SRU-HvJ-2021-110

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15493

15 oktober 2021

In de zaak van

[Appellant],
hierna te noemen de vrouw,
wonende in het [district 1],
appellante,
gemachtigde: mr. I.B. Zarks, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
hierna te noemen de man,
wonende in het [district 2],
geïntimeerde,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 22 januari 2018 bekend onder AR no. 16-3905 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het Hof verwijst naar het in deze zaak gewezen en uitgesproken tussenvonnis gedateerd 6 november 2020 en volhardt bij de inhoud daarvan.

  1. Het verdere procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de conclusie tot uitlating, ter griffie van het Hof ingekomen op 15 januari 2021 van de zijde van de vrouw.

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 16 juli 2021 doch nader op heden.

  1. De beoordeling

2.1 De gemachtigde van de vrouw heeft bij conclusie tot uitlating als voornoemd – voor zover van belang – aangevoerd dat de man is overleden en dat zij mede daarom de zaak intrekt.

Het Hof begrijpt hieruit dat bedoeld wordt dat het door de vrouw ingestelde hoger beroep in de onderhavige zaak wordt ingetrokken en concludeert dat hiermee het vonnis van de kantonrechter d.d. 22 januari 2018 bekend onder AR no. 16-3905, in kracht van gewijsde zal gaan.

De gemachtigde van de man is in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de intrekking van het hoger beroep maar heeft die gelegenheid onbenut gelaten.

Het Hof ziet geen reden om het verzoek van de gemachtigde van de vrouw niet in te willigen en zal beslissen als in het dictum te melden.

  1. De beslissing

Het Hof:

Verstaat dat het hoger beroep tegen het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 22 januari 2018 bekend onder AR no. 16-3905 is ingetrokken.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 15 oktober 2021 in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen nog in persoon, noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-109

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: voorheen mr. H.S. Djasmadi, advocaat, thans mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 02 juni 2017;

het verweerschrift met producties, ingediend ter griffie van het Hof op 23 augustus 2017;

de beschikking van het Hof van 26 juni 2018 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 20 juli 2018, welk verhoor is verplaatst naar 02 november 2018;

de aantekening op het doorlopend proces-verbaal d.d. 20 juli 2018, waaruit blijkt dat mr. Wittenberg als rolwaarnemer van mr. H.S. Djasmadi en mr. G.R. Sewcharan het Hof heeft meegedeeld dat mr. Djasmadi zich als procesgemachtigde van [verzoeker] onttrekt aan de zaak en dat mr. Sewcharan zich stelt voor [verzoeker];

het proces-verbaal van het op 02 november 2018 gehouden verhoor van partijen;

de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen, met producties, zijdens de Staat overgelegd op 17 mei 2019;

de akte uitlating producties, zijdens [verzoeker] overgelegd op 12 juni 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 06 december 2019, doch nader op heden.

  1. De feiten

2.1 [Verzoeker] is penitentiaire ambtenaar 4e klasse en sedert 2011 in vaste dienst op de Hoofdafdeling Delinquentenzorg van het Ministerie van Justitie en Politie. Hij was laatstelijk tewerkgesteld in het Nieuw Huis van Bewaring Santo Boma (hierna: Santo Boma).

2.2 Uit het proces-verbaal van verhoor van de te Santo Boma gedetineerde [naam 1] d.d. 02 december 2014 blijkt dat:

bij de op 11 november 2014 door penitentiaire ambtenaren verrichte visitatie 60 gram marihuana is aangetroffen in de toiletruimte van de kamer van [naam 1] in blok F van Santo Boma;

[Naam 1] hieromtrent heeft verklaard dat de onderschepte marihuana van hem was en dat [verzoeker] deze voor hem had gebracht tegen een beloning van SRD 120,-.

2.3 [Verzoeker] is op 08 december 2014 voorgeleid aan de hulpofficier van justitie S. Jhinkoe en vervolgens in verzekering gesteld wegens verdenking van het plegen van het misdrijf strafbaar gesteld in artikel 427 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en van overtreding van artikel 4 van de Wet Verdovende Middelen. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft [verzoeker] bekend dat hij tijdens diensttijd een hoeveelheid marihuana heeft gebracht voor [naam 1], die was ingesloten te Santo Boma. [Verzoeker] verklaarde voorts dat hij de marihuana heeft gekregen van een, hem onbekende, man van creoolse afkomst en dat hij van deze man ook SRD 120,- heeft ontvangen.

2.4 Blijkens het proces-verbaal van verhoor d.d. 08 december 2014 heeft [verzoeker] volhard in zijn bekentenis dat hij op 11 november 2014 een hoeveelheid marihuana Santo Boma heeft binnengesmokkeld voor Wilnis. [verzoeker] verklaarde wederom dat hij de marihuana van een man van creoolse komaf had gekregen om te brengen voor Wilnis en dat deze man hem daarvoor SRD 120,- had gegeven.

[verzoeker] bekende voorts in de maand mei of juni 2014 ook al een hoeveelheid marihuana Santo Boma te hebben binnengesmokkeld tegen een beloning van SRD 100,-.

2.5 [Verzoeker] is op 11 december 2014 voorgeleid aan de waarnemend substituut officier van justitie mr. R. Koendan. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft [verzoeker] verklaard dat hij de hierboven onder 2.3 en 2.4 bedoelde verklaringen onder druk heeft afgelegd. Hem werd voorgehouden dat hij binnen drie dagen in vrijheid zou worden gesteld indien hij een bekentenis zou afleggen, aldus [verzoeker].

2.6 [Verzoeker] heeft bij brief d.d. 16 januari 2015, gericht aan de directeur van Santo Boma, verweer gevoerd. Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Verweer

(…)

Betreft: Verweeraanzegging betreffende Hand en Spandiensten

(…)

Geachte directeur,

(…)

Mijn aanhouding is gebaseerd op slechts een melding door een gedetineerde namelijk, WILNIS S die ik (alle Pa’s) liever ziet [sic] gaan dan komen. Mijn verklaring is in alle haastigheid getekend aangezien ik mijn hoofd bij de afspraak was voor de EEG op 8 december 2014 om 09.30u a.m. van mijn vrouw. Gelet op mijn gezinssamenstelling is het onmogelijk dat ik dit alles zou doen voor een luttel bedrag. Geconcludeerd kan worden dat het politie rapport tal van valse aantijgingen vertoond [sic], spreekt over onwaarheden en aantijgingen slechts zijn gebaseerd op verklaring van een gedetineerden [sic].

Naar onderzoekingen is geen harde [sic] bewijs gevonden, waarbij ik op vrije voeten gesteld bent [sic] geworden.

(…)”

2.7 De strafzaak tegen [verzoeker] is door het openbaar ministerie voorwaardelijk geseponeerd.

2.8 De minister van Justitie en Politie (hierna: de minister) heeft bij beschikking d.d. 05 september 2015, J.[nummer 1] (hierna: de ontslagbeschikking), besloten om aan [verzoeker] ingevolge artikel 32 lid 1 onder j van het Penitentiair Besluit juncto artikel 61 lid 1 sub j Pw wegens plichtsverzuim de tuchtstraf van ontslag op te leggen (hierna ook: het ontslagbesluit). Daartoe is als volgt overwogen:

“dat blijkens de overgelegde stukken de Penitentiaire Ambtenaar der 4e klasse in vaste dienst op de Hoofdafdeling Delinquentenzorg van het Ministerie van Justitie en Politie, de heer [VERZOEKER] P., tewerkgesteld in het Nieuw Huis van Bewaring Santo Boma op 8 december 2014, is aangehouden en in verzekering gesteld, ter zake verdacht van het tegen vergoeding binnensmokkelen van marihuana voor een gedetineerde en derhalve bij beschikking d.d. 29 juni 2015, kenmerk [nummer 2], [nummer 1], ingevolge artikel 66 lid 1 van de Personeelswet van rechtswege is geschorst;

dat betrokkene ingevolge het bepaalde in artikel 63 lid 2 van de Personeelswet bij schrijven van de Directeur van het Nieuw Huis van Bewaring Santo Boma d.d. 14 januari 2015 kenmerk HvB/[nummer 3] in de gelegenheid is gesteld zich ter zake binnen 24 uren te verweren; echter heeft hij in zijn schrijven van 16 januari 2015 geen steekhoudende argumenten kunnen aanvoeren welke ertoe zouden kunnen leiden om van bestraffing af te zien;

dat gelet op de ernst van de zaak er termen aanwezig zijn voor het in overweging nemen van ontslag wegens plichtsverzuim;

dat deze handelingen niet in een gedisciplineerd korps kunnen worden getolereerd en als plichtsverzuim worden aangemerkt;

dat naar aanleiding van het voorgaande betrokkene niet langer in Staatsdienst kan worden gehandhaafd en derhalve met toepassing van artikel 32 lid 1 onder j van het Penitentiair Besluit wegens plichtsverzuim de tuchtstraf van ontslag aan hem wordt opgelegd.”

2.9 [verzoeker] heeft bij schrijven van zijn voormalige procesgemachtigde, mr. H.S. Djasmadi, d.d. 05 december 2016 de minister verzocht het ontslagbesluit met onmiddellijke ingang in zijn geheel buiten werking te stellen en hem, [verzoeker], te herstellen in zijn functie.

De minister heeft bij brief d.d. 12 februari 2017, kenmerk SM [nummer 4], het verzoek van [verzoeker] afgewezen.

2.10 [verzoeker] heeft bij schrijven van voornoemde procesgemachtigde d.d. 23 februari 2017 beklag ex artikel 78 lid 1 Pw ingesteld tegen het ontslagbesluit bij de President van de Republiek Suriname (hierna: de President) en daarbij de President verzocht om het ontslagbesluit met onmiddellijke ingang in zijn geheel buiten werking te stellen en hem, [verzoeker], te herstellen in zijn functie.

Op dit beklag is geen beslissing van de President gevolgd.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de ontslagbeschikking nietig zal worden verklaard;
  2. de Staat zal worden veroordeeld hem weder tewerk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- voor iedere dag dat de Staat weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen.

[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Hij kan zich niet verenigen met de ontslagbeschikking en de gronden waarop deze berust. In het verweerschrift d.d. 16 januari 2015 (zie 2.6) is het gestelde plichtsverzuim voldoende weerlegd en is reeds aangevoerd dat de strafzaak tegen [verzoeker] was geseponeerd, althans dat er sprake was van niet verdere vervolging. Het is derhalve onbegrijpelijk dat het verweer niet steekhoudend wordt geacht. De overweging in het ontslagbesluit dat er, gelet op de ernst van de zaak, termen aanwezig zijn voor het in overweging nemen van ontslag wegens plichtsverzuim, mist hierdoor iedere grondslag.

Voorts is bij het opleggen van de tuchtstraf van ontslag geen dan wel onvoldoende rekening gehouden met hetgeen in artikel 63 lid 4 onder d Pw staat, met name ter zake van het algemeen gedrag, de ijver en de prestaties van [verzoeker]. Ook is de Staat voorbijgegaan aan zijn persoonlijke en huiselijke omstandigheden. Op basis hiervan heeft de Staat met de oplegging van voormelde tuchtstraf aan [verzoeker] in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel, zijnde één der algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Op grond van het voorgaande kan het ontslagbesluit niet worden gehandhaafd.

3.3 De Staat heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [verzoeker] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. De Staat voert daartoe het volgende aan. Bij de ontslagschikking d.d. 05 september 2015 is aan [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag opgelegd. Op 23 februari 2017 heeft [verzoeker] ingevolge artikel 78 lid 1 Pw beklag ingesteld bij de President. Het bepaalde in dit artikel brengt mee dat [verzoeker] te laat is met het beklag, waardoor in casu de artikelen 78 lid 4 en 80 lid 3 sub a Pw niet van toepassing zijn, met als gevolg dat de onderhavige vordering rijkelijk laat is ingesteld.

  1. De beoordeling

4.1 Het Hof constateert dat [verzoeker] in zijn verzoekschrift niet expliciet heeft aangegeven tegen wie hij de onderhavige vordering heeft ingesteld. Het Hof begrijpt uit de stellingen van [verzoeker] evenwel dat hij de vordering heeft ingesteld tegen de Staat Suriname, met name het Ministerie van Justitie en Politie. De Staat heeft, blijkens de door hem ingediende dan wel overgelegde processtukken, het verzoekschrift in dezelfde zin begrepen, zodat hij niet in zijn verdediging is geschaad. Het Hof zal het verzoekschrift dan ook verbeterd lezen zoals reeds tot uitdrukking is gebracht in de kop van het vonnis.

Bevoegdheid

4.2.1 Vaststaat dat [verzoeker] (penitentiaire) ambtenaar in de zin van artikel 1 lid 1 Pw en artikel 1 lid 1 van het Penitentiair Besluit is geweest, zodat voormeld(e) wet en besluit op hem van toepassing zijn. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Volgens artikel 79 lid 2 sub d Pw is een besluit waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, vatbaar voor nietigverklaring.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.2.2 Het gevorderde onder 3.1 onder I strekt tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte besluit, waarbij aan [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag is opgelegd. Het Hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub a juncto lid 2 sub d Pw bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

De onder 3.1 onder II gevorderde wedertewerkstelling van [verzoeker] onder verbeurte van een dwangsom kan niet worden gecategoriseerd onder de in artikel 79 lid 1 Pw limitatief opgesomde vorderingen waarover het Hof bevoegd is te oordelen, zodat het Hof zich onbevoegd zal verklaren van dit gevorderde kennis te nemen.

