SRU-HvJ-2018-34

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van
[appellant],
wonende in [district] ,
appellant in kort geding, verder te noemen [appellant], gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende in [district],
geïntimeerde in kort geding, verder te noemen “[geïntimeerde]”, gemachtigde: mr. H. Matawlie, advocaat,

inzake het hoger beroep van de door de kantonrechter van het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 15 november 2001 (A.R.No. 01-1927) tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant], als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende processtukken: – een pleitnota van 5 oktober 2012 met producties; – een memorie van antwoord van 18 januari 2013; – een repliekpleidooi van 5 april 2013 met één productie, tevens inhoudende een verzoek tot rectificatie van de voornaam van appellant en – een memorie van dupliek en uitlating producties van 7 juni 2013, waarbij [geïntimeerde] instemt met de gevraagde rectificatie.

De vaststaande feiten

1. [appellant] is enig geldsbedrag verschuldigd aan [geïntimeerde].

De stellingen en verweren in eerste aanleg en het oordeel van de kantonrechter

2. [geïntimeerde] voert aan dat hij aan [appellant] in 1995 een hoeveelheid tegels en in 1996 een hoeveelheid buizen en een auto heeft geleverd tot een totaal bedrag van Nf 21.000,– welk bedrag [appellant] ondanks aanmaning niet heeft terugbetaald. [geïntimeerde] vordert dit bedrag plus een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van [appellant]. [appellant] voert een aantal formele verweren, die hierna zullen worden behandeld, waarbij hij de verschuldigdheid van genoemd bedrag betwist en waarbij hij aanvoert evenmin de buitengerechtelijke incassokosten aan [geïntimeerde] verschuldigd te zijn. De kantonrechter heeft de (primaire) vordering van [geïntimeerde] toegewezen en tevens het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

De beoordeling

3. De tijdig in appel gekomen [appellant] heeft gegroepeerd onder een viertal zogenoemde grieven zijn bezwaren tegen het bestreden vonnis opgesomd, die achtereenvolgens zullen worden behandeld. [geïntimeerde] heeft daartegen verweer gevoerd. In het navolgende zal daar zonodig op in worden gegaan.
4. De eerste grief onder het kopje ‘Formeel verweer’ betreft de verschillende namen die in deze zaak voor [appellant] en [geïntimeerde] worden gebruikt. Nu hij echter bij repliekpleidooi in hoger beroep zijn verweer dat ‘[naam 1]’ een andere persoon is dan ‘[appellant]’ heeft ingetrokken en zelfs rectificatie heeft gevraagd van zijn voornaam kan aan dit verweer verder voorbij worden gegaan. [appellant]voert voorts aan dat [geïntimeerde] niet dezelfde is als de in de stukken voorkomende ‘[naam 2]’. Dit verweer gaat echter niet op. [appellant] heeft [geïntimeerde] bij brief van 20 juni 2000 zelf aangeschreven met de naam ‘[naam 3]’. In hoger beroep betwist [appellant] weliswaar deze brief te hebben geschreven, maar in eerste aanleg heeft hij onvoorwaardelijk erkend dat deze brief door hem aan [geïntimeerde] is gestuurd, zodat deze in hoger beroep gedane betwisting als gedekt wordt gepasseerd. [geïntimeerde] geeft zelf ook te kennen dat hij [naam 3] wordt genoemd, hetgeen door [appellant] vervolgens weer niet wordt betwist. Het hof komt daarom tot de conclusie dat met ‘[naam 2]’ de [geïntimeerde] wordt bedoeld. Deze grief faalt derhalve.
5. Grief 2 gaat over de vraag of een geldvordering in kort geding kan worden gevorderd. Het antwoord daarop is bevestigend. Het is vaste jurisprudentie van het hof dat een geldsvordering in kort geding kan worden gevorderd. Deze grief wordt daarom ook verworpen.
6. In grief 3 betwist [appellant] dat er voldoende bewijs is voor de toewijzing van de vordering. Het Hof overweegt daarover het volgende: In kort geding gaat het om de vraag of een vordering voldoende aannemelijk is geworden om voor toewijzing vatbaar te zijn. De vraag of de vordering vaststaat kan eventueel in een bodemprocedure aan de orde komen. De kantonrechter baseert zijn oordeel, dat de vordering aannemelijk is geworden, allereerst op de hiervoor bedoelde brief van [appellant] aan [geïntimeerde] van 20 juni 2000, waarin [appellant] schrijft ‘Dat ik financiële schulden bij u heb’ en voorts ‘Ik heb nooit ontkend en zal nimmer in mijn gedachten halen Uw schulden niet te betalen, doch het feit is dat ik nu nog geen ruimte heb het totaal verschuldigde bedrag aan U te voldoen. Gelet op mijn omstandigheden en mijn verplichtingen alsmede mijn inkomen zal ik iedere maand sf 500.000 (vijfhonderd duizend) gulden storten op Uw bankinstelling’. Daarnaast stelt de kantonrechter vast dat [appellant] niet heeft gereageerd op een brief van mr. R.M.F. Oemar van 12 oktober 2001, waarin precies wordt aangegeven op welke transacties met [appellant] de vordering van [geïntimeerde] betrekking heeft. Op basis van deze beide stukken komt de kantonrechter tot zijn oordeel dat de gestelde vordering aannemelijk is. Het Hof deelt het oordeel van de kantonrechter. Ook in hoger beroep is [appellant] niet inhoudelijk op deze stukken ingegaan. Hij heeft bijvoorbeeld niet aangegeven welke bedragen hij dan wel verschuldigd is aan [geïntimeerde] (als de vordering van [geïntimeerde] onjuist is) en op basis waarvan, welke bedragen hij inmiddels heeft voldaan en welke van de in de brief van mr. Oemar voornoemd genoemde transacties wel en welke niet hebben plaatsgevonden, terwijl dat, zeker in hoger beroep, wel op zijn weg lag. Hij kan niet volstaan met het eenvoudig betwisten van het gestelde, terwijl hij immers zelf heeft toegegeven bedragen schuldig te zijn aan [geïntimeerde]. Nu hij dit alles niet heeft gedaan is naar het oordeel van het Hof voldoende aannemelijk, dat [appellant] het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag van Nf 21.000, — aan hem verschuldigd is. Dit deel van het vonnis van de kantonrechter kan derhalve met aanvulling van gronden worden bevestigd, met dien verstande dat de veroordeling tot betaling van Nf 21.000,– wordt omgezet in een veroordeling tot betaling van € 9.529,43, met de wettelijke rente daarover vanaf 24 april 2001.
7. Grief 4 betreft de gevorderde en door de kantonrechter toegewezen schade van Nf 3.150, –. Ten aanzien daarvan overweegt het Hof het volgende. Het betreft hier de kosten van deskundige bijstand, bestaande uit 15% van de hoofdsom. Met [appellant] is het Hof van oordeel dat deze kosten niet toewijsbaar zijn, nu is gesteld, noch gebleken is dat partijen zijn overeengekomen dat een bedrag van 15% aan buitengerechtelijke kosten verschuldigd is bij niet-betaling van de vordering. Daarnaast heeft [geïntimeerde], ondanks de uitdrukkelijke betwisting door [appellant], geen bewijs bijgedragen dat deze kosten daadwerkelijk door hem zijn gemaakt. Onder die omstandigheden dient dit deel van de oorspronkelijke vordering te worden afgewezen en dient het vonnis van de kantonrechter in zoverre te worden vernietigd. Deze grief slaagt om die reden. Het Hof voegt daaraan toe, dat er geen reden is om het vonnis van de kantonrechter ten aanzien van de proceskosten te vernietigen, nu [appellant] in eerste aanleg als de voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij de proceskosten dient te dragen.
8. [appellant] dient als de in hoger beroep voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij de proceskosten te dragen.

De beslissing

1.Vernietigt het vonnis waarvan beroep voorzover het betreft de veroordeling tot betaling door [appellant] aan [geïntimeerde] van Nf 3.150,– (drieduizendhonderdvijftig Nederlandse gulden) en opnieuw rechtdoende: Wijst de vordering af;

2. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met aanvulling van gronden en met dien verstande dat de veroordeling tot betaling van Nf 21.000,– (éénentwintigduizend Nederlandse guldens) dient te worden gelezen als een veroordeling tot betaling van € 9.529,43 (negenduizendvijfhonderdnegenentwintig euro en drieënveertig eurocent),vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 april 2001;

3. Veroordeelt [appellant] als de voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en
mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat
mr. A.E. Debipersad, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat
mr. H. Matawlie, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-1998-21

H.M.

GENERALE ROL NO.13461.

[appellant], wonende in Nederland te [woonplaats] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.B.BIHARIESINGH, advokaat, appellant,

tegen

[geïntimeerde], wonende in Nederland, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat no.36 beneden, ten kantore van advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT,

voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,

geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien s’Hofs interlocutoire vonnissen respectievelijk van 15 november 1996 en 20 februari 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen enquête niet is gehouden, waarna deze ambtshalve gesloten werd verklaard;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na niet gehouden enquête zijdens geintimeerde peremptoir bepaald, advokaat Mr.M.G.A.VOS namens advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT heeft gepersisteerd bij hetgeen door hem reeds gesteld is;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na niet gehouden enquête zijdens appellant bepaald, advokaat

Mr.H.P.BOLDEWIJN namens Mr.B.BIHARIESINGH heeft gepersisteerd bij al hetgeen bereids is gesteld;

Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 20 februari 1998 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat geintimeerde, ofschoon daartoe ruimschoots in de gelegenheid gesteld, noch door getuigen noch door enig ander middel van bewijs het probandum heeft kunnen waarmaken weshalve het Hof voorbijgaat aan de stelling van geintimeerde dat [persoon 1], nu wijlen, het gehele aan haar toebehoord hebbend aandeel in alle goederen en rechten, welke tot de nalatenschap van wijlen [persoon 2] hebben behoord geen uitgezonderd, te weten de in het 4e ”sustenu ” van het verzoekschrift vermelde goederen, heeft geschonken aan appellant en de gedaagden sub b tot en met d en wijlen [persoon 3], alszijnde onbewezen;

Overwegende, dat het Hof het gevorderde onder 1 en 2 van het petitum, zo ook het gevorderde onder 3 b voorzover betreft de scheiding en deling van de nalatenschap van wijlen [persoon 2], dan ook als onbewezen aan geintimeerde zal ontzeggen;

0verwegende, dat het Hof echter zal toewijzen het gevorderde onder 3a, 3b, voorzover betreft de scheiding en deling van de nalatenschap van [persoon 1], en onder 3c zal toewijzen, nu de aan die vorderingen ten grondslag gelegde feiten als niet althans niet gemotiveerd weersproken tussen partijen in rechte zijn komen vast te staan;

Overwegende, dat het beroepen vonnis dan ook dient te worden vernietigd en zal worden beslist als in het dictum van dit vonnis te melden;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 23 februari 1993 gewezen vonnis, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Ontzegt aan geintimeerde haar vordering, strekkende tot:

1. verklaren voor recht dat de verkoop door [persoon 1] van de gehele nalatenschap van [persoon 2] aan appellant en gedaagden sub b tot en met d en de erflaatster van gedaagden sub e tot en met l een schenking is;

2. vernietiging, althans nietigverklaring van de schenking;

3. scheiding en deling van de nalatenschap van [persoon 2];

Veroordeelt appellant binnen twee maanden na betekening van van dit vonnis over te gaan tot scheiding en deling van:

1. de tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap tussen [persoon 1] en [persoon 2] behorende goederen;

2. de tot de nalatenschap van [persoon 1] behorende goederen;

3. het onder C van het vierde ”sustenu” van het verzoekschrift omschreven onroerend goed; met benoeming van Mr.L.D.Hira Sing, notaris, tot notaris, zo partijen binnen een maand na deze uitspraak omtrent de keuze van een notaris geen overeenstemming hebben bereikt voor wie of ten overstaan van wie de werkzaamheden der scheiding en deling zullen plaatsvinden op de door deze te bepalen plaats en tijd, en Mr.H.E.Struiken, advokaat bij het Hof van Justitie, tot onzijdig persoon teneinde appellant bij die scheiding en deling te vertegenwoordigen zo hij daartoe opgeroepen zijnde niet verschijnt of wel verschenen zijnde weigeren mocht aan de scheiding en deling mede te werken;

Veroordeelt appellant in de kosten van dit proces in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f.1500,–.

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf.1500,–.

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op Sf.1500,–.

Blijvende het beroepen vonnis voor het overige geheel in stand;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.K.PULTOO, Lid en Mr.L.J.BUDHU LALL, Lid-Plaatsvervanger en door de Vice-President uitgesproken ter openbare te­rechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 20 november 1998, in tegenwoordigheid van

Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.M.G.A.VOS namens advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT, gemachtigde van geintimeerde, terwijl de gemachtigde van de appellant niet ter terechtzitting is verschenen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-1999-15

M.R.S.

GENERALE ROL NO.14001.

[appellant], wonende te [district] aan [adres 1], voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUI­DEMAN, advokaat,

appellant in conven­tie en in reconventie,

t e g e n

[persoon 1] en [persoon 2], echt­genoten van elkander, wonende te [district] aan [adres 2],

gei­ntimeerden in con­ven­tie en in reconventie.

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 17 juli 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts:

Overwegende, dat de door het Hof bevolen compari­tie van partijen niet is gehouden;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na niet gehouden comparitie van partijen en overlegging produk­ties zijdens appellant bepaald, de gemachtigde van appellant een – hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie – onder overlegging van produk­ties heeft genomen terwijl zijdens geintimeerden geen conclusie is genomen;

Overwegende, dat advokaat Mr.F.F.P.Truideman hierna vonnis heeft gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 4 december 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

IN CONVENTIE EN IN RECON­VEN­TIE:

Overwegende, dat de door het Hof bij tussenvonnis d.d. 17 juli 1997 bevolen inlichtingen- en verenigings­compa­ritie niet gehouden is omdat partijen ten dage daarvoor bepaald, verstek hebben laten gaan;

Overwegende, dat het Hof thans niets anders rest dan recht te doen op grond van de zich in het proces­dossier bevindende gedingstukken;

Overwegende, dat het Hof, daartoe overgaande, op­merkt, dat appellant bij conclusie na niet gehouden comparitie van partijen d.d. 16 oktober 1997 onder meer in het geding heeft doen brengen een hypothecair uit­treksel d.d. 7 oktober 1997, ten bewijze, dat [naam] door de overschrijving ten hypo­theekkantore op 13 januari 1997 in register C [nummer] van een afschrift van de akte van verkoop en koop op 30 december 1996 voor notaris Mr.R. CURRIE te Paramaribo verleden, het eigendomsrecht verkreeg op het in bedoeld uittreksel omschreven onroe­rend goed;

IN CONVENTIE:

Overwegende, dat nu geintimeerden voormeld uit­treksel niet hebben betwist of van valsheid beticht rechtens tussen partijen is komen vast te staan, dat zij geen eigenaren meer zijn van het litigieuze onroe­rend goed;

Overwegende, dat de consequentie van het zojuist overwogene is, dat geintimeerden zowel bij het in onder­deel a als bij het in onderdeel b van het petitum gevorderde geen belang meer hebben zodat hun vordering voor wat voormelde onderdelen betreft alsnog met een niet – ontvankelijkverklaring moet worden begroet;

Overwegende, dat het Hof ten aanzien van het in onderdeel c van het petitum gevorderde opmerkt dat geintimeerden hebben geëist veroordeling van appellant tot betaling aan hen terzake van huur van de woning aan [adres 1] van het bedrag van Nf.500,– per maand, vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar te rekenen vanaf 13 juli 1996 tot op de dag waarop appellant de litigieuze woning zal hebben ontruimd en ter vrije beschikking van hen gesteld;

Overwegende, dat appellant, weersprekend dat tussen partijen heeft bestaan een overeenkomst van huur en verhuur betreffende voormelde woning in verband waarme­de hij op 13 juli 1995 vooruit zou hebben betaald een bedrag van Nf.6.000,– zijnde huur over een jaar, heeft aangevoerd, dat het bedrag van Nf.6.000,– het voor­schot is geweest op de koopsom ten bedrage van.Nf.100.0­00,–, latende een saldo van Nf.94.000,–;

Overwegende, dat, naar blijkt uit de door appel­lant eveneens, bij conclusie na niet gehouden compari­tie van partijen d.d. 16 oktober 1998 in het geding gebrachte kwitantie d.d.22 oktober 1996 in fotokopie, appellant alstoen bij de te Paramaribo residerende notaris R.Ramau­tar, heeft gestort het bedrag van Nf.94.000,–, zijnde deposito koopsom [persoon 1 variant];

Overwegende, dat geintimeerden voormelde kwitantie niet hebben betwist of van valsheid beticht zodat de echtheid daarvan tussen partijen thans in confesso is;

Overwegende, dat het Hof bovendien nog opmerkt, dat geintimeerden onweersproken hebben gelaten, dat appellant het perceelland later verkocht heeft aan de heer [naam] en wel bij akte d.d. 30 december 1996 verleden ten overstaan van Notaris Mr.R.Currie;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat appel­-lant alleen dan rechtsgeldig het perceelland zou mogen verkopen aan genoemde heer [naam] indien hij eerder van geintimeerden dat perceelland had gekocht en gele­verd gekregen;

Overwegende, dat het Hof het dan ook met appellant eens is dat het bedrag van Nf.6.000,–, op 13 juli 1995 door appellant aan geintimeerden betaald, is ge­weest een voorschot op de koopsom ten bedrage van

Nf.100.000,– van het litigieuze onroerend goed en dat appellant mitsdien volkomen heeft ontzenuwd en weerlegd de stelling van geintimeerden, dat tussen partijen heeft bestaan een overeenkomst van huur en verhuur betreffende de woning aan [adres 1] voor een bedrag van Nf.500,– per maand door appellant verschuldigd en dat het bedrag van Nf.6.000,– een vooruitbetaling is geweest voor één jaar;

Overwegende, dat toewijzing van het in onderdeel C van het petitum gevorderde op grond van het vorenover­wogene dan ook geheel achterwege dient te blijven;

Overwegende, dat het Hof, bespreking van de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven als niet langer relevant in het midden latend, dat vonnis dan ook zal vernietigen, de vordering van geintimeerden alsnog afwijzen en geintimeerden in de kosten op beide instan­ties aan de zijde van appellant gevallen veroordelen;

Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;

IN RECONVENTIE:

Overwegende, dat het Hof al hetgeen in conventie is overwogen als hier letterlijk herhaald en geinse­reerd beschouwt;

Overwegende, dat nu appellant sinds 13 januari 1997 geen eigenaar meer is van het litigieuze onroerend goed en derhalve geen belang meer heeft bij zijn vorde­ring tegen geintimeerden dient hij daarin alsnog niet ontvankelijk verklaard te worden;

Overwegende, dat het Hof het beroepen vonnis dan ook zal vernietigen en appellant in de kosten op beide instanties aan de zijde van geintimeerden gevallen, zal veroordelen;

Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP

IN CONVENTIE EN IN RECONVEN­TIE:

Vernietigt het vonnis door de kantonrechter in het Eerste Kanton op 12 november 1996 tussen partij­en gewezen en uitgesproken waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

IN CONVENTIE:

Wijst de vordering van geintimeerden alsnog af;

Veroordeelt geintimeerden in de kosten in beide instanties in prima aan de zijde van appellant begroot op Sf.nihil; en in hoger beroep begroot op Sf.7.415,–;

met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van sf.1500,–;

IN RECONVENTIE:

Verklaart appellant niet ontvankelijk in de door hem ingestelde vordering;

Veroordeelt hem in de kosten in beide instanties aan de zijde van geintimeerden gevallen en in prima begroot op sf.4.038,–;

en in hoger beroep op Sf.1500,–;

bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant op Sf.1500,–;

In conventie en in reconventie:

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 8 JANUARI 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN

GENDE­REN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.J.R.Von Niesewand w.g.M.E.Van Genderen-Relyveld

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.R.Baldew namens de gemachtigde van appel­lant, advokaat Mr.F.F.P.Truideman, terwijl de geinti­meerden noch in persoon noch bij gemachtigde zijn ver­sche­nen.

SRU-HvJ-1999-14

M.H.

A – 394

[verzoeker], wonende aan de [adres 1] te [woonplaats], [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan Gravenstraat no.63 boven bij het advokatenkantoor Beckles & Brandon, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.K.J.BRANDON, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Defensie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende ten Parkette aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,

verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1.Verzoeker wenst de navolgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Defensie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende ten Parkette aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, gedaagde;

2. Verzoeker is ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet en is in 1985 in dienst getreden van het Nationaal Leger;

3. Verzoeker is thans Hoofd van de afdeling Communicatie bij de Marine. Verzoeker is bij Resolutie van de President van de Republiek Suriname, de dato 12 september 1996 bureau [nummer 1], [nummer 2], te rekenen van 1 oktober 1992 bevorderd tot Eerste Luitenant nadat hij eerder bij resolutie van 24 mei 1991, [nummer 3], te rekenen van 1 oktober 1990 werd belast met de waarneming van een functie waaraan organisatorisch de rang van Eerste Luitenant verbonden is, onder toekenning van een bezoldiging zoals aangegeven in die resolutie. Van de resolutie van 12 september 1996 wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen. Deze bijlage is genummerd als bijlage 1;

4. Verzoeker is echter vanaf 1991, samen met twee andere collega’s door de commandant van de Marine voorgedragen voor bevordering tot een naast hogere rang. Deze voordracht is – zoals uit een fotokopie van het document voor voordracht blijkt – positief beoordeeld. Verzoeker moest dus blijkens het aan de voordracht gehecht schrijven d.d. 2 maart 1992, per 1 oktober 1992 bevorderd worden tot Kapitein. Van bedoelde voordracht wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen. Deze bijlage is genummerd als bijlage 2;

5. Verzoeker zou ingevolge het document ”Besluiten die tijdens de bespreking van de werkgroep Functionele Bevordering werden genomen waarvan een aantal zijn toegepast bij het uitvoeren van de bevorderingen”, waarin is vastgelegd een carrieregang welke – volgens genoemd document – billijke hiërarchische verhoudingen binnen het Nationaal Leger zou moeten scheppen, twee jaar na zijn bevordering tot Eerste Luitenant, dus in 1994, bevorderd moeten worden tot Kapitein. Van bedoeld document wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen. Deze bijlage is genummerd als bijlage 3;

6. Verzoeker heeft omtrent het onderhavige herhaalde malen navraag gedaan bij de beleidsmedewerker op het Ministerie van Defensie, [naam 1], die hem telkens weer meedeelde dat ”de zaak in behandeling is”;

7. Verzoeker wenst echter niet langer in onzekerheid te worden gelaten en is van mening dat hij, vooral gelet op de positieve beoordeling bij zijn voordracht voor bevordering, recht heeft op de bevordering tot Kapitein;

8. Verzoeker heeft per brief d.d 15 september 1997 zijn beklag gedaan bij de President van de Republiek Suriname echter heeft hij hierop nimmer een reactie ontvangen. Van bedoeld schrijven wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen. Deze bijlage is genummerd als bijlage 4;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd: dat verweerder zal worden veroordeeld die handelingen te verrichten vereist voor het bevorderen van verzoeker tot Kapitein te rekenen vanaf 1 oktober 1994, onder toekenning van de aan die rang verbonden bezoldiging en emolumenten, zulks onder verbeurte van een dwangsom van Sf.100.000,– per dag of zoveel minder als in goede justitie billijk mocht worden geacht vanaf het moment na ’s Hoven uitspraak of vanaf een door het Hof te bepalen tijdstip, Kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen verzoeker in zijn Inleidend Rekest naar voren heeft gebracht, voor zover dit niet woordelijk door verweerder wordt erkend. Verweerder biedt bewijs aan voor zijn stellingen indien en voor zoverre de bewijslast op hem mocht rusten;

2. Verweerder erkent, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van art.1 van de Personeelswet en te rekenen van 1 oktober 1991 bevorderd is tot Luitenant;

3. Verzoeker doet in het vierde sustenu van zijn Inleidend Rekest een beroep op een intern document van het Ministerie van Defensie om zijn vordering kracht bij te zetten, omdat vertrouwelijke stukken, brieven en zelfs besluiten in het rechtsproces bij Ambtenaren Zaken geen recht scheppen voor de belanghebbende ambtenaar, die buiten alle regels om, op deze brieven de hand heeft kunnen leggen;

4. In het vijfde sustenu van verzoekers Inleidend Rekest wordt een beroep gedaan op weer een nieuw document ”besluiten genomen tijdens de bespreking van de werkgroep Functionele Bevordering”;

5. verzoeker geeft evenwel niet aan welk rechtskracht deze besluiten hebben, en of die besluiten zijn omgezet in een naar buiten werkend besluit, afkomstig van het Bevoegd Gezag, zoals bijvoorbeeld een staatsbesluit, een resolutie of een Ministeriële beschikking, besluiten namelijk, waaraan in ieder geval de ambtenaren die daaronder vallen rechtskracht kunnen ontlenen. Het is dan ook niet juist, dat verzoeker – zoals hij stelt in zijn 7de sustenu – ”gelet op de beoordeling van zijn voordracht” recht heeft op zijn bevordering tot Kapitein;

6. Onverminderd het voorgaande handelt verzoeker ook in strijd met art.79 van PW 2e lid, waar een limitatieve opsomming is gegeven van besluiten, waaromtrent het Hof van Justitie optredende in Ambtenaren Zaken bevoegd is, kennis van te nemen. Bevordering valt niet onder deze opsomming, wel verlaging van rang.

Voorts vordert verzoeker in zijn petitum de veroordeling van de Overheid om ”die handelingen te verrichten” nodig voor zijn bevordering tot Kapitein. Wederom wordt het formele voorschrift van art.79 Personeelswet 1e lid, geweld aangedaan, omdat positiefrechterlijk de bevoegdheid van het Hof duidelijk is omschreven met de woorden:

”1. Het Hof van Justitie oordeelt in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur”;

7. Verzoeker gaat met zijn petitum geheel en al aan zowel de materiële vereisten en kenmerken, als aan de formele maar dwingend voorgeschreven regelgeving van art.79 Personeelswet voorbij. Reeds op deze grond behoort verzoeker naar het bescheiden oordeel van verweerder niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering;

8. Ook de gevraagde exorbitant hoge dwangsom is niet voor inwilliging vatbaar zolang daarvóór geen veroordelend vonnis door het Hof van Justitie wordt uitgesproken tegen de STAAT op grond van hetzij:

a. strijd met de wet

b. Detournement de Povoir of:

c. strijd met een beginsel van Behoorlijk Bestuur

Omdat verzoeker op geen enkele wijze verwijst naar deze schending van beschermde waarden en hun rechthandhaving, in de Personeelswet art.79 opgenomen, zal zoals blijkt in vaste Jurisprudentie van het Hof van Justitie, de vordering zoals neergelegd in het Inleidend Rekest, naar het inzien van verweerder niet voor inwilliging vatbaar zijn;

Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering, c.q. hem het gevraagde zal worden ontzegd als zijnde onbewezen ongegrond, en in strijd met de Personeelswet;

Overwegende, dat ingevolge’s Hofs beschikking van 17 maart 1998 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr.K.J.Brandon, [naam 2], [naam 3], ambtenaar bij het Ministerie van Defensie namens verweerder bijgestaan door advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft, gemachtigde van verweerder, in Raadkamer zijn verschenen, en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat

gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hadden toegelicht en verdedigd, partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 20 november 1998, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker blijkens het petitum vordert verweerder te veroordelen die handelingen te verrichten vereist voor het bevorderen van hem tot Kapitein te rekenen vanaf 1 oktober 1994, onder toekenning van de aan die rang verbonden bezoldiging en emolumenten, zulks onder verbeurte van een dwangsom van Sf.100.000,– per dag of zoveel minder als het Hof in goede justitie billijk mocht achten vanaf het moment na de uitspraak van het Hof of vanaf een door het Hof te bepalen tijdstip;

Overwegende, dat verzoeker blijkens de aan zijn vordering ten grondslag gelegde feiten zijn recht op bevordering tot Kapitein meent te ontlenen aan het document ”Besluiten die tijdens de bespreking van de werkgroep Functionele Bevordering werden genomen waarvan een aantal zijn toegepast bij het uitvoeren van de bevorderingen”;

Overwegende, dat het Hof ten aanzien van voormeld docu­ment van oordeel is, dat het nauwelijks betoog behoeft dat daaraan elke wettelijke basis ontbreekt en dat wij hier te maken hebben met in de ambtelijke administratie gebruikelijke praktijk;

Overwegende, dat het Hof danook van oordeel is dat er niet gesproken kan worden van vereisten maar enkel van richt­lijnen waarnaar men zich in het algemeen moet gedragen, maar waarvan in naar het oordeel van die administratie daarvoor geëigende gevallen, afwijking mogelijk is;

Overwegende, dat verzoeker zich bij monde van zijn advo­kaat Mr.K.Brandon, tijdens het verhoor van partijen op 3 april 1998 hierop beroepen heeft dat de grondslag van de vordering het rechtszekerheidsbeginsel (en niet het gelijkheidsbegin­sel) is, in verband waarmede hij gerefereerd heeft aan het ten processe overgelegde document;

Overwegende, dat verzoeker in wezen verweerder verwijt voormeld beginsel te hebben veronachtzaamd;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat, wat van dat verwijt ook moge zijn, het vermag verzoeker niet te baten nu verzoeker, naar het Hof gebleken is, met betrekking tot dat verwijt niet aan zijn stelplicht heeft voldaan m.a.w. geen feiten heeft gesteld die een geslaagd beroep op veronachtza­ming van het rechtszekerheidsbeginsel zou kunnen rechtvaardi­gen;

Overwegende, dat het Hof de vordering van verzoeker dan ook zal afwijzen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Wijst verzoekers vordering af.

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 22 januari 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.K.J.BRANDON en Mr.Dr.C.D.OOFT, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2018-33

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP N.V. HAVENBEHEER SURINAME, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, appellante in het appél, geïntimeerde in het incidenteel appél, verder te noemen Havenbeheer, gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

tegen

[naam], handelende onder de naam CIVIEL-CULTUURTECHNISCH EN ONDERHOUDSBEDRIJF ‘ [bedrijf]’, wonende te [district], geïntimeerde in het appél, verzoeker in het incidenteel appél, verder te noemen [bedrijf], gemachtigde: mr. M. Tjon Jaw Chong, advocaat,

inzake het hoger beroep van de door de kantonrechter in het eerste kanton in Kort Geding uitgesproken vonnis van 5 augustus 2009 (A.R.No. 084449) tussen [bedrijf] als eiser en Havenbeheer als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
In deze zaak heeft het Hof op 16 mei 2014 een tussenvonnis gewezen. Daarop heeft Havenbeheer nog een conclusie genomen tot verstrekken van inlichtingen en dupliek pleidooi in het incident.

Overweging vooraf

zowel in het appél als in het incidenteel appél

1. Het hof neemt over hetgeen bij voormeld vonnis is overwogen. Het hof heeft bij voormeld vonnis aan Havenbeheer gevraagd om zich uit te laten over de stand van zaken in de bodemprocedure. Bij voormelde conclusie heeft Havenbeheer aangegeven dat er in de bodemprocedure nog geen vonnis is gewezen.

Vaststaande feiten
2. Het hof gaat, in aanvulling op de in voormeld vonnis vermelde feiten, van het volgende uit:

a) De bij overeenkomst van 8 februari 2006 overeengekomen werkzaamheden zouden worden uitgevoerd voor een vast bedrag van US$ 8.900,– per maand. Dit bedrag wordt volgens artikel 2 lid 2 vastgesteld voor een periode van één jaar en kan worden aangepast naar redelijkheid en billijkheid, indien de economische omstandigheden een dergelijke aanpassing rechtvaardigen.

b) Bij schrijven van 29 oktober 2007 heeft Havenbeheer aan [bedrijf] meegedeeld dat de werkzaamheden qua omvang drastisch zijn teruggebracht omdat een groot deel van het havengebied aan derden is afgestaan. Om die reden heeft Havenbeheer met ingang van 1 november 2007 de aan [bedrijf] te betalen vergoeding tot nader order naar evenredigheid teruggebracht tot US$ 2.048,–. [bedrijf] heeft hiertegen geprotesteerd en heeft aangeboden de overeengekomen werkzaamheden te blijven verrichten. Hem is echter vanaf 20 januari 2008 de toegang geweigerd.

c) Havenbeheer heeft van 1 november 2007 tot 1 juli 2008 genoemd bedrag van US$ 2.048,– per maand betaald. Daarna heeft zij de betalingen stopgezet, hoewel [bedrijf] de resterende werkzaamheden is blijven verrichten.

Het oordeel van de kantonrechter
3. De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis van 5 augustus 2009 een bedrag van US$ 26.624,–, toegewezen, zijnde de vergoeding van US$ 2.048,– over de periode 1 juli 2008 tot 1 augustus 2009, en de rest van het gevorderde bedrag afgewezen.

De grief in appél en het verweer daartegen
4. Havenbeheer heeft één grief voorgedragen, namelijk dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat geen compensatie mogelijk is tussen enerzijds de vordering van [bedrijf] op Havenbeheer en anderzijds de vordering die Havenbeheer stelt te hebben op [bedrijf]. [bedrijf] verweert zich daartegen en voert aan zich in dit oordeel van de kantonrechter te kunnen vinden.

Het incidenteel appél en het verweer daartegen
5. [bedrijf] heeft op zijn beurt incidenteel appel ingesteld. Havenbeheer heeft daar als formeel verweer tegen aangevoerd, dat [bedrijf] zich niet aan de termijn van 30 dagen van artikel 274 Rv heeft gehouden. Dit artikel bepaalt dat de wederpartij (in dit geval [bedrijf]) bevoegd is om binnen dertig dagen na de dagtekening van de aanzegging van het beroep een memorie in te dienen, in welke memorie hij een verklaring kan (doen) afleggen dat hij ook zijnerzijds in hoger beroep wenst te komen.

De beoordeling in het incidenteel appél
6. Aan[bedrijf] is bij schrijven van deurwaarder Hariette Beatrix Verwey van 30 september 2010 aangezegd dat de zaak, die in eerste aanleg tussen [bedrijf] en Havenbeheer heeft gediend, in hoger beroep zal dienen ter terechtzitting van het hof van 15 oktober 2010. [bedrijf] heeft incidenteel hoger beroep aangetekend bij memorie van antwoord, ingediend ter terechtzitting van 4 februari 2011. Daarmee is de termijn om incidenteel in appél te komen ruimschoots overschreden, zodat [bedrijf] daarin niet-ontvankelijk wordt verklaard. [bedrijf] wordt daarom verwezen in de proceskosten, aan de zijde van Havenbeheer begroot op nihil.

De beoordeling in appél
7. De vraag die voorligt is de volgende. De kantonrechter heeft de hiervoor vermelde bedragen toegewezen, omdat tussen partijen onomstreden is dat [bedrijf] op zich recht heeft op die bedragen. Havenbeheer heeft daartegen aangevoerd dat zij [bedrijf] vanaf 1 juli 2008 niet meer heeft uitbetaald omdat er werd verrekend met tegoeden, die Havenbeheer nog van [bedrijf] tegoed heeft, omdat [bedrijf] te veel had ontvangen voor niet uitgevoerde werkzaamheden. [bedrijf] heeft dit verweer gemotiveerd betwist en aangevoerd dat juist hij krachtens de overeenkomst over die voorliggende periode nog geld van Havenbeheer te goed heeft. De kantonrechter heeft onder die omstandigheden op goede gronden overwogen dat deze compensatie niet is toegestaan omdat voor compensatie is vereist dat beide vorderingen opeisbaar en voor dadelijke vereffening vatbaar zijn. Het hof deelt het op artikel 1448 B.W. gebaseerde oordeel van de kantonrechter. Anders dan Havenbeheer aanvoert staat vast dat [bedrijf] over genoemde maanden recht heeft op de door de kantonrechter genoemde vergoeding, terwijl de vordering van Havenbeheer op [bedrijf] uitdrukkelijk en gemotiveerd wordt betwist door [bedrijf]. Onder die omstandigheden is de gepretendeerde vordering van Havenbeheer niet zonder meer opeisbaar en is deze evenmin voor dadelijke vereffening vatbaar. De grief wordt daarom verworpen.

8. [bedrijf] heeft met een beroep op de devolutieve werking van het hoger beroep nog wel aangevoerd dat ook zonder incidenteel beroep het door de kantonrechter afgewezen deel van zijn vordering toch aan de orde dient te komen in hoger beroep, maar dat is niet het geval. Uiteraard moet het hof in hoger beroep met alle stellingen en weren die in eerste aanleg zijn gevoerd rekening houden, wanneer het tot een vernietiging van het bestreden vonnis komt. Maar dat is hier niet aan de orde. [bedrijf] kan het afgewezen deel van zijn vordering in hoger beroep alleen aan de orde stellen, wanneer hij incidenteel appél heeft ingesteld. Zoals onder 6. is overwogen heeft hij wel incidenteel appél ingesteld, maar wordt hij daarin niet-ontvankelijk verklaard. Onder die omstandigheden komt het afgewezen deel van de vordering van [bedrijf] niet meer in hoger beroep aan de orde.

9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis met aanvulling van gronden wordt bevestigd. Havenbeheer dient als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten te dragen, voorzover die aan de zijde van [bedrijf] zijn gevallen. Deze kosten worden begroot op nihil.

De beslissing in Kort Geding

Het Hof:
in incidenteel appél
1. Verklaart [bedrijf] niet-ontvankelijk;
2. Verwijst [bedrijf] in de proceskosten aan de zijde van Havenbeheer gevallen en tot op deze uitspraak begroot op nihil;

in appél
3. Bevestigt het bestreden vonnis waarvan beroep met aanvulling van gronden; 4. Verwijst Havenbeheer in de proceskosten aan de zijde van [bedrijf] gevallen en tot op heden begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 april 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. H.H. Vreden namens advocaat
mr. M. Tjon Jaw Chong, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-32

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellant],
wonende te [district],
verder te noemen: [appellant],
appellant,
gemachtigde: mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,

tegen

[de stichting], rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te [district],
verder te noemen: [de stichting],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. R.J. Blufpand, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 19 oktober 2010 (A.R.No. 07-4974) tussen [appellant] en [naam] (verder tezamen aangeduid als [appellant en naam]) als eisers in conventie, tevens gedaagden in reconventie enerzijds en [de stichting] als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie anderzijds spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het verdere procesverloop in hoger beroep

Bij tussenvonnis d.d. 7 augustus 2015 is [de stichting] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het feit dat het hoger beroep alleen door [appellant] is aangetekend. Zij heeft daarop een pleitnota tot uitlating d.d. 4 december 2015 ingediend. Hierna is opnieuw vonnis verzocht.

De verdere beoordeling

1. In de hiervoor genoemde pleitnota heeft [de stichting] zich over het door het Hof genoemde feit in het geheel niet uitgelaten. Zij heeft daarin slechts enkele andere punten aangesneden.

2. Het appel is door [appellant] tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat hij daarin kan worden ontvangen.

3. Het Hof ziet zich genoodzaakt thans eerst de grenzen van de rechtsstrijd in appel aan te geven.

4. [appellant] heeft tegen de volgende beslissingen van de kantonrechter grieven of bezwaren aangevoerd:
a. De kantonrechter had niet mogen aannemen dat [appellant en naam] hadden gesteld dat de onder 2 tot en met 5 vermelde bedragen, als vermeld in het staatje onder 4.1 van zijn vonnis, los van het bedrag van € 220.296.- zijn betaald. Hij had moeten begrijpen dat zij bedoelden te stellen dat zij die bedragen los van het bedrag van € 195.000,- hebben betaald.
b. De kantonrechter had niet mogen uitgaan van de juistheid van bovenbedoeld staatje.
c. Ten onrechte heeft de kantonrechter beslist dat de afwijkingen van de aannemingsovereenkomst – meerkosten of meerwerk – in beginsel voor rekening van [appellant en naam] komen. [de stichting] heeft niet aangetoond welke afwijkingen in het materiaal en ontwerp zich hebben voorgedaan; de kantonrechter heeft ten onrechte aangenomen dat de posten 2 tot en met 5 afwijkingen zijn.
d. Ten onrechte is in het vonnis beslist dat [de stichting] slechts € 5.000,- ter zake van de keuken aan [appellant en naam] moest terugbetalen in plaats van een bedrag van € 7.500,-.
e. Ten onrechte is beslist dat het in het staatje genoemde bedrag van € 13.500,- niet voor rekening van [de stichting] komt.
f. Ten onrechte is beslist dat een bedrag van € 1.827,27 bestemd was voor aanschaffingen ten behoeve van appellanten.
g. De bankkosten ad € 196,- komen, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, voor rekening van [de stichting].
h. De kantonrechter heeft ten onrechte de vordering van [appellant en naam] ter zake van herstelkosten ad € 29.141,- afgewezen.

5. In haar antwoordpleitnota voert [de stichting] aan dat de meerkosten met betrekking tot de keuken juist geheel voor rekening van [appellant en naam] komen, zodat de kantonrechter ten onrechte heeft beslist dat [de stichting] daarvan € 5.000,- moet dragen. Een schriftelijke meerwerkopdracht was daarvoor, aldus [de stichting], niet vereist.
Bij deze stelling betrekt [de stichting] een positie die verder gaat dan hetgeen [appellant] ter zake van de keuken aan het Hof heeft voorgelegd, te weten (slechts) het verschil tussen de door hem gevorderde € 7.500,- en het door de kantonrechter toegewezen bedrag ad € 5.000,-. Voor dat verschil zal het Hof ook acht slaan op hetgeen [de stichting] te dier zake in eerste aanleg heeft aangevoerd, maar voor het overige moet het Hof aan [de stichting]’s stellingen in dit verband voorbijgaan, nu zij heeft nagelaten ter zake harerzijds te appelleren.
Dit laatste geldt eveneens voor de klacht van [de stichting] dat de kantonrechter het bedrag van € 2.273,- niet aan [appellant en naam] had mogen toewijzen. Ook om deze kwestie door het Hof te doen beoordelen had zij in hoger beroep moeten komen.

6. Het Hof zal hieronder de grieven en bezwaren van [appellant], zoals hierboven verkort onder 4 a t/m h weergegeven, behandelen. De punten a t/m g hebben betrekking op een vordering van in totaal
€ 25.296,-, waarvan [appellant en naam] stellen dat dit onverschuldigd aan [de stichting] is betaald. Punt h betreft een vordering tot schadevergoeding.

De vordering wegens onverschuldigde betaling.

7. [appellant] doet het op verschillende plaatsen in zijn processtukken voorkomen dat [de stichting] moet aantonen dat de door hem teruggevorderde bedragen wel degelijk aan haar verschuldigd waren en dat bij gebreke van zodanig bewijs zijn vordering toewijsbaar is. Dit uitgangspunt is onjuist. De bewijslast van door hem gestelde – en door [de stichting] voldoende betwiste – feiten rust daarentegen in beginsel op hém. Dit volgt uit de aanvangswoorden van artikel 1380 BW: “Iedere betaling doet een schuld veronderstellen…”.

8. Ad 4a.
Inderdaad bedoelden [appellant en naam] blijkbaar te stellen dat de posten 2 t/m 5 los van het bedrag van € 195.000.- zijn betaald (i.p.v. het in het bestreden vonnis genoemde bedrag van
€ 220.296,-). [appellant] heeft echter niet aangevoerd dat bedoelde vermelding in het vonnis enig rechtsgevolg heeft gehad en het Hof ziet zodanig rechtsgevolg evenmin. Aan de onderhavige klacht kan dan ook worden voorbijgegaan.

Ad 4b.
Het ontgaat het Hof wat [appellant] met deze klacht beoogt. De kantonrechter heeft aan het staatje niet meer ontleend dan dat daarin de bedragen vermeld staan waarom het bij de samenstelling van de vordering wegens onverschuldigde betaling gaat. De betreffende posten zijn in het vervolg van het vonnis van de kantonrechter verder in ogenschouw genomen. Ook het Hof zal deze posten, voor zover zij in hoger beroep ter beoordeling zijn voorgelegd, bespreken.

Ad 4c.
Voor zover [appellant] onder dit punt betoogt dat hij geen vergoeding aan [de stichting] verschuldigd is voor door laatstgenoemde in zijn opdracht verricht meerwerk, is dit onjuist. Dit blijkt reeds uit hetgeen in de tussen partijen gesloten overeenkomst onder 1 is bepaald, te weten dat slechts “de geraamde kosten voor gewenste optionals” in de aannemingssom van € 195.000,- zijn begrepen. Daaruit vloeit voort dat er bij- of terugbetaald moet worden indien de betreffende kosten anders uitvallen dan geraamd. Ook uit de bij de aannemingsovereenkomst behorende bijlage (onder 3) blijkt dat er meerwerk kan zijn en dat daarvoor – uiteraard – moet worden betaald. In feite weerspreekt [appellant] dit ook niet. In het vervolg van zijn betoog maakt hij duidelijk waarom het hem werkelijk gaat, namelijk dat [de stichting] niet heeft aangetoond van welk meerwerk of “afwijkingen” van het ontwerp er hier sprake is, alsmede dat de kantonrechter ten onrechte heeft beslist dat de posten 2 t/m 5 van meergenoemd staatje zodanige afwijkingen betreffen. Nu deze posten, zoals hiervoor onder
4 d t/m g weergegeven, afzonderlijk terugkeren in de bezwaren die [appellant] verder tegen het vonnis van de kantonrechter opsomt, zal het Hof die ook afzonderlijk bespreken.

Ad 4 d.
Onder de offerte van [de stichting] die ten grondslag ligt aan de tussen partijen tot stand gekomen aannemingsovereenkomst is in een noot bepaald dat daarbuiten vallen: optionals, patio-betegeling en “eigen aankoop hoofdkeuken onder aftrek van een stand keuken ad Euro 2.500,-”.
Met [appellant] is het Hof van oordeel dat deze zinsnede moeilijk anders verstaan kan worden dan dat laatstgenoemd bedrag in de totale aannemingssom is begrepen. Daarover lijken partijen het ook wel eens te zijn, maar zij strijden over het antwoord op de vraag of, nadat [appellant en naam] aan [de stichting] een bedrag ad € 7.500,- voor de door hen gewenste keuken ter doorbetaling aan de leverancier daarvan hadden overgemaakt, [de stichting] het (dus) in aftrek te brengen bedrag van € 2.500,- in werkelijkheid aan [appellant en naam] ten goede heeft doen komen. In een door [de stichting] bij antwoordpleitnota overgelegde kostenstaat is laatstgenoemd bedrag op de opgevoerde meerwerkkosten in mindering gebracht; deze staat is, naar [de stichting]onweersproken heeft gesteld, door beide partijen ondertekend. Uit de vervolgens door [appellant] bij replieknota overgelegde staat kan het tegendeel niet worden afgeleid. Reeds hierom is voldoende aannemelijk dat [appellant] niet nog eens recht heeft op terugbetaling van een bedrag van € 2.500,-. Het Hof verwijst bovendien naar hetgeen hierboven onder 7 over de bewijslastverdeling is overwogen. [appellant] heeft slechts in algemene bewoordingen, aldus niet voldoende specifiek en ter zake dienend, bewijs van zijn stellingen aangeboden.

Ad 4 e.
Het bedrag van € 13.500,- betreft al dan niet vermeende prijsstijgingen van meer dan 5%, die ingevolge artikel 1 van de aannemingsovereenkomst aan [appellant en naam] mochten worden doorberekend.
Nu [appellant en naam] dit bedrag aan [de stichting] hebben betaald en [appellant] dit (ook) in hoger beroep als onverschuldigd terugvordert, rust op hem de bewijslast van feiten die zodanige terugvordering rechtvaardigen. Het Hof constateert dat hij zodanige feiten niet voldoende specifiek heeft gesteld, laat staan daarvan ter zake dienend bewijs heeft aangeboden.

Ad f.
Voor de teruggevorderde € 1.827,27 geldt hetzelfde. Uit de processtukken kan het Hof onvoldoende afleiden wie van partijen op dit punt het gelijk aan zijn of haar zijde heeft. Vanwege de hierboven onder 7 weergegeven bewijsregel diende [appellant] in dit verband voldoende specifieke feiten te stellen en, in geval van tegenspraak door [de stichting], te bewijzen. [appellant] heeft verzuimd dit te doen.

Ad g.
[appellant] betwist dat [de stichting] bankkosten tot een bedrag ad € 196,- heeft gemaakt en dat zij [appellant en naam] daarmee mocht belasten. Ook hier geldt dat de betaling daarvan door [appellant en naam] hun schuld ter zake doet veronderstellen. [appellant] had dus daaraan tegengestelde feiten moeten stellen en zo nodig bewijzen. Hij heeft dit niet gedaan.

9. Het Hof verwerpt op grond van het bovenstaande de door [appellant] voorgedragen grieven en bezwaren met betrekking tot de vordering wegens onverschuldigde betaling.

De vordering tot schadevergoeding
10. [appellant en naam] hebben in de procedure niet weersproken dat hun in 2007 de sleutels van het huis zijn overhandigd, zodat de eerste oplevering van het werk toen heeft plaatsgevonden. De thans in hoger beroep voor het eerst overgelegde rapporten van Techno Ruk zijn in datzelfde jaar opgemaakt en beschrijven gebreken die volgens dit bureau toen aan het werk kleefden. Het te dezer zake door [appellant] gevorderde bedrag aan herstelkosten ad € 29.141,- is blijkbaar een samentelling van twee bedragen die in bedoelde rapporten worden genoemd: € 21.860.- en US$ 7.281,-.
Ten aanzien van de bruikbaarheid van de rapporten merkt het Hof het volgende op:
(1) De rapporten zijn kennelijk eenzijdig opgemaakt; niet gesteld of gebleken is dat [de stichting] is uitgenodigd bij de inspectie door Techno Ruk van het tot stand gebrachte werk aanwezig te zijn.
(2) In de rapporten worden bovengenoemde bedragen niet (per gebrek) gespecificeerd, zodat het inderdaad voor [de stichting] niet goed mogelijk is behoorlijk verweer te voeren.
(3) In de namens [appellant en naam]. c.q. [appellant] ingediende processtukken is noch in eerste instantie, noch in hoger beroep een poging gedaan een en ander te verduidelijken of toe te lichten. Volstaan werd met een verwijzing naar de rapporten.

11. Het Hof heeft zich beraden over de vraag in hoeverre, gelet op het vorenstaande, aan de rapporten bewijs is te ontlenen voor de juistheid van de gevorderde schade en komt daarbij tot het volgende.
Het Hof acht het op grond van de rapporten voldoende aannemelijk dat het door [de stichting] tot stand gebrachte werk enig herstel behoefde, maar kan zowel de omvang daarvan als de daarmee gemoeide kosten niet nauwkeurig vaststellen. Het komt niet raadzaam voor thans, ongeveer elf jaar na de oplevering, een nader deskundigenonderzoek te bevelen. Er kan immers niet van uit worden gegaan dat het werk nog in dezelfde staat verkeert als destijds. Daardoor wordt het onderzoek op zijn minst bemoeilijkt en wellicht is het op een aantal onderdelen onmogelijk. Bovendien brengt een nieuw deskundigenonderzoek verdere kosten en vertraging met zich mee.
Het Hof zal de herstelkosten dan ook schatten. Het heeft daarvoor geen verdere aanknopingspunten dan de omvang van het werk en de constateringen van Techno Ruk, waaraan om bovengenoemde redenen slechts beperkte waarde kan worden toegekend. Alles overziende stelt het Hof de herstelkosten vast op een bedrag van € 5.000,-, waarin de wettelijke rente tot heden is begrepen.

12. De grieven en bezwaren van [appellant] treffen doel in zoverre als hiervoor weergegeven en worden voor het overige verworpen. Dit leidt tot onderstaande beslissingen.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

I. Vernietigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis d.d. 19 oktober 2010 (A.R.No. 07-4974) in zoverre daarbij in conventie het meer of anders door [appellant en naam] gevorderde bedrag is afgewezen

en in zoverre opnieuw rechtdoende

veroordeelt [de stichting] aan [appellant] te betalen een bedrag van € 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf heden tot de dag der voldoening,

wijst af het meer of anders gevorderde.

II. Bevestigt het vonnis voor het overige.

III. Verrekent de proceskosten in hoger beroep aldus dat ieder der partijen de zijne c.q. de hare draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 april 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. dr. J. van Dijk-Silos, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-31

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellant],
wonende te [district],
appellant,
verder ook te noemen: [appellant],
gemachtigde: mr. M.I.Vos, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde,
verder ook te noemen: [geïntimeerde],
in hoger beroep procederend in persoon,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 4 juni 2007 (A.R.No. 20-4265) tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
– een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 13 juni 2007, inhoudende dat [appellant] op 13 juni 2007 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 4 juni 2007 gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en onder meer [appellant] als gedaagde;
– een pleitnota van [appellant], overgelegd op 1 maart 2013;
– een notitie van de griffier, dat partij [geïntimeerde] op 5 april 2013 heeft aangegeven dat
mr. R.S. Baldew niet meer zijn gemachtigde is.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen.

Beoordeling
1. Bij vonnis van 4 juni 2007 heeft de kantonrechter de gedaagden [naam] en [appellant], thans appellant, veroordeeld om aan [geïntimeerde], thans geïntimeerde, te betalen, des de één betalende de ander zal zijn bevrijd, een bedrag van SRD 10.000 aan smartengeld. Bij tussenvonnis van 19 juli 2005 had de kantonrechter reeds vastgesteld dat [naam] op 8 juni 1997 met een motorvoertuig dat hem door [appellant] ter beschikking was gesteld een aanrijding had veroorzaakt waarbij [geïntimeerde] ernstig en blijvend letsel opliep. De kantonrechter achtte in zijn vonnis van 4 juni 2007 [appellant] medeaansprakelijk omdat hij werkgever van [naam] was en hij zijn aansprakelijkheid op grond van artikel 1388 lid 3 BW had erkend.
2. In hoger beroep ontkent [appellant] aansprakelijk te zijn, omdat [naam] niet tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden maar buiten diensttijd, omstreeks 22.30 uur ‘s-nachts, de aanrijding zou hebben veroorzaakt.
3. Dit is een nieuw verweer. [appellant] had dat als grief in een memorie van grieven moeten aanvoeren. Hij kan dat volgens vaste Surinaamse jurisprudentie niet pas bij pleidooi in hoger beroep voor de eerste keer naar voren brengen. Het hof kan daarom met dit verweer geen rekening houden.
4. Aangezien het hof verder geen bedenkingen heeft tegen het vonnis waarvan beroep en het tussenvonnis van 19 juli 2005, wordt het vonnis waarvan beroep bevestigd, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep:
Het Hof:
Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 4 juni 2007, A.R.No.
20-4265, tussen partijen gewezen, waarvan beroep.
Veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerde begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-president, mr. S.M.M. Chu en
mr. M.C. Mettendaf, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 april 2018, in tegenwoordigheid van
mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. P.S.E. Sewdien namens advocaat mr. M.I. Vos, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-30

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[naam 1],
wonende te [district],
appellant en geïntimeerde in het door [naam 2] zelfstandig ingestelde hoger beroep,
verder aan te duiden als [naam 1],
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

[naam 2]
wonende in [district],
geïntimeerde en daarna zelfstandig appellant,
verder aan te duiden als [naam 2],
procederende in persoon.

Inzake het door [naam 1]ingestelde en in het daarna zelfstandig door [naam 2] ingestelde hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 3 augustus 2010, bekend onder A.R.No 073482, tussen [naam 2] als eiser en [naam 1] als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
– een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 18 januari 2011, inhoudende dat [naam 2] op 18 januari 2011 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 3 augustus 2010 gewezen tussen [naam 2] als eiser en [naam 1] als gedaagde;
– een pleitnota van [naam 2] van 5 augustus 2016;
– een antwoord van [naam 1] pleitnota van 7 oktober 2016;
– een repliek pleitnota van [naam 2] van 2 december 2016;
– een dupliek pleitnota van [naam 1] van 6 januari (2016, lees:) 2017.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

De hoger beroep zijn tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat partijen daarin kunnen worden ontvangen.

Vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld, anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken, staan de volgende feiten tussen partijen vast:

Op of omstreeks 18 december 2005 is tussen [naam 1] als opdrachtgever en [naam 2] als aannemer een overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen betreffende, zakelijk weergegeven, het voltooien van een reeds gedeeltelijk opgetrokken nieuwbouw.

Op 19 april 2006 heeft [naam 1] tegen [naam 2] aangifte gedaan wegens diefstal van een hoeveelheid betonijzer en een zaagmachine. [naam 2] is aangehouden en heeft enige tijd in detentie doorgebracht. Hij heeft bij de politie (evenals in dit geding) de diefstal ontkend en heeft zich er op beroepen dat deze goederen hem door [naam 1] ten geschenke waren gegeven, maar hij heeft de zaagmachine naar aanleiding van de gedane aangifte teruggegeven. De aangifte heeft niet tot verdere vervolging en dus ook niet tot veroordeling geleid. (Kort) na zijn vrijlating heeft [naam 2] zijn werkzaamheden voor [naam 1] gestaakt.

Het werk is door [naam 2] niet volledig uitgevoerd. De aanneemsom bedroeg US$ 35.000,00, waarvan US$ 25.465,00 door [naam 1] is voldaan en het restant ad US$ 9.535,00 onbetaald is gebleven.

De beoordeling van grief 1 van [naam 1]

Volgens het bestreden vonnis heeft [naam 1] niet weersproken dat [naam 2] meerwerkzaamheden heeft verricht. Met grief 1 betoogt [naam 1] wel degelijk te hebben weersproken dat er van meerwerk sprake is geweest. Dat is juist maar het neemt niet weg dat hij van geen van de door [naam 2] aangevoerde meerwerkzaamheden de uitvoering heeft tegengesproken. Dat doet hij ook in hoger beroep niet.

Wel voert hij aan dat dat geen meerwerk was. Het viel volgens hem geheel onder het in de aannemingsovereenkomst opgedragen afbouwen en opleveren van het gebouw. Dat is echter niet vanzelfsprekend: dat een aanneming van werk strekt tot het volledig afbouwen en opleveren van een bepaald bouwwerk sluit nog niet uit dat de opdrachtgever vervolgens opdracht geeft tot werkzaamheden die van het oorspronkelijke ontwerp afwijken of daarop een aanvulling zijn en voor de aannemer meerwerk opleveren. [naam 1] heeft aangevoerd dat dat bij dit werk niet het geval kan zijn omdat de opgedragen afbouw en oplevering niet geheel voltooid zijn geweest en [naam 2] dus aan eventueel opgedragen meerwerkzaamheden niet kon toekomen. Daarmee verenigt het hof zich niet. Geen regel schrijft voor dat het aangenomen werk en daarna de meerwerkzaamheden in volgorde worden uitgevoerd.

Voor sommige van de door [naam 2] opgevoerde meerwerkzaamheden moet uit de daarbij door [naam 2] gegeven en door [naam 1] niet weersproken toelichting ook worden afgeleid dat het inderdaad om meerwerk ging, te weten de posten a en m zoals onder 4 van het inleidend verzoekschrift genoemd. [naam 2] voert aan dat blijkens de aanwezige constructie het oorspronkelijke ontwerp voorzag in het aanbrengen van aluminium raamprofielen, terwijl [naam 1] bij nader inzien gewone ramen wenste met door hemzelf aan te leveren kozijnen. [naam 1] heeft deze gang van zaken niet weersproken. Het herstellen van de aangeleverde kozijnen en het plaatsen ervan leverden dus meerwerk op.

Hieruit volgt dat er wel degelijk van meerwerk sprake was. Nu [naam 1] zich tegen de vordering wegens meerwerk slechts categorisch heeft verweerd zonder daarbij aan te geven welke posten naar zijn mening ondeugdelijk waren en op welke gronden, acht het hof het verweer onvoldoende gemotiveerd en is het van oordeel dat de eerste rechter de meerwerkvordering terecht heeft toegewezen. De grief moet worden verworpen.

De beoordeling van grief 2 van [naam 1]

Bij het bestreden vonnis is [naam 1] veroordeeld tot betaling van het nog niet voldane deel van de aanneemsom, zijnde US$ 9.535,00. Daartegen richt zich grief 2 waarin [naam 1] aanvoert dat [naam 2] zonder duidelijke reden de bouwwerkzaamheden niet heeft voltooid.

[naam 2] erkent dat het aangenomen werk niet volledig door hem is uitgevoerd, al was het gebouw volgens hem bouwkundig al klaar en ontbraken nog slechts “enkele kleine schoonheidswerken”. Hij geeft ook aan wat de reden van het voortijdig staken van het werk was, namelijk dat hem door [naam 1] en/of naar aanleiding van diens aangifte door de politie de toegang tot het werk verboden is.

Nu vaststaat dat [naam 1] bij de overeenkomst de verbintenis op zich heeft genomen een aanneemsom van US$ 35.000,00 te voldoen en hij zich ter rechtvaardiging van het niet volledig nakomen van die verbintenis beroept op het niet voltooien van het werk door [naam 2], rust op [naam 1] de plicht gespecificeerd op te geven welke werkzaamheden [naam 2] ondanks ingebrekestelling ongedaan heeft gelaten. Die gespecificeerde opgave ontbreekt en zelfs heeft [naam 1] niet gesteld dat van enige ingebrekestelling sprake is geweest. Onder die omstandigheden moet zijn verweer als onvoldoende gemotiveerd worden gepasseerd en verwerpt het hof ook deze grief.

Het door [naam 2] ingestelde hoger beroep

Tegen het bestreden vonnis heeft [naam 2] zelfstandig hoger beroep ingesteld. Bij antwoord pleitnota heeft hij meegedeeld dat dit hoger beroep gericht is tegen de afwijzing van zijn vordering wegens het feit dat [naam 1] zich de gereedschappen van [naam 2] wederrechtelijk heeft toegeëigend door hem de toegang tot het bouwterrein te ontzeggen. Nu beide partijen zich in hun pleitnota’s ook over dit onderwerp hebben uitgelaten, acht het hof zich in staat ook op dit hoger beroep thans te beslissen.

[naam 2] heeft gesteld dat hij, toen hem de toegang tot de bouwplaats ontzegd werd, daar een hoeveelheid gereedschappen moest achterlaten. Hij verlangt de teruggave daarvan en vergoeding van de door hem geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. [naam 1] stelt dat de werknemers van [naam 2], van wie hij, [naam 1], zich na [naam 2]s aanhouding heeft bediend ter voltooiing van het werk de gereedschappen tot zich hebben genomen omdat [naam 2] ze niet betaalde. [naam 1] neemt het standpunt in dat hij geen verantwoordelijkheid draagt voor goederen die [naam 2] bij vertrek van de bouwplaats vrijwillig achterlaat.

[naam 1] ontkent dat hij [naam 2] de toegang tot de bouwplaats heeft ontzegd. Gelet op de door [naam 1] gedane aangifte van een toch serieus strafbaar feit, wekt dat bevreemding, maar ook als het waar is, ligt het toch voor de hand dat de politie [naam 2] bij diens invrijheidstelling gewaarschuwd heeft zich niet meer bij [naam 1] te laten zien. [naam 1] kon dat verwachten en wist dat hij daarvoor door zijn aangifte enige verantwoordelijkheid droeg, zeker nu geen vervolging tegen [naam 2] werd ingesteld en [naam 2] dus voor onschuldig gehouden moest en moet worden. [naam 1] droeg dus wel degelijk verantwoordelijkheid voor de achtergelaten eigendommen. Het had op zijn weg gelegen het ongecontroleerd afvoeren van [naam 2]s eigendommen, ook door diens eigen werknemers, te voorkomen en met [naam 2] contact op te nemen om te regelen dat deze zijn goederen kon en zou ophalen.

De vordering van [naam 2] betreffende deze gereedschappen dient dus met vernietiging in zoverre van het bestreden vonnis te worden toegewezen. Daarbij zal het hof afzien van het opleggen van een dwangsom, nu de mogelijkheid dat [naam 1] tot teruggave thans, twaalf jaar na dato, in redelijkheid niet meer in staat is, zeer voor de hand ligt en het nadeel daarvan voor [naam 2] zich oplost in de schadevergoeding die hij ook vordert en die zal worden toegewezen.

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarbij het meer of anders gevorderde werd afgewezen, zoals beslist onder 5.4 van het beroepen vonnis;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [naam 1] om binnen vier weken na deze uitspraak aan [naam 2] af te geven de navolgende goederen, te weten:
twee stuks metaalzagen, twee stuks koevoeten, drie stuks steenbeitels, een blikkenschaar, twee rolmaten (7,5 en 10 m), een meetband van het merk Stanley, een waterpas, een hamer, twee handzagen, een moker (groot 5 kg.), een moker (klein 1 kg.), zeven stuks crimeel, een tjap, een houwer, twee schoppen, een spijkerhark, een winkelhaak, twee troffels, een pantbijtel, een schietlood, een coolbox (30 liter), twee kruiwagens, een benzinegallon (20 liter), twee verlengkabels à 100 ft., een spanningblok à 15 m kabel, een stuk tegensnijder 80 cm., een vlechttang, negen betonemmers, een schroevendraaier t.b.v. Stihlzaag, twee schroevendraaiers (1 min en 1 plus), 15 meter tuinslang;

veroordeelt [naam 1] tot vergoeding van de schade door het niet teruggeven van aan [naam 2] toebehorende eigendommen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

en voorts:

bevestigt het bestreden vonnis voor het overige, met name voor de onderdelen 5.1, 5.2 en 5.3 van het beroepen vonnis;

veroordeelt [naam 1] in de kosten van de hoger beroepen en bepaalt deze, voor zover tot op heden aan de zijde van [naam 2] gevallen, op Nihil.

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf, Lid en mr. I. Sonai, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 april 2018, in tegenwoordigheid van
mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. H.S. Djasmadi namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-29

G.R.No. 14614
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van:

[appellant],
wonende te Paramaribo,
appellant in kort geding,
in eerste aanleg: eiser in kort geding,
hierna te noemen: [appellant],
gemachtigde: mr. E.A. Glunder, advocaat,

tegen

DE STICHTING SURINAAMSE VOLKSCREDIETBANK, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
in eerste aanleg: gedaagde in kort geding,
hierna te noemen: de Bank,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 23 november 2006 (A.R.No. 06-4469) tussen [appellant] en de Bank,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

1. Het procesverloop in eerste aanleg
Voor het procesverloop in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen daarover in zijn tussenvonnis van 17 juni 2016 is overwogen.

2. Het verdere procesverloop in hoger beroep
Voor het procesverloop tot 17 juni 2016 verwijst het hof naar hetgeen daarover in zijn tussenvonnis van die datum is overwogen.
– bij tussenvonnis van het hof van 17 juni 2016, heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld om zich door middel van een conclusie uit te laten “of hij nog enig spoedeisend belang heeft bij de onderhavige zaak in hoger beroep en welk spoedeisend belang hij heeft”;
– de conclusie van [appellant] van 15 juli 2016;
– de conclusie van de Bank van 19 augustus 2016;
– de rechtsdag voor de uitspraak was hierna aanvankelijk bepaald op 3 maart 2017 en vervolgens nader op 1 juni 2018, doch bij vervroeging op heden.

3. De beoordeling
Het hof verwijst hier naar de overwegingen in het tussenvonnis van 17 juni 2016 onder “5. De beoordeling”. Bij deze overwegingen volhardt het hof.
Kort samengevat komt het hierop neer, dat de vordering van [appellant] in eerste aanleg strekte tot het doen schorsen dan wel opschorten van de executoriale verkoop van een onroerend goed van [appellant] door de Bank, als hypotheekhoudend schuldeiser, dat de kantonrechter die vordering heeft afgewezen, dat het hof er rekening mee houdt dat vervolgens de executoriale verkoop is doorgegaan en het onroerend goed door de Bank is aangekocht en daarna aan een derde is doorverkocht en dat daarom bij het hof de vraag rijst of [appellant]nog enig spoedeisend belang bij de onderhavige zaak in hoger beroep heeft.
Uit de conclusies van [appellant] en de Bank van respectievelijk 15 juli en 19 augustus 2016 kan worden afgeleid dat de executoriale verkoop en de doorverkoop aan een derde reeds geruime tijd geleden hebben plaats gevonden. Het in kort geding vereiste spoedeisend belang van [appellant] bij zijn vordering, dat nog bestond zo lang de executoriale verkoop nog niet had plaatsgevonden, is er dus niet meer. Anders dan [appellant] stelt, moet dat spoedeisend belang beoordeeld worden naar de situatie, zoals die bestaat ten tijde van het nemen van de beslissing in hoger beroep en niet naar de stand van zaken ten tijde van de uitspraak in eerste aanleg.
[appellant] stelt dat hem niet te verwijten valt dat in de behandeling in hoger beroep grote vertraging is opgetreden. Dat is juist en de vertraging valt te betreuren, maar dat betekent niet dat [appellant] daarom belang zou krijgen bij toewijzing van een vordering die feitelijk niet meer gerealiseerd kan worden.
Het vorenstaande brengt mee, dat de grieven van [appellant] buiten beschouwing kunnen blijven. Het vonnis waarvan beroep moet worden bevestigd. [appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Bank in hoger beroep gevallen. Deze kosten worden begroot op nihil.

De beslissing in hoger beroep in kort geding
Het Hof:
Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 23 november 2006, A.R.No. 06-4469;

Veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Bank gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan,Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en
mr. M.C. Mettendaf, Leden en w.g. A. Charan

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van
mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C. Rambharos namens advocaat
mr. A.R. Baarh, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellant noch in person noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-28

G.R.No.14653

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[appellant], wonende in het [district],

appellant in kort geding, verder te noemen [appellant],

gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

tegen

[geïntimeerde], wonende in het [district],

geïntimeerde in kort geding, verder te noemen [geïntimeerde],

gemachtigde: mr. H. Matawlie, advocaat,

Inzake het hoger beroep van de door de kantonrechter van het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 15 november 2001 (A.R.No. 011926) tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde,

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende processtukken:

– een pleitnota van 5 oktober 2012 met 8 producties;

– een memorie van antwoord met 1 productie van 18 januari 2013;

– een repliekpleidooi met 1 productie van 5 april 2013, tevens inhoudende een verzoek tot rectificatie van de voornaam van appellant en

– een memorie van dupliek en uitlating producties van 7 juni 2013, waarin geïntimeerde tevens instemt met het verzoek tot rectificatie.

De vaststaande feiten

[appellant] is enig geldsbedrag verschuldigd aan [geïntimeerde].

De stellingen en verweren in eerste aanleg en het oordeel van de kantonrechter

[geïntimeerde] voert aan dat [appellant] verschillende geldsbedragen tot een totaal bedrag van Nf 60.000,– en US$ 30.000,- van hem heeft geleend en ondanks aanmaning niet heeft terugbetaald. Hij vordert deze bedragen plus een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van [appellant]. [appellant] voert een aantal formele verweren, die hierna zullen worden behandeld, waarbij hij de verschuldigdheid van de genoemde bedragen betwist en waarbij hij aanvoert evenmin de buitengerechtelijke incassokosten aan [geïntimeerde] verschuldigd te zijn. De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

De beoordeling

1. [appellant] heeft gegroepeerd onder een viertal zogenoemde grieven zijn bezwaren tegen het bestreden vonnis opgesomd, die achtereenvolgens zullen worden behandeld. [geïntimeerde] heeft daartegen verweer gevoerd. In het navolgende zal daar zonodig op in worden gegaan.

2. De eerste grief onder het kopje formeel verweer betreft de verschillende namen die in deze zaak voor [appellant] en [geïntimeerde] worden gebruikt. Nu [appellant] echter bij repliekpleidooi in hoger beroep zijn verweer dat ‘[naam appellant variant 1]’ een andere persoon is dan ‘[appellant]’ intrekt en zelfs rectificatie heeft gevraagd van de naam kan aan dit verweer verder voorbij worden gegaan. Voor wat betreft de naam ‘[naam appellant variant 2]’ overweegt het Hof dat daaromtrent geen beslissing hoeft te worden genomen omdat de kantonrechter zijn beslissing niet heeft gestoeld op een stuk, waarin deze naam voorkomt. [appellant] voert voorts aan dat [geïntimeerde] niet dezelfde is als ‘[naam geïntimeerde variant 1]’ en ‘[naam geïntimeerde variant 2]’. Dit verweer gaat echter niet op. [appellant] heeft [geïntimeerde] zelf bij brief van 20 juni 2000 aangeschreven met de naam ‘[naam geïntimeerde variant 1]’. In hoger beroep betwist [appellant] weliswaar deze brief, maar in eerste aanleg heeft hij onvoorwaardelijk erkend dat deze brief door hem aan [geïntimeerde] is geschreven, zodat deze in hoger beroep gedane ontkenning als gedekt wordt gepasseerd. [geïntimeerde] geeft zelf ook te kennen dat hij [geïntimeerde variant 1] wordt genoemd, hetgeen door [appellant] vervolgens weer niet wordt betwist. Het hof komt daarom tot de conclusie dat met ‘[naam geïntimeerde variant 1]’ en ‘[naam geïntimeerde variant 2]’ in deze procedure de geïntimeerde [geïntimeerde] wordt bedoeld. Deze grief faalt derhalve.

3. Grief 2 gaat over de vraag of een geldsvordering in Kort Geding kan worden gevorderd. Het antwoord daarop is bevestigend. Het is vaste jurisprudentie van het hof dat een geldsvordering in kort geding kan worden gevorderd. Deze grief wordt daarom ook verworpen.

4. In grief 3 betwist [appellant] dat er voldoende bewijs is voor de toewijzing van de vordering. Het Hof overweegt daarover het volgende: In kort geding gaat het om de vraag of een vordering voldoende aannemelijk is geworden om voor toewijzing vatbaar te zijn. De vraag of de vordering vaststaat kan eventueel in een bodemprocedure aan de orde komen. De kantonrechter baseert zijn oordeel, dat de vorderingen van [geïntimeerde] aannemelijk zijn geworden, allereerst op de hiervoor bedoelde brief van [appellant] aan [geïntimeerde] van 20 juni 2000, waarin [appellant] schrijft ‘ Dat ik financiële schulden bij u heb’ en voorts ‘ Ik heb nooit ontkend en zal nimmer in mijn gedachten halen Uw schulden niet te betalen, doch het feit is dat ik nu nog geen ruimte heb het totaal verschuldigde bedrag aan U te voldoen. Gelet op mijn omstandigheden en mijn verplichtingen alsmede mijn inkomen zal ik iedere maand sf 500.000 (vijfhonderd duizend) gulden storten op Uw bankinstelling’. Daarnaast stelt de kantonrechter vast dat [appellant] niet heeft gereageerd op een brief van mr. R.M.F. Oemar van 12 oktober 2001, waarin precies wordt aangegeven op welke transacties met [appellant] de vorderingen van [geïntimeerde] betrekking hebben. Op basis van deze beide stukken komt de kantonrechter tot zijn oordeel dat de gestelde vorderingen aannemelijk zijn. Het Hof deelt het oordeel van de kantonrechter. Ook in hoger beroep is [appellant] niet inhoudelijk op deze stukken ingegaan. Hij heeft bijvoorbeeld niet aangegeven welke bedragen hij (als [geïntimeerde] ongelijk heeft) dan wel verschuldigd is aan [geïntimeerde] en op basis waarvan, welke bedragen hij inmiddels heeft voldaan en welke van de in de brief van mr. Oemar voornoemd genoemde transacties wel en welke niet hebben plaatsgevonden, terwijl dat, zeker in hoger beroep, wel op zijn weg lag. Hij kan niet volstaan met het eenvoudig betwisten van het gestelde, terwijl hij immers zelf heeft toegegeven bedragen schuldig te zijn aan [geïntimeerde]. Nu hij dit alles niet heeft gedaan is naar het oordeel van het Hof, voldoende aannemelijk dat [appellant] de door [geïntimeerde] gevorderde bedragen van Nf 60.000,– en US $ 30.000,– aan hem verschuldigd is. Dit deel van het vonnis van de kantonrechter kan derhalve met aanvulling van gronden worden bevestigd, met dien verstande dat de veroordeling tot betaling van Nf 60.000,– wordt omgezet in een veroordeling tot betaling van € 27.226,81, met de wettelijke rente daarover vanaf 24 april 2001.

5. Grief 4 betreft de gevorderde en door de kantonrechter toegewezen schade van Nf 9.000,– en US$ 4.500,–. Ten aanzien daarvan overweegt het Hof het volgende. Het betreft hier de gestelde kosten van deskundige bijstand, bestaande uit 15% van de hoofdsom. Met [appellant] is het Hof van oordeel dat deze kosten niet toewijsbaar zijn, nu noch is gesteld, noch is gebleken dat partijen zijn overeengekomen dat een bedrag van 15% aan buitengerechtelijke kosten verschuldigd zou zijn bij niet-betaling van de vordering. Daarnaast heeft [geïntimeerde], ondanks de uitdrukkelijke betwisting door [appellant], geen bewijs bijgedragen dat deze kosten daadwerkelijk door hem zijn gemaakt. Onder die omstandigheden dient dit deel van de oorspronkelijke vordering te worden afgewezen en dient het vonnis van de kantonrechter in zoverre te worden vernietigd. Deze grief slaagt om die reden. Het Hof voegt daar aan toe, dat er geen reden is om het vonnis van de kantonrechter ten aanzien van de proceskosten te vernietigen, nu [appellant] in eerste aanleg als de voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij de proceskosten dient te dragen.

6. [appellant] dient als de in hoger beroep voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij de proceskosten te dragen.

De beslissing

1.Vernietigt het vonnis waarvan beroep voorzover het betreft de veroordeling tot betaling door [appellant] aan [geïntimeerde] van Nf 9.000,– (Negenduizend Nederlandse guldens) en US$ 4.500,– (Vierduizendvijfhonderd US dollars

en opnieuw rechtdoende:

Wijst de vordering af.

2. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met aanvulling van gronden en met dien verstande dat de veroordeling tot betaling van Nf 60.000,– (zestigduizend Nederlandse guldens) dient te worden gelezen als een veroordeling tot betaling van € 27.226,81 (zevenentwintigduizendtweehonderdzesentwintig euro en éénentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 april 2001;

3. Veroordeelt [appellant] als de voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en

mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. mr. A.C. Johanns

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhagky namens advocaat

mr. A.E. Debipersad, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. H. Matawlie, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld