SRU-HvJ-2015-38

A- 749

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende [plaats],
verzoeker,
gemachtigde: mr. A.E. Telting, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder,
gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ter griffie ingediend op 15 juli 2011;
  • het verweerschrift ter griffie ingediend op 29 augustus 2011;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 10 mei 2012, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 juni 2012;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 05 oktober 2012;
  • de pleitnota d.d. 01 maart 2013;
  • de antwoordpleitnota d.d. 03 mei 2013;
  • de repliekpleitnota d.d. 17 mei 2013;
  • de dupliekpleitnota d.d. 21 juni 2013;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was gesteld op 15 november 2013, doch nader bepaald op heden.

1. De motivering
De feiten
Tussen partijen (hierna respectievelijk ”[verzoeker]” en ”het ministerie” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

1.1 [verzoeker] is vanaf het jaar 1979 als penitentiair ambtenaar in dienst van het ministerie en heeft thans de rang van hoofd penitentiair ambtenaar 2e klasse en functioneert als groepscommandant in de Centrale Penitentiaire Inrichting.

1.2 Bij schrijven van de directeur van de Penitentiaire Inrichting Duisburglaan (PID) d.d. 09 juli 2010 [nummer 1] werd [verzoeker] in de gelegenheid gesteld zich binnen 1×24 uur na ontvangst van het schrijven, schriftelijk te verweren ter zake gedragingen, handelingen en uitlatingen
door hem gedaan naar aanleiding van een beklagschrift van de penitentiaire ambtenaar 2e klasse W. Nakchedi tegen [verzoeker].

1.3 Bij schrijven van de directeur van de PID d.d. 09 juli 2010 [nummer 2], is [verzoeker] namens de onderdirecteur van Justitie belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Delinquentenzorg, hierna aangeduid als “de onderdirecteur van Justitie”, met inachtneming van artikel 23 van de Personeelswet, met ingang van dezelfde datum buiten functie gesteld in verband met een tegen hem ingesteld onderzoek.

1.4 Bij schrijven d.d. 10 juli 2010 heeft [verzoeker] een beklagschrift gericht aan de onderdirecteur van Justitie met betrekking tot de manier waarop hij werd behandeld op 09 juli 2010 door de directeur en de onderdirecteur van de PID.

1.5 Bij schrijven d.d. 10 juli 2010 gericht aan de directeur van de PID, heeft [verzoeker] zich schriftelijk verweerd naar aanleiding van de verweeraanzegging d.d. 09 juli 2010 [nummer 1].

1.6 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 31 mei 2010 [nummer 3], is besloten om [verzoeker] wegens plichtsverzuim op te leggen de tuchtstraffen van:
a. ontslag onder voorwaarde ingevolge artikel 32 lid 1 onder j van het Penitentiair Besluit juncto artikel 64 lid 2 van de Personeelswet, dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij hij zich binnen een proeftijd van twee jaren, welke proeftijd zal ingaan op de dag volgende op die waarop dit besluit ingevolge artikel 5 van de Personeelswet ter kennis van hem is gebracht, wederom schuldig maakt aan een soortgelijke vorm van plichtsverzuim als waarvoor die bestraffing geldt of enig ander plichtsverzuim;
b. degradatie ingevolge artikel 32 lid 1 onder i van het Penitentiair Besluit, bestaande uit verlaging van de rang tot penitentiair ambtenaar der 1e klasse (schaal 6C), onder toekenning van een bezoldiging van SRD 1.295,=.

1.7 Bij schrijven d.d. 02 augustus 2010 ref. [nummer 4].don gericht aan de onderdirecteur van Justitie heeft [verzoeker] via zijn gemachtigde bezwaar aangetekend tegen de buitenfunctiestelling door de directeur van de PID.

1.8 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 10 augustus 2010 [nummer 5], is besloten om [verzoeker] wegens plichtsverzuim ingevolge artikel 32 lid 1 onder h van het Penitentiair Besluit juncto artikel 61 lid 2 van de Personeelswet schorsing op te leggen voor de duur van drie maanden, met stilstand van de aan zijn betrekking verbonden inkomsten gedurende de schorsingsperiode.

1.9 Naar aanleiding van het bezwaarschrift van [verzoeker] d.d. 02 augustus 2010 ref. [nummer 4]. don, heeft de onderdirecteur van Justitie bij schrijven d.d. 25 augustus 2010 de gemachtigde van [verzoeker] medegedeeld dat [verzoeker], hoofd penitentiair ambtenaar der 2e klasse, reeds op 12 augustus 2010 wederom een aanvang heeft gemaakt met zijn werkzaamheden.

1.10 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 27 september 2010 [nummer 6], is besloten om onder verbetering c.q. aanvulling, de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 31 mei 2010 [nummer 3] in te trekken, overwegende:

  • dat in paragraaf II a. moet worden gelezen “degradatie bestaande uit verlaging van de rang tot Penitentiaire Ambtenaar der 3e klasse zal ingaan op de dag volgende waarop dit besluit ingevolge artikel 5 van de Personeelswet ter kennis van hem is gebracht”;
  • dat paragraaf I als volgt zal luiden: “degradatie ingevolge artikel 32 lid i (lees: artikel 32 lid 1 onder i) van het Penitentiair Besluit, bestaande uit verlaging van de rang tot Penitentiaire Ambtenaar der 1e klasse (schaal 6C) voor de duur van 1 jaar, onder toekenning van een bezoldiging van SRD 1.295,= (…)”;
  • dat paragraaf I zal worden aangevuld met de leden c en d welke als volgt luiden:

    “c. dat bij deze degradatie de Hoofd Penitentiaire Ambtenaar der 3e klasse, de heer [verzoeker] voornoemd, op de ranglijst in anciënniteit de oudste zal zijn;

    d. dat betrokkene na een jaar wederom op de ranglijst in de rang der Hoofd Penitentiaire Ambtenaar der 2e klasse de plaats zal innemen die hij voor de terugstelling tot de rang van Hoofd Penitentiaire Ambtenaar der 3e klasse had ingenomen.”

1.11 Bij schrijven d.d. 03 december 2010 heeft [verzoeker] een gesprek aangevraagd met de onderdirecteur van Justitie omtrent de onterechte tuchtmaatregelen tegen hem.

1.12 Bij schrijven d.d. 28 februari 2011 heeft de directeur van de Centrale Penitentiaire Inrichting aan [verzoeker] medegedeeld dat de hem bij beschikking d.d. 10 augustus 2010 [nummer 5] opgelegde schorsing voor de duur van drie maanden, door hem zal worden ondergaan van 01 maart 2011 tot en met 31 mei 2011.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
2.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. de beschikkingen d.d. 31 mei 2010 [nummer 3], d.d. 10 augustus 2010 [nummer 5] en d.d. 27 september 2010 [nummer 6], waarin aan [verzoeker] tuchtstraffen worden opgelegd, nietig te verklaren;
II. het ministerie te gelasten [verzoeker] met terugwerkende kracht toe te kennen en uit te betalen zijn salaris en alle emolumenten die hij door de onrechtmatig opgelegde tuchtstraffen is misgelopen;
III. het ministerie te gelasten[verzoeker] te bevorderen in de naast hogere rang nadat de in punt I genoemde beschikkingen zijn vernietigd, waar hij recht op heeft gelet op de rangregeling Penitentiaire Ambtenaren;
IV. het ministerie te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van SRD 5.000,-, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat het ministerie weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen.

2.2 [verzoeker] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de hem opgelegde tuchtstraffen onrechtmatig zijn opgelegd. [verzoeker] ontkent de handelingen die hem verweten worden te hebben verricht en zelfs indien bewezen, naar zijn mening de kern van de opgelegde tuchtstraffen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van feiten, de gevolgen van het vermeende plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder de feiten zouden hebben plaatsgevonden. [verzoeker] is van mening dat het ministerie niet tot het opleggen van dergelijke zware straffen kan overgaan zonder dat een gedegen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de werkelijke gang van zaken die zich hebben voorgedaan en die hebben geleid tot de hierboven genoemde beschikkingen, dit mede gelet op de zware gevolgen die deze straffen voor [verzoeker] met zich meebrengen.

2.3 Het ministerie heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [verzoeker] opkomt tegen beschikkingen, waarvan de uitreiking laatstelijk op 03 december 2010 heeft plaatsgevonden. Nu, blijkens de aantekening van de griffie van het Hof [verzoeker] het verzoekschrift op 15 juli 2011 heeft ingediend en alzo het Hof als ambtenarengerecht ruim 7 maanden na de uitreiking van de beschikking adieert, is [verzoeker] ingevolge artikel 79 e.v. van de Personeelswet niet-ontvankelijk in zijn vordering.

