SRU-HvJ-2013-9

A-746

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als [verzoeker],
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de staat”,
gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • verzoekschrift d.d. 23 juni 2011, ter griffie ontvangen op 24 juni 2011, met producties;
  • verweerschrift ter griffie ontvangen d.d. 10 augustus 2011;
  • de beschikking van het hof van 16 januari 2012 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 03 februari 2012;
  • het proces-verbaal d.d. 03 februari 2012, betreffende het verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging van bescheiden d.d. 17 februari 2012;
  • de pleitnota d.d. 16 maart 2012, met producties;
  • (antwoord) pleitnota en uitlating produkties d.d. 20 april 2012;
  • repliekpleitnota d.d. 18 mei 2012 met produkties;
  • dupliekpleitnota en uitlating producties d.d. 15 juni 2012;

De beoordeling

  1. Het gaat in deze zaak om het volgende.
  1. [Verzoeker] is in vaste dienst bij de staat, en wel als Penitentiair Ambtenaar.
  1. Bij Ministeriële beschikking d.d. 07 juni 2010 met kenmerk [nummer 1] is [verzoeker] geschorst voor de periode van drie weken met inhouding van loon gedurende de schorsingsperiode.
  1. Op 10 augustus 2010 is deze beschikking ter kennis van [verzoeker] gebracht.

2.1. In het inleidend verzoekschrift heeft [verzoeker] gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de beschikking, althans het besluit d.d. 07 juni 2010 met kenmerk [nummer 1] te vernietigen, nietig te verklaren;
  2. de staat te veroordelen uitvoering te geven aan dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,– althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat de staat weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;

III. de staat te veroordelen in de kosten van dit geding.

2.2. De staat voert verweer tegen de vordering. Op dat verweer en op de overige standpunten van partijen zal, indien nodig, in het hiernavolgende worden ingegaan.

3.1. Op grond van artikel 80 lid 1 sub b PW is een vordering tot nietigverklaring van een besluit niet – ontvankelijk indien deze is ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. Tussen partijen staat vast dat de beschikking d.d. 07 juni 2010 met kenmerk [nummer 1] op 10 augustus 2010 aan [verzoeker] is uitgereikt. [Verzoeker] heeft het verzoekschrift op 24 juni 2011 ter griffie van het Hof ingediend. Dit leidt tot de slotsom dat [verzoeker] de voormelde termijn ruimschoots heeft overschreden, doch beroept hij zich op het bepaalde in artikel 80 lid 4 PW, inhoudende dat het niet aan hem zou zijn gelegen dat hij het verzoekschrift niet binnen de bij wet gestelde termijn zou hebben ingediend. Volgens zijn betoog heeft het te laat indienen van het verzoekschrift gelegen aan de staat, omdat de staat weigerde hem fotokopies van zijn verweerschriften te doen toekomen welke verweerschriften relevant zouden zijn voor de indiening van de onderhavige vordering.

Zoals het Hof [verzoeker] begrijpt beroept hij zich op overmacht. Naar het oordeel van het Hof gaat dit beroep op overmacht niet op, omdat [verweerder] zijn verweerschrift zelf heeft opgesteld en dus weet wat hij daarin heeft vermeld. Bovendien had het ook op zijn weg gelegen zelf een fotokopie van zijn verweerschrift te maken aleer deze aan de staat te doen toekomen. Dat de staat hem heeft geweigerd een fotokopie van zijn verweerschriften te doen toekomen dient voor zijn rekening en risico te komen.

Nu gebleken is dat [verzoeker] de onderhavige vordering niet binnen de bij wet gestelde termijn ter Griffie van het Hof van Justitie heeft ingediend en evenmin sprake is van overmacht in de zin van artikel 80 lid 4 PW, zal hij niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

3.2. Gelet op de aard van de onderhavige procedure en de daarbij betrokken belangen acht het Hof termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren als na te melden.

De beslissing

Het Hof:

verklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn vordering;

bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten van de procedure draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S.M.M. Chu, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 1 november 2013, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advocaten mr. E.D. Esajas en mr. A.W. van der San, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2013-8

A-740

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in het [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de staat”,
gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • verzoekschrift d.d. 08 juni 2011, ter griffie ontvangen op 08 juni 2011, met producties;
  • verweerschrift d.d. 21 juli 2011;
  • de beschikking van het hof van 01 november 2011 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 02 december 2011, welke behandeling is verplaatst naar 02 maart 2012;
  • het proces-verbaal d.d. 02 maart 2012, betreffende het verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging van productie d.d. 16 maart 2012;
  • de pleitnota d.d. 20 april 2012, met producties;
  • antwoordpleitnota d.d. 04 mei 2012;
  • repliekpleitnota en uitlating producties d.d. 20 juli 2012;
  • bij dupliekpleitnota d.d. 20 juli 2012 heeft de gemachtigde van de Staat mondeling gepersisteerd.

De beoordeling

  1. Het gaat in deze zaak om het volgende.
  1. [verzoeker] heeft vanaf het jaar 1994 een vaste aanstelling bij de staat en bekleedt thans de rang van Penitentiair Ambtenaar.
  1. Bij Ministeriële beschikking d.d. 03 juni 2010 [nummer 1] is [verzoeker] geschorst voor de periode van één week met stilstaand van de bezoldiging gedurende de schorsingsperiode.
  1. Op 12 juli 2010 heeft [verzoeker] bij de Directeur van Justitie en Politie bezwaar aangetekend tegen het besluit zoals vervat in de hiervoor omschreven beschikking.

2.1. In het inleidend verzoekschrift heeft Darson gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de beschikking, althans het besluit daarin vervat, d.d. 3 juni 2010 met bureau No. J. 3572/10 waarbij hem een tuchtstraf is opgelegd, niet te verklaren;
  2. de staat te veroordelen uitvoering te geven aan het om dezen te geven vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,–, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat de staat weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;

III. de staat te veroordelen in de kosten van dit geding.

2.2. De staat voert verweer tegen de vordering. Op dat verweer en op de overige standpunten van partijen zal, indien nodig, in het hiernavolgende worden ingegaan.

3.1. Gebleken is dat [verzoeker] op 12 juli 2010 bezwaar tegen het besluit van de Staat bij de directeur van het Ministerie van Justitie en Politie heeft aangetekend. Ingevolge het bepaalde in artikel 78 lid 1 PW dient [verzoeker] binnen een maand bij het hoger gezag dan het orgaan dat het besluit heeft genomen bezwaar aan te tekenen. Daar in dit specifiek geval de directeur van het Ministerie van Justitie en Politie niet tot het hoger gezag behoort, doch de President van de Republiek Suriname, kan het bezwaar van [verzoeker] niet worden aangemerkt als te zijn een bezwaar in de zin van artikel 78 lid 1 PW. Om die reden zal het Hof voor wat betreft de termijn voor het indienen van de onderhavige vordering dienen uit te gaan van het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b PW.

Op grond van artikel 80 lid 1 sub b PW is een vordering tot nietigverklaring van een besluit niet – ontvankelijk indien deze is ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. Tussen partijen staat vast dat de beschikking d.d. 3 juni 2010 met bureau [nummer 1] in juli 2010 aan [verzoeker] is uitgereikt. [Verzoeker] heeft het verzoekschrift op 08 juni 2011 ter griffie van het Hof ingediend. Dit leidt tot de slotsom dat [verzoeker] de voormelde termijn ruimschoots heeft overschreden, zodat hij niet ontvankelijk is in zijn vordering.

3.2. Gelet op de aard van de onderhavige procedure en de daarbij betrokken belangen acht het hof termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren als na te melden.

De beslissing

Het Hof:

verklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn vordering;

bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten van de procedure draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S.M.M. Chu, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 1 november 2013, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advocaten mr. E.D. Esajas en mr. A.W. van der San, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2007-50

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-634

[Verzoeker], wonende aan [adres] in het [district], te dezer zake domicilie kiezende aan de Frederik Derbystraat 13A boven te Paramaribo ten kantore van de advocaat mr. G.R. Sewcharan, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. G.R. Sewcharan, advocaat,
verzoeker,

t e g e n

HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, rechtspersoon, ten deze domicilie kiezende aan de Wagenwegstraat no. 21 beneden, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. H.H. Veldkamp, advocaat,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

Bij beschikking d.d. 22 maart 2007 bekend onder J.No. 2260/07 inzake schorsing ingevolge artikel 66 lid 2 onder a van de Personeelswet, heeft de Minister van Justitie en Politie, nader te noemen verweerder, verzoeker in zijn ambt geschorst. Van de beschikking wordt hierbij een afschrift overgelegd (Productie 1).

Verzoeker is als penitentiair ambtenaar der 1e klasse in vaste dienst bij de Hoofdafdeling Delinquentenzorg van het Ministerie van Justitie en Politie en tewerkgesteld in de Centrale Penitentiaire Inrichting te Bomapolder, gelegen aan de Verlengde Welgedacht A-weg in het district Wanica.

Verzoeker kan zich met de beschikking, althans het besluit, en de gronden waarop dit berust niet verenigen en wenst op basis van de navolgende gronden bij uw Hof de onderhavige vordering in te stellen.

Grondslag beschikking

Blijkens de beschikking, voor zover hier van belang, wordt als overweging voor het besluit gegeven de “ernst van de zaak” waarvoor verzoeker als verdachte was aangemerkt en in verzekering gesteld.

Gronden beroep

  1. Zoals gesteld, is verzoeker het niet eens met het besluit en de aangehaalde grondslag. Bij bevel inverzekeringstelling d.d. 11 november 2006 is verzoeker inderdaad in verzekering gesteld terzake medeplichtigheid aan zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende, maar bij beschikking d.d. 11 december 2006 heeft de Rechter-Commissaris de invrijheidstelling van verzoeker bevolen op grond van het feit dat verzoeker ten onrechte als verdachte was aangemerkt.
  1. Na zijn invrijheidstelling heeft verzoeker zich op gegeven moment gemeld om de bedongen werkzaamheden te verrichten. De leiding van de penitentiaire inrichting liet verzoeker echter, ook na herhaald verzoek, niet toe, waarna verzoeker via ondergetekende gemachtigde de terzake bevoegde autoriteiten bij schrijven d.d. 11 januari 2007 heeft gesommeerd hem in staat te stellen zijn werkzaamheden te verrichten.

In de sommatie, waarvan afschrift hierbij gaat (Productie 2), is gesteld dat indien niet uiterlijk 15 januari 2007 verzoeker in de gelegenheid wordt gesteld de bedongen werkzaamheden te verrichten, verzoeker de hulp van de rechter zal inroepen.

Op 16 januari 2007 wordt aan verzoeker echter een schorsingsbeschikking d. d. 15 januari 2007 uitgereikt, waarin is gesteld dat verzoeker, te rekenen van de dag zijner invrijheidstelling, te weten 11 december 2006, door verweerder in zijn ambt is geschorst in afwachting van de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek.

  1. Tegen de schorsingsbeschikking d.d. 15 januari 2007 heeft verzoeker bij schrijven d.d. 26 januari 2007 al een verzoekschrift ingediend. Ook had verzoeker een kort geding ingediend strekkende tot opschorting van het besluit. Hangende dit kort geding heeft verweerder de beschikking d.d. 15 januari 2007 ingetrokken en onderhavige beschikking aan cliënt uitgereikt.
  1. Ook de onderhavige beschikking is, gelet op de weergegeven gang van zaken, ten onrechte gegeven. Ten eerste is de beslissing in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Toen verzoeker op 11 december 2006 in vrijheid werd gesteld, was de invrijheidstelling al bekend bij verweerder. Verweerder heeft na 11 december 2006 geen enkele stap jegens verzoeker ondernomen om hem te schorsen. Pas toen verzoeker gerechtelijke stappen aankondigde, werd voormelde beschikking gegeven. Door zo te handelen heeft verweerder het rechtszekerheid- en het vertrouwensbeginsel ernstig geschonden.

Verzoeker mocht, gelet op de houding van verweerder, op gegeven moment erop vertrouwen dat hij niet in zijn ambt geschorst zou worden. Er waren immers al bijna vijf weken verstreken sedert zijn invrijheidstelling bij de eerste schorsingsbeschikking en inmiddels bij de onderhavige beschikking al zeker drie maanden.

  1. Blijkens de beschikking werkt het besluit dus terug. Verzoeker wordt namelijk geschorst met ingang van 11 december 2006. Ook op grond hiervan is de beschikking niet rechtsgeldig. In artikel 6 van de Personeelswet is immers bepaald dat besluiten niet met terugwerkende kracht mogen worden genomen.
  1. Aan de beschikking is eveneens geen zorgvuldige voorbereiding voorafgaan. Verzoeker heeft zich na zijn invrijheidstelling op de werkplek gemeld om zijn werkzaamheden te hervatten, maar is door de leiding daartoe niet in de gelegenheid gesteld. De raadsman van verzoeker heeft op diens verzoek een schrijven d.d. 11 januari 2007 gericht aan het bevoegde gezag en hem verzocht verzoeker wederom toe te laten zijn werkzaamheden te hervatten en wel per 15 januari 2007. In plaats van de toelating van verzoeker tot de werkplek kreeg hij per die datum de eerste beschikking. Dit wekt het vermoeden dat verweerder kennelijk pas na 11 januari 2006 met de besluitvorming van de beschikking is begonnen, waardoor aan de beschikking nimmer een goede besluitvorming vooraf kan zijn gegaan. De onderhavige beschikking ontbeert ook de nodige zorgvuldigheid, gelet op al het voorgaande.
  1. Als grondslag voor de schorsing wordt in beschikking vermeld: ”gelet op de ernst van de zaak het nodig is, dat betrokkene in afwachting van de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek…. van zijn ambt te schorsen”.

Bij beschikking d.d. 11 december 2006 heeft de Rechter-Commissaris de inverzekeringstelling van verzoeker onrechtmatig bevonden en hem onmiddellijk in vrijheid doen stellen. De Rechter-Commissaris is van oordeel dat verzoeker ten onrechte als verdachte is aangemerkt. Na de invrijheidstelling heeft het Openbaar Ministerie geen enkele vervolgings- c.q. opsporingshandeling jegens verzoeker ondernomen. Pas bij dagvaarding

d.d. 30 januari 2007 aan verzoeker uitgereikt, is verzoeker ter terechtzitting gedagvaard, terwijl verzoeker kort daarvoor al stappen tegen de beschikking had ondernomen. De door verweerder gehanteerde grondslag is daarom onbegrijpelijk. Waarom moet het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek worden afgewacht om verzoeker weder tot het werk toe te laten als de Rechter-Commissaris al beslist heeft dat verzoeker ten onrechte als verdachte is aangemerkt en als tevens niet blijkt dat het Openbaar Ministerie de vervolging met de nodige voortvarendheid heeft voortgezet, althans in het strafrechtelijk onderzoek jegens verzoeker na 11 december 2006 geen enkele handeling is verricht, maar pas op 30 januari 2007.

  1. Verzoeker heeft er groot belang bij dat hij zijn werkzaamheden kan verrichten. Verzoeker heeft altijd gewerkt. Verzoeker is thans in vaste dienst bij verweerder in de functie van penitentiair ambtenaar en heeft op basis van deze aanstelling recht op arbeid. Verzoeker wil werken en heeft er alszodanig ook belang bij dat hij tewerk wordt gesteld. Dit belang dient in het onderhavige geval meer gewicht toegekend te worden dan het belang dat verweerder heeft bij de instandhouding van de schorsing. Verweerder handelt op grond hiervan ook in strijd met het beginsel van redelijke belangenafweging.
  1. Voorts wordt er SRD 100,– op het inkomen van verzoeker ingehouden, terwijl de grondslag daarvoor ontbreekt.
  1. Op grond van al het voorgaande komt verzoeker tot de conclusie dat de beschikking inhoudende het besluit waarbij hij in zijn ambt is geschorst ongeldig is en voor algehele nietigverklaring in aanmerking komt.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de voormelde beschikking, althans het besluit, d.d. 22 maart 2007 bekend onder J.No. 2260/07, waarbij verzoeker in zijn ambt is geschorst, nietig zal worden verklaard;
  2. verweerder zal worden veroordeeld verzoeker weder tewerk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,–, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat verweerder weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;
  3. met veroordeling van verweerder in de kosten van dit geding.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd;

  1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen door verzoeker in zijn Inleidend Rekest is gesteld en aangevoerd, indien en voor zover dit niet woordelijk en uitdrukkelijk door verweerder wordt erkend.

PRIMAIR VERWEER

  1. Als meest verstrekkend verweer voert verweerder aan dat verzoeker verzuimd heeft de Procureur-generaal als gedaagde partij te noemen, althans aan te geven dat de vordering tegen hem is ingesteld. De minister van Justitie en Politie zijnde een orgaan van de Staat, wordt vertegenwoordigd door de Procureur-generaal, kantoorhoudende op zijn parket aan de Henck Arronstraat no. 3, nergens in het rekest wordt de Procureur-Generaal in deze hoedanigheid door verzoeker genoemd c.q. vermeld. Op grond hiervan alleen zou verzoeker door uw Hof niet ontvankelijk verklaard moeten worden.

SUBSIDIAIR VERWEER

  1. Voorzover uw Hof het voorgaande verweer zou verwerpen, moge verweerder erkennen dat verzoeker op grond van artikel 66 lid 2 aanhef onder a van de Personeelswet, GB 1962 no. 195, geldende tekst S.B. 1985 no. 41, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1987 no. 93, is geschorst bij beschikking van 22 maart 2007 met het [nummer 1] afkomstig van de Minister van Justitie en Politie.
  2. Verzoeker wordt ervan verdacht zich te hebben schuldig gemaakt aan het misdrijf zware mishandeling te samen met en of in tegenwoordigheid van anderen, van een gedetineerde, welke mishandeling de dood van deze gedetineerde tot gevolg heeft gehad.
  3. Verweerder heeft op grond van de ernst van deze zaak, verzoeker in verzekering gesteld en hem geschorst in afwachting van de resultaten van het tegen verzoeker ingesteld strafrechtelijk onderzoek.
  4. Verzoeker is weliswaar door de Rechter-Commissaris op 11 december 2006 in vrijheid gesteld, maar deze invrijheidstelling hield niet in zoals verzoeker dat beweert in zijn Inleidend Rekest 7e sustenu, dat hij, “verzoeker ten onrechte als verdachte is aangemerkt”. Integendeel, de invrijheidstelling door de Rechter-Commissaris was ingegeven, op andere gronden. Verzoeker schiet te kort in zijn stelplicht doordat hij verzuimt de juiste gronden voor de invrijheidsstelling te noemen.
  5. De vervolging is van oordeel, dat verzoeker niet vrijuit gaat, derhalve dagvaarding van verzoeker zich te verantwoorden bij de Kantonrechter noodzakelijk was.
  6. Verzoeker ontving dan ook een dagvaarding op 30 januari 2006 om zich voor de Kantonrechter te verantwoorden.
  7. Op grond van het bovenstaande kan van verweerder niet verlangd worden, zoals verzoeker dat aan uw Hof vraagt onder II van het Petitum, hem tot de werkplek toe te laten, zolang het onderzoek ter terechtzitting nog niet is afgerond.
  8. Verzoeker moet begrijpen, dat zelf als hij wordt vrijgesproken door de Kantonrechter het opleggen van een disciplinaire straf door het daartoe bevoegde gezag mogelijk blijft. Er moet namelijk ervan uit worden gegaan, dat de disciplinaire geldende regels voor de penitentiair ambtenaar, zoals verzoeker, strengere eisen worden gesteld, dan de voor de gangbare burger.
  9. In casu betreft het een delict (zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende binnen de strafinrichting Santo Boma door penitentiaire ambtenaren gepleegd) die het vertrouwen in de overheid schaadt, derhalve zeer ernstig waardoor, tenminste het opleggen van een disciplinaire straf zou in casu op zijn plaats en gepast kunnen zijn.
  10. Verweerder verwerpt nadrukkelijk, dat de schorsingsbeschikking zou zijn geslagen zonder een voorafgaande belangen afweging of in strijd met de zorgvuldigheid zoals verzoeker dat beweert in het 6e, 7e en 8e sustenu Inleidend Rekest.
  11. De eerlijkheid gebiedt verweerder wel te erkennen, dat de schorsingsbeschikking na ingang van de schorsing, derhalve achteraf aan verzoeker is uitgereikt, waardoor mogelijk strijdigheid met artikel 6 Personeelswet, GB 1962 no. 195, geldende tekst S.B. 1985 no. 41, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1987 no. 93, kan worden aangenomen. De late uitreiking aan verzoeker heeft echter te maken met de traagheid van de ambtelijke molen.
  12. Verzoeker maakt wel de fout in het 5e sustenu door kennelijk onopzettelijk onvolledig te vermelden, dat artikel 6 van het in sustenu 3 genoemde Personeelswet, bepaald dat, “besluiten niet met terugwerkende kracht mogen worden genomen”. Artikel 6 van de aangehaalde Personeelswet, zegt juist, dat terugwerkende kracht wel mogelijk is, maar niet voor alle besluiten.
  13. Tenslotte moet verweerder opmerken dat hij verzoeker niet aan zijn lot heeft overgelaten. Verzoeker ontvangt nog steeds zijn salaris, waardoor de schorsing voor hem en zijn gezin in financieel opzicht geen consequenties heeft.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker op grond van het voorgaande niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering zoals neergelegd in zijn Petitum I en II, althans hem deze zal worden ontzegd.

Overwegende, dat ingevolge s’ Hoven beschikking van 7 september 2007 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advocaat mr. G.R. Sewcharan, advocaat mr. H.H. Veldkamp, gemachtigde van verweerder en mr. C.R. Autar, jurist op de afdeling Delinquentenzorg, waarna de zaak verwezen werd naar de rolzitting van 19 oktober 2007 inzake incidentele conclusie;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 19 oktober 2007 de gemachtigde de gemachtigde van verzoeker een akte van aanvulling heeft overgelegd, waarin de navolgende aanvulling is aangebracht:

instede van:

“Bij beschikking d.d. 22 maart 2007 bekend onder [nummer 2] inzake schorsing ingevolge artikel 66 lid 2 onder a van de Personeelswet, heeft de Minister van Justitie en Politie, nader te noemen verweerder, verzoeker in zijn ambt geschorst. Van de beschikking wordt hierbij een afschrift overgelegd (Productie 1)”.

komt te staan:

“Bij beschikking d.d. 22 maart 2007 bekend onder [nummer 2] inzake schorsing ingevolge artikel 66 lid 2 onder a van de Personeelswet, heeft de STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name de Minister van Justitie en Politie, in deze vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, nader te noemen verweerder, verzoeker in zijn ambt geschorst. Van de beschikking wordt hierbij een afschrift overgelegd (Productie 1)”.

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder eveneens een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in het incident heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof opmerkt, dat verzoeker bijwege van incident had moeten vorderen en wel op grond van aan het gevorderde ten grondslag gelegde feiten, om wijziging van de “eis” (artikel 109 Rv) waaronder wordt begrepen: datgene, wat gevorderd wordt, het petitum, en de feitelijke gronden, waarop de vordering berust;

Overwegende, dat, naar het Hof gebleken is, verzoeker geheel voorbij gegaan is aan wat gemelde wettelijke bepaling met betrekking tot het begrip “eis” voorschrijft, aan bespreking van het in de Akte aanvulling de dato 19 oktober 2007 verzochte gaat het Hof danook voorbij;

Overwegende, dat nu de onderhavige vordering niet ingesteld is tegen De Staat Suriname, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, wat in casu had gemoeten, rest het Hof niets anders dan verzoeker alsnog niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, bespreking van de overige stellingen van partijen als niet langer relevant geheel in het midden latend;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaren verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren: mr. J.R. von Niesewand, President, mr. H.E. Struiken, Lid en mr. A.A. Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 16 november 2007, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

w.g. R.R. Brijobhokun w.g. J.R. von Niesewand

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. H.B.A. Pick namens zijn gemachtigde, advocaat mr. G.R. Sewcharan en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. H.H. Veldkamp, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

Voor Afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

SRU-HvJ-2007-49

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-628

[Verzoeker], wonende aan [adres] te [plaats], ten deze domicilie kiezende aan de Kromme Elleboogstraat 1 ten kantore van het advocatenkantoor “METRIKO”, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. I.D. Kanhai, advocaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 3 in het district Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. S.S. Bikhari, advocaat,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat verzoeker de hierna volgende vordering wenst in te stellen tegen:

DE STAAT SURINAME, meer precies het Ministerie van Justitie en Politie, rechtspersoon, ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de H. Arronstraat no. 3 in het district Paramaribo hierna te noemen gedaagde (lees: verweerder);

  1. dat verzoeker is ambtenaar in de zin van de Personeelswet uit hoofde waarvan hij verzoeker in dienst is van de gedaagde (lees: verweerder). De hiergenoemde arbeidsrelatie is aangevangen in en of rondom december 1987. De verzoeker is vrij recent bevorderd tot brigadier van politie;
  2. dat verzoeker zich gedurende zijn dienst periode heeft doen kennen als een plichtsgetrouwe ambtenaar blijkende zulks uit de bevordering hiergenoemd;
  3. de verzoeker is op of omstreeks februari 2005 betrokken geweest bij een strafbaar feit en is hij aangehouden geweest. De verzoeker is in mei 2005 veroordeeld;
  4. (lees: 5) dat zonder enige beschikking, althans een schriftelijk besluit zijdens de daartoe bevoegde organen de verzoeker is geschorst en mocht hij na de schorsing zijn diensten mocht hervatten;

Een kopie van het schrijven betreffende zijn dienst hervatting wordt hierbij ingesloten met het verzoek de inhoud als hier herhaald en geinsereerd te willen aanmerken. De verzoeker is bij schrijven d.d. 24 november 2006 voorgedragen om bevorderd te worden in de naast hogere rang namelijk de rang van Majoor van politie. Dit schrijven is genummerd produktie 2. Uit dit schrijven blijkt het volgende dat de verzoeker vanaf zijn weder te werkstelling zich heeft doen kennen als een zeer goede ambtenaar;

  1. (lees: 6) dat de verzoeker bij beschikking d.d. 7 december 2006 K.A.No.2243 Justitie No 7421/06 is ontslagen. Een kopie van die beschikking genummerd produktie 3 wordt hierbij ingesloten met het verzoek de inhoud van die beschikking als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen aanmerken. De hiergenoemde beschikking is aan de verzoeker verstrekt op 4 januari 2007;
  2. (lees: 7) dat de beschikking hierboven genoemd met name de ontslag beschikking berust op onware feiten en of feiten die zich niet hebben voorgedaan en daarom reeds de beschikking in aanmerking komt om vernietigd te worden, daarenboven is de beschikking niet deugdelijk gemotiveerd. Voorts is hier sprake van dubbele bestraffing zonder opgaaf van redenen. De ontslagbeschikking is ondeugdelijk;
  3. (lees: 8) dat voorts de straf en of tuchtmaatregel van ontslag zoals verwoord in de hiergenoemde beschikking niet in overeenstemming is met hetgeen de verzoeker eerder was voorgehouden zoals in het hier navolgende zal blijken;

ter adstructie van het hier gestelde het volgende:

  1. in de beschikking met name in de negende overweging in het volgende opgenomen “dat bij schrijven van de commissie voor overleg in politie ambtenarenzaken d.d. 15 februari 2006 het besluit genomen is om [verzoeker] een maximale schorsing en een voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaren op te leggen, welk besluit door de Minister van Justitie werd meegenomen”.

Aan dit besluit is ook uitvoering gegeven. De verzoeker is geschorst geworden en heeft hij na ommekomst zijn diensten weer hervat zoals moge blijken uit de dienst hervattingsbrief van de Hoofdinspecteur Redan.

De verzoeker heeft zijn diensten sindsdien ook naar tevredenheid van zijn superieuren uitgevoerd. Zie in dit verband opnieuw productie 2;

  1. dat nimmer aan de verzoeker de mededeling is gedaan dat hij is geschorst omdat er termen aanwezig zijn om hem voor te dragen voor ontslag (ex art 66 Personeels Wet). De verzoeker mocht ervan uitgaan, dat nu hij zijn straf heeft ondergaan hij geen andere straf zou moeten ondergaan. Op dat punt is ook het hoorbeginsel genegeerd;
  2. dat de tuchtstraf van ontslag in geen enkele overeenstemming is met de feiten, immers is gebleken dat de verzoeker een uitstekende staat van dienst had totdat hij in een zaak met zijn familie verwikkeld is geraakt;
  3. (Lees: 9) dat de beschikking hier eerdergenoemd tevens in strijd is met het beginsel van een deugdelijke motivering ter adstructie waarvan het volgende:
  4. op geen enkele wijze is gemotiveerd aangegeven welke rechtvaardigings grond aanwezig is geweest om de verzoeker na 6 maanden te ontslaan. Zulks is in elk geval niet belichaamd in de beschikking. Ook niet is aangegeven waarom er een dubbele straf wordt opgelegd.
  5. (lees: 10) dat de gewraakte beschikking d.d. 25 oktober 2002 voorts in strijd is met de wet. Ter adstructie waarvan het volgende:
  6. dat nimmer aan de verzoeker de mededeling is gedaan dat hij na zijn schorsing alsnog ontslagen zou kunnen worden.
  7. dat het ontslag in geen enkele evenredigheid staat met het verwijt en de diensttijd van de verzoeker;
  8. (lees: 11) dat de gewraakte Beschikking No 2243 voor vernietiging in aanmerking komt nu op ergerlijke wijze sprake is van schending van het in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur, hebbende de genoemde Beschikking geen enkele feitelijke grondslag.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

gedaagde (lees: verweerder) te veroordelen alsvolgt:

  1. te vernietigen, althans nietig te verklaren de Beschikking d. d. 7 december 2006 Justitieel [nummer 1].
  2. gedaagde (lees: verweerder) te gelasten verzoeker te rehabiliteren in de rang waarin hij diende en met toekenning van de schadeloosstelling zoals bedoeld in artikel 49 van Het Politie handvest.
  3. verzoeker in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid op de normale wijze en in de functie die hij heeft bekleed voor de gewraakte Beschikking hierboven genoemd te kunnen vervullen zonder enige hinder zijdens de gedaagde (lees: verweerder).
  4. gedaagde (lees: verweerder) te gelasten het salaris aan verzoeker zoals door hem verdiend voor de Beschikking van 7 december 2006 uit te betalen en daarmede voort te gaan en voorts gedaagde (lees: verweerder) te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van SRD 10.000 voor iedere keer of dag dat zij in strijd met het hierboven gevorderde mocht handelen.
  5. (lees: e) gedaagde (lees: verweerder) te veroordelen in de kosten van het geding.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd;

  1. Gerekestreerde (lees: verweerder) ontkent en betwist al hetgeen verzoeker heeft gesteld in zijn inleidend rekest, voorzover zij deze niet gaaf en onvoorwaardelijk heeft erkend, onder aanbod van uitdrukkelijk bewijs van al zijn stellingen door alle middelen rechtens, zonder onverplicht bewijslast op zich te nemen.

Politie Ambtenaar

  1. Verzoeker was tot zijn ontslag bij beschikking de dato 07 december 2006 actief in de politiedienst in de rang van brigadier van politie. Het is pertinent onjuist dat verzoeker vrij recent is bevorderd tot brigadier van politie, immers de bevordering had plaats in het jaar 2003 en wel op 22 oktober 2003. Voorts beaamt gerekestreerde (lees: verweerder) dat verzoeker zich als een plichtsgetrouwe ambtenaar heeft gedragen.

Aanhouding en veroordeling strafbaar feit

  1. Het is juist dat verzoeker betrokken is geweest bij een strafbaar feit, echter was dat in november 2004 en niet in februari 2005 zoals verzoeker stelt in het 4e sustenu van zijn verzoekschrift. Verzoeker werd op 17 november 2004 in verzekering gesteld wegens verdenking van het plegen van strafbare feiten, zoals omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 349 jo 70; 347 jo 70; 362; 362 jo 70 en 360 Wetboek van Strafrecht. Verzoeker had zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag middels gebruikmaking van zijn dienstwapen. Naderhand is verzoeker bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, de dato 05 mei 2005 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan zes voorwaardelijk.

Van rechtswege geschorst

  1. Gerekestreerde (lees: verweerder) weerspreekt het gestelde in het 7e sustenu van het verzoekschrift, omdat verzoeker op grond van artikel 66 lid 1 van rechtswege werd geschorst. Bovendien werd verzoeker vermits hij kostwinner is, gedurende deze periode in het genot gesteld van de helft van zijn salaris.

Tuchtrecht: disciplinaire maatregel

  1. Verzoeker werd blijkens het hierbij in fotokopie overgelegd schrijven op 15 juni 2005 (productie no.1) in gebreke gesteld aangaande ernstig plichtsverzuim en in de gelegenheid gesteld zich te verweren binnen 7 dagen. Verzoeker heeft pas op 22 augustus 2005 schriftelijk aangegeven zich mondeling te zullen verweren. Verzoeker heeft mondeling verweer gevoerd op 13 oktober 2005, zoals blijkt uit het hierbij overgelegde fotokopie korpsrapport de dato 21 oktober 2005 (productie no.2), gehouden door de Korpschef.

Adviezen m.b.t. op te leggen tuchtstraf

  1. Alvorens een tuchtstraf op te leggen wordt door de Korpschef advies ingenomen bij de Procureur-Generaal. Dit advies wordt schriftelijk aangeboden aan de Minister van Justitie en Politie, die op zijn beurt het overleg Orgaan advies vraagt. De adviezen zijn echter niet bindend. In onderhavig geval had de Procureur-Generaal bij het overleg met de Korpschef op 21 juli 2005 (productie no.3) geadviseerd de tuchtstraf van ontslag op te leggen met een aanstelling in een burgerrang. De Commissie voor Overleg in Politieambtenaren Zaken deed echter ook een voorstel op 15 februari 2006, (mede gelet op de voorwaardelijke gevangenisstraf), om op te leggen de tuchtstraf van maximale schorsing en voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaren (productie no.4).
  2. De Minister van Justitie en Politie heeft naar aanleiding van het voorstel van de Commissie voor Overleg in Politieambtenaren Zaken, op 08 maart 2006 schriftelijk advies gevraagd aan de Korpschef (productie no.5). De afdeling juridische zaken heeft blijkens het hierbij in fotokopie overgelegde schrijven de dato 03 mei 2006 het advies van de Commissie voor Overleg in Politieambtenaren Zaken overgenomen en deze via de Korpschef gestuurd naar de Minister (productie no.6).

Vooruitlopend op tuchtstraf: diensthervatting

  1. Op grond van het bovenstaande werd verzoeker, vooruitlopend op de uitvoering van de tuchtstraf, dus in afwachting van het besluit van de Minister, mondeling verzocht om zijn dienst te hervatten met ingang van 08 juni 2006

Besluit Minister

  1. Voor de administratieve afhandeling, werd dan ook een conceptbeschikking verstuurd naar de Minister van Justitie en Politie voor oplegging van een tuchtstraf van een maand schorsing. De Minister heeft echter bij schrijven de dato 22 juni 2006 (productie no.7), verwezen naar het advies van de Procureur-Generaal, inhoudende de tuchtstraf van ontslag op te leggen met een aanstelling in een burgerrang, vanwege het feit dat de Minister het door verzoeker gepleegd feit als zeer ernstig aanmerkt en het als redelijk en billijk achtte om verzoeker de tuchtstraf van ontslag op te leggen. De minister is dus niet meegegaan met de adviezen zoals eerder genoemd. Op grond hiervan werd verzoeker op 21 juli 2006 in kennis gesteld van de definitieve op te leggen tuchtstraf van ontslag als politieambtenaar en aanstelling als burgerpersoneel. Als burgerpersoneel, geniet verzoeker hetzelfde salaris als een brigadier van politie. Er is sprake geweest van een horizontale instroom, waarbij betrokkene benoemd is in de rang van strafambtenaar A 2e klasse met een bezoldiging van SRD 982,00 per maand, zijnde hetzelfde salaris als van een Brigadier van politie. De politietoelagen zijn logischerwijs komen weg te vallen. Verzoeker is in salaris helemaal niet achteruit gegaan.

Nog niet in aanmerking voor bevordering

  1. Gerekestreerde (lees: verweerder) erkent dat de superieur van verzoeker, op 24 november 2006 een bevorderingsvoorstel heeft gedaan. Echter, ook al zou verzoeker brigadier van politie, qoud non, dan nog zou hij niet in aanmerking komen voor deze bevordering, immers voor een bevordering is vereist een actieve diensttijd van ten minste drie jaren in die rang (artikel 49 Reglement Algemene Politie G.B. 1972 no.143, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1990 no.25). Verzoeker werd op 22 oktober 2003 bevorderd tot brigadier van politie en zou indien hij voldeed aan de gestelde eis, vanwege zijn dienstonderbreking (17 november 2004 tot en met 08 juni 2006) pas in het jaar 2008 en wel op 15 mei 2008 in aanmerking komen voor een bevordering. Alzo is het gevorderde daaromtrent dan ook niet toewijzing vatbaar.

Beschikking juist

  1. Gerekestreerde (lees: verweerder) ontkent en betwist het gestelde in het 9e tot en met 13e sustenu van het verzoekschrift. De feiten zoals aangehaald in de beschikking berusten op waarheid en er is absoluut geen sprake van dubbele bestraffing, immers als politieambtenaren een strafbaar feit plegen, is van toepassing het commune strafrecht en het tuchtrecht. De beschikking handelt over het tuchtrecht. Van belang is dat verzoeker, wel degelijk in kennis is gesteld van de 1e voorgenomen beslissing voorafgaand aan zijn diensthervatting en daarna van het definitieve besluit van de Minister, zoals vervat in het 7e, 8e en 9e sustenu hierboven. Voorts maakt verzoeker in zijn 12e sustenu melding van een gewraakte beschikking van 25 oktober 2002, welke in strijd zou zijn met de wet. Echter is in onderhavig geval geenszins sprake van eerder vermelde beschikking. Gerekestreerde (lees: verweerder) verzoekt uw Hof dan ook om voorbij te gaan aan deze stelling.

Het gevorderde

  1. Nu gerekestreerde (lees: verweerder) gemotiveerd heeft weersproken dat de beschikking van 07 december 2006 niet in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, is de vordering onder a niet voor toewijzing vatbaar. Het overig gevorderde onder b, c, d, e en f als sequeel van het gevorderde onder a, is alzo dan ook niet voor toewijzing vatbaar. Verzoeker kan vanwege de strafrechtelijke veroordeling niet gerehabiliteerd worden als politieagent. Voorts geniet verzoeker als burgerpersoneel hetzelfde salaris dat hij verdiende als brigadier van politie. Het gevorderde onder b en d zijn alzo evenmin voor toewijzing vatbaar.
  2. Gerekestreerde (lees: verweerder) verzoekt het Hof de hierbij overgelegde producties 1 t/m 7 als hier ingelast en woordelijk herhaald te beschouwen.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, althans dat zijn vordering wordt afgewezen als te zijn ongegrond en onbewezen.

Overwegende, dat ingevolge s’ Hoven beschikking van 29 mei 2007, ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer d.d. 6 juli 2007 zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door advocaat mr. C. P. Baal namens zijn gemachtigde, advocaat mr. I. D. Kanhai, advocaat mr. S. S. Bikhari, gemachtigde van verweerder en mevrouw L. Redan, Hoofd-Inspecteur van Politie, vertegenwoordiger van de Staat Suriname, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker bij pleitnota producties overgelegd, wordende de inhoud alsmede die van de overgelegde producties hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, verzoeker, brigadier van politie in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie bij besluit, genomen bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 7 december 2006 K.A.No.2243, te rekenen van de dag volgende op die waarop dit besluit ter kennis van hem is gebracht uit de aktieve politiedienst is ontslagen en gelijktijdig aangesteld werd in de rang van Stafambtenaar A 2e klasse (schaal 16) SRD.940,– – SRD.1076,–) onder toekenning van een bezoldiging van SRD.982,– per maand, benevens een overgangstoelage ingevolge artikel 5 van het Ambtenarenbezoldigingsbesluit (S.B.1980 no.153) ten bijdrage van SRD.144,10,– per maand welke toelage zal worden verminderd met de jaarlijks aan betrokkene toe te kennen periodieken en of eventuele andere verhogingen en hem ter beschikking te stellen van de Korpschef van het Korps Politie Suriname;

Overwegende, dat daartoe overgegaan werd omdat verzoeker ervan verdacht werd van het plegen van strafbare feiten zoals omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 349 jo 70; 347 jo 70; 362, 362 jo 70 en 360 van het Wetboek van strafrecht, terzake waarvan hij bij vonnis van de Kantonrechter in het tweede kanton de dato 5 mei 2005 veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk;

Overwegende, dat verzoeker, tegen voormelde beslissing opkomend, op grond van feiten aan het verzoekschrift, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 1 februari 2007, ten grondslag gelegd en in dit vonnis als letterlijk herhaald en geinsereerd worden aangemerkt, gevorderd heeft:

  1. te vernietigen, althans nietig te verklaren de Beschikking d. d. 7 december 2006 Justitieel [nummer 1];
  2. gedaagde te gelasten verzoeker te rehabiliteren in de rang waarin hij diende en met toekenning van de schadeloosstelling zoals bedoeld in artikel 49 van Het Politie handvest;
  3. verzoeker in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid op de normale wijze en in de functie die hij heeft bekleed voor de gewraakte Beschikking hierboven genoemd te kunnen vervullen zonder enige hinder zijdens de gedaagde;
  4. gedaagde te gelasten het salaris aan verzoeker zoals door hem verdiend voor de Beschikking van 7 december 2006 uit te betalen en daarmede voort te gaan en voorts gedaagde te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van SRD.10.000,– voor iedere keer of dag dat zij in strijd met het hierboven gevorderde mocht handelen;

Overwegende, dat verweerder, zich tegen voormelde vordering verwerend op grond van stellingen, die in dit vonnis als letterlijk herhaald en geïnsereerd worden aangemerkt, geconcludeerd heeft tot niet ontvankelijkverklaring althans afwijzing van verzoekers vordering;

Overwegende, dat nu verzoeker, naar uit zijn verhoor, gehouden in Raadkamer van het Hof van Justitie de dato 6 juli 2007 blijkt, akkoord gegaan is met het eerder aan hem gedaan voorstel, hierop neerkomend, dat hij als brigadier van politie in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie uit de actieve politie dienst wordt ontslagen, in realiter ontheven, en gelijktijdig de status van ambtenaar c.q. stafambtenaar A 2e klasse, verleend krijgt, zoals weergegeven in onderdeel I van het besluit, genomen bij beschikking de dato 7 december 2006 KA.[nummer 2], en hij mitsdien geen belang meer heeft bij de onderhavige vordering, zal het Hof hem daarin niet ontvankelijk verklaren, bespreking van de overige stellingen van partijen als niet langer relevant geheel in het midden latend;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren: mr. J. R. Von Niesewand, President, mr. H. E. Struiken, Lid en mr. A. A. Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 16 november 2007, in tegenwoordigheid van mr. R. R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

w.g. R.R. Brijbhokun w.g. J.R. von Niesewand

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. H. P. Boldewijn namens zijn gemachtigde, advocaat mr. I. D. Kanhai en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. S. S. Bikhari, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-48

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-609

[Verzoeker], wonende aan [adres], [plaats] in het [district], ten deze domicilie kiezende aan de Henck Arronstraat no.63 boven, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.K.J.Brandon, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende op het Parket aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.Dulam, advokaat,
verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Verzoeker wenst de navolgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN ONDERWIJS EN VOLKSONTWIKKELING, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende op het Parket aan de Henck Arronstraat no.3 te Paramaribo, verweerder.
  2. Verzoeker is Stafambtenaar B 3e klasse in vaste dienst van verweerder, werkzaam bij het Openlucht Museum Nieuw Amsterdam.
  3. Verzoeker is vanaf 1 mei 1999 door het bevoegde gezag, namelijk de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling, belast met de waarneming van de funktie van Hoofd Openlucht Museum Nieuw Amsterdam. Bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 20 oktober 1999, no.664, is besloten aan verzoeker ingevolge de Personeelswet een waarnemingstoelage toe te kennen van Sf. 22.000,– althans SRD 22,– per maand. Van genoemde beschikking wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en ingelast te beschouwen (prod.1).
  4. Verzoekers bezoldiging bedraagt thans SRD.739,– per maand en zijn waarnemingstoelage bedraagt SRD.89,– per maand. Verzoeker legt hierbij in fotokopie over een salarisslip, met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en ingelast te beschouwen (prod.2).
  5. (lees: 5). Verzoeker neemt nu reeds bijkans 6 jaar waar in genoemde definitief opengevallen funktie van Hoofd van het Openlucht Museum te Nieuw Amsterdam nadat het vorig Hoofd van het Museum per 18 augustus 1998 was ontheven uit zijn funktie. De funktie van Hoofd Openlucht Museum Nieuw Amsterdam is dus per 19 augustus 1998 opengevallen.
  6. (lees: 6). Ingevolge artikel 22 lid 5 van de Personeelswet, wordt verzoeker geacht stilzwijgend te zijn benoemd in de funktie van Hoofd Openlucht Museum Nieuw Amsterdam, per 1 mei 2000, daar hij meer dan een jaar in totaal een definitief opengevallen funktie heeft waargenomen en voorts vaststaat dat er voor de funktie van Hoofd Openlucht Museum Nieuw Amsterdam geen wettelijke eisen voor benoembaarheid zijn.
  7. (lees: 7). Verzoeker is verder van mening dat het belasten van hem als ambtenaar met de waarneming van een hogere taak door de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling, verwachtingen wekt en impliceert dat de daarvoor vereiste formaliteiten zijn vervuld.
  8. Aan verzoeker is nimmer medegedeeld dat aan zijn taakvervulling een vormfout kleeft, die het intreden van wettelijk geregelde voordelen in de weg staat; het achterwege laten van een dergelijke mededeling aan verzoeker is in strijd met het in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur dat eist dat de andere partij eerlijk wordt behandeld.
  9. (lees: 9). Bij schrijven van verzoekers procesgemachtigde d.d. 14 maart 2005, welk schrijven aan verweerder betekend is per deurwaardersexploit d.d. 17 maart 2005, no.173, van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, Tjanderdewkoemar Jhagroe, is deze kwestie onder de aandacht gebracht van de Minister van Onderwijs en is hem tevens het verzoek gedaan die handelingen te verrichten vereist voor het in overeenstemming brengen van het door verzoeker te genieten salaris behorende bij de voormelde funktie van Hoofd Openlucht Museum te Nieuw Amsterdam en wel te rekenen vanaf 1 mei 2000. Op bedoeld schrijven, aan verweerder betekend op 17 maart 2005, is nimmer een reactie ontvangen van de Minister van Onderwijs. Van genoemd exploot wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en ingelast te beschouwen (prod.3).
  10. (lees: 10). Op grond van het hierboven gestelde moet verzoeker geacht worden vanaf 1 mei 2000 stilzwijgend in de funktie van Hoofd Openlucht Museum te Nieuw Amsterdam te zijn benoemd. Zijn rang was toen lager dan die verbonden aan de funktie van Hoofd Openlucht Museum te Nieuw Amsterdam en had hij aanspraak op bevordering in de hogere rang. Verweerder was verplicht verzoeker te bevorderen. Voor deze verplichte handeling is geen bepaalde termijn vastgesteld, zodat daarvoor de termijn van 3 maanden (art.78 lid 2 a) geldt. Toen dus drie maanden later (2 augustus 2000) geen bevordering was gevolgd, werd ingevolge art.78 lid 2a het bevoegde gezag geacht een besluit te hebben genomen en wel om de bevordering niet te effectueren, en is er sprake van een besluit in de zin van art.78 van de Personeelswet.
  11. (lees: 11). Nu verweerder de termijn van artikel 78 lid 2 sub a Personeelswet heeft overschreden, mag verzoeker redelijkerwijs aannemen dat de verweerder een afwijzend besluit heeft genomen, en is hij, verzoeker, gerechtigd om daartegen bij het Hof op te komen.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. het besluit van verweerder als bedoeld in artikel 78 lid 2 onder a van de Personeelswet, welk rechtens geacht moet worden te zijn genomen ten aanzien van verzoeker, nietig zal worden verklaard;
  2. de verweerder zal worden veroordeeld om dat besluit te nemen c.q. die handeling te verrichten vereist voor het in overeenstemming brengen van het door verzoeker te genieten salaris behorende bij de voormelde funktie van Hoofd Openlucht Museum te Nieuw Amsterdam en wel te rekenen vanaf 1 mei 2000, alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD.2.000,– (tweeduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat de verweerder nalatig blijft aan de inhoud van het vonnis te voldoen, Kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd;

  1. Verweerder ontkent en betwist alhetgeen in het navolgende niet uitdrukkelijk door hem wordt erkend;
  2. Verweerder kan erkennen dat verzoeker stafambtenaar B 3e klasse in vaste dienst is van de verweerder;
  3. Het gestelde in de (lees: het) 3e sustenu wordt erkend door de verweerder;
  4. De verweerder wenst ten aanzien van de (lees: het) overige gestelde de juiste toedracht te geven van feiten waarom de verzoeker niet in aanmerking kan komen voor de funktie Hoofd van het Openlucht Museum: Het doel van de funktie als Hoofd van het Openlucht Museum is: het toegankelijk maken en bevorderen van de historische kennis bij het publiek middels attractief maken en houden van het Openlucht Museum;

Een van de vereisten van de funktie Hoofd Openlucht Museum is dat de persoon een geschiedkundige moet zijn. Gebleken is dat verzoeker geen geschiedkundige is. De departementsleiding had zich het recht voorbehouden de verzoeker die niet aan de wettelijke eisen van benoemdbaarheid in de funktie van Hoofd van het Openlucht Museum voldoet, krachtens artikel 22 lid 2 van de Personeelswet de waarneming daarvan te belasten indien er geen andere geschikte persoon beschikbaar is, die wel aan de wettelijke eisen voldoet. De taken die het Hoofd Openlucht Museum dient te verrichten bestaat (lees: bestaan) onder andere uit het (lees: de) navolgende:

  1. het beschrijven van het monument en alle bouwkundige en landschapkundige structuren van het monument;
  2. het verzamelen van objecten, species, literatuur en allerhandse documenten ten behoeve van de opbouw van een evenwichtige natuurhistorische Cultuur historische en technologische historische prestatie;
  3. het onderhouden van contacten met instellingen in het buitenland die vakgericht (lees: vakgerichte) literatuur verstrekken en
  4. het onderhouden van contacten met cultuur-museologische instellingen in en binnen-buitenland;

Vanwege de gebrekkige basisopleiding die verzoeker heeft is hij niet instaat de voormelde taken naar behoren uit te voeren;

Omdat de verzoeker aan de wettelijke vereisten om de functie van het Hoofd Openlucht Museum te bekleden niet bezit komt hij niet in aanmerking te worden benoemd tot Hoofd van het Openlucht Museum. Op grond van art.78 lid 2 van de Personeelswet wordt verweerder geacht een besluit te hebben genomen welke niet voor vernietiging vatbaar is;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker in zijn vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze hem zal worden ontzegd alszijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat ingevolge s’ Hovens beschikking van 13 oktober 2006, ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.K.J.Brandon, advokaat Mr.S.Dulam, gemachtigde van verweerder en Mr.Rabindranath Lala, vertegenwoordiger van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden;

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Alszijnde enerzijds gesteld en anderzijds niet (gemotiveerd) weersproken danwel erkend, alsmede op grond van de inhoud van de niet-weersproken overgelegde produkties staat het navolgende tussen partijen rechtens vast:

  1. Verzoeker is stafambtenaar B 3e klasse in vaste dienst van verweerder, werkzaam bij het Openlucht Museum Nieuw Amsterdam en thans werkzaam in de Palmentuin (overgeplaatst ingaande 3 april 2006).
  2. Sedert 19 augustus 1998 is de funktie van Hoofd Openlucht Museum Nieuw Amsterdam definitief opengevallen.
  3. Verzoeker is vanaf 1 mei 1999 door het bevoegde gezag, namelijk de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling, belast met de waarneming van de funktie van Hoofd Openlucht Museum Nieuw Amsterdam.
  4. Verzoeker neemt langer dan 6 jaar waar in genoemde definitief opengevallen funktie van Hoofd van het Openlucht Museum te Nieuw Amsterdam.
  5. Er zijn geen wettelijke vereisten voor de funktie van Hoofd Openlucht Museum Nieuw Amsterdam.

Aan zijn vordering legt verzoeker benevens, en gelet op, de hiervoren vermelde vaststaande feiten ten grondslag, dat hij ingevolge artikel 22 lid 5 van de Personeelswet geacht wordt stilzwijgend te zijn benoemd in de funktie van Hoofd Openlucht Museum Nieuw Amsterdam per 1 mei 2000, daar hij meer dan een jaar in totaal een definitief opengevallen funktie heeft waargenomen;

Het verweer van verweerder komt hierop neer, dat verzoeker niet voldoet aan de gestelde criteria voor de funktie van Hoofd Openlucht Museum Nieuw Amsterdam, immers moet volgens internationaal gebruik een dergelijke functionaris een geschiedkundige academicus zijn die een proefschrift heeft geschreven.

Vooreerst overweegt het Hof dat zij het beroep door verzoeker gedaan op het bepaalde in artikel 22 lid 5 gegrond acht, nu verzoeker voor onbepaalde tijd door het bevoegde gezag is belast met de waarneming van voormelde funktie en hij dat langer dan 6 jaar heeft gedaan. De jurisprudentie gaat daarvan ook uit (zie T.J.F.Tjong Tjin Joe ca de Staat en S.J.Kaersenhout ca de Staat, S.J.1990 blz.11 e.v. en blz.36 e.v.). Voorts schrijft art.22 lid 5 van de Personeelswet imperatief voor dat betrokkene wordt geacht te zijn benoemd (zie Mvt alsook het vonnis van het H.v.J. d.d. 21 mei 1976, Sanches ca Pensioenfonds Suriname, S.J. A no.157).

Het Hof is verder van oordeel dat, nu er geen wettelijke vereisten voor een benoeming in voormelde funktie bestaan en nergens in de Personeelswet voorgeschreven is dat bij het ontbreken van wettelijke vereisten betrokkene aan niet wettelijk vastgestelde materiële of traditionele vereisten zou moeten voldoen, het verweer van verweerder alszijnde in strijd met de (woorden van de) wet faalt.

Daarenboven is het stellen van niet bij of krachtens de wet gestelde en daardoor voor de landsdienaar niet of moeilijk kenbare vereisten, niet bevorderlijk voor de rechtszekerheid waarop de landsdienaar aanspraak maakt en derhalve in strijd met de Personeelswet, die beoogt een verhoogde rechtsbescherming aan de ambtenaar te bieden.

Gelet op het feit dat er sprake is van een besluit in de zin van art.78 Personeelswet is het gevorderde onder A van het petitum van het verzoekschrift toewijsbaar. Het gevorderde onder B van het petitum zal, op grond van het hierboven overwogene, als na te melden worden toegewezen. Aan verweerder zal na de uitspraak van het vonnis een periode van twee maanden worden gegund opdat zij uitvoering kan geven aan het vonnis.

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

  1. Verklaart het besluit van verweerder als bedoeld in artikel 78 lid 2 onder a van de Personeelswet die rechtens geacht wordt te zijn genomen ten aanzien van verzoeker nietig;
  2. Veroordeelt verweerder om, binnen twee maanden na de uitspraak van dit vonnis, dat besluit te nemen c.q. die handeling te verrichten vereist voor het in overeenstemming brengen van het door verzoeker te genieten salaris behorende bij de funktie van Hoofd Openlucht Museum Nieuw Amsterdam en wel te rekenen vanaf 1 mei 2000;
  3. Veroordeelt verweerder tot betaling van een dwangsom van SRD.2.000,– (TWEEDUIZEND SURINAAMSE DOLLARS) voor iedere dag dat de verweerder nalatig blijft aan dit vonnis te voldoen;
  4. Wijst af het meer of anders gevorderde;

Aldus gewezen door de heren: Mr.D.D.Sewratan, Fungerend-President, Mr.H.E.Struiken, Lid en Mr.A.Charan, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag 6 juli 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens advokaat Mr.K.J.Brandon, gemachtigde van verzoeker, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger is verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-47

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-603

[Verzoeker] wonende in het [district] aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Hofstraat no.34 te Paramaribo, ten kantore van Mr.Lesley H.R.Rogers, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.L.H.R.Rogers, advokaat
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname zetelende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.C.J.Halfhuid, advokaat,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hovens interlocutoir vonnis van 1 juni 2007 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hovens voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie onder overlegging van een produktie heeft overgelegd, waarvan de inhoud – alsmede die van de overgelegde produktie – hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 3 augustus 2007, advokaat Mr.R.M.C.Denz namens advokaat Mr.C.J.Halfhuid heeft verklaard dat Mr.Halfhuid zich heeft gerefereerd en partijen vervolgens vonnis hebben gevraagd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 17 augustus 2007, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof refereert aan en persisteert bij het tussenvonnis van 1 juni 2007 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat verzoeker, ter voldoening aan voormeld tussenvonnis, bij daartoe strekkende ter rolle van 13 juni 2007 genomen conclusie in het onderhavige geding heeft doen brengen een afschrift in fotokopie van een resolutie de dato 3 januari 2006 [nummer 1] waarbij verzoeker, Hoofd Penitentiaire Ambtenaar 3e klasse (bezoldigingsschaal 17) in vaste dienst op de Hoofdafdeling Delinquentenzorg van het Ministerie van Justitie en Politie , werkzaam in de Centrale Penitentiaire Inrichting te Bomapolder gelegen aan de Verlengde Welgedacht A weg in het distrikt Wanica, te rekenen van 1 augustus 2004 bevorderd is tot Hoofd Penitentiaire Ambtenaar der 2e klasse (bezoldigingsschaal 18) en aldaar werkzaam werd gelaten;

Overwegende, dat verzoeker, naar het het Hof voorkomt, dan ook geen belang meer heeft bij het door hem oorspronkelijk gevorderde waaraan niet afdoet, dat hij, verzoeker, niet te rekenen van 1 november 2003 als door hem oorspronkelijk gevorderd, bevorderd is, doch te rekenen van 1 augustus 2004;

Overwegende, dat het Hof verzoeker alsnog niet-ontvankelijk verklaren zal in het oorspronkelijk door hem gevorderde;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker alsnog niet ontvankelijk in zijn oorspronkelijke vordering;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.D.D.Sewratan, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 24 augustus 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, verzoeker in persoon en advokaat Mr.R.M.C.Denz namens advokaat Mr.C.J.Halfhuid, gemachtigde van verweerder.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-46

 

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-597

[Verzoeker], wonende te [plaats] aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat no.36 beneden, ten kantore van de advokaat Mr.E.C.M.Hooplot, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat,

verzoekster,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te diens Parkette te Paramaribo aan de H.A.E.Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.5, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien s’ Hovens interlocutoir vonnis van 19 januari 2007 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in s’ Hovens voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, verzoekster in persoon, bijgestaan door advokaat Mr.F.Thijm namens haar gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en advokaat Mr.A.R.Baarh, gemachtigde van verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoekster een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie onder overlegging van produkties heeft genomen, wordende de inhoud alsmede die van de overgelegde produkties hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder eveneens een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen onder overlegging van een produktie, wordende de inhoud alsmede die van de overgelegde produktie hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op 19 oktober 2007, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, verzoekster, Penitentiaire Ambtenaar der 3e klasse in vaste dienst bij de Hoofd afdeling Delinquentenzorg, van het Minister van Justitie en Politie, werkzaam in de Centrale Penitentiaire Inrichting te Bomapolder gelegen aan de Welgedacht A weg in het distrikt Wanica, ingevolge artikel 32 lid 1 onder h, van het “Penitentiair Besluit, de tuchtstraf van schorsing voor de duur van 2 (twee) dagen met stilstand van de aan haar betrekking verbonden inkomsten gedurende de schorsingsperiode vanwege het in de gelegenheid stellen van een jeugdige gedetineerde om gebruik te maken van haar cellulair toestel en daarmede artikel 14 lid 2 van het Reglement Penitentiare Inrichting heeft overtreden;

Overwegende, dat verzoekster, opkomend tegen voormelde tuchtstraf op grond van feiten, in het verzoekschrift, ingekomen ter Griffie van het Hof de dato 27 januari 2005, vermeld, heeft gevorderd bij vonnis:

  1. nietig te verklaren althans te vernietigen het besluit als vervat in de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 22 september 2004 [nummer 1] tot het opleggen van de tuchtstraf van schorsing aan verzoekster.
  2. gedaagde te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,– voor iedere dag waarop in gebreke blijft om binnen een maand na de uitspraak van het ten deze te wijzen vonnis danwel binnen een andere door uw Hof in redelijkheid te bepalen termijn een besluit te nemen tot bevordering van verzoekster in de naast hogere rang van Penitentiair Ambtenaar der Tweede klasse en zulks met ingang van de datum waarop in juni 2004 haar collega’s zijn bevorderd, danwel een andere door het Hof in redelijkheid vast te stellen datum.

Overwegende, dat verzoekster, naar aanleiding van wat haar verweten werd, tijdens het verhoor van partijen in raadkamer van 21 april 2006 onder meer heeft verklaard:”Elke ambtenaar heeft een paar jeugdigen onder haar hoede. Een van de jeugdigen vroeg mij op de bewuste dag of hij mocht bellen omdat hij zijn moeder al twee maanden niet gezien had en hij haar wat spullen wilde vragen die hij nodig had; dat ik hem eerst gezegd had om even te wachten maar toen het verzoek werd herhaald heb ik zijn moeder gebeld en haar duidelijk gemaakt waarom naar haar werd gebeld en hem de gelegenheid gegeven even met zijn moeder te praten;

Overwegende, dat verzoekster, bij de op 22 juni 2007 gehouden inlichtingen comparitie in persoon verschenen, onder meer heeft verklaard, dat zij te rekenen van 1 juli 2004 in aanmerking gekomen is voor de bevordering in de rang van Penitentiaire Ambtenaar 2e klasse; dat de beschikking, waarbij zij bevorderd is, alsnog in het onderhavige geding zal worden gebracht;

Overwegende, dat verzoekster bij daartoe strekkende conclusie de dato 20 juli 2007 in het onderhavige geding heeft doen brengen een afschrift van de beschikking de dato 11 april 2005 [nummer 2] met bijlage behorende bij voormelde schikking van de Minister van Justitie en Politie waarbij zij op 1 juli 2004 bevorderd is in de rang Penitentiaire Ambtenaar 2e klasse (schaal 14), onder toekenning aan haar van een bezoldiging van SRD 804,–, welke bezoldiging ingevolge de resolutie van 15 april 2004 [nummer 3] (S.B. 2004 no.54) is herzien en nader vastgesteld op het bedrag zoals vermeld in kolom 12 achter haar – verzoeksters – naam; zowel van de beschikking als van de bijlage wordt de inhoud in dit vonnis als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat, naar uit het vorenoverwogene thans blijkt, verzoekster niet bij het in onderdeel a en ook niet bij het in onderdeel b van het petitum gevorderde, nog enig belang heeft;

Overwegende, dat het Hof verzoekster derhalve alsnog niet ontvankelijk verklaren zal in haar vordering;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker alsnog niet ontvankelijk in haar vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks en Mr.D.D.Sewratan, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van Vrijdag, 19 oktober 2007, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.H.Veldkamp namens haar gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2019-59

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Vonnisnummer: 05/2019
Uitspraak: woensdag 23 januari 2019
Parketnummer: 01 -01 – 7205
TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis, van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 21 juni 2011 en uitgesproken tegen de verdachte:

[Verdachte], geboren op [geboortedatum] te [district], douaneambtenaar van beroep en wonende aan de [adres] te [district], thans in vrijheid verkerend.

De verdachte is in persoon verschenen en wordt bijgestaan door zijn raadsman,
mr. F.F.P. Truideman, advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 23 juni 2011 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton waarbij de verdachte ter zake het onder B ten laste gelegde (medeplichtigheid aan diefstal, misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 370 juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht) is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie ( 3) jaar met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, zal vernietigen en de verdachte voor het onder B ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

De verdediging heeft bepleit dat het hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 21 juni 2011 zal vernietigen en de verdachte zal vrijspreken van de algehele tenlastelegging.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 21 juni 2011 is de verdachte – verkort weergegeven – veroordeeld voor het feit onder B van de tenlastelegging tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie ( 3) jaar met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

Het hof kan zich niet verenigen met het vonnis van de kantonrechter, weshalve het vonnis zal worden vernietigd en opnieuw zal worden recht gedaan zoals hierna uiteen te zetten.

De tenlastelegging:

Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton, van waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Indien in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

VRIJSPRAAK

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte aan feiten van de inleidende dagvaarding ten laste is gelegd en zal de verdachte daarvan integraal vrij spreken.

MOTIVERING VAN DE VRIJSPRAAK

Het feitelijk gebeuren:

[bedrijfsnaam] (voormalige [bedrijfsnaam]) had een 40 (veertig) voet container inhoudende 1100 (elfhonderd) kartonnen sigaretten van het merk Morello uit [land] geïmporteerd. Op 01 augustus 2007 kwam de container met inhoud als voormeld hier te lande aan. Op dezelfde dag werd de container met inhoud bij NV Haven Beheer Suriname gelost en op de container opslagplaats te Nieuwe Haven opgeslagen. De container was verzegeld en was voorzien van het nummer [nummer]. Deze container bleek later niet meer te vinden zijn op de daartoe bestemde opslagplaats op het Nieuwe Havencomplex. Uit de registratie van de afgifteformulieren voor containers blijkt dat voormelde container niet is ingeklaard voor afgifte en dat voormelde container nog steeds in de administratie van het NV Haven Beheer stond geregistreerd als te zijn opgeslagen. In voormelde periode was er een aanvang gemaakt met de rehabilitatie van NV Haven Beheer en dit had tot gevolg dat voormelde haven slechts één (1) in – en uitgang had voor het betreden en verlaten van het havencomplex. Voormelde in – en uitgang diende toen tevens als controlepost die werd bemand door een douaneambtenaar, bewakers (personeel van de security) en operation NV Haven Beheer Suriname. Elke truck- chauffeur die het havencomplex verlaat met een container met goederen zou door deze functionarissen gecontroleerd moeten worden.

Het onderzoek:

Uit de verklaringen van de personen [persoon 1] en [persoon 2] afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van respectievelijk 22 november 2017 en 28 februari 2018 is komen vast te staan dat de verdachte op die bewuste dag van 17 augustus 2007 als douanier te werk was gesteld bij de controle post te Nieuwe Haven. De verdachte erkent het voorgaande eveneens.

Tevens is uit de diverse verklaringen van de personen [persoon 3],[persoon 2], [persoon 4] en de verdachte – afgelegd op de terechtzittingen in hoger beroep – gebleken dat op de stripzone reeds een fysieke controle plaatsvindt van een container met inhoud. Na goedkeuring door de aldaar dienstdoende douaneambtenaar wordt een volgbrief afgestaan aan de truckhouder die de container zal vervoeren naar de uitgang c.q. controlepost. Bij de controlepost is er een douaneambtenaar, in dit geval de verdachte, aanwezig, die dan het containernummer en het kentekenplaat van de truck controleert en verifieert met de gegevens vermeld op het volgbriefje. Na gedegen controle en goedkeuring van de douaneambtenaar, mag de truckchauffeur met de container en het volgbriefje zich begeven naar de poort alwaar de security medewerkers na een sein van de douaneambtenaar of de supervisor te hebben ontvangen, de hefboom open doen teneinde de truck met de container door te laten om het havencomplex te verlaten.

Uit de verklaringen van [persoon 4] in hoger beroep is gebleken dat er geen registratie van doorlaatbewijs voor die desbetreffende container met lading heeft plaatsgevonden, hetgeen zou betekenen dat die container administratief nog op het havencomplex zou moeten zijn, wat feitelijk niet het geval bleek te zijn.

Uit al de verklaringen van de diverse personen zowel uit het politiedossier als op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken dat er in de periode augustus 2007 en met name ook op 17 augustus 2007 een enigszins onoverzichtelijke situatie heerste te Nieuwe Haven als gevolg van rehabilitatie werkzaamheden ter plekke. Voorheen waren er twee poorten op het havencomplex, één voor de ingang en de ander voor de uitgang. Op 17 augustus 2007 bleek dat er slechts één poort was die diende als ingang en uitgang. Ook was er een onderbemensing bij de douane, waarbij slechts 1 douaneambtenaar de inkomende en uitgaande containers moest controleren en bovendien is het des vrijdags nog drukker op het havencomplex. Tussen de diverse functionarissen heerste een soort vertrouwensband, waarbij niet in alle gevallen fysieke controle werd uitgevoerd.

Het hof overweegt ten aanzien van bovenvermelde feiten het volgende:

Uit het politioneel onderzoek is er in de visie van het hof geen (duidelijke) link te leggen tussen de personen die de container met de lading sigaretten hebben weggenomen en de verdachte.

De enkele omstandigheid dat de verdachte op die bewuste dag zijn werkzaamheden als douaneambtenaar uitoefende op de controlepost levert naar het oordeel van het hof onvoldoende grond op voor de aanname van de kwalificatie “ passieve medeplichtigheid”.
Het bestanddeel “ opzet” van de verdachte is niet uit de verf gekomen bij dit onderzoek. Het enkel nalaten van de uitvoering van de controle zijdens de verdachte op zichzelf beschouwd is onvoldoende om aan te nemen dat zijn opzet was gericht op het voorbereiden, bevorderen dan wel het voltooien van het misdrijf.

Uit het onderzoek zijn er geen andere ondersteunende bewijsmiddelen gebleken die de aanwezigheid en / of de handelingen van de verdachte kunnen linken aan het medeplichtig zijn bij het wegmaken van de veertig voet container inhoudende sigaretten toebehorende aan het bedrijf [bedrijfsnaam].

De consequentie van het voorgaande is dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de beschuldigingen zoals verwoord in de tenlastelegging.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 21 juni 2011 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste is gelegd.

Spreekt de verdachte vrij van de gehele tenlastelegging.

Aldus gewezen door:

mr. A. Charan, Fungerend President,
mr. M.C. Mettendaf en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden, bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh, fungerend – griffier en uitgesproken door de fungerend – president voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 23 januari 2019.

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh w.g. A. Charan
w.g .M. C. Mettendaf
w.g. S.S.S. Wijnhard

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

SRU-HvJ-2018-63

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
Meervoudige raadkamer
Volgnummer: Bzc 659/2018

Beslissing van 11 oktober 2018

Op het verzoek tot vervolging ingediend door:

[Klager],
Wonende [Plaats],
klager,
advocaat: mr. M. Toekoen,

Het verzoek/ beklag is gericht tegen:
[Beklaagde],
Kantoorhoudende [Plaats],
hierna te noemen: de beklaagde,

1.Procesverloop

1.1. Klager heeft op 07 juni 2017 het beklagschrift ingediend, waarin hij heeft verzocht dat op basis van artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 5 van de Wet op de Inrichting en Samenstelling van de Rechterlijke Macht, de Procureur – Generaal zal worden bevolen om de persoon van [beklaagde] te vervolgen althans te doen vervolgen terzake van de in de artikelen 320, 321 en 326 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht vermelde strafbare feiten zoals aangehaald in het beklagschrift.

1.2. Voormeld beklagschrift is in behandeling genomen op 28 februari 2018, 11 juni 2018 en 25 juli 2018, waarbij de klager bijgestaan door zijn raadsvrouwe en de vervolgingsambtenaar zijn gehoord, zijnde daarvan processen-verbaal opgemaakt welke zich onder de processtukken bevinden.

2. Het standpunt van klager/verzoeker

2.1. Klager heeft ter onderbouwing van het verzoek –samengevat- het volgende aangevoerd:

  • De beklaagde in de persoon van beklaagde heeft publiekelijk middels het advertentieblad ‘ Via 2000” jaargang 10, editie 18 van 25 juni 2010 en jaargang 11, editie 15 van 02 juni 2010 en via het televisieprogramma Waakhond uitgezonden op 28 september 2010, de klager beticht van valsheid in geschrifte, onwettige handelingen en corruptie.
  • Voorts heeft beklaagde niet geschroomd om in het dagblad De Ware Tijd van 24 april 2017 en in het advertentieblad Via 2000 van respectievelijk 20 – en 27 oktober 2017 wederom de klager te bestempelen als een machtsdronken idioot die laffe rancuneuze en misdadige handelingen pleegt en regels van de zegelwet vertrapt om beklaagde als taxateur brodeloos te maken.

2.2. Klager stelt zich op het standpunt dat hij toen als hypotheekbewaarder de regels van de zegelwet in acht heeft genomen en dat hij bij ongeregeldheden een gesprek heeft gevoerd met de desbetreffende notarissen en de taxateur in kwestie over de waardevermelding in taxatierapporten. Het is ook gebleken dat bij bepaalde taxatierapporten opgemaakt door de beklaagde, de waarden niet correct stonden vermeld en werden de desbetreffende stukken terug gestuurd naar de notaris in kwestie. Het is geenszins de bedoeling om een taxateur of deze taxateur brodeloos te maken. Op basis van de zegelwet en de regels vanuit het Ministerie van Financiën dient de hypotheekbewaarder te handelen.

2.3 Derhalve is klager de mening toegedaan dat de taxateur in kwestie ten onrechte en wel publiekelijk – zonder enig grondig onderzoek te plegen of af te wachten zijn goede naam en eer heeft aangetast, waarbij klager de functie van hypotheekbewaarder niet meer mag uitoefenen. Bovendien had de vervolging naar aanleiding van zijn schrijven d.d. 12 oktober 2010 een onderzoek of verhoor gestart in deze kwestie, doch is het eindresultaat niet bekend of is klager in het ongewisse gebleven wat het onderzoek heeft uitgewezen, aangezien beklaagde nog in het jaar 2017 wederom klager publiekelijk heeft beledigd.

3. De reactie van de waarnemend Procureur – Generaal
3.1. De waarnemend Procureur – Generaal heeft – kort gezegd – zich op het standpunt gesteld dat de beklaagde, de taxateur in kwestie, de mening is toegedaan dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan smaad en laster of belediging, omdat hij de waarheid heeft gesproken. De vervolging heeft naar aanleiding van het schrijven van klager d.d. 12 oktober 2010 een politioneel onderzoek gestart, waarbij zowel de klager als beklaagde zijn gehoord alsmede enkele notarissen en/of personen werkzaam op het kantoor van die bepaalde notarissen. Hierna zou de zaak zijn geseponeerd, doch kan de hand niet meer op die stukken omtrent het seponeren worden gelegd. De vervolging had toen geen feiten en omstandigheden aanwezig geacht om een strafvervolging tegen de beklaagde in te zetten. Thans blijkt dat de beklaagde wederom in het jaar 2017 middels het advertentieblad “Via 2000” publiekelijke uitlatingen heeft gedaan, waarbij naar de mening van de klager het imago van hem, klager wordt geschaad. Het hof had tijdens de behandeling van dit beklag op 11 juni 2018 mediation aanbevolen tussen klager en beklaagde. Die mediation is toegepast, echter heeft het niet tot een succes geleid. De beklaagde is de mening toegedaan dat hij publiekelijk de waarheid heeft gesproken en liever zal instaan voor een vervolging dan zijn verontschuldigingen aan te bieden.

4. De beoordeling
4.1. Klager heeft ingevolge het bepaalde in artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering het beklagschrift ingediend tegen de Procureur – Generaal betreffende de vervolging van persoon van [beklaagde];

4.2. Het hof gaat uit van de volgende feiten. De beklaagde heeft publiekelijk middels het advertentieblad ‘ Via 2000” jaargang 10, editie 18 van 25 juni 2010 en jaargang 11, editie 15 van 02 juni 2010 en via het televisieprogramma Waakhond uitgezonden op 28 september 2010, de klager beticht van valsheid in geschrifte, onwettige handelingen en corruptie.
Voorts heeft beklaagde er niet voor geschroomd om in het dagblad De Ware Tijd van 24 april 2017 en in het advertentieblad “Via 2000” van respectievelijk 20 – en 27 oktober 2017 wederom de klager te bestempelen als een machts-dronken idioot die laffe rancuneuze en misdadige handelingen pleegt en regels van de zegelwet vertrapt om beklaagde als taxateur brodeloos te maken.

4.3. Het hof is van oordeel dat een ieder het recht op vrije meningsuiting heeft, doch betekent het niet dat het uiten van die mening in het openbaar grenzeloos is. Het publiekelijk uiten van meningen of stellingen naar anderen toe – zonder enige gerechtvaardige en / of wettelijke grondslag daartoe – waarbij schade of schande aan het imago van die personen wordt toegebracht, is in strijd met de doelstelling van het recht op vrije meningsuiting afgezet tegen het recht van eerbiediging van privacy.

4.4. Het hof is van oordeel dat de beklaagde andere legale wegen kon hebben aangewend casu quo bij andere instanties kon hebben aangeklopt om zijn beklag omtrent het niet accepteren van de door hem opgemaakte taxatie- rapporten door de hypotheekbewaarder, in casu de klager, te laten onderzoeken. De beklaagde heeft het onderzoek niet afgewacht en heeft wederom in 2017 zich publiekelijk uitgelaten over de persoon van de klager, zonder enig onderzoek door een bevoegde instantie. Bovendien is het hof geen stukken tegengekomen waarbij de zaak al in 2010 zou zijn geseponeerd, hetgeen impliceert dat het beklag van de klager nog in tact was en dat deze zaak door de vervolging nogal onredelijk lang in onderzoek is.

4.5. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat de feiten en omstandigheden die klager ter onderbouwing van zijn beklag naar voren heeft gebracht grond opleveren voor het instellen van een strafvervolging tegen de persoon van beklaagde en dat het beklag derhalve gegrond is.

5. Beschikkende

5.1 Verklaart het beklag van de klager gegrond;

5.2 Beveelt dat het openbaar ministerie een strafvervolging zal instellen tegen de persoon van [beklaagde] terzake van het bepaalde in de artikelen 320, 321 en 326 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op donderdag 11 oktober 2018 door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Lid-Plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoer Singh, Fungerend-Griffier.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze,
( mr. S. Ghopie, waarnemend Substituut – Griffier )

SRU-HvJ-2015-39

A-755

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
Wonende te [plaats],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
procederend in persoon,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. P.J. Campagne, wnd. Onderdirecteur Algemeen Beheer van het Ministerie van Justitie en Politie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het verzoekschrift d.d. 28 oktober 2011, met producties;
  • de beschikking van het Hof van 13 december 2011 waarbij de termijn binnen welke het verweerschrift moet worden ingediend is verlengd met zes weken;
  • het verweerschrift d.d. 23 januari 2012;
  • de beschikking van het Hof van 18 mei 2012 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 6 juli 2012;
  • het proces-verbaal van de op 6 juli 2012 gehouden mondelinge behandeling;
  • de pleitnota d.d. 5 oktober 2012;
  • de antwoord pleitnota d.d. 2 november 2012, met een productie;
  • de repliek pleitnota en uitlating productie d.d. 7 december 2012;
  • de dupliek pleitnota d.d. 18 januari 2013.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2.1 [verzoekster] is op basis van een arbeidsovereenkomst op 16 maart 2004 als Hoofdbeleidsmedewerker in dienst getreden van de Staat onder toekenning van een bezoldiging conform de schaal verbonden aan de rang van Hoofdambtenaar B 3e klasse (schaal 18).

2.2 [verzoekster] is ingevolge resolutie van de President van de Republiek Suriname
d.d. 23 augustus 2008, [nummer 1] bezoldigd volgens de schaal verbonden aan de rang van Hoofdambtenaar B 2e klasse (schaal 19).

2.3 Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 11 september 2008
no. [nummer 2] is [verzoekster] te rekenen van 1 september 2007 in vaste dienst aangesteld in de functie van Hoofdbeleidsmedewerker 2e klasse en is haar de rang toegekend van Hoofdambtenaar B 2e klasse (schaal 19).

2.4 Bij de implementatie van het functiewaarderingssysteem FISO is [verzoekster] ingepast in schaal 10B.

2.5 Bij schrijven van de Onderdirecteur van Justitie d.d. 28 oktober 2010, kenmerk [nummer 3] is aan [verzoekster] medegedeeld dat de inpassing in schaal 10B onterecht was en gecorrigeerd dient te worden. Met [verzoekster] diende een traject te worden uitgezet voor onterecht getoucheerd salaris. [verzoekster] werd in de gelegenheid gesteld daartoe voorstellen te doen.

2.6 [verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 11 november 2010 beklag gedaan bij de Minister van Justitie en Politie. Op dit schrijven heeft [verzoekster] generlei reactie ontvangen.

2.7 Bij schrijven van de Wnd. Directeur van Justitie d.d. 30 juni 2011, kenmerk [nummer 4], is [verzoekster] uitgenodigd een regeling te treffen met de sectie Salarisadministratie ten aanzien van de inhouding van het teveel ontvangen bedrag aan bezoldiging.
[verzoekster] heeft op dit schrijven gereageerd bij brief van 8 juli 2011 waarin zij verwees naar haar beklag bij de Minister van Justitie en Politie en opmerkte dat de uitnodiging om een regeling te treffen ter inhouding van een te veel ontvangen bedrag aan bezoldiging tegen haar wil was.

2.8 Over de maand juli 2011 is SRD 471 minder aan salaris gestort voor [verzoekster].

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoekster] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken:
Primair:
de Staat te veroordelen haar aan te stellen in de gedifferentieerde functie van Beleidscoördinator, de salariëring en alle emolumenten;

Subsidiair:
Inpassing conform schaal 10B onder handhaving van het reeds toegekend salaris met alle emolumenten.

Meer subsidiair:
de Staat te veroordelen haar te compenseren voor al de jaren waarin zij als Hoofdbeleidsmedewerker heeft gefunctioneerd.

3.2 Ter onderbouwing van haar vordering heeft [verzoekster] aangevoerd dat het door haar gelaakt besluit jegens haar onrechtmatig is omdat het in strijd is met artikel 5 lid 2a van de Personeelswet. Zij heeft gedurende 7 jaren in de ruim omschreven functie (Hoofdbeleidsmedewerker) gefunctioneerd zodat aangenomen mag worden dat zij impliciet ook in de functie van Senior Beleidsmedewerker en Beleidscoördinator is benoemd.
3.3 De Staat heeft verweer gevoerd.
Op dat verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in het hiernavolgende ingegaan.

Bevoegdheid
4 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur.
Artikel 79 van de Personeelswet behelst een limitatieve opsomming van de vorderingen waarover het Hof van Justitie als ambtenarengerecht heeft te oordelen. De vordering tot aanstelling maakt daar geen onderdeel van uit, zodat het Hof de bevoegdheid mist kennis te nemen van de primaire vordering.
Blijkens het tweede lid van artikel 79 van de Personeelswet zijn besluiten met betrekking tot het salaris vatbaar voor nietigverklaring.
Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Staat genomen met betrekking tot het salaris van [verzoekster]. Aangezien ingevolge artikel 79, lid 1, sub b het Hof oordeelt over vorderingen met betrekking tot vergoeding van schade die voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig nemen van een besluit in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, is het Hof eveneens bevoegd kennis te nemen van de meer subsidiaire vordering, indien de subsidiaire vordering niet toewijsbaar mocht zijn.

De beoordeling van het geschil
5.1 Geconstateerd wordt dat [verzoekster] opkomt tegen de wijziging van haar inpassing in het zogenaamd FISO systeem. Dit besluit, vervat in het schrijven van de Onderdirecteur van Justitie van 28 oktober 2010, heeft [verzoekster] in ieder geval vóór 11 november 2010 bereikt, aangezien zij op deze datum schriftelijk haar beklag heeft gedaan bij de Minister van Justitie en Politie, van wie zij generlei reactie heeft ontvangen. Ingevolge artikel 78 lid 2 wordt de Minister geacht zes maanden na 11 november 2010 – dit is op 11 mei 2011 – een besluit te hebben genomen.
Uit het door [verzoekster] ingediend verzoekschrift blijkt niet expliciet tegen welk besluit zij opkomt:
het besluit vervat in het schrijven van de Onderdirecteur van Justitie of het fictief besluit van de Minister van Justitie en Politie.
Naar het oordeel van het Hof is het door [verzoekster] ingediend verzoek tardief, zelfs indien wordt uitgegaan van de voor [verzoekster] meest gunstige situatie, namelijk dat zij opkomt tegen het fictief besluit van de Minister van Justitie en Politie. Nu het door de Staat genomen besluit betreft een fictie ex artikel 78 lid 2 van de Personeelswet, heeft naar het oordeel van het Hof [verzoekster] door het enkele verstrijken van de termijn genoemd in laatstgenoemd artikel redelijkerwijs kennis kunnen nemen van het fictief besluit.
Tegen dit fictief besluit kon [verzoekster] ingevolge artikel 80 lid 3 sub b uiterlijk 11 juni 2011 opkomen bij het ambtenarengerecht.
Het verzoekschrift van [verzoekster] is echter ná 11 juni 2011 ontvangen door het Hof van Justitie. [verzoekster] zal derhalve in haar subsidiaire en meer subsidiaire vordering niet ontvankelijk worden verklaard.

5.2.1 Het Hof overweegt ten overvloede dat, ook indien het verzoekschrift niet tardief was, het door [verzoekster] gevorderde niet voor toewijzing vatbaar is.
Ten aanzien van de subsidiaire vordering wordt overwogen dat de Staat heeft aangevoerd dat de inpassing van [verzoekster] binnen het FISO-systeem is geschied onder voorbehoud. De Staat heeft verder aangevoerd dat, nadat gebleken is dat [verzoekster] verkeerd is ingepast, correctie heeft plaatsgevonden. Deze correctie heeft volgens de Staat niet tot gevolg gehad dat [verzoekster] een salaris is toegekend dat lager was dan het salaris dat haar vóór de inschaling in het FISO-systeem werd uitgekeerd. Ter adstructie heeft de Staat overgelegd een schematisch overzicht waaruit blijkt dat [verzoekster] vóór de implementatie van FISO een salaris genoot van
SRD 1.688,03 en na correcte inpassing in het FISO-systeem haar salaris SRD 2.219 bedroeg. [verzoekster] heeft hierop slechts gesteld dat zij binnen de FISO inschaling is terug gezet in een lagere salarisschaal nadat zij reeds enkele jaren in een hoger salarisschaal ingepast was. [verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling tevens gesteld dat zij bij de implementatie van het FISO is geplaatst in een lagere functie zodat zij achteruit is gegaan in salariëring en wel van schaal 10B naar schaal 9C.
Het Hof constateert dat [verzoekster] niet betwist dat de inschaling binnen het FISO-systeem onder voorbehoud heeft plaatsgevonden, noch dat haar oorspronkelijke inschaling niet correct heeft plaatsgevonden, maar haar vordering doet stoelen op het feit dat zij reeds enkele jaren het hoger salaris heeft ontvangen. Dit argument is, nu inschaling onder voorbehoud geschiedde, naar het oordeel van het Hof niet valide, zodat de subsidiaire vordering niet toegewezen zou kunnen worden. Van verlaging van salaris is in casu geen sprake hoezeer ook de correctie van de inschaling door [verzoekster] als zodanig wordt ervaren. Van inschaling conform een lagere functie is naar de mening van het Hof evenmin sprake, aangezien [verzoekster] vóór de implementatie van FISO de functie van Hoofdbeleidsmedewerker bekleedde en deze functie thans in het FISO systeem is gewaardeerd volgens functiegroep 9C en de huidige salariëring van [verzoekster] conform deze functiegroep geschiedt.

5.2.2 De meer subsidiaire vordering kan, als onvoldoende onderbouwd, niet voor toewijzing vatbaar zijn.

De beslissing
Het Hof:

6.1 verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de primaire vordering.

6.2 verklaart [verzoekster] niet ontvankelijk in haar subsidiaire en meer subsidiaire vordering.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 april 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. P.J. Campagne, gemachtigde van verweerder, terwijl verzoekster niet is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld