SRU-HvJ-1990-1

Hof van Justitie
17 augustus 1990, G.R. 13011
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, E.S. Ombre)

[appellant], wonende te [adres 1], advocaat mr. B.A. Halfhide, apellant in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres 2], advocaat mr. J. Kraag, geïntimeerde in Kort Geding.

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, de navolgende beschikking uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1 het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 9 juli 1990, tussen partijen gewezen;
2 het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 11 juli 1990, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1 dat eiser de navolgende vordering in Kort Geding wenst in te stellen tegen: [appellant], wonende te [adres 1], gedaagde;
2 dat eiser reeds geruime tijd althans tien tot vijftien jaren het erf met de woning gelegen aan de [adres 3], aan gedaagde als woonhuis heeft verhuurd voor de huurprijs van Sf. 110,30 per maand;
3 dat het eiser recentelijk gebleken dat gedaagde de woning thans niet meer bewoont doch gebruikt als kantoorruimte voor zijn bedrijf dat o.a. airco’s repareert en installeert, waarbij alle meubilair uit het huis is weggedragen en aldaar zijn secretaresse heeft die dagelijks alszodanig werkzaamheden verricht, zonder toestemming van eiser;
4 dat gedaagde aldaar reparatiewerkzaamheden aan airco’s en/of koelinstallaties verricht zonder toestemming van eiser alsook dat hij een gedeelte van de woning heeft uitgebouwd, althans een uitbouw heeft verricht eveneens zonder toestemming van eiser, welke bijbouw hij als opslagruimte gebruikt;
5 dat gedaagde gaten graaft in de grond op het litigieuse erf, waarin hij kapotte airco’s en onderdelen van airco’s, althans afval materiaal werpt, zonder daartoe toestemming van eiser te hebben verkregen;
6 dat de bestemming van de litigieuse woning door gedaagde zoals vorenomschreven zonder toestemming van eiser is veranderd en in een erg verwaarloosde toestand is gebracht o.a. tieren houtluizen welig in de woning, die met zich meebrengt dat ernstige reparaties dienen plaats te vinden ter voorkoming dat die woning niet in haar geheel vergaat;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronde heeft gevorderd:
dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minuten en op alle dagen en uren, gedaagde zal worden veroordeeld om binnen 1 (een) week, althans binnen een door de Rechter te wijzen vonnis gedaagde zal worden bevolen het litigieus onroerend goed te ontruimen met alles en allen die zich aldaar zijnent wege bevinden, met last op eiser om indien gedaagde weigert of weigerachtig blijft het ten rekeste omschreven onroerend goed te ontruimen zulks te doen desnoods met behulp van de Sterke Arm.
De bestaande huurovereenkomst tussen partijen te schorsen, althans op te schorten, kosten rechtens;

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van een produkt – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:
dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans dat deze hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 9 juli 1990 op de daarin opgenomen gronden:
a. de tussen partijen bestaande huurovereenkomst heeft geschorst;
b. gedaagde heeft veroordeeld om binnen drie weken na betekening van dit vonnis het erf met de woning gelegen aan de [adres 3] te ontruimen met alles en allen die zich aldaar van zijnent wege bevinden;
c. eiser heeft gemachtigd indien gedaagde ingebreke mocht blijven het voormelde gehuurde te ontruimen deze zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;
dit vonnis tot zover vermeld sub b en c uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;
gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 115,50 (eenhonderd en vijftien 50/100 gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van vermeld eindvonnis in Kort Geding van 9 juli 1990;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder J.E. Kolf van 13 juli 1990 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het appèl tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, d.d. 9 juli 1990, in Kort Geding tussen partijen gewezen en uitgesproken, tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat appellant tegen het beroepen vonnis vier grieven heeft ontwikkeld, luidende:
I ten onrechte is de Kantonrechter enkel vanwege een lege koelkast tot de conclusie gekomen, dat het gebouw niet bewoond wordt. Uit het proces-verbaal van de descente blijkt dat de woning wel bewoond wordt;
II ten onrechte heeft de Kantonrechter aangehaald dat het erf glibberig was. Ten rekeste is niets omtrent de toestand van het erf aangehaald, weshale de Kantonrechter dit feit niet in het vonnis had moeten betrekken;
III ten onrechte heeft de Kantonrechter, overwegende dat het gebouw aan het verrotten is, de vordering toegewezen.
Immers, is het gebouw aan de buitenzijde wel aan enige reparatie toe, doch deze reparatie dient te geschieden door eiser in prima, thans geïntimeerde en niet door appellant, weshalve appellant het gelag betalen moet;
IV ten onrechte heeft de Kantonrechter een ontruimingstermijn bepaald van 3 weken na de betekening van het vonnis. Appellant woont reeds 17 jaren in het pand, weshalve in redelijkheid niet een zo korte termijn mag worden bepaald;

Overwegende ambtshalve:
dat, de procesgemachtigde van geïntimeerde desgevraagd aan het Hof ter terechtzitting van 10 augustus 1990 heeft verklaard, dat geïntimeerde het gebouw zal repareren en daarin zijn intrek zal nemen indien het Hof het beroepen vonnis mocht bevestigen en appellant daarna het gebouw geheel ontruimd ter beschikking zal hebben gesteld van geïntimeerde;
dat uit aan het Hof gedane mededeling blijkt, dat na de ontruiming herstel in de vorige toestand niet meer mogelijk is;
dat op grond van het door geïntimeerde na de ontruiming beoogde, de gevraagde voorziening moet worden geacht een definitief karakter te dragen tot het geven waarvan de rechter in Kort Geding niet bevoegd is, nu, naar blijkt, toewijzing van de onderhavige vordering een definitieve beëindiging van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding zou betekenen;

Overwegende, dat de gevraagde voorziening mitsdien, met voorbijgaan aan bespreking van de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven als niet langer relevant, onder vernietiging van het beroepen vonnis, dient te worden geweigerd;

Overwegende, dat tot slot zij opgemerkt, dat nu, naar duidelijk blijkt, geïntimeerde als verhuurder belang heeft bij een spoedige behandeling van een ontruimingsvordering tegen appellant hem – geïntimeerde – in overweging wordt gegeven met een uitdrukkelijk beroep op het bepaalde in artikel 8, lid 2 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gewone rechter te adiëren in een tegen appellant aanhangig te maken vordering tot ontruiming;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen in Kort Geding en uitgesproken op 9 juli 1990, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende
Weigert de gevraagde voorziening;

Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van appellant gevallen:
in eerste aanleg begroot op Sf. nihil;
in hoger beroep begroot op Sf. 123,50;
met inbegrip van het door het Hof aan zijn advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van Sf. 150,–; bepalende het Hof het salaris van de advocaat van geïntimeerde eveneens op Sf. 150,–.

 

SRU-HvJ-1999-17

H.M.

GENERALE ROL NO: 13847.

[appellant], wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.L.KENSMIL, advokaat,
appellant in Kort Geding,
te g e n

A. [geintimeerde 1],
B. [geintimeerde 2],
C. [geintimeerde 3],
D. [geintimeerde 4],
E. [geintimeerde 5],
F. [geintimeerde 6],
G. [geintimeerde 7],
H. [geintimeerde 8], allen wonende te [district], door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr.F.KRUISLAND, advokaat,
geintimeerden in Kort Geding,
De fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien’s Hofs interlocutoir vonnis van 1 augustus 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen in bereids vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, appellant in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr.R.L.Kensmil, Mw.Iris M.Wijdenbosch, één van de geintimeerden en de gemachtigde van geintimeerden, advokaat Mr.F.Kruisland, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden comparitie van partijen heeft genomen, terwijl advokaat Mr.H.Lim A Po namens advokaat Mr.F.Kruisland, ten dage voor conclusie na gehouden comparitie van partijen zijdens geintimeerden bepaald, heeft gepersisteerd;
Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak had bepaald op 23 januari 1998;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant op verzoek van het Hof hierna een hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusie tot overlegging produkties heeft genomen;
Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerden vervolgens een eveneens hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating produkties heeft genomen, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 22 januari 1999, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof hier overneemt en volhardt bij al hetgeen in het tussenvonnis d.d. 1 augustus 1997 is overwogen en beslist;
Overwegende, dat de bij dat tussenvonnis bevolen comparitie van partijen gehouden is op 10 oktober 1997 en hebben de appellant en een der geintimeerden het Hof de verlangde inlichtingen verstrekt;
Overwegende, dat de appellant daarna produkties overgelegd heeft, waarover de tegenpartij zich heeft uitgelaten;
Overwegende, dat dit kortgeding ertoe strekt de beslissing van de eerste rechter die over het bodemgeschil tussen partijen een oordeel gegeven heeft te schorsen, enzovoorts (zie het geding bekend onder A.R.92/3011, en G.R.13902), doch nu in dat bodemgeschil heden de beslissing in hoger beroep gevallen is, waarbij het vonnis van de Kantonrechter onder verbetering van de rechtsgronden bevestigd is, heeft de appellant geen belang meer bij de vordering in kortgeding;
Overwegende, dat de appellant dan ook niet ontvan-kelijk zal worden verklaard in het door hem ingesteld hoger beroep, met zijn veroordeling, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:
Verklaart de appellant niet ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep;
Veroordeelt appellant in de kosten aan de zijde van geintimeerden in hoger beroep gevallen begroot op f.5.000,–;
Met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.5.000,–;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van de appellant eveneens op f.5.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PANDAY, fungerend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 23 april 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.BOLDEWIJN namens zijn gemachtigde advokaat Mr.R.L.Kensmil en geintimeerden vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.LIM A PO namens hun gemachtigde advokaat Mr.F.Kruisland zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2001-6

M.R.S.

A – 365.

[verzoeker], wonende te [district] aan [adres] ten deze domicilie kiezende aldaar aan de Watermolenstraat no. 36 beneden ten kantore van Mr.E.C.M.HOOPLOT,
verzoeker,
t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,
verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen respectievelijk van 16 mei 1997, 9 januari 1998 en 3 juli 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in s’Hofs laatstmeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat de door het Hof bepaalde comparitie van partijen niet is gehouden;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen c.q. dagbepaling comparitie van partijen advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft heeft verklaard dat verzoeker voorgedragen is maar dat de Raad van Ministers hierover nog beslissen moet;
Overwegende, dat het Hof ter terechtzitting van 2 juli 1999 wederom een comparitie van partijen heeft bepaald op 13 augustus 1999, welke comparitie van partijen echter niet is gehouden;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 3 december 1999 advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft heeft verklaard dat er nog geen resolutie is uitgekomen;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen bepaald, Mr.M.A.Bodha namens de gemachtigde van verweerder Mr.Dr.C.D.Ooft een produktie heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd, en tevens heeft verklaard dat verzoeker intussen bevorderd is;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens verzoeker peremptoir bepaald, advokaat Mr.J.Kraag namens advokaat Mr.E.C.M.Hooplot uitstel heeft gevraagd vanwege uitlandigheid van Mr.E.C.M.Hooplot;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 6 oktober 2000 advokaat Mr.T.Gangaram-Panday namens advokaat Mr.E.C.M.Hooplot wederom uitstel heeft gevraagd, welk verzoek werd afgewezen;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk heeft bepaald op 17 november 2000, doch nader heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat verzoeker, naar blijkt uit het ter Griffie van het Hof van Justitie op 2 augustus 1996 ingediend verzoekschrift de dato 30 juli 1996 het Hof van Justitie als Gerecht in ambtenarenzaken in het onderhavige proces het verzoek gedaan heeft verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van
Sf.100.000,– voor iedere dag dat hij, verweerder, in gebreke blijft om binnen 1 (één) maand na de uitspraak van dit vonnis althans een door het Hof van Justitie in goede justitie vast te stellen termijn:
Primair: de handelingen te verrichten die er toe moeten leiden dat hij wordt bevorderd tot de rang van Hoofdverificateur bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen van het Ministerie van Financiën;
Subsidiair: tot het nemen en ter kennis van verzoeker brengen van een besluit waarbij verzoeker met ingang van dezelfde datum als [persoon] e.a. althans een andere door het Hof van Justitie in goede justitie te bepalen termijn wordt bevorderd tot Hoofdverificateur bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen van het Ministerie van Financiën;
Overwegende, dat zijdens verweerder ter terechtzitting van vrijdag, 19 mei 2000 in het geding is gebracht een afschrift in fotokopie van de resolutie de dato 12 mei 2000 [nummer], waarbij verzoeker met ingang van 1 januari 2000 bevorderd is tot Adjunct-Inspecteur;
Overwegende, dat verzoeker, ofschoon hem daartoe ettelijke keren de gelegenheid is geboden, nagelaten heeft zich uit te laten over voormelde resolutie, weshalve het Hof van de juistheid van die resolutie uitgaande thans bewezen acht en als tussen partijen
rechtens vaststaand aanneemt, dat verzoeker bij voormelde resolutie met ingang van 1 januari 2000 bevorderd is tot Adjunct-Inspecteur;
Overwegende, dat nu verzoeker, naar het Hof uit eigen wetenschap bekend is, bij resolutie van 1 januari 2000 bevorderd is in een hogere rang dan waarin hij gevorderd heeft bevorderd te worden en hij dientengevolge geen belang meer heeft niet slechts bij het primair gevorderde doch ook bij het subsidiair gevorderde, dient hij in die vorderingen alsnog niet ontvankelijk te worden verklaard;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Verklaart verzoeker alsnog niet ontvankelijk in zowel zijn primaire als zijn subsidiaire vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 19 JANUARI 2001, in tegenwoordigheid van
Mr.R.R.BRIJOBHOKUN, Fungerend-Griffier.

w.g. R.R.BRIJOBHOKUN w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-16

M.R.S. GENERALE ROL No.13840.

[appellant], wonende in [land], ten deze domicilie kiezende ten kantore van Mr.R.U.F.Truideman, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.U.F.TRUIDEMAN, advokaat,
appellant,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, te diens Parkette aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,
geïntimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit;

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. het in afschrift overgelegde vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 25 juli 1995 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 7 augustus 1995, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. Eiser wenst de navolgende rechtsvordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, (met name het Ministerie van Justitie en Politie), in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, te diens Parkette aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, gedaagde;

2. Blijkens het hierbij in fotocopie overgelegd vonnis van het Bijzonder Gerechtshof de dato 24 april 1981 vonnis No. B.G. 10/81, met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen, werden aan eiser de navolgende bijzondere maatregelen bij wege van straf opgelegd, te weten:
a. verbeurdverklaring van zijn erfpachtsperceel, groot 23.527 hektaren, gelegen in [distrikt];
b. vrijheidsbeneming voor de tijd van 11 maanden met aftrek;
c. betaling van een geldboete van Sf.50.000,–;
d. ontzetting van het recht van verkiesbaarheid voor de tijd van 10 jaren;
e. ontzetting van het recht om ambten te bekleden voor de tijd van 5 jaren;

3. Gemeld vonnis, althans een gedeelte daaruit, werd bij exploit van deurwaarder M.R.Gaffar de dato 31 mei 1982 aan eiser betekend.
Eiser overlegt gemeld exploit in fotocopie met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen;

4. Als gevolg van bovengemeld vonnis heeft eiser een enorme schade geleden. Eiser is namelijk van oordeel, dat gedaagde door de veroordeling en de ten uitvoerlegging van het bovengenoemd vonnis een onrechtmatige daad jegens eiser heeft gepleegd, als gevolg waarvan eiser grote schade heeft geleden met de schuld van gedaagde daaraan, welke schade gedaagde gehouden is te vergoeden aan eiser;

5. Eiser is van oordeel, dat gedaagde een onrechtmatige daad heeft gepleegd en wel op grond van de hierna opgesomde feiten:
a. Het decreet B-9 G.B. 1980 no. 72 is in strijd met de grondwet G.B. 1987 no. 116 (artikelen 13, 131 lid 2 en 137), waarvan de werking toendertijd weliswaar was opgeschort;
b. Het decreet heeft geen enkele beroepsmogelijkheid (Hoger Beroep) en is derhalve niet alleen in strijd met het rechtsbeginsel, dat elke verdachte het recht van hoger beroep heeft, maar ook met het Internationaal verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, New York 19 december 1966, Tractatenblad 1969, 99 (artikel 14 lid 5: ”Een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld, heeft recht de schuldigverklaring opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet”;
c. Het decreet is in strijd met artikel één van het Wetboek van Strafrecht, aangezien het decreet terugwerkende kracht heeft. Ten aanzien hiervan moge ook nog worden verwezen naar:
1. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, Parijs 10 december 1948 (Resolutie 217 a (III) ), Tractatenblad 1969,99. Artikel 11 lid 2: ”Niemand zal voor schuldig gehouden worden aan enig strafrechtelijk vergrijp op grond van enig handelen of verzuim, welke naar nationaal of internationaal recht geen strafrechtelijk verzuim betekenden op het tijdstip waarop de handeling of het verzuim begaan werd. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die, welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was”.
2. Het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, New York 19 december 1966, Tractatenblad 1969, 99. Artikel 15 lid 1: ”Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke tijdens het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder daarvan te profiteren.”
d. De artikelen 7, 9 en 16 van het Decreet B-9 handelen over de maatregel van ”verbeurdverklaring”. Duidelijk staat in artikel 9 van het decreet, dat omtrent de ten uitvoerlegging der verbeurdverklaring nadere regels (bij decreet) zullen worden vastgesteld. Dit decreet c.q. deze nadere regels zijn nimmer vastgesteld en toch is gedaagde overgegaan tot de executie van de verbeurdverklaring;
e. Eiser is verder van oordeel, dat het decreet in artikel 81 lid 2 zelf bepaalt, dat de tenuitvoerlegging en dergelijke zullen geschieden overeenkomstig de wijze en overeenkomstig de voorschriften krachtens Titel I van het zesde boek van het Wetboek van Strafvordering.
In het onderhavig geval is de verbeurdverklaring in strijd met hoofdzakelijk artikel 489 lid 2 en artikel 500 van het Wetboek van Strafvordering geschiedt. Doch ook met de daarna volgende artikelen van het Wetboek van Strafvordering;
f. Eiser is ook nog van oordeel, dat de betekening van het vonnis niet op de juiste wijze is geschied door de deurwaarder c.q. het Openbaar Ministerie. Immers had hij in zijn exploit het gehele dictum van het vonnis moeten opnemen en betekenen aan de veroordeelde en niet slechts de geldboete. Zo lijkt het alsof eiser in het vonnis alleen is veroordeeld tot de betaling van een geldboete van Sf.50.000,–;
g. Tenslotte wenst eiser nog op te merken, dat hij (eiser) ten tijde van de behandeling van de strafzaak bij het Bijzonder Gerechtshof in verzekering c.q. in bewaring was gesteld, doch dat nergens in het vonnis vermeld staat, dat er een ”bevel tot gevangenhouding” is uitgevaardigd. Desondanks heeft eiser nog twee maanden na de uitspraak moeten ”uitzitten”. Waarschijnlijk is dat de reden, dat het vonnis na langer dan één jaar aan eiser is betekend, althans een gedeelte uit dat vonnis;

6. Door alle bovengenoemde feiten en omstandigheden is eiser geschonden in zijn rechten c.q. verdediging en heeft hij als gevolg van dit onrechtmatig c.q. onwetmatig handelen van gedaagde schade geleden met de schuld van gedaagde daaraan en is gedaagde gehouden om deze schade aan eiser te vergoeden;

7. Resumerend kan eiser stellen, dat hij ten onrechte in verzekering was gesteld, dan wel in detentie was gehouden, omdat hij niet alleen onschuldig was, maar ook omdat het decreet B-9 in strijd met de wetten en verdragen is/was. Eiser had verder geen enkele beroepsmogelijkheid en ook zijn er maatregelen tenuitvoergelegd, die nog niet nader zijn/waren geregeld (bij decreet) en ook is de betekening niet conform de wet geschiedt, enz.enz.;

8. Eiser is als gevolg van het een en ander onrechtmatig van zijn vrijheid beroofd geworden en ook is hij zijn erfpachtsperceel met al hetgeen daarop stond onrechtmatig c.q. onwetmatig kwijt geraakt, met de schuld van gedaagde aan dit alles, als gevolg waarvan eiser de hieronder genoemde schade heeft geleden;

9. De waarde van het litigieuze perceel met alle daarop staande gebouwen en beplantingen had toendertijd een waarde van op zijn minst Nf.1.500.000,– (Anderhalf Miljoen Nederlandse Gulden) (en toen was de koers nog 1: 1), althans een schadebedrag nader vast te stellen bij staat en te vereffenen volgens de wet. Aangezien gedaagde dit perceel reeds aan derden heeft uitgegeven is gedaagde op grond van het bovenstaande gehouden om deze schade te vergoeden aan eiser, waarbij dan nog niet eens wordt gesproken over de immateriële schade, die eiser ten gevolge van zijn detentie heeft geleden;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis tot zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:
A. Het vonnis van het Bijzonder Gerechtshof de dato 24 april 1981 vonnis No. B.G. 10/81 NIETIG zal worden verklaard, althans zal worden vernietigd op grond van de redenen als boven vermeld;
B. Voor recht zal worden verklaard, dat eiser onrechtmatig c.q. onwetmatig in verzekering was gesteld c.q. in detentie was gehouden, omdat het decreet B-9, althans delen daarvan, in strijd met de wet/verdragen en/of het recht zijn/waren, zoals hierboven reeds uitgebreid is uiteengezet;
C. Gedaagde zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te voldoen (een en ander in verband met de boven genoemde onrechtmatige/onwetmatige handelingen van gedaagde, alsook de onwettige verbeurdverklaring van het perceel in kwestie) het schadebedrag van Nf.1.500.000,– (Anderhalf Miljoen Nederlandse Gulden), dan wel de tegenwaarde daarvan volgens de huidige bankkoers in Surinaamse gulden, althans in ieder geval een schadebedrag nader vast te stellen bij staat en te vereffenen volgens de wet;
D. Gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding;
Overwegende, dat de Staat Suriname als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd;
dat eiser hetzij niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vorderingen, zoals neergelegd in zijn PETITUM onder A,B,C en D althans het gevraagde aldaar niet zal worden toegewezen, als zijn (lees:zijnde) ongegrond, niet bewezen en in strijd met de wet;
Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 25 juli 1995 op de daarin opgenomen gronden:
Eiser’s vordering heeft ontzegd;
Hem heeft veroordeeld in de proceskosten en tot aan deze uitspraak begroot op f.nihil;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 25 juli 1995;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.Sitaram van 16 juli 1996 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 17 juli 1998, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, appellant bij beslissing van het Bijzondere Gerechtshof de dato 24 april 1981 als schuldige werden opgelegd:
1. Verbeurdverklaring van het aan hem, bij beschikking van de Minister van Opbouw de dato 1 juni 1978 verleende recht van erfpacht op het perceelland, groot 23, 527 ha gelegen in het distrikt Coronie aan de Coronieweg en nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter S.O. Esajas van 5 april 1978 door de figuur ABCDEF met alle zich daarop bevindende opstallen;

2. Vrijheidsbeneming voor de tijd van Elf Maanden, met bepaling dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak vanaf 25 april 1980 tot 21 mei 1980 en vanaf 12 september 1980 af voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht bij de uitvoering van de hem opgelegde vrijheidsbeneming geheel in mindering zal worden gebracht;

3. Een geldboete van Sf.50.000,= met bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hechtenis voor de tijd van zes maanden;

4. Ontzetting van het recht van verkiesbaarheid bij krachtens, wettelijke voorschrift uitgeschreven verkiezingen voor de tijd van Tien Jaren;

5. Ontzetting van het recht ambten te bekleden voor de tijd van Vijf Jaren, na de te laste van appellant bewezen geachte feiten in haar bijzondere omstandigheden te hebben gekwalificeerd als ”Corruptie, meermalen gepleegd, voorzien bij artikel l lid l van het Decreet Bijzondere Rechtspleging (S.B. 1980 No.72);
Overwegende, dat appellant op grond van feiten,
gesteld in het 5e tot en met 9e ”sustenu” van het verzoekschrift, welke feiten als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd worden aangemerkt, heeft gevorderd, dat bij vonnis tot zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:
A. Het vonnis van het Bijzonder Gerechtshof de dato 24 april 1981 (vonnis No.B.G. 10/81) nietig te willen verklaren althans te willen vernietigen op grond van de redenen als boven vermeld;
B. Voor recht te verklaren, dat hij, appellant, onrechtmatig c.q. onwetmatig inverzekering was gesteld c.q. in detentie was gehouden, omdat het decreet B-9, althans delen daarvan in strijd met de wet /verdragen en/of het recht zijn/ waren, zoals uitgebreid uiteengezet;
C. Geintimeerde te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem, appellant te voldoen (een en ander in verband met bovengenoemde onrechtmatige/onwetmatige handelingen van geintimeerde alsook de onwettige verbeurdverklaring van het perceel in kwestie) het schadebedrag van NF. 1.500.000,=, dan wel de tegenwaarde daarvan volgens de huidige bankkoers in Surinaamse Gulden, althans in ieder geval een schadebedrag nader vast te stellen bij staat en te vereffenen volgens de wet;
Overwegende, dat het Hof vooraf opmerkt, dat bij ”Decreet opheffing Bijzondere Gerechtshof” (S.B. 1983 No.61) het Decreet Bijzondere Rechtspleging (S.B. 1980 No.72, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1982 No.106) is ingetrokken en het krachtens dat Decreet ingestelde Bijzondere Gerechtshof opgeheven;
Overwegende, dat het Hof op het zo juist overwogene – zij het ten dele – terug zal komen;
Overwegende, dat het Hof wijders opmerkt, dat gebleken is dat tegen de beslissing van het Bijzondere Gerechtshof de dato 24 april 1981 geen voorziening heeft opengestaan;
Overwegende, dat het Hof in dit verband van oordeel is dat de vraag of een voorziening tegen een beslissing openstaat, bij uitsluiting, aan de wetgever is voorbehouden;
Overwegende, dat het Hof wijders van oordeel is, dat indien en voorzover het Decreet Bijzondere Rechtspleging zou hebben voorzien in de mogelijkheid om op te komen tegen de beslissing van het Bijzonder Gerechtshof en appellant die mogelijkheid te baat zou hebben genomen, hij, appellant, met zijn grieven c.q. bezwaren tegen gemelde beslissing terecht zou moeten bij een hoger rechtscollege dan het Bijzonder Gerechtshof, welk college dan bevoegd zou zijn om, zo het de aangevoerde grieven c.q. bezwaren gegrond zou hebben bevonden, de beslissing van het Bijzonder Gerechtshof te vernietigen c.q. nietig te verklaren en appellant, mogelijk vrijspreken;
Overwegende, dat nu geen voorziening tegen de beslissing van het Bijzonder Gerechtshof heeft opengestaan, die beslissing onaantastbaar was geworden;
Overwegende, dat het het Hof danook geheel ontgaat hoe de Kantonrechter in het Eerste Kanton, die ingevolge artikel 31 lid 1 sub 1 van de Wet van 17 mei 1935, houdende vaststelling van een reglement op de inrichting en samenstelling van de Surinaamse rechterlijke macht, oordeelt over de burgerlijke zaken in het distrikt Paramaribo en in de distrikten Wanica, Para, Brokopondo, Commewijne en Saramacca, de beslissing van het Bijzonder Gerechtshof de dato 24 april 1981, welke beslissing ingevolge artikel 84 lid 1 van het Decreet Bijzondere Rechtspleging (S.B. 1980 No.72, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1982 No.106) de kracht heeft van een vonnis in de zin van het Wetboek van Strafvordering, zou kunnen nietig verklaren, althans vernietigen;
Overwegende, dat toewijzing van het onder A van het petitum gevorderde danook geheel afstuit op het vorenoverwogene;
Overwegende, dat het Hof in verband met het onder B van het petitum gevorderde opmerkt, dat de rechtspraak eist, dat de aanlegger bij een door hem uitgelokte uitspraak van declaratoire aard, belang heeft, en wel een dadelijk belang, hetwelk hierin gelegen moet zijn dat de van de rechter gevraagde verklaring de wederpartij bindt;
Overwegende, dat het vereiste belang ontbreekt als het vonnis van de rechter aan de aanlegger geen baat tegenover de wederpartij brengt;
Overwegende, dat nu toewijzing van het onder B van het petitum gevorderde appellant tegenover geintimeerde geen baat zal brengen omdat appellant destijds zowel de inverzekeringstelling als de detentie heeft ondergaan, terwijl het decreet Bijzondere Rechtspleging (S.B. 1980 No.72), waar appellant het in zijn petitum over heeft en melding van maakt als eerder overwogen, bij ”Decreet opheffing Bijzondere Gerechtshof” (S.B. 1983 No.61) is ingetrokken, zodat het door appellant in het onderhavige proces uitgelokte vonnis aan hem tegenover geintimeerde geen baat meer zal brengen, dient toewijzing van het onder B van het petitum gevorderde eveneens achterwege te blijven;
Overwegende, dat nu tegen de beslissing van het Bijzondere Gerechtshof de dato 24 april l981, waartegen geen voorziening heeft opengestaan en waarbij aan appellant als schuldige tevens werd opgelegd de verbeurdverklaring van het recht van erfpacht op het perceelland groot 23,527 ha gelegen in [distrikt] aan de [straat] en nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter S.O. Esajas van 5 april 1978 door de figuur ABCDEF, met alle zich daarop bevindende opstallen, welke verbeurdverklaring appellant tevens als een jegens hem gepleegde onrechtmatige daad acht met de schuld van geintimeerde daaraan alsgevolg waarvan hij, appellant, schade geleden heeft waarvan hij vergoeding vordert, noch in prima noch in hoger beroep
tegenbewijs heeft aangeboden en door vermelde beslissing van het Bijzonder Gerechtshof, verplicht volledig bewijshebbend, de als corruptie, meermalen gepleegd, gekwalificeerd bewezen geachte feiten bestaande in respektievelijk het plegen van verduistering, oplichting c.q. valsheid in geschrifte en het doen plegen van diefstal c.q. stroperij derhalve rechtens zijn komen vast te staan, ontgaat het het Hof geheel hoe toewijzing van het onder C van het petitum gevorderde zou kunnen volgen;
Overwegende, dat van een door geintimeerde jegens appelant gepleegde onrechtmatige daad dan ook niet kan worden gesproken;
Overwegende, dat nu de door appellant tegen het beroepen vonnis de dato 25 juli 1995 ontwikkelde grieven, luidende :

I. Ten onrechte heeft de Kantonrechter geen enkel van de stellingen van appellant gemotiveerd overwogen /besproken in zijn vonnis en
II. Ten onrechte heeft de Kantonrechter gesteld, dat als een orgaan een wettelijke bevoegdheid heeft, dat dit orgaan dan niet onrechtmatig kan handelen. In casu is niet alleen de basis op grond waarvan het orgaan toen handelde in strijd met de wet maar ook de door het orgaan genomen beslissing is/was in strijd met de wet, het recht en/of de tractaten (verdragen) en aldus handelde het orgaan wel onrechtmatig c.q. levert de beslissing een onrechtmatige daad op, zelf bij gegrondbevinding, niet zouden leiden tot een voor appellant gunstige beslissing, dient bespreking van voormelde grieven als volkomen irrelevant geheel in het midden te worden gelaten;
Overwegende, dat het zo juist overwogene vernietiging van het beroepen vonnis toch niet in de weg staat, nu de Kantonrechter, naar het oordeel van het Hof, de vordering van appellant niet had moeten ontzeggen, doch diens vorderingen moeten afwijzen;
Overwegende, dat het Hof dan ook onder vernietiging
van het vonnis waartegen beroep, die afwijzing zal uitspreken, onder veroordeling van appellant als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten op dit geding aan de zijde van geintimeerde gevallen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 25 juli 1995 tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Wijst alsnog af appellant zijn vorderingen;
Veroordeelt appellant in de kosten in beide instanties aan de zijde van geintimeerde gevallen en in prima begroot op Sf.nihil;
en in hoger beroep op Sf.3000,–;
Met in begrip van het door het Hof aan de advokaat van geintimeerde voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf.3000,–;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op Sf.3000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 5 MAART 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.L.H.R.ROGERS namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.U.F.TRUIDEMAN en geïntimeerde vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.Dr.C.D.OOFT, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2018-51

G.R.No. 15089

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

DE STICHTING RADIO OMROEP SURINAME (SRS)
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding, verder te noemen: SRS,
gemachtigde: mr .M.G.A .Vos, advocaat,

en

DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
appellant in kort geding, verder te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

DE STICHTING AUTEURSRECHTEN SURINAME (SASUR),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding, verder te noemen: Sasur,
gemachtigde: [naam], algemeen directeur,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 5 mei 2015 (A.R.No 15-1096 ) tussen SRS en de Staat als eisers en Sasur als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Dit procesverloop blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
– een verklaring van de griffier van de kantongerechten civiele zaken van 18 mei 2015, inhoudende dat SRS en de Staat op 18 mei 2015 hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 5 mei 2015 in kort geding gewezen tussen SRS en de Staat als eisers en Sasur als gedaagde;
– een pleitnota van SRS van 5 augustus 2016;
– een antwoordpleitnota van Sasur van 7 oktober 2016;
– een repliekpleitnota van SRS van 3 februari 2017;
– een dupliekpleitnota van Sasur van 16 juni 2017.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat SRS en de Staat daarin kunnen worden ontvangen.

De beoordeling
1. Kort samengevat betreft het geschil in eerste aanleg het volgende:
Bij vonnis in kort geding van 3 december 2009 heeft de kantonrechter op vordering van Sasur aan SRS een verbod opgelegd om een aantal gespecificeerde muziekwerken zonder toestemming van Sasur openbaar te maken of te verveelvoudigen. Voorts heeft de kantonrechter aan SRS verboden “om enig muziekwerk of delen daarvan al dan niet in de oorspronkelijke versie, behorende tot het door eiseres beheerde repertoire midddels het door haar geëxploiteerde omroepstation (….) zonder van eiseres verkregen toestemming openbaar te maken danwel te verveelvoudigen”. Ten slotte heeft de kantonrechter SRS veroordeeld tot de betaling van een dwangsom groot SRD 1.000,– voor iedere keer dat SRS deze verboden zou overtreden, tot een maximum van SRD 1.000.000,–.
Sasur heeft op 7 augustus 2014, na aanzegging bij deurwaardersexploot aan SRS dat deze het maximum aan dwangsommen ter hoogte van SRD 1.000.000,– had verbeurd, executoriaal beslag gelegd op het recht van erfpacht op het perceel waarop SRS haar radio-omroepbedrijf exploiteert. Op 21 augustus 2014 heeft zij terzake van de beweerdelijk verbeurde dwangsommen executoriaal derdenbeslag gelegd ten laste van SRS onder de Surinaamse Bank N.V. en Hakrinbank N.V..
Op 10 maart 2015 heeft SRS bij de kantonrechter een vordering in kort geding aangebracht, waarbij zij opkwam tegen bovenbedoelde beslagen. Na vermindering van eis strekt de vordering primair tot a. opheffing van het executoriale beslag op het recht van erfpacht op het perceel land en b. staking van de tenuitvoerlegging van de derdenbeslagen onder de Banken totdat in hoger beroep definitief zal zijn beslist over het vonnis van de kantonrechter 19 januari 2015, A.R.No.144867. Subsidiair vorderde SRS schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 december 2009, A.R.No.
07-3984, terzake van de vastgestelde dwangsom, totdat in hoger beroep zal zijn beslist over het vonnis van de kantonrechter van 19 januari 2015, A.R.No. 14-4867. In dat vonnis, A.R.No. 14-4867, werd de vordering van SRS tot opheffing van het executoriale beslag op het erfpachtsrecht van het perceel van SRS afgewezen. De kantonrechter overwoog daarin onder meer – kort en zakelijk weergegeven – dat Sasur ondanks de intrekking van de ministeriële toestemming aan Sasur om met betrekking tot auteursrechten te bemiddelen bevoegd was gebleven om terzake van die auteursrechten handhavend op te treden en aldus bevoegd was gebleven om de onderhavige dwangsommen door middel van executoriale beslagen te innen.

Bij tussenvonnis van 16 april 2015 heeft de kantonrechter de Staat toegestaan om zich te voegen in de hoofdzaak aan de zijde van SRS.
In het vonnis waarvan beroep van 5 mei 2015 heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, de primaire vordering van SRS tot opheffing van de onder SRS gelegde executoriale beslagen afgewezen en de subsidiair vordering, tot schorsing van de executie van dwangsommen, toegewezen.
2. SRS stelt dat mevr. M. Gangapersad in hoger beroep niet als gemachtigde kan optreden omdat zij geen advocaat is. Dit is onjuist. De wet vereist niet dat een gemachtigde in civiele procedures de hoedanigheid van advocaat heeft. Dat geldt ook voor hoger beroep.
3. SRS voert twee grieven aan. Grief 1 verwijt de kantonrechter dat deze niet aan zijn motiveringsplicht heeft voldaan omdat zij het primair gevorderde heeft geweigerd maar in de overwegingen niet gemotiveerd heeft waarom zij dit heeft gedaan. In grief 2 voert SRS aan dat het primair gevorderde ten onrechte is geweigerd.
4. Grief 1 is gegrond. De kantonrechter heeft inderdaad niet gemotiveerd waarom het primair gevorderde niet voor toewijzing vatbaar was.
5. SRS baseert grief 2 op de stelling dat het perceel waarop zij haar bedrijf uitoefent bestemd is voor de openbare dienst en dat daarom ingevolge artikel 312a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daarop geen beslag gelegd mag worden. Deze grief faalt. SRS heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van het perceel rechtstreeks gericht is op het openbaar belang. Het feit dat SRS door de Staat is opgericht en onder toezicht van een door de Minister benoemde Raad van Toezicht staat, maakt nog niet dat de feitelijk door SRS uitgeoefende werkzaamheden rechtstreeks het openbaar belang dienen. Ook de omstandigheid dat de Staat voor haar berichtgeving mede gebruik maakt van SRS maakt nog niet dat daarmee rechtstreeks het openbaar belang wordt gediend. SRS is slechts een van de vele media waarvan de Staat voor haar berichtgeving gebruik maakt en Sasur heeft aannemelijk gemaakt dat SRS mede op commerciële activiteiten gericht is.
6. Ambtshalve merkt het Hof op, dat partijen in dit geding niet zijn ingegaan op de vraag of het intrekken door de Minister van Justitie en Politie van de toestemming aan Sasur om te bemiddelen inzake auteursrechten ook meebrengt dat Sasur geen daden van handhaving terzake van auteursrechten, zoals executie van de onderhavige dwangsommen, mag verrichten. Dit punt komt aan de orde in het kort geding in hoger beroep A.R.No.14-486. Het Hof zal daar in deze zaak niet op vooruit lopen.
7. Het hierboven overwogene leidt tot de slotsom, dat het vonnis waarvan beroep moet worden bevestigd, met aanvulling van gronden en met veroordeling van SRS in de proceskosten van beide instanties.

De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het Hof:
Bevestigt, met aanvulling van gronden, het vonnis van de kantonrechter van 5 mei 2015, waarvan hoger beroep;
Veroordeelt SRS in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van Sasur tot op deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend President, mr. R.M. Praag en
mr. S.J.S. Bradley, Leden-plaatsvervanger en w.g. M.C. Mettendaf

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens mr. Ramlal, gevolmachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-50

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van:

A. [appellant sub A],
B. [appellant sub B],
C. [appellant sub C],
D. [appellant sub D],
allen wonende in [district], appellanten,
hierna te noemen: ”[appellanten]”,
gemachtigde: mr. T. Jhakry, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie te diens Parkette te Paramaribo,
geïntimeerde,
hierna te noemen: ”de Staat”,
gemachtigde: mr. H.H. Veldkamp, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 08 maart 2005 (A.R.No. 01-0102) tussen
A) [appellant sub A], B) [appellant sub B],
C) [appellant sub C], D) [appellant sub D] als eisers en De Staat Suriname als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop
Dit blijkt uit de volgende stukken:
– Het schrijven van de toenmalige President van het Hof van Justitie van Suriname waaruit blijkt dat [appellanten] op 07 augustus 2007 hoger beroep heeft aangetekend;
– pleitnota d.d. 17 februari 2012, met productie;
– antwoordpleitnota d.d. 16 maart 2012, met producties;
– repliekpleitnota d.d. 18 mei 2012, met producties;
– dupliekpleitnota d.d. 15 juni 2012.

De beoordeling
1. Het gaat in deze zaak om het volgende.
1.1. Appellant sub A was als ambtenaar in dienst van de Staat. Gedurende de periode toen appellant sub A in dienst was bij gedaagde, werd hij in januari 1989 naar de Lands Archief Dienst gemuteerd voor het verrichten van werkzaamheden aldaar. Daar appellant sub A zich niet kon terugvinden in de mutatie en de aan hem toebedeelde werkzaamheden, is hij sedert die datum weggebleven van het werk. Uit dien hoofde heeft de Staat het salaris van appellant sub A gedurende 01 januari 1990 tot en met 20 januari 1997 geblokkeerd. Ter zake heeft appellant sub A een vordering in kort geding tegen de Staat ingesteld. In die zaak hebben partijen een schikking bereikt, op basis van welke schikking aan appellant sub A op 21 januari 1997 op eigen verzoek eervol ontslag uit Overheidsdienst werd verleend en de Staat hem nog het salaris over de periode 01 januari 1990 tot en met 20 januari 1997 zou uitbetalen.

1.2. In het licht van de hiervoor vermelde schikking heeft gedaagde op 21 januari 1997 aan eiser een verklaring doen toekomen, inhoudende het volgende:
” (…) verklaart hierbij dat de heer [appellant sub A], Stafambtenaar B 1eklas in vaste dienst werkzaam is op het Ministerie van Binnenlandse Zaken (Direktoraat Binnenlandse Zaken). De heer [appellant sub A] voornoemd heeft gerekend van 20 januari 1997 ontslag uit Staatsdienst aangevraagd hetgeen zal worden verleend.
Over de periode 01 januari 1990 tot en met 20 januari 1997 maakt betrokkene nog aanspraak op salaris dat hem op korte termijn zal worden uitbetaald.

1.3 Vanwege het uitblijven van de betaling van het salaris over de in de verklaring vermelde periode, hebben [appellanten] een vordering ter zake in kort geding tegen de Staat aanhangig gemaakt. Eind 1999 heeft appellant sub A een geldbedrag groot Sf 1.681.389,64 uitbetaald gekregen.

2.1. [appellanten] hebben in eerste aanleg het hiernavolgende gevorderd:
a) de Staat te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hen te voldoen het bedrag ad Sf 2.582.083.500, althans een geldbedrag nader vast te stellen bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan de dag der algehele voldoening;
b) de Staat te veroordelen in de kosten van dit geding.

2.2 Aan de vordering hebben zij ten grondslag gelegd dat de Staat wanprestatie jegens hen heeft gepleegd. Daartoe hebben zij gesteld dat vanwege het feit dat appellant sub A vanaf 01 januari 1990 geen salaris van de Staat heeft ontvangen zij materiële en immateriële schade ad Sf. 2.522.083.500,- hebben geleden. Die schade bestaat daarin, dat zij vanwege het uitblijven van de betaling van het salaris vanaf 01 januari 1990 in grote armoede leefden, de echtgenote van appellant sub A als gevolg van deze armoede op 18 december 1994 is komen te overlijden, [appellanten] op 24 mei 1996 een hypothecaire lening hebben genomen, welke zij niet konden aflossen met als gevolg dat het onroerend goed waarop het hypotheekrecht was gevestigd in het openbaar is verkocht en [appellanten] het onroerend goed op 13 november 2000 hebben moeten ontruimen.

2.3 De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen.

2.4 [appellanten] concluderen in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog toewijzen van hun vordering zoals in eerste aanleg ingesteld, eventueel onder verbetering en aanvulling van de gronden.

3.1 De Staat heeft opgeworpen dat [appellanten] niet ontvankelijk dienen te warden verklaard in het hoger beroep, omdat zij niet binnen de in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gestelde termijn hoger beroep hebben aangetekend. Daartoe hebben zij aangevoerd dat partijen op de dag van de uitspraak noch in persoon, noch bij gemachtigde zijn verschenen en het vonnis per griffiersbrief d.d. 06 februari 2006 hebben ontvangen. Nu zij reeds op 21 maart 2005 hoger beroep tegen het gewezen vonnis hebben aangetekend zijn [appellanten] aldus de Staat, niet ontvankelijk daarin.
In reactie op dit verweer hebben [appellanten] zich beroepen op een schrijven afkomstig van de toenmalige President van het Hof van Justitie van Suriname d.d. 07 augustus 2006, waarin is vermeld dat [appellanten] op 15 februari 2006 hoger beroep tegen het bedoelde vonnis hebben aangetekend.
Ter zake dit verweer is het Hof het hiernavolgende van oordeel.
Uit de aantekening van de griffier op het vonnis van 08 maart 2005 volgt dat [appellanten] niet aanwezig waren bij de uitspraak van het vonnis.
Uit de verklaring van de Griffier der Kantongerechten en andere brieven van de toenmalige gemachtigde van [appellanten] blijkt dat zij op 21 maart 2005 hoger beroep hebben ingesteld.
Het vonnis is bij dienstbrief van 06 februari 2006 aan [appellanten] meegedeeld.
In een schrijven van de toenmalige President van het Hof van Justitie d.d. 07 augustus 2007, welk schrijven is gericht aan de Griffier der Kantongerechten, heeft de President vermeld dat [appellanten] op 15 februari 2006 hoger beroep hebben aangetekend.
Uitgaande van de inhoud van vorenvermeld schrijven, dat niet van valsheid door de Staat is beticht, zal het Hof 15 februari 2006 als appeldatum aanmerken. Het vorengaande leidt tot de slotsom dat [appellanten] binnen de termijn van 30 dagen het rechtsmiddel van hoger beroep tegen het vonnis hebben aangewend, zodat zij ontvankelijk zijn in het hoger beroep. Hieruit vloeit voort dat de Staat faalt in het hiervoor door haar opgeworpen formeel verweer.

3.2 Het Hof constateert het volgende. Appellanten sub B tot en met D hadden geen enkele rechtsrelatie met de Staat, doch is het slechts appellant sub A geweest die een rechtsrelatie, oftewel een werkrelatie met de Staat had. Ook zijn evenmin genoegzaam feiten gesteld of gebleken waaruit kan worden afgeleid dat de Staat een onrechtmatige daad jegens de appellanten sub B tot en met D heeft begaan. Om die reden kunnen appellanten sub B tot en met D zich niet met succes erop beroepen dat de Staat wanprestatie c.q. een, onrechtmatige daad jegens hen heeft gepleegd. Hieruit vloeit voort dat het door hun gevorderde dient te worden afgewezen.

3.3.1 Appellant sub A heeft als grief opgeworpen dat hij in het jaar 1989 is gemuteerd zonder dat de reden daartoe aan hem zou zijn doorgegeven en zonder dat hij ter zake door de Staat zou zijn gehoord. Tevens werd hij bij de mutatie belast met schoonmaakwerkzaamheden en heeft hij geweigerd deze werkzaamheden te verrichten, omdat hij stafambtenaar was en hij vanwege deze functie de aan hem toebedeelde schoonmaakwerkzaamheden onbillijk achtte. Daar er nimmer naar zijn beklag werd geluisterd en hij dit ondragelijk vond, is hij niet meer aan het werk verschenen. Volgens zijn betoog heeft de Staat zijn salaris over de periode 01 januari 1990 tot en met 20 januari 1997 in strijd met de Personeelswet geblokkeerd en is de betaling van het salaris over die periode laat geschied.

3.3.2. In reactie op de grief heeft de Staat aangevoerd dat hij de bevoegdheid heeft om te muteren en heeft hij weersproken appellant sub A met schoonmaakwerkzaamheden te hebben belast. Tevens heeft de Staat aangevoerd dat appellant sub A voldoende rechtsmiddelen had om tegen de mutatie en de aan hem toebedeelde werkzaamheden op te komen, doch heeft hij er toen voor gekozen om jarenlang van het werk weg te blijven waardoor zijn salaris werd geblokkeerd.

3.3.3. Naar het oordeel van het Hof gaat de grief van appellant sub A niet op, en wel op grond van de hierna volgende overwegingen. Appellant had de mogelijkheid om ten aanzien van de mutatie en de aan hem toebedeelde werkzaamheden gelijk een vordering tegen de Staat in te dienen. Dit, ter beperking van de door hem toentertijd vermeend geleden en te lijden schade. Nu hij zulks heeft nagelaten, kan hij in redelijkheid en billijkheid thans niet opwerpen dat hij als gevolg van de late uitbetaling van zijn salaris schade heeft geleden en dat de Staat voor die schade aansprakelijk dient te worden gesteld.
Bovendien is appellant sub A bijkans zeven jaren van het werk weggebleven, hetgeen ingevolge artikel 1614 b van het Surinaams Burgerlijk Wetboek jo artikel 28 lid 3 van de Personeelswet reeds grond voor de Staat opleverde om niet over te gaan tot het uitbetalen van het salaris. Voorts is door appellant onvoldoende met feiten onderbouwd gesteld, evenmin is gebleken dat de Staat zich jegens appellant sub A een onrechtmatige daad heeft begaan. Met name is niet gebleken dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens appellant sub A afgezien van het feit dat het causaal verband tussen de vermeend geleden schade en het handelen van de Staat evenmin is gebleken.

3.3.4 Hetgeen hiervoor is overwogen brengt het Hof tot de slotsom dat de Staat geen wanprestatie jegens appellant sub A heeft gepleegd. Hieruit vloeit voort dat de grief van appellant sub A niet leidt tot vernietiging van het bestreden vonnis. Het Hof zal daarom het vonnis waarvan beroep bekrachtigen.

3.4. Uit een overgelegd certificaat van onvermogen genummerd [nummer] d.d. 14 december 2011 blijkt dat appellant sub A ten deze kosteloos procedeert. [appellanten] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep

Het hof:
– verstaat dat appellant ten deze kosteloos procedeert;
– bekrachtigt het vonnis, waarvan beroep onder aanvulling van gronden;
– veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van Staat gevallen en begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-Griffier, mr. S.M.M. Chu en mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 januari 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen advocaat mr. T. Jhakry en advocaat mr. H.H. Veldkamp, gemachtigden van partijen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie
namens deze,
mr. S.K. Ghopie, Wnd. Substituut-Griffier

SRU-HvJ-2018-49

G.R.No. 14604

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

GRAIN CARIBE N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Curaçao,
appellante, hierna aangeduid als Grain Caribe,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

SUN RICE N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als Sun Rice,
gemachtigde: voorheen mr. J.C.P. Nannan Panday, thans mr. H.R. Schurman, advocaat,

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 17 november 2008 (A.R.No. 0982211) tussen geïntimeerde als eiseres en appellante als gedaagde ,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis, gewezen en uitgesproken op 1 juni 2012. Daarbij heeft het Hof Grain Caribe in de gelegenheid gesteld zich bij nadere conclusie uit te laten over het door Sun Rice met betrekking tot de derde grief gevoerde verweer, dat de hierna te noemen cessie een cessie tot zekerheid is. Vervolgens heeft appellante nog een uitlating pleitnota gedaan, waarbij drie producties zijn overgelegd, en heeft geïntimeerde een schriftuur overgelegd, houdende uitlating omtrent door appellante overgelegde producties.

De beoordeling
1. Tussen partijen staat het volgende vast:
a. Bij overeenkomst van 2 augustus 1997 heeft Sun Rice aan Grain Caribe 1500 m-ton cargorijst verkocht tegen een bedrag van US$ 365,– per m-ton. Uiteindelijk is 1366,66 m-ton rijst geleverd. Bij niet betaling binnen 30 dagen na verscheping werd US$ 5,– per geleverde m-ton als incentives verschuldigd, alsmede een rente van 1% per maand over de verschuldigde hoofdsom. Daarnaast heeft Grain Caribe op 15 augustus 1997 een hypothecaire vordering van Sf 216.804.000,– jegens [naam 1] N.V. op een erfpachtsrecht en alle aan deze vordering verbonden rechten en plichten aan Sun Rice gecedeerd. De levering heeft vervolgens plaatsgevonden.

b. Op 21 april 1998 was Grain Caribe op basis van de geleverde rijst in totaal US $ 541.582,58 aan Sun Rice verschuldigd. Op die datum is Sun Rice overgegaan tot executoriale verkoop van de aan haar gecedeerde vordering. De opbrengst (tegen een koers van Sf 406,– per US$) bedroeg US$ 433.990,14. Inschrijving van de akte van cessie in de openbare registers heeft Sun Rice Sf 6.504,12 gekost.

c. Sun Rice heeft voor deze bedragen beslag doen leggen op 9 juni 1998.
2. In eerste aanleg heeft Sun Rice in conventie bovenstaande bedragen gevorderd, met rente, en vanwaardeverklaring van het gelegde beslag, met veroordeling van Grain Caribe in de proceskosten. Grain Caribe heeft op haar beurt in reconventie een bedrag van US$ 139.385,09 gevorderd, met kosten en rente.
3. De kantonrechter heeft de vorderingen bij vonnis van 17 november 2008 in conventie integraal toegewezen en de vorderingen in reconventie afgewezen.
4. Grain Caribe heeft zich, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, op het standpunt gesteld dat zij eerst in de loop van 2007 kennis heeft genomen van het feit dat er in 1998 een procedure tegen haar is ingesteld. Alle advocaten, die namens haar zouden zijn opgetreden, waren onbevoegd. Ook de heer [naam 2], die ter comparitie is verschenen, deed dit zonder door haar gemachtigd te zijn. Wat hier verder allemaal van zij, Grain Caribe heeft als appellante hier verder geen conclusies aan verbonden, noch enige juridische stappen ondernomen, zoals bijvoorbeeld een desaveu-procedure. Daar komt bij dat de kantonrechter op goede gronden heeft aangenomen dat van onbevoegdelijk optreden van de zijdens Grain Caribe gestelde advocaten niet is gebleken. Aan deze kwestie wordt daarom in hoger beroep voorbijgegaan.
5. Grain Caribe heeft een aantal grieven tegen voormeld vonnis van de kantonrechter, voorzover in conventie gewezen, aangevoerd, die in het navolgende achtereenvolgens zullen worden behandeld. Tegen het vonnis, voorzover in reconventie gewezen, zijn geen grieven ingebracht. Sun Rice heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop zonodig zal worden ingegaan.
6. De eerste grief bestrijdt de mogelijkheid dat een veroordeling tot betaling van een geldsbedrag uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard, zulks ten onrechte. Artikel 56 lid 7 Rv maakt dit uitdrukkelijk mogelijk. De grief wordt verworpen.
7. De tweede grief beklaagt zich over het feit dat de kantonrechter de gevorderde rente van 1% per maand onverkort heeft toegewezen en niet heeft gematigd. Zij acht een dergelijk percentage over een periode van bijna 10 jaar in strijd met de openbare orde en de redelijkheid en billijkheid. Bovendien, zo voert zij aan, had de veiling eerder kunnen plaatsvinden, waardoor de rente ook toen al minder hoog was geweest. Met geïntimeerde is het Hof van oordeel, dat appellante het geheel in eigen hand heeft gehad om de vordering tijdig te betalen. Als zij de vordering zoals was overeengekomen binnen dertig dagen na verscheping had betaald was er helemaal geen rente verschuldigd geweest en zou ook geen executoriale verkoop hebben plaatsgevonden. Nu appellante er zelf voor heeft gekozen om de vordering al die jaren niet te betalen en zij dus zelf het rentevoordeel heeft genoten, is toewijzing van de tussen partijen overeengekomen rente –die op zich ook niet extreem hoog is- niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid of de openbare orde. Ook deze grief wordt daarom verworpen.
8. In grief 3 betoogt Grain Caribe dat de hiervoor genoemde cessieovereenkomst inhoudt dat Sun Rice geen vordering meer jegens haar heeft, maar dat zij het eventuele restant van de vordering na de executoriale veiling op [naam 1] N.V. dient te verhalen. Sun Rice voert hiertegen aan dat het hier om een cessie tot zekerheid gaat, zodat Sun Rice na uitwinning het restant van de vordering gewoon op Grain Caribe kan verhalen. Het hof stelt vast dat in de tekst van deze overeenkomst met zoveel woorden staat dat enerzijds Grain Caribe deze hypothecaire vordering tot zekerheid van de betaling van de door N.V. Sun Rice te leveren rijst aan Sun Rice heeft overgedragen en dat Sun Rice deze cessie tot zekerheid van eigendomsoverdracht aanneemt. Verder staat nog eens uitdrukkelijk vermeld onder 4. van de overeenkomst, dat de cessie is geschied tot zekerheid van betaling van de levering van 1500 ton rijst door Sun Rice aan Grain Caribe, welke cessie na betaling zonder enige vorm van proces van rechtswege ontbonden zal zijn. Naar het oordeel van het Hof blijkt uit deze tekst onomstotelijk dat het hier om een cessie tot zekerheid gaat, zodat het verweer, dat Sun Rice geen vordering meer heeft op Grain Caribe, maar op [naam 1] N.V., niet opgaat. In de overeenkomst staat ook niet dat Sun Rice verder afziet van haar vordering jegens Grain Caribe. Sterker nog, in de overeenkomst wordt er met zoveel woorden van uit gegaan dat Grain Caribe haar schuld aan Sun Rice gewoon gaat betalen waarna de cessie tot zekerheid van rechtswege vervalt. Ook deze grief dient derhalve te worden verworpen.
9. Grain Caribe beroept zich ook nog op een ‘Dadingsovereenkomst’ van 10 oktober 2001, blijkens welke overeenkomst S.M.L. aan Sun Rice per die datum het geldsbedrag betaalt van de ‘gepretendeerde vordering van Sunrise op Graincaribe-[naam 1] e.c.a. als gevorderd in de zaak bekend onder A.R.No. 982211. Nu echter op geen enkele wijze is gebleken dat S.M.L. deze dadingsovereenkomst is nagekomen (ter comparitie van partijen op 4 juni 2004 hebben beide partijen ook aangegeven dat S.M.L. niet heeft betaald), waardoor de onderhavige vordering van Sun Rice is voldaan, moet deze stelling reeds om die reden worden verworpen.
10. Het voorgaande leidt er toe dat alle grieven worden verworpen en dat het vonnis van de kantonrechter van 17 november 2008 kan worden bevestigd.

De beslissing
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep;
Verwijst Grain Caribe in de proceskosten aan de zijde van Sun Rice gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil.

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. R.G. Chatterpal, Leden en

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran
door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 januari 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. T.A. Kensmil namens advocaat mr. R. Sohansingh, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Essed namens advocaat mr. H.R. Schurman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-48

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

1. [persoon 1], wonende te [district 1],
2. De erfgenamen van [persoon 2], gewoond hebbende in [land], te weten
2a [persoon 2a] en
2b [persoon 2b],
3. [persoon 3], wonende in [land],
4. [persoon 4], wonende in [land],
5. [persoon 5], wonende in [district 2],
6. de erfgenamen van [persoon 6], gewoond hebbende te [district 1], te weten
6a [persoon 6a],
6b [persoon 6b] en
6c [persoon 6c]
7. De erfgenamen van [persoon 7], gewoond hebbende te [district 1], te weten
7a [persoon 7a],
7b [persoon 7b],
7c [persoon 7c],
7d [persoon 7d] en
7e [persoon 7e],
8. [persoon 8], wonende te [district 1],
9. [persoon 9], wonende in [district 2],
10. [persoon 10], wonende in [district 3],
11. [persoon 11], wonende te [district 1],
12. [persoon 12], wonende in [district 3],
13. [persoon 13], wonende in [district 2],
14. [persoon 14], wonende te [district 1],
appellanten in conventie en reconventie, verder ook te noemen in enkelvoud [appellant],
gemachtigden mr. D. Moerahoe en mr. S. Mangroelal, advocaten,

t e g e n

[persoon 15], wonende te [district 1],
geïntimeerde in conventie en reconventie, verder te noemen [geïntimeerde],
gemachtigde mr. Marja I. Vos, advocaat,
inzake het hoger beroep van de door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 21 maart 2006 (A.R.No. 024083) tussen [appellant] als eiser in conventie en gedaagde in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Nadat de procedure met betrekking tot de appellanten 2, 6 en 7 geschorst is geweest in verband met hun overlijden is de procedure weer hervat waarbij thans de erfgenamen optreden als appellanten, zoals in de aanhef van dit vonnis is vermeld.
Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– pleitnota van 2 mei 2014;
– Antwoord pleidooi van 3 oktober 2014;
– Repliek pleidooi van 5 december 2014 en
– Dupliek pleidooi van 17 april 2015.

De beoordeling
in conventie en reconventie:
1. Tussen partijen staat het volgende vast:
a. Partijen zijn de erfgenamen in de nalatenschappen van de erflaters en echtelieden [naam 1] en [naam 2].
b. Bij vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 19 april 1997 (A.R.No. 13508) is de scheiding en deling gelast van de nalatenschappen van bovengenoemde erflaters.
c. Tussen partijen zijn zwarigheden gerezen, zoals vermeld in het door notaris mr. C.A.Calor opgemaakt proces-verbaal van zwarigheden.
d. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of het perceelland groot 1480 m2, aangeduid op de kaart van de landmeter H. Raatgever van 9 mei 1969 met de letters a,b,c en d, gelegen in het voormalig [district 4], uitmakende een gedeelte van het perceelland, groot 3.396 hectare van de [grond] en bekend als Afdeling l Sectie [adres] (hierna verder aangeduid als het perceel), behoort tot de nalatenschappen. De eigendom van dit perceel staat op naam van de erflaters.

2. [appellant] vordert voor de kantonrechter dat partijen ter openbare terechtzitting worden opgeroepen en dat zal worden bepaald dat de akte van scheiding en deling van de beide nalatenschappen zal geschieden overeenkomstig het door hem ingenomen standpunt, namelijk dat het perceel tot de nalatenschappen behoort. [geïntimeerde] daarentegen neemt het standpunt in dat het perceel toebehoort aan haar en [naam 3], met wie zij in gemeenschap van goederen is gehuwd, verder te noemen [naam 4], omdat de erflaters het perceel aan haar echtgenoot hebben verkocht. Zij vordert daarom in reconventie kort gezegd dat het perceel op straffe van verbeurte van een dwangsom aan [naam 4] wordt overgedragen.
3. De kantonrechter heeft de vordering in conventie afgewezen en de vordering in reconventie toegewezen in die zin dat [appellant] dient mee te werken aan de eigendomsoverdracht van het perceel aan [naam 4] voornoemd binnen dertig dagen na betaling door haar van de restant koopsom (van SRD 2.360,–) op verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,– voor iedere dag dat [appellant] in gebreke blijft hieraan uitvoering te geven, met een maximum van SRD 100.000,–, uitvoerbaar bij voorraad. De proceskosten zijn tussen partijen als bloedverwanten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4. De kern van het geschil is de vraag of [naam 1], één van de erflaters, het perceel op 3 augustus 1971 heeft verkocht aan [naam 4]. [geïntimeerde] heeft een onderhandse akte overgelegd waarin staat dat [naam 1] het perceel aan [naam 4] heeft verkocht voor Sf 4.500,–, van welk bedrag direct Sf 1.000,– is betaald, en waarvoor kwijting wordt verleend. De restant koopsom dient, aldus deze onderhandse akte, met een rente van 6% per jaar binnen vijf jaar te worden voldaan. De akte is ondertekend met de naam van [naam 1] en met een handtekening, waarin de hoofdletter I en de naam [naam 4] te lezen valt. Tevens heeft zij een verklaring overgelegd van de gerechtsdeurwaarder Bhagwanpersad Ghiraw van 24 september 1997, waarin deze verklaart dat hij de betreffende akte heeft vertolkt aan [naam 1], ten bewijze waarvan hij de akte mee heeft ondertekend en dat één en ander plaatsvond op het notariskantoor D.A. Samson/R.S. Hira Sing. Verder heeft [geïntimeerde] vier kwitanties overgelegd, waarop staat dat op 22 september 1974 Sf 100,– is betaald, op 29 januari 1973 Sf 980,–, in maart 1974 Sf 250,– en op 28 oktober 1973 Sf 40,– , door achtereenvolgens mevr. [naam 4], [naam 5] en twee keer de heer [naam 4] op welke kwitanties telkens onderaan de naam [appellant] staat vermeld. Op de kwitantie van maart 1974 staat ook de naam ‘[naam 6]’.
5. [appellant] heeft geen grieven ingediend, doch heeft volstaan met een pleitnota waarin zijn bezwaren worden opgesomd. Hoewel het gebruikelijk is om grieven in te dienen en hoewel door het indienen van een memorie van grieven voor zowel de tegenpartij als het Hof de bezwaren van appellant tegen het vonnis van de kantonrechter direct duidelijk worden en dit dus sterk de voorkeur verdient, is het niet-indienen van grieven niet in strijd met de wet. Artikel 271 WvBR spreekt over het indienen van een ondertekende memorie. De memorie is verder vormvrij. De door [appellant] overgelegde Pleitnota voldoet in voldoende mate aan dit wettelijk vereiste, zodat aan dit verweer van [geïntimeerde] voorbij wordt gegaan.
6. [geïntimeerde] baseert het bestaan van de koopovereenkomst allereerst op de hiervoor omschreven onderhandse akte, de verklaring van gerechtsdeurwaarder Ghiraw, dat hij bij het sluiten van de door [geïntimeerde] bedoelde koopovereenkomst aanwezig is geweest, dat hij deze heeft vertaald voor de erflater en dat hij de koopovereenkomst ten bewijze hiervan mede heeft ondertekend. Daarnaast heeft [geïntimeerde] nog de hiervoor vermelde kwitanties overgelegd, waarin in elk geval twee keer over ‘aflossing voor een perceel’ wordt gesproken. Al met al levert dit zoveel aanwijzingen op voor het bestaan van de overeenkomst, dat [appellant] daartegenover niet kan volstaan met het betwisten van het bestaan van de overeenkomst. Ook in hoger beroep heeft [appellant] slechts volstaan met deze –ongemotiveerde- betwisting van het bestaan van de koopovereenkomst. Wat er dan wel is gebeurd op 3 augustus 1971 ten kantore van voormelde notarissen in aanwezigheid van gerechtsdeurwaarder Ghiraw en hoe dit stuk dan wel moet worden begrepen als het niet gaat om een koopovereenkomst wordt door hem niet aangegeven. Een gespecificeerd bewijsaanbod is ook niet gedaan. Onder deze omstandigheden wordt het verweer van [appellant] tegen het bestaan van de koopovereenkomst gepasseerd. Het Hof gaat daarom met de kantonrechter uit van het bestaan van de koopovereenkomst, waaraan [appellant], als rechtsopvolger onder algemene titel van erflater, gebonden is.
7. De kantonrechter overweegt verder dat de aanvankelijke stelling van [geïntimeerde] dat de hele koopsom reeds is voldaan niet is bewezen. Hij gaat er op grond van de kwitanties wel van uit dat Sf 2.090,– als aflossing op de koopsom is betaald, zodat een bedrag van Sf 2.360,– van de koopsom resteert. In hoger beroep wordt met een aantal argumenten betoogd dat de kwitanties vals zijn. Zo wordt aangevoerd dat de naam van de erflater niet steeds op dezelfde manier is geschreven. Dat leidt echter niet tot het vermoeden van valsheid, nu het wel vaker voorkomt dat personen hun naam steeds wat anders schrijven. Alleen een bericht van een schriftkundige zou hier helderheid over kunnen verschaffen, maar [appellant] heeft dat niet aangeboden. Dat de kwitantie van 22 september 1974 alleen al vals zou zijn omdat de erflater toen was overleden gaat evenmin op, nu niet valt uit te sluiten dat de tweede erflaatster die kwitantie getekend heeft. Het lijkt erop dat zij ook de kwitantie van maart 1973 heeft getekend, gelet op de vermelding van haar naam op die kwitantie. Dat spreekt het verweer van [appellant], dat [naam 1] in maart 1974 is overleden en dat deze kwitantie daarom ook vals is, tegen. Dat op de kwitantie van 29 januari 1973 staat vermeld dat een deel van de betaling rente betreft, is al evenmin het bewijs van valsheid. In de koopovereenkomst staat immers vermeld dat betaling van 6% rente is overeengekomen. Los van het voorgaande, [appellant] heeft ook niet aangegeven waarvoor die kwitanties dan wel zijn uitgeschreven als het niet voor de afbetaling met betrekking tot het perceel zou zijn geweest. Was er een ander perceel door [naam 4] gekocht? Op twee kwitanties staat immers vermeld ‘aflossing voor perceel’. Het had op de weg van [appellant] gelegen om hier iets over aan te voeren. Dat heeft hij nagelaten. [appellant] heeft in dit opzicht te weinig aangevoerd om zijn verweer als voldoende gemotiveerd te kunnen beschouwen, terwijl het gedane bewijsaanbod onvoldoende specifiek is. Ook dit verweer wordt daarom verworpen. Het Hof gaat er gelet op het voorgaande daarom van uit dat de volgens de kwitanties gedane betalingen strekken tot aflossing op de koopsom.
8. De kantonrechter is zoals hiervoor vermeld tot de conclusie gekomen dat [geïntimeerde] nog een bedrag van Sf 2.360,– van de koopsom dient te voldoen en dat dit bedrag gelet op de inflatie en de verandering van de munteenheid dient te worden gelijk gesteld met SRD2.360,–. Tegen deze overweging is [appellant] niet opgekomen, zodat het Hof hiervan zal uit gaan.
9. [appellant] voert nog aan dat de perceelsomschrijving in het vonnis onvoldoende specifiek is, maar ook dit verweer faalt. De perceelsomschrijving, tezamen met de overgelegde kaart van de landmeter H. Raatgever van 9 mei 1969, is voldoende duidelijk omschreven.
10. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis, zowel in conventie als in reconventie, in stand kan blijven, nu overigens geen bezwaren tegen het vonnis zijn ingebracht. Partijen zijn bloedverwanten. Om die reden zullen de kosten als na te melden worden gecompenseerd.

De beslissing
In conventie en reconventie
Bevestigt het vonnis waarvan beroep;
Compenseert de kosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 19 januari 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door de advocaten mr. C. Rambharos en mr. A.M.S. Lo Tam loi namens de advocaten mr. D. Moerahoe en mr. S. Mangroelal, gemachtigden van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. A.A.N. Codrington namens mr. M.I. Vos, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie
namens deze,
mr. S.K. Ghopie, Wnd. Substituut-Griffier

SRU-HvJ-2018-47

G.R.No. 14546

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van
a) LANDBOUWBANK N.V., rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo, appellante, gemachtigde:
mr. C.Ch. Bhagwandin, advocaat;
b) JADNANANSINGH, CARLO RANDJIT, destijds als notaris kantoorhoudende te Paramaribo, appellant, gemachtigde : mr. E.C.M. Hooplot, advocaat;
appellanten,

tegen:

a) [persoon 1],
b) [persoon 2],
In algehele gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten, beiden wonende aan de [plaats] in [district],
c) [persoon 3], EN
d) [persoon 4],
In algehele gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten, beiden wonende te [plaats 2] in [district],

allen geïntimeerden, gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat;
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en op 1 december 2008 uitgesproken vonnis (A.R.No. 05 1028) tussen appellanten alsmede Stichting Virana, aan de Van Drimmelenpolder in het district Nickerie gevestigde rechtspersoon, en Infinity N.V., te Paramaribo gevestigde rechtspersoon, als gedaagden en geïntimeerden als eisers,

spreekt de Fungerend-President in Naam van de Republiek het volgende vonnis uit.

Daarin zullen appellanten ook wel kortheidshalve worden aangeduid als de bank respectievelijk de notaris.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
– verklaringen van de griffier van de kantongerechten civiele zaken inhoudende dat appellanten sub a) en b) op 25 respectievelijk 13 februari 2009 hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton, op 1 december 2008 tegen onder meer hen beiden uitgesproken.
– pleitnota’ s van appellanten van 15 oktober 2010;
– antwoordpleidooi van 19 november 2010;
– repliekpleidooien van 4 februari 2011; en een
– dupliekpleidooi van 3 juni 2011.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
1 Nu geen van partijen in persoon dan wel bij gemachtigde bij de uitspraak ter zitting van 1 december 2008 was verschenen en de uitspraak vervolgens bij aangetekende dienstbrief van 11 februari 2009 aan de gemachtigden van appellanten was toegezonden, is het hoger beroep tijdig ingesteld en kunnen appellanten daarin worden ontvangen.

De beoordeling

De feiten

2 De door de kantonrechter in zijn vonnis onder 2 vastgestelde feiten gelden nog steeds tussen partijen, met dien verstande dat in hoger beroep is gebleken dat de notaris bij op 8 februari 2008 in het hypotheekregister onder [nummers] ingeschreven rectificatie-akten van 19 november 2007 is overgegaan tot rectificatie van wat in het vonnis van de kantonrechter onder 2.10 tot en met 2.12 is gerelateerd betreffende de akten van 20 en 27 juni 2003. Daarin had de notaris melding gemaakt van de door de bank als executant geïnitieerde openbare verkoping van de landpercelen 49 en 58 respectievelijk gunning daarvan aan respectievelijk Stichting Virana en Infinity N.V. Het betrof hier steeds proces-verbaal-akten die door de betrokken partijen niet behoeven te worden ondertekend; dat is dan ook niet gebeurd. Er was weliswaar bij dupliek al op gezinspeeld maar toen de kantonrechter vonnis wees, waren de rectificatie-akten nog niet overgelegd en de oorspronkelijk geïntimeerden hadden ook geen gelegenheid meer gehad om erop te reageren.

3 In de beide rectificatie-akten relateert de notaris dat “de iure aan de Landbouwbank N.V. is verkocht en toegewezen en de koopsom door de Landbouwbank N.V. als koper aan haar als hypotheekhouder is voldaan althans is verrekend; dat de Landbouwbank N.V. als (veiling)koper besloten had ter besparing van kosten niet direct tot overschrijving van het proces-verbaal over te gaan, maar haar rechten voortvloeiende uit de veiling over te dragen aan de gemelde Stichting Virana” respectievelijk “Infinity N.V. zodat het voorschreven onroerend goed rechtstreeks overdragen kon worden aan de voormelde Stichting Virana ” respectievelijk “Infinity N.V.; dat derhalve in voormelde procesverbaalakte abusievelijk is opgenomen dat de (…) Stichting Virana” respectievelijk “Infinity N.V. de hoogste bieder is geworden, terwijl het moest zijn de Landbouwbank N.V.”.

4 De bank blijkt het dus te zijn die op 20 juni 2003 als koper is opgetreden en die door inschrijving van de rectificatie-akten in de registers van het hypotheekkantoor op 8 februari 2008 eigenaar van beide percelen is geworden. Het ontgaat het Hof waarom geïntimeerden menen dat deze akten feiten relateren die toen nog in de toekomst lagen en waarom ze zichzelf nu opeens weer als eigenaren lijken te beschouwen.

Vernietiging van akten en doorhaling van inschrijvingen ten hypotheekkantore

5 Het Hof constateert dat deze rectificatie-akten alle door de kantonrechter in navolging van geïntimeerden op basis van omissies en tegenstrijdigheden in de eerdere procesverbaalakten gekoesterde twijfels wegnemen. Er is voor het Hof geen reden meer om te twijfelen aan het door de akten uit 2003 en 2007 tezamen gerelateerde. In het licht van deze rectificatie-akten vervalt al hetgeen ter vernietiging van de akten van 20 en 27 juni 2003 was aangevoerd, zodat het Hof geïntimeerden alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen tot vernietiging althans nietig-verklaring ervan als ook die tot doorhaling van de inschrijvingen ten hypotheekkantore en het vonnis van de kantonrechter in zoverre zal vernietigen. Daarmee is overigens nog niet gezegd dat geïntimeerden in zoverre ook hebben te gelden als in het ongelijk gestelde partijen of dat er geen nodeloos gemaakte proceskosten zijn; die zijn er wel degelijk nu appellanten in eerste aanleg wel op een rectificatie-akte gezinspeeld hebben maar verzuimd hebben deze toen al in het geding te brengen.

6 Het Hof constateert nog dat geïntimeerden geen vernietiging van de rectificatie-akten gevorderd hebben noch doorhaling van de inschrijving ervan en dan kunnen de oorspronkelijke akten uit 2003 duidelijkheidshalve ook maar beter in stand blijven, omdat de rectificatie-akten anders ook moeilijk begrijpelijk zouden zijn.

Schadevergoeding door de Landbouwbank N.V.

7 Rest dus nog ter beoordeling de eis tot schadevergoeding van geïntimeerden die geclaimd hebben dat Virana en Infinity – zo niet in 2003 ter veiling dan toch wel in 2004 bij de inschrijving van de procesverbaalakten uit 2003 – veel hogere bedragen aan de bank hebben betaald dan de ook in de rectificatie-akte volgehouden bedragen van Sf 22.500.000,- voor elk van beide landpercelen. Geïntimeerden stellen dat zij schade hebben geleden doordat de bank hen niettemin confronteerde met een afrekening op basis van een lagere veilingopbrengst die in een kleine restschuld resulteerde en dat de notaris hieraan heeft meegewerkt.

8 Partijen zijn het er in hoger beroep over eens dat schuldenaren wier in hypotheek gegeven goed geveild wordt, belang hebben bij een zo hoog mogelijke opbrengst en het Hof sluit zich hierbij aan. Daarmee kan dus ook voorbijgegaan worden aan alles wat appellanten hebben gesteld over de ontbrekende zeggenschap van geëxecuteerden als geïntimeerden in de gang van zaken bij en na een openbare verkoping. Tegen de achtergrond van de oorspronkelijke poging om de latere verkoop aan Virana en Infinitief in 2004 voor te stellen als een verkoop op de veiling van 2003, legt het Hof die verkoop na een advertentie in De Ware Tijd van 6 februari 2004 uit als een herveiling na ophouding als voorzien in de hypotheekakte uit 2001 en in de veilingvoorwaarden.

9 Uit het antwoordpleidooi van geïntimeerden in hoger beroep – dat refereert aan een niet in geding gebracht maar wel aan de appellanten bekend blijkend, van de bank afkomstig faxbericht van 24 juli 2007 – blijkt dat in het kader van deze door het Hof als herveiling aangemerkte verkoop na openbare advertentie SRD 52.650,- is betaald aan de bank als executant door Virana en door Infinity SRD 64.800,-. Het Hof acht deze opgave van geïntimeerden onvoldoende weersproken door de Bank die volstaat met op te merken dat deze productie slechts de notaris aangaat “die daarop ongetwijfeld zal reageren”, maar dat in deze procedure niet heeft gedaan. Uit een en ander volgt dat de executoriale verkoop de bank SRD 72.450-,- meer heeft opgeleverd dan in augustus 2004 aan geïntimeerden werd gemeld – te weten SRD 45.000,- – onder de toevoeging dat nog een restschuld bestond van SRD 714,15. Derhalve bedraagt de schade door niet-afrekening van het surplus van de latere informele veiling SRD 71.735,85. Op grond dat deze nalatigheid van de bank een onrechtmatige daad oplevert jegens geïntimeerden, zal zij worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan hen. Resteert de vraag of er nog andere schadeposten zijn.

Schade niet groter dan misgelopen surplus van executie-opbrengst

10 Het Hof gaat ervan uit dat de executiekosten en de rente reeds op de opbrengst waren verhaald toen geïntimeerden van de bank te horen kregen dat nog een schuld resteerde van SRD 714,15.
Het Hof gaat ook uit van de juistheid van deze berekening van de restschuld inclusief deze kosten door de bank en verwerpt de tegen die berekening door geïntimeerden ingebrachte bezwaren.
Bij de hypotheekkredietakte was in 2001 al overeengekomen dat de boekhouding van de bank behoudens tegenbewijs volledig bewijs van de restschuld inclusief rente zou opleveren en tegen die berekeningen zijn wel uitingen van verbazing ingebracht maar geen tegenwerpingen, laat staan dat er specifiek tegenbewijs is aangeboden zoals tegen de beweerde opbrengsten van de verkoop van beide landpercelen. Geïntimeerden hebben onvoldoende specifiek bewijs aangeboden tegen de boekhouding van de bank, zoals in hoger beroep wel geraden was.

11 Verder houden geïntimeerden ten onrechte vol dat door en na de opzegging van de kredietovereenkomst geen rente meer door hen verschuldigd was. Deze verplichting verviel volgens het Hof echter pas door binnenkomst van de betalingen door Virana en Infinity op 19 juli respectievelijk 18 augustus 2004. Tot die data raakten geïntimeerden maandelijks een rentebedrag verschuldigd. Van 18 augustus 2004 dateert ook de opgave van de bank dat na SRD 45.000,- in mindering gebracht te hebben op de schuld van geïntimeerden daarvan nog SRD 714,15 resteert. Het ontgaat het Hof ten enen male waarom geïntimeerden strak en stijf volhouden dat na de opzegging van de kredietovereenkomst door de schuldenaren geen rente meer verschuldigd zou zijn. Nu geïntimeerden ook niet in staat blijken deze gedachte te baseren op enige in wet of jurisprudentie neergelegde rechtsregel, weigert het Hof dus om contractueel verschuldigde rente als een schadepost aan te merken.

12 Voorts zal de verschuldigde schadevergoeding ook niet verhoogd worden met de door geïntimeerden opgevoerde schadepost van inkomstenderving op grond dat zij de landpercelen niet konden gebruiken (voor industriële doeleinden) ; daarop konden zij immers al vanaf de toewijzing ter veiling aan de koper geen aanspraak meer maken. Ook voor vergoeding van immateriële schade (niet nader gespecificeerde, laat staan door medische verklaringen toegelichte “stress, onrust, spanning en zorgen” ten gevolge van de procedure) ziet het Hof geen aanleiding.

13 De met de procesvoering gemoeide schadeposten die geïntimeerden melden, komen niet verder voor vergoeding in aanmerking dan op de voet van artikel 61 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Tot begroting van die proceskosten zal het Hof nog wel overgaan.

Geen gehoudenheid van de notaris tot schadevergoeding

14 Voordien dient echter nog vastgesteld te worden of de notaris ook aansprakelijk is voor het achterhouden van de meeropbrengst van de veiling. Voor het naast de bank aansprakelijk stellen van de notaris wegens de aan de bank verweten onrechtmatige daad acht het Hof diens slordigheden en omissies in de akten – hoe onwenselijk ook – onvoldoende; geïntimeerden voldoen ook niet aan hun stelplicht ten aanzien van zowel onrechtmatig handelen of nalaten als het oorzakelijk verband, door deze fouten als “sjoemelen” aan te merken. Geïntimeerden stelden bij repliek in eerste aanleg zelf ook dat het de bank was die sjoemelde met de informatie in de akten en dat de bank de notaris de akten van 2003 valselijk had doen opmaken; een enkele maal werd dat samengevat als een samen (onrechtmatig) handelen. Voor gezamenlijke of zelfs hoofdelijke aansprakelijkheid is echter meer nodig en daarover hebben geïntimeerden niets gesteld.

15 De notaris relateert in de naderhand door hem gerectificeerde akten van 2003 ook dat naast de getuigen alleen een employé van de bank respectievelijk directeur van de bank voor hem verschenen waren, die zich bij het mijnen beriepen op een mondelinge volmacht van Infinity N.V. respectievelijk de Stichting Virana. Het is dus heel goed mogelijk dat ook de notaris door de bank is misleid, toen deze vertegenwoordigers van de bank mijnden bij een bedrag van Sf 22.500.000, – dat was een jaar later SRD 22.500,-. In dit verband is het wellicht veelzeggend dat – zoals geïntimeerden bij antwoordpleidooi in hoger beroep zelf hebben gesteld en de bank niet heeft weersproken – de bank geweigerd heeft om de rectificatie-akten van de notaris te tekenen: daaruit zou kunnen worden afgeleid dat er in 2003 geen samenwerking laat staan samenspanning tussen bank en notaris geweest is. Hoe dan ook: er is door geïntimeerden niet eens gesteld dat de notaris ook maar iets wist van de betalingen van hogere bedragen aan de bank dan waarvoor gemijnd was.

16 De conclusie moet zijn dat de door de kantonrechter uitgesproken veroordeling van de notaris tot schadevergoeding moet worden vernietigd. De veroordeling in de proceskosten in eerste aanleg dient wel in stand te blijven want door zijn rectificatie-akten niet tijdig bij dupliek in het geding te brengen heeft hij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep nodeloze proceskosten veroorzaakt.

17 Uiteraard zal de veroordeling van de bank tot schadevergoeding bij staat ook worden vernietigd, daar het Hof zich nu reeds in staat acht, deze te begroten. Daarmee blijft van het vonnis van de kantonrechter alleen de proceskostenveroordeling in stand – en uiteraard de veroordeling van de oorspronkelijke gedaagden sub c) en d).

Proceskosten in hoger beroep

18 Op grond dat de bank heeft te gelden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, die bovendien – evenals trouwens de notaris – nodeloze proceskosten in eerste aanleg heeft gemaakt door eerst in hoger beroep de rectificatie-akte in het geding te brengen, zal de bank verwezen blijven worden in de proceskosten in eerste aanleg en zal de bank tevens veroordeeld worden in die in hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:
1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 1 december 2008 (A.R.No. 05-1028) waarvan beroep, behoudens de veroordeling in de proceskosten en de veroordeling van de oorspronkelijk gedaagden sub c) en d).

en opnieuw recht doende:

2 Verklaart geïntimeerden, oorspronkelijk eisers niet-ontvankelijk in hun primaire vorderingen onder a en b.

3 Veroordeelt de bank tot betaling aan geïntimeerden, oorspronkelijk eisers, tegen behoorlijk bewijs van kwijting van een bedrag van SRD 71.735,85—(Eenenzeventigduizend Zevenhonderdenvijfendertig Surinaamse dollars en 35 dollarcents).

4 Wijst af de primaire en subsidiaire vorderingen van geïntimeerden, oorspronkelijk eisers, tegen de notaris, oorspronkelijk gedaagde sub b.

5 Veroordeelt de bank en de notaris, oorspronkelijk gedaagden in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

6 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. S.M.M. Chu , Fungerend President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en
mr. A.C. Johanns, Lid-plaatsvervanger en w.g. S.M.M. Chu

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 januari 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein mr. A. Charan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat
mr. Y.S. Engkar, gemachtigde van appellanten en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. M.S.H. Boedhoe namens advocaat mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van geïntimeerden, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie
namens deze,
mr. S.K. Ghopie, Wnd. Substituut-Griffier

SRU-HvJ-2017-31

HET HOF VAN JUSTITE VAN SURINAME

In de zaak van

1. [appellant 1],
2. [appellant 2],
3. [appellant 3],
allen wonende in [district], appellanten,
gemachtigde: mr. J.R. Garib, advocaat,

tegen

A. [geïntimeerde 1],
B. [geïntimeerde 2],
C. [geïntimeerde 3],
D. [geïntimeerde 4],
E. [geïntimeerde 5],
F. [geïntimeerde 6],
allen wonende in [district], geïntimeerden,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 20 oktober 2015 (A.R.No. 12-2335) tussen appellanten als gedaagden in eerste aanleg en geïntimeerden als eisers in eerste aanleg,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
– de verklaring van de griffer waaruit blijkt dat appellanten op 21 oktober 2015 hoger beroep hebben ingesteld;
– de pleitnota met producties overgelegd op 04 november 2016;
– de antwoord pleitnota en uitlating producties overgelegd op 06 januari 2017;
– de repliek pleitnota overgelegd op 03 maart 2017;
– de dupliek pleitnota overgelegd op 05 mei 2017;
– de rechtsdag voor de uitspraak die is bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
2.1 Partijen waren op de dag van de uitspraak (20 oktober 2015) noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting aanwezig. Appellanten hebben bij schrijven van hun procesgemachtigde op 21 oktober 2015 appèl aangetekend, terwijl een afschrift van het
vonnis per griffersbrief d.d. 08 december 2015 naar partijen is verzonden. Gesteld noch gebleken is dat appellanten niet tijdig in appèl zijn gekomen, zodat appellanten in hun appèl kunnen worden ontvangen.

2.2 Het hof overweegt in de zaak bekend onder G.R.No. 15122A het appèl van geïntimeerden tegen het vonnis in eerste aanleg tussen partijen bekend onder A.R.No. 12-2395, is behandeld waarin het vonnis waarvan beroep is vernietigd en opnieuw recht is gedaan, uitgesproken door het hof op 02 juni 2017.

2.3 Naar het oordeel van het hof hebben appellanten in de onderhavige zaak geen belang meer bij het onderhavig beroep, nu in de zaak bekend onder G.R.No. 15122A, reeds is beslist op het door appellanten aangevoerd bezwaar dat de kantonrechter in eerste aanleg heeft overwogen en beslist dat de koopovereenkomsten d.d. 14 januari 2010 en 16 januari 2010 als schenking moeten worden gezien en derhalve ingebracht dienen te worden bij de scheiding en deling van de nalatenschap van [naam]. Appellanten zullen op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk worden verklaard in hun beroep, met hun veroordeling in de proceskosten.

3. De beslissing

Het hof

3.1 Verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun beroep.

3.2 Veroordeelt appellanten in de proceskosten begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 01 december 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie
namens deze,
mr. S.K. Ghopie, Wnd. Substituut-Griffier