SRU-HvJ-2022-34

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 14754

15 juli 2022

In de zaak van

LUCHTHAVENBEHEER N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding,
hierna te noemen: “de NV”,
gemachtigde: mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende in het [district 1],
geïntimeerde in kort geding,
hierna te noemen “[geïntimeerde]”,
gemachtigde: mr. L.E. Palmburg, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 9 februari 2012 bekend onder AR no. 120125 tussen [geïntimeerde] als eiser in kort geding en de NV als gedaagde in kort geding,

spreekt de Fungerend-Preside nt, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat de NV op 22 februari 2012 hoger beroep heeft ingesteld;

– de memorie van grieven d.d. 1 maart 2012, met een productie;

– de pleitnota gedateerd 15 februari 2013;

– de antwoordpleitnota gedateerd 5 april 2013;

– de repliekpleitnota gedateerd 5 juli 2013;

– de dupliekpleitnota gedateerd 4 oktober 2013.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Het beroepen vonnis is gedateerd 9 februari 2012. De NV heeft op 22 februari 2012 appèl aangetekend en is derhalve ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.

  1. De vordering in hoger beroep

De NV vordert in hoger beroep:

vernietiging van het vonnis van de kantonrechter gedateerd 9 februari 2012 met AR no. 120125, en opnieuw rechtdoende, de vordering af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen.

  1. De feiten

4.1 [Geïntimeerde] heeft gereageerd op een sollicitatieoproep van de NV in verband met de functie van airport police officer op de Johan Adolf Pengel Luchthaven te Zanderij.

4.2 Aan [geïntimeerde] is voorgehouden dat kandidaten onderworpen zullen worden aan een medische keuring, een psychologische test en een passenger security screening. Ook zal ten aanzien van kandidaten een antecedentenonderzoek plaatsvinden en zullen kandidaten een EAO training moeten volgen.

4.3 [Geïntimeerde] is op 1 september 2011 toegelaten tot de opleiding voor de functie van airport police officer te Zanderij.

4.4 Op 1 december 2011 heeft de NV aan [geïntimeerde] medegedeeld dat het antecedentenonderzoek, uitgevoerd door de CIVD, heeft uitgewezen dat hij als vechtersbaas bekend staat. Aan hem is tevens medegedeeld dat hij niet langer op de werkplek hoeft te verschijnen.

  1. De beoordeling

5.1 De NV heeft in haar memorie van grieven en haar pleitnota tien grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter:

Grief I : ten onrechte is de kantonrechter ervan uitgegaan dat de testen moesten worden gedaan teneinde te worden toegelaten tot de opleiding. Toen [geïntimeerde] de opleiding begon waren nog niet alle testen gedaan en daar was hij ook van op de hoogte. [geïntimeerde] was er ook van op de hoogte dat het resultaat van het antecedentenonderzoek van belang was voor de verdere training.

Grief II : ten onrechte is de kantonrechter ervan uitgegaan dat de NV gedurende drie maanden de verwachting heeft gewekt dat [geïntimeerde] een vaste aanstelling zou krijgen als airport police officer. [geïntimeerde] was ervan op de hoogte dat het antecedentenonderzoek van doorslaggevende aard was voor de voortgang van de opleiding.

Grief III: ten onrechte is de kantonrechter eraan voorbij gegaan dat [geïntimeerde] ervan op de hoogte was dat ook de CIVD het antecedentenonderzoek zou uitvoeren. Op een voorlichtingsbijeenkomst is dit aan hem voorgehouden. Indien hij daartegen bezwaar zou hebben zou hij dat kenbaar gemaakt moeten hebben. De kantonrechter heeft onder 4.3. overwogen dat bij [geïntimeerde] het vertrouwen is gewekt dat indien hij met goed gevolg door het antecentenonderzoek kwam, hij volledig zou worden toegelaten; nu hij niet met goed gevolg door het antecedentenonderzoek is gekomen kon de kantonrechter niet tot die beslissing komen.

Grief IV: de kantonrechter heeft er geen rekening mee gehouden dat de opleiding kon zijn afgelopen. In casu was dat ook het geval. De buitenlandse trainers waren reeds vertrokken. Hierdoor is de NV veroordeeld tot een onmogelijke prestatie.

Grief V: ten onrechte is de kantonrechter meegegaan met de beweringen van [geïntimeerde] als zou het antecedentenonderzoek niet door de CIVD mogen worden uitgevoerd. Er is geen enkele wettelijke regeling die de CIVD verbiedt om antecedentenonderzoeken uit te voeren. Ook is er geen wettelijke regeling die verplicht dat slechts de politie een antecedentenonderzoek mag uitvoeren.

Grief VI: ten onrechte is de kantonrechter voorbij gegaan aan het gewicht van de uitslag van het door de CIVD verrichte antecedentenonderzoek. Men kan van de NV niet verwachten dat zij een persoon die bekend staat als vechtersbaas verder traint tot airport police officer met kans op een escalatie bij calamiteiten.

Grief VII: ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat de NV serieuzer moest omgaan met de betwisting van [geïntimeerde] en de bronnen van de beschuldigingen had moeten natrekken. De NV had geen enkele reden om aan de uitslag van het door de CIVD verrichte onderzoek te twijfelen. Ook kan de NV niet onderzoeken of de CIVD haar onderzoek wel goed heeft gedaan. De NV mag ervan uitgaan dat de CIVD op een kundige en betrouwbare wijze het onderzoek heeft verricht.

Grief VIII: ten onrechte heeft de kantonrechter aangenomen dat het niet aannemelijk is dat [geïntimeerde] bekend staat als vechtersbaas, immers, [geïntimeerde] heeft geen enkel tegenbewijs kunnen leveren.

Grief IX: ten onrechte heeft de kantonrechter in haar beslissing meegenomen dat gedurende drie maanden geen negatieve opmerkingen zijn gemaakt over het gedrag van [geïntimeerde]. Het is logisch dat een trainee zich gedurende de opleiding van zijn beste kant laat zien. De NV heeft gesteld dat de kans bestaat dat [geïntimeerde] zich bij een escalatie van gebeurtenissen niet in de hand zal kunnen houden. Om die reden kan niet van de NV worden verwacht dat zij het resultaat van het onderzoek negeert.

Grief X: ten onrechte heeft de kantonrechter het besluit van 1 december 2011 geschorst en de NV veroordeeld om [geïntimeerde] toe te laten tot de opleiding. De opleiding was reeds afgelopen en de training kon niet opnieuw worden opgezet. Om die reden kan de dwangsom niet worden verbeurd.

De beoordeling van grief I

5.2.1 [geïntimeerde] heeft op deze grief gereageerd en heeft daarbij aangevoerd dat de kantonrechter er terecht van is uitgegaan dat de testen een vereiste waren voor de toelating tot de opleiding.

5.2.2 Het Hof overweegt dat uit de stellingen en weren in eerste aanleg blijkt dat de praktische situatie was dat de kandidaten werden toegelaten op de opleiding nog voordat alle testen waren uitgevoerd. Positieve resultaten uit alle testen waren derhalve geen vereiste om toegelaten te worden tot de opleiding. Hierdoor is hetgeen opgenomen is in het vonnis onder 2.2 niet helemaal juist. In beginsel waren het vereisten waar de kandidaten gaandeweg aan zouden moeten voldoen om de opleiding met goed gevolg te kunnen afronden en daarna in dienst te treden bij de NV. Het Hof zal het vonnis dan ook dienovereenkomstig aanvullen.

De beoordeling van grief II.

5.3.1 [geïntimeerde] heeft op deze grief gereageerd waarbij hij aanvoerde dat de NV gedurende drie maanden de verwachting heeft gewekt dat hij, [geïntimeerde], een vaste aanstelling zou krijgen als het resultaat van het antecedentenonderzoek positief was. Hij stelt voorts dat de NV een verkeerde volgorde heeft gevolgd door [geïntimeerde] eerst toe te laten tot de opleiding en het werk en daarna, pas na drie maanden, het resultaat van het onderzoek bekend te maken terwijl bovendien het resultaat van het onderzoek niet juist was.

5.3.2 Het Hof overweegt dat in het beroepen vonnis onder 4.3 is overwogen dat bij [geïntimeerde] het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat, indien hij met goed gevolg door het antecedentenonderzoek kwam, hij volledig tot de opleiding zou worden toegelaten. Dit voorgaande is ook door beide partijen gesteld. In het beroepen vonnis is niet anders overwogen waardoor aan de tweede grief voorbij gegaan moet worden.

De beoordeling van de grieven III en V.

5.4.1 Het Hof zal deze twee grieven samen bespreken nu zij met elkaar in verband staan. [geïntimeerde] heeft op deze grieven gereageerd waarbij hij aanvoerde dat hij niet ervan op de hoogte was dat het antecedentenonderzoek door de CIVD zou worden uitgevoerd.

5.4.2 Het Hof overweegt dat uit de beoordeling van de kantonrechter niet blijkt dat de kantonrechter eraan voorbij is gegaan dat [geïntimeerde] ervan op de hoogte was dat ook de CIVD het antecedentenonderzoek zou uitvoeren. Ook is het niet juist dat de kantonrechter mee is gegaan met de bewering van [geïntimeerde] dat het antecedentenonderzoek niet door de CIVD zou mogen worden uitgevoerd.

Het Hof gaat daarom voorbij aan deze grieven.

De beoordeling van de grieven IV en X:

5.5.1 Het Hof zal ook deze grieven samen behandelen nu zij met elkaar in verband staan. [geïntimeerde] heeft op deze grieven gereageerd waarbij hij aanvoerde dat de NV in eerste aanleg nimmer heeft gesteld dat de training is afgelopen. Om die reden had de kantonrechter dat ook niet kunnen meenemen in haar oordeel. [geïntimeerde] voert voorts aan dat het gedeelte waarbij een buitenlandse trainer was ingezet door [geïntimeerde] reeds was afgerond, met goed gevolg. Hierdoor gaat dat gestelde niet op.

5.5.2 Het Hof overweegt dat, gelijk [geïntimeerde] stelt, in eerste aanleg niet is ingegaan op de duur van de opleiding. Hierdoor had de kantonrechter daar geen rekening mee kunnen houden en is de vierde grief niet gegrond. Dat de NV is veroordeeld tot een onmogelijke prestatie is niet aannemelijk geworden omdat de NV niet heeft betwist dat [geïntimeerde] het gedeelte dat door de buitenlandse opleiders werd verzorgd, reeds met goed gevolg had afgerond. Waaruit het resterend deel van de opleiding bestond is niet duidelijk en ook niet door de NV aangegeven. Indien het resterend deel een praktijk gedeelte was waarbij de kandidaten worden ingezet en door ervaren functionarissen worden begeleid, zou er, gelijk [geïntimeerde] aanvoert, geen sprake zijn van de veroordeling tot een onmogelijke prestatie.

Het Hof gaat om die reden ook voorbij aan de grieven IV en X.

De beoordeling van de grieven VI, VII en VIII:

5.6.1 Het Hof zal deze grieven eveneens samen bespreken. Zij handelen allen over het resultaat van het antecendentenonderzoek en het feit dat [geïntimeerde] het resultaat betwist.

5.6.2 [Geïntimeerde] heeft op deze grieven gereageerd en aangevoerd dat het helemaal niet juist is dat hij als vechtersbaas bekend staat. Hij heeft ter adstructie van zijn standpunt onder andere een anoniem schrijven overgelegd afkomstig van de justitiële inlichtingendienst.

5.6.3 Het Hof overweegt dat het in casu de vraag is of de NV zonder verder onderzoek voorbij had mogen gaan aan het feit dat [geïntimeerde] het resultaat van het antecedentenonderzoek betwist. De NV heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet gebruikelijk is om na een antecedentenonderzoek nader onderzoek te verrichten omdat de onderzochte persoon het resultaat ontkent. De NV stelt dat zij volledig vertrouwt op het antecedentenonderzoek, uit welk onderzoek duidelijk blijkt waar en wanneer eiser betrokken is geweest bij vechtpartijen.

5.6.4 Het Hof komt tot het volgende oordeel. Het resultaat van het antecedentenonderzoek is een resultaat, evenals het resultaat van andere screeningen, dat van invloed was op de verdere opleiding van [geïntimeerde]. Indien [geïntimeerde] het resultaat stellig betwist, zoals hij heeft gedaan, zou de NV daar niet zondermeer aan voorbij mogen gaan. In het rapport staat vermeld dat [geïntimeerde] drie maal betrokken is geweest bij vechtpartijen. [geïntimeerde] heeft na kennisname van het resultaat van het antecedentenonderzoek gesteld dat het niet juist is dat hij drie maal betrokken is geweest bij vechtpartijen. Hij heeft verzocht om geconfronteerd te worden met de personen die hem als vechtersbaas bestempelen en de namen van werkgevers doorgegeven waar hij eerder gewerkt heeft ter verificatie. Ook heeft [geïntimeerde] via zijn gemachtigde onderzoek gedaan bij de aanhoudingsadministratie van het Parket over de jaren genoemd in het rapport. Uit dat onderzoek is gebleken dat er geen aangiften zijn gedaan en dat [geïntimeerde] niet in aanraking is gekomen met de politie. [geïntimeerde] heeft voorts bij repliek in eerste aanleg de drie genoemde incidenten gemotiveerd betwist.

5.6.5 De NV kan zich op het standpunt stellen dat het niet de bedoeling is dat een nader onderzoek zou moeten volgen na een antecedentenonderzoek. Dat standpunt zou begrijpelijk zijn wanneer uit het resultaat overduidelijk zou blijken dat er aangiften zijn gedaan en dat er vervolging heeft plaatsgevonden, of zelfs veroordelingen zijn gevolgd. In het onderhavig geval betreft het echter geen aangiften, vervolgingen of veroordelingen, doch opmerkingen die door betrokkene stellig worden betwist. Betrokkene heeft zelfs aangeboden om het tegendeel aan te tonen. Onder die omstandigheden was het, gezien het belang van [geïntimeerde], redelijk en billijk om nader onderzoek te doen naar de argumenten van [geïntimeerde], alvorens aan het resultaat rechtsgevolgen te verbinden die in het nadeel van [geïntimeerde] waren. Immers, de NV had de mogelijkheid om, na het nader onderzoek, alsnog op redelijke gronden een besluit te nemen ten aanzien van de voortgang van de opleiding van [geïntimeerde].

5.6.6 Het Hof is van oordeel dat het voorgaande tot de slotsom leidt dat het niet onbegrijpelijk is dat de kantonrechter tot het oordeel is gekomen dat de NV niet zonder nader onderzoek voorbij had mogen gaan aan de betwisting van [geïntimeerde].

Het Hof acht de grieven daarom ongegrond.

De beoordeling van grief IX

5.7. Het Hof overweegt met betrekking tot deze grief dat de stelling van [geïntimeerde], dat hij zich gedurende de drie maanden dat hij in opleiding was goed heeft gedragen, wel bij het oordeel van de kantonrechter betrokken mocht worden, nu dit gestelde niet door de NV is betwist. Het feit dat het logisch zou zijn dat een trainee zich van zijn beste kant laat zien doet daar niets aan af.

5.8 Het Hof zal op grond van het voorgaande het beroepen vonnis bevestigen, onder aanvulling van gronden.

5.9 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5.10 De NV zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in hoger beroep worden verwezen.

  1. De beslissing

Het Hof

6.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in kort geding gewezen en uitgesproken op 9 februari 2012 bekend onder AR no. 120125 in het eerste kanton, onder aanvulling van gronden;

6.2 Veroordeelt de NV in de proceskosten in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. A.C. Johanns, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 15 juli 2022 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2022-33

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking ex artikel 272 Rv

In de zaak van

  1. [Verzoeker sub 1],
    hierna te noemen: ‘[verzoeker sub 1]’,
  1. [Verzoeker sub 2],
    hierna te noemen: ‘[verzoeker sub 2]’,
  1. [Verzoeker sub 3],
    hierna te noemen: ‘[verzoeker sub 3]’
    wonende te [plaats 1],

    verzoekers,
    verder gezamenlijk te noemen: ‘[verzoekers]’
    gemachtigde: mr. D.P.A. Landvreugd, advocaat,

tegen

[Verweerder],
zichzelf noemende [Verweerder],
wonende te [plaats 1],
verweerder,
verder te noemen: ‘[verweerder]’,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

  1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het verzoekschrift ex artikel 272 Rv van [verzoekers] ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie d.d. 13 mei 2022;
  • het proces-verbaal van de zitting van het hof van 17 mei 2022 waarbij Molgo [verzoeker sub 1] Patricia is verschenen bijgestaan door haar advocaat en [verweerder] vertegenwoordigd is geweest door zijn advocaat;.
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoekers] d.d. 20 mei 2022;
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verweerder] d.d. 23 mei 2022.

1.2. De beschikking is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1. [Verzoekers] zijn door de kantonrechter in kortgeding bij vonnis van 19 november 2021 bekend onder A.R. no. 18-3413, veroordeeld om binnen een [1] maand na betekening van het vonnis de woning staande en gelegen aan [adres 1] te [plaats 1] te ontruimen en deze ter beschikking van [verweerder] te stellen, met medeneming van alle van hunnentwege aldaar bevindende personen en goederen.

2.2. Het vonnis bekend onder A.R. no. 18-3413 is door de deurwaarder bij het Hof van Justitie, P. Olensky, op 21 december 2021 aan [verzoekers] betekend.

2.3. Tegen het vonnis bekend onder A.R. no. 18-3413 is geen appel ingesteld door [verzoekers]

2.4. [Verzoekers] hebben bij de kantonrechter in kortgeding schorsing van de executie van het vonnis met A.R. no. 18-3413 gevorderd. In deze heeft de kantonrechter op 10 maart 2022 vonnis gewezen bekend onder A.R. no. 22-0070 en daarbij de gevraagde voorziening geweigerd. [Verzoekers] hebben appel ingesteld tegen dit vonnis en is de aanzegging hiervan op 20 april 2022 aan [verweerder] betekend.

  1. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1. [Verzoekers] vorderen dat de executie van het vonnis met A.R. no. 18-3413 wordt gestaakt totdat het Hof definitief zal hebben beslist in de zaak bekend onder A.R. no. 22-0070. [Verzoekers] verzoeken het Hof om te anticiperen op artikel 272 van het ontwerp van het nieuw Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, welk artikel, volgens hun stelling, het Hof de mogelijkheid biedt om de tenuitvoerlegging van elk vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, te schorsen.

3.2. [Verzoekers] hebben in hun verzoekschrift en tijdens de mondelinge behandeling het volgende aan hun vordering ten grondslag gelegd:

  • dat [verweerder] reeds een aanvang heeft gemaakt met de executie van het vonnis bekend onder A.R. no. 18-3413 en heeft de deurwaarder op woensdag 11 mei 2022 de mededeling gedaan dat hij op zaterdag 14 mei 2022 de ontruiming feitelijk zal verrichten;
  • dat de kantonrechter in de procedure bekend onder A.R. no. 22-0070 een onjuiste rechtsopvatting heeft omtrent de in de jurisprudentie ontwikkelde beoordelingsmaatstaf voor een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak in kortgeding;
  • dat [verweerder] misbruik maakt van zijn executierecht c.q. zijn bevoegdheid om [verzoeker sub 1] die tijdens de relatie van bijkans vier en dertig jaar al haar spaargeld heeft geïnvesteerd in het perceel en de woning van [verweerder], te ontruimen;
  • dat [verzoekers] door de ontruiming in een noodtoestand zullen komen te verkeren, daar de bankinstellingen geen lening meer zullen verstrekken aan [verzoeker sub 1] om een nieuw huis te kunnen bouwen en [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] nog bij haar inwonen;
  • dat [verzoeker sub 1] een aanbetaling voor een woning bij Pan American heeft gedaan, maar dat door de covid-19 pandemie de aannemer gestopt is met bouwen en [verzoeker sub 1] nog niet over haar woning kan beschikken;
  • dat [verzoekers] vanwege de covid-19 pandemie en door geldgebrek nog geen aanvang heeft kunnen maken met verhuizen;
  • dat staking van het vonnis bekend onder A.R. no. 18-3413 wel kan worden bevolen, ondanks het feit dat er hier geen rechtsmiddel meer tegen open staat, indien de verdere tenuitvoerlegging van de executie misbruik van bevoegdheid oplevert.

3.3. [verweerder] heeft verweer gevoerd op het verzoek waarbij hij het volgende heeft aangegeven:

  • dat [verweerder] eigenaar is van de woning en dat [verzoekers] door het beëindigen van de relatie tussen [verzoeker sub 1] en [verweerder] niet langer het recht van gebruik hebben. [verzoekers] blijven zonder recht of titel in de woning van [verweerder];
  • dat indien [verzoeker sub 1] meent te hebben geïnvesteerd in de woning van [verweerder], zij een vorderingsrecht heeft, maar dat dit niet betekent dat zij gebruik mag blijven maken van de woning;
  • dat er gewag is gemaakt van een bodemprocedure van [verzoekers] tegen hem doch dat deze nimmer is ingesteld, waardoor [verweerder] deze vordering van [verzoekers] als obstructie ervaart;
  • dat er geen hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis bekend onder A.R. no. 18-3413 waardoor deze rechtens vaststaat tussen [verzoekers] en [verweerder];
  • dat [verweerder] geen misbruik maakt van zijn bevoegdheid, omdat hij niet het doel heeft om [verzoekers] schade toe te brengen en aan hen voldoende ruimte heeft gegund om te verhuizen;
  • dat anticipatie op wetgeving alleen kan indien de betreffende wet al door het parlement is aangenomen doch nog niet is afgekondigd of als er genoeg aanwijzingen zijn dat de wet zal worden aangenomen, in dit geval kan er niet geanticipeerd worden op toekomstige wetgeving;
  1. De beoordeling

4.1. Ingevolge artikel 272 Rv van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv.) is een partij die hoger beroep heeft ingesteld tegen een vonnis, wanneer buiten de gevallen bij wet voorzien de voorlopige tenuitvoerlegging van dat vonnis is bevolen, bevoegd om bij afzonderlijk verzoekschrift aan het Hof van Justitie het verzoek te doen, dat de executie wordt gestaakt. In de artikelen 55 Rv. en volgende zijn de gevallen genoemd waarin de kantonrechter bevoegd is een vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.2 Het verzoek tot staking van de executie uit hoofde van artikel 272 Rv. kan worden gevraagd wanneer tegen het vonnis, hoger beroep is ingesteld. Indien daartoe gronden aanwezig zijn, kan het hof de executie van een vonnis staken totdat in het hoger beroep is beslist. Omdat er geen hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis waarvan de staking van de executie wordt gevraagd, hebben [verzoekers] een beroep gedaan op het hof om te anticiperen op artikel 272 van het ontwerp van het nieuw Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zij stellen dat op grond van het zojuist vermeld wetsartikel het Hof alsnog de executie van het vonnis kan staken op grond van misbruik van executie bevoegdheid zijdens [verweerder].

4.3 Artikel 272 van het ontwerp van het nieuw Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarop [verzoekers] zich beroepen bepaalt dat, indien hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, het Hof van Justitie op vordering van een partij alsnog de tenuitvoerlegging van het vonnis kan schorsen. Hieruit volgt dat ook indien het hof zou meegaan met het verzoek van [verzoekers] om over te gaan tot het anticiperen van artikel 272 van het ontwerp van het nieuw Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het verzoek geen kans van slagen heeft omdat er tegen het vonnis waarvan de staking van de executie wordt gevraagd, zoals vaststaat, geen hoger beroep is ingesteld. Nu er geen rechtsmiddel van hoger beroep is aangewend tegen het vonnis bekend onder A.R. no. 18-3413, overweegt het Hof dat deze in gezag van gewijsde is getreden.

4.4 Partijen hebben bij een poging tot schikken omtrent een ontruimingstermijn geen overeenstemming bereikt en het hof zal overgaan tot een uitspraak.

4.5 Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen zal het verzoek tot staking van de executie van het vonnis bekend onder A.R. no. 18-3413 worden afgewezen.

Beschikkende

Het Hof:

  • wijst af het verzoek van [verzoekers] tot staking van de executie van het vonnis in kort geding van 19 november 2021 bekend onder A.R. no. 18-3413 gewezen tussen [verweerder] als eiser en [verzoekers] als gedaagden;
  • veroordeelt [verzoekers] in de kosten van het geding, gevallen aan de zijde van [verweerder], tot op heden begroot op nihil.

Aldus gegeven door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-president, mr. M.V. Kuldip Singh en mr. S.S. Nanhoe-Gangadien, Leden, en

w.g. S.S.S. Wijnhard

door de mr. D.D. Sewratan, Fungerend-president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 03 juni 2022, in tegenwoordigheid van de Fungerend-griffier, mr. S.C. Berenstein BSc.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2022-32

GR 15-652

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

 

In de zaak van

[Appellante],
wonende te [plaats],
appellante,
gemachtigde: I.D. Kanhai BSc., advocaat,

tegen

  1. NEWMONT MINING CORPORATION, rechtspersoon,

gevestigd te Paramaribo,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. Sharon W. Wattien, advocaat,

  1. De Staat Suriname, rechtspersoon, in het bijzonder het ministerie van arbeid, ten rechte vertegenwoordigd door de Procureur Generaal bij het Hof van Justitie,

kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M. Ooft-Wijngaarde LLM, jurist op het ministerie van arbeid.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 30 augustus 2018 (A.R. no 17-4810) tussen appellante als eiseres en geïntimeerden als gedaagden, spreekt het Hof, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen;

het proces-verbaal van 17 oktober 2018 van de griffier van de Kantongerechten, waarin is vermeld dat appellante tegen het vonnis van 30 augustus 2018 op 17 oktober 2018 hoger beroep heeft ingesteld;

de pleitnota van appellante van 2 augustus 2019;

de antwoord pleitnota van geïntimeerde sub A van 7 februari 2020;

– de antwoord pleitnota van geïntimeerde sub B van 1 november 2019;

de repliek pleitnota’s van appellante van 4 november 2020;

  • de dupliek pleitnota van geïntimeerde sub A van 19 maart 2021;
  • de dupliek pleitnota van geïntimeerde sub B van 20 november 2020.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling in het hoger beroep tussen appellante en geïntimeerde sub A

  1. De griffiersbrief is op 10 januari 2019 aan appellante, die niet aanwezig was bij de uitspraak, verzonden.
  1. Geïntimeerde sub A heeft aangevoerd dat appellante niet in haar hoger beroep kan worden ontvangen omdat zij dit te laat heeft ingesteld.

In dat verband heeft geïntimeerde sub A aangevoerd dat de uitspraak is gedaan op 30 augustus 2018, appellante op 17 oktober 2018 hoger beroep heeft ingesteld en op 20 januari 2019 de griffiersbrief heeft ontvangen.

Volgens geïntimeerde had appellante binnen 30 dagen na 30 augustus 2018 appel dienen in te stellen nu zij de griffiersbrief niet heeft afgewacht.

  1. Dit verweer wordt verworpen.

Nu appellante zelf noch een gemachtigde namens haar bij de uitspraak op 30 augustus 2018 aanwezig was, liep de appeltermijn tot 14 dagen – het betreft immers een kort geding vonnis (artikel 235 Brv) – na 10 januari 2019, de dag waarop de griffiersbrief aan haar is verzonden.

  1. Appellante heeft tegen het vonnis waarvan beroep vier grieven aangevoerd.

Deze houden zakelijk weergegeven in:

Grief 1: ten onrechte is de Kantonrechter ervan uitgegaan dat de door geïntimeerde sub A in acht te nemen zorgvuldigheid meebrengt dat enig uitstel onvermijdelijk is. Geïntimeerde sub A moet een bepaalde mate van voortvarendheid in acht nemen. Deze voortvarendheid zal afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval.

