SRU-HvJ-2021-101

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats 1],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. H.H. Veldkamp, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Openbare Werken,
ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende op zijn Parket te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R.Y. Gravenbeek, waarnemend substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 06 mei 2014;

het verweerschrift ingediend ter griffie van het Hof op 05 september 2014;

de beschikking van het Hof van 20 oktober 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 21 november 2014, welk verhoor is verplaatst naar 16 januari 2015;

het proces-verbaal van het op 16 januari 2015 gehouden verhoor van partijen;

de conclusie tot uitlating en overlegging van stukken na verhoor van partijen, met producties, zijdens de Staat overgelegd op 17 april 2015;

de conclusie tot uitlating zijdens [verzoeker] overgelegd op 15 mei 2015.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 07 augustus 2015, doch nader op heden.

  1. De feiten

2.1 [Verzoeker] is vanaf juli 1983 in dienst van de Staat. Hij was in eerste instantie tewerkgesteld op het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Op 11 maart 1991 werd [verzoeker], dienende in de rang van stafambtenaar A 3e klasse, overgeplaatst naar het Ministerie van Openbare Werken. Te rekenen van 01 april 1991 werd [verzoeker] bevorderd tot hoofdambtenaar B 3e klasse, schaal 16, en belast met de functie van hoofd Personeelszaken, onder toekenning van een salaris van Sf 1.932,- per maand.

2.2 [Verzoeker] vertoefde van 23 maart 1992 tot en met 02 juni 1992 met vakantieverlof in Nederland. Hij was voornemens een opleiding te doen aan de Universiteit van Amsterdam. Bij brief d.d. 18 mei 1992, gericht aan de directeur van Openbare Werken (hierna: de directeur), vroeg [verzoeker] studieverlof aan te rekenen van 03 juni 1992 voor de duur van een jaar.

2.3 [Verzoeker] heeft zich bij brief d.d. 04 mei 1993, gericht aan de directeur, erover beklaagd dat hij nog geen reactie heeft ontvangen op zijn hierboven onder 2.2 genoemde brief d.d. 18 mei 1992. [Verzoeker] heeft voorts het verzoek gedaan om het door hem aangevraagde studieverlof dat op 03 juni 1993 zou aflopen, met een jaar te verlengen.

2.4 De directeur heeft bij brief d.d. 24 juni 1993 [verzoeker] bericht dat zijn verzoek om verlenging van het aangevraagde studieverlof is doorgeleid naar de minister van Binnenlandse Zaken en dat, zodra er een beslissing ter zake is genomen, hij daarvan in kennis zal worden gesteld.

2.5 [Verzoeker] heeft nimmer een reactie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken ontvangen omtrent zijn verzoek tot verlenging van het aangevraagde studieverlof.

2.6 [Verzoeker] had de onder 2.2 bedoelde studie in juni 1993 nog niet afgerond en hij is daarom niet meteen teruggekeerd naar Suriname. [Verzoeker] diende de dienst op 03 juni 1993 te hervatten, hetgeen hij niet heeft gedaan.

2.7 [Verzoeker] keerde eerst in december 2005 terug naar Suriname. Bij navraag vernam hij dat hem geen ontslag uit Staatsdienst was verleend. [verzoeker] heeft zich vervolgens bij de Staat aangemeld voor diensthervatting. De Staat heeft hem nooit opgeroepen zijn diensten te hervatten.

2.8 Op 09 april 2014 is aan [verzoeker] uitgereikt de resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 27 juni 2012, Bureau [nummer 1], [nummer 2] (hierna: de ontslagresolutie), waarin is vervat het besluit om aan [verzoeker], met toepassing van artikel 69 lid 2 sub k Pw, wegens het niet hervatten van de dienst na afloop van het aan hem verleende studieverlof, te rekenen van 03 juni 1993 ontslag uit Staatsdienst te verlenen (hierna: het ontslagbesluit). Daartoe is overwogen:

“dat aan de Hoofdambtenaar ‘B’ 3e klasse in vaste dienst in de functie van Hoofd Personeelszaken, van het Ministerie van Openbare Werken, de heer [VERZOEKER], op zijn verzoek, te rekenen van 03 JUNI 1992, studieverlof werd verleend voor de duur van 01 (ÉÉN) jaar, met toestemming dit verlof in Nederland en/of elders in Europa te te [sic] mogen doorbrengen;

dat betrokkene, die zijn werkzaamheden op 03 juni 1993 had moeten hervatten, zulks niet heeft gedaan;

dat er thans voldoende aanleiding bestaat betrokkene ingevolge artikel 69 lid 2 sub k van de aangehaalde ‘Personeelswet’, wegens het niet hervatten van de dienst na afloop van het aan hem verleend studieverlof uit Staatsdienst te ontslaan.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert, zakelijk weergeveven, dat bij vonnis:

  1. de ontslagresolutie zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;
  2. de Staat zal worden veroordeeld om binnen een door het Hof te stellen termijn die handelingen te verrichten dat [verzoeker] zijn dienst kan hervatten;
  3. de Staat zal worden veroordeeld tot betaling van het achterstallige salaris van [verzoeker], totdat de rechtsverhouding tussen [verzoeker] en de Staat op regelmatige wijze zal zijn beëindigd.

[Verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 Hetgeen [verzoeker] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, komt, naar het Hof begrijpt en zakelijk weergegeven, op het volgende neer. [verzoeker] kan zich niet verenigen met de ontslagresolutie en komt daartegen op en wel om de volgende redenen. Het op grond van artikel 69 lid 2 onder k Pw aan [verzoeker] verleende ontslag uit Staatsdienst wegens het niet hervatten van de dienst na afloop van het aan hem verleende studieverlof, moest ingevolge artikel 71 lid 6 Pw met onmiddellijke ingang plaatsvinden. De ontslagresolutie is echter gedateerd 27 juni 2012. Aangezien de Staat verzuimd heeft het ontslag met onmiddellijke ingang te verlenen, kan hij achteraf geen gebruik meer maken van voormelde ontslaggrond.

Voorts is het ontslag verleend te rekenen van 03 juni 1993, hetgeen in strijd is met artikel 6 lid 2 Pw. Artikel 6 Pw wordt slechts buiten toepassing gelaten, indien het ontslag ingevolge artikel 71 lid 6 onder 1 Pw met onmiddellijke ingang wordt verleend. Van dit laatste is in casu geen sprake, waardoor het ontslag nietig althans vernietigbaar is.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar is in de zin van de Personeelswet. Deze wet is dan ook op hem van toepassing. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 Gezien het voorgaande is het Hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen nietig te verklaren, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het Hof zich onbevoegd te verklaren.

Blijkens artikel 79 lid 2 onder e Pw zijn besluiten tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring. Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering onder 3.1 onder 1, strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagresolutie vervatte ontslagbesluit.

4.1.3 Het Hof is tevens bevoegd kennis te nemen van de vordering onder 3.1 onder 3 tot veroordeling van de Staat tot betaling van het achterstallige salaris aan [verzoeker], welke vordering het Hof beschouwt als een vordering zoals bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b Pw tot vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling – het nalaten van het tijdig betalen van het maandelijkse salaris – in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde.

4.1.4 Het gevorderde onder 3.1 onder 2 kan niet worden gecategoriseerd onder de in artikel 79 lid 1 Pw limitatief opgesomde vorderingen waarover het Hof bevoegd is oordelen, zodat het Hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

4.2.1 De Staat heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn vordering. Hetgeen de Staat daartoe heeft aangevoerd, komt, naar het Hof begrijpt en zakelijk weergegeven, op het volgende neer. De ontslagresolutie is gedateerd 27 juni 2012 en hieruit blijkt dat er een afschrift daarvan beschikbaar was voor [verzoeker]. Het verzoekschrift is op 06 mei 2014 ingediend, zodat [verzoeker] zijn vordering heeft ingesteld meer dan de wettelijk gestelde termijn van een maand nadat het ontslagbesluit ter kennis van hem is gebracht en hij derhalve daarmee tardief is.

4.2.2 Het Hof gaat voorbij aan dit verweer en wel op grond van het volgende. Vaststaat dat de ontslagresolutie op 09 april 2014 aan [verzoeker] is uitgereikt. Anders dan de Staat van oordeel is, blijkt nergens uit dat er op enig moment vóór deze datum een afschrift van deze resolutie ter kennisname beschikbaar was voor [verzoeker]. Uit het door de Staat aangevoerde volgt niet dat [verzoeker] tardief is met zijn vordering.

4.2.3 Uit het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b Pw volgt dat een vordering tot nietigverklaring van een besluit, waarbij aan een ambtenaar ontslag uit Staatsdienst is verleend, niet-ontvankelijk is, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. [Verzoeker] heeft het verzoekschrift op 06 mei 2014 ingediend, derhalve binnen een maand na 09 april 2014, zodat hij ontvankelijk is in het onder 3.1 onder 1 gevorderde.

4.2.4 Op grond van artikel 28 lid 1, tweede volzin, Pw is de Staat gehouden het salaris uiterlijk op de laatste dag van de kalendermaand te betalen. Gelet op artikel 80 lid 2 sub c juncto artikel 79 lid 1 sub b Pw is een vordering tot schadevergoeding naar het oordeel van het Hof niet-ontvankelijk, indien deze is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop de Staat geacht wordt het besluit te hebben genomen om het salaris van een ambtenaar niet meer te betalen.

Uit de stellingen van [verzoeker] blijkt niet duidelijk wanneer hij voor het laatst zijn salaris heeft ontvangen, terwijl de Staat daarover evenmin iets heeft aangevoerd. Uit het gevorderde onder 3.1 onder 3 valt evenmin op te maken vanaf welke datum [verzoeker] aanspraak meent te maken op achterstallig salaris. Vaststaat dat [verzoeker] vanaf 03 juni 1993 zijn dienst niet heeft hervat. [Verzoeker] heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen enerzijds verklaard dat hij in 1993 geen salaris meer ontving en ervan uitging dat hij was ontslagen en anderzijds, kort gezegd, dat hij in 2006 tot de ontdekking kwam dat er geen ontslagresolutie in zijn personeelsdossier voorkwam en dat hij vanaf 2006 geen salaris heeft ontvangen. Voorts stelt [verzoeker] in de op 15 mei 2015 overgelegde conclusie tot uitlating dat aan hem geen salaris is uitbetaald gedurende het door hem gestelde vakantieverlof.

[Verzoeker] heeft de vordering onder 3.1 onder 3 ingesteld op 06 mei 2014, derhalve meer dan drie maanden nadat de Staat geacht wordt op de laatste dag van enige maand in 1993 dan wel 2006 het besluit te hebben genomen om het salaris van [verzoeker] niet meer te betalen, zodat hij tardief is met het instellen van deze vordering en derhalve daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4.3.1 Het Hof zal thans overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering onder 3.1 onder 1 strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagresolutie vervatte ontslagbesluit.

4.3.2 Artikel 5 Pw schrijft voor op welke wijze een besluit, genomen op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde, schriftelijk ter kennis van de belanghebbende moet worden gebracht en bepaalt op welke dag zulks wordt geacht te hebben plaatsgevonden.

4.3.3 Artikel 6 Pw luidt als volgt:

“1. Een besluit, genomen op grond van het bepaalde bij of krachtens deze wet, werkt niet eerder ten nadele van de belanghebbende dan met ingang van de dag volgende op die waarop het overeenkomstig artikel 5 te zijner kennis is gebracht.

  1. Een besluit heeft geen terugwerkende kracht, voorzover het voor de belanghebbende nadelig is.
  2. Behoudens het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel treedt een besluit in werking met ingang van de dag volgende op die waarop het is genomen, voorzover in het besluit niet anders is bepaald.”

4.3.4 Artikel 71 lid 6 Pw luidt als volgt:

“1. Ontslag op grond van artikel 69, lid 2 onder k wordt verleend met onmiddellijke ingang tenzij het bevoegde gezag een latere datum van ingang bepaald [sic].

  1. De artikelen 5 en 6 blijven buiten toepassing.
  2. Het ontslag wordt geacht ter kennis van de betrokkene te zijn gebracht door de aankondiging daarvan in het Advertentieblad van de Republiek Suriname en in één of meer plaatselijke nieuwsbladen. In afwijking hiervan kan het ontslag ter kennis van betrokkene worden gebracht middels uitreiking van een afschrift van het ontslagbesluit.”

4.3.5 Het bepaalde in artikel 71 lid 6 onder 1 Pw houdt in dat het ontslag wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van verlof of vrijstelling van dienst, wordt verleend met ingang van de dag waarop het besluit tot dit ontslag is genomen, tenzij in voormeld besluit een latere datum van ingang is bepaald. Dit betekent niet dat dit besluit tot ontslag reeds genomen moet worden op de dag dat de betrokken ambtenaar, in casu [verzoeker], na afloop van het aan hem verleende verlof de dienst niet heeft hervat, in casu op 03 juni 1993, en evenmin dat bij gebreke daarvan het bevoegde gezag niet op een later moment de betrokken ambtenaar op deze grond ontslag uit Staatsdienst mag verlenen. De van het vorenoverwogene afwijkende stellingen van [verzoeker] kunnen niet als juist worden aanvaard.

4.3.6 Evenmin kan als juist worden aanvaard de stelling van [verzoeker], erop neerkomende dat hem met terugwerkende kracht te rekenen van 03 juni 1993 ontslag uit Staatsdienst is verleend, zulks in strijd met het bepaalde in artikel 6 lid 2 Pw. Immers, in artikel 71 lid 6 onder 2 Pw is uitdrukkelijk en zonder voorbehoud bepaald dat de artikelen 5 en 6 Pw buiten toepassing blijven bij ontslag als waarvan hier sprake is.

4.3.7 Hetgeen door [verzoeker] eerst is gesteld bij de op 15 mei 2015 overgelegde conclusie tot uitlating – zijnde het laatste processtuk – komt naar het Hof begrijpt en zakelijk weergegeven, op het volgende neer. De ontslagresolutie is tevens nietig, omdat volgens deze resolutie aan [verzoeker] studieverlof is verleend, maar deze resolutie verder onder paragraaf III onder de kop ‘BESLUIT’ vermeldt dat aan [verzoeker] over de niet gewerkte uren geen salaris zal worden uitbetaald, zulks in strijd met de Personeelswet. Immers, over de periode gedurende welke aan [verzoeker] studieverlof is verleend, is de aanspraak op salarisuitkering blijven bestaan.

Het Hof gaat aan deze stelling voorbij, omdat de Staat geen gelegenheid heeft gehad om hierop te reageren.

4.3.8 Het onder 4.3.5 tot en met 4.3.7 overwogene leidt tot de slotsom dat de grondslag van de vordering onder 3.1 onder 1 strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagresolutie vervatte ontslagbesluit niet in rechte is komen vast te staan, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

4.4 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.5 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1 onder 2.

5.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het gevorderde onder 3.1 onder 3.

5.3 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 02 juli 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-100

A-1039

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in het [district 1],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Defensie,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
zetelende te diens Parket aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: Majoor Vernon W. Pengel LL.M., jurist verbonden aan het Bureau Landsadvocaten,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (hierna: PW) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof d.d. 29 september 2020;
  • het door de Staat ingediend verweerschrift d.d. 12 november 2020;
  • de beschikking gegeven door het Hof op 20 januari 2021, waarbij het verhoor van partijen in Raadkamer is bepaald op vrijdag 19 februari 2021 des voormiddags te 11.30 uur;
  • het proces-verbaal van het op 19 februari 2021 gehouden verhoor van partijen;
  • het proces-verbaal van het op 16 april 2021 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 02 juli 2021 doch nader op heden.
  1. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

  1. [Verzoeker] is bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 19 augustus 2020 Bureau No. L.P. Agno. [nummer 1], welke beschikking [verzoeker] op 09 september 2020 in ontvangst heeft genomen in de kazerne van Nickerie, ontslagen uit Staatsdienst en wel ter zake plichtsverzuim. De Staat is namelijk de mening toegedaan dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, zulks daar zij meent dat [verzoeker] zonder toestemming van zijn superieuren in Paramaribo buiten het detachement is geweest, alsook dat [verzoeker] heeft nagelaten zaken die te maken hebben met de justitie aan zijn superieuren te rapporteren;
  2. [verzoeker] heeft zich na ontvangst van de beschikking afkomstig van de Minister van Defensie de dato 19 augustus 2020 Bureau No. L.P. Agno. [nummer 1] binnen de daartoe aangegeven termijn gewend tot de President van de Republiek Suriname en wel bij schrijven d.d. 24 september 2020. [verzoeker] heeft op dit schrijven geen reactie ontvangen;
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
    1. [Verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – dat bij vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad:
  1. zal worden vernietigd althans nietig verklaard de beschikking van de Minister van Defensie d.d. 19 augustus 2020 Bureau No. L.P. Agno. [nummer 1], waarbij [verzoeker] is ontslagen uit Staatsdienst ter zake plichtsverzuim;
  2. de Staat zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van SRD. 10.000,= voor iedere dag en/of keer dat de Staat in strijd handelt met het onder sub a van dit petitum gevorderde bij veroordeling daarvan;

Kosten rechtens.

  1. [Verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven – naast voormelde vaststaande feiten het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. De grondslagen om hem te ontslaan zijn onterecht en kloppen niet. [Verzoeker] heeft wel degelijk contact gemaakt met zijn superieur(en) en die heeft/hebben toestemming aan hem verleend om zich buiten het detachement te begeven en onderzoek daar te verrichten aan de hand van bekomen informatie. De superieur aan wie [verzoeker] zaken heeft gerapporteerd en wie toestemming aan hem heeft verleend is de detachementscommandant geweest die op 12 februari 2020 is komen te overlijden. Voorts is [verzoeker] de mening toegedaan dat de aan hem opgelegde straf casu quo sanctie niet correspondeert met het verwijt welke aan zijn adres wordt gemaakt. [verzoeker] heeft de bevoegdheid gehad om te onderzoeken dat wat hij bezig was te onderzoeken en zulks valt niet buiten zijn werkbevoegdheid. Het feit dat de detachementscommandant na de aan [verzoeker] verleende toestemming geen contact met Paramaribo mocht hebben gemaakt, kan en mag niet in de schoenen van [verzoeker] worden geschoven. [verzoeker] heeft de lijn van het moeten vermelden van zaken en vragen voor toestemming voor onderzoek gevolgd en mag het niet verder doorspelen van zaken door zijn meerdere hem niet worden verweten. De Staat stelt dat door het gedrag van [verzoeker] – het nalaten van de uit te voeren controle op de veiligheid van het detachement – er ontoelaatbare handelingen hebben plaatsgevonden waarvan [verzoeker] dan niet op de hoogte was, hetgeen tot gevolg heeft gehad de dood van twee militairen. [verzoeker] ontkent deze beschuldiging met klem. [verzoeker] geeft aan dat èèn van de twee overleden militairen is geweest de detachementscommandant aan wie hij zaken heeft gerapporteerd en van wie hij toestemming heeft verkregen om zaken buiten het detachement om te mogen onderzoeken. [verzoeker] geeft aan dat er verwacht mag worden dat zijn meerdere, in deze de detachementscommandant, zich ook houdt aan de regels op veiligheid binnen het detachement en dat hij als hoogste in rang op dat moment zich niet bezig gaat houden met zaken die de veiligheid van de manschappen onder hem in gevaar gaat brengen. Verder is er niet bewezen dat het door de Staat gestelde nalatend handelen tot direct gevolg heeft gehad de dood van twee militairen. [verzoeker] geeft expliciet aan dat er geen causaal verband is tussen het eventueel nalatend handelen van hem en de dood van twee militairen. Van [verzoeker] kan en mag niet verwacht worden dat hij aan zijn meerdere, de detachementscommandant, gaat vragen wat die gaat doen, waar hij naar toe gaat en waarom. De commandant is de commandant en is de commandant aan niets en niemand anders verantwoording verschuldigd dan zijn meerdere(n) casu quo superieuren;
  2. De Staat heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij het verhoor van partijen eveneens verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan;
  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 1 van de PW oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

4.2. Ingevolge het bepaalde in lid 2 van artikel 79 van de PW zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:

  1. betreffende salaris, verlofbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
  2. tot verlaging van rang;
  3. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
  4. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
  5. tot schorsing of ontslag.

4.3. Uitgaande van de gebezigde bewoordingen in de wettelijke bepalingen zoals hierboven geciteerd stelt het Hof vast dat het bepaalde in artikel 79 leden 1 en 2 een door de wetgever limitatief gerubriceerde opsomming betreft. Uitgaande van hetgeen is gesteld in artikel 79 leden 1 en 2 PW hetwelk het Hof in onderling verband en samenhang leest stelt het Hof vast dat nu het gevorderde in casu betreft een vernietiging dan wel nietigverklaring van een ontslagbeschikking en het opleggen van een dwangsom, het Hof bevoegd is om kennis te nemen van de onderhavige vordering.

Ontvankelijkheid

4.4. Weliswaar is er gesteld doch niet gebleken dat [verzoeker] niet binnen de bij de PW gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking van de Minister van Defensie d.d. 19 augustus 2020, hetwelk hij op 09 september 2020 in ontvangst heeft genomen, weshalve hij ontvankelijk is in de ingestelde vordering. Hetgeen de Staat heeft aangevoerd in haar verweerschrift en dat er op neer komt dat [verzoeker] prematuur is met het adiëren van de Ambtenarenrechter aangezien hij ingevolge artikel 78 PW beklag heeft ingediend bij de President van de Republiek Suriname, haalt het in de visie van het Hof niet in rechte. Immers is het publiek geheim dat de hogere instantie niet efficiënt en effectief het beklag behandelt en afhandelt terwijl de ambtenaar – in casu [verzoeker] – niet alleen in onzekerheid verkeert maar ook geen salaris ontvangt. Immers heeft het beklag geen schorsende kracht. Derhalve is [verzoeker] naar het oordeel van het Hof ontvankelijk in zijn verzoek;

4.5. De Staat heeft –zakelijk weergegeven- in haar verweerschrift en ter gelegenheid van het verhoor van partijen aangegeven dat de Staat zich op het standpunt stelt dat [verzoeker] zich heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en dat het op zijn weg ligt om het tegendeel te bewijzen.

4.6. Naar het oordeel van het Hof gaat het om het volgende. [Verzoeker] is militair van beroep in de rang van Korporaal en ingedeeld bij de Landmacht (G-2 functionaris). [Verzoeker] is ingedeeld bij de Militaire Inlichtingen Dienst en werd op enig moment gedetacheerd te Koemakapan ter aflossing van een collega genaamd [naam 1]. Naar zeggen van [verzoeker] moest hij informatie verzamelen zowel binnen het detachement als daarbuiten. In dat kader is [verzoeker] samen met een collega van de Militaire Politie, Korporaal [naam 2], met de boot naar Yaw Pasi vertrokken om informatie te verzamelen. Sergeant [naam 3], de detachementscommandant, heeft hen samen met een bootsman gebracht naar Yaw Pasi. Daardoor vertoefden [verzoeker] en [naam 2] in de periode 04 februari 2020 tot en met 12 februari 2020 buiten het detachement. Op 12 februari 2020 is de boot waarin de detachementscommandant sergeant [naam 3] samen met onder andere de soldaten [naam 4], [naam 5], [naam 6], [naam 7], [naam 8] en de bootsman [naam 9] zat, gekapseisd en zijn daarbij de bootsman [naam 9], Soldaat [naam 4] en Sergeant [naam 3] verdronken. Er was geen rekening gehouden met de veiligheidsvoorzieningen met name had niemand een reddingsvest aan en was de boot overbeladen met 09 man. Naderhand bleek dat de detachementscommandant sergeant [naam 3] de te Koemakapan gedetacheerde soldaten inzette voor beveiliging van een goudveld in de buurt van Anapaike (kennelijk tegen betaling). Op de fatale dag van het bootongeluk was sergeant [naam 3] de soldaten van het goudveld in de buurt van Anapaike met de boot gaan ophalen teneinde ze terug te brengen naar het detachement te Koemakapan.

4.7. Thans staat in de visie van het Hof de vraag overeind of de kennelijk illegale activiteiten van de detachementscommandant en het fatale bootongeluk op enige manier op het conto van [verzoeker] kunnen worden geschreven. [Verzoeker] is van de Militaire Inlichtingen Dienst en door zich buiten het detachement te begeven heeft hij zich in de visie van de Staat schuldig gemaakt aan plichtsverzuim waardoor de detachementscommandant vrijelijk kon uitvaren. Indien [verzoeker] zich volgens de Staat niet buiten het detachement had begeven had de detachementscommandant niet de gelegenheid gehad om uit te varen en zou het fatale ongeluk kennelijk niet hebben plaatsgevonden (althans zo vat het Hof het standpunt van de Staat op). Naar het oordeel van het Hof dient voormelde vraag in ontkennende zin te worden beantwoord. Het standpunt van de Staat dat het primair de verantwoordelijkheid van [verzoeker] was om te voorkomen dat militairen op voornoemd detachement te Koemakapan ontoelaatbare handelingen zouden plegen is in de visie van het Hof onhoudbaar in rechte. Daargelaten het feit dat bij de behandeling van deze zaak het niet aannemelijk is geworden dat deze verantwoordelijkheid uitdrukkelijk onder de aandacht van [verzoeker] zou zijn gebracht door de dienstleiding heeft de detachementscommandant naar het oordeel van het Hof een eigen verantwoordelijkheid en hoeft [verzoeker] niet perse continu ter plekke aanwezig te zijn om de detachementscommandant te controleren. En indien de detachementscommandant zich heeft bezig gehouden met ontoelaatbare handelingen dan kan [verzoeker] in de visie van het Hof niet aansprakelijk gesteld worden daarvoor. Waar [verzoeker] tekort is geschoten in de visie van het Hof is dat hij heeft verzuimd om zijn superieuren in Paramaribo telefonisch te informeren over hetgeen te Koemakapan gaande was en dat hij zich buiten het detachement zou begeven. De gebrekkige telefoonverbinding die [verzoeker] als excuus daarvoor heeft aangevoerd is in de visie van het Hof niet valide gebleken aangezien er wel telefonisch contact gemaakt kon worden door en met de andere militairen die ter plaatse gedetacheerd waren;

4.8. Op grond van al het voorgaande komt het Hof tot de slotsom dat [verzoeker] zich wel heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim maar dat de tuchtstraf van ontslag – gelet op alle omstandigheden van het geval – in de visie van het Hof niet in redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan. Het Hof ziet in het voorgaande aanleiding om het verzoek toe te wijzen in voege als na te melden. De mede gevorderde dwangsom zal worden afgewezen nu dat gekoppeld is aan iedere dag en/of keer terwijl er geen veroordeling is gevorderd dat gekoppeld is aan een termijn. Het Hof ziet op grond van al het voorgaande aanleiding om aan [verzoeker] ingevolge het bepaalde in artikel 82 lid 4 PW juncto artikel 61 PW de tuchtstraf van schorsing voor de duur van een maand op te leggen, welke tuchtstraf het Hof passend voor komt in het gegeven geval.

  1. De beslissing

Het Hof rechtdoende als Ambtenarengerecht:

  1. Verklaart nietig de beslissing van de Minister van Defensie d.d. 19 augustus 2020 Bureau No. L.P. Agno. [nummer 1], waarbij [verzoeker] is ontslagen uit Staatsdienst ter zake plichtsverzuim;
  1. Legt aan [verzoeker] op de tuchtstraf van schorsing voor de duur van één (1) maand;
  1. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen majoor V.W. Pengel LL.M., gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-99

A-1016

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in het [district 1],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. A. Tjong A Sie, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Binnenlandse Zaken en het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen,
beiden vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. Sanné, Lindsey Zeppeni, beleidsadviseur op het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (hierna: PW) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: Hof) d.d. 19 september 2019;
  • de beschikking gegeven door het Hof op 08 november 2019 waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift is verlengd met zes weken met ingang van 14 november 2019;
  • de beschikking gegeven door het Hof op 13 mei 2020, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op vrijdag 03 juli 2020 des voormiddags te 10.30 uur;
  • het proces-verbaal van het op 18 december 2020 gehouden verhoor van partijen;
  • de processen-verbaal van het op respectievelijk 05 februari 2021, 19 maart 2021, 16 juli 2021, 06 augustus 2021 en 19 augustus 2021 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.
  1. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

  1. [Verzoeker] is sinds het jaar 1986 als ambtenaar in Suriname werkzaam, met in het jaar 1992 een onderbreking van 15 jaar vanwege het verhuisd zijn naar het buitenland;
  2. [Verzoeker] trad in 2011 wederom in dienst van de overheid en wel van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, ingedeeld in functiegroep 6 (schaal 6B) werkzaam bij de Dienst Elektriciteitsvoorziening als magazijnmeester;
  3. [Verzoeker] is vanwege een ernstige conflictsituatie tussen hem en zijn directe chef en de onuithoudbare (het Hof begrijpt: onhoudbare) situatie die voor hem dientengevolge was ontstaan op voormelde afdeling, in het jaar 2017 enige tijd niet in staat geweest zijn werkzaamheden uit te oefenen en leed hij aan ernstige depressie. [Verzoeker] werd volgens zijn zeggen ernstig tegengewerkt door het desbetreffend diensthoofd hetgeen hem mentaal te veel werd op een bepaald moment;
  4. [Verzoeker] heeft gedurende zijn ziekte herhaaldelijk het verzoek gedaan aan de leiding van het Ministerie om hem over te plaatsen naar een andere afdeling en meer nog naar een afdeling die door een ander diensthoofd dan voormelde wordt geleid;
  5. Aan voormeld verzoek van [verzoeker] is nimmer gevolg gegeven;
  6. Vanwege het veelvuldig verzuim van [verzoeker] is hij op 18 oktober 2017 voor de keuringscommissie verschenen van het Ministerie van Volksgezondheid en kreeg hij van voormeld team de ruimte een psychiater te raadplegen teneinde zijn situatie te bespreken en tot een mogelijke oplossing te komen en moest hij zich op 02 november 2018 wederom aanmelden bij deze keuringscommissie;
  7. [Verzoeker] kreeg een brief gedateerd 20 augustus 2018 van de psychiater, drs. H. Cheung, mee dat hij moest meenemen naar de geneeskundige commissie van het Ministerie van Volksgezondheid in Suriname met in dit schrijven het advies aan deze commissie hem over te plaatsen naar een andere afdeling en hem derhalve als ambtenaar te handhaven;
  8. Vanwege de ontwikkelingen na het gesprek met de commissie waarbij [verzoeker] steeds meer er van overtuigd werd dat hij, ondanks het advies van de psychiater, ontslagen zou worden wendde hij zich wederom tot de psychiater en heeft deze in een eigenhandig geschreven brief de dato 17 december 2018 wederom zijn visie gegeven over de toestand van [verzoeker] en geadviseerd hem niet af te keuren;
  9. Bij beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 14 juni 2019 is aan [verzoeker] toch eervol ontslag uit Staatsdienst verleend;
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
    1. [Verzoeker] vordert –zakelijk weergegeven- dat bij vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad:
  1. de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken opgenomen in de beschikking d.d. 14 juni 2019 onder [nummer 1], waarin aan [verzoeker] eervol ontslag uit Staatsdienst is verleend, nietig te verklaren en [verzoeker] dientengevolge wederom in Staatsdienst te stellen;
  2. de Staat Suriname te gelasten [verzoeker] conform het advies van de psychiater over te plaatsen naar een andere afdeling binnen het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen of een ander Ministerie;
  3. De Staat Suriname te veroordelen tot betaling van een dwangsom aan (het Hof begrijpt:) [verzoeker] van SRD. 1.000,= per dag voor elke dag waarop zij weigert tot uitvoering van de in deze zaak uitgesproken vonnis over te gaan;
  4. de Staat te veroordelen in de proceskosten van het geding;
  1. [Verzoeker] heeft –zakelijk weergegeven- naast voormelde vaststaande feiten het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Gelet op de wijze waarop betrokkenen in casu met de belangen van [verzoeker] zijn omgegaan en het advies van de psychiater willens en wetens niet hebben opgevolgd en [verzoeker] niet de kans hebben gegeven zijn werkzaamheden op een andere afdeling te verrichten, is het in voormelde beschikking aan [verzoeker] gegeven ontslag geheel onrechtmatig en moet vernietigd worden en is art. 69 lid 2 sub f van de Personeelswet (hierna: PW) in casu niet van toepassing;
  1. De Staat heeft geen verweerschrift ingediend maar heeft bij het verhoor van partijen verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan;
  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 1 van de PW oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet , of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

4.2. Ingevolge het bepaalde in lid 2 van artikel 79 van de PW zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:

  1. betreffende salaris, verlofbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
  2. tot verlaging van rang;
  3. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
  4. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
  5. tot schorsing of ontslag.

4.3. Uitgaande van de gebezigde bewoordingen in de wettelijke bepalingen zoals hierboven geciteerd stelt het Hof vast dat het bepaalde in artikel 79 leden 1 en 2 PW een door de wetgever limitatief gerubriceerde opsomming betreft. Uitgaande van hetgeen is gesteld in artikel 79 leden 1 en 2 PW hetwelk het Hof in onderling verband en samenhang leest stelt het Hof vast dat nu het gevorderde onder 3.1. sub a betreft nietigverklaring van een ontslagbeschikking het Hof bevoegd is om kennis te nemen van de onderhavige vordering. Het Hof is op grond van artikel 79 lid 1 onder c PW tevens bevoegd kennis te nemen van hetgeen gevorderd wordt onder 3.1. sub c. Ten aanzien van hetgeen gevorderd wordt onder 3.1. sub b en d is het Hof van oordeel dat deze niet valt onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 PW zodat het Hof zich onbevoegd zal verklaren kennis te nemen van deze onderdelen van het gevorderde.

Ontvankelijkheid

4.4. Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoeker] niet binnen de bij de PW gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 14 juni 2019, hetwelk hij op 06 september 2019 in ontvangst heeft genomen, weshalve hij ontvankelijk is in de ingestelde vordering;

4.4. De Staat heeft –zakelijk weergegeven- in haar verweer ter gelegenheid van het verhoor van partijen aangegeven dat de Staat niet open staat voor een schikking. [verzoeker] is volgens de gevolmachtigde van de Staat ontslagen vanwege het feit dat de Geneeskundige Commissie hem blijvend arbeidsongeschikt heeft verklaard en dan heeft de Staat geen andere keus dan tot ontslag van betrokkene over te gaan (althans zo vat het Hof dat op).

4.5. Naar het oordeel van het Hof gaat het in dit geval om een ambtenaar die het slachtoffer is geworden van pesterijen op de werkvloer door een leidinggevende. Hoewel [verzoeker] diverse malen aan de bel heeft getrokken en ook de op instigatie van de door de Geneeskundige Commissie ingeschakelde psychiater oplossingsmodellen heeft aangereikt aan de Geneeskundige Commissie om het probleem van [verzoeker] op de werkvloer op te lossen, heeft dit geen soelaas geboden. Uiteindelijk heeft de Geneeskundige Commissie het navolgende vastgelegd in haar geneeskundige verklaring betreffende afkeuring voor ’s Landsdienst d.d. 13 december 2018 (begin citaat): “ De Geneeskundige Commissie verklaart de persoon van [verzoeker], Dennis volgens opgave geboren te de 08 juni 1962 in ’s Lands vaste dienst als Magazijn Medewerker te hebben onderzocht en bevonden te hebben, dat de onderzochte blijvend ongeschikt is zijn betrekking te vervullen door een der oorzaken genoemd in artikel 69 tweede lid, onder f van de Personeelsverordening (G.B. 1962 no. 195, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1985 no: 41”. (einde citaat)

4.6. De Staat stelt zich op het standpunt dat zij naar aanleiding van voornoemde verklaring van de Geneeskundige Commissie geen andere keus had dan tot ontslag van [verzoeker] over te gaan terwijl [verzoeker] aanvoert in staat te zijn om de bedongen arbeid als ambtenaar te verrichten. Voorts is tijdens de behandeling van deze zaak gebleken dat [verzoeker] niet de gelegenheid gehad heeft om kennis te nemen van voormelde verklaring van de Geneeskundige Commissie terwijl daarin is aangegeven dat er een cc naar hem is gegaan. Naar het oordeel van het Hof is voornoemde verklaring van de Geneeskundige Commissie onvoldoende met redenen omkleed en blinkt het niet uit door transparantie. Zo is er niet aangegeven welke onderzoekingen hebben geleid tot de uiteindelijke conclusie van de Geneeskundige Commissie terwijl de ingeschakelde psychiater een andere oplossingsmodel heeft voorgesteld en wiens diagnose haaks staat op de vaststelling van de Geneeskundige Commissie. Al met al heeft voornoemde verklaring van de Geneeskundige Commissie tot de nodige gefronste wenkbrauwen bij het Hof geleid en heeft het Hof daarin aanleiding gevonden om een vertegenwoordiger van de Geneeskundige Commissie uit te nodigen voor een toelichting. Naar het Hof heeft begrepen uit een schrijven van advocaat mr. C.B. Lachman d.d. 17 augustus 2021 is de secretaris van de Geneeskundige Commissie, mevrouw [naam 1] aangewezen door de directeur van het Ministerie van Volksgezondheid om inlichtingen te verschaffen aan het Hof. Evenwel was voornoemde secretaris verhinderd om op 19 augustus 2021 op de zitting aanwezig te zijn vanwege het feit dat zij op die dag haar tweede covid-19-vaccinatieprik zou krijgen. Aangezien de behandeling van deze zaak reeds geruime tijd gaande is waarbij [verzoeker] de pensioengerechtigde leeftijd in het vizier begint te krijgen en het reces van de rechterlijke macht ook al in zicht was op de dag van de zitting, heeft het Hof gemeend om in deze zaak vonnis te wijzen teneinde te voorkomen dat de beslissing van het Hof zou blijken mosterd na de maaltijd te zijn;

4.7. Op grond van al het voorgaande komt het Hof tot de slotsom dat op grond van de niet inzichtelijke vaststelling van de Geneeskundige Commissie, welke niet met redenen is omkleed, en evenmin zorgvuldig is gemotiveerd en toegespitst op de specifieke situatie van [verzoeker], de grondslag van het gevorderde in rechte is komen vast te staan. Voorts heeft de Staat in de visie van het Hof onvoldoende rekening gehouden met alle omstandigheden van het specifieke geval van [verzoeker]. Er is in de visie van het Hof, onder andere, onvoldoende gelet op de “impact” die de ontslagverlening aan [verzoeker] op hem zou hebben in samenhang bezien met zijn jarenlange staat van dienst en zijn kalenderleeftijd waarbij zijn kansen op de arbeidsmarkt minimaal zijn. Naar het oordeel van het Hof is derhalve in rechte komen vast te staan dat het aan [verzoeker] verleend ontslag onrechtmatig is geschied en zal het gevorderde worden toegewezen in voege als na te melden. De mede gevorderde dwangsom zal worden afgewezen nu er geen termijn voor de uitvoering van het gevorderde is opgenomen in het petitum van het verzoekschrift.

  1. De beslissing

Het Hof rechtdoende als Ambtenarengerecht:

  1. Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1. sub b en d;
  1. Verklaart nietig de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken opgenomen in de beschikking d.d. 14 juni 2019 onder [nummer 1] waarin aan [verzoeker] eervol ontslag uit Staatsdienst is verleend;
  1. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen dhr. [verzoeker], Dennis Edmund, verzoeker, terwijl verweerder niet wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-98

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in het [district 1],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: I.D. Kanhai, BSc., advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer precies het Ministerie van Openbare Werken,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te zijnen Parkette te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 20 augustus 2014;

het verweerschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof op 30 september 2014;

de beschikking van het Hof van 12 januari 2015, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 06 februari 2015;

de processen-verbaal van het op 06 februari 2015 gehouden verhoor van partijen en de op 20 februari 2015 gehouden voortzetting daarvan, alsmede de op laatstgenoemde datum door partijen overgelegde bescheiden;

de conclusie tot overlegging bewijs met betrekking tot de op nagehouden administratie, met een productie, zijdens de Staat overgelegd op 20 maart 2015;

de conclusie tot uitlating productie (aangeduid als: antwoordpleitnota op de overgelegde stukken) zijdens [verzoeker] overgelegd op 17 april 2015.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 07 augustus 2015, doch nader op heden.

 

  1. De feiten

2.1 [Verzoeker] is sinds 1982 in dienst van het Ministerie van Openbare Werken. Hij was laatstelijk in vaste dienst werkzaam in de functie van beleidsmedewerker, ingedeeld in functiegroep 8 (schaal 8A), op het Directoraat Openbaar Groen (afdeling Straatonderhoudsdienst Saramacca) van voormeld ministerie.

2.2 [Verzoeker] is wegens ziekte geruime tijd niet op het werk verschenen. Op gegeven moment heeft de Staat het salaris van [verzoeker] geblokkeerd. Bij vonnis in kort geding d.d. 09 januari 2014 in de zaak tussen partijen, bekend onder A.R. no. 130061, is de Staat onder meer veroordeeld om, kort gezegd, het salaris van [verzoeker] te deblokkeren en maandelijks aan hem te betalen vanaf februari 2012 en wel zolang als de dienstbetrekking tussen partijen voortduurt.

2.3 [Verzoeker] is op gegeven moment verwezen naar de Geneeskundige Commissie voor het ondergaan van een geneeskundig onderzoek. De Geneeskundige Commissie heeft in haar geneeskundige verklaring “BETREFFENDE VERLOFSVERLENGING” ten name van [verzoeker] d.d. 06 februari 2014, kort gezegd, bevonden dat verder verlof tot herstel van gezondheid dringend noodzakelijk is en dat zij een verlofsverlenging van 01 augustus 2013 tot en met 28 februari 2014 nodig acht. Deze verklaring is voorzien van een stempel van het Directoraat Openbaar Groen, afdeling D.I.V., en, onder meer, van de handgeschreven aantekening “OG [nummer 1]”.

2.4 De Geneeskundige Commissie heeft in haar geneeskundige verklaring “BETREFFENDE AFKEURING VOOR ‘S LANDSDIENST” ten name van [verzoeker], eveneens gedateerd 06 februari 2014, bevonden dat [verzoeker] blijvend ongeschikt is zijn betrekking te vervullen door één der oorzaken genoemd in artikel 69 lid 2 onder f Pw. Blijkens deze verklaring is een kopie daarvan verzonden aan [verzoeker].

2.5 De minister van Openbare Werken heeft bij beschikking d.d. 04 juni 2014, no. OG [nummer 2]: PZ [nummer 3] (hierna: de ontslagbeschikking), besloten om [verzoeker] ingevolge artikel 69 lid 2 sub f juncto artikel 71 lid 4 Pw ontslag uit Staatsdienst te verlenen (hierna: het ontslagbesluit). Daartoe is als volgt overwogen:

“dat dhr. [VERZOEKER] (…) blijkens een overgelegde verklaring van de Geneeskundige Commissie van 06 februari 2014 no. OG [nummer 1] onderzocht en ongeschikt is bevonden zijn betrekking te vervullen;

dat ingevolge artikel 69 lid 2 onder f van de ‘Personeelswet’ (…) aan een ambtenaar ontslag uit Staatsdienst wordt verleend indien hij blijkens de resultaten van een Geneeskundig onderzoek, hetzij uit hoofde van ziekten of gebreken, blijvend ongeschikt is zijn betrekking te vervullen;

dat het ontslag, ingevolge artikel 71 lid 4 van genoemende wet moet worden verleend met ingang van de eerste (1e) dag van de tweede (2e) kalendermaand na die waarin het besluit overeenkomstig artikel 5 van de ‘Personeelswet’ ter kennis van de landsdienaar is gebracht, tenzij daarin een later tijdstip is bepaald.

dat in verband hiermede het ontslag op 01 juli 2014 ingaat.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

 

3.1 [Verzoeker] vordert, naar het Hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis:

  1. de ontslagbeschikking zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;
  2. de Staat zal worden gelast [verzoeker] te rehabiliteren in de rang waarin hij diende, met toekenning van het aan hem toekomende salaris;
  3. [Verzoeker] in de gelegenheid zal worden gesteld de bedongen arbeid op de normale wijze en in de functie die hij heeft bekleed vóór de ontslagbeschikking te vervullen zonder enige hinder zijdens de Staat;
  4. de Staat zal worden gelast het salaris aan [verzoeker], zoals door hem verdiend vóór de ontslagbeschikking, uit te betalen en daarmee voort te gaan;
  5. de Staat zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere keer of dag dat hij in strijd met het hierboven gevorderde mocht handelen.

[Verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [Verzoeker] heeft, naar het Hof begrijpt en zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Uit de ontslagbeschikking, die op of omstreeks 13 augustus 2014 in [verzoeker]’s brievenbus is gezet, blijkt dat de grondslag van het ontslag blijvende ongeschiktheid is. De ontslagbeschikking komt in aanmerking voor vernietiging, omdat deze een deugdelijke grondslag mist en voorts in strijd is met de wet, ter adstructie waarvan het volgende:

  1. [Verzoeker] is gedurende lange tijd ziek geweest. Hij is genezende van een hernia operatie, althans hij lijdt aan de ziekte bekend als hernia;
  2. [Verzoeker] heeft zich aangemeld bij de Keuringscommissie, die heeft beslist dat hij is afgekeurd;
  3. de Staat heeft ‘afkeuren’ gezien als synoniem van ‘blijvend ongeschikt’, hetgeen niet alleen onjuist is maar ook niet blijkt uit enig (geneeskundig) onderzoek;
  4. afkeuring is bovendien geen grond voor ontslag, doch voor inmindering op het loon met behoud van andere emolumenten zoals de ziektekostenregeling en het recht op pensioen.

Voorts is in de ontslagbeschikking niet gemotiveerd aangegeven welke rechtvaardigingsgrond aanwezig is geweest om [verzoeker] na de operatie te ontslaan.

De gewraakte beschikking d.d. 10 juli 2003 (lees kennelijk: d.d. 04 juni 2014) is voorts in strijd met de wet, ter adstructie waarvan het volgende:

  1. nimmer is aan [verzoeker] de mededeling gedaan dat hij geschorst is, omdat er termen aanwezig zijn om hem voor te dragen voor ontslag (ex artikel 66 Pw);
  2. het ontslag staat in geen enkele evenredigheid met het verwijt en de diensttijd van [verzoeker].

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 De Staat voert aan dat [verzoeker] door het aan hem bij de ontslagbeschikking verleende ontslag uit Staatsdienst geen ambtenaar meer is in de zin van de Personeelswet en dat de Staat sindsdien geen verplichtingen heeft jegens hem. Volgens de Staat moet [verzoeker] op grond hiervan niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

Voor zover de Staat hiermee bedoelt als formeel verweer aan te voeren dat het Hof onbevoegd is om kennis te nemen van de onderhavige vordering en wel louter vanwege het feit dat [verzoeker] door zijn ontslag thans geen ambtenaar meer is, wordt dit verweer verworpen. Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar in de zin van de Personeelswet is geweest. Deze wet is dan ook op hem als gewezen ambtenaar van toepassing.

4.1.2 Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

Gezien het voorgaande is het Hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen nietig te verklaren, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het Hof zich onbevoegd te verklaren.

Blijkens artikel 79 lid 2 onder e Pw zijn besluiten tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring. Het Hof is dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering onder 3.1 onder a, strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit.

4.1.3 Het gevorderde onder 3.1 onder b en c kan niet worden gecategoriseerd onder de in artikel 79 lid 1 Pw limitatief opgesomde vorderingen waarover het Hof bevoegd is te oordelen, zodat het Hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen.

4.1.4 Het Hof vat de vordering onder 3.1 onder d op als een vordering zoals bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b Pw tot vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling – te weten het nalaten van het tijdig betalen van het maandelijkse salaris – in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het Hof is op grond van voormelde bepaling bevoegd om kennis te nemen van dit gevorderde.

4.1.5 Het Hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw tevens bevoegd om kennis te nemen van de vordering onder 3.1 onder e tot veroordeling van de Staat tot het betalen van een dwangsom aan [verzoeker].

Ontvankelijkheid

4.2.1 De Staat voert voorts als formeel verweer aan dat [verzoeker] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. De Staat weerspreekt dat [verzoeker] de ontslagbeschikking op 13 augustus 2014 in zijn brievenbus heeft aangetroffen. Volgens de Staat is [verzoeker] onverwijld en gelijk nadat de ontslagbeschikking d.d. 04 juni 2014 is verleend, hiervan in kennis gesteld. De wettelijk vastgestelde termijn voor het instellen van de vordering is reeds verstreken, aldus de Staat.

4.2.2 Uit het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b Pw volgt dat een vordering tot nietigverklaring van een besluit waarbij aan een ambtenaar ontslag uit Staatsdienst is verleend, niet-ontvankelijk is, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht.

Partijen twisten over de datum waarop het ontslagbesluit ter kennis van [verzoeker] is gebracht. [Verzoeker] heeft over dit twistpunt verschillende standpunten ingenomen. De Staat heeft bij conclusie tot overlegging bewijs met betrekking tot de op nagehouden administratie, aangevoerd dat [verzoeker] de ontslagbeschikking op 06 augustus 2014 heeft ontvangen en voor ontvangst daarvan heeft getekend, hetgeen [verzoeker] heeft weersproken.

Wat ook zij van de stellingen van partijen, gesteld noch gebleken is dat de ontslagbeschikking vóór 21 juli 2014 aan [verzoeker] is uitgereikt. [Verzoeker] heeft het verzoekschrift ingediend op 20 augustus 2014, derhalve binnen een maand na 21 juli 2014, zodat hij ontvankelijk is in het onder 3.1 onder a gevorderde.

[verzoeker] is op dezelfde grond ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 2 sub b Pw ontvankelijk in het onder 3.1 onder e gevorderde.

4.2.3 Op grond van artikel 28 lid 1, tweede volzin, Pw is de Staat gehouden het salaris uiterlijk op de laatste dag van de kalendermaand te betalen. Gelet op artikel 80 lid 2 sub c juncto artikel 79 lid 1 sub b Pw is een vordering tot schadevergoeding naar het oordeel van het Hof niet-ontvankelijk, indien deze is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop de Staat geacht wordt het besluit te hebben genomen om het salaris van een ambtenaar niet meer te betalen.

Uit het gevorderde onder 3.1 onder d noch uit de stellingen van [verzoeker] blijkt vanaf welke datum hij achterstallig salaris vordert. [verzoeker] heeft ter zitting onweersproken verklaard dat hij, na de uitspraak in de zaak hierboven onder 2.2 genoemd, slechts één keer zijn salaris heeft ontvangen, echter zonder daarbij aan te geven welke maand dit betreft. De Staat is bij vonnis in vorenbedoelde zaak onder meer veroordeeld om, kort gezegd, vanaf februari 2012 het maandelijkse salaris aan [verzoeker] te betalen. Het Hof concludeert op grond van het voorgaande dat de betaling van het salaris aan [verzoeker] op enig moment vanaf februari 2012 – met uitzondering van de betaling over een niet met name genoemde maand – wederom is uitgebleven.

[verzoeker] heeft de vordering onder 3.1 onder d ingesteld op 20 augustus 2014, derhalve meer dan drie maanden nadat de Staat geacht wordt op de laatste dag van enige maand vanaf februari 2012 het besluit te hebben genomen om het salaris van [verzoeker] niet meer te betalen, zodat hij tardief is met het instellen van deze vordering en derhalve daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het formele verweer van de Staat slaagt ten aanzien van het gevorderde onder 3.1 onder d.

4.3.1 Het Hof zal thans overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering onder 3.1 onder a, strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit.

Het Hof stelt het volgende voorop. [Verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij de keuringscommissie (het Hof begrijpt: de Geneeskundige Commissie) te kennen heeft gegeven dat hij uit vrees weigerde om geopereerd te worden en voorts dat hij in juni 2014 het besluit heeft genomen om de operatie alsnog te ondergaan, maar dit niet heeft doorgegeven aan voormelde commissie. Als niet weersproken staat rechtens vast dat [verzoeker] op 21 juli 2014 bedoelde operatie heeft ondergaan. Dit heeft plaatsgevonden nadat voormelde commissie hem op 06 februari 2014 blijvend ongeschikt heeft bevonden om zijn betrekking te vervullen.

Artikel 69 lid 2, aanhef en onder f Pw bepaalt dat aan een ambtenaar, behalve wegens plichtsverzuim, voorts ontslag kan worden verleend indien hij blijkens de resultaten van een geneeskundig onderzoek hetzij uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is zijn betrekking te vervullen.

Blijkens de ontslagbeschikking is op grond van voormelde bepaling aan [verzoeker] ontslag uit Staatsdienst verleend.

4.3.2 [Verzoeker] stelt, kort gezegd, dat de keuringscommissie (het Hof begrijpt: de Geneeskundige Commissie) heeft beslist dat hij is afgekeurd, dat de Staat ‘afkeuren’ heeft gezien als synoniem van ‘blijvend ongeschikt’, hetgeen niet alleen onjuist is maar ook niet blijkt uit enig (geneeskundig) onderzoek en voorts dat afkeuring geen grond is voor ontslag. [verzoeker] betoogt op grond van het voorgaande dat het ontslagbesluit een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert en voorts in strijd is met de wet.

4.3.3 Het Hof volgt [verzoeker] niet in dit betoog. De Staat heeft immers terecht, kort gezegd, aangevoerd dat in de onder 2.4 genoemde geneeskundige verklaring d.d. 06 februari 2014 – zijdens de Staat overgelegd tijdens de op 20 februari 2015 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen – uitdrukkelijk staat vermeld dat [verzoeker] blijvend ongeschikt is bevonden zijn dienstbetrekking te vervullen, dat nergens uit blijkt dat de Geneeskundige Commissie heeft geoordeeld dat [verzoeker] is ‘afgekeurd’ en dat de grond voor het aan [verzoeker] verleende ontslag, te weten de blijvende ongeschiktheid om zijn dienstbetrekking te vervullen, conform de Personeelswet is.

Het Hof is dan ook van oordeel dat het ontslagbesluit wel steunt op een deugdelijke feitelijke grondslag en dat van strijd met enige wettelijke bepaling niet is gebleken.

Hieraan doet niet af de stelling van [verzoeker] dat hij na de door hem ondergane operatie is hersteld van zijn ziekte en thans in staat is zijn werkzaamheden te hervatten.

Het Hof heeft, gelet op het door [verzoeker] gestelde bij de op 17 april 2015 overgelegde conclusie tot uitlating productie, in zijn oordeel mede betrokken dat [verzoeker] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de Geneeskundige Commissie op 06 februari 2014 op basis van de toen beschikbare informatie in alle redelijkheid hem niet blijvend ongeschikt kon hebben bevonden om zijn dienstbetrekking te vervullen.

4.3.4 Het Hof gaat voorbij aan de stelling van [verzoeker] dat in de ontslagbeschikking niet gemotiveerd is aangegeven welke rechtvaardigingsgrond aanwezig is geweest om hem, na de door hem ondergane operatie, uit Staatsdienst te ontslaan. [verzoeker] is immers ontslagen voordat hij vorenbedoelde operatie onderging. Het ontslagbesluit dateert van 04 juni 2014, terwijl [verzoeker] op 21 juli 2014, derhalve ruim een maand later, werd geopereerd.

4.3.5 [Verzoeker] stelt tevens, althans zo vat het Hof dit op, dat het ontslagbesluit is genomen in strijd met de wet en wel op de grond dat [verzoeker] nimmer is meegedeeld dat hij geschorst is, omdat er termen aanwezig zijn om hem voor te dragen voor ontslag (ex artikel 66 Pw) en voorts dat het ontslag in geen enkele evenredigheid staat met het verwijt en de diensttijd van [verzoeker]. Het Hof gaat ook aan deze stelling voorbij. Niet valt in te zien hoe het uitblijven van vorenbedoelde mededeling – nog daargelaten dat gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] op grond van artikel 66 Pw is geschorst – het besluit tot het ontslag van [verzoeker] wegens blijvende ongeschiktheid zijn betrekking te vervullen, in strijd met de wet doet zijn. Hetzelfde geldt ten aanzien van de gestelde onevenredigheid van het ontslag, nu dit weliswaar (op grond van de artikelen 63 lid 4 en 79 lid 3 Pw) van betekenis kan zijn bij een wegens plichtsverzuim opgelegde tuchtstraf van ontslag, maar van een dergelijk ontslag in deze procedure geen sprake is.

4.3.6 [Verzoeker] stelt eerst bij de op 17 april 2015 overgelegde conclusie tot uitlating productie, zijnde het laatste processtuk, kort gezegd, dat de Staat hem niet heeft gehoord alvorens het ontslagbesluit te nemen. Voor zover [verzoeker] zich hiermee erop beroept dat het ontslagbesluit nietig is wegens strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, zijnde een in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur, gaat het Hof hieraan voorbij omdat de Staat geen gelegenheid heeft gehad om hierop te reageren.

4.3.7 Het Hof komt tot de slotsom dat het door [verzoeker] gestelde geen grond oplevert voor nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit, zodat de vordering onder 3.1 onder a zal worden afgewezen.

4.4 De onder 3.1 onder e gevorderde veroordeling van de Staat tot betaling van een dwangsom zal ook worden afgewezen, omdat deze niet gekoppeld kan worden aan de onder 3.1 onder a gevorderde nietigverklaring van het ontslagbesluit.

4.5 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.6 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1 onder b en c.

5.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het gevorderde onder 3.1 onder d.

5.3 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 02 juli 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-97

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING

GR no. 16126
1 december 2021

In de zaak van

  1. [Verzoeker], wonende te [plaats],
  2. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP HANDELMAATSCHAPPIJ B. SEWNATH N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
  3. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP MULTI NATIONAL PROCESSING INDUSTRIES N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

verzoekers,
hierna ook te noemen “[verzoeker], HBS NV en MNPI NV”,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

BERGER PAINTS TRINIDAD LIMITED, rechtspersoon naar het recht van Trinidad and Tobago, gevestigd en kantoorhoudende te Port of Spain, Trinidad and Tobago,
domicilie gekozen hebbende te Paramaribo,
verweerder,
hierna te noemen “Berger LTD”,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat.

  1. Het procesverloop

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 28 oktober 2021;

de processen-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoek in Raadkamer van 23 november 2021 en 1 december 2021;

1.2 Vervolgens is bepaald dat beschikking op heden wordt gegeven.

  1. De feiten

2.1. Bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, d.d. 11 maart 2020, bekend onder A.R. no. 141027 (hierna: het vonnis), met Berger LTD als eiseres in conventie en [verzoeker], HBS NV en MNPI NV als gedaagden in conventie, heeft de kantonrechter in het eerste kanton [verzoeker], HBS NV en MNPI NV in conventie veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Berger LTD te betalen de som van US$ 121.738,=, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 3 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts zijn de derdenbeslagen ten laste van [verzoeker], HBS NV en MNPI NV van waarde verklaard en zijn [verzoeker], HBS NV en MNPI NV veroordeeld in de proceskosten.

2.2. Tegen dit vonnis hebben [verzoeker], HBS NV en MNPI NV hoger beroep ingesteld.

2.3 Bij exploit van 26 maart 2014 no. 411 was conservatoir derdenbeslag gelegd onder de in dat exploit genoemde financiële instellingen ten laste van verzoekers. Die derdenbeslagen zijn, zoals hierboven reeds vermeld, van waarde verklaard.

2.4 Bij exploit van 16 augustus 2021 no. 650-21 van deurwaarder P.S. Olensky, heeft Berger LTD uit kracht van voormeld vonnis executoriaal derdenbeslag gelegd onder de in voormeld exploit genoemde financiële instellingen ten laste van verzoekers.

2.5 Bij exploit van woensdag 2 september 2020 no. 589-2020 van deurwaarder P.S. Olensky, heeft Berger LTD uit kracht van voormeld vonnis executoriaal beslag gelegd op een groen-geel gelakte graafmachine, een rood-blauw gelakte graafmachine, een oranje gelakte heftruck en een bordeaux gelakte Ford Ranger Pickup ten laste van verzoekers.

2.6 Bij exploit is aan verzoekers de openbare verkoop aangezegd van de op woensdag 2 september 2020 in beslag genomen goederen.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Verzoekers vorderen bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de werking van het vonnis wordt geschorst, c.q. de staking van de ten uitvoerlegging van het vonnis zal worden bevolen, onder verbeurte van een dwangsom, totdat door het Hof van Justitie op het hoger beroep, bekend onder Grno. 16053, zal zijn beslist.

3.2 Verzoekers hebben het volgende aan hun vordering ten grondslag gelegd.

Er is sprake van een feitelijke en juridische misslag in het vonnis. Het is vaste rechtspraak dat op grond daarvan de staking kan worden bevolen van de executie van het vonnis. Ook brengt een redelijke belangenafweging met zich mee dat het belang van verzoekers bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van Berger LTD bij de tenuitvoerlegging, vooruitlopend op de uitkomst van het ingestelde rechtsmiddel.

Als misslag noemen verzoekers dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat er sprake is van vereenzelviging tussen HBS NV en MNPI NV, immers, de stempel waar de kantonrechter dat oordeel op baseert heeft niet als opschrift “B. SEWNATH N.V.” zoals de kantonrechter overweegt, doch “Firma B. SEWNATH”.

Als misslag noemen verzoekers verder dat door het enkel plaatsen van het stempel niet de schijn is opgewekt dat HBS NV als rechtspersoon en [verzoeker] in persoon als partij bij de overeenkomst moeten worden aangemerkt. Uit de tekst van de overeenkomst blijkt duidelijk wie partij zijn bij de overeenkomst.

Met betrekking tot de belangenafweging voeren verzoekers aan dat het door Berger gelegd executoriaal beslag op werkmachines van HBS NV, waarvan de openbare verkoop is aangezegd, alsmede het executoriaal derdenbeslag onder de banken, op tegoeden van [verzoeker] en HBS NV, de bedrijfsvoering stillegt. De gedwongen verkoop van de werkmachines van HBS NV zal verstrekkende gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering van HBS NV, terwijl het Hof nog moet beslissen op het ingestelde hoger beroep en het verwachtbaar is dat het vonnis zal worden vernietigd. Een redelijke belangenafweging brengt met zich mee dat de executie van het beroepen vonnis gestaakt kan worden totdat op het hoger beroep is beslist.

3.3 Berger LTD heeft als verweer aangevoerd dat er geen sprake is van een misslag. Berger LTD verwijst hierbij naar de overeenkomst en de garantstelling, waaruit naar de mening van Berger LTD blijkt dat ook [verzoeker] en HBS NV zich hebben verbonden tot de nakoming van de overeenkomst. Berger LTD verwijst naar een stempel met de tekst Firma B. [verzoeker]. Dit stempel is geplaatst bij de handtekening van [verzoeker] op de documenten. Nu MNPI NV zich niet aan de betalingsafspraken heeft gehouden, en na onderzoek bleek dat MNPI NV geen vermogensbestanddelen heeft waarop beslag gelegd kan worden, is Berger LTD gerechtigd op grond van de overeenkomst het verschuldigde op [verzoeker] en HBS NV te verhalen.

  1. De beoordeling

4.1 Ingevolge artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) is een partij, wanneer buiten de gevallen bij wet voorzien, de voorlopige tenuitvoerlegging van een vonnis bevolen is, bevoegd om bij afzonderlijk verzoekschrift aan het Hof van Justitie het verzoek te doen, dat de executie wordt gestaakt. Artikel 55 Rv. geeft de gevallen aan waarbij de kantonrechter bevoegd is een vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.2 Op grond van artikel 272 Rv. jo artikel 55 en artikel 56 Rv. concludeert het Hof dat de kantonrechter in casu bevoegd was om het vonnis, ten aanzien waarvan het verzoek is gedaan, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Gelet op de inhoud van het vonnis van de rechter kan niet gesteld worden dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad is gegeven in een geval dat niet bij wet was voorzien, immers gaat het in onderwerpelijke zaak om een condemnatoire beslissing, weshalve de rechter ingevolge artikel 55 Rv het vonnis uitvoerbaar bij voorraad mocht verklaren;

4.3 Het is echter vaste rechtspraak dat, afgezien van het voorgaande, de belangen van partijen enerzijds bij spoedige tenuitvoerlegging en anderzijds bij handhaving van de status quo tegen elkaar af te wegen teneinde te voorkomen dat door de tenuitvoerlegging een onaanvaardbare situatie zou ontstaan voor de partij tegen wie het vonnis ten uitvoer wordt gelegd.

4.4 Overwegende, dat het in deze casus een situatie betreft waarbij de verzoekers stellen dat [verzoeker] en HBS NV geen partij zijn bij de overeenkomst, terwijl juist vermogensbestanddelen van hun worden uitgewonnen. Aan HBS NV is de openbare verkoop aangezegd van haar bedrijfsmachines. Het in het openbaar verkopen van de in beslag genomen bedrijfsmachines van HBS NV, zal voor de bedrijfsvoering van laatstgenoemde verstrekkende consequenties hebben. Dit geldt evenzo voor de gelegde executoriaal derdenbeslagen op de banktegoeden.

4.5 Het Hof overweegt dat, nu uit de overgelegde overeenkomst en de credit application form blijkt dat als partijen in die documenten slechts zijn opgenomen MNPI NV en Berger LTD, en niet [verzoeker] of HBS NV, zal aan [verzoeker] en HBS NV de gelegenheid moeten worden geboden eventuele grieven daarop betrekking hebbende in hoger beroep aan te voeren. Het zou daarom naar het oordeel van het Hof geraden zijn dat met de ten uitvoerlegging bij voorraad terughoudend wordt omgegaan.

4.6 Mede gelet op de verstrekkende gevolgen van de gelegde executoriale beslagen zal het Hof in Raadkamer er dan ook toe overgaan, de staking van de executie van het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 11 maart 2020 in de zaak bekend onder AR no. 141027, te bevelen, voorzover de executie zich richt tegen [verzoeker] en HBS NV. Het door MNPI NV gevorderde zal worden afgewezen.

4.7 Berger zal worden veroordeeld in de proceskosten.

  1. Beschikkende

Het Hof:

5.1 Beveelt de staking van de executie van het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 11 maart 2020 in de zaak bekend onder AR no. 141027, voorzover de ten uitvoerlegging betrekking heeft op [verzoeker] en HBS NV, totdat het Hof van Justitie in onderhavige zaak in hoger beroep heeft beslist;

5.2 Veroordeelt Berger LTD tot betaling aan [verzoeker] en HBS NV van een dwangsom van SRD.10.000,= (tienduizend Surinaamse dollar) per dag, het maximum van SRD.10.000.000,= (tienmiljoen Surinaamse dollar) niet te bovengaand voor iedere dag dat Berger LTD in strijd handelt met deze beschikking;

5.3 Veroordeelt Berger LTD in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] en HBS NV gevallen en tot op heden begroot op nihil;

5.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gegeven in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 1 december 2021 door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en mr. A.C. Johanns, leden in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mevr. C.R. Tamsiran-Harris, LL.B.

 

SRU-HvJ-2021-96

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in het [district 1],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. M. A. Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Defensie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. D.G. Duurham, jurist,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 06 april 2020;

het verweerschrift met producties, ingediend ter griffie van het Hof op 14 mei 2020;

de beschikking van het Hof van 11 november 2020, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 december 2020;

het proces-verbaal van het op 18 december 2020 gehouden verhoor van partijen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 04 juni 2021, doch nader op heden.

  1. De feiten

2.1 [Verzoeker] is een studieovereenkomst, gedateerd 03 juli 1996, met de Staat aangegaan voor het volgen van de Elementaire Algemene Opleiding (E.A.O.) en de Elementaire Opleiding Militaire Politie (E.O.M.P.) te rekenen van 16 juni 1996 (hierna: de studieovereenkomst). De studieovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:
STUDIEOVEREENKOMST

TUSSEN

MINISTERIE VAN DEFENSIE

EN

[Verzoeker]

(…)

In aanmerking nemende:

dat de heer [verzoeker] te rekenen van 16 juni 1996 onder de hierna volgende voorwaarden in de gelegenheid wordt gesteld om de Elementaire Algemene Opleiding (E.A.O.) en de Elementaire Opleiding Militaire Politie (E.O.M.P.) te volgen.

ARTIKEL I

ADMINISTRATIEVE ALGEMENE BEPALINGEN

  1. Dat voor de duur van de opleiding, tenzij de Minister van Defensie anders beslist, de heer [verzoeker] is ingedeeld bij de afdeling Onderwijs van het Ministerie van Defensie.
  2. Dat hij ten aanzien van alle aangelegenheden de opleidingen betreffende onder de bevelen en het toezicht staat van het Commando Opleidingen Nationaal Leger (CONL).

ARTIKEL II

ANDERE EMOLUMENTEN

  1. Dat hij gedurende de opleiding als Kortverband vrijwilliger/recruut/Soldaat zal worden aangemerkt en alszodanig [sic] de aan de rang verbonden bezoldiging van Sf. 31.880,= (…) per maand zal genieten, alsmede een militaire toelage van Sf. 5.250,= (…) per maand en een bijzondere toelage van Sf. 8.000,= (…) per maand (zijnde stipendium).

(…)

ARTIKEL III

Slotbepalingen

  1. De Studieovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van 01 (èèn) jaar.
  2. Dat aan het volgen van de EOMP de verplichting is verbonden om na beëindiging van de opleiding de Staat gedurende 3 jaren aaneengesloten te dienen.

(…)”

2.2 Door omstandigheden is de Elementaire Algemene Opleiding (E.A.O.) pas op 16 maart 1997 van start gegaan. [verzoeker] was in de periode van 16 juni 1996 tot 16 maart 1997 geplaatst op het Centraal Kantoor voor het verrichten van werkzaamheden.

2.3 [verzoeker] heeft twee negatieve beoordelingen d.d. 02 december 1997 en d.d. 06 januari 1998 gekregen. Voorts blijkt uit de straflijst ten name van [verzoeker] dat hij op 02 december 1997, 09 januari 1998 en 19 januari 1998 tuchtrechtelijk is gestraft ter zake van ongeoorloofde afwezigheid.

2.4 [Verzoeker] is te rekenen van 01 februari 1998 verwijderd van de Elementaire Opleiding Militaire Politie (E.O.M.P.).

2.5 Majoor [naam 1], hoofd G-1 van het Nationaal Leger, heeft een brief d.d. 02 februari 1998 gericht aan [verzoeker]. Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

Kennisgeving

Hierbij deel ik U mede dat U terekenen [sic] van o1. [sic] februari 1998 wordt ontheven van de Basis Opleiding MP, tevens wordt U met ingang van 01. [sic] maart 1998 voorgedragen voor beeindiging [sic] van het dienstverband.”

2.6 De minister van Defensie, [naam 2], heeft bij brief d.d. 09 maart 1999, kenmerk: MD [nummer 1], voor zover van belang, onder meer het volgende aan mr. K.J. Brandon meegedeeld ten aanzien van haar cliënt [verzoeker]:

“Geachte Mr. Brandon,

(…)

Met de heer [verzoeker] was een studie-overeenkomst gesloten;

(…)

Omdat er slechts sprake is van een studie-overeenkomst en niet van een arbeidsovereenkomst, kan moeilijk gesteld worden dat het dienstverband met betrokkene beeindigd [sic] had moeten worden op de wijze aangegeven in de Personeelswet (vide Uw schrijven van 30 december 1998).

Mijns inziens was er geen sprake van een dienstverband waar de arbeidswetgeving op van toepassing zou zijn.

De enige referentie naar een arbeidsrelatie wordt gevonden in art III lid 2, n.l. dat aan het volgen van de Elementaire Opleiding Militaire Politie de verplichting is verbonden na beeindiging [sic] van de opleiding de staat gedurende 3 jaar te dienen.

Onder welke voorwaarden dit zou moeten geschieden staat niet vermeld, zodat deze studie-overeenkomst geenszins het karakter heeft van een gemengde overeenkomst (studie/arbeid).”

2.7 De waarnemend directeur van Defensie, kolonel [naam 3], heeft bij brief d.d. 28 juni 2018, kenmerk: DD [nummer 2], voor zover van belang, onder meer het volgende aan mr. R.H. Tholen, advocaat, bericht ten aanzien van haar cliënt [verzoeker]:

“Weledelgestrenge vrouwe,

(…)

Uw cliënt is wegens negatief gedrag uit de opleiding ontheven. Uw cliënt is bij schrijven van 2 februari 1998 in kennis gesteld van zijn ontheffing uit de opleiding en bij schrijven van 1 maart 1998 is het dienstverband met hem beëindigd, met onmiddellijke stopzetting van zijn soldij.

(…)

Mede op grond van het voorgaande is de redenering van uw cliënt, dat hij na 20 jaren nog in het duister tast met betrekking tot de mogelijke ontheffing en beëindiging van het dienstverband dezerzijds niet te volgen.

Er bestaat al langer dan 20 jaren geen dienstbetrekking meer tussen uw cliënt en het Nationaal Leger c.q. het Ministerie van Defensie.

(…)”

2.8 De minister van Defensie, brigade generaal b.d. [naam 4], heeft bij brief d.d. 11 december 2019, ref. no. MD [nummer 3], betreffende “aangevraagd onderzoek case de heer [verzoeker]” onder meer het volgende aan [verzoeker] bericht:

“Geachte heer [verzoeker],

Uit documentenonderzoek is ten aanzien van u het volgende gebleken:

16.06.1996: in werkelijke dienst getreden bij het Ministerie van Defensie;

03.07.1996: studieovereenkomst ondertekend voor het volgen van de Elementaire Opleiding

Militaire Politie (EOMP);

16.06.96 – 16.03.1997: geplaatst op het Centraal Kantoor

16.03.1997: geplaatst als KVV-er voor de E.A.O.;

21.05.1997: verheven tot geoefend soldaat:

02.05.1997: geplaatst op de EOMP;

01.02.1998: ontheven uit de EOMP vanwege slechte PB-resultaten en andere dringende

redenen;

01.03.1998: beëindiging van het dienstverband conform artikel 3, lid a 2a van het

Examenreglement Basisopleiding M.P.

Vanwege omstandigheden is de voor 1996 geplande EOMP aangevangen in 1997.

In afwachting van deze opleiding bent u voor diensten op het Centraal Kantoor ingezet.

Bij aanvang van de opleiding bent u op basis van de eerder aangegane studieovereenkomst daarop geplaatst.

Op grond van een door u aangespannen proces terzake uw ontslag, is deze aangelegenheid reeds diepgaand onderzocht. De rechter heeft hierover uitspraak gedaan, waarbij u de zaak hebt verloren. Daardoor wordt deze aangelegenheid van deze zijde als afgesloten beschouwd.”

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. het besluit van de Staat in het schrijven d.d. 02 februari 1998 en 01 maart 1998, waarbij aan [verzoeker] zou zijn meegedeeld over het ontheven zijn van de Basis Opleiding MP en de ingangsdatum d.d. 01 maart 1998 ter zake beëindiging van het dienstverband, nietig zal worden verklaard, althans zal worden vernietigd;
  2. de Staat zal worden veroordeeld om aan [verzoeker] te betalen het bedrag van SRD 950.000,-, zijnde o.a. het door de Staat aan [verzoeker] verschuldigde salaris en tegoeden vanaf 01 maart 1998 tot en met de dag van vonniswijzing, vermeerderd met de vertragingsrente ingevolge artikel 1614q van het Burgerlijk Wetboek (BW) en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;
  3. de Staat zal worden veroordeeld om binnen 1 (een) week na de uitspraak [verzoeker] wederom toe te laten tot de dienst;
  4. De Staat zal worden veroordeeld tot een dwangsom van SRD 25.000,- voor iedere dag dat de Staat nalaat om aan het gevorderde onder sub A en B te voldoen.

[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

3.2 [Verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Hij is op 16 juni 1996 in werkelijke dienst getreden bij de Staat, die met hem een arbeidsovereenkomst ex artikel 15 Pw is aangegaan. Hij heeft vanaf 16 juni 1996 tot en met 01 maart 1998, zijnde de datum van de zogenaamde beëindiging van het dienstverband conform artikel 3 lid a onder 2a van het Examenreglement Basisopleiding Militaire Politie, in loondienst gewerkt bij de overheid. Tijdens voormeld dienstverband heeft hij productieve arbeid verricht.

De verwijzing door de minister van Defensie in zijn brief d.d. 11 december 2019 (zie 2.8) naar artikel 3 lid a 2a van voormeld examenreglement bestaat niet, althans komt niet voor in de studieovereenkomst. De Staat heeft op grond hiervan gebruik gemaakt van een onjuiste juridische grondslag voor de beëindiging van het dienstverband met [verzoeker] en hierdoor willens en wetens in strijd gehandeld met de vigerende wettelijke regelingen, waaronder de Personeelswet en de Wet rechtspositie militairen.

De Staat heeft door deze handelwijze voorts gehandeld in strijd met het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, als gevolg waarvan [verzoeker] schade heeft geleden. Deze schade behelst gederfde inkomsten bestaande uit bezoldiging, vakantiegeld, emolumenten en achterstand van periodieken, vermeerderd met de wettelijke rente inclusief de vertragingsrente.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Vooropgesteld wordt dat het Hof op grond van artikel 79 lid 1 juncto artikel 83 Pw, kort gezegd, slechts bevoegd is kennis te nemen van door landsdienaren ingestelde vorderingen in de zin van artikel 79 lid 1 Pw. De vraag die partijen in deze procedure verdeeld houdt, is of tussen hen een dienstverband heeft bestaan.

[Verzoeker] stelt, kort gezegd, dat hij op basis van een arbeidsovereenkomst ex artikel 15 Pw in dienst van de Staat is geweest en dat de Staat dit dienstverband onrechtmatig heeft beëindigd. [Verzoeker] heeft tijdens het verhoor van partijen ter zitting, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij als burger personeel in dienst is getreden van de Staat, zulks vanwege de verlate aanvang van de opleiding(en).

De Staat betwist dat er sprake is geweest van vorenbedoeld dienstverband en voert daartoe, zakelijk weergegeven, aan dat met [verzoeker] geen arbeidsovereenkomst maar een studieovereenkomst is gesloten, dat de periode waarvoor de studieovereenkomst is aangegaan gezien moet worden als een opleidingsperiode, dat van productieve arbeid zijdens [verzoeker] geen sprake was en dat de studieovereenkomst niet was gericht op profijt voor de Staat. Omdat er slechts sprake was van een studieovereenkomst en niet van een arbeidsovereenkomst, kan er geen sprake zijn van beëindiging van het dienstverband zoals aangegeven in de Personeelswet, aldus de Staat. De Staat voert voorts aan dat [verzoeker] vanaf de datum waarop hij in kennis is gesteld van zijn ontheffing uit de opleiding geen relatie meer had met de Staat, aangezien met hem slechts een overeenkomst was gesloten voor het volgen van die opleiding.

4.1.2 [Verzoeker] verwijst ter onderbouwing van zijn stelling dat hij met de Staat een arbeidsovereenkomst ex artikel 15 Pw is aangegaan naar de volgende brieven:

– de hierboven onder 2.5 genoemde brief van majoor [naam 1] d.d. 02 februari 1998 waarin gewag wordt gemaakt van de voordracht tot beëindiging van het dienstverband met [verzoeker];

de hierboven onder 2.7 vermelde brief van de waarnemend directeur van Defensie d.d. 28 juni 2018 waarin gewag wordt gemaakt van de beëindiging van het dienstverband met [verzoeker] bij schrijven van 01 maart 1998 met onmiddellijke stopzetting van zijn soldij;

de hierboven onder 2.8 genoemde brief van de minister van Defensie d.d. 11 december 2019 waarin gewag ervan wordt gemaakt dat [verzoeker] te rekenen van 16 juni 1996 in werkelijke dienst is getreden bij de Staat en dat op 01 maart 1998 het dienstverband met [verzoeker] is beëindigd conform artikel 3, lid a 2a van het Examenreglement Basisopleiding Militaire Politie.

Het Hof constateert dat de vermelding van de beëindiging van het dienstverband met [verzoeker] door voornoemde functionarissen van de Staat in bovengenoemde brieven niet in lijn is met de betwisting door de Staat dat met [verzoeker] een arbeidsovereenkomst is gesloten. Het lag op de weg van de Staat om een verklaring te geven voor deze discrepantie. De Staat heeft dit nagelaten, zodat als onvoldoende gemotiveerd betwist rechtens tussen partijen is komen vast te staan dat [verzoeker] met de Staat een arbeidsovereenkomst ex artikel 15 Pw is aangegaan.

4.1.3 Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:

  1. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
  2. tot verlaging van rang;
  3. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
  4. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
  5. tot schorsing of ontslag.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.4 Het Hof is gelet op het voorgaande onbevoegd om kennis te nemen van het eerste deel van het gevorderde onder 3.1 onder A, alsmede van de onder 3.1 onder B gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 1614q BW en voorts van het gevorderde onder 3.1 onder C. Het Hof overweegt daartoe als volgt.

De brief van majoor [naam 1] d.d. 02 februari 1998 behelst, anders dan [verzoeker] kennelijk meent, geen besluit tot zijn verwijdering van de Elementaire Opleiding Militaire Politie, maar slechts een kennisgeving van dit besluit. Bovendien behoort een dergelijk besluit niet tot de in artikel 79 lid 2 Pw limitatief opgesomde besluiten die vatbaar zijn voor nietigverklaring.

De (als schade) gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 1614q BW is volgens vaste rechtspraak van het Hof niet te beschouwen als schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw.

De gevorderde veroordeling van de Staat tot het weder toelaten van [verzoeker] tot de dienst kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw.

Het Hof zal zich derhalve onbevoegd verklaren kennis te nemen van voornoemde vorderingen.

Het Hof is wel bevoegd tot kennisname van het overige door [verzoeker] gevorderde.

Ten aanzien van de mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten, verwijst het Hof naar hetgeen onder 4.3 is overwogen.

Ontvankelijkheid

4.2 [Verzoeker] is tardief met het instellen van de overige vorderingen. In de visie van het Hof is aan de feitelijke relatie tussen [verzoeker] en de Staat op 01 februari 1998 een einde gekomen als gevolg van de verwijdering van [verzoeker] van de Elementaire Opleiding Militaire Politie. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] na 01 februari 1998 (nog) werkzaamheden heeft verricht voor de Staat. Het Hof overweegt op grond van het voorgaande dat het van een onbehoorlijke proceshouding zijdens [verzoeker] getuigt om op 06 april 2020, derhalve met overschijding van ruim 20 jaren van de termijnen genoemd in artikel 80 Pw, nog een vordering in te stellen tot nietigverklaring van het in het schrijven d.d. 01 maart 1998 vervatte besluit tot de beëindiging van het dienstverband tussen [verzoeker] en de Staat per dezelfde datum. Hetzelfde geldt voor de vordering tot betaling van het achterstallige salaris vanaf 01 maart 1998. De stelling van [verzoeker] – wat hiervan ook zij – dat hij pas bij schrijven van de minister van Defensie d.d. 11 december 2019 officieel heeft vernomen dat het dienstverband met de Staat ingevolge artikel 3 lid a onder 2a van het Examenreglement Basisopleiding Militaire Politie is beëindigd en dat hij voormeld schrijven d.d. 01 maart 1998 nimmer heeft ontvangen, doet hieraan niet af. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel nopen.

De conclusie is dat [verzoeker] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de onder 3.1 onder A mede gevorderde nietigverklaring van het in het schrijven d.d. 01 maart 1998 vervatte besluit tot beëindiging van het dienstverband tussen [verzoeker] en de Staat, alsmede in de onder 3.1 onder B gevorderde betaling van het achterstallige salaris vanaf 01 maart 1998 vermeerderd met de wettelijke rente en voorts in de onder 3.1 onder D gevorderde dwangsom.

4.3 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten, zal als niet op de wet gestoeld worden afgewezen.

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering onder 3.1 onder A tot nietigverklaring van de in het schrijven van majoor [naam 1] d.d. 02 februari 1998 vervatte mededeling van de ontheffing van [verzoeker] uit (oftewel de verwijdering van [verzoeker] van) de Elementaire Opleiding Militaire Politie, alsmede van de onder 3.1 onder B gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 1614q BW en voorts van het gevorderde onder 3.1 onder C.

5.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het onder 3.1 onder A en B overige gevorderde, alsmede in het gevorderde onder 3.1 onder D.

5.3 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 05 november 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen Majoor V. Pengel LLM namens mr. D.G. Duurham, gevolmachtigde van verweerder terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

 

SRU-HvJ-2021-95

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
gevestigd en kantoorhoudende te zijnen Parkette te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 22 van de Wet Brandweer Suriname 1993 juncto artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 20 december 2017;

de beschikking van het Hof van 27 november 2018, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 januari 2019;

de processen-verbaal van het verhoor van partijen gehouden op 18 januari 2019 en voortgezet op 05 april 2019 en 21 juni 2019, alsmede het op laatstgenoemde datum door de Staat overgelegde bescheid;

de conclusie tot uitlating en overlegging van relevante stukken, met producties, zijdens de Staat overgelegd op 02 augustus 2019;

de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] overgelegd op 06 december 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 16 oktober 2020, doch nader op heden.

  1. De feiten

2.1 [Verzoeker] was als ambtenaar in de rang van brandwacht 2e klasse bij het Korps Brandweer Suriname in dienst van de Staat.

2.2 Op 20 mei 2016 is [verzoeker] in verzekering gesteld op verdenking van één of meer zedendelicten, wederspannigheid en overtreding van de Vuurwapenwet. [verzoeker] is bij vonnis ter zake van een zedendelict en overtreding van de Vuurwapenwet veroordeeld tot een gevangenisstraf van anderhalf jaar. [verzoeker] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen dit veroordelend vonnis.

2.3 Nadat [verzoeker] in vrijheid was gesteld, heeft hij zich gemeld bij de Inspectiedienst. Naar aanleiding van informatie verkregen van deze dienst heeft [verzoeker], die geen (schriftelijke) verweeraanzegging had ontvangen, een brief d.d. 22 augustus 2017 gericht aan de commandant van de brandweer. Voormelde brief, met als onderwerp “Afwezigheid”, luidt voor zover van belang als volgt:

Verweer

Hierbij wens ik brandwacht 2e klasse [verzoeker], dienende in ploeg a te cmp, afdeling repressie U het volgende te verweren

Van vrijdag 20 mei 2016 tot en met woensdag 16 augustus 2017 was ik ter beschikking van het Openbaar Ministerie vanwege verdenking van Art 298; Art 296; Art 300; Art 323; Wetboek van Strafrecht; Art 9 Vuurwapenwet (namelijk peperspray). In deze periode kon ik mij dus niet persoonlijk aanmelden. Ik verzoek u mij persoonlijk te willen ontvangen om mij mondeling te laten verweren en u meer informatie te verschaffen omtrent mijn afwezigheid.

Hopende op een gunstig antwoord uwerzijds.”

2.4 [Verzoeker] is vervolgens telefonisch opgeroepen om op 14 september 2017 op korpsrapport te verschijnen teneinde door de tuchtcommissie te worden gehoord. [Verzoeker] werd op het korpsrapport meegedeeld dat hij zal worden voorgedragen voor ontslag.

2.5 De minister van Justitie en Politie (hierna: de minister) heeft bij beschikking d.d. 10 november 2017, Bureau no. J [nummer 1], BW. [nummer 2] (hierna: de ontslagbeschikking), besloten om aan [verzoeker] met toepassing van artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest wegens plichtsverzuim de tuchtstraf van ontslag te verlenen (lees: op te leggen). Vorenbedoeld besluit (hierna: het ontslagbesluit) is als volgt gemotiveerd:

“- dat blijkens het schrijven van de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie d.d. 4 juli 2016, de Brandwacht 2e klasse, de heer [VERZOEKER], (…) in vaste dienst bij het Korps Brandweer Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie, als verdacht van één of meer zedendelicten, wederspannigheid en overtreding vuurwapenwet, dan wel ernstig plichtsverzuim, te rekenen van 20 mei 2016 in verzekering is ingesteld [sic] en derhalve ingevolge artikel 66 lid 1 van de Personeelswet van rechtswege is geschorst;

(…)

dat betrokkene ingevolge artikel 44 lid 1 van het Politiehandvest in de gelegenheid is gesteld zich terzake schriftelijk en mondeling te verweren, echter heeft hij bij zijn schriftelijke verweer d.d. 22 augustus 2017 geen steekhoudende argumenten kunnen aanvoeren welke ertoe zouden leiden van bestraffing af te zien;

dat deze handeling, die ernstig plichtsverzuim voor hem oplevert, in een gedisciplineerd Korps niet kan worden getolereerd;

dat op het gehouden korpsrapport van de Tuchtcommissie d.d. 14 september 2017 aan betrokkene is meegedeeld, dat hij ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest wegens ernstig plichtsverzuim zal worden voorgedragen voor ontslag;

dat blijkens het schrijven van de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie d.d. 18 juli 2017 betrokkene is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 1½ (anderhalf) jaar onder aftrek en gevangenhouding;

dat gelet op de ernst van de zaak er termen aanwezig zijn voor het in overweging nemen van ontslag wegens ernstig plichtsverzuim;

dat naar aanleiding van het voorgaande betrokkene niet langer in Staatsdienst kan worden gehandhaafd en ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest, de tuchtstraf van ontslag aan hem wordt opgelegd.”

2.6 [Verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 27 november 2017 ontvangen.

2.7 [Verzoeker] heeft bij brief d.d. 30 november 2017 de minister verzocht om de ontslagbeschikking binnen een maand na ontvangst van deze brief nietig te verklaren en de werkrelatie met hem te herstellen. [Verzoeker] heeft zich daarbij erover beklaagd dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zich schriftelijk dan wel mondeling te verweren. Op voormelde brief is geen antwoord van de minister gekomen.

2.8 De minister heeft bij brief d.d. 03 juli 2019, met als onderwerp “Overweging/besluit inzake ontslag [verzoeker]”, het volgende aan de commandant van het Korps Brandweer Suriname bericht:

“Geachte heer,

Onder verwijzing naar uw schrijven d.d. 28 juni 2019, BW. [nummer 3], inzake de zaak van ex-brandweerman, dhr. [verzoeker] aanhangig gemaakt tegen de Staat Suriname naar aanleiding van zijn ontslag, moge het volgende dienen:

Aangezien er in meerdere gevallen afgeweken is van het opleggen van ontslag, is de mogelijkheid in reële mate aanwezig dat de Staat bij persisteren veroordeeld zal worden en dus [verzoeker] in het gelijk gesteld zal worden.

Geadviseerd wordt een schikking met betrokkene te treffen en in stede van ontslag, de tuchtmaatregel van degradatie in rang op te leggen.

(…)”

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de ontslagbeschikking zal worden vernietigd dan wel nietig zal worden verklaard;
  2. de Staat zal worden veroordeeld om [verzoeker] weder aan het werk toe te laten binnen een week na de uitspraak, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 50.000,- voor elke keer dat de Staat in strijd met het vonnis handelt;
  3. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het proces en de kosten van juridische bijstand ten bedrage door uw Hof (lees: het Hof) vast te stellen;
  4. de Staat zal worden veroordeeld om aan [verzoeker] te betalen het loon vanaf 10 november 2017, verhoogd met de vertragingsrente op grond van artikel 1614q van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de overige emolumenten.

3.2 Hetgeen [verzoeker] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, komt, zakelijk weergegeven, op het volgende neer. [Verzoeker] kan zich niet verenigen met zijn ontslag uit Staatsdienst en wel om de volgende redenen. Het ontslagbesluit is genomen in strijd met het hoorbeginsel. [Verzoeker] werd niet de gelegenheid geboden om zich te verweren op het op 14 september 2017 gehouden korpsrapport. Hij kreeg te horen dat zulks niet nodig was, omdat hij al was voorgedragen voor ontslag. Voorts blijkt uit de ontslagbeschikking dat de Staat het onder 2.3 vermelde schrijven d.d. 22 augustus 2017 beschouwt als een schriftelijk verweer zijdens [verzoeker], zulks ten onrechte omdat dit schrijven geen verweer behelst maar een verzoek om ontvangen te worden voor een mondeling verweer. [Verzoeker] heeft zich derhalve nimmer kunnen verweren.

De Staat heeft tevens in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, omdat anderen binnen het korps, met name de heren [naam 1] en [naam 2], die ook met justitie in aanraking zijn gekomen en veroordeeld zijn voor handelingen binnen hun diensttijd, na een schrijven aan de minister weer aan het werk zijn.

Voorts is [verzoeker] in de nachtelijke uren, geheel buiten zijn schuld om, in een situatie geraakt en levert zijn handeling geen plichtsverzuim op. De feiten waarvoor hij veroordeeld is, zijn niet in functie gepleegd. Hij is zich nimmer bewust geweest van de minderjarigheid van het slachtoffer; zij had hem meegedeeld dat zij 23 jaar oud was. [Verzoeker] is onschuldig.

Het ontslag is aldus in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en derhalve nietig althans vernietigbaar.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

  1. De beoordeling

4.1 De Staat heeft in de loop van dit geding conform de onder 2.8 genoemde brief van de minister d.d. 03 juli 2019 een schikkingsvoorstel aan [verzoeker] gedaan, inhoudende dat (het ontslagbesluit naar het Hof begrijpt zal worden ingetrokken en) in stede van ontslag, aan [verzoeker] de tuchtstraf van degradatie in rang zal worden opgelegd. [Verzoeker] heeft dit schikkingsvoorstel afgewezen. Nu er tussen partijen geen schikking is bereikt, zal het Hof overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering.

Bevoegdheid

4.2.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar van de brandweer in de zin van artikel 1 van de Wet Brandweer Suriname 1993 is geweest, zodat deze wet op hem van toepassing is. In artikel 22 lid 2 van de Wet Brandweer Suriname 1993 is bepaald dat het vierde hoofdstuk van het Politiehandvest – dit zijn de artikelen 32 tot en met 49 – met uitzondering van de artikelen 32, 35 lid 2 en 37 leden 3, 4 en 5 van overeenkomstige toepassing is op de ambtenaren van de brandweer.

Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid, de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie.

Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

Het onder 3.1 onder A gevorderde strekt tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw juncto artikel 47 lid 3 van het Politiehandvest is het Hof bevoegd kennis te nemen van een vordering tot nietigverklaring van een besluit waarbij aan een ambtenaar van de brandweer de tuchtstraf van ontslag is opgelegd. Het Hof is derhalve bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1 onder A.

4.2.2 Het onder 3.1 onder B gevorderde, kort gezegd, de veroordeling van de Staat tot wedertewerkstelling van [verzoeker] onder verbeurte van een dwangsom, kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het Hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen.

4.2.3 Het Hof beschouwt de onder 3.1 onder C gevorderde kosten van juridische bijstand als schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw en is derhalve bevoegd van dit gevorderde kennis te nemen.

Ten aanzien van de onder 3.1 onder C mede gevorderde proceskosten, verwijst het Hof naar hetgeen onder 4.12 is overwogen.

4.2.4 Het Hof beschouwt het onder 3.1 onder D gevorderde achterstallige loon ook als schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw en is daarom bevoegd ook van dit gevorderde kennis te nemen.

Hetzelfde geldt, naar het oordeel van het Hof, niet voor de onder 3.1 onder D mede gevorderde wettelijke verhoging in de zin van artikel 1614q BW. Deze wettelijke verhoging, die de werkgever verschuldigd is bij niet-tijdige betaling van het salaris, is immers niet bedoeld als een (gefixeerde) schadevergoeding, maar als een prikkel om de werkgever te bewegen tot tijdige betaling (vgl. HR 05 januari 1979, NJ 1979, 207). Het Hof zal zich derhalve onbevoegd verklaren om van dit deel van de vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

4.3 Ingevolge artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest zijn vorderingen tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van een tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder e tot en met j van voormeld handvest – hieronder valt de aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf van ontslag –, niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat het besluit ter kennis van de gestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen. Het ontslagbesluit is op 27 november 2017 ter kennis van [verzoeker] gebracht. Nu [verzoeker] de onder 3.1 onder A vermelde vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit op 20 december 2017 heeft ingesteld, derhalve binnen voormelde termijn van een maand, is hij daarin ontvankelijk.

Dit laatste geldt op grond van artikel 80 lid 2 sub b Pw ook voor de onder 3.1 onder C respectievelijk D gevorderde veroordeling van de Staat tot betaling aan [verzoeker] van de kosten van juridische bijstand en van het achterstallige loon vanaf 10 november 2017.

4.4 Vooropgesteld wordt dat aan [verzoeker] – zij het dat zulks in de ontslagbeschikking op gebrekkige wijze is verwoord – de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst is opgelegd wegens het plegen van een zedendelict en het overtreden van de Vuurwapenwet, voor welke strafbare feiten hij tot een gevangenisstraf van anderhalf jaar is veroordeeld. Dat [verzoeker] met deze reden van zijn ontslag bekend is, is niet in geding.

4.5 [Verzoeker] heeft zich erop beroepen dat de Staat in strijd heeft gehandeld met het hoorbeginsel. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. Aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat de Staat zijn brief d.d. 22 augustus 2017 niet kon beschouwen als een schriftelijk verweer. Immers, in deze brief doet [verzoeker] slechts het verzoek om zich mondeling te verweren en dit verzoek betreft bovendien [verzoeker]s afwezigheid van het werk, welk verwijt niet aan het ontslagbesluit ten grondslag is gelegd. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] zich in een ander schrijven heeft kunnen verweren tegen hetgeen hem wel wordt verweten. Op grond van het voorgaande is rechtens niet komen vast te staan – en is derhalve in de ontslagbeschikking ten onrechte opgenomen – dat [verzoeker] in de gelegenheid is gesteld om zich schriftelijk te verweren.

[verzoeker] heeft voorts gesteld dat hem niet de gelegenheid is geboden om zich mondeling te verweren op het op 14 september 2017 gehouden korpsrapport, hetgeen de comparitiegevolmachtigde van de Staat, [naam 3], commandant van de brandweer, op de zitting van 21 juni 2019 gemotiveerd heeft weersproken. Het Hof acht het ongeloofwaardig dat aan [verzoeker], na telefonisch te zijn opgeroepen om op korpsrapport te verschijnen teneinde door de tuchtcommissie te worden gehoord, op het gehouden korpsrapport is meegedeeld dat hij zich niet meer mondeling hoefde te verweren omdat hij reeds was voorgedragen voor ontslag. Om deze reden zal het Hof [verzoeker], die geen bewijsaanbod heeft gedaan, niet ambtshalve opdragen zijn stelling dat hem niet de gelegenheid is geboden om zich mondeling te verweren op het op 14 september 2017 gehouden korpsrapport, te bewijzen. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat rechtens niet is komen vast te staan dat [verzoeker] niet in de gelegenheid is gesteld om zich mondeling te verweren. Het beroep op het hoorbeginsel faalt derhalve.

4.6 Het Hof volgt [verzoeker] niet in zijn stelling dat hij onschuldig is. [Verzoeker] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het onder 2.2 bedoeld veroordelend vonnis, zodat dit vonnis onherroepelijk is geworden. Derhalve staat rechtens vast dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan een zedendelict en het overtreden van de Vuurwapenwet.

4.7 Ingevolge artikel 22 lid 1 van de Wet Brandweer Suriname 1993 zijn de algemene regelen omtrent de rechtstoestand van de landsdienaren van toepassing op de ambtenaren van de brandweer, voor zover daarvan niet bij deze wet is afgeweken. Artikel 36 lid 1 Pw bepaalt dat een landsdienaar onder meer verplicht is zich steeds te gedragen zoals een goed en getrouw landsdienaar betaamt.

Het Hof is van oordeel dat [verzoeker] zich met het plegen van de onder 2.2 genoemde strafbare feiten waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld, niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar van de brandweer betaamt en zich daarmee aan ernstig plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt. Het Hof tekent daarbij aan dat volgens vaste rechtspraak ook handelen buiten werktijd onder omstandigheden strijdig kan zijn met hetgeen een goed ambtenaar betaamt en daarmee plichtsverzuim kan opleveren. Dit is onder meer het geval in situaties waarbij het handelen van de ambtenaar het aanzien van de openbare dienst heeft geschaad. Naar het oordeel van het Hof is er in het onderhavige geval sprake van grensoverschrijdend gedrag zijdens [verzoeker] dat ook zijn weerslag heeft op het aanzien van het Korps Brandweer Suriname.

4.8 Naar het oordeel van het Hof kan het gepleegde plichtsverzuim [verzoeker] worden toegerekend. [Verzoeker] heeft in deze procedure alleen ter zake van het door hem gepleegde zedendelict aangevoerd dat het slachtoffer hem had meegedeeld dat zij 23 jaar oud was en dat hij zich nimmer bewust is geweest van haar minderjarigheid. Dit levert in de visie van het Hof geen verontschuldigende factor op die noopt tot een ander oordeel. Dat [verzoeker] aannam dat het slachtoffer oud genoeg was omdat hij haar in een nachtclub had ontmoet, zoals zijn procesgemachtigde ter zitting van 05 april 2019 heeft aangevoerd, maakt dit niet anders.

4.9 [Verzoeker] heeft zich tevens erop beroepen dat de Staat in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. Bij dit algemene beginsel van behoorlijk bestuur gaat het, kort gezegd, erom dat gelijke gevallen, gelijk moeten worden behandeld. Naar het Hof begrijpt betoogt [verzoeker] dat zijn geval gelijk is aan dat van de brandweermannen [naam 1] en [naam 2]. Net als [verzoeker] zijn [naam 1] en [naam 2], naar de comparitiegevolmachtigde van de Staat, [naam 4], medewerker op de afdeling Tuchtzaken van het Korps Brandweer Suriname, ter zitting van 21 juni 2019 onweersproken heeft verklaard, kort gezegd, beide veroordeeld wegens het plegen van ernstige strafbare feiten. [Naam 3] heeft ter voormelde zitting onweersproken verklaard dat aan [naam 1] en [naam 2] daarvoor de tuchtstraf van degradatie in rang is opgelegd, zodat het Hof van de juistheid daarvan zal uitgaan. Nu [verzoeker] heeft afgewezen het door de Staat gedane schikkingsvoorstel, kort gezegd, inhoudende dat aan hem in stede van ontslag – net als aan [naam 1] en [naam 2] – de tuchtstraf van degradatie in rang zal worden opgelegd, is er naar het oordeel van het Hof geen sprake van gelijke gevallen. Derhalve faalt ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

4.10 Naar het oordeel van het Hof is de aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf van ontslag een passende, gelet op de ernst en de gevolgen van het gepleegde plichtsverzuim en het feit dat ingevolge artikel 22 lid 2 van de Wet Brandweer Suriname 1993 juncto artikel 37 lid 1 van het Politiehandvest de discipline onder de ambtenaren van de brandweer in militaire trant wordt gehandhaafd.

4.11 Uit het onder 4.5 tot en met 4.10 overwogene volgt dat de grondslag van de vordering onder 3.1 onder A, strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit, niet in rechte is komen vast te staan, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

4.12 Niet is komen vast te staan dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoeker]. Reeds op deze grond zal de onder 3.1 onder C gevorderde veroordeling van de Staat in de kosten van juridische bijstand, de omvang van welke kosten [verzoeker] overigens niet heeft vermeld, worden afgewezen.

De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.13 Uit het onder 4.11 overwogene volgt dat het ontslagbesluit in stand blijft, zodat van achterstallig loon geen sprake is. Het onder 3.1 onder D gevorderde achterstallige loon zal daarom ook worden afgewezen.

4.14 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1 onder B en van de onder 3.1 onder D gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 1614q BW.

5.2 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 06 augustus 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. Tjin Aton Pryce namens mr. R. Koendan, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in person noch bij gemachtigde is verschenen.

 

SRU-HvJ-2022-36

GR-15240

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

in de zaak van

[Appellant],
wonende te [plaats],
appellant,
verder te noemen: [appellant],
gemachtigde: mr. C.P. Baal, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde,
verder te noemen: [geïntimeerde], [geïntimeerde]
gemachtigde: mr. H.P. Boldewijn, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde gewezen en uitgesproken vonnis van 6 januari 2015 (A.R. No. 12-4671) spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal d.d. 15 mei 2015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de plietnota d.d. 4 augustus 2017 met één productie;
  • het antwoordpleidooi d.d. 5 januari 2018;
  • het repliekpleidooi d.d. 1 juni 2018;
  • het dupliekpleidooi d.d. 2 november 2018.

De uitspraak van dit vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling

  1. Het beroep is tijdig en op juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen.
  1. In bovengenoemd vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] tot doorbetaling van loon, vermeerderd met wettelijke verhoging en buitengerechtelijke incassokosten en tot toelating tot het werk afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.
  1. Het gaat in deze zaak, kort gezegd om het volgende. [Appellant] is, in ieder geval rond 2000, bij [geïntimeerde] in dienst getreden. Hij was werkzaam als loper. In 2009 heeft [appellant] een Cerebrovasculair Accident (CVA) gekregen. Nadien is hij (ook) onder behandeling geweest van [naam 1], psychiater en in 2011 en 2012 voor oogarts [naam 2]. [Appellant] stelt dat zijn salaris vanaf de maand juni 2011 ad. SRD 1.000,– per maand niet is betaald en hij vordert doorbetaling van dat salaris vanaf juni 2011 tot het moment waarop de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. [Geïntimeerde] heeft verweer gevoerd, stellende dat de vordering op grond van het bepaalde in artikel 1989 BW is verjaard. Dit verweer is door de kantonrechter gehonoreerd.

[Appellant] heeft twee grieven tegen dit oordeel aangevoerd en toegelicht.

  1. Het Hof overweegt als volgt.

4.1 De grieven slagen. [Geïntimeerde] heeft niet betwist dat hij [appellant] na juni 2011 geen loon meer heeft uitbetaald. De verjaring welke in artikel 1989 BW is geregeld is geen eigenlijke verjaring, maar een vermoeden van betaling. Vgl. Hof van Justitie 16 maart 2018, SRU-HVJ-2018-20. Nu vast staat dat [geïntimeerde] met ingang van de maand juni 2011 geen loon meer heeft uitbetaald, kan hij zich niet op deze korte verjaringstermijn beroepen.

4.2 Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep zullen, nu de grieven slagen, de overige weren van [geïntimeerde] moeten worden beoordeeld. [Geïntimeerde] voert in de eerste plaats aan dat de arbeidsovereenkomst rond juni 2011 in onderling overleg is geëindigd. Daarnaast beroept hij zich er op dat [appellant] na de maand mei 2011 niet meer op het werk is verschenen en dat dit niet door een attest werd gedekt.

4.3 Uit de enkele verklaring van [appellant] blijkt dat hij, in verband met een oogoperatie voorlopig niet zou kunnen werken, mocht [geïntimeerde] niet opmaken dat [appellant] de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen. Voor een opzegging of een voorstel om de arbeidsovereenkomst in onderling overleg te beëindigen van de werknemer is een duidelijke en ondubbelzinnige op die beëindiging gerichte verklaring nodig. Daarvan is hier geen sprake. De aankondiging van [appellant] dat hij een operatie moest ondergaan en dat hij voorlopig niet zou kunnen werken, duidt er juist op dat [appellant] na zijn herstel weer wilde komen werken.

4.4 De mededeling van [appellant] dat hij in verband met de geplande oogoperatie voorlopig niet zou kunnen werken, beschouwt het Hof als een ziekmelding van de kant van [appellant]. Door [appellant] is weliswaar geen attest overgelegd, maar [geïntimeerde] heeft ter gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg verklaard dat hij kon zien dat [appellant] ziek was. Het Hof gaat er dan ook van uit dat [appellant] als gevolg van ziekte niet in staat was de bedongen arbeid te verrichten. Op grond van het bepaalde in artikel 1614c lid 1 BW behoudt de werknemer zijn aanspraak op het naar tijdruimte vastgesteld loon voor een betrekkelijk korte tijd als hij door ziekte verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten. Deze periode bedraagt volgens jurisprudentie zes weken. Dit betekent dat [geïntimeerde] over de eerste zes weken na 1 juni 2011 alsnog loon is verschuldigd. Partijen noemen in de stukken verschillende bedragen. [appellant] heeft het over SRD 1.000,– per maand en [geïntimeerde] over SRD 300,– per week. Het Hof zal van dit laatste bedrag uitgaan en het alsnog verschuldigde loon vaststellen op SRD 1.800,–. Daarnaast is [geïntimeerde] de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 1614q ofwel een bedrag van SRD 900,– verschuldigd. Beide bedragen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.

4.5 Nu beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, ziet het Hof aanleiding om de kosten van het geding in beide instanties te compenseren.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 6 januari 2015 (A.R. No. 12-4671) en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te voldoen een bedrag van SRD 2.700,– te vermeerderen met de wettelijke rente ad. 6% daarover vanaf 22 november 2012 tot aan de dag der algehele voldoening,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de kosten van het geding in beide instanties zodat ieder van partijen de eigen kosten draagt,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh en mr. A.C. Johanns, Leden en

w.g. S.S.S. Wijnhard

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 november 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2022-35

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GR 16219

Beschikking

op het verzoek tot wraking ex artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv) van:

[Verzoekster[, wonende aan [adres 1] te [plaats 1],
gemachtigde: mr. H.H. Vreden, advocaat,
verzoekster, hierna aangeduid als [verzoekster],

ingediend in de zaak bekend onder AR no. 221643 met als partijen EUROCROSS ASSISTANCE SURINAME & CARIBBEAN NV , hierna aangeduid als Eurocross, enerzijds en [VERZOEKSTER] anderzijds en gericht tegen de kantonrechter [naam 1], hierna aangeduid als de rechter.

  1. Het procesverloop

Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de akte van wraking, gedateerd 13 juni 2022, afkomstig van mr. H.H. Vreden, ingediend namens haar cliënte, ter griffie van het kantongerecht op 15 juni 2022;

– de schriftelijke reactie van de rechter, gedateerd 15 juni 2022.

  1. Het verzoek en de grondslag daarvan

2.1 [Verzoekster] heeft een wrakingsverzoek ingediend naar aanleiding van de zaak bekend onder AR no. 221643 welke zaak door Eurocross is ingesteld tegen [verzoekster], strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en Eurocross.

2.2 [Verzoekster] stelt dat zij bezwaar heeft tegen de berechting van de zaak door de rechter.

Zij stelt dat de rechter in een eerdere zaak tussen partijen, de zaak bekend onder AR no. 211986, waarin [verzoekster] vorderde dat Eurocross zou worden veroordeeld om [verzoekster] in de gelegenheid te stellen haar werkzaamheden te hervatten en haar loon uit te betalen, op 13 januari 2022 vonnis heeft gewezen en in die zaak heeft geoordeeld dat onder de omstandigheden van het geval, op welke omstandigheden door de rechter in het vonnis wordt ingegaan, van Eurocross niet gevergd kan worden [verzoekster] wederom in te zetten in haar bedrijf. De vordering van [verzoekster] is afgewezen.

[Verzoekster] stelt dat op grond van het voorgaande gegronde vrees bestaat dat de rechter niet onpartijdig is waardoor afbreuk zal worden gedaan aan het recht van [verzoekster] op behandeling van de zaak door een onpartijdige rechter.

[Verzoekster] stelt tevens dat op grond van het voorgaande tussen haar en de rechter een hoge graad van vijandschap bestaat waardoor zij reden heeft om de rechter te wraken.

  1. De reactie van de rechter

3.1 De rechter berust niet in de wraking. Hij voert in zijn verklaring – kort gezegd – aan dat tussen hem en de procespartij geen hoge graad van vijandigheid bestaat omdat hij de procespartij niet kent, geen contacten met haar onderhoudt waardoor er ook geen mogelijkheid van vijandschap tussen hem en de procespartij bestaat en kan bestaan. Hij heeft verder aangevoerd dat de procespartij met hem van mening verschilt over de interpretatie van welke betekenis partijen aan een beding mochten geven en wat zij ten aanzien daarvan over en weer van elkaar mogen verwachten. Hij is van mening dat het instituut van wraking niet voor dergelijke gevallen in de wet is opgenomen, daarvoor bestaat het instituut van het hoger beroep;

De rechter concludeert dat het wrakingsverzoek ongegrond is.

  1. De beoordeling

4.1 Het Hof overweegt dat, gelijk de rechter heeft aangevoerd, nu de rechter niet bekend is met de procespartij, niet blijkt van enige vijandigheid zoals bedoeld in de grond door [verzoekster] aangevoerd.

4.2 [Verzoekster] beroept zich er in haar akte van wraking ook op dat zij vreest dat de rechter niet onpartijdig zal zijn vanwege zijn eerdere betrokkenheid bij een rechtszaak tussen partijen, namelijk de zaak bekend onder AR no. 211986.

4.3 Het hof stelt voorop dat een rechter, naast de in artikel 31 Rv opgesomde gronden, ook gewraakt kan worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter tegenover een procespartij vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Er zullen dan bijzondere omstandigheden moeten zijn die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld.

Indien een procespartij zich erop beroept dat de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt, zal die de concrete omstandigheden terzake moeten aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.

4.4 De vraag of er sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door een partij de conclusie moet worden getrokken dat de rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een bij een partij bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.

4.5 In haar verzoek heeft [verzoekster] geen feiten of omstandigheden gesteld, waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van subjectieve partijdigheid. Het hof zal dan ook enkel beoordelen of er sprake geweest kan zijn (van schijn) van objectieve partijdigheid.

4.6 Als concrete omstandigheid dat de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt, heeft [verzoekster] gesteld dat de rechter in de zaak bekend onder AR no. 211986 bij vonnis d.d. 13 januari 2022, reeds een oordeel heeft gegeven omtrent hetzelfde onderwerp, namelijk – zo begrijpt het Hof – de vraag of van Eurocross gevergd kan worden [verzoekster] wederom te werk te stellen in haar bedrijf en aan haar haar loon te betalen.

4.7 Het hof heeft kennis genomen van het dossier in de onderhavige zaak, waarin de akte van wraking is ingediend.

Uit de processtukken in deze zaak, waarin ook het vonnis in de zaak bekend onder AR no. 211986 als productie is overgelegd, blijkt dat de kantonrechter in de zaak bekend onder AR no. 211986 moest oordelen over de vraag of van Eurocross gevergd kan worden om [verzoekster] weer tewerk te stellen en haar loon uit te betalen.

In de onderhavige zaak, met AR no. 221643, moet geoordeeld worden over de vraag of van Eurocross gevergd kan worden om de dienstbetrekking met [verzoekster] voort te zetten.

4.8 Het hof stelt vast dat de rechter in het vonnis van 13 januari 2022 in de zaak bekend onder AR no. 211986 een oordeel heeft gevormd en een beslissing heeft genomen over de vraag of van Eurocross gevergd kan worden om [verzoekster] weder tewerk te stellen en haar salaris uit te keren, terwijl de rechter in de onderhavige zaak moet oordelen over de vraag of van Eurocross gevergd kan worden [verzoekster] als werknemer te handhaven. De feiten en omstandigheden, het gevorderde en de weren in de zaak met AR no. 211986 komen min of meer overeen met de feiten en omstandigheden en de gronden in de onderhavige zaak met AR no. 221643.

4.9 Hierdoor is er naar het oordeel van het Hof wel sprake van een situatie waarbij de rechter in de onderhavige zaak over dezelfde problematiek een oordeel moet vormen en moet beslissen als in de eerdere zaak bekend onder AR no. 211986, waardoor de schijn van vooringenomenheid kan ontstaan.

Op grond van het voorgaande zal het wrakingsverzoek gegrond worden verklaard.

  1. De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart de wraking van [naam 1] in de zaak bekend onder AR No. 221643 gegrond.

5.2 Bepaalt dat de griffier deze beslissing van het Hof toezendt aan [verzoekster], [naam 1] en Eurocross Assistance Suriname & Caribbean NV;

5.3 Bepaalt dat de behandeling van de zaak dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek, door een andere rechter binnen de unit Handel.

Deze beslissing is gegeven door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldipsingh en mr. A.C. Johanns, leden en

w.g. S.S.S. Wijnhard

door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openba re terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 5 augustus 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berensten BSc., Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie namens deze,

mr. E.M. Ommen, Substituut-Griffier

 

SRU-HvJ-2021-94

GR-14274

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

[Appellant],
wonende te [plaats],
appellant in kort geding,
verder te noemen: [appellant],
gemachtigde: mr. K. Bhoendie, advocaat,

tegen

[Geïntimeerden],
geïntimeerden in kort geding,
verder gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],
gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding tussen [geïntimeerden] als eisers en [appellant] en de Staat Suriname als gedaagden gewezen en uitgesproken vonnis van 3 december 2002 (A.R. No. 01-1065) spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal d.d. 11 december 2002 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 20 juli 2018, met producties;
  • het antwoordpleidooi en conclusie tot uitlating producties van [geïntimeerde sub 1] d.d. 7 december 2018;
  • het antwoordpleidooi en conclusie tot uitlating producties van de erven [naam 1] d.d. 3 mei 2019;
  • het repliekpleidooi d.d. 5 juli 2019;
  • het dupliekpleidooi d.d. 17 januari 2020.

Het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling

  1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen.

2.1 Bij bovengenoemd vonnis heeft de kantonrechter de doorhaling gelast van de overschrijving d.d. 4 januari 1999 in register C[nummer 1] [nummer 2] van de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen d.d. 1 november 1998 No. D [nummer 3], waarbij aan [appellant] het recht van grondhuur is verleend voor het opzetten van een aanlegsteiger ten behoeve van vissersboten voor veertig jaar op het perceelland groot 4.000 m2, gelegen in het [district 1], te [wijk 1], bekend als [adres 1] (hierna: het perceel).

2.2 Bij vonnis van 2 mei 2014 (GR-14273) heeft het Hof het tussen [appellant] en een aantal van de geïntimeerden in de onderhavige procedure (onder wie [geïntimeerde sub 1]en die [geïntimeerde sub 2], op 16 maart 2017 is overleden en voor wie zijn erfgenamen in deze procedure in de plaats zijn gesteld) door de kantonrechter d.d. 29 januari 2001 (A.R. No. 99-4715) gewezen vonnis vernietigd. Bij laatstgenoemd vonnis was [appellant] veroordeeld tot ontruiming van het perceel. Bij zijn vonnis van 2 mei 2014 heeft het Hof deze vordering tot ontruiming alsnog afgewezen.

3.1 [Appellant] voert, kort weergegeven, het volgende aan. Blijkens een uittreksel van Glis d.d. 18 april 2016 staat het perceel op het hypotheekkantoor nog steeds op zijn naam. Daarbij staan echter aantekeningen d.d. 15 april 2003 (A [nummer 4]) en 3 december 2005 (A [nummer 5]), inhoudende dat de hiervoor onder 2.1 genoemde overschrijving als gevolg van het vonnis waarvan beroep is doorgehaald. Volgens [appellant] staan deze aantekeningen daar ten onrechte, omdat de kantonrechter niet tot zo’n doorhaling bevoegd is. Een rechter kan alleen de doorhaling van hypothecaire inschrijvingen gelasten, maar heeft niet de bevoegdheid de doorhaling van overschrijvingen van grondhuurbeschikkingen te gelasten. Daarvoor zijn een ministeriële beschikking en de overschrijving daarvan in de openbare registers op het hypotheekkantoor nodig. Dit betekent dat de doorhaling als gevolg van het vonnis waarvan beroep geen betekenis heeft. Volgens [appellant] is zijn recht van grondhuur dan ook in stand gebleven. In de praktijk ondervindt hij van dit alles last, doordat het perceel onbevoegd door anderen wordt betreden en de politie daartegen niet optreedt. [Appellant] verzoekt de vernietiging van het vonnis waarvan beroep en (alsnog) afwijzing van de vordering van [geïntimeerden]

3.2 [Geïntimeerden] stellen zich, kort weergegeven, op het standpunt dat het perceel niet aan [appellant] in grondhuur had mogen worden gegeven, omdat het door aanwas (destijds) aan hen toebehorende percelen is ontstaan. [Appellant] heeft geen rechten ten aanzien van die aanwas en de Staat had niet de bevoegdheid hem die aanwas in grondhuur ter beschikking te geven. [Geïntimeerden] zijn het dan ook eens met de uitspraak van de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep, temeer nu deze uitspraak mede op een rapport d.d. 2 november 2000 van landmeter Lieuw Kie Song en dat van J.G. van der Jagt d.d. 16 oktober 2003 berust. Eerstgenoemd rapport heeft ook een rol gespeeld in de andere procedure, waarin de kantonrechter het hiervoor onder 2.2 genoemde vonnis van 29 januari 2001 heeft gewezen.

3.3 [Geïntimeerden] zijn zich ervan bewust dat het Hof laatstgenoemd vonnis bij vonnis d.d. 2 mei 2014 heeft vernietigd. Dat was echter een kortgedingvonnis, dat nimmer kracht van gewijsde heeft. Verder heeft het Hof in dat vonnis geoordeeld dat van een erfdienstbaarheid van weg sprake is, maar niet bepaald aan wie het dienend erf dan toebehoort. Volgens [geïntimeerden] is dat echter wel duidelijk: het dienend erf behoort aan hen toe, en niet aan [appellant] of de Staat. De vestiging van een erfdienstbaarheid was dus onnodig. Het vonnis waarvan beroep dient dan ook te worden bevestigd. Aldus nog steeds [geïntimeerden]

  1. Het Hof overweegt het volgende.

4.1 [Appellant] heeft als appellant als voornaamste grief aangevoerd dat het Hof bij vonnis van 2 mei 20214 in de zaak bekend onder GR no. 14273, het kortgedingvonnis van de kantonrechter in de zaak met arno. 994715, heeft vernietigt. Het laatstgenoemd vonnis was het vonnis waarbij [appellant] door de kantonrechter is veroordeeld de litigieuze strook gelegen tussen de weg en de rivier te ontruimen omdat deze strook grond zou toebehoren aan [geïntimeerden].

Het Hof heeft de vordering tot ontruiming, rechtdoende in hoger beroep, alsnog afgewezen.

Het Hof heeft in voormeld vonnis, bekend onder Grno. 14273, geoordeeld over de rechtsvraag of de strook gelegen tussen de weg en de rivier aan [geïntimeerden] toebehoort. Het Hof kwam tot de slotsom dat de strook grond niet aan [geïntimeerden] toebehoort. In het vonnis van het Hof, onder 3.1 en 3.2, zijn de overwegingen opgenomen die tot dat oordeel hebben geleid.

4.2 [Geïntimeerden] stellen dat het hiervoor bedoeld vonnis een kortgedingvonnis betreft waardoor het vonnis geen kracht van gewijsde heeft. In tegenstelling tot de conclusie waar het Hof toe komt, zijn [geïntimeerden] van mening dat de strook grond wel aan hun toebehoort.

4.3 Het Hof overweegt in de onderhavige zaak dat er ook in deze zaak sprake is van een kort geding procedure. Alhoewel de kantonrechter in het beroepen vonnis heeft geoordeeld dat het aannemelijk is geworden dat [geïntimeerden] de eigenaren zijn van de strook grond, is tegen dit oordeel door [appellant] aangevoerd dat daar niet meer van uitgegaan kan worden nu het Hof in de zaak bekend onder GR no. 14273 anders heeft geoordeeld.

Het Hof is met [appellant] van oordeel dat, door hetgeen in het vonnis bekend onder Grno.14273 is overwogen onder 3.1 en 3.2, het niet langer aannemelijk is dat de bedoelde strook grond aan [geïntimeerden] toebehoort.

Het Hof is verder van oordeel dat het in de rede ligt dat in deze zaak bij het oordeel opgenomen in de zaak bekend onder Grno. 14273 wordt aangesloten en dat geen daarmee strijdige beslissing wordt genomen.

4.4 Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de daarbij door [geïntimeerden] gevraagde voorziening alsnog zal worden geweigerd. Aangezien [geïntimeerden] in het ongelijk zijn gesteld, zullen zij in de proceskosten in beide instanties worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

vernietigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 3 december 2002 (A.R. No. 01-1065), en, opnieuw rechtdoende,

weigert alsnog de gevraagde voorzieningen,

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot op SRD 138,40.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en mr. A.C. Johanns, Leden en

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 4 februari 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berensten BSc., Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld