SRU-HvJ-2014-30

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellant],
wonende in het [district 1],
appellant, hierna aangeduid als “[appellant]”,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

N.V. Grasshopper Aluminium Company (N.V. Grassalco),
rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “Grassalco”,
gemachtigde: mr. B.A. Halfhide, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 27 mei 2010 (A.R.NO. 10-1834) tussen Grassalco als eiseres in kortgeding en [appellant] als gedaagde in kortgeding,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handeling:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant]op 09 juni 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 04 februari 2011;
  • het antwoordpleidooi d.d. 01 april 2011;
  • het repliekpleidooi met producties d.d. 20 mei 2011;
  • het dupliekpleidooi met uitlating producties d.d. 21 oktober 2011;
  • het tussenvonnis d.d. 01 november 2013;
  • het proces-verbaal van de niet gehouden comparitie van partijen d.d. 10 december 2013;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 februari 2014, doch nader bepaald op heden.
  1. De ontvankelijkheid van het beroep

2.1 Partijen waren op de dag van de uitspraak (27 mei 2010) respectievelijk door mr. Telting en mr. Mungra namens hun respectieve gemachtigden ter terechtzitting vertegenwoordigd. [appellant] heeft bij schrijven van zijn gemachtigde op 09 juni 2010 appèl aangetekend.

2.2 [appellant] heeft derhalve tijdig het appèl aangetekend en is daarin ontvankelijk.

  1. De feiten

3.1 Grassalco is bij vonnis gewezen en uitgesproken op 01 april 2009 (A.R.No. 08-3823) ondermeer veroordeeld om binnen een week na betekening van dat vonnis, op te heffen, het door deurwaarder Bhoelan op 22 augustus 2008 gelegd executoriaal beslag op het recht van grondhuur op het perceel bekend als [adres 1] zoals nader omschreven in vermeld vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5000,- voor elke dag dat Grassalco niet aan het vonnis voldoet. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.2 Vermeld vonnis van 01 april 2009 is door [appellant]bij exploot no. 730 van deurwaarder Dasimin Toekimin op 25 augustus 2009 aan Grassalco betekend.

3.3 [appellant] heeft op 25 maart 2010 bij exploot no. 285 van deurwaarder Dasimin Toekimin, Grassalco aangemaand tot betaling van de opgelopen dwangsommen vanaf 02 september 2009 tot en met 25 maart 2010 ten bedrage van SRD 1.025.000,- met de aanzegging dat bij niet betaling zal worden overgegaan tot het leggen van executoriaal beslag.

3.4 Grassalco heeft het vermeld executoriaal beslag op 29 maart 2010 opgeheven.

3.5 [appellant] heeft op 29 april 2010 bij exploot no. 355 van deurwaarder Dasimin Toekimin in executoriaal beslag genomen het recht van grondhuur toebehorende aan Grassalco op het perceelland gelegen te Paramaribo aan de [plaats 2].

3.6 [appellant]heeft op 29 april 2010 bij exploten no.’s 360, 361 en 362 executoriaal derdenbeslag gelegd ten laste van Grassalco onder de in die exploten vermelde bankinstellingen.

3.7 [appellant] heeft vermelde executoriaal gelegde beslagen op 03 mei 2010 bij exploten no.’s 380 en 384 van deurwaarder Dasimin Toekimin, aan Grassalco betekend.

3.8 Bij vonnis van 27 mei 2010 (A.R.No. 10-1834) heeft de kantonrechter de vermelde executoriale beslagen opgeheven en is [appellant]bevolen om de ten uitvoerlegging van het vonnis van 01 april 2009 (A.R.No. 08-3823) te staken en voorts zich daarvan te onthouden, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag voor iedere dag dat [appellant]het vonnis overtreedt tot een maximum van SRD 50.000,-. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.9 Tegen vermeld vonnis van 27 mei 2010 heeft [appellant] hoger beroep ingesteld op 09 juni 2010.

  1. De vordering in eerste aanleg

Grassalco heeft in kort geding, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair: 1. de door [appellant] gelegde executoriale beslagen op te heffen;

  1. [appellant] te veroordelen om de tenuitvoerlegging van het vonnis van 01 april 2009 (A.R.No. 08-3823) te staken onder verbeurte van een dwangsom.

Subsidiair: 1. te schorsen c.q. op te schorten de executie van het vonnis van 01 april 2009 (A.R.No. 08-3823) totdat over de al dan niet verschuldigd zijn van dwangsommen is beslist;

  1. [appellant] te veroordelen om de gelegde executoriale beslagen op te heffen totdat over het al dan niet verschuldigd zijn van dwangsommen is beslist, onder verbeurte van een dwangsom.
  1. De grieven

[appellant]heeft de navolgende als grief aangevoerd.

Ten onrechte heeft de kantonrechter in het vonnis van 01 april 2009 overwogen dat:

“4.7 In dat verband acht de kantonrechter het doel en de strekking van het vonnis van 1 april 2009 van groot belang. Duidelijk is dat met dat (kort geding) vonnis werd beoogd dat het onroerend goed van [appellant]niet werd geëxecuteerd als gevolg van het door Grassalco ten laste van [appellant]gelegd executoriaal beslag. Vaststaat dat Grassalco niet over is gegaan tot de executie van het bedoeld onroerend goed en dat het beslag ondertussen ook al is opgeheven. Daarnaast heeft [appellant]geen verklaring kunnen geven voor het feit dat hij na de betekening van het vonnis vele dagen (augustus 2009 tot maart 2010) niets meer van zich heeft laten horen met betrekking tot de veroordeling van Grassalco. Door aldus te handelen laat [appellant]de verdenking op zich dat hij uitsluitend uit is op het incasseren van een zo groot mogelijk bedrag aan dwangsommen – daarbij profiterend van de omstandigheid dat er geen maxima is verbonden aan de dwangsommen – in plaats van op nakoming door Grassalco van de onderliggende veroordeling.

De combinatie van al deze omstandigheden leiden voorshands tot het oordeel dat [appellant] misbruik maakt van zijn aan het vonnis van 1 april 2009 te ontlenen bevoegdheid tot het incasseren van verbeurde dwangsommen. Het primair gevorderde kan daarom worden toegewezen.”

Ondanks Grassalco bij de uitspraak op 01 april 2009 aanwezig was en het vonnis op 25 augustus 2009 aan Grassalco was betekend bij exploot van deurwaarder Dasimin Toekimin, had Grassalco niet voldaan aan het vonnis en heeft [appellant]op 25 maart 2010 de op dat moment verbeurde dwangsommen aan Grassalco aangezegd ingevolge artikel 492 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [appellant] was op grond van vermeld artikel bevoegd het verbeurde bedrag ten uitvoer te leggen. Van misbruik van executiebevoegdheid kan daarom op grond van de wet geen sprake zijn. [appellant]had de op hem rustende verplichtingen in acht genomen en mocht na de uitspraak, nu Grassalco bij de uitspraak vertegenwoordigd werd, ervan uitgaan dat Grassalco aan de veroordeling zou voldoen. Het ligt op de weg van de geëxecuteerde om te voldoen aan het behoorlijk aan hem betekende vonnis. Ten onrechte heeft de kantonrechter daarom overwogen dat [appellant] na de betekening van het vonnis niets van zich heeft laten horen met betrekking tot de veroordeling van Grassalco, alsook de conclusie dat [appellant]op zich de verdenking laat uit te zijn op uitsluitend een zo hoog mogelijk bedrag aan dwangsommen.

Bovendien heeft Grassalco geen gebruik gemaakt van haar in artikel 491 jo 492 Rv gegeven bevoegdheid om in kort geding te vorderen dat de dwangsom niet of niet verder zal worden ten uitvoer gelegd. Evenmin is gebleken noch gesteld dat Grassalco niet in staat is aan haar veroordeling te voldoen. De dwangsommen zijn derhalve volledig verschuldigd. Van misbruik van executiebevoegdheid is daarom geen sprake.

Bovendien is blijkens rechtspraak van de Hoge Raad 22 april 1983, NJ 1984, 145, van misbruik van executiebevoegdheid pas sprake als de executant:”geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan.”

  1. De vordering in Hoger Beroep

[appellant] concludeert in dit hoger beroep op deze gronden om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

  1. te vernietigen het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:
  2. de gevorderde voorzieningen alsnog te weigeren;

III. het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;

  1. Grassalco te veroordelen in de kosten in beide instanties.

    Het verweer

Grassalco heeft op de aangevoerde grief verweer gevoerd welk verweer als volgt kan worden omschreven:

Misbruik van recht of misbruik van bevoegdheid is een vorm van een onrechtmatige daad en moet dan ook worden onderzocht of van een dergelijke onrechtmatige gedraging van [appellant] jegens Grassalco sprake is. Met het vonnis van 1 april 2009 (A.R.No. 08-3823) werd namelijk beoogd de executoriale verkoop van een aan [appellant]toebehorend onroerend goed te voorkomen. Niet is gebleken dat het gelegde executoriale beslag op zich, aan [appellant]schade toebracht of dreigde toe te brengen. Daarbij moet tevens in aanmerking worden genomen dat [appellant] verder ook niet heeft aangedrongen op de spoedige opheffing van het gelegde executoriale beslag. In tegendeel heeft [appellant]7 maanden niets van zich laten horen. Onder dergelijke omstandigheden is het van Grassalco opeisen van verbeurde dwangsommen dan ook zonder redelijk doel en derhalve onrechtmatig. [appellant]wendt zijn bevoegdheid terzake slechts aan met het doel geïntimeerde financieel te schaden, althans en in ieder geval is die bevoegdheid aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend. De bevoegdheid is immers niet gebruikt als prikkel om uitvoering te geven aan de hoofdveroordeling, maar als middel om een zo hoog mogelijk geldbedrag te incasseren. [appellant] handelt aldus in strijd met hetgeen hem in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens Grassalco.

Voorts is het oordeel van de kantonrechter in lijn met artikel 611g lid 1 van het (spoedig) in te voeren nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in het bijzonder de toelichting op vermeld artikel:

“Het zou met de strekking van de dwangsom en met de billijkheid in strijd zijn, indien de schuldeiser deze nog lange tijd na de overtreding zou kunnen vorderen en, indien zij per tijdseenheid of overtreding is vastgesteld, haar bovendien door stil te zitten tot onevenredige hoogte zou kunnen doen oplopen.”

Grassalco heeft voorts haar vordering in prima niet gebaseerd op artikel 492 lid 3 jo 491 lid 1 Rv en dient daaraan voorbij te worden gegaan.

Het door [appellant] aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 22 april 1983 is evenmin van toepassing, nu dat arrest betrekking heeft op een geschil over de executie van een voorlopig uitvoerbaar ontruimingsvonnis.

Grassalco blijft er onverkort bij dat het deurwaardersexploot van 25 augustus 2009, waarbij het vonnis van 1 april 2009 zou zijn betekend nietig, althans van onwaarde is, nu daaraan een rechtsgeldige ondertekening door de deurwaarder ontbrak. Grassalco kan dan ook niet meegaan met de redenering van de kantonrechter dat de deurwaarder met de onder het exploot geplaatste krabbel dit exploot voldoende zou hebben geïndividualiseerd. Voor het verbinden van individualiseringskracht (en dus onderscheidingskracht) aan een handtekening is toch nodig dat de handtekening door derden wordt herkend als behorend tot een bepaald persoon. Ter adstructie heeft Grassalco drie recentelijk door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen vonnissen in het geding gebracht waaruit een zekere vaste gedragslijn van de rechterlijke macht bij de beantwoording van de rechtsvraag of van een rechtsgeldige ondertekening door de deurwaarder sprake is.

Grassalco concludeert tot slot dat de grief ondeugdelijk is en dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd en [appellant]niet zal worden ontvangen in het appèl, althans het gevorderde hem zal worden ontzegd.

  1. De beoordeling

8.1 Met betrekking tot de rechtsgeldigheid van het betekeningsexploot d.d. 25 augustus 2009. Het Hof stelt voorop dat van vaste jurisprudentie slechts sprake kan zijn indien een rechtsvraag door het Hof in hoogste aanleg is bevestigd en wordt gevolgd. Het Hof overweegt dat in beginsel geldt dat een handtekening leesbaar moet zijn. Dat dit vereiste als grondslag heeft dat men behoort te weten wie de handtekening heeft gesteld. Dat echter in het recht algemeen is aanvaard, dat ook indien uit de handtekening niet kan worden afgeleid wie de ondertekenaar is, deze desondanks rechtsgeldig is, indien de steller die handtekening bestendig gebruikt om zich te identificeren en bovendien op het geschrift is vermeld wie de ondertekenaar is of indien dit laatste niet het geval is, uit het geschrift kan worden afgeleid wie de ondertekenaar is. Naar het oordeel van het Hof voldoet het gewraakte betekeningexploot aan deze criteria. Het verweer gaat derhalve niet op.

8.2 Met betrekking tot de grief neerkomend op misbruik van executie bevoegdheid.

Het Hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. De betreffende partij mag die bevoegdheid om tot executie over te gaan echter niet misbruiken. Van een dergelijk misbruik kan sprake zijn indien de bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Ook kan van misbruik van bevoegdheid sprake zijn indien de betrokken partij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen.

Dienovereenkomstig is in de vaste rechtspraak aanvaard dat de rechter slechts dan de tenuitvoerlegging van een vonnis kan schorsen indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan, dan wel indien hij misbruik maakt van de bevoegdheid tot executie. Hiervan kan met name sprake zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien ná het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat de executie klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis wordt ten uitvoer gelegd, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (zie HR 22 april 1983, NJ 1984, 145; HR 24 februari 1989, NJ 1989, 551; HR 30 oktober 1992, NJ 1993, 4).

Indien dergelijke omstandigheden zich niet voordoen, is de rechter in een executiegeschil als het onderhavige gebonden aan de beslissingen die door de rechter in het te executeren vonnis zijn gewezen. Dit uitgangspunt brengt bovendien mee dat de enkele mogelijkheid dat een hoger beroep kans van slagen heeft of het enkele feit dat aan de zijde van de geëxecuteerde een noodsituatie zal ontstaan bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van een vonnis, geen omstandigheden zijn op grond waarvan geoordeeld kan worden dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij tenuitvoerlegging van een vonnis.

De overweging van de kantonrechter dat voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van misbruik van executiebevoegdheid van belang is het doel en de strekking van het vermelde vonnis van 01 april 2009 (A.R.no.08-3823), geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Immers, was de dwangsom in casu bedoeld als prikkel om de executoriale verkoop van het aan [appellant] behorend onroerend goed door Grassalco te stuiten en het executoriaal beslag daarop te doen opheffen. Hoewel [appellant] vanaf 02 september 2009 bevoegd was om tot executie van het vonnis van 01 april 2009 (A.R. no.08-3823) over te gaan, heeft hij er voor gekozen om te wachten tot 25 maart 2010, bijkans 7 maanden later om wederom actie te ondernemen, namelijk een aanmaning te sturen inhoudende een bevel tot betaling van de inmiddels tot SRD 1.025.000,- opgelopen dwangsommen en de opheffing van het opgelegde beslag. Een dergelijke houding van [appellant] teneinde de dwangsom te doen oplopen is onverenigbaar met het spoedeisend belang dat hij had om een vonnis bij de Kort Geding rechter uit te lokken om tot opheffing van het gelegde beslag te geraken. Had [appellant] werkelijk spoedeisend belang bij de opheffing van het gelegde beslag, dan had het in de lijn der verwachtingen gelegen om korte tijd nadat het vonnis was gewezen Grassalco aan te manen. Door dat na te laten is de dwangsom tot een hoog bedrag opgelopen en wel dermate hoog dat gelet op de gegeven omstandigheden onverkorte executie van de verbeurde dwangsommen misbruik van bevoegdheid oplevert. Immers, had [appellant]- in aanmerking nemende de evenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad – niet tot die uitoefening kunnen komen. Daarnevens brengt de redelijkheid en billijkheid ook mee dat [appellant] de schade die Grassalco zou oplopen door het oplopen van de dwangsom diende te beperken, hetgeen hij niet heeft gedaan. Het belang van [appellant] bij de opheffing van het beslag afgewogen tegenover de schade die Grassalco lijdt, is disproportioneel. Een en ander brengt met zich mee dat de grief van [appellant] faalt en het beroepen vonnis onder aanvulling van gronden dient te worden bevestigd.

8.3 [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in hoger beroep worden veroordeeld in de proceskosten zoals nader begroot in de beslissing.

  1. De beslissing in Hoger Beroep

Het Hof:

9.1 Bevestigt het vonnis d.d. 27 mei 2010 (A.R.No. 10-1834) waarvan beroep onder aanvulling van gronden.

9.2 Veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van Grassalco gevallen en tot aan de uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 02 mei 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. A. Charan w.g. S.C. Berenstein

Partijen , appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens zijn gemachtigde, advocaat mr. G.R. Sewcharan en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C.A. Bleau namens zijn gemachtigde, advocaat mr. B.A. Halfhide, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-29

GR- 14767

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellante],
ten deze domicilie kiezende aan [adres 1] [Wijk] te [plaats],
appellante in kort geding,
procederende in persoon,

tegen

RAVIN CONSTRUCTION N.V.,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudend aan de Wagenwegstraat nr. 81 te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 17 mei 2012 (A.R.NO. 121210) tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • Het schrijven van appellante gedateerd 22 mei 2012 –ingekomen ter griffie van het hof op 23 mei 2012- waaruit blijkt dat zij hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 17 mei 2012;
  • De pleitnota, onder overlegging van een productie, de dato 03 mei 2013;
  • De antwoordpleitnota en uitlating productie de dato 16 augustus 2013;
  • De repliekpleitnota, onder overlegging van producties, de dato 04 oktober 2013;
  • De dupliekpleitnota en uitlating producties de dato 06 december 2013;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 04 april 2014 doch nader op heden;

De beoordeling

  1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

Appellante heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat gedaagde –thans geïntimeerde- zal worden gelast om met onmiddellijke ingang of binnen een door de kantonrechter vastgestelde tijd alle activiteiten op het terrein van [adres 2] stop te zetten en dat het haar zal worden verboden activiteiten van welke aard dan ook te ontplooien op het terrein gelegen aan [adres 2] te [plaats], in het bijzonder alle bouw en sloopactiviteiten. Voorts vordert zij dat gedaagde –thans geïntimeerde- zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van SRD. 1.000.000,= voor elke dag of keer dat zij in gebreke blijft te voldoen aan het vonnis althans zodanig bedrag door de kantonrechter te bepalen. Eveneens vordert zij veroordeling van gedaagde –thans geïntimeerde- tot betaling van alle kosten welke door haar toedoen zijn ontstaan, met het verzoek aan de kantonrechter om aan eiseres –thans appellante- toe te staan deze kosten nader te mogen doen opmaken bij staat. Daarnaast wordt gevorderd dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard en gedaagde –thans geïntimeerde- zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

  1. De kantonrechter heeft bij vonnis van 17 mei 2012 –zakelijk weergegeven- de gevraagde voorziening geweigerd en eiseres –thans appellante- in de gedingkosten veroordeeld;
  2. Appellante heeft blijkens de aantekening van de griffier bij schrijven gedateerd 22 mei 2012 –ingekomen ter griffie van het hof op 23 mei 2012- appèl aangetekend tegen het vonnis van 17 mei 2012. Uit voormeld vonnis blijkt dat appelante in persoon bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest. Gelet op het voorgaande heeft appellante ingevolge het bepaalde in artikel 235 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep;
  1. Appellante heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende –ook in hoger beroep- vast tussen partijen:
    1. Appellante is mede-erfgenaam van het onroerend goed gelegen aan [adres 2] te [plaats] (het onroerend goed);
    2. De overige gerechtigden van het onroerend goed hebben hun 4/5 deel onverdeeld aandeel in het onroerend goed aan gedaagde verkocht;
  1. Naast voormelde vaststaande feiten heeft appellante – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep ten aanzien van geïntimeerde van belang – aan haar vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat zij voor 1/5 deel mede-erfgenaam is in de nalatenschap van [Naam 1] en [naam 2]. Tot de gehele nalatenschap behoren, onder andere, het pand “[adres 2]” bekend als [adres 2] te [plaats] inclusief de vruchten daaruit en de onverdeelde oostelijke helft van de [plaats 2]. Helaas heeft zij moeten ervaren dat de overige mede-erfgenamen heimelijk hun 4/5 onverdeelde aandeel in het onroerend goed, gelegen aan [adres 2] hebben verkocht aan gedaagde –thans geïntimeerde- echter zonder dat iemand – ook niet appellante of geїntimeerde- weet, welk deel aan wie behoort, aangezien met het proces van scheiding en deling van de gehele nalatenschap bij de notaris, maar net een aanvang was gemaakt en er geen scheiding en deling had plaatsgehad in het bijzonder niet van het bewuste onroerend goed. Dat alleen al op grond van het bovenstaande de levering rechtsgeldigheid mist en dus geїntimeerde geen rechten op het onroerend goed kan doen gelden. Dat bovendien een erfgenaam niet tot partiele scheiding en deling mag worden gedwongen en erfgenamen elkaars positie niet mogen verzwaren doch in tegendeel in hoge mate rekening met elkaar moeten houden. Weshalve in casu de overige mede-erfgenamen zich schuldig maken aan schending van rechtsnormen en regels. Dat geїntimeerde misbruik maakt van de onrechtmatige gedragingen van deze mede-erfgenamen om appellante te dwingen haar aandeel aan geїntimeerde te verkopen tegen een door de mede-erfgenamen samen met geїntimeerde vooraf afgesproken prijs en voorwaarden, zodoende proberend de rechten van appellante te elimineren notabene terwijl andere kopers een gunstiger aanbod deden ;
  1. Geïntimeerde heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang – aangevoerd bij wege van formeel verweer dat eiseres –thans appellante- niet ontvankelijk moet worden verklaard voor het gevorderde onder a, b en c. Het gevorderde onder a is zoals het geformuleerd is te kwalificeren als een vordering voor een definitieve voorziening. Eiseres –thans appellante- vordert de onmiddellijke stopzetting van alle activiteiten op het perceel aan [adres 2]. Echter zal het, zoals dit is geformuleerd, een voorziening betreffen welke tot het oneindige zal voortduren. Bij wege van materieel verweer heeft geїntimeerde aangevoerd dat het een pertinente onwaarheid is dat de oostelijke helft van de [plaats 2] nog deel uitmaakt van de nalatenschap. De [plaats 2] is namelijk reeds jaren geleden partieel gescheiden en gedeeld en maakt dus geen deel meer uit van de nalatenschap. Nu vaststaat dat het perceelland aan de [adres 2] de totale nalatenschap omvat breng dit met zich mede dat de mede-erfgenamen wel degelijk beschikkingsbevoegd waren en is er in casu dus absoluut geen sprake (geweest) van dwang tot partiële scheiding en deling of enige ander onrechtmatig handelen terzake. Uit de door appellante ten processe overgelegde productie “Kraan/Jadnanansingh pag. 143” blijkt dat voor zover de mede-erfgenamen geen bezwaar hebben tegen de overdracht van aandelen aan een derde dan is de overdracht van de aandelen zeker mogelijk. Voorts zegt Kraan eveneens dat het in Suriname vrijwel bestendig gebruik is dat erfgenamen hun onverdeelde aandelen verkopen en overdragen aan derden. In casu hebben 4 van de 5 erfgenamen uitdrukkelijk hun toestemming gegeven voor de overdracht van hun aandelen aan geїntimeerde. De mede-erfgenamen waren dus bevoegd om ondanks appellante bezwaar zou kunnen hebben, hetgeen zij niet kenbaar heeft gemaakt overigens, hun onverdeeld aandeel aan geїntimeerde te verkopen en over te dragen;
  1. In hoger beroep concludeert appellante – kort samengevat- tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en opnieuw rechtdoende de vorderingen van appellante in eerste aanleg toe te wijzen en voorts geïntimeerde te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties;
  1. Daartoe heeft appellante –zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de kantonrechter met voorbijgaan aan de essentiële stellingen van appellante in eerste aanleg, ten onrechte en op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat appellante niet te goeder trouw een beroep kan doen op de hoofdregel terzake de beschikkingsonbevoegdheid van de overige mede-erfgenamen m.b.t. de verkoop van hun aandeel in het onroerend goed aan gedaagde (nu geїntimeerde). Ten tweede heeft appellante –zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de kantonrechter onterecht heeft geconcludeerd dat geїntimeerde (destijds gedaagde) mede-gerechtigde is in het onroerend goed en dienovereenkomstig wel bevoegd is om rechtshandelingen te plegen op het bewuste goed. Ten derde heeft appellante –zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de kantonrechter totaal is voorbij gegaan aan de belangen van appellante, onder andere, door geen aandacht te besteden aan de door appellante verstrekte achtergrondinformatie en door na te laten het verband te leggen tussen de ratio van het verbod tot partiële scheiding en deling en het gedrag van de 4 overige erfgenamen (en geїntimeerde) ten opzichte van appellant; in het byzonder ten aanzien van de vereffening van de schuld en het afleggen van rekening en verantwoording met betrekking tot de exploitatie van het litigieuze pand. Ook heeft de kantonrechter verzuimd dit mee te nemen in de beoordeling;

     

    Geïntimeerde heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop –in het hierna volgende voor zover voor de beslissing van belang- terug komen;

  1. Geїntimeerde heeft als formeel verweer in hoger beroep bij dupliekpleidooi aangevoerd dat appellante in onderhavige zaak geen memorie van grieven heeft ingediend en alzo haar recht heeft verspeeld om nieuwe weren en feiten aan te dragen in appel. Geïntimeerde heeft moeten constateren dat appellante bij haar repliekpleidooi met nieuwe weren is gekomen en ook nieuwe producties, welke zij niet in eerste aanleg heeft aangedragen. Dit is in strijd met de processuele regels in appèlzaken. Geïntimeerde heeft het hof derhalve uitdrukkelijk verzocht voorbij te gaan aan alle door appellante bij repliek aan het hof overgelegde producties en de weren die zij daaraan heeft gekoppeld. Naar het oordeel van het hof is het in strijd met de processuele regels om pas bij dupliekpleidooi formeel verweer te voeren. Immers komt de zaak daarna in staat van wijzen te verkeren als er geen producties worden overgelegd bij het dupliekpleidooi. Er bestaat derhalve geen gelegenheid voor appellante om op dat formeel verweer een reactie te geven. Daarenboven bestaat er ingevolge de wet geen verplichting voor de appellante om een memorie van grieven in te dienen en brengt de devolutieve werking van het hoger beroep met zich mede dat de zaak in tweede instantie integraal opnieuw wordt bekeken. Gelet op al het voorgaande zal het hof voorbijgaan aan het formeel verweer van geïntimeerde;
  1. Het hof zal thans overgaan tot bespreking van de grieven van appellante. Gelet op de samenhang tussen de grieven zal het hof deze niet afzonderlijk bespreken maar gezamenlijk aan een bespreking onderwerpen. Appellante schijnt moeite te hebben met hetgeen de kantonrechter in het beroepen vonnis onder de rechtsoverwegingen 4.3.en 4.4. heeft overwogen. In het hierna volgende volgt een citaat daarvan, te weten (begin citaat) “ 4.3.Ervan uitgaande dat het betwiste onroerend goed niet het enige goed is in de nalatenschap overweegt de kantonrechter het volgende. Alhoewel eiseres stelt dat zij geen toestemming heeft verleend tot de door de overige erfgenamen en gedaagde verrichte rechtshandeling met betrekking tot de verkoop van het onroerend goed heeft zij niet ontkend dat ook zij bezig was te onderhandelen met gedaagde over de verkoop van haar aandeel in het genoemd onroerend goed, ook al is het pas na 1 jaar na de onderhandeling van gedaagde met de overige mede-erfgenamen. De verkoop tussen haar en gedaagde is echter gestrand omdat partijen geen overeenstemming konden bereiken over de koopsom. Nu de onderhandeling is misgelopen kan eiseres, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, niet te goeder trouw een beroep doen op de hoofdregel terzake de beschikkingsonbevoegdheid van de overige mede-erfgenamen met betrekking tot de verkoop van hun aandeel in het onroerend goed aan gedaagde. Op grond van het voorgaande concludeert de kantonrechter dat gedaagde medegerechtigde is in het onroerend goed en dienovereenkomstig wel bevoegd is om rechtshandelingen te plegen op het onroerend goed. Indien eiseres meent schade te lijden door de handelingen van gedaagde op het onroerend goed, zal zij gedaagde moeten aanspreken tot vergoeding van de door haar geleden schade. De kantonrechter zal hierover niet uitweiden, nu de onderhavige vordering niet gericht is daarop” (einde citaat). De redenering van appellante is –kort gezegd- dat geїntimeerde het 4/5 aandeel overdeeld in het litigieus onroerend goed heeft gekocht van haar overige 4 mede-erfgenamen doch dat die mede-erfgenamen beschikkingsonbevoegd waren om hun onverdeeld aandeel zonder toestemming van appelante te verkopen en over te dragen. Immers hebben zij daardoor –aldus appellante- een partiële scheiding en deling bewerkstelligt hetgeen rechtens ongeoorloofd is. Daardoor heeft geïntimeerde van beschikkingsonbevoegden gekocht en geleverd gekregen en is zij geen eigenaar noch mede-eigenaar geworden van het 4/5 deel van het litigieuze onroerend goed en kan zij derhalve ook geen rechten uitoefenen;
  1. Naar het oordeel van het hof gaan de door appellante aangevoerde grieven niet op. Ingevolge de rechtsliteratuur (vide mr. C.R. Jadnanansing/mr. C.A. Kraan, Hoofdlijnen van het Surinaamse erfrecht, 1998 blz. 142 e.v.) moet in beginsel worden aangenomen dat de erfgenaam niet over zijn aandeel in een bepaalde tot de nalatenschap behorende zaak kan beschikken. Dit vloeit voort uit artikel 365 WvBRv en is ook bevestigd door het arrest van de Hoge Raad van 14 november 1969, NJ 1970, 283 (Turfschuur). Dit verbod is gegeven ter bescherming van de mede-erfgenamen en is daarom geen absoluut verbod. Indien de mede-erfgenamen geen bezwaar tegen de overdracht hebben dan is overdracht mogelijk. Bestaat de nalatenschap nog slechts uit èèn zaak, dan is aan het verbod de grond ontvallen. Naar het oordeel van het hof wordt voornoemd verbod als uitgangspunt gehanteerd; echter kunnen de concrete omstandigheden van een geval maken dat afgeweken wordt van voormeld uitgangspunt. Immers heeft de kantonrechter in eerste aanleg terecht overwogen dat de rechtsverhouding tussen de erfgenamen mede beheerst wordt door de goede trouw. In dit kader kan er – naar het oordeel van het hof – vanuit worden gegaan dat de toestemming tot de overdracht stilzwijgend is verleend indien de erfgenamen wel uit de onverdeeldheid willen geraken, maar afzien van het onderling ondernemen van acties daartoe, omdat zij geen van allen het initiatief tot de scheiding en deling wensen te nemen. Het hof komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat er in casu sprake is van een uitzondering op de hoofdregel zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen en kan uit het handelen van appellante worden afgeleid dat zij stilzwijgend toestemming heeft verleend voor de litigieuze verkoop en overdracht door de mede-erfgenamen;
  1. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroepen vonnis dient te worden bevestigd, onder aanvulling van de motivering zoals hiervoor aangegeven;
  1. Appellante zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van geïntimeerde in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis;

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding de dato 17 mei 2012, A.R.No. 121210, waarvan beroep, onder aanvulling van de motivering zoals hiervoor onder rechtsoverweging 1.11 aangegeven;

Veroordeelt appellante in de kosten van het geding aan de zijde van geïntimeerde in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. M.V. Kuldip Singh, Leden-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 20 juni 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, gemachtigde van geïntimeerde advocaat mr. R. Mahabir-Baldew namens advocaat mr. dr. J. van Dijk-Silos, terwijl appellante in persoon ter terechtzitting is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-28

G.R. No. 14683
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

  1. [Appellant sub A],
  2. [Appellant sub B],
  3. [Appellant sub C],
  4. [Appellant sub D],
  5. [Appellant sub E],
  6. [Appellant sub F],
  7. [Appellant sub G],
  8. [Appellant sub H],
  9. [Appellant sub I],

allen wonende te [plaats],
appellanten, hierna aangeduid als “[appellanten]”,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],

wonende te [plaats],
geїntimeerde, hierna aangeduid als “[geïntimeerde] ”,
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 25 augustus 2011 (A.R. No. 11-2068) tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellanten] op 06 september 2011 hoger beroep hebben ingesteld;
  • de pleitnota de dato 01 juni 2012;
  • het antwoordpleidooi de dato 05 oktober 2012;
  • het repliekpleidooi, onder overlegging van producties, de dato 02 november 2012;
  • het dupliekpleidooi en uitlating producties de dato 15 maart 2013;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 19 juli 2013, doch nader op heden.

De beoordeling

  1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

[appellanten] hebben in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd om hen, althans [appellant sub A] en [appellant sub B] te machtigen een vergadering van het Hoofdbestuur van de Politieke Vereniging Nieuw Suriname bijeen te roepen en te houden ter behandeling van de in het inleidend verzoekschrift onder punt 3 weergegeven agenda en daartoe een convocatie te doen uitgaan welke slechts is getekend door de voorzitter danwel door alle eisers – thans appellanten ([appellanten]) – e.e.a. onder de door de Kantonrechter te stellen voorwaarden. Verder hebben [appellanten] gevorderd om [geïntimeerde] – thans geїntimeerde – te bevelen om voormelde beslissing te gehengen en te gedogen onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag, indien hij in strijd met deze beslissing handelt. Daarnaast wordt gevorderd dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard en [geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

  1. De Kantonrechter heeft bij vonnis van 25 augustus 2011 – zakelijk weergegeven – de gevraagde voorziening geweigerd en [appellanten] in de gedingkosten veroordeeld.
  2. [appellanten] hebben blijkens de aantekening van de griffier bij schrijven van hun gemachtigde gedateerd 06 september 2011 appèl aangetekend tegen het vonnis van 25 augustus 2011. Uit voormeld vonnis blijkt dat partijen noch in persoon, noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig waren. Gelet op het voorgaande hebben [appellanten] ingevolge het bepaalde in artikel 235 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk zijn in het ingesteld hoger beroep.
  1. [appellanten] hebben geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het Hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende – ook in hoger beroep – vast tussen partijen:
    1. “Nieuw Suriname” is een in Paramaribo zetelende politieke vereniging;
    2. [Appellant sub A] en [appellant sub B] zijn respectievelijk voorzitter en penningmeester van het Hoofdbestuur van deze vereniging en [geïntimeerde] is de eerste secretaris;
    3. Behalve [appellanten] maken ook andere, in dit proces niet bij name genoemde, personen deel uit van het Hoofdbestuur van “Nieuw Suriname”;
    4. Het Dagelijks Bestuur wordt gevormd door de voorzitter, ondervoorzitter(s), secretaris en penningmeester; het Dagelijks Bestuur vertegenwoordigt de Partij in en buiten rechte, waarbij alle uitgaande correspondentie ondertekend dient te worden door de voorzitter en de secretaris.
  1. Naast voormelde vaststaande feiten hebben [appellanten] – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang – aan hun vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] misbruik maakt van zijn positie van secretaris door te weigeren mee te werken aan het oproepen van een vergadering van het Hoofdbestuur van “Nieuw Suriname”, terwijl artikel 10 lid 4 van de Statuten van “Nieuw Suriname” voorschrijft dat alle uitgaande correspondentie door de voorzitter en de secretaris dient te worden ondertekend.
  1. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang – aangevoerd bij wege van formeel verweer dat [appellanten] niet ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vordering.

Daartoe heeft hij aangevoerd – kort gezegd – dat [appellanten] de vordering in persoon hebben ingesteld en dat zij geen persoonlijk recht hebben om vergaderingen van het Hoofdbestuur bijeen te roepen en te beleggen.

  1. In hoger beroep concluderen [appellanten] – kort samengevat – tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en opnieuw rechtdoende de vorderingen van hen in eerste aanleg toe te wijzen en voorts [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.
  1. Daartoe hebben [appellanten] – zakelijk weergegeven – de volgende grieven aangevoerd.

1e grief:

Ten onrechte heeft de Kantonrechter in het vonnis van 25 augustus 2011 overwogen dat:

“4.5 Het komt de kantonrechter voor dat alvorens een vergadering kan worden opgeroepen (geconvoceerd) er eerst een besluit moet zijn voor het bijeenroepen van die vergadering, welk besluit ingevolge artikel 10 lid 7 van de Statuten slechts door het Hoofdbestuur kan worden genomen met inachtneming van het 6e lid van voormeld artikel. Artikel 10 lid 10 van de Statuten is ten deze niet relevant aangezien dit artikel betrekking heeft op het oproepen van vergaderingen van het hoofdbestuur. Aangezien door het hoofdbestuur geen besluit is genomen tot het bijeenroepen van een vergadering van het hoofdbestuur en voorts niet is gebleken dat het dagelijks bestuur van de vereniging – bestaande uit de eisers sub a en b, de gedaagde en de twee, niet in dit proces betrokken, ondervoorzitters – aan het hoofdbestuur kenbaar heeft gemaakt een vergadering van het hoofdbestuur noodzakelijk te achten, is er geen grondslag voor het oproepen (convoceren) van zulk een vergadering, op grond waarvan aan gedaagde, in zijn hoedanigheid van secretaris van de vereniging, geen verwijt treft dat hij weigert zijn medewerking te verlenen aan de oproep van de door eisers gewenste vergadering. (…).”

Hetgeen de Kantonrechter ter zake heeft overwogen staat niet in de Statuten of de wet en wordt evenmin gedragen door het algemeen verenigingsrecht. De redenering van de Kantonrechter komt er op neer dat het Hoofdbestuur nimmer zou kunnen vergaderen, zolang ditzelfde Hoofdbestuur niet een besluit heeft genomen om te vergaderen. Immers zou in die redenering ook voor het houden van een vergadering om het besluit tot vergaderen te nemen eerst een besluit van het Hoofdbestuur vereist zijn.

2e grief:

Ten onrechte overweegt de Kantonrechter dat artikel 10 lid 10 der Statuten niet relevant zou zijn. De vordering heeft immers betrekking op het bijeenroepen van een Hoofdbestuursvergadering. Artikel 10 lid 10 van de Statuten handelt juist en zelfs uitsluitend daarover.

3e grief:

Ten onrechte overweegt de Kantonrechter voorts dat het Hoofdbestuur uitsluitend tot het houden van een bestuursvergadering kan besluiten als het Dagelijks Bestuur zulks noodzakelijk acht.

Volgens artikel 10 lid 7 kan het Hoofdbestuur in het daarin genoemd geval vergaderen, doch sluit niet uit dat ook in andere gevallen vergaderd kan worden.

  1. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep verweer gevoerd en het Hof zal daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terugkomen.
  1. Het Hof zal thans overgaan tot bespreking van de grieven van [appellanten] Gelet op de samenhang tussen de grieven zal het Hof deze niet afzonderlijk bespreken maar gezamenlijk aan een bespreking onderwerpen.

Het Hof overweegt als volgt: Ingevolge het bepaalde in artikel 10 lid 7 van de Statuten van de Politieke Vereniging “Nieuw Suriname” kan het Hoofdbestuur vergaderingen bijeenroepen zodra het Dagelijks Bestuur dit noodzakelijk acht. Verder is in artikel 10 lid 10 van de Statuten bepaald dat de oproeping der leden tot de vergadering van het Hoofdbestuur schriftelijk geschiedt en wel uiterlijk 10 (tien) dagen voorafgaande aan de Hoofdbestuursvergaderingen. De wet bevat omtrent de wijze van bijeenroeping van een vergadering geen voorschriften. De statuten zijn derhalve vrij in hun regeling. De oproep zal in ieder geval de plaats, de datum en het aanvangstijdstip van de vergadering moeten inhouden (zie van Hengstum en van Steenderen, Het Nieuwe Verenigingsrecht, tweede herziene druk, 1979, pagina 141 e.v.). Hieruit volgt dat ook in de literatuur een onderscheid wordt gemaakt tussen het bijeenroepen van een vergadering en het oproepen tot een vergadering. Het onderscheid dat door de Kantonrechter in eerste aanleg is gemaakt, getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting. Naar het oordeel van het Hof gaat het in deze om twee begrippen met elk een eigen betekenis. Onder bijeenroepen wordt verstaan het door het Hoofdbestuur te nemen besluit om op een bepaalde plaats en tijdstip over bepaalde onderwerpen met de leden te vergaderen (de Hoofdbestuursvergadering). Het Hoofdbestuur heeft krachtens artikel 10 lid 7 van de Statuten de bevoegdheid tot het bijeenroepen van een vergadering. Het Hoofdbestuur doet – indien het het besluit daartoe heeft genomen – de leden oproepen teneinde deel te nemen aan deze vergadering. Dit betekent dat indien het Hoofdbestuur geen besluit heeft genomen teneinde een vergadering te beleggen, er daartoe niet kan worden overgegaan. Om de verenigingsdemocratie binnen de vereniging te versterken is aan het Dagelijks Bestuur in artikel 10 lid 7 van de Statuten de mogelijkheid geboden om aan het Hoofdbestuur het verzoek te doen om een Hoofdbestuursvergadering te beleggen. Niet is gebleken dat het Dagelijks Bestuur van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Nu gebleken is dat het Hoofdbestuur geen besluit heeft genomen om een vergadering te beleggen en het Dagelijks Bestuur daartoe aan het Hoofdbestuur ook geen verzoek heeft gedaan, is het duidelijk dat er dan ook geen reden is geweest om de leden ingevolge artikel 10 lid 10 van de Statuten op te roepen.

  1. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de door [appellanten] ingediende grieven falen en het beroepen vonnis dient te worden bevestigd.
  1. [appellanten] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding de dato 25 augustus 2011, A.R. No. 11-2068, waarvan beroep.

Veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden-Plaatsvervanger, en

w.g. A. Charan

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 04 juli 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van appellanten, en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C.A. Bleau namens advocaat mr. M.I. Vos, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2002-7

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-468
M.H. M.HA – 470

[Verzoeker], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende aan de Koninginnestraat no.10, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name Het Ministerie van Justitie en Politie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende in haar Parket aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.Kraag, advokaat,
verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Betalend Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 2 november 2001 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat verweerder in de enquête drie getuigen heeft doen horen, terwijl verzoeker in de contra enquête twee getuigen heeft doen horen, hebbende die getuigen verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna een – hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusie na gehouden enquête heeft genomen;

Overwegende, dat partijen vervolgens vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 4 oktober 2002, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 2 november 2001 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat verweerder teneinde het van hem verlangde bewijs te leveren een aantal getuigen heeft doen horen te weten [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] en tevens tijdens het verhoor van [getuige 4] heeft doen overleggen een drietal processen-verbaal daterend van 7 februari 2000, 7 februari 2000 en 15 februari 2000;

Overwegende, dat in één der processen-verbaal, daterend van 7 februari 2000 is gerelateerd de verklaring van [gedetineerde] geheten terwijl elk van de twee andere processen-verbaal verklaringen bevatten van [gedetineerde 2];

Overwegende, dat het Hof bespreking van de verklaringen van de getuigen van [getuige 1] en [getuige 2] zo ook van [getuige 5] in het midden zal laten omdat die verklaringen omtrent het bewijsthema niets terzake dienende inhouden;

Overwegende, dat het Hof op grond van de verklaringen van de [getuige 3] en [getuige 4], in onderling verband en samenhang beschouwd, gevoegd bij de processen-verbaal, daterend van 7 en 15 februari 2000 en houdende verklaringen van de [gedetineerde 2], bewezen acht en tussen partijen als rechtens vaststaand aanneemt, dat verzoeker van de [gedetineerde 2] op 6 februari 2000 ter leen heeft ontvangen een bedrag van Sf.70.000,–; dat, omdat terugbetaling van dit bedrag door verzoeker aan [gedetineerde 2] uitbleef, verzoeker op voorstel van [gedetineerde 2] aan [gedetineerde 2] zijn, – verzoekers,-vingerring van geel metaal gaf als zekerheid voor de terugbetaling door verzoeker aan [gedetineerde 2] van het bedrag van Sf.70.000,–;

Overwegende, dat de toedracht van hetgeen zich op 6 februari 2000 voltrokken heeft rond de door de [gedetineerde 2] aan verzoeker verstrekte lening van het bedrag van Sf.70.000,– niet op waarachtige wijze weergegeven is in de beschikking van 19 juni 2000 No.1087 van de Minister van Justitie en Politie, waarbij aan verzoeker de tuchtstraf van ontslag is opgelegd;

Overwegende toch, dat niet waar is dat verzoeker een vingerring van geel metaal heeft achtergelaten voor de [gedetineerde 2]. welke als borgsom moest dienen voor een geleend geldsbedrag van Sf.70.000,–;

Overwegende, dat het Hof dan ook van oordeel is, dat aan de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 19 juni 2000 No.1087, voor wat betreft de reden van ontslag van verzoeker een ondeugdelijke motivering ten grondslag ligt en dat op grond hiervan al voormelde beschikking niet in stand kan blijven en vernietigd dient te worden;

Overwegende, dat nu vernietiging van de ontslagbeschikking herleving van de rechtsrelatie tussen partijen tot gevolg heeft, ontgaat het het Hof geheel welk belang verzoeker heeft bij de mede gevorderde veroordeling van verweerder tot betaling aan verzoeker van zijn salaris vanaf 19 juni 2000;

Overwegende, dat het Hof dan ook beslissen zal als in het dictum te melden;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Vernietigt de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 19 juni 2000 No.1087;

Wijst af het meer of anders gevorderde;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Waarnemend-President, Mw.Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, Lid en Mr.I.H.M.H.RASOELBAKS, Lid-Plaatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 15 november 2002, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.Van Genderen-Relyveld w.g.J.R.Von Niesewand

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat, Mr.A.R.Baarh en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.D.Kraag namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.Kraag, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2002-6

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
M.H. M.HA – 442

A-442

[Verzoekster], wonende te [district] aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Koninginnestraat no.10, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.A.R.Baarh, advokaat,
verzoekster,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Handel en Industrie, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal, kantoorhoudende te Paramaribo ten Parkette aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.Kraag, advokaat,
verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Betalend Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Verzoekster wenst de volgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Handel en Industrie, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal, kantoorhoudende te Paramaribo te harer Parkette aan de Gravenstraat no.3, verweerder;
  2. Verzoekster is ambtenaar in de zin van de Personeelswet en werkzaam bij de Dienst Prijsstabilisatie in de functie van Ambtenaar A 1e klasse in vaste dienst tegen een salaris in November 1998 ten bedrage van bruto Sf.111.090,– minus inhoudingen van sf.30.958,– zodat verzoekster netto ontving een bedrag van sf.80.132,–.
  3. Verzoeker (lees: Verzoekster) is bij beschikking van de Minister van Handel en Industrie d.d. 04 juni 1999 no.282 P2 217 te rekenen van 06 april 1999 oneervol ontslag uit staatsdienst verleend.
  4. Deze beschikking is nietig c.q. vernietigbaar omdat de verweerder heeft verzuimd verzoekster in de gelegenheid te stellen zich te verweren ex artikel 63 lid 2 P.W., waardoor een belangrijk beginsel van behoorlijk bestuur n.l. anditur et alterem partem is geschonden.
  5. De onderhavige beschikking heeft verzoekster onlangs en wel op 29 December 1999 ontvangen waardoor zij nu pas daartegen in rechte kan komen.
  6. Bovendien is het ontslag van verzoekster met terugwerkende kracht aan haar verleend hetgeen in strijd is met het beginsel van de rechtszekerheid.
  1. Verzoekster heeft vanaf December 1998 geen salaris ontvangen, hoewel zij zich na haar detentie herhaaldelijk voor het verrichten van werkzaamheden heeft aangemeld bij haar dienstonderdeel. Verzoekster is kostwinner, n.l. alleenstaande moeder van 3(drie) kinderen, die allen schoolgaand zijn.
  1. Verzoekster vindt de aan haar opgelegde straf onevenredig zwaar in vergelijking met het door haar gepleegde strafbare feit. Bovendien heeft de verweerder het evenredigheids en gelijkheidsbeginsel overtreden, omdat andere ambtenaren die een strafbaar feit hebben gepleegd, het strafbare feit hebben erkend, maar door allerlei omstandigheden hun zaak niet voor de rechter is gekomen, niet zijn ontslagen maar in rang c.q. funktie zijn terug gesteld.
  2. Verzoekster maakt aanspraak op salaris over de periode 19 december 1998 tot en met 06 april 1999 zijnde de periode van voorlopig arrest op grond van de resolutie van 27 november 1965 no.12192 G.B.1965 no.129, paragraaf 1 sub f en wel voor de helft. Aangezien het ontslag niet conform de P.W. is gevolgd maakt verzoekster aanspraak op haar vol salaris vanaf 06 april 1999 tot de dag waarop het dienstverband op regelmatige wijze zal worden c.q.zijn beëindigd.

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

met het eerbiedig verzoek:

Primair:

  1. dat zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard de beschikking van de Minister van Handel en Industrie d.d. 04 juni 1999 no.282 P.Z. 217;
  2. dat verweerder zal worden veroordeeld om aan verzoekster te betalen;
  3. de helft van haar salaris over de periode 19 december 1998 tot en met 06 april 1999.
  4. het volle salaris vanaf 06 april 1999 tot het dienstverband op regelmatige wijze zal zijn geëindigd.

Subsidiair:

  1. dat de beschikking van de Minister van Handel en Industrie d.d. 04 juni 1999 no.282 P.Z. 217 zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard in dier voege dat het aan verzoekster verleende oneervol ontslag wordt omgezet in een schorsing voor een door Uw Hof in goede justitie te bepalen termijn al dan niet met inhouding van het salaris gedurende de periode van schorsing.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd; dat hij als verweer zoals de Wet dat verplicht U bij deze doet toekomen een fotokopie van een schrijven, afkomstig van de Direkteur van het Ministerie van Handel en Industrie, gedateerd 18 april 2000 naar de inhoud waarvan ter bekorting wordt verwezen met het verzoek die inhoud hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen en tevens met het verzoek de onderhavige zaak dienovereenkomstig te willen doen afhandelen;

Overwegende, dat ingevolge s’ Hofs beschikking van 2 januari 2002 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen, verzoekster in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde advokaat Mr.A.R.Baarh, advokaat Mr.J.Kraag, gemachtigde van de Staat Suriname en Mevrouw R.Burleson namens verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 1 maart 2002 – ten dage voor uitlating zijdens partijen bepaald – advokaat Mr.M.Tjon Jaw Chong namens advokaat Mr.J.Kraag een produktie heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoekster hierna een schriftelijke conclusie tot uitlating en incidentele conclusie tot wijziging van eis heeft genomen, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder vervolgens een antwoord pleidooi in de hoofdzaak en in het incident heeft genomen, hebbende hij tevens een produktie overgelegd, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produktie hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoekster tenslotte een repliek pleidooi in de hoofdzaak en in het incident heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in het incident heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

In het incident:

Overwegende, dat het Hof vooraf opmerkt dat onder “eis” in de ‘zin’ der wet moet worden begrepen: datgene wat gevorderd wordt, het petitum, en de feitelijke gronden waarop de vordering berust (zie Doek c.s. aant.2 op artikel 134 Rv);

Overwegende, dat verzoekster blijkens de daartoe strekkende conclusie de dato 15 maart 2002, waarvan de inhoud als hier letterlijk herhaald en geinsereerd wordt aangemerkt, in casu verzocht heeft het petitum te mogen wijzigen, en niet tevens de feitelijke gronden, waarop de vordering berust, hetgeen ingevolge de Wet, had gemoeten, (artikel 109 Rv);

Overwegende, dat het Hof op grond van het zojuist overwogene het zijdens verzoekster gedaan verzoek dan ook zal afwijzen; als de in het ongelijk gestelde partij zal verzoekster de kosten van dit proces moeten dragen;

in de hoofdzaak:

Overwegende, dat het Hof zal gelasten dat deze zaak afgeroepen wordt op een in het dictum van dit vonnis te bepalen rechtsdag voor

dupliek-pleidooi;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

in het incident:

Wijst het gedaan verzoek af;

Verwijst verzoekster in de kosten van dit proces aan verweerders zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op sf.nihil;

in de hoofdzaak:

Alvorens definitief te beslissen;

Gelast het afroepen van deze zaak ter terechtzitting van vrijdag, 21 juni 2002 te Half Negen Uur voor dupliek-pleidooi;

Houdt iedere verdere beslissing aan;

in het incident en in de hoofdzaak:

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Vice-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mw.Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 17 mei 2002, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.M.Derby namens haar gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.D.Kraag namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.Kraag, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2002-4

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
M.H. M.HA – 442

A-442

[Verzoekster], wonende te Paramaribo aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Koninginnestraat no.10, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.A.R.Baarh, advokaat,
verzoekster,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Handel en Industrie, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal, kantoorhoudende te Paramaribo ten Parkette aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.Kraag, advokaat,
verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 17 mei 2002 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in s’ Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter voldoening aan voormeld vonnis de zaak werd afgeroepen voor dupliek pleidooi ter terechtzitting van 21 juni 2002;

Overwegende, dat ten dage voor dupliek pleidooi peremptoir bepaald, deze niet is overgelegd, waarna het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat tussen partijen als niet weersproken door verweerder vaststaat, dat verzoekster ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet en werkzaam bij het Ministerie van Handel en Industrie op de afdeling Economische Centrale Dienst (Dienst Prijsstabilisatie) als Stafambtenaar ”A” 1e klasse in vaste dienst bij beschikking van de Minister van Handel en Industrie de dato 4 juni 1999 [nummer 1] te rekenen van 6 april 1999 oneervol ontslag uit Staatsdienst is verleend wegens ernstig plichtsverzuim hierin bestaande dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal en het aannemen van giften in haar hoedanigheid van prijscontroleur, voor welke feiten verzoekster bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton de dato 6 april 1999 veroordeeld is tot gevangenisstraf van 14 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en een proeftijd van 3 jaren;

Overwegende, dat als niet weersproken door verweerder vaststaat dat verzoekster op 29 december 1999 voormelde ontslagbeschikking heeft ontvangen;

Overwegende, dat nu verzoekster blijkens aantekening van de Griffier van het Hof de onderhavige vordering op 26 januari 2000 tegen verweerder heeft aangelegd, is zij daarin ontvankelijk;

Overwegende, dat verzoekster, in het onderhavige proces tegen voormelde ontslagbeschikking opkomend en ten aanzien daarvan primair in onderdeel a van het petitum vorderend, dat voormelde beschikking wordt vernietigd althans nietig verklaard, aan haar primaire vordering onder meer ten grondslag heeft gelegd, dat zij, verzoekster, niet in de gelegenheid is gesteld zich te verweren ex artikel 63 lid 2 van de Personeelswet alsgevolg waarvan een belangrijk beginsel van behoorlijk bestuur nl.” audiatur et altera pars ” is geschonden;

Overwegende, dat verweerder voormeld feit niet weersproken heeft weshalve het tussen partijen in rechte is komen vast te staan;

Overwegende, dat het Hof opmerkt, dat het, wat het recht betreft om gehoord te worden alvorens de overheid een in de rechten van de burger ingrijpende maatregel neemt, van oordeel is dat het dit zo essentieel acht, dat de overheid daarvan niet mag afwijken, wellicht tenzij de wet daartoe uitdrukkelijk het recht geeft, welk geval zich in casu niet voordoet;

Overwegende, dat van schending van de ”audiatur et altera pars” regel mitsdien sprake is;

Overwegende, dat nu verweerder de overige feiten, aan het gevorderde in onderdeel b van het petitum ten grondslag gelegd, evenmin heeft weersproken, zijn die feiten eveneens tussen partijen komen vast te staan en ook leiden zullen tot toewijzing van het gevorderde in onderdeel b van het petitum;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

  1. Vernietigt de beschikking van de Minister van Handel en Industrie van 4 juni 1999 [nummer 1]
  2. Veroordeelt verweerder aan verzoekster te betalen:
  1. de helft van haar salaris over de periode 19 december 1998 tot en met 6 april 1999;
  2. het volle salaris vanaf 6 april 1999;

Wijst af het meer of anders gevorderde;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend President, Mr.A.I.Ramnewash en Mw.Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door Waarnemend President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 2 AUGUSTUS 2002, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.Kraag, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2002-3

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
M.H. M.HA – 442

A-431

[Verzoeker], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Grote Combéweg no.25-27, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.R.U.F.Truideman, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,
verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 3 mei 2002 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot overlegging produktie heeft genomen, wordende de inhoud van de overgelegde produktie hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker hierna een eveneens hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating produktie heeft genomen, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat als niet weersproken tussen partijen rechtens vaststaat, dat verzoeker als inspekteur van Politie der 1e klasse in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie, bij resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 7 juli 1999 [nummer 1] te rekenen van de dag volgende op die waarop dit besluit te zijner kennis wordt gebracht met toepassing van artikel 66 lid 2 van de Personeelswet (Geldende tekst S.B. 1985 No.41) zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1987 no.13 in zijn ambt is geschorst met behoud van zijn bezoldiging en emolumenten wegens verdenking van het plegen van een misdrijf;

Overwegende, dat verzoeker op grond van feiten, gesteld in het 4e ”sustenu” van het verzoekschrift, welke feiten als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd worden aangemerkt gevorderd heeft dat bij vonnis tot zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

  1. nietig te willen verklaren de resolutie van 7 juli 1999 [nummer 2] wegens strijd met een wettelijk voorschrift (Artikel 63 lid 2 van de Personeelswet) alsook op grond van het feit, dat er geen strafrechtelijk onderzoek tegen verzoeker is ingesteld;
  2. gerequireerde een dwangsom te willen opleggen van Sf.500.000,= voor elke dag dat gerequireerde in gebreke blijft om verzoeker op te roepen voor de hervatting van zijn normale dienst werkzaamheden;

Overwegende, dat ofschoon verweerder de feiten, aan verzoekers vordering ten grondslag gelegd, niet heeft weersproken zodat zij tussen partijen in rechte zijn komen vast te staan, verweerder zich niettemin tegen toewijzing van verzoekers vordering heeft verzet, onder aanvoering dat verzoeker geen belang heeft bij de onderhavige vordering omdat de resolutie in kwestie is uitgewerkt en van rechtswege is vervallen door het verstrijken van de drie maanden sedert het ingaan van de schorsing;

Overwegende, dat verweerder in verband met voormeld verweer blijkbaar doelt op artikel 66, tweede lid, aanhef en onder a van de Personeelswet, luidende: Het bevoegde gezag kan – onverminderd de mogelijkheid van schorsing als tuchtstraf- een landsdienaar schorsen, indien en zodra:

  1. een strafrechtelijk onderzoek wegens verdenking van een opzettelijk begaan misdrijf tegen hem is ingediend;

Overwegende, dat gemelde wettelijke bepaling, naar het het Hof voorkomt, in casu niet van toepassing is omdat in de considerans c.q. overweging de resolutie van 7 juli 1999 [nummer 1] geen melding wordt gemaakt van : een opzettelijk begaan misdrijf tegen hem………………..;

Overwegende, dat het ter zake door verweerder gevoerd verweer dan ook als onjuist en ongegrond wordt verworpen;

Overwegende, dat het in onderdeel A van het petitum gevorderde dan ook toewijsbaar is;

Overwegende, dat het Hof het in onderdeel B van het petitum gevorderde niet zal toewijzen omdat verzoeker daar geen belang meer bij heeft nu verzoeker, naar zijdens hem is gesteld in het 1e ”sustenu” van de pleitnota de dato 19 oktober 2001, op 20 maart 2000 zijn diensten bij het Korps Politie Suriname heeft hervat;

Overwegende, dat het Hof dan ook zal beslissen als in het dictum te melden;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Vernietigt de resolutie van de President van de Republiek Suriname van 7 juli 1999 [nummer 1], waarbij verzoeker werd geschorst met behoud van zijn bezoldiging en emolumenten;

Wijst af het meer of anders gevorderde;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.von Niesewand, Waarnemend President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.K.Pultoo, Leden en door Waarnemend President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 2 AUGUSTUS 2002, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

w.g.R.R.Brijobhokun w.g.J.R.Von Niesewand

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.RU.F.Truideman en Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2021-113

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15587
05 november 2021

In de zaak van

NAAMLOZE VENNOOTSCHAP ENERGIE BEDRIJVEN SURINAME,

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding,
hierna te noemen “de EBS”,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat,

tegen

  1. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP CITY ENTERTAINMENT, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
  2. [Geïntimeerde sub B], wonende te [plaats],

geïntimeerden in kort geding,
hierna te noemen: “City en [geïntimeerde sub B]”,
gemachtigde: mr. M.D. Lau-Kerssenberg, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 19 mei 2016 in de zaak bekend onder
AR no. 162265 tussen City en Chiragally als eisers in conventie en gedaagden in reconventie en de EBS als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat de EBS op 19 mei 2016 hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota gedateerd 2 augustus 2019;

– de antwoordpleitnota gedateerd 15 mei 2020;

– het schrijven van de raadsvrouwe van de EBS waarin de raadsvrouwe aan het Hof van Justitie bericht dat zij het hoger beroep intrekt;

– het doorlopend proces-verbaal van de zitting van 20 november 2020, 18 december 2020, 15 januari 2021, 19 februari 2021 en 16 juli 2021, aangetekend op de kaft van het procesdossier waaruit blijkt dat de NV en [geïntimeerde sub B] zich niet hebben uitgelaten over de intrekking.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

2.1 Het beroepen vonnis is gedateerd 19 mei 2016. De EBS heeft op 19 mei 2016 hoger beroep aangetekend. Door de EBS is derhalve tijdig hoger beroep aangetekend. De EBS is ontvankelijk in haar hoger beroep.

  1. De vordering in hoger beroep

3.1 De EBS heeft in haar pleitnota gevorderd dat het beroepen vonnis wordt vernietigd en dat het Hof, opnieuw rechtdoende, de vordering van City en [geïntimeerde sub B] in conventie integraal afwijst.

  1. De beoordeling

4.1 City en [geïntimeerde sub B] hebben in hun antwoordpleidooi, onder andere, aangevoerd dat de EBS geen belang meer heeft bij het gevorderde omdat het pand waar de vordering betrekking op had niet meer aan City en [geïntimeerde sub B] toebehoort.

4.2 De EBS heeft bij schrijven van haar gemachtigde aangegeven dat zij geen belang meer heeft bij het hoger beroep. Zij heeft het Hof bericht dat zij het hoger beroep intrekt.

4.3 Het Hof overweegt dat, nu de EBS het hoger beroep heeft ingetrokken en City en [geïntimeerde sub B] zich daartegen niet hebben verzet, verstaan zal worden dat het hoger beroep is ingetrokken.

  1. De beslissing

Het Hof

4.1 Verstaat dat het hoger beroep door de EBS is ingetrokken;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. A.C. Johanns, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 5 november 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein Bsc., Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

SRU-HvJ-2021-112

16 juli 2021

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellant],
wonende in [plaats],
appellant,
procederend in persoon,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende in [stad], [land],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 11 december 2018 bekend onder A.R. 10-1924 tussen appellant toen als gedaagde in conventie en eiser in reconventie en geïntimeerde toen als eiser in conventie en gedaagde in reconventie,

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Procesverloop in hoger beroep
  1. Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken c.q. proceshandelingen:
  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellant hoger beroep heeft ingesteld;
  • de memorie van grieven van 1 maart 2019;
  • de memorie van antwoord van 25 april 2019;
  • pleitnota van 7 februari 2020;
  • de antwoordpleitnota van 17 juli 2020;
  • de repliekpleitnota 16 oktober 2020;
  • de dupliekpleitnota van 18 december 2020.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. Beoordeling

2.1 Bij het vonnis waarvan beroep is appellant op vordering van geïntimeerde veroordeeld tot, samengevat, het afleggen van rekening en verantwoording aan geïntimeerde.

2.2 De termijn voor hoger beroep is ingevolge artikel 264 lid 2 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) dertig dagen, gerekend vanaf de dag der uitspraak of, indien de appellant bij die uitspraak niet aanwezig is geweest, van de dag waarop het eindvonnis hem volgens de wet is meegedeeld. Artikel 119 lid 3 Rv schrijft voor dat, indien een partij niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is, de inhoud van de uitspraak bij aangetekende dienstbrief door de griffier aan die partij wordt meegedeeld. Artikel 119 lid 4 Rv bepaalt dat de dagtekening van de dienstbrief wordt geacht de dag te zijn, waarop de mededeling heeft plaats gehad.

2.3 Het vonnis van de kantonrechter is bij griffiersbrief gedateerd 8 januari 2018 aan appellant meegedeeld. Appellant heeft op 21 februari 2019 bij schriftelijke verklaring hoger beroep aangetekend tegen het vonnis. Uit de aantekening van de griffier aan de voet van het vonnis blijkt dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen.

2.4 Het beroep van appellant is gelet op het voorgaande niet ingesteld binnen de bij wet gestelde termijn van 30 dagen na dagtekening van de dienstbrief van de griffier. Appellant zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep.

2.5 Appellant zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in hoger beroep worden verwezen.

2.6 Aan bespreking van de grieven en overige weren komt het hof derhalve niet toe.

  1. Beslissing in hoger beroep

Het Hof:

3.1 verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 11 december 2018 bekend onder A.R. 10-1924;

3.2 veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend president bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 juli 2021, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. S.C. Berenstein BSc.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. E. Naarendorp, gemachtigde van geïntimeerde terwijl appellant noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-111

G.R. no. 15741

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
15 januari 2021

in de zaak van

[Appellant],
wonende te [plaats],
appellant, hierna aangeduid als “de vrouw“,
gemachtigde: mr. J.S. Hussain, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de man”,
gemachtigde: mr. G.M. Leter, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 24 oktober 2016 bekend in het Algemeen Register onder no. 15-4591 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– het schrijven van de advocaat van de vrouw gedateerd 16 december 2016

– ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 16 december 2016 – waaruit blijkt dat de vrouw hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter de dato 24 oktober 2016;

– de pleitnota gedateerd 07 februari 2020;

– de antwoordpleitnota gedateerd 6 maart 2020;

– de repliekpleitnota gedateerd 16 oktober 2020;

– bij wege van mondelinge dupliekpleidooi de dato16 oktober 2020 heeft de gemachtigde van de man geconcludeerd tot persistit bij het antwoordpleidooi;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Het beroepen vonnis is gedateerd 24 oktober 2016. Partijen zijn noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. De aangetekende dienstbrief zijdens de griffier ingevolge het bepaalde in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: WvBRv) waarbij de beslissing volgens de wet aan de vrouw is medegedeeld dateert van 30 november 2016. De vrouw heeft bij schrijven de dato 16 december 2016 hoger beroep ingesteld tegen het beroepen vonnis. Ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 3 WvBRv is dit tijdig geschied en is de vrouw ontvankelijk in het door haar ingesteld hoger beroep.

  1. De vordering in hoger beroep

De vrouw vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter waarvan beroep en alsnog ontzegging van de oorspronkelijke vordering aan de man, toen zijnde eiser, althans niet-ontvankelijkverklaring van hem.

  1. Waarvan kan worden uitgegaan

De vrouw heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten door de Kantonrechter in eerste aanleg, weshalve van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Derhalve staat – in hoger beroep – het navolgende vast tussen partijen:

4.1. Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd op 29 juli 1994, te Paramaribo, bij akte [nummer 1], folio [nummer 2]

4.2. Uit het huwelijk tussen partijen is een kind geboren die inmiddels meerderjarig is geworden.

  1. 5. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer in eerste aanleg

5.1. De man heeft in eerste aanleg als eiser –kort gezegd- het navolgende gevorderd:

– dat de echtscheiding wordt uitgesproken tussen partijen, met alle wettelijke gevolgen van dien;

– met bepaling van plaats en tijd waar en waarop het familieverhoor zal plaatsvinden;

– de vrouw zal worden veroordeeld om met de man over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen, met de gebruikelijke nevenvoorzieningen.

5.2. Naast voormelde vaststaande feiten heeft de man in eerste aanleg aan zijn vordering ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven en voor zover ten deze van belang – dat voornoemd huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht vanwege het feit dat partijen al 3 jaren gescheiden wonen en leven binnen de echtelijke woning als gevolg van een spanningsveld dat tussen hun is ontstaan, waardoor er geen sprake meer is van een man-vrouw relatie. Volgens de man probeert de vrouw hem op verschillende manieren het leven zuur te maken door met name valse beschuldigingen en bedreigingen.

5.3. De vrouw heeft in eerste aanleg bij wege van verweer aangegeven –kort gezegd- dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen te wijten is geweest aan de man, die in verband met zijn werkzaamheden merendeels niet thuis was. Volgens de vrouw onderhoudt de man vermoedelijk buitenechtelijke relaties met een andere vrouw, waardoor er ruzies ontstaan. De vrouw heeft de door de man gestelde gronden ontkend en zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.

5.4. Bij vonnis van de Kantonrechter de dato 24 oktober 2016 heeft de Kantonrechter de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, een datum voor het familieverhoor bepaald, de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap uitgesproken met benoeming van een boedelnotaris en onzijdige personen volgens de wet en onder afwijzing van hetgeen meer of anders is gevorderd de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. De dragende overweging van de Kantonrechter is daarbij geweest (begin citaat) “ De kantonrechter overweegt dat, nu tussen partijen rechtens vaststaat dat het huwelijk tussen hen duurzaam is ontwricht, terwijl gedaagde (het Hof leest: de vrouw) zich niet verzet tegen de vordering van eiser (het Hof leest: de man), deze als op de wet gegrond zal worden toegewezen in voege als na te melden ” (einde citaat)

5.5. De vrouw verzoekt het Hof om het beroepen vonnis te vernietigen. Daartoe heeft de vrouw vier grieven aangevoerd die in het hierna volgende aan een bespreking zullen worden onderworpen. Allereerst heeft de vrouw aangevoerd dat de Kantonrechter in eerste aanleg ten onrechte heeft aangenomen dat er sprake is van een duurzame ontwrichting van het huwelijk aangezien een enkele meningsverschil hetwelk is uitgemond in een toen verslechterde verstandhouding nog niet maakt dat er sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk. Als tweede grief heeft de vrouw aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte als vaststaand feit heeft aangenomen dat de man en vrouw niet samenwonen. De vrouw geeft aan dat zij nog steeds op hetzelfde adres woonachtig is samen met de man. De feitelijke situatie is dat beide partijen zich in dezelfde woning bevinden en aldaar ook woonachtig zijn. Ook op grond hiervan kan er geen sprake zijn van een verslechterde verstandhouding tussen beide echtgenoten. Als derde grief heeft de vrouw aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte als vaststaand feit heeft aangenomen dat de vrouw de man valselijk heeft beschuldigd en bedreigd. Wat de beschuldigingen allemaal zijn is voor de vrouw niet bekend. Er is ook nooit aangifte gedaan bij de politie door de man ter zake bedreiging. Bovendien is de man een politieman en enkel op grond daarvan is het aannemelijk dat van bedreiging zijdens de vrouw geen sprake kan zijn. Als vierde grief heeft de vrouw aangevoerd dat ten onrechte in het beroepen vonnis is vermeld dat er een minderjarig kind is. Het kind genaamd [naam 1], is geboren op 30 september 1996 te Paramaribo en is inmiddels al meerderjarig. Het verhoor van de ouders, bloed- en/of aanverwanten ter voorziening in de voogdij en toeziende voogdij kan derhalve ook niet plaatsvinden.

5.6. De man heeft in hoger beroep verweer gevoerd op welk verweer het Hof – voor zover nodig – in het hierna volgende zal ingaan.

5.7. Het Hof zal de door de vrouw aangevoerde grieven achtereenvolgens aan een beoordeling onderwerpen. Anders dan de vrouw in haar tweede grief heeft aangevoerd heeft de Kantonrechter niet als vaststaand feit aangenomen dat partijen niet samenwonen. De Kantonrechter heeft slechts als vaststaande feiten in het beroepen vonnis aangenomen dat partijen gehuwd zijn met elkaar en dat er een (ten tijde van vonniswijzing) minderjarig kind uit het huwelijk is geboren. Onder 3.2. van het beroepen vonnis heeft de Kantonrechter de grondslag van de vordering van de man aangegeven en daarbij de man geciteerd die heeft aangegeven dat partijen al 3 jaren gescheiden wonen en leven binnen de echtelijke woning als gevolg van een spanningsveld dat tussen hun is ontstaan, waardoor er geen sprake is van een man-vrouw relatie. De tweede grief is gelet op het voorgaande totaal ongegrond. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de derde grief die de vrouw heeft aangevoerd. De Kantonrechter heeft dat geenszins als vaststaand feit aangenomen en derhalve is ook die grief gedoemd te stranden. Thans zal het Hof overgaan tot bespreking van de eerste grief die de vrouw heeft aangevoerd. Naar het oordeel van het Hof betreft het in casu ingevolge het bepaalde in artikel 278 lid 2 WvBRv een gedekt verweer. Door in eerste aanleg de grondslag van het gevorderde bloot te weerspreken zonder daar consequenties aan te verbinden en zich vervolgens te refereren aan het oordeel van de Kantonrechter heeft de vrouw – die toen reeds rechtsbijstand genoot – in de visie van het Hof het recht om naderhand in een hogere instantie verweer te voeren uitdrukkelijk prijs gegeven. Immers heeft de vrouw in eerste aanleg bij wege van conclusie van antwoord het navolgende aangevoerd (begin citaat): “ Als verzoeker (het Hof begrijpt: de man) wil scheiden met de gedaagde (het Hof begrijpt: de vrouw) moet hij duidelijk zeggen dat hij haar niet meer wil hebben als echtgenote. Op zijn Surinaams zegt men ‘ a mang bere foeroe’. Hij lust gedaagde (het Hof begrijpt: de vrouw) niet meer en is kennelijk op zoek naar een ander partner……………Voor het overige refereert gedaagde (het Hof begrijpt: de vrouw) naar het oordeel van de kantonrechter en persisteert de gedaagde (het Hof begrijpt: de vrouw) voor Dupliek indien de verzoeker (het Hof begrijpt: de man) voor Repliek zal persisteren.” (einde citaat). Uit het voorgaande concludeert het Hof dat de vrouw zich in eerste aanleg ten aanzien van het gevorderde ondubbelzinnig heeft gerefereerd aan het oordeel van de Kantonrechter en kan zij derhalve in hoger beroep niet met nieuwe weren op de proppen komen. Aangezien het Hof blijkens de rechtsliteratuur ambtshalve dient na te gaan of een in hoger beroep aangevoerd verweer al dan niet gedekt is heeft het Hof zich dienaangaande van haar taak gekweten. De eerste grief haalt het derhalve niet in rechte. De vierde grief die de vrouw heeft aangevoerd is in zoverre gegrond dat ten tijde van vonniswijzing door de Kantonrechter het uit het huwelijk van partijen geboren kind nog minderjarig was (20 jaar oud), zodat de Kantonrechter terecht het familieverhoor heeft bepaald. Thans is dat kind inderdaad reeds meerderjarig weshalve er thans geen plaats meer is voor een familieverhoor.

5.8. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat de door de vrouw aangevoerde grieven zoals hiervoor weergegeven onder 5.5. niet gegrond zijn gebleken. De consequentie daarvan is dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van hetgeen daarin is bepaald ten aanzien van het familieverhoor aangezien het kind inmiddels meerderjarig is geworden. Het beroepen vonnis zal ten aanzien van dat onderdeel worden vernietigd en opnieuw rechtdoende zal dat onderdeel van het gevorderde alsnog worden afgewezen. De proceskosten in hoger beroep zullen tussen partijen, die echtelieden zijn, worden gecompenseerd in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

5.9. Bespreking van de overige grieven en weren van partijen zal, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

  1. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1. Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken de dato 24 oktober 2016 en bekend in het Algemeen Register onder no. 15-4591, waarvan beroep met uitzondering van hetgeen daaromtrent onder 5.2. daarvan is bepaald met betrekking tot het familieverhoor;

6.2. Compenseert de kosten van het geding in hoger beroep tussen partijen in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt;

6.3. Vernietigt het beroepen vonnis ten aanzien van hetgeen onder 5.2. daarvan is overwogen;

En opnieuw rechtdoende ten aanzien van het bepaalde onder 5.2. van het beroepen vonnis:

6.4. Wijst af hetgeen dienaangaande is gevorderd;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 januari 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld