SRU-HvJ-2018-80

G.R.No. 15034

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[APPELLANT],
wonende te [plaats],
appellant in kort geding,
verder ook aan te duiden als [appellant],
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

MARINE SUPPLY SERVICES CO. CORP.,
rechtspersoon naar Panama’s recht,
gevestigd en kantoorhoudende te Colon, Republiek Panama,
geïntimeerde in kort geding,
verder ook aan te duiden als Marine Supply,
gemachtigde: mr. R.L. Kensmil, advocaat

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 27 november 2014 (A.R.No. 14-3341) tussen [appellant] als eiser en Marine Supply als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, bij vervroeging in kort geding het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 15 mei 2015, inhoudende dat op 22 december 2014 door mr. G.R. Sewcharan, advocaat, een schriftelijke verklaring is ingediend inhoudende dat [appellant] hoger beroep wil instellen tegen het vonnis van de kantonrechter dat op 27 november 2014 in kort geding is gewezen tussen [appellant] als eiser en Marine Supply als gedaagde;
  • pleitnota van 6 november 2015;
  • antwoordpleitnota van 5 februari 2016;
  • een mondeling repliekpleidooi waarbij is geconcludeerd tot persistit;
  • een mondeling dupliekpleidooi waarbij is geconcludeerd tot persistit;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 oktober 2016 en vervolgens nader op 1 juni 2018, doch bij vervroeging op heden.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

[appellant] heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van zijn raadsman bij schrijven van 19 december 2014, ingekomen ter griffie der Kantongerechten op 22 december 2014, appèl aangetekend tegen het vonnis van 27 november 2014. De dienstbrief van de griffier waarbij deze een afschrift van het vonnis van de kantonrechter aan [appellant] heeft doen toekomen is gedateerd 5 december 2014. [appellant] heeft gesteld dat de brief van de griffier van 5 december 2014 en het vonnis hem op 8 december 2014 bekend geworden zijn. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] ingevolge het bepaalde in artikel 235 Rv. tijdig appèl ingesteld tegen voormeld vonnis, zodat hij ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.

Het Hof oordeelt alsvolgt

De termijn voor hoger beroep tegen een vonnis in kort geding is veertien dagen. De dienstbrief dateert van 5 december 2015. Gelet op voornoemde termijn had de verklaring van hoger beroep uiterlijk op 19 december ter griffie der kantongerechten moeten zijn binnengekomen. Uit de verklaring van de griffier blijkt dat de verklaring van hoger beroep pas op 22 december 2014 is ingediend.
Het hoger beroep is dan ook te laat ingesteld, zodat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

De beoordeling

1. Gelet op het feit dat [appellant] niet-ontvankelijk is, komt het Hof niet toe aan een inhoudelijke beoordeling in hoger beroep.

2. De beslissing in hoger beroep in kort geding:

Het Hof:

2.1. verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

2.2. veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Marine Supply begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. R.M.E. Wittenberg namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. J.S. Tamsiran namens advocaat mr. R.L. Kensmil, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-79

G.R.No. 15036
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van:

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP CLICO LIFE INSURANCE COMPANY SURINAME N.V.,
gevestigd te Paramaribo,
verder te noemen: Clico N.V.,
appellante,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

A. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP ASSURIA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
B. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP ASSURIA LEVENSVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Paramaribo,
verder gezamenlijk en in enkelvoud te noemen: Assuria,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, advocaat,

en

C. DE RECHTSPERSOON NAAR VREEMD RECHT
CLICO LIFE AND GENERAL INSURANCE COMPANY (SOUTH AMERICA) LIMITED,
kantoorhoudende te Georgetown, Guyana,
verder te noemen: Clico S.A.,
niet verschenen,
geïntimeerden,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 13 januari 2015 (A.R. No. 11-2492) tussen Clico N.V. als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie enerzijds en anderzijds Assuria als gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie en Clico S.A. als gedaagde in conventie spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 6 februari 2015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat Clico N.V. tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 6 mei 2016;
  • de antwoordpleitnota d.d. 18 november 2016;
  • de repliekpleitnota d.d. 21 april 2017;
  • de dupliekpleitnota d.d. 6 oktober 2017.

De beoordeling

1. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Clico N.V. daarin kan worden ontvangen.

2. In deze zaak heeft Clico N.V. in conventie gevorderd – als opvordering van eigendom – voor recht te verklaren dat zij zich terecht verzet tegen de door Assuria voorgenomen openbare verkoop van een ten processe nader omschreven onroerend goed alsmede dat dit goed ten onrechte in het beslag is betrokken en ten slotte de opheffing van de gelegde beslagen te bevelen. In reconventie heeft Assuria gevorderd Clico N.V. te veroordelen om aan haar te betalen:
(i) een bedrag van US$ 68,016.00, vermeerderd met wettelijke rente en
(ii) de opnieuw te maken executiekosten tot verhaal van Assuria’s vordering op Clico S.A. ad
US$ 283,000.00 en verdere schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3. De kantonrechter heeft in haar thans bestreden vonnis de vorderingen in conventie afgewezen en in reconventie de vordering sub 2 (i) afgewezen en die onder 2 (ii) toegewezen.
Tegen deze beslissingen – niet tegen die m.b.t. 2 (i) – komt Clico N.V. onder aanvoering van drie grieven op.

4. Het Hof gaat uit van de feiten die de kantonrechter onder 2.1 t/m 2.8 van haar vonnis heeft vastgesteld, nu daartegen geen grieven zijn gericht. Voor de inhoud daarvan wordt naar dat vonnis verwezen.

5. Eén van de vaststaande feiten betreft het verlijden van een notariële akte op 10 mei 2011 betreffende de levering in juridische eigendom van het ten processe bedoelde onroerend goed door Clico S.A. aan Clico N.V., welke akte op 11 mei 2011 is overgeschreven in de openbare registers.
Clico N.V. stelt dat de economische eigendom van dat onroerend goed reeds sedert 1 januari 2004 aan haar toebehoort door geruisloze inbreng in haar vennootschap. Dit was ook voor derden kenbaar, aldus Clico N.V., door publicatie op haar balans.
Assuria heeft op het onroerend goed conservatoir en executoriaal beslag gelegd en die beslagen op onderscheidenlijk 12 juni 2009 en 11 mei 2010 in de openbare registers doen inschrijven.

6. De vraag die in deze zaak beantwoord moet worden is of de hiervoor onder 5 genoemde beslagen doel hebben getroffen en “kleven”, nu deze zijn gelegd ter verzekering en verhaal van een vordering van Assuria op Clico S.A.

7. Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord. Naar Surinaams recht geldt dat de eigendom van zaken slechts wordt verkregen op een van de wijzen als in artikel 639 BW genoemd. “Geruisloze inbreng” in een (naamloze) vennootschap behoort daar niet toe. De door Clico N.V. genoemde economische eigendom is wellicht interessant voor bijvoorbeeld beleggers of houders van haar aandelen en heeft tevens verbintenisrechtelijke aspecten jegens Clico S.A., maar geen zakenrechtelijk gevolg. De uitgebreide beschouwingen van Clico N.V. over buitenlands recht en/of mogelijk toekomstig Surinaams recht helpen haar niet verder.

8. Hierop stuiten de grieven af, wat daarvan verder zij. Ten aanzien van de derde grief merkt het Hof nog op dat de afwijzing van de door haar ingestelde opvordering van eigendom krachtens de wet (artikel 424 Rv) meebrengt dat Clico N.V. de kosten moet betalen, waartoe de kantonrechter haar heeft veroordeeld.

9. Nu de grieven niet slagen en het Hof ambtshalve geen bedenkingen heeft tegen het bestreden vonnis, zal dit worden bevestigd.
Clico N.V. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis d.d. 13 januari 2015 (A.R.No. 11-2492),

veroordeelt Clico N.V. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Assuria begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 juli 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. E.D. Esajas namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Doelam namens advocaat mr. H.R. Lim A Po, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-78

G.R.No. 15063

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[Appellant],
wonende te [plaats],
appellant, hierna aangeduid als [appellant],
gemachtigde: mr. K. Bhoendie, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
kantoorhoudende te [paats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als [geïntimeerde],
niet verschenen,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis in Kort geding van 10 april 2014 (A.R.No. 12-5059) tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Uit de verklaring van de griffier blijkt dat [appellant] op 30 april 2014 hoger beroep heeft ingesteld. Mr. H.H. Veldkamp, advocaat, heeft op de zitting van 05 februari 2016, medegedeeld dat hij in hoger beroep niet de gemachtigde is van [geïntimeerde]. Op de rol van 19 februari 2016 heeft [appellant] het Hof verzocht vonnis te wijzen tegen de niet verschenen [geïntimeerde].

De beoordeling in conventie en in reconventie
1.1. Op 09 oktober 2012 is [appellant] met [geïntimeerde] een huurkoopovereenkomst aangegaan met [appellant] als koper inzake een voertuig van het merk Toyota Ipsum van het bouwjaar 2004 met als politiekentekennummer [kentekennummer] (hierna het voertuig).

1.2. De overeengekomen verkoopsom bedraagt USD 10,950,–. [appellant] heeft een bedrag van USD 5,000,– contant aanbetaald. Op de verkoopsom is verder in mindering gebracht de inruilwaarde ad USD 2,500,– van een voertuig van het merk Toyota type Crown van het bouwjaar 1999.

1.3. [appellant] is per 09 oktober 2012 een saldo van USD 3,864.– verschuldigd dat hij in zes maanden moet hebben afbetaald door maandelijkse aflossingen ad USD 644.–. In een schuldbekentenis voorzien van goedschrift en gedateerd 09 oktober 2012 met als schuldeiser [geïntimeerde] en als schuldenaar [appellant] staat onder meer dat terzake de koop en verkoop van het voertuig [geïntimeerde] aan [appellant] heeft voorgeschoten het bedrag van USD 3.864.–.

1.4 De eerste aflossingstermijn verschijnt op 09 november 2012. Op 01 november 2012 lost [appellant] een bedrag van USD 644.– af. Het saldo bedraagt per datum een bedrag van USD 3,220.–.

2.1 Primair heeft [appellant] in eerste aanleg in kort geding gevorderd:
a. de werking van de huurovereenkomst en de schuldbekentenis, beide van 09 oktober 2012, te schorsen althans op te schorten, totdat in de bodemprocedure definitief hierover is beslist;
b. terugname van de schade auto door [geïntimeerde] tegen teruggave aan [appellant] van het betaalde voorschot ad USD 7,500.– en de eerste aflossing ad USD 644.– en de betaalde reparatiekosten ad SRD 5.556,– onmiddellijk na de uitspraak onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 10.000,– voor iedere dag.

Subsidiair heeft [appellant] gevorderd:
c. veroordeling van [geïntimeerde] om als voorschot de bedragen van
USD 7,250.– en SRD 5.000,– te betalen onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 10.000,– voor iedere dag;
d. veroordeling van [geïntimeerde] in de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten en het honorarium van de advocaat ad SRD 3.000,–.

2.2 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg een vordering in reconventie ingesteld. Hij heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd:

  • [appellant] te veroordelen om een voorschot ad USD 3,200.– vermeerderd met de boeterente van 2.5% per maand te betalen tot aan de voldoening;
  • [appellant] te verbieden om [geïntimeerde] door negatieve publiciteit in de media te bekladden onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 5.000,–;
  • [appellant] te veroordelen in de kosten van het geding zoals overeengekomen in artikel 12 van de huurkoopvoorwaarden en het honorarium van de advocaat ad SRD 3.000,–.

2.3 In conventie in [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellant] een bedrag van SRD 5.556,– te betalen. [appellant] is in reconventie veroordeeld het bedrag van USD 3,220.– aan [geïntimeerde] te betalen vermeerderd met de rente van 18% per jaar met ingang van 01 december 2012.

2.4 [appellant] concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en [geïntimeerde] te veroordelen zoals primair en subsidiair gevorderd in eerste aanleg met behoud van het voertuig ter compensatie van de koopsom die hij reeds heeft betaald.

3.1. Uit de aantekening van de griffier op het kort geding vonnis van 10 april 2014 volgt dat [appellant] in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest. Het vonnis is bij dienstbrief van 18 augustus 2014 aan [appellant] meegedeeld. Aangezien [appellant] op 29 april 2014 reeds hoger beroep heeft ingesteld, is dit tijdig geschied.

3.2. Het hof acht voldoende aannemelijk dat [appellant] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering.

3.3. De grieven in conventie en in reconventie worden in het hierna volgende gezamenlijk behandeld.

3.3.1 [appellant] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat hij is afgegaan op reclame van [geïntimeerde]en een voertuig op huurkoop van betrokkene heeft gekocht. Bij levering van het voertuig op 09 oktober 2012 zijn gebreken aan de auto gebleken. Toen is hem duidelijk geworden dat [geïntimeerde] hem een schadeauto heeft verkocht. Hoewel met [geïntimeerde] was afgesproken dat de gebreken verholpen zouden worden, heeft laatstgenoemde het voertuig weer met gebreken afgeleverd. [appellant] stelt zich op het standpunt dat sprake is van misleidende reclame door [geïntimeerde]. Was hij ervan op de hoogte geweest dat het betreffende voertuig een schadeauto betrof, dan zou hij nimmer de huurkoop met [geïntimeerde] zijn aangegaan. In het bestreden eindvonnis van 10 april 2014 oordeelt de Kantonrechter in conventie dat [appellant] zijn vordering primair heeft gegrond op wanprestatie en subsidiair op dwaling. Naar het oordeel van de Kantonrechter beroept [geïntimeerde] zich ten onrechte op een exoneratieclausule, omdat zij als verkoper de plicht had [appellant] vóór het sluiten van de overeenkomst op de hoogte te stellen van de juiste staat van het voertuig. De kantonrechter oordeelt eerder dat [appellant] na ontvangst het voertuig niet heeft kunnen gebruiken. In dat verband heeft de kantonrechter het aannemelijk geacht dat het rijklaar maken van het voertuig [appellant] een bedrag van SRD 5.556,– heeft gekost, welk bedrag als voorlopige voorziening aan [appellant] is toegewezen. De grief is gericht tegen de toewijzing in reconventie van het bedrag van USD 3,220.– terzake het saldo van de koopsom vermeerderd met de rente van 18% per jaar. [appellant] voert aan dat hij door de aanbetaling ad USD 7,500.– en de eenmalige aflossing ad USD 644.– reeds meer dan de werkelijke waarde van het schadevoertuig heeft voldaan. Ook voert [appellant] daarbij aan dat de veroordeling tot betaling van de som ad USD 3,220.– in strijd is met de overweging van de kantonrechter dat hij bij levering van het voertuig geen gebruik daarvan heeft kunnen maken. In reconventie overweegt de kantonrechter dat [appellant] volop gebruik heeft kunnen maken van het voertuig en wordt hij op die grond veroordeeld tot betaling van voormeld bedrag.

3.3.2 Verder voert [appellant] aan dat de kantonrechter is voorbijgegaan aan de vordering in conventie tot schorsing van de huurkoopovereenkomst totdat in een bodemprocedure de huurkoop tussen partijen eventueel ontbonden wordt.

3.3.3 [appellant] voert nu aan dat hij door extra kosten ad SRD 7.121,– en gerechtelijke kosten ad SRD 5.000,– schade lijdt ad SRD 12.121.–. Ter compensatie van de geleden schade vordert [appellant] behoud van het voertuig en kwijtschelding van de saldokoopsom.

3.3.4 Het Hof is van oordeel dat uit het voorgaande moet worden geconcludeerd dat hoewel [appellant] in hoger beroep de veroordeling als in eerste aanleg heeft gevorderd, die vorderingen afwijken van de compensatie die hij nu mede vordert. Ook staat de compensatie niet op zichzelf, maar is hieraan behoud van het voertuig verbonden. [appellant] heeft geen helden betoog gevoerd, waaruit zijn bedoeling zou kunnen blijken. Het Hof leest daarom de vordering in appel aldus dat naast het primair gevorderde waaronder ‘b’ de terugname van het voertuig door [geïntimeerde] tegen teruggave van de betaalde voorschotten ad USD 7,500.– en USD 644.– en naast het subsidiair gevorderde waaronder ‘c’ de betaling door [geïntimeerde]van voorschotten ad USD 7,250.– en SRD 5.000,–, [appellant] meer subsidiair vordert dat hij het voertuig behoudt als compensatie van geleden schade ad SRD 12.121,– en voorts dat de saldokoopsom hem wordt kwijtgescholden.

3.3.5 Het Hof is van oordeel dat uit het betoog van [appellant] niet kan worden afgeleid welke extra kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en wat de omvang daarvan is geweest. [appellant] heeft niet voldoende en niet deugdelijk onderbouwd welke de kosten, schade en interesten zijn door geleden nadeel sedert het vonnis in eerste aanleg, ex artikel 278 sub 2˚ van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De thans door [appellant] gevraagde voorziening die strekt tot compensatie van betaalde geldsommen en verrekening van een nog openstaande schuld is niet toewijsbaar nu het bestaan en de omvang van de geleden schade in onvoldoende mate aannemelijk zijn.

3.3.6 Het Hof oordeelt daarnaast dat een kort geding zich niet leent voor bewijslevering. Dat [appellant] bij levering van het voertuig op gebreken is gestuit, is in de voorliggende zaak onvoldoende voor een geslaagd beroep op dwaling. Het Hof is daarom van oordeel dat [appellant]’s beroep op dwaling niet opgaat.

3.3.7 Zou met voldoende mate van zekerheid kunnen worden vastgesteld dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure geen stand zal houden, dan zou dit voldoende aanleiding kunnen zijn voor toewijzing van de vordering tot opschorting van de overeenkomst. Het Hof is echter voorshands van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure de huurkoopovereenkomst zal worden ontbonden. De vordering tot opschorting van de overeenkomst is op deze grond dan ook niet toewijsbaar.

3.3.8 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het Hof van oordeel dat de grieven waarin [appellant] in zijn algemeenheid heeft gesteld dat de kantonrechter ten onrechte tot de veroordelingen is gekomen, grotendeels falen. Het vonnis in conventie en in reconventie wordt bekrachtigd onder aanvulling van de gronden.

3.3.9 [appellant] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding als na te melden.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

in conventie en in reconventie

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan deze zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 1 juni 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K. Bhoendie, gemachtigde van appellant terwijl geïntimeerde noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2018-77

G.R.No.15065
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
in de zaak van

[Appellant sub A],
[Appellant sub B],
wonende in [land],
appellanten,
verder te noemen [appellanten],
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
handelende onder de naam Bouw Management Suriname,
wonende te [Plaats],
geïntimeerde,
verder ook aan te duiden als [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 20 april 2010 (A.R.No. 06-0471) tussen [appellanten] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken, inhoudende dat op 28 april 2011 door mr. I.S. Lalji, advocaat, een schriftelijke verklaring is ingediend inhoudende dat [appellanten] hoger beroep wil instellen tegen het vonnis van de kantonrechter dat op 20 april 2011 is gewezen;
  • pleitnota van 6 mei 2016;
  • correctie pleitnota van 20 mei 2016
  • antwoordpleitnota van 6 januari 2017;
  • repliekpleitnota van 21 april 2017;
  • dupliekpleitnota van 6 oktober 2017;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 2 maart 2018 en vervolgens nader op 3 augustus 2018 doch bij vervroeging op heden.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

De dienstbrief dateert van 14 april 2011. [appellanten] heeft volgens de verklaring van de griffier op 28 april 2011 hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is tijdig en [appellanten] zijn ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.

De beoordeling

1.1. Tussen partijen staat – kort gezegd – het volgende vast.

  • Partijen hebben op 4 september 2003 een aannemingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de bouw van een woning aan de [adres] in [Plaats]. De afgesproken prijs bedroeg € 285,00 per m2.
  • De overeenkomst vermeldt voorts:
  1. De streefdatum voor deze sleutelklare oplevering is vastgesteld op: 30-01-(lees:)2004 Op 8 september 2003 hebben partijen aannemingsovereenkomst no. 2 gesloten waarin een aanneemsom van € 46.000,00 wordt vermeld. Voorts bepaalt de overeenkomst: “Voor elke dag dat de woning na 30 maart 2004 door de aannemer niet wordt opgeleverd is de aannemer een boete verschuldigd van € 100,00 per dag.”
  • [appellanten] hebben in totaal € 50.660,00 aan [geïntimeerde] betaald.
  • Op 3 oktober 2005 heeft de gemachtigde van [appellanten] [geïntimeerde] wegens wanprestatie aansprakelijk gesteld en hem in gebreke gesteld. In de brief staat verder: “Cliënten stellen dat zij u genoeg tijd en ruimte hebben geboden om de overeenkomst na te komen vanaf 30 maart 2004 welke ruimte u niet hebt benut, weshalve zij u aansprakelijk stellen voor de schade, totaal vastgesteld op € 96.960,00 (…) en hierbij opzeggen de met u gesloten overeenkomst.”

1.2. [appellanten] heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de overeenkomst tussen partijen te ontbinden en voorts [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een teveel betaald bedrag van €4.660,00, van € 15.000,00 wegens meerkosten, van € 20.000,00 wegens kosten van nog uit te voeren werkzaamheden en van € 57.300,00 wegens opeisbare boete vanaf 30 maart 2004 van
€ 100,00 per dag tot de dag der oplevering, althans de dag van ontbinding van de overeenkomst, alle bedragen vermeerderd met wettelijke rente van 6 % en ten slotte om het gelegde conservatoir beslag van waarde te verklaren.

1.3. De kantonrechter heeft – kort gezegd – bij vonnis van 20 april 2010 de vordering van [appellanten] afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld.

1.4. De kantonrechter heeft in haar vonnis, onder andere, overwogen dat de tussen partijen overeengekomen opleveringstermijn van 30 maart 2004 niet als een fatale termijn dient te worden aangemerkt, gelet op de zinsnede in de overeenkomst dat voor elke dag dat de woning na 30 maart 2004 door de aannemer niet wordt opgeleverd hij een boete van € 100,00 per dag verschuldigd is en gelet op de aard van de overeenkomst. Volgens de kantonrechter konden [appellanten] zich alleen met succes op wanprestatie beroepen en indien oplevering nog mogelijk is, wanneer [geïntimeerde] eerst in gebreke zou zijn gesteld. Dat is volgens de kantonrechter niet gebeurd. [appellanten] hebben in plaats van een ingebrekestelling een andere aannemer ingeschakeld en [geïntimeerde] tot schadevergoeding aangesproken. [appellanten] kunnen zich niet te goeder trouw op wanprestatie beroepen.
Daarnaast was de kantonrechter van oordeel dat [appellanten] zich niet te goeder trouw op de boeteclausule kunnen beroepen omdat als niet weersproken vaststaat dat het niet opleveren van de woning na 30 maart 2004 aan [appellanten] zelf te wijten is.

1.5. [appellanten] hebben geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen door de kantonrechter, zodat het Hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan.

1.6. [appellanten] concluderen in hoger beroep tot vernietiging van het bestreden vonnis en vorderen alsnog de vordering toe te wijzen en het gelegde beslag van waarde te verklaren.
[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

1.8. Op de grieven en verweren zal, voor zover van belang, in het hierna volgende worden ingegaan.

1.9. De grief klaagt – kort samengevat – over de onjuiste overweging van de kantonrechter dat [appellanten] [geïntimeerde] niet hebben aangemaand, hetgeen onjuist is. Uit de aanmaning van 30 oktober 2005 volgt dat zij [geïntimeerde] genoeg tijd en ruimte hebben geboden om te presteren.

1.10. Het Hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat de bevoegdheid om een overeenkomst wegens een tekortkoming te ontbinden, indien correcte nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, pas ontstaat wanneer de schuldenaar in verzuim is. Verzuim ontstaat in beginsel door een ingebrekestelling waarbij een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld, waarna nakoming binnen die termijn uitblijft. Onder omstandigheden kan verzuim echter ook zonder ingebrekestelling intreden. Daarvan kan sprake zijn wanneer er een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, de zogenaamde fatale termijn.

1.11. Tussen partijen staat vast dat de woning niet op 30 januari 2004 gereed was en ook niet op 30 maart 2004, de opleveringsdatum die partijen nader zijn overeengekomen, zodat [geïntimeerde] in dit opzicht zijn verbintenis niet is nagekomen. Dat de opleveringsdatum naar 30 maart 2004 aan [appellanten] te wijten is geweest, zoals de kantonrechter heeft overwogen, kan naar het oordeel van het Hof hierbij in het midden blijven.
Beoordeeld moet worden of [appellanten] zich terecht hebben beroepen op ontbinding van de overeenkomst tussen partijen. Daarvoor is naast niet-nakoming vereist dat [geïntimeerde] in verzuim was. [appellanten] stelt dat de opleverdatum van 30 maart 2004 een fatale termijn was. Voor zover [geïntimeerde] dat betwist heeft, is die betwisting onvoldoende om vast te stellen dat de termijn van 30 maart 2004 een andere strekking had. Dat het een fatale termijn betrof blijkt niet alleen uit de tekst van de overeenkomst nr. 2, maar ook uit de bedoeling van partijen zoals die naar voren komt in de e-mails die partijen tussen eind januari 2004 en 30 maart 2004 naar elkaar hebben gestuurd. Daaruit blijkt dat [appellanten] het van belang achtten dat de oplevering op 30 maart 2004 zou geschieden, want zij hebben in hun e-mail van 15 maart 2004 [geïntimeerde] erop geattendeerd dat hij bij niet oplevering op 30 maart 2004 de boete van € 100,00 per dag verschuldigd zou zijn. [appellanten] hebben daarnaast oplevering per genoemde datum kennelijk willen bevorderen door de verlenging van een ticket van [geïntimeerde] op 12 maart 2004 te voldoen. Anderzijds heeft [geïntimeerde] het belang van [appellanten] bij tijdige oplevering ook zo opgevat. Hij heeft [appellanten] in zijn e-mail van 3 februari 2004 bevestigd dat het de bedoeling was dat hij op 30 maart 2004 zou opleveren. Immers, hij schreef [appellanten] dat de woning bijna af was en dat hij nog maar een maand had om de woning af te krijgen.
Vast staat derhalve dat [geïntimeerde] in verzuim zou zijn wanneer hij de woning niet uiterlijk 30 maart 2004 zou opleveren. Deze fatale termijn is verlopen zonder dat [geïntimeerde] de verbintenis is nagekomen. Daarmee was sprake van wanprestatie door niet-tijdige nakoming. [appellanten] mochten dan ook tot ontbinding van de overeenkomst overgaan. De kantonrechter heeft ten onrechte het verzoek tot ontbinding afgewezen.
1.12. Het hof overweegt voorts dat uit de brief van de gemachtigde van [appellanten] van 18 mei 2004 (productie VIb bij het inleidend verzoekschrift) blijkt dat [appellanten] aan [geïntimeerde] hebben laten weten dat een aannemer in Suriname zijn werkzaamheden zou overnemen en dat deze de woning binnen een termijn van 4 weken sleutelklaar zou opleveren. Ook hebben [appellanten] in die brief te kennen gegeven dat zij geen vertrouwen meer in [geïntimeerde] hadden en dat zij aanspraak maakten op de overeengekomen boete.
Het Hof is van oordeel dat [appellanten] daarmee de overeenkomst met [geïntimeerde] wegens wanprestatie reeds op die datum hebben ontbonden en niet op 4 oktober 2005.
1.13. [appellanten] hebben aanspraak gemaakt op de contractuele boete van € 100,00 per dag. Deze vordering is toewijsbaar omdat [geïntimeerde] te laat heeft opgeleverd. Gelet op de datum van ontbinding is toewijsbaar een bedrag van € 4.900,00 (49 dagen à € 100,00).

1.14. [appellanten] hebben daarnaast terugbetaling gevorderd van een (teveel betaald) bedrag van € 4.660,00. [geïntimeerde] heeft dat bestreden en aangevoerd dat dit bedrag een gedeeltelijke betaling was op meerwerk voor een bedrag van € 6.800,00 wegens een zwevende constructie bij de garage, extra fundering en het bouwrijp maken van het terrein. [appellanten] zijn bij repliek niet op dit gestelde meerwerk ingegaan maar hebben slechts aangevoerd dat [geïntimeerde] zijn stelling dient te bewijzen en dat hun laatste betaling als niet weersproken vast staat.

Het Hof is van oordeel dat [appellanten] in hun weerlegging onvoldoende op het verweer van [geïntimeerde] zijn ingegaan. Zij hebben geen woord aan het gestelde meerwerk besteed. Daarmee staat het gestelde meerwerk als onvoldoende weersproken vast. Het daartoe strekkend onderdeel van de vordering is dan ook niet toewijsbaar en de kantonrechter heeft deze op zichzelf terecht afgewezen.

1.15. Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding wegens wanprestatie, bestaande uit gemaakte kosten wegens gebreken en de kosten om het werk af te maken, overweegt het Hof het volgende.
Op grond van artikel 1264 BW is – kort gezegd – vergoeding van kosten en schade die voortvloeit uit niet nakoming van een verbintenis pas verschuldigd, wanneer de schuldenaar na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft om de verbintenis te vervullen. Een schuldenaar is nalatig wanneer hij in verzuim is, en hij raakt pas in verzuim wanneer hij in gebreke is gesteld. Het Hof stelt vast dat in deze zaak een ingebrekestelling ontbreekt. Het had op de weg van [appellanten] gelegen om [geïntimeerde], toen zij constateerden dat er gebreken aan de woning waren, eerst in de gelegenheid te stellen om deze gebreken alsnog te verhelpen. De gevorderde schadevergoeding is reeds hierom niet toewijsbaar. Los daarvan hebben [appellanten] de gestelde schade ook niet voldoende gespecificeerd. Zo is onduidelijk welke bedragen er voor de verschillende herstelwerkzaamheden in rekening zijn gebracht. Een factuur ontbreekt. Ook de nog te maken kosten voor het afmaken van de werkzaamheden zijn niet onderbouwd. De vorderingen die hier op zien zullen dan ook worden afgewezen.

1.16. Op grond van al het voorgaande komt het Hof tot de slotsom dat de opgeworpen grief deels doel treft. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Het Hof zal opnieuw recht doen, de vordering gedeeltelijk toewijzen en deze voor het overige afwijzen. Het gelegde beslag wordt van waarde verklaard.

1.17. Het Hof ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren omdat de vordering van [appellanten] slechts ten dele wordt toegewezen.

2. De beslissing in hoger beroep:

Het Hof:

2.1. vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 20 april 2010
A.R.No. 06-0471;

en opnieuw rechtdoende;

2.2. verklaart voor ontbonden de onderhavige overeenkomst tussen partijen;

2.3. veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellanten] te voldoen een bedrag van € 4.900,00, (vierduizend negenhonderd Euro’s) vermeerderd met de wettelijke rente van 6 % per jaar vanaf 1 maart 2006 tot de dag van algehele voldoening;

2.4. verklaart het bij exploit van deurwaarder M. Sitaram op 17 februari 2006 onder no. 132 gelegde conservatoir beslag van waarde op de daarin vermelde onroerende goederen;

2.5. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

2.6. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. H.H. Vreden namens advocaat mr. I.S. Lalji, gemachtigde van appellanten, terwijl geïntimeerde noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging ter terechtzitting is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-76

G.R.No.15067
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[Appellante],
wonende in [land],
appellante,
verder te noemen: [appellante],
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde,
verder te noemen: [geïntimeerde],
gemachtigde: I.D. Kanhai, Bsc., advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 9 april 2015 (A.R.No.13-1924) tussen [appellante] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 14 april 2015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellante] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 15 juli 2016;
  • de antwoordpleitnota d.d. 7 oktober 2016;
  • de repliekpleitnota d.d. 2 december 2016;
  • de dupliekpleitnota d.d. 6 januari 2017.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellante] daarin kan worden ontvangen.

2. Het Hof gaat van de volgende feiten uit.

(i) [geïntimeerde] is dochter en enig erfgenaam van de op 10 april 2012 overleden [erflater]. [appellante] is een zuster van de overledene.

(ii) Tot de nalatenschap van de overledene behoorden een perceelland in het district Suriname en een erfpachtrecht te [Plaats].

(iii) Bij exploot van 2 april 2013 is namens [appellante] conservatoir beslag gelegd op de onder (ii) bedoelde onroerende goederen. [appellante] heeft aan dit beslag ten grondslag gelegd, verkort en zakelijk weergegeven, dat zij aan de vader van [geïntimeerde] geldbedragen heeft uitgeleend, voor welke – door diens overlijden opeisbaar geworden – schuld [geïntimeerde] op grond van haar erfgenaamschap jegens [appellante] aansprakelijk is.

3. De kantonrechter heeft bij haar thans bestreden vonnis het beslag op vordering van [geïntimeerde] opgeheven. Zij oordeelde dat de hierboven onder 2 (iii) bedoelde geldlening niet aannemelijk is geworden. Tegen deze beslissing komt [appellante], onder aanvoering van drie grieven, op.

4. Ingevolge de artikelen 639 jo. 596 Rv zal de rechter een beslag als het onderhavige opheffen onder meer indien, na verhoor van partijen, summierlijk van de ondeugdelijkheid van de beslagvordering blijkt. De grieven bestrijden, mede gelet op de daarop gegeven toelichting, gezamenlijk dat deze grond voor opheffing zich hier voordoet.

5. Het Hof heeft kennis genomen van het, door [appellante] bij haar pleitnota overgelegde, (tussen)vonnis in de vanwaardeverklaringsprocedure d.d. 8 december 2015 (A.R.No. 13-1238). In deze bodemzaak heeft de kantonrechter geoordeeld dat op grond van in het geding gebrachte stukken voorshands bewezen is dat [appellante] de door haar gestelde geldleningsovereenkomst daadwerkelijk met [geïntimeerde]’s vader is aangegaan. [geïntimeerde] is bij dat vonnis toegelaten ter zake tegenbewijs te leveren. Hoewel de uitkomst van deze bewijslevering thans nog niet vast staat en genoemd oordeel nog door een rechtsmiddel zou kunnen worden aangetast, brengt deze stand van zaken mee dat niet gezegd kan worden dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van de beslagvordering is gebleken.

6. De grieven slagen in zoverre als aangegeven en behoeven voor het overige geen bespreking. Het beroepen vonnis zal worden vernietigd met verdere beslissingen als in het dictum aan te geven.
[geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

vernietigt het in dit kort geding door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 9 april 2015 (A.R. No.13-1924)

en opnieuw rechtdoende:

wijst de door [geïntimeerde] ingestelde vorderingen af,

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] begroot op

  • voor de eerste aanleg op nihil,
  • voor het hoger beroep op SRD. 832 (Achthonderd twee en dertig Surinaamse Dollars).

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 1 juni 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. T.A.M. Kensmil namens advocaat mr. R. Sohansingh, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat I.D. Kanhai, Bsc., gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2018-75

G.R.No.15070
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[Appellante],
wonende te [plaats],
verder te noemen: [appellante]
appellante,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

HI-JET HELICOPTER SERVICES N.V.,
gevestigd te Paramaribo,
verder te noemen: Hi-Jet,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. B.A.H. Pick, advocaat

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 16 juli 2015 (A.R.No. 14-3036) tussen [appellante] als eiseres en Hi-Jet als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 5 augustus 2015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellante] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 18 maart 2016;
  • de antwoordpleitnota d.d. 15 juli 2016;
  • de repliekpleitnota d.d. 6 januari 2017;
  • de dupliekpleitnota d.d. 17 maart 2017.

De beoordeling

1. Het gaat hier om een kort geding. De kantonrechter heeft daarin op 16 juli 2015 uitspraak gedaan. [appellante] was in persoon bij die uitspraak aanwezig, zodat de termijn van hoger beroep (ingevolge artikel 235 Rv, 14 dagen) voor haar vanaf die dag is gaan lopen.

2. [appellante] heeft eerst op 5 augustus 2015, en derhalve te laat, appel ingesteld. Zij moet daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.

3. [appellante] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

  • verklaart [appellante] in haar hoger beroep tegen bovengenoemd vonnis niet-ontvankelijk,
  • veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Hi-Jet begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 juli 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. B.A.H. Pick, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

SRU-HvJ-2018-74

G.R.No. 15072

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. DE DEVIEZENCOMMISSIE,
B. DE CENTRALE BANK VAN SURINAME,
beiden rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellanten in kort geding,
gemachtigde voor appellante sub B: mr. E. Naarendorp, advocaat,
gemachtigde voor appellante sub A: mr. N. Ramnarain, advocaat,

tegen

AMAZONE GOLD N.V., rechtspersoon,
kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en
uitgesproken vonnis van 11 september 2015 (A.R.No. 15-4050) tussen geïntimeerde als eiseres in kort
geding in eerste aanleg en appellanten als gedaagden in kort geding in eerste aanleg,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handeling:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellanten op 23 september 2015 hoger beroep hebben ingesteld;
  • de memorie van grieven d.d. 22 september 2015, ingediend ter griffie van het Hof op 23 september 2015;
  • de memorie van antwoord d.d. 12 november 2015, ingediend ter griffie van het Hof op 12 november 2015;
  • de pleitnota met een productie d.d. 18 maart 2016;
  • de antwoordpleitnota en uitlating productie d.d. 15 juli 2016;
  • de repliekpleitnota met producties d.d. 07 oktober 2016;
  • de dupliekpleitnota en uitlating producties d.d. 17 februari 2017;
  • de rechtsdag voor de uitspraak was aanvankelijk bepaald op 21 juli 2017 en vervolgens nader op 1 juni 2018, doch bij vervroeging op heden.

De ontvankelijkheid van het beroep
2.1 Partijen waren op de dag van de uitspraak (11 september 2015) middels vertegenwoordigers van hun respectievelijke procesgemachtigden ter terechtzitting vertegenwoordigd. Appellanten hebben bij schrijven van hun procesgemachtigden d.d. 23 september 2015 appél aangetekend. Appellanten hebben het appél derhalve tijdig ingesteld en kunnen daarin worden ontvangen, nu dit in ieder geval binnen veertien dagen na de dag van uitspraak is geschied.

2.2. Geïntimeerde voert als formeel verweer aan dat slechts appellante sub A een memorie van grieven heeft ingediend, terwijl de pleitnota in reactie op de memorie van antwoord, is ingediend door beide appellanten. Volgens geïntimeerde is appellante sub B niet bevoegd geweest zulks te doen en moest volgens geïntimeerde, appellante sub B een aparte pleitnota met eventuele grieven hebben ingediend. Geïntimeerde is van oordeel dat, nu appellante sub B zulks heeft nagelaten, zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar beroep, althans dient haar verweer te worden gepasseerd.

2.3 Appellanten stellen zich op het standpunt dat zij beiden in hoger beroep zijn gekomen van het onderhavige vonnis. Appellanten voeren hiertoe aan dat zij bij een gezamenlijke appelbrief van hun procesgemachtigden conform artikel 271 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tegen het onderhavige vonnis hoger beroep hebben ingesteld onder indiening van een memorie van grieven, terwijl zowel uit de appelbrief als de memorie van grieven die door beide procesgemachtigden is ondertekend, onomstotelijk blijkt dat beide appellanten conform de wet zijn opgekomen tegen het onderhavige vonnis, zodat er over de ontvankelijkheid van appellante sub B geen twijfel hoeft te bestaan.

2.4 Geïntimeerde voert hiertegen aan dat het verweer van appellanten niet opgaat, omdat hoewel beide appellanten hoger beroep hebben aangetekend, de memorie van grieven slechts door appellante sub A is ingediend, hetgeen niet alleen uit de aanhef van het processtuk blijkt, maar ook uit het processtuk zelf, daar er aldaar verweer wordt gevoerd door ’appellante’ en niet ’appellanten’. Volgens geïntimeerde brengt het feit dat de procesgemachtigde van appellante sub B, mr. N. Ramnarain, jurist, de memorie van grieven heeft medeondertekend, hierin geen verandering. Volgens geïntimeerde kent de wet in de hoger beroep procedure, de zogeheten verplichte procesvertegenwoordiging, hetgeen betekent dat de procespartijen alleen door een advocaat vertegenwoordigd kunnen worden, terwijl mr. N. Ramnarain alstoen geen advocaat was en derhalve ook geen memorie van grieven namens appellante sub B kon indienen.

2.5 Het hof stelt voorop dat het rechtssysteem in Suriname geen verplichte
procesvertegenwoordiging kent en derhalve ook niet in hoger beroep. Voorts is het gebruik dat de Staat Suriname en/of haar rechtspersonen c.q. organen steeds vertegenwoordigd worden door een daartoe door de Staat en/of het betreffende orgaan speciaal daartoe gemachtigde persoon. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de procesgemachtigde van appellante sub B wel bevoegd was de memorie van grieven en andere processtukken mede te ondertekenen. Het hof gaat voorbij aan het terzake gevoerd verweer van geïntimeerde, mede gelet op het feit dat geïntimeerde erkent dat het hoger beroep is aangetekend door beide appellanten. Dat er in de processtukken wordt gesproken over ’appellant’, doet naar het oordeel van het hof niets af aan het feit dat er verweer is gevoerd namens beide appellanten, nu de processtukken door de procesgemachtigden van beide appellanten zijn ondertekend. Appellante sub B kan derhalve worden ontvangen in haar beroep. Hiermee is reeds rekening gehouden in de aanhef van dit vonnis.

3. De feiten
3.1 Bij Bijzondere Beschikking [nummer 1], d.d. 02 augustus 2010, heeft appellante sub A, onder intrekking van de Bijzondere Beschikking [nummer 2], d.d. 30 oktober 2007, aan geïntimeerde vergunning verleend om onder meer onder bezwarende titel goud te verkrijgen en over het aldus verkregen goud te mogen beschikken, het een en ander zoals bedoeld in de artikelen 11, 14 en 17 van de Deviezenregeling 1947 (G.B. 1947 no. 136, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1984 no. 104), onder de daarbij verbonden voorwaarden, waarbij de vergunning wordt verleend voor een periode van 5 jaar te rekenen vanaf 01 augustus 2010, derhalve geldende tot en met 31 juli 2015; de vergunning wordt geacht telkens na het verstrijken van die termijn stilzwijgend met eenzelfde periode te zijn verlengd.

3.2 Bij schrijven d.d. 20 april 2015, kenmerk KM/NV [nummer 3], heeft appellante sub A voor zover van belang het navolgende aan geïntimeerde medegedeeld:
”Met verwijzing naar ons onderhoud d.d. 30 maart 2015 wenst de Deviezencommissie, ….. u te berichten dat Kaloti Suriname Mint House (KSMH) per 20 februari 2015 operationeel is. Ingevolge artikel 7 lid 2 sub a van de ”Overeenkomst tot het Opzetten en Exploiteren van een Instelling voor Goudbehandeling” tussen de Republiek Suriname en Kaloti Precious Metals DMCC is bepaald dat met het operationeel zijn van KSMH, het te exporteren onbewerkt goud vooraf ter bewerking aan KSMH zal moeten worden aangeboden.
Deze additionele bepaling geldt als een aanvulling op uw geldende Bijzondere Beschikking [nummer 1] d.d. 2 augustus 2010, welke per 31 juli 2015 zal vervallen. Bij een eventuele verlenging van de voornoemde beschikking zal deze bepaling door de Deviezencommissie als verplichting worden opgenomen in de dan geldende voorwaarden ter verkrijging van een Bijzondere Beschikking. (…)”

3.3 Bij schrijven d.d. 30 juli 2015, kenmerk PB/nv [nummer 4], heeft appellante sub A, voor zover van belang, het navolgende aan geïntimeerde doen mededelen:
”Hierbij vestigen wij uw aandacht erop dat uw BB 230 d.d 2 augustus 2010, vervalt per 31 juli 2015.
Indien uwerzijds de behoefte bestaat uw goudactiviteiten voort te zetten, stellen wij u in de gelegenheid als nog binnen 1 (een) maand na dagtekening dezer brief, uw verzoek tot verlenging bij de Deviezencommissie in te dienen. Voorts delen wij u mee dat in de periode waarin de aanvraag van uw nieuwe vergunning in behandeling is, u in de gelegenheid wordt gesteld uw bedrijfsactiviteiten verder uit te voeren.(…)”

3.4 In reactie op het schrijven vermeld onder 3.1 heeft geïntimeerde bij schrijven d.d. 11 augustus 2015, als volgt gereageerd naar appellante sub A:
”(…) Hierbij vestigen wij uw aandacht erop dat krachtens artikel VI lid 1 van de Bijzondere Beschikking [nummer 1] de aan ons verstrekte vergunning na 31 juli 2015 integraal wordt geacht stilzwijgend te zijn verlengd met dezelfde periode van 5 jaren onder dezelfde voorwaarden.
Onzerzijds bestaat er alle behoefte om onze goudactiviteiten voort te zetten. Wij zien graag uwerzijds dan ook de bevestiging van de uitdrukkelijk opgenomen stilzwijgende verlenging tegemoet. (…)”

3.5 In reactie op het schrijven vermeld onder 3.2 heeft appellante sub A bij schrijven d.d. 21 augustus 2015, kenmerk PB/nv [nummer 5], het navolgende aan geïntimeerde doen mededelen:
”(…) Met verwijzing naar het bepaalde in artikel VII van uw Bijzondere Beschikking [nummer 1] d d. 2 augustus 2010, stellen wij dat vanwege gewijzigde omstandigheden en nieuwe beleidsinzichten geen sprake kan zijn van een stilzwijgende verlenging.
Indien uwerzijds de behoefte bestaat uw goudactiviteiten voort te zetten, zien wij uw aanvraag tot verlenging binnen 1 week na dagtekening dezer brief, tegemoet.”

3.6 In reactie op het schrijven vermeld onder 3.3, heeft geïntimeerde bij schrijven d.d. 26 augustus 2015, voor zover van belang, het navolgende aan appellante sub A medegedeeld:
”(…) Artikel VI lid 1 van de Bijzondere Beschikking [nummer 1] de dato 02 augustus 2010 bepaalt dat de vergunning in kwestie wordt verleend voor een periode van 5 jaar, te rekenen van 1 augustus 2010 en eindigende op 31 juli 2015. Ingevolge dit bepaalde wordt deze vergunning verder geacht telkens na het verstrijken van die termijn stilzwijgend met eenzelfde periode te worden verlengd, en natuurlijk onder dezelfde voorwaarden. De stilzwijgende verlenging gaat derhalve in op het moment dat de vergunning expireert zonder dat daarvoor een bepaalde rechtshandeling vereist is. (…) dit stel ik op grond van de navolgende redenen, te weten:
* In artikel 3 van de vergunningsvoorwaarden voor goudexport zijn de gronden voor de intrekking van de vergunning expliciet opgenomen. (…)
In deze vergunningsvoorwaarden noch in enige andere beschikking zijn gronden opgenomen voor het buitenwerking stellen van bepalingen van onderhavige vergunning, zodat de reden van gewijzigde omstandigheden en nieuwe beleidsinzichten evenmin hierop van toepassing kan zijn.
* Ook al zouden de gewijzigde omstandigheden en nieuwe beleidsinzichten een grond zijn voor de intrekking of buitenwerking stelling van het bepaalde in artikel VI lid 1 van de Bijzondere Beschikking [nummer 1] -quod non -, dan nog is dit mij niet eerder medegedeeld. (…)
* lk wens u er voorts op te wijzen dat volgens het systeem van de wet de intrekking of het buitenwerking stellen van een bepaling in een beschikking alleen in dezelfde vorm kan geschieden. Uw schrijven van 21 augustus 2015 kan niet als beschikking beschouwd worden.
Op grond van het voorgaande kan dus gesteld worden dat de bij Bijzondere Beschikking [nummer 1] aan Amazone Gold N.V. verleende vergunning reeds op 1 augustus 2015 stilzwijgend is verlengd voor de duur van 5 jaar. U wordt dan ook verzocht het daarheen te leiden dat Amazone Gold N.V. haar goudactiviteiten normaal kan voortzetten. ”

3.7 Bij schrijven d.d. 28 augustus 2015 heeft geïntimeerde voor zover van belang aan appellante sub A het navolgende doen mededelen:
”(…) Rekening houdende met de zienswijze van de Deviezencommissie en de continuïteit van Amazone Gold N.V. verzoek ik u de aan haar verleende vergunning bij Bijzondere Beschikking [nummer 1] onder voorbehoud van alle rechten te willen verlengen, zodat zij haar goudactiviteiten normaal kan voortzetten. ”

3.8 Bij schrijven d.d. 1 september 2015, kenmerk PB/nv [nummer 6], heeft appellante sub A aan geïntimeerde het navolgende doen mededelen:
”Ingevolge uw brief van 28 augustus 2015 heeft de Deviezencommissie besloten u de Bijzondere Beschikkingen no.’s 266 + 267 te verlenen, zijnde goudopkoop en -export, beiden gedateerd 1 september 2015.”

3.9 Bij Bijzondere Beschikking [nummer 7], d.d. 1 september 2015 betreffende opkoop, heeft appellante sub A, zakelijk weergegeven, besloten om aan geïntimeerde opnieuw vergunning te verlenen om onder bezwarende titel goud te verkrijgen en over het aldus verkregen goud te mogen beschikken met het doel om het aldus verkregen goud te verkopen aan binnenlandse afnemers die beschikken over een vergunning om goud te mogen opkopen en uit te voeren, en wel onder navolgende voorwaarden:
Amazone is gehouden de verschuldigde royalty, terzake van de winning van het door haar onder bezwarende titel verkregen goud, bij de opkoop van het erts in te houden en conform de geldende richtlijnen, middels storting bij de Centrale Bank van Suriname, ten gunste van de Staat Suriname af te dragen; de door Amazone af te dragen royalty wordt berekend aan de hand van de door haar daadwerkelijk onder bezwarende titel verkregen hoeveelheid onbewerkte goud, doch zal per maand niet minder bedragen dan het totale bedrag dat aan royalty zou moeten worden afgedragen voor een hoeveelheid goud met een gewicht van tenminste 50 KG;
Amazone is gehouden bij verkoop van het door haar opgekochte goud aan binnenlandse afnemers, zoals bedoeld in sub I, telkens aan haar afnemers een gewaarmerkt afschrift te verstrekken van het bewijs van betaling aan de verkochte hoeveelheid toe te rekenen royalty, die door haar is voldaan. ”

3.10 Bij Bijzondere Beschikking [nummer 8], d.d. 1 september 2015 betreffende export, heeft appellante sub A, zakelijk weergegeven, besloten om aan geïntimeerde vergunning te verlenen om onder
bezwarende titel goud te verkrijgen en over het aldus verkregen goud te mogen beschikken met het doel om het aldus verkregen goud te verkopen aan afnemers in het buitenland en het uitvoeren van het aldus verkochte goud, en wel onder meer onder de navolgende voorwaarden:
1. Amazone is gehouden de verschuldigde royalty ….. ten gunste van de Staat Suriname af te dragen. De door Amazone af te dragen royalty wordt berekend aan de hand van de door haar daadwerkelijk onder bezwarende titel verkregen hoeveelheid onbewerkte goud welke voor bewerking wordt aangeboden aan Kaloti Suriname Mint House;
2. Amazone is verplicht om het voor export bestemd goud vooraf ter bewerking aan te bieden bij KSMH (…);
3. Amazone zal zich steeds houden aan alle door KSMH te geven richtlijnen ter zake de bewerking van het uit te voeren goud;
4. Bij elke uitvoer zal Amazone bij de Deviezencommissie een G-Uitvoerformulier indienen, vergezeld van het resultaat van het vooraf ter bewerking aangeboden goud aan KSMH, de royalty­ brief onder bijvoeging van het stortingsbewijs van de afgedragen royalty.

3.11 Bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding d.d. 11 september 2015, waarvan beroep, zijn appellanten als volgt veroordeeld:

  • veroordeelt appellante sub A om de bij Bijzondere Beschikking [nummer 1] met geïntimeerde aangegane afspraken, overeenkomsten en verplichtingen na te komen en in stand te laten totdat de bodemrechter daarover zal hebben beslist;
  • schorst de bij Bijzondere Beschikkingen [nummer 7] en 267 verleende vergunningen met onmiddellijke ingang totdat de bodemrechter over de rechtsgeldigheid daarvan zal hebben beslist;
  • veroordeelt appellante sub B om met onmiddellijke ingang geïntimeerde te faciliteren op grond van de bij Bijzondere Beschikking [nummer 1] verleende vergunning totdat de bodemrechter definitief daarover zal hebben beslist;
  • veroordeelt appellanten om te gehengen en te gedogen dat geïntimeerde op grond van de bij Bijzondere Beschikking [nummer 1] verleende vergunning het verkregen goud na het voldoen van de verschuldigde royalty, exporteert;
  • veroordeelt appellante sub A tot betaling van een dwangsom ad. SRD 10.000,- per dag voor iedere dag dat zij in strijd handelt met de onderdelen 5.1 en 5.4 van dit vonnis, tot een maximum van SRD 500.000,-;
  • veroordeelt appellante sub B tot betaling van een dwangsom ad. SRD 10.000,- per dag voor iedere dag dat zij in strijd handelt met de onderdelen 5.3 en 5.4 van dit vonnis, tot een maximum van SRD 500.000,-;
  • verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;
  • veroordeelt appellanten in de proceskosten;
  • wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

4. De vordering in eerste aanleg
Geïntimeerde heeft in eerste aanleg, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. appellante sub A te veroordelen om de bij bijzondere Beschikking [nummer 1] met geïntimeerde aangegane afspraken, overeenkomsten en verplichtingen na te komen en in stand te laten onder verbeurte van een dwangsom;
b. schorsing dan wel opschorting van de bij Bijzondere Beschikking [nummer 7] en 267 verleende vergunningen totdat in bodemgeschil over de rechtsgeldigheid daarvan zal zijn beslist;
c. appellante sub B te gelasten om met onmiddellijke ingang op grond van de bij Bijzondere Beschikking [nummer 1] verleende vergunning, geïntimeerde te faciliteren en de verschuldigde royalty te berekenen over de ontgonnen en door geïntimeerde aan appellante sub B aangeboden en/of aan te bieden hoeveelheid goud en al datgene te doen waartoe appellante sub B conform de hiervoor genoemde beschikking [nummer 1] is gehouden;
d. veroordeling van appellanten om te gehengen en te gedogen dat geïntimeerde op grond van de bij Bijzondere Beschikking [nummer 1] verleende vergunning het verkregen goud, na het voldoen van de verschuldigde royalty, exporteert, op straffe van een dwangsom.

5. De grieven
Appellanten hebben een zevental grieven aangevoerd op grond waarvan het vonnis
waarvan beroep vernietigd dient te worden, welke grieven in de beoordeling nader zullen worden verwoord.

6. De vordering in Hoger Beroep
Appellanten concluderen op deze gronden dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en opnieuw rechtdoende, de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd met veroordeling van geïntimeerde in de kosten in beide instanties.

7. Het verweer
Geïntimeerde heeft gemotiveerd verweer gevoerd waarop, voor zover nodig, in de beoordeling zal worden ingegaan, ten slotte concluderende om het vonnis waarvan beroep te bevestigen.

8. De beoordeling
8.1 Grief I: onjuiste en onvolledige weergave van relevante feiten.
8.1.1 Appellanten stellen zich op het standpunt dat de kantonrechter in het vonnis in prima niet alle relevante feiten van het geval heeft genoemd onder het kopje ’feiten’. Immers is er geen melding gemaakt van de aan geïntimeerde gerichte brief d.d. 20 april 2015 en de inhoud daarvan, waarop ter terechtzitting uitdrukkelijk een beroep is gedaan. Voorts is de inhoud en de betekenis van de brieven d.d. 20 april 2015, 30 juli 2015 en 21 augustus 2015 in het bestreden vonnis miskend. Uit de brief d.d. 20 april 2015 blijkt immers juist dat geïntimeerde reeds op 20 april 2015 op de hoogte was gesteld van het besluit om de beschikking [nummer 1] niet stilzwijgend te verlengen, de gewijzigde omstandigheden en nieuwe beleidsinzichten die tot dat besluit hebben geleid en de in een nieuwe vergunning op te nemen voorwaarden. De brief d.d. 30 juli 2015 behelsde een herinnering aan bet besluit van 20 april 2015 om niet tot stilzwijgende verlenging over te gaan, terwijl de brief d.d. 21 augustus 2015 een herinnering behelsde aan de in de brief d.d. 20 april 2015 gegeven reden voor het besluit van 20 april 2015.

8.1.2 Geïntimeerde voert hiertegen aan dat hoewel de brief van 20 april 2015 misschien niet in de feitenopsomming is opgenomen, deze bij de beoordeling van het geschil tussen partijen nadrukkelijk is meegenomen in met name rechtsoverweging 4.4. Geïntimeerde voert voorts aan dat de opmerking van appellanten als zou appellante sub A zowel in haar brief d.d. 20 april 2015 als die van 30 juli 2015, hebben aangegeven dat de beschikking [nummer 1] zou vervallen gelet op artikel VI lid 1 van voornoemde beschikking, per definitie onjuist is, nu in voormeld artikel bij voorbaat is bepaald dat de beschikking per 01 augustus 2015 stilzwijgend geacht wordt te zijn verlengd met dezelfde termijn van 5 jaren, waardoor voormelde brieven geenszins afbreuk hebben gedaan aan de in de beschikking opgenomen stilzwijgende verlenging en de overige voorwaarden daarvan. Geïntimeerde voert eveneens aan dat de brief van 21 augustus 2015, waarin appellante sub A pas ingaat op de stilzwijgende verlenging, tardief is, aangezien de stilzwijgende verlenging reeds per 01 augustus 2015 was ingegaan, terwijl, indien voormelde brief als een intrekking van de stilzwijgende verlenging moet worden beschouwd, een dergelijke intrekking alleen bij beschikking mogelijk is met in acht name van de ABBB’s, die in casu niet in acht zijn genomen, nu appellante sub A slechts heeft volstaan door aan te geven dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden en nieuwe beleidsinzichten. Ten slotte voert geïntimeerde met betrekking tot de brief d.d. 20 april 2015 aan dat appellante sub A daarin aan geïntimeerde de verplichting heeft opgelegd dat het te exporteren onbewerkte goud, vooraf ter bewerking moet worden aangeboden aan het KSMH, welke verplichting ingevolge het Besluit Royalty Klein mijnbouw ter zake van Goud en Exploitatie Bouwmaterialen (S.B. 1989 no. 40) slechts voorbehouden is aan appellante sub B, terwijl een dergelijke bepaling niet bij schrijven kan worden medegedeeld, doch tenminste in dezelfde vorm als beschikking [nummer 1].
Geïntimeerde stelt zich voorts op het standpunt dat beschikking [nummer 1] nimmer is opgezegd, weshalve deze na het verstrijken van de termijn, stilzwijgend is verlengd met eenzelfde periode.

8.1.3 Appellanten voeren aan dat met de aanduiding dat beschikking [nummer 1] per 31 juli 2015 zou vervallen, appellante sub A in de brieven d.d. 20 april 2015 en 30 juli 2015 duidelijk heeft aangegeven dat voornoemde beschikking niet werd verlengd en daarmee zou komen te vervallen, hetgeen niet anders kon worden opgevat door geïntimeerde, doch heeft geïntimeerde zich volgens appellanten steeds ten onrechte van de domme gehouden, derhalve ook ten overvloede nog de brief van appellante sub A van 21 augustus 2015 ter herinnering, weshalve de ABBB’s in acht zijn genomen. Volgens appellante is de brief van 20 april 2015 een uitvloeisel van de overeenkomst tussen de Staat en DMCC en zijn de daarbij aangekondigde voorwaarden dan ook opgenomen in Beschikking [nummer 8], hetgeen niet in strijd is met de geldende wet- en regelgeving.

8.1.4 Het hof stelt voorop dat de opsomming van feiten onder het kopje ”feiten” in een vonnis, geen uitputtende opsomming is, omdat er in de overwegingen onder de beoordeling ook feiten kunnen worden vastgesteld of behandeld vanwege praktische overwegingen. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter in prima in casu ervoor gekozen om de brief van 20 april 2015 onder overweging 4.4 van het vonnis waarvan beroep, te behandelen, waarbij de kantonrechter zelfs de relevante passages uit voormeld schrijven heeft geciteerd. Nu, de kantonrechter de inhoud van voormeld schrijven wel degelijk in overweging heeft genomen, gaat het hof voorbij aan dit gedeelte van grief 1, als te zijn ongegrond.
Met betrekking tot de miskenning door de kantonrechter in prima van de inhoud van de brieven d.d. 20 april 2015, 30 juli 2015 en 21 augustus 2015 in het bestreden vonnis, als zou appellante sub A vanaf 20 april 2015 geïntimeerde reeds hebben geïnformeerd over de niet-verlenging van de Bijzondere Beschikking [nummer 1], overweegt het hof dat rechtens tussen partijen vaststaat dat er op 30 maart 2015 een onderhoud tussen partijen is geweest, waarbij is besproken dat als een uitvloeisel van de overeenkomst tussen de Staat Suriname en DMCC, de door geïntimeerde verkregen goud, bij een verlenging van haar vergunning, aan KSMH zal moeten worden aangeboden voor bewerking.
Dat met deze mededeling de verlenging van de Bijzondere Beschikking [nummer 1] reeds toen zou zijn gestuit, althans dat daarmee voornoemde beschikking [nummer 1] zou zijn vervallen, overweegt het hof dat zulks getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Naar het oordeel van bet hof kan of kon de beschikking [nummer 1], gelet op de bewoordingen van artikel VI lid 1 ervan, slechts middels een beschikking worden ingetrokken, nu de vergunning was verleend bij beschikking van appellante sub A met bepaling dat deze na het verstrijken van de termijn van 5 jaren, geacht werd stilzwijgend te zijn verlengd voor eenzelfde termijn onder dezelfde voorwaarden. Een wijziging van de termijn onder dezelfde voorwaarden. Een wijziging van de voorwaarden kan derhalve pas rechtsgevolgen hebben, indien de geldende beschikking wordt ingetrokken onder afgifte van een nieuwe. Met de inhoud van voormelde brieven is beschikking [nummer 1] derhalve niet vervallen, noch is daarmee de stilzwijgende verlenging ervan daardoor gestuit. De brieven zijn naar het oordeel van het hof slechts informerend naar geïntimeerde toe. De overweging van de kantonrechter in prima is derhalve rechtens juist geweest. Het had op de weg van appellante sub A gelegen om onder intrekking van beschikking [nummer 1] een nieuwe beschikking te geven teneinde de verlenging van beschikking [nummer 1] te stuiten. Naar het oordeel van het hof is beschikking [nummer 1] nog steeds rechtsgeldig. Meer nog, appellante sub A heeft beschikking [nummer 1] aan geïntimeerde verleend onder intrekking van de vorige aan geïntimeerde terzake afgegeven beschikking. Op grond van het voren overwogene is grief 1 naar het oordeel van het hof ongegrond.

8.2 Grief II: de interpretatie van artikel VI lid 1 van beschikking [nummer 1].
8.2.1 Appellanten stellen zich op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte in rechtsoverweging 4.2 heeft overwogen dat geïntimeerde redelijkerwijs uit de inhoud van beschikking [nummer 1], met name artikel VI lid 1 kon begrijpen dat beschikking [nummer 1] per 01 augustus 2015 stilzwijgend is verlengd, omdat een dergelijke interpretatie van voornoemd artikel onlogisch en onredelijk is. Volgens appellanten had het voor geïntimeerde, gelet op de betekenis van het begrip stilzwijgend volgens het Van Dale woordenboek en het normale spraakgebruik, de grammaticale betekenis van de overige bewoordingen van artikel VI lid 1 en het doel van artikel VI lid 1 in het licht van de artikelen 11, 14 en 17 van de Deviezenregeling 1947, duidelijk dienen te zijn dat de verlenging van beschikking
[nummer 1] door middel van de brief d.d. 20 april 2015 wel te spreken zou worden gestuit, nu uit voormelde brief in samenhang met artikel VI lid 1 van beschikking [nummer 1] niet anders kon worden opgemaakt dan dat beschikking [nummer 1] niet stilzwijgend werd verlengd.

8.2.2. Geïntimeerde voert hiertegen aan dat een dergelijke interpretatie van artikel VI lid 1 door de kantonrechter alleszins logisch en begrijpelijk is, nu uit de redactie van de brief d.d. 20 april 2015 niet grammaticaal of anderszins valt af te leiden dat de stilzwijgende verlenging van de beschikking [nummer 1] wordt gestuit, nog daargelaten de vraag of een dergelijke stuiting met een simpele brief mogelijk is. Volgens geïntimeerde wordt noch in de brief van 20 april 2015 noch in die van 30 juli 2015 op geen enkele wijze gerefereerd aan de stilzwijgende verlenging uitdrukkelijk opgenomen in artikel VI lid 1 van de beschikking [nummer 1]. De enige juiste conclusie volgens geïntimeerde is derhalve dat vanwege de uitdrukkelijk stilzwijgende verlenging, de beschikking nimmer is vervallen.

8.2.3 Appellanten persisteren dat de kantonrechter wel degelijk ten onrechte is meegegaan in de onlogische en onredelijke interpretatie die geïntimeerde aan artikel VI lid 1 van Beschikking [nummer 1] heeft gegeven.

8.2.4 Het hof acht op grond van overweging 8.1.4 van dit vonnis grief 2 eveneens ongegrond, nu het hof van oordeel is dat de intrekking van beschikking [nummer 1] slechts bij beschikking, opgemaakt in dezelfde vorm als beschikking [nummer 1] zou kunnen geschieden.

8.3 Grief III: de stuiting van de stilzwijgende verlenging van beschikking [nummer 1].
8.3.1 Appellanten stellen zich op het standpunt dat de kantonrechter in het vonnis in prima in rechtsoverweging 4.3 ten onrechte heeft overwogen dat appellante sub A door middel van de brief d.d. 30 juli 2015 heeft getracht de stilzwijgende verlenging te stuiten, alsmede dat een brief niet als een beschikking valt aan te merken. Immers heeft appellante sub A betoogd dat zij met de brief van 20 april 2015 de verlenging van beschikking [nummer 1] heeft gestuit, terwijl voormelde brief conform artikel 8 lid 2 Besluit Vormgeving Wettelijke Regelingen, Staats- en Bestuursbesluiten (S.B. 1996 no. 54) een beschikking is, aangezien het een besluit is van een bestuursorgaan ter uitvoering van de hem opgedragen taken, alsmede een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Volgens appellanten heeft de kantonrechter ten onrechte de beschikkingen no.’s 266 en 267 geschorst, aangezien deze beschikkingen op aanvraag van geïntimeerde d.d. 28 augustus 2015 zijn gegeven en regelmatig zijn, terwijl een vergunning een eenzijdige publiekrechtelijke rechtshandeling is, zodat er geen consensus tussen partijen is vereist, weshalve er geen voorbehoud door de aanvrager kan worden gemaakt.

8.3.2 Geïntimeerde voert aan dat de kantonrechter terecht heeft opgemerkt dat noch met de brief van 30 juli 2015 noch met die van 20 april 2015, de verlenging van de beschikking is gestuit; immers wordt in beide gesproken over het vervallen van een beschikking, terwijl die reeds geacht werd stilzwijgend te zijn verlengd per 1 augustus 2015. Eveneens heeft de kantonrechter terecht opgemerkt dat de brief van 30 juli 2015 niet als een beschikking kan worden aangemerkt, nu zowel de brief van 20 april 2015 alsook die van 30 juli 2015, qua inhoud en vorm schril afsteken bij de beschikking [nummer 1], terwijl ze in ieder geval de motivering en de elementen van openbaarheid missen, weshalve er geen sprake is van een correcte wijze van totstandkoming en dus geenszins kan worden aangemerkt als een beschikking in het kader van de Deviezenregeling. Voorts voert geïntimeerde aan dat de schorsing van de beschikkingen no.’s 266 en 267, een logisch gevolg is van de vaststelling van de onrechtmatigheid van de vermeende vervallenverklaring c.q. stuiting van de verlenging van de beschikking [nummer 1], nu de aanvraag daarvan onder voorbehoud immers sec was ingegeven door de vrees dat geïntimeerde haar bedrijfsactiviteiten niet langer kon voortzetten.

8.3.3 Appellanten stellen zich op het standpunt dat middels de brief van 20 april 2015, de verlenging van Beschikking [nummer 1] adequaat was gestuit. Voorts stellen appellanten dat de brief van 20 april 2015, materieel een beschikking is, nu zij een besluit is van een bestuursorgaan ter uitvoering van de hem opgedragen taken en een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling is. Appellanten voeren aan dat het besluit vervat in de beschikking correct tot stand is gekomen met in achtneming van de ABBB’ s, weshalve de beschikkingen no.’s 266 en 267 ten onrechte zijn geschorst.

8.3.4 Het hof overweegt ten aanzien van de vraag of de brief van 20 april 2015, gelet op het feit dat deze inhoudt een besluit van een bestuursorgaan ter uitvoering van de haar opgedragen taken, als een beschikking moet worden aangemerkt, dat voormelde vraag ontkennend moet worden beantwoord. Het hof stelt voorop dat een beschikking een bestuursbesluit is voor een individueel of concreet geval, genomen door een daartoe bevoegde bestuursorgaan, hetgeen in casu het geval is. Echter geldt naar het oordeel van het hof dat het bestuursbesluit aan de daarvoor geldende vormvereisten moet voldoen, hetgeen in casu niet het geval is. Er is een duidelijk verschil tussen de vorm waarin de beschikking waarbij de vergunning is verleend en de brief c.q. de brieven van appellante sub A gericht aan geïntimeerde, weshalve de brieven nimmer kunnen gelden als beschikkingen.
Aangezien voormelde brieven niet als beschikkingen kunnen worden aangemerkt, terwijl beschikking [nummer 1] nimmer is ingetrokken, is naar het oordeel van het hof, beschikking [nummer 1]
ingaande 01 augustus 2015 stilzwijgend verlengd, waardoor de schorsing c.q. opschorting van de beschikkingen no.’s 266 en 267 noodzakelijk was, nu er door de uitgifte van de beschikkingen no.’s 266 en 267 een andere rechtstoestand is gecreëerd, zonder dat de oude rechtstoestand opgehouden is te bestaan. De kantonrechter in prima heeft dan ook terecht voormelde beschikkingen geschorst. Op grond van het voren overwogene is grief 3 eveneens ongegrond.

8.4 Grief IV: inachtname van Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur door appellante sub A.
8.4.1 Appellanten stellen zich op het standpunt dat de kantonrechter in het vonnis in prima in rechtsoverweging 4.3.1 ten onrechte heeft overwogen dat appellante sub A de ABBB ’s niet in acht heeft genomen. Immers heeft appellante sub A juist reeds bij schrijven d.d. 20 april 2015 geïntimeerde geïnformeerd omtrent haar besluit om beschikking [nummer 1] niet stilzwijgend te verlengen, de gewijzigde omstandigheden en nieuwe beleidsinzichten die tot dat besluit hebben geleid en de in een nieuwe vergunning op te nemen voorwaarde, nadat appellante sub A op 30 maart 2015 met geïntimeerde overleg had gehad over de reorganisatie van de goudsector, van welke reorganisatie en de komst van KSMH geïntimeerde en overige vergunninghouders sinds 2011 waren geïnformeerd. Voorts heeft appellante sub A op 30 juli 2015 geïntimeerde zelfs nogmaals herinnerd aan het besluit dat beschikking [nummer 1] niet zal worden verlengd, alsmede een termijn van een maand vergund aan geïntimeerde om een nieuwe aanvraag in te dienen, waarna de aanvraag met terugwerkende kracht op 01 september 2015 per 01 augustus 2015 is gehonoreerd bij beschikkingen no.’s 266 en 267. Volgens appellante sub A heeft zij hiermee veel gewicht toegekend aan de belangen van geïntimeerde en regardeert een eventueel gedane toezegging door de Minister van Financiën haar niet, nu het om een bevoegdheid van appellante sub A gaat.

8.4.2 Geïntimeerde voert hiertegen aan dat appellante sub A, door zelf niet in te gaan op de bezwaren van geïntimeerde geopperd tijdens het onderhoud met de leiding van appellante sub A op 30 maart 2015, alsook de gedane toezegging voor een onderhoud met het Ministerie van Financiën geen gestand te doen, er blijk van heeft gegeven geïntimeerde niet inhoudelijk te hebben gehoord, weshalve er ook geen redelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden, terwijl de motivering van het besluit van appellante sub A in de brief van 30 juli 2015 en van 21 juli 2015, veel te wensen overlaat. Volgens geïntimeerde is met het achteraf toekennen van de beschikkingen no.’s 266 en 267, niet tegemoet gekomen aan haar belangen en redelijke verwachtingen, terwijl op geen enkele wijze de doelmatigheid is aangetoond of aannemelijk gemaakt, van het besluit om alle vergunninghouders gedwongen via KSMH te laten exporteren. Geïntimeerde voert verder aan dat het alle schijn van heeft dat appellante sub A haar bevoegdheid in deze heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die gegeven is.

8.4.3 Appellanten persisteren dat de ABBB’s in acht zijn genomen, terwijl geïntimeerde niet heeft
bewezen dat de toezegging dat er een onderhoud met de Minister van Financiën in het vooruitzicht was gesteld, door een daartoe bevoegde persoon was gedaan en gaat het in deze om een bevoegdheid van appellante sub A ingevolge de Deviezenregeling en niet van de Minister van Financiën. Volgens appellanten zijn de door geïntimeerde geuite bezwaren aangehoord en meegenomen in de besluitvorming, doch is het geen verplichting om aan alle bezwaren tegemoet te komen.

8.4.4 Het hof overweegt dat hoewel de Deviezenregeling 1947 aan appellante sub A de bevoegdheid geeft om aan een vergunning voorwaarden of verplichtingen te verbinden, zulks niet met zich meebrengt dat appellante sub A daarbij in strijd handelt met de ABBB’s. Geïntimeerde stelt zich namelijk op het standpunt dat haar belangen niet zijn meegenomen, althans heeft er geen belangenafweging plaatsgevonden bij de besluitvorming tot wijziging van de voorwaarden c.q. verplichtingen, terwijl appellanten zich op het standpunt stellen dat de door geïntimeerde geuite bezwaren wel zijn meegenomen in haar besluitvorming, doch is zij niet verplicht om alle bezwaren mee te nemen. Naar het oordeel van het hof is niet gesteld of gebleken op welke wijze en welke bezwaren van geïntimeerde zijn meegenomen in de besluitvorming van appellante sub A, terwijl vaststaat dat er tussen partijen geen vervolggesprek is geweest om te praten over de gerezen bezwaren, zodat aannemelijk is geworden dat er geen redelijke belangenafweging heeft kunnen plaatsvinden.
Evenmin is naar het oordeel van het hof gesteld of gebleken wat het groter belang is dat met de gewijzigde voorwaarden en verplichtingen gediend wordt, zodat het besluit vervat in de beschikkingen no.’s 266 en 267 niet voldoet aan het motiveringsbeginsel. Naar het oordeel van hof is eveneens aannemelijk geworden dat ingevolge Het Besluit Royalty Kleinmijnbouw ter zake van Goud en Exploitatie Bouwmaterialen (S.B. 1989 no. 40), slechts appellante sub B bevoegd is om de royalty met betrekking tot goud te berekenen, zodat de voorwaarden opgenomen in de beschikkingen no.’s 266 en 267 naar het voorlopig oordeel van het hof in strijd zijn met voornoemd Besluit. Op grond van het voren overwogene is grief 4 eveneens ongegrond.

8.5 Grief V: de beleidsvrijheid van appellante sub A.
8.5.1 Appellanten stellen zich op het standpunt dat de kantonrechter in het vonnis in prima in rechtsoverweging 4.4 ten onrechte heeft overwogen dat appellante sub A geen rekenschap heeft gegeven van de in geding zijnde belangen en haar eigen belangenafweging in de plaats van die van geïntimeerde heeft gesteld. Volgens appellanten heeft de kantonrechter hiermee miskend dat aan appellante in deze beleidsvrijheid toekomt en zij krachtens artikel 5 Deviezenregeling 1947 vergunningen kan verlenen, doch daartoe niet verplicht is, weshalve er volgens ’Hoever-Venoaks en Darnen’ sprake is van beleidsvrijheid. Op grond hiervan had appellante sub A dan ook de vrijheid om in haar belangenafweging geen doorslaggevend belang aan de bezwaren van geïntimeerde toe te kennen.

8.5.2 Geïntimeerde voert hiertegen aan dat ook bij het uitoefenen van haar beleidsvrijheid, een
bestuursorgaan niet zonder meer van een eenmaal door haar aangevangen en bestendig doorgevoerd beleid kan afwijken, alsmede dat zij bij wijziging van haar beleid de belangen van betrokkenen die afhankelijk zijn van dat beleid!/ dient mee te nemen en af te wegen alvorens te besluiten het beleid te wijzigen. Als appellante sub A stelt dat zij bij haar belangenafweging, geen doorslaggevend belang aan de bezwaren van geïntimeerde heeft toegekend, is zulks bezijdens de waarheid, omdat deze belangenafweging nimmer heeft plaatsgehad, nu het onderhoud met het Ministerie van Financiën naar aanleiding van de door geïntimeerde geopperde bezwaren nimmer heeft plaatsgehad, weshalve vaststaat dat de bezwaren niet zijn meegenomen in de belangenafweging.
Zulks blijkt evenmin uit de motivering van het besluit van appellante sub A, terwijl geïntimeerde bij het verstrekken van de beschikkingen no.’s 266 en 267, onvoldoende invulling heeft gegeven aan deze verplichting, als gevolg waarvan zij opgescheept zit met torenhoge exploitatiekosten.
Geïntimeerde voert aan dat appellante sub A vóór 01 augustus 2015, slechts met in acht name van de beginselen van behoorlijk bestuur, artikel VI lid 1 van de beschikking [nummer 1] zou hebben kunnen intrekken, doch heeft zij het toen slechts gehad over het vervallen van de beschikking per 31 juli 2015.

8.5.3 Appellanten stellen zich op het standpunt dat zowel geïntimeerde als alle andere vergunninghouders van de goudsector, alsook de gehele Surinaamse bevolking reeds in 2011 waren geïnformeerd over de aanstaande reorganisatie van de goudsector en de komst van KSMH, terwijl geïntimeerde tijdens het overleg van 30 maart 2015 en in de brief d.d. 20 april 2015 over de veranderde beleidsinzichten is geïnformeerd, waarna de beschikking tot stand is gekomen met de afweging van de belangen van geïntimeerde tegen het algemeen belang. Volgens appellanten kon de kantonrechter, gezien de beleidsvrijheid van appellante sub A, haar oordeel niet in de plaats van dat van appellante sub A stellen. Appellanten voeren aan dat appellante sub A met de verstrekking van de beschikkingen no.’ s 266 en 267 in voldoende mate acht heeft geslagen op de nadelen die voor geïntimeerde aan de verwerking door KSMH zouden kleven.

8.5.4 Het hof stelt voorop dat aan appellante sub A ingevolge de Deviezenregeling 1947, artikel 5 leden 3 en 4, beleidsvrijheid toekomt voor wat betreft het stellen van voorwaarden en verbinden van verplichtingen aan een vergunning. Naar het oordeel van het hof brengt deze beleidsvrijheid geenszins met zich dat appellante sub A in strijd handelt met de ABBB’s, nu uit de beschikkingen no.’s 266 en 267 niet is gebleken in hoeverre of in welke mate er een belangenafweging heeft plaatsgehad, terwijl naar het voorlopig oordeel van het hof aannemelijk is geworden dat slechts aan appellante sub B de bevoegdheid toekomt om royalty op goud te berekenen, zodat voormelde beschikkingen vooralsnog in strijd zijn met de ter zake geldende wettelijke bepalingen.
Grief 5 is derhalve eveneens ongegrond.

8.6 Grief VI: eigen schuld van geïntimeerde aan de door haar geleden schade.
8.6.1 Appellanten stellen zich op het standpunt dat de kantonrechter in het vonnis in prima in rechtsoverweging 4.5 ten onrechte heeft overwogen dat het handelen van appellante sub A aan geïntimeerde enorme schade heeft berokkend en dat dit niet is tegengesproken. Volgens appellante sub A heeft zij door de betwisting van enig onrechtmatig handelen, per definitie ook betwist dat zij geïntimeerde schade heeft berokkend. Voorts is de door geïntimeerde gestelde schade aan haar eigen schuld te wijten, nu zij er doelbewust voor heeft gekozen om niet conform beschikkingen no.’s 266 en 267 te handelen.

8.6.2 Geïntimeerde voert hiertegen aan dat appellanten de door haar gestelde schade niet hebben weersproken ter terechtzitting, met name de onredelijk hoge kosten die KSMH in rekening brengt en het feit dat geïntimeerde na export naar zijn contractspartijen in het buitenland opnieuw kosten zal moeten maken. Voorts stelt geïntimeerde dat het door haar gemaakte voorbehoud bij de aanvraag en verkrijging van de beschikkingen no.’s 266 en 267 wel degelijk in acht dient te worden genomen, nu de aanvraag uit pure noodzaak met het oog op zijn bedrijfsvoering onder voorbehoud is geschied.

8.6.3 Appellanten betwisten onrechtmatig jegens geïntimeerde te hebben gehandeld, weshalve de eventuele schade die door geïntimeerde is geleden, niet aan hun is toe te rekenen.

8.6.4 Het hof overweegt dat appellanten door hun gedragingen geïntimeerde in een dusdanige positie hebben geplaatst, omdat zij geen acht hebben geslagen op de belangen van geïntimeerde, althans de door geïntimeerde geopperde belangen niet (voldoende) hebben meegewogen in hun besluitvorming. Immers, er is geen overleg meer geweest tussen partijen nadat geïntimeerde op 30 maart 2015 haar bezwaren heeft geopperd. Het onrechtmatig handelen van appellanten staat naar het voorlopig oordeel van het hof vast, nu aannemelijk is geworden dat appellanten in strijd met ABBB’s hebben gehandeld, aangezien de beschikkingen een deugdelijke motivering ontberen en er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden, terwijl beschikking [nummer 1] nog steeds rechtsgeldig is en de verplichtingen opgenomen in de beschikkingen no.’s 266 en 267 vooralsnog in strijd zijn met de geldende wettelijke bepalingen. Aannemelijk is geworden dat als gevolg van dit handelen van appellanten geïntimeerde schade heeft geleden. Grief 6 is derhalve eveneens ongegrond.

8.7 Grief VII: verantwoordelijkheid van appellant sub A voor wanorde binnen de
goudsector.
8.7.1 Appellanten stellen zich op het standpunt dat de kantonrechter in het vonnis in prima in
rechtsoverweging 4.5 geheel ongemotiveerd heeft gesteld dat appellante sub A verantwoordelijk zal zijn voor de eventuele ontstane wanorde in de goudsector, nu hiermee de motiveringsplicht van artikel 65, aanhef en onder 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is geschonden.

8.7.2 Geïntimeerde voert hiertegen aan dat het niet meer dan logisch is dat de kantonrechter appellante sub A er terecht op wijst dat onder meer appel l ante sub A dient toe te zien op orde binnen de goudsector en dat zij haar verantwoordelijkheid niet van zich af moet trachten te schudden; gelet op de wettelijke functie van appellante sub A i s d i t volkomen begrijpelijk.

8.7.3 Appellante sub A stelt zich op het standpunt dat zij de verantwoordelijkheid heeft voor de ordening van de goudsector, doch is zij niet verantwoordelijk voor de wanorde in de goudsector. Volgens appellanten heeft de toewijzing van de vordering van geïntimeerde evenwel geleid tot ongelijkheid en dus wanorde in de goudsector.

8.7.4 Het hof overweegt dat het een logische gevolgtrekking van de kantonrechter in prima is dat de appellante sub A verantwoordelijk is voor de ontstane wanorde in de goudsector, nu appellante sub A belast is met de uitgifte van vergunningen terzake en de uitvoering van de voorwaarden daarvan. Wie zou anders verantwoordelijk moeten zijn daarvoor ? is de retorische vraag die zich dan aandient.
Naar het oordeel van het hof i s ook deze grief ongegrond.

8.8 Nu de door appellanten aangevoerde grieven ongegrond zijn bevonden en het Hof geen termen aanwezig acht om de vordering ambtshalve opnieuw te beoordelen, zal bespreking van het overig door partijen aangevoerde als niet terzake doende buiten beschouwing worden gelaten.
Het vonnis waarvan beroep, zal gelet op het voren overwogene worden bevestigd, onder aanvulling van gronden als hiervoor aangegeven.

8.9 Appellanten zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van geïntimeerde in hoger beroep gevallen, zoals nader begroot in de beslissing.

9. De beslissing in Hoger Beroep
Het Hof:

9.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding tussen partijen gewezen en uitgesproken op 11 september 2015 (A.R.No. 15-4050), waarvan beroep, onder aanvulling van gronden.

9.2 Veroordeelt appellanten in de proceskosten aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.S.S. Wijnhard

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. E. Naarendorp, gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Loi Tam Loi namens advocaat mr. D.S. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-73

G.R.No.15077
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

1.DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP EXCLUSIVE WOODS, gevestigd te [plaats],
2. [APPELLANT SUB 2], weduwe van [erflater], in haar hoedanigheid van
enige gerechtigde van alle activa, behorende tot de nalatenschap van [erflater]
en in de hoedanigheid van enig aandeelhouder en bestuurder directeur van de sub 1 genoemde rechtspersoon,
wonende te [plaats],
3. [Appellant sub 3], in haar hoedanigheid van president commissaris van de sub 1 genoemde rechtspersoon, wonende te [plaats],
4. A. [Appellant sub 4 A],
B. [Appellant sub 4 B],
C. [Appellant sub 4 C],
D. [Appellant sub 4 D],
allen in hun hoedanigheid van mede erfgenamen van de nalatenschap van
[erflater],
allen wonende te [plaats],
appellanten in kort geding,
gemachtigde: mr. D.P.A. Landvreugd, advocaat,

tegen

1. FINABANK N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
verder te noemen: Finabank,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

en

2. UNIFIRST SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
verder te noemen Unifirst,
geïntimeerden in kort geding,
gemachtigde: mr. H.P. Boldewijn, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 7 december 2015 (A.R.No. 15-5176) tussen appellanten als eisers en geïntimeerden als gedaagden spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 7 december 2015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat appellanten tegen voormeld vonnis hoger beroep hebben ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 6 mei 2016;
  • de antwoordpleitnota zijdens Finabank d.d. 7 oktober 2016;
  • de repliekpleitnota d.d. 20 januari 2017;
  • de dupliekpleitnota zijdens Finabank d.d. 17 maart 2017;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 4 augustus 2017 en vervolgens op 1 juni 2018, doch bij vervroeging op heden.

De beoordeling

1. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellanten daarin kunnen worden ontvangen.
In hoger beroep is Unifirst wel verschenen, maar zij heeft daarin geen verdere proceshandelingen verricht.

2. In deze zaak zijn de volgende feiten van belang.

(i) Unifirst heeft in 2009 met Finabank een kredietovereenkomst gesloten, die in 2010 is herzien.
Krachtens deze (herziene) overeenkomst verstrekte Finabank aan Unifirst een bedrag van € 229.300,- ter leen.

(ii) Tot zekerheid van de voldoening van al hetgeen Unifirst aan Finabank uit hoofde van deze kredietovereenkomst verschuldigd zou zijn, heeft Exclusive Woods (appellante sub 1), daarbij vertegenwoordigd door haar directeur [erflater], aan Finabank het recht van eerste hypotheek verstrekt op een ten processe nader omschreven onroerend goed.

(iii) Unifirst is in gebreke gebleven jegens Finabank aan haar verplichtingen te voldoen, waarop laatstgenoemde het verbonden goed op 8 december 2015 heeft doen veilen. Daags daarvoor had de kantonrechter, bij het thans door appellanten bestreden vonnis, de vorderingen van appellanten, die erop gericht waren de veiling te voorkomen, afgewezen onderscheidenlijk (met betrekking tot een deel van de appellanten) hen daarin niet-ontvankelijk verklaard.

3. Bij pleitnota in hoger beroep hebben appellanten gevorderd hun oorspronkelijke vorderingen alsnog toe te wijzen. Bij repliekpleitnota hebben zij hun oorspronkelijke eis gewijzigd als in dat processtuk aangegeven. Finabank heeft zich tegen deze eiswijziging verzet.
Het Hof is van oordeel dat de onderhavige, ingrijpende, eiswijziging in dit stadium van de procedure strijdig is met een goede procesorde en staat haar daarom niet toe.

4. Aan het Hof liggen derhalve de oorspronkelijke vorderingen van appellanten ter beoordeling voor. Voor zover deze vorderingen betrekking hebben op het verbieden van de veiling op 8 december 2015 kunnen deze reeds daarom niet worden toegewezen omdat, zoals hierboven onder 2 (iii) reeds is opgemerkt, het gaat om een voldongen feit: de veiling heeft plaatsgevonden en dat kan niet worden teruggedraaid.

5. Ook de overige oorspronkelijke vorderingen van appellanten komen in dit kort geding niet voor toewijzing in aanmerking.
Jegens beide geïntimeerden waren deze erop gericht inzicht te verkrijgen in de besteding van het door Unifirst van Finabank geleende geld, met name of dat was aangewend voor het aankopen van een bepaald perceel en het daarop bouwen van een bedrijfspand. Jegens Finabank waren deze er mede op gericht een overzicht te verkrijgen van de (tranches van) kredietverlening. Indien en voor zover de onderhavige vorderingen dienen ter onderbouwing van het geëiste verbod van de veiling, delen zij, om redenen als hierboven sub 4 vermeld, het lot van de daarop betrekking hebbende vordering. En indien en zover deze een ander doel beogen te dienen, valt niet in te zien welk spoedeisend belang appellanten daarbij hebben.

6. Op het vorenstaande stuiten de grieven van appellanten, wat daarvan verder zij, af. Nu het Hof ambtshalve geen bedenkingen heeft tegen het bestreden vonnis, zal dit worden bevestigd. Appellanten zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

  • bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis d.d. 7 december 2015 (A.R.No. 15-5176), waarvan beroep;
  • veroordeelt appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden gevallen en begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. H.H. Vreden namens advocaat mr. D.P.A. Landvreugd, gemachtigde van appellanten en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. H.P. Boldewijn, gemachtigde van geïntimeerde sub 2, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-72

G.R.No. 15083
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

A. [Appellant sub A] EN B. [Appellant sub B],
wonende in het district,
appellanten,
gemachtigde: mr. M. Dubois, advocaat,

tegen

1. [geïntimeerde sub 1],
gevestigd te [plaats],
gemachtigde: mr. S. Mangre, advocaat,

2. [geïntimeerde sub 2],
kantoorhoudende te [plaats],
gemachtigde: dhr. K. Jawalapersad,

3. STICHTING LOVE ME TOMORROW,
gevestigd in het [district],
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,
geïntimeerden,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 13 februari 2015 (A.R.No. 15-0609) tussen appellanten als eisers en geïntimeerden als gedaagden spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 23 februari 2015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat appellanten tegen voormeld vonnis hoger beroep hebben ingesteld;

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellanten daarin kan worden ontvangen.

2. Appellanten hebben nagelaten grieven of bezwaren tegen het vonnis van de kantonrechter aan te voeren. Het Hof heeft, ambtshalve oordelend, tegen dit vonnis geen bedenkingen, zodat het zal worden bevestigd. Appelanten zullen als de in het ongelijk gestelde partijen, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 13 februari 2015 (A.R.No. 15-0609),

veroordeelt appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. D.G.W. Karamat Ali , Leden en

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 juli 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. M. Dubois, gemachtigde van appellanten en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. N.P. Soekra namens advocaat mr. D. Moerahoe, gemachtigden van geïntimeerden, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

SRU-HvJ-2018-71

G.R.No. 15089
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

DE STICHTING RADIO OMROEP SURINAME (SRS)
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding, verder te noemen: SRS,
gemachtigde: mr .M.G.A .Vos, advocaat,

en

DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
appellant in kort geding, verder te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

DE STICHTING AUTEURSRECHTEN SURINAME (SASUR),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding, verder te noemen: Sasur,
gemachtigde: mevr. M. Gangapersad, LL.M, BSc., algemeen directeur,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 5 mei 2015 (A.R.No 15-1096 ) tussen SRS en de Staat als eisers en Sasur als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Dit procesverloop blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • een verklaring van de griffier van de kantongerechten civiele zaken van 18 mei 2015, inhoudende dat SRS en de Staat op 18 mei 2015 hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 5 mei 2015 in kort geding gewezen tussen SRS en de Staat als eisers en Sasur als gedaagde;
  • een pleitnota van SRS van 5 augustus 2016;
  • een antwoordpleitnota van Sasur van 7 oktober 2016;
  • een repliekpleitnota van SRS van 3 februari 2017;
  • een dupliekpleitnota van Sasur van 16 juni 2017.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat SRS en de Staat daarin kunnen worden ontvangen.

De beoordeling
1. Kort samengevat betreft het geschil in eerste aanleg het volgende:
Bij vonnis in kort geding van 3 december 2009 heeft de kantonrechter op vordering van Sasur aan SRS een verbod opgelegd om een aantal gespecificeerde muziekwerken zonder toestemming van Sasur openbaar te maken of te verveelvoudigen. Voorts heeft de kantonrechter aan SRS verboden “om enig muziekwerk of delen daarvan al dan niet in de oorspronkelijke versie, behorende tot het door eiseres beheerde repertoire midddels het door haar geëxploiteerde omroepstation (….) zonder van eiseres verkregen toestemming openbaar te maken danwel te verveelvoudigen”. Ten slotte heeft de kantonrechter SRS veroordeeld tot de betaling van een dwangsom groot SRD 1.000,– voor iedere keer dat SRS deze verboden zou overtreden, tot een maximum van SRD 1.000.000,–.
Sasur heeft op 7 augustus 2014, na aanzegging bij deurwaardersexploot aan SRS dat deze het maximum aan dwangsommen ter hoogte van SRD 1.000.000,– had verbeurd, executoriaal beslag gelegd op het recht van erfpacht op het perceel waarop SRS haar radio-omroepbedrijf exploiteert. Op 21 augustus 2014 heeft zij terzake van de beweerdelijk verbeurde dwangsommen executoriaal derdenbeslag gelegd ten laste van SRS onder de Surinaamse Bank N.V. en Hakrinbank N.V..
Op 10 maart 2015 heeft SRS bij de kantonrechter een vordering in kort geding aangebracht, waarbij zij opkwam tegen bovenbedoelde beslagen. Na vermindering van eis strekt de vordering primair tot a. opheffing van het executoriale beslag op het recht van erfpacht op het perceel land en b. staking van de tenuitvoerlegging van de derdenbeslagen onder de Banken totdat in hoger beroep definitief zal zijn beslist over het vonnis van de kantonrechter 19 januari 2015, A.R.No.144867. Subsidiair vorderde SRS schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 december 2009, A.R.No. 07-3984, terzake van de vastgestelde dwangsom, totdat in hoger beroep zal zijn beslist over het vonnis van de kantonrechter van 19 januari 2015, A.R.No. 14-4867. In dat vonnis, A.R.No. 14-4867, werd de vordering van SRS tot opheffing van het executoriale beslag op het erfpachtsrecht van het perceel van SRS afgewezen. De kantonrechter overwoog daarin onder meer – kort en zakelijk weergegeven – dat Sasur ondanks de intrekking van de ministeriële toestemming aan Sasur om met betrekking tot auteursrechten te bemiddelen bevoegd was gebleven om terzake van die auteursrechten handhavend op te treden en aldus bevoegd was gebleven om de onderhavige dwangsommen door middel van executoriale beslagen te innen.

Bij tussenvonnis van 16 april 2015 heeft de kantonrechter de Staat toegestaan om zich te voegen in de hoofdzaak aan de zijde van SRS.
In het vonnis waarvan beroep van 5 mei 2015 heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, de primaire vordering van SRS tot opheffing van de onder SRS gelegde executoriale beslagen afgewezen en de subsidiair vordering, tot schorsing van de executie van dwangsommen, toegewezen.

2. SRS stelt dat mevr. M. Gangapersad in hoger beroep niet als gemachtigde kan optreden omdat zij geen advocaat is. Dit is onjuist. De wet vereist niet dat een gemachtigde in civiele procedures de hoedanigheid van advocaat heeft. Dat geldt ook voor hoger beroep.

3. SRS voert twee grieven aan. Grief 1 verwijt de kantonrechter dat deze niet aan zijn motiveringsplicht heeft voldaan omdat zij het primair gevorderde heeft geweigerd maar in de overwegingen niet gemotiveerd heeft waarom zij dit heeft gedaan. In grief 2 voert SRS aan dat het primair gevorderde ten onrechte is geweigerd.

4. Grief 1 is gegrond. De kantonrechter heeft inderdaad niet gemotiveerd waarom het primair gevorderde niet voor toewijzing vatbaar was.

5. SRS baseert grief 2 op de stelling dat het perceel waarop zij haar bedrijf uitoefent bestemd is voor de openbare dienst en dat daarom ingevolge artikel 312a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daarop geen beslag gelegd mag worden. Deze grief faalt. SRS heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van het perceel rechtstreeks gericht is op het openbaar belang. Het feit dat SRS door de Staat is opgericht en onder toezicht van een door de Minister benoemde Raad van Toezicht staat, maakt nog niet dat de feitelijk door SRS uitgeoefende werkzaamheden rechtstreeks het openbaar belang dienen. Ook de omstandigheid dat de Staat voor haar berichtgeving mede gebruik maakt van SRS maakt nog niet dat daarmee rechtstreeks het openbaar belang wordt gediend. SRS is slechts een van de vele media waarvan de Staat voor haar berichtgeving gebruik maakt en Sasur heeft aannemelijk gemaakt dat SRS mede op commerciële activiteiten gericht is.

6. Ambtshalve merkt het Hof op, dat partijen in dit geding niet zijn ingegaan op de vraag of het intrekken door de Minister van Justitie en Politie van de toestemming aan Sasur om te bemiddelen inzake auteursrechten ook meebrengt dat Sasur geen daden van handhaving terzake van auteursrechten, zoals executie van de onderhavige dwangsommen, mag verrichten. Dit punt komt aan de orde in het kort geding in hoger beroep A.R.No.14-486. Het Hof zal daar in deze zaak niet op vooruit lopen.

7. Het hierboven overwogene leidt tot de slotsom, dat het vonnis waarvan beroep moet worden bevestigd, met aanvulling van gronden en met veroordeling van SRS in de proceskosten van beide instanties.

De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het Hof:
Bevestigt, met aanvulling van gronden, het vonnis van de kantonrechter van 5 mei 2015, waarvan hoger beroep;

Veroordeelt SRS in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van Sasur tot op deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend President, mr. R.M. Praag en mr. S.J.S. Bradley, Leden-plaatsvervanger en

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens mr. Ramlal, gevolmachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld