SRU-HvJ-2015-35

A-719

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. M. Ansaar Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
ge(vol)machtigden: mr. A. Hunte, jurist op het Ministerie van Binnenlandse Zaken,
mr. A.W. van der San, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift ter griffie ingediend op 12 januari 2011, met producties;
  • de beschikking van het Hof van 22 februari 2011 waarbij de termijn binnen welke het verweerschrift moet worden ingediend is verlengd met zes weken;
  • de beschikking van het Hof van 7 april 2011 waarbij de termijn binnen welke het verweerschrift moet worden ingediend wederom is verlengd met zes weken;
  • het verweerschrift ter griffie ingediend op 18 mei 2011, met producties;
  • de beschikking van het Hof van 14 juli 2011 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op
    7 oktober 2011;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal waaruit blijkt dat op 7 oktober 2011 geen der partijen is verschenen en het Hof de mondelinge behandeling heeft bepaald op 16 december 2011;
  • het proces-verbaal van de op 16 december 2011 gehouden mondelinge behandeling;
  • de pleitnota d.d. 6 januari 2012;
  • de antwoordpleitnota d.d. 3 februari 2012;
  • de repliekpleitnota d.d. 16 maart 2012;
  • het voor dupliek mondeling persisteren door de gemachtigde van de Staat op 4 mei 2012.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2.1 [verzoeker] is bij resolutie van de President van de Republiek Suriname van 30 juli 1991, [nummer 1] te rekenen van 1 januari 1990 tijdelijk aangesteld als geestelijke bij de Madjlies Moesliemien Suriname, hierna aangeduid als “MMS”.

2.2 Bij schrijven d.d. 30 oktober 2006 aan de Minister van Binnenlandse Zaken heeft de MMS te kennen gegeven dat [verzoeker] geruime tijd niet meer verbonden is aan genoemde organisatie en reeds de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
In dit schrijven zijn door MMS drie andere personen voorgedragen voor aanstelling als geestelijke.

2.3 Het salaris van [verzoeker] is voor het laatst over de maand mei 2009 aan hem uitbetaald.

2.4 [verzoeker] heeft in een aan de Minister van Binnenlandse Zaken gericht schrijven van 7 december 2009 verklaard:
“Ondergetekende [verzoeker] (…) werkzaam geweest aan uw Ministerie als Geestelijke/Imaam tot mei 2009, richt aan u het vriendelijk verzoek, hem in aanmerking te doen komen voor een ‘onderstaande’ uitkering.

[verzoeker] beheert op eigen initiatief een islamitische school en draagt verder zorg aan kinderen en enkele ouderen. Mede hierdoor en gezien de noodzaak van een Geestelijke/Imaam voor de sociaal religieuze organisaties en de wensen van ondergetekende om zijn geestelijk werk te willen voortzetten, hoopt hij dat u zijn verzoek zult inwilligen.”

2.5 [verzoeker] heeft in een ander aan de Minister van Binnenlandse Zaken gericht schrijven van 7 december 2009 het volgende vervat:
“Ondergetekende [verzoeker] (…) nadert u hiermede vriendelijk, om zijn spaarpremie vrij te kunnen krijgen.

[verzoeker] is tot aan mei 2009 (…) in dienst geweest bij uw Ministerie als Geestelijke/Imaam en heeft tot op heden geen toegang tot zijn opgebouwde spaarpremie.”

2.6 Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname van 9 juni 2009 [nummer 2] is aan [verzoeker] wegens het bereikt hebben van de pensioengerechtigde leeftijd, te rekenen van 1 juni 2006, eervol ontslag uit staatsdienst verleend.

2.7 [verzoeker] heeft bij schrijven van zijn procesgemachtigde van 25 oktober 2010 de Staat aangemaand over te gaan tot aanstelling van [verzoeker] in vaste dienst en tot uitbetaling van het salaris aan [verzoeker].

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken:
Primair:
a. [verzoeker] ontvankelijk te verklaren in zijn vordering;
b. nietig te verklaren, althans te vernietigen de resolutie vermeld onder 2.6 van dit vonnis;
c. de Staat te veroordelen het maandsalaris van [verzoeker] op de gebruikelijke wijze door te betalen vanaf mei 2009 tot aan de dag dat de dienstbetrekking op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;
d. de Staat te veroordelen [verzoeker] binnen drie maanden na de betekening van het te wijzen vonnis te voorzien van een schriftelijke aanstelling in vaste dienst, zulks te rekenen van 1 januari 1993. Voorts hem in de gelegenheid te stellen de tijd in tijdelijke dienst in te kopen en hem te doen opnemen in het bestand van het pensioenfonds;
e. aan het uit te spreken vonnis te verbinden een dwangsom ad SRD 2.500,= per dag voor iedere dag dat de Staat in gebreke mocht blijven te voldoen aan het vonnis dan wel aan een of meer der daarin gegeven beslissingen.

Subsidiair:
a. [verzoeker] ontvankelijk te verklaren in zijn vordering;
b. voor recht te verklaren dat het aan [verzoeker] verleend ontslag ingaat per 1 januari 2011;
c. de Staat te veroordelen het maandsalaris van [verzoeker] op de gebruikelijke wijze door te betalen vanaf mei 2009 tot en met de maand december 2010;
d. de Staat te veroordelen [verzoeker] binnen drie maanden na de betekening van het te wijzen vonnis te voorzien van een schriftelijke aanstelling in vaste dienst, zulks te rekenen van 1 januari 1993. Voorts hem in de gelegenheid te stellen de tijd in tijdelijke dienst in te kopen en hem te rekenen van 1 januari 2011 te doen opnemen in het bestand van het pensioenfonds;
e. aan het uit te spreken vonnis te verbinden een dwangsom ad SRD 2.500,= per dag voor iedere dag dat de Staat in gebreke mocht blijven te voldoen aan het vonnis dan wel aan een of meer der daarin gegeven beslissingen.

3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [verzoeker] aangevoerd dat:
1. zijn salaris zonder opgaaf van reden is stop gezet, terwijl hij zijn werkzaamheden als geestelijke op dezelfde voet als voorheen heeft voortgezet in diverse Islamitische
gemeenten. Na de stopzetting van de uitbetaling van zijn salaris heeft hij tevergeefs diverse pogingen ondernomen (zowel mondeling als schriftelijk) om bij de betreffende instanties van het Ministerie van Binnenlandse Zaken informatie te krijgen omtrent zijn positie. [verzoeker] heeft verder gesteld dat, nu de Staat niet gereageerd heeft op zijn verzoeken, hij er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat hem conform zijn verzoek dispensatie is verleend om zijn werkzaamheden voort te zetten, zodat de Staat gehouden is zijn salaris uit te betalen;

2. hij in strijd met artikel 14 lid 3 jo. artikel 19 lid 2 van de Personeelswet niet voorzien is van een vaste aanstelling, zodat hij geacht moet worden vanaf 1 januari 1993 in vaste dienst te zijn van de Staat;

3. de ontslagresolutie op 17 december 2010 aan hem is uitgereikt, zodat het ontslag met terugwerkende kracht is verleend te rekenen van 1 juni 2006. [verzoeker] heeft gesteld dat artikel 71 lid 2 van de Personeelswet met zich meebrengt dat het ontslag niet eerder dan 1 januari 2011 kan ingaan, zodat de ontslagresolutie nietig is, althans vernietigbaar, althans dat het ontslag aan [verzoeker] dient te worden verleend met inachtneming van art. 71 van de Personeelswet, waarbij de leeftijdsgrens navenant gelijkgesteld moet worden met een zogenaamde dispensatie c.q. stilzwijgende verlenging van het dienstverband tot en met 31 december 2010.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

Bevoegdheid
4 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot ontslag en betreffende het salaris vatbaar voor nietigverklaring. Het Hof is daarbij tevens bevoegd tot oplegging van een dwangsom.
Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de primaire vordering onder a, b, c en e.
Hetgeen primair onder d is gevorderd, is echter niet vervat in artikel 79 van de Personeelswet, in welk artikel de bevoegdheid van het Hof in ambtenarenzaken limitatief is omschreven.
Het Hof zal zich derhalve onbevoegd verklaren hiervan kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
5.1 Het Hof constateert dat [verzoeker] in hoofdzaak opkomt tegen de ontslagresolutie.
[verzoeker] heeft gesteld dat deze resolutie op 17 december 2010 aan hem is uitgereikt, hetgeen zijdens de Staat niet is betwist. Het Hof zal derhalve voor de beoordeling van de ontvankelijkheid uitgaan van deze datum. Nu het verzoekschrift van [verzoeker] op 12 januari 2011 is ingediend, is dit binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn geschied, zodat [verzoeker] ontvankelijk is in zijn vordering tot nietigverklaring van de ontslagresolutie.

5.2 Het Hof constateert verder dat [verzoeker] opkomt tegen de stopzetting van de uitbetaling van zijn salaris. In dit kader overweegt het Hof het volgende. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van dit deel van de vordering kunnen twee feiten als uitgangspunt dienen:
a. de feitelijke stopzetting van de uitbetaling van het salaris in de maand juni 2009;
b. het schrijven van de procesgemachtigde van [verzoeker] d.d. 25 oktober 2010 waarin de Staat is aangemaand het salaris uit te betalen.
De feitelijke stopzetting van de uitbetaling van het salaris is [verzoeker] enkele jaren voor de indiening van het onderhavig verzoekschrift ter kennis gekomen. Indien de datum waarop [verzoeker] kennis heeft genomen van de stopzetting van de uitbetaling van het salaris als uitgangspunt voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van zijn vordering tot betaling wordt genomen, rest geen andere conclusie dan dat hij tardief is daarin.
[verzoeker] heeft echter ook, gelijk bij de feiten onder 2.7 van dit vonnis is vermeld, de Staat bij schrijven van zijn procesgemachtigde van 25 oktober 2010 aangemaand het salaris aan hem uit te betalen, op welk schrijven de Staat niet heeft gereageerd. [verzoeker] heeft gesteld dat het schrijven bij exploot van deurwaarder M. Sitaram d.d. 1 november 2010 no. 1117 aan de Staat is betekend.
Dit heeft naar dezerzijds oordeel tot gevolg dat geconcludeerd moet worden dat [verzoeker], ook indien het schrijven van 25 oktober 2010 als uitgangspunt wordt genomen, niet ontvankelijk is in de vordering tot uitbetaling van het salaris. Ingevolge artikel 78 lid 2 van de Personeelswet is immers ten tijde van de indiening van het verzoekschrift nog geen sprake geweest van een daadwerkelijk genomen dan wel fictief besluit zijdens de Staat, zodat de door [verzoeker] ingestelde vordering tot uitbetaling van het salaris prematuur is.
[verzoeker] zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in het primaire onder c gevorderde.

De beoordeling van het geschil
Nietigverklaring van de ontslagresolutie
6.1 De Staat heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat [verzoeker] op 13 mei 2006 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Het ontslagbesluit heeft volgens de Staat geen terugwerkende kracht gehad, aangezien [verzoeker] weliswaar te rekenen van 1 juni 2006 ontslag is verleend, maar hij tot juni 2009 in het genot van zijn bezoldiging is gelaten en hem nimmer is gevraagd de onverschuldigd gestorte bezoldigingen terug te storten.
De Staat heeft verder aangevoerd dat het besluit tot het verlenen van eervol ontslag uit staatsdienst eerder aan [verzoeker] is meegedeeld. De Staat heeft daarbij verwezen naar het schrijven van [verzoeker] van 7 december 2009 gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken.

6.2 Het Hof stelt voorop dat ingevolge artikel 71 lid 2 van de Personeelswet het ontslag wegens het bereiken van de leeftijdsgrens wordt verleend met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin deze grens is bereikt, met dien verstande dat het ontslag niet kan terugwerken. Hieruit volgt dat het ontslag wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet een ontslag van rechtswege betreft, maar dat de ingangsdatum daarvan afhankelijk is van het moment waarop het ontslagbesluit aan betrokkene is uitgereikt. In de ontslagresolutie, die dateert van 9 juni 2009, is bepaald dat aan [verzoeker] ontslag uit staatsdienst is verleend te rekenen van 1 juni 2006.
Dit brengt naar dezerzijds oordeel met zich mee dat het ontslag met terugwerkende kracht is verleend. Hier doet niet aan af dat [verzoeker] tot en met mei 2009 zijn salaris heeft ontvangen; de Staat verklaart immers zelf dat de betaling van het salaris onverschuldigd is geschied, hetgeen betekent dat ook in de visie van de Staat geen verplichting daartoe bestond. Dit is alleen het geval indien de rechtsrelatie tussen de Staat en [verzoeker], op grond waarvan de Staat gehouden was het salaris uit te betalen, is beëindigd.
De ontslagresolutie zal dan ook wegens strijd met artikel 71 lid 2 jo. artikel 6 van de Personeelswet nietig worden verklaard.

6.3 Het Hof overweegt ten aanzien van het primair sub c gevorderde dat door de nietigverklaring van het ontslagbesluit geen aanspraak zijdens [verzoeker] op salaris ontstaat, aangezien uit de door hem aan de Minister van Binnenlandse Zaken gerichte brieven van 7 december 2009 blijkt dat hij zelf verklaard heeft dat hij tot juni 2009 in dienst is geweest van het ministerie. Naar dezerzijds oordeel is dan ook per juni 2009 sprake van een beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden.

6.4 De onder e gevorderde dwangsom zal niet worden toegewezen, aangezien bij dit vonnis geen veroordeling van de Staat plaatsvindt.

De beslissing

Het Hof:

7.1 verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het primair onder d gevorderde;

7.2 verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het primair onder c gevorderde;

7.3 verklaart de resolutie van de President van de Republiek Suriname van 9 juni 2009 [nummer 2] nietig;

7.4 wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid, en mr. A.C. Johanns, Lid-plaatsvervanger, en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 mei 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat mr. M. Ansaar Guman, gemachtigde van verzoeker, en verweerder vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne namens advocaat mr. A.W. van der San en namens mr. A. Hunte, gevolmachtigden van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

 

SRU-HvJ-2015-34

A-714

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in [district],
eiseres, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Financiën,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. D. Parohi, jurist op het Ministerie van Financiën,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

  • het verzoekschrift ter griffie ontvangen op 11 oktober 2010, met producties;
  • het verweerschrift ter griffie ontvangen op 24 november 2010;
  • het proces-verbaal van de op 18 maart 2011 gehouden mondelinge behandeling;
  • de pleitnota d.d. 15 april 2011;
  • de antwoordpleitnota d.d. 20 mei 2011;
  • derepliek pleitnota d.d.15 juli 2011, met producties;
  • de dupliek pleitnota d.d. 5 augustus 2011;
  • het fourneren van het in ongerede geraakt procesdossier;
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoeker] d.d. 6 juni 2014, met producties;
  • de conclusie tot uitlating zijdens de Staat d.d. 6 juni 2014;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens de Staat d.d. 18 juli 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
2.1 [Verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken:
I. het besluit tot het staken van de maandelijkse loonbetalingen aan [verzoeker] te vernietigen,
althans nietig te verklaren;

II. de Staat te gelasten het maandelijks salaris van [verzoeker] over de maand september 2010 alsnog uit te betalen, en voorts ervoor zorg te dragen dat met ingang van 1 oktober 2010 tot aan de rechtmatige beëindiging van het dienstverband, aan [verzoeker] op uiterlijk de laatste dag van iedere kalendermaand het aan haar toekomend salaris wordt uitbetaald, zulks onder oplegging van een dwangsom van SRD 1.000,= per dag voor het verder achterwege laten van het in sub I te vernietigen of nietig te verklaren besluit, welke dwangsom zal lopen vanaf een tijdstip als door het Hof in goede justitie te bepalen, met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

2.2 [Verzoeker] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat het niet betalen van haar loon vanaf september 2010 onrechtmatig is omdat haar arbeidsovereenkomst met de Staat voortduurt.

2.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

Bevoegdheid
3 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten betreffende salarisvatbaar voor nietigverklaring. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat het Hof bevoegd is kennis te nemen van de vordering van Ramdhan.

Ontvankelijkheid
4 Geconstateerd wordt dat [verzoeker] opkomt tegen het besluit om het aan haar uit te keren maandelijks loon vanaf de maand september 2010 niet uit te betalen. Nu het verzoekschrift op 11 oktober 2010 is ingediend, is [verzoeker] ontvankelijk in haar vordering.

De beoordeling van het geschil
5 Het gaat in de onderhavige zaak om het volgende:

5.1 Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 21 juni 2006,
[nummer 1], is de Directeur der Belastingen gemachtigd om met [verzoeker] de bij die resolutie gevoegde arbeidsovereenkomst aan te gaan.
De Directeur der Belastingen en [verzoeker] hebben daarna een arbeidsovereenkomst ondertekend. De arbeidsovereenkomst hield onder meer in dat [verzoeker] te rekenen van
1 september 2005 in overheidsdienst trad en werd tewerkgesteld als fiscaal jurist bij de Inspectie der Directe Belastingen.

5.2 De Directeur der Belastingen heeft [verzoeker] bij schrijven van 24 juni 2010 [nummer 2] te kennen gegeven dat de dienstbetrekking met haar zal worden beëindigd doordat de arbeidsovereenkomst op 1 september 2010 niet opnieuw zal worden verlengd.

5.3 Aan het eind van de maand september 2010 heeft de Staat geen loon aan [verzoeker] uitbetaald.

5.4 [Verzoeker] heeft hierop gevorderd als onder punt 2.1 van dit vonnis is omschreven. Ter onderbouwing van haar vordering heeft [verzoeker] gesteld dat, gelet op haar functie en rang, de President van de Republiek Suriname het ten aanzien van haar bevoegd gezag is (in de betekenis van artikel 3 lid 5 van de Personeelswet). De Directeur der Belastingen is niet het bevoegd gezag en is evenmin gemachtigd door de President van de Republiek Suriname om de met haar gesloten arbeidsovereenkomst te beëindigen, hetgeen overigens niet mogelijk is nu de wet de mogelijkheid van delegatie van bevoegdheid terzake niet heeft gegeven.
[verzoeker] heeft voorts gesteld dat derhalve de arbeidsovereenkomst nog voortduurt en de Staat gehouden is haar maandelijks loon uit te betalen. Uit het uitblijven van de uitbetaling daarvan blijkt dat een besluit moet zijn genomen tot staking van de maandelijkse loonbetalingen. Dit besluit is, aldus [verzoeker], nietig, althans vernietigbaar wegens strijd met het wettelijk voorschrift voor de werkgever tot betaling van het loon (artikel 28 van de Personeelswet jo. artikel 1614 van het Burgerlijk Wetboek). [Verzoeker] heeft voorts gesteld dat zij steeds bereid is geweest de bedongen arbeid te verrichten.

5.5 De Staat heeft als verweer het volgende aangevoerd:

  • de arbeidsovereenkomst is opgezegd met gebruikmaking van artikel II sub b van de overeenkomst;
  • de Directeur der Belastingen is het bevoegd gezag omdat artikel 3 lid 5 sub b van de Personeelswet bepaalt dat ten aanzien van een arbeidscontractant het bevoegd gezag het gezag is dat laatstelijk met betrokkene een arbeidsovereenkomst heeft gesloten.
  • de overeenkomst is binnen de vastgestelde opzegtermijn schriftelijk opgezegd, zodat de overeenkomst op 1 september 2010 is beëindigd.

5.6 Zijdens [verzoeker] is bij repliek pleitnota gesteld dat de Staat zelf er (niet langer) vanuit gaat dat de met haar gesloten arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2010 is beëindigd, aangezien ze wegens plichtsverzuim is ontslagen bij resolutie van de President van de Republiek Suriname van 5 april 2011, [nummer 3], hierna aangeduid als “de ontslagresolutie”. [verzoeker] heeft, naast een kopie van voormelde resolutie, in dit kader eveneens overgelegd een kopie van de beschikking van de Minister van Financiën van 23 mei 2011, [nummer 4], waarin is bepaald dat het ontslag verleend bij de ontslagresolutie per 1 juli 2011 ingaat.

5.7 De Staat heeft in haar dupliek pleitnota bevestigd dat zij zich thans op het standpunt stelt dat de dienstbetrekking met [verzoeker] ingaande 1 juli 2011 is beëindigd.

5.8 Het Hof overweegt dat nu de Staat erkend heeft dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juli 2011 is beëindigd, dit tussen partijen vast staat.
Het door de Staat genomen besluit om de uitbetaling van het loon aan [verzoeker]per september 2010 te staken is derhalve nietig.
Tussen partijen is niet in geding dat [verzoeker] in de maand september 2010 geen arbeid heeft verricht. Zijdens [verzoeker] is gesteld dat zij bereid is geweest de bedongen arbeid te verrichten.
De Staat heeft dit niet betwist, zodat dit tussen partijen is komen vast te staan.
Dit heeft tot gevolg dat de Staat gehouden is het loon aan [verzoeker] uit te betalen over de maand september 2010 tot aan het rechtsgeldig beëindigen van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst.

5.9 De gevorderde dwangsom komt het Hof bovenmatig voor en zal derhalve gemitigeerd en gemaximaliseerd worden.

De beslissing

Het Hof:
6.1 Verklaart het besluit tot het met ingang van de maand september 2010 staken van de maandelijkse loonbetalingen aan [verzoeker] nietig;

6.2 Gelast de Staat het maandelijks salaris van [verzoeker] over de maand september 2010 uit te betalen en met ingang van de maand oktober 2010 tot aan de rechtsgeldige beëindiging van het dienstverband uiterlijk op de laatste dag van iedere kalendermaand het aan haar toekomend salaris uit te betalen;

6.3 Veroordeelt de Staat tot het betalen van een dwangsom van SRD 500,= (vijfhonderd Surinaamse Dollar) voor iedere dag dat de Staat handelt in strijd met het onder 6.2 van dit vonnis bepaalde, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsom het maximum bedrag van SRD 10.000,= niet zal overschrijden.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en
mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger, en
w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 maart 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C.A. Bleau namens advocaat
mr. M.I. Vos, gemachtigde van verzoekster, en verweerder vertegenwoordigd door mr. D. Parohi, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2015-33

A-704
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. J.F. Echteld, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. P.J. Campagne, jurist op het Ministerie van Justitie en Politie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 22 van de Wet Brandweer Suriname 1993 jo. artikel 47 van het Politiehandvest jo. artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het verzoekschrift d.d. 12 mei 2010, ter griffie ingediend op 11 mei 2010, met producties;
  • de beschikking van het Hof van 16 juli 2010 waarbij de termijn binnen welke het verweerschrift moet worden ingediend, is verlengd met zes weken;
  • het verweerschrift d.d. 2 augustus 2010;
  • de beschikking van het Hof van 26 oktober 2010 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 7 januari 2011;
  • het proces-verbaal van de op 7 januari 2011 gehouden mondelinge behandeling;
  • de conclusie tot overlegging van stukken zijdens de Staat d.d. 1 april 2011;
  • de pleitnota d.d. 6 mei 2011, met producties;
  • de antwoordpleitnota d.d. 15 juli 2011;
  • de repliekpleitnota d.d. 5 augustus 2011;
  • de dupliekpleitnota d.d. 7 oktober 2011, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoeker] d.d. 21 oktober 2011.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2.1 [verzoeker] is als ambtenaar in de rang van Brandwacht 1e klasse in dienst van de Staat.

2.2 [verzoeker] is van 14 augustus 2008 tot en met 15 september 2008 met verlof

geweest, waarbij hij toestemming van de dienst had om dit verlof in het buitenland door te brengen.

2.3 [Verzoeker] heeft op 6 oktober 2008 gebeld met de Rayon Commandant post [plaats 2] en er melding van gedaan dat hij in Nederland is aangehouden wegens een drugsgerelateerde zaak.

2.4 [Verzoeker] heeft zich in oktober 2009 aangemeld voor hervatting van zijn dienst, waarop hem is gezegd thuis te blijven en zich te verweren ter zake plichtsverzuim.

2.5 [Verzoeker] heeft zich bij schrijven van 20 oktober 2009 verweerd. In dit schrijven geeft hij aan dat hij bij aankomst in Nederland is aangehouden voor money laundering. Hij meldt daarin tevens dat hij op 18 september 2009 voorwaardelijk in vrijheid is gesteld en dat hij zich na zijn terugkeer onmiddellijk heeft aangemeld voor hervatting van zijn werkzaamheden. Bij zijn verweerschrijven heeft hij gevoegd een bewijs van voorwaardelijke invrijheidstelling, blijkens welke zijn invrijheidstelling op 18 september 2009 diende plaats te vinden.

2.6 [verzoeker] is bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 15 maart 2010 [nummer] ontslagen wegens plichtsverzuim. In deze beschikking is daartoe onder meer overwogen:

  • “dat volgens het rapport d.d. 02 oktober 2008 afkomstig van de Wacht Commandant van post [plaats 1] (…) betrokkene zijn diensten op 18 september 2008 diende te hervatten, echter heeft hij zulks nagelaten;
  • dat gelezen het rapport d.d. 06 oktober 2008, van de Rayon Commandant post [plaats 2], betrokkene gebeld heeft om mee te delen, dat hij is aangehouden in Nederland in verband met een drugs gerelateerde zaak;
  • dat betrokkene, ingevolge het bepaalde in artikel 63 lid 2 van de Personeelswet, middels een telefonische mededeling van de Commandant Brandweer in de gelegenheid is gesteld zicht te verweren;
  • dat betrokkene op 20 oktober 2009 een verweerschrift, met bijvoeging van een besluit tot voorwaardelijke invrijheidsstelling, heeft ingediend;
  • dat het verweer van betrokkene niet steekhoudend is bevonden;
  • dat blijkens het besluit voorwaardelijke invrijheidstelling d.d. 14 september 2009 afkomstig van de advocaat-generaal mr. E.J. Julsing, betrokkene met ingang van de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling, thans berekend op 18 september 2009 gedurende een proeftijd van 365 dagen heeft te houden aan de bij wet gestelde Algemene Voorwaarde, zijnde het niet plegen van een strafbaar feit;
  • dat dit impliceert dat betrokkene in Nederland werd veroordeeld tot een vrijheidsstraf;
  • dat betrokkene zich, ingevolge artikel 61 van de Personeelswet, zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim;
  • dat het gedragspatroon en de vastgestelde feiten het ingezette integriteitsbeleid van het Korps doorkruisen.”

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken vernietiging van het besluit genomen bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 15 maart 2010, houdende zijn ontslag wegens plichtsverzuim, met betaling van zijn ingehouden salaris vanaf de maand oktober 2008.

3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [verzoeker] aangevoerd dat het door hem gelaakt besluit jegens hem onrechtmatig is omdat:
1. sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel: de Staat had niet mogen volstaan met aan te geven “dat het verweer van betrokkene niet steekhoudend is bevonden”;
2. hij niet buiten functie gesteld of geschorst is; hem is slechts mondeling gezegd thuis
nadere berichten af te wachten, waarna hem zonder verdere plichtplegingen de beschikking van ontslag is uitgereikt;
3. de Staat voor het nemen van het ontslagbesluit slechts heeft gesteund op de informatie door hem verstrekt. De Staat heeft niet de moeite genomen de Commissie van Overleg in Ambtenarenzaken in zo’n zwaarwichtige zaak te betrekken;
4. de Staat de plank heeft misgeslagen met de overweging dat hij zich ingevolge artikel 61 van de Personeelswet heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

3.3 De Staat heeft de vordering weersproken.
Het Hof komt, voor zover van belang, daarop bij de beoordeling terug.

Bevoegdheid
4.1 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring.
In artikel 22 van de Wet Brandweer Suriname 1993 (S.B. 1996, no. 16) is bepaald dat het vierde hoofdstuk van het Politiehandvest (dit zijn de artikelen 32 tot en met 49) met uitzondering van de artikelen 32, 35 lid 2 en 37 leden 3, 4 en 5 van overeenkomstige toepassing is op de ambtenaren van de Brandweer.
In artikel 47 van het Politiehandvest (G.B. 1971, no. 70) is bepaald dat de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uitstrekt tot zaken betreffende ambtenaren van politie.

4.2 De Staat heeft aangevoerd dat [verzoeker] niet ontvankelijk is in zijn vordering die strekt tot vernietiging van het te zijnen aanzien genomen ontslagbesluit, omdat ingevolge artikel 79 van de Personeelswet een besluit slechts vatbaar is voor gehele of gedeeltelijke nietigverklaring. Het Hof begrijpt dat de Staat de rechtsvraag opwerpt of het Hof als ambtenarengerecht bevoegd is kennis te nemen van een vordering tot vernietiging van een besluit.

4.3 Het Hof overweegt ten aanzien hiervan dat bij de vordering tot vernietiging aan het Hof wordt gevraagd een handeling te verrichten waardoor het bestreden besluit van onwaarde wordt, terwijl bij de vordering tot nietigverklaring het Hof slechts dient te constateren dat het besluit van onwaarde is. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat de vordering tot vernietiging als het meerdere ten opzichte van een vordering tot nietigverklaring moet worden gezien. Immers, indien wordt gevraagd een besluit te vernietigen en gebleken is dat dit besluit zelf nietig is, hoeft het Hof niet over te gaan tot het vernietigen daarvan, maar dient het slechts het besluit nietig te verklaren. Aan het verweer van de Staat ter zake wordt daarom voorbijgegaan.
Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot vernietiging van het besluit van de Staat tot beëindiging van het dienstverband met een ambtenaar van de Brandweer, waarvan in het onderhavige geval sprake is.

Ontvankelijkheid
5 Het afschrift van de betreffende beschikking waartegen [verzoeker] opkomt dateert van 15 maart 2010. Volgens verklaring van[verzoeker] is deze beschikking op
13 april 2010 aan hem uitgereikt. De Staat heeft dit niet betwist, zodat hiervan zal worden uitgegaan.
Dit heeft tot gevolg dat [verzoeker], nu zijn verzoekschrift binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend, ontvankelijk is in zijn vordering.

De verdere beoordeling van het geschil
6.1 Het Hof stelt voorop dat de Staat in de Personeelswet en het Politiehandvest ten aanzien van ‘plichtsverzuim’ de ruimte is gelaten om deze term verder in te vullen, zodat naar het oordeel van het Hof in deze sprake is van beoordelingsruimte zijdens de Staat en bij de beoordeling in rechte slechts marginaal getoetst mag worden. Ter beoordeling van het Hof ligt slechts de vraag voor of de Staat in redelijkheid tot de bestreden beslissing had kunnen komen. Wel geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de betreffende ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt.

6.2 In de bestreden beschikking die, naar het oordeel van het Hof, op ongelukkige wijze is gestructureerd, is in de laatste vier overwegingen wel gemotiveerd waarom het verweer van [verzoeker] niet steekhoudend is. Deze overwegingen houden in ’s Hofs visie een onderbouwing in van de daaraan voorafgegane overweging dat het verweer niet steekhoudend is. Overigens constateert het Hof dat [verzoeker] in de gelegenheid is gesteld zich te verweren wegens zijn afwezigheid gedurende de periode 18 september 2008 tot oktober 2009 en dat hij in zijn verweerschrift slechts heeft toegegeven zich aan een strafbaar feit te hebben schuldig gemaakt en dat hij op 18 september 2009 voorwaardelijk in vrijheid is gesteld, hetgeen inhoudelijk niet als een verweer heeft te gelden.

6.3 Blijkens artikel 61 lid 2 onder b van de Personeelswet is sprake van plichtsverzuim indien een landsdienaar in de loop van het dienstverband bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld tot vrijheidsstraf ter zake van een buiten verband met de dienst opzettelijk begaan misdrijf.
De Staat heeft tezamen met de antwoordpleitnota overgelegd de naar aanleiding van een verzoek om rechtshulp van 22 maart 2010 van de Minister van Justitie van Nederland ontvangen documenten waaruit blijkt dat [verzoeker] op 22 augustus 2008 is aangehouden omdat hij in het bezit was van 2.838,9 gram cocaïne. Uit de documenten blijkt eveneens dat
[verzoeker] hiervoor een gevangenisstraf van 15 maanden is opgelegd. [verzoeker] heeft deze door de Staat overgelegde producties niet betwist, zodat deze feiten zijn komen vast te staan.

6.4 Zijdens [verzoeker] is weliswaar aangevoerd dat hij heeft getracht om zijn zaak in een hoger rechtscollege behandeld te krijgen, maar dat hij na zijn invrijheidstelling een one-way ticket richting Suriname heeft gekregen en dat hem niet de gelegenheid is geboden zich hogerop te verdedigen. Dit argument snijdt echter geen hout omdat voor het aantekenen van hoger beroep slechts een vrij korte tijd de gelegenheid wordt geboden. Nu vaststaat dat [verzoeker] in de periode augustus 2008 tot en met september 2009 in Nederland is geweest, heeft hij de gelegenheid gehad om tegen het veroordelend vonnis op te komen. Zijn heenzenden naar Suriname, bijkans een jaar na zijn veroordeling, heeft daar geen invloed op gehad.

6.5 Artikel 61 lid 2 sub b van de Personeelswet bepaalt tevens dat de veroordeling moet strekken tot een opzettelijk begaan misdrijf. Naar de mening van het Hof is in casu daarvan sprake.
Uit de door de Staat bij antwoordpleitnota overgelegde producties blijkt immers dat de cocaïne (3 pakken) werd vervoerd in opgerolde spijkerbroeken. Uit deze wijze van vervoer wordt geconcludeerd dat het strafbaar feit opzettelijk is begaan.

6.6 Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat de Staat op basis van deugdelijke feiten heeft geoordeeld dat [verzoeker] zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Hier doet niet aan af dat hij niet door de Staat buiten functie is gesteld of is geschorst, aangezien geen verplichting daartoe bestaat. Om eenzelfde reden doet hier evenmin aan af dat het Overleg Orgaan in Ambtenarenzaken, de Vakvereniging bij de Brandweer en de Procureur-Generaal niet bij de ontslagprocedure zijn betrokken.
Naar het oordeel van het Hof is de toegepaste tuchtstraf een passende, gezien de aard van het plichtsverzuim en het feit dat ingevolge artikel 22 lid 2 van de Wet Brandweer Suriname 1993 jo. artikel 37 lid 1 van het Politiehandvest binnen het Korps Brandweer Suriname de discipline in militaire trant wordt gehandhaafd.
De vordering van [verzoeker] zal dan ook worden afgewezen.

De beslissing

Het Hof:

Wijst de vordering van [verzoeker] af.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid, en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger, en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 februari 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat
mr. J.F. Echteld, gemachtigde van verzoeker, en verweerder vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde, mr. P.J. Campagne, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2021-104

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoekster],
wonende te [plaats],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 22 juni 2016;

het verweerschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof op 17 oktober 2016;

de beschikking van het Hof van 23 februari 2017 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 april 2017, welk verhoor is uitgesteld naar 19 januari 2018;

de processen-verbaal van het op 19 januari 2018 gehouden verhoor van partijen en de op 03 augustus 2018 en 07 december 2018 gehouden voortzetting daarvan;

de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen, met een productie, zijdens [verzoekster] overgelegd op 21 juni 2019;

de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen en tot uitlating productie, met een productie, zijdens de Staat overgelegd op 19 juli 2019;

de conclusie tot uitlating productie zijdens [verzoekster] overgelegd op 02 augustus 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 15 mei 2020, doch nader op heden.

  1. De feiten

2.1 [Verzoekster], in dienst getreden bij de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken van het Ministerie van Justitie en Politie in de functie van administratief medewerkster, is te rekenen van 02 juli 2014 belast geworden met de waarneming van de functie van onderdirecteur van Justitie, belast met de algehele leiding van voormelde hoofdafdeling.

2.2 De minister heeft bij brief d.d. 26 augustus 2015, SM[nummer 1], onder meer aan [verzoekster] bericht dat zij, [verzoekster], te rekenen van 26 augustus 2015 wordt ontlast van de waarneming van de functie van onderdirecteur van de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken en per dezelfde datum ter beschikking wordt gesteld van de directeur van Justitie en Politie. De minister heeft als reden hiervoor gegeven dat blijkens een door de korpschef van het Korps Politie Suriname uitgebracht tussentijds verslag, er sterke aanwijzingen zijn dat er corruptieve handelingen zijn gepleegd op de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken.

2.3 De procesgemachtigde van [verzoekster] heeft bij brief d.d. 16 juni 2016, zakelijk weergegeven, de minister:

erop geattendeerd dat [verzoekster] langer dan een jaar de functie van onderdirecteur van Justitie, belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken heeft waargenomen en dat zij ingevolge de wet wordt geacht stilzwijgend in deze functie te zijn benoemd;

verzocht om [verzoekster] in de gelegenheid te stellen haar werkzaamheden in voormelde functie te vervullen zonder enige obstructie;

meegedeeld dat indien aan bovenbedoeld verzoek geen gehoor wordt gegeven, er rechtsmaatregelen tegen de Staat zullen worden ondernomen.

2.4 De waarnemend directeur van Justitie en Politie heeft bij brief d.d. 04 oktober 2016, J[nummer 2], de procesgevolmachtigde van de Staat bericht dat de departementsleiding van mening is dat [verzoekster], vanwege haar opleidingsniveau, niet het kwalificatieniveau heeft om benoemd te kunnen worden in de functie van onderdirecteur Vreemdelingenzaken.

2.5 De procureur-generaal heeft bij brief d.d. 26 november 2018, SPG [nummer 3], betreffende het strafrechtelijk onderzoek tegen [verzoekster], de minister, kort gezegd, meegedeeld dat er geen grondslag is voor enige verdenking jegens [verzoekster], zodat de strafzaak tegen haar is geseponeerd.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoekster] vordert dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de Staat zal worden veroordeeld om haar te benoemen c.q. aan te stellen tot onderdirecteur van Justitie en Politie, belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken van het Ministerie van Justitie en Politie, zulks onder toekenning van een bezoldiging en de aan deze functie verbonden toelagen en emolumenten conform het bezoldigingsbesluit van een onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur, één en ander in overleg met de minister van Binnenlandse Zaken en met inachtneming van de ter zake vigerende regels en richtlijnen en wel met ingang van 02 juli 2015;
  2. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

3.2 [verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. [verzoekster], sinds 02 juli 2014 belast geworden met de waarneming van de functie van onderdirecteur van Justitie en Politie, belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken, heeft deze functie langer dan een jaar waargenomen en dient in vaste dienst in deze functie te worden aangesteld c.q. benoemd. Vorenbedoelde aanstelling in vaste dienst is echter uitgebleven. [verzoekster] heeft uit het schrijven van de Staat d.d. 26 augustus 2015 (zie 2.2), waarbij zij werd ontlast van de waarneming van voormelde functie en ter beschikking werd gesteld van de directeur van Justitie en Politie, niet begrepen dat zij corruptieve handelingen heeft gepleegd. Zij heeft haar volledige medewerking verleend aan het onderzoek van de politie. [verzoekster] kan zich niet verenigen met vorenbedoeld schrijven d.d. 26 augustus 2015 en heeft bij schrijven (het Hof begrijpt: van haar procesgemachtigde) d.d. 16 juni 2016 (zie 2.3) de Staat aangegeven haar werkzaamheden in vorenbedoelde functie te willen hervatten. [verzoekster] heeft geen reactie van de Staat ontvangen op laatstgenoemd schrijven en zij is niet in de gelegenheid gesteld om haar werkzaamheden te hervatten.

De Staat heeft door zijn hierboven omschreven handelwijze in strijd gehandeld met de Personeelswet en zich derhalve schuldig gemaakt aan wanprestatie jegens [verzoekster]. Deze wanprestatie is van dusdanige aard dat deze mag worden gekwalificeerd als een onrechtmatige daad. [verzoekster] behoeft de door de Staat gepleegde wanprestatie niet te accepteren.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] landsdienaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. Deze wet is dan ook op haar van toepassing. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 Gezien het voorgaande is het Hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen nietig te verklaren, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het Hof zich onbevoegd te verklaren.

[Verzoekster] vordert in 3.1 onder A, kort gezegd, veroordeling van de Staat om haar te benoemen c.q. aan te stellen in de functie van onderdirecteur van Justitie, belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken, onder toekenning aan haar van de bij deze functie behorende bezoldiging, toelagen en emolumenten. Dit gevorderde betreft geen nietigverklaring van een besluit noch vergoeding van schade, zoals bedoeld in artikel 79 lid 1 sub a en sub b Pw. Het Hof is derhalve slechts bevoegd kennis te nemen van het gevorderde, indien dit kan worden aangemerkt als een vordering tot oplegging van een dwangsom in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald. Het gevorderde kan in de visie van het Hof alleen als een zodanige vordering worden aangemerkt als daaraan een dwangsom is verbonden. Nu dit niet het geval is, is het Hof niet bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde en zal het zich daarom ter zake onbevoegd verklaren.

4.2 De in 3.1 onder B gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, omdat dit niet op de wet is gestoeld.

4.3 Het Hof komt niet toe aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen.

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder A gevorderde.

5.2 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 16 april 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. Ronodikromo namens mr. R. Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoekster noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2021-103

A.C.
A-1017

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, meer in het bijzonder het Ministerie van Onderwijs, Wetenschappen en Cultuur, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd wordende door
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Lala, jurist verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (hierna: Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Vooraf:

In deze zaak is er op 18 december 2020 een tussenvonnis gewezen en uitgesproken.

  1. Het verdere procesverloop
    1. Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
  • de gehouden enquête de dato 28 januari 2021, zijnde daarvan proces-verbaal opgemaakt hetwelk zich onder de processtukken bevindt;
  • voortzetting van de enquête op respectievelijk 04 maart 2021, 15 april 2021 en 23 april 2021, zijnde daarvan door de griffier processen-verbaal opgemaakt welke zich onder de processtukken bevinden;
  • vervolgens is de enquête gesloten verklaard en heeft de gevolmachtigde van de Staat aangegeven geen behoefte te hebben aan contra-enquête;
  • partijen zijn hierna in de gelegenheid gesteld om een conclusie na gehouden enquête te nemen, waarvan [verzoeker] gebruik heeft gemaakt om vonniswijzing te verzoeken terwijl de Staat ondanks peremptoirstelling geen conclusie heeft genomen;
  1. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 18 juni 2021 doch nader op heden.
  1. De verdere beoordeling
    1. Het Hof neemt over en volhardt bij al hetgeen in voormeld tussenvonnis d.d. 18 december 2020 is overwogen en beslist;
    2. Bij voormeld tussenvonnis d.d. 18 december 2020 werd [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen te bewijzen:
  1. dat hij in de periode 2011 tot 12 juni 2017 in contact is getreden met het Ministerie teneinde zijn werkzaamheden op basis van zijn aanstelling te hervatten;
  2. dat de toenmalige Directeur van Onderwijs hem in het jaar 2011 heeft mede gedeeld dat hij op afroep ter beschikking was en dat hij geen presentielijsten hoefde te tekenen;
  3. dat een functionaris van de afdeling Personeelszaken hem in het jaar 2016 heeft mede gedeeld dat de toen gehouden registratie van ambtenaren enkel bedoeld was voor personen die zonder toestemming zijn weggebleven en dat hij niet tot die categorie behoort;
  1. [Verzoeker] heeft in de enquête 5 (vijf) getuigen doen horen die hebben verklaard gelijk in het daarvan door de griffier opgemaakte processen-verbaal staat gerelateerd. Met name zijn als getuigen gehoord de navolgende personen te weten: [naam 1]; [naam 2]; [naam 3]; [naam 4] en [naam 5].
  1. De getuige [naam 1] heeft –voor zover van belang en zakelijk weergegeven– verklaard dat hij vanaf het 4e kwartaal van 2013 tot januari 2014 was aangesteld als directeur van Onderwijs. Daarvoor was hij als Onderdirecteur verbonden aan het Ministerie van Onderwijs. Voorts heeft hij verklaard dat hij zich wel kan heugen dat [verzoeker] zich in het vierde kwartaal van 2013 een keer bij hem had aangemeld om ingezet te worden en dat hij [verzoeker] toen naar de bond (BPMO) had verwezen.
  1. De getuige [naam 2] heeft – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – aangegeven dat hij in de periode 2009 tot 01 februari 2011 directeur van het directoraat Onderwijs van het Ministerie van Onderwijs is geweest en dat hij op 01 februari 2011 zijn ambt moest overdragen aan zijn opvolger [naam 3]. Hij geeft voorts aan dat hij zich kan heugen dat [verzoeker] bij hem was geweest en zijn relaas heeft gedaan. Hij heeft [verzoeker] toen geadviseerd om met de nieuw aantredende directeur van het directoraat in contact te treden aangezien hij zou afzwaaien als directeur. De getuige heeft tevens verklaard dat hij ook beleidsadviseur is geweest tijdens de bewindsperiode van minister Sitaldien en dat [verzoeker] toen in de periode 2012-2013 bij hem was geweest om zijn beklag te doen teneinde zijn werkzaamheden te hervatten en dat hij [verzoeker] toen had geadviseerd om contact op te nemen met de minister. Eveneens heeft de getuige aangegeven dat [verzoeker] hem had voorgehouden dat hij thuis was gezet en dat hij niet wist wat de reden daarvoor was.
  1. De getuige [naam 3] heeft – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – verklaard dat hij op 01 februari 2011 als directeur van het directoraat Onderwijs is aangetreden en dat [verzoeker] ongeveer een week na zijn aantreden zich bij hem kwam aanmelden om zijn werkzaamheden te hervatten. Het gaat volgens de getuige om drie contactmomenten waarbij het in twee gevallen ging om fysieke contactmomenten (ontmoetingen) en één keer ging het om een telefonisch contactmoment. Voor wat betreft onderdeel b van het probandum heeft de getuige verklaard dat hij in de maand februari 2011 mondeling met [verzoeker] heeft afgesproken dat hij op afroep ter beschikking diende te blijven en dat hij geen presentielijst hoefde te tekenen. Hij geeft aan dat hij pas was aangetreden en de bedoeling was dat na een herstructurering van het departement contact zou worden opgenomen met [verzoeker] teneinde hem wederom in te zetten. Evenwel werd de getuige tegen eind april 2011 zelf op non-actief gesteld en formeel uit de functie van directeur ontheven in februari 2012.
  1. De getuige [naam 4] heeft – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – verklaard dat hij in de periode 2011 tot en met 2014 op het Ministerie van Onderwijs werkzaam is geweest als Hoofd van de afdeling van het Bureau Voortgezet Onderwijs (BVO). [Verzoeker] heeft zich in voormeld tijdvak aangemeld teneinde zijn werkzaamheden te hervatten op basis van de aanstelling en de getuige heeft hem te werk gesteld als parttimer op een Middelbare School, het IMEAO (dag- en avondopleiding) als leerkracht. Nadat de getuige [verzoeker] had geplaatst op IMEAO heeft hij geen contact meer met hem gehad. In de regel is het zo dat als er geen wanklanken zijn over het functioneren dan wel zaken betreffende verzuim van een leerkracht, de getuige als hoofd van BVO niet in beeld komt.
  1. In de visie van het Hof heeft [verzoeker] tijdens de behandeling van deze zaak hard kunnen maken dat hij enige tijd terug (kennelijk in het jaar 2007) met behoud van salaris thuis is gezet door de toenmalige leidinggevende(n) van het Ministerie van Onderwijs en dat hij op afroep beschikbaar diende te zijn voor de Staat. Aangezien hij niet werd opgeroepen heeft hij herhaaldelijk zelf initiatieven (hetzij mondeling hetzij schriftelijk) ondernomen om in de gelegenheid gesteld te worden om alsnog aan de slag te gaan. Deze pogingen zijn helaas vruchteloos gebleken. De Staat hulde zich in een langdurig stilzwijgen en toen de Staat na een lange winterslaap ergens in 2017 ontwaakte en bemerkte dat [verzoeker] betaald werd maar niet werkte en geen presentielijsten tekende, werd [verzoeker] alsnog – na zich te hebben verweerd – ontslagen wegens plichtsverzuim bij beschikking van het Ministerie van Binnenlandse Zaken gedateerd 27 mei 2019. Naar het oordeel van het Hof is de grondslag die de Staat heeft gehanteerd voor de ontslagverlening aan [verzoeker] niet valide gebleken. Immers heeft de Staat in de ontslagbeschikking aangegeven dat [verzoeker] sedert februari 2011 zonder kennisgeving van het werk is weggebleven hetgeen ernstig plichtsverzuim oplevert waardoor hij wegens plichtsverzuim uit Staatsdienst dient te worden ontslagen. Behalve de incongruentie tussen ernstig plichtsverzuim en plichtsverzuim komt de opgelegde tuchtstraf aan [verzoeker] het Hof inderdaad disproportioneel voor en is de door [verzoeker] aangevoerde grondslag derhalve in rechte komen vast te staan. Het kan er bij het Hof niet in dat de ene beleidsmaker naar eigen goeddunken mondeling een ambtenaar aanzegt om thuis te blijven zonder enig besluit op schrift te stellen en aangeeft dat de ambtenaar op afroep beschikbaar dient te blijven en een andere beleidsmaker na verloop van tijd aangeeft dat er sprake is van onwettig verzuim (althans zo vat het Hof dat op). Ondertussen schijnt de betrokken ambtenaar in casu de stoep van het Ministerie plat te hebben gelopen teneinde in de gelegenheid gesteld te worden om weer aan de slag te gaan.
  1. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat [verzoeker] is geslaagd in het bijbrengen van het bewijs van de onderdelen a en b van het probandum in rechte. Met betrekking tot onderdeel c van het probandum is [verzoeker] naar het oordeel van het Hof niet geslaagd in het bijbrengen van het bewijs daarvan in rechte. Naar het oordeel van het Hof is de grondslag van het gevorderde op grond van al het voorgaande in rechte komen vast te staan en zal het gevorderde worden toegewezen in voege als na te melden. Hoewel [verzoeker] er niet in is geslaagd om het bewijs van onderdeel c van het probandum in rechte bij te brengen kan dat naar het oordeel van het Hof zonder consequenties blijven aangezien dat een ondergeschikt onderdeel van het probandum vormt en voor de beslechting van dit geschil van minder gewicht is gebleken.
  1. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het Hof, als voor de beslissing niet relevant zijnde, achterwege laten.
  1. De beslissing

Het Hof rechtdoende als Ambtenarengerecht:

  1. Verklaart nietig de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 27 mei 2019 no [nummer 1]
  1. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, fungerend-president, mr. J.M. Jensen, lid en mr. E.P. Rudge LL.M., lid-plaatsvervanger, en

w.g. A. Charan

door mr. D.D. Sewratan bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 16 juli 2021, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. S.C. Berenstein BSc.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. R. Lala, gevolmachtigde van de Staat Suriname, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-27

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellant], ten deze handelende als gevolmachtigde van [naam 1] en [naam 2],
wonende te [plaats 1],
appellant, hierna aangeduid als “[appellant] ”,
procederend in persoon,

tegen

  1. [de Stichting], rechtspersoon,
    gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
    hierna aangeduid als “de Stichting”,
  1. [Geïntimeerde sub B], in privé en in zijn hoedanigheid van voorzitter van het bestuur van [de Stichting],
    wonende te [plaats 1],
    hierna aangeduid als “[geïntimeerde sub B] ”,

geïntimeerden,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 05 januari 2009 (A.R.NO. 04-3706) tussen [appellant] als eiser en de Stichting en [geïntimeerde sub B] als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handeling:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] op 04 februari 2009 hoger beroep heeft ingesteld;
  • op de dagbepalingen voor pleidooi d.d. 19 november 2010, 07 januari 2011, 21 januari 2011, 18 maart 2011 en 20 mei 2011 is geen pleitnota overgelegd;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 05 augustus 2011, doch nader bepaald op heden.
  1. De ontvankelijkheid van het beroep

2.1 Partijen waren op de dag van de uitspraak (05 januari 2009) niet ter terechtzitting aanwezig noch door een gemachtigde vertegenwoordigd. Een afschrift van vermeld vonnis is per griffiersbrief d.d. 15 mei 2009 aan partijen betekend. [Appellant] heeft op 04 februari 2009 appèl aangetekend.

2.2 Nu geïntimeerden geen nadeel ondervinden van het voortijdig door [appellant] ingesteld appèl, zal [appellant] daarin worden ontvangen.

  1. De feiten

3.1 [Naam 1] en [naam 2] zijn respectievelijk de grootmoeder en moeder van appellant [appellant] .

3.2 [Naam 1] en [Naam 2] zijn de enige erfgenamen van de nalatenschap van de op 29 oktober 2000 ab intestato overleden [naam 3]

3.3. [Naam 1] en [naam 2] op respectievelijk 09 februari 2009 en op 27 mei 2004 volmacht verleend aan [appellant] om hen te vertegenwoordigen en hun belangen waar te nemen en te behartigen bij de vereffening van de nalatenschap van de op 29 oktober 2000 overleden [naam 3]

3.4 [Naam 3] heeft bij akte d.d. 20 november 1990 verleden ten overstaan van de notaris, mr. R.G. Rodrigues, van de heer [naam 4] en mevrouw [naam 5] gekocht en geleverd gehad het erfpachtsrecht – vervallende op 07 juli 2035 – op het erf met al hetgeen daarop staat, groot 622,49 m² gelegen te [plaats 1] aan [adres 1], op de kaart van de landmeter J.O.A. Mans, Lcs., d.d. 26 juni 1990 aangeduid met de letters ABCD en bekend [perceelgegevens 1](hierna: het erfpachtsrecht), ingeschreven in register [C-nummer 1] onder [nummer 2] van de akte verkoop/koop.

3.5 [Naam 3] heeft bij akte d.d. 13 maart 1995 verleden ten overstaan van de notaris, mr. Willy Henry Tjon, van de heer [geïntimeerde sub B] geleend het bedrag van Nf 45.000,-, waarbij op het erfpachtsrecht een eerste hypotheek is gevestigd.

3.6 [Naam 3] heeft bij onderhandse akte d.d. 18 oktober 1995, het erfpachtsrecht aan de Stichting verkocht, gelijk deze heeft gekocht het erfpachtsrecht van [naam 3].

3.7 Bij akte verleden ten overstaan van de notaris, mr. D. Alexander, d.d. 21 oktober 1999, heeft de heer [geïntimeerde sub B] handelende in zijn hoedanigheid van voorzitter in het bestuur van de Stichting en in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde van de heer [naam 3], krachtens onderhandse koopovereenkomst met last en volmacht d.d. 18 oktober 1995, het erfpachtsrecht verkocht en overgedragen aan de heer [naam 6].

3.8 Bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 05 januari 2009 in de zaak van [appellant] ca de Stichting en [geïntimeerde sub B] (A.R.no. 04-3706),is [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tegen [geïntimeerde sub B] in zijn hoedanigheid van voorzitter van het bestuur van de stichting en is al het overig gevorderde afgewezen.

  1. De vordering in eerste aanleg

[Appellant] heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

nietig te verklaren de onderhands gesloten voorlopige koopakte met last en volmacht op 18 oktober 1995 tussen wijlen [naam 3] en [de Stichting] en/of [geïntimeerde sub B] q.q.

en in privé, zoals verleden ten overstaan van Notaris Willy Henry Tjon, alsmede de doorhaling te gelasten van akten ingeschreven in de registers van het Hypotheekkantoor van o.m. koop en levering welke krachtens, uit hoofde van de voorlopige koopakte met last en volmacht d.d. 18 oktober 1995 verleden en/of gepasseerd.

  1. De beoordeling

5.1 Het Hof overweegt dat nu er geen grieven zijn aangevoerd en er evenmin een pleitnota is overgelegd, recht zal worden gedaan op stukken.

5.2 [Appellant] heeft aan zijn vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat de voorlopige koopakte akte met last en volmacht d.d. 18 oktober 1995 vals en in strijd is met de waarheid, daar wijlen [naam 3] nimmer is overgegaan tot verkoop van vermeld erfpachtsrecht en de handtekening onderaan de voorlopige koopakte niet van [naam 3] is. Eveneens is de akte van verkoop/koop d.d. 21 oktober 1999 en de inschrijving daarvan in de registers van het Hypotheekkantoor vals, in ieder geval is door [geïntimeerde sub B] onbevoegd gehandeld, daar [naam 3] in die periode (vanaf maart 1998) nog in leven was doch ernstig ziek. [Geïntimeerde sub B] die bekend was met de ernstige ziekte van [naam 3] heeft misbruik gemaakt van deze situatie, waardoor beide genoemde akten nietig zijn dan wel vernietigbaar. Volgens [appellant] had [naam 3] wel geld geleend bij [geïntimeerde sub B] , maar was dit reeds terugbetaald waardoor [naam 3] niets verschuldigd was aan [geïntimeerde sub B] en/of de Stichting.

5.3 De Stichting en [geïntimeerde sub B] betwisten al hetgeen door [appellant] is gesteld en voeren aan dat [naam 3] de lening nimmer heeft terugbetaald en het erfpachtsrecht integendeel met een hypotheek heeft belast. Ter adstructie wordt een akte van geldlening d.d. 24 augustus 1995 overgelegd. Voorts wordt aangevoerd dat de handtekening van [naam 3] door de notaris Willy Henry Tjon is gelegaliseerd waarmee de echtheid daarvan vaststaat. Van misbruik van de situatie is geen sprake omdat [naam 3] ten tijde van de totstandkoming van de wederkerige overeenkomsten compos mentis was en tussen partijen wilsovereenstemming was bereikt. Tot slot dient [appellant] niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering tegen [geïntimeerde sub B] in privé en in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Stichting, omdat [geïntimeerde sub B] niet in privé heeft gehandeld met [appellant] en omdat de rechtshandelingen van de voorzitter van de Stichting aan de Stichting worden toegerekend.

5.4 Het Hof overweegt eerstens dat [appellant] in zijn vordering tegen [geïntimeerde sub B] in zijn hoedanigheid van voorzitter van het bestuur van de Stichting, niet-ontvankelijk zal worden verklaard, nu de rechtsgeldige handelingen van de voorzitter van het bestuur aan de Stichting als rechtspersoon worden toegerekend en de Stichting reeds onder sub A in rechte wordt aangesproken. Voorts wordt overwogen dat [appellant] geen belang heeft bij een vordering tegen [geïntimeerde sub B] in privé, nu beide akten die [appellant] in de vordering noemt, rechtshandelingen van de Stichting betreffen. Concluderend dat [appellant] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering tegen [geïntimeerde sub B] .

5.5 Met betrekking tot de niet-erkenning van de handtekening van [naam 3] onder de voorlopige koop/verkoop overeenkomst met last en volmacht d.d. 18 oktober 1995 door zijn rechtsverkrijgers, overweegt het Hof dat het in deze betreft een onderhandse koop/verkoop overeenkomst tussen [appellant] als verkoper en de Stichting als koper, waarvan de handtekeningen van zowel [naam 3] als [geïntimeerde sub B] , in zijn hoedanigheid van voorzitter van het bestuur van de Stichting, door de notaris, mr. Willy Henry Tjon, zijn gelegaliseerd. Voorts is bedoelde verkoop/koop van het erfpachtsrecht bevestigd ter comparitie van partijen d.d. 08 mei 2008 door notaris E. Emanuels, die zulks begrepen heeft van een medewerker van notaris Willy Tjon. Met name heeft voornoemde notaris ter comparitie verklaard dat zij van een medewerker van het kantoor van notaris Tjon heeft begrepen dat er na 24 augustus 1995 een onderhandse koop is gesloten tussen [naam 3] en de heer [geïntimeerde sub B] met betrekking tot hetzelfde onroerend goed. Notaris Emanuels heeft ter comparitie eveneens overgelegd vijf hypotheekakten waaruit mag blijken dat [naam 3] in de periode maart 1995 – augustus 1995 vijf leenovereenkomsten met hypotheekstelling heeft gesloten met [geïntimeerde sub B] in privé. Daarnevens is de ‘akte’ d.d. 18 oktober 1995 in originali aan [appellant] getoond door de notaris, mr. D. Alexander, ter comparitie van partijen gehouden op 22 juni 2008. [Appellant] heeft ter adstructie van de niet-erkenning van de handtekening slechts het registratiebewijs d.d. 18 oktober 1991 ten name van [naam 3] met zijn handtekening daarop, overgelegd, welke handtekening overigens naar het oordeel van het Hof geen twijfel doet ontstaan omtrent de echtheid daarvan. Daarnevens heeft [appellant] geen feiten en of omstandigheden aangevoerd die het Hof zouden nopen tot een echtheidsonderzoek.Het Hof concludeert derhalve op grond van het vorenoverwogene dat de voorlopige koop/verkoop akte met last en volmacht d.d. 18 oktober 1995 rechtsgeldig is en zal daarvan uitgegaan.

5.6 Nu geconcludeerd is dat de voorlopige koop/verkoop akte met last en volmacht d.d. 18 oktober 1995 rechtsgeldig is, is daarmee de verkoop/koop van het erfpachtsrecht door [naam 3] aan de Stichting rechtsgeldig en heeft de Stichting, gebruikmakend van bedoelde last en volmacht, bevoegdelijk namens [naam 3] het erfpachtsrecht bij akte d.d. 21 oktober 1999 verkocht en geleverd aan een ander. Voormelde verkoop door de Stichting is dan ook rechtsgeldig.

5.7 Met betrekking tot de gestelde misbruik van omstandigheden, overweegt het Hof dat de door [naam 3] gepleegde rechtshandelingen betreffen de periode 1990 – 1995, terwijl blijkens de overgelegde controlekaarten [naam 3] in ieder geval vanaf maart 1998 in behandeling was van een arts. Voorts is niet gesteld of gebleken dat [naam 3] ten tijde van het plegen van de rechtshandelingen niet in staat is geweest om zijn wil te bepalen vanwege ziekte, zodat hieraan voorbij zal worden gegaan.

5.8 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen concludeert het Hof dat de vordering van [appellant] ongegrond. Het vonnis waarvan beroep dient echter te worden vernietigd op grond van het vorenoverwogene in 5.4.

5.9 [Appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Stichting en [geïntimeerde sub B] gevallen, zoals nader begroot in de beslissing.

  1. De beslissing in Hoger Beroep

Het Hof:

6.1 Vernietigt het vonnis d.d. 05 januari 2009 (A.R.NO. 04-3706) waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

6.2 Verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn vordering tegen [geïntimeerde sub B] in privé en in zijn hoedanigheid van voorzitter van het bestuur van de Stichting.

6.3 Wijst al het overig gevorderde af.

6.4 Veroordeelt [appellant] in de proceskosten aan de zijde van de Stichting en [geïntimeerde sub B] gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door : mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 02 mei 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat mr. S. Marica, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerden noch in person noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2014-26

G.R. 14790

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

CARITRUST N.V.,
rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellant, hierna aangeduid als “Caritrust”,
gemachtigde: mr. B.G. Beckles, advocaat.

tegen

Financial Services D.M. IV Inc.,
rechtspersoon naar het recht van de Staat Delaware in de Verenigde Staten van Amerika, medegevestigd en kantoorhoudende op het eilandgebied Curaçao,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “FSDM”,
gemachtigde: mr. R.L. Kensmil, advocaat,

inzake het op grond van de Handelsregisterwet ingesteld beroep tegen de door de Handelsregistercommissie van de Kamer van Koophandel en Fabrieken (hierna KKF) genomen beslissing van 27 november 2012 ter zake van de inschrijving van de adreswijziging van Caritrust in het handelsregister,

geeft de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking.

  1. Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • verzoekschrift d.d. 24 december 2012, met bijgevoegde bijlagen, ingediend op 24 december 2012 ter griffie van het Hof van Justitie;
  • proces-verbaal van de op 31 januari 2013 gehouden zitting in Raadkamer;
  • antwoord pleitnota d.d. 31 januari 2013 met bijlagen;
  • repliek pleitnota d.d. 7 februari 2013 met een bijlage;
  • dupliek pleitnota d.d. 14 februari 2013;
  1. De casus
  1. Het gaat in deze zaak om het volgende. Bij schrijven d.d. 28 november 2012 afkomstig van de secretaris van de KKF en gericht aan N.V. Caritrust op het adres aan de Kleine Saramaccastraat 37, Paramaribo, is Caritrust in kennis gesteld van het besluit van de Handelsregistercommissie d.d. 27 november 2012 betrekking hebbende op het inschrijvingsadres van Caritrust.

Het voornoemd besluit luidt alsvolgt:

Besluit

Handelsregister Commissie

Gelezen het verzoekschrift van Financial Services D.M. IV Incorporation de dato 12 september 2012, betreffende de doorhaling te gelasten van de onjuiste inschrijving welke door Caritrust N.V. in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel & Fabrieken is gedaan na de datum van 21 mei 2012.

Gehoord de vertegenwoordiger van de secretaris van de Kamer van Koophandel & Fabrieken;

Gelet op de behandeling van bovengenoemde zaak.

Overwegende dat door de Kamer van Koophandel & Fabrieken ter plaatse een onderzoek heeft plaatsgevonden naar de verrichtingen van Caritrust N.V.

Overwegende dat is komen vast te staan dat Caritrust N.V. haar activiteiten vanuit de Johan A. Pengelstraat coördineert.

Overwegende dat bij opname van de buitendienst van de Kamer van Koophandel & Fabrieken op het eerder door Caritrust N.V. opgegeven adres aan de klerk van Kamer van Koophandel & Fabrieken is medegedeeld dat het juiste adres was Kleine Saramaccastraat no.37. Evenwel is op laatstgenoemd adres geen naambord aangetroffen van Caritrust N.V. noch enige activiteit van Caritrust N.V.

Overwegende dat wij de inschrijving van Caritrust N.V. wijzigen m.d.v. dat het adres luidt: Johan A. Pengelstraat no.192 te Paramaribo.

Besluiten:

De inschrijving in het Handelsregister te wijzigen als vorenvermeld.

Aldus gedaan te Paramaribo, op 27 november 2012.

De Handelsregister Commissie

Voorzien van een handtekening (opmerking van het Hof van Justitie)

Mr. R. Vos

Niet voorzien van een handtekening (opmerking van het Hof van Justitie)

Mr. R. Soerdjbalie

C.E. Hoft, Lcs. Voorzien van een handtekening (opmerking van het Hof van Justitie)”

  1. Caritrust komt hiertegen op stellende dat het besluit onrechtmatig en zowel feitelijk als juridisch niet althans niet behoorlijk gemotiveerd is.
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

Caritrust verzoekt het Hof om:

  1. het besluit van de Handelsregistercommissie te vernietigen dan wel nietig te verklaren en opnieuw beslissende FSDM niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans haar die te ontzeggen.

Caritrust stelt daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende:

  1. Zij wenst op grond van de leden 5 en 7 van de Handelsregisterwet (G.B. 1936 no. 149) in beroep te gaan tegen het besluit van de Handelsregistercommissie. Zij had aanvankelijk haar adres aan de Johan A. Pengelstraat no. 192 te Paramaribo en was dit adres ook geregistreerd in het handelsregister. Omdat zij genoodzaakt was haar bedrijfsactiviteiten omstreeks ultimo juni 2012 te staken heeft ze de huurovereenkomst die haar recht gaf op huurgenot op dat adres, beëindigd. Zij is vervolgens verhuisd naar een tijdelijk adres aan de Hofstraat no. 91 en nader aan de Kleine Saramaccastraat no. 37 welke adreswijzigingen aan de KKF zijn doorgegeven.
  1. Bij schrijven van de secretaris van de KKF d.d. 28 november 2012 welke aan Caritrust is toegezonden op het geregistreerd adres Kleine Saramaccastraat no. 37, is Caritrust in kennis gesteld van het besluit van de Handelsregistercommissie d.d. 27 november 2012, waarin het besluit werd genomen de inschrijving van de adreswijziging van Caritrust in het handelsregister ongedaan te maken met dien verstande dat het adres luidt: Johan A. Pengelstraat no. 192 te Paramaribo.
  1. Echter de secretaris van de KKF heeft niet overeenkomstig het artikel 20 lid 1 van de Handelsregisterwet een oordeel gegeven over de inschrijving van het nieuw adres van Caritrust althans de secretaris van de KKF heeft geen verzoek aan de Handelsregistercommissie doen uitgaan met betrekking tot de inschrijving van de wijziging van het adres van Caritrust hetgeen dwingend is voorgeschreven.
  1. Het besluit is onrechtmatig en niet op de wet gegrond aangezien het besluit blijkens de ondertekening daarvan is genomen door slechts twee van de drie leden van de Handelsregistercommissie.
  1. Caritrust is nimmer door de Handelsregistercommissie gehoord alvorens het besluit is genomen en is zij daartoe ook niet opgeroepen.
  1. Volgens de overweging in het besluit heeft de KKF en niet de Handelsregistercommissie een onderzoek ingesteld naar de verrichtingen van Caritrust en blijkt zelfs dat een klerk van de KKF het onderzoek heeft gedaan.
  1. Het besluit rept over het coördineren van haar activiteiten door Caritrust vanuit de Johan A. Pengelstraat terwijl de Handelsregisterwet rept over een onderneming die een bedrijf uitoefent en niet over “het coördineren van activiteiten.”

FSDM verweert zich als volgt:

  1. Zij heeft op 12 september 2012 als belanghebbende in de zin van artikel 20 lid 2 van de Handelsregisterwet een verzoekschrift gericht aan de Handelsregistercommissie voor wijziging van het vestigingsadres van Caritrust. Dit omdat Caritrust valselijk haar adres van vestiging medio juni 2012 heeft doen wijzigen in een adres aan de Hofstraat no. 91 terwijl de onderneming welke Caritrust als geldovermakingsbedrijf vanaf 1994 uitoefent aan de Johan A. Pengelstraat no. 192, op voornoemd adres wordt gecontinueerd.
  1. Het belang van FSDM ligt in de opheffing van de blokkade welke Caritrust onrechtmatig had opgeworpen door de valselijk door haar ingeschreven wijziging van haar adres in het handelsregister om de executie tegen Caritrust te beletten van een onder andere tegen haar gewezen vonnis met veroordeling van Caritrust om aan FSDM te betalen een bedrag van US $ 904.875,-.
  1. Haar meest verstrekkend verweer is dat Caritrust geen belang heeft bij haar vordering.
  1. Tevens is de wijziging van haar adres in het Handelsregister strijdig met artikel 25 lid 1 sub d van de Wet Toezicht Geldtransactiekantoren van 29 oktober 2012 (SB 2012 no. 170). Voormeld artikel verbiedt geldtransactiekantoren om hun vestigingsplaats c.q. hun adres van vestiging te veranderen anders dan na verkregen schriftelijke toestemming van de Centrale Bank van Suriname. Tevens heeft Caritrust, de Centrale Bank van Suriname ingevolge artikel 10 sub d van voornoemde wet, niet van de beëindiging van haar werkzaamheden als geldovermakingsbedrijf in kennis gesteld. Derhalve is zij ingevolge die wet rechtens nog steeds als geldovermakingsbedrijf gevestigd aan de Johan A. Pengelstraat no. 192 te Paramaribo.
  1. Op verdere stellingen van Caritrust en weren van FSDM komt het Hof hierna, voor zover nodig terug.
  1. De beoordeling van de vordering
  1. Het Hof dient allereerst na te gaan of het beroep tijdig is ingesteld door Caritrust. Volgens het artikel 20 lid 5 van de Handelsregisterwet kan binnen 30 dagen na de dag van de beslissing van de Handelsregistercommissie betreffende een inschrijving in het handelsregister, door degene die daarbij geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie, dat in raadkamer beslist. Het besluit is op 27 november 2012 genomen en bij schrijven van 28 november 2012 aan Caritrust toegezonden. Het verzoekschrift van Caritrust is vervolgens op 24 december 2012 ter griffie van het Hof van Justitie ingekomen.

Het Hof overweegt dat Caritrust derhalve haar beroep binnen de wettelijke beroepstermijn van 30 dagen heeft ingesteld en wordt zij in haar beroep ontvankelijk verklaard.

  1. Als haar meest verstrekkend verweer heeft FSDM aangevoerd dat Caritrust geen belang heeft bij haar vordering. Het Hof overweegt ter zake het volgende.

De belangen van Caritrust en FSDM staan haaks tegenover elkaar zodat een gebrek van een belang van Caritrust bij beroep bij het Hof van Justitie tegen het besluit van de Handelsregistercommissie genomen op een verzoekschrift van de FSDM zou impliceren dat ook de FSDM toen geen belang zou hebben gehad bij haar verzoekschrift gericht aan de Handelsregistercommissie teneinde het gewraakte besluit uit te lokken. Nu uit het besluit van de Handelsregistercommissie impliciet kan worden afgeleid, dat geoordeeld is dat FSDM belang had bij haar verzoekschrift teneinde te doen bewerkstelligen dat t.b.v. FSDM vast komt te staan op welk adres Caritrust in het Handelsregister ingeschreven staat teneinde haar bedrijf uit te oefenen, wordt voor Caritrust eveneens een gerechtvaardigd belang aanwezig geacht dat zij is ingeschreven in het Handelsregister op het adres waar zulks plaatsvindt, zoals zij stelt voor de afhandeling van zaken. Zij heeft er alle belang bij niet te zijn ingeschreven op het adres waarvan zij stelt, geen bedrijfsactiviteiten te ontplooien. Zij wordt geacht er belang bij te hebben om een door de Handelsregistercommissie ter zake genomen besluit ter beoordeling aan het Hof van Justitie voor te leggen hetgeen in dezen is geschied. Het verweer van FSDM dat Caritrust geen belang heeft bij haar vordering wordt derhalve verworpen.

  1. Partijen twisten verder over de vraag of de Handelsregistercommissie op eigen gezag een verzoek tot doorhaling, aanvulling of wijziging van het in het handelsregister ingeschrevene kan beoordelen dan wel of de Handelsregistercommissie pas tot beoordeling kan overgaan nadat de secretaris van de KKF over het ingeschrevene een oordeel heeft gegeven.

4.3.2 Het Hof overweegt naar aanleiding van het voorgaande het volgende.

Artikel 20 van de Handelsregisterwet luidt alsvolgt:

Lid 1

Indien de Secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Paramaribo oordeelt, dat een opgaaf voor inschrijving ten onrechte is gedaan of onvolledig of onjuist is, of in strijd met de openbare orde of goede zeden, wendt hij zich bij verzoekschrift – waarvan hij bij aangetekende brief afschrift doet toekomen aan hem die de opgaaf heeft gedaan – tot de Handelsregistercommissie met het verzoek al naar de omstandigheden doorhaling, aanvulling of wijziging van het ingeschrevene te gelasten. Insgelijk doet de Secretaris in voorkomende gevallen aan de Handelsregistercommissie het verzoek om het plaatsen van een aantekening bij de gegevens van een zaak in het handelsregister te gelasten dat in de betreffende zaak niet daadwerkelijk of in strijd met wettelijke voorschriften een bedrijf wordt uitgeoefend.

Lid 2

Iedere belanghebbende die oordeelt dat een inschrijving ten onrechte is gedaan of dat hetgeen in het handelsregister is ingeschreven of aangetekend, onvolledig of onjuist is of in strijd met de openbare orde of goede zeden kan, indien de Kamer weigert of nalaat tot doorhaling, aanvulling of wijziging over te gaan, zich bij verzoekschrift tot de Handelsregistercommissie wenden met het verzoek al naar de omstandigheden doorhaling, aanvulling of wijziging van het ingeschrevene te gelasten.

Lid 3

De Handelsregistercommissie willigt het in lid 1 en 2 bedoelde verzoek niet in dan na verhoor of behoorlijke oproeping van degenen aan wie de zaak toebehoort en zo mogelijk van degene die de opgaaf heeft gedaan.

Lid 4

Van haar beslissing geeft de Handelsregistercommissie onmiddellijk bij aangetekend schrijven kennis aan de Secretaris der Kamer, aan degene die het verzoek heeft gedaan en aan degene die de opgave heeft gedaan.

Lid 5

Binnen 30 dagen na de dag der beslissing van de Handelsregistercommissie kan daartegen door hem, die daarbij geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie, dat in raadkamer beslist.

Het daartoe strekkend verzoekschrift wordt aan de belanghebbende wederpartij betekend.

Het derde en vierde lid vinden overeenkomstige toepassing.

Lid 6

De Handelsregistercommissie kan de voorlopige tenuitvoerlegging van haar beslissing gelasten.

Lid 7

Indien bij beslissing van de Handelsregistercommissie of, in beroep, van het Hof van Justitie hetgeen in het handelsregister is ingeschreven, geheel of gedeeltelijk onrechtmatig is verklaard, wordt door de Secretaris daarvan aantekening in het handelsregister gedaan.”

4.3.3 Uit de tekst en de strekking van het bepaalde in artikel 20 lid 1 juncto artikel 20 lid 2 van de Handelsregisterwet en met name de zinsnede in lid 2 van artikel 20 van voornoemde wet luidende “indien de Kamer weigert of nalaat tot doorhaling, aanvulling of wijziging over te gaan” valt af te leiden dat in dezen sprake is van een dwingend voorgeschreven procedure waarbij de beoordeling van de Handelsregistercommissie vooraf dient te zijn gegaan door de beoordeling van de Kamer. Het is derhalve niet aan de belanghebbende gelegen om de Kamer over te slaan en zich rechtstreeks tot de Handelsregistercommissie te wenden daar dit tot gevolg zou hebben dat partijen één beoordelingsinstantie ontnomen zou worden. Nu FSDM zich rechtstreeks heeft gewend tot de Handelsregistercommissie en daarbij de KKF heeft overgeslagen had zij, FSDM, door de Handelsregistercommissie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Nu dat niet is geschied wordt reeds op grond hiervan het gewraakte besluit van de Handelsregistercommissie nietig verklaard met als gevolg dat Caritrust nog steeds geacht wordt te zijn ingeschreven aan de Kleine Saramaccastraat no. 37 te Paramaribo.

  1. Caritrust heeft mede gevorderd: “en opnieuw beslissende FSDM niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans haar die te ontzeggen.” FSDM heeft geen vordering bij het Hof ingesteld met als gevolg dat geen niet-ontvankelijkheid daarvan kan worden uitgesproken.

4.3.5. Het Hof overweegt ten overvloede dat zelfs al zou zijn beslist dat de Handelsregistercommissie gerechtigd was in eerste instantie van het verzoek kennis te nemen, haar besluitvorming niet andersluidend zou zijn. Dit omdat niet is gebleken dat de Handelsregistercommissie het in artikel 20 lid 3 van de Handelsregisterwet dwingend voorgeschrevene in acht heeft genomen. Met name is niet gebleken – ondermeer uit haar besluit d.d. 27 november 2012 – dat Caritrust is gehoord dan wel daartoe behoorlijk is opgeroepen.

4.3.6 Het Hof zal, gegeven het bovenoverwogene niet nodig achtend verder in te gaan op de overige stellingen en weren van partijen, als na te melden beslissen.

  1. Het Hof beschikkende in beroep:

5.1 Verklaart Caritrust ontvankelijk in het door haar ingestelde beroep.

5.2 Verklaart nietig het besluit van de Handelsregistercommissie d.d. 27 november 2012 genomen op het verzoekschrift van Financial Services D.M. IV Incorporation de dato 12 september 2012, betreffende de doorhaling te gelasten van de onjuiste inschrijving welke door Caritrust N.V. in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel & Fabrieken is gedaan na de datum van 21 mei 2012.

5.3 Wijst het meer of anders door Caritrust gevorderde af.

Aldus gegeven op Vrijdag 24 januari 2014 in Raadkamer van het Hof van Justitie te Paramaribo door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. R.M. Praag, Lid-Plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier mr. S.C. Berenstein.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

w.g. S.M.M. Chu

w.g. R.M. Praag

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-25

GR- 14698

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

  1. [Verzoekster sub A], weduwe van [naam 1],
  2. [Verzoeker sub B],
  3. [Verzoekster sub C],
  4. [Verzoekster sub D],
  5. [Verzoekster sub E],
  6. [Verzoekster sub F], en
  7. [Verzoeker sub G],

allen wonende te [district 1], te [adres 1],
verzoekers,
gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

tegen

[Verweerder],
wonende te [plaats] aan [adres 2],
verweerder,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po Jr., advocaat,

inzake het gedaan verzoek zijdens verzoekers strekkende tot verval van instantie in de hoger beroepszaak van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 06 februari 1996 (A.R.NO. 941335) tussen de rechtsvoorganger van verzoekers, [naam 1], als eiser en verweerder als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • Het zijdens verzoekers ingediend verzoekschrift met bijlagen de dato 07 maart 2012;
  • De pleitnota zijdens verzoekers de dato 06 juli 2012;
  • Het schriftelijke antwoordpleidooi zijdens verweerder de dato 05 oktober 2012;
  • Het schriftelijke repliekpleidooi zijdens verzoekers de dato 07 december 2012;
  • Het schriftelijke dupliekpleidooi, onder overlegging van een productie, zijdens verweerder de dato 05 april 2013;
  • De schriftelijke pleitnota tot uitlating productie zijdens verzoeker de dato 19 april 2013;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 02 augustus 2013 doch nader op heden;

De beoordeling

  1. Het gaat in dit geding om het volgende.
    1. In 1994 had de rechtsvoorganger van verzoekers in het Eerste Kanton een vordering in bodemgeschil aanhangig gemaakt tegen verweerder. Bij vonnis van 06 februari 1996, A.R. no. 941335 heeft de kantonrechter in het Eerste Kanton o.a. nietig verklaard de overeenkomst, welke tussen partijen in 1986 is gesloten met betrekking tot het ter beschikking stellen van pensioengelden van [NAAM 1] middels verweerder; voorts is verweerder veroordeeld aan [NAAM 1] te betalen het bedrag van Nf 118.500,00 of de tegenwaarde daarvan in Surinaams courant, berekend naar de dagkoers van de Centrale Bank van Suriname te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 maart 1994 tot aan de dag der algehele voldoening, onder verrekening van het door verweerder aan verzoekers in Suriname uitgekeerde bedrag groot omstreeks (het hof leest: ongeveer) Sf. 127.000,00;
    2. Bij schrijven d.d. 20 februari 1996 is verweerder tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen; door de schorsende werking ervan kan niet tot executie van bedoeld vonnis worden overgegaan;
    3. Op 15 juni 2001 stond de zaak op de rol van het Hof voor dagbepaling pleidooi. Echter is de zaak afgevoerd vanwege het feit dat verweerder verzuimd had verzoekers op te roepen om op de dienende dag te verschijnen ter terechtzitting van het Hof;
    4. Sedertdien zijn in het voormelde rechtsgeding in hoger beroep meer dan drie jaren verlopen zonder dat de zaak is voortgezet;
    5. Ingevolge de artikelen 208 t/m 213 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna WvBRv te noemen) hebben verzoekers het recht om te vorderen de vervallenverklaring van de instantie in hoger beroep, opdat het vonnis waarvan verweerder in beroep is gekomen, kracht van gewijsde verkrijgt;
    6. Verzoekers vorderen in dit geding dat het hof bij vonnis de instantie in hoger beroep vervallen zal verklaren, opdat het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 06 februari 1996, A.R. no. 941335, waarvan verweerder in beroep is gekomen, kracht van gewijsde verkrijgt;
  2. Verweerder heeft verweer gevoerd en –zakelijk weergegeven- aangevoerd dat het verzoek tot verval van instantie niet buiten de appèlprocedure om kan worden ontvangen en niet als een geheel nieuw verzoek als in onderhavig geval. Derhalve concludeert verweerder tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekers. Voorts heeft verweerder aangevoerd dat ingevolge het bepaalde in artikel 277a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna WvBRv te noemen)de President van het Hof van Justitie partijen doet oproepen om te dienende dag en uur te verschijnen en het dus rechtens niet aan verweerder ligt om de oproeping te doen waardoor de door verzoekers gestelde verloop van drie jaren in dit geval niet in de risicosfeer van verweerder ligt en hem daarom niet kan worden tegengeworpen;
  3. Het hof zal allereerst ingaan op het verweer van verweerder dat er op neer komt dat het onderhavig verzoek niet buiten de appèlprocedure om kan worden ontvangen. Dienaangaande komt het hof tot de slotsom dat dat verweer niet op de wet is gebaseerd. In de artikelen 208 e.v. van het WvBrv wordt deze eis nergens gesteld. Daarenboven ontgaat het het hof helemaal hoe verzoekers een dergelijke vordering zouden kunnen instellen in de appèlprocedure aangezien die zaak niet op de rol loopt. Het initiatief teneinde de zaak op de rol te laten brengen ligt naar het oordeel van het hof in elk geval niet bij verzoekers aangezien zij geen appèl hebben aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter. Derhalve hebben verzoekers dan ook geen andere keus dan de zaak op deze manier aan te brengen en nu de wet dat niet verbiedt zijn zij ontvankelijk in hun verzoek. Het daartoe strekkend verweer van verweerder zal derhalve worden verworpen;
  4. Ten tweede heeft verweerder aangevoerd dat ingevolge het bepaalde in artikel 277a WvBRv de President van het Hof van Justitie partijen doet oproepen en het initiatief daartoe niet bij hem ligt (althans zo vat het hof dat op). Naar het oordeel van het hof staat voormelde zienswijze van verweerder op gespannen voet met de rechtspraktijk. Inderdaad is in voormeld wetsartikel opgenomen dat de Voorzitter (lees: President) van het Hof van Justitie de dag en het uur bepaalt waarop de zaak voor het Hof van Justitie zal dienen en doet, met inachtneming van de termijnen van oproeping, voorgeschreven bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 13, partijen oproepen teneinde alsdan te verschijnen. Naar het oordeel van het hof dient voormeld wetsartikel in samenhang te worden gelezen met het bepaalde in artikel 270 WvBRv, voor zover inhoudende dat het hoger beroep aanvangt met een verklaring dat men van dat middel gebruik wenst te maken. Voorts vermeldt voormeld artikel dat van de afgelegde verklaring de griffier aantekening houdt in het algemeen register. Die aantekening geschiedt niet dan na vooruitbetaling aan de griffier van de kosten voor de aanzegging, voor de betekening van de memorie en van de daarbij overgelegde bescheiden en voor de oproeping, bedoeld in artikel 277a, desverlangd na taxatie door de rechter. Gesteld noch gebleken is dat de kosten voor de oproeping in voormelde appèlprocedure door verweerder zijn voorgeschoten, weshalve verweerder naar het oordeel van het hof niet te goeder trouw een beroep op voormelde wetsbepaling kan doen in weerwil van de huidige rechtspraktijk dat de datum en het uur van de behandeling in hoger beroep door het hof worden vastgesteld en dat de appelerende partij –als meest gerede partij- de kosten van de oproeping betaalt. De inhoud van het door verweerder bij dupliekpleidooi overgelegde oproepingsexploit doet aan het voorgaande niet af aangezien daaruit niet blijkt dat door het hof is opgeroepen. Daaruit blijkt wel dat op bevel van de President van het Hof van Justitie is opgeroepen. Gelet op het voorgaande zal ook dit verweer worden verworpen;
  5. Ten derde heeft verweerder aangevoerd dat het tijdsverloop hem niet kan worden tegengeworpen aangezien dat niet binnen zijn risicosfeer ligt. Dienaangaande overweegt het hof dat de ratio van de bepalingen betreffende verval van instantie is dat een middel wordt geboden tot beëindiging van de procedure, dat ten dienste staat aan de wederpartij van de partij die de zaak laat sloffen. In casu is gesteld – althans zo vat het hof de stelling van verzoekers op – dat verweerder in de appèlprocedure op de eerstdienende dag verzoekers niet heeft doen oproepen en daarna heeft stilgezeten. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verweerder de zaak heeft doen sloffen. Immers heeft het hof daarna geen andere datum voor behandeling van de zaak bepaald hetgeen – zoals terecht door verweerder is aangevoerd- niet voor zijn rekening en risico kan komen, nu verweerder daar geen invloed op kan uitoefen. Weliswaar is het hof van oordeel dat verweerder wel initiatieven had kunnen nemen teneinde de behandeling van de appèlzaak een aanvang te doen nemen, maar kan dat nalaten in perspectief bezien met het nalaten van de administratie van het Hof van Justitie om een datum van behandeling te doen bepalen, niet als consequentie hebben een verval van instantie zoals gevorderd. Een dusdanige consequentie zou naar het oordeel van het hof disproportioneel zijn. Uiteraard kan de zaak niet ten eeuwige dage blijven voortsudderen en het hof ziet daarin aanleiding om de administratie van het hof middels deze beslissing een zogenaamde “wake up call” te geven inhoudende een inspanningsverplichting teneinde de zaak bekend in het Generale Register onder no. 13771 op de rol te doen plaatsen. In het verlengde hiervan maakt het hof van de gelegenheid gebruik om een beroep op verweerder te doen om bij appointering van de zaak wel op te roepen, zodat een aanvang kan worden gemaakt met de behandeling in hoger beroep;
  6. Gelet op het al voorgaande komt het hof tot de slotsom dat het gevorderde dient te worden afgewezen en zullen verzoekers, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld om de gedingkosten aan de zijde van verweerder gevallen voor hun rekening te nemen;

De beslissing

Wijst af het gevorderde;

Veroordeelt verzoekers in de gedingkosten aan de zijde van verweerder gevallen en tot aan deze uitspraak begoot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. M.V. Kuldip Singh, Lid-plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 07 maart 2014, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Genderen-Relyveld, Griffier.

w.g. M.E. van Genderen-Relyveld w.g. A. Charan

Partijen, verzoekers vertegenwoordigd door advocaat mr. E. Naarendorp namens hun gemachtigde, advocaat mr. Y.S. Engkar en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C.A. Bleau namens zijn gemachtigde, advocaat mr. H.R. Lim A Po Jr, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-24

G.R.No. 14620

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

DE STICHTING SURINAAMSE VOLKSCREDIETBANK,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 17 november 2009 (A.R.NO. 041726) tussen appellante als opposante en geïntimeerde als geopposeerde,

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk VCB en [geïntimeerde] ;

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • Het schrijven van de advocaat van VCB gedateerd 22 oktober 2010 –ingekomen ter griffie van het hof op 29 oktober 2010 – waaruit blijkt dat VCB hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 17 november 2009;
  • De memorie van grieven zijdens VCB ingediend de dato 11 november 2010;
  • De schriftelijke pleitnota de dato 17 juni 2011;
  • Het schriftelijke antwoordpleidooi de dato 04 november 2011;
  • Het schriftelijke repliekpleidooi, onder overlegging van producties, de dato 17 februari 2012;
  • Het schriftelijke dupliekpleidooi en uitlating omtrent overgelegde producties de dato 20 april 2012;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 20 juli 2012 doch nader op heden;

De beoordeling

  1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

[Geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, een verklaringsprocedure ingediend en gevorderd dat, onder andere VCB, een verklaring aflegt van hetgeen zij van [naam 1], onder zich heeft of aan hem verschuldigd is. Verder heeft hij gevorderd dat, onder andere VCB, zal worden veroordeeld om af te geven wat zij van [naam 1] onder zich zou hebben, dan wel bij gebreke van het doen van een verklaring zal worden veroordeeld als ware zij zelf schuldenaar. De vordering is gebaseerd op de artikelen 347 in verbinding met 604 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna WvBRv te noemen). VCB is in voormelde procedure bij verstekvonnis de dato 02 augustus 2005 veroordeeld –aangezien zij geen verklaring heeft afgelegd- als ware zij zelf schuldenaar.

VCB heeft tegen voormeld verstekvonnis verzet aangetekend –na de betekening van het verstekvonnis op 26 maart 2007- de dato 28 maart 2007 en heeft daarbij gevorderd –kort gezegd- dat zij op grond van het bepaalde in artikel 610 WvBRv ontlast wordt van haar veroordeling tot betaling van het bedrag der vordering waarvoor het beslag is gelegd, zoals tegen haar uitgesproken bij voormeld verstekvonnis, met deugdelijk verklaring van de door haar afgelegde verklaring de dato 27 maart 2007;

  1. De kantonrechter heeft bij vonnis van 17 november 2009 – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang- VCB kwaad opposant verklaard en haar vordering afgewezen met bevestiging van het vonnis de dato 2 augustus 2005. VCB is daarbij eveneens in de proceskosten veroordeeld aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen;
  1. VCB heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsman bij schrijven gedateerd 22 oktober 2010 – ingekomen ter griffie van het hof op 29 oktober 2010 – appèl aangetekend tegen het vonnis van 17 november 2009. Uit voormeld vonnis blijkt dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest. Blijkens het aangetekend schrijven zijdens de griffier is voormeld vonnis op 20 oktober 2010 op de voet van het bepaalde in artikel 119 lid 3 WvBRv aan VCB medegedeeld. Gelet op het voorgaande heeft VCB ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 3 WvBRv tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep;
  1. VCB heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende –ook in hoger beroep- vast tussen partijen:
    1. [naam 1] is bij vonnis van 22 oktober 2002 door de kantonrechter in het eerste kanton veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen de bedragen van Nf. 1.434.965,73 en US$ 596.055,02, vermeerderd met de rente van 12 % per jaar vanaf 25 mei 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, althans de tegenwaarde van de Nederlandse gulden in euro’s in Surinaams Courant en de U.S. Dollar in Surinaams Courant tegen de officiële wisselkoers van de Centrale Bank van Suriname op de dag van betaling;
    2. [naam 1] heeft nagelaten uitvoering te geven aan voormelde vonnis. Om nakoming af te dwingen heeft George [geïntimeerde] onder, onder andere VCB, executoriaal derdenbeslag doen leggen;
    3. VCB heeft in haar inleidend verzetrekest in sustenu 6 een aanbod van betaling gedaan;
  1. Naast voormelde vaststaande feiten heeft VCB – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep ten aanzien van haar van belang – aan haar vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat zij op grond van het bepaalde in artikel 610 WvBRv bij door of namens haar ondertekend geschrift, verklaring doet, inhoudende dat zij van [naam 1] geen gelden, geldswaardige papieren en/of goederen onder zich heeft of aan hem verschuldigd is;
  1. [Geïntimeerde] heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang- aangevoerd dat aangezien VCB haar vordering baseert op artikel 610 WvBRv het een vereiste is dat dat verzet wordt gedaan onder aanbod van betaling van kosten. Dit bedrag aan kosten is niet ter betaling aan [geïntimeerde] ‘ bij het verzet’ aangeboden en blijkens aantekening van de Griffie is het verzet door VCB “ gedaan” op 30 maart 2007. Volgens vaste jurisprudentie moet betaling echter vóór of uiterst bij het indienen van het verzetrekest worden aangeboden, op straffe van niet-ontvankelijkheid, hetgeen niet het geval is geweest en tot op heden niet het geval is. Weliswaar heeft VCB in het verzetrekest aanbod van betaling van kosten gedaan maar dat is beslist niet toereikend. Ten eerste gaat het niet om een daadwerkelijk aanbod, hetwelk is uitgebleven. Ten tweede kan de opmerking in het verzetrekest dat betaling wordt aangeboden ook niet worden aangemerkt als ‘ het aanbod zelf’, nu die verklaring niet is gericht tegen [geïntimeerde] . Ten derde heeft [geïntimeerde] pas van de betreffende opmerking in het verzetrekest kennis gekregen toen hij op 11 juni 2007 bij exploot van deurwaarder D. Hieralal voor de verzetprocedure werd opgeroepen, terwijl de bepaling van artikel 610 WvBRv met zich meebrengt dat (op straffe van niet-ontvankelijkheid) het aanbod op zijn laatst op de dag van het verzet (30 maart 2007) moest hebben plaatsgevonden. [geïntimeerde] heeft op grond van het voorgaande geconcludeerd dat VCB niet in haar verzet kan worden ontvangen;
  1. Indien in rechte mocht blijken dat VCB ontvankelijk is in het verzet dan wenst [geïntimeerde] in te brengen dat de afgelegde verklaring volstrekt ondeugdelijk is aangezien die is afgelegd door een onbekend persoon, althans en in ieder geval niet door iemand die statutair bevoegd is om VCB in rechte te vertegenwoordigen. Daarenboven blijkt uit de verklaring niet of de VCB op de dag van de beslaglegging (19 april 2004) gelden van [naam 1] onder zich had;
  1. De kantonrechter heeft in eerste aanleg bij vonnis de dato 17 november 2009 –kort gezegd- het formeel verweer van [geïntimeerde] strekkende tot niet-ontvankelijkheid van VCB verworpen en het materieel verweer – strekkende tot ondeugdelijkheid van de verklaring van VCB – gegrond verklaard;
  1. In hoger beroep concludeert VCB tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en opnieuw rechtdoende tot alsnog verklaring van VCB tot goed opposante, onder goedkeuring van de door haar afgelegde verklaring;
  1. Daartoe heeft VCB als grief tegen voormeld vonnis aangevoerd –kort samengevat en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang- dat de kantonrechter ten onrechte de verklaring niet deugdelijk heeft verklaard op grond van het feit dat, hoewel de verklaring is ondertekend, niet duidelijk is of die persoon bevoegd is om de verklaring namens de VCB te ondertekenen. De kantonrechter heeft hierbij over het hoofd gezien dat ingevolge het bepaalde in artikel 1812 BW een last ook bij monde kan worden gegeven en aangenomen. De door de kantonrechter in punt 4.6. van haar vonnis vermelde feiten zijn sufficient om aan te nemen dat de verklaring namens VCB is afgelegd aangezien de ondertekenaar van de verklaring ingevolge artikel 1812 lid 2 BW de last heeft volvoerd, VCB heeft daarbij overgelegd een copie van een volmacht d.d. 01 juni 2005 waaruit blijkt , dat te rekenen van 01 juni 2005 [naam 2], hoofd Juridische Zaken van VCB, is gemachtigd om namens VCB verklaringen ten behoeve van de Kantonrechter te ondertekenen. De bewuste verklaring waarover de Kantonrechter is gevallen, is ondertekend door [naam 2], hoofd Juridische Zaken. De Kantonrechter heeft in haar oordeel geen rekening gehouden met de mogelijkheid van een verklaring van indemniteit zoals is verwoord in artikel 1827 lid 2 BW en heeft dus ten onrechte geconcludeerd dat een lastgeving ontbreekt;
  1. Ten tweede heeft VCB aangevoerd dat de Kantonrechter de verklaring ten onrechte ondeugdelijk heeft verklaard op grond van het feit dat in de verklaring niet is af te leiden wat de stand van zaken op 19 april 2014 was, wat VCB tot die dag (aan) gelden en/of geldswaarden en/of goederen van [naam 1] onder zich had c.q. aan hem verschuldigd was; de mankementen in de verklaring zijn niet ten faveure van VCB. De VCB heeft aangevoerd dat de door de (kanton)rechter geconstateerde mankementen nergens in de wet worden gesanctioneerd met ondeugdelijkverklaring van de afgelegde verklaring reeds wegens het maatschappelijk- en juridische verschijnsel dat mankementen reparabel zijn tenzij zulks ondermeer bij de wet expliciet is uitgesloten. Indien de derde gearresteerde een verklaring heeft afgelegd die naar de mening van de rechter onvoldoende is, dan blijkt uit de strekking van de wet met betrekking tot het afleggen van de verklaring dat de rechter de derde gearresteerde in de gelegenheid stelt om de verklaring te verbeteren in de door hem aangegeven zin. De verklaring tot kwaad opposant, vermeld in punt 4.6. van het gewraakte vonnis, staat haaks op hetgeen de rechter heeft overwogen in de punten 4.1., 4.2., 4.3. en 4.4. van het vonnis waarvan appèl. Daarnaast is de verklaring van VCB tot kwaad opposante het gevolg van een verkeerde rechtsopvatting van de kantonrechter zoals hiervoren is uiteengezet;
  1. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop –in het hierna volgende voor zover voor de beslissing van belang- terug komen;
  1. Gelet op de devolutieve werking van het rechtsmiddel van hoger beroep zal het hof allereerst aangeven hoe die tegen het formeel verweer van [geïntimeerde] in eerste aanleg –zoals hiervoor onder 1.5. weergegeven-aan kijkt. Dienaangaande oordeelt het hof dat –zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen onder 4.1 van het beroepen vonnis -het aanbod tot betaling van de kosten zoals bij het verzetrekest is gedaan voldoende is voor de ontvankelijkheid van het verzet. Het hof neemt de daartoe strekkende overwegingen van de kantonrechter –zoals verwoord onder 4.1. van het beroepen vonnis in eerste aanleg- over. Het hof zal vervolgens ingaan op de aangevoerde grieven. Ten aanzien van de eerste aangevoerde grief overweegt het hof dat die grief op gaat en doel treft. Immers blijkt het hoofd Juridische Zaken van de VCB gevolmachtigd te zijn sedert 01 juni 2005 om namens de VCB verklaringen ten behoeve van de Kantonrechter te ondertekenen. Overigens geeft artikel 606 WvBRv aan dat de verklaring schriftelijk, door of namens de derde gearresteerde ondertekend, ter terechtzitting dient te worden overgegeven. Aan de zinssnede “door of namens” dient ingevolge de doctrine niet de gevolgtrekking te worden verbonden dat de ondertekenaar daartoe een bijzondere volmacht van de derde nodig heeft, zijnde zijn algemene volmacht daarvoor toereikend. Nu gesteld noch gebleken is dat VCB zich van voormelde verklaring heeft gedistantieerd, bestaat er geen twijfel omtrent de herkomst van het document. Het hof oordeelt in dit kader voorts dat het beroep van VCB op het bepaalde in artikel 1812 van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW te noemen) eveneens gegrond is en doel treft aangezien een last ook mondeling kan worden gegeven en stilzwijgend kan worden aanvaard, hetgeen de kantonrechter kennelijk over het hoofd heeft gezien. Eveneens gaat het beroep van VCB op het bepaalde in artikel 1827 lid 2 BW op aangezien uit het gehele samenstel van stellingen van VCB ondubbelzinnig blijkt dat er –voor zover de lasthebber zijn last zou hebben overschreden- van uitdrukkelijke bekrachtiging sprake is;
  1. De tweede grief besprekend komt het hof tot de slotsom dat dat eveneens op gaat en doel treft. Immers luidt de tekst van de zijdens de VCB overgelegde verklaring de dato 27 maart 2007 als volgt: “ De Stichting Surinaamse Volkscredietbank verklaart geen gelden en/of geldswaarden en/of goederen onder zich te hebben, danwel verschuldigd te zijn aan [naam 1].” De wetgever heeft in artikel 605 WvBRv aangegeven dat de verklaring met redenen omkleed moet zijn; dat zij moet inhouden een staat van de gelden of roerende goederen, welke de derde gearresteerde onder zich heeft; de vermelding van de oorzaak en van het bedrag van diens schuld; van de betalingen op rekening, zo die mochten hebben plaats gehad, en van de wijze van schuldkwijting, indien de derde gearresteerde beweert niets meer schuldig te zijn, en in alle gevallen de andere inbeslagnemingen, welke onder hem mochten zijn gedaan. Weliswaar betreft de verklaring een momentopname en heeft als peildatum de dag van de beslaglegging, in casu 19 april 2004, maar gesteld noch gebleken is dat de VCB op enig moment gelden en/of geldswaarden en/of goederen afkomstig van [naam 1] onder zich zou hebben gehad. Derhalve is de opname van de datum van beslaglegging in de verklaring geen wettelijk vereiste. Indien de derde gearresteerde nà de beslaglegging de dato 19 april 2004 nog betalingen aan de beslagdebiteur zou hebben gedaan zijn die betalingen ingevolge het bepaalde in artikel 1409 BW rechtens van onwaarde en voor zover de derde gearresteerde vóór de beslaglegging gelden en/of geldswaarden en/of goederen van de beslagdebiteur onder zich zou hebben gehad, dan dient de opbouw van de betaling aan de beslagdebiteur tot aan de datum van beslaglegging gespecificeerd in de verklaring te worden opgenomen zodat dat door de beslaglegger getoetst kan worden. Van het voorgaande is gesteld noch gebleken. [geïntimeerde] heeft dienaangaande volstaan met een vermoeden uit te spreken zonder dat ook maar op enigerlei wijze aannemelijk te maken. Voor zover [geïntimeerde] meent een beroep te moeten doen op het bepaalde in artikel 612 WvBRv is het hof van oordeel dat de VCB dienaangaande ten overvloede genoeg duidelijkheid heeft verschaft in het 1e sustenu van haar repliekpleidooi waarbij zij in niet mis te verstane bewoordingen heeft aangegeven dat de verklaring de dato 27 maart 2007 mede omvat de situatie op de dag van de beslaglegging, te weten 19 april 2004. Een plechtige verklaring of een verklaring onder ede ter bevestiging van de inhoud van de door de VCB in het geding gebrachte verklaring komt het hof derhalve overbodig voor en zal het hof daaraan voorbij gaan;

2.9. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroepen vonnis dient te worden vernietigd. Immers zijn de aangevoerde grieven gegrond gebleken en hebben doel getroffen;

  1. [Geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van VCB zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis;
  1. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het hof, als niet langer relevant zijnde, achterwege laten;
  1. De beslissing in hoger beroep

Het hof:

3.1. Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 17 november 2009, A.R.No. 041726, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

3.2. Verklaart VCB goed opposante;

3.3. Ontlast VCB van haar veroordeling tot betaling van het bedrag van de vordering, waarvoor beslag is gelegd, zoals tegen haar uitgesproken bij voormeld vonnis de dato 02 augustus 2005;

3.4. Verklaart deugdelijk de door VCB afgelegde verklaring de dato 27 maart 2007;

3.5. Veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding aan de zijde van VCB in eerste aanleg gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 240,–;

3.6. Veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 160,–;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 02 mei 2014, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. S.C. Berenstein.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. A.S.N. Adhin namens haar gemachtigde, advocaat mr. A.R. Baarh en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C.A. Bleau namens zijn gemachtigde, advocaat mr. M.I. Vos, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-102

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat (thans overleden),

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 26 november 2015;

het verweerschrift met producties, ingediend ter griffie van het Hof op 05 april 2016;

de beschikking van het Hof van 21 april 2016, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 juli 2016;

de processen-verbaal van het op 15 juli 2016 gehouden verhoor van partijen en van de op 06 januari 2017 en 03 maart 2017 gehouden voortzetting daarvan, alsmede de op laatstgenoemde datum door partijen overgelegde bescheiden;

de conclusie tot overlegging van stukken, met producties, zijdens de Staat bij de griffier ingediend op 16 maart 2017;

de conclusie na gehouden verhoor van partijen, zijdens [verzoeker] overgelegd op 07 april 2017.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 06 oktober 2017, doch nader op heden.

  1. De feiten

2.1 [Verzoeker] is in vaste dienst van de Staat geweest en wel bij het Openbaar Onderwijs als leerkracht van [de school] (hierna: de school).

2.2 Leerlinge van de school, [naam 1] (hierna: [naam 1] ), heeft tijdens het eerste schoolonderzoek (S.0.) van het schooljaar 2014/2015 zeer lage cijfers behaald voor de vakken wiskunde en natuurkunde, welke vakken werden gedoceerd door [verzoeker]. Laatstgenoemde heeft [naam 1] achteraf in de gelegenheid gesteld om bij hem thuis aanvullingen te plegen op de reeds verbeterde wiskunde- en natuurkundewerken. [Naam 1] werd daarbij geassisteerd door [naam 2] (hierna: [naam 2] ), collega-leerkracht van [verzoeker]. [Verzoeker] heeft vervolgens vorenbedoelde cijfers van [naam 1] veranderd van een diepe onvoldoende naar een voldoende, ondanks deze in een vergadering van de school reeds waren bekrachtigd.

2.3 [Naam 1] heeft bij de directeur van de school, mevr. [naam 3] (hierna: [naam 3]) beschuldigingen geuit tegen [verzoeker], naar aanleiding waarvan [naam 3] bij brief d.d. 28 april 2015 onder meer het volgende aan het hoofd van de Inspectie heeft bericht:

“Op vrijdag 24 april jl. om 9.30 v.m. verschenen dhr. [naam 2] en leerling [naam 1] van klasse CB4 bij mij op kantoor. Eerst kwam [naam 1] en vroeg of ze een persoonlijk gesprek met mij kon hebben. Later kwam ze samen met [Naam 2] op kantoor. Deze leerling verklaart dat ze seksueel gemolesteerd wordt door [verzoeker]. Zij vertelt dat ze gebeld en lastig gevallen wordt door [verzoeker]. Leerlingen moesten een keer tijdens mijn afwezigheid met hun schoolwerk op kantoor komen om hun opdrachten te laten nazien. Toen desbetreffende leerling alleen op kantoor was, werd ze betast. Bij het laatste telefoongesprek met [verzoeker] heeft [naam 1] vastgelegd [sic]. Ook toen ze bij [verzoeker] thuis samen met [naam 2] haar S.O.I wiskunde en natuurkunde opnieuw heeft gemaakt. [Naam 2] heeft het telefoongesprek uit [naam 1]’s cel uitgewist en op zijn laptop overgebracht, zodat verspreiding voorkomen wordt. Deze leerling heeft te kennen gegeven dat ze geen les van [verzoeker] wil volgen, omdat ze zich niet prettig voelt in zijn aanwezigheid en ook bang is. Ze wil stappen ondernemen tegen [verzoeker] door aangifte te doen bij de politie en B.N.O.”

2.4 [Verzoeker] is, na door [naam 3] op de hoogte te zijn gesteld van de beschuldigingen van [naam 1] aan zijn adres, in de gelegenheid gesteld daarop te reageren, hetgeen hij ook heeft gedaan bij schrijven d.d. 29 april 2015. [Verzoeker] heeft daarbij de beschuldigingen tegengesproken.

2.5 [Naam 1] heeft op haar beurt haar relaas gedaan bij schrijven d.d. 05 mei 2015.

2.6 Bij brief van de directeur van Onderwijs (hierna: de directeur) d.d. 15 mei 2015, RP/rl/ag [nummer 1], is [verzoeker] buiten functie gesteld ingaande 18 mei 2015 wegens het plegen van fraudeleuze handelingen, waaronder het onrechtmatig wijzigen van cijfers toebedeeld aan studenten, en het seksueel molesteren van vrouwelijke studenten en/of het vragen van seksuele tegenprestaties voor het onrechtmatig bevoordelen van hen. [Verzoeker] is tevens in de gelegenheid gesteld om zich te verweren.

2.7 [Verzoeker] heeft bij brief d.d. 21 mei 2015, gericht aan de directeur, verweer gevoerd. Dit verweer komt, zakelijk weergegeven, op het volgende neer. [Verzoeker] heeft de door [naam 1] behaalde cijfers voor de vakken natuurkunde en wiskunde van het eerste kwartaal in het voordeel van laatstgenoemde veranderd, zulks op verzoek van [naam 2]. Vervolgens werd [verzoeker] bij de tweede S.O.-ronde voor de tweede keer door [naam 2] benaderd om wederom de cijfers voor voornoemde vakken te veranderen in veel hogere cijfers dan werkelijk door [naam 1] behaald. [Verzoeker] heeft geweigerd hieraan mee te werken. Dit is de reden dat [naam 1] en [naam 2] zich hebben gewend tot de schooldirecteur en hem hebben beschuldigd van frauduleuze handelingen, waarvoor hij seksuele tegenprestaties zou hebben gevraagd van [naam 1]. [Verzoeker] heeft [naam 1] niet seksueel gemolesteerd of betast. Alle communicatie die [verzoeker] heeft gehad met [naam 1] is geweest in het kader van het verzoek van [naam 2] om haar te ‘helpen’ met cijfers.

2.8 [Verzoeker] is per 09 juni 2015 ter beschikking gesteld van het Bureau Volkscontacten van het Kabinet van de President van de Republiek Suriname.

2.9 Bij beschikking van de minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur d.d. 02 november 2015, AD. [nummer 2] (hierna: de ontslagbeschikking), is besloten om aan [verzoeker] met toepassing van artikel 63 lid 2 sub c (lees: artikel 69 lid 2 sub c) juncto artikel 71 leden 3 en 4 Pw wegens plichtsverzuim ontslag uit Staatsdienst te verlenen (hierna: het ontslagbesluit). Daartoe is als volgt overwogen:

“dat de Hoofdonderwijzer op [de school], in vaste dienst bij het Openbaar Onderwijs, [verzoeker], bij schrijven van de Minister van Onderwijs van 26 juni 2015, kenmerk m [nummer 3], vanwege seksueel molest, het tonen van pornografisch beeldmateriaal aan studenten en het niet in stand houden van de vereiste afstand in relatie tot leerkracht en student, buiten functie is gesteld per 18 mei 2015;

dat het verweerschrift d.d. 21 mei 2015 van de heer [VERZOEKER] voornoemd, beaambt [sic] de feiten te hebben gepleegd;

dat de heer [VERZOEKER] meergenoemd, in de gelegenheid is gesteld zich te verweren;

dat een dergelijk gedrag van betrokkene niet kan worden getolereerd, in de zin dat het ernstig plichtsverzuim oplevert;

dat rekeninghoudend [sic] met

  1. de ernst van het plichtsverzuim waaraan de landsdienaar zich schuldig heeft gemaakt;
  2. de gevolgen van het plichtsverzuim;
  3. de omstandigheden waaronder het tuchtrechtelijk te straffen feit is begaan;
  4. het algemeen gedrag, de ijver en de prestaties van de landsdienaar, alsmede met diens persoonlijke en huiselijke omstandigheden het pedagogisch niet verantwoord is de heer [VERZOEKER] meergenoemd, langer in het onderwijs te handhaven;

dat aan de heer [VERZOEKER] mergenoemd [sic], wegens onvoldoende waarborgen van betrouwbaarheid ingevolge artikel 69 lid 2 sub c juncto artikel 71 lid 3 en 4 ontslag uit Staatsdienst rechtvaardigt [sic].”

2.10 [Verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 17 november 2015 ontvangen.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de ontslagbeschikking zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;
  2. hem de gelegenheid zal worden gegeven zijn diensten te hervatten bij het Bureau Volkscontacten,

alles wat sub a en b betreft onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- voor iedere dag dat de Staat nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven.

[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 Hetgeen [verzoeker] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, komt, zakelijk weergegeven, op het volgende neer. [Verzoeker] kan zich niet verenigen met de in de ontslagbeschikking aangehaalde feiten. Van seksueel molest is nooit sprake geweest, daar de directrice [naam 3] (het Hof begrijpt: [naam 3] ) op de hoogte was van de correctie van het cijfer van bedoelde leerling en zulks met haar toestemming is gebeurd en het één en ander met de inspectie zou worden besproken. [Verzoeker] heeft in zijn verweerschrift d.d. 21 mei 2015 vorenbedoelde feiten afdoende weersproken. Hij is nooit in het bezit geweest van pornografisch beeldmateriaal, nog afgezien van het feit dat er geen confrontatie heeft plaatsgevonden. Voorts begrijpt [verzoeker] niet wat de Staat bedoelt met “het niet in stand houden van de vereiste afstand”. De Staat heeft geen rekening gehouden met artikel 63 Pw, daar geen enkele redelijk denkende overheid [verzoeker] gaat ontslaan voor vorenbedoelde feiten die niet eens zijn bewezen, nog afgezien van het feit dat [verzoeker] 58 jaar oud is en langer dan 30 jaar de Staat heeft gediend. Ook al mocht waar zijn dat [verzoeker] vorenbedoelde feiten heeft begaan, dan nog heeft de Staat in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel zoals vermeld in artikel 79 lid 3 Pw, aangezien een onrechtmatig ontslag ernstige gevolgen heeft voor [verzoeker], nu zijn salaris is stopgezet sedert augustus 2015 en hij derhalve geen aanspraak meer maakt op medische voorzieningen voor hem en zijn gezin. Het ontslag van [verzoeker] is om voormelde redenen onrechtmatig.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar is geweest in de zin van artikel 1 lid 1 Pw, zodat deze wet op hem van toepassing is. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

Blijkens artikel 79 lid 2 Pw zijn besluiten waarbij aan een ambtenaar ontslag is verleend, vatbaar voor nietigverklaring.

Op grond van het voorgaande is het Hof bevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1 onder a, strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit.

4.1.2 Het overige gevorderde, te weten, kort gezegd, de wedertewerkstelling van [verzoeker] zoals gevorderd onder 3.1 onder b, onder verbeurte van een dwangsom, kan niet worden gecategoriseerd onder de in artikel 79 lid 1 Pw limitatief opgesomde vorderingen waarover het Hof bevoegd is te oordelen, zodat het Hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen. Hetzelfde geldt voor de gevorderde dwangsom voor zover gekoppeld aan het nietig te verklaren ontslagbesluit, zijnde dit (reeds genomen) ontslagbesluit immers niet een achterwege gelaten besluit van een bestuursorgaan in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw.

Ten aanzien van de mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten, verwijst het Hof naar hetgeen onder 4.9 is overwogen.

Ontvankelijkheid

4.2 Ingevolge artikel 80 lid 1 sub b Pw juncto artikel 79 leden 1 sub a en 2 Pw is een vordering tot nietigverklaring van een besluit waarbij aan een ambtenaar ontslag uit Staatsdienst is verleend, niet-ontvankelijk, indien deze is ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht.

[Verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 17 november 2015 ontvangen. Nu hij de vordering onder 3.1 onder a strekkende tot nietigverklaring van het ontslagbesluit heeft ingediend op 26 november 2015, derhalve binnen een maand na 17 november 2015, is hij daarin ontvankelijk.

4.3 Het Hof stelt voorop dat [verzoeker] – zij het dat zulks in de ontslagbeschikking op gebrekkige wijze is verwoord – wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan seksueel molest, het tonen van pornografisch beeldmateriaal aan studenten en het niet in stand houden van de vereiste afstand in relatie tot leerkracht en student en voorts dat aan hem (in ieder geval) wegens plichtsverzuim ontslag uit Staatsdienst is verleend.

4.4.1 [Verzoeker] heeft betwist zich schuldig te hebben gemaakt aan de hem verweten gedragingen. Hij stelt dat deze gedragingen niet zijn bewezen.

Het Hof overweegt dienaangaande als volgt. Bij een disciplinair onderzoek gaat het om de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven. Hiertoe is voldoende dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt. In het licht van de betwisting door [verzoeker] had het op de weg van de Staat gelegen om nadere feiten of omstandigheden aan te dragen ter onderbouwing van zijn stelling dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel molest en het tonen van pornografisch beeldmateriaal aan studenten, hetgeen de Staat heeft nagelaten. Dit verzuim klemt temeer nu in de ontslagbeschikking vorenbedoelde beschuldiging niet is gepreciseerd.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat niet is komen vast te staan en de Staat derhalve niet tot de overtuiging kon komen dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel molest en het tonen van pornografisch beeldmateriaal aan studenten, zodat deze gedragingen niet (mede) aan het ontslagbesluit ten grondslag hadden mogen worden gelegd.

4.4.2 De vraag rijst of [verzoeker] zich wel schuldig heeft gemaakt aan het overige hem in de ontslagbeschikking verweten gedrag, te weten het niet in stand houden van de vereiste afstand in relatie tot leerkracht en student. In dit kader is van belang een door [naam 1] heimelijk gemaakte opname van een telefoongesprek tussen haar en [verzoeker], welke opname (hierna: de geluidsopname) het Hof ter zitting van 03 maart 2017 heeft beluisterd. [Verzoeker] heeft ter voormelde zitting erkend dat hij vorenbedoeld telefoongesprek heeft gevoerd met [naam 1] en dat zijn stem op de geluidsopname te horen is. Hij betwist echter enkele voor hem bezwarende insinuerende dan wel seksueel getinte uitspraken te hebben gedaan en beroept zich ten aanzien van deze uitspraken op manipulatie van de geluidsopname.

Dit beroep faalt. Het Hof overweegt daartoe als volgt. Op de geluidsopname is, voor zover van belang, eerst te horen dat [verzoeker] en [naam 1] afspreken dat en op welke wijze laatstgenoemde bij [verzoeker] thuis zal komen om de wiskunde- en natuurkundewerken opnieuw te maken. Afgesproken wordt dat [naam 1] met de bus naar een bepaalde locatie zal gaan en dat [verzoeker] haar daar zal ophalen en naar zijn huis zal brengen. [Verzoeker] heeft dit deel van de geluidsopname niet betwist.

Op de geluidsopname is vervolgens te horen dat [naam 1] vraagt of zij alleen het werk gaat overschrijven, waarop [verzoeker] antwoordt: “Wat denk je?” Op de reactie van [naam 1] dat zij het niet zou weten en het daarom aan [verzoeker] vraagt, antwoordt laatstgenoemde: “Voor wat, hoort wat” en voorts “Je mag zelf weten hoe of wat. Je mag zelf weten, want je bent een volwassen vrouw. Je weet hoe of wat.” Even later is te horen dat [verzoeker] vraagt: “Ok eh, neem jij een condoom mee of zorg ik daarvoor?”, waarop [naam 1] antwoordt dat zij daarvoor zal zorgen.

Het opgenomen gesprek heeft in de visie van het Hof een logisch verloop. Vorenbedoelde geciteerde uitspraken van [verzoeker] staan naar het oordeel van het Hof niet op zichzelf en komen niet uit de lucht vallen, maar zijn een reactie op hetgeen [naam 1] vraagt dan wel een logisch gevolg van het eerder besprokene. Het Hof overweegt voorts dat deze voor [verzoeker] bezwarende uitspraken, geen korte (ja/nee-)antwoorden betreffen, maar hele volzinnen. [Verzoeker] heeft weliswaar betwist dat hij voormelde uitspraken heeft gedaan, maar niet dat ook op dit deel van de geluidsopname zijn stem is te horen. Naar het oordeel van het Hof zijn er, anders dan [verzoeker] beweert, geen tekenen aanwezig die wijzen op manipulatie van de geluidsopname. Op grond van het voorgaande acht het Hof niet aannemelijk dat sprake is van vorenbedoelde manipulatie.

4.4.3 [Verzoeker] betoogt bij conclusie na gehouden verhoor van partijen, naar het Hof begrijpt, dat de Staat in deze procedure geen gebruik mag maken van de geluidsopname, omdat deze als onrechtmatig verkregen bewijs moet worden aangemerkt, nu hij, [verzoeker], niet op de hoogte was van het gebruik daarvan door de Staat. Het Hof volgt [verzoeker] niet hierin. Immers, dat [verzoeker] niet ermee bekend was dat de Staat gebruik zou maken van de geluidsopname is geen omstandigheid die verband houdt met de wijze van verkrijging van de geluidsopname door de Staat en kan derhalve nimmer leiden tot het oordeel dat de geluidsopname onrechtmatig door de Staat is verkregen. De Staat mag in deze procedure gebruik maken van de geluidsopname, nu er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die daaraan in de weg staan. De slotsom is dat het Hof de geluidsopname mag betrekken in zijn beoordeling.

4.4.4 Voor het Hof staat op grond van de geluidsopname vast dat [verzoeker] aan [naam 1] een seksuele tegenprestatie heeft gevraagd voor het achteraf onrechtmatig veranderen van de door haar behaalde zeer slechte cijfers voor de vakken wiskunde en natuurkunde van een onvoldoende naar een voldoende. Daarmee staat tevens vast dat [verzoeker] als leerkracht niet de professionele afstandelijkheid jegens een in een afhankelijkheidspositie verkerende leerling(e), in casu [naam 1], heeft bewaard, hetgeen hij wel had moeten doen. Deze gedraging is in de ontslagbeschikking omschreven als “het niet in stand houden van de vereiste afstand in relatie tot leerkracht en student”.

4.5 Op grond van artikel 36 lid 1 Pw is een landsdienaar onder meer verplicht zich steeds zo te gedragen als een goed en getrouw landsdienaar betaamt. Handelen in strijd met deze verplichting kan plichtsverzuim opleveren. Door zich als leerkracht schuldig te maken aan het niet bewaren van de professionele afstandelijkheid jegens een in een afhankelijkheidspositie verkerende leerling oftewel aan het niet in stand houden van de vereiste afstand in relatie tot leerkracht en student, heeft [verzoeker] zich niet gedragen zoals een goed landsdienaar betaamt en zich daardoor in de visie van het Hof schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

4.6 Dit plichtsverzuim kan [verzoeker] worden toegerekend. [Verzoeker], volgens eigen zeggen langer dan 30 jaar verbonden aan het onderwijs, diende beter te weten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel nopen.

4.7 Het Hof acht het gepleegde plichtsverzuim dermate ernstig dat het ontslag van [verzoeker] uit Staatsdienst niet als een daaraan onevenredige straf is te beschouwen. Hetgeen [verzoeker] in dit kader heeft gesteld, te weten zijn leeftijd van 58 jaar, zijn diensttijd van meer dan 30 jaar, de gevolgen van het ontslag voor hem en zijn familie en de omstandigheid dat hij niet eerder tuchtrechtelijk is gestraft, maakt dit niet anders. [Verzoeker] dient de gevolgen te dragen van zijn grensoverschrijdend gedrag. Van strijd met artikel 63 lid 4 Pw of schending van het evenredigheidsbeginsel is geen sprake.

Daarbij komt dat vaststaat dat [verzoeker] onrechtmatig de zeer lage cijfers door [naam 1] tijdens het eerste S.O. van het schooljaar 2014/2015 behaald voor de vakken wiskunde en natuurkunde heeft veranderd van een onvoldoende naar een voldoende en wel nadat de bekrachtiging van deze cijfers reeds had plaatsgevonden. Deze handelwijze is [verzoeker] weliswaar in deze procedure niet verweten, maar valt hem niettemin zwaar aan te rekenen. Dat [verzoeker] zou hebben gehandeld met medeweten en toestemming van [naam 3] , hetgeen laatstgenoemde ter zitting van 06 januari 2017 overigens heeft weersproken, doet hieraan niet af. Op [verzoeker] rustte immers een eigen verantwoordelijkheid.

[verzoeker] kan in alle redelijkheid niet verwachten te worden gehandhaafd als ambtenaar verbonden aan het onderwijs.

4.8 Uit hetgeen onder 4.3 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat de grondslag van de vordering onder 3.1 onder a, strekkende tot nietigverklaring van het ontslagbesluit, niet in rechte is komen vast te staan, zodat dit gevorderde zal worden afgewezen.

4.9 Ook de gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.10 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1 onder b, alsook van de mede gevorderde dwangsom.

5.2 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.