SRU-HvJ-2021-92

15 oktober 2021
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

STICHTING SOLUTION REAL ESTATE,
gevestigd in Paramaribo,
appellante, hierna: ‘Solution Real Estate’
gemachtigde: [naam 1], voorzitter van appellante,

tegen

FORDISTO VASTGOED N.V.,
gevestigd in Paramaribo,
geïntimeerde, hierna: ‘Fordisto’,
gemachtigde: mr. D.C. Lala, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 5 november 2018 bekend onder A.R. 16-2371 tussen Solution Real Estate als eiseres en Fordisto als gedaagde,

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Procesverloop in hoger beroep
  1. Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken c.q. proceshandelingen:
  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat Solution Real Estate op 14 november 2018 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de memorie van grieven van 24 december 2018;
  • de pleitnota van Solution Real Estate van 18 oktober 2019;
  • de antwoordpleitnota van Fordisto (door haar aangeduid als ‘memorie van antwoord’) van 6 december 2019;
  • de repliekpleitnota van Solution Real Estate 15 mei 2020.
  1. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.
  1. Ontvankelijkheid

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Solution Real Estate daarin kan worden ontvangen.

  1. Feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:

  1. Solution Real Estate heeft in 2004 het recht van erfpacht verkregen op het perceelland groot 735m2 gelegen aan [adres 1] te [plaats 1], hierna: ‘het perceelland’.
  2. Mede met het oog op (de voltooiing van) de bebouwing van het perceelland, is Solution Real Estate leningen aangegaan bij De Surinaamse Bank N.V. (hierna: ‘DSB’), waarbij tot zekerheid van de nakoming door Solution Real Estate van haar verplichtingen ten behoeve van DSB hypotheek is gevestigd op het perceelland.
  3. Nadat Solution Real Estate in gebreke was gebleven met haar betalingsverplichtingen jegens DSB en een opeisbare schuld van circa USD 717.000,- was ontstaan, heeft DSB aangekondigd tot uitwinning van haar hypotheekrecht over te gaan.
  4. In opdracht van [naam 1], de voorzitter van Solution Real Estate, heeft makelaar/taxateur [naam 2] het perceelland gewaardeerd. Bij rapport van 18 februari 2015 is de publieke verkoopwaarde bij executie begroot op USD 1.488.300,-.
  5. De aanvankelijk voor 11 augustus 2015 geplande executieverkoop heeft bij gebrek aan belangstelling niet tot verkoop geleid.
  6. Op 12 januari 2016 is DSB wederom tot veiling van het perceelland overgegaan. Op deze veiling (hierna: de veiling) is het perceelland op het bedrag van SRD 2,3 miljoen (toen gelijk aan USD 547.619,-) gemijnd door een bieder genaamd [naam 2] (hierna: [naam 2]). De veiling vond plaats ten overstaan van notaris mr. D. Alexander (hierna: de notaris).
  7. Op 12 februari 2016 is het perceelland blijkens een overgelegd hypothecair uittreksel door Fordisto verkregen door overschrijving ten kantore van de Bewaarder van een afschrift van de akte van openbare verkoping, gunning, command, kwijting respectievelijk verleden voor de notaris op 12 januari 2016, 14 januari 2016 en 28 januari 2016.
  8. Na daartoe verkregen rechterlijk verlof heeft Solution Real Estate op 25 mei 2016 ten laste van Fordisto conservatoir beslag gelegd op het perceelland.
  1. In eerste aanleg heeft Solution Real Estate gevorderd, samengevat:

primair: de veiling ‘te vernietigen c.q. nietig te verklaren’ en Fordisto ‘te gebieden om geen verdere handelingen te verrichten krachtens de veiling van 12 januari 2016’;

subsidiair: Fordisto te veroordelen aan Solution Real Estate ‘te betalen het bedrag ad USD 2.100.000,-, zijnde gederfde inkomsten’ vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar;

meer subsidiair: vanwaardeverklaring van het gelegde beslag.

  1. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van Solution Real Estate afgewezen, met haar veroordeling in de (op nihil begrote) kosten van het geding. Naar het oordeel van de kantonrechter was van onrechtmatig handelen van Fordisto jegens Solution Real Estate geen sprake. Ten aanzien van het beslag heeft de kantonrechter nog overwogen dat conservatoir beslag op onroerende zaken ingevolge artikel 639 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) slechts toelaatbaar is ter verzekering van een op geld waardeerbare schuldvordering, terwijl in het beslagrekest en beslagverlof geen schuldvordering is begroot.
  1. Beoordeling

4.1 Solution Real Estate vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, met toewijzing van het door haar oorspronkelijk gevorderde, met dien verstande dat zij haar vordering tot schadevergoeding van USD 2.100.000,- voor gederfde inkomsten heeft verminderd tot USD 1.652.381,-. Fordisto heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan het hoger beroep.

4.2 Hoewel Solution Real Estate haar vorderingen in eerste aanleg deels als subsidiair en meer subsidiair heeft geformuleerd, is, ook uit de toelichting op de vorderingen, evident dat bedoeld is de vorderingen naast elkaar in te stellen, zonder een subsidiair karakter. Het Hof zal de vorderingen aldus verstaan.

4.3Daarnaast vordert Solution Real Estate voor het eerst in hoger beroep betaling door Fordisto van SRD 7.275,- aan nadere kosten van juridische bijstand.

4.4 Voorts vordert Solution Real Estate voor het eerst in hoger beroep USD 181.675,66 als schadevergoeding wegens een volgens Solution Real Estate onrechtmatige (want zonder geldige titel uitgevoerde) ontruiming van het perceelland door Fordisto op 3 november 2017.

4.5 In laatstbedoelde vordering kan Solution Real Estate niet worden ontvangen. Deze vordering heeft betrekking op gestelde schade door een afzonderlijke feitelijke gebeurtenis – de ontruiming op 3 november 2017 – en is niet aan te merken als aan aanvullende schadepost die voortkomt uit de aan de vorderingen in eerste aanleg ten grondslag gelegde onvolkomenheden en onrechtmatigheden bij de veiling, de gunning en verkrijging in januari en februari 2016.Artikel 278 Rv verzet zich tegen het doen van deze nieuwe eis in hoger beroep. Ook uit het oogpunt van de goede procesorde – de nieuwe eis is pas bij pleitnota en repliekpleitnota voorzien van een onderbouwing – moet deze buiten beschouwing blijven.

4.6Voor zover de grieven van Solution Real Estate zich richten tegen de vaststelling door de kantonrechter van de feiten, behoeven deze geen bespreking. Het Hof heeft immers zelf de feiten opnieuw vastgesteld.

4.7Solution Real Estate grondt haar vorderingen, naar het Hof begrijpt, op onrechtmatig handelen van Fordisto en op tekortkomingen in de voor een rechtsgeldige veilingkoop en verkrijging vereiste formaliteiten. Naast de hiervoor weergegeven feiten, legt Solution Real Estate daaraan ten grondslag de ‘bedenkingen’ die er bij haar bestaan bij de gang van zaken rond de veiling en haar vermoeden dat sprake is van een (stroman)constructie, erop gericht om haar te benadelen. Solution Real Estate stelt in dit verband het volgende:

  1. DSB had eerder te kennen gegeven genoegen te willen nemen met USD 550.000, -;
  2. DSB heeft de veiling niet willen aanhouden, ook al was Solution Real Estate in gesprek met andere potentiële kopers/financiers;
  3. [Naam 3], een ervaren verkavelaar, was al voor het aanvangstijdstip van de veiling (10.00 uur) in de veilingzaal, samen met drie andere makelaars, twee vertegenwoordigers van DSB, een geïnteresseerde bezoeker en de notaris, terwijl de voorzitter van Solution Real Estate en twee andere bezoekers de zaal pas om 10.00 uur konden betreden;
  4. [Naam 3] was op de hoogte van het bedrag waarmee DSB genoegen zou nemen;
  5. het door [naam 2] uitgebrachte bod waarvoor het perceelland aan Fordisto is gegund, benadert het onder i. bedoelde bedrag zeer dicht, maar is veel lager dan de getaxeerde waarde;
  6. bij brief van 13 januari 2016 is namens Solution Real Estate bij DSB geprotesteerd tegen de gang van zaken op de veiling en is verzocht de toewijzing aan te houden teneinde ruimte te creëren voor herfinanciering. DSB heeft dat verzoek niet ingewilligd en is al binnen twee dagen tot gunning overgegaan;
  7. Fordisto is destijds opgericht ten overstaan van de notaris, waarbij twee van zijn medewerkers, [naam 4] en [naam 5], haar aandeelhouders en bestuurders werden;
  8. Fordisto stond ten tijde van de veiling niet ingeschreven in de registers van de Kamer van Koophandel en Fabrieken en haar statuten zijn pas op 19 februari 2016 gepubliceerd;
  9. De aandelen in Fordisto zijn op 28 januari 2016, na de gunning, voor slechts USD 1.500,- aan [naam 3] overgedragen, waarna hij bestuurder van Fordisto werd;
  10. De aandelen in Fordisto zijn vervolgens overgedragen aan Fatum Schadeverzekering N.V., ten behoeve van welke vennootschap eerder, op 27 april 2016, ten laste van Fordisto een hypotheek op het perceelland werd ingeschreven.

4.8 De door Solution Real Estate opgeworpen stellingen van formele en formalistische aard kunnen geen van alle afdoen aan de geldigheid van de verkrijging door Fordisto van het perceelland. Fordisto was ten tijde van de veiling en de verkrijging een bestaande rechtspersoon. Onbetwist is immers dat zij is opgericht bij notariële akte van 25 mei 2015. De omstandigheid dat zij pas later is ingeschreven in het handelsregister en dat haar statuten pas later zijn gepubliceerd, is van belang voor de aansprakelijkheid jegens derden (artikel 39 en 40 Wetboek van Koophandel), niet voor de mogelijkheid om onroerend goed te kopen en verkrijgen. Ook de door Solution Real Estate gestelde –door Fordisto gemotiveerd bestreden – tekortkomingen in de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [naam 3] zijn voor de onderhavige zaak niet van belang. Dit is een aangelegenheid tussen [naam 3] en Fordisto. Fordisto heeft de bevoegdheid van [naam 3] (in de akte van command en ook in dit geding) bevestigd en heeft de gunning en verkrijging van het perceelland op basis van het door [naam 3] ter veiling uitgebrachte bod aanvaard. De stellingen van Solution Real Estate ten slotte met betrekking tot de oprichting van Fordisto, de naleving van haar statuten, de notulen van haar algemene vergadering van aandeelhouders van 28 januari 2016, haar relatie tot de belastinginspectie en de overdracht van de aandelen in Fordisto aan [naam 3], wat er verder zij van die stellingen, blijven in de verhouding van Solution Real Estate en Fordisto eveneens zonder rechtsgevolg. Aan de rechtsgeldigheid van de veilingkoop kunnen ook die stellingen geen afbreuk doen. Voor zover op de door Solution Real Estate genoemde punten al sprake is geweest van schending van normen, geldt in geen van deze gevallen dat het normen betreft die ertoe strekken Solution Real Estate tegen de door haar gestelde schade te beschermen of beogen Solution Real Estate de mogelijkheid te bieden de rechtsgeldigheid van de in dit geding aan de orde zijnde rechtshandelingen van Fordisto aan te tasten.

4.9 Ten aanzien van hetgeen Solution Real Estate overigens heeft aangevoerd, geldt in de eerste plaats dat de gestelde gedragingen van DSB en de notaris niet aan Fordisto kunnen worden verweten. De bedenkingen die Solution Real Estate heeft bij de gang van zaken rond de veiling en in het bijzonder bij de rol die zij daarbij toedicht aan Fordisto, zijn onvoldoende voor het oordeel dat Fordisto daarbij onrechtmatig jegens Solution Real Estate heeft gehandeld. Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan Fordisto naar maatstaven van maatschappelijke betamelijkheid in het onderhavige geval geen gebruik had mogen maken van de een ieder toekomende bevoegdheid om op een openbare veiling een bod te (laten) doen dat hem goeddunkt en om de gunning en verkrijging te aanvaarden. Dat dit niet strookt met de wensen en mogelijke belangen van de geëxecuteerde, maakt dat niet anders.

4.10 Slotsom na het voorgaande is dat er geen gronden zijn te oordelen dat de veiling niet rechtsgeldig was en/of dat Fordisto als veilingkoper onrechtmatig jegens Solution Real Estate heeft gehandeld als bedoeld in artikel 1386 Burgerlijk Wetboek. Voor zover de vorderingen van Solution Real Estate jegens Fordisto mede bedrog of misbruik van omstandigheden als rechtsgrond hebben, geldt ook daarvoor dat de aangevoerde stellingen onvoldoende zijn om te concluderen dat daarvan sprake was. Solution Real Estate heeft daarom geen rechtens te respecteren belang bij een conservatoir beslag ten laste van Fordisto, daargelaten de juistheid van het beroep van laatstgenoemde op artikel 639 Rv. Het Hof merkt op dat, terecht zoals Solution Real Estate stelt, de verwijzing naar artikel 639 lid 2 Rv in rechtsoverweging had moeten zijn artikel 639 Rv in plaats van 639 lid 2 Rv en wordt deze verwijzing dan ook alszodanig gelezen.

4.11 Op grond van het voorgaande kunnen de vorderingen van Solution Real Estate ook in hoger beroep niet slagen. Het vonnis van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd. Ten aanzien van de onder 4.2 en 4.3 bedoelde eisen van Solution Real Estate zal worden beslist als hierna in het dictum van dit vonnis is omschreven. De overige stellingen van partijen, waaronder het verweer van Fordisto tegen de gestelde schade, behoeven geen bespreking. De nieuwe feitelijke stellingen van Solution Real Estate bij repliekpleitnota moeten als tardief aangevoerd buiten beschouwing blijven.

4.12Solution Real Estate zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in hoger beroep worden verwezen.

  1. Beslissing in hoger beroep
    Het Hof:

5.1 bevestigt het vonnis waarvan beroep;

5.2 wijst de hiervoor onder 4.3 bedoelde nieuwe eis van Solution Real Estate af en verklaart Solution Real Estate niet-ontvankelijk in haar hiervoor onder 4.4 bedoelde nieuwe eis;

5.3 veroordeelt Solution Real Estate in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van Fordisto gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-91

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15612
3 december 2021

In de zaak van

[Appellant],
wonende aan [adres 1] te [plaats],
appellant in kort geding,
hierna te noemen: “[appellant]”,
gemachtigde: mr. R.E.W. Truideman, advocaat,

tegen

DE SURINAAMSE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende aan de mr. Jagernath Lachmonstraat no. 136 te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
hierna te noemen “de SLM”,
gemachtigde: mr. A.M. Linger, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 2 augustus 2018 bekend onder AR no. 182661 tussen [appellant] als eiser en de SLM als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat [appellant] op 17 oktober 2018 hoger beroep heeft ingesteld;

– het doorlopend proces-verbaal van de terechtzitting van 15 november 2019, aangetekend op de kaft van het procesdossier, waaruit blijkt dat er recht op stukken is gevraagd.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Het beroepen vonnis is gedateerd 2 augustus 2018. Partijen zijn noch in persoon, noch bij gemachtigden bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. Per griffiersbrief van 8 oktober 2018 is het vonnis aan partijen medegedeeld. [Appellant] heeft op 17 oktober 2018 appèl aangetekend en is derhalve ontvankelijk in zijn hoger beroep.

  1. De vordering in hoger beroep

[appellant] heeft gevraagd dat er recht op stukken wordt gedaan.

  1. De beoordeling

4.1 Het Hof overweegt dat tegen het vonnis geen grieven zijn aangevoerd waardoor het Hof ambtshalve de vordering, de grondslag en de weren zal beoordelen en de uitspraak zal toetsen aan de regels van openbare orde, waaronder de regels van bevoegdheid en ontvankelijkheid.

4.2. Tegen de feiten zoals vastgelegd door de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep zijn geen grieven aangevoerd. Het Hof zal dan ook van die feiten uitgaan.

4.3 Het Hof overweegt dat uit de gedingstukken blijkt dat [appellant] in maart 2009 in dienst is getreden van de SLM in de functie van steward. Op 27 december 2017 heeft [appellant] aangifte gedaan van een beroving in het Crown Plaza Hotel te Hoofddorp, Nederland, alwaar [appellant] als steward verbleef in verband met zijn werk. In de aangifte wordt melding gemaakt van het feit dat [appellant] is beroofd door twee manspersonen met behulp van twee vrouwspersonen.

4.4 Na terugkeer in Suriname heeft [appellant] ten overstaan van het hoofd van de beveiligingsdienst van de SLM een verklaring afgelegd over het gebeuren op 27 december 2017. Aan [appellant] is medegedeeld dat het incident zal worden onderzocht. [appellant] is buiten functie gesteld gedurende de periode dat de SLM het incident onderzocht.

4.5 Op 17 mei 2018 is door de SLM een schrijven gestuurd naar de security medewerkers waarin aan hun wordt medegedeeld dat onder andere [appellant] per genoemde datum buiten functie is gesteld. Aan de security medewerkers wordt medegedeeld dat [appellant] met onmiddellijke ingang en tot nader order, de SLM terreinen niet mag betreden zonder toestemming van daartoe bevoegde functionarissen. Voor de goede orde is een foto van [appellant] en twee andere medewerkers in de brief opgenomen.

4.6 De SLM heeft na afronding van het onderzoek aan [appellant] medegedeeld dat uit het onderzoek zaken zijn gebleken die ertoe hebben geleid dat het vertrouwen in [appellant] ernstig is geschaad. De SLM heeft aan [appellant] medegedeeld dat er een ontslagvergunning aangevraagd zal worden.

4.7 [Appellant] heeft gevorderd dat de SLM wordt veroordeeld om de buitenfunctie- stelling binnen 24 uur in te trekken en hem in te roosteren op een vlucht. Voorts heeft hij gevorderd dat de SLM wordt veroordeeld om het bericht van 17 mei 2018 waarin een foto van [appellant] is opgenomen in te trekken en een nieuw schrijven aan het personeel rond te sturen waarin is opgenomen dat [appellant] ten onrechte buiten functie was gesteld, beide zaken op straffe van een dwangsom. [Appellant] heeft verder gevorderd dat de SLM wordt veroordeeld tot betaling aan [appellant] van SRD.5.000,= zijnde de kosten voor rechtsbijstand, een schadevergoeding van USD.4.950,= en EUR.4.080,= en een vergoeding voor immateriële schade van USD.3.495,=.

4.8 [Appellant] heeft als grondslag voor het gevorderde het volgende aangevoerd:

– de SLM handelt onrechtmatig jegens hem door hem vijf maanden na melding van het incident in Nederland buiten functie te stellen; de zogenaamde tegenstrijdigheden die volgens de SLM tot de buitenfunctiestelling hebben geleid hadden sinds januari 2018 moeten opvallen en zij moest reeds toen maatregelen hebben getroffen indien zij daar gronden voor zag; de SLM wachtte echter vijf maanden voordat zij [appellant] buiten functie stelde;

– de buitenfunctiestelling is op onduidelijke gronden gestoeld; aan [appellant] wordt mondeling meegedeeld dat er een antecedentenonderzoek is verricht welke negatief is uitgevallen, doch hij wordt buiten functie gesteld wegens een intern onderzoek;

– de SLM stelt dat zij doende is een intern onderzoek uit te voeren doch geeft aan een ontslagvergunning te zullen aanvragen vanwege het resultaat van het antecedentenonderzoek;

– door [appellant] samen met twee andere medewerkers, die verdacht werden van misdrijven, buiten functie te stellen en in het schrijven van 17 mei 2018 te noemen, heeft de SLM doelbewust [appellant] in een kwaad daglicht gesteld; de SLM probeert [appellant] te criminaliseren zonder dat daar enige grond voor bestaat;

– de door de SLM genoemde gronden bij de ontslagvergunningsaanvraag zijn tegenstrijdig en ongegrond; hij is nimmer veroordeeld voor een misdrijf en de genoemde zaken betreffen incidenten uit zijn jeugd toen hij vijftien en zestien jaar oud was;

– het is niet juist dat de reputatie van de SLM is geschaad doordat [appellant] dames op zijn kamer heeft ontvangen; [appellant] mag zijn vrije tijd naar wens invullen; er is geen enkele regel in de CAO die stelt dat een medewerker geen derden op zijn kamer mag accommoderen; de SLM stelt dat [appellant] in strijd heeft gehandeld met de regels doch stelt niet welke regels [appellant] zou hebben geschonden;

– de SLM stelt zich op het standpunt dat zij er niet van op de hoogte is dat er verdachten zijn aangehouden in Nederland in verband met de beroving terwijl het politie onderzoek in Nederland heeft geresulteerd in de aanhouding van vier verdachten en er ook een proforma zitting is gepland;

– [Appellant] dreigt door dit handelen van de SLM zijn current status te verliezen met als gevolg dat hij niet meer kan vliegen;

– de SLM heeft zonder gronden een ontslagvergunning aangevraagd;

– [Appellant] treft geen enkele blaam voor wat er in Nederland is gebeurd;

– het handelen van de SLM is onrechtmatig, buitenproportioneel en laakbaar;

– [Appellant] lijdt door dit handelen materiële en immateriële schade.

4.9 De SLM heeft als verweer onder andere aangevoerd dat [appellant] inderdaad melding heeft gemaakt van een voorval op 27 december 2017 in het hotel te Hoofddorp, Nederland. Vanwege de ongeloofwaardigheid van het verhaal van [appellant] met betrekking tot de vermeende roofoverval en de tegenstrijdige verklaringen in de processen-verbaal van de politie in Nederland en de heer Kasijo van de veiligheidsdienst van de SLM, heeft de SLM een nader onderzoek ingesteld. Uit het onderzoek bleken zaken die de SLM ertoe hebben bewogen om een antecedentenonderzoek te laten uitvoeren door de CIVD. Uit het antecedentenonderzoek bleek dat [appellant] in het verleden twee keer voor de strafrechter heeft moeten verschijnen. Na het uitgebreid onderzoek kon de SLM pas besluiten over de buitenfunctiestelling van [appellant]. Dat was in mei 2018. Het was toevallig dat in die periode ook ten aanzien van twee andere medewerkers het besluit was genomen tot buitenfunctiestelling. De SLM heeft niet moedwillig de naam van [appellant] in verband willen brengen met de twee andere medewerkers die buiten functie zijn gesteld.

4.10 De SLM heeft voorts naar voren gebracht dat [appellant] de bedrijfsregels heeft overtreden. De SLM verwijst naar de werk- en rusttijden regeling van de SLM die op [appellant] van toepassing is. [appellant] was niet in zijn vrije tijd in het hotel doch tijdens zijn rusttijd. De rusttijd is de tijd in klokuren die het bemanningslid verleend wordt teneinde voldoende uitgerust te zijn om een nieuwe vluchtdienst te kunnen aanvangen. Van vrije tijd kan slechts sprake zijn in Paramaribo, dat is de standplaats van de medewerker. Uit de bijzondere regelingen voor cabinepersoneel blijkt dat de hotelaccommodatie slechts beschikbaar is voor de werknemer. [appellant] heeft in strijd met de regels gehandeld. [appellant] heeft met het uitnodigen van de twee dames zichzelf in een situatie gebracht die riskant is. Dat blijkt uit zijn verklaring. Immers, indien hij zich aan de rusttijdenregeling had gehouden, dan hadden derden geen toegang gekregen tot zijn kamer.

4.11 De SLM heeft voorts aangevoerd dat [appellant] als medewerker van de SLM in het hotel was ondergebracht, op kosten van de SLM. Elke handeling van [appellant] werd dan ook in verband gebracht met de SLM. Aangezien het verhaal van [appellant] over de overval twijfelachtig is schaadt hij daarmee ook de goede naam van de SLM. [Appellant] heeft om 03.20 uur in de nacht dames ontvangen op zijn kamer terwijl hij de volgende ochtend zou moeten vliegen. Hierdoor heeft hij de regels met betrekking tot de rust en slaap naast zich neergelegd. Hij heeft zichzelf dan ook willens en wetens in de situatie gebracht dat hij de volgende dag niet kon werken. Door het handelen van [appellant] en het feit dat uit het onderzoek blijkt dat hij in het verleden twee keer in aanraking is gekomen met de politie en dat niet heeft vermeld op zijn sollicitatie formulier, is er sprake geweest van gronden voor de buitenfunctiestelling.

4.12 Het Hof overweegt dat de vordering van [appellant] om in de gelegenheid gesteld te worden de bedongen arbeid te verrichten, beoordeeld dient te worden aan de hand van de algemene maatstaf van artikel 1614ij BW, die inhoudt dat een werkgever zich als een goed werkgever dient te gedragen (het beginsel van goed werkgeverschap). In zijn algemeenheid brengt deze maatstaf voor een dergelijke vordering met zich dat de toewijsbaarheid daarvan afhangt van de aard van de dienstbetrekking, de overeengekomen arbeid en de omstandigheden van het geval (vide ook: HR 27 mei 1983, NJ 1983, 758). Uitgangspunt daarbij is dat van een goed werkgever gevergd mag worden dat hij de werknemer tegen diens wil slechts de mogelijkheid mag onthouden om de overeengekomen arbeid te verrichten indien hij daarvoor een redelijke grond heeft en die grond voldoende zwaar weegt.

4.13 In casu betreft het de belangenafweging tussen enerzijds het belang van [appellant] om de bedongen arbeid te kunnen blijven verrichten, ook daar de maatregel van buitenfunctiestelling een diffamerend karakter heeft en [appellant] zijn current status dreigt te verliezen en anderzijds het belang van de SLM waarbij de maatregel zou mogen volgen indien de toelating van [appellant] op het werk aan de goede gang van zaken bij de SLM grote schade zou toebrengen of indien vanwege andere zwaarwegende redenen, waartegen de belangen van [appellant] niet opwegen, in redelijkheid van de SLM niet gevergd kan worden dat zij [appellant] nog langer op het werk duldt.

4.14 Het Hof is met de kantonrechter van oordeel dat uit de overgelegde documenten wel aannemelijk is geworden dat [appellant] heeft verzwegen dat hij in het verleden twee keer met de strafrechter in aanraking is gekomen. Het feit dat dat op zijn zestiende of vijftiende was doet daar niets aan af. Het formulier is duidelijk. De vraag is of iemand in aanraking is gekomen met de justitie. Daarbij is ruimte open gelaten om dat nader te beschrijven. Daarbij zou kunnen worden vermeld dat [appellant] vrij is gesproken voor het eerste feit en voor het tweede feit, op zijn zestiende, slechts een berisping heeft ontvangen. Op die wijze had de werkgever de ruimte om zelf te overwegen of de feiten van dien aard zijn dat daar gevolgen aan verbonden had moeten worden of niet. Door de feiten te verzwijgen heeft [appellant], nu de zaken aan het licht zijn gekomen bij de werkgever, een vertrouwensbreuk veroorzaakt.

4.15 Het Hof is voorts van oordeel dat uit de overgelegde producties aannemelijk is geworden dat de bedrijf regels impliceren dat tijdens het verblijf in het hotel sprake is van rusttijd en dat uit de bepaling met betrekking tot de hotelkamer voortvloeit dat er geen handelingen gepleegd mogen worden die vraagtekens zouden kunnen doen ontstaan met betrekking tot de reputatie van de SLM en haar bemanningsleden. Immers, de regels zouden niet zodanig geïnterpreteerd kunnen worden dat het toegestaan is dat de bemanningsleden regelmatig tijdens hun rusttijd in het hotel in de nachtelijke uren onbekende personen ontvangen of ten behoeve van onbekende personen andere kamers huren, met het risico, zoals thans uit de verklaringen van [appellant] zelf blijkt, dat deze personen ten behoeve van wie de kamer is gehuurd, misdrijven plegen of anderen in het hotel laten die misdrijven plegen tegen hotelgasten.

4.16 Het Hof is met de kantonrechter op grond van het voorgaande van oordeel dat de SLM aannemelijk heeft gemaakt dat door de hiervoor genoemde verzwijging en gedragingen van [appellant] een vertrouwenscrisis is ontstaan tussen partijen waardoor in redelijkheid niet van de SLM kan worden gevergd dat zij [appellant] nog langer op het werk duldt .

4.17 Het Hof overweegt dat verder uit de gedingstukken blijkt dat de kantonrechter bevoegd was kennis te nemen van de vordering en dat er geen sprake is van verkeerde toepassing van regelen van ontvankelijkheid, dan wel andere regels van openbare orde.

4.18 Op grond van het voorgaande komt het Hof tot het oordeel dat het beroepen vonnis moet worden bevestigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

  1. De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het Hof

5.1 Bevestigt het vonnis in kort geding van 2 augustus 2018 bekend onder AR no. 182661, waarvan beroep;

5.2 Veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van de SLM gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. A.C. Johanns, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 3 december 2021, in tegenwoordigheid van mr. C.R. Tamsiran-Harris, Fungerend-Griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-90

15 oktober 2021
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

STICHTING SOLUTION REAL ESTATE, hierna: ‘Solution Real Estate’
gevestigd in Paramaribo,
gemachtigde: [naam 1], voorzitter van appellante,
appellante in kort geding,

tegen

  1. KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN, hierna: ‘KKF’,
    gevestigd in Paramaribo,
    gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,
  1. FORDISTO VASTGOED N.V.,hierna: ‘Fordisto’,
    gevestigd in Paramaribo,
    gemachtigde: mr. D.C. Lala, advocaat,
    geïntimeerden in kort geding,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 10 mei 2018bekend onder A.R. 17-3507 tussen enerzijds Solution Real Estate als eiseres en anderzijds KKF en Fordisto als gedaagden in kortgeding,

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Procesverloop in hoger beroep
  1. Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken c.q. proceshandelingen:
  • de verklaring van de griffier d.d. 29 juni 2018 waaruit blijkt dat Solution Real Estate hoger beroep heeft ingesteld;
  • de memorie van grieven van 29 juni 2018;
  • de pleitnota van Solution Real Estate van 5 april 2019;
  • de memorie van antwoord (lees: antwoordpleitnota) van Fordisto van 7 juni 2019;
  • de antwoordpleitnota van KKF van 7 juni 2019;
  • de afzonderlijke repliekpleitnota’s van Solution Real Estate5 juli 2019;
  • de memorie van dupliek (lees: dupliekpleitnota) van Fordisto van 2 augustus 2019;
  • de dupliekpleitnota van KKF van 6 december 2019.
  1. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.
  1. Ontvankelijkheid

Uit de aantekening van de griffier aan de voet van het vonnis waarvan beroep blijkt dat Solution Real Estate noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen. Het vonnis van de kantonrechter is bij griffiersbrief gedateerd 30 mei 2018 aan Solution Real Estate meegedeeld. Solution Real Estate heeft op 29 juni 2018bij schriftelijke verklaring hoger beroep aangetekend tegen het vonnis. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Solution Real Estate daarin kan worden ontvangen.

  1. Feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:

Fordisto is opgericht bij notariële akte van 25 mei 2015.

  1. Op 12 januari 2016 heeft op verzoek van De Surinaamse Bank N.V.de hypothecaire veiling plaatsgevonden van het aan Solution Real Estate toebehorend recht van erfpacht op het perceelland groot 735m2 gelegen aan [adres 1] te [plaats 1]. Het hoogste bod op de veiling is uitgebracht door [naam 1], hierna: ‘[naam 1]’.
  1. Bij notariële akte van 14 januari 2016 is gegund aan [naam 1], die bij akte de command van 28 januari 2016 heeft verklaard dat hij heeft gekocht voor Fordisto, waarna Fordisto heeft verklaard de lastgeving te erkennen.
  1. Bij notariële akte van 28 januari 2016 hebben de oprichters en aandeelhouders van Fordisto hun aandelen overgedragen aan [naam 1]. Op diezelfde datum is het bestuur van Fordisto vervangen door benoeming van [naam 1].
  1. Fordisto is op 12 februari 2016 als verkrijger van het geveilde perceelland geregistreerd.
  1. De oprichtingsakte van Fordisto is gepubliceerd in het Advertentieblad van de Republiek Suriname van 19 februari 2016.
  1. Fordisto is op 7 maart 2016 ingeschreven in het door KKF gehouden handelsregister.
  1. Bij e-mailbericht van 21 februari 2017 heeft KKF, Solution Real Estate een op 23 februari 2017 gedateerde brief doen toekomen met onder meer de volgende inhoud:

“BESLUIT HANDELSREGISTERCOMMISSIE

(…)

Naar aanleiding van uw hoger vermeld schrijven dat is voorafgegaan aan eerdere correspondentie, wensen wij als volgt te besluiten:

  • Voor zover wij uit de overgelegde documenten kunnen vaststellen, is de naamloze vennootschap Fordisto Vastgoed N.V. volgens de toepasselijke rechtsregels opgericht.
  • Voor zover uw bezwaar gericht is tegen de inschrijving van Fordisto Vastgoed N.V. in het Handelsregister, besluiten wij dat er geen termen aanwezig zijn om uw bezwaar te honoreren. De naamloze vennootschap neemt rechtsgeldig deel aan het economisch verkeer en handelt, voor zover wij dat uit uw hoger vermeld schrijven kunnen afleiden, niet in strijd met de geldende rechtsregels.

(…)

Tot slot konstateren wij dat de inschrijving van Fordisto Vastgoed N.V. in het Handelsregister voldoet aan alle eisen.

Ten overvloede wensen wij u erop te attenderen dat u, ingevolge lid 5 van art. 20 Handelsregisterwet, binnen 30 dagen na dagtekening dezes, beroep tegen deze beslissing kunt instellen bij het Hof van Justitie.”

  1. Het geding in eerste aanleg

4.1 In eerste aanleg heeft Solution Real Estate bij op 2 augustus 2017 ingediend verzoekschrift gevorderd, samengevat, dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

  1. de inschrijving van Fordisto met KKF-nummer 68219 zal worden geschorst of opgeschort;
  2. aan KKF en Fordisto zal worden verboden om verdere handelingen te verrichten tijdens proces;

Subsidiair:

  1. KKF en Fordisto zullen worden veroordeeld tot betaling van het schadebedrag van USD 1.652.381,- vermeerderd met de wettelijke rente;
  2. KKF en Fordisto zullen worden veroordeeld tot betaling tot betaling van het bedrag van SRD7.275,- vermeerderd met de wettelijke rente;
  3. KKF en Fordisto zullen worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom.

4.2 Solution Real Estate heeft aan die vorderingen ten grondslag gelegd dat op en rond de veiling een onrechtmatige samenspanning jegens Solution Real Estate heeft plaatsgevonden, waaraan ook Fordisto heeft deelgenomen. Volgens Solution Real Estate hebben KKF en Fordisto diverse inschrijvingsvereisten en bepalingen uit de Handelsregisterwet en het Wetboek van Koophandel geschonden bij de inschrijving van Fordisto in het Handelsregister.

4.3 Bij het bestreden vonnis van 10 mei 2018heeft de kantonrechter Solution Real Estate niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen, met haar veroordeling in de (op nihil begrote) kosten van het geding.

4.4 De kantonrechter overwoog daartoe, samengevat, dat Solution Real Estate niet-ontvankelijk was in haar vordering omdat zij de onderaan de brief van de Handelsregistercommissie genoemde beroepsmogelijkheid–beroep bij het Hof – had moeten aanwenden.

  1. De beoordeling in hoger beroep

5.1 In eerste aanleg is de eisende partij in enkelvoud aangeduid als ‘Stichting Solution Real Estate/Solution Centre N.V.’. De appelstukken maken duidelijk dat hiermee (slechts) werd gedoeld op Solution Real Estate, appellante.

5.2 Solution Real Estate vordert in hoger beroep, naar het Hof begrijpt, vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, met toewijzing van het door haar oorspronkelijk gevorderde. KKF en Fordisto hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep.

5.3 Terzake haar niet-ontvankelijk verklaring heeft Solution Real Estate aangevoerd dat van een beslissing als bedoeld in artikel 20 lid 4 Handelsregisterwet (HrW) geen sprake is geweest en dat de beroepsmogelijkheid van artikel 20 lid 5 HrW derhalve niet voor haar heeft opengestaan. Zij wijst er in dit verband op dat de brief van de Handelsregistercommissie gedateerd is op 23 februari 2017, terwijl deze brief door KKF aan de voorzitter van Solution Real Estate is gemaild op 21 februari 2017. Solution Real Estate noemt de e-mail om die reden ‘vals’ en werpt de vraag op naar de betrouwbaarheid van dit door haar op 21 februari 2017 ontvangen bericht. Voorts verwijst Solution Real Estate naar het voorschrift van artikel 20 lid 4 HrW dat kennisgeving van de beslissing geschiedt bij aangetekende brief, terwijl zij nooit een aangetekend schrijven van KKF heeft ontvangen.

5.4 Deze opmerkingen van Solution Real Estate van formalistische aard kunnen haar niet baten. De strekking van het voorschrift van verzending per aangetekende brief is de ontvangst daarvan te verzekeren. Nu Solution Real Estate bevestigt dat zij de e-mail met de beslissing van de Handelsregistercommissie op 21 februari 2017 heeft ontvangen, is dat doel bereikt. Dat de beslissing is gepostdateerd, is niet nadelig voor Solution Real Estate en blijft zonder rechtsgevolg.

5.5 Artikel 20 HrW biedt een bijzondere rechtsgang voor beslissingen van de Handelsregistercommissie. Artikel 20 lid 5 HrW bepaalt immers dat binnen 30 dagen na de dag der beslissing beroep kan worden ingesteld bij het Hof van Justitie, dat in raadkamer beslist.

5.6 Indien partijen worden gevolgd in hun (stilzwijgende) uitgangspunt dat Solution Real Estate kan worden aangemerkt als ‘belanghebbende’ in de zin van artikel 20 lid 2 HrW, hetgeen het Hof – althans in dit kort geding – zal doen, stond deze bijzondere rechtsgang ook open voor Solution Real Estate. Dat staat in de weg aan de ontvankelijkheid van Solution Real Estate in haar onderhavige, aan de kantonrechter voorgelegde vordering. Dit laatste geldt te meer nu, zoals volgt uit hetgeen hierna wordt overwogen, een spoedeisend belang van Solution Real Estate bij haar vorderingen met betrekking tot de inschrijving van Fordisto ontbreekt.

5.7 Afgezien van het voorgaande, kunnen de vorderingen en het hoger beroep van Solution Real Estate ook op de hierna genoemde gronden niet slagen.

5.8 Ten aanzien van alle door Solution Real Estate in onderhavige kort geding gestelde (vorm)verzuimen terzake de oprichting, de vertegenwoordiging, het aandeelhouderschap en de registratie van Fordisto geldt dat het geen voorschriften en normen betreffen die ertoe strekken Solution Real Estate tegen de door haar gestelde schade te beschermen. Het oorzakelijk verband tussen de gestelde normschending en de gestelde schade valt reeds op die grond niet in te zien.

5.9 Heden wordt door het Hof tevens uitspraak gedaan in het hoger beroep in de tussen Solution Real Estate en Fordisto gevoerde bodemprocedure met zaaknummer A.R. 16-2371 – GR-15658. Bij dat vonnis, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd, is geoordeeld dat er geen gronden zijn te oordelen dat de veiling niet rechtsgeldig was en/of dat Fordisto als veilingkoper onrechtmatig jegens Solution Real Estate heeft gehandeld, met bevestiging van het vonnis van de rechter in eerste aanleg waarbij de ook in dit kort geding door Solution Real Estate opgevoerde vorderingen tot schadevergoeding (USD 1.652.381,- en SRD 7.275) werden afgewezen. Daarmee is het vermeend onderliggende belang van Solution Real Estate bij haar vorderingen in dit kort geding vervallen.

5.10 Ten slotte – en ten overvloede – geldt dat het Hof ambtshalve bekend is met de door de kantonrechter in het eerste kanton op 9 maart 2021 tussen dezelfde partijen gedane uitspraken in de bodemzaken met zaaknummers 17-2427, 17-3643 en 18-2256.Het ging in die bodemzaken om dezelfde vorderingen als door Solution Real Estate in dit kort geding ingesteld, gebaseerd op dezelfde grondslagen. De bodemrechter heeft de vorderingen afgewezen. Vorderingen in kort geding strekken tot het verkrijgen van een voorlopige (spoed)voorziening vooruitlopend op een oordeel van de bodemrechter. Het kort geding kan niet dienen als een verkapt appel tegen een oordeel van de bodemrechter. De rechter die in kort geding (ook rechtsprekend in hoger beroep) beslist op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening, dient zijn uitspraak in beginsel af te stemmen op het oordeel van die bodemrechter (vgl. onder meer Hoge Raad 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:806 en Kantongerecht Eerste Kanton 19 november 2020, AR-193554, SRU-K1-2020-61).De omstandigheid dat een bodemvonnis nog niet in kracht van gewijsde is gegaan,maakt dit niet anders.Ook daarop stranden de vorderingen en het hoger beroep van Solution Real Estate.

5.11Op grond van het voorgaande zal het vonnis van de kantonrechter worden bevestigd. Solution Real Estate zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

  1. Beslissing in hoger beroep
    Het Hof:

6.1 bevestigt het vonnis waarvan beroep;

6.2 veroordeelt Solution Real Estate in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van KKF en Fordisto gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-89

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. 15970
15 oktober 2021
In de zaak van

[Appellant],
hierna te noemen [appellant],
wonende in het [district 1],
appellant in de hoofdzaak en verzoeker in het incident,
gemachtigde: mr. E.A. Glunder, advocaat,

tegen

[de Stichting],
hierna te noemen de Stichting,
geïntimeerde in de hoofdzaak en verweerster in het incident,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat.

Inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 25 augustus 2020 (A.R. no. 18-2748) tussen appellant, enerzijds als gedaagde in conventie en eiser in reconventie en anderzijds geïntimeerde als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie.

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellant op 19 oktober 2020 hoger beroep heeft aangetekend tegen het hiervoor genoemde vonnis;

– het incidenteel verzoek tot schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad van het beroepen vonnis met producties zijdens [appellant], ingekomen ter griffie van het Hof op 21 mei 2021;

– de pleitnota d.d. 21 mei 2021 met bijgevoegde producties zijdens [appellant];

– de conclusie van antwoord in het incident d.d. 29 juli 2021 met producties zijdens de Stichting;

– de conclusie tot uitlating producties d.d. 2 augustus 2021 zijdens [appellant].

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis in het incident is bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

De griffiersbrief waaruit blijkt dat het beroepen vonnis ter kennis is gebracht van [appellant] dateert van 30 september 2020. Nu [appellant] op 19 oktober 2020 hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis is dit binnen de bij wet gestelde termijn geschied en is hij daarin ontvankelijk.

  1. De feiten

3.1 De Stichting heeft op een veiling gekocht, het recht van grondhuur op het perceelland groot twee hectaren en vijftig aren met al hetgeen daarop staat, gelegen in het [district 1] aan [adres 1] en deel uitmakende van de percelen bekend als [perceelgegevens 1] en nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter in Suriname H. Soedhwa Lcs., d.d. 24 februari 2010 met de letters ABCD, hierna aangeduid als het perceel.

De daarop betrekking hebbende notariële akten van openbare verkoping, gunning, command en kwijting zijn op 1 augustus 2014 overgeschreven in register [C-nummer 1] onder nummers [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3] en [nummer 4] van het Management Instituut Glis.

3.2 Het perceel wordt bewoond door [appellant].

3.3 De Stichting heeft een vordering in conventie ingesteld bij de bodemrechter tegen [appellant] – zakelijk weergegeven – tot ontruiming van het perceel desnoods m.b.v. de sterke arm. Mede is gevorderd veroordeling van [appellant] tot betaling van een dwangsom.

De Stichting heeft als grondslag van zijn vordering aangevoerd dat [appellant] zich zonder recht of titel bevindt op het perceel.

3.4 [Appellant] heeft daarop een vordering in reconventie ingesteld – zakelijk weergegeven – tot vergoeding van de waarde van alle door derden uit de woning meegenomen goederen nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar met ingang van 10 april 2017. Tevens is gevorderd veroordeling van de Stichting tot betaling van de advocaat- en deurwaarderskosten tot een bedrag van SRD12.500,=.

[Appellant] stelt hierbij dat de Stichting onrechtmatig over is gegaan tot zijn gedeeltelijke ontruiming nu de Stichting daartoe geen rechtsgeldige titel had. Hij, [appellant], heeft hierdoor schade geleden alsook kosten gemaakt om een advocaat in de arm te nemen voor rechtsbijstand.

3.5 Bij vonnis d.d. 25 augustus 2020 heeft de kantonrechter in conventie – zover van belang – [appellant] veroordeeld tot ontruiming van het perceel desnoods met behulp van de sterke arm. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De vordering in reconventie is afgewezen.

3.6 De Stichting heeft bij exploot van deurwaarder A. Sewgobind d.d. 23 februari 2021 no. 46-21, het beroepen vonnis betekend aan [appellant] met aanmaning tot ontruiming van het perceel binnen 4 maanden na betekening van het vonnis.

  1. De beoordeling in hoger beroep

In het incident

4.1 In hoger beroep heeft [appellant] bij incidentele conclusie het verzoek gedaan tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het gewraakte vonnis totdat door het Hof definitief is beslist in de hoofdzaak.

[Appellant] heeft daartoe gesteld dat het perceel met de daarop staande woning tot de nalatenschap behoorde van zijn grootvader [naam 1] (hierna de erflater). Hij, [appellant], is mede-erfgenaam van de erflater. Zijn broer [naam 2], heeft de Staat d.m.v. valse documenten ertoe bewogen om het recht van grondhuur op het perceel aan hem, [naam 2], te doen verstrekken. [Naam 2] heeft hierna de [de Stichting 2] opgericht en fungeerde als enig bestuurslid van deze [de Stichting 2]. Deze [de Stichting 2] heeft toen geld geleend aan [naam 2] (zijn enig bestuurslid), die vervolgens hypotheek vestigde op het perceel t.b.v. [de Stichting 2].

Omdat [naam 2] niet aan zijn betalingsverplichting jegens [de Stichting 2] voldeed, is het perceel in het openbaar verkocht. Op de veiling is het perceel gekocht door [de Stichting] (geïntimeerde).

[Appellant] stelt voorts dat hij vanaf zijn geboorte op het perceel woont en dat hij inmiddels twee stenen woningen daarop heeft gebouwd. Volgens [appellant] heeft [naam 2] gebruik gemaakt van valse documenten om het perceel in grondhuur te verkrijgen. [Appellant] heeft tegen deze frauduleuze handelingen van [naam 2], aangifte gedaan bij de politie en deze zaak is aldaar verder in onderzoek.

De Staat heeft daarom, gebruikmakend van deze valse documenten, ten onrechte het recht van grondhuur op het perceel aan [naam 2] verstrekt.

Daarnaast heeft de Staat, in strijd gehandeld met het decreet Uitgifte Domeingrond en wel de artikelen 15 lid 1 en 2, artikel 31 lid 5 en artikel 34 lid 1 bij het verstrekken van het recht van grondhuur aan [naam 2]. Nu hij, [appellant], vanaf zijn geboorte het perceel bewoont, en verder ook heeft bebouwd en bewerkt, zou het recht van grondhuur aan hem moeten worden verstrekt.

De onrechtmatigheid van deze uitgifte aan [naam 2], is in eerste aanleg en thans in hoger beroep door [appellant] aangevochten in de zaak bekend onder GR no. 15974.

Indien in het proces bekend onder GR no. 15974 komt vast te staan dat de uitgifte van het recht van grondhuur op het perceel aan [naam 2] onrechtmatig is zal dit tot gevolg hebben dat ook de veiling van het perceel onrechtmatig is geweest.

4.2 Bij de beoordeling van het onderhavige incident, tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het beroepen vonnis, zal onderzocht moeten worden of er sprake is van feiten en/of omstandigheden die meebrengen dat het belang van [appellant] bij handhaving van de bestaande toestand, nl. dat hij hangende de behandeling van de zaak in hoger beroep het perceel mag blijven bewonen, zwaarder weegt dan het belang van de Stichting tot ontruiming van [appellant].

Gezien de stellingen van [appellant] dat [naam 2] op onrechtmatige wijze het recht van grondhuur op het perceel heeft verkregen, één ander zoals verwoord onder 4.1 hiervoor, alsook de omstandigheid dat [appellant] zich erop beroept dat hij vanaf zijn geboorte het perceel bewoont, alsook heeft bebouwd en bewerkt, is het Hof van oordeel dat het belang van [appellant] om in hoger beroep uitgezocht te hebben of de veiling al dan niet op rechtmatige wijze is geschied, veel zwaarder weegt dan het belang van de Stichting om gebruik te maken van zijn executierecht tot ontruiming van [appellant].

Daarbij dient ook te worden meegenomen en onderzocht de stelling van [appellant], dat [naam 2] het bewust erop heeft aangestuurd om het perceel te doen veilen, nu hij de geldlening met hypotheekstelling op het perceel heeft gesloten bij [de Stichting 2], waarvan hij, [naam 2], het enige bestuurslid is alsmede het feit dat de koper op de veiling de toenmalige advocaat van [naam 2] is geweest.

Het Hof zal daarom het verzoek in het incident van [appellant] tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het beroepen vonnis toewijzen, zoals hierna in het dictum te melden.

In de hoofdzaak

4.3 Gelet op de verknochtheid van de onderhavige zaak bekend onder GR no. 15970 met de zaak bekend onder GR no. 15974 – immers het gaat om hetzelfde perceel in beide zaken – zal het Hof ambtshalve beslissen tot rolvoeging van deze twee zaken. Dit ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen.

4.4 Aangezien er reeds een pleitnota is genomen in de hoofdzaak, zal het Hof de Stichting in de gelegenheid stellen om een pleitnota van antwoord met uitlating producties te nemen en wel op een in het dictum te vermelden datum.

4.5 Het Hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

  1. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

In het incident

5.1 Schorst de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis van de kantonrechter gedateerd 25 augustus 2020 bekend onder A.R. no. 18-2748, totdat in hoger beroep hierop is beslist.

In de hoofdzaak

5.2 Stelt de Stichting in de gelegenheid tot het nemen van een pleitnota van antwoord met uitlating producties.

5.3 Bepaalt dat er een rolvoeging plaatsvindt van de onderhavige zaak met de zaak bekend onder GR no. 15974, in dier voege dat beide zaken gelijktijdig verder zullen worden behandeld.

5.4 Bepaalt dat de griffier zorg zal dragen dat de zaak bekend onder GR no. 15974 gelijktijdig op de rol zal lopen met de onderhavige zaak.

5.5 Bepaalt dat de zaak ter fine van het voorgaande wederom zal worden afgeroepen ter terechtzitting van vrijdag 19 november 2021 te 08.30 uur des voormiddags.

5.6 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M. Behari.


Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. E.A. Glunder, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde niet wordt vertegenwoordigd middels een gemachtigde.

 

SRU-HvJ-2021-88

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GR.16104
19 augustus 2021
IL

Beschikking ex artikel 272 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de zaak van

[Verzoekster]
wonende te [plaats],
verzoekster,
gemachtigde: mr. S. Bhikhie, advocaat,

tegen

[Verweerder]
wonende te [plaats],
verweerder,
gemachtigde: mr. F.W.M. Thijm, advocaat.

  1. Het procesverloop
  2. Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

– het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 27 juli 2021;

– het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoek in raadkamer van 19 augustus 2021.

  1. Vervolgens is op heden beschikking gegeven.
  1. De feiten

2.1 Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 1 februari 2021 bekend onder A.R. no. 14-4556 (hierna: het vonnis), met verweerder als eiseres en verzoekster als gedaagde heeft de kantonrechter als volgt beslist:

“3.1 Veroordeelt gedaagde, om binnen 1 (een) maand na betekening van het vonnis het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot eenduizend twee en zestig vijf/tiende vierkante meters, gelegen te Paramaribo, aangeduid op de kaart van de landmeter G. van der Jagt de dato negen juli negentienhonderd acht en zestig met de letters ABCD en met het [nummer 1], een en ander deel uitmakende van het perceelland bekend als afdeling 1 sectie [adres 1] [nummer 2], te ontruimen en te verlaten, met medeneming van alles dat en allen die zich van harentwege daaraan of daarin bevinden.

3.2 machtigt eiseres om indien gedaagde geen gevolg geeft aan het in 3.1 bepaalde de ontruiming zelf uit te voeren, op kosten van gedaagde, zo nodig met behulp van de sterke arm.

3.3 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad………”

2.2 Het perceel voornoemd zal worden aangeduid als “het onroerend goed”.

2.3 Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen het voormeld vonnis van de kantonrechter.

  1. De beoordeling

3.1 Verzoekster vordert – naar het Hof begrijpt – om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad de staking te bevelen van de ten uitvoerlegging van het vonnis, totdat het Hof heeft beslist op het ingestelde hoger beroep.

3.2 Verzoekster heeft – zover van belang en zakelijk weergegeven – aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij sinds 2004 verblijft op het onroerend goed op grond van een obligatoire koopovereenkomst.

Volgens verzoekster maakt verweerder misbruik van haar executierecht door het vonnis ten uitvoer te willen leggen terwijl zij weet dat verzoekster het onroerend goed heeft gekocht.

3.3 Verweerster is door het Hof in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord op het onderhavige verzoek. De onderhavige zaak is uit dien hoofde daarom tot twee keer toe uitgesteld en voor het laatst uitgesteld naar 19 augustus 2021. Het Hof heeft geconstateerd dat ook op deze datum, verweerster noch haar gemachtigde aanwezig waren ter terechtzitting en wel zonder enige bericht van verhindering.

Om deze reden zal het Hof de vordering van verzoekster als onweersproken toewijzen.

  1. Beschikkende

Het Hof

4.1 Beveelt de staking c.q. stopzetting van de executie van het vonnis

d.d. 01 februari 2021 bekend onder AR no. 144556, totdat het Hof heeft beslist op het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep.

Aldus gegeven door het Hof van Justitie op 19 augustus 2021 door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. M. Behari.

 

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

w.g. A. Charan

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

 

SRU-HvJ-2021-87

6 augustus 2021
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

De NAAMLOZE VENNOOTSCHAP SURANA LANDBOUWONDERNEMING N.V.,
gevestigd in Paramaribo,
appellante, hierna: ‘Surana’,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

tegen

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP NJI-SRI,
gevestigd in Paramaribo,
geïntimeerde, hierna: ‘Nji-Sri’,
gemachtigde: S.G.R. Khoenkhoen, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 30 mei 2019 bekend onder A.R.No. 18-4935 tussen Surana als eiseres en Nji-Sri als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop
  1. Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:
  • de verklaring van de griffier d.d. 19 juli 2019 waaruit blijkt dat Surana hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota van Surana van 17 januari 2020 met producties;
  • de antwoordpleitnota en uitlating van Nji-Sri van 1 december 2020 met producties;
  • de repliekpleitnota en uitlating van Surana van 15 januari 2021 met producties;
  • de dupliekpleitnota en uitlating van Nji-Sri van 2 juli 2021 met een produktie;
  • de conclusie houdende uitlating producties van Surana van 28 juli 2021.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. Beoordeling

2.1 Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering van Surana tot opheffing van het door Nji-Sri ten laste van haar gelegd conservatoir beslag afgewezen.

2.2 Ingevolge artikel 235 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de termijn voor het instellen van hoger beroep in kort geding veertien dagen, gerekend vanaf de dag van de uitspaak van het vonnis of van die van de mededeling van de griffier, zoals bij de regeling van het hoger beroep bepaald. Artikel 119 lid 3 Rv schrijft voor dat, indien een partij niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is, de inhoud van de uitspraak bij aangetekende dienstbrief door de griffier aan die partij wordt meegedeeld. Artikel 119 lid 4 Rv bepaalt dat de dagtekening van de dienstbrief wordt geacht de dag te zijn, waarop de mededeling heeft plaats gehad.

2.3 Uit de aantekening van de griffier aan de voet van het vonnis van 30 mei 2019 waarvan beroep, blijkt dat Surana noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen. Het vonnis van de kantonrechter is bij griffiersbrief gedateerd 25 juni 2019 aan Surana meegedeeld. Surana heeft op 19 juli 2019 bij schriftelijke verklaring hoger beroep aangetekend tegen het vonnis.

2.4 Het beroep is gelet op het voorgaande niet ingesteld binnen de bij wet gestelde termijn van 14 dagen na dagtekening van de dienstbrief van de griffier.

2.5 Surana zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in haar beroep.

2.6 Aan bespreking van de grieven en weren komt het Hof dan ook niet toe.

2.7 Surana zal, als de niet-ontvangen partij, worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

  1. Beslissing

Het Hof:

verklaart Surana niet-ontvankelijk in het ingesteld hoger beroep;

veroordeelt Surana in de kosten van dit geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Nji-Sri begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend president, mr. A. Charan en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, leden, en door de fungerend president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 augustus 2021, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. S.C. Berenstein BSc.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

 

SRU-HvJ-2021-86

GR-15685
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

De naamloze vennootschap N.V. Jusesur, h.o.d.n. Sewcharan Advocaten,
gevestigd te Paramaribo,
appellante,
verder te noemen: Jusesur,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

  1. de naamloze vennootschap Blue Wing Airlines N.V.,
    gevestigd te Paramaribo,
  1. [Geïntimeerde sub B],
    wonende te [plaats],
    geïntimeerden,
    verder te noemen: geïntimeerden,
    gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 5 december 2018 (A.R. No. 18-3819) tussen geïntimeerden als eisers en Jusesur als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal d.d. 11 december 2018 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat Jusesur tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 21 februari 2020;
  • de antwoordpleitnota d.d. 21 augustus 2020;
  • het mondelinge repliekpleitnota waarbij is geconcludeerd tot persistit;
  • de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling

  1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Jusesur daarin kan worden ontvangen.
  1. Tegen de feiten zoals vastgesteld door de kantonrechter zijn geen grieven aangevoerd. Het Hof zal daarvan dan ook uitgaan. De zaak komt op het volgende neer. Bij vonnis van 15 februari 2018 (AR 17-4395) zijn geïntimeerden veroordeeld tot betaling aan Jusesur van US$ 575.000.-. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen het vonnis van 15 februari 2018 is hoger beroep ingesteld. Bij vonnis van 29 maart 2018 (AR-18-1158) heeft de kantonrechter de executie van dit vonnis geschorst. In dit vonnis staat, voor zover van belang, in het dictum: “schorst de executie van het vonnis gewezen d.d. 15 februari 2019 bekend onder A.R.No. 17-4395 totdat daarop in hoger beroep is beslist”. Op verzoek van geïntimeerden heeft de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, de verbetering gelast van het dictum van het vonnis van 29 maart 2018 in dier voege dat daarin komt te staan: “het vonnis van 15 februari 2018” in plaats van “het vonnis van 15 februari 2019”.

3.1 Jusesur heeft tegen het vonnis waarvan beroep drie grieven aangevoerd:

Grief I: Ten onrechte heeft de kantonrechter onder 5.3 van het vonnis overwogen dat: “De kantonrechter overweegt dat in casu geen oordeel over de inhoud van het vonnis wordt gevraagd, waardoor voorbij gegaan moet worden aan het bevoegdheidsverweer.”

Grief II: Ten onrechte heeft de kantonrechter onder 5.4. van het vonnis overwogen dat: “Dat doet niet af aan de mogelijkheid van de eisers om voor de kennelijke schrijffout een voorziening te vragen.”

Grief III: Ten onrechte heeft de kantonrechter onder 5.5. van het vonnis overwogen dat: “Het is vaste rechtspraak dat vorderingen strekkende tot het corrigeren van vonnissen waarin een kennelijke schrijffout is geslopen aan de kort geding rechter worden voorgelegd, door de kort geding rechter worden beoordeeld en dat daarop wordt beslist.”

Jusesur vordert vernietiging van het vonnis en afwijzing van het in eerste aanleg gevorderde, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties. Volgens Jusesur dient, (in ieder geval) nu het hoger beroep tegen het vonnis van 15 februari 2018 reeds in een ver gevorderd stadium verkeert, het Hof over een eventueel herstel van het vonnis te beslissen. Dit is niet meer de taak van de kantonrechter. Aldus nog steeds Jusesur.

3.2 Geïntimeerden bestrijden de grieven. Zij kunnen zich verenigen met het vonnis waarvan beroep en de gronden waarop het berust.

4.1 Het Hof stelt voorop dat het in deze zaak om een kennelijke schrijffout gaat. Gelet op de inhoud en de datering van het vonnis waarin deze fout werd gemaakt, kan het niet anders dan dat 15 februari 2018 werd bedoeld en niet 15 februari 2019. Dat brengt mee dat, als het herstel plaatsvindt, de inhoud en de strekking van het vonnis van 29 maart 2018 niet worden geraakt.

4.2 Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kent geen voorziening waarmee een kennelijke schrijffout op eenvoudige wijze kan worden hersteld. Partijen zouden dan ook genoopt zijn hoger beroep aan te tekenen, als zij een dergelijk herstel gerealiseerd wensen te zien. Dit brengt echter kosten en tijdverlies en een onnodige belasting van de rechterlijke organisatie mee. Het is de taak van de rechter dergelijke gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of althans te beperken.

4.3 Om daarin te voorzien staat thans in het Procesreglement voor Civiele Zaken bij het Hof van Justitie en de Kantongerechten in Suriname in artikel A-25: “De rechter verbetert – voorzover daarbij voldoende belang bestaat – op verzoek van een partij of ambtshalve een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor een eenvoudig herstel leent. De rechter gaat niet tot de verbetering over dan na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten.” Op grond hiervan kunnen procespartijen ook zonder het aanhangig maken van een procedure in kort geding bij de kantonrechter het door hen gewenste herstel bewerkstelligen.

4.4 Het Procesreglement is pas per 1 oktober 2021 in werking getreden en was dus nog niet van kracht in de periode waarin het vonnis waarvan beroep werd gewezen. Het was echter ook zonder het Procesreglement reeds vaste praktijk dat kennelijke schrijffouten op verzoek van (een van) partijen met een herstelvonnis konden worden hersteld. Aangezien de kantonrechter, alvorens tot het herstel over te gaan, beide partijen de gelegenheid heeft geboden zich daarover te uiten, is ook aan de eisen van een behoorlijke procesgang voldaan. Dit wordt niet anders, nu reeds een procedure in hoger beroep aanhangig was gemaakt.

4.5 Dat brengt mee dat de grieven niet slagen en het vonnis in kort geding van de kantonrechter zal worden bevestigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Jusesur in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 5 december 2018 (AR No. 18-3819), waarvan beroep;

veroordeelt Jusesur in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Leden en door mr. D.D. Sewratan bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 3 december 2021, in tegenwoordigheid van mr. C.R. Tamsiran-Harris, Fungerend-Griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.






 

SRU-HvJ-2021-85

G.R. no. 15595

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
15 oktober 2021
in de zaak van

  1. VIR EQUIPMENT N.V., en
  2. [Appellant sub B],

beide domicilie kiezende te Paramaribo,
appellanten in kort geding,
gemachtigde: mr. D.M. Peterhof, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats 1],
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. H. Matawlie, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 03 maart 2016 bekend in het Algemeen Register onder no. 13-5589 tussen de geïntimeerde als eiseres en appellanten als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

  1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– het schrijven van de advocaat van appellanten gedateerd 19 juli 2018

– ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 20 juli 2018 – waaruit blijkt dat de appellanten hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter de dato 03 maart 2016;

– de pleitnota gedateerd 06 december 2019;

– de antwoordpleitnota gedateerd 06 maart 2020;

– de repliekpleitnota gedateerd 07 augustus 2020;

– de dupliekpleitnota de dato 07 augustus 2020;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 19 maart 2021 doch nader op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

2.1. Het beroepen vonnis is gedateerd 03 maart 2016. Partijen zijn noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. Nu de aangetekende dienstbrief zijdens de griffier waarbij de beslissing volgens de wet aan appellanten is mede gedeeld dateert van 14 april 2016 terwijl appellanten bij schrijven de dato 19 juli 2018 – ingekomen ter griffie op 20 juli 2018 – hoger beroep hebben ingesteld tegen het beroepen vonnis, is dit ingevolge het bepaalde in artikel 235 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet tijdig geschied. De consequentie van het voorgaande is dat appellanten niet ontvankelijk zullen worden verklaard in het door hen ingesteld hoger beroep.

2.2. Appellanten gelden als de in het ongelijk gestelde partij en zullen de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen voor hun rekening dienen te nemen. Nu het Hof verstaat dat geïntimeerde ten deze kosteloos procedeert zullen de gedingkosten op nihil worden begroot.

2.3. Bespreking van al hetgeen partijen over en weer nog hebben aangevoerd zal, als voor de beslissing niet relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

  1. De beslissing in kort geding in hoger beroep

Het Hof:

3.1. Verklaart appellanten niet-ontvankelijk in het door hen ingesteld hoger beroep;

3.2. Veroordeelt appellanten in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en bij vervroeging uitgesproken door de Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag15 oktober 2021 in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. R. Bhoewar namens advocaat mr. H. Matawlie, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellanten noch in persoon noch bij gemachtigde zijn verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-84

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15373
3 december 2021
In de zaak van

 

YA-YA INVESTMENTS N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Bonistraat no. 66 te Paramaribo,
appellante,
hierna te noemen “Ya-Ya”,
gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

tegen

  1. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP GLOBAL BEVERAGES N.V., gevestigd en kantoorhoudende aan de Zilverstraat no. 43 te Paramaribo,
  2. [Geïntimeerde sub B], wonende aan [adres 1] te [plaats],
  3. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP CARIBBEAN BEVERAGES N.V., gevestigd en kantoorhoudende aan de Indira Gandhiweg no. 724 in het district Para,
    geïntimeerden,
    hierna te noemen: “Global, [geintimeerde] en Caribbean”,
    gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 14 oktober 2014 bekend onder AR no. 095329 tussen Ya-Ya als eiseres en Global, [geintimeerde] en Caribbean als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat Ya-Ya op 27 januari 2015 hoger beroep heeft ingesteld;

– de aantekening op het doorlopend proces-verbaal van 1 juni 2018, op de kaft van het procesdossier, waaruit blijkt dat appellante heeft verzocht recht op stukken te doen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Het beroepen vonnis is gedateerd 14 oktober 2014. Bij de uitspraak waren partijen niet aanwezig.

De uitspraak is middels de griffiersbrief van 14 januari 2015 aan partijen medegedeeld.

De datum van de griffiersbrief geldt ingevolge artikel 264 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als datum waarop de uitspraak aan Ya-Ya is medegedeeld waardoor Ya-Ya gedurende de termijn van 30 dagen vanaf de datum van de griffiersbrief hoger beroep kon aantekenen.

Ya-Ya heeft op 27 januari 2015 hoger beroep aangetekend waardoor zij tijdig is in het door haar ingestelde hoger beroep en derhalve ontvankelijk is daarin.

  1. De vordering in hoger beroep

Ya-Ya heeft gevraagd dat er recht op stukken wordt gedaan.

  1. De beoordeling

4.1 Het Hof overweegt dat uit de stukken van het procesdossier blijkt dat de eerste behandeling van het hoger beroep plaats heeft gevonden op 1 juni 2018.

Met betrekking tot de oproeping van geïntimeerden blijkt uit het oproepingsexploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie Halima Chiragally, van 17 april 2018, dat de geïntimeerden zijn opgeroepen ten kantore van de gemachtigde mr. A.R. Baarh.

Uit de procesgang blijkt niet dat de geïntimeerden zijn verschenen op de dag van de eerste behandeling van het hoger beroep en evenmin dat mr. Baarh zich heeft gesteld als advocaat van geïntimeerden.

4.2 Het Hof overweegt dat het oproepen van een geïntimeerde voor de behandeling in hoger beroep, ingevolge de artikelen 1 en 2 jo. 277a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering jo. artikel 74 van het Burgerlijk Wetboek, plaats kan vinden op een aan het begin of in de loop van het geding gekozen woonplaats. Echter zal wel moeten blijken dat de geïntimeerde die woonplaats heeft gekozen tijdens het geding. In het dossier zijn er geen stukken aangetroffen waaruit expliciet blijkt dat geïntimeerden domicilie hebben gekozen ten kantore van mr. A.R. Baarh, alwaar de oproeping heeft plaatsgevonden.

4.3 Het Hof zal appellante in de gelegenheid stellen om stukken over te leggen waaruit blijkt dat geïntimeerden domicilie hebben gekozen ten kantore van mr. A.R. Baarh. Indien appellante geen stukken kan overleggen zal zij gelijk in de gelegenheid gesteld worden geïntimeerden conform de wet op te roepen voor een nieuwe rechtsdag, als hierna te melden.

4.4 Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden.

  1. De beslissing

Het Hof

alvorens verder te beslissen:

5.1 Bepaalt dat de zaak zal worden afgeroepen voor de terechtzitting van vrijdag 21 januari 2022 teneinde:

– appellante in de gelegenheid te stellen stukken over te leggen waaruit blijkt dat geïntimeerden tijdens het geding domicilie hebben gekozen ten kantore van mr. A.R. Baarh;

en indien appellante geen stukken kan overleggen zoals hiervoor bedoeld:

– geïnitmeerden opnieuw op te roepen op de hiervoor vermelde datum;

5.2 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 3 december 2021, in tegenwoordigheid van mr. C.R. Tamsiran-Harris, Fungerend-Griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. R.C. Ghogli namens advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtigde van geïntimeerden, terwijl appellante noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

 

SRU-HvJ-2021-83

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. 15673
15 oktober 2021
In de zaak van

[Appellant],
hierna te noemen [appellant],
wonende te [plaats],
appellante,
gemachtigde: mr. M.R. Sheombar, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
hierna te noemen [geïntimeerde],
wonende te [gemeente] in [land],
geïntimeerde,
gemachtigde voorheen: mr. E. Chotkanoe, advocaat,|
thans procederend in persoon,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 11 december 2018 (A.R. no. 15-1831) tussen enerzijds appellant als opposante en anderzijds geïntimeerde als geopposeerde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] op 17 januari 2019 hoger beroep heeft aangetekend tegen het hiervoor genoemde vonnis;

– de pleitnota met producties gedateerd 1 november 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Het vonnis is bij griffiersbrief d.d. 08 januari 2019 ter kennis gebracht aan [appellanten]. Nu laatstgenoemde op 17 januari 2019 hoger beroep heeft aangetekend tegen het beroepen vonnis concludeert het Hof dat het hoger beroep binnen de bij wet gestelde termijn is ingesteld zodat [appellant] ontvankelijk is daarin.

  1. De feiten

3.1 In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] een vordering ingesteld tegen [appellant] tot betaling van het bedrag van €25.000,= vermeerderd met de wettelijke rente. [Geïntimeerde] heeft als grondslag voor zijn vordering gesteld dat hij verschillende bedragen aan [appellant] heeft overgemaakt tot een totaal van €25.000,= omdat laatstgenoemde in geldnood was. Partijen hadden afgesproken dat [appellant] het voormeld bedrag binnen een jaar terug zou betalen, doch weigert zij hieraan te voldoen.

3.2 [Appellant] is bij verstekvonnis d.d. 21 januari 2015 (hierna het verstekvonnis) veroordeeld om aan [geïntimeerde] te voldoen de som van €25.000,= vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf 21 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

3.3 [Appellant] heeft verzet aangetekend tegen het verstekvonnis.

3.4 Bij tussenvonnis van de kantonrechter d.d. 13 februari 2018 bekend onder AR no. 15-1831 is Thakoersing in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren, één en ander zoals beslist in voormeld tussenvonnis.

3.5 Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 11 december 2018 bekend onder AR no. 15-1831 is het verstekvonnis bevestigd.

  1. De beoordeling

4.1 Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft [appellant] ontkend dat zij een totaal bedrag van €25.000,= heeft ontvangen van [geïntimeerde].

In hoger beroep voert zij aan dat zij een totaal bedrag van €6.000,= heeft ontvangen van [geïntimeerde] en niet €25.000,=. [Appellant] voert verder aan dat de bedragen door [geïntimeerde] werden overgemaakt via Suri-Change BV in Nederland, waarna zij het geld ophaalde bij Surichange NV in Suriname.

Ter onderbouwing van haar verweer heeft [appellant] overgelegd 23 stuks documenten afkomstig van Suri-Change BV waaruit de verschillende stortingen, ten behoeve van [appellant], tot een totaal van €6.000,= blijkt. [Appellant] voert voorts aan dat [geïntimeerde] de documenten van Suri-Change BV heeft vervalst waardoor daaruit blijkt dat er hogere bedragen waren gestort ten behoeve van [appellant].

[Geïntimeerde] is herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het voorgaande doch heeft hij dit nagelaten. Het Hof gaat daarom uit van de juistheid van het verweer van [appellant] dat zij een totaal bedrag van €6.000,= heeft ontvangen van [geïntimeerde] en geen €25.000,= zoals door [geïntimeerde] was gevorderd.

4.2 Thans is aan de orde de vraag of [appellant] het bedrag van €6.000,= heeft terugbetaald aan [geïntimeerde].

[Appellant] heeft bij pleitnota uitdrukkelijk gesteld dit bedrag reeds in contanten te hebben verstrekt aan [geïntimeerde]. Aangezien [geïntimeerde] dit niet heeft betwist is in rechte komen vast te staan dat [appellant] het verschuldigde bedrag van €6.000,= heeft betaald aan [geïntimeerde], zodat zij thans niets meer verschuldigd is aan hem.

De veroordeling van [appellant] bij vonnis van de kantonrechter d.d. 11 december 2018 bekend onder AR no. 15-1831 is daarom onterecht. Om deze reden dient het hiervoor genoemde vonnis van de kantonrechter te worden vernietigd en dient de oorspronkelijke vordering van [geïntimeerde] te worden afgewezen.

Het Hof zal dan ook beslissen als na te melden.

4.3 [Geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

  1. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

5.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 11 december 2018 bekend onder A.R. no. 15-1831.

En opnieuw rechtdoende:

5.2 Wijst de vordering van [geïntimeerde] af.

5.3 Veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten aan de zijde van [appellant] gevallen – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 700,– (zevenhonderd Surinaamse Dollars)

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. M.R. Sheombar, gemachtigde van appellante terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.