SRU-HvJ-1993-1

Hof van Justitie

19 november 1993, G.R.13298
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, W.R. Willemzorg)

[appellant], wonende te [district 1] aan [adres 1], advocaat mr. J.G.O. Koulen, appellant in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district 1], ten deze domicilie kiezende aldaar aan de Watermolenstraat 36 beneden ten kantore van de advocaten mr. E.C.M. Hooplot en mr. H.M. Soemodihardjo, geïntimeerde in Kort Geding.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 10 mei 1993 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 18 mei 1993, waaruit blijkt van bet instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten.

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Eiser wenst de navolgende vordering in Kort Geding in te stellen tegen [appellant], wonende te [district 1] aan [adres 1];
  2. Blijkens hierbij in fotokopie overgelegd hypothecaire uittreksel, met verzoek de inhoud hiervan als hier herhaald en geïnsereerd te beschouwen, is eiser via verkoop en koop eigenaar van het pand, gelegen op het perceelland groot 337 m² en op de kaart van de landmeter R. Lieuw Kie Song d.d. 9 januari 1968 aangeduid met de letters ABCD en op diens verzamelkaart d.d. 3 januari 1968 met [nummer], deel uitmakende van de [grond], thans bekend als [adres 1];
  3. Voormeld pand wordt vanaf november 1989 door de gedaagde bewoond zonder daartoe gerechtigd te zijn c.q. van eiser toestemming te hebben verkregen;
  4. Ondanks sommaties blijft gedaagde die zonder recht of titel in het litigieuze pand verblijft, in gebreke dit pand te verlaten en te ontruimen en handelt hij jegens eiser in strijd met zijn subjectief recht, in strijd met zijn eigen rechtsplicht en in het algemeen in strijd met de zorgvuldigheid, die hem in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens eiseres persoon en goed, weshalve hij gehouden is de schade die eiser geleden heeft en nog zal lijden aan hem te vergoeden;
  5. Door verwaarlozing verkeert het litigieuze pand m slechte staat en is eiser genoodzaakt, alvorens hij daarin zijn intrek kan nemen, het pand te renoveren;
  6. Eiser heeft voorlopig zijn intrek genomen bij zijn familie in [district 2] en moet dagelijks voor zijn werk naar [district 1] afreizen. Door niet te kunnen beschikken over voormeld pand maakt eiser onnodig veel vervoerskosten;
  7. Eiser wenst thans met zijn gezin bestaande uit zijn echtgenote en vier minderjarige kinderen variërend in de leeftijd van 20 en 6 jaren zijn intrek te nemen in meergenoemd pand;
  8. Eiser heeft een spoedeisend belang om deze ernstige inbreuk op zijn eigendomsrecht stop te zetten alsmede de schade te beperken hetgeen een onverwijlde voorziening bij voorraad rechtvaardigt:

Overwegende, dar de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

    • gedaagde zal worden veroordeeld om binnen 24 uren na de uitspraak van het te dezen te wijzen vonnis het voorschreven pand te ontruimen en te verlaten met medeneming van al wie of wat zich van zijnentwege in het pand bevinden en met afgifte van de sleutels dezer ter vrij en algehele beschikking te stellen van eiser;
    • eiser zal worden gemachtigd om het pand zelf te doen ontruimen indien gedaagde hiermede in gebreke blijft, zulks desnoods met behulp van de “Sterke Arm”;

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van een produktie – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat de vordering aan eiser zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen, kosten rechtens;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van eiser tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produkties, eveneens hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij rolbeschikking een comparitie van partijen heeft gelast, welke op 19 april 1993 is gehouden, zijnde hiervan – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal opgemaakt;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 10 mei 1993 op de daarin opgenomen gronden:

De gedaagde heeft gelast per 1 september 1993 het perceel, groot 337 m², met gebouw, gelegen te [district 1] aan [adres 1], deel uitmakende van de [grond] en bekend als [nummer], te ontruimen en te verlaten met medeneming van al wie of wat zich van zijnentwege in het pand bevinden en met afgifte van de sleutels dezer ter vrije en algehele beschikking te stellen van eiser.

Eiser heeft gemachtigd om indien gedaagde in gebreke mocht blijven het voormelde pand te ontruimen, deze zelf te doen bewerkstelligen desnoods met behulp van de Sterke Arm.

Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 127,50 (eenhonderd en zevenentwintig 50/100 gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 10 mei 1993:

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel van 31 mei 1993 aan geïntimeerde aanzegmug van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat appellant tijdig in hoger beroep is gekomen tegen het vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken op 10 mei 1993:

Overwegende, dat appellant een vijftal grieven tegen het beroepen vonnis heeft aangevoerd, luidende:

Grief I:

Door de Kantonrechter is ten onrechte overwogen, dat het spoedeisend karakter der vordering blijkt uit de aard de stellingen van het inleidend rekest van geïntimeerde, destijds eiser.

Het is namelijk zo, dat geïntimeerde het litigieuze perceel waarvan de ontruiming door hem is gevorderd, hij geïntimeerde daarvan sedert het jaar 1989 de koopakte daarvan had doen verlijden en sedertdien, niets van zich heeft !aten horen en plotseling in het jaar 1993 is komen aanzetten met het Kort Geding.

Appellant is van mening, dat wanneet er inderdaad sprake zou zijn van een belang met een spoedeisend karakter hij geïntimeerde, destijds eiser, reeds toen aan de bel had moeten trekken en niet na 4 jaren later komen opdagen met een vordering in Kort Geding.

Appellant heeft dan ook als zijn verstrekkend verweer aangevoerd, dat hij sedert het jaar 1985 het litigieuze erf met gebouw van de rechtsvoorganger van geïntimeerde, zekere [naam] had gekocht en alstoen een voorschot had betaald van Sf. 50.000,– (vijftigduizend gulden) waarvan de kwijting in fotokopie door hem in het geding is gebracht. Appellant kan uit de gedragingen van geïntimeerde niet anders concluderen, dat de overdracht aan hem geïntimeerde een schijnhandeling c.q. schijnkoop betreft welke schijnhandeling c.q. schijnkoop alleen in bodemgeschil kan worden opgelost en niet in civilibus. Deze zaak kan derhalve alleen door de bodemgeschillen rechter worden opgelost

Grief II:

Door het geven van een beslissing tot ontruiming van het pand waarover de vordering loopt is appellant in een dusdanige positie komen te verkeren, dat hij zijn rechten niet adequaat kan uitoefenen, terwijl hij appellant het betreffende erf met al hetgeen daarop staat van de zogenaamde rechtsvoorganger van geïntimeerde reeds jaren voor hem geïntimeerde heeft gekocht en wel op 19 augustus 1985 en hem alstoen betaalde het bedrag van Sf. 50.000,– (vijftigduizend gulden) als voorschot en sedertdien na ontvangst van de sleutels in het huis met zijn gezin is gaan wonen en nog steeds aldaar verblijft. Geïntimeerde heeft naar zijn zeggen het gezegd perceel in het jaar 1989 van [naam] gekocht. Na de koop zwijgt geïntimeerde vreemd genoeg in alle talen en komt pas na 4 jaren en wel na het overlijden van [naam] appellant bespringen met een Kort Geding daarbij stellende, dat hij een spoedeisend belang heeft waarvoor een voorziening bij voorraad noodzakelijk is. Ook voert hij aan, dat appellant aldaar zonder enig recht of titel verblijft. Appellant heeft in zijn conclusie van antwoord betoogd deze zaak naar de bodemgeschillen rechter te verwijzen alwaar hij meer tijd heeft om zijn rechten te kunnen verdedigen.

De overdracht aan geïntimeerde betreft een schijnhandeling dan wel een schijnkoop. Appellant heeft ook de kwijting van het bedrag van Sf. 50.000,– (vijftigduizend gulden) eveneens in fotokopie overgelegd. Het ontzenuwen van een dergelijke zaak heeft veel tijd nodig waarbij getuigen verhoor en andere zaken zuilen gaan spelen. Trouwens de geïntimeerde is niet te goeder trouw. Niemand zal een onroerend goed kopen zonder dat object te hebben bekeken dan wel te hebben onderzocht of het wel vrij is van huurders etc. Je kunt tocht niet 4 jaren lang wachten voordat je jezelf als eigenaar aan de bewoners zal komen voorstellen, maar liefst met een proces in Kort Geding, terwijl je al vaak in het land vertoeft en nota bene ook een aantal gemachtigden hebt. Uit deze lakse houding van geïntimeerde blijkt, reeds meer dan duidelijk, dat er niets klopt ten aanzien van diens koop en zeker in flagrante strijd is met de logica.

Grief III:

Ondanks het feit, dat geïntimeerde in het 5e en 7e “dat” van zijn conclusie van repliek heeft onderschreven, dat appellant het onderhavig onroerend goed niet zonder enig recht of titel bewoont, door te stellen tegen appellant een coulance te betrachten, heeft de rechter met geen woord daarover gerept c.q. niet betrokken in zijn rechtsoverwegingen.

Grief IV:

Dat de comparitie van partijen welks bij rolbeschikking was gelast door de rechter ook niet het gewenste resultaat kon opleveren aangezien appellant ten dage van de comparitie wel was verschenen, terwijl geïntimeerde verstek liet gaan zonder opgaaf van redenen.

Nu geïntimeerde niet is verschenen bij de gehouden comparitie van partijen hij reeds op die grond diende te worden geacht niet te persisteren bij hetgeen door hem was aangevoerd en zijn vordering op die grond diende te worden ontzegd.

Grief V:

Dat de koopakte waarop geïntimeerde zich beroept betreffende het litigieuze erf met gebouw, door appellant wordt beticht van een schijnhandeling dan wel een schijnkoop te zijn.

Met conclusie:

dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd dan wel alsnog opnieuw rechtdoende geïntimeerde’s vordering wordt verwezen naar de bodemgeschillen rechter voor verdere behandeling, kosten rechtens;

Overwegende, dat geïntimeerde blijkens het verzoekschrift zijn belang bij een onmiddellijke voorziening aldus heeft aangeduid, dat het litigieuze pand door verwaarlozing in slechte staat verkeert en dat hij – geïntimeerde – genoodzaakt is om, alvorens daarin zijn intrek te nemen, het pand te renoveren;

dat hij – geïntimeerde – voorlopig zijn intrek heeft gnomen bij zijn familie in [district 2] en dat hij dagelijks voor zijn werk naar [district 1] moet afreizen;

Overwegende, dat appellant daartegenover betwistend, dat de voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed gevorderd wordt heeft aangevoerd, dat hem, nadat hij op 19 augustus 1985 van de heer [naam] het perceel met daaropstaand gebouw aan [adres 1] had gekocht en een voorschot van de koopsom van Sf. 50.000,– had betaald aan genoemde [naam], het gekochte feitelijk werd geleverd en hij – appellant – daar in alstoen met zijn gezin zijn intrek genomen had en aldaar nog steeds woonachtig is;

dat geïntimeerde in oktober 1989 vooromschreven onroerend goed van [naam] heeft gekocht en juridisch geleverd gekregen;

dat geïntimeerde in oktober 1989 eigenaar geworden, pas in februari 1993, dus na drie jaar en drie maanden appellant in Kort Geding aanspreekt tot ontruiming;

dat geïntimeerde de Nederlandse nationaliteit bezittend, blijkens zijn eigen opgave in de koopakte, woonachtig was aan [adres 2] te [district 1], terwijl hij volgens de Burgerlijke Stand staat ingeschreven aan [adres 3];

dat geïntimeerde, door diens opgave in [district 2] te wonen zonder enige aanduiding van nummer en plaats, waardoor appellant niet in staat is een en ander te verifiëren, misleidend bezig is;

dat geïntimeerde dan ook met klem ontkent dat appellant zijn intrek bij zijn familie op [district 2] genomen heeft en dagelijks voor zijn werk in [district 1] moet;

dat het niet juist is dat het litigieuze pand door verwaarlozing in slechte staat verkeert en dat als gevolg daarvan renovatie noodzakelijk is;

Overwegende, dat geïntimeerde tegenover voormelde stellingen van appellant zijn spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening niet nader heeft uiteengezet;

dat dit meebrengt, dat zijn stelling omtrent het spoedeisend belang, als onvoldoende gemotiveerd niet kan worden aanvaard;

Overwegende, dat de eerste grief, die geacht moet worden te zijn besproken, dan ook moet worden geacht te zijn gegrond;

dat zulks tot vernietiging van het beroepen vonnis en weigering van de gevraagde voorziening leidt, met voorbijgaan aan bespreking van de overige grieven als niet langer relevant;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, in Kort Geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 10 mei 1993, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende

Weigert alsnog de door geïntimeerde oorspronkelijk gevraagde voorzieningen;

Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van appellant gevallen:

– in eerste aanleg begroot op Sf….,..;

– in hoger beroep begroot op Sf….,..;

met inbegrip van het door het Hof aan zijn advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van Sf. 250,–;

bepalende het Hof het salaris van de advocaat van geïntimeerde eveneens op Sf. 250,–;

SRU-HvJ-1994-23

Hof van Justitie

21 januari 1994, G.R. 13272

(Mrs. J.R. von Niesewand, A.I. Ramnewash, P.G. Wolff)

[appellant], echtgenoot van [geïntimeerde], wonende aan [adres] in [district 1], advocaat mr. E. Naarendorp, appellant,

tegen

[geïntimeerde], echtgenote van appellant voornoemd, rechtens en feitelijk wonende ten huize van haar echtgenoot, aan [adres] in [district 1], advocaat mr. W.A. Richards.

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 15 juli 1991 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 9 augustus 1991, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

dat eiseres blijkens hierbij overgelegde fotokopie van het bewijs van huwelijksvoltrekking in [district 2] op 24 juli 1981 in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd met [appellant], wonende aan [adres] in [district 1];

dat uit dit huwelijk het nog in leven zijnde minderjarig kind is geboren; [naam 1], geboren te [district 3] op [geboortedatum 1];

terwijl door het opvolgend huwelijk van partijen erkend en gewettigd zijn de nog in leven zijnde minderjarige kinderen;

1. [naam 2], geboren te [district 3] op [geboortedatum 2];

2. [naam 3], geboren te [district 3] op [geboortedatum 3];

dat eiseres heeft moeten ondervinden dat haar echtgenoot staande der partijen huwelijk vleselijke gemeenschap heeft gehad met andere vrouwen, althans met een andere vrouw dan met haar eiseres en zich derhalve aan overspel heeft schuldig gemaakt;

dat eiseres op grond hiervan gerechtigd is een vordering tot echtscheiding tegen haar voormelde echtgenoot in te stellen, waartoe zij toestemming heeft verkregen bij beschikking van de Rechter d.d. 7 maart 1991;

dat haar voormelde echtgenoot in dienst is van [bedrijf] en een inkomen geniet van SSf. 1.500,– per maand;

dat eiseres in behoeftige omstandigheden verkeert en haar eerder voormelde echtgenoot niet voorziet in haar levensonderhoud en die van de minderjarigen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis tussen partijen de echtscheiding zal worden uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien;

voorts met veroordeling van de gedaagde om met eiseres over te gaan tot scheiding en deling der huwelijksgoederengemeenschap met benoeming van een Notaris voor wie, indien partijen niet binnen een bij het vonnis te bepalen termijn over de keuze van een Notaris overeenkomen, de werkzaamheden dier scheiding en deling zullen plaats hebben op deze – of de gekozen Notaris te bepalen plaats en tijd en van een onzijdige persoon om gedaagde te vertegenwoordigen, indien deze in gebreke mocht blijven op voor de scheiding en deling bepaalde plaats en tijd te verschijnen of verschenen zijnde mocht weigeren tot de scheiding en deling mede te werken wijders met bepaling van plaats en tijd waar en waarop het verhoor bedoeld bij artikel 282 Burgerlijk Wetboek zal worden gehouden, met veroordeling van gedaagde het bedrag van Sf. 100,– per maand per kind te betalen ter voorziening in hun levensonderhoud vermeerderd met de kinderbijslag, die gedaagde ten behoeve van de kinderen ontvangt of kan ontvangen, en het bedrag van Sf. 300,– per maand voor haar levensonderhoud, kosten rechtens;

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – heeft geconcludeerd:

dat de vordering van eiseres zal worden toegewezen;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 15 juli 1991 op de daarin opgenomen gronden:

de echtscheiding heeft uitgesproken tussen:

[appellant] en [geïntimeerde] gehuwd op 24 juli 1981 in [district 1], met alle wettelijke gevolgen van dien.

Heeft bepaald het verhoor der ouders, bloedverwanten en/of aangehuwden van der partijen minderjarige kinderen te weten:

1. [naam 2],

2. [naam 3] en

3. [naam 1],

allen geboren te [district 3], respectievelijk op [geboortedatum 2], [geboortedatum 1] en [geboortedatum 3], ter voorziening in de voogdij en toeziende voogdij ter Raadkamer van het Kantongerecht in het Eerste Kanton van dinsdag 12 november 1991 des voormiddags te 8.30 uur;

gedaagde heeft veroordeeld om met eiseres over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd met benoeming zo partijen niet binnen één maand nadat dit vonnis zal zijn ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de Burgerlijke Stand, anders daaromtrent zullen zijn overeengekomen, van mr. C.A. Calor notaris te Paramaribo, tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van die scheiding en deling zullen plaats hebben op de door deze of gekozen notaris te bepalen plaats en tijd van mr. H. Matawlie, advocaat te Paramaribo tot onzijdig persoon om gedaagde bij die scheiding en deling te vertegenwoordigen zo hij ingebreke blijft op de voor de scheiding en deling bepaalde tijd en plaats te verschijnen of verschenen zijnde, weigeren mocht tot de scheiding en deling mede te werken;

gedaagde heeft veroordeeld om aan eiseres ter voorziening voor haar levensonderhoud maandelijks te betalen de som van Sf. 300,– (driehonderd gulden), zulks te rekenen vanaf de dag waarop dit vonnis zal zijn ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de Burgerlijke Stand;

de proceskosten heeft gecompenseerd tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt, behoudens dat de executiekosten ten laste van gedaagde komen indien hij vrijwillig voldoet aan de hem bij dit vonnis opgedragen levensonderhoud ten behoeve van de eiseres;

het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 15 juli 1991;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Tj. Jhagroe van 18 februari 1993 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd;

Overwegende, dat ten dage voor vonnis bepaald, het Hof bij rolbeschikking overlegging van een produkties zijdens appellant heeft gelast, waarna de gemachtigde van appellant een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot overlegging produktie heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van geïntimeerde vervolgens een eveneens hier als geïnsereerd aan·te merken schriftelijke conclusie tot uitlating produktie heeft genomen, hebbende partijen vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 7 januari 1994, doch nader op heden;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat appellant tijdig in hoger beroep is gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 15 juli 1991;

Overwegende, dat appellant’s – nader te noemen de man – enige grief tegen het beroepen vonnis alsvolgt luidt:

Ten onrechte heeft de Kantonrechter aangenomen dat de nevenvordering – betreffende alimentatie – in eerste aanleg van geïntimeerde, destijds eiseres, voor toewijzing vatbaar was.

Appellant heeft zich immers alleen gerefereerd aan het oordeel van de Kantonrechter ten aanzien van de grondslag van de hoofdvordering namelijk het overspel.

De Kantonrechter heeft de nevenvordering met name de alimentatievordering zonder enige motivatie toegewezen;

met conclusie, dat het Hof, rechtdoende in hoger beroep, het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 15 juli 1991, waartegen beroep, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, de vordering van appellant (welke·vordering blijkt, niet met zoveel woorden;

kennelijk bedoelt de man dat de alimentatie vordering van de vrouw alsnog wordt afgewezen) alsvolgt zal toewijzen;

Overwegende, dat – nader te noemen: de vrouw de aangevoerde grief heeft bestreden, met conclusie dat het Hof het beroepen vonnis zal bevestigen;

Overwegende, dat naar blijkt, de man tegen de mede tegen hem ingestelde vordering, strekkende tot diens veroordeling tot betaling aan de vrouw van het bedrag van Sf. 300,– per maand voor haar levensonderhoud, in prima, geen verweer heeft gevoerd, althans die vordering onweersproken heeft gelaten;

Overwegende, dat de Kantonrechter – op grond van de feiten, die de vrouw – als eiseres – aan de onderhavige (alimentatie) vordering ten grondslag heeft gelegd, te weten:

dat haar voornoemde echtgenoot in dienst is van [bedrijf] en een inkomen geniet van Sf. 1.500,– per maand en dat zij, de vrouw – toen eiseres – in behoeftige omstandigheden verkeert en dat de man niet voorziet in haar levensonderhoud, bij diens vonnis van 15 juli 1991, de man – toen gedaagde – heeft veroordeeld aan de vrouw te betalen het bedrag van Sf. 300,– per maand, ter voorziening in haar levensonderhoud;

Overwegende, dat nu de man tegen de mede tegen hem ingestelde alimentatie-vordering in prima, in het geheel·geen verweer heeft gevoerd zou hij daartoe in hoger beroep nog wel bevoegd zijn, welke bevoegdheid door hem slechts zou kunnen worden uitgeoefend, in een der memoriën, als bedoeld in artikel 271 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

dat van deze bevoegdheid evenwel bij het houden der pleidooien, geen gebruik kan worden gemaakt, vermits een pleidooi in het algemeen een toelichting is op reeds gestelde feiten en daaraan verbonden rechtsgevolgen;

dat het doen bepleiten van een zaak ingevolge het bepaalde in artikel 281 van voormeld wetboek, niet kan omvatten, het inbrengen van nieuwe weren van rechten als bedoeld in artikel 278 lid 2 van voormeld wetboek;

dat een pleitnota als inhoudende hetgeen de advocaat ten behoeve van en voor zijn cliënt (mondeling of schriftelijk) ter toelichting van diens zaak ter terechtzitting heeft aangevoerd, geen memorie is, in de zin van artikel 271, of van artikel 274, dan wel van een stuk als bedoeld in artikel 280 van voormeld wetboek;

Overwegende, dat nu de man voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep, zijn verweer ten principale tegen de tegen hem als gedaagde door de vrouw als eiseres ingestelde (alimentatie) vordering heeft gevoerd, kan op grond van het voorgaande op dit verweer geen acht worden geslagen;

dat evenals in eerste aanleg moet ook in hoger beroep de vordering van de vrouw, als door de man niet weersproken worden aangemerkt;

dat mitsdien het vonnis waarvan beroep, als zijnde juist en conform de wettelijke regels gewezen, in hoger beroep worden bevestigd, met passering van de aangevoerde ”grief” onder compensatie van de proceskosten tussen partijen – die echtelieden waren – in hoger beroep, in dier voege, dat iedere partij haar eigen kosten draagt; (vide 1. Vs. Hof van Justitie, 2 november 1951, Surinaams Jurisprudentie 1951 no. 13; 2. Vs. Hof van Justitie, 26 september 1952, Surinaams Jurisprudentie 1952 no. 15;

Rechtdoende in hoger beroep

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 15 juli 1991, voor wat betreft de alimentatie-veroordeling, waarvan beroep;

Compenseert de proceskosten tussen partijen, die echtelieden waren, in hoger beroep gevallen, in dier voege, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

SRU-HvJ-1994-22

Hof van Justitie

04 februari 1994, G.R. 13290

(Mrs. J.R. von Niesewand, E.S. Ombre en W.R. Willemzorg).

[appellant], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt Mr. A.L. Tjon Kwan Paw, advokaat,

appellant in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende aan de Heerenstraat no. 17 boven, ten kantore van zijn raadsman, Mr. R.L. Kensmil, advokaat,

geïntimeerde in Kort Geding.

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, van 21 december 1992 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 28 december 1992, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. Eiser wenst de navolgende vordering in Kort Geding in te stellen tegen [appellant], wonende te [district] aan [adres], gedaagde;

2. Eiser is eigenaar van een autobus van het merk ”Isuzu”, bouwjaar 1988, [motornummer], [chassisnummer], welke autobus na verkrijging door eiser bij de politie te zijner name werd geregistreerd;

Ten bewijze hiervan overlegt eiser hierbij een fotocopie van het te zijner name staand voorlopige registratie bewijs van vorengenoemde voertuig met het verzoek de inhoud hiervan als ingelast en geïnsereerd te beschouwen;

3. In de maand oktober 1992 werd tussen eiser en gedaagde, die een jongere broer van hem is, afgesproken om vorenomschreven voertuig tijdelijk op naam van gedaagde te registreren, aangezien eiser ambtenaar bij de Ontvanger der Direkte Belastingen is, en registratie te zijner name van een voertuig welke krachtens een vervoerovereenkomst met het Ministerie van Onderwijs voor het vervoer van schoolkinderen wordt gebruikt, tot voor hem ongewenste gevolgen zou kunnen leiden;

4. Dat tussen partijen evenwel was afgesproken, dat vorenomschreven voertuig wederom op naam van eiser zou worden overgeschreven, nadat aan hem in februari 1993 op zijn verzoek ontslag krachtens artikel 69a van de personeelswet zou zijn verleend;

5. Eiser heeft ten dien einde een onderhandse verklaring aan gedaagde, d.d. 12 oktober 1992 afgegeven om het vorenomschreven voertuig bij de politie op naam van geregistreerde te registreren, vermeldende als oorzaak der overschrijving dat bedoelde voertuig door hem zou zijn geschonken;

6. Door gedaagde wordt thans geheel te kwader trouw, de eigendom van het ten rekeste omschreven voertuig gevorderd en heeft gedaagde revindicatoir beslag op vorenomschreven voertuig doen leggen bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie Ch. Balgobind, d.d. 24 november 1992;

Eiser overlegt hierbij als bewijs een fotocopie van vorengenoemd exploit met het verzoek deze als ingelast en geïnsereerd te beschouwen;

7. Eiser heeft evenwel nimmer de bedoeling gehad om het ten rekeste omschreven voertuig aan gedaagde in de zin der wet te schenken en hem te bevoordelen, hebbende eiser dan ook nimmer de door artikel 1701 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek dwingend vereiste notariële akte doen opmaken, weshalve de aan de vordering van gedaagde ten grondslag liggende schenking dan ook nietig is;

8. dat gedaagde dan ook nimmer eigenaar in de zin der wet van het ten rekeste omschreven voertuig is geworden, weshalve het door hem bij exploit van de deurwaarder Ch. Balgobind, d.d. 24 november 1992, gelegd revindicatoir beslag onrechtmatig is, daargelaten het feit dat aan eiser door de Kantonrechter geen toestemming is verleend om het door hem gerevindiceerde te doen weghalen uit de macht van de bezitter;

9. De kwader trouw van gedaagde blijkt voorts uit het feit, dat terwijl gedaagde zijn vorderingsrecht in zijn rekest ter bekoming van toestemming van de Kantonrechter tot het leggen van revindicatoir beslag op het voertuig baseert op een verklaring van eiser, d.d. 12 oktober 1992, waarvan hierbij een fotocopie wordt overgelegd, uit een van het Hoofd van de Verkeers-Technische Dienst van het Korps Politie afkomstig verklaring blijkt, dat vorenomschreven voertuig reeds vanaf 9 oktober 1992 op naam van gedaagde was overgeschreven.

Een fotocopie van de desbetreffende verklaring van het Hoofd voornoemd, de Majoor van Politie [naam], wordt hierbij als bewijs door eiser overgelegd;

Als gevolg hiervan wordt thans door de Afdeling Fraude van de politie tegen gedaagde een strafrechtelijk onderzoek verricht, ten gevolge waarvan op vorenomschreven voertuig als corpus delicti door de justitie eveneens beslag is gelegd;

Een copie van het proces-verbaal van ontvangst wordt hierbij eveneens als bewijs overgelegd;

10. Eiser heeft dringend belang bij een spoedeisende voorziening in Kort Geding, aangezien tussen eiser en het Ministerie van Onderwijs een vervoerscontract is gesloten om met het ten rekeste omschreven voertuig dagelijks schoolkinderen te vervoeren en onttrekking van vorenomschreven autobus aan deze bestemming tot grote financiële schade voor eiser kan leiden;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;

a. dat bij vonnis in Kort Geding gedaagde zal worden veroordeeld om het door hem op het ten rekeste omschreven gelegd revindicatoir beslag als zijnde onrechtmatig terstond na de door de Rechter, uit te spreken veroordeling of binnen een door de Rechter, in goede justitie te bepalen termijn zal worden opgeheven c.q. te doen opheffen;

b. gedaagde zal worden veroordeeld tot een dwangsom van Sf. 25.000,– per dag voor iedere dag dat hij ingebreke blijft om aan de door de Rechter, onder a uit te spreken veroordeling gevolg te geven;

c. gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding, inclusief het honorarium van eisers raadsman;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiser bij schriftelijke conclusie aanvulling van de conclusie van eis heeft verzocht in dier voege dat:

1. in het 7e sustenu van het inleidend rekest na de woorden ”ook nietig is” worde aangevuld:

”dat ook al ware het bepaalde in artikel 1701 van het Burgerlijk Wetboek in casu niet van toepassing, de door gedaagde gestelde schenkingsovereenkomst niet tot stand is gekomen, vermits de door artikel 1706 van het Burgerlijk Wetboek vereiste levering van het ten rekeste omschreven voertuig aan gedaagde nimmer heeft plaatsgevonden”;

2.2 Aanvulling van het petitum

Na het woord ”omschreven” (regel 2 van het petitum) aanvullen het woord ”Voertuig”;

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans dat de vordering moet worden afgewezen als zijnde ondeugdelijk en niet bewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van eiser tevens produktles overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 21 december 1992 op de daarin opgenomen gronden;

Heeft opgeheven bij het exploit van Ch. Balgobind, deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname d.d. 24 november 1992 gelegd revindicatoir beslag op ”een autobus van het merk ”ISUZU” bouwjaar 1988, [motornummer], [chassisnummer]”.

Het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;

Dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 21 december 1992;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder J.E. Kolf van 24 april 1993 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 17 december 1993 doch nader op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat appellant tijdig in hoger beroep is gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 21 december 1992;

Overwegende, dat appellant tegen gemeld vonnis twee grieven heeft ontwikkeld, luidende:

I. Ten onrechte heeft de Kantonrechter, zo wordt uitgegaan van de door hem appel1ant overgelegde akten van schenking van 8 en 12 oktober 1992 en van het verzekeringsbewijs van de N.V. Assuria, overwogen en beslist dat, omdat de eiser, thans geïntimeerde, geweigerd heeft de appellant de sleutels van die bus ter hand te stellen, daardoor niet van een schenking kan worden gesproken weshalve moet worden aangenomen, dat de eiser, thans geïntimeerde, terecht de opheffing van het gelegende revindicatoir beslag vordert, omdat hij, geïntimeerde, naar het voorlopig oordeel van de Kantonrechter, de eigenaar van de bovenvermelde bus is;

II. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen en beslist dat de geïntimeerde eigenaar is van de bus.

Voor zijn eigendomsrecht heeft de geïntimeerde in eerste aanleg overgelegd een voorlopig registratiebewijs van de litigieuze autobus.

De appellant merkt op dat dit registratiebewijs geen bewijs van eigendom kan zijn, aangezien de geïntimeerde in zijn conclusie van repliek onder punt 9 in eerste aanleg zelf stelt, dat de overschrijving van een voertuig in de administratie van de politie geen wijze van eigendomsverkrijging is, vermits voertuigen naar de heersende leer geen register goederen zijn.

De appellant wil tot slot naar voren brengen, dat de beslissing die de Kantonrechter inzake het eigendomsrecht van de bus heeft genomen, pas mogelijk zou zijn na een uitgebreid bewijsrechtelijk onderzoek, zodat de Kantonrechter een eindbeslissing heeft genomen, zonder een gedegen onderzoek.

De beslissing van de Kantonrechter lijdt dus aan een duidelijk motiveringsgebrek;

Overwegende, dat het Hof termen aanwezig acht voormelde grieven tegelijk te bespreken nu zij nauw verband met elkaar houden;

Overwegende, dat geïntimeerde zich, naar het Hof is gebleken, zowel in prima (vide 2e alinea van het 9e ”sustenu” van de conclusie van repliek d.d. 11 december 1992) als in hoger beroep (vide 7e ”sustenu” dupliek pleidooi d.d. 5 november 1993) heeft beroepen op bezit van de litigieuze autobus van het merk Isuzu, bouwjaar 1988, [motornummer], [chassisnummer];

– dat de bezitter van een roerend goed tegenover elk en een eigenlijk als eigenaar wordt beschouwd, zolang een ander niet een beter recht daarop bewijst, hetgeen aldus moet worden verstaan, dat er slechts dan een beter recht van een ander is, indien de ”vermeende” bezitter in werkelijkheid slechts houder is of artikel 1998 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is;

Overwegende, dat appellant naar ’s Hoven voorlopig oordeel, dan ingevolge artikel 1998 lid 1 van gemeld wetboek, feiten en omstandigheden zou moeten stellen en bij tegenspraak bewijzen, c.q. aannemelijk maken, waaruit voort vloeit, dat de stelling van geïntimeerde, als hiervoren vermeld niet juist is;

Overwegende, dat in dit verband zij opgemerkt, dat appellant zich zowel in prima als in hoger beroep erop heeft beroepen, dat geïntimeerde hem de litigieuze autobus heeft geschonken;

Overwegende, dat nog daargelaten, dat geïntimeerde heeft ontkend en is blijven ontkennen, appellant de autobus te hebben geschonken en die schenking, naar het voorlopig oordeel van het Hof, niet is komen vast te staan, bovendien nog zij opgemerkt, dat een dergelijke bewering van appellant het Hof ongeloofwaardig voorkomt;

– dat broers elkaar geen auto’s c.q. autobussen, die zeer kostbaar zijn, plegen te schenken;

– dat de door appellant gestelde, doch door geïntimeerde betwiste titel op de bus, naar ’s Hoven voorlopig oordeel, dan ook ”hoogst abnormaal” is;

– dat deze ”abnormale titel” zou moeten worden bewezen door degene die zich daarop beroept;

– dat naar ’s Hoven voorlopig oordeel, het immers veel normaler is dat de ene broer aan de andere diens auto(bus) tegen een gereduceerde, danwel ”schappelijke” prijs verkoopt of, zo niet, in bruikleen afstaat, dan dat hij hem die schenkt;

– dat toch ”het normale” een vermoeden van juistheid heeft;

Overwegende, dat nu de door appellant gestelde ”abnormale titel”, naar het voorlopig oordeel van het Hof niet is komen vast te staan c.q. aannemelijk is gemaakt, dient het beroepen vonnis, onder aanvulling en verbetering van gronden te worden bevestigd, onder verwerping van de daartegen ontwikkelde grieven als ongegrond;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding

Bevestigt onder aanvulling en verbetering van gronden, het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, in kort geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 21 december 1992, waarvan beroep,

SRU-HvJ-1994-21

Hof van Justitie
18 maart 1994, G.R. 13304

(Mrs. J.R. von Niesewand, W.R. Willemzorg, O.W. Abendanon)

Surinaamse Televisie Stichting, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Cultuurtuinlaan, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. E. Naarendorp, advocaat, appellant in de hoofdzaak en in het incident,

tegen

Het Telecommunicatie-Bedrijf Suriname (Telesur), gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt mr. F. Kruisland, advocaat, geïntimeerde in de hoofdzaak en in het incident.

De vice-president spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, van 26 januari 1993 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 9 februari 1993, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat het Telecommunicatiebedrijf Suriname als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. Eiseres wenst bij deze de navolgende vordering in te stellen tegen de Surinaamse Televisie Stichting, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Cultuurtuinlaan, gedaagde;

2. Gedaagde heeft in november 1975, althans in het jaar 1975, althans in het jaar 1976, met het landsbedrijf Lands Telegraaf en Telefoonbedrijf een overeenkomst gesloten tot het overbrengen van door gedaagde via haar televisiezender uitgezonden beelden naar de districten in Suriname, in het bijzonder de buitendistricten, middels het gebruik van het microwavelink van voormeld landsbedrijf tegen betaling van het terzake toepasselijke tarief, zoals onder meer aangegeven in het schrijven van voormeld landsbedrijf aan gedaagde d.d. 6 december 1975, hetgeen een vergoeding inhield van tenminste Sf. 157.680,– (eenhonderd zevenenvijftig duizend zeshonderd en tachtig gulden) per jaar;

3. Ingevolge artikel 19 van het Decreet Telecommunicatiebedrijf Suriname (SB 1980 no. 140) is voormelde overeenkomst en alle daaruit voortvloeiende rechten, aanspraken en verplichtingen overgegaan op eiseres, zulks te rekenen vanaf 1 januari 1981;

4. Gedaagde heeft in de periode 1975 – april 1992 slechts een bedrag van Sf. 600.000,– (zeshonderd duizend gulden) terzake van het sub 2 gestelde voldaan aan eiseres en/of voormeld landsbedrijf;

5. Blijkens de hierbij overgelegde staat, waarvan verzocht wordt de inhoud als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen, is gedaagde aan eiseres dan ook alsnog verschuldigd een bedrag van Sf. 1.508.713,37 (een miljoen vijfhonderd en achtduizend zevenhonderd dertien 37/100 gulden);

6. Eiseres kan van gedaagde geen betaling van het sub 5 vermelde bedrag bekomen ondanks herhaalde aanmaningen aan gedaagde;

7. Eiseres heeft dan ook recht en belang betaling van het sub 5 vermelde bedrag in rechte te vorderen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van Sf. 1.508.713,37 (een miljoen vijfhonderd en achtduizend zevenhonderd dertien 37/100 gulden) met de wettelijke interessen daarover ad 6% ’s jaars vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening.

Kosten rechtens;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke incidentele conclusie tot vrijwaring heeft genomen waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage bepaald voor het nemen van een conclusie van antwoord in het incident en tot uitlating in de hoofdzaak de gemachtigde van eiseres een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 26 januari 1993 op de daarin opgenomen gronden,

In de hoofdzaak:

Gedaagde heeft veroordeeld om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van Sf. 1.508.713,37 (een miljoen vijfhonderd en achtduizend zevenhonderd dertien 37/100 gulden), vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar vanaf 10 juli 1992, tot aan de dag der algehele voldoening;

Dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 203,75 (tweehonderd en drie 75/100 gulden);

In het incident:

Gedaagde niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar gestelde vordering;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal de Surinaamse Televisie Stichting in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 26 januari 1993;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel van 31 mei 1993 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
In het incident:

Overwegende, dat in artikel 71 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering anders dan in artikel 68 van het Nederlands Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald, de verweerder die vermeent gronden te hebben om van iemand vrijwaring te vorderen, bevoegd is de Rechter te verzoeken, onder aanvoering van gronden, de oproeping van die persoon te bevelen bij schriftuur van antwoord of bij mondeling antwoord;

Overwegende, dat in bovenvermeld artikel voorts staat, dat bij toewijzing van het verzoek de Rechter, met inachtneming van de daarvoor aangegeven termijn een nadere rechtsdag bepaalt, waarop het rechtsgeding zal worden voortgezet en de oproeping van de waarborg met gelijktijdige uitreiking van een afschrift van het antwoord gelast;

Overwegende voorts, dat in artikel 72 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald, dat, indien het verzoek tot vrijwaring op de bovengemelde rechtsdag niet is gedaan, zonder uitstel in de oorspronkelijke zaak wordt voortgeprocedeerd;

Overwegende, dat uit het hierboven aangehaalde volgt, dat de verweerder in de hoofdzaak of oorspronkelijke zaak slechts bevoegd is verzoek tot oproeping van iemand in vrijwaring te doen tegelijk met het nemen van het schriftuur van antwoord of bij zijn mondeling antwoord in de hoofdzaak en, ingeval de oproeping in vrijwaring door de Rechter wordt gelast, aan de waarborg een afschrift van het antwoord wordt uitgereikt;

Overwegende, dat waar appellante in de hoofdzaak nog geen schriftuur van antwoord had genomen, zij niet gerechtigd was het verzoek te doen om de Staat Suriname in vrijwaring op te roepen, aangezien het de Rechter niet mogelijk was, bij toewijzing van het verzoek, de Staat Suriname een afschrift van de conclusie van antwoord uit te reiken zoals voorgeschreven in artikel 71 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

Overwegende, dat waar artikel 72 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt, dat indien het verzoek niet op bovengemelde rechtsdag, in casu bij het nemen van de conclusie van antwoord is gedaan, in de oorspronkelijke zaak wordt voort geprocedeerd, de appellante terecht niet-ontvankelijk werd verklaard in haar vordering;

In de hoofdzaak:

Overwegende, dat de oorspronkelijke gedaagde op de tegen haar ingestelde vordering in eerste aanleg zich niet verweerd hebbende, ingevolge het bepaalde in artikel 278 lid 2 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd is om in hoger beroep nieuwe verweren van rechten in te brengen, mits deze een verdediging op de hoofdzaak opleveren en niet in het geding ter eerste instantie zijn gedekt;

Overwegende, dat appellante, waar zij als gedaagde in het geheel geen verweer op de tegen haar door de geïntimeerde als eiser ingestelde vordering in eerste aanleg heeft gevoerd, op grond van de aangehaalde wetsbepaling in hoger beroep daartoe wel bevoegd is, kunnende niet worden aangenomen, dat haar verweer in hoger beroep gedekt is, doordat zij in gebreke is gebleven om in eerste aanleg op enigerlei wijze op de eis te antwoorden;

Overwegende echter, dat deze bevoegdheid in hoger beroep door de appellante slechts kan worden uitgeoefend in een der memoriën, als bedoeld in artikel 271 van vermeld Wetboek;

Overwegende, dat van deze bevoegdheid bij het houden der pleidooien evenwel geen gebruik kan worden gemaakt, vermits een pleidooi in het algemeen een toelichting is op reeds gestelde feiten en daaraan verbonden rechtsgevolgen en dat het doen bepleiten van een zaak ingevolge het bepaalde in artikel 281 van vermeld Wetboek niet kan omvatten het inbrengen van nieuwe verweren van rechten als bedoeld in artikel 278 lid 2 van vermeld Wetboek en een pleitnota als inhoudende hetgeen de advocaat ten behoeve van en voor zijn cliënt mondeling ter toelichting van diens zaak ter terechtzitting heeft aangevoerd, geen memorie in de zin van artikel 271 of van artikel 274 dan wel een stuk als bedoeld in artikel 280 van vermeld Wetboek is;

Overwegende, dat nu appellante voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep haar verweer ten principale tegen de haar als gedaagde door de geïntimeerde als eiser ingestelde vordering heeft gevoerd, op grond van de voorgaande overwegingen op dit verweer geen acht kan worden geslagen en de appellante ook in hoger beroep niet geacht kan worden op de vermelde vordering te hebben geantwoord;

Overwegende, dat derhalve evenals in eerste aanleg ook in hoger beroep de vordering van de eiser –geïntimeerde – als door gedaagde – appellante – niet weersproken moet worden aangemerkt (cfm. vs. H.v.J. d.d. 3 september 1954 G.A.E. Cyrus c/a C.J. Ognelodh, G.R No. 6999) O;

Overwegende evenwel, dat het beroepen vonnis, naar het Hof is gebleken, niet juist en niet conform de wettelijke regeling is gewezen, zijnde artikel 65, 3° van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtvordering niet in acht genomen wegens algeheel gemis van redengeving.

Overwegende echter, dat nu het Hof gedaan heeft wat de Kantonrechter heeft nagelaten, het beroepen vonnis onder aanvulling van rechtsgronden zal worden bevestigd;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep
In het incident:

Bevestigt onder aanvulling van rechtsgronden het vonnis d.d. 26 januari 1993, tussen partijen in het incident gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

In de hoofdzaak:

Bevestigt onder aanvulling van rechtsgronden het vonnis, gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton van 26 januari 1993 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen de geïntimeerde als eiser en de appellante als gedaagde;

Veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen met inbegrip van het door het Hof aan haar advocaat voor het gehouden pleidooi toegekende salaris ad Sf. 500,–, begroot op Sf. 500,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellante eveneens op Sf. 500,–.

SRU-HvJ-1994-20

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 15 april 1994
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, en E.S. Ombre)

[verzoeker], wonende te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr. E.C.M. HOOPLOT, advokaat, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr. C.D. OOFT, advokaat, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 68.

2. dat verzoeker blijkens hierbij in fotocopie overgelegde resolutie van de President van Suriname d.d. 19 april 1984 Bureau [nummers 1] te rekenen van 1 oktober 1983 eervol ontslag is verleend uit de militaire dienst en tegelijk op het centraal kantoor van het Ministerie van Leger en Politie is aangesteld in de rang van stafambtenaar B le klasse.

Blijkens de considerans van voormelde resolutie was het de bedoeling dat verzoeker op het centraal kantoor zou worden belast met werkzaamheden van niet militaire aard, welke werkzaamheden verzoeker nooit heeft opgedragen gekregen;

3. dat verzoeker zijn salaris en andere emolumenten steeds heeft uitbetaald gekregen, totdat deze uitbetaling per ultimo juli 1990 voorlopig werd stopgezet nadat verzoeker door de direkteur van Defensie werd uitgenodigd om over zijn rechtspositie te praten.

Verzoeker en de direkteur hebben elkaar steeds misgelopen, waarna de direkteur hem bij schrijven van 24 juli 1990 heeft uitgenodigd om zich ”met onmiddellijke ingang op het Ministerie van Defensie aan te melden voor diensthervatting;

4. dat verzoeker zich toen op het standpunt heeft gesteld dat van hem niet kan worden verlangd dat hij werkzaamheden zou verrichten terwijl zijn salaris opzettelijk is stopgezet, althans niet aan hem werd uitbetaald.

Verzoeker heeft op 25 juli 1990 de direkteur uitdrukkelijk medegedeeld bereid te zijn tot werkhervatting, zodra zijn salaris aan hem zou worden uitbetaald.

Als reactie hierop heeft de Direkteur van Defensie, eerst bij schrijven van 21 augustus 1990 welke verzoeker eerst veel later heeft ontvangen, verzoeker plichtsverzuim verweten en hem aangezegd zich te verweren terzake van het feit ”dat hij zich niet zou hebben aangemeld voor werkhervatting, doch instede daarvan hem heeft bericht alsvolgt: “Derhalve zal ik tot 1 augustus geen gebruik maken van Uw uitnodiging tot diensthervatting en mij op een andere manier financieel veilig stellen etc. …”.

Van verzoeker werd verlangd dat hij zich terzake binnen 48 uur schriftelijk moest verweren.

Bij schrijven van 27 augustus 1990 heeft verzoeker gereageerd op de beschuldiging van plichtsverzuim te hebben gepleegd hebbende hij deze beschuldiging van de hand gewezen, omdat hij terecht meende niet tot prestatie verplicht te zijn nu zijn salaris geheel ongegrond aan hem werd onthouden.

Gelet voorts op de strekking van zijn aanstellingsbeschikking (zie considerans) meende verzoeker terecht te mogen vragen waar hij te werk gesteld zou worden en wat zijn taakomschrijving was, zulks teneinde te voorkomen dat in strijd met de resolutie aan verzoeker wel werkzaamheden van militaire aard zouden worden opgedragen;

5. dat verzoeker hierna niets van de Direkteur heeft vernomen, doch dat nog steeds zijn salaris niet werd uitbetaald, zulks ondanks zijn, zij het voorwaardelijke bereidheid tot werken.

Omstreeks medio oktober 1991 heeft verzoeker zich persoonlijk vervoegd bij de onder-Direkteur van Defensie om zich te beklagen over het feit dat zijn salaris nog steeds niet aan hem werd uitgekeerd en dat hij niet tot werken in staat werd gesteld en hoewel de stopzetting als voorlopige maatregel was bedoeld.

De voornoemde onder-Direkteur heeft verzoeker toen toegezegd dat zijn salaris aan hem zou worden uitbetaald, doch dat hij rustig thuis moest wachten op nadere instructies. Verweerder heeft inderdaad per ultimo december 1991 alle achterstallige salaris ontvangen tot en met december 1991 en bleef dus wachten op nadere instructies;

6. dat echter per ultimo januari 1992 de uitbetaling van het salaris aan verzoeker opnieuw werd stopgezet en toen hij zich op het Ministerie voor informatie vervoegde werd hem op 7 februari 1992 door de Militair direkteur van het Ministerie van Defensie bijgaande fotocopie van de resolutie van 28 augustus 1991 [nummers 2] uitgereikt, waarbij aan verzoeker de tuchtstraf van schorsing met stilstand van bezoldiging voor de duur van 3 (drie) dagen werd opgelegd en voorts werd bepaald dat over de niet gewerkte dagen te rekenen van 25 juli 1990 aan verzoeker geen salaris zal worden uitbetaald.

Verzoeker heeft eerder geen kennis gedragen van deze resolutie;

7. dat voormeld besluit voor wat betreft de wijze van tot standkoming is genomen in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur.

Immers is verzoeker niet door het bevoegd gezag gehoord, althans in de gelegenheid gesteld zich te verweren.

Ten opzichte van verzoeker is de President het bevoegd gezag en niet de Direkteur van Defensie;

8. ook indien voormelde Direkteur krachtens delegatie het bevoegd gezag zou zijn – quod non – dan is de overweging in de resolutie dat verzoeker op het schrijven van deze Direkteur niet zou hebben gereageerd ongegrond en onjuist.

Verzoeker heeft deze reaktie bij schrijven van 29 augustus 1991 hierboven reeds aangehaald, ontkennende hij dat hij de brief van de direkteur heeft ontvangen op 21 augustus 1991;

9. dat het niet in overeenstemming is met de beginselen van behoorlijk bestuur dat de gedaagde vanaf de maand augustus 1990 wacht met het nemen van een besluit terzake van aan verzoeker reeds voor die datum verweten plichtsverzuim en dat dit besluit eerst ruim een jaar daarna op 28 augustus 1991 neemt en bovendien verzoeker eerst bijkans 6 (zes) maanden na de dagtekening van het besluit daarvan in kennis stelt;

10. dat verweerder, alle vorengestelde feiten en omstandigheden in aanmerking genomen en bij afweging van belangen in redelijkheid niet tot het onderwerpelijk besluit had kunnen komen, zijnde dit besluit in strijd met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur waaronder in het bijzonder, de beginselen van rechtszekerheid, van eerlijke en gelijke behandeling, het beginsel van hoor en wederhoor, het beginsel van de draagkrachtigde motivering, wordende met deze opsomming geen enkel beginsel uitgesloten.

In ieder geval zijn de in het besluit t.o.v. verzoeker getroffen maatregelen niet in redelijke verhouding tot de ernst en de gevolgen het aan verzoeker verweten plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat nietig zal worden verklaard althans zal worden vernietigd het besluit van verweerder vervat in de resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 28 augustus 1991, [nummers 2], meer speciaal voor wat betreft de daarin opgelegde tuchtstraf en het achteraf genomen besluit dat vanaf 25 juli 1990 aan verzoeker geen salaris zal worden uitbetaald, kosten rechtens;

Overwegende, dat van DE STAAT SURINAME binnen de bij de Wet gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarin als verweer is aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk uitdrukkelijk door hem wordt erkend, met beroep op de onsplitsbaarheid van zijn stellingen en biedt bewijs aan door allen middelen rechtens, in het bijzonder door getuigen;

2. Verweerder kan bevestigen dat aan verzoeker bij Resolutie van 19 april 1984, te rekenen vanaf 01 oktober 1983 eervol ontslag is verleend uit de Militaire Dienst met gelijktijdige aanstelling in de rang van Stafambtenaar 1e klasse op het Ministerie van Leger en Politie;

3. Na de overgang (uit de actieve Militaire dienst naar de ambtelijke bureaudienst) doen zich dan in de rechtsverhouding tussen verzoeker en DE STAAT SURINAME (verweerder), een aantal feiten en omstandigheden voor.

Verweerder beschrijft deze feiten en voorvallen breedvoerig in de punten 3, 4 en 5 van zijn inleidend request.

Hij doet dit subjectief als belanghebbende, om dan in zijn petitum aan het Hof van Justitie te vragen nietig·te verklaren, het besluit vervat in de Resolutie van 28 augustus 1991 [nummers 2 – variant];

4. Verweerder doet zijnerzijds hier summier zeggen:

a. Het is een feit dat tussen 1980/1990 de rechtsorde in Suriname niet altijd steun en grondslag vond in de rechtsstaat gedachte, namelijk dat in de rechtsstaat, ook de macht van gezagsdragers wordt beperkt door regels van Recht;

Deze omstandigheid, creëerde voor het Nationaal Leger en de manschappen daarin, een positie, die enerzijds wel kon steunen op de Wet en het Recht, maar welke daarna en soms daarnaast één van Wet en Recht vervreemde dimensie bezat. Uit deze ”school” van ’s landsdienaren is ook [verzoeker], voortgekomen.

Zijn subjectieve opvatting van wat een ambtenaar·rechtens is toegestaan en wat niet, c.q. wat in de ambtelijke verhouding mag en niet mag, blijkt vooral in de weergave van het feitenmateriaal neergelegd, in het Inleidend request in de punten 6, 7, 8 en 9;

b. Dan komt er omstreeks 1990 een ommekeer in de rechtsorde (Grondwet en gekozen Parlement) en in de Gezagscentra, te weten daar waar het Militair Gezag van voorheen (1980/1989) plaats moet maken voor het Ministerieel Gezag (Minister van Defensie 1989/1990);

c. Verzoeker blijkt na de overgang van de actieve militaire dienst naar de ambtelijke/administratieve dienst, in werkelijkheid, vanaf 01 oktober 1983 niet te hebben gewerkt c.q. niet aan het werk te zijn geweest, aldus geen prestatie te hebben geleverd voor het maandelijkse salaris dat aan hem gedurende 6 (zes) jaren lang is uitgekeerd;

d. Pas in 1989/1990 hebben de nieuwe beleidmakers en niet van het toenmalige militair gezag afhankelijke bestuurders, ten aanzien van verzoeker een nieuw beleid uitgestippeld.

Dit beleid richtte zich vooral op het onverantwoordelijk blijven uitkeren van honorarium aan verzoeker die geen ambtelijke prestaties leverde, maar die daartoe wel verplicht was;

Verzoeker is één van de eersten die dan ook overeenkomstig de regels van onder meer de Personeelswet werd aangemaand, zich aan te melden voor dienst op het Ministerie van Defensie.

Dit vond plaats bij schrijven van de Direkteur van Defensie van 24 juli 1990 [nummer 3];

5. De ambtenaar [verzoeker] heeft vermoedelijk toen niet begrepen waar het in rechte om ging, heeft de nieuwe wind niet voelen waaien en heeft geweigerd te voldoen aan deze opdracht van zijn superieuren;

De eerste sanctie op dit plichtsverzuim van verzoeker was de voorlopige stopzetting van zijn salaris (waarvoor hij al niet werkte), hetgeen hem door de Direkteur van het Departement werd meegedeeld in dezelfde brief van 24 juli 1990 [nummer 3], hier bijgevoegd.

Verzoeker heeft zich duidelijk op een verkeerd standpunt gesteld, wanneer hij in zijn request zegt: ”dat van hem niet kan worden verlangd, dat hij werkzaamheden zou verrichten, terwijl zijn salaris niet aan hem werd uitbetaald”.

Verzoeker gaat, al of niet opzettelijk, voorbij aan het beginsel ”no work no pay” in artikel 28 lid 3 Personeelswet neergelegd.

Toen volgde terecht, de bekende Resolutie van 28 augustus 1991 [nummers 2 – variant] en werd aan verzoeker verder geen salaris uitgekeerd.

Met het voorgaande wordt de stellingname van verweerder in de punten 3 en 4 als onjuist door verweerder verworpen.

Ter oriëntatie van het Hof van Justitie worden hieronder nog enkele feiten gememoreerd die in onze gemeenschap algemeen bekend zijn:

a. Eiser is vanaf 01 januari 1984 gemachtigde van het schoonmaakbedrijf ANBA door hem en zijn echtgenote gesticht en gedreven.

b. Op 01 februari 1990 is door eiser, de heer [verzoeker], gesticht het [bedrijf], waarvan hij eigenaar en direkteur is.

Uittreksel terzake van de Kamer van Koophandel worden hier bijgevoegd ter kennisneming.

6. De zienswijze van verzoeker, dat hij niet gehoord zou zijn (punt 7 van zijn Inleidend request) althans niet behoorlijk is opgeroepen, mist feitelijke grondslag en wordt hierbij nadrukkelijk tegengesproken. De direkteuren van Departementen en zelfs hoofden van Administratieve diensten hebben steeds mandaat, om een zodanige oproep te doen aan het leger personeel.

Van strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur is er dan ook geen sprake.

De opvatting van verzoeker dat hij niet door het bevoegde gezag is gehoord is ook onjuist.

In zijn eigen mededeling, punten 3 en 4 van zijn Inleidend request alinea 2, zegt verzoeker, dat de direkteur hem had aangezegd dat hij zich moest verweren en dat hij dit niet heeft gedaan, doch in stede daarvan hem heeft bericht alsvolgt:

”Derhalve zal ik tot 01 augustus geen gebruik maken van Uw uitnodiging tot dienst hervatting en mij op één en ander manier financieel veilig stellen”.

Deze eigenhandig geschreven brief van [verzoeker], d.d. 25 juli 1990 wordt hierbij aan Uw Hof overgelegd, met verzoek deze als hierbij geïnsereerd en deeluitmakende van dit verweer te willen beschouwen.

Ook deelt verzoeker zelf mee, dat hij wist dat van hem werd verlangd, dat hij zich terzake binnen 48 (acht en veertig) uren schriftelijk moest verweren;

7. De mededeling van requestrant in zijn verzoekschrift in de punten 5 en 6 laten zien, hoe onordelijk en zelfs in strijd met het Recht, d.w.z. zijn bevoegdheid, een Militair-Onderdirekteur op het Ministerie van Defensie, een eerder door de Minister van Defensie, stopgezette (salaris)uitkering aan [verzoeker] heeft genegeerd, en volkomen onbevoegd heeft bewerkstelligd dat verzoeker die niet aan het werk kwam, en die dagelijks aan twee eigen particuliere bedrijven leiding geeft, toch zijn salaris kreeg uitgekeerd vanaf oktober 1991 tot en met december 1991.

Te dien aanzien wordt Uw Hof aangeboden, de brief van de Onder-Direkteur van Defensie (Luit. Kol. dhr. D.L. KAMPERVEEN) d.d. 10 oktober 1991 aan de heer [verzoeker], welke tot grondslag heeft gediend om aan betrokkene ondanks de brief van de Minister van Defensie d.d. 24 juli 1990 [nummer 4] (eerder aangehaald), toch nog verzoeker aan zijn salaris te helpen;

8. Verweerder spreekt de opvattingen van verzoeker, neergelegd in de punten 8 en 9 van het Inleidend request van verzoeker, tegen zoals eerder bleek, wilde verzoeker wel aan het werk onder de volgende voorwaarden:

1. Eerst moet zijn salaris binnen een week aan hem worden uitbetaald;

2. Hij wil uitsluitend op het Ministerie van Defensie aan de Gravenstraat werkzaam zijn;

3. Hij wil uitsluitend werkzaamheden verrichten van niet militaire aard. Van onbehoorlijk bestuur zijdens DE STAAT is hier geen sprake.

9. Verweerder doet tenslotte zeggen, dat hij op geen enkel wijze, enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden door te besluiten zoals de President deed in zijn Resolutie van 28 augustus 1991 [nummers 2];

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering c.q. hem deze zal worden ontzegd, alszijnde ongegrond, niet op de Personeelswet steunende en niet bewezen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 8 juni 1992 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr. E.C.M. HOOPLOT, advokaat Mr.Dr. C.D. OOFT, gemachtigde van verweerder en de heer H.H. HAIME, Direkteur van het Ministerie van Defensie, die hebben verklaard, gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna zij vonnis hebben gevraagd;

Overwegende, dat door het Hof bij rolbeschikking d.d. 7 januari 1994 overlegging van parlementaire stukken is gelast, welke stukken zijn overgelegd door de Griffier van het Hof van Justitie en waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat partijen zich hierna ten aanzien van voormelde stukken hebben gerefereerd en vonnis gevraagd, waarvan uitspraak aanvankelijk was bepaaad op 4 maart 1994, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker het Hof tijdig heeft geadieerd, opkomende tegen de resolutie van de President van de Republiek Suriname van 28 augustus 1991, Ministerie van Defensie, Bureau [nummers 2], zijnde het tegendeel gesteld noch gebleken;

Overwegende, dat de, ingevolge Rolbeschikking van het Hof d.d. 7 januari 1994, door het Hof verlangde parlementaire stukken betrekking hebbende op artikel 30 e.v. van de Personeelswet, door de Griffier van het Hof aan de Griffier van de Nationale Assemblée, zijn opgevraagd en door laatstgenoemde aan het Hof toegezonden, hebbende partijen zich met betrekking tot de inhoud dier stukken (mondeling) aan het oordeel van het Hof gerefereerd;

Overwegende, dat verzoeker op gronden in zijn verzoekschrift vermeld, heeft gevorderd, dat het Hof moge behagen om, optredende als Ambtenarengerecht, nietig te verklaren althans te vernietigen het besluit van verweerder vervat in de resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 28 augustus 1991 [nummers 2], meer speciaal voor wat betreft de daarin opgelegde tuchtstraf en het achteraf genomen besluit dat vanaf 25 juli 1990 aan verzoeker geen salaris zal worden uitbetaald, kosten rechtens;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet danwel onvoldoende weersproken, rechtens tussen partijen vaststaat:

1. – dat verzoeker blijkens in fotocopie overgelegde resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 19 april 1983 eervol ontslag is verleend uit Militaire dienst en tegelijk op het centraal kantoor van het Ministerie van Leger en Politie is aangesteld in de rang Stafambtenaar B 1e klasse en dat het blijkens de considerans van voormelde resolutie de bedoeling was dat verzoeker op het centraal kantoor zou worden belast met werkzaamheden van niet militaire aard;

2. – dat verzoeker zijn salaris en andere emolumenten steeds heeft uitbetaald gekregen, totdat deze uitbetaling per ultimo juli 1990 voorlopig werd stopgezet, nadat verzoeker door de Direkteur van Defensie werd uitgenodigd om over zijn rechtspositie te praten;

3. – dat het gesprek tussen verzoeker en de direkteur voornoemd over de door verzoeker te verrichten werkzaamheden niet tot het voor betrokkene gewenste resultaat heeft geleid;

4. – dat verzoeker dan ook geen werkzaamheden heeft verricht, hoewel naar hij onbetwist stelt, zich daartoe bereid toonde, zoudende verzoeker immers – aldus de considerans van de resolutie van 19 april 1984 op het centraal kantoor worden belast met werkzaamheden van niet militaire aard, de welke hij – wat daarvan ook moge zijn – niet aangeboden kreeg;

5. – dat verzoeker bij schrijven van de Direkteur van Defensie d.d. 21 augustus 1990 werd aangeschreven zich te verweren terzake het feit dat hij zich niet zou hebben aangemeld voor werkzaamheden;

6. Overwegende, dat volgens de gewraakte resolutie van 28 augustus 1991, verzoeker werd uitgenodigd zich te verweren, hebbende hij van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt;

7. Overwegende, dat als door verzoeker gesteld en door verweerder niet betwist, althans niet gemotiveerd, rechtens is komen vast te staan, dat verzoeker zich naar aanleiding van het schrijven van de Direkteur van Defensie, wel heeft verweerd en wel bij brief van 27 augustus 1990;

8. Overwegende, dat het besluit tot oplegging van de tuchtstraf van schorsing van verzoeker dan ook niet op een deugdelijke feitelijke grondslag berust;

8a. – dat het Hof opmerkt, dat de landsdienaar bij het opleggen van een tuchtstraf niet door het bevoegde gezag behoeft te worden gehoord, geschiedende zulks immers veelal door de directe Chef van betrokken landsdienaar;

9. Overwegende, dat de Personeelswet (P.W.)·geen bepaling bevat over de termijn waarbinnen een tuchtstraf moet worden.opgelegd (zo daartoe wordt besloten!);

9a. – dat evenwel de ten aanzien van een landsdienaar in acht te nemen zorgvuldigheid met zich brengt, dat een dergelijk besluit binnen een redelijke termijn wordt genomen;

9b. – dat de termijn van bijkans een jaar na het verweer van verzoeker, naar ’s Hoven oordeel, als te lang moet worden aangemerkt, nu geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken, die tot een andere conclusie zouden leiden;

10. Overwegende, dat ook op deze grond het gewraakte besluit tot oplegging van een tuchtstraf nietig is;

11. Overwegende, dat de vraag dient te worden gesteld en beantwoord, of verzoeker vanaf 25 juli 1990 onwettig van zijn werk afwezig was;

11a. – dat verzoeker als reden voor het niet voldoen aan de uitnodiging tot onmiddellijke diensthervatting, zich heeft beroepen op de onbevoegdheid van de Direkteur van Defensie zijn salaris te blokkeren;

11b. – dat het Hof opmerkt, dat in de desbetreffende brief van de Direkteur van Defensie van 24 juli 1990 sprake is van een ”voorlopige” stopzetting en wel op grond van het niet verrichten van werkzaamheden;

12. Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, het voor verzoeker duidelijk kon zijn, dat sprake was van stopzetting, totdat hij zich voor het verrichten van werkzaamheden had aangemeld;

12a. Overwegende, dat ook indien de Direkteur van Defensie of de Staat niet bevoegd zou zijn de uitbetaling van salaris stop te zetten, was verzoeker verplicht aan de uitnodiging (lees: opdracht) van zijn Chef gevolg te geven (vide art. 36 lid 1 P.W.), waarbij het verzoeker uiteraard vrijstond tegen het besluit tot de stopzetting van zijn salaris ter bevoegde instantie op te komen;

13. Overwegende, dat verzoeker mitsdien, naar ’s Hoven oordeel, terecht als onwettig afwezig aangemerkt is en wel in ieder geval vanaf 25 juli 1990;

14. Overwegende, dat thans de vraag beantwoord dient te worden of artikel 1614 b van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op ambtenaren;

14a. – dat artikel 28 lid 3 van de P.W. weliswaar bepaalt, dat de bepalingen van de P.W. betreffende loon, waartoe artikel 1614 b B.W. gerekend kan worden, van toepassing zijn, doch voorzover daarvan in de P.W. niet is afgeweken;

14b. – dat naar ’s Hoven oordeel, in artikel 30 lid 1 van de P.W. een zodanige afwijking kan worden gezien;

14c. – dat dus inhouding of korting op het salaris·van een ambtenaar slechts mogelijk is in de artikel 30 e.v. P.W. genoemde gevallen;

15. Overwegende, dat onder de door de Griffier van de Nationale Assemblée aan het Hof toegezonden stukken zich bevindt, het Decreet C-55 van 18 september 1981 tot wijziging van de Personeelswet (S.B. 1962 No. 195, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1980 No. 84), houdende een wijziging in artikel 30 P.W. (vide Staatsblad 1981 No. 148);

15a. – dat volgens de Nota van Toelichting, in artikel 30 van de P.W. een limitatieve opsomming is gegeven van inhoudingen of kortingen op het salaris van de landsdienaar;

16. Overwegende, dat het onderhavige geval nu, naar ’s Hoven oordeel, niet valt onder de in artikel 30 P.W. limitatief voormelde gevallen;

17. Overwegende tenslotte, dat het Hof na al het voorgaande en gelet op de wetsartikelen als hierboven aangehaald, tot het oordeel is gekomen, dat de gewraakte resolutie van 28 augustus 1991 [nummers 2 – variant], niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart nietig de resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 28 augustus 1991, Ministerie van Defensie, Bureau [nummers 2], voor wat betreft de daarin opgelegde tuchtstraf en het achteraf genomen besluit dat vanaf 25 juli 1990 aan verzoeker geen salaris zal worden uitbetaald.

SRU-HvJ-1994-19

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 15 april 1994
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en W.R. Willemzorg)

[verzoeker], militair-ambtenaar, reg. [nummer], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Wagenwegstraat no. 41 ten kantore van advokaat Mr. A.R. BAARH, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, (Ministerie van Defensie), in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, advokaat Mr. E.C.M. HOOPLOT, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker wenst de navolgende rechtsvordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME (het Ministerie van Defensie), in rechte vertegenwoordigd door de Edelgrootachtbare Heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, verweerder.

2. Verzoeker is te rekenen vanaf 16 februari 1989 in dienst van het Nationaal Leger als kortverbandvrijwilliger, hetgeen moge blijken uit de hierbij in fotocopie overgelegde arbeidsovereenkomst de dato 21 maart 1989. Gelet op het bepaalde van artikel II.I juncto II.V is deze arbeidsovereenkomst op 16 februari 1992 stilzwijgend verlengd voor de duur van een jaar. Gelet op de taak die hij zou dienen te vervullen en de omstandigheid, dat hij als student ingeschreven was bij de Faculteit der Maatschappijwetenschappen van de Universiteit van·Suriname, juridische studierichting, werd met hem tevens een studie-overeenkomst gesloten en wel op 21 maart 1989, hetgeen moge blijken uit de eveneens hierbij in fotocopie overgelegde onderhandse akte. Verzoeker verzoekt Uw Hof om de inhoud van vorenbedoelde producties als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.

3. Vóór de ondertekening van de arbeidsovereenkomst en wel op 21 februari 1989 werd aan verzoeker een overzicht van zijn carriëregang voorgehouden. Deze carriëregang wordt hierbij in fotocopie overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen. Verzoeker bleek alstoen, dat deze carriëregang, en met name punt (2) daarvan, niet in overeenstemming was met het bepaalde van artikel 3, lid 1, sub (c) van het Staatsbesluit van 5 augustus 1981 ter uitvoering van artikel 3 van de Dienstplichtwet, S.B. 1981 No. 118 (het Besluit Kortverbandvrijwilligers en Vrijwillig-nadienenden), volgens welke wettelijke bepaling de minimum schoolopleiding is, aan welke kwalificatie verzoeker als ingeschreven student aan de Universiteit alleszins voldeed.

4. Toen verzoeker tijdens vorenbedoeld gesprek te kennen gaf het met deze carriëregang niet eens te zijn, werd aan hem te verstaan gegeven, dat hij had te tekenen of anders te wachten op een latere lichting, reden waarom hij besloot voor accoord te tekenen. Na zijn indiensttreding heeft hij getracht alsnog een herziening van de door hem vastgestelde carriëregang te bewerkstelligen, hetgeen moge blijken uit de hierbij in fotocopie overgelegde correspondentie (brieven van verzoeker aan de Chef Staf Nationaal Leger de dato 24 april 1989, 10 juli 1989, 6 september 1989, 5 maart 1990, en aan het Hoofd Organisatie en Personeel de dato 1 februari 1990 en 28 november 1990), naar de inhoud waarvan verzoeker verwijst met het verzoek om die inhoud als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.

Op al deze pogingen om zijn rechtspositie ter discussie te stellen, werd niet gereageerd.

5. Vervolgens ging verzoeker in beklag bij de Bevelhebber van het Nationaal Leger en wel bij beklagschrift de dato 12 januari 1992. Toen ook op dit beklagschrift niet werd gereageerd, richtte hij zich bij beklagschrift de dato 16 april 1992 tot de Minister van Defensie. Verzoeker legt deze beklagschriften eveneens in fotocopie over met het verzoek om de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen. Ook hierop heeft hij geen enkele reactie verkregen.

6. Gelet op het bepaalde van de artikelen 78, lid 2, sub (b) jo. 80, lid 2 sub (u) van de Personeelswet is hij tijdig in beroep gekomen van de fictieve afwijzende beslissing van de Minister tot herziening van zijn rechtspositie.

7. Blijkens de hierbij in fotocopie overgelegde verklaring van de Dekaan van de Faculteit der Maatschappijwetenschappen de dato 11 juni 1992 heeft verzoeker op 8 oktober 1990 de B. I fase van zijn academische studie afgerond.

8. Verzoeker is de overtuiging toegedaan, dat hij in elk geval onmiddellijk na voltooiing van de Elementaire Algemene Opleiding had behoren te worden bevorderd tot de rang van Tweede Luitenant, zulks conform het bepaalde van artikel 3, lid 1, sub (c) van eerder aangehaald Besluit Kortverbandvrijwilligers en Vrijwillig-nadienenden. Voorts is verzoeker de overtuiging toegedaan, dat de carriëregang, zoals hem voorgelegd, en die genoodzaakt is geworden om voor accoord te tekenen, nietig is wegens strijd met vorenbedoeld wettelijk voorschrift. Uit de artikelen 2 en 3, lid 1, van het Besluit blijkt immers, dat personen, die als kortverbandvrijwilliger in dienst worden genomen, dienen te worden aangesteld in de rang, die bij de door hen genoten schoolopleiding past. Blijkens de strekking van het tweede lid van artikel 3 (”Op grond van opgedane ervaring op vaktechnisch gebied of genoten opleiding kan door de Minister, gehoord de Bevelhebber, van het in het vorig lid bepaalde worden afgeweken”.) is slechts een afwijking daarvan geoorloofd in die zin, dat een K.V.V. er kan worden aangesteld in een hogere rang dan die, welke hij op grond van zijn schoolopleiding heeft genoten. Het Besluit voorziet uitdrukkelijk niet in de mogelijkheid van aanstelling in een rang, lager dan die waarin betrokkene zou moeten worden aangesteld gelet op zijn vooropleiding.

Gelet op deze nietigheid, althans vernietigbaarheid van deze carriëregang mag men hem mitsdien niet houden aan zijn accoordverklaring en te meer niet, daar hij bij weigering ervan niet in dienst had kunnen treden. Aangezien hij bereids meer dan een jaar voordien had gesolliciteerd en in die tussenliggende periode geen andere passende arbeid had kunnen vinden, heeft men naar zijn overtuiging misbruik gemaakt van deze omstandigheid door op hem druk uit te oefenen in dier voege, dat men hem te verstaan heeft gegeven bij weigering alsdan niet in dienst te worden genomen.

9. Verzoeker heeft op 15 april 1989 de Elementaire Algemene Opleiding afgerond. Per 1 mei werd hij bevorderd tot Korporaal, in welke rang hij nog thans dient;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

1. dat het besluit tot bevordering van verzoeker in de rang van Korporaal, genomen per 1 mei 1989, zal worden vernietigd;

2. dat zal worden bepaald, dat verweerder verzoeker binnen één maand na betekening van het vonnis, als verzocht, met terugwerkende kracht te rekenen van 1 mei 1989 zal dienen te bevorderen tot de rang van Tweede Luitenant (effectief dan wel titulair), zulks op verbeurte van een dwangsom ad Sf. 100,– (EENHONDERD GULDEN) voor elke dag, waarop verweerder weigerachtig mocht blijken om tot die bevordering van verzoeker over te gaan;

Overwegende, dat van DE STAAT SURINAME geen verweerschrift is binnen gekomen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 23 maart 1993 in Raadkamer zijn verschenen verzoeker in persoon, advokaat Mr. TRUIDEMAN namens de gemachtigde van verzoeker en advokaat Mr. HOOPLOT gemachtigde van verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker bij repliek pleidooi produkties overgelegd;

Overwegende, dat het Hof vervolgens vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 18 maart 1994, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat ten processe vaststaat, dat verzoeker landsdienaar is (arbeidscontractant) in de zin van de Personeelswet;

Overwegende, dat verzoeker op de in zijn verzoekschrift aangevoerde gronden heeft gevorderd:

1. het besluit tot zijn bevordering in de rang van korporaal, genomen per 1 mei 1989, te vernietigen;

2. te bepalen dat verweerder hem, verzoeker binnen één maand na betekening van het vonnis, als verzocht, met terugwerkende kracht te rekenen van 1 mei 1989 zal dienen te bevorderen tot de rang van tweede luitenant (effectief dan wel titulair), zulks op verbeurte van een dwangsom van Sf. 100,– (EENHONDERD GULDEN) voor elke dag waarop verweerder weigerachtig mocht blijken om tot die bevordering van verzoeker over te gaan;

Overwegende, dat naar vaste rechtspraak aanvaarde leer, hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken kan worden gevorderd, limitatief is omschreven in artikel 79 van de Personeelswet;

Overwegende, dat nu hetgeen de verzoeker vordert (nietigverklaring van een besluit tot zijn bevordering en bevordering tot een rang) niet in de limitatieve opsomming van voormeld artikel is opgenomen, toewijzing van diens vorderingen reeds daarop afstuit;

Overwegende, dat verzoeker mitsdien niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.

SRU-HvJ-2000-2

H.M.
GENERALE ROL NO.13333.

[appellant],wonende te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M. HOOPLOT, advokaat,
appellant,

tegen

A. [geïntimeerde 1] wonende in [land], zonder bekend woonadres;
B. [geïntimeerde 2] wonende te [plaats 1] aan [adres 1];
C. [geïntimeerde 3] wonende in [land];
D. [geïntimeerde 4] echtgenote van [naam 1], wonende te [plaats 1] aan de [adres 2];
E. [geïntimeerde 5] weduwe van [naam 1], wonende te [ plaats 1] aan de [adres 3], door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr.H.E.STRUIKEN, advokaat,
geintimeerden,

De Vice-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 18 juni 1991 en 2 maart 1993 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 21 maart 1993 waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen:
a. [geïntimeerde 1] wonende in Nederland, zonder bekend woonadres.
b. [geïntimeerde 2] wonende te [district] aan de [adres 1]
c. [geïntimeerde 3], wonende in [land].
d. [geïntimeerde 3], echtgenote van [naam 2], wonende te [plaats 1 ] aan de [adres 2]
e. [geïntimeerde 4] weduwe van [naam 1], wonende te [adres 1] aan de [adres 3];
2. dat door gedaagden op 22 mei 1987 een akte is verleden ten overstaan van notaris R.Ramautar, residerende te Paramaribo, tot gedeeltelijke scheiding en deling van de nalatenschap van de te Paramaribo op 22 oktober 1980 ab intestaat overleden [naam 3], waarbij o.a. alsvolgt is toebedeeld:
I aan gedaagde sub d:
a. ”de blote eigendom van het erf met al hetgeen daarop staat, gelegen te Paramaribo aan de Tourtonnelaan bekend onder Nieuwe Wijk letter B no. 261a52 thans BR no.52”.
b. het perceelland, groot 271,3 m², gelegen in het distrikt Suriname, thans Paramaribo, ten westen van de Anamoestraat aangeduid op de kaart van de landmeter A.E.Calor d.d. 23 juli 1962 met de letters ABCD en op diens verzamelkaart d.d. 23 juli 1962 bekend als no.64, benevens de strook grond, uitmakende een deel van de langs voormeld perceel lopende weg, op voormelde kaart aangeduid met de letters ABba, welk perceel deel uitmaakt van het perceelland groot 3 ha,21a, gelegen in het distrikt Suriname ten westen van de Tourtonnelaan, aangeduid op de kaart van de landmeter A.E.Calor d.d. 9 mei 1962 vervaardigd naar de kaart van de landmeter F.Emanuels d.d. 15 september 1953 met de letters ABCDEF, deel uitmakende van een perceelland, groot 23 ha 70,7 m², gelegen in het distrikt Suriname, deel uitmakende van de plantage Tourtonne op de kaart van de landmeter F.Emanuels d.d. 3 augustus 1953 aangeduid met de letters ABCDEFGHK.
II aan gedaagde sub b
Het erf met daarop staande gebouwen gelegen te Paramaribo aan de Anniestraat bekend als BR.71.
III aan gedaagden sub a tot en met d tesamen:
a. de blote eigendom van het perceelland groot 75a, gelegen in het distrikt Suriname, thans Paramaribo aan de Hendrikstraat en deel uitmakende van de grond Mottonshoop no.73.
IV aan gedaagde sub e het levenslange recht van vruchtgebruik van alle voorschreven percelen;
3. dat de gehele akte van rechtswege nietig is, zijnde deze tot stand gekomen in strijd met de bepalingen van de Deviezenwet (G.B. 1947 no.136) i.h.b. art.12 sub f, art.13 sub g jo art.33, hebbende de gedaagden sub a tot en met c, die ten tijde van het passeren van de akte deviezen niet-ingezetenen in de zin der Wet waren, geen vergunning verkregen tot het passeren van de akte;
4. dat voorts blijkens pagina 3 en 4 van de akte de eiser het levenslange recht van vruchtgebruik heeft op de voorschreven percelenland, weshalve de toescheiding bij voormelde akte van het levenslange recht van vruchtgebruik van deze percelen aan gedaagde sub e nietig is, nu de gedaagden niet meer rechten aan gedaagde sub e konden toebedelen dan zij zelf hadden;
5. dat het de gedaagden bekend is, althans dat zij geacht worden bekend te zijn met het feit dat
voorschreven percelenland van de eiser zijn, hebbende hij deze krachtens tussen hem en de erflater van gedaagden bestaande mondelinge overeenkomst gesteld ten name van de erflater onder gehoudenheid van laatstgenoemde om de percelen wederom aan eiser in eigendom over te dragen bij de eerste aanmaning. Deze procedure is door eiser en de erflater van gedaagden gevolgd met de bedoeling de eiser te beschermen die toentertijd huwelijksproblemen had met zijn echtgenote;
6. dat gedaagden na de dood van de erflater zijn aangemaand om de percelen aan eiser over te dragen doch dat zij daarmede ingebreke zijn gebleven, althans weigerachtig zijn;
7. dat eiser gerechtigd is thans in rechte te vorderen dat gemelde percelen aan hem juridisch worden overgedragen en subsidiair dat gedaagden aan eiser zullen voldoen de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet, voor het geval zij niet langer in staat zouden zijn gemelde onroerende goederen aan eiser juridisch te leveren;
8. dat de erflater van gedaagden ondanks voorschreven afspraken en ondanks het feit dat eiser voor alsnog het levenslange recht van vruchtgebruik heeft over de hierboven in het 2e sustenu onder IIIa en b omschreven percelen, zand heeft afgegraven van deze percelen zonder toestemming van eiser en deze heeft door verkocht zonder de netto opbrengst aan eiser af te geven.
Door als voormeld te handelen heeft de erflater van gedaagden zich schuldig gemaakt aan wanprestatie, althans heeft hij gehandeld in strijd met zijn eigen rechtsplicht en het subjectief recht van eiser en in ieder geval in strijd met de zorgvuldigheid die hem in het maatschappelijk verkeer jegens eiser betaamt, weshalve hij gehouden is de schaden die eiser als gevolg daarvan met de schuld van de erflater van gedaagden daaraan heeft geleden aan hem te vergoeden.
Deze schade bedraagt voor de afgegraven hoeveelheid zand van 22500 m² a f.3,50 zijnde in totaal f.56.250,– van welk bedrag ook geen betaling van gedaagden is te bekomen;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard voorschreven akte van scheiding en deling verleden op 22 mei 1987 ten overstaan van notaris R.Ramautar.
b.PRIMAIR:
gedaagden zullen worden veroordeeld om binnen een door de rechter in goede justitie vast te stellen termijn in het 2e sustenu voorschreven onroerende goederen aan eiser notarieel over te dragen, onder verbeurte van een dwangsom van f.10.000,– voor elke dag waarop gedaagden in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen.SUBSIDIAIR:
gedaagden zullen worden veroordeeld tegen kwijting aan eiser te betalen de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet, vermeerderd met de rente hierover ad 6% per jaar vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening, zulks terzake van de niet levering van de onroerende goederen.
c. gedaagden voorts zullen worden veroordeeld om aan eiser tegen kwijting te betalen de som van f.56.250,– vermeerderd met de rente hierover ad 6% per jaar vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening, Kosten rechtens;
Overwegende, dat te dienende dage eiser en de gedaagden sub B en E vertegenwoordigd door hun respektieve gemachtigden Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.H.E.Struiken ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;
Overwegende, dat de gedaagden sub A,C en D niet ter terechtzitting zijn verschenen, waarna de Kantonrechter tegen de gedaagden sub A en C akte van niet verschijning heeft verleend, terwijl de Kantonrechter tegen de niet verschenen gedaagde sub D verstek heeft verleend;
Overwegende, dat ten dage voor overlegging A.R.S. ten aanzien van gedaagden sub A en C bepaald,
Mr.H.E. Struiken de Kantonrechter heeft medegedeeld dat hij zich als gemachtigde van gedaagden sub A, C en D aan de zaak stelt waarbij de gevolgen van het tegen hen verleende verstek is komen te vervallen;
Overwegende, dat hierna K.MOENNE e.a. als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:
dat de eiser in zijn vorderingen zowel het primair als subsidiair gevorderde niet zal worden ontvangen, althans deze aan hem zullen worden ontzegd als zijnde ongegrond en niet bewezen met opheffing van de gelegde beslagen en weigering van de van waarde verklaring, Kosten rechtens;
Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 18 juni 1991 op de daarin opgenomen gronden:
Alvorens verder te beslissen;
Eiser heeft toegelaten hem voor zover nodig ambtshalve heeft bevolen om door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen:
hetgeen is gesteld in 1.”de in het 5e ”dat” van het inleidend rekest gestelde tussen eiser en de erflater van gedaagden mondeling aangegane, overeenkomst”.
2. ”de in het 6e ”dat” van het inleidend rekest gestelde aanmaning”.
3. ”het afgraven van zand door de erflater van
gedaagden, een en ander als omschreven in het 8e ”dat” van het inleidend rekest, alsmede de aldaar gestelde schade”. En de dag voor het getuigenverhoor heeft bepaald;
Iedere verdere uitspraak heeft aangehouden;
Overwegende, dat eiser in de enquête peremptoir bepaald geen getuigen heeft doen horen, hebbende de Kantonrechter de enquête gesloten verklaard;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 2 maart 1993 op de daarin opgenomen gronden:
Nietig heeft verklaard de scheiding en deling van de nalatenschap van [naam 1], verleden ten overstaan van RAMDEW RAMAUTAR, notaris in Suriname, op 22 mei 1987;
De proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt;
Het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 2 maart 1993;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder D.E.Hew A Kee van 13 juli 1993 aan geïntimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat ten dage voor pleidooi bepaald, geen oproeping heeft plaatsgevonden waarna de zaak werd afgevoerd;
Overwegende, dat ten dage voor pleidooi nader bepaald, wederom geen oproeping heeft plaatsgevonden waarna de zaak nogmaals werd afgevoerd;
Overwegende, dat het Hof nadat de nodige termijn was verstreken en partijen rechtens geen aktie hebben ondernomen, de zaak voor verval van instantie heeft verklaard;
Overwegende, dat ten dage voor verval van instantie bepaald, de gemachtigde van appellant een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating verval van instantie heeft genomen;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens geïntimeerde bepaald, advokaat Mr.H.E.Struiken zich heeft gerefereerd ten aanzien van hetgeen appellant in zijn uitlating heeft gesteld;
Overwegende, dat het Hof vervolgens vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat uit het procesdossier blijkt dat tussen appellant als de eiser en geïntimeerden als gedaagden op 2 maart 1993 (A.R.No.90/5249) door de Kantonrechter in het Eerste Kanton vonnis is gewezen en uitgesproken, waarvan het dictum luidt: Verklaren nietig de scheiding en deling van de nalatenschap van Mohamed Ismael Moenne, verleden ten overstaan van Ramdew Ramautar, notaris in Suriname, op 22 mei 1987; compenseren de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt;
dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigden bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen;
dat de Kantonrechter de inhoud van gemeld vonnis bij aangetekende dienstbrief de dato 25 maart 1993 door de Griffier aan partijen heeft doen mededelen; dat eiser/appellant bij schrijven van diens raadman
Mr.E.C.M.Hooplot, Advokaat bij het Hof van Justitie, de dato 21 april 1993 van meergemeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld; dat bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, D.E.Hew A Kee de dato 13 juli 1993 No.389 aanzegging is gedaan aan geintimeerden van het door appellant ingesteld hoger beroep; dat de Griffier de tot de zaak betrekkelijke stukken, met het in de zaak opgemaakte proces-verbaal en een afschrift van het vonnis alsmede een uittreksel uit de in het register gehouden aantekening van beroep op 21 juli 1993 aan het Hof heeft gezonden; dat de betrekkelijke stukken, het in de zaak opgemaakte proces-verbaal en een afschrift van het vonnis alsmede een uittreksel uit de in het algemeen register gehouden aantekening van beroep door het Hof van Justitie zijn ontvangen op 27 juli 1993;
Overwegende, dat naar wijders uit het procesdossier blijkt de President van het Hof van Justitie bij beschikking de dato 13 oktober 1993 de dag en het uur, waarop de zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie zou dienen heeft bepaald en heeft, met in achtneming van de termijn van oproeping, voorgeschreven bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 13, partijen doen oproepen teneinde op 5 november 1993 te verschijnen;
Overwegende, dat, naar blijkt uit de aantekening van de griffier op pagina 3 van het Audiëntieblad van de terechtzitting van vrijdag, 5 november 1993 van welk audiëntieblad het Hof ambtshalve kennis heeft genomen, de zaak afgevoerd is omdat alstoen geen oproeping heeft plaatsgevonden;
Overwegende, dat naar eveneens uit het procesdossier blijkt de President van het Hof van Justitie bij beschikking de dato 17 november 1993 de dag en uur waarop de zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie zou dienen, nader heeft bepaald en heeft, met inachtneming van de termijn van oproeping, voorgeschreven bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 13, partijen doen oproepen teneinde op 4 februari 1994 te verschijnen;
Overwegende, dat naar blijkt uit de aantekening van de griffier op pagina 9 van het Audiëntieblad van de terechtzitting van vrijdag, 4 februari 1994, van welk audiëntieblad het Hof ambtshalve kennis heeft genomen, de zaak wederom afgevoerd is omdat alstoen ook geen oproeping heeft plaatsgevonden;
Overwegende, dat op pagina 11 van het Audiëntieblad van de terechtzitting van vrijdag, 4 augustus 2000 de zaak gestaan heeft voor: verval van instantie welke zaak alstoen uitgesteld is naar de terechtzitting van vrijdag, 6 oktober 2000 voor verval van instantie;
Overwegende, dat op pagina 11 van het Audiëntieblad van de terechtzitting van vrijdag, 6 oktober 2000, de zaak gestaan heeft voor verval van instantie; dat appellant alstoen heeft doen nemen en overleggen een conclusie tot uitlating over verval van instantie de dato 6 oktober 2000, bij welke conclusie appellant ondermeer heeft aangevoerd: sinds het appel in de onderhavige zaak is aangetekend door appellant is van zijnentwege er alles aan gedaan de zaak op de Rol van het Hof voor behandeling te doen plaatsen. Zulks is echter tot onlangs tevergeefs geweest. Eerst waren op de Griffie der Kantongerechten hindernissen om de zaak door te doen geleiden naar het Hof en vervolgens waren op het Hof zelf hindernissen om de zaak op de zol te krijgen. Al deze notoire hindernissen hebben gelegen buiten de invloedsfeer van appellant weshalve het thans in strijd met een redelijke uitleg van de desbetreffende wetsbepaling zou zijn om ten detrimente van appellant de zaak van instantie vervallen te verklaren. Het heeft beslist niet aan appellant gelegen dat over zo’n lange tijd niets in deze zaak is gebeurd. In tegendeel, heeft appellant er alle belang bij in deze zaak voort te procederen;
Overwegende, evenwel, dat uit de door het Hof aangegeven loop van de gebeurtenissen na de uitspraak van de Kantonrechter de dato 2 maart 1993 geenszins blijkt van hindernissen waarvan appellant gewag maakt in het 3e ”sustenu” van de conclusie tot uitlating over verval van instantie de dato 6 oktober 2000;
Overwegende, dat de bewering van appellant dan ook volkomen onjuist is en mitsdien van elke grond ontbloot; het Hof gaat daaraan dan ook geheel voorbij;
Overwegende, dat nu, naar het Hof gebleken is, de zaak binnen drie jaren tijds nà 4 februari 1994 niet is voortgezet dient de instantie in hoger beroep te worden verklaard te zijn vervallen; mitsdien zal worden beslist als na te melden;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Verklaart te zijn vervallen de instantie in hoger beroep;
Compenseert de proceskosten in hoger beroep gevallen in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 3 november 2000 in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.BALDEW namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en geintimeerden vertegenwoordigd door advokaat Mr.F.M.S.ISHAAK namens hun gemachtigde, advokaat Mr.H.E.STRUIKEN, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1994-18

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 15 april 1994
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en W.R. Willemzorg)

[verzoeker], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt Mr. R.W. VAN RITTER, advokaat, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Binnenlandse Zaken, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.Dr. C.D. OOFT, advokaat, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME (Ministerie van Binnenlandse Zaken), rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, verweerder;

2. dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet;

3. dat verzoeker op 2 december 1980 in dienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken is getreden en te werk gesteld bij het Centraal Bureau Burgerzaken te [plaats] in [district];

4. dat verzoeker thans de functie bekleedt van ambtenaar B 2e klasse;

5. dat verzoeker door de gevechtshandelingen, althans oorlogssituatie in [district] door illegale gewapende groepen en het Nationaal Leger was verzoeker niet in staat om in de periode van 1 mei 1987 tot en met 21 februari 1991 op het werk te verschijnen om de bedongen arbeid te verrichten, zoals ook is gesteld in het hierbij gevoegd schrijven van de Directeur van het Centraal Bureau voor Burgerzaken d.d. 2 april 1991;

6. dat verzoeker op 22 februari 1991 wederom in staat was om zijn werkzaamheden bij het C.B.B. te hervatten;

7. dat verzoeker over de periode van 1 mei 1987 tot en met 21 februari 1991 geen salaris heeft ontvangen, zijnde hem bij schrijven van de wnd. Directeur van Binnenlandse Zaken d.d. 22 juni 1992 [nummer 1] medegedeeld dat verzoeker die in genoemde periode de bedongen arbeid niet heeft verricht krachtens het bepaalde in artikel 23 lid 3 van de Personeelswet juncto 1614-b van het Surinaams Burgerlijk Wetboek geen aanspraak maakt op salaris;

8. dat bij schrijven van de raadsman van verzoeker aan de wnd. Directeur van Binnenlandse Zaken d.d. 31 augustus 1992 het verzoek is gedaan, op grond van de in dat schrijven vermelde gronden, zijn beslissing te herzien neergelegd in het schrijven d.d. 22 juni 1992 en aan verzoeker de gederfde inkomsten over de periode 1 mei 1987 tot en met 21 februari 1991 uit te betalen wordende hierbij een fotocopie gevoegd met het verzoek om de inhoud daarvan als hier herhaald te willen beschouwen;

9. dat bij schrijven van de wnd. Directeur van Binnenlandse Zaken van 30 oktober 1992 [nummer 2] aan de raadsman van verzoeker is medegedeeld dat door de Raad van Ministers is beslist dat aan landsdienaren die door de oorlogssituatie in het binnenland zich niet hebben aangemeld voor de dienst, bij aanmelding voor diensthervatting aan hen 6 maanden salaris vóór de periode van hun aanmelding wordt uitbetaald;

10. dat de door de wnd. Directeur van Binnenlandse Zaken aangehaalde raadsbeslissing niet bij het schrijven van 30 oktober 1992 is gevoegd zodat verzoeker zich bij gebrek aan wetenschap omtrent de inhoud van die beslissing niet kan uitlaten;

11. dat de raadsman van verzoeker bij schrijven d.d. 17 november 1992 gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken, waarvan hierbij een fotocopie wordt gevoegd met het verzoek om de inhoud daarvan als letterlijk hier herhaald te willen beschouwen heeft gesteld zich op grond van de in het schrijven aangehaalde gronden niet te kunnen verenigen met de beslissing om aan verzoeker slechts 6 maanden van de periode voor de diensthervatting van verzoeker aan salaris uit te betalen, zijnde het verzoek aan de minister gedaan om verzoeker over de gehele periode van 1 mei 1987 tot en met 21 februari 1991 uit te betalen niet gehonoreerd, hebbende verzoekers raadsman noch verzoeker op het genoemde schrijven aan de Minister van Binnenlandse Zaken enig bericht ontvangen;

12. dat verzoeker uitdrukkelijk wenst te stellen dat nu verweerder, althans het Ministerie van Binnenlandse Zaken erkent dat door overmacht verzoeker niet in staat was om de bedongen arbeid te verrichten in de periode van 1 mei 1987 tot en met 21 februari 1991, terwijl verzoeker daartoe wel bereid was, verweerder geen beroep kan doen op het bepaalde in artikel 1614-b van het Surinaams Burgerlijk Wetboek;

13. dat het bepaalde in artikel 1614-b van het Burgerlijk Wetboek: ”Geen loon is verschuldigd voor de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht” betrekking heeft op de gevallen waarbij de werknemer weigert om de bedongen arbeid te verrichten, of zich in een aan zijn schuld te wijten positie heeft gebracht dat hij niet in staat is de bedongen arbeid te verrichten hetgeen in casu niet het geval is;

14. dat nu buiten de schuld van verzoeker hij niet in staat was om de bedongen arbeid te verrichten, verweerder gehouden is om het salaris gedurende de periode waartoe hij daartoe niet in staat was aan hem uit te betalen;

15. dat nu verweerder heeft nagelaten om een beslissing ten aanzien van verzoeker te nemen, verzoeker gerechtigd is om het Hof als ambtenarengerecht te adiëren;

16. dat het besluit van verweerder om aan verzoeker slechts 6 maanden salaris uit te betalen niet alleen in strijd is met de wet, doch eveneens in strijd is met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur;

17. dat verzoeker op grond van overmacht niet in staat was om de bedongen arbeid te verrichten in de periode van 1 mei 1987 tot en met 21 februari 1991, verweerder althans het Ministerie van Binnenlandse Zaken gehouden is om het aan verzoeker toekomende salaris over die periode uit te betalen;

18. dat verzoeker in 1987 een inkomen genoot van f. 536,- per maand, vermeerderd met een bedrag van f. 30,- per maand aan standplaatstoelage;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

a. dat bij vonnis het besluit van de wnd. Directeur van Binnenlandse Zaken d.d. 30 oktober 1992 [nummer 2] zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;

b. dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, verweerder, althans het Ministerie van Binnenlandse Zaken zal worden veroordeeld om aan verzoeker tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het salaris over de periode van 1 mei 1987 tot en met 21 februari 1991 vermeerderd met standplaatstoelage en jaarlijkse periodieke-verhogingen en andere financiële voordelen die ten aanzien van de funktie van verzoeker tot stand zijn gekomen in voormelde periode met de rente daarover ad 6% ’s jaars vanaf de dag van indiening van het rekest tot die der algehele voldoening, kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de bij de wet gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarin als verweer wordt aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend, met beroep op de onsplitsbaarheid van zijn stellingen en biedt bewijs aan door alle middelen rechtens in het bijzonder door getuigen. Verweerder erkent dat verzoeker ambtenaar is;

2. In het jongste verleden heeft het zich voorgedaan dat personen die voor het één of ander ministerie in het binnenland werkzaam waren, door oorlogshandelingen of anderszins plotseling van het werk wegbleven en zich daarna niet meer op het werk hebben aangemeld.

Ten aanzien van deze landsdienaren is er wisselend een beleid gevoerd, waarbij voor degenen die zich bij de in verzetzijnde binnenlandse commando’s hadden aangesloten als ”onwettig afwezig” werden gekwalificeerd en geen uitkering kregen, omdat zij reeds elders loon of salaris hebben ontvangen;

3. De regering heeft zich over deze aangelegenheid nader beraden. De Raad van Ministers heeft te dezen aanzien nog onlangs besloten om alle landsdienaren die door de oorlogssituatie in het binnenland weerhouden waren om hun dienst te hervatten, en die zich mochten aanmelden weer in dienst te nemen en het ontbeerde loon ten volle (vanaf hun afwezigheid) uit te betalen.

De vorige beslissing van de Raad van Ministers dat zulks zou geschieden vanaf 1 januari 1991 werd ook ingetrokken.

Ter oriëntatie van het Hof van Justitie wordt hierbij de desbetreffende beslissing van de Raad van Ministers van 2 juni 1993 [nummer 3] ter vertrouwelijke kennisneming bijgevoegd, met verzoek dit besluit (met voor de dienst nog interne administratieve werking) als van dit verweer deel uitmakende en hierbij geïnsereerd te willen beschouwen.

Aan het besluit van de Raad van Ministers dient uitvoering te worden gegeven door middel van een beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

– dat het verhoor van partijen voor nog enige tijd, althans voor een periode door het Hof van Justitie te bepalen, zal worden aangehouden;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 5 juli 1993 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr. R.W. VAN RITTER, advokaat Mr.Dr. C.D. OOFT, gemachtigde van verweerder en de heer M.C. GRETNA, onder-Direkteur van het Ministerie van Binnenlandse Zaken namens verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens verzoeker bepaald de gemachtigde van verweerder produkties heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating produkties zijdens verzoeker peremptoir bepaald, deze niet is overgelegd, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 1 april 1994, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker in het onderhavige geding vordert vernietiging van het besluit van de Direkteur van Binnenlandse Zaken d.d. 30 oktober 1992 [nummer 2], welk besluit haar grondslag had in de beslissing van de Raad van Ministers van 24 mei 1991 [nummer 4];

– dat deze beslissing van de Raad van Ministers inmiddels is ingetrokken bij beslissing van de Raad van Ministers van 2 juni 1993 [nummer 3], welke laatste beslissing inmiddels in een resolutie is vastgelegd van 5 augustus 1993 No. 4864, afgekondigd in het Staatsblad 1993 No. 60, inhoudende dat de uitbetaling van het ontbeerde loon ten volle zal worden uitbetaald, indien aanmelding daartoe binnen 6 (zes) maanden na dagtekening van deze resolutie daartoe schriftelijk het verzoek is gedaan aan de leiding van het Departement waaronder de landsdienaar ressorteerd;

– dat aan verzoeker inmiddels uitbetalingen hebben plaatsgevonden, waarvan verzoeker thans specificatie van verweerder verlangt;

Overwegende, dat nu de vernietiging van de aangevochten beslissing van de Direkteur van Binnenlandse Zaken als voormeld niet langer valide is, kan verzoeker niet langer worden ontvangen in zijn vorderingen sub a en b, zijnde de vordering sub b toch een sequeel van de vordering sub a;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker alsnog niet-ontvankelijk in zijn vordering.

SRU-HvJ-1994-17

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 15 april 1994
(Mrs. A.C. Veldema, E.S. Ombre en A.I. Ramnewash)

[verzoekster], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. E. NAARENDORP, advokaat, verzoekster,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, m.n. het Ministerie van Justitie en Politie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt Mr. G. GANGARAM PANDAY, advokaat, verweerder.

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend daarbij stellende:

1. Verzoekster wenst de navolgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, verweerder.

2. Verzoekster is bij beschikking d.d. 10 augustus 1974 [nummer 1], in tijdelijke dienst aangesteld tot opzichter 4e klasse bij de dienst der Delinquentenzorg van het Ministerie van Justitie en Politie, te rekenen van 1 maart 1974. Bij beschikking d.d. 21 juli 1977 [nummer 2] is deze tijdelijke aanstelling omgezet in een definitieve, te rekenen van 1 maart 1977.

3. Bij beschikking d.d. 30 november 1990 is verzoekster bevorderd tot Hoofd Penitentiaire Ambtenaar 3e klasse rekenen van 1 september 1990.

4. Verzoekster is werkzaam in de Centrale Penitentiaire Inrichting te [adres].

5. Bij schrijven d.d. 3 mei 1992, afkomstig van de Directeur van de Centrale Penitentiaire Inrichting, is verzoekster erop geattendeerd dat ze in strijd met de in de Inrichting geldende regels, toestemming had verleend aan relaties van de gedetineerde [naam 1] om etenswaren te bezorgen, die door eerder genoemde gedetineerde genuttigd waren.

Verzoekster werd opgedragen zich binnen 1 x 24 uur te verweren, hetgeen ze ook deed bij schrijven d.d. 6 mei 1992.

6. Verzoekster ging in haar verweerschrift uitvoerig in op het haar ten laste gelegde feit, waarbij ze ook uitlegde dat ze niet ten behoeve van [naam 1], maar ten behoeve van [naam 2] etenswaren had aangenomen, die door laatstgenoemde ook genuttigd zijn.

7a. Bij resolutie d.d. 1 maart 1993 [nummer 3] werd aan verzoekster de tuchtstraf van geldboete opgelegd wegens plichtsverzuim. Het plichtsverzuim bestond uit het in ontvangst nemen van consumptie ten behoeve van [naam 1], welke consumptie door haar genuttigd zou zijn.

Dit verweerschrift werd geretourneerd bij schrijven d.d. 11 mei 1992 van de directeur voornoemd. Gedaagde verweerder zich toen noodgedwongen erg summier bij schrijven van 11 mei 1992.

7b. Verzoekster legt hierbij over:

2 resoluties respectievelijk d.d. 30/11/1990 en 1/3/1993,

1 beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 10/8/1974,

2 brieven van de Directeur van de Centrale Penitentiaire Inrichting respectievelijk d.d. 3/5/1992 en 11/3/1992,

2 verweerschriften respectievelijk d.d. 6/5/1992 en 11/3/1992, met het verzoek de inhoud hiervan als hierbij letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen.

8. Verzoekster is dus ten onrechte gestraft voor een feit waaraan zij zich niet heeft schuldig gemaakt, zonder dat verweerder rekening heeft gehouden met het verweer van verzoekster. Deze resolutie is door volslagen gebrek aan grondslag in strijd met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur en komt op grond van artikel 79 van de Personeelswet in aanmerking voor vernietiging.

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

– dat bij vonnis de resolutie d.d. 1 maart 1993 [nummer 3] zal worden vernietigd;

Overwegende, dat van DE STAAT SURINAME binnen de bij de Wet gestelde termijn een verweerschrift is binnen gekomen waarbij als verweer is aangevoerd:

– dat verzoeksters vordering aan haar zal worden ontzegd als zijnde ongegrond;

Overwegende, dat ingevolge ‘s Hofs beschikking van 7 oktober 1993 in Raadkamer zijn verschenen, verzoekster in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde advokaat Mr. E. NAARENDORP, advokaat Mr. J.C.P. NANNAN PANDAY namens advokaat Mr. G. GANGARAM PANDAY, gemachtigde van verweerder en Mevr. P. SANICHAR, hoofd Beheer der Inrichtingen, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak hierna bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd en bij repliek en dupliek pleidooi hebben gepersisteerd bij hun stellingen;

Overwegende, dat het Hof vervolgens vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat tussen partijen in confesso rechtens vaststaat dat verzoekster is ambtenaar in de zin der wet;

Overwegende, dat aan verzoekster bij resolutie d.d. 1 maart 1993 tuchtstraf is opgelegd en dat verzoekster op 5 juli 1993 de vordering tot nietig verklaring van deze resolutie heeft ingesteld;

Overwegende, dat nu het Hof niet is gebleken dat vermelde resolutie langer dan een maand voor 15 juli 1993 aan verzoekster bekend is geworden, zij op grond van het voorgaande en hierdoor in haar vordering ontvankelijk is;

Overwegende, dat als niet betwist rechtens tussen partijen vaststaat dat in vermelde resolutie is opgelegd de tuchtstraf zoals omschreven in bedoelde resolutie op grond dat zij, verzoekster ten behoeve van [naam 1] consumptie in ontvangst zou hebben genomen;

Overwegende, dat eveneens rechtens tussen partijen vaststaat dat verzoekster op het in vermelde resolutie gestelde tijdstip anders dan daarin opgenomen ten behoeve van [naam 2] consumptie had aangenomen, zodat de vermelding van [naam 1] in de resolutie onjuist is;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat hierdoor bedoelde resolutie een juiste feitelijke grondslag ontbeert, zodat die nietig is en derhalve nietig dient te worden verklaard;

Overwegende, dat door deze beslissing het Hof niet behoeft in te gaan op de overige stellingen en weren van partijen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart nietig de resolutie d.d. 1 maart 1993 waarbij aan verzoekster tuchtstraf is opgelegd.

 

SRU-HvJ-1994-16

Hof van Justitie
15 april 1994, G.R. 13320
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, W.R. Willemzorg)

[bedrijf], rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te [district] aan [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. C. Ch. Bhagwandin, advocaat, appellante,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district] aan [adres 2], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. B.A. Halfhide, advocaat, geïntimeerde.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, van 16 februari 1993 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 16 maart 1993, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. Eiser wenst de navolgende vordering op verkorte termijn in te stellen tegen [bedrijf], rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te [district] aan [adres 1], gedaagde.

2. Blijkens hierbij in fotokopie overgelegde arbeidsovereenkomst is eiser op 1 januari 1995 in dienst getreden van gedaagde in de funktie van Directeur.

3. Blijkens hierbij in fotokopie overgelegde brief van 6 mei 1991 zou eiser zijn ontslagen door gedaagde en wel per 6 augustus 1991.

Dit ontslag is nietig, in ieder geval niet rechtsgeldig en wel om de volgende reden.

Het ontslag is verleend in strijd met artikel 2 van het “Decreet Ontslagvergunning”. Ingevolge die bepaling kan een werknemer slechts worden ontslagen na vooraf verleende vergunning door of namens de Minister van Arbeid.

Onder het begrip “Werknemer” in de zin van voormelde wettelijke regeling valt ook de direkteur van een naamloze vennootschap die, zoals eiser, een arbeidsovereenkomst met de vennootschap is aangegaan. (Vide vonnis Hof van Justitie d.d. 12 december 1986, G.R. no. 12425, EBS/Emanuels).

Bij dit vonnis is verder beslist, dat de werkgever de dienstbetrekking pas rechtmatig kan opzeggen na verkrijging van de ontslagvergunning, waarna pas de van toepassing zijnde opzeggingstermijn kan ingaan.

Er is voor het onderhavige ontslag geen ontslagvergunning verleend en derhalve is het ontslag overeenkomstig artikel 7 van het “Decreet Ontslagvergunning” van rechtswege nietig.

4. Het is eiser ter ore gekomen dat gedaagde, althans de aandeelhouder van gedaagde, doende is een nieuwe direkteur te benoemen, hetgeen ernstige afbreuk kan doen aan de positie van eiser als direkteur en hem terzake zijn functionering in een onmogelijke positie kan plaatsen, nu de huidige statuten van gedaagde één (1) direkteur kennen.

Voorts weigert gedaagde eiser in de gelegenheid te stellen de bedongen werkzaamheden uit te oefenen, althans naar behoren te verrichten.

5. Het salaris van eiser bedraagt Sf. 7.200,– per maand. Gedaagde is voornemens de uitbetaling van het salaris na 6 augustus 1991 stop te zetten. Eiser geniet geen ander inkomen en is aangewezen op het van gedaagde te ontvangen salaris.

6. Ingevolge artikel 7 van de arbeidsovereenkomst genieten eiser, zijn echtgenote en de tot zijn gezin behorende kinderen vrije geneeskundige behandeling zoals aangegeven in deze kontraktbepaling. Gedaagde is voornemens deze aanspraak na 6 augustus 1991 niet meer te honoreren.

7. Ingevolge artikel 9 van de arbeidsovereenkomst maakt eiser aanspraak op een dienstauto. Gedaagde heeft de dienstauto tot zich genomen en weigert deze aan eiser af te staan, terwijl eiser niet in het bezit is van een vervoermiddel.

8. Ingevolge de arbeidsovereenkomst maakt eiser aanspraak op de volgende emolumenten:

a. de jaarlijkse periodieke verhoging van het maandsalaris met Sf. 100,–, krachtens artikel 2 sub 2 van de arbeidsovereenkomst;

b. de bonus uitkering (kerstgratificatie) gelijk aan één (1) maand salaris, krachtens artikel 4 van de arbeidsovereenkomst;

c. de vakantietoeslag gelijk aan het laatstgenoten maandsalaris, krachtens artikel 3 sub 4 van de arbeidsovereenkomst;

d. voortzetting van eisers persoonlijke ongevallenverzekering, zoals bedoeld in artikel 5 van de arbeidsovereenkomst, naar rato van een bedrag van Sf. 150.000,–;

e. voortzetting van de op basis van de bijdragegrondslag·door gedaagde te verrichten storting van de pensioenpremie, overeenkomstig artikel 6 sub 1 van de arbeidsovereenkomst.

9. Gelet op het vermeend ontslag en buitenfunktiestelling en de mededeling op grond daarvan zijdens gedaagde, dat na genoemde datum van 6 augustus 1991 niet tot verdere uitbetaling van salaris en emolumenten zal worden overgegaan, bestaat gegronde vrees dat gedaagde haar verplichting tegenover eiser niet zal nakomen, zodat eiser reeds thans belang heeft de nakoming daarvan in rechte te vorderen.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht zal worden verklaard dat het aan eiser bij schrijven d.d. 6 mei 1991 verleende ontslag nietig is, althans voormeld ingaande 6 augustus 1991 aan eiser verleend ontslag zal worden nietig verklaard;

b. gedaagde zal worden bevolen eiser in de gelegenheid te stellen zijn funktie van direkteur van gedaagde uit te oefenen overeenkomstig de terzake relevante wettelijke en statutaire bepalingen, met bepaling dat gedaagde aan eiser ten titel van dwangsom zal verbeuren Sf. 1.000,– voor iedere dag of keer dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen;

c. gedaagde zal worden verboden eiser overigens belemmeringen of beletsels in de weg te leggen bij de uitoefening van zijn funktie van direkteur anders dan krachtens de wet of statuten geoorloofd is, met bepaling dat gedaagde aan eiser ten titel van dwangsom zal verbeuren, Sf. 1.000,– voor iedere dag of keer dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen;

d. gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen zijn salaris van Sf. 7.200,– maandelijks, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag van verschuldigdheid van het loon tot aan die der algehele voldoening van het verschuldigde;

e. gedaagde zal worden bevolen om aan eiser de terzake vereiste medewerking te verlenen ter realisatie van eisers aanspraak op vrije geneeskundige behandeling zoals vermeld in artikel 7 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, met bepaling dat gedaagde aan eiser ten titel van dwangsom zal verbeuren Sf. 1.000,– voor iedere dag of keer dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen;

f. gedaagde zal worden veroordeeld de dienstauto ter beschikking van eiser te stellen en alle brandstof- en onderhoudskosten nodig voor de uitoefening van eisers werkzaamheden voor haar (gedaagdes) rekening te nemen, zulks zoals bedoeld in artikel 9 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, met bepaling dat gedaagde aan eiser ten titel van dwangsom zal verbeuren Sf. 1.000,– voor iedere dag of keer dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen;

g. gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser zijn aanspraak op jaarlijkse periodieke verhoging toe te kennen en dienovereenkomstig zijn salaris jaarlijks te verhogen krachtens artikel 2 sub 2 van de arbeidsovereenkomst;

h. gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser zijn aanspraak op bonus uitkering (kerstgratificatie) gelijk aan één (1) maand salaris toe te kennen en dienovereenkomstig krachtens artikel 4 van de arbeidsovereenkomst gelijk met het salaris over de maand december uit te betalen;

i. gedaagde zal worden veroordeeld tot voortzetting van eisers persoonlijke ongevallenverzekering zoals bedoeld in artikel 5 van de arbeidsovereenkomst, met bepaling dat gedaagde aan eiser ten titel van dwangsom zal verbeuren Sf. 1.000,– voor iedere dag of keer dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen;

j. gedaagde zal worden veroordeeld tot voortzetting van de storting van de pensioenpremie ten behoeve van eiser zoals genoemd in artikel 6 sub I van de arbeidsovereenkomst, met bepaling dat gedaagde aan eiser ten titel van dwangsom zal verbeuren Sf. 1.000,– voor iedere dag of keer dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen; kosten rechtens;

Overwegende, dat [bedrijf] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van een produktie – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze hem zullen worden ontzegd, alszijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie van repliek en uitlating produkties heeft genomen, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie van dupliek heeft genomen, waarvan de inhoud ook hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 16 februari 1993 op de daarin opgenomen gronden:

A. Voor recht heeft verklaard dat het bij schrijven d.d. 6 mei 1991 aan eiser verleende ontslag nietig is;

B. Gedaagde heeft veroordeeld om, zolang de tussen partijen bestaande dienstbetrekking voortduurt:

1. aan eiser de benodigde medewerking te verlenen ter realisatie van zijn aanspraak op vrije geneeskundige behandeling zoals vermeld in artikel 7 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst;

2. de dienstauto ter beschikking van de eiser te stellen;

3. eisers persoonlijke ongevallenverzekering zoals bedoeld in artikel 5 van de arbeidsovereenkomst voort te zetten;

C. Gedaagde heeft veroordeeld om voor iedere dag of iedere keer dat zij in gebreke blijft aan voormelde veroordeling te voldoen ten titel van dwangsom aan eiser te betalen de som van Sf. 1.000,– (eenduizend gulden);

D. Gedaagde heeft veroordeeld om, zolang de tussen partijen bestaande dienstbetrekking voortduurt, overeenkomstig artikel 2 sub 2 van de arbeidsovereenkomst, de jaarlijkse periode verhoging aan eiser toe te kennen;

E. Gedaagde heeft veroordeeld om, zolang de tussen partijen bestaande dienstbetrekking voortduurt, overeenkomstig artikel 4 van de arbeidsovereenkomst aan eiser de kerstgratifikatie toe te kennen en uit te betalen;

Dit vonnis tot zover vermeld sub B tot en met E uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 85,75 (vijf en tachtig 75/100 gulden);

Het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [bedrijf] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 16 februari 1993;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel van 7 juli 1993 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak was bepaald op 21 januari 1994;

Overwegende, dat het Hof bij rolbeschikking d.d. 21 januari 1994 overlegging van een arbeidsovereenkomst zijdens geïntimeerde heeft bevolen;

Overwegende, dat de gemachtigde van geïntimeerde een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot overlegging produktie heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant hierna een eveneens hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;

Overwegende, dat partijen vervolgens vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 18 maart 1994, doch nader op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat appellante tijdig in hoger beroep is gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 16 februari 1993;

Overwegende, dat appellante vijf grieven tegen het beroepen vonnis heeft aangevoerd, luidende:

Grief 1:“De Kantonrechter heeft verzuimd de door geïntimeerde aan zijn vordering tegen grondslag gelegde arbeidsovereenkomst op de juiste wijze te interpreteren c.q. te onderzoeken, teneinde na te gaan welke de bedoeling der partijen bij het aangaan van die overeenkomst is geweest”.

Grief 2: “De Kantonrechter heeft derhalve tengevolge van dit verzuim ook niet kunnen vaststellen of de eerder aangehaalde overeenkomst een is voor bepaalde tijd danwel voor onbepaalde tijd aangegaan”.

Grief 3: “De Kantonrechter heeft geheel ten onrechte vastgesteld en aangenomen dat appellante de stelling van geïntimeerde dat het Decreet Ontslagvergunning op hem in zijn verhouding tot de appellante van toepassing is niet heeft betwist”, (zie 5e rechtsoverweging).

Grief 4: “De Kantonrechter heeft, doordat hij het karakter en de strekking van voormelde arbeidsovereen-komst niet heeft onderzocht en vastgesteld, ten onrechte beslist dat het Decreet Ontslagvergunning op de (arbeids-) verhouding van partijen van toepassing is”.

Grief 5: “De Kantonrechter zou bij een gedegen onderzoek en uitleg van de desbetreffende arbeidsovereen-komst zeker tot een ander besluit zijn gekomen dan door hem aangenomen en vastgesteld in rechtsoverweging No. 9 omtrent de in artikel 3 van het Decreet ontslagvergunning genoemde uitzonderingen”;

hebbende appellante deze grieven uitvoerig toegelicht, met conclusie, dat het het Hof moge behagen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 16 februari 1993, waartegen beroep, te vernietigen en dat het Hof moge behagen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 16 februari 1993, waartegen beroep, te vernietigen en dat het Hof opnieuw rechtdoende geïntimeerde in zijn vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans hem deze zal ontzeggen als zijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat de geïntimeerde de door appellante aangevoerde grieven heeft bestreden, met conclusie, dat het het Hof moge behagen het beroepen vonnis te bevestigen, met uitzondering van de afwijzing van petitum sub d en terzake daarvan opnieuw rechtdoende appellante te veroordelen aan geïntimeerde te voldoen zijn salaris ad Sf. 7.200,– maandelijks, te rekenen van 6 augustus 1991, zoals in petitum sub d verzocht;

Overwegende, dat geïntimeerde in het eerste “sustenu” en antwoord pleidooi d.d. 8 oktober 1993 opkomt tegen de overweging van de Kantonrechter, dat hij eiser (geïntimeerde) niet heeft gesteld dat hij bereid was gedurende voormelde periode de bedongen arbeid te verrichten, zodat hij niet kan worden ontvangen in zijn vordering, hebbende geïntimeerde ter weerlegging van deze overweging aangevoerd, dat appellante hem, – geïntimeerde – de toegang tot het terrein van appellante heeft ontzegd, weshalve geïntimeerde de bedongen werkzaamheden niet kan/kon verrichten;

dat geïntimeerde overigens door het indienen van de vordering te kennen heeft gegeven arbeid te willen verrichten, temeer daar hij gevorderd heeft appellante te bevelen hem (geïntimeerde) in de gelegenheid te stellen zijn functie uit te oefenen, hebbende geïntimeerde geconcludeerd tot bevestiging van het beroepen vonnis met uitzondering van de afwijzing van het petitum sub d en terzake daarvan opnieuw rechtdoende appellante te veroordelen aan geïntimeerde te voldoen zijn salaris ad Sf. 7.200,– maandelijks, te rekenen van 6 augustus 1991, zoals in petitum sub d verzocht;

Overwegende, dat appellante bij repliek pleidooi d.d. 5 november 1993 tegen voormelde stellingen heeft ingebracht, dat, nu geïntimeerde tegen het vonnis van 16 februari 1993 niet in appèl is gegaan, hetgeen impliceert dat hij zich met het vonnis a quo in zijn geheel kan verenigen, daarop geen acht dient te worden geslagen en appellants op die stellingen ook niet (verder) zal ingaan;

Overwegende, dat geïntimeerde bij dupliek-pleidooi d.d. 17 december 1993 heeft gesteld, dat door het appèl van appellante de zaak in haar volle omvang is onderworpen aan het oordeel van het Hof;

dat appellante – aldus geïntimeerde – ervan uitgaat dat de devolutieve werking van het appèl hier van toepassing is, hetgeen niet juist is, daar niet geïntimeerde in beroep is gegaan tegen onderdelen van het dictum, waarbij onderdelen van zijn vordering zijn toegewezen;

dat in het Surinaams rechtssysteem geïntimeerde bij incidentieel appèl zou kunnen appelleren tegen onderdelen van het dictum, hetgeen in casu niet mogelijk is, daar appellante geen memorie van grieven heeft ingediend en geïntimeerde alzo niet bij incidentieel appèl zijn grieven tegen het vonnis in eerste aanleg gemotiveerd kon voordragen;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat als niet juist kan worden aanvaard, dat de rechter in hoger beroep het gehele geschil tussen partijen, zoals dit aan het oordeel van de rechter in eerste aanleg onderworpen is geweest, geheel en in volle omvang opnieuw in behandeling neemt, vermits anders het in de wet opgenomen instituut van het incidentieel appèl (artikel 267 en 274 van vermeld wetboek) volmaakt overbodig zou zijn;

Overwegende, dat derhalve op de door de geïntimeerde aangevoerde stelling alleen dan zou kunnen worden ingegaan, indien geïntimeerde zijnerzijds in elk geval incidentieel appèl tegen vermeld vonnis zou hebben ingesteld, doch nu hij dit nagelaten heeft, het vonnis a quo, zover dit ten gunste van appellants is gewezen, in hoger beroep niet meer in beschouwing kan worden genomen, ten ware het Hof krachtens artikel 52 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of een bepaling van openbare orde zich genoodzaakt zou zien hier in afwijking van de Kantonrechter een in het nadeel van appellante strekkende beslissing te geven, waarvan echter ten deze geen sprake is;

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van geïntimeerdes tegenwerping bij dupliek-pleidooi opmerkt, dat deze niet opgaat, vermits ook al wordt in de praktijk de memorie van geïntimeerde veelal aangeduid als de “memorie van antwoord”, nergens het indienen van een memorie door geïntimeerde afhankelijk wordt gesteld van het overgelegd zijn van een memorie door appellante, waarop zou moeten worden geantwoord (vide Vs. HvJ. d.d. 5 nov. 1954, S.J. 1954 No. 26 inz. C.J. Bloem e.a. c/a N.V. Sur. Houtmij);

Overwegende, dat het Hof in dit verband nog opmerkt, dat artikel 274 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als termijn, waarbinnen geïntimeerde bevoegd is een memorie in te dienen en daarbij incidenteel te appelleren, dertig dagen “na de dagtekening van de aanzegging van het beroep” noemt en niet “na de dag van betekening van het afschrift van de memorie (van eis)”; vide naschrift J.D.C. onder HvJ 5 nov. 1954, S.J. ‘54 No. 26);

Overwegende, dat partijen blijkens haar stellingen het er over eens zijn, dat de tussen hen bestaande rechtsverhouding, gerelateerd in de zich onder de gedingstukken bevindende niet betwiste c.q. niet van valsheid betichte akte in fotokopie d.d. januari 1985, een arbeidsovereenkomst is, althans alszodanig te kwalificeren is;

Overwegende, dat appellante van oordeel is, dat die arbeidsovereenkomst één is voor bepaalde tijd aangegaan, want een overeenkomst is voor bepaalde tijd aangegaan, indien het tijdstip van beëindiging op grond van de overeenkomst of het reglement, van de wet of van het gebruik, van te voren objectief is vast te stellen, daarbij refererend aan Asser-Kamphuizen, bijz. overeenk., derde druk blz.409, terwijl geïntimeerde, onder verwijzing naar het tussen partijen uitdrukkelijk overeengekomen, de mening is toegedaan, dat de door partijen gesloten arbeidsovereenkomst één is voor onbepaalde tijd aangegaan;

Overwegende, dat het Hof, anders dan appellante, van oordeel is, dat in casu sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan, nu geen einddatum van de arbeidsverhouding tussen partijen blijkt te zijn overeengekomen;

Overwegende, dat nu er geen sprake is, van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan, artikel 3 lid 1 sub b van het “Decreet Ontslagvergunning”, waar appellante zich uitdrukkelijk op beroepen heeft, toepassing mist;

Overwegende, dat appellante, naar geïntimeerde terecht heeft gesteld, de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst niet had mogen beëindigen, zonder dat vooraf ontslagvergunning door of namens de Minister van Arbeid aan haar was verleend;

Overwegende, dat nu appellante met negering van artikel 2 van gemeld decreet, de dienstbetrekking heeft beëindigd, stelt geïntimeerde terecht dat de opzegging van rechtswege nietig is;

Overwegende, dat de door appellante tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven op de derde grief na, omdat appellante wel degelijk heeft betwist dat het Decreet Ontslagvergunning op geïntimeerde in zijn verhouding tot appellante van toepassing is doch evenwel niet, naar zal blijken, leiden zal tot een voor appellante gunstige beslissing, al welke grieven geacht worden gelijk te zijn besproken, danook als ongegrond dienen te worden verworpen;

Overwegende, dat nu de door appellante bij repliek pleidooi d.d. 5 november 1993 in het geding gebrachte brieven van respectievelijk 8 oktober 1990 van geïntimeerde aan de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij en 18 april 1991 van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij aan geïntimeerde, geen wijziging brengen in het oordeel van het Hof dat het beroepen vonnis behoort te worden bevestigd, kan bespreking van deze brieven geheel achterwege blijven;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep
Bevestigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 16 februari 1993 tussen partijen gewezen waarvan beroep;

Veroordeelt appellante in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op Sf. 500,–.