Ten aanzien van de mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten, verwijst het Hof naar hetgeen onder 4.4 is overwogen.

Ontvankelijkheid

4.3.1 [verzoeker] stelt in zijn verzoekschrift dat ingevolge artikel 78 lid 4 Pw binnen drie maanden dient te worden beslist op het door hem bij de President ingestelde beklag ex artikel 78 lid 1 Pw. Nu er tot op heden geen beslissing op het beklag is gevolgd, is hij ingevolge artikel 80 lid 3 onder a Pw gerechtigd de onderhavige vordering in te stellen, aldus [verzoeker].

4.3.2 Artikel 78 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Een besluit, rakende de toepassing van deze wet, is binnen een maand vatbaar voor schriftelijk beklag bij hoger gezag dan het orgaan dat het besluit heeft genomen, behoudens ingeval overeenkomstig artikel 79, eerste lid, een vordering is ingesteld. Dit beklag heeft geen schorsende kracht.

(…)

  1. De klager heeft recht op een beslissing binnen drie maanden, tenzij het klaagschrift in ongepaste termen is vervat of, zonder aanvoering van nieuwe feiten, strekt tot herhaling van een reeds eerder gedaan beklag.
  2. Het hogere gezag kan, indien het na onderzoek termen daarvoor aanwezig acht, het besluit waarover beklag is gedaan, ten gunste van de betrokkene wijzigen, vervangen of – al dan niet met terugwerkende kracht – buiten werking stellen.”

4.3.3 Artikel 80 Pw luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Vorderingen als bedoeld in artikel 79, eerste lid, aanhef en onder a, zijn niet ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld:

(…)

  1. meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht.

(…)

  1. Vorderingen als bedoeld in artikel 79, eerste lid, zijn voorts niet ontvankelijk:
  2. indien overeenkomstig artikel 78 beklag is gedaan, zolang daarop nog niet is beslist, danwel vier maanden sedert de indiening van het beklag zijn verlopen zonder dat daarop een beslissing is gevolgd;

(…)”

4.3.4 [Verzoeker] heeft tijdens het verhoor van partijen verklaard dat hij de ontslagbeschikking tussen januari en februari 2016 heeft ontvangen. Het Hof constateert evenwel dat de voormalige procesgemachtigde van [verzoeker] in zijn hierboven onder 2.9 vermelde brief aan de minister d.d. 05 december 2016 gewag maakt van de ontslagbeschikking, het daarin vervatte ontslagbesluit en de gronden waarop dit besluit rust. Het ontslagbesluit wordt derhalve geacht in ieder geval op 05 december 2016 ter kennis van [verzoeker] te zijn gebracht. Ingevolge het bepaalde in artikel 78 lid 1 Pw had [verzoeker] zijn beklag dienen in te stellen binnen een maand daarna, derhalve uiterlijk op 04 januari 2017. Nu [verzoeker] pas bij schrijven d.d. 23 februari 2017 in beklag is gegaan, is hij daarmee tardief, zodat artikel 80 lid 3 sub a Pw in casu niet van toepassing is, gelijk de Staat heeft betoogd.

[Verzoeker] diende de vordering onder 3.1 onder I, strekkende tot nietigverklaring van het ontslagbesluit, ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b Pw in te stellen binnen een maand na 05 december 2016, derhalve uiterlijk op 04 januari 2017. Nu [verzoeker] deze vordering pas op 02 juni 2017 heeft ingesteld, zal hij daarin als tardief niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het verweer van de Staat slaagt.

4.4 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, omdat dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.5 Het Hof komt niet toe aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen.

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1 onder II.

5.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het gevorderde onder 3.1 onder I.

5.3 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 05 november 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. Jules namens het Ministerie van Justitie en Politie, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

 

SRU-HvJ-2021-108

G.R. no. 15697

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

15 januari 2021

in de zaak van

[Appellant],
wonende te [plaats],
appellant, hierna aangeduid als “de man“,
gemachtigde: mr. S. Khoen Khoen, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde] ,
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de vrouw”,
gemachtigde: mr. E.K. Chotkanoe, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 25 juni 2018 bekend in het Algemeen Register onder no. 17-1215 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– het schrijven van de advocaat van de man gedateerd 09 oktober 2018 – ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 09 oktober 2018 – waaruit blijkt dat de man hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter de dato 25 juni 2018;

– de pleitnota gedateerd 17 januari 2020;

– de antwoordpleitnota gedateerd 07 februari 2020;

– de repliekpleitnota gedateerd 21 augustus 2020;

– de dupliekpleitnota gedateerd 16 oktober 2020;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

 

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Het beroepen vonnis is gedateerd 25 juni 2018. De man is bij de uitspraak niet ter terechtzitting verschenen terwijl de vrouw wel bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen. De aangetekende dienstbrief van de griffier waarbij de beslissing ingevolge het bepaalde in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: WvBRv) aan de man is medegedeeld, dateert van 27 september 2018. De man heeft bij schrijven de dato 09 oktober 2018 hoger beroep ingesteld tegen het beroepen vonnis. Ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 3 WvBRv is dit tijdig geschied en is de man ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep.

  1. De vordering in hoger beroep

De man vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter in eerste aanleg de dato 25 juni 2018, A.R. nr. 17-1215, tussen de man als gedaagde en de vrouw als eiseres.

  1. Waarvan kan worden uitgegaan

De man heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten door de Kantonrechter in eerste aanleg, weshalve van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Derhalve staat – ook in hoger beroep – het navolgende vast tussen partijen:

4.1. Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd op 29 juli 1995 in het [ressort]—-1995, ingeschreven onder [nummer 1]— in het huwelijksregister van voormeld ressort.

  1. 2. Uit het huwelijk tussen partijen zijn twee kinderen geboren die inmiddels allebei meerderjarig zijn geworden.
  1. 5. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer in eerste aanleg

5.1. De vrouw heeft in eerste aanleg als eiseres –kort gezegd- het navolgende gevorderd:

– dat de echtscheiding wordt uitgesproken tussen partijen;

– de scheiding en deling van het huwelijksvermogen zal moeten plaatsvinden.

5.2. Naast voormelde vaststaande feiten heeft de vrouw in eerste aanleg aan haar vordering ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven en voor zover ten deze van belang – dat voornoemd huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht waardoor er hoegenaamd geen sprake meer is van een man-vrouw-relatie tussen partijen. Herstel van de relatie is niet mogelijk.

5.3. De man heeft in eerste aanleg bij wege van verweer aangegeven –kort gezegd- dat de vrouw in strijd met artikel 262 en 263 van het BW de duurzame ontwrichting niet aangetoond heeft en heeft op grond daarvan geconcludeerd tot afwijzing althans niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw.

5.4. Bij vonnis van de Kantonrechter de dato 25 juni 2018 heeft de Kantonrechter de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, een datum voor het familieverhoor bepaald, de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap uitgesproken met benoeming van een boedelnotaris en onzijdige personen volgens de wet en onder afwijzing van hetgeen meer of anders is gevorderd de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. De dragende overweging van de Kantonrechter is daarbij geweest (begin citaat) “ dat gedaagde (het Hof leest: de man) de stellingen van eiseres (het Hof leest: de vrouw) niet, althans niet voldoende gemotiveerd heeft weersproken, doch zich in zijn verdediging beroept op een voorval dat zich in 2016 heeft voorgedaan, hetgeen overigens gemotiveerd door eiseres (het Hof leest: de vrouw) is weersproken. Naar het oordeel van de kantonrechter staat derhalve vast als niet, althans niet voldoende betwist, dat het huwelijk reeds voor 2016 duurzaam was ontwricht en dat deze daarna alleen nog erger is geworden. Op grond van het voorgaande is het verzet van gedaagde (het Hof leest: de man) naar het oordeel van de kantonrechter ongegrond. Nu de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen als niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwist vaststaat, terwijl het verzet van gedaagde (het Hof leest: de man) tegen het door eiseres (het Hof leest: de vrouw) gevorderde ongegrond is gebleken, zal de vordering van eiseres (het Hof leest: de vrouw) als op de wet gegrond worden toegewezen.” (einde citaat)

5.5. De man verzoekt het Hof om het beroepen vonnis te vernietigen. Daartoe heeft de man aangegeven dat het beroepen vonnis apert onjuist is en heeft de man grieven aangevoerd die in het hierna volgende aan een bespreking zullen worden onderworpen. Allereerst heeft de man aangevoerd dat de Kantonrechter in eerste aanleg ten onrechte het verweer van de man heeft afgewezen en daarbij geen rekening heeft gehouden met het aspect dat het huwelijk tussen partijen niet door de man op losse schroeven is geraakt maar dat het gedrag van de vrouw de oorzaak daartoe is. Voorts is de man de mening toegedaan dat de vrouw in eerste aanleg heel wat zaken heeft aangehaald maar geen bewijzen daartoe heeft overgelegd althans deze zaken niet hard heeft kunnen maken. In het proces-verbaal (het Hof verstaat: van de gehouden comparitie van partijen in eerste aanleg de dato 26 maart 2018) komen heel wat verwijten naar de man voor welke de man gemotiveerd heeft ontkend en waartegen de vrouw geen tegenbewijs heeft kunnen inbrengen. Ten derde heeft de man aangevoerd dat de Kantonrechter in eerste aanleg geen rekening heeft gehouden met hetgeen de wetgever heeft opgenomen in artikel 263 BW waarbij uitdrukkelijk is opgenomen dat indien de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate te wijten is aan de echtgenoot die de vordering heeft ingesteld, in casu de vrouw, en de andere echtgenoot, in casu de man, daartegen verweer voert, de vordering tot echtscheiding wordt afgewezen. De man heeft in eerste aanleg reeds uitgebreid verweer gevoerd en heeft zelfs voorgesteld om deskundige hulp elders te zoeken om zijn huwelijk te redden, echter heeft de vrouw dit verzoek casu quo aanbod van de man van de hand gewezen. De vrouw is zelfs zo ver gegaan om tegen de man een beschermingsbevel te krijgen; echter is bij de behandeling van dit verzoek gebleken dat de noodzaak tot een beschermingsbevel niet aanwezig was. De man stelt aangetoond te hebben dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk niet aan hem te wijten is maar aan het gedrag van de vrouw waardoor conform de wettelijke bepalingen het verzoek tot echtscheiding dient te worden afgewezen.

5.6. De vrouw heeft in hoger beroep verweer gevoerd op welk verweer het Hof – voor zover nodig – in het hierna volgende zal ingaan.

5.7. Het Hof zal de door de man aangevoerde grieven simultaan aan een beoordeling onderwerpen aangezien die grieven in wezen dezelfde strekking hebben. In de visie van het Hof is het navolgende in casu aan de orde. De man erkent dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht maar stelt dat die ontwrichting in overwegende mate aan de vrouw te wijten is waardoor zij ingevolge de wet niet gerechtigd is om de onderhavige echtscheidingsvordering in te stellen. Dienaangaande is het Hof van oordeel dat de daartoe strekkende grieven van de man niet gegrond zijn gebleken. Het uitgangspunt is volgens het Hof dat waar twee partners twisten beide partners in beginsel daar schuld aan hebben. Indien de ene partner in overwegende mate schuld heeft bij de onenigheden dient de andere partij dat niet alleen te stellen maar ook te bewijzen casu quo aannemelijk te maken. In casu is de Kantonrechter in de visie van het Hof niet “over èèn nacht ijs gegaan” maar heeft partijen ter gelegenheid van de gehouden comparitie van partijen in eerste aanleg uitgebreid gehoord alvorens tot de vaststelling te komen zoals hiervoor onder 5.4. van dit vonnis is weergegeven. Het Hof kan zich volledig verenigen met de overwegingen van de Kantonrechter dienaangaande. Het enkele feit dat de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten betekent niet ipso jure dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan haar te wijten is geweest. Daarvoor dient er nagegaan te worden wat de oorzaak daarvan is geweest en daar heeft de Kantonrechter zich in de visie van het Hof voldoende rekenschap van gegeven. Hoewel de man aanvoert dat hij zijn huwelijk met de vrouw nog een kans wenst te geven blijkt de vrouw daar niet langer voor open te staan. En aangezien de liefde niet van èèn kant kan komen maar wederzijds dient te zijn, kan voormeld voornemen van de man niet in vervulling gaan. Het voorgaande betekent evenwel in de visie van het Hof geenszins dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen in overwegende mate aan de vrouw toegerekend kan worden.

5.8. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat de door de man aangevoerde grieven zoals hiervoor weergegeven onder 5.5. niet gegrond zijn gebleken. De consequentie daarvan is dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van hetgeen daarin is bepaald ten aanzien van het familieverhoor aangezien het toendertijd minderjarig kind inmiddels meerderjarig is geworden. Het beroepen vonnis zal ten aanzien van dat onderdeel worden vernietigd en opnieuw rechtdoende zal dat onderdeel van het gevorderde alsnog worden afgewezen. De proceskosten in hoger beroep zullen tussen partijen, die echtelieden zijn, worden gecompenseerd in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

5.9. Bespreking van de overige grieven en weren van partijen zal, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

  1. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1. Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken de dato 25 juni 2018 en bekend in het Algemeen Register onder no. 17-1215, waarvan beroep met uitzondering van hetgeen daaromtrent onder 5.2. daarvan is bepaald met betrekking tot het familieverhoor;

6.2. Compenseert de kosten van het geding in hoger beroep tussen partijen in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt;

6.3. Vernietigt het beroepen vonnis ten aanzien van het bepaalde onder 5.2. daarvan;

En opnieuw rechtdoende ten aanzien van het bepaalde onder 5.2. van het beroepen vonnis:

6.4. Wijst af hetgeen dienaangaande is gevorderd;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 januari 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan


Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-107

G.R. no. 15570

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

16 april 2021

in de zaak van

[Appellant],
wonende in het [district],
appellant, hierna aangeduid als de vader,
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als de moeder,
gemachtigde: mr. R. Mahabier-Baldew, advocaat,

inzake het hoger beroep van de door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gegeven beschikking van 24 april 2018 bekend in het Algemeen Register onder no. 16-0352 tussen de vader als verzoeker en de moeder als verweerster,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking uit.

Deze beschikking bouwt voort op de eerder in deze zaak gegeven en uitgesproken beschikking de dato 16 oktober 2020.

  1. Het verdere procesverloop in hoger beroep

1.1 Dit blijkt uit de volgende proceshandelingen:

– het op 12 november 2020 gehouden verhoor van partijen, zijnde daarvan door de griffier proces-verbaal opgemaakt hetwelk zich onder de processtukken bevindt;

– het op 11 maart 2021 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen, zijnde daarvan eveneens proces-verbaal opgemaakt door de griffier hetwelk zich onder de processtukken bevindt;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van de beschikking is hierna bepaald op heden.

  1. De vordering in hoger beroep

De vader vordert in hoger beroep aanvulling casu quo nadere precisering van de beschikking van de Kantonrechter in eerste aanleg gegeven op 24 april 2018 in de procedure met A.R. No. 16-0352 tussen de vader als verzoeker en de moeder als verweerster. Met name heeft de vader blijkens zijn verklaring moeite met de door de Kantonrechter vastgestelde omgangsregeling. Ten onrechte is het Hof in de tussenbeslissing de dato 16 oktober 2020 ervan uitgegaan dat de vader met de voogdij over de minderjarige wenste te worden belast. Bij het verhoor van partijen is het één en ander nader gepreciseerd door de vader en het Hof komt derhalve daarop terug en stelt vast dat het de vader te doen is om een nadere precisering en vastlegging van de omgangsregeling, zoals ondertussen is overeengekomen tussen partijen.Voormelde beschikking de dato 16 oktober 2020 wordt derhalve op dat punt verbeterd en aangepast.

  1. 3. De verdere beoordeling van het geschil

3.1. Het Hof neemt over en volhardt bij al hetgeen in vorenvermelde beschikking de dato 16 oktober 2020 is overwogen en beschikt. De bij voormelde beschikking gelaste comparitie van partijen is gehouden op 12 november 2020 en vervolgens voortgezet op 11 maart 2021.

3.2. Nu het in casu betreft een nadere precisering van de omgangsregeling tussen partijen en er tussen partijen overeenstemming bestaat daaromtrent, rest het Hof niets anders dan de beroepen beschikking te bevestigen onder aanvulling van het dictum daarvan.

3.3. Partijen hebben ter gelegenheid van de voortzetting van het verhoor van partijen de dato 11 maart 2021 aangegeven dat zij het wenselijk achten dat de mondeling overeengekomen omgangsregeling omtrent de minderjarige wordt vastgelegd in een beschikking. Naar het Hof begrijpt wensen partijen vastgelegd te zien dat de minderjarige gedurende de schoolvakanties de eerste helft daarvan bij de vader verblijft en de tweede helft daarvan bij de moeder zal vertoeven. Ten aanzien van de bezoekregeling wensen partijen vastgelegd te hebben dat de minderjarige om het ene weekend bij de vader zal vertoeven en wel vanaf vrijdagmiddag om 17.00 uur tot en met zondagmiddag 17.00 uur. De keuze omtrent de weekenden zullen partijen – naar het Hof begrijpt – in onderling overleg met elkaar vaststellen. Het Hof acht het naar aanleiding van het verhoor van partijen geïndiceerd om ten overvloede te bepalen dat partijen in onderling overleg afspraken zullen maken omtrent het verblijf van de minderjarige op hoogtijdagen zoals verjaardagen en feestdagen bij één der ouders.

3.4. Het Hof zal op grond van het voorgaande beslissen als na te melden.

  1. Beschikkende in hoger beroep

Het Hof:

4.1. Bevestigt de beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gegeven de dato 24 april 2018 en bekend in het Algemeen Register onder no. 16-0352, waarvan beroep, onder aanvulling van het dictum als na te melden;

4.2. Bepaalt dat de minderjarige [naam 1], om het ene weekend vanaf vrijdagmiddag om 17.00 uur tot en met zondagmiddag om 17.00 uur bij de vader zal verblijven;

4.3. Bepaalt dat de minderjarige [naam 1], gedurende de schoolvakanties de eerste helft daarvan aaneengesloten bij de vader zal doorbrengen en de tweede helft daarvan aaneengesloten bij de moeder zal doorbrengen;

4.4. Bepaalt dat de vader en de moeder in onderling overleg afspraken zullen maken omtrent het verblijf van voornoemde minderjarige gedurende hoogtijdagen zoals verjaardagen en feestdagen bij één der ouders;

Aldus gegeven door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 april 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

 

SRU-HvJ-2021-106

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15705
3 december 2021

In de zaak van

YOKOHAMA TRADING N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding,
hierna te noemen “Yokohama”,
gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde in kort geding,
hierna te noemen: “[geïntimeerde]”,
gevolmachtigde: drs. A. Biharie MA,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 17 december 2018 bekend onder AR no. 182511 tussen Yokohama als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat Yokohama op 20 december 2018 hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota gedateerd 17 januari 2020;

– de antwoordpleitnota gedateerd 21 februari 2020;

– de repliekpleitnota gedateerd 17 juli 2020;

– de aantekening op het doorlopend proces-verbaal van 21 augustus 2020, 6 november 2020, 20 november 2020, 18 december 2020, 15 januari 2021,

19 februari 2021 en 17 juli 2021, op de kaft van het procesdossier, waaruit blijkt dat er geen dupliekpleitnota is genomen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

2.1 Het beroepen vonnis is gedateerd 17 december 2018. Yokohama heeft op 20 december 2018 appèl aangetekend.

[Geïntimeerde] heeft met betrekking tot de ontvankelijkheid de volgende formele weren aangevoerd:

  1. Yokohama heeft op 20 december 2018 hoger beroep aangetekend terwijl het vonnis op 17 december 2018 is uitgesproken; het hoger beroep is daardoor na drie dagen aangetekend hetgeen in strijd is met de bepaling in artikel 264 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; om die reden moet Yokohama niet-ontvankelijk verklaard worden in haar hoger beroep;
  1. Yokohama heeft haar grieven niet kenbaar gemaakt middels een memorie van grieven; daardoor is de termijn waarbinnen de grieven kenbaar gemaakt hadden kunnen worden overschreden; Yokohama had binnen veertien dagen haar grieven kenbaar moeten maken waardoor zij thans niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar hoger beroep;
  1. door het niet tijdig indienen van de grieven door Yokohama is het niet mogelijk dat het Hof het geschil in volle omvang beoordeelt, immers staat in de jurisprudentie en de rechtsleer vast dat het geschil in volle omvang door het Hof kan worden beoordeeld onder de voorwaarde dat het Hof gebonden is aan de grenzen van de gronden en vorderingen in de memorie van grieven gesteld; nu Yokohama heeft nagelaten tijdig en in overeenstemming met de wet en het recht haar memorie van grieven in te dienen, kan een herbeoordeling van het vonnis in eerste aanleg gewezen, niet plaatsvinden omdat het Hof de grenzen van de rechtsstrijd niet mag overschrijden; met het opnemen van eventuele grieven in een pleitnota heeft Yokohama het wettelijke grievenstelsel ondermijnd; ook om die reden zal Yokohama niet-ontvankelijk verklaard moeten worden in haar hoger beoep.

2.1 Ten aanzien van het verweer onder a hiervoor is het Hof van oordeel dat, gelijk Yokohama aanvoert, er in casu geen sprake is van een vonnis zoals bedoeld in artikel 264 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waardoor dat verweer moet worden gepasseerd.

2.2 Het Hof overweegt met betrekking tot de weren genoemd onder b en c dat het in de rechtspraktijk reeds lang wordt toegestaan dat in de pleitnota grieven worden opgenomen. De geïntimeerde krijgt daarbij de gelegenheid om op de grieven te reageren. Het Hof overweegt dat het gebruik in de rechtspraktijk is ontstaan omdat na de uitspraak partijen vaak niet tijdig over een afschrift van het vonnis konden beschikken. Hierdoor was het niet mogelijk binnen de wettelijke vastgestelde termijn grieven tegen het vonnis te formuleren en een memorie van grieven in te dienen. Dat was een tekortkoming die niet voor rekening van een appellerende partij kon komen. Het verweer van [geïntimeerde] terzake zal daarom worden verworpen.

Het Hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat Yokohama ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep.

  1. De vordering in hoger beroep

Yokohama vordert in hoger beroep:

vernietiging van het vonnis van de kantonrechter gedateerd 17 december 2018 met AR no. 182511, en opnieuw rechtdoende de vordering alsnog toe te wijzen.

  1. De feiten

4.1 Op de facebookpagina van [geïntimeerde] is op of omstreeks 19 januari 2018 een afbeelding geplaatst waarin de naam van Yokohama staat vermeld onder de categorie “Kapitalisten en Drugsbarons.”

4.2 [Geïntimeerde] is op 23 januari 2018, 21 maart 2018 en 9 april 2018 door de raadsvrouwe van Yokohama gesommeerd om de geplaatste afbeelding op haar facebookpagina te verwijderen en een rectificatie te plaatsen op haar facebookpagina en in drie dagbladen, waaruit genoegzaam blijkt dat zij toegeeft dat de afbeelding berust op een ongefundeerde en onjuiste interpretatie en waarin zij haar verontschuldigingen aanbiedt voor het veroorzaakte ongerief.

4.3 Bij schrijven van 13 april 2018 heeft de toenmalige raadsvrouwe van [geïntimeerde] aan de raadsvrouwe van Yokohama medegedeeld dat de afbeelding van de facebookpagina van [geïntimeerde] is verwijderd.

  1. De beoordeling

5.1 Yokohama heeft in haar pleitnota drie grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter:

De beoordeling van grief I:

5.2.1 Yokohama voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat door de verwijdering van de spotprent sprake is van een verontschuldiging c.q. rectificatie. De kantonrechter is te lichtvaardig omgegaan met de belangen van Yokohama, in casu haar recht op bescherming van haar goede naam en reputatie; na de verwijdering heeft [geïntimeerde] na de uitspraak van de rechter op 17 december 2018, de afbeelding op 18 december 2018 weer op haar facebookpagina geplaatst. Het verwijderen van de afbeelding is niet gelijkwaardig aan een verontschuldiging en een rectificatie. [geïntimeerde] is in haar reactie op deze grief erbij gebleven dat zij haar verontschuldigingen niet hoeft aan te bieden omdat zij de afbeelding niet heeft gemaakt.

5.5.2 Het Hof overweegt, dat, gelijk Yokohama aanvoert, het enkel verwijderen van de afbeelding, nog geen rectificatie inhoudt. Immers, onder rectificatie wordt verstaan: verbetering, meer speciaal door degene die een onjuiste of misleidende mededeling heeft gedaan (vide Fockema Andreae’s Juridisch Woordenboek). Bovendien heeft Yokohama gesteld, hetgeen niet door [geïntimeerde] is betwist, dat [geïntimeerde] de afbeelding na het vonnis in eerste aanleg wederom meerdere malen heeft geplaatst op haar facebookpagina. Daarmee heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het Hof getoond dat zij als oogmerk heeft de eer en goede naam van Yokohama te schaden.

Het Hof acht op grond van het voorgaande de eerste grief gegrond.

De beoordeling van grief II

5.3.1 Yokohama heeft in grief II aangevoerd dat de kantonrechter had moeten ingaan op het feit dat [geïntimeerde] erbij had moeten stilstaan wat de gevolgen zouden zijn van het posten van de afbeelding, ook al heeft zij de afbeelding niet zelf gemaakt.

5.3.2 Het Hof overweegt dat het, gelijk Yokohama stelt, bij het onrechtmatig publiceren van een afbeelding, niet relevant is of de partij die de afbeelding heeft gepubliceerd deze zelf heeft vervaardigd.

Naar het oordeel van het Hof handelt degene die een onrechtmatige publicatie verspreidt, ook onrechtmatig.

5.3.3 Het Hof overweegt voorts dat uit de afbeelding blijkt dat Yokohama wordt uitgemaakt voor drugsbaron. [geïntimeerde] heeft daaromtrent in haar conclusie van antwoord in eerste aanleg aangevoerd dat Yokohama zich niet kan beroepen op het hebben van een goede naam. Zij verwijst daarbij naar een vijftal publicaties op het internet.

5.3.4 Het Hof overweegt dat, gelijk Yokohama stelt, en ook door [geïntimeerde] wordt beaamd, niet uit de feiten blijkt dat Yokohama als verdachte van een misdrijf wordt aangemerkt of voor een misdrijf is vervolgd en ook niet dat Yokohama voor een misdrijf is veroordeeld. De door [geïntimeerde] overgelegde publicaties en genoemde artikelen handelen allen over natuurlijke personen die mogelijk een werkrelatie hebben met Yokohama, nu in de artikelen wordt verwezen naar de “topman” bij Yokohama. In de genoemde nieuwsartikelen wordt Yokohama dus niet als verdachte genoemd en wordt ook geen melding gemaakt van enige vervolging of veroordeling van Yokohama. Ook [geïntimeerde] beaamt dat in haar conclusie van dupliek onder II B 3. Hierdoor vindt de publicatie geen steun in het beschikbare feitenmateriaal. Om die reden moet een publicatie waarin Yokohama als drugsbaron wordt neergezet worden aangemerkt als een publicatie die de eer, goede naam en maatschappelijke reputatie van Yokohama aantast en onrechtmatig is. Het feit dat de afbeelding als satirische en opiniërende uiting werd gezien door [geïntimeerde] en om die reden is gedeeld doet niets af aan het onrechtmatig karakter van de publicatie. Het enkele feit dat er ook andere publicaties te vinden zijn die schadelijk zijn voor de eer en goede naam van Yokohama, rechtvaardigt de onrechtmatige publicatie door [geïntimeerde] niet. Het Hof acht op grond van al het voorgaande grief II ook gegrond.

5.3.5 Het Hof overweegt voorts dat [geïntimeerde] zich in haar verweer in eerste aanleg ook beroept op haar recht op vrije meningsuiting zoals neergelegd in het BUPO verdrag en in de Grondwet. Het Hof overweegt in dit verband dat toewijzing van een vordering tot rectificatie van een publicatie in beginsel een beperking inhoudt van het in artikel 19 van het BUPO Verdrag en het in artikel 19 van de Grondwet vastgelegde recht op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijke beperking is ingevolgde artikel 19 lid 3 van het BUPO Verdrag slechts toegestaan, indien deze bij de wet is voorzien en noodzakelijk is ter bescherming van onder andere de goede naam of rechten van anderen. Daarnaast dient een dergelijke beperking proportioneel te zijn. Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen onrechtmatig zijn in de zin van artikel 1386 of 1393 en 1397 van het Burgerlijk Wetboek.

Het Hof zal daarom, indien er sprake is van belediging zoals bedoeld in artikel 1393 BW, wel een veroordeling tot rectificatie mogen uitspreken.

De beoordeling van grief III

5.4.1 Yokohama voert als derde grief aan dat de kantonrechter er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het risico wel bestaat dat [geïntimeerde] de afbeelding weer zal plaatsen op haar facebookpagina.

5.4.2 Het Hof overweegt dat door [geïntimeerde] niet is betwist dat zij de afbeelding wederom op haar facebookpagina heeft geplaatst, en wel ondanks het feit dat in het vonnis van de kantonrechter een overweging is opgenomen daaromtrent namelijk de overweging onder punt 4.6 die luidt : “Immers is evenmin gebleken van een reële dreiging voor de toekomst, hetwelk de toewijzing van een gevorderd verbod voor de toekomst zou rechtvaardigen.” Uit deze overweging kan begrepen worden dat de kantonrechter ervan uitging dat [geïntimeerde] de afbeelding niet nogmaals zou plaatsen op haar facebookpagina, waarvan thans juist het tegendeel is bewezen.

Het Hof is dan ook van oordeel dat ook de derde grief gegrond is. Nu de grieven gegrond zijn zal het vonnis worden vernietigd en zal het gevorderde worden toegewezen met inachtneming van het volgende.

5.4.3 Onder B van het petitum vordert Yokohama dat [geïntimeerde] wordt bevolen zich te onthouden van onrechtmatige gedragingen die de eer, goede naam en maatschappelijke reputatie van Yokohama aantasten, op straffe van een dwangsom.

Het Hof overweegt dat die gevorderde voorziening te weinig specifiek is en de wet reeds voorziet in een verbod om de naam en goede eer van een medeburger te schaden. Toegewezen zal daarom worden de specifieke voorziening met betrekking tot de afbeelding, namelijk een verbod om de betreffende afbeelding wederom op haar facebookpagina te plaatsen.

5.5 Het Hof zal, nu de grieven gegrond zijn, [geïntimeerde] veroordelen een rectificatie te plaatsen. Het Hof zal afwijken van de door Yokohama opgegeven rectificatie, en wel zoals in het dictum te melden. In het licht van de af te wegen belangen wordt dat onder de gegeven omstandigheden een proportionele maatregel geacht.

5.6 Het Hof overweegt dat door Yokohama is gevorderd dat [geïntimeerde] de publicatie rectificeert en haar verontschuldigingen aanbiedt. Met betrekking tot het aanbieden van de verontschuldigingen overweegt het Hof dat dat zal worden afgewezen nu de rechtsvordering ex artikel 1393 BW niet daartoe strekt en in beginsel niemand kan worden veroordeeld om spijt te hebben van een handeling. Een eventuele spijtbetuiging zou ingevolge artikel 1395 BW van betrokkene zelf moeten uitgaan.

5.7 De door Yokohama gevorderde dwangsom zal worden gemitigeerd en gemaximeerd nu die het Hof bovenmatig voorkomt.

5.8 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5.9 [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

  1. De beslissing

Het Hof

6.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gedateerd 17 december 2018 in de zaak bekend onder AR no. 182511, waarvan beroep.

En opnieuw rechtdoende:

6.2 Veroordeelt [geïntimeerde] om binnen 48 uur na betekening van het vonnis de gewraakte facebook post als ten rekeste vermeld te rectificeren en wel door op de facebookpagina van [geïntimeerde] de hierna volgende rectificatie te plaatsen en het bericht gedurende zeven dagen op de facebookpagina op dezelfde wijze zichtbaar te houden als de afbeelding, en voorts om binnen vijf (5) werkdagen na betekening van het vonnis de hiernavolgende rectificatie te doen plaatsen in de landelijke dagbladen De Ware Tijd, Times of Suriname en Dagblad Suriname, namelijk:

“Rectificatie:

[geïntimeerde] pleegt rectificatie ten behoeve van Yokohama Trading.

Het Hof van Justitie heeft bij vonnis van 3 december 2021 geoordeeld dat de door mij, [geïntimeerde], geplaatste afbeelding op mijn facebookpagina onrechtmatig is jegens Yokohama, aangezien de publicatie een afbeelding betreft waarin Yokohama Trading wordt gecategoriseerd als drugsbaron. Met het plaatsen van de afbeelding is een inbreuk gepleegd op de eer en goede naam en de maatschappelijke reputatie van YokohamaTrading, nu de geplaatste afbeelding de suggestie wekt dat Yokohama Trading een drugsbaron is. Deze suggestie vindt geen steun in het beschikbare feitenmateriaal.”

6.3 Veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een dwangsom van SRD.5.000,= (vijfduizend Surinaamse dollar) het maximum van SRD. 500.000,= (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand voor iedere dag dat [geïntimeerde] in gebreke blijft te voldoen aan de veroordeling genoemd onder 6.2 hierboven;

6.4 Verbiedt [geïntimeerde] om de in dit geding bedoelde afbeelding waarin Yokohama Trading wordt gecategoriseerd als drugsbaron, op haar facebookpagina te plaatsen of geplaatst te houden;

6.5 Veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een dwangsom van SRD.5.000,= (vijfduizend Surinaamse dollar) het maximum van SRD. 500.000,= (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand voor iedere dag dat [geïntimeerde] het verbod zoals genoemd onder 6.4 hierboven overtreedt;

6.6 Veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van appellante begroot op SRD. 1.110,– (één duizend éénhonderd en tien Surinaamse Dollars)

6.7 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 3 december 2021. in tegenwoordigheid van mr. C.R. Tamsiram-Harris, Fungerend-Griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-105

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in het [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. L.E. Palmburg, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
te dezen vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te zijner Parkette te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. A.R. Autar, waarnemend substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 31 juli 2013;

het verweerschrift, met producties, ingediend op 01 november 2013;

de beschikking van het Hof van 15 november 2013 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 17 januari 2014, welk verhoor is verplaatst naar 07 maart 2014;

het proces-verbaal van het op 07 maart 2014 gehouden verhoor van partijen;

de pleitnota, overgelegd op 02 mei 2014;

de antwoordpleitnota, overgelegd op 06 juni 2014;

de repliekpleitnota, overgelegd op 04 juli 2014;

de dupliekpleitnota, overgelegd op 01 augustus 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 20 februari 2015, doch nader op heden.

  1. De feiten

2.1 [Verzoeker] is penitentiaire ambtenaar 3e klasse in vaste dienst op de Hoofdafdeling Delinquentenzorg van het Ministerie van Justitie en Politie geweest. Hij was laatstelijk tewerkgesteld in het Huis van Bewaring Santo Boma (hierna: Santo Boma).

2.2 Op 29 april 2013 zijn er vanuit Santo Boma zes gedetineerden, waaronder [naam 1] (hierna: [naam 1] ), onder bewaking vervoerd naar het Academisch Ziekenhuis dan wel het ’s Lands Hospitaal, voor behandeling door een arts of specialist (de zogenaamde stadsdienst). Deze zes gedetineerden werden elk bewaakt door één penitentiaire ambtenaar. Geen van de gedetineerden was geboeid. [Verzoeker] was belast met de bewaking van [naam 1], die voor consult bij een internist van het Academisch Ziekenhuis moest zijn. [verzoeker] heeft [naam 1] op gegeven moment de gelegenheid geboden gebruik te maken van het toilet. [Naam 1] heeft daarbij kans gezien uit het Academisch Ziekenhuis te ontvluchten, waarbij hij werd geholpen door een manspersoon die hem op straat opwachtte met een gereedstaande bromfiets.

2.3 De ter zake van voormelde stadsdienst opgemaakte stadsdienstlijst, waaruit blijkt dat zes penitentiaire ambtenaren waren belast met de bewaking van vorenbedoelde zes gedetineerden, is voor gezien ondertekend door de directeur van Santo Boma.

2.4 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 29 april 2013 rapport uitgebracht aan de directeur van Santo Boma omtrent de ontvluchting van [naam 1].

2.5 De minister van Justitie en Politie heeft bij beschikking d.d. 05 juli 2013, J.[nummer 1] (hierna: de ontslagbeschikking), besloten om aan [verzoeker] wegens ernstig plichtsverzuim ingevolge artikel 32 lid 1 onder j van het Penitentiair Besluit juncto artikel 61 lid 1 onder j Pw de tuchtstraf van ontslag op te leggen (hierna ook: het ontslagbesluit). Daartoe is als volgt overwogen:

“dat uit de overgelegde stukken is gebleken dat tijdens de morgendienst van maandag 29 april 2013 de Penitentiaire Ambtenaar der 3e klasse in vaste dienst op de Hoofdafdeling Delinquentenzorg van het Ministerie van Justitie en Politie, de heer [VERZOEKER], (…) tewerkgesteld in het Huis van Bewaring Santo Boma, belast was met de bewaking van de gedetineerde [naam 1], P., die voor consult bij de internist in het Academisch Ziekenhuis Paramaribo was;

dat door onoplettendheid, onzorgvuldigheid en een grote mate van onvoorzichtigheid de gedetineerde [naam 1] voornoemd, de kans zag te ontvluchten van vermelde locatie;

dat blijkens het politioneel onderzoek de gedetineerde [naam 1] voornoemd, tegen de instructies, twee keren illegaal bezoek van een dame heeft gekregen;

dat blijkens het politioneel onderzoek en rapportages de gedetineerde [naam 1] voornoemd, ondanks hij een gevangenisstraf van 14 jaren opgelegd heeft gekregen, tegen de instructies, ongeboeid was;

dat betrokkene ingevolge het bepaalde in artikel 63 lid 2 van de Personeelswet, bij schrijven van de Directeur van het Huis van Bewaring Santo Boma d.d. 6 mei 2013 kenmerk HvB/no. 492/2013, in de gelegenheid is gesteld zich terzake binnen 1×24 uren te verweren;

dat betrokkene zich bij zijn schrijven d.d. 6 mei 2013 heeft verweerd en heeft toegegeven toegestemd te hebben dat de gedetineerde [naam 1] voornoemd bezoek van een dame ontving en dat de gedetineerde [naam 1] niet geboeid was;

dat deze handelingen ernstig plichtsverzuim voor hem opleveren en niet in een gedisciplineerd korps kunnen worden getolereerd;

dat gelet op de ernst van deze zaak betrokkene niet langer in Staatsdienst gehandhaafd kan worden en aan hem met toepassing de tuchtstraf van ontslag wordt opgelegd.”

2.6 De ontslagbeschikking is op 09 juli 2013 ter kennis van [verzoeker] gebracht.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de ontslagbeschikking zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;
  2. de Staat zal worden gelast om die handelingen te verrichten waardoor [verzoeker] wordt gerehabiliteerd als penitentiaire ambtenaar 3e klasse;
  3. [verzoeker] in de gelegenheid zal worden gesteld de bedongen arbeid op de normale wijze en in de functie die hij heeft bekleed vóór de gewraakte beschikking te vervullen zonder enige hinder zijdens de Staat;
  4. de Staat zal worden gelast het salaris zoals door [verzoeker] verdiend vóór de gewraakte beschikking en alle overige emolumenten behorende bij de rang van penitentiaire ambtenaar 3e klasse uit te betalen en daarmee voort te gaan;
  5. de Staat zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 5.000,- per dag, voor iedere dag dat de Staat in strijd met het hiervoor gevorderde mocht handelen.

[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] kan zich niet verenigen met de ontslagbeschikking, althans de daarin vermelde gronden die ondeugdelijk zijn. [verzoeker] kan zich onder meer niet verenigen met de in de ontslagbeschikking opgenomen constatering dat door onoplettendheid, onzorgvuldigheid en een grote mate van onvoorzichtigheid de gedetineerde [naam 1] kans zag te ontvluchten uit het Academisch Ziekenhuis en wel om de volgende redenen. Vanaf het moment dat in Santo Boma aan [verzoeker] bekend werd gemaakt dat hij met de bewaking van [naam 1] was belast, vertoefde hij in de directe nabijheid van [naam 1]. Tot op het moment van de ontvluchting van [naam 1] heeft [verzoeker] zich op richtige wijze van zijn bewakingstaken gekweten. Op een bepaald moment heeft [verzoeker] [naam 1] in de gelegenheid gesteld het toilet te bezoeken. [verzoeker] werd op enig moment afgeleid door een woordenwisseling welke gaande was tussen twee personen in het toilet, waardoor zijn aandacht voor enkele minuten niet was gevestigd op [naam 1] . Laatstgenoemde zag toen kans uit het toilet te lopen, waarna hij wist te ontsnappen uit het Academisch Ziekenhuis. [verzoeker] heeft direct de achtervolging ingezet en daarbij, vanwege de aanwezigheid van omstanders, twee waarschuwingsschoten gelost.

De leiding van de dienst gaat niet vrijuit bij de ontvluchting van [naam 1]. Het moet de leiding immers bekend zijn geweest dat [naam 1] wegens moord een gevangenisstraf van 14 jaren moet uitzitten en dat het derhalve gaat om een gedetineerde die extra bewaking behoeft. Het is dan onverantwoord van de dienst om slechts één penitentiaire ambtenaar te belasten met de bewaking van [naam 1]. Het is altijd zo geweest dat een gedetineerde tijdens de stadsdienst wordt bewaakt door twee penitentiaire ambtenaren. Waarom op 29 april 2013 de gedetineerden elk door slechts één penitentiaire ambtenaar werden bewaakt, is een vraag die door de Staat, althans de leiding van Santo Boma moet worden beantwoord. Uit de in 2.3 genoemde stadsdienstlijst blijkt dat slechts [verzoeker] was belast met de bewaking van [naam 1]. Dat deze stadsdienstlijst voor akkoord is ondertekend door het hoofd (lees: de directeur) van Santo Boma, impliceert dat de leiding debet is aan het creëren van een onveilige situatie betreffende de bewaking van zware veroordeelden.

In de ontslagbeschikking is aangegeven dat [naam 1], tegen de instructies in, twee keren illegaal bezoek van een dame heeft gekregen. Het is inderdaad zo dat [verzoeker] [naam 1] heeft laten praten met een hem, [naam 1], bekende dame. [verzoeker] heeft aangegeven dat het gesprek kort gehouden moest worden en hij was in de directe omgeving van [naam 1] . Dit gesprek is binnen 10 minuten afgerond. Vervolgens heeft [verzoeker] desgevraagd erin toegestemd dat [naam 1] een pakje sigaretten mocht krijgen. Vorenbedoelde dame bracht na enkele minuten een pakje sigaretten, gaf het aan [naam 1] en ging toen weer weg. Het is dus niet zo dat op twee momenten illegaal bezoek werd ontvangen van een dame. Het tweede moment betrof slechts de afgifte van een pakje sigaretten in het bijzijn van [verzoeker]. Het toestaan van het bezoek aan [naam 1] kan [verzoeker] worden aangerekend.

De ontslagbeschikking geeft voorts aan dat [naam 1], tegen de instructies in, ongeboeid was. [verzoeker] was wel voornemens om [naam 1] van handboeien te voorzien bij het verlaten van Santo Boma, maar zijn meerdere, de penitentiaire ambtenaar [naam 2], heeft hem uitdrukkelijk gezegd dat zulks niet nodig was. De juiste bewoordingen van voormelde meerdere waren: “Joe no haf foe tai a mang, na mi mang drape, mi tak nanga a man kaba.” Voorts is het zo dat de gedetineerden die voor de stadsdienst in aanmerking komen, vóór vertrek uit Santo Boma langs twee posten, te weten de wachtcommandant en de hoofdwacht, worden geleid, waarbij erop moet worden toegezien dat deze gedetineerden Santo Boma geboeid verlaten. Degenen die de voornoemde posten hebben bemand op 29 april 2013 hebben geen opmerkingen gemaakt over het niet geboeid zijn van de gedetineerden, met name [naam 1]. Geen van de zes gedetineerden, die onder bewaking stonden van de verschillende penitentiaire ambtenaren, was geboeid. Het niet geboeid zijn van [naam 1] kan om voormelde redenen niet als een tekortkoming van [verzoeker] aangeduid worden en kan zeker niet als grond dienen voor het aan [verzoeker] verweten plichtsverzuim.

Voor zover sprake is van plichtsverzuim, is de daarvoor aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf van ontslag in strijd met artikel 79 lid 3 Pw, volgens welke bepaling de straf in een redelijke verhouding moet staan tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan. Deze redelijke verhouding ontbreekt ten enenmale. [verzoeker] heeft zich trouwens gedurende zijn zeven dienstjaren altijd als een plichtsgetrouwe ambtenaar opgesteld en zich niet eerder aan plichtsverzuim schuldig gemaakt.

De Staat heeft voorts gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het gelijkheids-, het rechtszekerheids- en het fair playbeginsel, en zich daardoor schuldig gemaakt aan een onrechtmatig daad jegens [verzoeker].

In tegenstelling tot hetgeen in de ontslagbeschikking is vermeld, heeft de Staat bij de oplegging van de tuchtmaatregel geen rekening gehouden met de persoonlijke en huiselijke omstandigheden van [verzoeker].

Op grond van al het voorgaande is het aan [verzoeker] verleende ontslag nietig.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] (penitentiaire) ambtenaar in de zin van artikel 1 lid 1 Pw en artikel 1 lid 1 van het Penitentiair Besluit is geweest, zodat voormeld(e) wet en besluit op hem van toepassing zijn. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Volgens artikel 79 lid 2 sub d Pw is een besluit waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, vatbaar voor nietigverklaring.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 Gezien het voorgaande is het Hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schade-vergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het Hof zich onbevoegd te verklaren.

Het in 3.1 onder a gevorderde strekt tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte besluit, waarbij aan [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag is opgelegd. Het Hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub a juncto lid 2 sub d Pw bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

Het in 3.1 onder b en c gevorderde, te weten, kort gezegd, de rehabilitatie van [verzoeker] in zijn oude rang en zijn wedertewerkstelling, kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het Hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen.

Het Hof begrijpt het in 3.1 onder d gevorderde aldus dat [verzoeker] tevens betaling van (achterstallig) salaris vordert. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het Hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit een besluit in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het Hof acht gronden aanwezig het petitum zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nietig te verklaren ontslagbesluit. Het Hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om ook van deze vordering kennis te nemen.

Op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw is het Hof tevens bevoegd kennis te nemen van de in 3.1 onder e gevorderde dwangsom.

Ontvankelijkheid

4.2 Ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 1 sub a en lid 2 sub d Pw is een vordering tot nietigverklaring van een besluit, waarbij aan een (penitentiaire) ambtenaar een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, niet-ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht.

[verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 09 juli 2013 ontvangen. Nu hij het verzoekschrift op 31 juli 2013 heeft ingediend, derhalve binnen een maand na 09 juli 2013, is hij ontvankelijk in het in 3.1 onder a gevorderde.

[verzoeker] is op dezelfde grond ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 2 sub b Pw ontvankelijk in het in 3.1 onder d en e gevorderde.

4.3 De Staat voert, voor zover van belang, aan dat [verzoeker] heeft nagelaten zich te houden aan de geldende normen betreffende de bewaking en beveiliging van gedetineerden, welk nalaten heeft geleid tot de ontvluchting van [naam 1]. Deze normen waren reeds gedurende de opleiding tot penitentiaire ambtenaar bekend aan [verzoeker], die sinds 2008 als penitentiaire ambtenaar was tewerkgesteld bij het Korps Penitentiaire Ambtenaren en was belast met het bewaken en beveiligen van gedetineerden. Van [verzoeker], aldus bekend met de geldende regels betreffende de bewaking en beveiliging van gedetineerden, kon redelijkerwijs worden verwacht dat hij zich daaraan hield, mede vanwege de eedsaflegging bij de aanvaarding van zijn ambt. De Staat voert voorts aan dat de opdracht van zijn meerdere om [naam 1] bij het verlaten van Santo Boma niet in de handboeien te slaan, [verzoeker] niet vrijwaart van zijn aansprakelijkheid voor de bewaking van [naam 1]. De Staat voert tevens aan dat [verzoeker] vooraf wist dat [naam 1] was veroordeeld ter zake van diefstal de dood ten gevolge hebbende, waarvoor hij een gevangenisstraf van 14 jaren moet uitzitten. Dit was al reden voor [verzoeker] om extra voorzichtig om te gaan met de bewaking van [naam 1] en alle normen en plichten voortvloeiende uit zijn ambt in acht te nemen, aldus de Staat. Ten slotte wordt aangevoerd dat het door [verzoeker] gepleegde plichtsverzuim tot ernstige verstoring van de samenleving heeft geleid en dat de Staat, na een afweging van belangen, in redelijkheid is gekomen tot het besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van ontslag.

4.4 Naar het Hof begrijpt wordt [verzoeker] in de ontslagbeschikking – zij het in enigszins gebrekkige bewoordingen – verweten dat:

door onoplettendheid, onzorgvuldigheid en een grote mate van onvoorzichtigheid van zijn zijde, [naam 1] kans zag te ontvluchten uit het Academisch Ziekenhuis;

hij erin heeft toegestemd dat [naam 1] twee keren bezoek kreeg van een dame, zulks tegen de instructies in;

hij [naam 1], ondanks deze een gevangenisstraf van 14 jaren opgelegd heeft gekregen, niet heeft geboeid, zulks tegen de instructies in.

4.5 Tussen partijen is niet in geschil dat volgens de geldende instructies, met welke instructies [verzoeker] bekend is, elke gedetineerde bij het verlaten van Santo Boma geboeid moet zijn en moet worden bewaakt door (minimaal) twee penitentiaire ambtenaren, alsmede dat gedetineerden die zich buiten voormelde inrichting bevinden geen bezoek van derden mogen ontvangen.

4.6.1 Het Hof zal eerst ingaan op het aan [verzoeker] gemaakte verwijt dat hij [naam 1] (bij het verlaten van Santo Boma) niet heeft geboeid, zulks tegen de instructies in.

[verzoeker] heeft hieromtrent op de zitting van 07 maart 2014 onweersproken verklaard dat hij van zijn meerdere, de hoofd penitentiaire ambtenaar (het Hof begrijpt: de hoofd penitentiaire ambtenaar 1ste klasse), tevens hoofd van de polikliniek van Santo Boma, [naam 2](hierna: [naam 2]), de opdracht kreeg om [naam 1] niet te boeien, aangezien de lippen van [naam 1] opgezet waren en hij een zakdoek voor zijn mond moest houden. [verzoeker] verklaarde voorts dat hij deze opdracht van [naam 2], die het medisch beter weet, heeft uitgevoerd.

Naar het Hof begrijpt heeft de gevolmachtigde van de Staat, mr. B. Somai (hierna: Somai), hoofdbeleidsmedewerker op de Hoofdafdeling Delinquentenzorg, in reactie hierop op voormelde zitting het volgende aangevoerd. De opdracht aan [verzoeker] om [naam 1] niet te boeien is onbevoegd gegeven en een dergelijke opdracht diende ingevolge het bepaalde in artikel 27 van het Penitentiair Besluit niet uitgevoerd te worden. [verzoeker] had langs hiërarchische weg gelijk bezwaar tegen deze opdracht moeten en kunnen aantekenen. [Verzoeker], een ervaren penitentiaire ambtenaar, had, nu het een levensgevaarlijke gedetineerde betreft en gelet op de kans op ontvluchting, een andere belangenafweging moeten maken.

4.6.2 Artikel 27 van het Penitentiair Besluit luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. De penitentiaire ambtenaar is gehoorzaamheid aan zijn meerdere verschuldigd en volgt de hem gegeven bevelen met stiptheid op.

(…)

  1. Bezwaren tegen het opvolgen van een bevel kan de penitentiaire ambtenaar langs hiërarchische weg indienen; wanneer de omstandigheden dit noodzakelijk maken, kan hij deze onmiddellijk kenbaar maken aan degene, die hem het bevel heeft gegeven. Zo lang het bevel niet is ingetrokken, is hij gehouden daaraan gevolg te geven, tenzij hij gegronde redenen heeft om aan te nemen, dat het bevel onbevoegd is gegeven of de uitvoering ervan een strafbaar feit zou opleveren.

(…)

  1. Onder bevel worden mede opdracht en aanwijzing begrepen.”

4.6.3 [verzoeker] heeft in strijd met de geldende instructies [naam 1] niet geboeid bij het verlaten van Santo Boma en zich daardoor schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. De opdracht van zijn meerdere, [naam 2], om [naam 1] niet te boeien, levert in de visie van het Hof, anders dan [verzoeker] kennelijk meent, geen verontschuldigende factor op. [verzoeker] had, gelet op de omstandigheden van het geval, naar het oordeel van het Hof gegronde redenen om aan te nemen dat vorenbedoelde opdracht een onbevoegd gegeven bevel betrof. Op grond van artikel 27 lid 3 van het Penitentiair Besluit had hij – ongeacht of hij al dan niet de ruimte had om gelijk langs de hiërarchische weg daartegen bezwaar te maken – derhalve geen gevolg daaraan moeten geven, gelijk de Staat heeft betoogd, en conform de instructies [naam 1] moeten boeien bij het verlaten van Santo Boma. De eigen verantwoordelijkheid van [verzoeker] staat niettegenstaande vorenbedoelde opdracht, recht overeind.

Het Hof acht in dit kader de volgende omstandigheden van belang. Als niet weersproken staat rechtens vast dat [verzoeker] ermee bekend was dat [naam 1] wegens diefstal de dood ten gevolge hebbende, althans een zwaar misdrijf, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 jaren. Volgens [verzoeker]s eigen stelling is [naam 1] een gedetineerde die extra bewaking behoeft. Op de bewuste dag van 29 april 2013 waren niet (minimaal) twee penitentiaire ambtenaren belast met de bewaking van [naam 1], zoals de instructies voorschrijven, maar slechts [verzoeker]. De omstandigheid dat [naam 1] opgezette lippen dan wel een aandoening aan zijn mond had en daarom een zakdoek voor zijn mond moest houden, vormde geen beletsel voor [verzoeker] om [naam 1] met de handen voor de buik te boeien, nu laatstgenoemde hierdoor niet zou worden belemmerd om de zakdoek voor zijn mond te houden. Ten slotte gaf de opdracht van [naam 2] aan [verzoeker] om [naam 1] niet te boeien, gelet op de bewoordingen waarin dit werd gedaan (zie 3.2), blijk van een zekere band tussen [naam 2] en [naam 1].

Aan het oordeel dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, doet niet af de omstandigheid dat de wachtcommandant en de hoofdwacht hun taak hebben verzaakt door niet toe te zien op de naleving van de instructie dat gedetineerden bij het verlaten van Santo Boma geboeid moeten zijn. Dit nalaten laat immers onverlet de eigen verantwoordelijkheid van [verzoeker] om [naam 1] te boeien. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de overige vijf gedetineerden – onder wie, naar zeggen van [verzoeker], een andere gevaarlijke gedetineerde – ook niet geboeid waren bij het verlaten van Santo Boma.

Op grond van het voorgaande gaat het Hof voorbij aan de stelling van [verzoeker] dat het niet geboeid zijn van [naam 1] heeft gelegen in omstandigheden buiten zijn invloedssfeer.

4.6.4 Als niet weersproken staat rechtens vast dat [verzoeker], terwijl hij [naam 1] begeleidde bij diens bezoek aan het toilet, op enig moment werd afgeleid door een woordenwisseling welke gaande was tussen twee personen in het toilet. Daarbij was zijn aandacht niet gevestigd op [naam 1] en wel gedurende enkele minuten. Naar het oordeel van het Hof levert deze mate van onoplettendheid, als gevolg waarvan [naam 1] kans heeft gezien uit het Academisch Ziekenhuis te ontvluchten, [verzoeker] ernstig plichtsverzuim op.

Het Hof gaat voorbij aan de stelling van [verzoeker] dat hij niet bewust onoplettend is geweest. In de visie van het Hof bestond er voor [verzoeker] juist alle aanleiding om extra alert te zijn, gelet op de hem bekende persoon van [naam 1] die een gevangenisstraf van 14 jaren moest uitzitten, de omstandigheid dat [naam 1] niet geboeid was en het feit dat alleen [verzoeker] op de bewuste dag was belast met de bewaking van [naam 1].

4.6.5 Vast is komen te staan dat [verzoeker] in ieder geval één keer heeft toegestaan dat [naam 1] in het Academisch Ziekenhuis, derhalve buiten Santo Boma, bezoek kreeg van een derde, zulks in strijd met de geldende instructies. Dit levert [verzoeker] ook plichtsverzuim op.

4.6.6 Het door [verzoeker] gepleegde plichtsverzuim, zoals bedoeld in 4.6.3 tot en met 4.6.5, kan hem worden toegerekend. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel nopen.

4.7 [Verzoeker] heeft zich erop beroepen dat hem een te zware tuchtstraf is opgelegd. Dit beroep slaagt. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of het gepleegd plichtsverzuim de aan een ambtenaar opgelegde tuchtstraf rechtvaardigt, dienen alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen. Het Hof acht van belang dat als onweersproken vaststaat dat de leiding van Santo Boma haar eigen instructies, met name dat (erop wordt toegezien dat) elke gedetineerde bij het verlaten van Santo Boma geboeid is en wordt bewaakt door (minimaal) twee penitentiaire ambtenaren, op 29 april 2013 niet in acht heeft genomen. Het is evident dat het risico van ontvluchting van gedetineerden, welk risico deze instructies beogen te minimaliseren, door het niet in acht nemen van deze instructies, wordt vergroot. Dit risico heeft zich op voormelde datum met de ontvluchting van [naam 1] verwezenlijkt. De Staat heeft op geen enkel moment verantwoordelijkheid genomen voor zijn eigen nalaten vorenbedoelde instructies in acht te nemen, maar heeft de verantwoordelijkheid voor de ontvluchting van [naam 1] geheel bij [verzoeker] gelegd.

Onder deze omstandigheden is de aan [verzoeker] opgelegde zwaarste tuchtstraf van ontslag, waaraan vergaande gevolgen voor hem zijn verbonden, niet gerechtvaardigd. Het Hof heeft bij dit oordeel tevens betrokken dat, naar Somai ter zitting heeft verklaard, [verzoeker] zijn werk (voorafgaande aan de ontvluchting van [naam 1]) goed deed en voorts als onweersproken vaststaat dat [verzoeker] zich niet eerder aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt.

Reeds op deze grond kan het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit niet in stand blijven.

De overige door [verzoeker] gestelde gronden voor de nietigheid van het ontslagbesluit, één en ander zoals weergegeven in 3.2, kunnen derhalve onbesproken blijven.

4.8 Uit het in 4.7 overwogene volgt dat de in 3.1 onder a vermelde vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit, zal worden toegewezen.

4.9 Het Hof zal aan [verzoeker] ter zake van het door hem gepleegde plichtsverzuim ingevolge het bepaalde in artikel 82 lid 4 Pw juncto artikel 32 lid 1 onder h van het Penitentiair Besluit de tuchtstraf van schorsing voor een tijdvak van twee maanden opleggen, welke tuchtstraf het Hof passend acht. Aan deze tuchtstraf is inherent dat [verzoeker] over het tijdvak van de schorsing geen aanspraak heeft op salaris.

4.10 Gelet op het in 4.8 en 4.9 overwogene, zal het in 3.1 onder d gevorderde worden toegewezen als in het dictum te melden.

4.11 De in 3.1 onder e gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, omdat deze niet gekoppeld kan worden aan het in 3.1 onder a en d gevorderde, respectievelijk de nietigverklaring van het ontslagbesluit en de betaling (bij wege van schadevergoeding) van het achterstallige salaris.

4.12 De gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis zal ook worden afgewezen, nu het Hof in eerste en hoogste aanleg beslist.

4.13 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, omdat dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.14 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder b en c gevorderde.

5.2 Verklaart nietig het in de beschikking van de minister van Justitie en Politie d.d. 05 juli 2013, J.[nummer 1], vervatte besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van ontslag.

5.3 Legt aan [verzoeker] wegens plichtsverzuim op de tuchtstraf van schorsing voor een tijdvak van twee maanden, met dien verstande dat [verzoeker] over het tijdvak van de schorsing geen aanspraak op salaris heeft.

5.4 Veroordeelt de Staat om bij wege van schadevergoeding aan [verzoeker], met inachtneming van de onder 5.3 aan hem opgelegde tuchtstraf, te betalen het achterstallige salaris en alle overige emolumenten behorende bij de rang van penitentiaire ambtenaar 3e klasse.

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 15 januari 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen Majoor Pengel LLM. namens mr. Autar, gemachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2013-10

GR- 14522

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellant],
wonende te [plaats],
appellant, hierna aangeduid als “ de man “,
gemachtigde: mr. dr. J.V. van Dijk-Silos, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “ de vrouw ”,
gemachtigde: mr. S.N. Woei A Sioe, advocaat,

 

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 04 juni 2008 (A.R.NO. 080316) tussen de man als gedaagde en de vrouw als eiseres, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het eerder in deze zaak gewezen en uitgesproken tussenvonnis van het hof de dato Vrijdag 15 april 2011.

Het verdere procesverloop

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • De pleitnotas strekkende tot overlegging producties zijdens partijen, onder overlegging van de bijbehorende producties respectievelijk de dato 08 september 2011 en 08 november 2011;
  • De ter uitvoering van het bepaalde in voormeld tussenvonnis gehouden comparitie van partijen de dato 29 november 2011, zijnde daarvan door de griffier proces-verbaal opgemaakt;
  • De pleitnotas na gehouden comparitie en uitlating producties zijdens partijen;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 15 juni 2012 doch nader op heden;

De verdere beoordeling

  1. Het hof volhardt en neemt over alhetgeen in voormeld tussenvonnis de dato 15 april 2011 is overwogen en beslist;
  2. De bij voormeld tussenvonnis gelaste comparitie is gehouden op 29 november 2011 waarbij partijen – na daaraan voorafgaand producties ten processe te hebben overgelegd – in persoon verschenen zijnde en tevens bijgestaan door hun respectieve raadslieden de nodige inlichtingen casu quo toelichtingen hebben verschaft. Tot een minnelijke regeling is het evenwel niet gekomen omdat daarvoor de standpunten van partijen te ver uiteen lagen;
  3. Zoals in voormeld tussenvonnis reeds is overwogen concentreert de kern van het geschil in hoger beroep zich rond de vaststelling van de partneralimentatie casu quo levensonderhoud. De kantonrechter heeft dienaangaande in eerste aanleg een bedrag vastgesteld van SRD. 750,- per maand te betalen door de man aan de vrouw. De man vindt dit bedrag te hoog en komt daartegen in hoger beroep op. Enerzijds speelt dus de draagkracht van de man een rol en anderzijds de behoeftigheid van de vrouw. De man stelt dat de vrouw een eigen bedrijf heeft waaruit zij inkomsten genereert terwijl hij aan de andere kant het door de kantonrechter vastgestelde bedrag als wurgend ervaart. De vrouw daarentegen stelt dat zij wel inkomsten uit het door haar uitgeoefende beroep van modiste genereert maar dat haar bedrijf (een eenmanszaak) verlieslatend is en dat zij derhalve geen winst boekt. Derhalve is zij wel behoeftig en de man is volgens haar wel in staat de door de kantonrechter vastgestelde partneralimentatie (levensonderhoud) te voldoen;
  4. Naar het oordeel van het hof is bij de comparitie voldoende aannemelijk geworden – na vergelijking van de overgelegde producties door partijen ter staving van hun inkomsten- en uitgavenpatroon – dat enerzijds de vrouw wel behoeftig is aangezien het door haar uitgeoefende beroep van modiste verlieslatend danwel kostendekkend is en anderzijds de man wel in staat moet worden geacht om het door de kantonrechter vastgestelde bedrag ad SRD. 750,- per maand aan de vrouw te betalen. Immers blijkt de man na aftrek van de vaste lasten van zijn nettosalaris toch wel een behoorlijk bedrag over te houden teneinde aan de vastgestelde alimentatieverplichting te kunnen voldoen. Voor zover de man inderdaad de intentie heeft om met vervroegd pensioen te gaan kwalificeert het hof dat als toekomstmuziek waarmede in dit stadium geen rekening gehouden kan worden. Daarenboven gaat het hof van het standpunt uit dat dat een vrijwillige keus van de man dient te zijn en dat hij – na afweging van alle betrokken belangen in concreto – een weloverwogen besluit dient te nemen waarbij hij niet uit het oog dient te verliezen dat het ook op zijn weg gelegen is om “de tering naar de nering te zetten“;
  5. Gelet op het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat het beroepen vonnis voor bevestiging in aanmerking komt en de man zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld om de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van de vrouw gevallen en zoals begroot in het dictum van dit vonnis voor zijn rekening te nemen;

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep;

Veroordeelt de man in de gedingkosten aan de zijde van de vrouw in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. D.D. Sewratan uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 18 oktober 2013, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. R. Mahabier-Baldew namens zijn gemachtigde, advocaat mr. dr. J. van Dijk-Silos en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Amirkhan namens haar gemachtigde advocaat mr. S.N. Woei A Sioe, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2007-53

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14313

KIRPALANI’S N.V., rechtspersoon, gevestigd aan de Domineestraat no. 52-56 te Paramaribo, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Prins Hendrikstraat 76 bij het Advocatenkantoor Essed & Sohansingh, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. R. Sohansingh, advocaat,
appellante in conventie en in reconventie in Kort Geding,

t e g e n

ALGEMEEN VERBOND VAN VAKVERENIGINGEN IN SURINAME “DE MOEDERBOND”, rechtspersoon, gevestigd aan de Adroestraat no.2 te Paramaribo, ten deze domicilie kiezende aan de Watermolenstraat no.32 te Paramaribo bij het Advocatenkantoor Schurman, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. H.R. Schurman, advocaat,
geïntimeerde in conventie en in reconventie in Kort Geding,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hoven interlocutoir vonnis van 4 mei 2007 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hoven voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, de heer [naam 1], vertegenwoordiger van Kirpalani’s N.V., bijgestaan door haar gemachtigde, advocaat mr. R. Sohansingh, mr. G.R. Mangal, Fungerend-Griffier der Kantongerechten, de heer A. Spong namens A.A.V.S. “De Moederbond” en advocaat mr. H.R. Schurman, gemachtigde van geïntimeerde, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen hebben genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT :

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiseres in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer 05/3317, op 27 oktober 2005 vonnis gewezen en uitgesproken is waarvan het dictum luidt:

in conventie:

  1. Gelast de opheffing van het bij exploit van de deurwaarder Dasimin Toekimin d.d. 28 juli 2005 gelegd conservatoir beslag op:

“het recht van grondhuur voor het opzetten van een vakverenigingsgebouw annex sportvelden, een zwembad en een aantal verkoopstands voor de duur van 40 jaren te verlenen op het perceelland, groot twee hectare, zevenendertig aren en twintig centiaren, gelegen in het district Paramaribo aan [adres], deel uitmakende van de grond Flora, [perceelgegevens] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname Ing. H. Kalloe d.d. 13 november 1985 door de figuur ABCDEF”;

  1. Verklaart dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie:

Verwijst de zaak naar de gewone wijze van rechtspleging;

Overwegende, dat, naar voorts uit het proces dossier blijkt, appellante op 28 oktober 2005 van voormeld vonnis in hoger beroep is gekomen;

Overwegende, dat, naar uit het vonnis blijkt, appellante als gedaagde in eerste aanleg niet persoonlijk bij de uitspraak tegenwoordig is geweest en daarbij evenmin aanwezig was de advocaat, die volgens dat vonnis als haar gemachtigde optrad;

Overwegende, dat ten dage voor de inlichtingen- en verenigingscomparitie bepaald te weten 11 mei 2007, gelast bij tussenvonnis van 4 mei 2007, het Hof, naar aanleiding van het alstoen zijdens appellante gestelde wel tegenwoordig te zijn geweest bij de uitspraak, mr. Mangal, fungerend-Griffier op het Kantongerecht in het Eerste Kanton als derde heeft gehoord één en ander naar aanleiding van het aan het Hof gericht schrijven gedateerd 19 januari 2007 van de procesgemachtigde van appellante waarin tevens aangegeven is, dat, anders dan in het beroepen vonnis is vermeld, appellante in de persoon van mr. R. Sohansingh, haar procesgemachtigde, wel bij de uitspraak aanwezig was;

Overwegende, dat mr. Mangal, daartoe op last van de Rechter-Commissaris door de Fungerend-Griffier bij schrijven de dato 11 mei 2007 uitgenodigd, bij de comparitie van partijen de dato 18 mei 2007 verschenen, alstoen als derde is gehoord en heeft verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd;

Overwegende, dat het Hof de inhoud daarvan als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd aanmerkt;

Overwegende, dat het Hof, naar aanleiding van het door genoemde fungerend-Griffier alstoen verklaarde er dan ook van uitgaat en als rechtens vaststaand aanneemt tussen partijen, dat appellante bij de uitspraak noch in persoon noch bij gemachtigde tegenwoordig is geweest en in casu tot het oordeel komt, dat het aantekenen van appel door appellante op 28 oktober 2005 tegen het vonnis d.d. 27 oktober 2005 prematuur is;

Overwegende, dat appellante na ontvangst van de griffiersbrief als bedoeld bij artikel 119 lid 3 Rv. van het middel van hoger beroep tegen het vonnis de dato 27 oktober 2007 gebruik had moeten maken en wel binnen een termijn van 14 dagen nadien;

Overwegende, dat nu appellante dat nagelaten heeft, zij niet ontvankelijk verklaard zal worden in het door haar ingestelde beroep en de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen, zal moeten dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

in conventie en in reconventie:

Verklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingestelde beroep tegen het vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 27 oktober 2005 gewezen;

Veroordeelt haar in de kosten aan de zijde van geïntimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op SRD 150,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellante eveneens op SRD 150,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.H.E.Struiken, Lid en Mr.A.Charan, Lid-plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 6 JULI 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g. J.R. von Niesewand

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.Bikharie namens haar gemachtigde, advokaat Mr.R.Sohansingh en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.C.P.Baal namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.H.R.Schurman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. M.H.

 

SRU-HvJ-2007-52

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME.

GENERALE ROL NO. 14285 A.

[Appellant], wonende te [woonwijk 1] aan [adres 1] in het [district], ten deze domicilie kiezende aan de Weidestraat no. 63, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. J. Kraag, advocaat,
appellant,

t e g e n

[Geïntimeerde] , wonende te [woonwijk 2] aan [adres 2] in het [district], ten deze domicilie kiezende aan de Costerstraat no. 7, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. T.S. Sewdien, advokaat,
geïntimeerde,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton respectievelijk van 2 april 2002 en 20 april 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 7 oktober 2005, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat eiseres de navolgende vordering wenst in te stellen tegen [appellant], wonende te [woonwijk 1] aan [adres 1] in het [district], gedaagde;
  2. dat eiseres blijkens het eerder in fotokopie overgelegde Bewijs van Huwelijksvoltrekking te Paramaribo op 4 april 1989 in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd met gedaagde;
  3. dat blijkens het eerder in fotokopie overgelegde familieboekje de navolgende minderjarigen op respectievelijk 5 augustus 1983 in het distrikt Suriname en op 28 juli 1986 te Paramaribo-Flora, door gedaagde zijn erkend en door de voltrekking van het huwelijk van partijen op 4 april 1989 zijn gewettigd:

[naam 1], geboren te Paramaribo op 11 juli 1983

[naam 2], geboren te Paramaribo op 24 juni 1986;

  1. dat eiseres heeft moeten ondervinden dat gedaagde tijdens het huwelijk van partijen vleselijke gemeenschap heeft gehad met één of meer andere vrouwen dan eiseres en hij zich derhalve aan overspel heeft schuldig gemaakt;
  2. dat eiseres op grond van het voorgaande gerechtigd is een vordering tot echtscheiding in te stellen tegen gedaagde, waartoe zij verlof van de Kantonrechter, heeft bekomen bij beschikking d.d. 01 juni 2000;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

  1. dat tussen partijen gehuwd in algehele gemeenschap van goederen te Paramaribo op 04 april 1989, de echtscheiding zal worden uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien;
  2. met bepaling van de plaats, dag en het uur, waar en waarop het verhoor als bedoeld bij artikel 282 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek zal worden gehouden;
  3. voorts, gedaagde zal worden veroordeeld om met eiseres over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederen gemeenschap, waarin partijen zijn gehuwd, met benoeming van een notaris voor wie de werkzaamheden der scheiding en deling zullen plaatshebben en van een onzijdig persoon om gedaagde te vertegenwoordigen, indien hij ingebreke blijft om op de voor de scheiding en deling bepaalde plaats en tijd te verschijnen, of verschenen zijnde, mocht weigeren aan de scheiding en deling mee te werken.

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatste te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

Dat eiseres in haar vordering niet ontvankelijk wordt verklaard, althans dat deze haar zal worden ontzegd alszijnde ongegrond danwel niet bewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 2 april 2002 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast;

Iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 20 april 2004 op de daarin opgenomen gronden:

De echtscheiding tussen partijen gehuwd te Paramaribo op 4 april 1989, met alle wettelijke gevolgen van dien heeft uitgesproken;

Het familieverhoor ter voorziening in de voogdij en toeziende voogdij over de minderjarige kinderen, te weten: 1. [naam 1] – en 2. [naam 2], beiden geboren te Paramaribo respectievelijk op 11 juli 1983 en 24 juni 1986 heeft bepaald, dat gehouden zal worden in één van de zalen van dit Kantongerecht aan de Frederik Derbystraat no. 79-81 te Paramaribo op dinsdag, 22 juni 2004 des voormiddags om half negen uur;

De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd heeft bevolen;

Heeft benoemd tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van de boedelscheiding zullen worden verricht, mr. Glenn Ramautar, notaris te Paramaribo dan wel zijn waarnemer of opvolger, indien partijen binnen een maand na de inschrijving van dit vonnis geen overeenstemming over de keuze van een notaris hebben bereikt,

Heeft benoemd tot onzijdig persoon volgens de wet:

voor de eiseres: mr. G. Sewcharan, advocaat;

voor de gedaagde: mr. J. Nibte, advocate, voor het geval een partij weigert of nalatig blijft tot de verdeling mee te werken.

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 20 april 2004;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Hariette Beatrix Verwey van 1 maart 2006 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 7 juli 2006 de zaak op de rol stond voor dagbepaling pleidooi, waarna de zaak is geroyeerd en advocaat mr. J. Kraag daarna een nieuwe rechtsdag heeft gevraagd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van geïntimeerde bij dupliek pleidooi producties overgelegd, wordende de inhoud – alsmede die van de overgelegde producties – hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarna partijen vonnis hebben gevraagd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak had bepaald op 3 augustus 2007, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, appellant als gedaagde in eerste aanleg bij de uitspraak van het vonnis de dato 20 april 2004 noch in persoon noch bij gemachtigde tegenwoordig is geweest;

Overwegende, dat krachtens artikel 264 lid 3 van het Wetboek van

Burgerlijke Rechtsvordering de termijn van hoger beroep dertig dagen bedraagt, te rekenen vanaf de dag waarop het eindvonnis is medegedeeld;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 119 lid 3 van genoemd wetboek, de mededeling als voormeld plaatsvindt bij aangetekende dienstbrief door de Griffier en dat, ingevolge 4e lid, de dagtekening van de aangetekende dienstbrief geacht wordt de dag te zijn waarop de mededeling heeft plaatsgehad;

Overwegende, dat de bedoeling van voormelde wetsbepaling geen andere kan zijn dan dat ook de bij de uitspraak afwezige partijen van de inhoud van het eindvonnis op de hoogte zullen zijn, opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden;

Overwegende, dat, naar het Hof gebleken is, het verzenden van de dienstbrief plaatsgevonden heeft op 3 oktober 2005;

Overwegende, dat, naar het Hof wijders gebleken is, appellant op 7 oktober 2005 in hoger beroep gekomen is van het vonnis de dato 20 april 2004;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 264 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het hoger beroep van een vonnis, hetwelk niet bij voorraad kan worden tenuitvoergelegd, niet ontvankelijk is indien het is ingesteld binnen acht dagen na de dag van de uitspraak;

Overwegende, dat nu de dienstbrief van 3 oktober 2005 dateert en appellant blijkens het schrijven van zijn raadsman, mr. J. Kraag op 7 oktober 2005 appel aangetekend heeft tegen het vonnis de dato 20 april 2004 hetwelk niet bij voorraad kan worden ten uitvoer gelegd, is het hoger beroep van gemeld vonnis niet ontvankelijk nu niet gebleken is dat het hoger beroep binnen de termijn van 30 dagen na 3 oktober 2005 is herhaald;

Overwegende, dat het Hof, bespreking van de tegen beroepen vonnis ontwikkelde grief als niet langer relevant dan ook geheel in het midden zal laten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellant niet ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 20 april 2004 gewezen;

Veroordeelt hem in de kosten aan de zijde van geïntimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op SRD…..

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advocaat voor het door haar gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD……

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellant eveneens op SRD……………..

Aldus gewezen door de heren: mr. J.R. von Niesewand, President, mr. K. Pultoo en mr. D.D. Sewratan, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 5 oktober 2007, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

w.g. R.R. Brijobhokun w.g. J.R. von Niesewand

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. J. Kraag en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. Y.S. Engkar namens haar gemachtigde, advocaat mr. T.S. Sewdien, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-51

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14283

[Appellant], wonende te [district] ten deze domicilie kiezende aan de Watermolenstraat no.36 boven bij het Advokatenkantoor Kraag, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.Kraag, advokaat,
appellant,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name Het Ministerie van Transport, Communicatie & Toerisme (TCT), ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal van de Republiek Suriname en domicilie kiezende bij het Parket van de Procureur-Generaal te Paramaribo aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,
geïntimeerde,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 17 juni 2003 en 19 juli 2005 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
  1. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 29 juli 2005, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Eiser wenst de navolgende vordering in kort geding in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, met name Het Ministerie van Transport, Communicatie & Toerisme (TCT), ten rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal van de Republiek Suriname en domicilie kiezende bij het Parket van de Procureur-Generaal te Paramaribo aan de Gravenstraat no.3, gedaagde;
  2. Bij Staatsbesluit d.d. 12 mei 1997 SRS 1997 no.19 werd de Civil Aviation Safety Authority Suriname (CASAS) ingesteld, resorterende onder het Ministerie van TCT. Eiser is een van diegenen die de voorbereidingswerkzaamheden voorafgaand aan de definitieve instelling van CASAS hebben (lees: heeft) uitgevoerd en als zodanig trad eiser per 2 december 1997 in dienst van gedaagde c.q. CASAS in de funktie van “Flight Operations Inspector”, laatstelijk bij hier in fotokopie overgelegde schriftelijke arbeidsovereenkomst d.d. 23 november 1999 voor de duur van een (1) jaar gerekend vanaf 1 december 1999 tegen een maandelijks salaris van US$ 2,000.00 (tweeduizend amerikaanse dollars); (produktie 1);

III. Middels hier in fotokopie overgelegd schrijven afkomstig van de directeur van CASAS d.d. 2 oktober 2000 werd aan eiser medegedeeld dat de onderhavige arbeidsovereenkomst niet verlengd zou worden, althans werd hem per 1 december 2000 ontslag aangezegd. Eiser is echter de mening toegedaan dat een dergelijk ontslag in strijd is met de arbeidsrechtelijke regelingen nu op basis van artikel 9 van vigerende arbeidsovereenkomst er een opzegtermijn van 4 maanden voorafgaand aan de expiratie datum van 1 december 2000 in acht genomen diende te worden hetgeen niet is geschied. Voorts heeft gedaagde c.q. CASAS het salaris van eiser over de maand december 2000 gewoon uitgekeerd zoals zij maandelijks placht (vide hier in fotokopie bijgevoegde cheque’s d.d. 21 december 2000 en 12 januari 2001 met [nummer 1] respectievelijk [nummer 2]) te doen hetgeen impliceert dat in ieder geval in december 2000 er nog sprake was van een voortzetting van de vigerende arbeidsovereenkomst. Het verbaasde eiser dan ook ten zeerste om kennis te moeten nemen van een schrijven afkomstig van gedaagde c.q. CASAS d.d. 17 januari 2001 gericht aan alle luchtvaartmaatschappijen, waarvan u bijgevoegd een fotokopie aantreft, met de mededeling dat met ingang van 1 januari 2001 eiser niet langer in dienst zou zijn van gedaagde c.q. CASAS. In navolging van dit voorval heeft eiser tevens moeten ervaren dat zijn salaris over de maand januari 2001 niet aan hem uitbetaald is geworden, waarna namens eiser bij schrijven van diens procesgemachtigde d.d. 2 februari 2001, aangeboden aan CASAS per deurwaardersexploit met no.102 afkomstig van deurwaarder H.B.Verwey d.d. 7 februari 2001, van welke beide bescheiden u hierbij een fotokopie aantreft, gedaagde c.q. CASAS is aangemaand alsnog over te gaan tot uitbetaling van het salaris alsmede zulks te blijven doen totdat het onderhavig dienstverband op rechtens juiste wijze zal zijn beëindigd. Dat aan eiser niet enkel zijn salaris wordt onthouden maar tevens alle trainingen, cursussen alsmede de vereiste vlieguren welke hij, gelet op zijn funktie, op gezette tijden gehouden is te voltooien; (produktie 2 t/m 7)

  1. Eiser heeft voorts nog enkele reeds lange tijd opeisbare vorderingen op gedaagde c.q. CASAS uit staan welke tot op heden niet aan hem zijn voldaan. In casu gaat het om het bedrag van

US$ 3,000.00 (drieduizend amerikaanse dollars) voor de door eiser ten behoeve van gedaagde geleverde werkzaamheden gedurende de periode februari 1997 tot en met november 1997 betreffende de oprichting c.q. instelling van CASAS. De door of vanwege eiser voorgeschoten kosten in verband met een door hem ten behoeve van CASAS genoten “Flight Simulator Training” in Nederland in januari 1998. De totale kosten bedroegen US$ 4,493.00 waarvan eiser

US$ 1,883.00 vooraf van CASAS heeft ontvangen (vide bijgevoegd fotokopie schrijven d.d. 19 januari 1998 afkomstig van CASAS alsmede de fotokopie kwitantie d.d. 20 januari 1998) waardoor er thans nog een bedrag van US$ 2,610.00 (tweeduizend zeshonderd en tien amerikaanse dollars) resteert. Reeds bij schrijven d.d. 10 februari 1998 gericht aan de toenmalige directeur van CASAS de heer [naam 1], waarvan u bijgevoegd een fotokopie aantreft, heeft eiser aangegeven welk bedrag gedaagde c.q. CASAS nog aan hem verschuldigd is uit hoofde van voormelde training in Nederland. Voorts heeft eiser nog aan achterstallige daggelden voor zijn verblijf op Curacao over de periode 26 februari 1998 tot en met 2 maart 1998 te goed ten bedrage van US$ 600.00 (zeshonderd amerikaanse dollars) zoals blijkt uit het hier in fotokopie overgelegd paspoort en reisbiljet van eiser. Bij schrijven d.d. 12 februari 2001 afkomstig van de procesgemachtigde van eiser, aangeboden aan CASAS per deurwaardersexploit d.d. 13 februari 2001 met no.130 afkomstig van deurwaarder H.B.Verwey, van welke bescheiden u bijgevoegd een fotokopie aantreft, is gedaagde c.q. CASAS aangemaand alle ten deze bedragen aan eiser te voldoen nu zij reeds lange tijd opeisbaar zijn en zij ook door de toenmalige directeur van het Ministerie van TCT waren toegezegd naar aanleiding van een aan haar gericht schrijven d.d. 30 december 1998 afkomstig van eiser waarvan u bijgevoegd een fotokopie aantreft; (producties 8 t/m 15);

  1. Ondanks alle terzake overgelegde aanmaningen in der minne blijft gedaagde c.q.CASAS hardnekkig weigeren zijn verplichtingen jegens eiser na te komen met als gevolg dat eiser in financiële problemen is geraakt en hij niet langer in het levensonderhoud van zichzelf en zijn gezin kan voorzien. Gedaagde c.q. CASAS gedraagt zich door aldus te handelen niet tegenover het recht of goed van eiser zoals het haar in het maatschappelijk verkeer betaamt weshalve zij schadeplichtig is jegens eiser. Als gevolg van het een en ander rest eiser niets anders dan de door hem reeds geleden en nog te lijden schade zoveel als mogelijk te beperken waartoe een spoedige voorziening bij voorraad geboden is. Voorts doet eiser aan de rechter het verzoek om de inhoud van alle ten deze door hem overgelegde bescheiden overal waar en zo vaak als nodig geacht als letterlijk aangehaald en geinsereerd te willen beschouwen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad op alle dagen en uren gedaagde zal worden veroordeeld om:

  1. aan eiser te betalen het achterstallig loon ten bedrage van

US$ 2.000,00 (tweeduizend amerikaanse dollars) per maand gerekend vanaf januari 2001 tot aan de dag der uitspraak,

  1. uitvoer te geven aan de vigerende arbeidsovereenkomst tussen partijen totdat deze op rechtens juiste wijze zal zijn beëindigd onder verbeurte van een dwangsom van Sf.5.000.000,– voor iedere dag of keer dat gedaagde weigert hieraan gevolg te geven,
  1. bij wege van voorschot op het overig aan eiser verschuldigde als ten rekeste gesteld aan eiser te betalen het bedrag van US$ 6.000,00 (zesduizend amerikaanse dollars),
  1. een en ander vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf de dag der rechtsingang tot aan die der algehele voldoening, Kosten rechtens.

Overwegende, dat de Staat Suriname als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans hem deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat de Kantonrechter in het Eerste Kanton in zijn vonnis de dato 17 juni 2003 onder meer in zijn rechtsoverwegingen heeft aangegeven dat de eisende partij de ruimte heeft gekregen om het Kort Geding verzoekschrift in overeenstemming te brengen met de gewone wijze van procederen, waarna de Staat Suriname zich daarover heeft uitgelaten;

Overwegende, dat de eisende partij vervolgens een wijziging in het petitum heeft gebracht in de bodemgeschilprocedure kort gezegd hierop neerkomend:

– voor recht te verklaren dat de opzegging zijdens de Staat van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst niet op rechtens juiste wijze is geschied en derhalve nietig is; betaling loon vanaf januari 2001 ad US$.2000,– per maand, vermeerderd met de wettelijke verhoging als gevolg van late betaling; betaling saldo vervoerstoelage groot sf.1.550.000,–; betaling US$.3000,– zijnde verrichte werkzaamheden in verband met de oprichting van CASAS;

Overwegende, dat de Staat Suriname hierna in zijn conclusie de dato 3 december 2002 een nieuw preliminair verweer te berde heeft gebracht;

Overwegende, dat de Kantonrechter in het Eerste Kanton in zijn tussenvonnis d.d. 17 juni 2003 op de daarin opgenomen gronden het volgende heeft beslist:

Alvorens verder te beslissen;

Eiser in de gelegenheid heeft gesteld een nadere conclusie te nemen gelijk aangegeven in de rechtsoverwegingen;

Heeft bepaald, dat de zaak hiertoe zal worden afgeroepen ter rolle van dinsdag 16 maart 2004 in het Kantongerecht in het Eerste Kanton aan de Frederik Derbystraat no.79-81 te Paramaribo des 8.30 uur voormiddags.

Iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij nadere conclusies hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter in het Eerste Kanton bij vonnis van 19 juli 2005 op de daarin opgenomen gronden:

Zich onbevoegd heeft verklaard van onderhavige vordering kennis te nemen;

Eiser heeft verwezen in de proceskosten van het geding aan de zijde van gedaagde gevallen en begroot op nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal d.d. 29 juli 2005 Etienne Fernandes in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 19 juli 2005;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder H.B.Verwey van 6 maart 2006 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, tussen appellant als eiser en geintimeerde als gedaagde op 19 juli 2005 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton vonnis gewezen en uitgesproken is, waarvan het dictum luidt:

  • Verklaart zich onbevoegd van onderhavige vordering kennis te nemen;
  • Verwijst eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en begroot op nihil;

Overwegende, dat appellant als eiser in eerste aanleg niet persoonlijk bij de uitspraak in prima tegenwoordig is geweest en daarbij evenmin aanwezig was de advokaat, die volgens dat vonnis als zijn gemachtigde optrad;

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt, appellant op 29 juli 2005 hoger beroep aangetekend heeft tegen voormeld vonnis;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de partij, die niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting tegenwoordig is, de Kantonrechter de inhoud van ieder vonnis bij aangetekende dienstbrief door de griffier doet mededelen;

Overwegende, dat, naar het Hof gebleken is, aan appellant geen aangetekende dienstbrief is verzonden en dat de termijn voor hoger beroep ingevolge artikel 264 lid 3 van gemeld wetboek nog geen aanvang heeft genomen;

Overwegende, dat het aantekenen van het hoger beroep tegen het vonnis, gewezen en uitgesproken op 19 juli 2005, op 29 juli daaraanvolgend, dan ook prematuur is geweest;

Overwegende, dat het Hof bespreking van de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven als niet relevant geheel in het midden latend, appellant niet ontvankelijk verklaren zal in het ingestelde beroep en de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen zal moeten dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellant niet ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 19 juli 2005 gewezen;

Veroordeelt hem in de kosten aan de zijde van geintimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op SRD 150,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van de appellant eveneens op SRD 150,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.D.D.Sewratan en Mr.H.E.Struiken, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 19 januari 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.Kraag en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.L.Patterson namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.