SRU-HvJ-1998-23

M.H.

A – 357.

[verzoeker], wonende te [district], aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Grote Combéweg no.25-27 ten kantore van Mr.R.U­.F.TRUIDEMAN, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name HET MINISTE­RIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, ten deze verte­gen­woor­digd wordende door de Procu­reur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suri­na­me, te diens Parkette aan de Graven­straat no.3 te Paramari­bo, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.C.D.OOFT, advo­kaat,

verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen van respectieve­lijk 4 april 1997 en 7 november 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat verweerder in de enquête 6 getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvan­kelijk had bepaald op 22 mei 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 7 november 1997 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat verweerder, ten einde het van hem ver­langde bewijs bij te brengen als getuigen heeft doen horen [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5] en [naam 6], wier verklaringen als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd worden aange­merkt;

Overwegende, dat het Hof op grond van die verklaringen, in onderling verband en samenhang be­schouwd, welke verklarin­gen bij gebreke van contra enquête niet zijn ontzenuwd en weerlegd, van oordeel is, dat verweerder geslaagd te achten is in de van hem verlangde bewijslevering zijnde immers uit die verklaringen van genoemde getui­gen ondubbelzinnig gebleken van feiten en omstandighe­den waaruit kan worden afgeleid, dat verzoeker onvoldoende waar­borgen voor betrouw­baarheid heeft laten blijken;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat hem niet gebleken is, dat het aan verzoeker verleend ontslag in wanver­hou­ding staat tot de als bewezen aangenomen gedragingen van verzoeker;

Overwegende, dat aan verzoeker dan ook terecht door verweerder ontslag is verleend uit staatsdienst;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat verzoekers vordering hem dan ook als ongegrond en onbewezen dient te worden ontzegd;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENAREN­ZAKEN:

Ontzegt aan verzoeker zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-Presi­dent, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PU­LTOO, Leden en door de Vice-Presi­dent uitge­spro­ken ter openba­re terechtzit­ting van het Hof van Justi­tie van VRIJDAG, 7 augustus 1998, in tegen­woordig­heid van Mr. M.TEDJOE, funge­rend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advo­kaat

Mr.M.ISHAAK namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.U.F.TRUIDEMAN en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advo­kaat Mr.Dr.C.D.OOFT, zijn bij de uit­spraak ter te­rechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-21

M.R.S A-393.

[verzoeker], wonende aan [adres] te [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Gravenstraat no.63 boven, bij het advokatenkantoor Beckles & Brandon, voor wie Mr.B.G.Beckles als gemachtigde optreedt,
verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het MINISTERIE VAN DEFENSIE, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoor houdende ten Parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.C.D., OOFT, advokaat,
verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:
1. Verzoeker wenst de navolgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, met name het MINISTERIE VAN DEFENSIE, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoor houdende ten Parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, verweerder.

2. Verzoeker is ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet.

3. Verzoeker is op 2 januari 1975 bij verweerder in dienst getreden als dienstplichtig soldaat en werd op 23 augustus 1975 bevorderd tot dienstplichtig sergeant. Verzoeker is thans Majoor en is in deze rang benoemd op 1 maart 1994 en bekleedt de functie van Hoofd Sectie 1 van de Landmacht. Verzoeker overlegt een fotocopie van zijn staat van dienst met het verzoek de inhoud ervan als hier woordelijk herhaald en geinsereerd te beschouwen. Deze bijlage wordt genummerd als bijlage 1.

4. Verzoeker is van mening dat hij reeds eerder, dus vóór 1994, bevorderd moest zijn tot Majoor en dat hij door handhaving van laatstgenoemde datum van bevordering in zijn anciënniteit en carrieregang achteruit is gegaan.
Verzoeker heeft vanaf maart 1983 constant in de tweede lijn van de defensie organisatie gediend en heeft nimmer mondelinge en/of schriftelijke bezwaren ten aanzien van zijn functioneren mogen ontvangen; desondanks is verzoeker benadeeld in zijn anciënniteit. Er zijn militairen die nimmer, of op een later tijdstip in de tweede lijn hebben gediend en zelfs lager in rang waren, en die heden ten dage ouder in anciënniteit zijn dan verzoeker en zelfs hogere posities dan hem bekleden.
Verzoeker is reeds in 1988 in Brazilië opgeleid om de taak van Majoor te vervullen. Aangezien de anciënniteit in de organisatie een essentiële factor is en bevordering geschiedt naar anciënniteit is het rectificeren van zijn datum van bevordering voor verzoeker een belangrijke aangelegenheid.

5. Verzoeker doet gelet op het voorgaande nadrukkelijk een beroep op het gelijkheidsbeginsel, welk beginsel niet zonder meer om toepassing vraagt, maar ervan uitgaat dat onder gelijke omstandigheden verkerende burgers, gelijkelijk zullen worden behandeld en politiek favoritisme, voortrekkerij en discrimininatie geen rol mogen spelen. Verzoeker is van oordeel dat dit beginsel door verweerder met de voeten is getreden daar militairen die op een later tijdstip dan verzoeker in de tweede lijn hebben gediend vóór hem bevorderd zijn tot Majoor.

6. Verzoeker heeft zijn beklag gedaan bij de President van de Republiek Suriname maar heeft echter nooit een reactie daarop ontvangen van de President. Verzoeker overlegt van dit schrijven een copie met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen. Deze bijlage wordt genummerd als bijlage 2.

7. Verzoeker heeft er recht en belang bij dat in casu het gelijkheidsbeginsel wordt gehanteerd en zijn anciënniteit wordt veranderd zodanig dat hij niet wordt benadeeld in zijn carrieregang.
Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verweerder zal worden veroordeeld die handelingen te verrichten die nodig zijn voor het veranderen van de anciënniteit van verzoeker zodanig dat hij niet wordt benadeeld in zijn carrieregang, zulks onder verbeurte van een dwangsom van Sf.100.000,– per dag of zoveel minder als in goede justitie billijk wordt worden geacht vanaf het moment van ’s Hoven uitspraak of vanaf een door het Hof te bepalen tijdstip, kosten rechtens;
Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijk gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie
is binnen gekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:
1. Verweerder betwist en ontkent al hetgeen verzoeker in zijn inleidend rekest naar voren heeft gebracht en gesteld, voor zover dit niet woordelijk door verweerder wordt erkend. Verweerder biedt bewijs aan voor zijn stellingen indien en voor zoverre de bewijslast op hem mocht rusten.

2. Verweerder erkent, dat verzoeker ambtenaar is, in de zin van artikel 1 van de Personeelswet.
Verzoekers rechtspositie, zoals weergegeven in het derde sustenu van het inleidend rekest is (juist mede gelet op de bijlage (1) door verzoeker zelf overgelegd).

3. De opvatting van verzoeker in zijn vierde en vijfde sustenu van zijn verzoekschrift wordt evenwel ten stelligste weersproken door gedaagde omdat het daar gestelde op geen enkele grond berust en verzoeker niet eens poogt zijn beweringen te bewijzen c.q. met feiten te onderbouwen.
Verzoeker zegt niets (lees:niet), waarom ”naar zijn mening” hij reeds vóór 1994 bevorderd moest zijn tot majoor. Uit deze in het luchtledige, door verzoeker getrokken conclusie, komt dan zijn onjuiste bewering dat hij ”in zijn anciënniteit en carrieregang achteruit is gegaan.”
Verzoeker vergeet daarenboven mee te delen, dat hij voortijdig is bevorderd namelijk te rekenen van 1 maart 1990, functioneel, tot Majoor-Tijdelijk. Op 1 maart 1994 werd verzoeker geëffectueerd, in de rang van Majoor. Bij de functionele bevordering van 1990 werd ten gunste van verzoeker een verkorte procedure toegepast, ten aanzien van de carrieregang van Majoor-Tijdelijk. In plaats van bevordering na 8 jaren werd toen de periode ingekort tot 4 jaren.
In de tweede alinea van het vierde sustenu zet verzoeker zijn uit het niets getrokken conclusie voort en herhaalt dat hij benadeeld is in zijn anciënniteit. Verzoeker stelt dan, zonder zijn mededelingen met bewijzen
te staven, dat anderen hogere posities dan hij bekleden, hoewel zij later in dienst zijn getreden.

4. Wanneer verzoeker dan ook in zijn vijfde sustenu van het verzoekschrift een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel en daarbij de negatieve uitwassen die in strijd zijn met het beginsel aanhaalt, dan ziet verweerder zich verplicht nadrukkelijk te ontkennen dat het gelijkheidsbeginsel in de algemene beginselen van behoorlijk bestuur hier geschonden zou zijn. Zolang verzoeker zijn stellingen niet staaft met sterke bewijzen en onderbouwt met tenminste één of meer voorbeelden om zijn belastende mededeling een schijn van waarheid te geven, behoort verzoeker niet ontvankelijk te zijn in zijn vordering om bevorderd te worden, liefst, tot majoor.

5. Verzoeker vergeet bij de algemene opsomming van wat het gelijkheidsbeginsel inhoudt, dat bevorderen van een landsdienaar niet alleen stoelt op het stuk van zijn anciënniteit, maar dat er andere criteria, die veel belangrijker zijn, door het bevoegde gezag in overweging worden genomen alvorens tot de bevordering over te gaan, bijvoorbeeld: Bekwaamheid, Kennis en Ervaring, Loyaliteit, Vaardigheid en Inzicht alsook Betrouwbaarheid en in het algemeen, de in het Ambtenaren Bezoldigings Besluit aangegeven criteria onder art.5 en daarna, uitgewerkt in de bekende bijlage E van het A.B.B. S.B. 1980 no. 153.

6. Onverminderd het voorgaande, is de vordering van verzoeker ook niet op de goede leest van het Administratief Recht in de Personeelswet neergelegd, geschoeid. Immers, het petitum vraagt aan het Hof van Justitie om zondermeer de STAAT te veroordelen tot betaling van een dwangsom van Sf.100.000,– (EENHONDERD DUIZEND GULDEN) voor elke dag dat verweerder in gebreke zou zijn aan het vonnis zoals
verzocht te voldoen. Het petitum is formeelrechterlijk geheel in strijd met de Personeelswet, omdat:
1. artikel 79 Personeelswet aan het Hof van Justitie optredende als Rechter in Ambtenaren Zaken binnen duidelijke grenzen de bevoegdheid geeft tot gehele of gedeeltelijke nietig verklaring van één daarvoor vatbaar besluit.
Verzoeker wijst geen enkel besluit aan dat hier voor vernietiging vatbaar zou kunnen zijn. Verzoeker schiet alsdan tekort in zijn stelplicht.

2. Verzoeker vraagt c.q. vordert slechts een exorbitante hoge dwangsom, terwijl er geen vonnis tot vernietiging van enig overheidsbesluit is voorafgegaan, uit welk voorafgaand vonnis, het onrechtmatig of in strijd met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur handelen van de administratie blijkt.
Ook het vorderen van een dwangsom alléén, zonder voorafgaande veroordeling van de STAAT, is in casu ook niet mogelijk zoals herhaaldelijk in ’s Hovens Jurisprudentie mag blijven.

3. Verweerder moge tenslotte erop wijzen dat in de opgenomen BESLUITEN (art.97 tweede lid) vatbaar voor vernietiging door het Hof in Ambtenaren Zaken, een besluit tot al of niet bevorderen van een ambtenaar, expres is weggelaten, tengevolge waarvan het Hof van Justitie niet competent zal zijn over de bevordering zoals gewild te beslissen.
Het Hof van Justitie is wel bevoegd wanneer het ging om verlaging van rang, maar mist de bevoegdheid wanneer het gaat om bevordering (verhoging) van rang. De opsomming van art.79 tweede lid Personeelswet, is namelijk limitatief, zoals weer uit ’s Hovens vaste jurisprudentie blijkt.
Overwegende, dat de verweerder op deze gronden
heeft geconcludeerd:
dat verzoeker niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering, c.q. hem het gevraagde zal worden ontzegd als zijnde onbewezen ongegrond, en in strijd met de Personeelswet;
Overwegende, dat ingevolge’s Hofs beschikking van 17 maart 1998 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, verzoeker in persoon bijgestaan door advokaat Mr.K.Brandon namens zijn gemachtigde, advokaat, Mr.B.G.Beckles, de heer Sondroju Theodurus stafmedewerker Juridische Zaken van het Ministerie van Defensie en advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft, gemachtigde van verweerder in Raadkamer zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast – te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 20 november 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat verzoeker blijkens het petitum vordert dat bij vonnis verweerder wordt veroordeeld die handelingen te verrichten die nodig zijn voor het veranderen van de anciënniteit van hem, verzoeker, zodanig dat hij niet wordt benadeeld in zijn carrieregang, zulks onder verbeurte van een dwangsom van Sf.100.000,– per dag of zoveel minder als in goede justitie billijk mocht worden geacht vanaf het moment van ’s Hoven uitspraak of vanaf een door het Hof te bepalen tijdstip;
Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het door verzoeker gevorderde opmerkt, dat hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken, als de onderhavige, kan worden gevorderd limitatief is omschreven in artikel 79 van de Personeelswet;
Overwegende, dat nu hetgeen verzoeker vordert niet onder de litimatieve omschrijving van gemelde wettelijke bepaling valt, zal het Hof verzoeker niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in de door hem ingestelde vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.VON NIESEWAND,Vice-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 22 JANUARI 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.K.Brandon namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.B.G.Beckles en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-20

M.H..
GENERALE ROL NO.14033

[appellant], wonende te [district] aan [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.M.R.CARRILHO, advocaat,
appellant in Kort Geding,

tegen

[geintimeerde], wonende te [district] aan [adres 2], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.U.F.TRUIDEMAN, advocaat,
geïntimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 10 juli 1997 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 22 juli 1997, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. Eiseres wenst de navolgende rechtsvordering in KORT GEDING in te stellen tegen: [appellant], wonende te [district] aan de [adres 1], gedaagde;

2. Blijkens de hierbij in fotokopie overgelegde akte de dato 20 november 1996 met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen, heeft eiseres op de VEILING gekocht: ”het recht van grondhuur – vervallende 6 november 2030 – op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 300 m², gelegen te [district] deel uitmakende van de [grond] bekend als [nummer] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter J.L.Wijdenbosch de dato 28 juni 1982 door de figuur ABCD en blijkens de in dorso gestelde aantekening van Ing.H. Kalloe de dato 6 september 1990 thans bekend als [adres 3];

3. De vorige eigenaar (gedaagde) weigert echter om het pand te verlaten, ondanks het feit dat voormeld pand krachtens artikel 1207 S.B.W. in het openbaar is verkocht en toegewezen aan eiseres. Gedaagde verblijft thans dus ZONDER ENIGE RECHT OF TITEL in het pand;

4. Eiseres heeft het pand zeer dringend van node, hetgeen door de koppige en onrechtmatige houding van gedaagde wordt belemmerd;

5. Uit de stellingen van eiseres blijkt wel, dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorziening in KORT GEDING;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in KORT GEDING tot zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:
a. gedaagde zal worden veroordeeld om binnen één week na de uitspraak in deze, het ZONDER RECHT OF TITEL door hem bewoonde pand staande en gelegen op het in grondhuur uitgegeven perceelland, groot 300 m², gelegen te [district], deel uitmakende van de [grond] bekend als [nummer], thans bekend als [adres 3], te ontruimen met medeneming van de zijnen en het zijnent en ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen, met machtiging van eiseres om de gewenste ontruiming zelf te bewerkstelligen met behulp van de STERKE ARM, indien en voor zover gedaagde in gebreke mocht blijven met de ontruiming als verzocht binnen de vast te stellen termijn;
b. gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;
Overwegende, dat ten dage voor afpleiten bepaald, de gemachtigden van partijen de zaak mondeling hebben bepleit en verklaard hebben, gelijk in het daarvan opgemaakt proces-verbaal staat gerelateerd en waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat ten dage bepaald voor uitlating zijdens gedaagde, de gemachtigde van gedaagde schriftelijke conclusie heeft genomen onder overlegging van produkties, waarvan de inhoud, evenals van de overgelegde produkties hier als ingelast dienen te worden beschouwd;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens eiseres bepaald, de gemachtigde van eiseres schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis in Kort Geding van 10 juli 1997 op de daarin opgenomen gronden:
Gedaagde heeft veroordeeld binnen Twee Maanden na deze uitspraak het pand, staande en gelegen op het perceelland, groot 300 m², gelegen te [district], deel uitmakende van de [grond] bekend als [nummer], en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter J.L.Wijdenbosch de dato 28 juni 1982 door de figuur ABCD en blijkens de in dorso gestelde aantekening van Ing.H.Kalloe de dato 6 september 1990 thans bekend als [adres 3], waarop het recht van grondhuur – vervallende 6 november 2030 – bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie de dato 18 oktober 1990, is verleend, te ontruimen en te verlaten en, met medeneming van al de zijnen en al het zijne, ter vrije en algehele beschikking van de eiseres te stellen; met machtiging op eiseres om, indien gedaagde weigeren mocht te ontruimen daartoe zelf over te gaan desnoods met behulp van de Sterke Arm;
Dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard op de minuut en op alle dagen en uren;
Gedaagde heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan eiseres haar zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op sf.4.562,– (VIERDUIZEND VIJFHONDERD TWEE EN ZESTIG GULDEN);
Het meer of anders gevorderde heeft geweigerd;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 10 juli 1997;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder CH.BALGOBIND van 20 februari 1998 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende advokaat Mr.L.H.R.Rogers namens de gemachtigde van appellant advokaat Mr.M.R.Carrilho ten dage voor repliek pleidooi peremptoir bepaald mondeling gepersisteerd bij haar stellingen, terwijl ter zelfde terechtzitting, advokaat Mr.L.H.R.Rogers voornoemd namens de gemachtigde van geintimeerde, advokaat Mr.R.U.F.Truideman eveneens mondeling heeft gepersisteerd voor dupliek pleidooi en vonnis heeft gevraagd;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 2 oktober 1998, doch na één maal te hebben aangehouden, nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het hoger beroep tijdig is ingesteld;
Overwegende, dat geen grief is aangevoerd tegen de vaststelling van de feiten in het beroepen vonnis, zodat ook in hoger beroep als vaststaand kan worden aangenomen dat geintimeerde eigenaar is van het in bedoeld vonnis nader omschreven recht van grondhuur;
Overwegende, dat uit de stellingen van partijen is op te maken dat geintimeerde dat recht in eigendom heeft verkregen door koop op een openbare veiling en door overschrijving van het proces-verbaal van veiling en toewijzing;
Overwegende, dat appellant als enige grief tegen het vonnis a quo heeft aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij de grondslag van de vordering van geintimeerde niet, althans niet gemotiveerd, heeft weersproken;
Overwegende, dat appellant verder heeft aangevoerd dat hij in eerste aanleg in zijn conclusie tot uitlating over het proces-verbaal van toewijzing uitvoerig heeft aangegeven welke onjuistheden zich hebben voorgedaan, die de vernietiging c.q. nietigheid tot gevolg hebben, voorts, dat de Kantonrechter aan vermeld verweer is voorbijgegaan;
Overwegende, dat de vordering van geintimeerde, behalve op het hierboven vermeld vaststaand feit, kort gezegd, is gebaseerd op de stelling dat appellant zonder recht of titel in het betreffende pand zit;
Overwegende, dat appellant in zijn hoger vermelde conclusie tot uitlating heeft aangevoerd dat zaken niet op de juiste wijze zijn afgehandeld en hij derhalve doende was in een bodemgeschil een vordering in te dienen tot vernietiging van het proces-verbaal van toewijzing op de openbare verkoop;
Overwegende, dat appellant ter staving daarvan heeft aangevoerd dat in de schuldbekentenis d.d. 19 maart 1996 vermeld staat dat de geleende som Nf.8.000,– bedraagt, terwijl in de akte van geldleen met hypotheekstelling d.d. 19 maart 1996 als hoofdsom vermeld staat Nf.12.800,– en in het exploit d.d. 2 oktober 1996 Nf.12.000,–;
Overwegende, dat nu appellant niet heeft aangegeven op welke ”zaken” hij het oog had en ook niet heeft vermeld wat er aan de afhandeling van die ”zaken” schortte noch waarom die misslag(en) grond voor vernietiging of nietigverklaring van het proces-verbaal van toewijzing zouden moeten leiden en dit alles ook niet bleek uit het feit dat in de genoemde stukken verschillende bedragen werden genoemd, de Kantonrechter terecht tot het oordeel is gekomen dat de grondslag van de vordering niet gemotiveerd was betwist;
Overwegende, dat de grief derhalve faalt en het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd, met de verwijzing van appellant in de proceskosten als de in het ongelijk gestelde partij;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 10 juli 1997 uitgesproken vonnis, waarvan beroep;
Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f….
Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f…..
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f.

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 8 januari 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.L.H.R.Rogers namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.M.R.Carrilho en geïntimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.Baldew namens haar gemachtigde, advokaat Mr.R.U.F.Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-19

H.M
GENERALE ROL NO.13975.

A. [appellant sub A], wonende aan [adres 1], te [district],
B. De Stichting Kepamoko, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de New Delhistraat no.10 te Paramaribo, door wie tot hun beider gemachtigden zijn gesteld de advokaten Mr.E.C.M.HOOPLOT en Mr.R.W van RITTER, zijnde laatstgenoemde thans vervangen door advokaat Mr.G.GANGARAM PANDAY,
appellanten,

tegen

1. [geïntimeerde sub 1] en
2. [geïntimeerde sub 2], respectievelijk wonende aan [adres 2] en [adres 3] te [district], door wie tot hun beider gemachtigden zijn gesteld, Mr.J.KRAAG en Mr.H.P.BOLDEWIJN, advokaten,
geintimeerden,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 16 oktober 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, partijen in persoon, appellanten tevens bijgestaan door advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.G.Gangaram Panday en geintimeerden bijgestaan door Mr.H.P.Boldewijn ook namens advokaat Mr.J.Kraag, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat, naar blijkt uit hun verklaringen, afgelegd bij de inlichtingencomparitie, bevolen bij tussenvonnis van 6 oktober 1998, partijen hebben volhard bij hun stellingen, wordende de inhoud van het opgemaakt proces-verbaal dd. 13 november 1998, als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd aangemerkt;
Overwegende, dat geintimeerden onderdeel I van hun vordering strekkende tot vernietiging c.q. nietigverklaring van de overeenkomst van verkoop en koop dd. 12 januari 1993 en de daarop gevolgde levering van het perceelland, naar uit het verzoekschrift blijkt, hebben willen baseren op artikel 1362 BW( de z.g. actio Pauliana);
Overwegende, dat het Hof onderdeel I van gemelde vordering danook zo zou opvatten als één ex artikel 1362 BW indien de vereiste omstandigheden, nodig voor het met vrucht een beroep kunnen doen op de z.g. actio Pauliana, door geintimeerden in acht zouden zijn genomen;
Overwegende, dat één der omstandigheden die in casu in acht genomen had moeten worden is: benadeling van schuldeisers;
Overwegende, dat benadeling van schuldeisers blijkens de doctrine plaats heeft, indien door de handeling van de schuldenaar zijn vermogen ontoereikend wordt om alle schuldeisers te betalen, of indien een reeds onvoldoende mogelijkheid tot verhaal nog wordt verkleind;
Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat geintimeerden, met betrekking tot voormelde omstandigheid niet aan hun stelplicht hebben voldaan m.n. niet aan de
stelplicht, dat zij zijn benadeeld omdat zij niet hebben gesteld dat gedaagde sub B het in het tweede ”dat’ van het verzoekschrift omschreven onroerend goed juridisch geleverd heeft aan appellante alsgevolg waarvan het vermogen van gedaagde sub B ontoereikend was geworden haar schuldeisers te voldoen of dat de reeds onvoldoende verhaalsmogelijkheden van gedaagde sub B kleiner waren geworden;
Overwegende, dat geintimeerden in onderdeel I van hun vordering strekkende tot vernietiging c.q. nietigverklaring van de overeenkomst van verkoop en koop dd. 12 januari 1993, danook niet ontvankelijk zijn, hebbende zij immers niet voldoende aan hun stelplicht voldaan;
Overwegende, dat nu onderdeel I van de vordering van geintimeerden niet zal worden toegewezen en onderdeel II daarvan als een sequeel van onderdeel I hetzelfde lot zal ondergaan, dient onderdeel II van de vordering strekkende tot veroordeling van gedaagde sub B binnen een maand na betekening van het te wijzen vonnis mee te werken aan de levering van het in het 2e ”dat” van het verzoekschrift vermeld perceelland vrij van beslagen en hypotheken aan geintimeerden tegen het in ontvangst nemen van de saldokoopsom groot Sf.1.500.000,– eveneens met een niet-ontvankelijkheid te worden begroet;
Overwegende, dat gedaagde sub B, naar als onweersproken tussen partijen rechtens vaststaat, geheel in strijd met haar contractuele verplichting niet aan geintimeerden, doch aan appellant het in het 2e ”dat” van het verzoekschrift omschreven onroerend goed juridisch heeft geleverd en zich jegens geintimeerden aan wanprestatie heeft schuldig gemaakt en zij op grond daarvan ingevolge artikel 6 van de overeenkomst d.d. 24 december 1992 de boete ten bedrage van Sf.300.000,– aan geintimeerden verbeurt, hebbende geintimeerden haar terecht van gedaagde sub B gevorderd en dient zij hen alsnog te worden toegewezen;
Overwegende, dat het vonnis waarvan beroep derhalve niet in stand kan blijven en vernietigd zal worden waarbij gedaagde sub B alsnog zal worden veroordeeld tot betaling aan geintimeerden van het bedrag van Sf.300.000,–;
Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 21 april 1995 gewezen en uitgesproken waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Veroordeelt gedaagde sub B om aan geintimeerden tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van Sf.300.000,–;
Verklaart geintimeerden niet ontvankelijk in het tegen gedaagde sub B meer of anders gevorderde;
Verklaart geintimeerden niet ontvankelijk in hun mede tegen appellante ingestelde vordering;
Veroordeelt geintimeerden in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van appellante gevallen en begroot op Sf.5.210,–;
Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf.1500,–;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geintimeerden eveneens op Sf.1500,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.A.I.RAMNEWASH, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare
terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 8 januari 1999, in tegenwoordigheid van Mr. M.E. VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.
w.g.J.R.VON NIESEWAND w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advokaat Mr.M.G.VOS namens hun gemachtigden, advokaten Mr.E.C.M.
Hooplot en Mr.G.GANGARAM PANDAY en geintimeerden vertegenwoordigd door advokaat Mr.A.R.BAARH namens hun gemachtigden, Mr.J.KRAAG en Mr.H.P.Boldewijn, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-18

H.M.
GENERALE ROL NO. 13956.

[appellant], wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat, appellant,
tegen

POSTBANK N.V., rechtspersoon naar Nederlands recht, gevestigd te Amsterdam, Nederland, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Costerstraat no 27 bij het Advokatenkantoor BLUFPAND, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.J.BLUFPAND, advokaat,
geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoire beschikking van 6 maart 1998 tussen partijen gegeven en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormelde beschikking werd overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat de door het Hof bevolen comparitie van partijen niet is gehouden;
Overwegende, dat ten dage voor conclusie na niet gehouden comparitie van partijen peremptoir bepaald, de gemachtigde van appellant een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen – onder overlegging van produkties;

Overwegende, dat advokaat Mr.R.J.Blufpand zich terstond heeft uitgelaten over de overgelegde produkties, onder opmerking:
– dat het hier om een oud stuk gaat;
– dat er ingehouden is NF.22.881,–;
– dat de brief een overzicht geeft van W.A.O. uitkering en betaling aan derden f.1291,–;
– maandelijks wordt er een bedrag van f.687,73 ingehouden;
Het hierbij behorende stuk is juist;

Overwegende, dat advokaat Mr.R.J.Blufpand hierna heeft gepersisteerd en beschikking gevraagd;

Overwegende, dat het Hof beschikking in de zaak aanvankelijk had bepaald op 16 oktober 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat nu ingevolge artikel 410 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tegen de beslissing van de Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton d.d. 19 maart 1997, waarbij op het verzoek van geintimeerde is bevolen, dat het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 450 m² gelegen te [district] aangeduid op de kaart van de landmeter A.E.Calor d.d. 27 april 1966, met de letters ABCD en op diens verzamelkaart d.d. 25 april 1966 aangeduid met het [nummer], deel uitmakende van [plantage], in het openbaar zal worden verkocht ten overstaan van de te Paramaribo residerende notaris L.D. Hira Sing, op een door deze vast te stellen dag en uur en volgens de plaatselijke gebruiken, niet enige voorziening is toegelaten, dient appellant, alsnog in zijn tegen voormelde beslissing ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk te worden verklaard en de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geinti-meerde gevallen te dragen;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:
Verklaart appellant alsnog niet ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton op 19 maart 1997 gegeven;
Veroordeelt hem in de kosten aan de zijde van geintimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op Sf…..;

Aldus gegeven door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Vice-President, Mr.E.S.Ombre en Mr.P.G.Wolff, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 8 januari 1999 in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat, Mr.R.BALDEW namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN en geintimeerde vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.J.BLUFPAND, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1998-22

PRO JUSTITIA IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

VONNIS 1998 No.19

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in af­schrift overgelegd vonnis, door de Kantonrechter in het Derde Kanton op 26 januari 1996 gewezen en uitgesproken tegen:

[verdachte];

oud 34 jaar;

zonder beroep;

geboren te [geboorteplaats];

wonen­de aan [adres] in [district], verdach­te;

Gelet op het tijdig door de verdachte en de Ver­vol­gings­ambtenaar ingestelde hoger beroep;

Gehoord de verdachte in haar verdediging, daarin bijge­staan door haar raadsman, Mr. G. GANGARAM PANDAY, advokaat bij Hof van Justitie;

Gehoord de getuige in zijn beëdigde of op belofte afge­legde verklaring;

Gehoord het Openbaar Ministerie;

Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte bij de inleidende akte van dagvaarding zijn te laste gelegd, de feiten zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding, welke akte van dag­vaarding als hier geïnsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis door de daarin vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewe­zen heeft verklaard, dat verdach­te het haar bij inlei­dende akte van dagvaarding sub II te laste gelegde heeft be­gaan, zoals in voormeld vonnis is weer­gegeven;

met vrijspraak van het meer of anders telaste geleg­de;

Overwegende, dat de Kantonrechter de bewezen ver­klaarde feiten heeft gekwalificeerd als:

1. VALSHEID IN GESCHRIFTE; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 278 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht en de ver­dach­te te dier zake heeft veroordeeld tot gevange­nis­straf voor de tijd van TWAALF MAANDEN, met het bevel dat een gedeelte van tien maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de Kantonrechter later anders mocht gelasten op gornd van het feit dat veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 3 jaren bepaalde proeftijd schuldig heeft gemaakt of gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen, danwel zich niet houdt aan de hierbij opgelegde bijzondere voorwaar­de­ om het saldobedrag binnen een jaar na deze uitspraak terug te betalen aan de benadeelde [coöperatie], met bepa­ling dat de tijd door de veroor­deelde voor de tenuit­voer­leg­ging van deze uit­spraak van 22 november 1995 af, voor­lopig in verzeker­de bewa­ring doorgebracht, bij de uitvoe­ring van de hem opge­legde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, met bevel tot onmiddellijke invrijheid­stelling van de verdachte;

Overwegende, dat het Hof zich niet kan verenigen met het vonnis a quo, weshalve dit moet worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOEN­DE :

Overwegende, dat het Hof overneemt de bewijsmiddelen in eerste aanleg door de Kantonrechter in diens beroepen vonnis gebezigd, vermits deze niet aan nietigheid lijden;

Overwegende, dat die bewijsmiddelen dienen te worden aangevuld met:

1. de verklaring van [getuige] in hoger beroep afgelegd, zakelijk weergegeven :

dat hij nog steeds voorzitter is van de spaar- en krediet [coöperatie], welke gevestigd is te [plaats] in [district];

dat hij [verdachte] kent, vanwege het feit dat zij ongeveer tien jaren als administra­tieve kracht in de voornoemde cooperatie heeft gewerkt;

dat het in 1984 of 1985 moet zijn geweest dat zij in dienst trad en in oktober 1995 met ontslag ging;

dat zij in het laatste jaar 1995 ( voor haar diensttuit­treding ) naast de administratieve werkzaamheden ook belast werd met beheren van de kas, hetgeen onder andere in­hield het verstrek­ken van lenin­gen, deposito’s, stortingen, etc.

dat op een gegeven moment het bestuur van de cooperatie een commissie van toezicht heeft benoemd om controle uit te oefenen;

dat tijdens de controle werkzaamheden van voornoemde commissie, zij, leden van het bestuur, een brief van [verdachte] gedateerd van 19 oktober 1995 kregen, waarin ze te kennen gaf dat ze met ontslag zou gaan en dat ze ook voor de financiele tekortkomingen zou instaan;

dat deze brief de aanleiding was voor een intensief onderzoek;

dat de boekingen, bonnen en kwitanties gecontroleerd werden en er bleek toen een kastekort te zijn over een periode van 1994 / 1995.

dat er kwitanties op naam van [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3] zijn uitgeschreven;

dat wij leden van het bestuur genoemde personen hebben geconfronteerd met die kwitanties en zij hebben toen ken­baar ge­maakt niets van zulke trans­ac­ties af te weten;

dat voornoemde personen ook hebben ontkend hun handteke­ningen op voornoemde kwitanties te hebben ge­plaatst.

dat hij de kwitanties die hem getoond werden positief heeft herkend;

dat het in deze gaat om de kwitanties ten name van [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3] met de nummers 20, 21, 22 t/m 25 en 26 t/m 34;

dat het bestuur frauduleuze handelingen van [verdachte] heeft geconstateerd;

dat de leden van het bestuur [verdachte] hebben geconfron­teerd met de voornoemde kwitanties;

dat zij wel toegaf foutieve boekingen te hebben gepleegd en was ze bereid voor de financiele tekortkomingen in te staan;

dat zij per brief van 26 oktober 1995 uitstel van beta­ling van een week heeft gevraagd;

dat zij per brief van 3 november wederom voor een week uitstel van betaling; gevraagd ten aanzien van de beta­ling en dat ze hierna te kennen heeft gegeven niet meer te kunnen betalen;

dat hij inderdaad op 21 november 1995 aangifte heeft gedaan bij de politie tegen [verdachte] vanwege verduistering;

2. [verdachte] :

dat zij in 1984 of in 1985 in dienst is getreden van de spaar en krediet [coöperatie], welke gevestigd is te [plaats] in [district].

dat zij in het jaar 1985 tot en met oktober 1995 heeft gewerkt heeft als administratieve kracht bij voornoemde coop­eratie;

dat zij in het laatste jaar 1994 of 1995 naast de admi­nistratie tevens belast werd met het beheren van de kas, hetgeen onder andere inhield het ontvangen van geldbedragen en het uitbetalen van geldsbedragen aan de leden;

dat zij kwitanties uitschreef voor degenen die gelden kwamen lenen van de cooperatie en bonnen uitschreef voor degenen die gelden kwamen storten voor andere deposito’s;

dat de cooperatie ongeveer 117 leden telde;

dat zij niet exact kan aangeven hoeveel leden per week of per maand geld kwamen lenen of storten;

dat zij op een gegeven moment ontdekte dat de balans niet klopte;

dat er een tekort aan gelden was in de kas;

dat ze geprobeerd heeft te achterhalen hoe het kastekort is ontstaan doch daarin niet is geslaagd;

dat ze sinds februari 1995 tot ongeveer oktober 1995 het tekort begon te ontdekken;

dat ze het tekort niet in een keer heeft ontdekt, maar verschillende keren in bovengenoemde periode;

dat ze toen uit wanhoop kwitanties op verschillende tijdstippen heeft uitgeschreven op naam van anderen te weten:

[persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3] tenein­de het kaste­kort op te heffen;

dat zij de kwitanties met de nummers 20, 21, 22 t/m 25, 26 t/m 34 die haar geconfronteerd werden valselijk heeft opge­maakt;

dat zij toegeeft valselijk te hebben opgemaakt:

a) ten name van [persoon 3]:

kwitantie nr. 21, d.d. 18 – 10 – 1995, bedrag van Sf200.000,-

b) ten name van [persoon 2]:

kwitantie nr. 22, d.d. 19 – 10 – 1995, bedrag van Sf200.000,-

kwitantie nr. 23, d.d. 14 – 2 – 1995, bedrag van Sf30.500,-

kwitantie nr. 24, d.d. 4 – 5 – 1995, bedrag van Sf 70.000,-

kwitantie nr. 25, d.d. 7 – 4 – 1995, bedrag van Sf30.000,-

c) ten name van [persoon 1]:

kwitantie nr. 26, d.d. 7 – 4 – 1994, bedrag van Sf 50.000,-

kwitantie nr. 27, d.d. 14-2-1995, bedrag van Sf10.000,-

kwitantie nr. 28, d.d. 22-2-1995, bedrag van Sf13.000,-

kwitantie nr. 29, d.d. 11-1-1995, bedrag van Sf20.000,-

kwitantie nr. 30, d.d. 8-3-1995, bedrag van Sf20.000,-

kwitantie nr. 31, d.d. 3-6-1995, bedrag van Sf60.000,-

kwitantie nr. 32, d.d. 21-6-1995, bedrag van Sf60.000,-

kwitantie nr. 33, d.d. 14-8-1995, bedrag van Sf80.000,-

kwitantie nr. 34, d.d. 22-9-1995, bedrag van Sf90.000,-

d) kwitantie nr. 20, op naam van een onbekende, d.d. 19-10-1995, bedrag van Sf 100.000,-

dat het telkens gedeeltelijk voorbe­drukte kwitan­ties van de Spaar en Krediet [coöperatie] be­treft;

dat zij op voormelde kwitan­ties onder andere de naam van de coopera­tie heeft be­schreven als degene van wie het op de betreffende kwitantie vermelde bedrag was ontvangen;

dat zij verder telkens die hiervoor genoemde bedragen, in cij­fers en letters, op de kwitantie heeft beschreven, alsmede de betreffende datum en telkens een handtekening heeft gesteld als was het de handtekening van een van de genoemde personen;

Overwegende, dat het Hof op grond van de inhoud van voorschre­ven bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen

acht, het­geen de verdachte bij dagvaarding sub 11 is te laste gelegd, te weten dat zij:

1. op verschillende tijdstippen in het jaar 1995, in Suriname, opzet­telijk meerdere kwitanties, zijnde deze kwitanties ge­schriften die bestemd waren om tot bewijs te dienen van meer- dere uitbetalingen, opzettelijk valselijk heeft opge­maakt met het oogmerk om voormelde valselijk opgemaakte kwitanties als echt en onvervalst te gebruiken, uit welk gebruik enig nadeel kon ontstaan,

hebbende [verdachte] voornoemd immers op vermelde tijden en plaats opzettelijk valselijk meerdere kwitanties van de Spaar-en Krediet [coöperatie] van een fictie­ve hand­te­ke­ning voorzien,

al zulks met het oogmerk om voormelde kwitan­ties, al­thans die geschriften, als echt en onvervalst te gebruiken uit welk ge­bruik enig nadeel kon ontstaan.

Overwegende, dat de te laste van verdachte bewezen geach­te feit moet worden gekwalificeerd als:

1. VALSHEID IN GESCHRIFTE meermalen gepleegd voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 278 lid 1 juncto artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht;

Overwegende, dat de verdachte deswege strafbaar is zijnde van geen grond tot uitsluiting of opheffing der straf­baarheid gebleken;

Overwegende, dat het Hof de navolgende straf in over­eenstemming acht met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte;

Gezien behalve vorenaangehaalde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 11, 38, 44, en 127 van het Wetboek van Straf­recht;

Overwegende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub I is te

laste gelegd en hetgeen haar bij dagvaarding sub II meer of

anders is te laste gelegd dan bewezen is verklaard, weshalve

zij daarvan behoort te worden vrijgespro­ken;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis van 26 januari 1996 door de Kan­ton­rechter in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken tegen [verdachte] waarvan beroep;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen hetgeen hiervoren bewezen is geacht;

Kwalificeert het bewezen verklaarde feit als voormeld;

Verklaart het bewezen verklaarde feit en de verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt haar te dier zake tot :

een gevan­genisstraf voor de tijd van TWAALF MAANDEN.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte van tien maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij het Hof later anders mocht gelasten op grond van het feit dat veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op DRIE JAREN (3) bepaalde proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen;

Bepaalt dat de tijd door de veroor­deelde voor de tenuit­voer­leg­ging van deze uitspraak van 22 november 1995 af, voor­lopig in verzeker­de bewaring doorge­bracht, bij de uitvoe­ring van de haar opge­legde gevange­nisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub I is te laste gelegd en hetgeen haar bij dagvaarding sub II meer of anders is te las­te gelegd dan bewezen is verklaard;

SPREEKT HAAR DAARVAN VRIJ;

Aldus de heren: Mr.E.S. OMBRE, fungerend-Pres.

Mr.A.I. RAMNEWASH en

Mr.K. PULTOO, leden

UITSPRAAK: WOENSDAG 23 DECEMBER 1998

(mej.Mr.A.Jangbahadoer Singh, fungerend – Griffier)

SRU-HvJ-2004-1

Hof van Justitie

01 november 2004

(mrs. A.C. Veldema, A.A. Hermelijn, M.G. de Miranda)

Beschikking inzake beroep ex artikel 376 van het Wetboek van Strafvordering.

Gelezen het beroepschrift ingediend op 2 september 2004 door mr. G.R. Sewcharan, advocaat bij het Hof van Justitie, gemachtigde van de appellante [naam] waarin het verzoek wordt gedaan om de beslissing van de Rechter Commissaris d.d. 31 augustus 2004 te vernietigen en de onmiddellijke invrijheidstelling van de appellante te bevelen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. 22 oktober 2004, waarbij de behandeling van het beroepschrift is bepaald voor donderdag, 28 oktober 2004 des voormiddags te 11.00 uur, waarbij tevens de oproeping van de appellante is bevolen;

Gehoord in Raadkamer, de appellante/ bijgestaan door haar gemachtigde, mr. G.R. Sewcharan, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord, mr.R.P.Baidjnath Panday, Advocaat-Generaal namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het procesdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het beroepschrift in Raadkamer op donderdag, 28 oktober 2004;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellante een toelichting heeft gegeven op het beroepschrift en tevens heeft verzocht, dat te mogen aanvullen met het verzoek het bevel van gevangenhouding van de Kantonrechter nietig te verklaren;

Overwegende, dat het Hof voormeld verzoek heeft afgewezen;

Overwegende, dat de Advokaat-Generaal tijdens het verhoor heeft gevorderd, dat het gedane verzoek wordt afgewezen, op grond van feiten, door hem alstoen aangehaald, welke feiten in het proces-verbaal voornoemd zijn gerelateerd; de inhoud daarvan wordt hier als geïnsereerd aangemerkt;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat zoals in het beroepschrift is gesteld, de verlenging van de bewaring niet tijdig heeft plaatsgehad, zodat het daarna gevolgde bevel tot verlenging van de bewaring onjuist is, weshalve het Hof het gedane verzoek zal toewijzen;

Gezien de betrekkelijke artikelen van het Wetboek van Strafvordering;

beschikkende:

Staat het gedane verzoek toe:

Heft op het bevel van bewaring van de appellante, [naam], gegeven op 31 augustus 2004 door de Rechter Commissaris;

Gelast diens onmiddellijke invrijheidstelling.

SRU-HvJ-1990-4

Hof van Justitie
10 augustus 1990, G.R. 12885
(Mrs. S. Gangaram Panday, E.S. Ombre, A.I. Ramnewash)

[appellant], handelende onder de naam [bedrijf], wonende aan [adres 1] in [district], advocaat mr. R.H. Komproe, appellant,

tegen

[geïntimeerde], wonende in [gebied 1] in [district] , advocaat mr. G. Gangaram-Panday, geïntimeerde.

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1 het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton, van 14 december 1987 tussen partijen gewezen;
2 het proces-verbaal van de Griffier van het Derde Kanton van 11 januari 1988, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Derde Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1 dat eiser hierbij de navolgende vordering wenst in te stellen tegen [appellant], handelende onder de naam [bedrijf], wonende aan [adres 1] in [district];
2 dat gedaagde onder andere het beroep van padie opkoper uitoefent in [district];
3 dat eiser in de maand april 1987 aan de gedaagde heeft verkocht, gelijk gedaagde van de eiser heeft gekocht de gehele partij padie gelegen op de landbouw percelen in [gebied 2] in [district], groot in totaal ongeveer 16 ha;
4 dat tussen partijen was afgesproken dat eiser voormelde padie zelf zou oogsten waarna gedaagde deze van eiser ter plaatse zou kopen tegen de prijs van Sf. 19,50 per zak padie van 80 kg;
5 dat eiser conform de afspraak met de gedaagde de gehele partij padie had afgeoogst doch dat gedaagde slechts 408 zakken padie heeft afgehaald terwijl hij geweigerd heeft de resterende partij van 340 zakken padie af te halen, ondanks herhaalde en dringende aanmaningen in der minne van eiser;
6 dat gedaagde zich derhalve jegens eiser heeft schuldig gemaakt aan wanprestatie tengevolge waarvan eiser schade heeft geleden, welke schade Sf. 5.801,25 bedraagt hetgeen moge blijken uit de hierbij in fotokopie overgelegde rapport van het Ministerie van L.V.V.;
7 dat gedaagde gehouden is de geleden schade aan de eiser te vergoeden;
8 dat gedaagde voorts geweigerd heeft aan de eiser de koopsom van de reeds ontvangen partij padie van 408 zakken, zijnde een bedrag van Sf. 6.961,50 te betalen;
9 dat eiser derhalve van gedaagde in totaal te vorderen heeft Sf. 5.801,25 + Sf. 6.961,50 zijnde een bedrag van Sf. 12.762,75;
10 dat gedaagde ondanks herhaalde en dringende aanmaningen in der minne geweigerd heeft voormeld bedrag aan eiser te betalen, waardoor eiser thans gerechtigd is dit bedrag in rechte van de gedaagde te vorderen;
11 dat eiser na daartoe bekomen verlof van de Rechter bij exploit van deurwaarder M. Sitaram d.d. 26 juni 1987 conservatoir derden beslag onder de Surinaamsche Bank, de Hakrinbank en de Landbouwbank N.V. heeft doen leggen en dat deze beslagen thans van waarde verklaard dienen te worden;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat gedaagde bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep, zal worden veroordeeld om terzake voorschreven tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen een bedrag van Sf. 12.762,75 vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% ‘s jaars vanaf de dag der rechtsingang tot de algehele voldoening alsmede de proceskosten en met van waarde verklaring van het ten deze gelegde beslagen, kosten rechtens;

Overwegende, dat ten dage voor antwoord peremptoir bepaald, geen conclusie is genomen, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 14 december 1987 op de daarin opgenomen gronden:
eisers vordering heeft toegewezen;
gedaagde heeft veroordeeld aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van Sf. 12.762,75 (twaalfduizend zevenhonderd twee en zestig 75/100 gulden) met de wettelijke interessen hierover ad 6% per jaar vanaf 2 juli 1987 tot aan die der algehele voldoening;
dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard,
voorts van waarde heeft verklaard de bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, M. Sitaram, de dato 26 juni 1987 no. 310, gelegde conservatoir derden beslagen;
gedaagde heeft verwezen in kosten van dit proces, waaronder begrepen die der beslagleggingen, aan eisers zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 235,– (tweehonderd vijf en dertig gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 14 december 1987;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder G.O. Niekoop van 29 februari 1988 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat appellant tijdig in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen door de Kantonrechter in het Derde Kanton op 14 december 1987 gewezen en uitgesproken vonnis;

Overwegende, dat uit de gedingstukken uit de eerste aanleg blijkt, dat de appellant aldaar, ook na super peremptoir stelling, geen verweer tegen de vordering van geïntimeerde heeft gevoerd en de eerste rechter die dan ook terecht, met rente en kosten, als onweersproken heeft toegewezen;

Overwegende, dat het vaste rechtspraak van het Hof is, dat indien in eerste aanleg geen verweer is gevoerd – hetgeen hier het geval is – in hoger beroep dat verweer slechts bij memorie van grieven kan en mag worden aangedragen en nu dit in casu door de appellant nagelaten is, het Hof geen acht zal slaan op dat verweer, omdat dat bij pleidooi naar voren is gebracht;

Overwegende, dat de geïntimeerde bij antwoord-pleidooi zijn vordering op de appellant heeft verminderd tot het bedrag van Sf. 3.961,50 (drieduizend negenhonderd een en zestig 50/100 gulden), hetgeen met zich mede brengt dat het vonnis van de eerste rechter zal worden vernietigd en voorts recht zal worden gedaan als na te melden, met veroordeling overigens van de appellant in de kosten van het geding in beide instanties, aan de zijde van de geïntimeerde gevallen, omdat niet het door hem ingesteld appèl de aanleiding is van de vernietiging van het voormeld vonnis;

Rechtdoende in hoger beroep
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken op 14 december 1987, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende
Veroordeelt de appellant om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de geïntimeerde te betalen de som van Sf. 3.961,50 (drieduizend negenhonderd een en zestig 50/100 gulden) met de wettelijke interessen hierover ad 6% per jaar vanaf 2 juli 1987 tot aan de dag der algehele voldoening;

Verklaart van waarde de exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, M. Sitaram, d.d. 26 juni 1987 no. 310, gelegde conservatoire derden beslagen;

Veroordeelt appellant in de kosten van het geding in beide instanties, waaronder begrepen die der beslagleggingen, aan de zijde van geïntimeerde gevallen;
in eerste aanleg begroot op Sf. 235,–;
in hoger beroep begroot op Sf. Nihil;

SRU-HvJ-2017-32

G.R. no. 15241

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING in de zaak van:

1. [verzoeker 1]

wonende aan de [adres 1] in het district [district 1],

2. [verzoeker 2]

wonende aan de [adres 2] in het district [district 2],

verzoekers,

gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

tegen

[verweerster],

wonende aan de [adres 3] in het district [district 1],

verweerster,

gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Gezien het verzoekschrift met producties, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 12 juni 2017, afkomstig van verzoekers, welk verzoekschrift strekt tot verval van instantie in de hoger beroepszaak van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis d.d. 18 maart 2014 (A.R. no. 07-4876) tussen verweerster als eiseres en verzoekers als gedaagden;

Gezien het bestreden vonnis d.d. 18 maart 2014 in de zaak bekend onder A.R. no. 07-4876 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

Gezien het proces-verbaal van het verhoor in raadkamer d.d. 20 oktober 2017;

Gezien de overige zich in het procesdossier bevindende bescheiden;

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Verzoekers vorderen om bij vonnis (het hof begrijpt: bij beschikking) het door verweerster aanhangig gemaakte appel in de zaak tussen partijen, bekend onder A.R. no. 07-4876, vervallen te verklaren van instantie.

Verzoekers hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat verweerster, na het aantekenen van appel tegen het vonnis van 18 maart 2014 in bovenvermelde zaak, is blijven stilzitten en dat op geen enkele wijze is gebleken dat zij enige actie heeft ondernomen om het ingestelde appel te doen behandelen;

Van de bij het op 20 oktober 2017 gehouden verhoor in raadkamer door de gemachtigde van verzoekers gegeven mondelinge toelichting op het verzoekschrift, het verweer van de gemachtigde van verweerster, alsmede van de zienswijze van verzoekers en de mondeling gevolmachtigde van verweerster is door de griffier proces-verbaal opgemaakt;

De gemachtigde van verweerster heeft als verweer aangevoerd dat:

1. verzoekers nergens in het verzoekschrift hebben aangegeven op grond waarvan de onderhavige vordering is ingesteld. Verzoekers hadden in het verzoekschrift moeten aangeven op grond van welk wetsartikel verweerster in gebreke is gebleven;

2. verweerster geen verdere stappen kon ondernemen, aangezien zij de stukken benodigd voor de aanzegging van het appel aan verzoekers niet van het kantongerecht heeft ontvangen;

Het hof overweegt ten aanzien van het eerste onderdeel van het verweer dat verzoekers de onderhavige vordering blijkens de aanhef van het verzoekschrift hebben gestoeld op artikel 208 e.v. van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Volgens artikel 208 Rv vervalt alle instantie, indien de zaak binnen drie jaren tijds niet is voortgezet. Uit hetgeen verzoekers aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd bezien in relatie tot het bepaalde in artikel 208 Rv, verstaat het hof de grondslag van de vordering van verzoekers aldus dat verweerster na het aantekenen van appel is blijven stilzitten, waardoor de zaak in hoger beroep binnen drie jaren niet is voortgezet. Gelet op het voorgaande zal dit onderdeel van het verweer worden verworpen;

Naar het oordeel van het hof is het tweede onderdeel van het verweer gegrond. Het hof overweegt dat de wetgever met artikel 208 Rv e.v. heeft beoogd de wederpartij van de partij die nalaat (verdere) proceshandelingen te verrichten de mogelijkheid te geven de zaak te doen beëindigen wegens onredelijke vertraging. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat verweerster na het aantekenen van appel heeft nagelaten verdere proceshandelingen te verrichten. Immers, overweegt het hof, staat als door verzoekers niet weersproken tussen partijen vast dat verweerster geen verdere proceshandelingen heeft kunnen verrichten, omdat zij de stukken (het hof begrijpt: het proces-verbaal van de appelaantekening) benodigd voor de aanzegging van het appel aan verzoekers niet van het kantongerecht heeft ontvangen. Het hof komt derhalve tot de slotsom dat de vertraging, die naar zijn oordeel te wijten is aan het nalaten van het kantongerecht om voormeld proces-verbaal aan verweerster te verstrekken, niet voor rekening van verweerster dient te komen.

Het hof is zich er terdege van bewust dat de zaak niet ten eeuwige dage kan blijven voortsudderen. Het heeft derhalve ambtshalve een onderzoek ingesteld, uit welk onderzoek aan de ene kant weliswaar is gebleken dat het kantongerecht het proces-verbaal van de appelaantekening in de zaak tussen partijen, bekend onder A.R. no. 07-4876, nog niet heeft opgemaakt, doch aan de andere kant dat zulks ten spoedigste zal geschieden waarna voormeld proces-verbaal aan verweerster zal worden verstrekt teneinde de appelaanzegging aan verzoekers mogelijk te maken. In het verlengde hiervan maakt het hof van de gelegenheid gebruik om een beroep op verweerster te doen om met enige voortvarendheid aan de verdere formaliteiten te voldoen, zodat de behandeling van de zaak in hoger beroep zonder onnodig nader oponthoud kan plaatsvinden.

Gelet op al het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat het gevorderde dient te worden afgewezen en zullen verzoekers, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding worden veroordeeld aan de zijde van verweerster gevallen en zoals nader te begroten in het dictum;

BESCHIKKENDE:

Wijst af het gevorderde;

Veroordeelt verzoekers in de gedingkosten aan de zijde van verweerster gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gegeven door: mr. A. Charan, fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, lid, en mr. S.J.S. Bradley, lid-plaatsvervanger, op heden 17 november 2017 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Ombre, fungerend-griffier.

SRU-HvJ-1990-2

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 17 augustus 1990
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en F.F.P. Truideman)

[verzoeker], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende aldaar aan de Watermolenstraat no. 36 beneden, ten kantore van de advokaten Mr. E.C.M. HOOPLOT en Mr. J.G. BOETIUS, verzoeker,
tegen
DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, advokaat Mr. H. MUNGRA, verweerder.

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:
1. Dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen: DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3.
2. Dat verzoeker belast is geweest met de waarneming van de functie van consul-generaal in Frans-Guyana, met alle aan deze functie verbonden vergoedingen en emolumenten welke aan verzoeker werden vergoed in de valuta van het land waarin verzoeker te werk gesteld was, althans in vreemde valuta.
3. Dat verzoeker tijdens zijn detachering in Frans-Guyana niet in de mogelijkheid heeft verkeerd zijn verlof op te nemen, zulks vanwege de bijzondere verantwoordelijkheden die op hem rustte en de intensiteit zijner activiteiten alsgevolg van de oorlogssituatie in het oosten des lands.
4. Dat verzoeker onder de aandacht van zijn minister heeft gebracht dat hij aanspraak maakte op gecumuleerd verlof, doch dat de werkzaamheden niet toelieten dat hij dit vooralsnog opnam. De behoefte om dit onder de aandacht van de Minister te brengen heeft zich bij verzoeker opgedrongen toen hij na de bestuurswisseling des lands – de indruk kreeg dat er (politieke) krachten werkzaam waren die om zijn overplaatsing riepen.
5. Dat verzoeker hiermede heeft beoogd om door de Minister in de gelegenheld te worden gesteld zijn verlof op te nemen nog vóór beëindiging van zijn detachering zodat hij evenals zijn collegae in staat zou zijn tijdens zijn verlofperiode zijn salaris cum annexis in de gebruikelijke vreemde valuta uitgekeerd te krijgen, zulks mede vanwege de door hem in het vreemd land aangegane valuta verplichtingen.
6. Dat de Minister van Buitenlandse Zaken de argumentatie van verzoeker had begrepen en ook kon billijken, weshalve hij het verzoek van verzoeker heeft geaccordeerd in aanwezigheid van de direkteur van het Ministerie.
Voor de goede orde heeft verzoeker het gesprek met de minister bevestigd aan de direkteur, die immers belast is met de uitvoering van dit besluit, een en ander bij schrijven d.d. 19 mei 1989, waarvan bijgaand afschrift wordt overgelegd, met verzoek de inhoud als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.
7. Dat verzoeker met deze toezegging van de Minister erop mocht vertrouwen dat hij tijdig vóór het voornemen hem te muteren daarvan op de hoogte zou worden gesteld, teneinde zijn verlof als beoogd en door de minister begrepen op te nemen, althans dat hem tijdig zou worden aangezegd zijn verlof op te nemen.
8. Dat verzoeker vooruitlopend op de mogelijkheid dat hij abrupt zou worden overgeplaatst aan de Minister heeft verzocht hem te doen overplaatsen i.c. zijn detachering in Frans-Guyana te beëindigen, ervan uitgaande dat zulks zou geschieden op een zodanig tijdstip dat verzoeker nog in staat zou zijn voorafgaand aan zijn overplaatsing zijn verlof·op te nemen.
9. Dat evenwel bij ongedagtekend telex-bericht, in ieder geval van na 19 mei 1989 en welke verzoeker op of omstreeks 24 juni 1989 mocht ontvangen aan hem werd aangezegd dat hij per 1 augustus 1989 werd gemuteerd naar het hoofdkantoor, alsmede dat hij zijn gecumuleerd verlof moest opnemen voor laatst vermelde datum.
10. Dat ook indien verzoeker terstond een aanvang had gemaakt met het opnemen van zijn verlof de periode tot 1 augustus te kort zou zijn geweest aangezien verzoeker alstoen aanspraak maakte op 3 maanden en 4 dagen verlof.
Bovendien waren de omstandigheden zowel in Frans Guyana alsook rondom het totale oorlogsgebeuren aantoonbaar van dien aard dat verzoeker onmogelijk met verlof zijn post kon verlaten.
Hierover heeft verzoeker zowel de minister als het hoofd Algemene en Personele Zaken gesproken die steeds mondeling aan verzoeker de verzekering hebben gegeven dat het feit dat verzoeker na 24 juni het verlof niet heeft kunnen opnemen, niets afdeed aan de toezegging van de minister.
11. Dat nu echter de verzoeker zijn verlof wenst op te nemen op de wijze en met de gevolgen als met de minister overeengekomen zulks stuit op bezwaren vanwege het Ministerie.
12. Dat verzoeker door de niet nakoming van de toezegging van de Minister schade lijdt hierin bestaande dat hem zijn salaris C.A. ad U.S.$. 2.500,– per maand over zijn verlofperiode niet aan hem wordt ca uitbetaald tot een totaal bedrag van U.S.$.7.900,–.
13. Dat verzoeker nog steeds schulden in Cayenne heeft te voldoen, waarvoor hij dit bedrag dringend behoeft. Inmiddels heeft de telefoondienst in Cayenne in een onlangs door verzoeker ontvangen sommatie hem bedreigd met rechtsmaatregelen indien hij een nog openstaande telefoonrekening ad Fr. 22.774,44 niet per ommegaande voldoet.
14. Dat gedaagde door als voormeld te handelen jegens verzoeker handelt in strijd met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende regels van behoorlijk bestuur en wel in het bijzonder het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel alsmede het beginsel van fairplay;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis:
a. voor recht zal worden verklaard dat verzoeker aanspraak maakt op verlof gedurende drie kalender maanden en 4 dagen over de dienstperiode tot 1 augustus 1988 en gedurende drie verlofperiode aanspraak op maakt dat zijn salaris en emolumenten aan hem wordt uitbetaald op de wijze en in de valuta als gebruikelijk voor beëindiging van zijn detachering in Frans Guyana,
b. verweerder zal worden veroordeeld om de sub a gestelde beslissing te gehengen en gedogen en om ten titel van dwangsom aan verzoeker te betalen een som van f. 1.500,– voor iedere dag waarop zij in strijd met de beslissing handelt, kosten rechtens;

Overwegende, dat vervolgens van de Staat Suriname binnen de bij de Wet gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarin het navolgende wordt aangevoerd:
1. dat hij ontkent en tegenspreekt al hetgeen door verzoeker in zijn verzoekschrift is gesteld, tenzij hierna erkend, met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn erkentenis en onder aanbod van bewijs van al zijn weren, voorzoveel op hem enig bewijslast mag rusten – quod non;
2. dat het sub 2 in het verzoekschrift gestelde wordt erkend;
3. dat het sub 3 in het verzoekschrift gestelde ten stelligste wordt ontkend;
4. dat bij schrijven d.d. 19 mei 1988 verzoeker, destijds gedetacheerd te Cayenne in Frans Guyana heeft gevraagd dat hij in aansluiting op zijn gecumuleerd verlof naar Paramaribo wordt gemuteerd;
5. dat vermits gedurende EEN MAAND na ontvangst van het voormeld schrijven van verzoeker geen verlofaanvraag het ministerie had bereikt en de Minister van Buitenlandse Zaken aan wie het mutatiebeleid behoort de overplaatsing van verzoeker naar Paramaribo wel noodzakelijk achtte, werd verzoeker bij telexbericht d.d. 24 juni 1988 in kennis gesteld terzake zijn mutering naar het Hoofdkantoor te Paramaribo, zulks te rekenen per 1 augustus 1988;
6. dat in het desbetreffende telexbericht d.d. 24 juni 1988 aan verzoeker duidelijk te kennen is gegeven, dat eventueel gecumuleerd verlof vóór 1 augustus 1988, zijnde de datum van mutering dient te worden opgenomen, daar bij opname van het gecumuleerd verlof na de datum van mutering het salaris in Suriname zal worden uitbetaald op basis van het thuissalaris;
7. dat verzoeker in de periode 19 mei 1988 tot aan zijn mutering slechts 5 werkdagen verlof heeft opgenomen, terwijl het niet aan verweerder heeft gelegen dat verzoeker niet van een langer verlof periode gebruik heeft gemaakt, danwel heeft kunnen maken, indien hij daartoe de intentie had;
8. dat het niet opnemen van het gecumuleerd verlof danook niet aan de schuld van verweerder te wijten is, doch geheel voor rekening van verzoeker komt;
9. dat het niet juist is dat verzoeker tijdens zijn detachering in Frans Guyana niet in de mogelijkheid heeft verkeerd zijn verlof op te nemen vanwege bijzondere verantwoordelijkheden die op hem rustten en de intensiteit zijner activiteiten alsgevolg van de oorlogssituatie in het oosten des lands;
10. dat de beoordeling omtrent de door verzoeker bedoelde situatie niet aan verzoeker is, doch het beleid van verweerder aangaat, die zonodig voorzieningen kon treffen, indien verzoeker het verlof wel had opgenomen. Evenwel heeft verzoeker dit verlof geheel niet aangevraagd – zoals voorgeschreven is volgens de Personeelswet – doch heeft hij zonder meer doorgediend op eigen verantwoordelijkheid en risico van verlies van het valuta-inkomen zoals hem in de telex van 24 juni 1988 was voorgehouden;
11. dat de door de Minister gedane toezegging was verwekt in de telex van 24 juni 1988, doch verzoeker heeft daarvan zelf geen gebruik willen maken;
12. dat het toch de verzoeker niet zal zijn ontgaan, dat het valuta inkomen, naast het salarisschaal bestanddeel, verder opgebouwd is uit toelage-componenten ter dekking van de hoge kosten van gezinsconsumptie in het land van detachering, hetwelk de diplomaat in staat moet stellen zijn funktie adequaat en naar behoren te kunnen uitoefenen;
Op grond van het voorgaande moeten argumenten, terzake door verzoeker nog te vervullen financiële verplichtingen in Cayenne (betaling telefoon-rekening e.d.), welke afhankelijk zijn gesteld op een uitbetaling van een vermeende verlofsalarisclaim, als ongegrond moeten worden beschouwd;
In dit licht bezien moet afkeuring worden uitgesproken over de niet nakoming van verplichtingen als gesteld in Cayenne, daar het diplomaten verboden is schulden danwel financiële verplichtingen in dat land aan te gaan, die niet zijn nagekomen;
13. dat ook de vigerende comptabele wetten, circulaires en instrukties terzake zich verzetten tegen uitbetaling van het valuta-inkomen na beëindiging van de detacheringsperiode.
De verweerder kan danook niet worden gevraagd om bestaande wettelijke regelingen te overtreden, zoals thans van hem wordt gevorderd;
14. dat ingevolge artikel 48 en 49 Personeelswet van het vakantieverlof wordt verleend op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de ambtenaar. In casu ontbreekt een dergelijk verzoek geheel;
Indien verzoeker dit schriftelijk verzoek wel had gedaan – quod non – dan kon de Minister slechts bij een met redenen omkleed besluit dit verzoek weigeren, artikel 48 lid 5 Personeelswet;
15. dat noch de vigerende Personeelswet noch enig andere wettelijke regeling de mogelijkheid biedt om aan een ambtenaar die financiële voordelen bij opname van verlof toe te kennen, welke bij verlofopname in het buitenland als gedetacheerde kracht gelden; De verweerder is danook onbevoegd alzo te handelen, althans zou een dergelijk handelen in strijd met de wet zijn, hetgeen niet van verweerder kan worden gevraagd, die juist moet waken voor een richtige toepassing van de wet;
16. dat verweerder ontkent dat verzoeker enig schade lijdt of zal lijden als in punt 12 van het verzoek gesteld;
17. dat ontkend wordt dat verweerder handelt in strijd met de regels van behoorlijk bestuur, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel van fairplay;
18. dat de wet geen ruimte biedt om aan het verlangen van verzoeker, welke rijkelijk laat thans schriftelijk word gedaan, tegemoet te komen;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:
dat het sub a en b in het petitum gevraagde als zijnde ongegrond en onbewezen aan verzoeker moet worden ontzegd, althans verzoeker daarin niet ontvankelijk dient te worden verklaard, kosten rechtens;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 19 september 1989 in Raadkamer zijn verschenen verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, de Staat Suriname vertegenwoordigd door de heer Letnom, Onder-Direkteur Administratieve Diensten bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken en advokaat Mr. H. MUNGRA, die hebben verklaar gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd onder overlegging van producties, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 10 augustus 1990, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet (Pw.);

Overwegende, dat verzoeker in zijn onderhavige rekest vordert:
a. voorrecht te verklaren, dat hij – verzoeker – aanspraak maakt op verlof gedurende drie kalendermaanden en vier dagen over de dienstperiode tot 1 augustus 1988 en dat hij, verzoeker, gedurende die verlofperiode aanspraak op maakt, dat hem zijn salaris en emolumenten worden uitbetaald op de wijze en in de valuta als gebruikelijk vóór beëindiging van zijn detachering in Frans Guyana;
b. verweerder te veroordelen de onder a verlangde beslissing te gehengen en te gedogen en om ten titel van dwangsom aan hem – verzoeker – te verbeuren een som van f. 1.500,– per dag voor iedere dag waarop verweerder in strijd met de beslissing handelt;

Overwegende, dat hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenaren-zaken kan worden gevorderd limitatief is omschreven in artikel 79 van de Personeelswet; (conform vonnis Hof van Justitie d.d. 18 december 1970 Surinaams Jurisprudentie 1970 no. 15);
– dat hetgeen onder a) is gevorderd niet kan worden gerangschikt onder die opsomming, weshalve verzoeker daarin niet kan worden ontvangen;
– dat hetgeen wijders onder b) wordt gevorderd, voor wat betreft het eerste onderdeel, ook niet toewijsbaar is, nu het onder a) gevorderde met een niet-ontvankelijkheid moet worden begroet;
– dat voor wat betreft het tweede onderdeel van de vordering sub b, opgemerkt zij, dat waar deze vordering uitsluitend gebaseerd kan zijn op het bepaalde in artikel 79 lid 1 sub c van de Personeelswet en het sub a) gevorderde, ook al zou het worden toegewezen – quod non -, niet op gemelde wettelijke bepaling is gebaseerd, kan toewijzing van het tweede onderdeel van het sub b) gevorderde, ook niet volgen;

Overwegende, dat, afgezien van het vorenoverwogene, verzoeker ook hierom niet-ontvankelijk is in zijn vordering, omdat hij daarbij geen belang heeft, brengende het vonnis hem immers geen baat ten opzichte van verweerder;
– dat toch het besluit vervat in het telex-bericht, dat in verzoekers bezit op 24 juni 1988 kwam, welk telex-bericht afkomstig is van verweerder, ook in geval van toewijzing van de verzochte beslissing, van kracht zou blijven, zijnde het Hof van oordeel dat voormeld besluit pas dan zijn rechtskracht zou verliezen en mitsdien ongedaan gemaakt worden indien het bij vonnis zou worden nietig verklaard danwel vernietigd, hetgeen verzoeker evenwel niet heeft gevorderd;

Overwegende, dat het Hof ten overvloede opmerkt dat verzoeker in zijn verzoekschrift, bij het aanhalen van data (vide 6e en 9e ”dat” van zijn verzoekschrift) steeds spreekt van ”1989”, hetgeen uit de overgelegde stukken duidelijk moet zijn ”1988”;

Overwegende, dat het Hof een en ander zal opvatten als kennelijke verschrij- vingen van verzoeker en overal in het 6e en 9e ”dat” van zijn verzoekschrift, de aldaar aangehaalde dat zal verstaan als te zijn ”1988” in plaats van ”1989”;

Overwegende, dat verzoeker bij schrijven van 19 mei 1988 aan de Directeur van Buitenlandse Zaken, over zijn overplaatsing spreekt en zijn verlofaanspraken tijdens zijn detachering te Cayenne;

Overwegende, dat verzoeker op 24 juni 1988 (volgens rekest 28 juni 1988 tijdens verhoor) kennis neemt van een telex-bericht afkomstig van de Directeur van Buitenlandse Zaken, bestemd voor verzoeker (CG CAY), als reactie op zijn brief van 19 mei 1988, luidende:
”Referte Uw schrijven d.d. 19 mei 1988 inzake bovenvermeld onderwerp, deel ik U mede dat accoord wordt gegaan met Uw verzoek om mutatie naar HQ en wel per 1 augustus 1988. Eventueel gecumuleerd verlof gedurende Uw detacheringsperiode dient vóór 1 augustus 1988 te worden opgenomen. Bij opname van dit verlof na 1 augustus 1988 zal salaris worden uitbetaald in Surinaams op basis van het thuissalaris stop”;

Overwegende, dat dit telex-bericht duidelijk is en geen.ruimte biedt voor twijfels;

Overwegende, dat deze mededeling in geschrifte; naar ’s Hoven oordeel wordt geacht te zijn een Besluit in de zin van de Personeelswet, afkomstig van de Directeur van Buitenlandse Zaken;

Overwegende, dat indien verzoeker geen genoegen had genomen met dit besluit, hij hiervan binnen een maand nadat dit besluit te zijner kennis was gcbracht, zich tot het Hof zou moeten wenden (vide artikel 80 lid … Personeelswet);

Overwegende, dat verzoeker door pas bij rekest van l0 juli 1989, ingekomen ter Griffie op 27 juli 1989, zich tot het Hof te wenden, hij rijkelijk te laat zou zijn met zijn vordering;
– dat verzoeker mitsdien ook hierom niet-ontvankelijk verklaard zou worden in zijn vorderingen;

Overwegende, dat verzoeker nog heeft betoogd dat hij van de Minister van Buitenlandse Zaken de toezegging had gekregen, dat hij zijn gecumuleerd verlof voorafgaande aan zijn mutatie mocht opnemen, welke toezegging hij heeft gestaafd met overlegging van een brief van [naam 1] d.d. 8 mei 1989, gericht aan de raadsman van verzoeker Mr. E.C.M. Hooplot;

Overwegende, dat de Minister het voorgaande heeft weersproken en bij Memo d.d. 25 januari 1990, gemotiveerd het navolgende heeft kenbaar gemaakt;
”Aan de heer [verzoeker] , gewezen Consul op het Consulaat-Generaal van de Republiek Suriname te Cayenne in Frans Guyana, zijn op generlei wijze toezeggingen gedaan aanziens het opnemen van het totaal betrokkene gecumuleerd vakantie tegoed, vóór zijn mutering naar Suriname.
Op het mondeling verzoek van betrokkene terzake het voorgaande is door ondergetekende slechts medegedeeld dat opdracht zal worden gegeven om na te gaan of medewerking daartoe zou kunnen worden verleend, voorzover de wettelijke voorschriften zulks toestaan.
De ondergetekende is van mening dat de heer [verzoeker], in de periode 19 mei tot 1 augustus 1988 in de gelegenheid is geweest zijn vakantieverlof op te nemen, indien hij daartoe de behoefte had.
w.g. [naam 2]”;

Overwegende, dat na al het voorgaande, het lot van verzoekers vorderingen moet zijn, dat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.