Grief 2: ten onrechte is de Kantonrechter van oordeel dat het feit dat het gedrag van appellante dat een dringende reden oplevert, zich op 3 juni 2017 heeft voorgedaan en het feit dat geïntimeerde sub A op 8 juni 2017 de dienstbetrekking heeft beëindigd, niet zondermeer met zich mee brengt dat de beëindiging nietig is.

Grief 3: ten onrechte is de Kantonrechter ervan uitgegaan dat het feit dat geïntimeerde sub A op 4 juni 2017 appellante op non-actief heeft gesteld tot de conclusie leidt dat geïntimeerde sub A de reden zoals het orgaan dat bevoegd is tot het nemen van het besluit tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met appellante, heeft bereikt als een dringende reden ervaart.

Grief 4: ten onrechte is de Kantonrechter er vanuit gegaan dat geïntimeerde enige tijd mag nemen om tot een zorgvuldige afweging te komen. Het feit dat geïntimeerde sub A op 8 juni 2017 de dienstbetrekking met appellante heeft beëindigd brengt niet mee dat de dringendheid van de dringende reden is komen te vervallen.

  1. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking en komen in de kern erop neer dat nu het ten processe bedoelde incident dat de aanleiding heeft gevormd voor het ontslag op staande voet wegens een dringende reden heeft plaatsgevonden op 3 juni 2017 in verband waarmee appellante op 4 juni 2017 op non-actief is gesteld en pas op 8 juni 2017 op staande voet is ontslagen, het ontslag nietig is omdat het dringende karakter aan de dringende reden is komen te ontbreken.
  1. Dit standpunt wordt verworpen.

Met de Kantonrechter is het hof van oordeel dat van de werkgever die van de mogelijkheid van ontslag op staande voet gebruik wil maken, verwacht mag worden dat deze zorgvuldig handelt en prudent met dit middel omgaat. Dit zorgvuldig handelen brengt niet alleen mee dat de kwestie die eventueel tot ontslag op staande voet kan leiden het orgaan van de werkgever dat bevoegd is over een en ander te beslissen, moet hebben bereikt, maar ook dat dit orgaan de gelegenheid krijgt een grondig onderzoek in te stellen naar hetgeen zich heeft voorgedaan teneinde niet te lichtvaardig van het zware middel ontslag op staande voet gebruik te maken. Van de omstandigheden van het geval hangt af hoeveel tijd de werkgever voor dit onderzoek moet worden gegund.

  1. In het onderhavige geval komt het het hof alleszins redelijk voor dat de werkgever teneinde na te kunnen gaan wat zich precies heeft afgespeeld en of appellante van een en ander een verwijt kan worden gemaakt dan wel dat zij uit zelfverdediging heeft gehandeld, daarvoor een periode van 4 à 5 dagen nodig heeft gehad.
  1. De grieven falen. Dat betekent dat het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen tussen appellante en geïntimeerde sub A moet worden bevestigd en appellante de kosten van dit geding dient te dragen.

De beoordeling van het hoger beroep tussen appellante en geïntimeerde sub B,

  1. In dit hoger beroep heeft appellante geen grieven aangevoerd tegen het vonnis voor zover gewezen tussen haar en geïntimeerde zodat dit vonnis eveneens moet worden bevestigd met veroordeling van appellante in de kosten van dit geding.

De beslissing

Het hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt appellante in de kosten van het geding aan de zijde van geïntimeerde sub A en geïntimeerde sub B gerezen, tot aan dit vonnis begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Changgur-Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 19 augustus 2022, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. S.C. Berenstein BSc.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. A.A.N. Codrington namens advocaat mr. S.W. Wattien, gemachtigde van geïntimeerde sub A, terwijl geïntimeerde sub B noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen en appellante is ook noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2022-31

VONNIS

in de zaak van

[Appellant],
hierna te noemen: [appellant],
wonende te Paramaribo,
appellant,
gemachtigde: mr. S.A. van Lobbrecht, advocaat,

tegen

THEMEN CONTRACTORS N.V.,
hierna te noemen: de N.V.,
kantoorhoudende in het district Para,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen [appellant] als eiser en de N.V. als gedaagde gewezen en op 12 januari 2017 uitgesproken vonnis (A.R. no. 16-1411), spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

  1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het voormeld vonnis.

  1. Het procesverloop in hoger beroep
    1. Het verloop van de procedure blijkt uit de navolgende processtukken en –handelingen:
  • het proces-verbaal van de griffier der Kantongerechten Civiele Zaken van 30 januari 2017, inhoudende dat [appellant] hoger beroep heeft ingesteld tegen het voormeld vonnis;
  • het schriftelijk pleidooi d.d. 6 oktober 2017;
  • het schriftelijk antwoordpleidooi d.d. 17 november 2017, met een productie;
  • het schriftelijk repliekpleidooi d.d. 5 januari 2018, met een productie;
  • het schriftelijk dupliekpleidooi d.d. 20 april 2018, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating productie d.d. 18 mei 2018 zijdens [appellant].
  1. Het hof heeft daarna vonnis bepaald, aanvankelijk op 2 november 2018, doch nader op heden.
  1. De feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 de feiten opgesomd waarvan in dit geding wordt uitgegaan. Hieromtrent bestaat geen geschil zodat ook het hof die feiten tot uitgangspunt neemt.

  1. De ontvankelijkheid in hoger beroep

[Appellant] is binnen de wettelijk voorgeschreven termijn in appel gekomen tegen het bestreden vonnis. Hij is dan ook ontvankelijk in zijn hoger beroep.

  1. De beoordeling
    1. In dit geding vordert [appellant] om de N.V. te veroordelen tot betaling van een bedrag van US$ 1.600,= per maand aan loon over de maanden november 2015 tot en met februari 2016, te vermeerderen met wettelijke rente en de verhoging ex artikel 1614q van het Burgerlijk Wetboek (BW), evenals tot betaling van het loon vanaf de maand maart 2016 tot de rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, te vermeerderen met alle emolumenten en de verhoging ex artikel 1614q BW.
  2. De kantonrechter heeft de vordering tot betaling van een bedrag van US$ 1.600,= per maand vanaf de maand november 2015 tot en met 20 juni 2016, te vermeerderen met de wettelijke rente van 6% per jaar met ingang van 18 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, toegewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering is [appellant] met drie grieven opgekomen, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen.
  3. In de toelichting op zijn grieven betoogt [appellant] dat de kantonrechter – kort gezegd – ten onrechte overwogen heeft dat uitgaande van de datum van de ontslagvergunning, het ontslag van [appellant] ingaat op 20 juni 2016, waarmee aan het bepaalde in artikel 6 van de Wet Ontslagvergunning en de daarbij behorende Nota van Toelichting voorbij is gegaan. Voorts zou de kantonrechter ten onrechte de gevorderde vertragingsrente ex artikel 1614q BW hebben geweigerd. [appellant] beschouwt de door de kantonrechter daarvoor opgegeven reden, namelijk dat [appellant] gedurende de periode geen werkzaamheden heeft verricht, als ondeugdelijk. [appellant] voert ten slotte aan dat de kantonrechter ten onrechte de gevorderde emolumenten geweigerd heeft en daarvoor als reden heeft vermeld dat die onvoldoende gespecificeerd zijn, terwijl die voortvloeien uit de wet en op elke arbeidsovereenkomst van toepassing zijn.
  4. Het hof overweegt naar aanleiding hiervan dat de kortgedingrechter geen definitief oordeel over een geschil geeft, maar (mede) tot taak heeft het treffen van een ordemaatregel, welke maatregel naar zijn aard een voorlopig karakter heeft, onder meer door het tegen elkaar afwegen van de belangen van partijen. Daarbij geniet de kortgedingrechter een grote mate van vrijheid. Gelet op het voorlopig karakter van een beslissing in kort geding, gelden daarvoor op grond van de heersende leer minder strenge motiveringseisen, mits de kortgedingrechter voldoende inzicht geeft in de aan zijn beslissing ten grondslag gelegde gedachtegang, teneinde de beslissing controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
  5. Het oordeel van de kantonrechter dat de ontslagvergunning tot gevolg heeft dat de dienstbetrekking tot 20 juni 2016 voortduurt, acht het hof juist. De veroordeling tot betaling van het loon acht het hof, ondanks het feit dat [appellant] geen werkzaamheden heeft verricht, dan ook begrijpelijk. Het feit dat aan [appellant] geen opzeggingsbrief zou zijn gestuurd doet aan het voorgaande niet af. Alhoewel het juist is dat een opzeggingsbrief aan [appellant] te verkiezen zou zijn boven de afwikkeling, zoals in casu is geschied, acht het hof het oordeel van de kantonrechter over de beëindiging van de arbeidsrelatie juist.
  6. Ook de belangenafweging en het daaruit voortvloeiend oordeel van de kantonrechter met betrekking tot de vordering tot betaling van de vertragingsrente ex artikel 1614q BW en de emolumenten acht het hof niet onbegrijpelijk en geeft dat geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting zijdens de kantonrechter.
  7. Naar het oordeel van het hof voldoet het bestreden vonnis derhalve aan het onder 5.4 omschreven criterium. Aangezien het vonnis van de kantonrechter geen gezag van gewijsde heeft, staat het [appellant] vrij om het in eerste aanleg niet toegewezen deel van zijn vordering, de door hem in kort geding geponeerde stellingen en de eventuele discussie daarover aan het oordeel van de bodemrechter voor te leggen.
  8. Het hof gaat op grond van het voorgaande aan de grieven voorbij.
  9. Het vonnis van de kantonrechter zal bevestigd worden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.
  1. De beslissing in hoger beroep

Het hof, rechtdoende in kortgeding

  1. bevestigt het tussen partijen gewezen vonnis van 12 januari 2017 in de zaak bekend als A.R. no. 16-1411;
  1. veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot aan heden aan de zijde van de N.V. begroot op nihil.

 

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh en A.C. Johanns, Leden, en

w.g. A. Charan

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 15 juli 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor Afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2022-30

GR- 15-863

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

[Appellant],
appellant,
wonende te [plaats],
gemachtigde: mr. dr. G. N. Best , advocaat,

tegen

  1. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
    gevestigd en kantoorhoudend te Paramaribo,
    gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat,
  1. HET TELECOMMUNICATIEBEDRIJF SURINAME (TELESUR), rechtspersoon,
    gevestigd en kantoorhoudend te Paramaribo,
    geïntimeerden,
    gemachtigde: mr. D.S. Kaag, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen appellant als eiser en geïntimeerden als gedaagden in kort geding gewezen vonnis van 24 oktober 2019 (A.R. No. 19-1415) spreekt het Hof, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

het proces-verbaal van de griffier der Kantongerechten van 29 oktober 2019, waarin is vermeld dat tegen het vonnis van 24 oktober 2019 op 29 oktober 2019 door appellant hoger beroep is ingesteld;

de pleitnota van appellant van 6 november 2020 met bijlagen;

de antwoord pleitnota van geïntimeerde sub A van 19 maart 2021;

– de antwoord pleitnota van geïntimeerde sub B van 19 maart 2021;

de repliek pleitnota van appellant van 2 juli 2021 met bijlage;

– de dupliek pleitnota van geïntimeerde sub B van 6 augustus 2021;

– de dupliek pleitnota van geïntimeerde sub A van 3 december 2021.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De beoordeling
  1. Appellant vordert in dit geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
  2. de veroordeling van geïntimeerde sub A om binnen twee dagen na de uitspraak alle in het kader van het safe city project langs de openbare weg geplaatste camera’s buiten werking te stellen en buiten werking te houden totdat de wetgever heeft voorzien in een deugdelijke en met voldoende waarborgen omklede wettelijke grondslag voor het project op straffe van een dwangsom;
  3. geïntimeerde sub A te gebieden om binnen 8 dagen na uitspraak een behoorlijk bewijs van de buitenwerking stelling van de camera’s aan appellant te doen toekomen op straffe van een dwangsom;
  4. geïntimeerde sub B te gebieden om binnen twee dagen na uitspraak de verwerking van de met behulp van de camera’s verkregen persoonsgegevens te staken en gestaakt te houden totdat de wetgever heeft voorzien in een deugdelijke en met voldoende waarborgen omklede wettelijke grondslag voor de verwerking van de persoonsgegevens verkregen met behulp van de camera’s, op straffe van een dwangsom;
  5. geïntimeerde sub B te gebieden om binnen acht dagen na de uitspraak en op ieder ander moment dat appellant zulks wenst, een behoorlijk bewijs van de gestaakte verwerking van de met behulp van de camera’s verkregen persoonsgegevens aan appellant te doen toekomen, op straffe van een dwangsom;
  6. de veroordeling van geïntimeerden tot betaling van de advocaat- en vertalingskosten van SRD 16.750,-;
  7. de veroordeling van geïntimeerden in de proceskosten.
  8. Bij het vonnis waarvan beroep is het gevorderde integraal afgewezen.
  9. Appellant heeft tegen dit vonnis vijf grieven geformuleerd.
  10. Ter beoordeling ligt op de eerste plaats de vraag voor of appellant in deze voldoende gesteld heeft om te kunnen oordelen dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen.
  11. Door geïntimeerde sub A is betoogd dat de vordering van appellant geen voorlopige voorziening betreft maar dat alle onderdelen van de vordering een definitief karakter hebben en dat de zinsnede “totdat de wetgever heeft voorzien in een deugdelijke en met voldoende waarborgen omklede wettelijke grondslag” het gevorderde niet van een voorlopige aard voorziet, omdat door de bodemrechter uiteindelijk beoordeeld zal moeten worden of van een deugdelijke en met voldoende waarborgen omklede wettelijke grondslag sprake is.
  12. Dit verweer slaagt.

Een kortgeding procedure leent zich niet voor de beantwoording van de vraag of de door de wetgever gecreëerde grondslag voor de installatie van camera’s in het kader van het safe city project voldoende deugdelijke en wettelijke waarborgen biedt. Die vraag zal moeten worden voorgelegd aan de rechter in een bodemprocedure.

Bovendien is om die vraag op verantwoorde wijze te kunnen beantwoorden, zoals ook blijkt uit het vonnis waarvan beroep, een diepgaand literatuur en jurisprudentie onderzoek noodzakelijk. Daarvoor is in een kortgeding procedure geen ruimte.

  1. Dat betekent dat het hof, anders dan de kantonrechter, van oordeel is, dat het gevorderde geen voorlopige voorziening betreft zodat appellant in deze vordering alsnog niet ontvankelijk moet worden verklaard.
  2. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd en appellant alsnog niet ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem gevorderde. Tevens dient hij de kosten van het proces te dragen.

     

    De beslissing

Het hof:

  • vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding d.d. 24 oktober 2019 waarvan beroep gewezen onder A.R. no. 19-1415 en opnieuw rechtdoende:

verklaart appellant niet ontvankelijk in het door hem gevorderde;

veroordeelt appellant in de kosten van het geding tot aan dit vonnis begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. I. Sonai, leden, en

w.g. A. Charan

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 november 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. dr. G.N. Best, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2022-29

GR- 15-886

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

STICHTING FORCE A LAUGH,
Appellante,
gevestigd en kantoorhoudend te Paramaribo,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

UNITEL EXCHANGE N.V.,
geïntimeerde,
gevestigd en kantoorhoudend te Paramaribo,
gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen appellante als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie en geïntimeerde als gedaagde in conventie en eiser in reconventie in kort geding gewezen vonnis van 17 oktober 2019 (A.R. No. 15-3914), spreekt het Hof, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen;

het proces-verbaal van de griffier der Kantongerechten van 22 november 2019, waarin is vermeld dat tegen het vonnis van 17 oktober 2019 op 22 november 2019 door appellante hoger beroep is ingesteld;

de pleitnota van appellante van 19 maart 2021;

de antwoord pleitnota van geïntimeerde van 2 juli 2021;

de repliek pleitnota van appellante van 15 augustus 2021;

– de dupliek pleitnota van geïntimeerde van 5 november 2021.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

 

  1. De beoordeling
  1. De griffiersbrief is op 19 november 2019 aan appellante verzonden die niet bij de uitspraak aanwezig was. Het beroep is tijdig en op juiste wijze ingesteld zodat zij in het beroep kan worden ontvangen.
  2. Appellante vordert in dit geding in conventie bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, geïntimeerde te veroordelen om binnen een week na dit vonnis , althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, het perceel te ontruimen en te verlaten met medeneming van allen en alles wat zich aldaar van harentwege bevindt en deze ter vrije en algehele beschikking van haar te stellen, met machtiging op haar om, indien geïntimeerde weigert aan dit vonnis te voldoen, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen op kosten van geïntimeerde, desnoods met behulp van de sterke arm.
  3. Geïntimeerde vordert in reconventie in dit geding bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad appellante te verbieden om elke handeling c.q. rechtshandeling te mogen plegen met betrekking tot de ontruiming van haar, totdat is vastgesteld of de overdracht van het perceel op rechtsgeldige wijze heeft plaatsgevonden.
  4. Bij vonnis waarvan beroep is het gevorderde in conventie afgewezen en het in reconventie gevorderde toegewezen.
  5. Appellante heeft tegen het vonnis waarvan beroep vier grieven ontwikkeld.

Deze grieven houden in:

Grief I: ten onrechte heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 5.5 overwogen dat terughoudendheid moet worden betracht in de onderhavige zaak omdat geïntimeerde gemotiveerd heeft betwist dat zij zich zonder recht of titel op het perceel bevindt.

Grief II: ten onrechte gaat de kantonrechter er in rechtsoverweging 5.6 van uit dat er op grond van de procedure tussen de erfgenamen van wijlen Ramdien en appellante een diepgaand onderzoek moet plaatsvinden naar de bestreden feiten aangaande de volmacht die geïntimeerde betwist.

Grief III: ten onrechte overweegt de kantonrechter in rechtsoverweging 5.7 dat hij geen zeer vergaande beslissing kan geven in kort geding op grond van een bodemprocedure waarnaar verwezen is.

Grief IV: ten onrechte gaat de kantonrechter in rechtsoverweging 5.8 ervan uit dat niet aannemelijk is geworden dat geïntimeerde zich zonder recht of titel op het onderhavige terrein bevindt.

  1. Geïntimeerde heeft bij pleitnota van antwoord onder 3 (pagina 1, laatste alinea) aangevoerd dat appellante in eerste aanleg noch in hoger beroep in haar vordering een spoedeisend belang heeft neergelegd.
  2. In eerste aanleg heeft appellante als spoedeisend belang genoemd dat op haar eigendom door geïntimeerde ernstig inbreuk wordt gemaakt waardoor zij belemmerd wordt in haar investeringsplannen.
  3. Wat deze investeringsplannen inhouden en op welke wijze de aanwezigheid van geïntimeerde op dat terrein haar in de uitvoering van die plannen hindert, heeft appellante evenwel op geen enkele wijze nader geadstrueerd.
  4. In hoger beroep heeft appellante betoogd dat de inbreuk op het eigendomsrecht meebrengt dat een uitkomst in een bodemprocedure niet kan worden afgewacht en erop gewezen dat het spoedeisend belang in het vonnis waarvan beroep is aangenomen (pleitnota pag 2, onder 2).
  5. In het vonnis waarvan beroep is in rechtsoverweging 5.1 overwogen dat het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van appellante.

In rechtsoverweging 5.6 (laatste zin) is overwogen dat de vordering voldoende spoedeisend moet zijn, in die zin dat van appellante niet kan worden gevergd dat deze de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

In rechtsoverweging 5.7 heeft de kantonrechter die vraag vervolgens ontkennend beantwoord en op grond daarvan de vordering in conventie geweigerd.

  1. Wat er ook van deze overwegingen zij, het hof is van oordeel dat het door appellante in het kader van het spoedeisend belang gestelde onvoldoende is om op grond daarvan te kunnen oordelen dat van haar niet gevergd kan worden een beslissing in een bodemprocedure aangaande deze kwestie af te wachten, daargelaten nog de gemotiveerde betwisting door geïntimeerde van het door appellante gestelde eigendomsrecht op het ten processe bedoelde perceelland. Deze betwisting brengt immers mee dat er nader onderzoek zal moeten worden gedaan naar het antwoord op de vraag of appellante zich terecht eigenaresse van het ten processe bedoelde perceelland noemt. Voor een dergelijk onderzoek, dat de nodige diepgang zal moeten hebben, leent een kort geding procedure zich niet.
  1. Het vorenstaande betekent dat bespreking van de grieven niet tot een ander oordeel zal leiden zodat die bespreking achterwege kan blijven.

Het vonnis waarvan beroep zal, onder verbetering en aanvulling van de gronden, worden bevestigd met veroordeling van appellante in de proceskosten in hoger beroep.

De beslissing

Het hof:

  • bevestigt het vonnis d.d. 17 oktober 2019 waarvan beroep onder verbetering en aanvulling van de gronden gewezen onder A.R. no. 15-3914;
  • veroordeelt appellante in de kosten van dit geding in hoger beroep tot aan dit vonnis begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. I. Sonai, leden, en

w.g. A. Charan

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 19 augustus 2022, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. S.C. Berenstein BSc.

 

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2022-28

GR-15505

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

Kul Mining Suriname N.V.,
gevestigd te Paramaribo,
appellante,
verder te noemen: Kul Mining,
zonder gemachtigde,

tegen

Guianas Aviation N.V.,
gevestigd te Paramaribo,
geïntimeerde,
verder te noemen: Guianas,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen Guianas als eiseres en Kul Mining als gedaagde gewezen en uitgesproken vonnis van 13 februari 2018 (A.R. no. 13-0303), spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

  1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
  • het proces-verbaal van 24 april 2018 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat Kul Mining tegen het voormelde vonnis hoger beroep heeft ingesteld.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling

  1. Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven gericht. Het hof gaat dan ook van die feiten uit. De zaak gaat – kort weergegeven – over het volgende.
  2. Guianas heeft als productie overgelegd een invoice [nummer 1] d.d. 24 augustus 2012 waarin wordt gerefereerd aan de nota [nummer 2] d.d. 31 januari 2012 betreffende advieswerkzaamheden gedurende de maanden november, december 2011 en januari 2012 voor het totaalbedrag van US$ 32.400,- waarbij eveneens is vermeld dat op 27 maart 2012 is ontvangen nota [nummer 3] betreffende retainer fee februari 2012 ad US$ 7.560,-, op 20 juli 2012 is ontvangen deelbetaling nota [nummer 4] ad US$ 2.500,-, op 23 augustus 2012 ontvangen deelbetaling nota [nummer 5] ad US$ 4.962,56, openstaande saldo US$ 24.937,44.
  3. Bij brief van 14 januari 2013 heeft Guianas Kul Mining gesommeerd en in gebreke gesteld om het openstaande saldo vermeerderd met de incassokosten van 15% te voldoen.
  4. In reactie op voornoemde brief heeft Kul Mining bij e-mail van 18 januari 2013 bericht dat de betaling in de eerste week van februari zal worden bevestigd.
  5. Guianas heeft als producties overgelegd een emailbericht van Kul Mining van 22 maart 2012 waarbij wordt meegedeeld dat ‘zoals reeds eerder aangegeven, is de retainer fee overmaking gisteren uitgevoerd, en kunt u deze in de tweede helft van de week verwachten’.
  6. Guianas heeft ter verzekering van haar vordering begroot op US$ 33.000,- na daartoe verkregen verlof van de kantonrechter d.d. 15 februari 2013, bij exploit no. 197 van de gerechtsdeurwaarder D. Hieralal, op 28 februari 2013 ten laste van Kul Mining conservatoir derdenbeslag doen leggen onder de in het exploit genoemde banken.
  1. In eerste aanleg heeft Guianas gevorderd – zakelijk weergegeven – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
  • Kul Mining te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Guianas te voldoen het bedrag van US$ 28.678,05 (bestaande uit US$ 24.937,44 als hoofdsom en US$ 3.740,61 ter zake van 15% incassokosten), vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf de dag van indiening van het verzoek tot aan de algehele voldoening;
  • van waarde te verklaren de gelegde conservatoire beslagen door deurwaarder D. Hieralal d.d. 28 februari 2013, bij exploit met het no. 197;
  • Kul Mining te veroordelen in de kosten van het geding.
  1. Guianas heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd een mondelinge overeenkomst op grond waarvan zij in de periode november 2011 tot en met augustus 2012 adviezen heeft uitgebracht over de opzet en ondersteuning van luchtvaartactiviteiten door Kul Mining. Kul Mining heeft verweer gevoerd.
  1. De kantonrechter heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis de vordering van Guianas in hoofdsom van US$ 24.937,44 toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf 7 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, de gelegde conservatoire derdenbeslagen van waarde verklaard en Kul Mining veroordeeld in de proceskosten van SRD 5.550,-.
  1. In het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter heeft Kul Mining geen pleitnota overgelegd en geen grieven aangevoerd. Het hof ziet ook ambtshalve geen reden om tot vernietiging van het vonnis over te gaan en zal het vonnis daarom bevestigen.
  1. Kul Mining zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van Guianas begroot op nihil.

De beslissing

Het Hof:

  • bevestigt het vonnis van de kantonrechter van 13 februari 2018 (A.R. 13-0303);
  • veroordeelt Kul Mining in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Guianas tot op heden begroot op nihil;

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 4 februari 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen- Relyveld

 

SRU-HvJ-2022-27

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellant],
wonende aan [adres 1] in het [district 1],
appellant, hierna aangeduid als “de man”,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende aan [adres 1] in het [district 1],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de vrouw”,

inzake het hoger beroep van de door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gegeven beschikking van 28 oktober 2019 (A.R. No. 19-3864) (hierna de bestreden beschikking) tussen de vrouw als verzoekster en de man als gedaagde, geeft het Hof van Justitie, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking.

Het procesverloop

  1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken c.q. handelingen:
  • de brief d.d. 18 februari 2021, gericht aan de waarnemend griffier der Kantongerechten afkomstig van de man waaruit blijkt dat hij hoger beroep heeft aangetekend tegen de bestreden beschikking;
  • de proces-verbaal van verhoor van partijen gehouden op 26 juli 2021;

1.2 De beschikking wordt op heden gegeven.

De ontvankelijkheid

2.1 Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de man daarin kan worden ontvangen.

De beoordeling

3 Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1 Door de vrouw is aan de kantonrechter in het Eerste Kanton bij verzoekschrift d.d. 15 oktober 2019 verzocht een beschermingsbevel te verlenen tegen de man en heeft zij daartoe aangevoerd dat zij gedurende circa dertig jaren in concubinaat hebben gewoond; dat zij samen twee dochters hebben, [naam 1] en [naam 2] respectievelijk 23 jaar en 19 jaar; dat de duurzame relatie met de man in feite twee jaar geleden reeds is beëindigd; dat de man evenwel des nachts naar de woning komt om er te slapen; dat wanneer hij in de woning is, hij tot niemand het woord richt noch reageert op gesprekken die de gezinsleden met hem proberen aan te gaan; dat de gezinsleden de spanningen die de houding van gedaagde veroorzaakt niet meer aankunnen; dat nadat zaken hoog zijn opgelopen de man een houwer heeft gepakt en de vrouw en zijn dochters heeft uitgedaagd; dat de vrouw een algeheel contactverbod tussen haar en de dochters heeft gevraagd alsmede de ontruiming van de man;

3.2. Op voornoemd verzoek is door de kantonrechter het verzochte beschermingsbevel verleend in dier voege dat is beschikt dat de man de woning aan [adres 1] in het [district 1] ontruimt met behulp van de sterke arm, met medeneming van zijn persoonlijke goederen waaronder een stereo set, een televisietoestel met tv-tafel, kleding en schoeisel, gereedschappen en een voertuig van het merk Toyota Carina met het [kentekennummer 1] en dat hem vanaf de dagtekening van de beschikking, zoals aangegeven onder II van het dictum van de beschikking, voor een periode van drie (3) jaren verboden is:

  • zich te begeven of te bevinden in de nabijheid van de woning aan [adres 1] in het [district 1];
  • zich te begeven of te bevinden op of in de nabijheid van de werkplaats van de vrouw;
  • zich te begeven of te bevinden in de nabijheid van de vrouw en [naam 1] en [naam 2], binnen een straal van honderd meter of in door hen regelmatig bezochte plaatsen en ruimten;
  • telefonisch contact of contact via social media met verzoekster en [naam 1] en [naam 2] te maken;

voorts dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

3.3 In dit hoger beroep heeft de man – zakelijk weergegeven – verklaard, dat hij bezwaren heeft tegen de bestreden beschikking omdat de vermelde overwegingen in het proces-verbaal van de zitting in de raadkamer d.d. 12 oktober 2019 niet op waarheid berusten; hij nimmer is opgeroepen om ter terechtzitting te verschijnen; hij zich ten tijde van het gerechtelijke proces bevond op zijn [werkplaats] te [district 2]; hij mede heeft gefinancierd om het huis te bouwen en nergens anders heeft om te wonen; hij gezien het bovenstaande zich niet terug kan vinden in de beslissing van de rechter en in dit kader vraagt de beschikking te heroverwegen;

3.4 Op daartoe strekkende vragen heeft de vrouw onder meer en zakelijk weergegeven verklaard, dat zij vanaf het jaar 2015 geen relatie meer heeft met de man; dat zij bij zijn aanwezigheid voor een week bij haar ouders verblijft en zij niet meer onder één dak woonachtig zijn; dat zij rust wil hebben in haar leven en niet kan tegen het te hard afspelen van muziek en het roken in huis; dat de kinderen er ook spanningen van ondervinden en zij genoeg heeft van zijn provocerende gedragingen en het psychisch geweld.

3.5 Uit het gehouden verhoor en de inhoud van de stukken in eerste aanleg is het Hof gebleken dat de man bij verstek is veroordeeld vanwege spanningen tussen partijen doch dat er geen sprake is van fysiek – maar wel psychisch geweld. In het jaar 2015 is er een incident geweest waarbij de man een houwer heeft gepakt en aan zijn dochter heeft aangeboden met de woorden: “ …kap me dan…”. Dit is waarschijnlijk de aanleiding geweest voor de vrouw om in het jaar 2019 het verzoek in te dienen. Voorts is gebleken dat de man in prima opgeroepen is geweest toen hij in het binnenland was waardoor hij geen verweer heeft kunnen voeren. Duidelijk is dat het roken in huis en het hard afspelen van muziek voor spanningen en overlast zorgt ook voor de kinderen. Anderzijds ontkomt het Hof niet aan de indruk dat partijen elkaars nabijheid niet op prijs stellen. Uit het gehouden verhoor is ook niet komen vast te staan dat de man zich naar de werkplek van de vrouw begeeft. Het Hof acht het door de vrouw aangevoerde onvoldoende gegrond om het bevel met betrekking tot de door haar gevraagde voorzieningen te geven. Het Hof acht het wel passend en geboden om de man een verbod op te leggen om te roken in de woning en om luid muziek af te spelen in de woning, nu bij de behandeling wel gebleken is dat de man zich daaraan schuldig maakt.

3.6 Gelet op het hiervoren overwogene zal, onder vernietiging van de bestreden beschikking, als na te melden worden beslist.

Beschikkende in hoger beroep:

Vernietigt de beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gegeven tussen partijen op 28 oktober 2019 bekend onder A.R. no. 19-3864;

En opnieuw rechtdoende:

  • legt de [appellant] een rookverbod in huis op;
  • legt de [appellant] het verbod op luid muziek in huis af te spelen.
  • Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 18 februari 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen, [appellant] in persoon en [geïntimeerde] in persoon bijgestaan door advocaat mr. G.M. Leter, gemachtigde van geïntimeerde.

 

SRU-HvJ-2022-26

VONNIS

in de zaak van

[Appellante],
wonende te [plaats 1],
hierna te noemen: de vrouw,
appellante,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende in [land 1] en tijdelijk verblijvende in [plaats 1],
hierna te noemen: de man,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. S.N. Essed, advocaat,

op het hoger beroep van de beschikking van 12 juni 2017 van de kantonrechter in het Eerste Kanton (A.R. no. 16-5297), gegeven op het verzoek van de vrouw tegen de man, spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, de navolgende beschikking uit.

  1. Het procesverloop in hoger beroep
    1. Het verloop van procedure blijkt uit de navolgende processtukken en –handelingen:
  • het proces-verbaal van de Griffier der Kantongerechten van 29 juni 2017, inhoudende dat de vrouw hoger beroep heeft ingesteld tegen voormelde beschikking;
  • de pleitnota van 3 augustus 2018;
  • de antwoordpleitnota van 5 april 2019;
  • de repliekpleitnota van 2 augustus 2019 met producties;
  • de dupliekpleitnota en uitlating producties van 3 juli 2020, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating productie van 18 december 2020 zijdens de vrouw, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties van 15 oktober 2021 zijdens de man.
  1. Het hof had daarna beschikking bepaald op 4 maart 2022, doch nader heden.
  1. De ontvankelijkheid in hoger beroep

Het hoger beroep is overeenkomstig artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de vrouw daarin wordt ontvangen.

  1. De feiten

Het geschil speelt zich af tegen de achtergrond van de volgende feiten.

  1. Partijen zijn op 29 juni 2004 in de gemeente Rotterdam, Nederland in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.
  2. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:
  • op 8 augustus 2008, [naam 1],
  • op 19 augustus 2010, [naam 2] en
  • op 19 augustus 2010, [naam 3]
    (hierna: de kinderen).
  1. In het jaar 2011 heeft de vrouw zich met de kinderen gevestigd in Suriname.
  2. Het huwelijk van partijen is bij vonnis [het hof leest: beschikking] van 5 april 2012 in [land 1] door de rechtbank Zwolle-Lelystad door echtscheiding ontbonden.
  1. Het geding in eerste aanleg
    1. Bij verzoekschrift van 28 oktober 2016 heeft de vrouw verzocht de man te veroordelen om aan haar per maand per kind een bedrag van SRD 925,= aan levensonderhoud te betalen, alsmede de man te veroordelen in de kosten van het geding. Daartoe heeft de vrouw aangevoerd dat de man ingevolge de wet gehouden is een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de kinderen te leveren, doch dat de man dit weigert, ondanks diverse mondelinge verzoeken daartoe.
  1. De man heeft hiertegen – voor zover relevant – aangevoerd dat hij zich er bewust van is dat hij in principe een bijdrage zou moeten leveren in het levensonderhoud van de kinderen, maar dat hij in de schuldsanering zit vanwege een gemeenschappelijke schuld van € 488.000,=, waarop de vrouw niet mede helpt aflossen. De vrouw zou ervan op de hoogte zijn dat hij geen financiële ruimte heeft om voor de kinderen te zorgen.
  1. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de vrouw afgewezen. De kantonrechter heeft daartoe als volgt overwogen. De man heeft een salarisoverzicht in het geding gebracht, dat de vrouw niet heeft betwist, waaruit blijkt dat de man een nettosalaris van € 2.003,17 ontvangt, waarop het bedrag van € 853,38 voor de aflossing van de boedelschuld wordt ingehouden. Van het overgehouden bedrag van € 1.149,79 zou volgens de door de man als productie 3 bij zijn conclusie van 12 december 2016 overgelegde opsomming een bedrag van € 937,30 worden aangewend voor vaste lasten, een bedrag van € 212,49 latende voor levensonderhoud. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat de opsomming van de man niet juist is, waardoor de opsomming als juist moet worden aangemerkt. De kantonrechter heeft voorts geconcludeerd dat de man aannemelijk heeft gemaakt dat hij door het aflossen van de boedelschuld geen ruimte heeft om bij te dragen in het levensonderhoud van de kinderen.
  1. Beoordeling van het hoger beroep
    1. Het hof wijst voorshands erop dat partijen in dit geding uitvoerig debatteren over de vestiging van de vrouw met de kinderen in Suriname en over de kwestie met betrekking tot de maritale schuld, alsmede wat daaraan vooraf gegaan is, maar dat het in deze daar niet om gaat. Het gaat in deze zaak om de vraag of de man onder de door hem aangevoerde omstandigheden vrij moet worden gesteld van zijn verplichting om bij te dragen in het levensonderhoud van de kinderen. Het hof zal dan ook in het hierna volgende volstaan met de beoordeling van de stellingen van partijen, die betrekking hebben op de te beantwoorden rechtsvraag. Dit betekent dat het hof hetgeen partijen ter zake van de vestiging van de vrouw met de kinderen in Suriname en van de boedelschuld naar voren hebben gebracht uit proceseconomische redenen niet verder zal bespreken, omdat dit niet relevant is voor de beantwoording van de kernvraag in dit geding.
  1. De vrouw komt op tegen de overwegingen van de kantonrechter in de bestreden beschikking, zoals die hier onder 4.3 zijn weergegeven, en concludeert tot vernietiging daarvan. Ter toelichting stelt de vrouw het navolgende.
  1. De man heeft in eerste aanleg een kostenstaat overgelegd, maar zij heeft in haar conclusie van 27 maart 2017 gesteld dat dit geen bewijs is van zijn daarin vermelde uitgaven, dat het niet duidelijk is of de man nog in de schuldsanering zit, dat hij kan bijklussen en dat zij de kostenstaat sterk in twijfel trekt. Zij zou daarmee voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de opsomming niet juist is. Ten onrechte is de kantonrechter daaraan voorbij gegaan.
  2. Zij heeft in reactie op productie 7 bij de conclusie van 27 maart 2017 van de man, in haar conclusie van 8 mei 2017 opgemerkt dat toen partijen bij elkaar waren, de man veel bijkluste. Daaruit blijkt dat de overweging van de kantonrechter onterecht is.
  3. Uit de voorgaande punten blijkt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de reactie van de vrouw niet deugdelijk zou zijn, althans dat zij onvoldoende aannemelijk zou hebben gemaakt dat de opsomming van de man niet juist is.
  4. De kantonrechter te lichtvaardig is omgesprongen met de informatie van de man dat hij in de schuldsanering zit. Zonder nader onderzoek zou de kantonrechter hebben aangenomen dat de man maandelijks slechts een bedrag van € 212,49 overhoudt. Op de website https://www.antwoord.nl/schulden/460747-wsnp-in-het-kort staat immers dat een vrij te laten bedrag geldt van ± 95% van de geldende bijstandsnorm. De man heeft geen enkele document overgelegd waaruit blijkt wat het vrij te laten bedrag in zijn geval is. De kantonrechter heeft ten onrechte er niet naar gevraagd, ondanks dat zij dit onder punt 2 in haar conclusie van 27 maart 2017 aan de orde heeft gesteld. Ten onrechte is de kantonrechter aan haar stelling voorbij gegaan en zonder deugdelijke onderbouwing van de man ten onrechte heeft aangenomen dat de man maandelijks een bedrag van € 212,49 overhoudt.
  5. De man heeft juist niet aannemelijk gemaakt dat hij geen ruimte heeft om bij te dragen in het levensonderhoud van de kinderen.
  6. Op grond van het voorgaande is de beschikking van de kantonrechter onjuist en onbegrijpelijk.
  1. De man heeft hiertegen – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de kantonrechter overeenkomstig artikel 381a van het Burgerlijk Wetboek (BW) de beschikking gegeven heeft. De man stelt voorts dat uit zijn in eerste aanleg overgelegde en door de vrouw niet betwiste salarisspecificatie blijkt dat door de maandelijkse inhouding van € 853,38 op zijn nettoloon ter zake aflossing op de boedelschuld, hij geen draagkracht bezit om bij te dragen in het levensonderhoud van de kinderen. Wat de vrouw ten aanzien van de door hem in het geding gebrachte kostenstaat precies in twijfel trekt en op grond waarvan, heeft zij bovendien niet toegelicht, werpt de man ten slotte op.
  1. Het hof overweegt dat ingevolge artikel 381a BW de verschuldigde bijdrage aan het levensonderhoud en opvoeding van minderjarigen bepaald wordt naar evenredigheid van de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde enerzijds en het inkomen en het vermogen van de tot uitkering verplichte anderzijds. De man heeft in eerste aanleg erkend dat hij in beginsel gehouden is bij te dragen aan het levensonderhoud van de kinderen. Daarin ligt besloten dat hij niet weerspreekt dat bij de kinderen de behoefte tot onderhoud bestaat. Dit betekent dat de kantonrechter op het moment van het geven van de beschikking de draagkracht van de man bij de beoordeling diende te betrekken. Anders dan de vrouw betoogt, ziet het hof op basis van de stukken die partijen in eerste aanleg hebben overgelegd, alsmede op het verhandelde in dat geding in hetgeen de vrouw in hoger beroep heeft opgeworpen geen aanknopingspunten die tot het oordeel zouden moeten leiden dat de beschikking van de kantonrechter om die reden geen stand kan houden. De vrouw heeft immers in eerste aanleg weliswaar gesteld dat de door de man opgesomde vaste lasten niet op juistheid berusten, maar die stelling heeft zij echter niet nader onderbouwd, noch geconcretiseerd. Dit geldt overigens ook voor haar stelling dat – zoals het hof die opvat – de man wel over voldoende financiële ruimte beschikt om aan zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen te kunnen voldoen, dan wel dat de man die ruimte kan scheppen door bij te klussen. Dat de schuldsanering van de man op 1 september 2017 met een schone lei is geëindigd, heeft de vrouw pas in hoger beroep aangetoond middels het overleggen van een uittreksel uit het Nederlandse Insolventieregister als productie 1 bij haar conclusie tot uitlating over productie van 18 december 2020. Daarmee staat het in ieder geval in dit geding vast dat de kantonrechter bij het geven van de bestreden beschikking geen rekening heeft kunnen houden met deze (gewijzigde) omstandigheid.
  1. Het hof constateert dat de man het door de vrouw overgelegde uittreksel uit het Nederlandse Insolventieregister en de toelichting daarop niet betwist heeft. Hij heeft bij zijn schriftelijke uitlating daarover d.d. 15 oktober 2021 slechts gepersisteerd bij zijn eerder bij pleitnota’s geponeerde stellingen, erop neerkomende dat hij door zijn maandelijkse onkosten niet in zijn dagelijkse behoefte kan voorzien.
  1. Het hof begrijpt dat de vrouw, met het overleggen van het uittreksel uit het Nederlandse Insolventieregister, zich erop beroept dat de man door de beëindiging van de schuldsanering in ieder geval vanaf 1 september 2017 in staat moet worden geacht om aan zijn onderhoudsverplichtingen jegens de kinderen te voldoen. Gegeven deze onderbouwde stelling van de vrouw heeft de man deze naar het oordeel van het hof onvoldoende weersproken, zodat deze stelling van de vrouw in rechte tussen partijen komt vast te staan. Het hof ziet in dit specifieke geval een wijziging van omstandigheden die zou moeten leiden tot een hernieuwde beoordeling van de draagkracht van de man in het kader van zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen.
  1. Nu de vrouw onweersproken heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat de schuldsanering per 1 september 2017 aan de zijde van de man met een schone lei is geëindigd en dat als gevolg daarvan de schulden die onder de schuldsanering vallen vanaf dat moment niet meer van de man afdwingbaar zijn, moet ervan uit worden gegaan dat er geen sprake meer is van een maandelijkse inhouding van € 853,38 op het nettoloon van de man en dat hij daardoor in staat moet worden geacht bij te dragen aan het levensonderhoud van de kinderen. Nu de man zonder voldoende onderbouwing slechts bloot gesteld heeft dat hij – ook na 1 september 2017 – weinig overhoudt om in zijn dagelijkse behoefte te voorzien (en kennelijk daarmee bedoelt dat hij daardoor ook niet in staat moet worden geacht een bijdrage te leveren aan het levensonderhoud van de minderjarigen, kan het hof deze stelling van de man niet betrekken bij het beoordelen van zijn draagkracht.
  1. Op grond van de gewijzigde omstandigheid kan de bestreden beschikking thans niet in stand blijven en dient die derhalve in zoverre te worden vernietigd. Voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling ziet het hof, gelet op de aard van de zaak die zich binnen de familiesfeer afspeelt, geen aanleiding.
  1. Dit alles leidt tot de beslissing dat het door de vrouw gevorderde bedrag van SRD 925,= als bijdrage voor het levensonderhoud per maand per kind kan worden toegewezen, ingaande 1 september 2017 en wel tot aan hun meerderjarigheid, een en ander als in het dictum te melden.

De beslissing in hoger beroep

Het hof

  • vernietigt de beschikking van 12 juni 2017 van de kantonrechter in het Eerste Kanton in de zaak bekend als A.R. no. 16-5297;
    en (in zoverre) opnieuw rechtdoende:
  • bepaalt dat de man aan de vrouw zal voldoen als bijdrage voor het levensonderhoud van de minderjarige kinderen een bedrag van SRD 925,= (negenhonderd vijfentwintig Surinaamse dollar) per maand per kind, met ingang van 1 september 2017 tot aan de meerderjarigheid van de kinderen.

Aldus gegeven door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 15 juli 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-93

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15820
15 januari 2021

In de zaak van

[Appellante],
hierna te noemen [appellante],
wonende te [plaats],
appellante in kort geding,
gemachtigde: mr. H.H. Vreden, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
Hierna [geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde in kort geding,
procederend in persoon,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 25 juli 2019 bekend onder AR no. 19-0555 tussen enerzijds [appellante] als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie en anderzijds [geïntimeerde] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat [appellante] op 3 september 2019 hoger beroep heeft ingesteld;

– de brief gedateerd 3 juni 2020 afkomstig van de gemachtigde van [appellante] en overgelegd op de zitting van 17 juli 2020.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De beoordeling

Op 5 juni 2020 diende [appellant] een pleitnota te nemen. Vanwege de Covid-situatie is de onderhavige zaak uitgesteld naar 17 juli 2020 en wel in dezelfde stand.

Op de zitting van 17 juli 2020 heeft de gemachtigde van [appellante] bij schrijven medegedeeld dat zij de vordering wenst in te trekken.

Het Hof begrijpt hieruit dat [appellant] het door haar ingestelde hoger beroep wenst in te trekken.

Aangezien [geïntimeerde] behoorlijk in de gelegenheid is gesteld om zich over het voorgaande uit te laten doch dit heeft nagelaten, zal het verzoek van [appellante] als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

  1. De beslissing

Het Hof:

verstaat dat het door [appellante] ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter van 25 juli 2019 bekend onder AR no. 19-0555 is ingetrokken.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en

  1. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 15 januari 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld