SRU-HvJ-2018-70

G.R.No. 15089A
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

DE STICHTING AUTEURSRECHTEN SURINAME (SASUR),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante, verder te noemen Sasur,
gevolmachtigde: mw. M. Gangapersad, LL.M. B.Sc., algemeen directeur,

tegen

DE STICHTING RADIO OMROEP SURINAME (SRS)
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, verder te noemen SRS,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

en

DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
zetelende te Paramaribo,
geïntimeerde, verder te noemen de Staat,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 5 mei 2015 (A.R.No. 151096) tussen SRS en de Staat als eisers en Sasur als gedaagde spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Dit procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier van de kantongerechten civiele zaken van 11 mei 2015, inhoudende dat Sasur op 11 mei 2015 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 5 mei 2015 in kort geding gewezen tussen SRS en de Staat als eisers en Sasur als gedaagde;
  • een pleitnota van Sasur van 4 november 2016;
  • een antwoordpleitnota van SRS van 3 februari 2017;
  • een repliekpleitnota Sasur van 16 juni 2017;
  • een dupliekpleitnota van SRS van 3 november 2017.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
Het hoger beroep is door Sasur tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Sasur daarin kan worden ontvangen.

De beoordeling
1. Kort samengevat betreft het geschil in eerste aanleg het volgende:
Bij vonnis in kort geding van 3 december 2009 heeft de kantonrechter op vordering van Sasur aan SRS een verbod opgelegd om een aantal gespecificeerde muziekwerken zonder toestemming van Sasur openbaar te maken of te verveelvoudigen. Voorts heeft de kantonrechter aan SRS verboden “om enig muziekwerk of delen daarvan al dan niet in de oorspronkelijke versie, behorende tot het door eiseres beheerde repertoire midddels het door haar geëxploiteerde omroepstation (….) zonder van eiseres verkregen toestemming openbaar te maken danwel te verveelvoudigen”. Ten slotte heeft de kantonrechter SRS veroordeeld tot de betaling van een dwangsom groot SRD 1.000,– voor iedere keer dat SRS deze verboden zou overtreden, tot een maximum van SRD 1.000.000,–.
Sasur heeft op 7 augustus 2014, na aanzegging bij deurwaardersexploot aan SRS dat deze het maximum aan dwangsommen ter hoogte van SRD 1.000.000,– had verbeurd, executoriaal beslag gelegd op het recht van erfpacht op het perceel waarop SRS haar radio-omroepbedrijf exploiteert. Op 21 augustus 2014 heeft zij terzake van de berweerdelijk verbeurde dwangsommen executoriaal derdenbeslag gelegd ten laste van SRS onder de Surinaamse Bank N.V. en Hakrinbank N.V..
Op 10 maart 2015 heeft SRS bij de kantonrechter een vordering in kort geding ingesteld, waarbij zij opkwam tegen bovenbedoelde beslagen. Na vermindering van eis strekt de vordering primair tot a. opheffing van het executoriale beslag op het recht van erfpacht op het perceel land en b. staking van de tenuitvoerlegging van de derdenbeslagen onder de Banken totdat in hoger beroep definitief zal zijn beslist over het vonnis van de kantonrechter 19 januari 2015, AR no.144867. Subsidiair vorderde SRS schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 december 2009, AR no. 073984, terzake van de vastgestelde dwangsom, totdat in hoger beroep onder nummer GR 15038 zal zijn beslist over het vonnis van de kantonrechter van 19 januari 2015, AR no. 144867. In dat vonnis, AR no. 144867, werd de vordering van SRS tot opheffing van het executoriale beslag op het erfpachtsrecht van het perceel van SRS afgewezen. De kantonrechter overwoog daarin onder meer –kort en zakelijk weergegeven- dat Sasur ondanks de intrekking van de ministeriële toestemming aan Sasur om met betrekking tot auteursrechten te bemiddelen bevoegd was gebleven om terzake van die auteursrechten handhavend op te treden en aldus bevoegd was gebleven om de onderhavige dwangsommen door middel van executoriale beslagen te innen.
Bij tussenvonnis van 16 april 2015 heeft de kantonrechter de Staat Suriname toegestaan om zich te voegen in de hoofdzaak aan de zijde van SRS.
In het vonnis waarvan beroep van 5 mei 2015 heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, de primaire vordering van SRS tot opheffing van de onder SRS gelegde executoriale beslagen afgewezen en de subsidiaire vordering, tot schorsing van de executie van dwangsommen, toegewezen.

2.Het hof heeft uit de pleitnota van Sasur begrepen dat Sasur zeven (ongenummerde) grieven aanvoert tegen het vonnis van de kantonrechter van 5 mei 2015.

3. In de eerste grief maakt Sasur er bezwaar tegen dat de kantonrechter het vonnis in kort geding van 3 december 2009 aanduidt als “gewraakt vonnis”. Volgens Sasur is dat onjuist omdat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Kennelijk meent Sasur dat de kantonrechter door het woord “gewraakt” te gebruiken, aanneemt dat tegen dit vonnis nog wel een gewoon rechtsmiddel openstaat. Die uitleg volgt het hof niet. Naar de mening van het hof wil de kantonrechter met “gewraakt vonnis” niet meer zeggen dan “vonnis, dat door partijen verschillend wordt uitgelegd”. De grief faalt.

4. In grief 2 voert Sasur aan dat de kantonrechter ten onrechte vermeldt dat het vonnis van 3 december 2009 op 16 mei 2012 aan SRS is betekend. Volgens Sasur vond die betekening op 10 november 2011 plaats. Uit de processtukken in eerste aanleg blijkt dat de betekening inderdaad op 10 november 2011 geschiedde. De grief is gegrond maar dat heeft geen enkel gevolg voor deze procedure. Relevant is slechts dat de betekening op rechtsgeldige wijze heeft plaats gevonden, wanneer dat geschiedde doet in dit verband niet terzake.

5. Grief 3 richt zich tegen rechtsoverweging 4.3.3. in het vonnis waarvan beroep. Bij wijze van toelichting op het restitutierisico bij inning van de dwangsommen door Sasur voordat het hof in de zaak in de zaak GR 15038 definitief heeft beslist, overweegt de kantonrechter hier dat Sasur de gemotiveerde stelling van SRS en de Staat dat Sasur geen enkel vermogen heeft waarop SRS verhaal zou kunnen zoeken, niet, althans niet gemotiveerd, heeft weersproken. De grief treft geen doel: Sasur heeft de duidelijke stelling van SRS slechts in vage bewoordingen ontkend en deze niet voldoende gemotiveerd weersproken. Voor de hand had gelegen dat Sasur door middel van bankafschriften, eigendomsbewijzen of andere schriftelijke bewijsstukken haar vermogenspositie zou hebben verduidelijkt, maar dat is niet geschied.

6. Grief 4 voert aan dat de kantonrechter ten onrechte een “verkapt appèl” door SRS tegen het vonnis van 3 december 2009 heeft toegestaan. Het vonnis van 3 december 2009 is een vonnis in kort geding, dat dus per definitie slechts een voorlopige voorziening treft. Bij latere wijziging van omstandigheden –zoals in dit geval het intrekken door de minister van justitie en politie van de toestemming aan Sasur om te bemiddelen in auteursrechtzaken- mag onderzocht worden welke consequenties dit voor de executie van het vonnis in kort geding heeft. Dat onderzoek geschiedt in dit geval in de zaak GR 15038. Daarin moet het hof nog uitspraak doen. De kantonrechter heeft in de onderhavige zaak, AR 15089A, redenen gevonden om de executie te schorsen totdat het onderzoek in de zaak GR 15038 is afgerond en daarin uitspraak is gedaan. Dat is iets anders dan het toestaan van een verkapt appèl. De grief faalt.

7. Grief 5 (overweging 2.5 in de pleitnota van Sasur) mist naast de hiervoor behandelde grief 4 zelfstandige betekenis.

8. Grief 6 richt zich tegen de opmerking van de kantonrechter dat het vonnis van 3 december 2009 van langer dan 5 jaar geleden dateert. Deze opmerking wordt gemaakt bij de afweging van het belang van SRS om de beslissing van het hof in de zaak GRNO. 15038 af te wachten tegenover het belang van Sasur om nu reeds de dwangsommen te kunnen executeren, met het risico dat de geïncasseerde bedragen gerestitueerd moeten worden als de uitspraak van het hof in de zaak GR 15038 in voor Sasur ongunstige zin uitvalt. De kantonrechter mocht de omstandigheid dat de incassering van de dwangsommen reeds zo lang op zich heeft laten wachten in haar afweging betrekken. De grief faalt.

9. Grief 7 betoogt dat het vonnis waarvan beroep in strijd is met artikel 492 Rv. Dit betoog gaat echter niet op. Het bepaalde in dit artikel staat er niet aan in de weg dat bij verschil van mening over de vraag of dwangsommen verschuldigd zijn en executie van die dwangsommen toelaatbaar is, dit verschil van mening als executiegeschil in kort geding aan de rechter wordt voorgelegd.

10. Het Hof heeft ambtshalve geen bedenkingen tegen het beroepen vonnis, zodat, nu de grieven zijn verworpen danwel niet relevant zijn bevonden, dit vonnis zal worden bevestigd.

5.Sasur zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het Hof:
Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 5 mei 2015 (A.R.No 151096).

Veroordeelt Sasur in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van SRS tot op deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. R.M. Praag en mr. S.J.S. Bradley, Leden-Plaatsvervanger en

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-Griffier bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. Ramlal, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2018-69

G.R.No. 15113
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

SURINAME COAST TRADERS N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding,
verder ook aan te duiden als Coast Traders,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

A. SURINAME ALUMINIUM COMPANY L.L.C.,
B. N.V. BILLITON MAATSCHAPPIJ SURINAME, thans genaamd
N.V. ALCOA MINERALS OF SURINAME,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
verder ook aan te duiden als Suralco en Billiton,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 13 augustus 2015 A.R.No. 15-0938, tussen Coast Traders als eiseres en Suralco en Billiton als gedaagden, spreekt de Fungerend-President , in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • Een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 9 september 2015, inhoudende dat op 9 september 2015 door mr. G.R. Sewcharan, advocaat, een schriftelijke verklaring is ingediend inhoudende dat Coast Traders hoger beroep wil instellen tegen het vonnis van de kantonrechter dat op 13 augustus 2015 in kort geding is gewezen tussen Coast Traders als eiseres en Suralco en Billiton als gedaagden;
  • pleitnota van 6 januari 2007;
  • antwoordpleitnota van 3 februari 2017;
  • repliekpleitnota van 17 maart 2017;
  • dupliekpleitnota van 21 april 2017.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
De dienstbrief van 2 september 2015. Coast Traders heeft blijkens de verklaring van de griffier op 9 september 2015 hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is tijdig en Coast Traders is ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.

De beoordeling
1.1. Tussen partijen staat – kort gezegd – vast dat op 21 december 1995 Coast Traders van Billiton een perceelland heeft gekocht van 2, 57 ha. gelegen te [plaats 1] en belendend aan de [rivier] dat is aangegeven op de kaart van 11 augustus 1992 van landmeter Lieuw Kie Song. Na betaling van de koopprijs heeft Coast Traders schade ondervonden (kosten herstel van een damwand en winstderving) die begroot is op USD 3.400.000,–. Coast Traders en Billiton hebben op 31 juli 2009 een overeenkomst gesloten dat Billiton ter vergoeding van de geleden schade op uiterlijk 1 augustus 2009 aan Coast Traders zou overdragen: een perceel van 2,8 ha. en een perceel van 1,2 ha. aangeduid op een bij de overeenkomst behorende luchtfoto met de letters A respectievelijk B., alsmede een gebruiksrecht op een strook land van 1,2 hectare tussen de weg van [plaats 1] naar [plaats 2] en de John F. Kennedy Highway.
1.2. Aan de overeenkomst is geen uitvoering gegeven omdat tussen partijen een geschil is ontstaan over de vraag of Billiton niet alleen het oorspronkelijk gekochte perceelland zou moeten overdragen, maar ook de beide in de overeenkomst van 31 juli 2009 genoemde percelen, of dat het oorspronkelijk gekochte perceel deel uitmaakte van een van de over te dragen twee percelen.
1.3 De overeenkomst van 31 juli 2009 tussen Billiton en Coast Traders bepaalt onder meer:
“In aanmerking genomen:
A. Dat SCT in of omstreeks 1995 van BMS heeft gekocht, gelijk BMS aan SCT heeft verkocht, het perceelland – met al hetgeen zich daarop mocht bevinden- groot 2,57 hectare gelegen te [plaats 1] en belendend aan de [rivier] in het [district], zonder nadere omschrijving voldoende aan partijen bekend, hierna aangeduid als: het Gekochte;
(….)
“komen als volgt overeen:
B. BMS zal uiterlijk 31 augustus 2009 overgegaan tot levering van de eigendom van de volgende onroerende goederen aan SCT:
* Het perceelland – met al hetgeen zich daarop mocht bevinden – groot 2,8 hectare gelegen te [plaats 1] en belendend aan de [rivier] in het [district], op de aan deze overeenkomst vastgehechte luchtfoto aangeduid door de figuur met de letter A, van welk perceelland het Gekochte deel uitmaakt, en waarop een betonnen platform of te wel bolder is gesitueerd;
* Het perceelland – met al hetgeen zich daarop mocht bevinden – groot 1,2 hectare gelegen te [plaats 1] en belendend aan de weg van [plaats 1] naar [plaats 2] in het [district], op de aan deze overeenkomst vastgehechte luchtfoto aangeduid door de figuur met de letter ‘B’;
(….)
6) BMS verleent voorts aan SCT het recht van gebruik van de strook perceelland groot 1,2 hectare gelegen tussen de weg van [plaats 1] naar [plaats 2] en de John F. Kennedy Highway, op de aan deze overeenkomst vastgehechte luchtfoto aangeduid door de figuur met de letter ‘C’.
1.4. Coast Traders heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, Suralco en Billiton worden veroordeeld om ten overstaan van een notaris mee te werken aan de overdracht van drie percelen land zoals nader in het inleidend verzoekschrift is omschreven, om het vonnis in de plaats te doen stellen van de ontbrekende partijverklaring wanneer Suralco en Billiton niet bij de notaris verschijnen of weigeren mee te werken, om te bepalen dat de transportakte in de openbare registers zal worden overgeschreven, om Suralco en Billiton te veroordelen tot betaling van een voorschot van USD 5.100.000,00, of een door de rechter te bepalen bedrag, als voorschot op de door Coast Traders geleden schade en om hen te veroordelen in de kosten van het geding.

1.2. De kantonrechter heeft bij vonnis in kort geding van 13 augustus 2015
* Coast Traders niet – ontvankelijk verklaard in haar vordering tegen Suralco;
* Billiton veroordeeld om binnen een maand na het vonnis ten overstaan van notaris mr. Alexander mee te werken aan de juridische overdracht van:
– het perceelland – met al hetgeen zich daarop mocht bevinden – groot 2,8 hectare gelegen te [plaats 1] en belendend aan de [rivier] in het [district], zoals aangegeven op de kaart d.d. 28 mei 2013 van landmeter R.I. Amelo, genummerd 2;
– het perceelland – met al hetgeen zich daarop mocht bevinden – groot 1,2 hectare gelegen te [plaats 1] en belended aan de weg van [plaats 1] naar [plaats 2] in het [district], zoals aangegeven op de kaart d.d. 28 mei 2013 van landmeter R.I. Amelo, genummerd 3;
* bepaald dat het vonnis in plaats wordt gesteld van de ontbrekende partijverklaring in de akte indien Billiton verschijnt en weigert mee te werken of niet verschijnt;
* bepaald dat de opgemaakt transportakte rechtsgeldig in de daartoe bestemde openbare registers zal worden overgeschreven waardoor de eigendom van de hiervoor vermelde perceellanden op Coast Traders overgaat;
* Coast Traders veroordeeld in de gedingkosten van Suralco en Billiton in de gedingkosten van Coast Traders.

1.3. Coast Traders heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen door de kantonrechter, zodat het Hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan.

1.4. Coast Traders concludeert in hoger beroep tot vernietiging van het bestreden vonnis en vordert alsnog de gevorderde voorzieningen integraal toe te wijzen en om Suralco en Billiton in de kosten van beide instanties te veroordelen. Zij heeft daartoe vijf grieven tegen voornoemd vonnis aangevoerd.

1.5. Suralco en Billiton hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op de verweren zal in het hierna volgende worden ingegaan.

1.6. De eerste grief luidt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat er geen sprake is van contractsovername door Suralco omdat er geen medewerking van de wederpartij is geweest en een akte van contractsoverneming heeft ontbroken. Volgens Coast Traders heeft er tussen Suralco en Billiton een overeenkomst bestaan d.d. 31 juli 2009 waarin Suralco alle activiteiten, bezittingen en wettelijke en contractuele verplichtingen van BMS heeft overgenomen. Billiton heeft Suriname verlaten en Suralco heeft alle belangen van Billiton in Suriname overgenomen. In dit kader heeft Coast Traders nog verwezen naar een vonnis van de kantonrechter in de zaak A.R.No. 151904, waarin wel is opgenomen dat Suralco de verplichtingen van Billiton had overgenomen.

In hun verweer tegen deze grief hebben Suralco en Billiton aangevoerd dat de beslissing van de kantonrechter juist is. Suralco heeft niets met de overeenkomst van 31 juli 2009 te maken. Niet Suralco maar N.V. Alcoa Minerals of Suriname, heeft de rechten en plichten van Billiton overgenomen. De verwijzing naar een andersluidend vonnis van de kantonrechter is niet juist omdat dit vonnis van geheel andere aard en strekking is.

1.7. Het Hof oordeelt als volgt.
Vast staat dat Suralco geen partij is geweest bij de overeenkomst van 31 juli 2009 waarin Coast Traders en Billiton een overeenkomst met betrekking tot daarin genoemde schade hebben getroffen. Zelfs indien het juist zou zijn dat Suralco rechten en verplichtingen van Billiton heeft overgenomen, is Suralco daarmee nog geen partij bij de overeenkomst van 31 juli 2009 geworden omdat voor debiteursvervanging toestemming van Coast Traders nodig was. Een dergelijke toestemming is gesteld noch gebleken. De kantonrechter heeft Coast Traders terecht niet – ontvankelijk verklaard in haar vorderingen op Suralco, zodat de grief faalt.

1.8. De tweede grief maakt bezwaar tegen de overweging onder 4.8 van het vonnis waarvan beroep. Coast Traders verwijt de kantonrechter ten onrechte voorbij te zijn gegaan aan wat [naam 1] en [naam 2] als informanten hebben verklaard. De aanname van de kantonrechter dat het gekochte perceel deel uitmaakt van de compensatie van de geleden schade staat, gelet op de overeenkomst en wat voornoemde twee personen hebben verklaard, haaks op de feiten en wat partijen zijn overeengekomen. Ook de aanname van de kantonrechter met betrekking tot een compensatie via een recht op gebruik vindt geen steun in de feiten.

Volgens Suralco en Billiton kan deze grief niet slagen omdat het vonnis op dit onderdeel juist is. [naam 1] en [naam 2] hebben namens Billiton gehandeld en de overeenkomst getekend. Eventuele fouten die zij hebben gemaakt komen voor hun rekening. Hun verklaringen zijn onbetrouwbaar. De kantonrechter heeft zich terecht aan de tekst van de overeenkomst gehouden. Overeengekomen is dat er twee percelen zouden worden overgedragen.

1.9. Het Hof oordeelt met betrekking tot deze grief dat de kantonrechter, zoals volgt uit zijn overweging onder 4.8., terecht is uitgegaan van een puur taalkundige interpretatie van de overeenkomst omdat de bewoordingen daarvan duidelijk waren en niet voor velerlei uitleg vatbaar. In de overeenkomst wordt gesproken van drie percelen, waarvan twee betrekking hebben op de Onroerende Goederen – waaronder het Gekochte is inbegrepen – waarvan de overdracht dient te geschieden terwijl het derde perceelland het recht van gebruik daarop behelst, aldus de kantonrechter. Dit oordeel is juist, omdat de over te dragen goederen ook zodanig in de overeenkomst zijn omschreven. De kantonrechter is voorbijgegaan aan de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] omdat wat zij hebben aangevoerd naar zijn oordeel aan het voorgaande niet afdoet. Het Hof begrijpt dit oordeel aldus dat de kantonrechter weliswaar de verklaringen van de informanten heeft kennis genomen, maar dat hun verklaringen, die anders luiden dan de (over) duidelijke tekst van de overeenkomst, niet tot een ander oordeel leiden. Het ging in de overeenkomst om drie percelen, waarvan er twee in eigendom moesten worden overgedragen en op een derde perceel een recht van gebruik werd verleend. Met zijn oordeel heeft de kantonrechter terecht toepassing gegeven aan artikel 1363 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Omdat de kantonrechter eveneens op goede gronden heeft beslist dat hij er vanuit gaat dat het Gekochte deel uitmaakt van de Onroerende Goederen, heeft hij terecht geoordeeld dat Billiton geen verplichting had om behalve de Onroerende Goederen, óók nog eens tot levering van het Gekochte over te gaan.
De tweede grief faalt dan ook.

1.10. In de derde grief komt Coast Traders op tegen het oordeel van de kantonrechter waarin deze het gevorderde voorschot op de gestelde schadevergoeding heeft afgewezen. De kantonrechter heeft daarmee onvoldoende rekening gehouden met haar belangen. Zij handhaaft haar standpunt dat er drie percelen in eigendom geleverd moesten worden en voert aan dat de kantonrechter in het gegeven dat Suralco “de hielen uit Suriname zal lichten (…)” de schadevordering, althans een voorschot op een daarop, had moeten toewijzen om te voorkomen dat zij met lege handen achter zou blijven.

Suralco en Billiton hebben opgemerkt dat Coast Traders geen enkel recht heeft op compensatie omdat de vertraging in de uitvoering van de overeenkomst volledig aan haar schuld is te wijten door ten onrechte levering van drie percelen te vragen, terwijl het gaat om twee percelen.

1.11. Naar het oordeel van het Hof staat vast dat Billiton bereid is geweest om uitvoering te geven aan de uitvoering van de overeenkomst van 31 juli 2009. Coast Traders heeft dat niet betwist. Het geschil is ontstaan doordat Coast Traders het standpunt heeft ingenomen dat er drie in plaats van twee percelen in eigendom zouden moeten worden overgedragen. Bij het aangaan van de overeenkomst van 31 juli 2009 hebben partijen beoogd een compensatieregeling voor de schade te treffen die is uitgemond in de levering in eigendom van twee percelen en het verlenen van een gebruiksrecht op een derde perceelland. Het Gekochte maakte deel uit van het grotere perceel van 2,8 hectare; daarnaast verkreeg Coast Traders nog eens 1,2 hectare in eigendom plus een gebruiksrecht op een derde perceel. De levering is niet doorgegaan doordat Coast Traders, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, zich op een onjuist standpunt heeft gesteld en zij een belangrijk deel van de schade aan zichzelf te wijten heeft. Ook heeft de kantonrechter zich afgevraagd wat Coast Traders aan schadebeperking heeft gedaan en of zij een bodemprocedure niet kon afwachten. Het Hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter en overweegt dat Coast Traders in hoger beroep geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld, waaruit zou moeten blijken dat de gestelde schade door Suralco en Billiton is veroorzaakt. Daarom is het gevraagde voorschot op een schadevergoeding terecht afgewezen.
De grief is ongegrond.

1.12. De vijfde en laatste grief betreft de proceskosten. Coast Traders betoogt daarin dat de kantonrechter erkend heeft dat Billiton tekort is geschoten in de verplichtingen om de percelen uiterlijk 31 augustus 2009 te leveren. De kantonrechter had dan ook de vordering tot betaling van een voorschot kunnen toewijzen.

Suralco en Billiton hebben gevorderd de grief af te wijzen. Volgens hen heeft Coast Traders opzettelijk onjuiste informatie verschaft.

1.13. Het Hof overweegt dat Billiton als hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten is veroordeeld daar zij de overeengekomen leveringsdatum heeft overschreden en pas nadien contact heeft opgenomen met Coast Traders. Billiton is veroordeeld om mee te werken aan levering van twee percelen, zoals in het vonnis is omschreven, en was daarom de partij die grotendeels ongelijk kreeg. Dat onderdeel is juist.

1.14. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt het Hof tot de slotsom dat de opgeworpen grieven geen doel treffen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Coast Traders krijgt ongelijk en zal worden veroordeeld in de gedingkosten in hoger beroep zoals in het dictum is opgenomen.

2. De beslissing in hoger beroep in kort geding:

Het Hof:
2.1. Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 13 augustus 2015, A.R.No. 15-0938;
2.2. Veroordeelt Coast Traders in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Suralco en Billiton begroot op Nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 juli 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. E.D. Esajas namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellante en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. M.S.H. Boedhoe namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van geintimeerden, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-68

G.R.No. 15115
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[De man],
wonende te [plaats],
appellant,
verder te noemen: de man,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

[De vrouw],
wonende te [gemeente], Nederland,
geïntimeerde,
verder te noemen: de vrouw,
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 17 april 2014 (A.R.No. 12-3315) tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 29 april 2014 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat appellant tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 20 januari 2017;
  • de antwoordpleitnota d.d. 21 april 2017;
  • de repliekpleitnota d.d. 5 mei 2017;
  • het namens de advocaat van geïntimeerde persisteren bij wat al was aangevoerd, op 4 augustus 2017.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellant daarin kan worden ontvangen.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:
Partijen zijn gehuwd in Suriname, maar in 1986 in Suriname van echt gescheiden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis in de registers van echtscheiding. De vrouw is in 1996 een echtscheidingsprocedure begonnen in Nederland, wat geleid heeft tot een echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Alkmaar (in Nederland) van 22 mei 1997. Daarna heeft de vrouw in Suriname conservatoir maritaal beslag gelegd op een erfpachtrecht dat volgens haar in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap zou vallen. De man heeft opheffing van dat beslag gevorderd bij de kantonrechter in een procedure met A.R. nummer 11-0765. Die vordering is afgewezen. Daartegen is hoger beroep aangetekend.
De man heeft vervolgens in kort geding nog eens opheffing van het beslag gevorderd, wat leidde tot het vonnis waarvan beroep (A.R.No. 12-3315). In dit vonnis heeft de kantonrechter de vordering van de man afgewezen, op grond van – kort gezegd – misbruik van recht. De tweede vordering van de man tot opheffing van het beslag was, naar het oordeel van de kantonrechter, identiek aan de eerste vordering.
Hangende het hoger beroep in dit geschil heeft zich een nieuw feit voorgedaan. Bij vonnis van 24 maart 2015 (A.R.No. 09-1949) is het onderhavige beslag opgeheven. Een kopie van dit vonnis is afgegeven door de advocaat van de vrouw aan die van de man. Volgens de man kan hij dit vonnis niet laten overschrijven (het Hof begrijpt: in het register, ter effectuering van de opheffing van het beslag), omdat naar zijn stelling dat vonnis niet volledig is in onderdeel 5.3 van het dictum. De man heeft daarom bij verzoekschrift gevraagd om correctie van dat vonnis, welke zaak loopt onder nummer A.R.No. 17-0178.

3. Het Hof oordeelt als volgt:
De man is in zijn hoger beroep in deze zaak niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.
Het gaat in het door het Hof te beoordelen geschil om de opheffing van het beslag, met de daarvan afgeleide vraag of de kantonrechter in dit geschil terecht heeft geoordeeld dat de man niet voor de tweede keer deze al afgewezen opheffing kon vorderen, omdat het om een identieke tweede vordering zou gaan als de eerste keer. Het achterliggend belang van de man bij deze preliminaire vraag is dus in de kern dat het beslag wordt opgeheven. Over die vraag is intussen in het voordeel van de man beslist in het kantonvonnis onder nummer A.R.No. 09-1949. Niet gesteld of gebleken is dat tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld. Daarmee strookt dat de man doende is dit vonnis in het desbetreffende register in te schrijven, waartegen de vrouw zich blijkbaar niet verzet. Daardoor is het belang van de man bij een oordeel in het nu voorliggende geschil afwezig.

4. Het belang bij een oordeel in dit geschil ontstaat niet alsnog, doordat de man blijkbaar niet in staat is de inschrijving in het desbetreffende register te bewerkstelligen. Dat wordt niet anders als dit is te wijten aan het gegeven dat het vonnis in de zaak met A.R. nummer 09-1949 niet volledig is, zoals de man stelt. Daartegen moet hij opkomen door het indienen van een verzoek tot correctie (of aanvulling), zoals hij stelt gedaan te hebben. Hier ligt, op dit moment, geen taak of bevoegdheid van het Hof.

5. Nu de man geen belang heeft bij een uitspraak van het Hof, is hij in zijn vordering in hoger beroep niet-ontvankelijk. Gelet op de aard van de zaak en het bepaalde in artikel 59 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden de kosten tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

  • verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn eisen in hoger beroep
  • compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 juli 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. M.S.H. Boedhoe namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. K. Bhoendie, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-67

G.R.No. 15114

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[Appellant],
wonende te [gemeente], [land],
appellant,
verder te noemen: [appellant],
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

INTERVAST SURINAME N.V., rechtspersoon,
gevestigd te Paramaribo,
geïntimeerde,
verder te noemen: Intervast,
gemachtigde: mr. P. Sohansingh, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 13 juni 2013 (A.R.No. 12-1990) tussen [appellant] als eiser in conventie en verweerder in reconventie en Intervast als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 4 juli 2013 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 6 januari 2017;
  • de antwoordpleitnota d.d. 7 april 2017;
  • de repliekpleitnota d.d. 5 mei 2017;
  • de dupliekpleitnota d.d. 16 juni 2017.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen.

2. Het gaat in deze zaak om een opdracht door [appellant] aan Intervast om voor hem een huis te bouwen. Dat was in 2001. [appellant] vindt dat Intervast bij de uitvoering van de opdracht fouten heeft gemaakt. [appellant] stelt dat hij daardoor schade heeft geleden en dat die fouten moeten worden hersteld.
Daarover heeft [appellant] een bodemgeschil aanhangig gemaakt. Zijn eisen zijn afgewezen bij een vonnis van de kantonrechter uit 2006, vooral omdat [appellant] niet repliceerde na het verweer van Intervast. Dat vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. Er is geen hoger beroep ingesteld.
Opnieuw heeft [appellant] een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen Intervast, waarin hij dezelfde verwijten voorlegde ter beoordeling. Die procedure is geëindigd met een vonnis van de kantonrechter uit 2008. Daarin is [appellant] niet-ontvankelijk verklaard, omdat het eerste vonnis gezag van gewijsde had.
Vervolgens heeft [appellant] een kort geding aangespannen. Dat was in 2012. Ook hier gaat het weer over dezelfde problematiek. Door Intervast is een tegenvordering ingesteld. De kantonrechter heeft in haar vonnis geoordeeld dat het spoedeisend belang bij de vorderingen van beide partijen ontbreekt. De kantonrechter heeft de gevraagde voorzieningen geweigerd.

3. In hoger beroep heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen spoedeisend belang is (grief 1) en dat zij dus ook ten onrechte de vordering niet inhoudelijk heeft beoordeeld (grief 2).

4. Ter onderbouwing van het spoedeisend belang heeft [appellant] in hoger beroep gesteld dat ‘de feiten (…) zeer duidelijk zijn’ (pleitnota, bladzijde 1, tweede alinea) en dat Intervast ‘duidelijk (heeft) gewanpresteerd’ en dat [appellant] ‘schade geleden’ heeft door die wanprestatie.
Dergelijke stellingen zijn geen gronden om een spoedeisend belang aan te kunnen nemen. De zaak krijgt geen spoed, zoals de wet bij korte gedingen vereist, doordat de vordering duidelijk is.
Ook bij de kantonrechter heeft [appellant] geen stellingen naar voren gebracht die tot de conclusie kunnen leiden dat er sprake is van een spoedeisend belang.

5. Grief 1 slaagt niet. Daaruit volgt dat de kantonrechter – oordelende dat de vordering van [appellant] niet-ontvankelijk is – terecht geen oordeel meer heeft gegeven over de inhoud van het geschil. Ook grief 2 slaagt daarom niet.
Nu de grieven niet slagen en het Hof tegen het vonnis van de kantonrechter ook ambtshalve geen bedenkingen heeft, zal dit worden bevestigd.

6. Ten overvloede overweegt het Hof dat [appellant] misbruik van procesrecht maakt door over deze kwestie een kort geding aanhangig te maken, terwijl hij al in een bodemprocedure over hetzelfde in het ongelijk is gesteld en dat vonnis in kracht van gewijsde is. Het past de advocaat van een partij niet het weer opnieuw te proberen, omdat diens cliënt ‘niet tevreden is met het resultaat van zijn ingediende vordering’ (conclusie van repliek in conventie, onder randnummer 4). Het recht heeft zijn loop gehad en dat behoort te worden aanvaard.

7. [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

  • bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 13 juni 2013 (A.R.No. 12-1990), waarvan beroep,
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Intervast begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 1 juni 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Mangroelal namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. T.A.M. Kensmil namens advocaat mr. P. Sohansingh, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-66

G.R.No. 15117

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

SURINAME COAST TRADERS N.V., rechtspersoon
gevestigd te Paramaribo,
appellant,
verder te noemen: SCT,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

P&D IMPEX N.V., rechtspersoon
gevestigd in het district Wanica,
geïntimeerde,
verder te noemen: P&D
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 26 november 2015 (A.R.No. 15-2909) tussen P&D als eiseres en SCT als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 1 december 21015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat SCT tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 6 januari 2017;
  • de antwoordpleitnota d.d. 3 maart 2017;
  • de repliekpleitnota d.d. 17 maart 2017;
  • de dupliekpleitnota d.d. 7 juli 2017.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat SCT daarin kan worden ontvangen.

2. De enige, ampel toegelichte grief van SCT houdt in dat de kantonrechter haar ten onrechte niet de gelegenheid heeft geboden zich te verweren tegen de eisen van P&D.
Deze eisen heeft de kantonrechter toegewezen, nadat zij had overwogen dat geen conclusie van antwoord was genomen terwijl SCT peremptoir stond.

3. De grief van SCT is niet van belang, want leidt in alle gevallen tot dezelfde uitkomst. Dat komt door de devolutieve werking van het hoger beroep. Als de grief zou falen, moet het Hof de zaak inhoudelijk beoordelen op grond van het debat van partijen. Het Hof kan immers de zaak niet terugverwijzen naar de kantonrechter na een eindvonnis. Als de grief zou slagen, gebeurt precies hetzelfde.

4. Het Hof beoordeelt de grief dus niet, maar gaat over tot de inhoudelijke beoordeling van de zaak. Het Hof constateert dat SCT in hoger beroep geen inhoudelijk verweer voert. Dat had zij moeten doen, gegeven het procesrecht zoals beschreven in nummer 3. Bij gebrek aan inhoudelijk verweer, komt de eis van P&D voor toewijzing in aanmerking.

5. Nu de grief geen effect kan hebben en geen beoordeling behoeft, terwijl het Hof tegen het vonnis van de kantonrechter ook ambtshalve geen bedenkingen heeft, zal dit worden bevestigd.
SCT zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:
bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 26 november 2015 (A.R.No. 15-2909),
veroordeelt SCT in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van P&D begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. S.J.S. Bradley, Leden-Plaatsvervanger en

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 juli 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. E.D. Esajas namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. N.P. Soekra namens advocaat mr. D. Moerahoe, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-65

G.R.No. 15119

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van
[Verzoekster sub 1], zowel voor zich als in haar hoedanigheid van voogdes over [de minderjarige],
[Verzoeker sub 2],
[Verzoeker sub 3],
verzoekers in request-civiel,
verder ook aan te duiden, gezamenlijk als de erven, de eerste hunner ook afzonderlijk als [verzoekster sub 1],
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

[Verweerster],
verweerster in request-civiel,
verder ook aan te duiden als [verweerster],
gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat,

inzake het request-civiel tot herroeping van het vonnis van dit hof van 15 april 2016, G.R.No. 14815, op het hoger beroep tegen het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 13 juli 2011 tussen [verweerster] als eiseres en de erven als gedaagden spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • een inleidend verzoekschrift van 31 mei 2016;
  • een antwoordpleitnota van 6 januari 2017;
  • een repliekpleitnota in request-civiel van 3 februari 2017;
  • een dupliekpleitnota in request-civiel van 16 juni 2017
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 5 januari 2018 en volgens nader op heden.

De ontvankelijkheid van het request-civiel

Het request-civiel is tijdig en op de juiste wijze ingediend, zodat de erven daarin kunnen worden ontvangen.

Vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld, anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken, dan wel blijkende uit de inhoud, voor zover niet weersproken, van overgelegde stukken, staan de volgende feiten tussen partijen vast.

[verweerster] is gehuwd geweest met [erflater] (hierna: de erflater). Staande huwelijk heeft de erflater in 1969 door koop de eigendom verworven van onroerend goed aan de [straatnaam] in Paramaribo (hierna: de woning). Het eigendomsrecht viel in de tussen de erflater en [verweerster] bestaande huwelijksgemeenschap.

Op enig moment is het huwelijk door echtscheiding ontbonden. De erflater en [verweerster] zijn niet tot scheiding en deling van de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap overgegaan. [verweerster] is met de kinderen in de woning gebleven totdat zij op enig moment naar Nederland is verhuisd. De erflater is op enig moment gehuwd met [verzoekster sub 1] en zij hebben met hun kinderen geruime tijd in de door [verweerster] inmiddels verlaten woning gewoond. Op 13 mei 1996 heeft de erflater bij testament de erven tot enige en algehele erfgenamen benoemd. Op 27 september 1997 is de erflater overleden.

Tussen partijen zijn tijdens de scheiding en deling (kennelijk: van de ontbonden huwelijksgemeenschap tussen de erflater en [verweerster] en mogelijk ook van de nalatenschap van de erflater) zwarigheden gerezen. Dat heeft geleid tot een zwarighedenprocedure onder A.R. No. 095410 tussen [verweerster] als eiseres en de erven als gedaagden. In die procedure hebben mondelinge verhoren plaatsgevonden op 21 juni 2010 en 29 juli 2010 en is een taxatierapport uitgebracht door de door de kantonrechter benoemde deskundige Welles, waarover partijen zich nog hebben uitgelaten. Daarna is op 13 juli 2011 het eindvonnis in die zaak uitgesproken waarbij de boedelscheidende notaris is bevolen een akte van scheiding en deling op te maken met als inhoud dat de tot de nalatenschap behorende woning aan [verweerster] zal worden toegewezen en dat deze wegens overbedeling aan de erven hun aandeel zal uitkeren, berekend aan de hand van het taxatierapportWelles. Tegen dit vonnis hebben de erven hoger beroep ingesteld, waarin zij echter bij vonnis van dit hof van 15 april 2016 niet-ontvankelijk zijn verklaard.

Beoordeling van het request-civiel

De erven leggen aan het request-civiel ten grondslag dat [verweerster] in het geding gebruik heeft gemaakt van bedrog of arglist. Immers heeft de kantonrechter bij de comparitie van partijen uitdrukkelijk beslist dat de woning aan de erven wordt toegewezen tegen uitkering van de helft van de getaxeerde waarde aan [verweerster].

Niet duidelijk is wat nu precies de door de erven als bedrieglijk of arglistig beschouwde gedragingen van [verweerster] zijn. Met de comparitie waar de kantonrechter beslist zou hebben dat de woning aan de erven zou worden toegewezen, doelen de erven blijkbaar op het verhoor van 21 juni 2010, want alleen van die zitting en niet van die van 29 juli 2010 hebben zij het proces-verbaal in het geding gebracht. Dat proces-verbaal vermeldt echter niets over enige beslissing van de kantonrechter. Over de vraag aan wie de woning ware toe te delen houdt het proces-verbaal alleen de verklaring van [verweerster] in (de erven waren helemaal niet ter terechtzitting aanwezig):
In eerste instantie wilde ik dat het perceel en de woning aan de [straatnaam]aan mij zou worden toebedeeld, vanwege de emotionele waarde die ik eraan hecht. Ik was heel jong toen ik in het huwelijk trad en heb het perceel van mijn ouders cadeau gekregen. De zaak duurt echter al heel lang en ik heb na een gesprek met mijn kinderen besloten dat voormeld perceel aan de gedaagden kan worden toegewezen. Mijn kinderen en ik wensen wel uitbetaald te worden voor ons aandeel waar wij recht op hebben.
Deze verklaring, ook al is ze ten overstaan van de kantonrechter afgelegd, levert nog geen beslissing van de kantonrechter op. Ze levert ook geen overeenkomst tussen partijen op, alleen al omdat [verweerster] wel, maar de erven niet tegenwoordig waren. Bovendien heeft ze volgens het proces-verbaal slechts gezegd dat de woning aan de erven “kon” worden toegewezen, niet dat ze dat wenste. Dat kan niet anders worden begrepen dan dat ze (op dat moment) geen bezwaar maakte tegen de mogelijkheid dat de kantonrechter de woning aan de erven zou toedelen. Het kan teleurstellend voor de erven zijn geweest dat de kantonrechter bij het eindvonnis de belangen toch anders afwoog en toedeling aan [verweerster] beval, maar het hof ziet niet in hoe daaruit bedrog of arglist van [verweerster] kan worden afgeleid.

De erven beroepen zich ook op het testament van de erflater en stellen dat de kantonrechter daarmee niet in strijd mocht handelen. Echter, nog ervan afgezien dat daarmee nog geen bedrog of arglist van [verweerster] zou zijn gegeven, heeft de kantonrechter in het geheel niet in strijd met het testament gehandeld en beslist. Het testament houdt slechts in dat de erven als enige en algehele erfgenamen worden benoemd, maar bepaalt niets over de scheiding en deling van de nalatenschap en al helemaal niets over de scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap die tussen de erflater en [verweerster] had bestaan en die wel was ontbonden, maar nog niet gescheiden en gedeeld.

Zoals hiervoor vermeld heeft [verweerster] ter comparitie gezegd dat de woning verkregen is doordat deze haar staande het huwelijk door haar ouders geschonken is. Dat gegeven heeft in de afweging door de kantonrechter in het eindvonnis ook een rol gespeeld. In werkelijkheid echter is de woning gekocht door [erflater], naar [verweerster] heeft gesteld met door haar ouders voor dat doel geschonken geld. Voor zover de erven hier bedrog en arglist van [verweerster] zien, moet het hof dat standpunt verwerpen. In de eerste plaats is het begrijpelijk en aanvaardbaar dat het voor [verweerster] en voor haar woordkeus geen verschil maakt of de woning ten geschenke is gekregen of gekocht is met ten geschenke gekregen geld en het valt niet te verwachten dat het voor de afweging in het eindvonnis wel verschil gemaakt zou hebben. In de tweede plaats zouden de erven daarmee hun request-civiel op een ander middel gronden dan hun verzoekschrift behelsde, wat artikel 300 Rv verbiedt.

Op grond van het hiervoor overwogene moet het request-civiel worden afgewezen.

De beslissing in request-civiel:

Het Hof:

wijst het request-civiel af;

veroordeelt de erven in de kosten van het geding en bepaalt deze, voor zover tot op heden aan de zijde van [verweerster] gevallen, op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2018-64

G.R.No. 15121

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[De vrouw],
wonende in het [district],
appellante,
verder te noemen: de vrouw,
gemachtigde: mr. I. Lalji, advocaat,

tegen

[De man],
wonende in het [district],
geïntimeerde,
verder te noemen: de man,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 25 maart 2013 (A.R.No. 11-4341) tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal d.d. 3 april 2013 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat de vrouw tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 2 juni 2017;
  • de antwoordpleitnota d.d. 7 juli 2017;
  • de repliekpleitnota d.d. 6 oktober 2017;
  • de dupliekpleitnota d.d. 3 november 2017.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de vrouw daarin kan worden ontvangen.

2. Het gaat in deze zaak om de vraag of het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht en of dat in overwegende mate aan de man is te wijten.

3. De man stelt onweersproken dat partijen al jaren niet meer samenwonen en ieder een eigen leven hebben opgebouwd. Partijen stellen over en weer dat dit nieuwe leven door de ander wordt gedeeld met een nieuwe vaste partner (van de man) of meer opvolgende partners (van de vrouw). De man stelt voorts in zeer duidelijke bewoordingen dat hij nooit meer iets van de vrouw wil weten.
Tegen deze achtergrond is niets te verwachten van de vergiffenis die de vrouw stelt aan de man gegeven te hebben – de man betwist overigens dat hem iets vergeven hoeft te worden – en van de huwelijkstherapie die de vrouw voorstelt. Het Hof oordeelt vast dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht.

4. De vrouw stelt, subsidiair, dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan de man te wijten is. Zij beroept zich in het verlengde daarvan op artikel 226 BW. Dat bepaalt dat een vordering tot echtscheiding niet kan worden ingesteld door de huwelijkspartner aan wie de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate is te verwijten, als de andere partner daartegen verweer voert.

5. Het Hof stelt vast dat in deze rechtszaak – buiten de vordering tot het treffen van één voorlopige voorziening betreffende het gebruik van de echtelijke woning – niet méér vorderingen zijn ingediend dat die tot de echtscheiding als zodanig en die tot scheiding en deling. Gegeven de door het Hof al vastgestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk, heeft de vrouw bij haar verweer dat dit in overwegende mate aan de man is te verwijten geen belang. Het huwelijk zal immers duurzaam ontwricht blijven, wat de echtscheiding rechtvaardigt. Mogelijk dat het verweer van de vrouw van belang is voor het bepalen van partneralimentatie, maar dan moeten haar argumenten in een eventuele procedure daarover worden gewogen.
Het Hof passeert daarom het verweer van de vrouw, waaruit volgt dat de echtscheiding terecht is uitgesproken door de kantonrechter.

7. Nu de grieven niet slagen en het Hof tegen het vonnis van de kantonrechter ook ambtshalve geen bedenkingen heeft, zal dit worden bevestigd.
De aard van de zaak brengt mee dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 25 maart 2013 (A.R. No. 11-4341);

compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns, Lid en mr. I. Sonai, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 juli 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. M.S.H. Boedhoe namens advocaat mr. I.S. Lalji, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. N.P. Soekra namens advocaat mr. D. Moerahoe, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2007-54

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-595

[Verzoeker], wonende aan [adres 1] in het [district 1], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Koninginnestraat no.10, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de H.A.E. Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.M.S.Ishaak, advokaat,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ‘s Hoven interlocutoire vonnissen respectievelijk van 19 januari 2007 en 6 juli 2007 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hoven laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 17 augustus 2007, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 19 januari 2007 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat verweerder bij monde van zijn gemachtigde, Mr.R.Lala, Coördinator Juridische Zaken op het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, tijdens de comparitie van partijen van 23 februari 2007 – voorzover ten deze van belang – onder meer heeft verklaard, dat het verweerder bekend is dat verzoeker bij besluit, vervat in het schrijven van de Directeur van het Ministerie van Onderwijs de dato 11 augustus 2004, Ag 2930, was ontslagen; dat dit ontslag naderhand ongedaan gemaakt is en wel op 19 mei 2006; dat dat gebeurd is bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling de dato 19 mei 2006 AD.[nummer 1]; dat de reden waarom het ontslag ongedaan gemaakt is, is omdat naderhand de leiding van het Ministerie gebleken was, en wel bij schrijven van de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, dat verzoeker aangehouden was en in verzekering gesteld, en niet dat hij onwettig afwezig was, welke grond aanleiding was voor verweerder verzoeker te ontslaan althans het dienstverband met verzoeker te beëindigen; dat verzoeker, nadat hij gerehabiliteerd was zijn salaris over de periode augustus 2004 tot en met mei 2006 uitgekeerd gekregen heeft; dat tot slot moge worden verklaard dat verzoeker in 1996 in dienst trad van verweerder als bewaker;

Overwegende, dat verzoeker, daartoe in de gelegenheid gesteld bij tussenvonnis van 6 juli 2007, ter terechtzitting van 20 juli 2007 een conclusie nà comparitie heeft genomen, waarvan de inhoud in dit vonnis als letterlijk herhaald en geinsereerd wordt aangemerkt;

Overwegende, dat, wat van het zijdens verzoeker gestelde in voormelde conclusie ook moge zijn, het Hof aan bespreking daarvan voorbijgaat nu verzoeker blijkens het petitum slechts volstaan heeft met te vorderen de vernietiging althans nietigverklaring van de beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling de dato 12 oktober 2004 AD [nummer 2];

Overwegende, dat nu verweerder, naar tussen partijen in rechte thans vaststaat als niet weersproken zijdens verzoeker, het besluit van de directeur van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling de dato 11 augustus 2004 Ag.[nummer 3] bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling de dato 19 mei 2006 AD [nummer 1], ongedaan gemaakt heeft en verzoeker mitsdien geen belang meer heeft bij het zijdens hem gevorderde, zal het Hof hem alsnog niet ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering tegen verweerder;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker alsnog niet ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.K.Pultoo en Mr.D.D.Sewratan, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 24 augustus 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advokaat Mr.R.M.C.Denz namens de gemachtigden van partijen.

M.H

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

 

SRU-HvJ-2014-32

G.R. No. 14682

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

De Staat Suriname, met name het Ministerie van Openbare Werken,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellant, hierna aangeduid als ”de Staat”,
gemachtigde: mr. I. Gangabisoensingh, jurist op het Ministerie van Openbare Werken en verbonden aan het Bureau Landsadvocaten,

tegen

[Geïntimeerde], architect,
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ”[geïntimeerde] ”,
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 7 juli 2011 (A.R. No. 100975) tussen [geïntimeerde] als eiser en de Staat als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat de Staat bij schrijven van zijn

procesgemachtigde op 14 juli 2011 hoger beroep heeft ingesteld;

– de memorie van grieven d.d. 4 augustus 2011, met een productie;

– de pleitnota d.d. 1 juni 2012, met producties;

– de antwoord pleitnota d.d. 3 augustus 2012;

– de repliek pleitnota d.d. 5 oktober 2012, met een productie;

– de dupliek pleitnota d.d. 18 januari 2013.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De ontvankelijkheid

2.1 Uit de verklaring van de griffier der kantongerechten blijkt dat op 14 juli 2011 de Staat bij schrijven van zijn procesgemachtigde van 13 juli 2011 appèl heeft aangetekend tegen het bestreden vonnis.

2.2 Gelet op het voorgaande heeft de Staat tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn is geschied, zodat de Staat ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De vordering, de grieven en het verweer

3.1 De Staat concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot afwijzing van de vordering van [geïntimeerde].

3.2 [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling

4 Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1 [geïntimeerde] heeft het project inhoudende de renovatie van de penitentiaire inrichting Hazard besteksklaar gemaakt. De opdracht daartoe is hem verleend bij schrijven van de Directeur van Openbare Werken d.d. 11 mei 2001.

4.2 [geïntimeerde] heeft de Directeur van Openbare Werken bij brief van 4 februari 2005 doen toekomen een offerte voor de directievoering en het houden van toezicht bij de renovatie van de Strafinrichting Hazard. De geoffreerde declarabele kosten bedroegen USD 13.500,= per maand. De in dit schrijven vermelde projectduur is 12 maanden.

4.3 De Directeur van het Ministerie van Openbare Werken heeft een schrijven d.d. 24 november 2006 gericht aan [geïntimeerde] waarin staat: “Middels deze doe ik u toekomen een exemplaar van het contract inzake ”het geheel renoveren van het cellenhuis, diverse opstallen en bijbehoren gelegen op het terrein van de strafinrichting Hazard in het distrikt Nickerie”. Ik moge U vragen conform het contract de uitvoering van dit projekt ter hand te nemen.”

4.4 [Geïntimeerde], de aannemer O. Bien en de vertegenwoordiger van de Strafinrichting Hazard hebben een proces-verbaal van 1ste oplevering van het project ondertekend. In dit document is vermeld dat de oplevering plaatsvindt op donderdag 10 april 2008.

4.5 De Directeur van Openbare Werken heeft een schrijven d.d. 31 december 2008 gericht aan de Directeur van Justitie en Politie waarin staat:

”In antwoord op uw schrijven dd. 27 november 2008 moge ik onder uw aandacht brengen dat alvorens er een begin gemaakt werd met de uitvoering van het project, aan de architect is gevraagd naar een offerte voor directievoering gebasseerd op alle gemaakte kosten (…).

De offerte van dhr. [geïntimeerde] hebben wij op 04 februari 2005 ontvangen. De bouwtijd van het project was gepland voor 12 maanden, maar is door extra werkzaamheden uitgelopen tot 17 maanden. Voorts moge ik u mededelen dat het aanbestedingsklaar maken en alles wat daarmee gepaard gaat, van voornoemd projekt dateert vanaf de periode 2001 en de daadwerkelijke uitvoering heeft pas in 2006 plaatsgevonden.

Dat het projekt is uitgelopen van 12 naar 17 maanden is het gevolg van de enorme achteruitgang van het complex gedurende de periode tussen 2001 en 2006.

Gedurende deze periode was de toestand van bepaalde opstallen in zodanige staat dat de voorheen geplande werkzaamheden uitgebreid moesten worden. Enkele gebouwen moesten gesloopt en opnieuw worden opgezet.

De werkzaamheden van het architectenbureau [geïntimeerde] zijn conform het bestek en aanwijzingen van de directie van Hazard uitgevoerd.”

4.6 [Geïntimeerde] heeft de Directeur van Openbare Werken bij schrijven d.d. 6 juni 2008 doen toekomen de declarabele kosten over de periode november 2006 tot en met maart 2008, totaal bedragend USD 229.500,= (17 maanden à USD 13.500,=).

4.7 [Geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd de Staat te veroordelen om hem bij wijze van voorschot te betalen het bedrag van USD 250.000,= . [Geïntimeerde] heeft daarbij gesteld dat hij door het niet nakomen van de Staat in liquiditeitsproblemen is komen te verkeren, waardoor hij genoodzaakt was een lening aan te gaan om zijn bedrijf draaiende te houden. Hij heeft derhalve schade geleden bestaande uit de rente die hij voor de lening heeft moeten betalen.

Hij heeft in zijn verzoekschrift in eerste aanleg gesteld dat de Staat hem verschuldigd is:

Declarabele kosten 17 maanden à USD 13.500,= USD 229.500,00
Betaalde rente ten aanzien van een lening USD 54.057,15
Gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten USD 16.065,00
Totaal USD 299.622,15

4.8 De Kantonrechter heeft in het vonnis van 7 juli 2011 de Staat veroordeeld om bij wijze van voorschot USD 250.000,= te betalen aan [geïntimeerde]. Daartoe is door de Kantonrechter overwogen dat uit de door [geïntimeerde] overgelegde documenten en de verklaringen zijdens de Staat afgelegd tijdens de comparitie van partijen voldoende aannemelijk is geworden dat er een overeenkomst bestond voor de directievoering van de renovatie van Hazard. Uit de stukken blijkt volgens de Kantonrechter dat sprake is van een offerte van [geïntimeerde], dat daarna een opdracht is verstrekt waarna de Staat gedurende 17 maanden de directie heeft laten voeren door [geïntimeerde]. Uit deze omstandigheden in onderlinge samenhang bekeken, heeft de Kantonrechter geconcludeerd dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Uit de overgelegde documenten bleek naar het oordeel van de Kantonrechter eveneens dat de uitloopperiode niet het gevolg is geweest van zaken die in de risicosfeer van [geïntimeerde] lagen. Ten aanzien van de schade is door de Kantonrechter overwogen dat de Staat die niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, waardoor die ook aannemelijk is geacht.

4.9.1 De Staat heeft tegen het bestreden vonnis allereerst als grief aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte op basis van de aanbieding van een offerte door [geïntimeerde] en op basis van de door [geïntimeerde] tijdens het geding overgelegde documenten heeft aangenomen dat tussen partijen sprake is van een overeenkomst.

4.9.2 Ingaand op vorenstaande grief constateert het Hof allereerst dat de Staat heeft nagelaten te motiveren waarom de Kantonrechter ten onrechte aannemelijk heeft geacht dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Vanwege de devolutieve werking van het hoger beroep zal nochtans het Hof het rechtsgeding tussen partijen in zijn geheel in overweging nemen, waarbij tevens aandacht zal worden geschonken aan de zijdens de Staat opgeworpen bezwaren.

Allereerst wordt daarbij gelet op het feit dat [geïntimeerde] met betrekking tot de directievoering op het project een offerte heeft doen toekomen aan de Staat. Daarnaast wordt door het Hof geconstateerd dat uit het onder 4.3 van dit vonnis vermeld schrijven blijkt dat door de Directeur van Openbare Werken aan [geïntimeerde] is gevraagd om de uitvoering van het betreffend project conform het contract ter hand te nemen. De Staat heeft weliswaar aangevoerd dat het in voornoemd schrijven bedoeld contract niet is een dienstverleningscontract met [geïntimeerde], maar dat met het contract werd bedoeld het met de aannemer gesloten contract. Echter is het Hof van oordeel dat, nu [geïntimeerde] als architect gevraagd wordt de uitvoering ter hand te nemen, dit slechts op de directievoering betrekking kan hebben gehad.

Uit het proces-verbaal van de eerste oplevering van het project d.d. 10 april 2008 blijkt naar het voorlopig oordeel van het Hof dat [geïntimeerde] anno april 2008 betrokkenheid had bij het project. Dit document, dat het brievenhoofd van het architectenbureau van [Geïntimeerde] draagt, is naast door [geïntimeerde] zelve medeondertekend door de vertegenwoordiger van de penitentiaire inrichting Hazard en de aannemer.

In het schrijven onder 4.5 van dit vonnis genoemd, is door de Directeur van Openbare Werken er melding van gemaakt dat [geïntimeerde] werkzaamheden heeft verricht in het kader van de uitvoering van het betreffend project.

Het Hof constateert verder dat de Staat in zijn conclusie van antwoord sub 7 heeft aangevoerd dat op [geïntimeerde] de verplichting rustte om ervoor te waken dat de aannemer binnen de contractueel vastgestelde uitvoeringsduur het project realiseerde; dit is een taak die naar dezerzijds voorlopig oordeel rust op degene die verantwoordelijk is voor het houden van toezicht op de uitvoering van het project. Daarnaast is tijdens de op 15 maart 2011 gehouden comparitie van partijen door de Staat erkend dat [geïntimeerde] een overeenkomst heeft met de Staat, inhoudend dat Mac Nack de projecten moest begeleiden.

Al het hiervoor weergegevene leidt tot de gevolgtrekking dat de Kantonrechter terecht aannemelijk heeft geacht dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen betreffende het houden van toezicht op de uitvoering van het betreffend project. De ter zake opgeworpen grief wordt dan ook verworpen.

4.10.1 De Staat heeft tegen het bestreden vonnis aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat er tussen partijen een dienstverleningsovereenkomst voor de duur van 17 maanden is.

De Staat heeft voorts in zijn pleitnota aangevoerd dat de werkzaamheden in het tijdsverloop van 17 maanden lange tijd waren gestaakt en [geïntimeerde] toen geen toezicht heeft gehouden op werkzaamheden, zodat geen sprake is van directievoering gedurende 17 maanden. De Kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat uit de door [geïntimeerde] overgelegde documenten voldoende aannemelijk is geworden dat er tussen partijen een overeenkomst bestond voor de duur van 17 maanden.

De Staat heeft daarbij tevens verwezen naar zijn conclusie van dupliek.

4.10.2 Het Hof constateert dat in het schrijven vermeld onder 4.5 van dit vonnis, de Directeur van Openbare Werken heeft verklaard dat het project gepland was voor 12 maanden, maar door extra werkzaamheden is uitgelopen tot 17 maanden. Dit schrijven is door de Staat niet betwist.

Daarnaast blijkt uit de door de Staat overgelegde aannemingsovereenkomst dat de aannemer uiterlijk 14 dagen na 3 november 2006, dus uiterlijk 17 november 2006, een aanvang diende te hebben gemaakt met de uitvoering van het project.

Uit het proces-verbaal van eerste oplevering blijkt dat de oplevering plaats heeft gevonden op 10 april 2008. De Staat heeft weliswaar aangevoerd dat dit document niet gezien kan worden als een proces-verbaal van eerste oplevering, maar heeft de daarin vervatte informatie niet betwist, noch het document van valsheid beticht. De Staat heeft slechts aangevoerd dat uit dit document niet blijkt welke duur de werkzaamheden hebben gehad.

Het Hof acht dan ook vooralsnog aannemelijk dat de eerste oplevering van het project op 10 april 2008 heeft plaatsgehad, zodat tussen de start en de eerste oplevering van het project een periode van 17 maanden heeft gelegen.

4.10.3 Het Hof constateert dat in de conclusie van dupliek de Staat zich op het standpunt heeft gesteld dat er tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen, doch dat de Staat bereid is de toezichtskosten gedurende 5 maanden te betalen zoals aanvankelijk voor het project is uitgezet. Tevens wordt geconstateerd dat de Staat in de conclusie van dupliek onder punt 5 er zelf melding van maakt dat de termijn van uitvoering van de werkzaamheden is uitgelopen met 300%, alsook dat tijdens de comparitie van partijen van 15 maart 2011 de gemachtigde van de Staat heeft verklaard moeite te hebben met de uitlooptijd van 17 maanden.

Uit het onder 4.5 van dit vonnis vermeld schrijven van de Directeur van Openbare Werken blijkt daarnaast dat de uitloop van het project naar 17 maanden is veroorzaakt doordat het project in het jaar 2001 is gereedgemaakt voor de aanbesteding, terwijl de uitvoering in het jaar 2006 is gestart, zodat als gevolg van de enorme achteruitgang van het complex in de periode tussen 2001 en 2006, diverse meerwerken zijn uitgevoerd.

Op basis van de hierboven weergegeven documenten is naar het voorlopig oordeel van het Hof aannemelijk dat de uitvoering van het project 17 maanden in beslag heeft genomen.

Het Hof concludeert derhalve dat de Kantonrechter terecht aannemelijk heeft geacht dat [geïntimeerde] gedurende een periode van 17 maanden toezicht heeft gehouden op de uitvoering. Ook deze grief faalt.

4.11.1 De Staat heeft verder, weliswaar onvoldoende gemotiveerd, aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat er voor het toezicht een prijs van USD 13.500,= is afgesproken.

4.11.2 Het Hof constateert dat tijdens de comparitie van partijen van 15 maart 2011 de gemachtigde van de Staat tot uitgangspunt heeft gehad dat voor het toezicht een maandelijks bedrag van USD 13.500,= betaald diende te worden, hetgeen het door [geïntimeerde] geoffreerd bedrag is. Verder constateert het Hof dat tijdens de procedure in eerste aanleg de hoogte van de voor het toezicht aan [geïntimeerde] te betalen vergoeding, nimmer door de Staat is betwist.

De Kantonrechter heeft derhalve naar dezerzijds voorlopig oordeel terecht aannemelijk geacht dat de maandelijkse vergoeding voor het houden van toezicht op de uitvoering van het project USD 13.500,= bedroeg. Nu in de procedure in hoger beroep de Staat niet gemotiveerd heeft waarom de aanname van de Kantonrechter dat voor het toezicht op het project het bedrag van USD 13.500,= per maand verschuldigd was, onjuist was en zulks naar ’s Hof voorlopig oordeel niet blijkt uit de processtukken, zal het Hof bij de verdere beoordeling ervan uitgaan dat dit bedrag tussen partijen is afgesproken als maandelijkse vergoeding voor het houden van het toezicht op het project. De ter zake opgeworpen grief faalt dus.

4.12 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, komt het Hof tot het oordeel dat de Kantonrechter in de procedure in eerste aanleg terecht aannemelijk heeft geacht dat er tussen partijen een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten bestond en dat de Staat gehouden is ook voor de verlengde termijn van de werkzaamheden te betalen.

4.13 Het Hof constateert dat de door [geïntimeerde] gestelde schade niet is betwist door de Staat, zodat die, gelijk door de Kantonrechter is overwogen, aannemelijk wordt geacht.

4.14 Het Hof constateert ten slotte dat geen der grieven die de Staat tegen het bestreden vonnis heeft opgeworpen slaagt, en dat heroverweging van rechtsstrijd tussen partijen geen aanleiding geeft tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, zodat dit vonnis door het Hof zal worden bevestigd.

4.15 De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

5.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 7 juli 2011, A.R. No. 100975, waarvan beroep.

5.2 Veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in beide instanties aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 363,=.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid, en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 oktober 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne namens mr. I. Gangabisoensingh, gemachtigde van appellant, en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.S.N. Adhin namens advocaat mr. F.M.S. Ishaak, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-31

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellant],
wonende in het [district 1],
appellant, hierna aangeduid als “[appellant]”,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

N.V. GRASSHOPPER ALUMINUM COMPANY (N.V. GRASSALCO),
rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “Grassalco”,
gemachtigde: mr. B.A. Halfhide, advocaat,

gelet op de door het Hof gewezen tussenvonnissen van 03 juni 2011 en 01 november 2011 inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis in Kort Geding van 20 december 2005 (A.R.no. 02-1269) tussen [appellant] als eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie en Grassalco als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie,

spreekt de fungerend-president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het verdere procesverloop

  1. Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– het tussenvonnis d.d. 03 juni 2011;

– de akte uitlating zijdens [appellant] genomen d.d. 04 november 2011;

– het tussenvonnis d.d. 01 november 2013;

– de akte uitlating zijdens Grassalco genomen d.d. 17 januari 2014;

– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

  1. Het Hof volhardt geheel bij hetgeen in meergenoemde tussenvonnissen is overwogen en beslist.

2.1 [Appellant] heeft zich ingevolge het tussenvonnis d.d. 03 juni 2011 bij akte uitgelaten, erop neerkomende dat hij recht heeft op een eindbeslissing van het Hof over de gegrondheid c.q. rechtmatigheid van de gegeven schorsing, die van belang is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de ontslagvergunning.

2.2 Grassalco heeft zich in reactie op vermelde uitlating van [appellant] ingevolge het tussenvonnis d.d. 01 november 2013 eveneens uitgelaten, erop neerkomende dat [appellant] geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij het door hem gevorderde, omdat de dienstbetrekking met [appellant] inmiddels per 31 december 2002 – na een verkregen ontslagvergunning – regelmatig is beëindigd. De opschorting van het schorsingsbesluit zal immers de dienstbetrekking niet doen herleven, evenmin de functie van [appellant].

2.3 Op grond van vermelde uitlatingen overweegt het Hof om tot de verdere beoordeling van het geschil tussen partijen over te gaan.

2.4 In conventie heeft [appellant] aan zijn vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat de benoeming van de nieuwe raad van commissarissen (RVC) van Grassalco op de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) van 23 januari 2001 niet statutair is geschied, waardoor de door die (nieuwe) RVC genomen besluiten nietig althans vernietigbaar zijn, waaronder het op 15 februari 2002 genomen besluit om [appellant] per dezelfde datum te schorsen.

2.5 Grassalco heeft tegen het door [appellant] gestelde aangevoerd dat op voornoemde AVA het hele geplaatste kapitaal aanwezig was, aangezien de Staat Suriname enige aandeelhouder van Grassalco is. Hierdoor konden de op voornoemde AVA genomen besluiten ingevolge artikel 86 van het Wetboek van Koophandel (WvK), rechtsgeldig worden genomen zonder dat de formele eisen voor het houden van een AVA in acht hoefden te worden genomen. Met name was de termijn van 3 jaren waarvoor de (oude) RVC was benoemd, reeds verstreken en is op basis van artikel 86 WvK de AVA bijeengeroepen. De schorsing van [appellant] als president-direkteur is derhalve rechtsgeldig geschied conform artikel 6 leden 5, 6 en 7 van de Statuten van Grassalco.

2.6 Het Hof stelt voorop dat artikel 86 WvK niet op zichzelf staand is, maar in samenhang met artikel 85 WvK dient te worden bezien:

Artikel 85 WvK

Tenzij bij de akte van oprichting anders is bepaald, geschiedt de oproeping tot een algemene vergadering door een aankondiging in een in Suriname verschijnend nieuwsblad, behoudens het bepaalde bij de tweede zin van het eerste lid van artikel 83.

Artikel 86 WvK

Bij de oproeping worden de te behandelen onderwerpen vermeld of wordt medegedeeld, dat de aandeelhouders er ten kantore van de vennootschap kennis van kunnen nemen.

Omtrent onderwerpen, ten aanzien waarvan zulks niet is geschied en welker behandeling niet alsnog op overeenkomstige wijze is aangekondigd met inachtneming van de voor de oproeping gestelde termijn, mag slechts wettelijk worden besloten indien het besluit met algemene stemmen wordt genomen in een vergadering, waarin het gehele geplaatste kapitaal vertegenwoordigd is.

Op grond van de artikelen 85 en 86 WvK concludeert het Hof dat artikel 86 WvK slechts dan van toepassing is, als de akte oprichting c.q. de statuten niet voorzien in de wijze van oproeping van een AVA.

Artikel 11 statuten

  1. De leden van de raad van commissarissen worden benoemd en ontslagen door de algemene vergadering van aandeelhouders. De benoemingen gelden voor de tijd van drie jaar, in dier voege, dat de betrokken commissaris aftreedt in de derde jaarvergadering na de vergadering, waarin hij is benoemd. Het lid, dat tussentijds is benoemd treedt af op het tijdstip, waarop degene, die hij vervangt, zou zijn afgetreden.

Artikel 16 statuten

  1. De oproeping voor de algemene vergaderingen van aandeelhouders geschieden door of namens de voorzitter van de raad van commissarissen.
  2. Tussen de oproeping en de dag der vergadering moet tenminste een tijdvak van veertien dagen verlopen.
  3. De raad van commissarissen stelt de in de vergadering te behandelen onderwerpen vast. Geen voorstellen komen in behandeling, die niet tenminste vijftien dagen voor de vergadering schriftelijk ter kennis van de raad van commissarissen zijn gebracht.
  4. De punten van behandeling worden vanaf de dag van oproeping der vergadering ten kantore der vennootschap voor de aandeelhouders ter inzage gelegd.

Artikel 17 statuten

  1. De algemene vergaderingen van aandeelhouders worden geleid door de voorzitter van de raad van commissarissen of bij diens afwezigheid door een ander door de raad van commissarissen aan te wijzen lid van deze raad.
  2. Van het ter vergadering verhandelde worden notulen gehouden door de secretaris van de raad van commissarissen. De notulen worden ondertekend door de voorzitter van de vergadering en een door de vergadering aan te wijzen persoon.

Nu de statuten van Grassalco, met name de artikelen 11, 16 en 17 de wijze van opvolging van een RVC, van oproeping ten behoeve van AVA en van het houden van een AVA van Grassalco duidelijk voorschrijven, overweegt het Hof dat er geen reden aanwezig was om af te wijken van de statuten. Immers, was de (oude) RVC voor 23 januari 2001 nog in functie. Het Hof houdt het daarom ervoor dat de AVA van 23 januari 2001 niet conform de statuten is geschied. Het beroep van Grassalco op artikel 86 WvK met betrekking tot de op 23 januari 2001 in afwijking het de statuten gehouden AVA gaat derhalve niet op.

Dat [appellant] op voornoemde AVA gezegd zou hebben ‘blij te zijn met de benoeming van de (nieuwe RVC)’ doet daaraan niet af, evenmin dat het gehele geplaatste kapitaal op de AVA aanwezig was. Grassalco dient te handelen conform haar statuten. Als gevolg hiervan is de op 23 januari 2001 gedane benoeming van de (nieuwe) RVC niet rechtsgeldig, als gevolg waarvan die (nieuwe) RVC dus geen rechtsgeldige besluiten kon nemen en evenmin bevoegd was om [appellant] als president-direkteur te schorsen. Het Hof concludeert derhalve dat het schorsingsbesluit d.d. 15 februari 2002, waarbij [appellant] in zijn functie van president-direkteur van Grassalco is geschorst, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in een bodemprocedure vernietigd zal worden. Het onder A gevorderde in prima kan daarom worden toegewezen. De aard van de vordering brengt met zich mee dat deze niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard.

2.7 Het Hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de Kantonrechter in het Eerste Kanton in het vonnis waarvan beroep, ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn overwegingen met betrekking tot de rechtsgeldigheid van het schorsingsbesluit in de tussenvonnissen d.d. 17 april 2003 en 29 september 2005. De Kantonrechter had in de eindbeslissing tenminste dienen te motiveren waarom hij niet heeft volhardt bij de eerdere overwegingen, indien hij een andere mening was toegedaan. Nu de comparitie van partijen niet bij tussenvonnis doch bij rolbeschikking was gelast, had de Kantonrechter zich ervan moeten vergewissen dat partijen ter terechtzitting aanwezig waren om kennis te nemen van de rolbeschikking, alvorens de consequentie aan de niet-verschijning van [appellant] ter comparitie te verbinden.

De grieven van [appellant] zijn derhalve gegrond en dient het vonnis waarvan beroep vernietigd te worden.

2.8 Met betrekking tot het onder B, C en D gevorderde in prima overweegt het Hof dat [appellant] ingaande 31 december 2002 ontslag is aangezegd op grond van de door de Minister van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu verleende ontslagvergunning op 11 september 2002, op aanvraag van de aandeelhouder –dus niet door de RVC – zoals overwogen in voornoemde vergunning. Nu de ontslagvergunning zelf niet ongedaan gemaakt kan worden – hetgeen wordt bevestigd door [appellant] in zijn uitlating d.d. 04 november 2011, wordt het ervoor gehouden dat [appellant] niet meer zal dienen in de functie van president-direkteur, waardoor hij geen belang meer heeft bij het gevorderde. Nu het gevorderde in prima onder B, C en D inherent is aan de functie van president-direkteur, zal [appellant] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering in prima onder B, C, en D tegen Grassalco.

Ten overvloede overweegt het Hof dat [appellant] bij vermelde uitlating aangegeven heeft belang te hebben bij een rechterlijke beslissing over de gegrondheid c.q. rechtmatigheid van de schorsing. Het Hof begrijpt hieruit dat [appellant] geen belang meer heeft bij de overige vorderingen in prima.

2.9 Grassalco heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd dat [appellant] het dienstvoertuig van het merk Mitsubishi L 200 pick-up, gekentekend [nummer 1], die hij op 15 april 2002 zonder toestemming van Grassalco heeft weggenomen, aan Grassalco afstaat, daar [appellant] als president-direkteur is geschorst en voormelde voertuig, zijnde een dienstvoertuig, voor de dienst behoort te worden ingezet.

2.10 Hoewel het Hof heeft geconcludeerd tot opschorting van het schorsingsbesluit in conventie, brengt het ontslag van [appellant] ingaande 31 december 2002 met zich mee – mede in acht nemende de overweging onder 2.8 in dit vonnis – dat [appellant] niet gerechtigd is tot een dienstvoertuig, waardoor [appellant] het voertuig van het merk Mitsubishi L200 pick-up gekentekend [nummer 1], toebehorende aan Grassalco, onrechtmatig onder zich heeft en dient hij voormelde voertuig wederom af te geven aan Grassalco. Het gevorderde in reconventie zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom per dag zal worden gesteld op SRD 1000,- en gemaximeerd op SRD 100.000,-.

2.11 [Appellant] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep in kort geding:

Het Hof:

In conventie

3.1 Vernietigt het vonnis in kort geding van 20 december 2005 (A.R.no. 02-1269), waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

3.2 Schort op het besluit tot schorsing van [appellant] als president-directeur van Grassalco, vervat in het deurwaardersexploot d.d. 15 februari 2002 van de gerechtsdeurwaarder Debipersad Hieralal, totdat hierover in bodemprocedure onherroepelijk zal zijn beslist.

3.3 Verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het onder B, C en D van het petitum in eerste aanleg gevorderde.

In reconventie

3.4 Veroordeelt [appellant] om binnen 1 x 24 uur na betekening van dit vonnis, het dienstvoertuig van het merk Mitsubishi L200 pick-up, gekentekend 13-83 DV aan Grassalco af te staan ten kantore van Grassalco, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1000,- (eenduizend Surinaamse Dollar) per dag, voor elke dag dat [appellant] nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met dien verstande dat de totaal te verbeuren dwangsommen het bedrag van SRD 30.000,- (Dertigduizend Surinaamse Dollar) niet zal overschrijden.

3.5 Verklaart hetgeen onder 3.4 is beslist, uitvoerbaar bij voorraad.

In conventie en in reconventie

3.6 Wijst af het meer of anders gevorderde.

3.7 Veroordeelt [appellant] in de proceskosten aan de zijde van Grassalco gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger en bij vervroeging door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 juni 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens zijn gemachtigde, advocaat mr. G.R. Sewcharan en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C.A. Bleau namens zijn gemachtigde, advocaat mr. B.A. Halfhide, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.