SRU-HvJ-2018-27

G.R.No.14663

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
h.o.d.n. INDUSTRIAL TECHNICAL SERVICE (ITS),
wonende te [district],
appellant in kort geding,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,

tegen

SURINAME PIG FARMS N.V.,
gevestigd in het district Saramacca,
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat.

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter van het eerste kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 7 april 2011 (A.R.No. 10-1726) tussen appellant als gedaagde in de hoofdzaak en geïntimeerde als eiser in de hoofdzaak,

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het volgende vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellant op 15 april 2011 – en wel tijdig – hoger beroep heeft ingesteld;
– de pleitnota van appellant van 1 juni 2012;
– de antwoordpleitnota van geïntimeerde van 20 juli 2012;
– de repliekpleitnota van 5 oktober 2012;
– de dupliekpleitnota van 15 februari 2013;
– De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 17 mei 2013 en nader bepaald bij vervroeging op heden.

De beoordeling
1. Het gaat in deze zaak om het volgende.
Op 28 april 2009 hebben partijen een overeenkomst van aanbesteding gesloten, ingevolge welke appellant voor een bedrag van USD 46.000,– een bronwater-diepteboring tot een diepte van circa 150 meter in Saramacca zou uitvoeren. Geïntimeerde heeft vervolgens op 30 juli 2009 – in plaats van uiterlijk twee weken na 28 april 2009 – de overeengekomen aanbetaling van 70% van de aanneemsom ad USD 32.000,– gedaan. Appellant heeft daarna een diepteboring van 45 meter op het terrein van geïntimeerde verricht.
Appellant heeft op 12 februari 2010 meegedeeld binnen 2 weken te zullen berichten wanneer hij met de overeengekomen werkzaamheden zou aanvangen. Bij brief van 4 maart 2010 heeft geïntimeerde de overeenkomst opgezegd en het betaalde voorschot teruggevorderd. Tijdens de loop van deze procedure heeft appellant USD 19.700 ten behoeve van geïntimeerde op de derdenrekening van haar procesgemachtigde gestort. Geïntimeerde heeft tijdens de procedure op 2 december 2010 haar vordering in hoofdsom verminderd tot USD 12.500,–.
De kantonrechter heeft het beroep op overmacht van appellant, gegrond op een vertraging in de afwerking van het boorschema en een defect aan het boorplatform, als niet aannemelijk gemaakt en feitelijk niet onderbouwd afgewezen. De tegenvordering van appellant terzake van de met de boring tot een diepte van 45 meter gemoeide kosten ten bedrage van USD 12.500,– heeft de kantonrechter afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat geïntimeerde met de vergoeding van die kosten akkoord is gegaan. Het beroep van appellant op compensatie, dat wil zeggen verrekening van de vorderingen over en weer, is afgewezen aangezien de tegenvordering van appellant niet is komen vast te staan. De kantonrechter heeft de verminderde vordering daarom, behalve voor een deel van de gevorderde rente, geheel toegewezen.

2. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen heeft appellant twee
grieven geformuleerd. Aan grief I legt appellant ten grondslag de stelling dat de boring tot 45 meter diepte als zelfstandig onderdeel van de overeenkomst moet worden beschouwd. Omdat geïntimeerde de overeenkomst daarna heeft opgezegd, kwam daarmee de grondslag voor de boring van 45 meter te ontvallen en was die prestatie onverschuldigd verricht. Volgens appellant dienen daarom de kosten in verband met deze boring te worden vergoed.

3. Het hof acht dit standpunt onjuist. De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 12 februari 2010 aan de gemachtigde van geïntimeerde eraan gerefereerd dat appellant enkele maanden tevoren bereid was geweest om aan geïntimeerde kosteloos een bron van 40 meter diep te laten boren zodat men in ieder geval over water zou beschikken. Enig voorbehoud voor deze bereidheid werd niet gegeven. Uit deze toezegging kan al een bepaalde aanwijzing worden geput dat appellant zich op het standpunt stelde dat hij in gebreke was gebleven om eerder de overeengekomen boring op 150 meter diepte uit te voeren. Bovendien moet worden overwogen dat, anders dan de gemachtigde van appellant meent, uit niets blijkt dat geïntimeerde ooit heeft ingestemd met, of zelfs heeft verzocht om, een boring tot slechts een diepte van 45 meter in plaats van de eerder overeengekomen 150 meter. Verder wordt in aanmerking genomen dat namens appellant in de brief van 12 februari 2010 is toegezegd om binnen 2 weken aan te geven, wanneer de boring tot 150 meter diep zou plaatsvinden. Het hof stelt vast dat toen geen gewag is gemaakt van een vertraging in het boorschema, noch dat geïntimeerde die had veroorzaakt dan wel voor de gevolgen daarvan verantwoordelijk werd gehouden. Ten slotte is van belang, dat appellant binnen de gestelde termijn niets meer van zich heeft laten horen en pas in de onderhavige procedure een beroep heeft gedaan op de problemen in de afwerking van het boorschema.

4. Op grond van het voorgaande moet worden aangenomen dat de vertraagde aanbetaling van, in plaats van twee weken na 28 april 2009 pas op 30 juli 2009, niet de oorzaak ervan is geweest dat appellant de overeengekomen diepteboring van 150 meter voor de opzegging van de overeenkomst niet heeft uitgevoerd. Geïntimeerde was daarom gerechtigd om, toen appellant na 12 februari 2010 niets meer van zich liet horen, de overeenkomst op te zeggen.

5. Grief 2 richt zich, zakelijk weergegeven, tegen de beslissing van de kantonrechter om de gestelde tegenvordering van appellant betreffende de kosten van de boring van 45 meter niet in verrekening te brengen. Daartoe overweegt het hof dat, naar in het bovenstaande valt te lezen, appellant ingevolge artikel 1448 van het Burgerlijk Wetboek van Suriname geen tegenvordering op geïntimeerde heeft, zodat van compensatie geen sprake kan zijn. Uit dit artikel kan worden afgeleid dat compensatie alleen plaats heeft tussen twee schulden die wederzijds voor een dadelijke vereffening en opeising vatbaar zijn. Daarvan is hier geen sprake omdat de door geïntimeerde betwiste aanspraak van appellant op vergoeding van de kosten niet eenvoudig is vast te stellen. De kantonrechter heeft dan ook in dit verband terecht overwogen dat hier geen sprake is van schulden die over en weer voor een dadelijke vereffening en opeising vatbaar zijn. Grief 2 is daarom tevergeefs voorgesteld.

6. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Appellant wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding als na te melden.

De beslissing in kort geding in hoger beroep

Het hof:

Bekrachtigt het vonnis in waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de kosten van het geding, aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op NIHIL.

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. R.G. Chatterpal, Leden en

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 maart 2018 , in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. D.S. Kraag, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. E.D. Esajas namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-26

G.R.No. 14667
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van
1 [appellant 1],
2 [appellant 2],
3 [appellant 3],
4 [appellant 4],
5 [appelant 5], (in eerste aanleg abusievelijk [naam]),
allen wonende te [district],
6 [appellant 6], wonende te [plaats], [land]
7 [appellant 7], wonende te [district],
allen erfgenamen van wijlen [naam 1],
appellanten, oorspronkelijk eisers in kort geding,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp advocaat,

tegen

1 [geintimeerde], wonende te [district],
2 STICHTING RUTU, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerden, oorspronkelijk gedaagden in kort geding,
gemachtigde: mr. E. van der Hilst, advocaat

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en op 26 februari 2009 uitgesproken vonnis (A.R.No. 08-3650) tussen appellanten als oorspronkelijk eisers en geïntimeerden als oorspronkelijk gedaagden,

spreekt de Fungerend President, in Naam van de Republiek, het volgende vonnis uit. Daarin zullen appellanten ook wel als de [appellanten] worden aangeduid en geïntimeerden als [geintimeerden] respectievelijk de stichting.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
– een verklaring van de griffier van de kantongerechten inhoudende dat appellanten op 6 maart 2009 hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton, op 26 februari 2009 in kort geding tegen hen uitgesproken;
– een pleitnota van 20 april 2012;
– een antwoord pleitnota van 6 juli 2012;
– een repliek pleitnota van 20 juli 2012;
– een dupliekpleitnota van 4 oktober 2012.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep
1. Het vonnis van de kantonrechter in kort geding onder A.R.No. 08-3650 is gewezen en uitgesproken op 26 februari 2009. Appellanten hebben op 6 maart 2009 hoger beroep aangetekend tegen het vonnis in eerste aanleg en dus zijn zij ontvankelijk in het door hen ingestelde hoger beroep.

De omvang van de rechtsstrijd
2. De kantonrechter heeft in eerste aanleg in haar vonnis van 26 februari 2009 volhard bij de inhoud van haar eerder in dit kort geding op 24 december 2008 uitgesproken vonnis, dat het Hof mede op grond van artikel 269 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv) ook in zijn overwegingen zal betrekken.

De beoordeling
3. De feiten
3.1 Bij vonnis van 25 maart 2008 (A.R.No. 07-0229) heeft de kantonrechter van het eerste kanton in een bodemprocedure op vordering van de [appellanten] onder meer een akte van volmacht d.d. 17 november 1998 en een akte van geldlening d.d. 23 januari 2001 die mede een overeenkomst van verbruiklening met hypotheekstelling omvatte, nietig verklaard en als consequentie daarvan de doorhaling gelast van een op 23 januari 2001 in [register deel en nummer 1] ingeschreven hypotheek. Dit vonnis was niet bij voorraad uitvoerbaar verklaard met als gevolg dat een eventueel appel de executeerbaarheid zou opschorten.

3.2 Op de dag van de uitspraak waren de stichting en haar voorzitter [geintimeerden] geen van beiden verschenen, ook niet bij gemachtigde. Zij zijn op 5 of 6 november 2008 in hoger beroep gekomen, nadat hun op 6 augustus 2008 door de griffier de in artikel 119 lid 3 Rv voorgeschreven aangetekende dienstbrief was toegezonden.

3.3 Blijkens de retournering ervan aan de griffie heeft deze dienstbrief [geintimeerden] en de stichting niet bereikt. Een stempel van 7 november 2008 op de ongeopende enveloppe vermeldt dat het stuk niet is afgehaald. Verder staat erop dat de laatste kennisgeving is uitgebracht op 25 augustus 2008.

3.4 Hun gemachtigde heeft uiteindelijk een kopie van het vonnis ontvangen bij brief van de advocaat van de [appellanten] d.d. 17 oktober 2008, waarna binnen dertig dagen hoger beroep is aangetekend.

Het debat in eerste aanleg
4. De [appellanten] hadden een vergissing begaan bij het formuleren van hun eis in de bodemprocedure; het register waarin de hypotheek moest worden doorgehaald, was foutief aangeduid. Op grond daarvan hebben zij in dit kort geding gevorderd, in een nu wel bij voorraad uitvoerbaar te verklaren vonnis de doorhaling te gelasten van de op diezelfde datum verleden en op 24 januari 2001 in [register deel en nummer 2] ingeschreven hypotheek. Daarmee wordt huns inziens recht gedaan aan de nietig-verklaringen in de bodemprocedure en denken zij hun fout te hebben rechtgezet.

5. Partijen hebben in dit kort geding ten overstaan van de kantonrechter getwist over de tijdigheid van het door [geintimeerden] en de stichting tegen bedoeld bodem-vonnis van 25 maart 2008 ingestelde hoger beroep – en in het verlengde daarvan over de onherroepelijkheid van dit vonnis waarin onder meer de nietigheid was vastgesteld van de hypotheekstelling in de akte van geldlening d.d. 23 januari 2001 met als logische consequentie daarvan de doorhaling in de openbare registers van het hypotheekkantoor.

6. De [appellanten] brachten tegen de tijdigheid van het appel in dat op grond van artikel 119 lid 3 Rv de dienstbrief geacht wordt hen op 6 augustus 2008 (de datum van verzending) te hebben bereikt en dat daaraan niet afdoet de stelling van geïntimeerden dat deze hen nimmer heeft bereikt. De kantonrechter heeft in haar vonnis van 24 december 2008 de griffier gelast de dienstbrief over te leggen op grond dat volgens vaste jurisprudentie van dit Hof (onder andere een uitspraak van 9 juli 1965, Surinaams Juristenblad 1965, no 65) de dienstbrief geacht moet worden de geïntimeerden niet te hebben bereikt, als deze geretourneerd wordt door de met bezorging van de brief belaste instantie. Dit laatste bleek het geval volgens het vervolg-vonnis van de kantonrechter d.d. 26 februari 2009, waarvan beroep.

7. De [appellanten] hadden de kantonrechter niet op andere gedachten weten te brengen met het betoog dat het in de risicosfeer van de geadresseerden van de aangetekende dienstbrief ligt, dat zij niet gereageerd hebben op de aan de aangetekende verzending inherente kennisgevingen en het poststuk niet hebben opgehaald. De kantonrechter is niet ingegaan op dit betoog over het door de geadresseerden genomen risico dat zij een belangrijk stuk zouden mislopen en heeft zich gebaseerd op de stelling dat niet ophalen nu eenmaal niet meebrengt dat men de inhoud kent. Deze kennis heeft zij essentieel geacht voor het gaan lopen van de appeltermijn van dertig dagen.

8. Derhalve heeft de kantonrechter tot uitgangspunt genomen dat het Hof – naar zij zegt met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid – het vonnis van 25 maart 2008 niet onherroepelijk zal achten. Daarom heeft de kantonrechter de op de in dat vonnis vastgestelde nietigheid van de hypotheekstelling stoelende en tot doorhaling ervan in de openbare registers leidende voorlopige voorziening afgewezen.

Bezwaren van appellanten tegen het afwijzende vonnis
9. De [appellanten] stellen voorop dat het niet zo mag zijn dat een appellant eenzijdig de begindatum van een appeltermijn kan uitstellen, b.v. door te wachten met lezen van de aangetekende dienstbrief of door het lezen van de inhoud van het vonnis uit te stellen. Er is een moment waarop de wet veronderstelt dat hij de inhoud van het vonnis kent. Artikel 119 lid 4 Rv bepaalt zelfs dat dat uiterlijk de 30ste dag na de datum van verzending van de aangetekende dienstbrief is als hij niet – al dan niet bij gemachtigde – bij de uitspraak in eerste aanleg verschenen was, wat hier het geval is.

10. De [appellanten] hebben geen grieven geformuleerd maar klagen wel dat geïntimeerden als geadresseerden van de aangetekende dienstbrief belast hadden moeten worden met het bewijs dat zij de brief niet ontvangen hadden; het Hof is het niet met hen eens dat dit de strekking is van het door de kantonrechter aangehaalde vonnis van het Hof van 9 juli 1965 (Surinaams Juristenblad 1965, no. 65). Die bewijslast rust alleen op appellanten als de juist geadresseerde en na aangetekende verzending op de gebruikelijke wijze (bij herhaaldelijk niemand thuis treffen achterlaten van een schriftelijke kennisgeving waar de dienstbrief opgehaald kan worden) aangeboden dienstbrief niet geretourneerd is. Weliswaar is de dienstbrief tussen 6 augustus en 7 november 2008 meermalen aan het adres van [geintimeerden] (zijnde de voorzitter van de stichting) aangeboden met achterlating van kennisgevingen die hij mogelijk niet gezien heeft en wijzen appellanten erop dat geïntimeerden in een andere zaak in rechte verschenen na uitbrenging van een deurwaardersexploit op datzelfde kennelijk juiste adres op 24 september 2008, maar in deze zaak is de dienstbrief wel als onbestelbaar teruggekomen. Een bewijsopdracht als door de [appellanten] bepleit is dus niet aan de orde.

11. De jurisprudentie van dit Hof heeft gaandeweg verder afstand genomen van de door de wet veronderstelde bekendheid van partijen met een vonnis, bij welk uitspraak zij niet verschenen zijn, maar dat hun bij aangetekende dienstbrief is toegezonden. Bij vonnis van 3 juni 2005 (GR 14211, Surinaams Juristenblad 2006, p. 93) heeft het Hof nadrukkelijk overwogen dat de bedoeling van artikel 119 lid 3 Rv “geen andere kan zijn dan dat ook bij de uitspraak afwezige partijen van de inhoud van dat vonnis op de hoogte zullen zijn opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden”. In een overigens afkeurende annotatie vindt het Hof in zoverre bijval: “Dat (men) van de te zijnen nadele gedane uitspraak kennis moet hebben om tot de uitoefening van zijn recht van hoger beroep over te gaan is logisch (…) Immers moet de gerechtigde in staat zijn op effectieve wijze tegen die handeling te ageren en dat is alleen maar mogelijk als de gronden die tot die handeling hebben geleid bekend zijn en dus daartegen op deugdelijke wijze bezwaren kunnen worden ingebracht”.

12. Appellanten hebben daartegen in eerste aanleg al de a contrario-redenering ingebracht dat alleen nadat men verstek heeft laten gaan bij de allereerste oproeping om voor een proces te verschijnen artikel 84 Rv de eis van aanzegging in persoon of een daad van persoonlijke bekendheid stelt, wil de verzettermijn gaan lopen. Dat valt inderdaad te rechtvaardigen met de redenering dat het dan om de eerste oproeping tot een procedure gaat, terwijl eenmaal aan een proces deelnemende partijen bij een uitspraak kunnen verschijnen – in persoon dan wel bij gemachtigde – en dat zij een zeker risico nemen door daar verstek te laten gaan.

13. Terecht echter heeft de kantonrechter in dit kort geding aansluiting gezocht bij de gevestigde jurisprudentie van dit Hof die eerder in de richting gaat van de door haar (min of meer expliciet) gestelde eis dat eerst nadat de in eerste aanleg veroordeelde bekend is geraakt met het desbetreffende vonnis, de appeltermijn gaat lopen.

14. De [appellanten] hebben nog bepleit dat de op rechtshandelingen toepasselijke en in onder andere artikel 3:37 lid 3 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek neergelegde ontvangsttheorie wordt toegepast teneinde de oprekking van de appeltermijn tegen te gaan. Volgens deze theorie kan een verklaring die de geadresseerde niet bereikt, toch op het moment dat zij zonder de storende omstandigheid zou zijn ontvangen (in dit geval hooguit enige dagen na de dag van verzending), haar werking krijgen als dit niet bereiken voor risico van de ontvanger behoort te komen; daarvoor geeft voormeld artikel 3:37 drie door de belanghebbende afzender te stellen gronden: de eigen handeling of die van iemand in zijn sfeer (de ondergeschikte die een stuk niet doorgeeft of de baas die het stuk weigert of op reis gaat zonder vooraf een waarnemer te belasten met ontvangst van de post), dan wel andere persoonlijke omstandigheden die rechtvaardigen dat de geadresseerde het nadeel draagt.

15. Afgezien van het feit dat dergelijke persoonlijke omstandigheden niet zijn komen vast te staan (ze zijn niet gesteld), wenst het Hof deze – overigens door geïntimeerden anders uitgelegde – theorie niet toe te passen, nu het hier niet gaat om de vraag of een overeenkomst tot stand gekomen is, maar om een fatale processuele termijn waarmee enerzijds de rechtszekerheid gediend is, anderzijds een procespartij beroofd wordt van een extra rechterlijke instantie.

16. Het Hof gaat om al deze redenen niet mee in het ook al in eerste aanleg gehouden betoog, dat erop neerkomt dat het risico van niet reageren op kennisgevingen van een aangetekend poststuk dat bezorgd wordt op hun adres, ook als het om gerechtelijke stukken gaat, voor rekening en risico van geadresseerden komt.

Conclusie
17. Het voorgaande brengt mee dat het vonnis waarvan beroep, dient te worden bevestigd met veroordeling van appellanten, als de in het ongelijk gestelde partijen, in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing
Het Hof van Justitie van Suriname:

1 verklaart appellanten ontvankelijk in hun hoger beroep;

en opnieuw rechtdoende in kort geding:

2 bevestigt het vonnis waarvan beroep;

3 veroordeelt appellanten in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. P. Chen namens mr. E. Naarendorp, gemachtigde van appellanten, terwijl geïntimeerden noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-25

G.R.No. 14686

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

TEN SHIPPING N.V.,
gevestigd te Paramaribo,
appellante,
verder te noemen: Ten Shipping,
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat, (overleden),
thans mr. dr. J.V. van Dijk-Silos, advocaat

tegen

DE SURINAAMSE BANK N.V.
gevestigd te Paramaribo,
geïntimeerde,
verder te noemen: DSB,
gemachtigde: mr. Marja I. Vos, advocaat

inzake het hoger beroep van het door de kanton rechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 3 juli 2006
(A.R. No. 02-0935) tussen Ten Shipping als eiseres en DSB als gedaagde spreekt de Fun gerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
– het proces-verbaal van de griffier der kantongerechten, waaruit blijkt dat Ten Shipping op 22 juli 2006 – kennelijk per abuis is in dit document als jaar vermeld: 2010 – hoger beroep tegen genoemd vonnis heeft ingesteld;
– de memorie van grieven en pleitnota van Ten Shipping;
– de antwoord-pleitnota van DSB, de repliekpleitnota van Ten Shipping en de dupliek pleitnota van DSB.

De beoordeling
1. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Ten Shipping daarin kan worden ontvangen.

2. De feiten in deze zaak komen op het volgende neer:
a. Ten Shippin g heeft in de maand oktober 1998 een kredietfaciliteit van DSB ontvangen tot een bedrag van US$ 600.000,-.
b. Ten laste van deze faciliteit heeft DSB, in opdracht van Ten Shipping, een eerdere schuld van laatstgenoemde aan de Centrale Bank van Suriname op 1 december 1998 afgelost. Volgens een door de Centrale Bank aan DSB gedane opgave beliep deze schuld een bedrag van Sf. 220.077.429 -, ofwel US$ 344.989,-. Hierbij is door de Centrale Bank een koers van Sf 640,-: US$ 1 ,- gehanteerd.
c. Ingevolge de tussen de Centrale Bank en Ten Shipping bestaande overeenkomst had evenwel bij de aflossing een koers van Sf 406,-: US$ 1,- moeten worden gehanteerd.
d. Vanwege hetgeen hiervoor onder b en c is vermeld is door DSB een bedrag van Sf 80.674.571,- te veel aan de Centrale Bank overgemaakt.
e. Op 27 juli 2000 heeft de Centrale Bank het onder d genoemde bedrag aan DSB teruggestort en naderhand tevens de daarover berekende rente ad Sf 16. 1 34.9 14,-.
f. Door waardedaling van de Surinaamse gulden ten opzichte van de US-dollar in de periode tussen de onder b vermelde aflossing en de onder e vermelde restitutie heeft Ten Shipping schade geleden.

3. In eerste aanleg en in hoger beroep becijfert Ten Shipping haar schade op een bedrag van US$ 113.700,36, vermeerderd met rente. Aan deze vordering legt zij, naast bovengenoemde feiten ten grondslag dat DSB bij de uitvoering van de opdracht om
bedoelde aflossing namens haar te verrichten niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen en wanprestatie heeft gepleegd, waardoor deze schade heeft kunnen ontstaan.

4. De kantonrechter heeft de vorderingen van Ten Shipping afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld. Tegen deze beslissing komt Ten Shipping met vijf grieven op, die vervolgens door DSB zijn bestreden.

5. In haar grieven voert Ten Shipping in de eerste plaats aan dat DSB haar schuld aan de Centrale Bank heeft overgenomen en dat DSB om die reden de bepalingen van de overeenkomst tussen De Centrale Bank en Ten Shipping had moeten naleven. DSB heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betwist dat van de door Ten Shipping gestelde schuldovername sprake is geweest.

6. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat een schuldovername heeft plaatsgevonden. De aard van de door DSB aan Ten Shipping verstrekte kredietfaciliteit brengt die ook niet zonder meer mee. Gelet op DSB’s betwisting en bij gebrek aan enig bewijsaanbod, gaat het Hof aan de betreffende stellingen voorbij.

7. Voorts voert Ten Shipping aan dat DSB krachtens haar eigen Algemene Voorwaarden gehouden is jegens haar klanten de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen en met hun belangen rekening moet houden. Daarom, aldus Ten Shipping, had DSB de onder 2 b bedoelde opgave van de Centrale Bank bij Ten Shipping moeten verifiëren alvorens de opdracht tot overboeking uit te voeren. Ten Shipping heeft in de loop van de procedure in dit verband eveneens gesteld dat DSB beschikte over een exemplaar van de tussen Ten Shipping en de Centrale Bank gesloten overeenkomst en die dus met betrekking tot de aan te houden wisselkoers had kunnen raadplegen. Dit laatste heeft DSB betwist; zij heeft aangegeven pas in een later stadium in het bezit van bedoelde overeenkomst te zijn geraakt.

8. De stellingen van Ten Shipping met betrekking tot DSB’s kennis aangaande de precieze inhoud van de overeenkomst met de Centrale Bank zijn weinig eenduidig. Wat daarvan verder zij, nu Ten Shipping heeft nagelaten van deze door DSB betwiste stellingen bewijs aan te bieden moeten ook deze worden verworpen.

Vanzelfsprekend diende DSB bij de uitvoering van Ten Shipping’s opdracht om haar schuld bij de Centrale Bank af te lossen de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen. Naar het oordeel van het Hof heeft zij deze verplichting niet geschonden door bij de hantering van een wisselkoers uit te gaan van de wettelijke regelingen, zoals zij onbestreden stelt te hebben gedaan. Het had op de weg van Ten Shipping gelegen DSB bij het verlenen van de aflossingsopdracht uitdrukkelijk te wijzen op de bijzondere, voor haar gunstiger, wisselkoers volgens het contract met de Centrale Bank. Uit hetgeen eerder is overwogen volgt dat DSB daarvan niet op andere wijze op de hoogte was of behoefde te zijn.

9. Voor zover Ten Shipping nog heeft aangevoerd dat DSB onzorgvuldig heeft gehandeld door de verschuldigde rente en boeterente van de kredietfaciliteit ten laste te brengen van een spaargirorekening van Ten Shipping in plaats van de kredietfaciliteitrekening, ziet het Hof niet in waarom het DSB niet vrijstond dat te doen. Ten Shipping heeft ook niet aangegeven
waarom dit anders zou zijn.

10. Op grond van al het bovenstaande worden de grieven verworpen en nu het Hof ambtshalve geen bedenkingen heeft tegen het beroepen vonnis zal dit warden bevestigd.

11 . Ten Shipping zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter i n het Eerste Kanton van 3 juli 2006, A.R.No. 02-0935;

Veroordeelt Ten Shipping in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend President, mr. S.M.M. Chu en mr. R.G. Chatterpal, Leden en

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. dr. J.V. van Dijk Silos, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.A.N. Codrington namens advocaat mr. M.I. Vos, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-24

G.R.No.14728

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellant],

wonende in [district 1],

verder te noemen: [appellant]

appellant in kort geding,

gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [district 2],

geïntimeerde in kort geding,

verder te noemen: [geïntimeerde]

gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 10 april 2008 (A.R.No. 07-3392) tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

– het proces-verbaal d.d. 23 april 2008 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota d.d. 5 oktober 2010;

– de antwoordpleitnota d.d. 18 januari 2013;

– de repliekpleitnota d.d. 5 april 2013;

– de dupliekpleitnota d.d. 17 mei 2013.

De beoordeling

1. In dit geding vordert [appellant] de opheffing te gelasten van een op 19 september 1997 in opdracht van [geïntimeerde] gelegd conservatoir beslag op twee nader in het inleidend verzoekschrift omschreven percelen. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de vordering van [appellant] afgewezen.

2. Tegen genoemd vonnis heeft [appellant] tijdig en op de juiste wijze appel ingesteld, zodat hij daarin kan worden ontvangen.

3. In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

a. De vordering waarvoor het beslag is gelegd betreft een schuld van de naamloze vennootschap Roep N.V., destijds gevestigd te Paramaribo (verder te noemen: Roep), aan [geïntimeerde].

b. Roep heeft vervolgens de beslagen percelen aan [appellant] in eigendom geleverd. Het beslag is door deze levering niet komen te vervallen. Het beslag is in 2003 van waarde verklaard; het betreffende vonnis is naderhand in kracht van gewijsde gegaan.

c. Roep is vervolgens gefailleerd. De vordering van [geïntimeerde] op Roep is niet uit de failliete boedel voldaan.

d. [geïntimeerde] heeft na de van waarde verklaring van het beslag geen (verdere) executiemaatregelen getroffen.

e. Het beslag is opgeheven bij in kracht van gewijsde gegaan en tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van het eerste kanton d.d. 14 januari 2010 op grond van een gebrek in het beslagexploot.

f. Dit vonnis kon en kan door [appellant] niet ten hypotheekkantore worden ingeschreven, omdat daarin in navolging van het inleidend verzoekschrift een verkeerde aanduiding van de beslagen percelen voorkwam.

3. [appellant] voert aan dat [geïntimeerde] misbruik maakt van executierecht door enerzijds de uitwinning van de beslagen percelen niet door te zetten en door anderzijds te weigeren het daarop gelegde beslag op te heffen.

4. Het Hof is van oordeel dat het inderdaad niet aangaat om, zonder daarvoor een deugdelijke reden te hebben, gedurende bijna 15 jaar na de van waarde verklaring van een beslag geen maatregelen te nemen tot tenuitvoerlegging van het vonnis waarbij die vanwaardeverklaring is uitgesproken. Een deugdelijke reden voor haar stilzitten heeft [geïntimeerde] in dit proces niet gegeven. Het is in dit opzicht gebleven bij haar volgende vage stellingen:

– “Om verscheidene redenen heeft de executie van het vonnis nog niet plaatsgevonden, echter is gedaagde (= [geïntimeerde]) voornemens op korte termijn de executie te verwezenlijken.” (c.v.a. d.d. 29-11-2007);

– “Waarom gedaagde nog niet is overgegaan tot executie heeft zo zijn redenen. Echter zo gauw dit geding zal zijn beslist, zal gedaagde haar gemachtigde vragen daartoe over te gaan (c.v.d. d.d. 31 januari 2008).

In hoger beroep heeft [geïntimeerde] ter zake niets aangevoerd.

De conclusie kan geen andere zijn dan dat [geïntimeerde] geen deugdelijke reden had en heeft om de executie niet te vervolgen.

5. [appellant] heeft van zijn kant aangevoerd bij de opheffing van het beslag belang te hebben om daarna de percelen in hypotheek te geven tot zekerheid van een af te sluiten geldlening. Weliswaar is het mogelijk om, zoals [geïntimeerde] stelt, een hypotheek op een onroerend goed te vestigen indien daarop beslag ligt, maar een kredietgever deinst uiteraard terug voor de achterstelling ten opzichte van het (eerdere) beslag.

6. Gelet op het hiervoor beschreven belang van [appellant] bij de opheffing van het beslag en het uit haar ongemotiveerde stilzitten blijkende gebrek aan belang van [geïntimeerde] bij handhaving daarvan, is het Hof van oordeel dat zij haar executierecht misbruikt door enerzijds de uitwinning van de beslagen percelen niet door te zetten en door anderzijds te weigeren het daarop gelegde beslag op te heffen. De door [appellant] voorgedragen grief is dus gegrond.

7. [geïntimeerde] heeft nog aangevoerd dat [appellant] geen (spoedeisend) belang heeft bij zijn vorderingen vanwege de inhoud van het hierboven onder 2 e genoemde vonnis. Het Hof heeft echter al vastgesteld dat dit vonnis niet ten hypotheekkantore kan worden ingeschreven om de onder 2 f vermelde reden. [appellant] heeft dus bij zijn vorderingen wel degelijk een (spoedeisend) belang. Dat [appellant] mogelijk door eigen toedoen met genoemd vonnis niets kan aanvangen, doet aan zijn belang niets af.

8. In verband met de zogenaamde devolutieve werking van het appel bespreekt het Hof hieronder nog de overige weren van [geïntimeerde], die de kantonrechter onbesproken heeft gelaten of verworpen.

9. Volgens [geïntimeerde] had [appellant], op straffe van niet-ontvankelijkheid, Roep mede in het geding moeten betrekken, nu zij de eigenlijke schuldenaar van [geïntimeerde] was. Zij verwijst hierbij naar de artikelen 329 en 420 Rv. Artikel 329 Rv mist hier echter toepassing, reeds omdat het geen betrekking heeft op executie van onroerende goederen. Artikel 420 Rv mist eveneens toepassing, en wel omdat de daarin beschreven opvordering van eigendom in deze zaak niet aan de orde is.

10. [geïntimeerde] heeft tevens aangevoerd dat zich in deze zaak geen nieuwe feiten hebben voorgedaan na de uitspraak van het onder 2 b genoemde vonnis, waarbij het door haar gelegde beslag van waarde is verklaard. Zij verbindt daaraan de stelling dat [appellant] ook daarom de executie van het vonnis niet vermag te beletten.

Uit hetgeen eerder is overwogen vloeit voort dat wel degelijk van een nieuw feit sprake is, namelijk dat [geïntimeerde] na het betreffende vonnis inmiddels ongeveer vijftien jaar heeft stilgezeten, zodat ook deze stelling faalt, wat daarvan verder zij.

11. Op grond van al het vorenstaande moet het bestreden vonnis worden vernietigd en zullen de vorderingen van [appellant] alsnog, zoals hieronder aan te geven, worden toegewezen. [geïntimeerde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van beide instanties veroordeeld.

Het vonnis wordt, nu het in hoogste instantie is gewezen, niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

vernietigt het door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis d.d. 10 april 2008 (A.R.No. 07-3392)

en opnieuw rechtdoende:

Gelast de opheffing in de registers ten hypotheekkantore van het ten laste van NV Roep bij exploot van deurwaarder Tj Jhagroe d.d. 19 september 1997 ten verzoeke van [geïntimeerde] gelegde conservatoir beslag, ingeschreven in [register deel en nummer] op:

1. het perceelland groot zeshonderdzeven, zestig/honderdste vierkante meter, gelegen in [district 1] op de kaart van de landmeter Ir. E.S. Devid d.d. negen en twintig september negentienhonderd vijf en tachtig aangeduid met de letters ABCD en met [nummer 1], benevens het langs de lijn AB lopende deel van de weg op voormelde kaart aangeduid met de letters ABba,

2. het perceelland groot zeshonderd vierkante meter gelegen in [district 1] op de kaart van de landmeter Ir. E.S. Devid d.d. negen en twintig september negentienhonderd vijf en tachtig, aangeduid met de letters ABCD en met [nummer 2], benevens het langs de lijn AB lopende deel van de weg op voormelde kaart aangeduid met de letters ABba.

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep alsmede die van het geding in eerste aanleg, tot aan deze uitspraak aan de zijde van begroot op:

– voor de eerste aanleg op SRD. 407,–

– voor het hoger beroep op SRD. 278,–

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal en mr. M.V. Kuldip-Singh, Leden en

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat

mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. Y.S. Engkar, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-23

G.R.No. 14729

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellant],

wonende te [district],

appellant in kort geding,

verder ook te noemen: [appellant],

gemachtigde: mr. S. Mangre, advocaat,

tegen

ANTON DE KOM UNIVERSITEIT VAN SURINAME,

rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

geïntimeerde in kort geding,

verder ook te noemen: de Universiteit,

gemachtigde: mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 17 mei 2012 (A.R.No. 121482) tussen [appellant] als eiser en de Universiteit als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt, voor zover hier van belang, uit de volgende stukken:

– een verklaring van de griffier van de kantongerechten civiele zaken van 4 juni 2012, inhoudende dat [appellant] op 4 juni 2012 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 17 mei 2012 in kort geding gewezen tussen [appellant] als eiser en de Universiteit als gedaagde;

– een pleitnota van [appellant] van 2 november 2012,

– een pleitnota van antwoord, met producties, van de Universiteit van 15 februari 2013;

– een pleitnota van repliek, met producties, van [appellant] van 1 maart 2013;

– een pleitnota van dupliek, met 1 productie, van de Universiteit, van 3 mei 2013;

– een uitlating van de Universiteit over de bij dupliek overgelegde productie, van 7 juni 2013.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

De Universiteit stelt dat het hoger beroep te laat is ingesteld en dat [appellant] dus niet in het hoger beroep kan worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep werd uitgesproken op 17 mei 2012. Blijkens aantekening van de griffier was [appellant] niet bij die uitspraak aanwezig. Het vonnis werd bij brief van de griffier op 31 mei 2012 in afschrift aan [appellant] toegestuurd. Bij brief aan de kantonrechter van 28 mei 2012 tekende de gemachtigde van [appellant] namens [appellant] hoger beroep tegen het vonnis aan. Dit hoger beroep trok hij echter bij brief van 8 juni 2012 weer in. Bij brief van 4 juni 2012 tekende de gemachtigde namens [appellant] opnieuw hoger beroep aan.

De termijn van 14 dagen voor het hoger beroep begon te lopen op 28 mei 2012, de dag waarop [appellant] het daarna weer ingetrokken hoger beroep instelde. Uit dat instellen van hoger beroep op 28 mei 2012 vloeit immers noodzakelijk voort dat het vonnis op die dag aan [appellant] bekend was. Toen [appellant] op 4 juni 2012 opnieuw hoger beroep instelde, was de termijn voor hoger beroep nog niet verlopen.

De stelling van de Universiteit gaat dus niet op. Het hoger beroep is tijdig en ook op juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen.

De beoordeling

1.Dit geschil betreft, kort samengevat, het volgende:

Vanaf het collegejaar 2002-2003 was [appellant] student aan de Faculteit der Medische wetenschappen van de Universiteit. [appellant] raakte achter met zijn studie. Op 3 februari 2010 stuurde het bestuur van de Universiteit aan [appellant] een brief met de volgende inhoud:

“U bent door het Bestuur van de Faculteit der Medische Wetenschappen voorgedragen voor afschrijving omdat u de limiet van de duur van de BII fase (4 jaar) ruimschoots heeft overschreden. Ook de limiet van de maximale studieduur (7 jaar) is per 31 oktober 2009 bereikt.

U wordt tot en met de tentamenperiode van oktober 2010 in de gelegenheid gesteld om zowel de BII fase als de BIII fase af te ronden. Indien u hierin niet slaagt dan zal u onherroepelijk worden afgeschreven.”

Bij brief van 11 januari 2011 deelde het bestuur van de faculteit der medische wetenschappen aan [appellant] dat hij werd voorgedragen voor afschrijving nu hij er niet in was geslaagd om de BII en de BIII-fase af te ronden in de tentamenperiode van oktober 2010.

Bij brief van 17 maart 2011 is [appellant] door het bestuur van de Universiteit met ingang van 31 oktober 2010 afgeschreven van de Universiteit.

Bij brief van 18 januari 2012 heeft het bestuur van de Universiteit aan de gemachtigde van [appellant] met verwijzing naar een op 16 januari 2012 gevoerd gesprek meegedeeld dat, kort samengevat, het bestuur niet terugkwam op zijn besluit tot afschrijving.

[appellant] was het niet eens met deze afschrijving. Hij is daartegen opgekomen bij de kantonrechter. Hij vorderde, voor zover hier van belang, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. veroordeling van de Universiteit om de besluiten vervat in het schrijven van 17 maart 2011 en 18 januari 2012 met onmiddellijke ingang op te schorten totdat in bodemgeschil daarover zal zijn beslist;

b. veroordeling van de Universiteit om aan [appellant] de mogelijkheid te bieden de gemiste tentamens van maart 2012 op grond van artikel 4 sub 20 van het examenreglement buiten de reguliere periode af te leggen;

c. veroordeling van de Universiteit om het vonnis te gehengen en te gedogen, alsmede elke handeling na te laten die inbreuk maakt op het voortzetten van de studie van [appellant] gedurende 18 maanden;

d. veroordeling van de Universiteit tot betaling van een dwangsom.

De kantonrechter heeft de gevraagde voorzieningen geweigerd, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

2. [appellant] heeft zes grieven tegen het vonnis van de kantonrechter van 17 mei 2012 aangevoerd. De grieven luiden:

1. De kantonrechter heeft nagelaten volgens de juistheid van de feiten die gesteld zijn te beoordelen danwel nader te onderzoeken. Alzo heeft zij ten onrechte aangenomen dat de Universiteit niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant], op grond waarvan de gevraagde voorzieningen zijn geweigerd;

2. De kantonrechter is voorbijgegaan aan de stelling dat de Universiteit in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur bij het geven van genoemde besluiten, in het bijzonder het beginsel van hoor en wederhoor;

3. De kantonrechter is voorbijgegaan aan de stelling dat het examenreglement nog mogelijkheden biedt aan studenten om hun studie af te ronden, in het bijzonder de studenten die in de laatste fasen verkeren;

4. Volgens het gewezen vonnis is er bij weigering van de gevraagde voorzieningen geen rekening gehouden met de belangen van [appellant];

5. De kantonrechter is ten onrechte voorbijgegaan aan de stelling dat de Universiteit het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft veronachtzaamd met betrekking tot de afschrijving van studenten die hun limieten hebben overschreden, terwijl [appellant] gedocumenteerd het tegendeel heeft kunnen aantonen;

6. De kantonrechter is ongeacht voorbijgegaan aan de stelling dat [appellant] op onjuiste wijze d.d. 17 maart 2011 is meegedeeld van zijn afschrijving gedateerd 31 oktober 2010 en dat er intussen heel veel heeft plaatsgevonden waarvan [appellant] geheel in het ongewisse is gelaten.

3. Met grief 1. wil [appellant], naar het hof uit de op die grief gegeven toelichting begrijpt, aanvoeren dat de Universiteit onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld doordat zij [appellant] te lang in onzekerheid heeft gelaten over het al dan niet werkelijk doorgaan van de afschrijving, doordat zij heeft toegelaten dat hij ook nog na oktober 2010 tentamens deed en doordat zij hem pas bij brief van 17 maart 2011 heeft geschreven dat hij echt afgeschreven zou worden omdat hij in oktober 2010 niet de BII en BIII fasen had afgerond. De grief faalt. De hierboven aangehaalde brief van 3 februari 2010 van de Universiteit aan [appellant] laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Na ontvangst van deze brief wist [appellant] dat hij onherroepelijk zou worden afgeschreven als hij niet uiterlijk in oktober 2010 zowel de BII als de BIII fase zou hebben afgerond. [appellant] kon dus weten dat hij de tentamens na oktober op eigen risico aflegde. De brief van de Universiteit van 17 maart heeft onwenselijk lang op zich laten wachten, maar de opgetreden vertraging maakt het besluit tot afschrijving van [appellant] niet onrechtmatig. Gelet op de stellige formulering van de brief van 3 februari 2010 mocht [appellant] in redelijkheid niet uit het tijdelijk uitblijven van de bevestiging door de Universiteit van de afschrijving opmaken dat de Universiteit op haar beslissing tot afschrijving was teruggekomen.

4. De grieven 2 en 5 lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

Het hof kan [appellant] volgen in zijn mening dat de Universiteit zich als overheidsinstelling ten opzichte van haar studenten moet houden aan de beginselen van behoorlijk bestuur.

Het hof volgt hem echter niet in de stelling van grief 2 dat ten opzichte van [appellant] deze beginselen, met name het beginsel van hoor en wederhoor, zouden zijn geschonden.

Uit de stukken blijkt dat [appellant] reeds in juli 2008 wist dat hij zou worden voorgedragen voor afschrijving. Hij heeft toen een verzoek tot dispensatie ingediend. Deze dispensatie is hem op 15 januari 2009 door het bestuur van de Universiteit verleend, in die zin dat hij nog tot en met oktober 2009 de tijd kreeg om de BII fase af te ronden. Na oktober 2009 bleek dat hij de BII fase niet met succes had afgerond en daarom kreeg [appellant] op 15 januari 2010 een kennisgeving dat hij zou worden voorgedragen voor afschrijving. Daarna volgde op 3 februari 2010 de hierboven geciteerde brief van het bestuur van de Universiteit aan [appellant], waarin deze nog een laatste kans kreeg. Gelet op deze uitgebreide voorgeschiedenis is het hof van oordeel dat het bestuur van de Universiteit niet verplicht was om [appellant] na oktober 2009 (opnieuw) te horen.

Ook van schending van het gelijkheidsbeginsel (door [appellant] in grief 5 aangevoerd) is niet gebleken. De Universiteit heeft bij het besluit tot afschrijven van [appellant] gehandeld conform het examenreglement. Het lag op de weg van [appellant] om aannemelijk te maken dat de Universiteit in afwijking van dat examenreglement een beleid voerde waarbij in gevallen vergelijkbaar met dat van [appellant] soepeler dispensatie van studielimieten werd verleend dan thans bij [appellant] is geschied. [appellant] heeft dit echter niet aannemelijk gemaakt; met name heeft hij geen concrete gevallen kunnen noemen waarin dat soepeler dispensatiebeleid met betrekking tot de studieduur zou zijn toegepast.

Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel door de Universiteit heeft [appellant] evenmin aannemelijk gemaakt.

De grieven 2 en 5 falen.

5. Met betrekking tot grief 3 overweegt het hof het volgende:

Het examenreglement geeft in de artikelen 6 en 7 de mogelijkheden weer voor dispensatie met betrekking tot de geldende studielimieten Gesteld noch gebleken is, dat zich in dit geval een of meer van de in artikel 6 genoemde gronden voor het verlenen van dispensatie (kort gezegd: langdurige ziekte, overmacht, sociaal-maatschappelijke problemen en overgang naar een andere studierichting) hebben voorgedaan. Het bestuur van de Faculteit der Medische Wetenschappen heeft zich dus aan de vereisten van deze artikelen gehouden en het bestuur van de Universiteit is op 15 januari 2009 zelfs soepeler geweest dan het examenreglement voorschreef. De grief dat de Universiteit ten nadele van [appellant] aan het examenreglement is voorbijgegaan, gaat niet op.

6. Ook grief 4 faalt. In februari 2010 had [appellant] de geldende studielimieten fors overschreden en [appellant] had al een keer dispensatie gekregen. Met zijn belangen was toen ruimschoots rekening gehouden. Daarom heeft het bestuur van de Universiteit bij het besluit vervat in de brief van 3 februari 2010 om tot afschrijving over te gaan als [appellant] niet alsnog in oktober 2010 de fasen BII en BIII af zou ronden, correct gehandeld. Zij was niet gehouden om met het oog op de belangen van [appellant] aan hem opnieuw dispensatie te verlenen.

7. Met grief 6 wil [appellant] aanvoeren dat de Universiteit in haar brief aan [appellant] van 17 maart 2011 ten onrechte met terugwerkende kracht een besluit tot het afschrijven van [appellant] heeft genomen.

Van terugwerkende kracht is echter niet sprake. De beslissing dat [appellant] werd afgeschreven tenzij hij in oktober 2010 zowel fase BII als fase BIII zou afronden, was reeds bij brief van 3 februari 2010 meegedeeld. De brief van 17 maart 2011 bevestigde slechts dat de afschrijving een voldongen feit was, omdat aan de voorwaarde dat in oktober 2010 de fasen BII en BIII zouden worden afgerond, niet was voldaan.

Zoals bij de behandeling van grief 1 is overwogen, was er geen sprake van dat [appellant] te lang in onzekerheid is gehouden.

De grief wordt verworpen.

8, Uit het vorenwogene volgt dat de grieven worden verworpen. Aangezien het hof ook ambtshalve geen bedenkingen heeft tegen het vonnis waarvan beroep, zal dit vonnis worden bevestigd, met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep. Deze kosten worden aan de zijde van de Universiteit tot op heden begroot op nihil.

De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het Hof:

Bevestigt het vonnis in kort geding van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 17 mei 2012, A.R.No. 121482, tussen partijen gewezen, waarvan beroep.

Veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal en mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. dr. J. van Dijk-Silos, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellant noch in person noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2014-5

GR-14680

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[persoon], h.o.d.n. J.A. International
wonende in [district],
appellant, hierna aangeduid als “[bedrijf]”,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

De Handels-, Krediet- en Industriebank N.V.,
gevestigd en kantoorhoudend te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “Hakrinbank”,
De procesgemachtigde van de Hakrinbank was mr. B.A. Halfhide, die tijdens de procedure in hoger beroep is opgevolgd door mr. H.R. Lim A Po jr., die zich voor de Hakrinbank heeft gesteld.

Inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 23 maart 2010 (A.R. No. 081070) tussen Hakrinbank als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie en [bedrijf] als gedaagde in conventie en eiser in reconventie.

spreekt de Fungerend-President in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [bedrijf] bij schrijven van zijn procesgemachtigde op 22 juli 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
– de pleitnota d.d. 4 mei 2012, met producties;
– de antwoord pleitnota d.d. 3 augustus 2012, met producties;
– de repliek pleitnota d.d. 15 februari 2013, met producties;
– de uitlating producties zijdens [bedrijf] d.d. 15 maart 2013.

1.2 De rechtsdag voor het uitspreken van het vonnis is nader bepaald op heden.

De ontvankelijkheid
2.1 Partijen zijn niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak. Het vonnis is bij griffiersbrief van 5 juli 2010 aan partijen toegezonden. [bedrijf] heeft bij schrijven van zijn gemachtigde op 22 juli 2010 appèl aangetekend.

2.2 Gelet op het voorgaande heeft [bedrijf] tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn van dertig dagen na dagtekening van de griffiersbrief is geschied, zodat hij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De feiten in conventie en reconventie
3.1 [bedrijf] is rekeninghouder bij de Hakrinbank en wel van de rekeningen met [nummer 1] Euro ingezetene, [nummer 2] USD Giro privé ingezetene en [nummer 3] USD commerc. ingezetene.
De artikelen 17, 18, 22 en 23 van de Algemene Voorwaarden van de Hakrinbank luiden als volgt:
17. De bank is steeds bevoegd alle gelden die zij uit welken hoofde dan ook aan de cliënt al dan niet opeisbaar is verschuldigd, te verrekenen met alle gelden, die de cliënt haar al dan niet opeisbaar uitwelken hoofde ook verschuldigd is, ongeacht de valuta. De verrekening vindt plaats tegen de waarde per de dag van verrekening. De bank zal nadat zij van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, de cliënt op de hoogte stellen.
18. De cliënt kan rekeninghouder zijn bij meer dan een kantoor van de Bank, alsook verschillende rekeningen onderhouden bij een of meer afdelingen van eenzelfde kantoor. Alle rekeningen worden dan afzonderlijk behandeld als waren het rekeningen van verschillende personen, behoudens de bevoegdheid van de Bank om deze rekeningen in daarvoor naar haar oordeel in aanmerking komende gevallen als vormende een rekening te beschouwen, respectievelijk de rekeningen samen te voegen ….
22. Elke creditering geschiedt onder het voorbehoud dat, indien de Bank daartegen van of voor cliënt enigerlei tegenwaarde moet ontvangen deze tijdig en behoorlijk in haar bezit komt, bij gebreke waarvan de Bank bevoegd is tot terugboeking dezer creditering over te gaan…
23. Hier is de cliënt niet toegestaan om cheques te trekken of andere betalingsopdrachten aan de Bank te verstrekken, indien hij niet voldaan heeft aan zijn verplichting ervoor zorg te dragen dat de Bank op de dag van aanbieding van de opdracht voldoende fonds(en) ter betaling van de cliënt onder zich heeft, en de Bank is onder deze omstandigheden geenszins verplicht tot uitvoering van de betalingsopdracht. Gaat de Bank desondanks over tot uitvoering van de betalingsopdracht, waartoe zij zich de bevoegdheid voorbehoud, dan is zij gerechtigd de cliënt te debiteren voor het betaalde bedrag, de lopende rente en de kosten als bedoeld in artikel 29 van deze Algemene Voorwaarden. De cliënt is verplicht het daardoor ontstane debetsaldo op eerste aanvraag van de Bank aan te zuiveren.

3.3 [bedrijf] heeft op 18 september 2007 een cheque van de Bank of Montreal ten bedrage van USD 47.715,59 (hierna aangeduid als “de cheque”) ter creditering op zijn rekening aangeboden aan de Hakrinbank.

3.4 De Hakrinbank heeft de rekening met [nummer 3] gecrediteerd voor het op de cheque staand bedrag, waarna [bedrijf] gelden van de betreffende rekening heeft gelicht.

3.5 De cheque kon niet bij de Bank of Montreal worden verzilverd.

3.6 Hakrinbank heeft de rekening van [bedrijf] met [nummer 3] gedebiteerd voor USD 47.715,59 en heeft tevens de tegoeden die op de andere rekeningen van [bedrijf] stonden, daarnaar overgemaakt. Na dit handelen van de Hakrinbank en door [bedrijf] gepleegde stortingen stond op de rekening van [bedrijf] met [nummer 3] een debet saldo van USD 14.000.04.

3.7 Hakrinbank heeft [bedrijf] bij schrijven d.d. 28 december 2007 gesommeerd de debetstand op de rekening uiterlijk op maandag 31 december 2007 aan te zuiveren, bij gebreke waarvan Hakrinbank geëigende maatregelen zou treffen om haar belangen veilig te stellen. Zijdens [bedrijf] is in reactie hierop bij schrijven d.d. 2 januari 2008 van zijn procesgemachtigde Hakrinbank erop gewezen dat diens handelen ernstige wanprestatie c.q. een onrechtmatige daad oplevert jegens [bedrijf]. Hakrinbank is daarbij gesommeerd per onmiddellijke ingang, na ontvangst van het schrijven, de vanuit de rekeningen met [nummer 2] (€ 22.800,–) en [nummer 1] (USD 1.080,–) gepleegde overboekingen ongedaan te maken.

3.8 Hakrinbank heeft bij exploot van deurwaarder R. Bhoelan d.d. 23 januari 2008 no. 28, ter verzekering van zijn vordering begroot op USD 18.670,–, ten laste van [bedrijf] conservatoir beslag gelegd op het in het voornoemd exploot omschreven onroerend goed.

De procedure in eerste aanleg
4.1 Hakrinbank heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd dat bij vonnis uitvoerbaar bij bijvoorraad:
a. [bedrijf] wordt veroordeeld tot betaling van USD 14.000,04, vermeerderd met de overeengekomen rente ad 24% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;
b. het gelegd conservatoir beslag van waarde wordt verklaard.

4.2 [bedrijf] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. de opheffing van het gelegd conservatoir beslag te gelasten;
B. Hakrinbank te gelasten om de overboekingen vanuit de rekeningen met [nummer 2] en [ nummer 1] ongedaan te maken;
C. Hakrinbank te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 1.000,- voor iedere dag dat de Hakrinbank nalaat of weigert aan het vonnis te voldoen;
D. Hakrinbank te veroordelen in de proceskosten.

4.3 De Kantonrechter heeft bij het tussen partijen gewezen vonnis van 23 maart 2010 in conventie:
a. [bedrijf] veroordeeld tot betaling van USD 14.000,04, vermeerderd met de overeengekomen rente ad 24% met ingang van 25 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;
b. het gelegd conservatoir beslag van waarde verklaard.

De reconventionele vordering is afgewezen.
[bedrijf] is in de proceskosten veroordeeld.

De Kantonrechter heeft daartoe overwogen:
4.1 De Hakrinbank heeft zowel in haar grondslag voor het door haar gevorderde als in haar verweer op de reconventionele vordering, verwezen naar haar algemene voorwaarden, met name de artikelen 18, 22 en 23 van deze voorwaarden. Verwijzend naar de voorwaarden stelt de Hakrinbank dat zij gerechtigd is de handelingen te plegen die zij heeft gepleegd door de betreffende rekening te debiteren en overboekingen te plegen vanuit de andere rekeningen van [bedrijf] omdat was gebleken dat de cheque die [bedrijf] had aangeboden ongedekt was…
4.2 De Kantonrechter overweegt dat [bedrijf] zijn reactie op het beroep van de Hakrinbank op artikel 22 van de voorwaarden, niet voldoende gemotiveerd is, immers heeft hij niet onderbouwd waarom het artikel 22 niet van toepassing is. Hij verwijst naar zijn conclusie van antwoord.
4.3 De Kantonrechter overweegt dat [bedrijf] in zijn conclusie van antwoord het standpunt belicht dat, indien een klant een buitenlandse cheque aanbiedt aan de bank en de bank vooruitlopend op het innen van die cheque bij de buitenlandse bank, alvast het bedrag aan de klant ter beschikking stelt middels creditering van de rekening van de klant, de bank, indien later mocht blijken dat die cheque niet gedekt is, zelf voor dat risico moet instaan.
4.4 De Kantonrechter overweegt dat de Hakrinbank dat standpunt heeft weerlegd door te wijzen op de artikelen 18, 22 en 23 van de algemene voorwaarden.
4.5 Zoals hierboven reeds gesteld is [bedrijf] op de algemene voorwaarden niet echt ingegaan, doch heeft hij slechts gesteld dat artikel 22 en 23 niet van toepassing kan zijn, welke stelling hij verder niet heeft onderbouwd.
4.6 Een dergelijke niet onderbouwde betwisting op een vrij uitgebreid en gedetailleerd relaas van de tegenpartij waarin wordt uiteengezet waarom de tegenpartij het recht had om de boekingen te plegen in het onderhavig geval, houdt dan ook geen stand.
4.7 De Kantonrechter is van oordeel dat de grondslag van het conventioneel gevorderde is komen vast te staan, namelijk dat [bedrijf] op grond van artikel 22 van de algemene voorwaarden het gevorderd bedrag nog verschuldigd is. Het gevorderde zal derhalve worden toegewezen.

De vordering, de grieven en het verweer
5.1 [bedrijf] concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot afwijzing, althans ontzegging van de vordering van Hakrinbank met veroordeling van Hakrinbank in de kosten van het geding in beide instanties.

5.2 Hakrinbank heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling
6.1.1 [bedrijf] heeft bij pleitnota tegen het bestreden vonnis allereerst aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de artikelen 18, 22 en 23 van de Algemene Voorwaarden van de Hakrinbank van toepassing zijn in casu, alsook dat de Kantonrechter ten onrechte onder overweging 4.2 en 4.3 heeft overwogen dat hij niet gemotiveerd verweer heeft gevoerd op het beroep van de Hakrinbank op artikel 22 jo. 23 van de Algemene Voorwaarden, omdat hij duidelijk bij conclusie van antwoord heeft aangegeven dat genoemde artikelen in casu toepassing missen, althans dat een beroep op voornoemde artikelen ongegrond is, omdat hij niet de trekker is van de cheque, noch enige betalingsopdracht heeft gegeven aan de Hakrinbank, zoals aangegeven in artikel 23 van de Algemene Voorwaarden.

6.1.2 Het Hof constateert dat [bedrijf] in de procedure in eerste aanleg in zijn conclusie van antwoord in conventie sub 4 slechts de toepasselijkheid van artikel 23 van de Algemene Voorwaarden heeft betwist door aan te voeren dat hij niet de trekker is geweest van de cheque en geen betalingsopdracht heeft gegeven aan de Hakrinbank. In dupliek in conventie heeft [bedrijf] ten aanzien van dit punt gepersisteerd.
Het Hof concludeert dat de toepasselijkheid van de overige artikelen derhalve niet gemotiveerd is bestreden door [bedrijf].
Het Hof constateert verder dat artikel 23 van de Algemene Voorwaarden een regeling heeft indien de cliënt cheques trekt of betalingsopdrachten verstrekt aan de Hakrinbank, zonder dat er voldoende fondsen beschikbaar zijn om de cheque uit te betalen of aan de betalingsopdracht te voldoen. Als trekker van een cheque wordt aangemerkt degene die een cheque uitschrijft en daarmee een onvoorwaardelijk schriftelijke opdracht geeft aan zijn bank om een bepaald bedrag uit te betalen aan de begunstigde.
In casu is de cheque in kwestie echter niet uitgeschreven door [bedrijf], zodat hij niet kan worden aangemerkt als te zijn de trekker van de cheque. Gesteld noch gebleken is dat [bedrijf] in het onderhavig geval een betalingsopdracht heeft gegeven aan de Hakrinbank, zodat [bedrijf] naar het oordeel van het Hof terecht heeft gesteld dat artikel 23 van de Algemene Voorwaarden toepassing missen.
Dit vermag [bedrijf] echter niet te baten, aangezien de Kantonrechter de veroordeling niet heeft gesteld op artikel 23, maar op artikel 22 van de Algemene Voorwaarden.

6.2.1 [bedrijf] heeft verder tegen het bestreden vonnis aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat van de zijde van [bedrijf] enige verschuldigdheid is ontstaan door het aanbieden van de cheque. De Kantonrechter is daarbij ten onrechte voorbij gegaan aan het bepaalde in artikel 256 van het Wetboek van Koophandel. [bedrijf] heeft tevens opgemerkt dat naar zijn oordeel de Hakrinbank eventuele schade niet op hem kan verhalen, alsook dat hij geen genot heeft gehad van de verzilverde gelden, omdat hij deze conform een aan hem gegeven opdracht heeft overgemaakt en verzonden.

6.2.2 Hakrinbank heeft zowel in eerste aanleg en hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat de rekening van [bedrijf] ten onrechte is gecrediteerd voor USD 47.715,59, zodat sprake is van onverschuldigde betaling. Daarbij is gesteld dat de artikelen 17 en 22 van de Algemene Voorwaarden de mogelijkheid bieden het gecrediteerd bedrag terug te boeken.

6.2.3 Het Hof zal thans nagaan of in casu sprake is van enige verschuldigdheid zijdens [bedrijf] jegens de Hakrinbank, alsook of de artikelen 17 en 22 van de Algemene Voorwaarden toepassing vinden.
Naar het oordeel van Hof dient in gevallen als de onderhavige, waarbij een cheque van een buitenlandse bankinstelling aan een Surinaamse bankinstelling wordt aangeboden ter inning, tegenover de uitbetaling van het op de cheque staand bedrag aan de begunstigde te staan dat de Surinaamse bankinstelling ten behoeve van de begunstigde een gelijke som ontvangt van de buitenlandse bankinstelling. Het Hof constateert dat [bedrijf] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet heeft ontkend dat de cheque niet gedekt was, zodat vast staat dat de rekening van [bedrijf] door de Hakrinbank is gecrediteerd voor
USD 47.715,59, maar dat tegenover deze creditering niet een gelijke som is ontvangen van de Bank of Montreal.
Artikel 22 van de Algemene Voorwaarden treft voor een dergelijk geval een regeling. Hierin is namelijk bepaald dat in een dergelijk geval de Hakrinbank bevoegd is tot terugboeking van de creditering over te gaan, gelijk in casu is geschied. Daarnaast biedt artikel 17 van de Algemene Voorwaarden de mogelijkheid om elke al dan niet opeisbare vordering van de bank jegens de cliënt te verrekenen met hetgeen de Hakrinbank aan de cliënt verschuldigd is, zodat de gepleegde overboekingen vanuit de rekeningen met [nummer 1] en [nummer 2] naar het oordeel van het Hof rechtsgeldig zijn geschied.
Het Hof concludeert derhalve dat de reconventionele vordering van [bedrijf] terecht is afgewezen. Echter diende in het bestreden vonnis in de onderbouwing van het door de Kantonrechter genomen besluit artikel 17 van de Algemene Voorwaarden naast artikel 22 te worden meegenomen, aangezien dit artikel de grondslag vormt voor de door de Hakrinbank gepleegde overboeking vanuit de rekeningen met [nummer 1] en [nummer 2].

6.2.4 Het Hof concludeert tevens dat, nu de cheque niet gedekt blijkt te zijn, de creditering van de rekening van [bedrijf] voor het op de cheque vermeld bedrag onverschuldigd is geschied. Hierdoor is [bedrijf] gehouden het bedrag van USD 47.715,59 dat verschuldigd aan hem is betaald aan de Hakrinbank terug te betalen. Binnen het leerstuk van de onverschuldigde betaling is niet van belang of degene aan wie onverschuldigd is betaald het genot heeft gehad van de gepleegde betaling, zodat aan dit verweer van [bedrijf] geen betekenis toekomt.
Het Hof is dan ook van oordeel dat de Kantonrechter geheel terecht [bedrijf] heeft veroordeeld tot betaling van het nog openstaand saldo ad USD 14.000,04 en het door de Hakrinbank gelegd conservatoir beslag van waarde heeft verklaard.

6.2.5 Het Hof overweegt tenslotte dat de Kantonrechter terecht artikel 256 van het Wetboek van Koophandel buiten toepassing heeft gelaten, aangezien dit artikel betrekking heeft op de relatie tussen de trekker en de bankinstelling die de fondsen van de trekker onder zich heeft, welke situatie zich in het rechtsgeding tussen Hakrinbank en [bedrijf] niet voordoet.

6.3 Gelet op het onder 6.2.3 en 6.2.4 van dit vonnis overwogene zal het bestreden vonnis in hoger beroep worden bevestigd onder aanvulling van gronden.

6.4 [bedrijf] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten in beide instanties.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
7.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 23 maart 2010 (A.R. no. 81070), waarvan beroep, onder aanvulling van gronden;

7.2 Veroordeelt [bedrijf] in de kosten van het geding aan de zijde van de Hakrinbank gevallen in beide instanties en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 oktober 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. M.A. Guman en geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. R.C.A. Bleau namens zijn gemachtigde, advocaat mr. H.R. Lim A Po, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2014-4

G.R. No. 14620

HET HOF VAN JUSTITIE IN SURINAME

in de zaak van

DE STICHTING SURINAAMSE VOLKSCREDIETBANK,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende
te Paramaribo

appellante,

gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

[geïntimeerde]
wonende te Paramaribo,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 17 november 2009 (A.R. No. 041726) tussen appellante als opposante en geïntimeerde als geopposeerde,

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk VCB en [geïntimeerde];

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:
– Het schrijven van de advocaat van VCB gedateerd 22 oktober 2010 – ingekomen ter griffie van het hof op 29 oktober 2010 – waaruit blijkt dat VCB hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, de dato 17 november 2009;
– De memorie van grieven zijdens VCB ingediend, de dato 11 november 2010;
– De schriftelijke pleitnota, de dato 17 juni 2011;
– Het schriftelijke antwoordpleidooi, de dato 04 november 2011;
– Het schriftelijke repliekpleidooi, onder overlegging van producties, de dato 17 februari 2012;
– Het schriftelijke dupliekpleidooi en uitlating omtrent overgelegde producties, de dato 20 april 2012;
– De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 20 juli 2012 doch nader bepaald op heden;

De beoordeling
1. Het gaat in deze zaak om het volgende:
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, een verklaringsprocedure ingediend en gevorderd dat, onder andere VCB, een verklaring aflegt van hetgeen zij van [naam 1], onder zich heeft of aan hem verschuldigd is. Verder heeft hij gevorderd dat, onder andere VCB, zal worden veroordeeld om af te geven wat zij van [naam 1] onder zich zou hebben, dan wel bij gebreke van het doen van een verklaring zal worden veroordeeld als ware zij zelf schuldenaar. De vordering is gebaseerd op de artikelen 347 in verbinding met 604 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna WvBRv te noemen). VCB is in voormelde procedure bij verstekvonnis de dato 02 augustus 2005 veroordeeld – aangezien zij geen verklaring heeft afgelegd – als ware zij zelf schuldenaar.

VCB heeft tegen voormeld verstekvonnis verzet aangetekend – na de betekening van het verstekvonnis op 26 maart 2007 – de dato 28 maart 2007 en heeft daarbij gevorderd – kort gezegd – dat zij op grond van het bepaalde in artikel 610 WvBRv ontlast wordt van haar veroordeling tot betaling van het bedrag der vordering waarvoor beslag is gelegd, zoals tegen haar uitgesproken bij voormeld verstekvonnis, met deugdelijk verklaring van de door haar afgelegde verklaring de dato 27 maart 2007;

1.1 De kantonrechter heeft bij vonnis van 17 november 2009 – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – VCB kwaad opposant verklaard en haar vordering afgewezen met bevestiging van het vonnis de dato 2 augustus 2005. VCB is daarbij eveneens in de proceskosten veroordeeld aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen;

1.2 VCB heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsman bij schrijven gedateerd 22 oktober 2010 – ingekomen ter griffie van het hof op 29 oktober 2010 – appèl aangetekend tegen het vonnis van 17 november 2009. Uit voormeld vonnis blijkt dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest. Blijkens het aangetekend schrijven zijdens de griffier is voormeld vonnis op 20 oktober 2010 op de voet van het bepaalde in artikel 119 lid 3 WvBRv aan VCB medegedeeld. Gelet op het voorgaande heeft VCB ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 3 BvBRv tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

1.3 VCB heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. derhalve staat het navolgende – ook in hoger beroep – vast tussen partijen:

1.3.1 [naam 1] is bij vonnis van 22 oktober 2002 door de kantonrechter in het eerste kanton veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen de bedragen van Nf.1.434.965,73 en US$596.055,02, vermeerderd met de rente van 12% per jaar vanaf 25 mei 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, althans de tegenwaarde van de Nederlandse gulden in euro’s in Surinaams Courant en de U.S. Dollar in Surinaams Courant tegen de officiële wisselkoers van de Centrale Bank van Suriname op de dag van betaling;
1.3.2 [naam 1] heeft nagelaten uitvoering te geven aan voormelde vonnis. Om nakoming af te dwingen heeft [geïntimeerde] onder, onder andere VCB, executoriaal derdenbeslag doen leggen;
1.3.3 VCB heeft in haar inleidend verzetrekest in sustenu 6 een aanbod van betaling gedaan;

1.4 Naast voormelde vaststaande feiten heeft VCB – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep ten aanzien van haar van belang – aan haar vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat zij op grond van het bepaalde in artikel 610 WvBRv bij door of namens haar ondertekend geschrift, verklaring doet, inhoudende dat zij van [naam 1] geen gelden, geldswaardige papieren en/of goederen onder zich heeft of aan hem verschuldigd is;

1.5 [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – aangevoerd dat aangezien VCB haar vordering baseert op artikel 610 WvBRv het een vereiste is dat verzet wordt gedaan onder aanbod van betaling van kosten. Dit bedrag aan kosten is niet ter betaling aan [geïntimeerde] “bij het verzet” aangeboden en blijkens aantekening van de Griffie is het verzet door VCB “gedaan”op 30 maart 2007. Volgens vaste jurisprudentie moet betaling echter vóór of uiterst bij het indienen van het verzetrekest worden aangeboden, op straffe van niet-ontvankelijkheid, hetgeen niet het geval is geweest en tot op heden niet het geval is. Weliswaar heeft VCB in het verzetrekest aanbod van betaling van kosten gedaan maar dat is beslist niet toereikend. Ten eerste gaat het niet om een daadwerkelijk aanbod, hetwelk is uitgebleven. Ten tweede kan de opmerking in het verzetrekest dat betaling wordt aangeboden ook niet worden aangemerkt als “het aanbod zelf”, nu die verklaring niet is gericht tegen [geïntimeerde]. Ten derde heeft [geïntimeerde] pas van de betreffende opmerking in het verzetrekest kennis gekregen toen hij op 11 juni 2007 bij exploot van deurwaarder D. Hieralal voor de verzetprocedure werd opgeroepen, terwijl de bepaling van artikel 610 WvBRv met zich meebrengt dat (op straffe van niet-ontvankelijkheid) het aanbod op zijn laatst op de dag van het verzet (30 maart 2007) moest hebben plaatsgevonden. [geïntimeerde] heeft op grond van het voorgaande geconcludeerd dat VCB niet in haar verzet kan worden ontvangen;

1.6 Indien in rechte mocht blijken dat VCB ontvankelijk is in het verzet dan wenst [geïntimeerde] in te brengen dat de afgelegde verklaring volstrekt ondeugdelijk is aangezien die is afgelegd door een onbekend persoon, althans en in ieder geval niet door iemand die statutair bevoegd is om VCB in rechte te vertegenwoordigen. Daarenboven blijkt uit de verklaring niet of de VCB op de dag van de beslaglegging (19 april 2004) gelden van [naam 1] onder zich had;

1.7 De kantonrechter heeft in eerste aanleg bij vonnis de dato 17 november 2009 – kort gezegd – het formeel verweer van [geïntimeerde] strekkende tot niet-ontvankelijkheid van VCB verworpen en het materieel verweer – strekkende tot ondeugdelijkheid van de verklaring van VCB – gegrond verklaard;

1.8 In hoger beroep concludeert VCB tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en opnieuw rechtdoende tot alsnog verklaring van VCB tot goed opposante, onder goedkeuring van de door haar afgelegde verklaring;

1.9 Daartoe heeft VCB als grief tegen voormeld vonnis aangevoerd – kort samengevat en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang – dat de kantonrechter ten onrechte de verklaring niet deugdelijk heeft verklaard op grond van het feit dat, hoewel de verklaring is ondertekend, niet duidelijk is of die persoon bevoegd is om de verklaring namens de VCB te ondertekenen. De kantonrechter heeft hierbij over het hoofd gezien dat ingevolge het bepaalde in artikel 1812 BW een last ook bij monde kan worden gegeven en aangenomen. De door de kantonrechter in punt 4.6 van haar vonnis vermelde feiten zijn sufficient om aan te nemen dat de verklaring namens VCB is afgelegd aangezien de ondertekenaar van de verklaring ingevolge artikel 1812 lid 2 BW de last heeft volvoerd. VCB heeft daarbij overgelegd een copie van een volmacht d.d. 01 juni 2005 waaruit blijkt, dat te rekenen van 01 juni 2005 [naam 2], hoofd Juridische Zaken van VCB, is gemachtigd om namens VCB verklaringen ten behoeve van de kantonrechter te ondertekenen. De bewuste verklaring waarover de kantonrechter is gevallen, is ondertekend door [naam 2], hoofd Juridische Zaken. De kantonrechter heeft in haar oordeel geen rekening gehouden met de mogelijkheid van een verklaring van indemniteit zoals is verwoord in artikel 1827 lid 2 BW en heeft dus ten onrechte geconcludeerd dat een lastgeving ontbreekt.

1.10 Ten tweede heeft VCB aangevoerd dat de kantonrechter de verklaring ten onrechte ondeugdelijk heeft verklaard op grond van het feit dat in de verklaring niet is af te leiden wat de stand van zaken op 19 april 2014 was, wat VCB tot die dag (aan) gelden en/of geldswaarden van [naam 1] onder zich had c.q. aan hem verschuldigd was; de mankementen in de verklaring zijn niet ten faveure van VCB. De VCB heeft aangevoerd dat de door de (kanton)rechter geconstateerde mankementen nergens in de wet worden gesanctioneerd met ondeugdelijkverklaring van de afgelegde verklaring reeds wegens het maatschappelijk- en juridische verschijnsel dat mankementen reparabel zijn, tenzij zulks ondermeer bij de wet expliciet is uitgesloten. Indien de derde gearresteerde een verklaring heeft afgelegd die naar de mening van de rechter onvoldoende is, dan blijkt uit de strekking van een wet met betrekking tot het afleggen van de verklaring dat de rechter de derde gearresteerde in de gelegenheid stelt om de verklaring te verbeteren in de door hem aangegeven zin. De verklaring tot kwaad opposant, vermeld in punt 4.6 van het gewraakte vonnis, staat haaks op hetgeen de rechter heeft overwogen in de punten 4.1, 4.2, 4.3 en 4.4 van het vonnis waarvan appèl. Daarnaast is de verklaring van VCB tot kwaad opposante het gevolg van een verkeerde rechtsopvatting van de kantonrechter zoals hiervoren is uiteengezet;

2.1 [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop – in het hierna volgende voor zover voor de beslissing van belang – terug komen;

2.2 Gelet op de devolutieve werking van het rechtsmiddel van hoger beroep zal het hof allereerst aangeven hoe die tegen het formeel verweer van [geïntimeerde] in eerste aanleg – zoals hiervoor onder 1.5 weergegeven – aankijkt. Dienaangaande oordeelt het hof dat – zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen onder 4.1 van het beroepen vonnis – het aanbod tot betaling van de kosten zoals bij het verzetrekest is gedaan voldoende is voor de ontvankelijkheid van het verzet. Het hof neemt de daartoe strekkende overwegingen van de kantonrechter – zoals verwoord onder 4.1 van het beroepen vonnis in eerste aanleg – over. Het hof zal vervolgens ingaan op de aangevoerde grieven. Ten aanzien van de eerste aangevoerde grief overweegt het hof dat die grief op gaat en doel treft. Immers blijkt het hoofd Juridische Zaken van de VCB gemachtigd te zijn sedert 01 juni 2005 om namens de VCB verklaringen ten behoeve van de Kantonrechter te ondertekenen. Overigens geeft artikel 606 WvBRv aan dat de verklaring schriftelijk, door of namens de derde gearresteerde ondertekend, ter terechtzitting dient te worden overgegeven. Aan de zinsnede “door of namens”dient ingevolge de doctrine niet de gevolgtrekking te worden verbonden dat de ondertekenaar daartoe een bijzondere volmacht van de derde nodig heeft, zijnde zijn algemene volmacht daarvoor toereikend. Nu gesteld noch gebleken is dat VCB zich van zijn voormelde verklaring heeft gedistantieerd, bestaat er geen twijfel omtrent de herkomst van het document. Het hof oordeelt in dit kader voorts dat het beroep van VCB op het bepaalde in artikel 1812 van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW te noemen) eveneens gegrond is en doel treft aangezien een last ook mondeling kan worden gegeven en stilzwijgend kan worden aanvaard, hetgeen de kantonrechter kennelijk over het hoofd heeft gezien. Eveneens gaat het beroep van VCB op het bepaalde in artikel 1827 lid 2 BW op aangezien uit het gehele samenstel van stellingen van VCB ondubbelzinnig blijkt dat er – voor zover de lasthebber zijn last zou hebben overschreden – van uitdrukkelijke bekrachtiging sprake is;

2.3 De tweede grief besprekend komt het hof tot het slotsom dat dat eveneens op gaat en doel treft. Immers luidt de tekst van de zijdens de VCB overgelegde verklaring de dato 27 maart 2007 als volgt: “De Stichting Surinaamse Volkscredietbank verklaart geen gelden en/of geldswaarden en/of goederen onder zich te hebben, danwel verschuldigd te zijn aan de heer [naam 1]”. De wetgever heeft in artikel 605 WvBRv aangegeven dat de verklaring met redenen omkleed moet zijn; dat zij moet inhouden een staat van de gelden of roerende goederen, welke de derde gearresteerde onder zich heeft; de vermelding van de oorzaak en van het bedrag van diens schuld; van de betalingen op rekening, zo die mochten hebben plaats gehad, en van de wijze van schuldkwijting, indien de derde gearresteerde beweert niets meer schuldig te zijn, en in alle gevallen de andere inbeslagnemingen, welke onder hem mochten zijn gedaan. Weliswaar betreft de verklaring een momentopname en heeft als peildatum de dag van de beslaglegging, in casu 19 april 2004, maar gesteld noch gebleken is dat de VCB op enig moment gelden en/of geldswaarden en/of goederen afkomstig van de heer [naam 1] onder zich zou hebben gehad. Derhalve is de opname van de datum van beslaglegging in de verklaring geen wettelijk vereiste. Indien de derde gearresteerde ná de beslaglegging de dato 19 april 2004 nog betalingen aan de beslagdebiteur zou hebben gedaan zijn die betalingen ingevolge het bepaalde in artikel 1409 BW rechtens van onwaarde en voor zover de derde gearresteerde vóór de beslaglegging gelden en/of geldswaarden en/of goederen van de beslagdebiteur onder zich zou hebben gehad, dan dient de opbouw van de betaling aan de beslagdebiteur tot aan de datum van beslaglegging gespecificeerd in de verklaring te worden opgenomen zodat dat door de beslaglegger getoetst kan worden. Van het voorgaande is gesteld noch gebleken. [geïntimeerde] heeft dienaangaande volstaan met een vermoeden uit te spreken zonder dat ook maar op enigerlei wijze aannemelijk te maken. Voor zover [geïntimeerde] meent een beroep te moeten doen op het bepaalde in artikel 612 WvBRv is het hof van oordeel dat de VCB dienaangaande ten overvloede genoeg duidelijkheid heeft verschaft in het 1e sustenu van haar repliekpleidooi waarbij zij in niet mis te verstane bewoordingen heeft aangegeven dat de verklaring de dato 27 maart 2007 mede omvat de situatie op de dag van de beslaglegging, te weten 19 april 2004. Een plechtige verklaring of een verklaring onder ede ter bevestiging van de inhoud van de door de VCB in het geding gebrachte verklaring komt het hof derhalve overbodig voor en zal het hof daaraan voorbij gaan;

2.9 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroepen vonnis dient te worden vernietigd. Immers zijn de aangevoerde grieven gegrond gebleken en hebben doel getroffen.

2.10 [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van VCB zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis;

2.11 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het hof, als niet langer relevant zijnde, achterwege laten;

3. De beslissing in hoger beroep

Het hof:

3.1 Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 17 november 2009, A.R. No. 041726, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE

3.2 Verklaart VCB goed opposante;

3.3 Ontlast VCB van haar veroordeling tot betaling van het bedrag van de vordering, waarvoor beslag is gelegd, zoals tegen har uitgesproken bij voormeld vonnis de dato 02 augustus 2005;

3.4 Verklaart deugdelijk de door VCB afgelegde verklaring de dato 27 maart 2007;

3.5 Veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding aan de zijde van VCB in eerste aanleg gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 240,=;

3.6 Veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 160,=;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 02 mei 2014, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

SRU-HvJ-2014-3

GR- 14698

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. [verzoekster A], weduwe van [naam],

B. [verzoeker B],

C. [verzoekster C],

D. [verzoekster D],

E. [verzoekster E],

F. [verzoekster F], en

G. [verzoeker G],

allen wonende te [district],

te [adres],

verzoekers,

gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

tegen

[verweerder],

wonende te [district]

aan [adres],

verweerder,

gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po Jr., advocaat,

inzake het gedaan verzoek zijdens verzoekers strekkende tot verval van instantie in de hoger beroepszaak van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 06 februari 1996 (A.R.NO. 941335) tussen de rechtsvoorganger van verzoekers, [naam], als eiser en verweerder als gedaagde, spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– Het zijdens verzoekers ingediend verzoekschrift met bijlagen de dato 07 maart 2012;

– De pleitnota zijdens verzoekers, de dato 06 juli 2012 ;

– Het schriftelijke antwoordpleidooi zijdens verweerder, de dato 05 oktober 2012;

– Het schriftelijke repliekpleidooi zijdens verzoekers, de dato 07 december 2012;

– Het schriftelijke dupliekpleidooi, onder overlegging van een productie, zijdens verweerder , de dato 05 april 2013;

– De schriftelijke pleitnota tot uitlating productie zijdens verzoeker, de dato 19 april 2013;

– De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 02 augustus 2013 doch nader bepaald op heden;

De beoordeling

1. Het gaat in dit geding om het volgende.

1.1. In 1994 had de rechtsvoorganger van verzoekers in het Eerste Kanton een vordering in bodemgeschil aanhangig gemaakt tegen verweerder. Bij vonnis van 06 februari 1996, A.R. no. 941335 heeft de Kantonrechter in het Eerste Kanton o.a. nietig verklaard de overeenkomst, welke tussen partijen in 1986 is gesloten met betrekking tot het ter beschikking stellen van pensioengelden van [naam] middels verweerder; voorts is verweerder veroordeeld aan [naam] te betalen het bedrag van Nf 500,00 of de tegenwaarde daarvan in Surinaams courant, berekend naar de dagkoers van de Centrale Bank van Suriname te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 maart 1994 tot aan de dag der algehele voldoening, onder verrekening van het door verweerder aan verzoekers in Suriname uitgekeerde bedrag groot omstreeks (het hof leest: ongeveer) Sf. 127.000,00;

1.2 Bij schrijven d.d. 20 februari 1996 is verweerder van dit vonnis in hoger beroep gekomen; door de schorsende werking ervan kan niet tot executie van bedoeld vonnis worden overgegaan;

1.3. Op 15 juni 2001 stond de zaak op de rol van het Hof voor dagbepaling pleidooi. Echter is de zaak afgevoerd vanwege het feit dat verweerder verzuimd had verzoekers op te roepen om op de dienende dag te verschijnen ter terechtzitting van het Hof;

1.4. Sedertdien zijn in het voormelde rechtsgeding in hoger beroep meer dan drie jaren verlopen zonder dat de zaak is voortgezet;

1.5. Ingevolge de artikelen 208 t/m 213 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna WvBRv te noemen) hebben verzoekers het recht om te vorderen de vervallenverklaring van de instantie in hoger beroep, opdat het vonnis waarvan verweerder in beroep is gekomen, kracht van gewijsde verkrijgt;

1.6. Verzoekers vorderen in dit geding dat het Hof bij vonnis de instantie in hoger beroep vervallen zal verklaren, opdat het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 06 februari 1996, A.R. no. 941335, waarvan verweerder in beroep is gekomen, kracht van gewijsde verkrijgt;

2. Verweerder heeft verweer gevoerd en –zakelijk weergegeven- aangevoerd dat het verzoek tot verval van instantie niet buiten de appèlprocedure om kan worden ontvangen en niet als een geheel nieuw verzoek als in onderhavig geval. Derhalve concludeert verweerder tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekers. Voorts heeft verweerder aangevoerd dat ingevolge het bepaalde in artikel 277a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna WvBRv te noemen)de President van het Hof van Justitie partijen doet oproepen om te dienende dag en uur te verschijnen en het dus rechtens niet aan verweerder ligt om de oproeping te doen waardoor de door verzoekers gestelde verloop van drie jaren in dit geval niet in de risicosfeer van verweerder ligt en hem daarom niet kan worden tegengeworpen;

3. Het hof zal allereerst ingaan op het verweer van verweerder dat er op neer komt dat het onderhavig verzoek niet buiten de appèlprocedure om kan worden ontvangen. Dienaangaande komt het Hof tot de slotsom dat verweer niet op de wet is gebaseerd. In de artikelen 208 e.v. van het WvBrv wordt deze eis nergens gesteld. Daarenboven ontgaat het het Hof helemaal hoe verzoekers een dergelijke vordering zouden kunnen instellen in de appèlprocedure aangezien die zaak niet op de rol loopt. Het initiatief teneinde de zaak op de rol te laten brengen ligt naar het oordeel van het Hof in elk geval niet bij verzoekers aangezien zij geen appèl hebben aangetekend tegen het vonnis van de Kantonrechter. Derhalve hebben verzoekers dan ook geen andere keus dan de zaak op deze manier aan te brengen en nu de wet dat niet verbiedt zijn zij ontvankelijk in hun verzoek. Het daartoe strekkend verweer van verweerder zal derhalve worden verworpen;

4. Ten tweede heeft verweerder aangevoerd dat ingevolge het bepaalde in artikel 277a WvBRv de President van het Hof van Justitie partijen doet oproepen en het initiatief daartoe niet bij hem ligt (althans zo vat het Hof dat op). Naar het oordeel van het Hof staat voormelde zienswijze van verweerder op gespannen voet met de rechtspraktijk. Inderdaad is in voormeld wetsartikel opgenomen dat de Voorzitter (lees: President) van het Hof van Justitie de dag en het uur bepaalt waarop de zaak voor het Hof van Justitie zal dienen en doet, met inachtneming van de termijnen van oproeping, voorgeschreven bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 13, partijen oproepen teneinde alsdan te verschijnen. Naar het oordeel van het Hof dient voormeld wetsartikel in samenhang te worden gelezen met het bepaalde in artikel 270 WvBRv, voor zover inhoudende dat het hoger beroep aanvangt met een verklaring dat men van dat middel gebruik wenst te maken. Voorts vermeldt voormeld artikel dat van de afgelegde verklaring de griffier aantekening houdt in het Algemeen Register. Die aantekening geschiedt niet dan na vooruitbetaling aan de griffier van de kosten voor de aanzegging, voor de betekening van de memorie en van de daarbij overgelegde bescheiden en voor de oproeping, bedoeld in artikel 277a, desverlangd na taxatie door de rechter. Gesteld noch gebleken is dat de kosten voor de oproeping in voormelde appèlprocedure door verweerder zijn voorgeschoten, weshalve verweerder naar het oordeel van het Hof niet te goeder trouw een beroep op voormelde wetsbepaling kan doen in weerwil van de huidige rechtspraktijk dat de datum en het uur van de behandeling in hoger beroep door het hof worden vastgesteld en dat de appelerende partij –als meest gerede partij- de kosten van de oproeping betaalt. De inhoud van het door verweerder bij dupliekpleidooi overgelegde oproepingsexploit doet aan het voorgaande niet af aangezien daaruit niet blijkt dat door het Hof is opgeroepen. Daaruit blijkt wel dat op bevel van de President van het Hof van Justitie is opgeroepen. Gelet op het voorgaande zal ook dit verweer worden verworpen;

5. Ten derde heeft verweerder aangevoerd dat het tijdsverloop hem niet kan worden tegengeworpen aangezien dat niet binnen zijn risicosfeer ligt. Dienaangaande overweegt het Hof dat de ratio van de bepalingen betreffende verval van instantie is dat een middel wordt geboden tot beëindiging van de procedure, dat ten dienste staat aan de wederpartij van de partij die de zaak laat sloffen. In casu is gesteld – althans zo vat het Hof de stelling van verzoekers op dat aangeeft dat verweerder in de appèlprocedure op de eerstdienende dag verzoekers niet heeft doen oproepen en daarna heeft stilgezeten – doch niet aannemelijk geworden dat verweerder de zaak heeft doen sloffen. Immers heeft het Hof daarna geen andere datum voor behandeling van de zaak bepaald hetgeen –zoals terecht door verweerder is aangevoerd- niet voor zijn rekening en risico kan komen. Weliswaar is het Hof van oordeel dat verweerder wel initiatieven had kunnen nemen teneinde de behandeling van de appèlzaak een aanvang te doen nemen, maar kan dat nalaten in perspectief bezien met het nalaten van de administratie van het Hof van Justitie om een datum van behandeling te doen bepalen, niet als consequentie hebben een verval van instantie zoals gevorderd. Een dusdanige consequentie zou naar het oordeel van het Hof disproportioneel zijn. Uiteraard kan de zaak niet ten eeuwige dage blijven voortsudderen en het Hof ziet daarin aanleiding om de administratie van het Hof een “wake up call” te geven inhoudende een inspanningsverplichting teneinde de zaak bekend in het Generale Register onder no. 13771 op de rol te doen plaatsen. In het verlengde hiervan maakt het Hof van de gelegenheid gebruik om een beroep op verweerder te doen om bij appointering van de zaak wel op te roepen, zodat een aanvang kan worden gemaakt met de behandeling in hoger beroep;

6. Gelet op het al voorgaande komt het Hof tot de slotsom dat het gevorderde dient te worden afgewezen en zullen verzoekers, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld om de gedingkosten aan de zijde van verweerder gevallen voor hun rekening te nemen;

De beslissing

Wijst af het gevorderde;

Veroordeelt verzoekers in de gedingkosten aan de zijde van verweerder gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, lid en

mr. M.V. Kuldip Singh, lid-plaatsvervanger, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 07 maart 2014, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. S.C. Berenstein.

 

SRU-HvJ-2013-1

VONNIS

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK

Vonnisnummer: 15/2013

Parketnummer: 01-01- 8614

Uitspraak: 11 juni 2013

TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder de processen-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 juni 2011, 11 oktober 2011, 14 december 2011, 28 februari 2012, 09 mei 2012, 18 juli 2012, 28 november 2012 en 18 februari 2013, alsmede de producties welke zijdens de verdediging en de vervolging zijn overgelegd en toegelicht en het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 31 augustus 2007 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte], geboren op [geboortedag] in het [district], arbeider van beroep, wonende aan de [adres] in het [district], thans sedert 31 augustus 2010 in vrijheid gesteld, verdachte,

is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman Mr. I.D. Kanhai, advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 03 september 2007 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen het voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Tevens is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 05 september 2007 eveneens appel heeft aangetekend tegen het voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande hebben partijen tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij daarin ontvankelijk zijn.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 31 augustus 2007 is de verdachte – verkort weergegeven – terzake van het onder D ten laste gelegde (diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met de bepaling dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak van 28 oktober 2006 af, voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht met bevel tot gevangenhouding van de verdachte en de bepaling dat de veroordeelde zich tijdens de detentie zal laten begeleiden door een psycholoog en een psychiater.

De tenlastelegging

Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton, van waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding in eerste aanleg

Van de zijde van de verdediging is in hoger beroep primair aangevoerd dat de dagvaarding in eerste aanleg nietig behoort te worden verklaard en subsidiair de vervolgingsambtenaar niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op hierna te melden gronden:

– de verdachte is op basis van een nietige dagvaarding veroordeeld en de onderhavige dagvaarding en de verschijning van de verdachte ter terechtzitting dekt de nietigheid van de dagvaarding in eerste aanleg niet; de verdachte is minderjarig;

– in het geding zijn de artikelen 428, 429 en 496 van het WvSv; de dagvaarding in eerste aanleg is wel uitgereikt doch aan de verdachte zelf en niet mede aan zijn ouders of zijn advocaat;

– gelet dient te worden op het psychologisch rapport dat onder meer aangeeft dat verdachte op het niveau van een imbeciel functioneert;

– de Kantonrechter heeft een cruciale fout gemaakt en is het van belang hoe hiermede om te gaan;

– ingevolge het Kinderrechten Verdrag is er een bepaalde mogelijkheid gecreëerd, namelijk wordt daarin een bepaalde procedure aangegeven; ingevolge artikel 428 WvSv dient bij het dagvaarden van een jeugdige verdachte de ouders van die verdachte mede te worden opgeroepen, zulks op straffe van nietigheid;

– de ouders van deze jeugdige verdachte zijn in casu niet opgeroepen voor de behandeling van de zaak in eerste aanleg;

– de Kantonrechter droeg voor de beraadslaging reeds kennis van dit rapport;

Dat op grond hiervan het hof wordt verzocht de dagvaarding nietig te verklaren casu quo de vervolgingsambtenaar niet-ontvankelijk te verklaren; Dat naast de dwingende bepalingen en de daaraan gekoppelde consequenties die reeds in beide verweren eerder zijn aangegeven ook wordt verwezen naar de literatuur te weten C.P.M. Cleiren vijfde druk pag. 1125, waarin het navolgende is aangegeven te weten ”als niet kan worden vastgesteld dat de niet aanwezige ouders zijn opgeroepen, is ook lid 1 geschonden. Voor de inwerking treding op 2 november 1996 van de wet van 14 September 1995 (Stb 441) kon de rechter in dat geval weinig anders doen dan de nietigheid van de dagvaarding uitspreken. Ook nu behoort dat tot de mogelijkheden”.

Voorts verwijst de verdediging nadrukkelijk naar de artikelen 1 en 3 lid 1 van het Kinderrechten Verdrag.

Van de zijde van de vervolging is hierop – zakelijk weergegeven – als volgt gereageerd:

– de verdachte is conform artikel 58 WvSr berecht en het Openbaar Ministerie heeft ervoor gekozen om een gevangenisstraf te eisen in plaats van een maatregel;

– verzuim van de betekening ex artikel 428 WvSv leidt niet tot nietigheid en heeft de verdachte vanaf zijn inverzekeringstelling rechtsbijstand van zijn raadsman genoten;

– de psychiater heeft vastgesteld dat de ten laste gelegde feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend en gelet op vermelde conclusie van de psychiater is de vervolging de mening toegedaan dat niet is gebleken dat bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing der geestvermogens bestond en dat hij, verdachte ten gevolge daarvan niet in staat is geweest om zijn belangen behoorlijk te behartigen.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Anders dan de raadsman is het Hof van oordeel dat indien er niet is voldaan aan de betekening, ex artikel 428 WvSv dat niet leidt tot nietigheid van de dagvaarding. Immers is voormelde consequentie niet in de wet opgenomen. De ratio van voormelde bepaling is gelegen in de omstandigheid dat de ouders zouden zien dat hun kind niet zomaar ’aan de wrekende hand der justitie’ was overgeleverd, maar dat het allereerst ging om diens zedelijke verbetering. Het kind zou ondervinden dat het ondanks het begaan van een strafbaar feit niet de steun van zijn ouders hoefde te missen. In dit kader moet de dagvaarding van de ouders worden gezien als een uitnodiging naar hen toe teneinde de zitting, die in beginsel achter gesloten deuren plaatsvindt, te mogen bijwonen en eventueel om benodigde inlichtingen te verschaffen aan de rechter casu quo het woord ter verdediging te voeren. Niet is gebleken dat verdachte – die van het begin af aan door een advocaat werd bijgestaan – door deze omissie van het Openbaar Ministerie in zijn belangen is geschaad en is het oordeel van de kantonrechter dienaangaande niet onbegrijpelijk en evenmin in strijd met het recht. Dat het gestelde als zou de verdachte op het niveau van een imbeciel danwel op een debiel niveau functioneren zulks vooralsnog naar aanleiding van de conclusie van de psychiater dat de aan hem, verdachte, ten laste gelegde feiten hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend, bij de inhoudelijke behandeling van de zaak aan de orde zal komen. Naar het oordeel van het hof haalt het door de verdediging gedaan beroep op het bepaalde in het verdrag inzake de Rechten van het Kind, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 20 november 1989, het evenmin. Immers is de verdachte ingevolge het bepaalde in artikel 58 WvSr berecht en is naar het oordeel van het hof niet gebleken dat er daarbij in strijd zou zijn gehandeld met het bepaalde in artikel 40 van voormeld verdrag casu quo de daarin vervatte minimumgaranties zouden zijn veronachtzaamd. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang gezien en gelezen, is het Hof van oordeel dat als na te melden dient te worden beslist.

BESLISSING

Verwerpt de preliminaire verweren zoals die door de raadsman naar voren zijn gebracht.

Beveelt dat het onderzoek van de zaak in hoger beroep zal worden voortgezet op dinsdag 09 juli 2013 des namiddags te 13.00 uur.

Houdt iedere verdere uitspraak aan.

Aldus qewezen door;

mr. A.Charan, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf en mr . D.G.W. Karamat Ali, Leden-Plaatsvervanger en bijgestaan door mr. I. Madarsa, Fungerend-Griffier en uitgesproken te Paramaribo op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van dinsdag 11 juni 2013.

w.g. I. Madarsa w.g. A. Charan

w.g. M.C. Mettendaf w.g. D.G.W. Karamat Ali

 

 

 

 

SRU-HvJ-2016-3

G.R. no. 15145

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende in [district],

verzoeker,

gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name

A. HET MINISTERIE VAN DEFENSIE en

B. HET MINISTERIE VAN RUIMTELIJKE ORDENING, GROND- en BOSBEHEER,

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

verweerders,

gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

De fungerend-president geeft, in naam van de Republiek, op de voet van artikel 272 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de navolgende beschikking uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoek met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 22 augustus 2016;

-de conclusie van antwoord, met producties;

-de conclusie van antwoord, met producties;

-het proces-verbaal van het verhandelde in Raadkamer van het Hof van Justitie de dato 24 augustus 2016, inhoudende de mondelinge behandeling.

1.2 Vervolgens is beschikking bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Verzoeker bewoont sinds 2008 de dienstwoning op het perceelland groot 695,70 m², gelegen in [district], op de hoek van de [adres], deel uitmakende van [plaats], nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter in Suriname, R.I. Amelo de dato 22 juni 2015 met de letters ABCD, thans bekend als [plaats] [nummer 1] (hierna te noemen: het perceelland).

2.2 Verzoeker heeft bij beschikking de dato 07 oktober 2015 onder [nummer 2] het recht van grondhuur verkregen op het perceelland (hierna te noemen: de toewijzingsbeschikking).

2.3 Bij beschikking de dato 16 maart 2016 onder [nummer 3] heeft verweerder sub B het recht van grondhuur dat aan verzoeker is verleend op het perceelland, vervallen verklaard (hierna te noemen: de beschikking tot vervallenverklaring).

2.4 Bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de dato 30 juni 2016, bekend onder A.R. no. 16-3004, heeft de Kantonrechter in het Derde Kanton, verzoeker in reconventie veroordeeld om binnen twee maanden na uitspraak van het vonnis het perceelland met daarop staande woning te ontruimen en te verlaten met medeneming van alle van zijnentwege aanwezige personen en goederen en door afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van verweerders te stellen, met bepaling dat indien verzoeker hiertoe in gebreke mocht blijven, verweerder sub A gerechtigd zal zijn de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm.

2.5 Verzoeker is van het onder 2.4 vermeld vonnis in hoger beroep gekomen.

3. Het geschil

3.1 Verzoeker vordert – kort en zakelijk weergegeven – om ex artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de executie van het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton de dato 30 juni 2016, bekend onder A.R. no. 16-3004, te doen staken.

3.2 In verband met de onderhavige vordering heeft verzoeker – kort en zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – gesteld dat de beschikking tot vervallenverklaring niet conform de wet aan hem is bekendgemaakt. Volgens verzoeker heeft de kantonrechter ten onrechte aan het voormelde niet de conclusie verbonden dat die beschikking onrechtmatig is, in strijd met het motiveringsbeginsel en geen werking jegens hem heeft verkregen wegens strijd met het formele rechtszekerheidsbeginsel. Integendeel heeft de kantonrechter juist geoordeeld dat de beschikking tot vervallenverklaring voldoende is gemotiveerd, terwijl er geen wettelijke grondslag voor de vervallenverklaring is gegeven. De overwegingen van de kantonrechter zijn daarmee innerlijk tegenstrijdig van aard, aldus verzoeker. Verder heeft verzoeker gesteld dat de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis buiten de gevallen die bij wet (artikelen 55 en 56 Rv) zijn voorzien, is bevolen, zodat de staking van executie van het vonnis is geboden.

3.3 Verweerders hebben hiertegenover verweer gevoerd, waarop voor zover nodig, nader zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1 Uit de stellingen en weren van partijen is gebleken dat verzoeker het rechtsmiddel van hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton de dato 30 juni 2016, bekend onder A.R. no. 16-3004, waarbij verzoeker onder meer is veroordeeld om het perceelland te ontruimen. Vanwege het feit dat de ontruimingstermijn van twee maanden op 30 augustus 2016 zal eindigen, heeft verzoeker onderhavige vordering ingesteld. In afwachting van de behandeling van onderhavige vordering, heeft verzoeker in kort geding schorsing van de executie van het vonnis gevorderd totdat er een beslissing wordt genomen in onderhavige zaak.

Gelet op voormelde stellingen, is het Hof in Raadkamer, anders dan verweerders hebben aangevoerd, van oordeel dat in casu er geen sprake is van misbruik van procesrecht. Derhalve wordt het verweer van verweerders verworpen.

Verweerders hebben voorts als verweer aangevoerd, dat verzoeker niet ontvangen dient te worden in zijn verzoek, daar hij heeft nagelaten zich te beroepen op de gronden die voor de staking van de executie in aanmerking komen.

Het Hof in Raadkamer is van oordeel dat het beroep op staking van de executie op grond van artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, gebaseerd is op het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een vonnis in de gevallen buiten de wet voorzien. Nu verzoeker zijn vordering mede heeft gebaseerd op de onterecht bevolen voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis in Kort Geding, zal het Hof aan dit verweer, als zijnde ongegrond, voorbijgaan.

4.2 Verweerders hebben verder aangevoerd dat aangezien het perceelland reeds was uitgegeven ten algemene nutte ten behoeve van het Nationaal Leger, zij op grond van artikel 31 van het Decreet Uitgifte Domeingrond (DUD) het recht van grondhuur dat aan verzoeker is verleend, vervallen hebben verklaard. Tussen partijen is in confesso dat verweerders de beschikking tot vervallenverklaring niet aan verzoeker hebben betekend. In artikel 31 lid 4 DUD is onder meer bepaald dat vanwege de Staat aan de grondhuurder aangetekend wordt gezonden een gewaarmerkt afschrift van de beschikking (lees: de beschikking tot vervallenverklaring) en de daarbij behorende kaart.

4.3 Nu gebleken is dat de motieven die hebben geleid tot het vervallen verklaren van het recht van grondhuur nimmer aan verzoeker zijn betekend en het verwachtbaar is dat in appèl, dan wel in een bodemprocedure de beschikking tot vervallenverklaring van het recht van grondhuur met succes kan worden aangevochten, zou de kantonrechter met de nodige terughoudendheid gebruik gemaakt moeten hebben van de bevoegdheid het na te noemen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Mede gezien de verstrekkende gevolgen van een uitvoerbaar bij voorraad verklaring in ontruimingszaken zal het Hof in Raadkamer er dan ook toe overgaan, de staking van de executie van het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton de dato 30 juni 2016, bekend onder A.R. no. 16-3004, te bevelen. Derhalve zal de vordering van verzoeker worden toegewezen zoals in het dictum te vermelden.

4.4 Verweerders zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld aan de zijde van verzoeker gevallen en zoals nader te begroten in het dictum.

5. BESCHIKKENDE

Het Hof:

5.1 Beveelt de staking van de executie van het tussen partijen gewezen vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton de dato 30 juni 2016, bekend onder A.R. no. 16-3004, totdat het Hof van Justitie in onderhavige zaak in hoger beroep heeft beslist.

5.2 Veroordeelt verweerders in de proceskosten, aan de zijde van verzoeker gevallen en tot op heden begroot op SRD 400,= (Vierhonderd Surinaamse Dollar).

Aldus gegeven in Raadkamer van het Hof van Justitie op 29 augustus 2016 door:

Mr. D.D. SEWRATAN, fungerend-president, Mr. A.M. NOOITMEER-ROTSBURG en Mr. I. SONAI, leden-plaatsvervanger van het Hof van Justitie, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. M.A. Ombre.

w.g.M.A.Ombre w.g. D.D. Sewratan

w.g. A.M. Nooitmeer- Rotsburg

w.g. I. Sonai