] tegen Bovam bij vonnis van 9 juni 2005 door de kantonrechter in kort geding gelet op de diepgaandheid van de vordering naar de gewone rechter is verwezen. Wat er verder zij van genoemd beginsel en de geldigheid daarvan, in de uitspraak waarop Bovam zich beroept is geen inhoudelijke beslissing gegeven op de door [geïntimeerde] ingestelde vordering, zodat niets de kantonrechter in de weg stond om op de vordering te beslissen. Deze grief treft daarom geen doel.
7. In de 3e grief beroept Bovam zich op misbruik van procesrecht, omdat [geïntimeerde], nu de zaak bij voormelde beslissing naar de bodemrechter was verwezen desondanks wederom een kort geding aanhangig heeft gemaakt. Het zij Bovam toegegeven dat het niet de bedoeling is van het rechtssysteem om vorderingen telkens te herhalen, maar nu het hier enerzijds slechts gaat om 1 recente eerdere poging om de zaak te laten afdoen in kort geding en het anderzijds een feit van algemene bekendheid is dat bodemprocedures erg lang duren, kan het [geïntimeerde] niet worden euvel geduid dat zij wederom voor de weg van het kort geding heeft gekozen, nu wel vaststaat dat zij groot belang heeft bij de door haar ingestelde vordering. Deze grief wordt daarom verworpen.
8. In de 4e grief beroept Bovam zich op de nietigheid van de dagvaarding, nu deze niet is uitgebracht aan het adres van Bovam noch van een bestuurder van Bovam, doch nu zij door middel van de betekening desondanks tijdig op de hoogte is gesteld van de procedure en zij zich ook in rechte heeft kunnen verweren, is zij niet benadeeld en heeft zij geen belang meer bij het inroepen van de nietigheid. Ook deze grief wordt daarom verworpen.
9. In de 5e grief wordt aangevoerd dat in kort geding niet de levering van onroerend goed kan worden bevolen. Ook deze grief is tevergeefs voorgedragen. Weliswaar is een veroordeling tot levering van onroerend goed verstrekkend en zal daartoe in kort geding niet lichtvaardig worden overgegaan, maar niets weerhoudt de kortgedingrechter, indien hij van oordeel is dat er gronden zijn om een partij te veroordelen tot levering van een onroerend goed, om dat te doen. Een dergelijke handeling kan immers doorgaans, mocht de bodemrechter er anders over denken, worden teruggedraaid en mocht dat niet meer kunnen, dan lost zich dat op in schadevergoeding. De rechtspraktijk heeft er behoefte aan dat dergelijke vorderingen, mits er voldoende spoedeisend belang is, bij voorrang aan de rechter kunnen worden voorgelegd.
10. In de 6e grief voert Bovam aan dat zij de huurkoopovereenkomst door het regelmatig niet-tijdig betalen door [geïntimeerde] ingevolge artikel 11 van de overeenkomst als ontbonden mag beschouwen. Op zich staat dat inderdaad in artikel 11 van de overeenkomst vermeld, maar Bovam heeft [geïntimeerde] nimmer op de hoogte gesteld van het feit dat zij de overeenkomst als ontbonden beschouwde. Om die reden heeft [geïntimeerde] nog in 1995 Sf 15.000,– betaald. Daar komt nog het volgende bij. Artikel 11 is weliswaar wat cryptisch geformuleerd, maar het is wel duidelijk dat dit artikel de verkoper de keuze geeft uit twee mogelijkheden, namelijk allereerst de ontbinding van de overeenkomst, waarna de koper het gekochte moet ontruimen. In een dergelijk geval heeft de verkoper recht op 10% van de koopprijs en de verschenen rente. De verkoper kan ook kiezen voor het direct opeisbaar beschouwen van de restant koopsom en deze, samen met alles wat de koper nog krachtens de overeenkomst verschuldigd is, direct opvorderen, vermeerderd met de kosten, schaden en interesten. Bovam heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde] zowel de koopprijs als de geleden schade dient te voldoen. Onder die omstandigheden kan zij niet ook nog de overeenkomst als ontbonden beschouwen. Dat zou dubbelop zijn en dat is in strijd met de overeenkomst. Het beroep op artikel 11 kan Bovam om die reden niet baten. Ook deze grief is daarom ongegrond.
11. In grief 7 wordt betoogd dat [geïntimeerde] geen recht heeft op levering van de twee percelen, nu zij de koopsom inclusief de overeengekomen rente niet volledig heeft voldaan. Op zich is het juist dat [geïntimeerde] niet de volledige koopsom inclusief de overeengekomen rente heeft betaald. In zoverre slaagt de grief. Maar nu Bovam anderzijds de restant koopsom en een volledige schadevergoeding vordert, waarop in de reconventie wordt ingegaan, heeft zij geen recht om daarnaast ook nog aanspraak te maken op de twee percelen. In zoverre faalt de grief.
12. Tenslotte betwist Bovam in grief 8 het spoedeisend belang. Ook die grief faalt. [geïntimeerde] wil meer dan 20 jaar nadat de huurkoopovereenkomst is gesloten ook de eigendom van de twee percelen geleverd krijgen. Dat is een voldoende spoedeisend belang, al is het maar omdat de twee percelen daarna niet meer vervreemd kunnen worden.

Voorts in reconventie:
13. Bovam vordert allereerst buitengerechtelijke kosten, terzake van onnodig door [geïntimeerde] aangespannen procedures. Zoals hiervoor overwogen heeft [geïntimeerde] wel degelijk belang bij toewijzing van haar vordering tot levering van de twee percelen, mede in het licht van de door Bovam zelf gekozen procesopstelling. Onder die omstandigheden heeft Bovam geen recht op de gevorderde buitengerechtelijke kosten, omdat het maken daarvan niet aan [geïntimeerde] valt te verwijten, nog los van het feit dat zij op geen enkel wijze het door haar terzake gevorderde en door [geïntimeerde] betwiste bedrag, door haar begroot op
SRD 12.550,–, aannemelijk heeft gemaakt.

14. Daarnaast vordert Bovam de door haar geleden schade, bestaande uit het feit dat [geïntimeerde] niet de volledige koopsom heeft betaald. Zij kan in haar berekening van rente en valutaschade echter niet worden gevolgd omdat zij ten onrechte het door [geïntimeerde] betaalde bedrag van Sf 15.000,– niet meerekent. Bovam voert aan dat dat bedrag betaald is nadat de overeenkomst reeds was ontbonden, en derhalve onverschuldigd is betaald, maar uit het voorgaande blijkt dat dat niet juist is. De overeenkomst is niet ontbonden en deze betaling geldt dus als voldoening aan de huurkoopovereenkomst. Dat betekent dat het Hof zelf de schade in redelijkheid en billijkheid zal moeten vaststellen. Daarbij houdt het Hof rekening met de volgende omstandigheden: van het totaal per 31 augustus 1996 verschuldigde bedrag van Sf 38.760,– (de koopsom plus de rente), dat zij diende te betalen heeft [geïntimeerde] volgens de eigen stellingen van Bovam Sf 33.221,35 voldaan, zodat op dat moment een restschuld bestond van afgerond Sf 5.539,- -. Omdat [geïntimeerde] haar termijnen regelmatig te laat heeft betaald is zij over dit bedrag nog gedurende een aantal jaren de rente verschuldigd, terwijl zij tevens rente verschuldigd is vanaf 31 augustus 1996 tot de dag van het wijzen van dit vonnis. Voorts houdt het Hof rekening met de waardedaling van de gulden, de verandering in munteenheid en met de inflatie. Dit alles in ogenschouw nemend stelt het Hof de schade van Bovam aan hoofdsom plus rente vast op SRD 5.539,–. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de overeengekomen rente van 9 ½% vanaf de datum van dit vonnis.
15. Tenslotte vordert Bovam kort gezegd de ontruiming van de tweepercelen, en na de niet bestreden eiswijziging, voorts dat de Glisbewaarder wordt gelast de overschrijving van de beide percelen in het openbaar register door te halen. Gelet op het voorgaande zijn deze vorderingen niet toewijsbaar en zullen deze daarom worden afgewezen.
Voorts in conventie en reconventie:
16. Nu beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten tussen partijen als na te melden worden gecompenseerd.

De beslissing
Het hof:
In conventie:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, behoudens voor wat betreft de proceskosten en in zoverre opnieuw rechtdoende:
Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

In reconventie:
Veroordeelt [geïntimeerde] om aan Bovam te betalen SRD 5.539,–, vermeerderd met 9 ½ % rente per jaar vanaf de datum van dit vonnis.
Verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President en mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. R.M. Praag, Lid-Plaatsvervanger en w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 februari 2018 , in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-41

G.R.No. 14801

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

DE STICHTING AUTEURSRECHTEN SURINAME,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

tegen:
a) [geïntimeerde 1], wonende te [district], en
b) BALLROOM ENERGY N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerden in kort geding,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter van het eerste kanton gewezen en op 15 april 2011 uitgesproken vonnis (in de zaak bekend onder A.R.No. 11-1561) tussen appellante als oorspronkelijk eiseres en geïntimeerden als oorspronkelijk gedaagden,
spreekt de Fungerend-President in Naam van de Republiek het volgende vonnis bij vervroeging uit. Daarin zal appellante ook wel als Sasur worden aangeduid.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
– een verklaring van de griffier van de kantongerechten civiele zaken inhoudende dat appellante op 28 april 2011 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton, op 15 april 2011 in kort geding tegen haar uitgesproken;
– een memorie van grieven zijdens appellante van 4 mei 2011;
– een pleitnota van appellante van 17 mei 2013;
– een antwoordpleidooi van geïntimeerden van 19 juli 2013;
– een repliekpleidooi van appellante van 1 november 2013;
– een dupliekpleidooi van 21 maart 2014.
– de rechtsdag voor de uitspraak was hierna aanvankelijk bepaald op 15 augustus 2014 en vervolgens op 2 maart 2018, doch bij vervroeging op heden.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
Nu partijen bij de uitspraak van de kantonrechter op 15 april 2011 bijgestaan door hun gemachtigden in persoon verschenen waren, is het hoger beroep op 28 april 2015 tijdig ingesteld en kan appellante daarin worden ontvangen.

De beoordeling
De feiten
1 Het Hof gaat uit van de door de kantonrechter in haar vonnis van 15 april 2011 vastgestelde feiten, met dien verstande dat de laatste drie woorden onder 2.6 gelezen moeten worden als “dient te verkrijgen”. Het Hof voegt daar nog de volgende feiten aan toe:
a) de werkwijze van Sasur kwam er blijkens haar eigen brief aan geïntimeerden van 10 december 2010 destijds op neer dat organisatoren van muzikale evenementen vooraf inzage konden verkrijgen in het aan Sasur in beheer toevertrouwde repertoire, voor uitvoering waarvan dan meteen tegen betaling van royalties een licentie verkregen kon worden;
b) anders zou Sasur ertoe moeten overgaan bezoekers te tellen/turven en geluidsopnamen te maken van de gespeelde muziek, gevolgd door de aanmaning om alsnog tegen hogere kosten een licentie te verwerven.

Dreigen inbreuken op de door Sasur beschermde rechten van de zijde van geïntimeerden?
2 Het Hof leidt uit deze uitnodiging van Sasur aan muziekgebruikers af dat partijen het erover eens zijn dat het een organisator van een muziekevenement vrij staat, door Sasur of haar zusterorganisaties niet beschermd eigen of klassiek (bij voorbeeld als de componist al meer dan 50 jaar dood is) repertoire te laten uitvoeren. Die gedachte steunt ook op de wet, bij voorbeeld artikel 38 van de Wet Auteursrecht 1913. Een verbod van muziekevenementen is niet op zijn plaats als er geen dreiging is van onbetaalde en ongeautoriseerde uitvoering van aan Sasur toevertrouwd muziekrepertoire.

3 In eerste aanleg hebben geïntimeerden het verweer gevoerd dat zij bereid waren om met Sasur te onderhandelen over de voor gebruik van werken uit het Sasur toevertrouwde repertoire verschuldigde royalties, maar dat dit natuurlijk niet gold voor uitvoerende musici die hun eigen repertoire vertolkten en geen machtiging aan Sasur of haar contractanten en zusterorganisaties hadden verstrekt , zoals bij voorbeeld een drietal door de kantonrechter met naam en toenaam genoemde bands (Aptijt, Kojeba en Love Messengers).

4 In hoger beroep hebben geïntimeerden volgehouden dat er bij het dansfestijn van 15 april 2011 ook geen door zusterorganisaties van Sasur aan haar toevertrouwd wereldrepertoire ten gehore is gebracht noch dat van individuele auteurs wier rechten zij behartigt. Appellante heeft daartegen niet meer ingebracht dan dat zoiets toch altijd wel gebeurt, maar heeft verzuimd geluidsopnamen daarvan in te brengen of (getuigen)bewijs daarvoor aan te bieden. Nadat geïntimeerden bij antwoordpleidooi nogmaals met klem ontkend hadden dat bij het door geïntimeerden althans één hunner georganiseerde danskampioenschap van 15 april 2011 muziek was uitgevoerd die behoorde tot het door Sasur beschermde repertoire, is appellante er ook niet meer op teruggekomen. Daarmee is ook de dreiging van herhaling weggenomen, terwijl niet betwist is dat geïntimeerden bereid zijn zo nodig te betalen voor het door Sasur beheerde repertoire.

Geen verbod van inbreuk op muziekauteursrechten voor de toekomst
5 Geïntimeerden hebben niet bestreden dat appellante in hoger beroep nog steeds belang heeft bij toewijzing van het oorspronkelijk onder II gevorderde verbod om in de toekomst voorstellingen te houden althans muziek ten gehore te laten brengen die behoort tot het door appellante beheerde repertoire zonder in het bezit te zijn van de daartoe vereiste licentie. Zij zullen daarin dus wel ontvankelijk worden verklaard.

6 Geïntimeerden hebben echter wel betwist dat zij het ernaar gemaakt hebben dat een dergelijk algemeen verbod hun voor de onbeperkte toekomst wordt opgelegd. Het Hof is het daarmee eens nu tussen partijen is komen vast te staan dat tijdens het dansfestijn geen enkele inbreuk is gemaakt op de auteursrechten op het door Sasur beheerd muziekrepertoire, dat geïntimeerden willen respecteren.

De overige te nemen beslissingen
7 Appellante heeft echter niet uiteengezet welk (spoedeisend) belang zij nog heeft bij het gevorderde verbod van het dansfestijn van 15 april 2011, hoewel zij wel in toekenning ervan volhardt. Zij zal daarom in de daarop betrekking hebbende vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard bij gebreke van voldoende belang.

8 Iets soortgelijks geldt voor de niet-ontvankelijkverklaring van Sasur in haar vorderingen tegen geïntimeerde sub b), nu ook zij geen aanleiding gegeven heeft tot een verbod.

9 De beslissing van de kantonrechter zal vernietigd worden in zoverre als de afwijzing van het jegens geïntimeerde sub a) gevorderde dient te worden vervangen door een niet – ontvankelijk-verklaring.

10 Voor het overige zal het vonnis worden bevestigd. Appellante zal, als grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof van Justitie:
1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 15 april 2011 (A.R.No. 11-1561) waarvan beroep voor wat betreft de veroordeling onder 5.2.

en opnieuw rechtdoende in kort geding:
2 Verklaart appellante niet – ontvankelijk in haar oorspronkelijke vorderingen jegens geïntimeerde sub a).

3 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter voor het overige.

4 Veroordeelt appellanten in de kosten van dit kort geding in hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerden tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. R.M. Praag, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 februari 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. H.H. Vreden namens advocaat mr. M.A. Guman, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. T.S. Sewdien namens mr. H.R. Schurman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie
namens deze,
mr. S.K. Ghopie, Wnd. Substituut-Griffier

SRU-HvJ-2018-40

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
1. [appellant 1], en
2. [appellant 2], samen handelende onder de naam Oriental Timber NV. i.o.,
gevestigd en kantoorhoudende te [district],
appellanten,
gemachtigde: mr. M. Ansaar Guman, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

Inzake het hoger beroep van de door de kantonrechter in het eerste kanton op 08 november 2012 in Kort Geding uitgesproken vonnis (A.R.No. 113874) tussen appellanten als gedaagden en geïntimeerde als eiseres,

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende processtukken:
– een Pleitnota van 6 december 2013 van de tijdig in hoger beroep gekomen appellanten;
– een Antwoord pleidooi van 17 januari 2014;
– een Repliek pleitnota met 1 productie van 21 februari 204;
– een Dupliek pleidooi van 21 maart 2014;

De vaststaande feiten

1. Tussen partijen staat het volgende vast:
a) Thans geïntimeerde is eigenaresse van een drietal percelen grond, gelegen langs de [adres 1] aangeduid op de kaart van de landmeter G.R. Liesdek van 17 augustus 1987 met respectievelijk de letters Uaef, ahde en bgcd. Daarnaast staat er nog een perceel op haar naam, gelegen aan dezelfde weg aangeduid op de (door thans appellanten overgelegde) kaart van Ir. E.S. Devid van 21 december 1978 met AEFD.
b) Thans appellanten huren sinds 01 augustus 2002 een perceel, gelegen aan de [adres 2] van de eigenaar [naam] en hebben daar een bedrijf. Aan de achterkant van het gehuurde ligt een zandpad, die uiteindelijk uitweegt op de [adres 1]. Op dat pad is door appellanten een ijzeren poort opgericht. Appellanten gebruiken dit zandpad om met vrachtauto’s vanaf het gehuurde de [adres 1] te bereiken en andersom. Zij hebben zelf de inrit aangebracht door duikers te plaatsen in de naast de [adres 1] gelegen trens en door ophoging van het pad met scherp zand.

Het geschil in eerste aanleg en de beslissing van de kantonrechter

2. Dit geding spitst zich toe op de vraag of het hiervoor genoemde zandpad, voor het gedeelte dat aan de [adres 1] grenst, over het perceel van geïntimeerde loopt, in welk geval de vrachtauto’s zonder toestemming over haar perceel rijden. Geïntimeerde stelt van wel en vordert om die reden een verbod van appellanten om zich op haar percelen te begeven, zulks op straffe van een dwangsom. Appellanten betwisten dat het zandpad behoort tot het perceel van geïntimeerde. Zij voeren aan dat het hele zandpad tot aan de [adres 1] tot het gehuurde behoort. Dus rijden zij met hun vrachtauto’s niet over het perceel van geïntimeerde. Zij concluderen daarom tot afwijzing van het gevorderde.

3. De kantonrechter is ter plaatse gaan kijken en heeft geconstateerd dat de feitelijke situatie in elk geval op dit moment zo is, dat het genoemde zandpad loopt over zowel het gehuurde als over het perceel van geïntimeerde, dat de metalen poort op de grens van beide percelen staat, terwijl de overgelegde kaarten niet aantonen dat het gehuurde, zoals door appellanten aangevoerd, loopt tot de [adres 1]. Op grond hiervan komt de kantonrechter tot de conclusie dat appellanten -nu geïntimeerde hen dat uitdrukkelijk heeft verboden- het perceel van geïntimeerde onrechtmatig betreden. Hij heeft vervolgens -zakelijk weergegeven- appellanten verboden de percelen van geïntimeerde te betreden op verbeurte van een dwangsom van 10.000 SRD per dag of per keer dat appellanten zich niet aan dit verbod houden, met een maximum van SRD 500.000,–, zulks uitvoerbaar bij voorraad.

De beoordeling

4. Appellanten hebben geen grieven aangevoerd. Zij voeren allereerst aan dat op grond van de hiervoor bedoelde kaart van ir. E.S. Devid vaststaat dat het gehuurde tot aan de [adres 1] loopt. Zij beroepen zich in hoger beroep ook nog op een door de landmeter R.I. Amelo op 2 december 2012 opgemaakte kaart van hetzelfde perceelsgedeelte, dat door ir. E.S. Devid is beschreven, namelijk genummerd EBCF, dat volgens Amelo zou lopen tot aan genoemde weg. Echter, het Hof zal hieraan voorbijgaan, nu niet is gebleken, dat dit perceelsgedeelte het door appellanten gehuurde perceel is, noch dat het genoemde zandpad over dit perceel loopt. Er zijn op dat punt geen stukken overgelegd. De kantonrechter is hier dan ook op goede gronden aan voorbij gegaan.

5. Om die reden faalt ook het verweer dat zou vaststaan dat appellanten slechts van het gehuurde perceel gebruik maken.

6. Al evenmin kunnen appellanten worden gevolgd in hun verweer dat de zaak zich niet leent voor een Kort Geding. Immers, geïntimeerde stelt dat appellanten haar eigendomsrecht niet eerbiedigen en met vrachtauto’s over haar perceel rijden, daarbij afrasteringen kapotrijdend. Daarmee heeft zij een voldoende spoedeisend belang bij een verbod, zoals gevorderd. Dat appellanten als huurders onvoldoende tijd hebben gehad om zich te verweren is feitelijk onjuist. Allereerst is tussen het aanhangig maken van het geding en de uitspraak van de kantonrechter meer dan een jaar verlopen. Daarnaast is gebleken dat appellanten hun verweer mede baseren op informatie van de verhuurder. Ook deze verweren worden daarom verworpen.

7. Appellanten beroepen zich ook nog op 50 jaar ondubbel bezit van het betreffende perceel en bieden daar bewijs voor aan, maar een onderzoek daarnaar gaat het karakter van het Kort Geding te buiten. Appellanten zullen dit aan de bodemrechter dienen voor te leggen.

8. Alle overigen verweren richten zich tegen niet dragende onderdelen van het bestreden vonnis en zullen daarom buiten beschouwing worden gelaten.

9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat alle verweren tegen het bestreden vonnis worden verworpen en dat het vonnis daarom onder aanvulling van gronden dient te worden bevestigd, zulks met veroordeling van appellanten in de kosten van de procedure.

De beslissing

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling van gronden.
Verwijst appellanten in de proceskosten aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. R.G Chatterpal, Leden en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 februari 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. H.H. Vreden namens advocaat mr. M.A. Guman, gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. T.S. Sewdien namens advocaat mr. S. Mangroelal, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-39

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[verzoeker],
wonende in [district],
verzoeker,
gemachtigde: I.D. Kanhai Bsc., advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo, rechtspersoon,
verweerder,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (PW) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:
– het verzoekschrift d.d. 22 december 2015 met producties;
– het verweerschrift d.d. 26 januari 2016 met producties;
– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 29 februari 2016, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 april 2016;
– het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 04 november 2016;
– de conclusie tot wijziging c.q. aanvulling van het rekest;
– de conclusie tot uitlating omtrent aanvulling eis met een productie;
– de conclusie tot uitlating omtrent productie en wijziging c.q. aanvulling van eis.

2. De feiten in de hoofdzaak en in het incident
Tussen partijen (hierna respectievelijk ”verzoeker” en ”verweerder” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1 Verzoeker is bij resolutie van 22 juni 2006, Bureau [nummer 1], te rekenen van 01 februari 2006 benoemd in de functie van Juridisch Assistent op de afdeling Juridische Zaken bij de Nationale Assemblee.

2.2 Verzoeker is eveneens bij resolutie van 21 juni 2007, Bureau [nummer 2], te rekenen van 16 juni 2006 overgeplaatst naar het Parket van de Procureur Generaal van het Ministerie van Justitie en Politie en is vanaf die datum aldaar tewerkgesteld.

2.3 Verzoeker is tevens bij resolutie, te rekenen van 07 januari 2008 toegelaten tot de opleiding voor een functie bij de Rechterlijke Macht en ingevolge de missive van de Raad van Ministers van 23 juni 2004 [nummer 3], ingedeeld in de rang van Hoofdambtenaar A 3ᵉ klasse.

2.4 Verzoeker is bij beschikking van de Minister van Binnenlandse zaken d.d. 15 mei 2015 [nummer 4], geschorst ingevolge artikel 66 lid 1 en lid 2b PW. Bij schrijven van de Directeur van het Ministerie van Justitie en Politie d.d. 23 juni 2015 [nummer 5], is verzoeker in de gelegenheid gesteld om zich te verweren, hetgeen verzoeker heeft gedaan bij schrijven van zijn gemachtigde d.d. 13 juli 2015.

2.5 Bij beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 09 oktober 2015 Bureau [nummer 6], is aan verzoeker ingevolge artikel 61 lid 1 sub j van de Personeelswet, wegens plichtsverzuim ontslag verleend.

2.6 Krachtens Staatsbesluit van 10 april 2015 (S.B. 2015 no. 49) maakt verzoeker aanspraak op een looncorrectie, en wel met terugwerking tot 01 januari 2014.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen
3.1. In de hoofdzaak
Verzoeker vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis:
a. De beschikking van verweerder, uitgevaardigd door de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 15 mei 2015 [nummer 4], nietig te verklaren, althans te vernietigen, omdat deze in strijd is met de Personeelswet;
b. De beschikking van verweerder, uitgevaardigd door de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 09 oktober 2015 Bureau [nummer 6] nietig te verklaren, althans te vernietigen, omdat deze in strijd is met de Personeelswet en de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur;
c. Verweerder te gelasten om binnen een week na de uitspraak, zowel de beschikking van 15 mei 2015 onder [nummer 4] als die van 09 oktober 2015 onder Bureau [nummer 6], ongedaan te maken;
d. Verweerder te gelasten om binnen een week na de uitspraak, aan verzoeker te voldoen, het salaris en alle daarbij gepaard gaande emolumenten en daarmede voort te gaan.
Dat naast het salaris tevens het achterstallig salaris waarop verzoeker vanwege de loonaanpassing krachtens het Staatsbesluit van 10 april 2015 (S.B. 2015 no. 49) aanspraak maakt, met terugwerking tot 01 januari 2014 dient te worden uitbetaald;
e. Verweerder te veroordelen tot het voldoen van een dwangsom ad SRD. 1000,- voor elke dag of iedere keer dat zij in strijd met het onder punt d gevorderde zal handelen;
f. Verweerder te veroordelen in de betaling van de kosten van het geding, alsook de kosten voor het vastrecht ad SRD. 30,-, de deurwaarderskosten ad SRD. 275,- en de buitengerechtelijke kosten ad SRD. 4.500,-.

3.2 Verzoeker heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat verweerder niet bevoegd was tot het opleggen van de tuchtstraf van schorsing en het verlenen van ontslag, daar in artikel 3 lid 2 PW is aangegeven dat de ambtenaren die zijn ingedeeld in een rang waaraan een vaste of minimum bezoldiging is verbonden, welke meer bedraagt dan de helft van die van de directeur van een departement, uitsluitend bij resolutie van de President worden aangesteld, bevorderd, geschorst en ontslagen. De door verzoeker aangehaalde benoeming, bevordering en overplaatsing hebben bij resolutie van de President plaatsgevonden.
Voorts heeft verweerder bij het opleggen van de tuchtstraf van schorsing in strijd gehandeld met artikel 63 lid 2 PW, waarin uitdrukkelijk is gesteld, dat een tuchtstraf niet wordt opgelegd, alvorens de betrokken landsdienaar in de gelegenheid is gesteld om zich terzake mondeling of schriftelijk te verantwoorden.
Verweerder heeft in de ontslagbeschikking nagelaten om gemotiveerd aan te geven waarom zij van mening is dat het verweer van verzoeker niet steekhoudend is.
Tenslotte heeft verweerder in de ontslagbeschikking nagelaten te vermelden dat het ontslag op grond van artikel 69 PW is geschied, weshalve de ontslagbeschikking nietig is, althans vernietigd dient te worden.

3.3 De verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het Hof zal, voorzover nodig, bij de beoordeling hierop terugkomen.

In het incident
4.1 Verzoeker vordert hem toe te staan, het fundamentum petendi, alsook het petitum van het inleidend rekest d.d. 22 december 2015, aan te vullen met de volgende zinsnede:
“dat naast het salaris tevens het achterstallig salaris waarop verzoeker vanwege de loonaanpassing krachtens het Staatsbesluit van 10 april 2015 (S.B. 2015 no. 49), aanspraak maakt, met terugwerking tot 01 januari 2014 dient te worden uitbetaald”.

4.2 Verzoeker heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd, dat het niet uitbetalen van desbetreffende salarisaanpassing geen enkel belang dient, weshalve verweerder een grondslag mist om deze aanpassing niet uit te keren.

4.3 Verweerder heeft geen verweer gevoerd tegen dit onderdeel van het door verzoeker gevorderde.

De beoordeling van het geschil in het incident en in de hoofdzaak
In het incident
5.1 Het Hof overweegt, dat, nu verweerder geen verweer heeft gevoerd tegen de door verzoeker gevorderde aanvulling van eis, het gevorderde zal worden toegestaan.

In de hoofdzaak
5.2 Het Hof is slechts bevoegd om in de in artikel 79 PW genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen nietig te verklaren, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen.
Nu het onder c en f van het petitum gevorderde niet valt binnen de reikwijdte van toegestane vorderingen ingevolge artikel 79 PW zal het Hof zich ten aanzien van deze vorderingen onbevoegd verklaren. Met betrekking tot de overige vorderingen van verzoeker betreffend een besluit tot schorsing en een besluit tot ontslag, is het Hof bevoegd daarvan kennis te nemen.

5.3 Het Hof overweegt dat niet is gesteld, noch is gebleken wanneer het besluit, vervat in de beschikking d.d. 15 mei 2015 [nummer 4] inzake de schorsing van verzoeker, ter zijner kennis is gebracht. Evenwel blijkt uit de stukken dat verzoeker op 23 juni 2015 door verweerder in de gelegenheid is gesteld zich te verweren, hetgeen hij heeft gedaan bij schrijven van zijn gemachtigde d.d. 13 juli 2015. Hieruit is naar het oordeel van het Hof in voldoende mate gebleken, dat het besluit vervat in eerdergenoemde beschikking ter kennis van verzoeker is gebracht, in elk geval uiterlijk 13 juli 2015.
Ingevolge artikel 80 lid 1b PW is de vordering zoals bedoeld in artikel 79 van de eerdergenoemde wet niet ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. Nu de vordering van verzoeker ten aanzien van het besluit vervat in de beschikking van 15 mei 2015 [nummer 4] is ingediend op 22 december 2015, brengt dat met zich dat deze vordering van verzoeker tardief is ingesteld, zodat hij daarin niet – ontvankelijk zal worden verklaard. Verzoeker is wel ontvankelijk in zijn vordering betreffende de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 09 oktober 2015 Bureau [nummer 6] nu verzoeker deze beschikking op 23 november 2015 heeft ontvangen.

5.4 Verweerder voert als verweer, dat de Minister van Binnenlandse Zaken ingevolge de resolutie van 23 september 2014 no. 8752/14, houdende wijziging van de resolutie van 12 januari 2010 no. 8806/09 (S.B. 2010 no. 10) houdende vaststelling van richtlijnen ter uitvoering van artikel 3 lid 2 PW (S.B. 2014 no. 124) het bevoegd gezag was, ten aanzien van de gewraakte beschikkingen, nu verzoeker ten tijde van het ontslag nog niet benoemd was tot Substituut Officier van Justitie, maar belast was met de waarneming van deze functie. Verzoeker was dan ook ingedeeld in schaal 11A en kreeg een waarnemingstoelage.

5.5 Blijkens de resolutie van de President van de Republiek Suriname, Bureau [nummer 7] is besloten om verzoeker, ingedeeld in functiegroep 11A, te rekenen van 01 januari 2012 te belasten met de waarneming van de functie van Substituut Officier van Justitie en hem ingevolge het Ambtenaren bezoldigingsbesluit een waarnemingstoelage toe te kennen.
Naar het oordeel van het Hof valt verzoeker binnen de categorie die is opgenomen in de resolutie van 23 september 2014 no. 8752/14, houdende wijziging van de resolutie van 12 januari 2010 no. 8806/09 (S.B. 2010 no. 10), houdende vaststelling van richtlijnen ter uitvoering van artikel 3 lid 2 PW onder I sub B. Voornoemd artikel stelt dat van functies, of waar van toepassing rangen, die als uitkomst van de functiewaardering gepositioneerd worden in de functiegroepen 7 tot en met 11C, de aantrekking, benoeming, bevordering, schorsing en het ontslag, bij beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken zal worden vastgesteld.
Geoordeeld wordt dan ook, dat aan de stelling van verzoeker ten aanzien van de onbevoegdheid van de Minister van Binnenlandse Zaken terzake het verlenen van het ontslag, als zijnde ongegrond, zal worden voorbijgegaan.

5.6 Verzoeker stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur heeft gehandeld, met name het motiveringsbeginsel. Verweerder heeft namelijk nagelaten gemotiveerd aan te geven waarom zij van mening is dat het verweer van verzoeker niet steekhoudend is. De beschikking is op grond hiervan nietig, althans de beschikking dient vernietigd te worden, aldus verzoeker. Dienaangaande overweegt het Hof dat verzoeker bij schrijven d.d. 24 juni 2015 (wederom) in de gelegenheid is gesteld zich te verweren.
Bij schrijven van zijn gemachtigde mr. R. Denz, d.d. 13 juli 2015, heeft verzoeker zich verweerd. In voormeld schrijven heeft verzoeker slechts volstaan met de stelling dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan het strafbare feit en dat hij ervan uitgaat dat hij onschuldig zal worden bevonden door de kantonrechter.
Naar het oordeel van het Hof mocht van verzoeker een nadere toelichting c.q. verklaring worden verwacht, gezien de aard van de aan hem gerichte beschuldigingen, die hebben geleid tot zijn buiten functiestelling en zijn schorsing. Nu verzoeker slechts heeft volstaan met een blote ontkenning, is naar het oordeel van het Hof aan verweerder niet veel ruimte gelaten voor een motivering waarom zij hieraan voorbij is gegaan. In dit kader gaat de stellingname dat het besluit van verweerder onvoldoende gemotiveerd en derhalve nietig is dan ook niet op.

5.7 Verzoeker is tenslotte van oordeel dat het ontslag nietig is, althans vernietigd dient te worden, vanwege het feit dat in de ontslagbeschikking een verkeerd artikel is gehanteerd met name is instede van artikel 69 PW artikel 61 lid 1 sub j PW opgenomen als grondslag voor de schorsing. Hieromtrent is het Hof van oordeel dat een vermeende onjuiste vermelding van het artikel waarop de schorsing van verzoeker zou zijn gebaseerd, geen grond oplevert voor nietigheid danwel vernietiging van de gewraakte ontslagbeschikking. Immers is een besluit vatbaar voor gehele of gedeeltelijke nietigverklaring op grond van de in artikel 79 lid 1a PW opgesomde gronden. Dat is hier niet aan de orde. Ook gaat het hier niet om substantiële fouten.
Het Hof gaat derhalve ook aan deze stellingen van verzoeker als te zijn ongegrond voorbij.

5.8 Verzoeker heeft gevorderd dat verweerder wordt gelast om het achterstallig salaris (voortvloeiende uit de salarisaanpassing) alsnog uit te betalen.
Verweerder heeft ten aanzien van de vordering aangegeven dat het gewijzigd Besluit Bezoldiging van Advocaat-Generaal, Hoofdofficieren van Justitie, Officieren van Justitie en Substituut Officieren van Justitie van toepassing is op verzoeker. Dit brengt met zich mee dat het gevorderde onder d en wel voor wat betreft het achterstallig salaris waarop verzoeker vanwege de loonaanpassing krachtens het Staatsbesluit van 10 april 2015 (S.B. 2015 no. 49), aanspraak maakt, terugwerkend tot 01 januari 2014 en eindigende op de ingangsdatum van het aan verzoeker verleende ontslag, als na te melden zal worden toegewezen.

5.9 Op basis van al hetgeen hiervoor is overwogen is niet gebleken dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken bij het nemen van het besluit vervat in de beschikking d.d. 09 oktober 2015 met [nummer 6] in strijd heeft gehandeld met de Personeelswet of met enig Beginsel van Behoorlijk Bestuur, weshalve het Hof het meer of anders gevorderde onder d alsmede het gevorderde onder b en e als zijnde ongegrond, zal afwijzen.

De beslissing
Het Hof:
In het incident
6.1 Staat de gevraagde eiswijziging toe;

In de Hoofdzaak
6.2 Verklaart zich onbevoegd van het gevorderde vermeld onder c en f van het petitum kennis te nemen;

6.3 Verklaart verzoeker niet ontvankelijk ten aanzien van het onder a van het petitum gevorderde;

6.4 Veroordeelt verweerder om aan verzoeker tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen, het achterstallig salaris waarop verzoeker krachtens de loonaanpassing krachtens het Staatsbesluit van 10 april 2015 (S.B. 2015 no. 49) aanspraak maakt, met terugwerking tot 01 januari 2014 en eindigende op de ingangsdatum van het aan verzoeker verleende ontslag;

6.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gegeven door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan, Lid en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. D.S. Kraag, gemachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-38

G.R.No.13771
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende te [district 1],
appellant, (hierna ook wel aan te duiden als [appellant])
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po Jr., advocaat,

tegen

A. [appellant sub A], weduwe van [naam],
B. [appellant sub B],
C. [appellant sub C],
D. [appellant sub D],
E. [appellant sub E],
F. [appellant sub F],
G. [appellant sub G],
allen wonende in [district 2],
geïntimeerden, (hierna ook wel gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] in enkelvoud)
gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat.

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter van het eerste kanton uitgesproken vonnis van 6 februari 1996 (A.R.NO. 941335) tussen appellant als gedaagde en [geïntimeerden] als eiser,

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het volgende vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] op 21 februari 1996 – en wel tijdig – hoger beroep heeft ingesteld;
– de pleitnota van [appellant] van 19 december 2014. Daarbij is als productie gevoegd de beslissing van het hof van 7 maart 2014 waarin het verzoek van [geïntimeerden] tot verval van instantie is afgewezen;
– de antwoordpleitnota van [geïntimeerden] van 6 februari 2015;
– de repliekpleitnota van 3 juli 2015;
– de dupliekpleitnota van 7 augustus 2015;
– De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 6 november 2015 en nader bepaald bij vervroeging op heden.

De beoordeling
1. Het gaat in deze zaak om het volgende.
1.1.In de periode van 11 februari 1987 tot september 1993 heeft [appellant] ingevolge een in 1986 althans voor februari 1987 met [geïntimeerden] gesloten overeenkomst maandelijks van zijn bankrekening bedragen in Nederlandse valuta op de bankrekening van [geïntimeerden] overgemaakt. Ter uitvoering van de overeenkomst heeft [geïntimeerden] in Suriname de overgemaakte bedragen in Surinaamse courant aan [appellant] uitbetaald. [appellant] was in februari 1987 een zogenoemde deviezeningezetene van Suriname. Ingevolge de Wet van 8 september 1947 tot vaststelling van een hernieuwde regeling van het deviezenverkeer in Suriname (hierna de Deviezenregeling 1947) had [appellant] geen vergunning om over bedoelde buitenlandse betaalmiddelen te beschikken (artikel 11, lid 1, en onder c.). De Deviezenregeling 1947 verbood het omzetten van in een bepaalde geldsoort luidende betalingsverplichtingen tussen ingezetenen in een andere geldsoort (artikel 15 lid 3) en verklaarde de daarmee gepaard gaande rechtshandelingen van rechtswege nietig (artikel 33). De vergunningsplicht voor de hiervoor bedoelde omzettingshandelingen is vanaf 10 juni 1992 opgeheven.

1.2. De kantonrechter heeft in het aangevallen vonnis, onder meer, de rechtsverhouding tussen partijen gekwalificeerd als een duurovereenkomst, betrekking hebbende op één enkele overeenkomst van 1986/1987 die heeft voortgeduurd tot september 1993. Voorts heeft hij onder verwijzing naar de hierboven aangehaalde drie wetsbepalingen geoordeeld dat de gesloten overeenkomst en de daaruit voortvloeiende rechtshandelingen van rechtswege nietig zijn, welke nietigheid absoluut is. Vervolgens heeft de kantonrechter ongedaan gemaakt wat partijen over en weer hebben gepresteerd, en heeft hij [appellant] , – met afwijzing van de deelvordering tot vergoeding van kosten – veroordeeld om Nf. 118.500, — aan [geïntimeerden] terug te betalen, onder verrekening van het bedrag van Sf 127.000 dat [geïntimeerden] had ontvangen. Tegen deze beslissing en de grondslagen daarvan heeft [appellant] 10 grieven ontwikkeld die hierna aan de orde zullen komen.

2. [geïntimeerden] heeft het verweer ingetrokken, dat [appellant] tegen het vonnis geen grieven tegen het vonnis bij memorie had ontwikkeld. Het hof zal dat verweer verder onbesproken laten.

3. [appellant] heeft onder andere bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de kantonrechter, onder verwijzing naar de Deviezenregeling, dat de tussen partijen in 1986/1987 gesloten overeenkomst nietig is. [appellant] heeft onder verwijzing naar de rechtsliteratuur en jurisprudentie uit 1990 opgemerkt dat binnen de rechtswetenschap erkend is dat overeenkomsten die formeel in strijd zijn met een wetsbepaling, toch geldig zijn omdat – het hof begrijpt dit als: indien – die wetsbepaling als gevolg van gewijzigde maatschappelijke ontwikkelingen en inzichten haar strekking heeft verloren om daarmee strijdige overeenkomsten nietig te doen zijn.

4. Het hof acht dit standpunt van [appellant] en de daarvoor gegeven motivering (met name HR 7 september 1990, NL 1991-266) voor de onderhavige zaak juist. Niet kan worden gezegd dat het enkele feit dat de onderhavige deviezentransacties bij wet waren verboden leidt tot nietigheid van de overeenkomst(en) daartoe. Het wettelijk verbod van het beschikken over en het handelen in buitenlandse valuta is op 10 jun 1992 opgeheven. Het besluit daartoe volgde op een aantal jaren waarin maatschappelijk het inzicht was ontstaan dat de eerder (de Wet is van 1947) noodzakelijk geachte bescherming van de deviezen in Suriname niet langer meer nodig was. De Surinaamse overheid had zelf dat inzicht vanaf de midden jaren tachtig ook verkregen en voerde daarna al jaren een beleid om wisseltransacties zonder vergunning te gedogen. De daaraan te verbinden conclusie moet zijn dat naar maatschappelijke rechtsovertuiging het omwisselen van Surinaamse en buitenlandse valuta vanaf omstreeks 1986 niet langer behoort te worden
getroffen door het wettelijke verbod. Weliswaar betreft het hier een wettelijk verbod dat niet (uitsluitend) strekt tot bescherming van een der contractspartijen maar dat staat er niet aan in de weg om de hiervoor uiteengezette nuancering aan te brengen dat het verbod niet meer geldt. Het hof hecht integendeel ook waarde aan het feit dat in de onderhavige procedure de Staat niet is betrokken, maar het uitsluitend om een geschil tussen particuliere partijen gaat.

5. Het voorgaande brengt mee dat grief B. gegrond is en dat de door de kantonrechter uitgesproken verklaring van nietigheid niet in stand kan blijven. Grief A betreft de discussie over de vraag, of hier sprake is geweest van één overeenkomst dan wel van een aantal op elke individuele wisseltransactie gerichte overeenkomsten. Wat ook precies de achtergrond van deze discussie moge zijn, de betekenis van de vraag is na het onder 4. gegeven oordeel niet meer van belang. Grief A. zal daarom verder onbesproken blijven.
De grieven C. D., E. en G. zijn na het voorgaande evenmin van invloed op de beslissing in hoger beroep en behoeven geen behandeling meer.
Omdat de uitkomst moet zijn dat in hetgeen partijen over en weer hebben betaald geen wijziging meer behoeft te worden aangebracht, deelt grief F., gericht tegen de vaststelling van de wederzijds terug te betalen respectievelijk te verrekenen bedragen, het lot van de grieven A., C., D., E. en G.

6. Uit het voorgaande volgt dat ook de beslissing tot vanwaardeverklaring van de gelegde beslagen
zal worden vernietigd. De gelegde beslagen komen met de beslissing van het hof van rechtswege te vervallen.

7. Het vonnis zal worden vernietigd en de vordering van [geïntimeerden] zal worden afgewezen. Hij zal als de in het ongelijk gestelde partij in beide instanties worden veroordeeld in de aan de zijde van [appellant] gevallen kosten van het geding.

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 6 februari 1996, A.R.No. 941335, waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:
– wijst de vordering van [geïntimeerden] af;
– veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding aan de zijde van [appellant] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot:
– in eerste aanleg begroot op SRD. 1,60,–.
– in hoger beroep op SRD. 128,–.

Aldus gewezen door: mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. R.M. Praag, Leden-Plaatsvervanger en door
mr. S.M.M. Chu

mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. A.A.N. Codrington namens advocaat
mr. H.R. Lim A Po Jr, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. Y.S. Engkar, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-37

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

1. [bedrijf], gevestigd en kantoorhoudende te [district 1], en

2. [appellant], wonende te [district 1],

appellanten, hierna te noemen respectievelijk de N.V. en [appellant],

gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot

tegen

1. [geïntimeerde 1]

2. [geïntimeerde 2]

3. [geïntimeerde 3] en

4. [geïntimeerde 4], allen wonende in [land],

geïntimeerden, hierna ook gezamenlijk [geïntimeerden] te noemen,

gemachtigde: mr. M. I. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 13 oktober 2009 (A.R. No. 023732) tussen de N.V. en [appellant] als gedaagden en [geïntimeerden] als eisers, spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, bij vervroeging het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Bij vonnis van het hof van 18 mei 2012 is uitspraak gedaan in het incident. Daarna is de zaak door partijen bepleit, waarna wederom bij vervroeging vonnis is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

1. Tussen partijen staat het navolgende vast:

a) De inmiddels overleden [persoon], verder [persoon], echtgenoot respectievelijk vader van [geïntimeerden], heeft op 28 maart 1974 een recht van erfpacht verworven op een perceel grond te [plaats], voor het opzetten van een houtzaagmolen (verder het perceel). In de loop van de daaropvolgende jaren is er een houtzaagmolen cum annexis op het terrein opgericht. De houtzagerij stond in eerste instantie ingeschreven als eenmanszaak onder de naam [persoon variant 1], met als eigenaar [persoon]. Met ingang van 28 februari 1976 werd de naam gewijzigd in ‘[bedrijf variant 1]. Met ingang van 29 januari 1977 is het bedrijf omgezet in de naamloze vennootschap ‘[bedrijf]’ (de N.V.).

b) De N.V. had in eerste instantie een vijftal aandeelhouders, waaronder genoemde [persoon] en [appellant]. In de notulen van de Algemene Vergadering van de N.V. van 19 april 1978, waarbij alle aandeelhouders aanwezig waren, en die door allen zijn getekend, staat ondermeer het navolgende vermeld: ‘ Het erfpachtsperceel, gelegen te [adres 1] in [district 2], waarop de zaagmolen is gebouwd, behoort aan de mede-aandeelhouder [persoon variant 1]. Ter vergadering is unaniem besloten om de situatie voorlopig zo te laten, zoals zij thans is, echter met dien verstande dat voor het gebruik van de grond door de N.V. geen huur zal worden getoucheerd door de heer [persoon variant 1], noch voor het verleden, noch voor de toekomst, en dat hij zich verplicht bij eventuele verkoop van de zaagmolen zijn medewerking te verlenen aan de overdracht van voornoemd perceel, althans het gedeelte waarop de zaagmolen staat met de noodzakelijke ruimten in verband met de exploitatie daarvan. Echter zal de aan de Overheid verschuldigde canon door [bedrijf] worden betaald. Verder is eveneens besloten om indien de heer [persoon variant 1] te zijner tijd zal besluiten voormeld perceel van de hand te doen, [bedrijf] daarop een voorkeursrecht tot koop zal hebben voor een nader vast te stellen bedrag.’

c) [persoon] heeft in 1985 zijn aandelen verkocht aan [appellant].

d) [persoon] is op 29 oktober 1989 overleden, waarbij [geïntimeerden] de enige erfgenamen zijn.

e) Bij deurwaardersexploit van 10 oktober 1996 hebben [geïntimeerden] de overeenkomst van bruikleen of gebruik met betrekking tot het perceel en de daarop staande opstallen opgezegd met een opzegtermijn van 2 ½ maand. De N.V. en [appellant] hebben hier niet aan voldaan.

De vordering en het verweer in eerste aanleg en het oordeel van de kantonrechter

2. [geïntimeerden] hebben de ontruiming gevorderd van het ‘pand aan [adres 2]’ onder afgifte van een aantal met name genoemde ‘tot de houtzagerij behorende goederen’, daarbij aanvoerend dat het perceel niet is ontruimd en ‘dat dat onrechtmatig is’. De N.V. en [appellant] voeren aan dat de bestaande gebruiksovereenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis zakelijk weergegeven de ontruiming gelast onder afgifte van de in het verzoekschrift genoemde goederen.

De beoordeling

3. De N.V. en [appellant] hebben een aantal grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, die in het hiernavolgende voorzover nodig aan de orde zullen komen. Daarbij concluderen zij tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de oorspronkelijke vordering, kosten rechtens. [geïntimeerden] hebben zich hiertegen verzet en geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis. Op het verweer wordt hieronder zonodig ingegaan.

4. Om proceseconomische redenen zal het Hof eerst de grieven behandelen, zoals deze onder de punten 5. tot en met 8 staan vermeld. Kort gezegd komen deze op het volgende neer. [persoon] wilde samen met een aantal compagnons, waaronder [appellant], in 1971 een houtzagerij beginnen. Daartoe heeft hij een recht van erfpacht aangevraagd en gekregen op het perceel. Omdat het erfpachtsrecht op zijn naam stond heeft hij ook op eigen naam terzake een Hinderwetvergunning aangevraagd en verkregen. Op het document, waarin de Hinderwetvergunning wordt verleend, worden een belangrijk deel van de in het petitum van het verzoekschrift genoemde motoren en apparaten vermeld. Alle werkzaamheden op het perceel, zoals het bouwen van de zaagmolen, en alle aankopen hebben vanaf het begin gezamenlijk plaatsgevonden en later, toen de N.V. eenmaal was opgericht, binnen de N.V. De geïnvesteerde kosten werden gedeeld. Op enig moment is de N.V. opgericht waarvan alle compagnons aandeelhouder werden (zij het dat één van hen toen al was overleden en zijn weduwe in zijn plaats is gekomen). Het is van meet af aan de bedoeling geweest dat [persoon variant 2] het erfpachtsrecht zou inbrengen in de N.V., maar dat is nooit gebeurd. De N.V. heeft om die reden het gebruiksrecht van het recht op erfpacht om niet gekregen en bovendien werd afgesproken dat als de N.V. de zaagmolen zou verkopen, [persoon] het erfpachtsrecht zou mee verkopen en dat als [persoon] het erfpachtsrecht zou willen verkopen, de N.V. het recht van eerste koop had. [geïntimeerden] voeren daar tegenover aan dat [persoon] in eerste instantie voor zich zelf werkte en zelf de zaagmolen op het perceel heeft opgericht. Pas later, toen er meer investeringen nodig waren, zijn de andere aandeelhouders er bij gekomen. De opstallen en de zich daarin bevindende motoren waren daarom van [persoon]. Om die reden kunnen zij in redelijkheid de gebruiksovereenkomst opzeggen en de ontruiming van het perceel inclusief de gebouwen vragen met bijbehorende levering van de genoemde motoren en andere zaken, die in de dagvaarding zijn genoemd.

5. De N.V. en [appellant] hebben in hoger beroep een groot aantal schriftelijke bewijzen en foto’s overgelegd en verwijzen naar de onder 1b geciteerde notulen. Het Hof stelt vast dat het beeld dat daaruit komt in lijn is met hetgeen door de N.V. en [appellant] is aangevoerd. Allereerst staat vast dat de N.V. de canon voor het erfpachtsrecht betaalde en nog steeds betaalt, en dat [persoon] en [geïntimeerden] thans geen vergoeding krijgen van de N.V. Dat duidt er niet op dat de N.V. in een rijdende trein is gestapt en dat [persoon] het bedrijf inclusief opstallen en machines zelfstandig helemaal had opgezet, voordat hij de zaagmolen inbracht in de N.V. Dan zou er toch logischerwijs sprake moeten zijn geweest van een betaling door de N.V. aan [persoon] (hetgeen niet is aangevoerd) dan wel zou er door [persoon] ter aflossing van de door hem gedane investeringen een (hoge) vergoeding van het gebruik van het erfpachtsrecht zijn bedongen. Ook dat is niet gebleken. Voorts blijkt uit een stuk uit 1971 dat er sprake is van de aankoop van een raamzaag (in de hinderwetvergunning uit 1971 wordt ook gesproken over een raamzaag) die door n van de andere compagnons ([naam 1]) is gefinancierd en uit een stuk uit 1973 dat er een groot aantal financiële verrekeningen hebben plaatsvonden tussen de compagnons, waaronder ook de aankoop van de raamzaag. Verder zijn er door de N.V. blijkens de overgelegde producties een groot aantal met de zaagmolen verband houdende machines aangekocht. Uit een ander stuk, uit 1973, waarin ‘[bedrijf variant 2]’ met een zekere [naam 2] een overeenkomst sluit, blijkt dat [appellant] toen al namens de Houtzaagmolen tekende, hetgeen in de visie van [geïntimeerden] niet mogelijk zou zijn geweest. Toen bestond er immers volgens de inschrijving alleen maar een eenmanszaak ‘[persoon variant 1]’. Ook dit past veel meer in het door de N.V. en [appellant] geschetste beeld dan in hetgeen door [geïntimeerden] is aangevoerd. Verder is een stuk van 5 maart 1977 overgelegd, waarin een financieringsvoorstel wordt gedaan voor de N.V. Daarin wordt met zoveel woorden vermeld dat het erfpachtsrecht zal worden overgedragen aan de N.V. Ook dit past veel meer in de stellingen van de N.V. en [appellant] dan van [geïntimeerden]. De N.V. en [appellant] hebben ook nog foto’s van de bouw van de zaagmolen overgelegd. Volgens hen blijkt daaruit dat de bouw door de compagnons gezamenlijk is gedaan.

6. [geïntimeerden] hebben wel aangevoerd dat de overgelegde stukken niet origineel zijn en dat er soms iets is bijgeschreven, maar dat doet wat het Hof betreft niet af van de hiervoor geschetste, geconstateerde, lijn. [geïntimeerden] hebben hier feitelijk niets tegenover kunnen stellen, noch inhoudelijk verweer gevoerd tegen de inhoud van deze stukken. Zij hadden, om hun eigen verweer aannemelijk te maken, toch stukken kunnen overleggen waaruit zou hebben kunnen blijken dat het [persoon] is geweest die alle werkzaamheden in de begin jaren zeventig verrichtte en alle aankopen bekostigde. Zij hadden ook aan de hand van de overgelegde foto’s kunnen aangeven dat de N.V. en [appellant] daaruit een onjuiste conclusie trekken. Er zijn ook geen getuigenverklaringen overgelegd, bijvoorbeeld van de andere compagnons of hun erfgenamen, waaruit de juistheid van stellingen van [geïntimeerden] zou kunnen blijken. Om die reden gaat het Hof uit van de juistheid van de overgelegde stukken.

7. Op basis van al hetgeen hiervoor is overwogen komt het Hof tot de conclusie dat de door de N.V. en [appellant] voorgestelde grieven tegen het bestreden vonnis opgaan en dat het verweer daartegen dient te worden gepasseerd.

8. Dit voorgaande leidt er toe dat het Hof van oordeel is dat de gebruiksovereenkomst (om niet) tussen [geïntimeerden] en de N.V. (van het bestaan van een gebruiksovereenkomst tussen [geïntimeerden] en [appellant] is niets gebleken) en het erfpachtsrecht onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Pas bij verkoop van het bedrijf door de N.V. of bij verkoop van het erfpachtsrecht door [geïntimeerden] (met een voorkeursrecht voor de N.V.) zou – zo waren partijen overeengekomen- de gebruiksovereenkomst eindigen. Het eenzijdig opzeggen van deze gebruiksovereenkomst, zonder de N.V. volledig schadeloos te stellen, is daarom in strijd met het karakter van deze gebruiksovereenkomst en zou leiden tot een ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [geïntimeerden], wat niet de bedoeling kan zijn. De opzegging zoals vermeld onder 1d. is daarom nietig en kan niet tot het gevolg leiden dat de N.V. het perceel en de opstallen moet ontruimen. De oorspronkelijke vorderingen dienen dan ook te worden afgewezen. Het bestreden vonnis dient om die reden vernietigd te worden. [geïntimeerden] zullen de proceskosten, die aan de zijde van de N.V. en [appellant] zijn gevallen, moeten dragen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

De beslissing

Vernietigt het bestreden vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 13 oktober 2009 en opnieuw rechtdoende:

1. Wijst de vorderingen af.

2. Verwijst [geïntimeerden] in de proceskosten, zowel van de procedure in eerste aanleg als in hoger beroep, aan de zijde van de N.V. en [appellant] gevallen en tot deze uitspraak begroot op SRD 200,- (Twee Honderd Surinaamse Dollars)

Aldus gewezen door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, lid en mr. A.C. Johanns, lid-plaatsvervanger en

w.g. S.M.M. Chu

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van appellant en advocaat mr. A.A.N. Codrington namens mr. M.I. Vos, gemachtigde van geïntimeerde.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-36

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellante],
wonende te [district],
appellante, verder te noemen [appellante]
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
gevestigd en kantoorhoudende te [district],
geïntimeerde, verder te noemen [geïntimeerde] ,
gemachtigde: mr. F. Kruisland, advocaat,

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 25 mei 2010 (A.R.No. 080420) tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde,
Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:
– een pleitnota van 4 maart 2011;
– een Pleitnota van antwoord van 1 april 2011;
– een conclusie van repliek van 3 juni 2011 en
– een Pleitnota van dupliek van 15 juli 2011.

De feiten
1. Tussen partijen staat het volgende vast:
a) [appellante] heeft een relatie gehad met [naam 1], verder te noemen [naam 1].
b) [naam 1] is op 22 december 2000 overleden. Zijn enig erfgenaam is de door [naam 1] bij leven opgerichte Stichting [naam 2] , verder te noemen [naam 2].
c) De Stichting is bij leven opgericht door [naam 1].

De stellingen en vorderingen in eerste aanleg, het verweer en het oordeel van de kantonrechter
2. [appellante] stelt dat zij in concubinaat heeft geleefd met [naam 1] , dat zij met [naam 2] een maatschap heeft gevormd, dat [naam 1] (als bestuurder) als haar gevolmachtigde gelden vanuit deze maatschap heeft overgeheveld naar [geïntimeerde], dat er een vermogen van € 900.000,– op een Nederlandse rekening van de Stichting staat en dat de helft daarvan van haar is. Zij vordert primair dit bedrag aan haar uit te betalen en subsidiair de scheiding en deling van het ontbonden maatschapsvermogen, dat bij de Stichting is ondergebracht.
3. De Stichting ontkent dat er door toedoen van [naam 1] gelden van [appellante] in haar vermogen zijn terecht gekomen. De kantonrechter verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar primaire vordering en –naar het Hof begrijpt- wijst de subsidiaire vordering af, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

De beoordeling
3. [appellante], die tijdig in hoger beroep is gekomen, voert een drietal grieven in haar pleitnota aan, waarna zij concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van haar vorderingen, zoals deze in eerste aanleg in het verzoekschrift staan vermeld. De Stichting voert verweer en concludeert tot afwijzing van het beroep. Op de grieven en het verweer zal hierna worden ingegaan.
4. In de eerste grief verwijt [appellante] de kantonrechter dat zij heeft nagelaten om het vonnis van de kantonrechter van 17 januari 2016 (A.R. 010960) in haar overwegingen te betrekken. Deze grief treft geen doel. Bij genoemd vonnis is bij verstek de scheiding en deling gelast van het maatschapsvermogen van het bedrijf /onderneming om commerciële activiteiten uit te oefenen, welke maatschap bestond tussen [appellante] en [naam 2]. Het feit dat [naam 2] is veroordeeld om over te gaan tot scheiding en deling van het ontbonden maatschapsvermogen heeft voor de onderhavige zaak alleen in zoverre betekenis dat daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de door [appellante] gestelde maatschap heeft bestaan (los van het verweer dat dit vonnis nog niet in kracht van gewijsde is gegaan). Het enkele feit dat deze maatschap heeft bestaan leidt echter niet zondermeer tot de conclusie dat de vordering in deze zaak toewijsbaar is.
5. In grief 2 voert [appellante] aan dat de kantonrechter bij de afwijzing geen rekening heeft gehouden met de belangen van appellante, met name wanneer zij stelt dat [appellante] niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Ook deze grief is ten onrechte voorgedragen. [appellante] heeft gelet op de gemotiveerde betwisting onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en ten bewijze aangedragen om haar vorderingen zelfs maar enigszins te onderbouwen. [appellante] had moeten stellen en minst genomen aannemelijk maken, dat niet alleen het vermogen van de Stichting afkomstig is uit deze –gestelde- maatschap, maar ook dat zij als maat in deze maatschap recht had op de helft van dit bedrag en bovendien dat de maatschap op de één of andere wijze nog steeds rechten op dit geldbedrag kan claimen, ondanks het feit dat het inmiddels tot het vermogen van de Stichting is gaan behoren. Hiervan is echter niets gesteld, noch gebleken. Haar in hoger beroep weer gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd, nu zij niet aan haar stelplicht heeft voldaan. De kantonrechter heeft haar derhalve terecht niet ontvankelijk verklaard in deze vordering.
6. In grief 3 klaagt [appellante] over het feit dat de kantonrechter heeft overwogen dat de gevorderde scheiding en deling niet op de wet is gebaseerd. Ook deze grief is ten onrechte voorgedragen. De gevorderde scheiding en deling is reeds daarom niet toewijsbaar omdat [appellante] op geen enkele manier zelfs maar een begin van bewijs heeft aangedragen dat het vermogen van de Stichting deel uit maakt van het vermogen van de door haar genoemde maatschap. Ook hier heeft zij derhalve niet voldaan aan haar stelplicht. Het in algemene termen gedane bewijsaanbod kan daarom worden gepasseerd. Ook in deze vordering is [appellante] daarom niet-ontvankelijk.
7. Het voorgaande leidt er toe dat het bestreden vonnis met aanvulling van gronden zal worden bevestigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten dienen te dragen.

De beslissing
1. Bevestigt het vonnis waarvan beroep met aanvulling van gronden.
2. Verwijst [appellante] in de proceskosten in aan de zijde van de Stichting gevallen en tot op deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President en mr. S.S.S. Wijnhard en
mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en
w.g. S.M.M. Chu
door mrmr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van
mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. H.R. Schurman, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door
advocaat mr. A.A.N. Codrington namens advocaat mr. M.I. Vos, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

SRU-HvJ-2018-35

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

DE STICHTING AUTEURSRECHTEN SURINAME (SASUR),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
oorspronkelijk eiseres, thans appellante in kort geding,
verder ook te noemen Sasur,
gevolmachtigde: [naam], algemeen directeur,

tegen

A. N.V. RADIO OMROEP PARAMARIBO,
B. RAPAR BROADCASTING NETWORK N.V. (RBN N.V.)
beiden gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
oorspronkelijk gedaagden, thans geïntimeerden in kort geding,
verder ook te noemen: RAPAR en RBN,
gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 7 april 2016 (A.R.No. 15-3405) tussen Sasur als eiseres en RAPAR en RBN als gedaagden spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– een verklaring van de griffier van de kantongerechten civiele zaken van 19 april 2016, inhoudende dat Sasur op 19 april 2016 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 7 april 2016 in kort geding gewezen tussen Sasur als eiseres en RAPAR en RBN als gedaagden;
– een pleitnota van Sasur van 6 januari 2017;
– een antwoordpleitnota van RAPAR en RBN van 17 maart 2017;
– een repliekpleitnota van Sasur van 21 april 2017;
– een dupliekpleitnota van RAPAR en RBN van 20 oktober 2017.
De ontvankelijkheid in hoger beroep
Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat SASUR daarin kan worden ontvangen.

De beoordeling
1. Sasur vorderde in eerste aanleg, voor zover thans nog van belang, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. aan RAPAR en RBN een verbod zal worden opgelegd om enig muziekwerk of delen daarvan, al dan niet in de oorspronkelijke versie, behorende tot het Sasur repertoire middels de door haar geëxploiteerde omroepstations of op welke andere wijze dan ook openbaar te maken zonder toestemming van Sasur,
b. RAPAR en RBN zullen worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom.

2. Sasur heeft onder meer aan haar vordering ten grondslag gelegd:
– dat RAPAR en RBN bij hun uitzendingen voortdurend gebruik maken van muziekwerken, behorend tot het door Sasur beheerde repertoire, zonder de daarvoor vereiste toestemming;
– dat Sasur als gevolg daarvan schade lijdt;
– dat Sasur bevoegd is om met betrekking tot de auteursrechten van de door RBN uitgezonden muziekwerken handhavend op te treden.

3. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen op grond dat, kort samengevat, niet is gesteld en evenmin is gebleken dat Sasur voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 30 a lid 1 en 30 c lid 1 van de Wet Auteursrecht 1913, ingevoerd bij Wet van 17 april 2015. Omdat de daarvoor vereiste toestemming van de minister van Justitie en Politie is ingetrokken, aldus de kantonrechter, beschikt Sasur niet over de bevoegdheid om bemiddeling te verlenen inzake de aan haar overgedragen auteursrechten van muziekwerken en kan zij geen overeenkomsten terzake van auteursrechten met RAPAR en RBN sluiten. Zij kan zich er daarom niet op beroepen dat RAPAR en RBN haar toestemming nodig hebben voor het gebruik van muziekwerken.

4. Sasur heeft vijf grieven tegen het vonnis van de kantonrechter aangevoerd. De grieven komen in onderling verband beschouwd neer op de stelling dat de kantonrechter ten onrechte het standpunt inneemt dat de wijzigingen die op 17 april 2015 in de Wet Auteursrecht 1913 zijn ingevoerd met zich meebrengen dat Sasur vanwege het ontbreken van toestemming van de Minister van Justitie en Politie geen daden van handhaving inzake muziekauteursrecht mag uitoefenen. Handhaving valt volgens Sasur niet onder bemiddeling in de zin der wet.

5. Artikel 30 a van de Wet Auteursrecht 1913, zoals die in 2015 is gewijzigd, luidt:
1. Voor het verlenen van bemiddeling inzake van muziekauteursrecht van makers en gebruikers is toestemming vereist van de Minister (lees: Minister van Justitie en Politie). De Minister verleent toestemming indien is voldaan aan alle voorwaarden gesteld bij of krachtens deze wet, na advies van de Raad.
2. Onder het verlenen van bemiddeling inzake muziekauteursrecht wordt verstaan het al of niet op eigen naam, ten behoeve van de makers van muziekwerken of hun rechtverkrijgenden, sluiten of ten uitvoer leggen van overeenkomsten betreffende de uitvoering in het openbaar of de uitzending in een radio- of een televisieprogramma, door tekens, geluid of beelden van die muziekwerken, of hun verveelvoudigingen, in hun geheel of gedeeltelijk.
3. Met de uitvoering en/of uitzending in een radio- of televisieprogramma van muziekwerken wordt gelijkgesteld de uitvoering en/of uitzending in een radio- of televisieprogramma van dramatisch-muzikale werken, choreografische werken en pantomimes en hun verveelvoudigingen, indien deze ten gehore worden gebracht zonder te worden vertoond.
4. Overeenkomsten als bedoeld in het derde lid, die worden aangegaan zonder dat de ingevolge het eerste lid vereiste toestemming is verkregen, zijn nietig.

6. Vast staat dat de wettelijk vereiste ministeriële toestemming aan Sasur bij beschikking van de minister van 17 mei 2013 met onmiddelijke ingang is ingetrokken. Sasur mag dus niet meer bemiddelen inzake auteursrecht. De vraag is nu, of daden van handhaving, zoals het vragen aan de rechter van een verbod op straffe van het verbeuren van dwangsommen, ook onder bemiddeling in de zin van artikel 30a Wet Auteursrecht 1913 vallen.

7. De memorie van toelichting op de Wet van 17 april 2015, Staatsblad 2015 no. 83 waarbij dat artikel werd ingevoerd, geeft geen toelichting op het begrip “bemiddeling”. Het hof is echter van oordeel dat bemiddeling bij de totstandkoming van overeenkomsten inzake auteursrecht en handhaving van die overeenkomsten zo nauw samenhangen, dat het ontbreken van toestemming door de minister ook daden van handhaving verbiedt.

8. Door bij (dreigende) uitvoering zonder betaling van royalties handhavend op te treden, maken instanties als Sasur hun bemiddelingspositie waar. Zonder die handhaving komt van bemiddeling ook niets terecht. Omgekeerd: dreiging met verboden van muziekuitvoeringen heeft voor auteurs en de buitenlandse zusterorganisaties alleen zin, als Sasur royalties voor hen kan incasseren door tegen betaling conform een vast tarief licenties te verlenen. Maar daarvoor ontbreekt haar nu juist de wettelijk vereiste toestemming van de minister. Zo gezien maakt volgens het hof dat handhavingsrecht een onlosmakelijk onderdeel uit van de bemiddelingsactiviteit die de wet heeft willen onderwerpen aan toezicht (artikel 30 i) en ministeriële toestemming (artikel 30 a). Deze lezing vindt ook steun in de bewoordingen van de wet: “het al dan niet op eigen naam ten behoeve van de makers van muziekwerken of hun rechtverkrijgenden (…) ten uitvoer leggen van overeenkomsten betreffende de uitvoering in het openbaar (…).

9. Het hof concludeert dat op 17 mei 2013 een eind is gekomen aan het recht van Sasur om ter handhaving van auteursrechtelijke overeenkomsten bij de rechter een verbod te vragen op verbeurte van dwangsommen.

10. Het vorenstaande brengt mee, dat de grieven moeten worden verworpen. Het hof heeft ambtshalve geen bedenkingen tegen het vonnis waarvan beroep. Dit vonnis moet dus worden bevestigd, met verwijzing van Sasur in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep in kort geding
Bevestigt het vonnis van de kantonrechter van 7 april 2016, waarvan hoger beroep;
Veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerden tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en
w.g. M.C. Mettendaf

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van
mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat
mr. A.E. Debipersad, gemachtigde van geïntimeerden, terwijl appellante noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld