SRU-HvJ-2014-2

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

De Stichting Auteursrechten Suriname,

Appellant,

Hierna aangeduid als “Sasur”,

Gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

Gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

Tegen

De Staat Suriname m.n. het Ministerie van Justitie en Politie,

In rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,

Kantoorhoudende te Paramaribo,

Geintimeerde, hierna aangeduid als “de Staat”,

Gemachtigden: mr. D.S. Kraag en mr.dr. J. van Dijk – Silos, advocaten,

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 11 juli 2013 (A.R.no. 13-2218) tussen Sasur als eiseres en de Staat als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het verder procesverloop

1.1. Het verder procesverloop is uit het proces-verbaal d.d. 26 maart 2014 waarin verslag is gedaan van de mondelinge pleidooien van partijen.

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

De ontvankelijkheid

2. Sasur is niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak van het beroepen vonnis. Dat vonnis is bij griffiersbrief van 17 julil 2013 aan partijen toegezonden. Sasur heeft bij schrijven van haar gemachtigde op 30 juli 2013 appél aangetekend.

Gelet op het voorgaande heeft Sasur tijdig appél aangetekend tegen het hoger aangehaald vonnis, nu dit binnen de termijn van veertien dagen na dagtekening van de dienstbrief van de griffier der kantongerechten is geschied, zodat zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De feiten

3.1 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie (hierna aangeduid als “de Minister”) van 21 april 2005 Jno.1580 is aan Sasur toestemming verleend om gedurende 3 jaar als bedrijf bemiddeling te verlenen inzake muziekauteursrechten. Bij beschikking van de Minister van 17 mei 2006 no. 1704 is de beschikking van de Minister van 21 april 2005 Jno. 1580 gewijzigd en is voornoemde toestemming voor onbepaalde tijd verleend.

3.2 Bij beschikking van de Minister van 23 februari 2012 Jno. 00719 is aan Sasur verleende toestemming ingetrokken.

Daartoe is ondermeer overwogen:

“ – Dat, naar recentelijk is gebleken, er een ernstige controverse is ontstaan tussen voormelde stichting en de gebruikers van muziekwerken;

– Dat de Regering op grond van het voorgaande alle ruimte krijgt om op deugdelijke wijze voormelde controverse op te heffen;

– Dat het derhalve nodig is om de verleende toestemming als bedoeld in de beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 21 april 2005 no. J. 1580…zoals gewijzigd bij de Beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 17 mei 2006 no. 1704…in te trekken.”

3.3 Sasur heeft tegen het onder 3.2 genoemde intrekkingsbesluit in kort geding een procedure (bekend onder A.R. 120804) aanhangig gemaakt tegen de Staat waarin zij vorderde:

Primair: de Staat te gelasten de gewraakte beschikking in te trekken;

Subsidiair: de gewraakte beschikking op te schorten, totdat onherroepelijk daarover zal zijn beslist;

3.4 De kantonrechter in het Eerste Kanton heeft bij vonnis van 15 maart 2012 (A.R. 120804) de intrekkingsbeschikking van 23 februari 2012 Jno. 12/00719 in zijn werking geschorst totdat definitief daarover zal zijn beslist door de bodemrechter;

3.5 De beschikking van de Minister d.d. 17 mei 2013, Jno. 13/02718, is bepaald dat met onmiddellijke ingang wordt ingetrokken de in overweging 3.2 en 3.1 genoemde beschikking. Daartoe is overwogen:

“ – dat de beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 23 februari 2012, Jno. 12/00719 bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kortgeding van 15 maart 2012 A.R. no. 120804 in zijn werking is geschorst;

– dat de Stichting Auteursrechten Suriname (SASUR) zoals processueel verwacht moest worden, tot op heden geen bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt;

– dat langer talmen niet kan worden afgewacht, totdat definitief daarover is beslist;

– dat derhalve genoemde beschikking van 23 februari 2012 dient te worden ingetrokken;

– dat bij het verlenen van de toestemming bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 21 april 2005 no. J. 1580 (S.B. 2005 no. 65) heel veel geruis in de samenleving is ontstaan nadat Sasur met haar activiteiten is aangevangen;

– dat nadat die toestemming bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 17 mei 2006 no. 1704 (S.B. 2006 no. 58) voor onbepaalde tijd is verleend, tumult binnen de Surinaamse samenleving is ontstaan en nog voortduurt;

– dat het de taak is van de Minister van Justitie en Politie om op grond van artikel 16 van de Grondwet, waarbij een ieder recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid heeft, deze te garanderen;

– dat in artikel 42 van de Grondwet is opgenomen dat de wet onder meer het algemeen belang met name de openbare orde waarborgt;

– dat gegronde vrees bestaat dat door het aanhoudend tumult de veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht;

– dat ter voorkoming daarvan het noodzakelijk is, ter garandering van ieders veiligheid, de verleende toestemming met onmiddellijke ingang in te trekken.”

De procedure in eerste aanleg

4.1 Sasur heeft in eerste aanleg – zakelijk weergegeven – gevorderd:

Primair:

1. de Staat te gelasten de beschikking van 17 mei 2013 Jno. 13/07218 in te trekken;

Subsidiair:

II. De beschikking van 17 mei 2013 Jno. 13/07218 op te schorten totdat daarover bij vonnis in principale is beslist;

primair en subsidiar:

II. De staat te verbieden de aan Sasur verleende toestemming in te trekken anders dan op wettelijk valide gronden;

III. De staat te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD. 1.000.000,= voor elke dag dat hij in gebreke blijft om aan de te geven bevelen te voldoen.

4.2 De Kantonrechter heeft in zijn vonnis van 11 juli 2013 (A.R. 13-2218) partijen verwezen naar de gewone wijze van rechtspleging.

De vordering, de grieven en het verweer

5.1 Sasur concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot toewijzing van de gevraagde voorzieningen.

5.2. De staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling

6.1 Sasur heeft als grieven tegen het tegen het gewraakte vonnis aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld:

a. dat de primaire vordering een definitief karakter heeft, dus geen “voorlopig voorziening” zou zijn en waarvoor in kort geding dus geen plaats is;

b. dat Sasur geen spoedeisend belang heeft;

c. dat Sasur misbruik maakt van de kort geding procedure.

definitief karakter intrekking?

6.2 Het Hof stelt voorop dat het vonnis van de voorzieningenrechter naar zijn aard ten doel heeft om – bij wege van ordemaatregel – de tijd te overbruggen die ermee gemoeid zal zijn voordat in de tussen dezelfde partijen over dezelfde partijen over dezelfde zaak bij de gewone rechter te voeren procedure (de hoofdzaak ofwel bodemprocedure) vonnis zal zijn gewezen. Het kort geding vonnis beoogt derhalve niet een definitief eind te maken aan het tussen partijen bestaand geschil, maar het treffen van een voorlopige voorziening. De gevraagde beslissing moet een ordemaatregel zijn waarmee wordt vooruitgelopen op de rechtsbeslissing die in de bodemprocedure zou kunnen worden gegeven; dit is een interne factor die de aard van de beslissing betreft. Intrekking van de gewraakte beschikking van de Minister zou betekenen dat definitief een eind wordt gemaakt aan de rechtsstrijd tussen partijen die aan de kortgedingrechter is voorgelegd. De rechter in kort geding is echter niet bevoegd tot het geven van een definitieve beslissing (vide Hof van Justitie 17 augustus 1990, S.J. 1990, p. 292, GR 13011). Het Hof zal zich derhalve onbevoegd verklaren kennis te nemen van de primaire vordering.

Spoedeisend belang Sasur

6.3 De Staat heeft als meest vergaand verweer aangevoerd dat Sasur geen direct belanghebbende is in de zin van de Auteurswet 1913 (zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1981, no. 23); de belanghebbenden zijn de houders/eigenaars van (muziek) auteursrechten, zodat een intrekking van de toestemming jegens Sasur geen onrechtmatige daad is. De Staat heeft verder aangevoerd dat Sasur procedeert op eigen naam en titel, terwijl zij slechts vertegenwoordiger is van de rechthebbenden van muziekauteursrechten. De Staat is de mening toegedaan dat van een spoedeisend belang aan de zijde van de Sasur dan ook geen sprake kan zijn.

6.4 Het oud rechtsbeginsel ‘geen belang, geen actie’ (point d’intérêt, point d’action) houdt in dat zonder belang niemand een rechtsvordering toekomt. Naar het oordeel van het Hof dient derhalve allereerst aannemelijk te zijn dat Sasur belang heeft bij de door haar ingediende vordering. Daarbij zijn er in de visie van het Hof twee mogelijkheden:

1. Sasur heeft een eigen belang bij de vordering en is zowel materieel als formeel procespartij;

2. Sasur vertegenwoordigt de belangen van derden en is slechts formeel procespartij. Nu uit het ingediend verzoekschrift niet blijkt dat Sasur in de onderhavige procedure optreedt als vertegenwoordiger van derden, kan de tweede mogelijkheid buiten beschouwing worden gelaten.

6.5 Sasur heeft in haar conclusie van repliek in eerste aanleg hiertegenover gesteld dat zij in in ieder geval wel degene is aan wie de toestemming is gegeven om bedrijfsmatig, al dan niet op naam, licentieovereenkomsten te sluiten, dus treft de intrekking van de beschikking haar. Sasur heeft darbij ten aanzien van haar bevoegdheid om in eigen naam vorderingen aanhangig te maken ter handhaving van auteursrechten verwezen naar de overeenkomsten met aangeslotene en zusterorganisaties en de literatuur hierover.

6.6 De Staat heeft in haar conclusie van dupliek in eerste aanleg gepersisteerd dat Sasur geen belanghebbende is in de zin van de Wet Auteursrecht, zodat men het intrekken van de toestemming op geen enkele wijze schade is toegebracht aan Sasur. Het doel van de toestemming tot bemiddeling is volgens de Staat de behartiging van de belangen van de bezitters van auteursrechten, niet het belang van de bemiddelaar. Het belang van Sasur is op geen enkele wijze geschonden, aangezien zij als stichting geen winstoogmerk heeft en haar organisatie ook niet bestaat uit makers van muziek(teksten). De overeenkomsten met de gerechtigden tot de auteursrechten behelzen niet de overdracht van rechten aan Sasur; het betreft mandaatovereenkomsten waarbij Sasur als lasthebber is aangesteld, aldus de Staat. Dit heeft volgens de Staat tot gevolg dat Sasur geen enkel recht kan exploiteren of handhaven dat haarzelf toekomt. De Staat heeft verder aangevoerd dat Sasur de vermeende schade op geen enkele wijze heeft aangetoond of kenbaar gemaakt.

6.7 Sasur heeft in haar mondeling pleidooi ten aanzien van haar belang bij de vordering gesteld dat in de vele gedingen die zij heeft gevoerd steeds uitvoerig is aangetoond wat de langdurige werkzaamheden en investeringen van Sasur geweest zijn om te komen tot een punt dat met vrucht muziek – en auteursrechten in Suriname gehandhaafd moest worden. Voorts dat de grote verliezen die nu geleden worden elke dag voelbaar zijn en dat elke dag dat Sasur gehinderd wordt om haar werk uit te voeren verdergaande schade oplevert. Sasur heeft daarnaast in haar mondeling pleidooi gesteld dat de makers van muziekwerken hun auteursrechten overdragen aan de beheersorganisatie; dit is wat er gebeurd is in het geval van Sasur. In het buitenland is precies hetzelfde gebeurd, waarna de beheersorganisaties elkaar over en weer de bevoegdheid verlenen om namens hen de rechten m.n. de over en weer de bevoegdheid verlenen om namens hen de rechten m.n. de handhavingsrechten uit te oefenen in hun eigen land, aldus Sasur, Sasur heeft voorts gesteld dat zij derhalve in eigen naam en eigen belang kan en moet procederen.

6.8 De Staat heeft in haar mondeling pleidooi gepersisteerd dat de muziekauteursrechten niet Sasur zijn overgedragen, zodat zij niet in eigen naam kan procederen en geen eigen belang heeft.

6.9 Het Hof constateert dat Sasur bij haar verzoekschrift in eerste aanleg sub 1.2 heeft gesteld dat de zaak geregistreerd onder A.R. no. 12-0804 is ingesteld met het verzoekschrift van 2 maart 2012. Sasur heeft daarbij gesteld dat zij te dezen haar vordering materieel opnieuw met het rekest van 2 maart 2012, mutatis mutandis, wil inleiden. Het verzoekschrift van 2 maart 2012 is door Sasur als productie nr. 4 overgelegd met het verzoek om de inhoud daarvan als herhaald en ingelast aan te merken. Het Hof constateert verder dat in het verzoekschrift van 2 maart 2012 onder meer – en zakelijk weergegeven – door Sasur is ingesteld:

– onder 2.4: dat zij de gemachtigde en lasthebber is van alle muziekauteurs op de wereld, die het beheer van hun scheppingen in handen hebben gegeven aan collectieve beheersorganisaties, zoals Sasur;

– onder 2.5: dat het algemeen bekend is dat Sasur bij de uitvoering van haar (door de muziekauteurs gegeven) opdracht op aanzienlijke tegenstand van de muziekgebruikers in Suriname is gestuit.

– onder 7.4.2: dat Sasur het wereldrepertoire beheert krachtens de met haar gesloten mandaats – en wederkeringheidsovereenkomsten, die haar verplichten illegaal muziekgebruik tegen te gaan.

Sasur heeft na betwisting door de Staat dat zij, Sasur, een eigen recht kan laten gelden, slechts verwezen naar de door haar gesloten overeenkomsten, zonder echter deze overeenkomsten in deze procedure over te leggen. Naar het oordeel van het Hof is deze blote stelling, zonder nadere motivering, onvoldoende om aannemelijk te maken dat de auteursgerechtigden Sasur niet slechts hebben gemachtigd om namens hen op te treden, maar tevens hun aanspraken op basis van de Auteurswet aan Sasur hebben overgedragen.

Uit het door Sasur zelf geponeerde stellingen dat sprake is van mandaatovereenkomsten – welke in het algemeen strekken om in naam van en onder verantwoordelijkheid van een ander te handelen – vloeit voort dat de gerechtigden hun aanspraken niet aan Sasur hebben overgedragen. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat naar het voorlopig oordeel van het Hof niet aannemelijk is geworden dat in casu sprake is van een eigen belang van Sasur, hetgeen tot gevolg heeft dat Sasur niet-ontvankelijk is in de subsidiair gevorderde voorziening.

6.10 Gelet op het boven overwogene behoeven overige grieven en weren geen bespreking meer.

6.11 Sasur zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het Hof:

7.1 Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 11 juli 2013, A.R. no. 132218, waarvan beroep;

en opnieuw recht doende:

7.2 Verklaart zich onbevoegd om van de primaire vordering kennis te nemen;

7.3 Verklaart Sasur niet-ontvankelijk in haar subsidiaire vordering;

7.4 Veroordeelt Sasur in de kosten van het geding aan de zijde van de Staat in hoger beroep en en eerste aanleg gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. R.G. Chatterpal, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 juni 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

SRU-HvJ-2016-2

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

[appellant],

wonende te [district],

appellant in kort geding,

hierna aangeduid als [appellant],

gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name de minister van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu,

rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,

geïntimeerde in kort geding,

hierna aangeduid als de Staat,

gevolmachtigde: mr. M. Kandhai-Ramai, jurist bij het ministerie van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu en verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis in Kort Geding van 17 juli 2014 (A.R.No. 14-1539) tussen [appellant] als eiser *imeerder009098ft ingesteld;02 van het kantongerecht waaruit blijkt dat de gemachtigde en de Staat als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Uit de verklaring van de griffier blijkt dat [appellant] op 21 augustus 2014 hoger beroep heeft ingesteld. [appellant] heeft op de rol van 06 november 2015 het Hof verzocht recht te doen op de stukken.

De beoordeling

1.1. [appellant] is op 01 november 2011 in dienst getreden van de Wegenautoriteit Suriname (hierna Wegenautoriteit) in de functie van directeur.

1.2. Op 3 december 2013 heeft de Minister van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu aan de Wegenautoriteit vergunning verleend om de dienstbetrekking met [appellant] op te zeggen. In de ontslagvergunning is, onder meer, vermeld (productie 1 bij het inleidend verzoekschrift):

“Overwegende:

– dat de werkgever als reden voor het willen beëindigen van de dienstbetrekking met betrokkene, werkzaam als directeur heeft opgegeven:

– verslechterde werkrelatie met personeel (HR-aangelegenheden)

– het voeren van mismanagement, wanbeleid van de directeur;

– dat de vertegenwoordigers van de werkgever ter verduidelijking van het bovenstaande hebben aangegeven dat sedert de aanstelling van betrokkene als directeur Wegenautoriteit zich meerdere gevallen hebben voorgedaan waar betrokkene de instructies van de Raad van Toezicht naast zich heeft neergelegd en in strijd heeft gehandeld met de geldende comptabele regels;

– dat de vertegenwoordigers van de werkgever voorts hebben aangegeven dat er daarnaast tussen betrokkene en verschillende medewerkers van de Wegenautoriteit dusdanige wrijvingen zijn ontstaan dat er al geruime tijd geen sprake is van een gezond werkklimaat en dat ondanks herhaalde pogingen van de Raad van Toezicht om verbetering te brengen in de situatie, danwel om herhaling van misstanden te voorkomen, er naar het oordeel van de Raad geen vooruitzicht is op verbetering van de situatie;

– dat de vertegenwoordigers van de werkgever tevens hebben aangegeven dat de toenmalige voorzitter van de Raad van Toezicht reeds per schrijven van 12 juni 2012, gericht aan de toenmalige minister van Openbare Werken, onder meer had aangegeven:

– dat de directeur diverse malen voorbijgaat aan de bepalingen inzake het aangaan van schriftelijke machtigingen, dan wel dat hij op kunstmatige wijze overgaat tot het omzeilen daarvan;

– dat de directeur nalaat om belangrijke informatie te presenteren aan de Raad van Toezicht;

– dat de directeur vooraf geen afstemming pleegt over buitenlandse dienstreizen, noch de daarmee gemoeide uitgaven voorlegt aan de Raad;

– in afwijking van het goedgekeurde jaarplan projecten van derden worden gefinancierd zonder dat de hiervoor vereiste goedkeuring vooraf van de Raad is verkregen;

– de werkrelatie met de directeur naar bevinding van de Raad niet vlekkeloos verloopt en verbetering behoeft;

– dat de vertegenwoordigers van de werkgever met betrekking tot het wanbeleid voorts onder meer hebben aangegeven:

– dat de door de directeur gehanteerde procedures volstrekt in strijd zijn met de comptabele procedures van de Wegenautoriteit;

– dat de Raad van mening is dat de directeur zich blijkbaar niet stoorde aan de wettelijke en comptabele regelingen omtrent zijn functioneren, aangezien situaties als bovengenoemd zich bleven herhalen, ondanks regelmatige protesten van de Raad;

– dat het uitvoeren van projecten buiten het goedgekeurde jaarplan en jaarbegroting (…) zonder voorafgaande goedkeuring van de Raad, een aangelegenheid is die niet alleen ongewenst is, maar ook een inbreuk is op de integriteit van de Raad;

– dat als gevolg van het aangehaalde het vertrouwen in betrokkene als directeur Wegenautoriteit thans is komen weg te vallen;

– dat de vertegenwoordigers van de werkgever, met betrekking tot de verslechterde werkrelatie met het personeel, onder meer hebben aangegeven dat een drietal medewerkers van de Wegenautoriteit een schrijven, d.d. 12 juni 2013, heeft gericht aan het Kabinet van de President van de Republiek Suriname, waarin verschillende voorvallen met betrekking tot handelingen c.q. de gehanteerde werkwijze van de directeur zijn aangehaald en expliciet is gevraagd dat er ingegrepen wordt;

– dat de vertegenwoordigers van de werkgever ook hebben aangegeven dat in casu conform artikel 4 lid 3 van de Wet Wegenautoriteit, per missive van 19 augustus 2012, reeds goedkeuring is verkregen van de Raad van Ministers voor het ontslag van betrokkene als directeur;

– dat betrokkene ten overstaan van de Ontslagcommissie de door de werkgever opgegeven redenen heeft weersproken en onder meer heeft aangegeven dat de werkgever, de Wegenautoriteit, een rechtspersoon is die bestuurd wordt door een directeur en onderdirecteur(en) en dat de directie de rechtspersoon in en buiten rechte vertegenwoordigt;

– dat betrokkene voorts heeft aangegeven dat vanwege het bovenstaande dhr. R. Parmessar, de minister van Openbare Werken die de vergunningsaanvraag heeft ondertekend, niet de werkgever is van betrokkene, aangezien hij ook niet belast is met het bestuur van de Wegenautoriteit;

– dat betrokkene heeft aangegeven dat vanwege het bovenstaande de ontslagvergunningsaanvraag niet wettig is ingediend;

– dat betrokkene voorts heeft aangegeven dat hij na het aantreden van de huidige minister van Openbare Werken plotseling van de voorzitter van de Raad van Toezicht te horen kreeg dat hij weg moest, aangezien “hogerhand” zou hebben beslist, en dat er toen geen sprake was van mismanagement of verslechterde relatie met het personeel;

– dat betrokkene tevens heeft aangegeven dat de voorzitter van de Raad van Toezicht bovendien in het dagelijks leven ook onderdirecteur is op het ministerie van Openbare Werken en als zodanig ondergeschikt is aan de minister, en dus daarom moet doen wat de minister zegt;

– dat betrokkene over de verstoorde werkrelatie onder meer heeft aangegeven dat deze kwestie een scenario is van de onderdirecteur, de persoon die de functie van directeur Wegenautoriteit nu waarneemt (…)

– dat betrokkene tevens heeft aangegeven dat er nimmer tussen betrokkene en de Raad van Toezicht is aangesproken over mismanagement of wanbeleid en dat hij nimmer door de minister van Openbare Werken is opgeroepen om zich te verantwoorden terzake wanbeleid c.q. mismanagement;

– dat naar het oordeel van de Ontslagcommissie (…) gezien de verslagen van de vergaderingen van de Raad van Toezicht, d.d. 29 mei 2012 en 19 juni 2012, het een en ander met betrekking tot het wanbeleid van de directeur en de verstoorde werkrelatie tussen onder meer de Raad van Toezicht en de directeur, zich vóór juni 2013 al afspeelde;

– dat de werkgever bovendien heeft aangegeven dat betrokkene (mondeling) vaak erop is gewezen dat zaken niet conform de comptabele regels werden uitgevoerd en dat zulks in het vervolg moest gebeuren;

– dat, gelet op de Wet Wegenautoriteit en de in casu door de werkgever gevolgde procedure om te geraken tot een beëindiging van het dienstverband met de directeur van de Wegenautoriteit, de Ontslagcommissie van oordeel is dat door de werkgever thans de juiste procedure is gevolgd;

(…)

– dat gelet op het bovenstaande, de overgelegde stukken, de afgelegde verklaringen en de omstandigheden van het geval, de Ontslagcommissie van oordeel is dat de werkgever het gestelde met betrekking tot de verstoorde werkrelatie voldoende aannemelijk heeft kunnen maken, waardoor in redelijkheid niet van haar kan worden verwacht om de dienstbetrekking met betrokkene te laten voortduren.

heeft besloten:

Op grond van het voorgaande vergunning te verlenen ter beëindiging van de dienstbetrekking met de werknemer, dhr.[appellant], met in achtneming van de wettelijke opzegtermijn.”

1.3. De Raad van Ministers heeft bij Missive van 19 augustus 2013, onder meer, het volgende aan de Minister van Openbare Werken meegedeeld (productie 5 bij de conclusie van antwoord):

“Hierbij deel ik U mede dat de Raad van Ministers naar aanleiding van Uw voorstel van 01 augustus 2013 No. MOW 710/13, in zijn vergadering van donderdag 15 augustus 2013 heeft goedgekeurd dat de heer [appellant], Directeur van de Wegenautoriteit Suriname wordt ontslagen als Directeur van bovengenoemde autoriteit … “

2.1. [appellant] heeft in eerste aanleg in kort geding gevorderd het besluit van de Staat, althans de werking daarvan, waarbij aan de Wegenautoriteit vergunning is verleend om de arbeidsovereenkomst met [appellant] te beëindigen, op te schorten althans te schorsen totdat in de bodemprocedure definitief hierover is beslist.

2.2. Bij het bestreden eindvonnis van 17 juli 2014 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] zijn vordering heeft gegrond op schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel door de Staat, wat onrechtmatig handelen door de Staat impliceert. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt de grond van de vordering evenwel niet uit het petitum. [appellant] heeft opschorting dan wel schorsing van de beschikking gevorderd. In dit verband oordeelt de kantonrechter dat de civiele rechter geen beroepsinstantie is van de Ontslagcommissie en verwijst daarvoor naar de Nota van Toelichting en wel artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning. De kantonrechter heeft [appellant] niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaard.

3.1. Uit de aantekening van de griffier op het kort geding vonnis van 14 juli 2014 volgt dat [appellant] in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest. Het vonnis is bij dienstbrief van 15 augustus 2014 aan [appellant] meegedeeld. Aangezien hij op 21 augustus 2014 hoger beroep heeft ingesteld, is dit tijdig geschied.

3.2. Het hof acht voldoende aannemelijk dat [appellant] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering.

3.3.1. [appellant] heeft in eerste aanleg allereerst aangevoerd dat de ontslagaanvraag niet is gedaan door de bevoegde instantie, in dit geval het bestuur van de Wegenautoriteit, zodat de aanvraag in strijd met de wet en aldus nietig is. Het Hof is van oordeel dat [appellant] hiermee een bevoegdheidsgebrek aan de orde stelt en niet zozeer de ontslagbeschikking op zich. Zou met voldoende mate van zekerheid kunnen worden vastgesteld dat het besluit in een bodemprocedure geen stand zal houden, dan zou dit voldoende aanleiding kunnen zijn voor toewijzing van de vordering tot opschorting van het ontslag. Het hof is echter voorshands van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de ontslagbeschikking nietig dan wel vernietigbaar is. De vordering tot opschorting van het besluit op deze grond is dan ook niet toewijsbaar.

3.3.2. [appellant] heeft voorts aangevoerd dat de onrechtmatigheid van het besluit voortvloeit uit schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Het Hof stelt voorop dat de werkgever bij gebruikmaking van een aan hem verleende ontslagbeschikking een eigen afweging maakt van alle omstandigheden van het geval en of het ontslag gerechtvaardigd is. Onder omstandigheden immers kan het ontslag kennelijk onredelijk zijn, ongeacht de vraag of de minister al dan niet terecht toestemming heeft verleend voor de opzegging. In de rechtsgang voor dergelijke gevallen is bij civiele wetgeving reeds voorzien. Voor zover met voldoende mate van zekerheid zou kunnen worden vastgesteld dat de ontslagvergunning in een bodemprocedure geen stand zal houden, zou dit voldoende aanleiding kunnen zijn voor toewijzing van de vordering tot opschorting van het ontslag.

3.3.3. Het Hof is gelet op voorgaande overweging onder 3.3.2 van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de ontslagbeschikking nietig dan wel vernietigbaar is. De vordering tot opschorting van het besluit is op deze grond evenmin toewijsbaar.

3.3.4. [appellant] heeft tegen voormeld vonnis geen grieven ontwikkeld en via zijn gemachtigde recht op stukken gevraagd. Uit de stukken in eerste aanleg, waaronder voormeld vonnis, en op grond van voorgaande overwegingen zijn het Hof geen gronden gebleken die ambtshalve tot vernietiging van het beroepen vonnis aanleiding zouden kunnen geven. Het Hof zal voormeld vonnis dan ook bevestigen, onder aanvulling van de gronden.

3.3.5. [appellant] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding als na te melden.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Staat begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.V. Kuldip Singh, Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. M.V. Kuldip Singh

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 maart 2016, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. E.D. Esajas namens advocaat

mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellant, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2001-5

S.M.

A-371

[verzoeker], wonende te [district] aan de [adres],ten deze domicilie kiezende aan de Mr.F.H.R.Lim A Po no.20 boven, bij het advokatenkantoor Carrilho/Kensmil,voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.L.KENSMIL, advokaat,

verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette aan de Gravenstaat no.3 alhier, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,

verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen respectivelijk van 6 augustus 1999, en 19 mei 2000 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatst vermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de verzoeker in de enquete 3 getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat advokaat Mr.Marica namens de gemachtige van de verzoeker, advocaat Mr.Kensmil heeft afgezien van contra-enquete;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies na gehouden enquete heeft genomen, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 20 april 2001, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar luid van artikel 47 lid 4 sub a van het ”Politiehandvest” vorderingen tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van een tuchtstraf als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder e tot en met j, niet ontvankelijk zijn: indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat het besluit ter kennis van de gestrafte is gebracht, danwel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen;

Overwegende, dat, naar blijkt uit het proces-verbaal van verhoor van partijen de dato 21 maart 1997, verzoeker laatstelijk gediend hebbende in de rang van majoor van politie bij het Korps Politie Suriname, alstoen in raadkamer verschenen, onder meer heeft verklaard: ”In maart 1996, ik zat toen in voorarrest, werd ik geconfronteerd met een ontslagbeschikking. Op 11 april 1996 werd ik in vrijheid gesteld.

Ongeveer twee weken hierna ben ik de ontslagbeschikking in persoon op gaan halen. Ik ben wel naar de afdeling Personeelszaken geweest, maar heb mij niet aangemeld bij de Korpschef voor diensthervatting”;

Overwegende, dat, naar tussen partijen in rechte vaststaat, verzoeker bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie, gedagtekend 5 maart 1996 [nummer] met ingang van de dag volgende op die waarop het besluit ter kennis van hem, verzoeker hij is gebracht uit staatsdienst is ontslagen wegens onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid, ingevolge artikel 69 lid 4 van de Personeelswet;

Overwegende, dat, naar blijkt uit het verhoor van verzoeker op 25 april 1996 de ontslagbeschikking in persoon is gaan ophalen;

Overwegende, dat verzoekster, conform het bepaalde in artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest, geacht kan worden op 25 april 1996 kennis te hebben genomen van de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 5 maart 1996 [nummer], waarbij hij uit staatsdienst is ontslagen;

Overwegende, dat, naar blijkt uit de aantekening van de Griffier van het Hof van Justitie, verzoeker op 1 november 1996 zijn vordering tot vernietiging althans nietigverklaring van voormelde beschikking heeft ingediend, derhalve meer dan een maand nadat hij geacht kan worden van die beschikking kennis te hebben genomen;

Overwegende, dat verzoeker op grond van het zo juist overwogene alsnog niet ontvankelijk is in zijn tegen verweerder ingestelde vordering; het terzake door verweerder gevoerd verweer komt het Hof dan ook gegrond voor;

Overwegende, dat beantwoording van de vraag of verweerder al dan niet geslaagd is in het leveren van het bewijs, hem opgedragen bij tussenvonnis van 19 mei 2000, dan ook als volkomen irrelevant geheel in het midden kan worden gelaten;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker alsnog niet ontvankelijk in zowel zijn primaire als zijn subsidiaire en meer subsidiaire vordering;

Aldus gewezen door de heren Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.K.PULTOO en,Mw.Mr.Drs.C.C.L.A.V VALSTEIN-MONTOR, Leden en door de Vice-Presi­dent uitge­sproken ter openbare terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 20 JULI 2001, in tegenwoor­dig­heid van Mr.R.R.BRIJBHOKUN, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.J.Nibte namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.L.Kensmil en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.Dr. C.D.OOFT zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2001-4

M.H.

A – 470

[verzoeker], Hoofdambtenaar A 3e klasse bij het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze domicilie kiezende aan de [adres], ten kantore van Mr.F.F.P.Truideman, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name Het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende ten harer Parkette aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat,

verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat de verzoeker de navolgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name Het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende ten harer Parkette aan de Gravenstraat no.3, verweerder;

2. dat de verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet, zoals moge blijken uit de resolutie d.d. 15 september 1997 no.4610, met het verzoek de inhoud van deze resolutie als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

3. dat bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 16 januari 1989 no.283 inzake vaststelling van de Organisatie structuren van het Ministerie van Justitie en Politie (SB 1989 no.9) een Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken is ingesteld, terwijl met de dagelijkse leiding van de Hoofdafdelingen is belast een Onder-Direkteur die verantwoordelijk is voor de besluitvorming, met het verzoek de inhoud van deze beschikking als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

4. dat vanaf de instelling van deze Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken een Onder-Direkteur is benoemd in de persoon van [naam 1], die per 1 januari 1997 is overgeplaatst naar het Ministerie van Volksgezondheid;

5. dat de verzoeker vanaf de overplaatsing van de heer [naam 1] op 1 januari 1997 de leiding van deze Hoofdafdeling heeft waargenomen en alle verantwoordelijkheid heeft gedragen voor wat betreft de besluitvoering;

6. dat de funktie van Onder-Direkteur van de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken door de overplaatsing van de heer [naam 1] definitief is opengevallen en dient de verzoeker ingevolge artikel 22 lid 5 van de Personeelswet in die funktie van Onder-direkteur te worden benoemd;

7. dat de verzoeker dan ook op 7 maart 2000 de verweerder i.c. de Minister van Justitie en Politie ter zake heeft geschreven om overeenkomstig artikel 22 lid 5 van de Personeelswet zijn rechtspositie te regelen en middels een herinneringschrijven op 23 mei 2000 de verweerder des ondanks nalatig is gebleven om terzake een besluit te nemen, met het verzoek de inhoud van beide brieven als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

8. dat de verzoeker na zo’n lange tijdsverloop genoeglijk mag aannemen dat de verweerder m.b.t. zijn rechtspositie een afwijzend besluit heeft genomen en de verzoeker derhalve gerechtigd is met toepassing van artikel 80 lid 2 onder c van de Personeelswet daartegen bij Uw Hof op te komen, daar het hier betreft zijn rechtspositie m.b.t. zijn salaris en de verzoeker tegen een niet genomen salaris besluit mag opkomen, daar de verzoeker ingevolge artikel 22 lid 5 van de Personeelswet reeds stilzwijgend in die funktie is benoemd en dient thans de definitieve vastlegging te volgen;

9. dat het de verzoeker niet is gelukt de zaak minnelijk met de verweerder op te lossen;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard het afwijzend besluit van de verweerder inzake de rechtspositie van de verzoeker;

B. de verweerder zal worden veroordeeld om met toepassing van artikel 22 lid 5 van de Personeelswet die handelingen te verrichten inzake de definitieve vastlegging van de benoeming van de verzoeker tot Onder-Direkteur van de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken van het Ministerie van Justitie en Politie, onder toekenning van de aan die funktie verbonden salaris alles onder verbeurte van een dwangsom van sf.100.000,– (EENHONDERDDUIZEND GULDEN) voor iedere dag dat de verweerder nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven, Kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn geen verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen;

Overwegende, dat ingevolge s’ Hofs beschikking van 22 december 2000 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, advokaat Mr.F.F.P.Truideman, gemachtigde van verzoeker in persoon, advokaat Mr.A.R.Baarh, gemachtigde van verweerder, mevrouw [naam 2], die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker bij pleitnota produkties overgelegd, waarvan de inhoud van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 3 augustus 2001, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het in onderdeel A van het petitum gevorderde opmerkt, dat, vooropgesteld, dat verzoeker gedurende meer dan een jaar een funktie waarneemt, waaraan een hogere rang is verbonden dan hij bekleedt en dat hij aan de wettelijke vereisten voor benoembaarheid in die functie voldoet, dan maakt verzoeker aanspraak op bevordering tot die rang. Immers artikel 22 lid 5 van de Personeelswet laat in dat geval niet meer de gebruikelijke vrijheid van benoeming aan de overheid, doch schrijft imperatief voor dat de betrokkene geacht moet worden dan in de functie te zijn benoemd, hetgeen, zoals in de memorie van toelichting nog uitdrukkelijk wordt gezegd, inhoudt, dat hij aanspraak maakt op bevordering in de bij die funktie behorende rang, ook zonder dat een verzoek zijnerzijds tot bevordering wordt gedaan;

Overwegende, dat het Hof in verband met het zijdens verweerder aangevoerde dat verzoeker niet ontvankelijk is in zijn vordering omdat zijn vordering op 1 september 2000 is ingediend bij het Hof, terwijl hij de termijn van zes maanden ex artikel 78 lid 2 b van de Personeelswet zou moeten hebben afgewacht (7 september 2000) opmerkt, dat verzoeker, gelet op de aard van het verzoek door het Hof opgevat als een benoeming tot Onder-Directeur van Justitie, belast met de dagelijkse leiding van de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken, in het schrijven de dato 7 maart 2000, dat verzoek naar het het Hof voorkomt, had moeten richten aan de President van de Republiek Suriname als in casu het bevoegde orgaan ingevolge de Personeelswet en niet aan de Minister van Justitie;

Overwegende, dat het Hof wijders opmerkt dat nu verzoeker blijkens zijn stellingen in het 4e tot en met 7e “dat” van het verzoekschrift stilzwijgend zou zijn benoemd in de funktie van Onder-Directeur van Justitie, belast met de dagelijkse leiding van de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken en wel per 1 januari 1998, ontgaat het het Hof geheel hoe verzoeker op 7 maart 2000 aan de Minister van Justitie het verzoek kon doen hem in de opengevallen funktie van Onder-Directeur Vreemdelingenzaken te benoemen op grond van, naar uit het schrijven de dato 7 maart 2000, aan de Minister van Justitie gericht, blijkt, artikel 22 lid 5 van de Personeelswet;

Overwegende, dat verweerder op het zijdens verzoeker gedaan verzoek niet ingegaan is c.q. geen besluit genomen heeft, hetgeen verzoeker beschouwt als een afwijzend besluit, begrijpelijk is nu verweerder kennelijk, naar het Hof ervan uitgaat, het gedaan verzoek als irrelevant heeft beschouwd;

Overwegende, dat het Hof verzoeker in het in onderdeel A van het petitum gevorderde dan ook niet ontvankelijk zal verklaren;

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het zijdens verweerder aangevoerde, in verband met het in onderdeel B van het petitum gevorderde dat verzoeker nimmer bij enig besluit belast is met de waarneming van de leiding van de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken, welk verweer het Hof ter verduidelijking zo opvat dat verzoeker nimmer bij enig besluit belast is met de waarneming van de funktie van Onder-Directeur van Justitie, belast met de dagelijkse leiding van de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken opmerkt, dat verzoeker bij resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 15 september 1997 No.6218/97 te rekenen van 1 januari 1997 benoemd is tot Coordinator van de Afdeling Vreemdelingenzaken van het Ministerie van Justitie en Politie en dienovereenkomstig bevorderd tot Hoofdambtenaar A 3e klasse;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 3, lid 5 van de Personeelswet bevoegd is tot het nemen van “andere “ besluiten, gegrond op het bepaalde bij of krachtens de Personeelswet, het gezag dat verzoeker laatstelijk heeft bevorderd;

Overwegende, dat, naar eerder overwogen en tussen partijen vaststaat, verzoeker bij resolutie van de President van de Republiek Suriname van 15 september 1997 No.6218/97, is benoemd;

Overwegende, dat onder voormelde “andere” besluiten gegrond op het bepaalde bij of krachtens de Personeelswet , naar het oordeel van het Hof, valt een besluit tot het belasten van een ambtenaar met de waarneming van een definitief opengevallen funktie als bedoeld in artikel 22 van de Personeelswet;

Overwegende, dat derhalve ten aanzien van een dergelijk besluit het bevoegde gezag voor wat betreft verzoeker is c.q. zou zijn de President en niet de direkteur van Justitie; zoals verzoeker ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen in Raadkamer van 2 maart 2001 heeft verklaard; bovendien blijkt uit het schrijven van de directeur van Justitie en Politie de dato 15 januari 1997 geenszins van waarneming van een definitief opengevallen functie, met welke waarneming verzoeker belast zou zijn;

Overwegende, dat nu verzoeker niet bij besluit van de President belast is geweest met de waarneming van de sedert 1 januari 1997 definitief opengevallen funktie van Onder-Directeur van Justitie, belast met de dagelijkse leiding van de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken, zijnde het tegendeel gesteld noch gebleken, verzoeker zich dientengevolge niet met succes vermag te beroepen op het bepaalde in artikel 22 lid 5 van de Personeelswet, waarop zijn vordering in onderdeel B van het petitum is gebaseerd, dient het gevorderde in onderdeel B van het petitum te worden afgewezen;

Overwegende, dat het Hof dan ook zal beslissen als in het dictum te vermelden;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in het gevorderde in onderdeel A van het petitum;

Wijst af het in onderdeel B van het petitum gevorderde;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 19 oktober 2001, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.BRIJOBHOKUN, Fungerend-Griffier.

w.g.R.R.Brijobhokun w.g.J.R.Von Niesewand

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.S.M.Derby namens de gemachtigden van partijen, advokaten Mr.F.F.P.Truideman en Mr.A.R.Baarh.

SRU-HvJ-2002-2

M.H.

A – 438

HvJ 19 juli 2002

[verzoeker], wonende aan [adres] te [woonplaats], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Mr.F.H.R.Lim A Postraat no.1, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.F.Kruisland, advokaat,

verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, ten deze op de voet van artikel 146 lid 2 van de Grondwet vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domicilie hebbende te diens Parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,

verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Betalend

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker wenst bij deze de navolgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, ten deze op de voet van artikel 146 lid 2 van de Grondwet vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domicilie hebbende te diens Parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, verweerder;

2. Verzoeker is bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. [datum 1] [nummer 1], te rekenen vanaf 1 juli 1997, benoemd tot Officier van Justitie, welke resolutie bij deze wordt overgelegd, met verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen;

Verzoeker is mitsdien ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet;

3. Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. [datum 2][nummer 2] is verzoeker uit de sub 2 vermelde functie ontheven, welke resolutie bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie Rawan Sontono d.d 13 oktober 1999 No.333 aan verzoeker is betekend. Verzoeker legt voormelde resolutie en exploit hierbij over, met verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen;

4. Als uitvoering voor de sub 3 vermelde ontheffing is in de aldaar vermelde resolutie opgenomen, dat het belang van de dienst die ontheffing vordert, kennelijk het oog hebbende op het bepaalde in artikel 23 lid 5 van de Personeelswet. Het begrip “belang van de dienst” is echter uitermate vaag, aangezien het tal van aspecten van de overheidsdienst bevat, maar ook in tal van opzichten de wijze van uitoefening van overheidsgezag raakt door de betrokken ambtenaar. Het beginsel van rechtszekerheid voor de ambtenaar als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur brengt dan met zich, dat hij exact behoort te weten welke feiten en omstandigheden de ten aanzien van hem genomen beslissing hebben teweeggebracht en dat het terzake bevoegde gezag hem daaromtrent informeert uit hoofde van de aan voormeld beginsel dan inherente motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Voorts is verzoeker voorafgaande aan het nemen van voormelde beslissing niet gehoord of anderszins in de gelegenheid gesteld zijn belangen terzake te verdedigen, zodat verweerder niet op zorgvuldige wijze voormeld besluit heeft voorbereid. Verweerder heeft dan ook terzake de navolgende algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, t.w.:

a. het beginsel van rechtszekerheid voor de ambtenaar;

b. het beginsel van de motiveringsplicht;

c. het beginsel van verplichting tot hoor en wederhoor;

d. het beginsel van zorgvuldigheid in de voorbereiding van besluiten.

5. Verzoekers carrière bij het Openbaar Ministerie is door de sub 3 vermelde ontheffing abrupt afgebroken, hetgeen op ernstige wijze tekort doet aan verzoekers mogelijkheden zich verder te ontplooien op het gebied van de rechtshandhaving en rechtspleging.

6. Op grond van het sub 4 en 5 gestelde, heeft verzoeker recht en belang te vorderen, dat de sub 3 vermelde resolutie van de President van de Republiek Suriname zal worden nietig verklaard;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis de Resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. [datum] [nummer 2], waarbij verzoeker uit zijn funktie van Officier van Justitie werd ontheven, zal worden nietig verklaard, althans vernietigd;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd;

1. Tussen verweerder en verzoeker bestaat een arbeids-dus gezagsverhouding waarbij de bedrijfsvoering in casu het belang van de dienst behoort tot de vrijheid van beleid dat aan verweerder rechtens toekomt.

2. Verweerder wenst vooraf op te merken dat het besluit tot ontheffing van een ambtenaar zoals in casu ten rekeste sub 3 vermeld, geen tuchtrechtelijke maatregel is, maar een maatregel passend binnen de vrijheid van de verweerder om ambtenaren te mogen muteren.

3. Uitsluitend in het geval van een tuchtmaatregel is verweerder gehouden ex artikel 63 P.W. een ambtenaar te horen alvorens hem een straf op te leggen.

4. Bovendien is het geen vast gebruik c.q. beleid dat de verweerder een ambtenaar hoort alvorens hem te ontheffen. In het onderhavige geval is verzoeker diverse malen gehoord.

5. Verzoeker beroept zich voorts op schending van het motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur en het rechtszekerheidbeginsel als algemeen rechtsbeginsel. Het motiveringsbeginsel valt uiteen in de eisen van:

a. een begrijpelijke redenering.

b. een juiste interpretatie van het toegepaste wettelijk voorschrift.

c. juiste kwalificatie van de feiten.

6. Verweerder heeft op grond van het belang van de dienst, een consistent en begrijpelijke redenering gegeven die niet mank gaat aan innerlijke tegenstrijdigheid. De bepaling van de inhoud van het belang van de dienst is uitsluitend voorbehouden aan verweerder. Zulks wordt door de wetgever die de arbeidsverhouding van verzoeker en verweerder heeft geregeld in artikel 79 lid 4 P.W. benadrukt door expressis verbis te bepalen dat wat het belang van de dienst vordert, niet ter beoordeling van het Hof ligt, voor zover daaromtrent redelijkerwijs verschil van inzicht mogelijk is.

7. Verweerder heeft aan artikel 23 lid 5 P.W. geen onjuiste toepassing gegeven omdat, zoals hiervoren gesteld, de inhoud van het belang van de dienst ter discretionaire vaststelling van de verweerder behoort.

8. Bij de kwalificatie van de relevante feiten heeft verweerder gelet op het spraakgebruik en aanknoping gezocht in de tekst en bedoeling van de wet.

9. Bovendien valt ontheffing uit een funktie niet onder de vorderingen limitatief omschreven in artikel 79 P.W. en een pseudovordering zoals verzoeker ten rekeste sub 4 heeft omschreven, zal het limitatieve karakter van artikel 79 P.W. niet vermogen te doorbreken;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans hem deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen.

Overwegende, dat ingevolge ‘s Hofs beschikking van 19 oktober 2001 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen, [naam], verzoeker, Mr.F.Kruisland, gemachtigde van verzoeker, de heer K.Ramchand, Onderdirekteur Algemeen Beheer van het Ministerie van Justitie en Politie namens verweerder en Mr.A.R.Baarh, gemachtigde van de Staat Suriname, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hadden toegelicht en verdedigd, het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof termen aanwezig acht te gelasten een comparitie van partijen zo tot het verschaffen van inlichtingen als tot het beproeven van een vereniging;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Gelast partijen ambtshalve, verzoeker in persoon en verweerder deugdelijk vertegenwoordigd desgewenst vergezeld van haar advokaten, om ter terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 11 oktober 2002 des voormiddags te NEGEN UUR te verschijnen tot het verschaffen van inlichtingen en het beproeven van een vereniging;

Houdt iedere verdere uitspraak aan;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Vice-President, Mr.A.I.Ramnewash, Lid en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Lid-Plaatsvervanger en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 19 juli 2002, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.Van Genderen-Relyveld w.g.J.R.Von Niesewand

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.M.I.Vos namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.Kruisland en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.M.Derby namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

SRU-HvJ-2005-2

HET HOF VAN JUSTITIE IN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14128

[appellant], wonende aan [adres 1], voor wie als gemachtigde optraden, Mr. J. Kraag en wijlen Mr. E.J. Bruma, die thans vervangen worden door Mr. F.F.J. Troon, advocaat,

appellant in Kort Geding,

tegen

1. [geïntimeerde sub 1], wonende aan [adres 2],

2. [geïntimeerde sub 2], wonende aan [adres 3],

3. [geïntimeerde sub 3] , wonende aan [adres 4], door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr. M.I. Vos, advocaat,

geïntimeerden in Kort Geding,

De Fungerend President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 25 oktober 1999 en 28 april 2000 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 3 mei 2000, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde sub 1] en anderen als eisende partijen in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:

1. Eisers wensen bij deze de navolgende vordering in kort geding in te stellen tegen:

A. [appellant], wonende aan [adres 1] en

B. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname en ten deze domicilie kiezende te diens Parkette aan de Henck Arronstraat no. 03 (voorheen Gravenstraat) te Paramaribo, gedaagden,

2. Eisers hebben elk een onderneming waarin zij beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten uitoefenen, met name het verlenen van rechtsbijstand aan natuurlijke en rechtspersonen, zowel in – als buiten rechte, zulks in hun hoedanigheid van advocaat bij het Hof van Justitie en overeenkomstig het Advocatenbesluit.

3. Het sub 2 gestelde houdt onder meer in, dat eisers hun beroep en bedrijf slechts effectief kunnen uitoefenen en dus inkomsten ter voorziening in hun maatschappelijke behoeften kunnen genereren, indien de gerechtelijke procedures die zij voor en ten behoeve van degenen aan wie zij voormelde rechtsbijstand verlenen, voeren en/of moeten voeren door de gerechtelijke autoriteiten, in het bijzonder de President en de leden van het Hof van Justitie op rechtens deugdelijke en effectieve wijze worden vervolgd en afgewikkeld, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de inrichting en Samenstelling van de Rechterlijke Macht. Eisers hebben dan ook een rechtens beschermd en te beschermen belang bij een deugdelijke uitoefening van de rechtspraak in Suriname.

4. Gedaagde sub A is door de President van de Republiek Suriname bij besluit d.d. 20 juli 1998 te rekenen vanaf 15 juli 1998 benoemd tot President van het Hof van Justitie van Suriname, welk besluit hierbij wordt overgelegd en als hier geïnsereerd moet worden beschouwd.

5. Voor de benoeming tot President van het Hof van Justitie van Suriname ingevolge artikel 141 lid 2 van de Grondwet in verbinding met artikel 133 lid 1 daarvan, is het uitbrengen van advies daaromtrent door het Hof van Justitie van Suriname aan de benoemende instantie, zulks voorafgaand aan die benoeming, dwingend voorgeschreven.

6. Echter is met betrekking tot de sub 4 vermelde benoeming het sub 5 vermelde advies niet gegeven en zelfs niet gevraagd. Bovendien is de benoeming van gedaagde sub A geschied door de President van de Republiek Suriname en niet door de ingevolge artikel 141 lid 2 van de Grondwet daartoe bevoegde instantie, namelijk de Regering van Suriname, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Grondwet en mitsdien onbevoegdelijk geschied.

7. Op grond van het sub 5 en 6 gestelde is dan ook de sub 4 vermelde benoeming van gedaagde sub A rechtens nietig en van onwaarde. Gedaagde sub A is dan geen President van het Hof van Justitie van Suriname.

8. Niettemin gedraagt gedaagde sub A zich, in strijd met voormelde grondwettelijke bepalingen, als President van het Hof van Justitie van Suriname. Onder meer meent gedaagde sub A dat hij bevoegd is om kamers van het Hof van Justitie vast te stellen voor de behandeling van burgerlijke en strafzaken in hoger beroep en het behandelen van verzoeken tot opheffing van bevelen tot voorlopige hechtenis ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering.

9. In het kader van het sub 8 gestelde meent gedaagde sub A voorts, zulks in strijd met voormelde grondwettelijke bepalingen en dus ten onrechte, dat hij dan ingevolge artikel 277a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de artikelen 18 en 249 van het Wetboek van Strafvordering, bevoegd is om de dossiers betreffende de sub 8 vermelde zaken en verzoeken tot zich te nemen en onder zich te houden totdat hij kamers zal hebben gevormd. Tot de vorming van de kamers is hij echter onbevoegd, zoals bovengesteld en hij kan dan ook feitelijk die kamers niet vormen, aangezien de Algemene Vergadering van het Hof van Justitie van Suriname reeds op 16 juli 1998 heeft beslist, dat gedaagde sub A geen President van het Hof van Justitie is en mitsdien ook niet met hem zal worden samengewerkt. Voormeld besluit wordt door het Hof van Justitie van Suriname nog steeds gehandhaafd. Niettemin blijft gedaagde sub A zich ten onrechte gedragen als President van het Hof van Justitie van Suriname en gaat hij voort met het onder zich houden van voormelde dossiers.

10. Het sub 8 en 9 gestelde heeft tot gevolg, dat geen behandeling van burgerlijke zaken en strafzaken in hoger beroep plaatsvindt, geen verzoeken tot opheffing van voorlopige hechtenis worden behandeld en geen behandeling geschiedt van ambtenarenzaken. Zulks nu is in strijd met artikel 10 van de Grondwet en met artikel 8 van de American Convention on Human Rights en mitsdien onrechtmatig. Aangezien zulks veroorzaakt wordt door het onrechtmatig gedrag van gedaagde sub A, zoals sub 8 en 9 omschreven, handelt hij ook in strijd met die grondwettelijke en verdragsbepaling en dus ook op die grond onrechtmatig.

11. Het gevolg van het sub 10 gestelde is, dat eisers hun beroep niet op adequate wijze kunnen uitoefenen en daardoor ernstige schade lijden, onder meer door de derving van inkomsten. Gedaagde sub A handelt dan ook in strijd met de zorgvuldigheid, die hem in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van eisers betaamt en dus onrechtmatig tegenover eisers.

12. Gedaagde sub B ondersteunt het onrechtmatig gedrag van gedaagde sub A, zoals bovenomschreven door middels gezagsuitoefening over het personeel van de Griffie van het Hof van Justitie door haar orgaan, de Minister van Justitie en Politie, gedaagde sub A in staat te stellen vorenomschreven handelingen te verrichten. Gedaagde sub B handelt dan ook evenzeer onrechtmatig tegenover eisers.

13. Eisers hebben dan ook recht en belang tegen voormeld onrechtmatig gedrag van gedaagden in rechte op te komen. Op grond van het sub II gestelde vordert het belang van eisers een onverwijlde voorziening bij voorraad.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden hebben gevorderd:

dat bij vonnis In Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut:

I. Gedaagde sub A zal worden bevolen zich te onthouden van het uitoefenen van bevoegdheden en taken, die aan de President van het Hof van Justitie van Suriname toekomen en zijn toebedeeld.

II. Gedaagde sub A zal worden verboden om verrichtingen te doen met betrekking tot dossiers in burgerlijke zaken, strafzaken en ambtenarenzaken, alsmede ten aanzien van verzoeken tot opheffing van bevelen tot voorlopige hechtenis, voorgelegd aan het Hof van Justitie, welke aan de President van het Hof van Justitie toekomen en/of die dossiers onder zich te houden.

III. Gedaagde sub B zal worden verboden gedaagde sub A te ondersteunen in het verrichten van taken als President van het Hof van Justitie en het uitoefenen van aan dat ambt verbonden bevoegdheden.

IV. Gedaagde sub B zal worden bevolen het sub I omschreven bevel en het sub II omschreven verbod te gehengen en gedogen.

V. Gedaagde sub A en gedaagde sub B zullen worden veroordeeld om voor elke dag of elke keer, dat zij vorenomschreven te hunnen aanzien gegeven bevelen en/of verboden niet nakomen of overtreden, aan eisers, elk afzonderlijk, ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van Sf. 10.000.000,– (TIENMILJOEN GULDEN), Kosten rechtens;

Overwegende, dat gedaagde sub A bij de aanvang van de behandeling een akte van wraking heeft ingediend, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 25 oktober 1999 op de daarin opgenomen gronden:

In het incident:

De voorgestelde wraking heeft afgewezen;

In de hoofdzaak:

Partijen de gelegenheid heeft geboden in de onderhavige zaak te pleiten;

Iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen in de hoofdzaak hun conclusies schriftelijk bij de Griffier hebben ingediend, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor beraad onttrekking zijdens Mr. J. Kraag bepaald, Mr. H.P. Boldewijn de Kantonrechter heeft medegedeeld, dat Mr. J. Kraag zich als gemachtigde van gedaagde sub B aan de zaak onttrekt;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 28 april 2000 op de daarin opgenomen gronden;

Gedaagde sub A heeft bevolen zich te onthouden van het uitoefenen van bevoegdheden en taken, die aan de President van het Hof van Justitie (van Suriname) toekomen en zijn toebedeeld;

Gedaagde sub A heeft verboden om verrichtingen te doen met betrekking tot dossiers in burgerlijke zaken, strafzaken en ambtenarenzaken, alsmede ten aanzien van verzoeken tot opheffing van voorlopige hechtenis, voorgelegd aan het Hof van Justitie, welke aan de President van het Hof van Justitie toekomen en die dossiers onder zich te houden;

gedaagde sub B heeft verboden, gedaagde sub A te ondersteunen in het verrichten van taken als President van het Hof van Justitie en het uitoefenen van aan dat ambt verbonden bevoegdheden;

gedaagde sub B heeft bevolen het sub I omschreven bevel en het sub II omschreven verbod te gehengen en te gedogen;

gedaagde sub A en sub B heeft veroordeel om voor elke dag dat zij vorenomschreven te hunnen aanzien gegeven bevelen en verboden niet nakomen, aan eisers elk afzonderlijk ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van Sf. 10.000.000,–(TIEN MILJOEN GULDEN) per dag;

dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut heeft verklaard;

gedaagden heeft verwezen in de kosten van dit proces aan eisers zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 27.474,50 (Zevenentwintig duizend vierhonderd en vierenzeventig 50/100 gulden);

het meer of anders gevorderde heeft geweigerd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] en de Staat Suriname in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 28 april 2000;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M. Sitaram van 18 december 2000 aan geïntimeerden aanzegging van het ingesteld hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat advocaat Mr. F.F.J. Troon, gemachtigde van de Staat Suriname in de zaak AR 99/4283, in zijn schrijven van 27 februari 2001, het appel zijdens de Staat Suriname heeft ingetrokken, terwijl het appel zijdens [appellant] gehandhaafd blijft;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellant bij pleitnota en repliek pleidooi producties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating produkties bepaald advocaat Mr. H.E. Struiken namens advocaat Mr. M.I. Vos heeft gepersisteerd bij haar stellingen;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat uit de gedingstukken blijkt dat het door de Staat Suriname ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 28 april 2000, gewezen in de zaak AR nummer 99/4283, is ingetrokken en dat het door [appellant] tegen genoemd vonnis ingesteld hoger beroep is gehandhaafd;

Overwegende, dat het hoger beroep tijdig is ingesteld:

Overwegende, dat uit de gedingstukken verder is op te maken dat [appellant] in voormelde zaak de met de behandeling van die zaak belaste Kantonrechter heeft gewraakt en dat bedoelde Kantonrechter de wraking bij vonnis van 25 oktober 1999 heeft afgewezen;

Overwegende, dat appellant in het incident een drietal grieven en in de hoofdzaak een elftal grieven heeft opgeworpen;

Overwegende, dat de in het incident opgeworpen grieven kennelijk betrekking hebben op het in de wrakingszaak gewezen vonnis; dat echter ingevolge artikel 44 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de beslissingen in zaken van wraking niet aan enig hoger beroep onderworpen zijn, zodat het Hof verder aan bedoelde grieven voorbij kan gaan;

Overwegende, dat de grieven in de hoofdzaak als volgt luiden:

I. Ten onrechte heeft de Kantonrechter in de 5e rechtsoverweging aangenomen dat het wederom aan de orde stellen van de ten onrechte als ongegrond afgewezen wraking in flagrante strijd met een goede procesorde zou zijn en de Kantonrechter heeft ten onrechte het in het tweede “sustenu” van het antwoordpleidooi aangevoerde niet besproken en daarover een beslissing genomen;

II. Ten onrechte heeft de Kantonrechter in de 6e rechtsoverweging overwogen dat de benoeming van appellant tot President van het Hof van Justitie in strijd zou zijn met artikel 141 lid 2 van de Grondwet;

III. Ten onrechte heeft de Kantonrechter in de 6e rechtsoverweging aangenomen dat appellant niet bevoegd zou zijn de indeling der kamers van het Hof van Justitie aan de overige leden van het Hof van Justitie door te geven en hij, Kantonrechter, derhalve bevoegd was in kort geding recht te spreken;

IV. Ten onrechte heeft de Kantonrechter in de 8ste rechtsoverweging aangenomen dat geïntimeerden terecht appellant in privé in rechte hebben opgeroepen;

V. Ten onrechte heeft de Kantonrechter in de 10e rechtsoverweging aangenomen dat het in casu zou gaan over een eenvoudige toepassing van de grondwet welke zich leende voor een behandeling in kort geding;

VI. Ten onrechte heeft de Kantonrechter in de 11e rechtsoverweging aangenomen dat de Nationale Assemblee de benoeming van appellant tot President van het Hof van Justitie niet kan bekrachtigen;

VII. Ten onrechte heeft de Kantonrechter in de 15e rechtsoverweging aangenomen dat de vergadering waarin appellant in het 12e “sustenu” van het antwoordpleidooi in eerste aanleg gewag maakt, niet één is in de zin van artikel 1 van het Reglement van Orde van het Hof van Justitie en slechts zou zijn bijgewoond door niet-leden van het Hof van Justitie;

VIII. Ten onrechte heeft de Kantonrechter in de 17e rechtsoverweging aangenomen dat het door appellant in het 12e “sustenu” van het antwoordpleidooi in eerste aanleg aangevoerde geen hout snijdt;

IX. Ten onrechte heeft de Kantonrechter in de 19e rechtsoverweging aangenomen dat geïntimeerden zich terecht erop beroepen hebben dat zij door de houding van appellant c.q. de gedragingen van appellant vanwege het feit dat door zijn toedoen in het bijzonder geen behandeling van strafzaken in hoger beroep plaats vond, geen verzoeken tot opheffing van voorlopige hechtenis werden behandeld en geen behandeling van ambtenarenzaken geschiedde, hun beroep niet op adequate wijze konden uitoefenen en als gevolg daarvan ernstige schade leden onder meer bestaande uit derving van inkomsten;

X. Ten onrechte heeft de Kantonrechter appellant bevolen zich te onthouden van het uitoefenen van bevoegdheden en taken, die aan de President van het Hof van Justitie toekomen en zijn toebedeeld;

XI. Ten onrechte heeft de Kantonrechter appellant verboden om verrichtingen te doen met betrekking tot dossiers in burgerlijke zaken, strafzaken en ambtenarenzaken, alsmede ten aanzien van verzoeken tot opheffing van voorlopige hechtenis, voorgelegd aan het Hof van Justitie welke aan de President van het Hof van Justitie toekomen en die dossiers onder zich te houden;

Overwegende, dat appellant ter toelichting op grief I, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, heeft gesteld dat aangezien de Kantonrechter zich bevoegd achtte de hoofdzaak te behandelen hij, appellant, genoodzaakt was in de hoofdzaak wederom de voorgestelde wraking ter sprake te brengen indachtig het gezegde “beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald”, zodoende Mr. J.R. von Niesewand alsnog de mogelijkheid biedende zich onbevoegd te verklaren;

Overwegende, dat geïntimeerden, voor zoveel hier van belang, hebben aangevoerd dat het duidelijk is dat als de rechter in een geding een rechtsvraag omtrent zijn bevoegdheid heeft beslist, het na die beslissing opnieuw aan de orde stellen van die rechtsvraag slechts tot vertraging van de procedure leidt, vooral wanneer zoals in casu de bedoeling daarbij is de rechtsgang van het geding te frustreren en zulks dat ook op grond van de eisen van een goede procesorde niet kan worden getolereerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter de wraking reeds definitief had afgehandeld en het wederom aan de orde stellen van die wraking daarom geen redelijk belang diende;

Overwegende, dat de Kantonrechter zich, naar ’s Hofs voorlopig oordeel, dan ook op het standpunt kon stellen dat de houding van appellant sub B in strijd was met een goede procesorde;

Overwegende, dat daarbij in het midden kan blijven of er wel of niet sprake is van flagrante strijd, omdat reeds strijd met een goede procesorde zonder meer, hetwelk de Kantonrechter, zoals boven is overwogen, aanwezig kon achten, het verder onbesproken laten van het aangevoerde rechtvaardigde;

Overwegende, dat grief I mitsdien niet opgaat;

Overwegende, dat geïntimeerden hebben aangevoerd – en uit het inleidend verzoekschrift ook blijkt – dat aan appellant verweten wordt, kort gezegd, dat hij als privé persoon onrechtmatig heeft gehandeld;

Overwegende, dat de vordering dan ook terecht tegen appellant in privé is ingesteld en grief IV derhalve wordt verworpen:

Overwegende, dat de toelichting op grief IX erop neerkomt dat, gelet op artikel 31 van het Besluit tot vaststelling van de Orde van de Inwendige dienst bij het Hof van Justitie, volgens welke de Procureur-Generaal in het bijzonder waakt voor de behandeling en uitvoering der wettelijke regelingen en reglementen bij het Hof van Justitie en de Kantongerechten, de onderhavige vordering door genoemde Procureur-Generaal diende te zijn ingesteld en niet door een drietal advocaten die op een goede dag besluiten dat het een prima aprilmop zou zijn om de President van het Hof van Justitie in kort geding op te roepen om hem mede te delen dat hij zich zou moeten onthouden van zijn bij de wet aan hem opgedragen taak en geïntimeerden reeds hierom niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun oorspronkelijke vordering;

Overwegende, dat niet kan worden ingezien welk verband er bestaat tussen het antwoord op de vraag of de vordering wel of niet door de Procureur-Generaal diende te worden ingesteld en het antwoord op de vraag of de Kantonrechter wel of niet terecht heeft aangenomen dat geïntimeerden zich terecht erop hebben beroepen dat zij door de houding, althans gedragingen, van de appellant ernstige schade hebben geleden;

Overwegende, dat, wat van het voorgaande ook zij, het door appellant geciteerde artikel naar het voorlopig oordeel van het Hof niet uitsluit dat een vordering als de onderhavige op de hier aangevoerde gronden wordt ingesteld door anderen dan de Procureur-Generaal;

Overwegende, dat het Hof zich kan verenigen met de in grief IX gewraakte overweging en deze grief derhalve dient te worden verworpen;

Overwegende, dat appellant in de toelichting op grief II heeft aangevoerd dat de vraag of zijn benoeming al of niet rechtsgeldig is nu er niet om advies aan het Hof van Justitie is gevraagd een is die niet thuishoort bij de Rechter in kort geding, maar ingevolge artikel 144 lid 2 van de Grondwet bij het Constitutioneel Hof; dat, dit artikel immers stelt dat het Constitutioneel Hof tot taak zal hebben “het beoordelen van de verenigbaarheid van besluiten van overheidsorganen met een of meer der in Hoofdstuk V genoemde grondrechten”.

Overwegende, dat geïntimeerden zich terecht op het standpunt stellen dat het in casu gaat om strijd met het bepaalde in artikel 141 van de Grondwet, welke bepaling geen betrekking heeft op grondrechten en in elk geval niet in hoofdstuk V van de Grondwet voorkomt;

Overwegende, dat appellant in de toelichting op de grief de beslissing van de Kantonrechter dat, kort gezegd, ingevolge het bepaalde in artikel 141 lid 2 van de Grondwet voor de benoeming van appellant het advies van het Hof van Justitie moest zijn ingewonnen en dat zulks niet is gebeurd, niet heeft aangevochten, zodat van de juistheid hiervan kan worden uitgegaan;

Overwegende, dat, waar het adviesvereiste naar het voorlopig oordeel van het Hof fundamenteel is voor het evenwicht tussen en staatsmachten, het Hof zich met de conclusie van de Kantonrechter, dat voormelde benoeming geen rechtsgevolg kan verenigen;

Overwegende, dat aan het voorgaande niet afdoet hetgeen appellant met betrekking tot de benoeming van andere personen heeft aangevoerd en grief II dus faalt;

Overwegende, dat appellant in de toelichting op grief V enkele argumenten heeft herhaald, die bij de bespreking van grief II reeds aan de orde zijn gekomen en geen verdere bespreking behoeven;

Overwegende, dat het Hof voorshands van oordeel is dat, waar niet gesteld of gebleken is dat, in verband met de vraag of artikel 141 lid 2 van de Grondwet op de juiste wijze was toegepast, feitelijke onduidelijkheden bestonden, niets hem, Kantonrechter, belette om, zoals hij in casu heeft gedaan, bij de beantwoording van de vraag of de gevraagde voorziening kon worden toegewezen, zijn voorlopig oordeel over eerstvermelde vraag te geven;

Overwegende, dat grief V evenmin opgaat;

Overwegende, dat appellant in eerste aanleg als argument voor het van kracht zijn van de resolutie, waarbij hij tot President van het Hof van Justitie was benoemd, en voor de rechtmatigheid van die benoeming heeft aangevoerd dat die benoeming inmiddels door de Nationale Assemblee bij motie was bekrachtigd respectievelijk dat zijn benoeming door de Nationale Assemblee in vergadering was goedgekeurd;

Overwegende, dat de Kantonrechter voormelde stellingen kennelijk aldus heeft opgevat en ook kon opvatten dat beweerd werd dat een eventueel gebrek in de vorenbedoelde benoeming door een besluit van de Nationale Assemblee was geheeld;

Overwegende, dat ook geïntimeerden bedoelde stellingen aldus hebben opgevat, gelet op hun, hier zakelijk weergegeven, verweer dat de Nationale Assemblee niets van doen had met de benoeming van leden van de Rechterlijke Macht.

Overwegende, dat appellant ter toelichting van grief VI, voor zoveel hier van belang, heeft aangevoerd dat, daar bij sommigen, o.a. de groep “von Niesewand” de indruk bestond dat het besluit van de regering van de Republiek om appellant tot President van het Hof van Justitie te benoemen zonder daarbij het advies van het Hof van Justitie af te wachten, misschien wel dubieus was, de Nationale Assemblee na openbare discussie dit besluit van de regering heeft bekrachtigd;

Overwegende, dat appellant in zijn repliek-pleitnota heeft aangevoerd dat dit (te weten de bekrachtiging in een vergadering van de Nationale Assemblee met de regering) niet betekent dat de rechtsprekende organen gebonden zouden zijn; dat het wel betekent dat de Kantonrechter in kort geding niet zonder meer een dergelijke bekrachtiging van de beslissing van de regering door de Nationale Assemblee naast zich kan neerleggen;

Overwegende, dat niet is in te zien waarom, indien de bekrachtiging niet bindend is voor rechtsprekende organen, de rechter in kort geding desondanks met die bekrachtiging rekening zou moeten houden;

Overwegende, dat het hier gaat om een motie, waarin de Nationale Assemblee zijn oordeel heeft uitgesproken over een handeling van de regering en een dergelijke motie geen rechtsbron is, zodat de kortgedingrechter, zoals appellant zelf heeft aangegeven, daaraan niet gebonden was;

Overwegende, dat grief VI dan ook dient te worden verworpen;

Overwegende, dat gelet op het hetgeen met betrekking tot grief II is overwogen, grieven VII en VIII eveneens dienen te worden verworpen;

Overwegende, dat grief X en grief XI berusten op de premisse dat appellant President is van het Hof van Justitie;

Overwegende, dat nu, zoals blijkt uit hetgeen met betrekking tot grief II is overwogen, deze premisse voorshands onjuist wordt geacht, de grieven falen;

Overwegende, dat nu er geen aanleiding is om ambtshalve anders te beslissen, het beroepen vonnis, onder aanvulling van gronden, zal worden bevestigd, met veroordeling van de appellant in de op dit hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden gevallen proceskosten.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING

Bevestigt onder aanvulling van gronden het vonnis van de Kantonrechter, gewezen en uitgesproken op 28 april 2000, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van de geïntimeerden gevallen en begroot op SRD 350,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advocaat voor het door haar gehouden pleidooi toegekend salaris van SRD 350,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellant eveneens op SRD 350,–.

Aldus gewezen door: Mr. E.S. Ombre, Fungerend-President, Mr. K. Pultoo en Mr. Drs. C.C.L.A. Valstein-Montnor, Leden w.g. E.S. Ombre en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 4 maart 2005, door de Fungerend-President, Mr. K. Pultoo, in tegenwoordigheid van Mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g. K. Pultoo

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2006-3

HET HOF VAN JUSTITIE IN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61

VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gezien het verzoekschrift ingediend op 4 juli 2006 door mr. I.D. Kanhai, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [naam], met het verzoek om conform artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, het bevel gegeven door de Kantonrechter in het Tweede Kanton tot gevangenhouding, te willen opheffen onder voorwaarden door Uw Hof vast te stellen en de onmiddellijke invrijheidstelling te willen gelasten;

Gelet op ‘s Hoven beschikking d.d. 31 augustus 2006, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald op woensdag 6 september 2006 des voormiddags te 09.00 uur;

Gehoord de verzoeker in Raadkamer bijgestaan door diens raadsman mr. I.D. Kanhai, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. J.S. MOHAMEDAMIN, waarnemend Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het Raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in Raadkamer van woensdag 6 september 2006;

Overwegende, dat verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het door zijn raadsman ingediend verzoekschrift en de raadsman eveneens, na dat te hebben toegelicht, zoals vervat in het door het Hof opgemaakte proces-verbaal, waarvan de inhoud hier als geinsereerd dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de waarnemend Procureur-Generaal tijdens zijn betoog gevorderd heeft het gedane verzoek af te wijzen op gronden zoals door hem aangehaald in het door het Hof opgemaakt proces-verbaal;

Overwegende, dat het Hof het meest verstrekkend verweer van de raadsman van verzoeker m.b.t. de nietigheid van de behandeling van de strafzaak door de kantonrechter mr. A.I. Ramnewash en alsgevolg daarvan de nietigheid van de door die kantonrechter gedane uitspraak op grond van artikel 254 wetboek van Strafvordering, zal verwerpen en wel op grond van het navolgende:

– artikel 254 lid 1 Wetboek van Strafvordering luidt alsvolgt: “De rechter die als rechter-commissaris enig onderzoek in de zaak heeft verrricht, neemt, op straffe van nietigheid, aan het onderzoek op de terechtzitting geen deel”.

– de kantonrechter mr. A.I. Ramnewash heeft in deze zaak op 31 augustus 2005 als Rechter-Commissaris een bewaring gelast;

– de rechtsvraag die het Hof ter beantwoording voorgelegd heeft gekregen is derhalve of “het verlenen van die bewaring valt onder “enig onderzoek” zoals bedoeld in artikel 254 lid 1 wetboek van Strafvordering en of in casu daardoor sprake is geweest van subjectieve- dan wel objectieve partijdigheid van de zittinsrechter;

– De jurisprudentie beantwoordt deze vraag ontkennend onder andere in HR 15 maart 1988 NJ 1988, 847 alsmede in HR 14 mei 1991, NJ 1991, 695, waarin onder andere het standpunt is terug te vinden dat “de rechterlijke onpartijdigheid niet in gevaar werd gebracht nu mr. K. als rechter-commissaris geen gerechtelijk vooronderzoek heeft verricht doch slechts de bewaring heeft bevolen” en voorts dat “de enkele betrokkenheid van een rechter bij beslissingen over de voorlopige hechtenis van de verdachte in het algemeen zijn onpartijdigheid in de zin van de door het middel bedoelde verdragsbepalingen niet aantast. Bijzondere omstandigheden die in dit geval tot een ander oordeel hadden moeten leiden blijken niet uit de stukken van het geding”.;

– het Hof is op grond van het hiervorengestelde van oordeel dat in casu noch van subjectieve-, noch van objectieve partijdigheid sprake is en overweegt daarbij tevens dat door de rechtspraak (NJ 1993, 194) het standpunt wordt gehuldigd dat “een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande vrees objectief gerechtvaardigd is”. De verdediging heeft naar het oordeel van het Hof onvoldoende gesteld om aannemelijk te maken, dat een dergelijke vrees in casu gegrond is;

– ten aanzien van het door verzoeker aangehaald arrest HR 13 januari 1998 NJ 1998, 188, merkt het Hof op dat dat arrest betrekking heeft op een voorzitter van de Strafkamer, die tevoren als RC de bewaring had bevolen en tevens ambtshalve een gerechtelijk vooronderzoek had geopend, een casus die naar het oordeel van het Hof niet vergelijkbaar is met de onderhavige, waardoor het Hof voorbij gaat aan dat arrest;

Overwegende, dat het Hof, gelet op het feit, dat uit het onderzoek in Raadkamer gebleken is, dat de omstandigheden die geleid hebben tot het geven van het bevel tot gevangenhouding, nog aanwezig zijn en het Hof dan ook geen termen aanwezig acht het verzoek toe te wijzen;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel, artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering;

B E S C H I K K E N D E

Verwerpt het door de raadsman van verzoeker naar voren gebrachte verweer;

Wijst af het verzoek;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op WOENSDAG 13 SEPTEMBER 2006, door Mr. J.R. VON NIESEWAND, Waarnemend-president, Mr. H.E. STRUIKEN, Lid, en Mr. A. CHARAN, Lid-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de Fungerend-griffier, mr. V.SPLINTER-BANDHOE.

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2006-2

Hof van Justitie

08 november 2006

(mrs. .C.L.A. Valstein-Montnor, .H.M.H. Rasoelbaks, A.A. Hermelijn)

Beschikking inzake beroep ex artikel 54a lid 4 van het Wetboek van Strafvordering.

Gezien het beroepschrift ingediend bij de griffier van de Rechter-commissaris op 2 november 2006 door Mr.G.R. Sewcharan, advocaat bij het Hof van Justitie namens [verzoeker/appellant], met het verzoek de beslissing van de rechter-commissaris d.d. 31 oktober 2006 te vernietigen en de onmiddellijke invrijheidstelling van verzoeker/appellant te bevelen;

Gelet op ’s Hovens beschikking d.d. 3 november 2006, waarbij de behandeling van het beroep is bepaald voor maandag 3 november 2006 des namiddags te 13.00 uur;

Gehoord in Raadkamer, de verzoeker/appellant, bijgestaan door zijn raadsman, Mr.G.R. Sewcharan, advokaat bij het Hof van Justitie;

Gehoord Mr.R.P. Baidjnath Panday, als waarnemend Procureur-generaal bij het Hof van Justitie, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het procesdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het beroep in Raadkamer op maandag 6 november 2006;

Overwegende, dat verzoeker/appellant in het kader van het verhoor in raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het door zijn raadsman ingediend beroepschrift alsook zijn raadsman, na dat beroepschrift te hebben toegelicht, zoals vervat in het daarvan opgemaakt proces-verbaal, waarvan de inhoud als hier geïnsereerd dient te worden beschouwd.

Overwegende, dat de waarnemende Procureur-generaal tijdens zijn betoog gevorderd heeft, het gedane verzoek af te wijzen op gronden door hem aangehaald, zoals vervat in het daarvan door ons opgemaakte proces-verbaal, waarvan de inhoud eveneens als hier geïnsereerd dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de raadsman van de verzoeker/appellant tijdens de behandeling van de zaak in Raadkamer o.a. naar voren heeft gebracht, dat ingevolge de bepalingen zoals vervat in artikel 7 lid 5 van het Inter-Amerikaans Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en artikel 9 lid 3 van het Bupo-verdrag, (welke bepalingen volgens hem een rechtstreekse doorwerking hebben in onze nationale wetgeving), een verdachte, nadat hij in verzekering is gesteld, onverwijld voor de rechter moet worden geleid;

Overwegende, dat het Hof de grieven van de verzoeker/appellant besprekende, van oordeel is, dat geen daarvan kan leiden tot vernietiging van de beroepen beschikking en als sequeel daarvan de invrijheidstelling van het verzoeker/appellant;

Overwegende, dat de raadsman van verzoeker/appellant als eerste grief naar voren heeft gebracht, dat in de beroepen beschikking is vermeld: ”gehoord de verzoeker/verdachte bijgestaan door zijn raadsman”, terwijl de raadsman tijdens het horen van de verdachte door de rechter-commissaris niet aanwezig was;

Overwegende, dat het schriftelijk verzoek tot invrijheidstelling namens de verdachte door diens raadsman is ingediend, op grond waarvan de verdachte conform de wet is gehoord;

Overwegende, dat al zou dit laatste het geval zijn – waarbij het Hof in dat kader over onvoldoende feitelijke informatie beschikt mede over de reden(en) van een eventuele afwezigheid van de raadsman bij dat verhoor – is door de verzoeker/appellant niet gesteld noch onderbouwd dat hij daardoor op enigerlei wijze in zijn rechten zou zijn aangetast c.q. schade zou hebben geleden;

Overwegende, dat het Hof deze grief op grond van het vorenoverwogene zal verwerpen;

Overwegende, dat dezelfde reden ten grondslag ligt aan de verwerping van de grieven 2 en 3; de enkele vaststelling dat een bepaalde periode is verlopen tussen het horen van de verdachte en het geven van de beschikking, rechtvaardigt niet ipso jure de gevolgtrekking dat die beslissing niet zo spoedig mogelijk is gegeven als daarbij niet tevens is betrokken de specifieke schade die de verdachte daardoor lijdt in zijn rechten/verdediging; De omstandigheid dat de beslissing gegeven is ongeveer twaalf (12) dagen na het horen van de verdachte is, gelet op het in daartoe ingediende verzoekschrift aangesneden onderwerp ter beoordeling voorgelegd aan de rechter-commissaris (promptly before a judge leiden van de verdachte), niet buiten-proportioneel lang;

Overwegende, dat de verzoeker/appellant geen schade in zijn verdediging/rechten lijdt, indien de rechter-commissaris bij zijn oordeel, inhoeverre de verdachte terecht inverzekering is gesteld, behalve de rechtmatigheidstoets, ook de doelmatigheidstoets aanwendt; zijnde dit immers niet voorgeschreven op straffe van nietigheid;

Overwegende, dat het beroep van de verzoeker/appellant op artikel 9 lid 3 van het Verdrag inzake Burgerlijke- en Politieke rechten (BUPO-Verdrag) en artikel 7 lid 5 van het Inter-Amerikaans Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (IVRM), in principe ertoe strekkende de bepalingen van strafvordering, betreffende de termijnen van inverzekeringstelling en verlenging daarvan als in strijd met genoemde verdragsbepalingen, ingevolge artikel 106 van de Grondwet buiten toepassing te laten, inzoverre succes sorteert, dat het Hof met de verzoeker/appellant van oordeel is, dat genoemde bepalingen zich lenen voor rechtstreekse werking in de Surinaamse rechtssfeer;

Overwegende, evenwel, dat de verlangde consequentie en voorziening achterwege zal blijven, aangezien het in kwestie naar ’s Hovens oordeel, primair op de weg van de wetgever gelegen is, die voorzieningen te treffen, waartoe de staat zich bij Verdrag heeft verbonden; immers, gegeven de aard van de betrokken Verdragsbepalingen en de in geding zijnde belangen, zal moeten worden afgewogen in hoeverre binnen de huidige en te verwachten stand van de strafvorderlijke organisatie en onze huidige wetgeving ”promptly” kan worden geïnterpreteerd binnen het kader van aangehaalde wetsbepalingen;

Overwegende, dat het Hof op dit moment na afweging van de betrokken belangen, tot het eindoordeel komt, dat grief 4 eveneens zal worden verworpen;

Overwegende, dat het Hof derhalve de grieven van de verzoeker/appellant zal verwerpen en de beroepen beschikking van de rechter-commissaris zal bevestigen, onder aanvulling van gronden;

Gezien het betrekkelijk wetsartikel, m.n. artikel 54a lid 4 van het Wetboek van Strafvordering;

Beschikkende:

Verwerpt de door de raadsman van de verzoeker/appellant naar voren gebrachte grieven;

Wijst af het gedane verzoek;

Bevestigt onder aanvulling van gronden, de beschikking van de rechter-commissaris, gegeven op 31 oktober 2006, waarvan beroep;

 

 

 

 

SRU-HvJ-2007-1

Het Hof van Justitie van Suriname

2 november 2007, A-626

(mr. J.R. von Niesewand, mr. D.D. Sewratan, mr. H.E. Struiken)

[verzoeker], wonende aan [adres] te [district], te dezer zake domicilie kiezende aan de Frederik Derbystraat no. 13A boven te Paramaribo ten kantore van de advokaat mr. G.R. Sewcharan, voor wie als gematigde optreedt, mr. G.R. Sewcharan, advocaat, verzoeker,

tegen

De Staat Suriname, rechtspersoon, ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur- Generaal bij het Hof van Justitie kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no.1, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. R.D. Zweevel, advocaat, verweerder,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit: (betalend) Het hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

Bij beschikking d.d. 1 december 2006 onder bureau [nummer], heeft de Minister van Defensie, nader te noemen verweerder, verzoeker ontslagen uit Staatsdienst, afdeling Landmacht van het Nationaal Leger, ingevolge artikel 35 lid 4 van de Wet Rechtspositie Militairen. Van de beschikking wordt hierbij een afschrift overgelegd (zie Productie 1). De beschikking is op 21 december 2006 afgegeven aan een familielid van verzoeker en de dag daaropvolgend ter kennis van verzoeker gebracht. Verzoeker kan zich met de beschikking, althans het besluit, en de gronden waarop die berust, niet verenigen en wenst op basis van de navolgende gronden bij uw Hof de onderhavige vordering in te stellen.

1. Blijkens de beschikking, voor zover hier van belang, wordt als grond voor het besluit vermeld dat verzoeker op 20 november 2004 in verzekering werd gesteld door de Militaire Politie en dat hij bij vonnis van 8 maart 2005 veroordeeld is geworden tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Als tweede grond is aangevoerd dat verzoeker bij verweerschrift d.d. 18 januari 2006 onvoldoende beargumenteerd heeft waarom van bestraffing afgezien moest worden.

2. Zoals gesteld, is verzoeker het niet eens met het besluit en de aangehaalde gronden. Bij het geven van de beschikking is in strijd gehandeld met een of meer beginselen van behoorlijk bestuur. Allereerst is de beschikking in strijd met het motiveringsbeginsel. In casu wordt slechts verwezen naar het feit dat verzoeker veroordeeld is geworden. Die motivering is gebrekkig en onvoldoende om een dergelijke beschikking te dragen. De Minister heeft hier verzuimd om aan te geven waarom de veroordeling van verzoeker dusdanig ernstig is dat hij daarvoor ontslagen moet worden. In casu kan dus niet gesproken worden van een weloverwogen beslissing. Bij gebruikmaking van zijn ontslagbevoegdheid dient de Minister een deugdelijke motivering te geven. In casu klemt zulks te meer nu verzoeker in dienst is getreden op 7 augustus 1991 en nooit eerder in opspraak is geweest, noch om welke reden dan ook disciplinair is gestraft.

3. Ook is de beschikking in strijd met het materiële zorgvuldigheidsbeginsel. De Minister heeft bij het nemen van de beslissing niet er voor gewaakt dat de getroffen maatregel zo weinig mogelijk schade veroorzaakt. De gevolgen van het ontslag treffen in casu niet alleen verzoeker maar ook zijn ouders die beiden voor hun zorg voor een deel van hem afhankelijk zijn. De ouders van verzoeker zijn 72 en 74 jaar oud.

4. De beschikking is tevens in strijd met het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel. De lasten van de beschikking mogen volgens dit beginsel niet onevenredig zwaar zijn gezien de doelen die het besluit wil dienen. Verzoeker is ruim 15 jaren in militaire dienst in de functie van Wapenhersteller en heeft zich altijd volledig ingezet en het werk met heel veel liefde en vreugde gedaan. Verzoeker heeft dus nooit een ander vak kunnen leren, waardoor zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt zeer beperkt zijn. De uit het besluit voortvloeiende gevolgen voor verzoeker zijn disproportioneel zwaar in vergelijking met het effect daarvan op de met het besluit te dienen belangen.

5. Verzoeker is van mening dat het door de Rehab Commissie gedane voorstel aan de Minister om hem voor ontslag onder opschortende voorwaarden met proeftijd van 3 jaren en verder wederplaatsing met instructie voor te dragen wel een proportionele sanctie zou zijn geweest. Met het woordje ‘kan’ in artikel 35 lid 4 van de Wet Rechtspositie Militairen in zake ontslagbevoegdheid, heeft de wetgever kennelijk de ruimte willen laten voor de Minister om in gevallen als deze niet altijd de zeer vergaande maatregel van ontslag te hanteren.

6. Met het voorgaande is naar mijn mening voldoende betoogd dat de beschikking van de Minister ook in strijd is met het beginsel van een zorgvuldige belangen afweging, eveneens een van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

7. Op grond van al het voorgaande komt verzoeker tot de conclusie dat het gegeven ontslag ongeldig is en voor algehele nietigverklaring in aanmerking komt.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. de voormelde beschikking, althans het besluit, d.d. 1 december 2006 met [nummer], waarbij verzoeker uit staatsdienst (Militaire dienst) is ontslagen, nietig zal worden verklaard;

II. verweerder zal worden veroordeeld verzoeker weder te werk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,–, althans een door uw Hof in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat verweerder weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;

III. met veroordeling van verweerder in de kosten van dit geding.

Overwegende, dat van de Staat Suriname vervolgens, na 1 (één) keer verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift, binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende wordt aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist alle stellingen van verzoeker, voor zover hij deze in het navolgende niet uitdrukkelijk erkent.

2. Verweerder kan erkennen het gestelde in sub 1 van het verzoekschrift.

3. Met betrekking tot het gestelde in sub 2 van het verzoekschrift voert verweerder het volgend verweer aan. Bewezen is dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan ontuchtelijke handelingen met een minderjarig zwakbegaafd meisje. Dit heeft geleid tot een veroordeling van verzoeker. Ingevolge artikel 35 ex lid 4 van de Wet Rechtspositie Militairen is een veroordeling tot een vrijheidsstraf een grond voor ontslag. Dit is ook opgenomen in de geslagen beschikking. Daarnaast heeft verweerder verzoeker in de gelegenheid gesteld zich omtrent zijn bestraffing te verweren. Opmerkelijk is dan dat verzoeker ondanks zijn veroordeling in alle toonaarden ontkent zich aan het genoemde strafbaar feit te hebben schuldig gemaakt. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat de motivering van verweerder met de werkelijkheid in overeenstemming is en tevens een deugdelijke grondslag heeft.

4. Verweerder ontkent dat de gegeven beschikking in strijd is met het materiële zorgvuldigheidsbeginsel. Daar zij de belangen van verzoeker wel degelijk heeft afgewogen, alvorens het besluit te nemen. Hij mocht zich immers verweren en is ook gehoord. De belangen van verweerder worden in deze geschaad, indien zijn dergelijk gedrag onder haar personeelsleden blijft tolereren.

5. In tegenstelling tot hetgeen verzoeker stelt in (zijn) sub 4 van het verzoekschrift heeft hij zich verder ontplooid en is sinds het jaar 2000 in het bezit van een certificaat elektrisch lassen voor beginners en heeft eveneens een diploma autogeen lassen behaald bij de Avondschool voor de Technische Vakopleiding. Verweerder heeft bij het bepalen van zijn besluit de belangen van verzoeker goed overwogen. De mogelijkheden op de arbeidsmarkt zijn minder beperkt dan dat verzoeker aangeeft. De gegeven beschikking is dus niet in strijd met het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel, de gevolgen die deze beschikking heeft voor verzoeker zijn niet zwaar in vergelijking met het effect daarvan op het met het besluit te dienen belangen.

6. Naar aanleiding van het gestelde in sub 5 van het verzoekschrift voert verweerder aan dat het bepalen van het beleid ten aanzien van het wederom tewerkstellen van personeelsleden na een rechtelijke veroordeling, waarbij er een vrijheidsstraf is opgelegd, een zaak is van zuiver overheidsbeleid. Overigens laat het wetsartikel 35 lid 4 van de Wet Rechtspositie Militairen zich niet uit over de ernst van het delict dat geleid heeft tot de veroordeling.

7. Verweerder blijft bij zijn standpunt dat de gegeven beschikking niet in strijd is met één der algemene beginselen van behoorlijk bestuur en volkomen rechtsgeldig is.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker niet zal worden ontvangen in zijn vordering als zijnde ongegrond en onbewezen.

Overwegende, dat ingevolge s’ Hoven beschikking van 3 april 2007 ten dage voor verhoor van partijen bepaald in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, advokaat Mr. R.D. Zweevel, gemachtigde van verweerder en Mr. M.H. Van Lingen, Luitenant-Kolonel, vertegenwoordiger van het Ministerie van Defensie, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, verzoeker, Korporaal der Eerste klasse, in vaste dienst bij het Ministerie van Defensie, ingedeeld bij de Landmacht, ingevolge artikel 35 lid 4 van de “Wet Rechtspositie Militairen”, bij besluit, genomen bij beschikking van de Minister van Defensie de dato 1 december 2006 Bureau [nummer] wegens het plegen van ontucht, terzake waarvan hij bij vonnis van de Krijgsraad de dato 8 maart 2005 veroordeeld werd tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, uit staats- (militaire) dienst werd ontslagen;

Overwegende, dat verzoeker op grond van feiten aan zijn vordering ten grondslag gelegd en die in dit vonnis als letterlijk herhaald en geïnsereerd worden aangemerkt, voorzover ten deze belang, heeft gevorderd het besluit, genomen bij voormelde beschikking, de dato 1 december 2006, nietig te verklaren;

Overwegende, dat verzoeker, tijdens het verhoor in Raadkamer de dato 18 mei 2007, desgevraagd onder meer heeft verklaard geen hoger beroep te hebben aangetekend tegen het vonnis, waarbij hij veroordeeld werd;

Overwegende, dat voormeld vonnis mitsdien in kracht van gewijsde is gegaan;

Overwegende, dat verweerder bij monde van zijn gemachtigde, mr. M.H. van Lingen, alstoen onder meer – onweersproken – heeft verklaard, dat het slachtoffer, een minderjarig zwak begaafd meisje, twaalf jaar oud, zijn – verzoekers – buurmeisje was, wat het Hof aanleiding geeft aan te nemen dat verzoeker dat wist;

Overwegende, dat, anders dan verzoeker heeft aangevoerd van veronachtzaming door verweerder van:

– het motiveringsbeginsel,

– het zorgvuldigheidsbeginsel en

– het evenredigheidsbeginsel geen sprake is, blijkende zulks immers niet uit de ontslagbeschikking de dato 1 december 2006;

Overwegende, dat verweerder, naar het oordeel van het Hof, wat de motivering betreft, mocht volstaan met in de ontslagbeschikking aan te geven, dat verzoeker wegens ontucht door de Krijgsraad op 8 maart 2005 veroordeeld werd tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht;

Overwegende, dat het Hof wijders opmerkt, dat verweerder geenszins verplicht was verzoeker de gelegenheid te bieden zich mondeling te verweren; verweerder heeft door verzoeker de gelegenheid te bieden zich schriftelijk te verweren wat hij bovendien zonder enig bezwaar daartegen ook gedaan heeft het hoorbeginsel in ieder geval in acht genomen;

Overwegende, dat, wat het evenredigheidsbeginsel betreft, zij opgemerkt, dat de argumenten, door verzoeker aangedragen om, een geslaagd beroep op veronachtzaming daarvan gegrond te achten, het Hof niet gebleken zijn;

Overwegende immers, dat in casu niet gebleken is dat afweging van belangen op zulk van wijze plaatsgevonden heeft, dat het bijzonder belang van verzoeker willekeurig en ongemotiveerd is geschaad;

Overwegende, dat nu de feiten en stellingen door verzoeker aangedragen, het Hof geen aanleiding hebben gegeven, anders te beslissen, zal het de verzoeker zijn vordering ontzeggen;

Rechtdoende in Ambtenaren zaken

Ontzegt verzoeker diens vordering;

Aldus gewezen door de heren: mr. J.R. Von Niesewand, President, mr. D.D. Sewratan en mr. H.E. Struiken, Leden en door de President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 november 2007, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend- Griffier.

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten mr. G.R. Sewcharan en mr. R.D. Zweevel, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

SRU-HvJ-2009-3

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE BEROEP EX ARTIKEL 54 C LID 1

VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het beroepsschrift ex artikel 54 C lid 1 van het Wetboek van Strafvordering ingediend bij de griffier van de rechter-commissaris, op 12 oktober 2009 door I.D. Kanhai BSc en mr. B. Pick, advocaten bij het Hof van Justitie, namens hun cliënt [naam], waarin het verzoek wordt gedaan dat het Hof in beroep de beslissing van de rechter-commissaris vernietigt en verzoeker onmiddellijk in vrijheid stelt;

Gelet op ’s Hoven beschikking d.d. 13 oktober 2009, waarbij de behandeling van het beroep is bepaald op woensdag 14 oktober 2009 des voormiddags te 09.45 uur.

Gehoord de appellante in Raadkamer, bijgestaan door zijn raadslieden.

Gehoord mr. M. Dayala, waarnemend procureur-generaal namens het Openbaar Ministerie.

Gezien de overige zich in het Raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het beroep in Raadkamer op woensdag 14 oktober 2009;

Overwegende, dat het Hof van de aangevoerde grieven kennis heeft genomen welke grieven hierop neerkomen:

1. Dat de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 08 oktober 2009 ongemotiveerd is en daardoor niet getoetst kan worden.

2. Dat de rechter-commissaris op geen enkele wijze aangegeven heeft welke feiten en omstandigheden het redelijk vermoeden van schuld opleveren voor de twee strafbare feiten genoemd in de verlenging van de inverzekeringstelling.

3. Dat de rechter-commissaris in haar beschikking heeft aangegeven dat het onderzoeksbelang gelegen is in het feit dat de forensische politie nog handelingen moet verrichten en een film moet bekijken, dit terwijl de aangever juist heeft aangegeven dat hij geld heeft overhandigd met de intentie om een misdrijf te plegen, namelijk het vervaardigen van valse muntbiljetten;

4. Dat de rechter-commissaris geheel voorbij is gegaan aan de grondslag van het verzoekschrift;

Overwegende, dat de waarnemend procureur-generaal in haar antwoord allereerst als formeel verweer heeft aangevoerd dat appellant niet-ontvankelijk verklaard moet worden, nu in de periode van de verlenging van de inverzekeringstelling door een verdachte geen beroep kan worden gedaan op artikel 54 a Sv;

Overwegende, dat de waarnemend procureur-generaal tevens in haar antwoord naar voren heeft gebracht dat er wel feiten en omstandigheden uit het dossier blijken die een redelijk vermoeden van schuld opleveren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten ten grondslag gelegd aan zijn inverzekeringstelling;

Overwegende, dat het Hof het formeel verweer van de waarnemend procureur-generaal heeft getoetst aan de wet en tot oordeel is gekomen dat het verweer gegrond moet worden geacht en wel om de volgende redenen;

1. De wetstekst van artikel 54 a lid 1 Sv luidt: “Uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van aanhouding, wordt de verdachte ten einde te worden gehoord, voor de rechter-commissaris geleid. Onverminderd het bepaalde in die eerste volzin van dit lid, kan de verdachte onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling de rechter-commissaris om zijn invrijheidstelling verzoeken”. Het Hof overweegt dat de wetstekst de mogelijkheid beschrijft voor de verdachte om onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling een verzoek te doen tot invrijheidstelling.

2. De memorie van toelichting op de Wet van 20 februari 2008 houdende nadere wijziging van het Wetboek van Strafvordering (SB 2008 no. 21) geeft op bovenvermelde wetstekst de volgende toelichting: “Met de wijziging van artikel 54 a Sv zal de rechtmatigheidstoets van de inverzekeringstelling in het vervolg ambtshalve door de rechter-commissaris geschieden, in alle gevallen waarin de verdachte in verzekering is gesteld en wel binnen zeven dagen te rekenen vanaf het tijdstip van aanhouding….Toekenning aan de verdachte van de mogelijkheid bij de rechter-commissaris het verzoek te doen tot vaststelling van de datum van voorgeleiding is gerechtvaardigd, omdat een verdachte die meent dat de inverzekeringstelling onrechtmatig is de mogelijkheid moet hebben om onmiddellijk na de inverzekeringstelling de rechter-commissaris te verzoeken voor hem te worden geleid. “De mogelijkheid van oud artikel 54a, waarbij de verdachte onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling om zijn invrijheidstelling bij de rechter-commissaris kan verzoeken, blijft op deze wijze behouden;”

Het Hof overweegt dat ook uit de memorie van toelichting op het betreffende wetsartikel de bedoeling van de wetgever blijkt, namelijk het invoeren van een ambtshalve rechtmatigheidstoets door de rechter-commissaris van alle personen die in verzekering worden gesteld, welke toets binnen zeven dagen dient te worden uitgevoerd, met een mogelijkheid voor een verdachte om, indien hij de inverzekeringstelling onrechtmatig vindt, eerder om zijn invrijheidstelling te vragen, hetgeen begrepen kan worden uit de woorden “kan de verdachte onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling”;

3. Artikel 54 a lid 4 Sv luidt: “Na de verdachte te hebben gehoord, beslist de rechter-commissaris over de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling. In de beschikking worden door de rechter-commissaris bepaaldelijk de redenen opgegeven die tot zijn oordeel hebben geleid tot de rechtmatigheid of onrechtmatigheid van de inverzekeringstelling…..”.

Het Hof overweegt dat in dit lid de instructie staat hoe de rechter-commissaris zijn beslissing moet inrichten, namelijk de rechter-commissaris dient de beslissing te motiveren. Voorts overweegt het Hof dat de beschikking waar het in dit lid over gaat, de beschikking is die volgt op de ambtshalve toets van de rechter-commissaris binnen de 7 dagen genoemd in de wet of de door de verdachte geïnitieerde toets onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling zoals hierboven vermeld en in de memorie van toelichting is uitgelegd;

4. Artikel 54 c lid 1 Sv luidt: “Tegen een beschikking van de rechter-commissaris overeenkomstig artikel 54 a lid 4 kunnen de vervolgingsambtenaar en de verdachte binnen drie dagen daarna in beroep gaan bij het Hof van Justitie”; Het Hof overweegt dat dit artikel verwijst naar de beschikking van artikel 54 a lid 4, namelijk de beschikking gegeven na de ambtshalve toets of nadat de toets heeft plaatsgevonden op grond van een verzoek daartoe door de verdachte onmiddellijk na de inverzekeringstelling;

5. Het Hof is van oordeel dat in artikel 54 a door de wetgever de waarborg is neergelegd voor de verdachte dat de rechtmatigheid van zijn inverzekeringstelling binnen korte tijd, namelijk binnen hoogstens 7 dagen wordt getoetst door de rechter-commissaris, doch dat de verdachte tevens het recht heeft zelf de toets eerder te initiëren door een verzoekschrift tot invrijheidstelling in te dienen, of, zoals de memorie van toelichting vermeld, om zijn voorgeleiding te vragen, al onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling;

6. Het Hof is van oordeel dat uit de wetstekst en haar memorie van toelichting niet blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was naast de rechtmatigheidstoetsing van de rechter-commissaris van artikel 54 a lid 1, een tweede toetsmoment mogelijk te maken of meerdere toetsmomenten, doch juist blijkt dat de wetgever het oogmerk had de inverzekeringstelling binnen zeven dagen, op de rechtmatigheid te doen toetsen, waarna bij de vordering tot bewaring door de rechter-commissaris de toets voor de voorlopige hechtenis wordt gedaan; naar het oordeel van het Hof zullen daarom dan ook eventuele verzoeken tot invrijheidstelling die worden ingediend nadat de rechtmatigheidstoets bij de rechter-commissaris reeds heeft plaatsgevonden, moeten worden beschouwd als verzoeken die buiten de sfeer van artikel 54 lid 1 vallen en daardoor niet op de wet gestoeld zijn; dergelijke verzoeken zullen door de rechter-commissaris met een niet-ontvankelijkheid moeten worden begroet;

Het Hof is op grond van het hier voren overwogene van oordeel dat appellant niet ontvankelijk moest worden verklaard in zijn verzoek bij de rechter-commissaris;

Het Hof zal derhalve de beschikking van de rechter-commissaris vernietigen en opnieuw rechtdoen;

Overwegende, dat het gezien het voren overwogene niet meer nodig is op de grieven van appellant in te gaan;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel, artikel 54 A lid 4 van het Wetboek van Strafvordering;

B E S C H I K K E N D E

Vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris gegeven op 8 oktober 2009 en

Opnieuw rechtdoende:

Verklaart appellant niet ontvankelijk in zijn verzoek.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op 15 oktober 2009 door: mr. R.G. Rodrigues, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, Leden-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensing-Jangbahadoer Singh, fungerend-griffier.

w.g. G.A. Kisoensing-Jangbahadoer Singh

w.g. R.G Rodrigues

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

w.g. A.C. Johanns