3. De beoordeling van het geschil
3.1 Op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet acht het Hof zich als ambtenarengerecht bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen.

3.2 In reactie op het door het ministerie gevoerd verweer beroept [verzoeker] zich in zijn pleitnota op artikel 80 lid 4 van de Personeelswet, stellende dat het genomen besluit waarvan hij thans de nietigverklaring vordert in september 2010 is gegeven nadat een eerdere beschikking was ingetrokken vanwege daarin voorkomende fouten. Door deze onduidelijkheden is [verzoeker] dusdanig in de war geraakt en heeft hij eerst geprobeerd via andere kanalen duidelijkheid daarover te krijgen en mogelijk een oplossing te bereiken buiten proces om. Deze situatie waarin [verzoeker] kwam te verkeren als direct gevolg van hetgeen hierboven is geschetst, dient onmiskenbaar als een overmachtssituatie te worden aangemerkt, aldus [verzoeker].

3.3 Het Hof overweegt dat, nu de beschikking d.d. 31 mei 2010 [nummer 3] bij beschikking d.d. 27 september 2010 [nummer 6] is ingetrokken, [verzoeker] geen belang meer heeft bij een nietigverklaring van voormelde beschikking, zodat [verzoeker] niet-ontvankelijk zal worden verklaard voor wat betreft de vordering tot nietigverklaring van de beschikking d.d. 31 mei 2010 [nummer 3].

3.4 Ten aanzien van de beschikkingen d.d. 10 augustus 2010 [nummer 5] en d.d. 27 september 2010 [nummer 6], wordt overwogen dat niet is betwist dat [verzoeker] de beschikkingen in ieder geval op 03 december 2010 uitgereikt heeft gehad en dus kennis heeft gedragen van de inhoud daarvan, mede gelet op het verzoek van [verzoeker] d.d. 03 december 2010 gericht aan de onderdirecteur van Justitie voor een gesprek omtrent de onterechte tuchtrechtelijke maatregelen tegen hem, terwijl het verzoekschrift bij het Hof op 15 juli 2011 is ingediend. Ingevolge artikel 80 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet is [verzoeker] derhalve tardief met zijn vorderingen nu deze binnen een maand na 03 december 2010 moesten zijn ingesteld.

3.5 Aangezien bij schrijven d.d. 28 februari 2011 aan [verzoeker] is medegedeeld dat de hem bij beschikking d.d. 10 augustus 2010 [nummer 5] opgelegde schorsing voor de duur van drie maanden, door hem zal worden ondergaan van 01 maart 2011 tot en met 31 mei 2011, wordt geconcludeerd dat er met betrekking tot de uitvoering c.q. strekking van de beschikking van 10 augustus 2010 [nummer 5] geen verwarring kon hebben bestaan bij [verzoeker], weshalve het beroep op overmacht in casu niet opgaat en [verzoeker] ingevolge artikel 80 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet niet-ontvankelijk zal worden verklaard voor wat betreft de vordering tot nietigverklaring van de beschikking van 10 augustus 2010 [nummer 5].

3.6 Met betrekking tot de beschikking d.d. 27 september 2010 [nummer 6], wordt overwogen dat het in casu duidelijk gaat om correcties van fouten en/of aanvullingen in de beschikking d.d. 31 mei 2010 [nummer 3]. Nergens uit blijkt dat de opgelegde tuchtmaatregelen zijn ingetrokken dan wel vervallen. Meer nog, de maatregelen zijn nader gespecificeerd in de overwegingen. Hoewel het Hof van oordeel is dat de beschikking door de wijzigingen c.q.
aanvullingen ietwat onoverzichtelijk kan overkomen, is er geen onduidelijkheid over de strekking van de beschikking. In ieder geval kan [verzoeker] zich in casu, naar het oordeel van het Hof, in alle redelijkheid niet op overmacht beroepen voor het tardief zijn. Het beroep op overmacht wordt derhalve verworpen en [verzoeker] zal ingevolge artikel 80 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet niet-ontvankelijk worden verklaard voor wat betreft de vordering tot nietigverklaring van de beschikking d.d. 27 september 2010 [nummer 6 ].

3.7 Nu [verzoeker] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het onder I gevorderde van het petitum en de overige onderdelen van het petitum een sequeel vormen van het gevorderde onder I, zal [verzoeker] eveneens voor het overig gevorderde niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. De beslissing
Het Hof:

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid, en mr. S.S. Nanhoe, Lid-Plaatsvervanger, en
w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 februari 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. E.D. Esajas namens advocaat mr. A.E. Telting, gemachtigde van verzoeker, en verweerder vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne namens advocaat mr. A.W. van der San, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2015-37

A-731

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat,

tegen

A. DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Financiën, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur Generaal, zetelende te Paramaribo,
gevolmachtigde: mr. D. Parohi, jurist bij het Ministerie van Financiën,

B. HET SURINAAMS POSTBEDRIJF (SURPOST), rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, advocaat, verweerders,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken alsmede op de voet van artikel 6 van de Wet Surpost 1993 gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift d.d. 08 april 2011, met producties;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor verweerschrift, d.d. 23 mei 2011;
  • de beschikking van het Hof d.d. 31 mei 2011, waarbij de termijn voor verweerschrift m.i.v. 25 mei 2011 met 6 weken is verlengd;
  • het verweerschrift namens het ministerie d.d. 29 juni 2011, met een productie;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 01 november 2011, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 november 2011;
  • het verweerschrift namens Surpost d.d. 06 januari 2012;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 20 januari 2012;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en het overleggen van stukken zijdens het ministerie d.d. 02 maart 2012, met producties;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en het overleggen van stukken zijdens Surpost d.d. 02 maart 2012, met producties;
  • de pleitnota d.d. 15 juni 2012, met een productie;
  • het antwoord pleitnota en uitlating productie zijdens het ministerie d.d. 20 juli 2012;
  • het antwoord pleitnota en uitlating productie zijdens Surpost d.d. 16 november 2012;
  • het repliek pleitnota d.d. 15 maart 2013, met producties;
  • het dupliek pleitnota en uitlating producties zijdens het ministerie d.d. 05 april 2013;
  • het dupliek pleitnota en uitlating producties zijdens Surpost d.d. 17 mei 2013;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was gesteld op 16
  • augustus 2013, doch nader bepaald op heden.

De motivering
De feiten
1. Tussen partijen (hierna respectievelijk ”[verzoeker]”, ”het ministerie” en “Surpost” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

1.1. Surpost is bij Wet Surpost, Staatsblad 1993 no.34, als rechtspersoon ingesteld.

1.2 De leden 3 en 7 van artikel 6 van de Wet Surpost luiden als volgt:
3. De directeur wordt op voordracht van de Raad benoemd en ontslagen door de Minister, na verkregen goedkeuring van de Raad van Ministers. De onderdirecteuren worden benoemd en ontslagen door de directeur, na goedkeuring van de Raad van Commissarissen.
7. Tegen schorsing en ontslag staat beroep open bij het Hof van Justitie binnen 30 dagen nadat het ontslag ter kennis van betrokkene is gebracht. De artikelen 79 tot en met 83 van de Personeelswet zijn van overeenkomstige toepassing. Het beroep heeft geen schorsende werking.

1.3 Artikel 16 lid 1 en lid 2 van de Wet Surpost luiden als volgt:
1. De op het tijdstip van de instelling van SURPOST bij dit bedrijf werkzame landsdienaar en SURPOST zijn gerechtigd om binnen zes maanden daarna een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht aan te gaan, welke zal ingaan op de datum van de instelling van SURPOST.
Aan de betrokken landsdienaar zal in dat geval ontslag uit Staatsdienst worden verleend conform het in de Personeelswet (S.B.1985 no.41) ter zake bepaalde. De rechtspositie van het personeel dat aldus de status van landsdienaar verliest, wordt geregeld in een Collectieve Arbeidsovereenkomst op grond van de individuele arbeidsovereenkomsten (lees: die) met de personeelsleden zullen worden gesloten.
2. De op het tijdstip van de instelling van SURPOST werkzame landsdienaar met wie binnen de in lid 1 genoemde termijn geen arbeidsovereenkomst wordt aangegaan, blijft in dat geval Landsdienaar in dienst van het Ministerie van Financiën. Bedoelde Landsdienaren zullen niet langer dan zes maanden na de instelling te werk gesteld blijven bij SURPOST. In uitzonderlijke, door de Minister te bepalen gevallen, kan hiervan worden afgeweken.

1.4 [verzoeker] is bij beschikking van de Minister van Financiën d.d. 24 oktober 1999 [nummer 3], te rekenen van 22 september 1999, benoemd tot Directeur van Surpost.

1.5 Bij schrijven d.d. 17 februari 2011 van het Ministerie van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu, kenmerk [nummer 1], is aan de Raad van Commissarissen van Surpost vergunning verleend om de dienstbetrekking met [verzoeker] te beëindigen met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn.

1.6 Bij beschikking van de Minister van Financiën d.d. 10 maart 2011, [nummer 2], is aan [verzoeker] ingaande 10 juli 2011ontslag verleend, met inachtneming van artikel 1615f lid 3 BW en gelet op:

  • de beschikking van de Minister van Financiën d.d. 30 oktober 1999 (lees: 24 oktober) [nummer 3];
  • artikel 6 lid 3 van de Wet SURPOST S.B. 1993 no.34;
  • de voordracht van de Raad van Commissarissen van SURPOST voor ontslag van de directie d.d. 13 januari 2011;
  • de beslissing van de Raad van Ministers d.d. 13 januari 2011 (missive d.d. 13 januari 2011 no. [nummer 4]);
  • de ontslagvergunning van de Ontslagcommissie van het Ministerie van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu d.d. 17 februari 2011, kenmerk [nummer 1].

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
2.1 [verzoeker] vordert om bij vonnis:
1. voor recht te verklaren dat het aan [verzoeker] verleende ontslag kennelijk onredelijk is.
2. verweerders te veroordelen de dienstbetrekking met [verzoeker] te herstellen op een door de rechter in goede justitie te bepalen datum met bepaling van voorzieningenomtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking.

2.2 [verzoeker] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat bij beschikking van de Minister van Financiën is benoemd in zijn functie, hetgeen met zich meebrengt dat hij valt onder de omschrijving van artikel 1 lid 1 van de Personeelswet. Bovendien zijn bij of krachtens wet geen afzonderlijke voorschriften omtrent de rechtstoestand van het personeel van Surpost vastgesteld, op grond waarvan vast staat dat de dienstbetrekking tussen [verzoeker] en het ministerie een publiekrechtelijke grondslag heeft waarop de bepalingen van de Personeelswet van toepassing zijn, hetgeen wordt gesteund door het bepaalde in artikel 6 lid 7 van de Wet Surpost. Het ministerie heeft verzuimd, althans nagelaten [verzoeker] in de gelegenheid te stellen zich ter zake mondeling of schriftelijk te verantwoorden alvorens de tuchtstraf van ontslag aan [verzoeker] op te leggen. Het aan [verzoeker] verleende ontslag komt niet voor onder artikel 69 lid 2 van de Personeelswet waardoor er sprake is van een ondeugdelijke grondslag. [verzoeker] stelt voorts dat indien het Hof van mening mocht zijn dat de dienstbetrekking van [verzoeker] niet van publiekrechtelijke aard is en dat de bepalingen van de Personeelswet niet van toepassing zijn op hem, dat hij in dat geval wenst aan te voeren dat het aan hem verleende ontslag kennelijk onredelijk is omdat de grond waarop het ontslag rust, niet steunt op feiten en omstandigheden die op waarheid berusten.

2.3 Het ministerie en Surpost hebben als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat Surpost vanaf 01 januari 1993 is verzelfstandigd bij Wet Surpost S.B. 1993 no.34. Daar, voor de directie en het personeel de rechtspositie wordt geregeld in artikel 6 van de Wet Surpost, kan mede op grond van artikel 1 lid 2 van de Personeelswet geconcludeerd worden dat [verzoeker] geen ambtenaar is in de zin van de Personeelswet. [verzoeker] dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

De beoordeling van het geschil
3.1 Voorop wordt gesteld dat het Hof ingevolge artikel 79 lid 1 van de Personeelswet slechts bevoegd is kennis te nemen van vorderingen tot algehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een besluit dan wel tot vergoeding van schade voortvloeiend uit een besluit dan wel tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit.

3.2 Met betrekking tot de vraag of [verzoeker] wel of geen ambtenaar c.q. landsdienaar is in de zin van artikel 1 lid 1 van de Personeelswet, overweegt het Hof als volgt. Vast staat dat [verzoeker] bij beschikking van de Minister van Financiën is benoemd tot directeur van Surpost. Voorts is in de Wet Surpost bepaald dat het ontslag van de directeur Surpost geschiedt na verkregen goedkeuring van de Raad van Ministers. Niet gesteld noch is gebleken dat er voor de
directeur van Surpost een aparte rechtspositie is geregeld noch is er een arbeidsovereenkomst met hem getekend. Het voorgaande brengt derhalve met zich dat [verzoeker] ingevolge artikel 1 lid 2 sub a van de Personeelswet landsdienaar is en dat de bepalingen van de Personeelswet op hem van toepassing zijn, op grond waarvan hij het Hof als Ambtenaren Gerecht mag adiëren. Bovendien wordt overwogen dat ook indien [verzoeker] geen landsdienaar zou zijn, hij het Hof toch zo mogen adiëren aangezien de artikelen 79 tot en met 83 van de Personeelswet van overeenkomstige toepassing zouden zijn op grond van artikel 6 lid 7 van de Wet Surpost. Het Hof zal zich daarom in beginsel dan ook bevoegd dienen te verklaren om kennis te nemen van de vordering.

3.3 Gelet op de aard van de vorderingen van [verzoeker] zal het Hof zich in casu echter onbevoegd dienen te verklaren, nu het door [verzoeker] gevorderde niet de strekking heeft om een besluit nietig te verklaren dan wel om schadevergoeding te vorderen voortvloeiend uit een besluit dan wel oplegging van een dwangsom te vorderen voor het verder achterwege laten van een besluit.

De beslissing
Het Hof:

verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen kennis te nemen.

Aldus gegeven door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 april 2015 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. V.V.C. Pique namens advocaat mr. S. Marica, gemachtigde van verzoeker en verweerder sub A vertegenwoordigd door mr. D. Parohi en mr. P.J. Campagne namens advocaat mr. A.W. van der San, gemachtigden van verweerder sub A en verweerder sub B vertegenwoordigd door mr. A. Codrington namens advocaat mr. H.R. Lim A Po, gemachtigde van verweerder sub B, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2015-36

A-720

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te Paramaribo,
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. S.N. Woei A Sioe, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV),
rechtspersoon, zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “het ministerie”,
gemachtigde: mr. D. Jairam, jurist,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het verdere procesverloop na het vonnis in het incident d.d. 2 november 2012

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie d.d. 02 februari 2011, met producties;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor verweerschrift, d.d. 18 maart 2011;
  • de beschikking van het Hof d.d. 05 april 2011, waarbij de termijn voor verweerschrift m.i.v. 21 maart 2011 met 6 weken is verlengd;
  • het verweerschrift overgelegd d.d. 02 mei 2011, met een productie;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 14 juli 2011, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 21 oktober 2011;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in Raadkamer d.d. 18 november 2011;
  • de pleitnota en aanvulling van eis d.d. 06 januari 2012, met producties;
  • de conclusie tot uitlating met betrekking tot het incident d.d. 02 maart 2012;
  • het vonnis in het incident d.d. 02 november 2012;
  • het antwoord pleitnota d.d. 01 februari 2013;
  • het repliek pleitnota d.d. 15 maart 2013;
  • het dupliek pleitnota d.d. 03 mei 2013;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was gesteld op 04
  • oktober 2013, doch nader bepaald op heden.

De motivering

De feiten

1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

1.1. Op 27 mei 2008 heeft het ministerie – vertegenwoordigd door haar directeur, daartoe gemachtigd bij beschikking d.d. 27 mei 2008 no.2646 – met [verzoeker] gesloten een overeenkomst tot het verrichten van bijzondere diensten, tegen een honorarium van SRD 2500,- per maand, met ingang van 01 februari 2008 voor de duur van een jaar, met de mogelijkheid van verlenging en een opzegtermijn van twee maanden (hierna genoemd: de overeenkomst van 27 mei 2008).

1.2 Op 08 maart 2010 hebben het ministerie – vertegenwoordigd door haar directeur, daartoe gemachtigd bij beschikking d.d. 08 maart 2010 no.1480A – en [verzoeker], de tussen hen gesloten overeenkomst van 27 mei 2008, onder dezelfde voorwaarden, te rekenen van 01 februari 2009 voor de duur van een jaar verlengd tot 01 februari 2010.

1.3 Op 09 maart 2010 hebben het ministerie – vertegenwoordigd door haar directeur, daartoe gemachtigd bij beschikking d.d. 09 maart 2010 [nummer 1] – en [verzoeker], de tussen hen gesloten overeenkomst van 27 mei 2008, onder dezelfde voorwaarden, te rekenen van 01 februari 2010 voor de duur van een jaar verlengd tot 01 februari 2011.

1.4 Bij schrijven van de directeur van het ministerie d.d. 03 januari 2011, is aan [verzoeker] medegedeeld dat de met hem gesloten arbeidsovereenkomst, eindigende op 01 februari 2011, niet zal worden verlengd vanwege gewijzigde beleidsinzichten.

1.5 Bij schrijven van de gemachtigde van [verzoeker] d.d. 01 februari 2011, gericht aan de Minister van LVV, is het ministerie onder andere gesommeerd om aan [verzoeker] door te betalen het loon ad SRD 2.500,- p`er maand, vermeerderd met emolumenten; uit te keren aan [verzoeker], de aan hem verschuldigde vakantiedagen en vakantiegelden, in totaal SRD 7.200,-, over de jaren 2008, 2009 en 2010.

De vordering en het verweer daartegen

2.1 [verzoeker] heeft oorspronkelijk gevorderd om bij vonnis het besluit van de directeur van LVV d.d. 03 januari 2011 nietig te verklaren.

2.2 Nu de gevorderde eiswijziging door [verzoeker] bij vonnis in het incident d.d. 16 november 2012, deels is toegewezen, komt het petitum als volgt te luiden:

  • het voormelde besluit van de directeur van LVV d.d. 03 januari 2011 nietig te verklaren;
  • de Staat te veroordelen tot doorbetaling van het loon ad SRD 2.500,- per maand, alsmede de financiële emolumenten verbonden aan zijn functie vanaf 01 februari 2011 tot de dag waarop de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente ad 6% per jaar;

2.3 [verzoeker] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het besluit van de directeur van LVV d.d. 03 januari 2011 niet in stand kan blijven op grond van het ontbreken van een deugdelijke grondslag. Immers, is [verzoeker] niet gehoord alvorens het besluit is genomen, waardoor het ministerie in strijd heeft gehandeld met het hoorbeginsel. Voorts, ontbeert het besluit een draagkrachtige motivering, aangezien niet is aangegeven wat de gewijzigde beleidsinzichten inhouden, waardoor het motiveringsbeginsel is veronachtzaamd door het ministerie. Bovendien heeft het ministerie in strijd gehandeld met het verbod van willekeur, nu [verzoeker] ingevolge artikel 23 lid 4 van de Personeelswet, in geval van belang van de dienst slechts zou kunnen worden ontheven, doch heeft het ministerie voor een oneigenlijke weg en reden gekozen door het zwaarste middel te kiezen, namelijk ontslag.

2.4 Het ministerie heeft formele verweren tegen de vordering van [verzoeker] aangevoerd, erop neerkomende dat zij geen arbeidsovereenkomst met [verzoeker] heeft, waardoor [verzoeker] geen arbeidscontractant is in de zin van artikel 1 van de Personeelswet, op grond waarvan [verzoeker] niet met succes een beroep kan doen op het Hof van Justitie, fungerend als Ambtenarengerecht en moet hij daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Voorts, heeft [verzoeker] volgens het ministerie op 01 februari 2011 gebruik gemaakt van de mogelijkheid van administratief beroep ingevolge artikel 78 lid 1 van de Personeelswet, terwijl het verzoekschrift is gedateerd 02 februari 2011. [verzoeker] heeft daardoor de termijn van vier maanden ingevolge artikel 80 lid 3 van de Personeelswet, niet in acht genomen, op grond waarvan [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering.

De beoordeling van het geschil

3.1 Het Hof overweegt eerstens, dat zowel in het procesverloop van het vonnis in het incident d.d. 16 november 2012 als in de pleitnota d.d. 06 januari 2012, per abuis als datum van het verhoor van partijen is vermeld ‘21 oktober 2011’ in stede van 18 november 2011. Voornoemde datum zal derhalve verbeterd worden gelezen.

3.2 Het ministerie heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [verzoeker] geen arbeidscontractant is in de zin van artikel 1 van de Personeelswet. Het ministerie beroept zich daarbij op artikel 1 van de overeenkomst d.d. 27 mei 2008, waaruit blijkt dat er geenszins sprake kan zijn van enige vorm van gezagsverhouding c.q. ondergeschiktheid.Voorts blijkt uit de in voornoemde overeenkomst geformuleerde opdrachten, dat dergelijke opdrachten slechts kunnen bestaan tussen gelijke partners en niet tussen een werkgever en een werknemer.

3.3 [verzoeker] daarentegen beroept zich op de arbeidsovereenkomst c.q. verlengingen van de arbeidsovereenkomst, waarin expliciet staat vermeld dat het ministerie de werkgever is, terwijl [verzoeker], de werknemer. Tevens is door de gemachtigde van de Staat bij het verhoor van partijen bevestigd dat [verzoeker] verantwoording verschuldigdwas aan de onderdirecteur van het ministerie, alsmede dat [verzoeker] op vaste tijdstippen aan het werk moest verschijnen en dat verlof of afwezigheid, alleen met toestemming van de onderdirecteur kon geschieden. Er was derhalve een hiërarchische verhouding waaraan [verzoeker] ondergeschikt was, hoewel zijn functie als leidinggevende enige mate van vrijheid met zich meebracht. Voorts is niet door het ministerie ontkend dat [verzoeker] recht had op vakantiedagen en dat [verzoeker] loon kreeg via een reçu, waarbij het ministerie als werkgever maandelijks loonbelasting en AOV heeft ingehouden. Eveneens is aan [verzoeker] een dienstpaspoort verstrekt door het ministerie, waarin vermeld staat dat [verzoeker] ambtenaar is van het ministerie. Op grond van voornoemde feitelijke omstandigheden mocht [verzoeker] in beginsel ervan uitgaan dat er in casu sprake is van een arbeidsovereenkomst. Bovendien is er volgens [verzoeker] sprake van een voortgezette arbeidsovereenkomst waardoor ingevolge artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning, een ontslagvergunning van de Minister van Arbeid, Technologische Wetenschappen en Milieu (ATM), is vereist.

3.4 Het Hof stelt voorop dat voor de vraag of een rechtsverhouding moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst dan wel als een opdracht, bepalend is wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop ze feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven (NJ 1998, 149).

3.5 Uitgangspunt met betrekking tot wat partijen voor ogen hadden, is de overeenkomst getekend op 27 mei 2008. Gelet op de formulering van bedoelde overeenkomst, namelijk de aanhef ‘overeenkomst tot het verrichten van bijzondere diensten’ en de inhoud van bedoelde overeenkomst, waarbij aan [verzoeker] als partij B, specifieke opdrachten zijn gegeven in artikel 1 daarvan, gelijk partij B de opdrachten heeft aanvaard, alsmede dat in artikel 2 van bedoelde overeenkomst wordt gesproken van een honorarium van SRD 2.500,- per maand instede van een salaris conform een bepaalde functie of schaal, wordt geconcludeerd dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst d.d. 27 mei 2008 voor ogen hadden een overeenkomst tot opdracht c.q. een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten.

3.6 Met betrekking tot de wijze waarop feitelijk uitvoering is gegeven aan de overeenkomst van 27 mei 2008, wordt overwogen dat bedoelde overeenkomst steeds is verlengd onder dezelfde voorwaarden, hoewel de benaming ‘arbeidsovereenkomst’in de aanhef is gebezigd. Voorts is uit het verhoor van partijen komen vast te staan dat de betaling van het vastgestelde honorarium aan [verzoeker] per bestelbon per maand plaatsvond en dat aan [verzoeker] geen overuren vergoed werd. Eveneens staat vast dat [verzoeker] op basis van zijn deskundigheid is aangetrokken als projectmanager om het project voorvloeiende uit een overeenkomst tussen Suriname en Japan, genaamd JYCA, op te zetten en uit te voeren, waarbij aan [verzoeker] een grote mate van vrijheid was toegekend met betrekking tot de uitvoering van het project, hetgeen eveneens wordt bevestigd door de formulering vastgelegd in artikel 1 van bedoelde overeenkomst.

3.7 Indachtig het overwogene onder 3.4, 3.5, 3.6 en 3.7, mede in aanmerking nemende de navolgende specifieke opdrachten geformuleerd in artikel 1 van bedoelde overeenkomst:

  • algehele leiding en verantwoording over het visserijcentrum;
  • zorgdragen en het doen treffen van voorzieningen dat het beleid afgestemd blijft op het algemeen beleid van LVV;
  • het zorgdragen en doen treffen van voorzieningen waardoor het financieel en comptabel beleid van het visserijcentrum blijft afgestemd op het algemeen beleid van het ministerie van LVV

waaruit de zelfstandigheid van uitvoering duidelijk blijkt, is naar het oordeel van het Hof in casu sprake van een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten c.q. een overeenkomst tot opdracht, nu [verzoeker] op basis van zijn deskundigheid een grote mate van vrijheid had om het specifieke project waarvoor hij was aangetrokken, op te zetten en uit te voeren naar eigen inzichten. Dat de overeenkomst bij de verlengingen een ‘arbeidsovereenkomst’ is genoemd en dat [verzoeker] feitelijk verantwoording verschuldigd was aan de onderdirecteur van LVV, doen daaraan niet af, aangezien de opdrachtgever wel instructies mag geven. Evenmin doet daaraan niet af, dat aan [verzoeker] een dienstpaspoort was verstrekt, nu het dienstpaspoort door het Ministerie van Buitenlandse Zaken was afgegeven ten behoeve van de dienst, hetgeen naar algemene ervaringsregels geschiedt op basis van beleid van voornoemde ministerie terzake en waarvoor niet is vereist dat de houder van het dienstpaspoort landsdienaar is. Het Hof concludeert dan ook, dat in casu [verzoeker] geen arbeidscontractant is in de zin van artikel 1 van de Personeelswet – zoals terecht aangevoerd door het ministerie – en de Personeelswet dus niet van toepassing is op [verzoeker], weshalve het Hof als Ambtenarengerecht niet bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

De beslissing

Het Hof:

verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen kennis te nemen.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 april 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens mr. S.N. Woei A Sioe, advocaat, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne namens mr. D. Jairam, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2015-35

A-719

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. M. Ansaar Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
ge(vol)machtigden: mr. A. Hunte, jurist op het Ministerie van Binnenlandse Zaken,
mr. A.W. van der San, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift ter griffie ingediend op 12 januari 2011, met producties;
  • de beschikking van het Hof van 22 februari 2011 waarbij de termijn binnen welke het verweerschrift moet worden ingediend is verlengd met zes weken;
  • de beschikking van het Hof van 7 april 2011 waarbij de termijn binnen welke het verweerschrift moet worden ingediend wederom is verlengd met zes weken;
  • het verweerschrift ter griffie ingediend op 18 mei 2011, met producties;
  • de beschikking van het Hof van 14 juli 2011 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op
    7 oktober 2011;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal waaruit blijkt dat op 7 oktober 2011 geen der partijen is verschenen en het Hof de mondelinge behandeling heeft bepaald op 16 december 2011;
  • het proces-verbaal van de op 16 december 2011 gehouden mondelinge behandeling;
  • de pleitnota d.d. 6 januari 2012;
  • de antwoordpleitnota d.d. 3 februari 2012;
  • de repliekpleitnota d.d. 16 maart 2012;
  • het voor dupliek mondeling persisteren door de gemachtigde van de Staat op 4 mei 2012.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2.1 [verzoeker] is bij resolutie van de President van de Republiek Suriname van 30 juli 1991, [nummer 1] te rekenen van 1 januari 1990 tijdelijk aangesteld als geestelijke bij de Madjlies Moesliemien Suriname, hierna aangeduid als “MMS”.

2.2 Bij schrijven d.d. 30 oktober 2006 aan de Minister van Binnenlandse Zaken heeft de MMS te kennen gegeven dat [verzoeker] geruime tijd niet meer verbonden is aan genoemde organisatie en reeds de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
In dit schrijven zijn door MMS drie andere personen voorgedragen voor aanstelling als geestelijke.

2.3 Het salaris van [verzoeker] is voor het laatst over de maand mei 2009 aan hem uitbetaald.

2.4 [verzoeker] heeft in een aan de Minister van Binnenlandse Zaken gericht schrijven van 7 december 2009 verklaard:
“Ondergetekende [verzoeker] (…) werkzaam geweest aan uw Ministerie als Geestelijke/Imaam tot mei 2009, richt aan u het vriendelijk verzoek, hem in aanmerking te doen komen voor een ‘onderstaande’ uitkering.

[verzoeker] beheert op eigen initiatief een islamitische school en draagt verder zorg aan kinderen en enkele ouderen. Mede hierdoor en gezien de noodzaak van een Geestelijke/Imaam voor de sociaal religieuze organisaties en de wensen van ondergetekende om zijn geestelijk werk te willen voortzetten, hoopt hij dat u zijn verzoek zult inwilligen.”

2.5 [verzoeker] heeft in een ander aan de Minister van Binnenlandse Zaken gericht schrijven van 7 december 2009 het volgende vervat:
“Ondergetekende [verzoeker] (…) nadert u hiermede vriendelijk, om zijn spaarpremie vrij te kunnen krijgen.

[verzoeker] is tot aan mei 2009 (…) in dienst geweest bij uw Ministerie als Geestelijke/Imaam en heeft tot op heden geen toegang tot zijn opgebouwde spaarpremie.”

2.6 Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname van 9 juni 2009 [nummer 2] is aan [verzoeker] wegens het bereikt hebben van de pensioengerechtigde leeftijd, te rekenen van 1 juni 2006, eervol ontslag uit staatsdienst verleend.

2.7 [verzoeker] heeft bij schrijven van zijn procesgemachtigde van 25 oktober 2010 de Staat aangemaand over te gaan tot aanstelling van [verzoeker] in vaste dienst en tot uitbetaling van het salaris aan [verzoeker].

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken:
Primair:
a. [verzoeker] ontvankelijk te verklaren in zijn vordering;
b. nietig te verklaren, althans te vernietigen de resolutie vermeld onder 2.6 van dit vonnis;
c. de Staat te veroordelen het maandsalaris van [verzoeker] op de gebruikelijke wijze door te betalen vanaf mei 2009 tot aan de dag dat de dienstbetrekking op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;
d. de Staat te veroordelen [verzoeker] binnen drie maanden na de betekening van het te wijzen vonnis te voorzien van een schriftelijke aanstelling in vaste dienst, zulks te rekenen van 1 januari 1993. Voorts hem in de gelegenheid te stellen de tijd in tijdelijke dienst in te kopen en hem te doen opnemen in het bestand van het pensioenfonds;
e. aan het uit te spreken vonnis te verbinden een dwangsom ad SRD 2.500,= per dag voor iedere dag dat de Staat in gebreke mocht blijven te voldoen aan het vonnis dan wel aan een of meer der daarin gegeven beslissingen.

Subsidiair:
a. [verzoeker] ontvankelijk te verklaren in zijn vordering;
b. voor recht te verklaren dat het aan [verzoeker] verleend ontslag ingaat per 1 januari 2011;
c. de Staat te veroordelen het maandsalaris van [verzoeker] op de gebruikelijke wijze door te betalen vanaf mei 2009 tot en met de maand december 2010;
d. de Staat te veroordelen [verzoeker] binnen drie maanden na de betekening van het te wijzen vonnis te voorzien van een schriftelijke aanstelling in vaste dienst, zulks te rekenen van 1 januari 1993. Voorts hem in de gelegenheid te stellen de tijd in tijdelijke dienst in te kopen en hem te rekenen van 1 januari 2011 te doen opnemen in het bestand van het pensioenfonds;
e. aan het uit te spreken vonnis te verbinden een dwangsom ad SRD 2.500,= per dag voor iedere dag dat de Staat in gebreke mocht blijven te voldoen aan het vonnis dan wel aan een of meer der daarin gegeven beslissingen.

3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [verzoeker] aangevoerd dat:
1. zijn salaris zonder opgaaf van reden is stop gezet, terwijl hij zijn werkzaamheden als geestelijke op dezelfde voet als voorheen heeft voortgezet in diverse Islamitische
gemeenten. Na de stopzetting van de uitbetaling van zijn salaris heeft hij tevergeefs diverse pogingen ondernomen (zowel mondeling als schriftelijk) om bij de betreffende instanties van het Ministerie van Binnenlandse Zaken informatie te krijgen omtrent zijn positie. [verzoeker] heeft verder gesteld dat, nu de Staat niet gereageerd heeft op zijn verzoeken, hij er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat hem conform zijn verzoek dispensatie is verleend om zijn werkzaamheden voort te zetten, zodat de Staat gehouden is zijn salaris uit te betalen;

2. hij in strijd met artikel 14 lid 3 jo. artikel 19 lid 2 van de Personeelswet niet voorzien is van een vaste aanstelling, zodat hij geacht moet worden vanaf 1 januari 1993 in vaste dienst te zijn van de Staat;

3. de ontslagresolutie op 17 december 2010 aan hem is uitgereikt, zodat het ontslag met terugwerkende kracht is verleend te rekenen van 1 juni 2006. [verzoeker] heeft gesteld dat artikel 71 lid 2 van de Personeelswet met zich meebrengt dat het ontslag niet eerder dan 1 januari 2011 kan ingaan, zodat de ontslagresolutie nietig is, althans vernietigbaar, althans dat het ontslag aan [verzoeker] dient te worden verleend met inachtneming van art. 71 van de Personeelswet, waarbij de leeftijdsgrens navenant gelijkgesteld moet worden met een zogenaamde dispensatie c.q. stilzwijgende verlenging van het dienstverband tot en met 31 december 2010.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

Bevoegdheid
4 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot ontslag en betreffende het salaris vatbaar voor nietigverklaring. Het Hof is daarbij tevens bevoegd tot oplegging van een dwangsom.
Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de primaire vordering onder a, b, c en e.
Hetgeen primair onder d is gevorderd, is echter niet vervat in artikel 79 van de Personeelswet, in welk artikel de bevoegdheid van het Hof in ambtenarenzaken limitatief is omschreven.
Het Hof zal zich derhalve onbevoegd verklaren hiervan kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
5.1 Het Hof constateert dat [verzoeker] in hoofdzaak opkomt tegen de ontslagresolutie.
[verzoeker] heeft gesteld dat deze resolutie op 17 december 2010 aan hem is uitgereikt, hetgeen zijdens de Staat niet is betwist. Het Hof zal derhalve voor de beoordeling van de ontvankelijkheid uitgaan van deze datum. Nu het verzoekschrift van [verzoeker] op 12 januari 2011 is ingediend, is dit binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn geschied, zodat [verzoeker] ontvankelijk is in zijn vordering tot nietigverklaring van de ontslagresolutie.

5.2 Het Hof constateert verder dat [verzoeker] opkomt tegen de stopzetting van de uitbetaling van zijn salaris. In dit kader overweegt het Hof het volgende. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van dit deel van de vordering kunnen twee feiten als uitgangspunt dienen:
a. de feitelijke stopzetting van de uitbetaling van het salaris in de maand juni 2009;
b. het schrijven van de procesgemachtigde van [verzoeker] d.d. 25 oktober 2010 waarin de Staat is aangemaand het salaris uit te betalen.
De feitelijke stopzetting van de uitbetaling van het salaris is [verzoeker] enkele jaren voor de indiening van het onderhavig verzoekschrift ter kennis gekomen. Indien de datum waarop [verzoeker] kennis heeft genomen van de stopzetting van de uitbetaling van het salaris als uitgangspunt voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van zijn vordering tot betaling wordt genomen, rest geen andere conclusie dan dat hij tardief is daarin.
[verzoeker] heeft echter ook, gelijk bij de feiten onder 2.7 van dit vonnis is vermeld, de Staat bij schrijven van zijn procesgemachtigde van 25 oktober 2010 aangemaand het salaris aan hem uit te betalen, op welk schrijven de Staat niet heeft gereageerd. [verzoeker] heeft gesteld dat het schrijven bij exploot van deurwaarder M. Sitaram d.d. 1 november 2010 no. 1117 aan de Staat is betekend.
Dit heeft naar dezerzijds oordeel tot gevolg dat geconcludeerd moet worden dat [verzoeker], ook indien het schrijven van 25 oktober 2010 als uitgangspunt wordt genomen, niet ontvankelijk is in de vordering tot uitbetaling van het salaris. Ingevolge artikel 78 lid 2 van de Personeelswet is immers ten tijde van de indiening van het verzoekschrift nog geen sprake geweest van een daadwerkelijk genomen dan wel fictief besluit zijdens de Staat, zodat de door [verzoeker] ingestelde vordering tot uitbetaling van het salaris prematuur is.
[verzoeker] zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in het primaire onder c gevorderde.

De beoordeling van het geschil
Nietigverklaring van de ontslagresolutie
6.1 De Staat heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat [verzoeker] op 13 mei 2006 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Het ontslagbesluit heeft volgens de Staat geen terugwerkende kracht gehad, aangezien [verzoeker] weliswaar te rekenen van 1 juni 2006 ontslag is verleend, maar hij tot juni 2009 in het genot van zijn bezoldiging is gelaten en hem nimmer is gevraagd de onverschuldigd gestorte bezoldigingen terug te storten.
De Staat heeft verder aangevoerd dat het besluit tot het verlenen van eervol ontslag uit staatsdienst eerder aan [verzoeker] is meegedeeld. De Staat heeft daarbij verwezen naar het schrijven van [verzoeker] van 7 december 2009 gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken.

6.2 Het Hof stelt voorop dat ingevolge artikel 71 lid 2 van de Personeelswet het ontslag wegens het bereiken van de leeftijdsgrens wordt verleend met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin deze grens is bereikt, met dien verstande dat het ontslag niet kan terugwerken. Hieruit volgt dat het ontslag wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet een ontslag van rechtswege betreft, maar dat de ingangsdatum daarvan afhankelijk is van het moment waarop het ontslagbesluit aan betrokkene is uitgereikt. In de ontslagresolutie, die dateert van 9 juni 2009, is bepaald dat aan [verzoeker] ontslag uit staatsdienst is verleend te rekenen van 1 juni 2006.
Dit brengt naar dezerzijds oordeel met zich mee dat het ontslag met terugwerkende kracht is verleend. Hier doet niet aan af dat [verzoeker] tot en met mei 2009 zijn salaris heeft ontvangen; de Staat verklaart immers zelf dat de betaling van het salaris onverschuldigd is geschied, hetgeen betekent dat ook in de visie van de Staat geen verplichting daartoe bestond. Dit is alleen het geval indien de rechtsrelatie tussen de Staat en [verzoeker], op grond waarvan de Staat gehouden was het salaris uit te betalen, is beëindigd.
De ontslagresolutie zal dan ook wegens strijd met artikel 71 lid 2 jo. artikel 6 van de Personeelswet nietig worden verklaard.

6.3 Het Hof overweegt ten aanzien van het primair sub c gevorderde dat door de nietigverklaring van het ontslagbesluit geen aanspraak zijdens [verzoeker] op salaris ontstaat, aangezien uit de door hem aan de Minister van Binnenlandse Zaken gerichte brieven van 7 december 2009 blijkt dat hij zelf verklaard heeft dat hij tot juni 2009 in dienst is geweest van het ministerie. Naar dezerzijds oordeel is dan ook per juni 2009 sprake van een beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden.

6.4 De onder e gevorderde dwangsom zal niet worden toegewezen, aangezien bij dit vonnis geen veroordeling van de Staat plaatsvindt.

De beslissing

Het Hof:

7.1 verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het primair onder d gevorderde;

7.2 verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het primair onder c gevorderde;

7.3 verklaart de resolutie van de President van de Republiek Suriname van 9 juni 2009 [nummer 2] nietig;

7.4 wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid, en mr. A.C. Johanns, Lid-plaatsvervanger, en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 mei 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat mr. M. Ansaar Guman, gemachtigde van verzoeker, en verweerder vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne namens advocaat mr. A.W. van der San en namens mr. A. Hunte, gevolmachtigden van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

 

SRU-HvJ-2015-34

A-714

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in [district],
eiseres, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Financiën,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. D. Parohi, jurist op het Ministerie van Financiën,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

  • het verzoekschrift ter griffie ontvangen op 11 oktober 2010, met producties;
  • het verweerschrift ter griffie ontvangen op 24 november 2010;
  • het proces-verbaal van de op 18 maart 2011 gehouden mondelinge behandeling;
  • de pleitnota d.d. 15 april 2011;
  • de antwoordpleitnota d.d. 20 mei 2011;
  • derepliek pleitnota d.d.15 juli 2011, met producties;
  • de dupliek pleitnota d.d. 5 augustus 2011;
  • het fourneren van het in ongerede geraakt procesdossier;
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoeker] d.d. 6 juni 2014, met producties;
  • de conclusie tot uitlating zijdens de Staat d.d. 6 juni 2014;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens de Staat d.d. 18 juli 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
2.1 [Verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken:
I. het besluit tot het staken van de maandelijkse loonbetalingen aan [verzoeker] te vernietigen,
althans nietig te verklaren;

II. de Staat te gelasten het maandelijks salaris van [verzoeker] over de maand september 2010 alsnog uit te betalen, en voorts ervoor zorg te dragen dat met ingang van 1 oktober 2010 tot aan de rechtmatige beëindiging van het dienstverband, aan [verzoeker] op uiterlijk de laatste dag van iedere kalendermaand het aan haar toekomend salaris wordt uitbetaald, zulks onder oplegging van een dwangsom van SRD 1.000,= per dag voor het verder achterwege laten van het in sub I te vernietigen of nietig te verklaren besluit, welke dwangsom zal lopen vanaf een tijdstip als door het Hof in goede justitie te bepalen, met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

2.2 [Verzoeker] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat het niet betalen van haar loon vanaf september 2010 onrechtmatig is omdat haar arbeidsovereenkomst met de Staat voortduurt.

2.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

Bevoegdheid
3 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten betreffende salarisvatbaar voor nietigverklaring. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat het Hof bevoegd is kennis te nemen van de vordering van Ramdhan.

Ontvankelijkheid
4 Geconstateerd wordt dat [verzoeker] opkomt tegen het besluit om het aan haar uit te keren maandelijks loon vanaf de maand september 2010 niet uit te betalen. Nu het verzoekschrift op 11 oktober 2010 is ingediend, is [verzoeker] ontvankelijk in haar vordering.

De beoordeling van het geschil
5 Het gaat in de onderhavige zaak om het volgende:

5.1 Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 21 juni 2006,
[nummer 1], is de Directeur der Belastingen gemachtigd om met [verzoeker] de bij die resolutie gevoegde arbeidsovereenkomst aan te gaan.
De Directeur der Belastingen en [verzoeker] hebben daarna een arbeidsovereenkomst ondertekend. De arbeidsovereenkomst hield onder meer in dat [verzoeker] te rekenen van
1 september 2005 in overheidsdienst trad en werd tewerkgesteld als fiscaal jurist bij de Inspectie der Directe Belastingen.

5.2 De Directeur der Belastingen heeft [verzoeker] bij schrijven van 24 juni 2010 [nummer 2] te kennen gegeven dat de dienstbetrekking met haar zal worden beëindigd doordat de arbeidsovereenkomst op 1 september 2010 niet opnieuw zal worden verlengd.

5.3 Aan het eind van de maand september 2010 heeft de Staat geen loon aan [verzoeker] uitbetaald.

5.4 [Verzoeker] heeft hierop gevorderd als onder punt 2.1 van dit vonnis is omschreven. Ter onderbouwing van haar vordering heeft [verzoeker] gesteld dat, gelet op haar functie en rang, de President van de Republiek Suriname het ten aanzien van haar bevoegd gezag is (in de betekenis van artikel 3 lid 5 van de Personeelswet). De Directeur der Belastingen is niet het bevoegd gezag en is evenmin gemachtigd door de President van de Republiek Suriname om de met haar gesloten arbeidsovereenkomst te beëindigen, hetgeen overigens niet mogelijk is nu de wet de mogelijkheid van delegatie van bevoegdheid terzake niet heeft gegeven.
[verzoeker] heeft voorts gesteld dat derhalve de arbeidsovereenkomst nog voortduurt en de Staat gehouden is haar maandelijks loon uit te betalen. Uit het uitblijven van de uitbetaling daarvan blijkt dat een besluit moet zijn genomen tot staking van de maandelijkse loonbetalingen. Dit besluit is, aldus [verzoeker], nietig, althans vernietigbaar wegens strijd met het wettelijk voorschrift voor de werkgever tot betaling van het loon (artikel 28 van de Personeelswet jo. artikel 1614 van het Burgerlijk Wetboek). [Verzoeker] heeft voorts gesteld dat zij steeds bereid is geweest de bedongen arbeid te verrichten.

5.5 De Staat heeft als verweer het volgende aangevoerd:

  • de arbeidsovereenkomst is opgezegd met gebruikmaking van artikel II sub b van de overeenkomst;
  • de Directeur der Belastingen is het bevoegd gezag omdat artikel 3 lid 5 sub b van de Personeelswet bepaalt dat ten aanzien van een arbeidscontractant het bevoegd gezag het gezag is dat laatstelijk met betrokkene een arbeidsovereenkomst heeft gesloten.
  • de overeenkomst is binnen de vastgestelde opzegtermijn schriftelijk opgezegd, zodat de overeenkomst op 1 september 2010 is beëindigd.

5.6 Zijdens [verzoeker] is bij repliek pleitnota gesteld dat de Staat zelf er (niet langer) vanuit gaat dat de met haar gesloten arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2010 is beëindigd, aangezien ze wegens plichtsverzuim is ontslagen bij resolutie van de President van de Republiek Suriname van 5 april 2011, [nummer 3], hierna aangeduid als “de ontslagresolutie”. [verzoeker] heeft, naast een kopie van voormelde resolutie, in dit kader eveneens overgelegd een kopie van de beschikking van de Minister van Financiën van 23 mei 2011, [nummer 4], waarin is bepaald dat het ontslag verleend bij de ontslagresolutie per 1 juli 2011 ingaat.

5.7 De Staat heeft in haar dupliek pleitnota bevestigd dat zij zich thans op het standpunt stelt dat de dienstbetrekking met [verzoeker] ingaande 1 juli 2011 is beëindigd.

5.8 Het Hof overweegt dat nu de Staat erkend heeft dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juli 2011 is beëindigd, dit tussen partijen vast staat.
Het door de Staat genomen besluit om de uitbetaling van het loon aan [verzoeker]per september 2010 te staken is derhalve nietig.
Tussen partijen is niet in geding dat [verzoeker] in de maand september 2010 geen arbeid heeft verricht. Zijdens [verzoeker] is gesteld dat zij bereid is geweest de bedongen arbeid te verrichten.
De Staat heeft dit niet betwist, zodat dit tussen partijen is komen vast te staan.
Dit heeft tot gevolg dat de Staat gehouden is het loon aan [verzoeker] uit te betalen over de maand september 2010 tot aan het rechtsgeldig beëindigen van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst.

5.9 De gevorderde dwangsom komt het Hof bovenmatig voor en zal derhalve gemitigeerd en gemaximaliseerd worden.

De beslissing

Het Hof:
6.1 Verklaart het besluit tot het met ingang van de maand september 2010 staken van de maandelijkse loonbetalingen aan [verzoeker] nietig;

6.2 Gelast de Staat het maandelijks salaris van [verzoeker] over de maand september 2010 uit te betalen en met ingang van de maand oktober 2010 tot aan de rechtsgeldige beëindiging van het dienstverband uiterlijk op de laatste dag van iedere kalendermaand het aan haar toekomend salaris uit te betalen;

6.3 Veroordeelt de Staat tot het betalen van een dwangsom van SRD 500,= (vijfhonderd Surinaamse Dollar) voor iedere dag dat de Staat handelt in strijd met het onder 6.2 van dit vonnis bepaalde, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsom het maximum bedrag van SRD 10.000,= niet zal overschrijden.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en
mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger, en
w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 maart 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C.A. Bleau namens advocaat
mr. M.I. Vos, gemachtigde van verzoekster, en verweerder vertegenwoordigd door mr. D. Parohi, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2015-33

A-704
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. J.F. Echteld, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. P.J. Campagne, jurist op het Ministerie van Justitie en Politie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 22 van de Wet Brandweer Suriname 1993 jo. artikel 47 van het Politiehandvest jo. artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het verzoekschrift d.d. 12 mei 2010, ter griffie ingediend op 11 mei 2010, met producties;
  • de beschikking van het Hof van 16 juli 2010 waarbij de termijn binnen welke het verweerschrift moet worden ingediend, is verlengd met zes weken;
  • het verweerschrift d.d. 2 augustus 2010;
  • de beschikking van het Hof van 26 oktober 2010 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 7 januari 2011;
  • het proces-verbaal van de op 7 januari 2011 gehouden mondelinge behandeling;
  • de conclusie tot overlegging van stukken zijdens de Staat d.d. 1 april 2011;
  • de pleitnota d.d. 6 mei 2011, met producties;
  • de antwoordpleitnota d.d. 15 juli 2011;
  • de repliekpleitnota d.d. 5 augustus 2011;
  • de dupliekpleitnota d.d. 7 oktober 2011, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoeker] d.d. 21 oktober 2011.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2.1 [verzoeker] is als ambtenaar in de rang van Brandwacht 1e klasse in dienst van de Staat.

2.2 [verzoeker] is van 14 augustus 2008 tot en met 15 september 2008 met verlof

geweest, waarbij hij toestemming van de dienst had om dit verlof in het buitenland door te brengen.

2.3 [Verzoeker] heeft op 6 oktober 2008 gebeld met de Rayon Commandant post [plaats 2] en er melding van gedaan dat hij in Nederland is aangehouden wegens een drugsgerelateerde zaak.

2.4 [Verzoeker] heeft zich in oktober 2009 aangemeld voor hervatting van zijn dienst, waarop hem is gezegd thuis te blijven en zich te verweren ter zake plichtsverzuim.

2.5 [Verzoeker] heeft zich bij schrijven van 20 oktober 2009 verweerd. In dit schrijven geeft hij aan dat hij bij aankomst in Nederland is aangehouden voor money laundering. Hij meldt daarin tevens dat hij op 18 september 2009 voorwaardelijk in vrijheid is gesteld en dat hij zich na zijn terugkeer onmiddellijk heeft aangemeld voor hervatting van zijn werkzaamheden. Bij zijn verweerschrijven heeft hij gevoegd een bewijs van voorwaardelijke invrijheidstelling, blijkens welke zijn invrijheidstelling op 18 september 2009 diende plaats te vinden.

2.6 [verzoeker] is bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 15 maart 2010 [nummer] ontslagen wegens plichtsverzuim. In deze beschikking is daartoe onder meer overwogen:

  • “dat volgens het rapport d.d. 02 oktober 2008 afkomstig van de Wacht Commandant van post [plaats 1] (…) betrokkene zijn diensten op 18 september 2008 diende te hervatten, echter heeft hij zulks nagelaten;
  • dat gelezen het rapport d.d. 06 oktober 2008, van de Rayon Commandant post [plaats 2], betrokkene gebeld heeft om mee te delen, dat hij is aangehouden in Nederland in verband met een drugs gerelateerde zaak;
  • dat betrokkene, ingevolge het bepaalde in artikel 63 lid 2 van de Personeelswet, middels een telefonische mededeling van de Commandant Brandweer in de gelegenheid is gesteld zicht te verweren;
  • dat betrokkene op 20 oktober 2009 een verweerschrift, met bijvoeging van een besluit tot voorwaardelijke invrijheidsstelling, heeft ingediend;
  • dat het verweer van betrokkene niet steekhoudend is bevonden;
  • dat blijkens het besluit voorwaardelijke invrijheidstelling d.d. 14 september 2009 afkomstig van de advocaat-generaal mr. E.J. Julsing, betrokkene met ingang van de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling, thans berekend op 18 september 2009 gedurende een proeftijd van 365 dagen heeft te houden aan de bij wet gestelde Algemene Voorwaarde, zijnde het niet plegen van een strafbaar feit;
  • dat dit impliceert dat betrokkene in Nederland werd veroordeeld tot een vrijheidsstraf;
  • dat betrokkene zich, ingevolge artikel 61 van de Personeelswet, zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim;
  • dat het gedragspatroon en de vastgestelde feiten het ingezette integriteitsbeleid van het Korps doorkruisen.”

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken vernietiging van het besluit genomen bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 15 maart 2010, houdende zijn ontslag wegens plichtsverzuim, met betaling van zijn ingehouden salaris vanaf de maand oktober 2008.

3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [verzoeker] aangevoerd dat het door hem gelaakt besluit jegens hem onrechtmatig is omdat:
1. sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel: de Staat had niet mogen volstaan met aan te geven “dat het verweer van betrokkene niet steekhoudend is bevonden”;
2. hij niet buiten functie gesteld of geschorst is; hem is slechts mondeling gezegd thuis
nadere berichten af te wachten, waarna hem zonder verdere plichtplegingen de beschikking van ontslag is uitgereikt;
3. de Staat voor het nemen van het ontslagbesluit slechts heeft gesteund op de informatie door hem verstrekt. De Staat heeft niet de moeite genomen de Commissie van Overleg in Ambtenarenzaken in zo’n zwaarwichtige zaak te betrekken;
4. de Staat de plank heeft misgeslagen met de overweging dat hij zich ingevolge artikel 61 van de Personeelswet heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

3.3 De Staat heeft de vordering weersproken.
Het Hof komt, voor zover van belang, daarop bij de beoordeling terug.

Bevoegdheid
4.1 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring.
In artikel 22 van de Wet Brandweer Suriname 1993 (S.B. 1996, no. 16) is bepaald dat het vierde hoofdstuk van het Politiehandvest (dit zijn de artikelen 32 tot en met 49) met uitzondering van de artikelen 32, 35 lid 2 en 37 leden 3, 4 en 5 van overeenkomstige toepassing is op de ambtenaren van de Brandweer.
In artikel 47 van het Politiehandvest (G.B. 1971, no. 70) is bepaald dat de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uitstrekt tot zaken betreffende ambtenaren van politie.

4.2 De Staat heeft aangevoerd dat [verzoeker] niet ontvankelijk is in zijn vordering die strekt tot vernietiging van het te zijnen aanzien genomen ontslagbesluit, omdat ingevolge artikel 79 van de Personeelswet een besluit slechts vatbaar is voor gehele of gedeeltelijke nietigverklaring. Het Hof begrijpt dat de Staat de rechtsvraag opwerpt of het Hof als ambtenarengerecht bevoegd is kennis te nemen van een vordering tot vernietiging van een besluit.

4.3 Het Hof overweegt ten aanzien hiervan dat bij de vordering tot vernietiging aan het Hof wordt gevraagd een handeling te verrichten waardoor het bestreden besluit van onwaarde wordt, terwijl bij de vordering tot nietigverklaring het Hof slechts dient te constateren dat het besluit van onwaarde is. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat de vordering tot vernietiging als het meerdere ten opzichte van een vordering tot nietigverklaring moet worden gezien. Immers, indien wordt gevraagd een besluit te vernietigen en gebleken is dat dit besluit zelf nietig is, hoeft het Hof niet over te gaan tot het vernietigen daarvan, maar dient het slechts het besluit nietig te verklaren. Aan het verweer van de Staat ter zake wordt daarom voorbijgegaan.
Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot vernietiging van het besluit van de Staat tot beëindiging van het dienstverband met een ambtenaar van de Brandweer, waarvan in het onderhavige geval sprake is.

Ontvankelijkheid
5 Het afschrift van de betreffende beschikking waartegen [verzoeker] opkomt dateert van 15 maart 2010. Volgens verklaring van[verzoeker] is deze beschikking op
13 april 2010 aan hem uitgereikt. De Staat heeft dit niet betwist, zodat hiervan zal worden uitgegaan.
Dit heeft tot gevolg dat [verzoeker], nu zijn verzoekschrift binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend, ontvankelijk is in zijn vordering.

De verdere beoordeling van het geschil
6.1 Het Hof stelt voorop dat de Staat in de Personeelswet en het Politiehandvest ten aanzien van ‘plichtsverzuim’ de ruimte is gelaten om deze term verder in te vullen, zodat naar het oordeel van het Hof in deze sprake is van beoordelingsruimte zijdens de Staat en bij de beoordeling in rechte slechts marginaal getoetst mag worden. Ter beoordeling van het Hof ligt slechts de vraag voor of de Staat in redelijkheid tot de bestreden beslissing had kunnen komen. Wel geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de betreffende ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt.

6.2 In de bestreden beschikking die, naar het oordeel van het Hof, op ongelukkige wijze is gestructureerd, is in de laatste vier overwegingen wel gemotiveerd waarom het verweer van [verzoeker] niet steekhoudend is. Deze overwegingen houden in ’s Hofs visie een onderbouwing in van de daaraan voorafgegane overweging dat het verweer niet steekhoudend is. Overigens constateert het Hof dat [verzoeker] in de gelegenheid is gesteld zich te verweren wegens zijn afwezigheid gedurende de periode 18 september 2008 tot oktober 2009 en dat hij in zijn verweerschrift slechts heeft toegegeven zich aan een strafbaar feit te hebben schuldig gemaakt en dat hij op 18 september 2009 voorwaardelijk in vrijheid is gesteld, hetgeen inhoudelijk niet als een verweer heeft te gelden.

6.3 Blijkens artikel 61 lid 2 onder b van de Personeelswet is sprake van plichtsverzuim indien een landsdienaar in de loop van het dienstverband bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld tot vrijheidsstraf ter zake van een buiten verband met de dienst opzettelijk begaan misdrijf.
De Staat heeft tezamen met de antwoordpleitnota overgelegd de naar aanleiding van een verzoek om rechtshulp van 22 maart 2010 van de Minister van Justitie van Nederland ontvangen documenten waaruit blijkt dat [verzoeker] op 22 augustus 2008 is aangehouden omdat hij in het bezit was van 2.838,9 gram cocaïne. Uit de documenten blijkt eveneens dat
[verzoeker] hiervoor een gevangenisstraf van 15 maanden is opgelegd. [verzoeker] heeft deze door de Staat overgelegde producties niet betwist, zodat deze feiten zijn komen vast te staan.

6.4 Zijdens [verzoeker] is weliswaar aangevoerd dat hij heeft getracht om zijn zaak in een hoger rechtscollege behandeld te krijgen, maar dat hij na zijn invrijheidstelling een one-way ticket richting Suriname heeft gekregen en dat hem niet de gelegenheid is geboden zich hogerop te verdedigen. Dit argument snijdt echter geen hout omdat voor het aantekenen van hoger beroep slechts een vrij korte tijd de gelegenheid wordt geboden. Nu vaststaat dat [verzoeker] in de periode augustus 2008 tot en met september 2009 in Nederland is geweest, heeft hij de gelegenheid gehad om tegen het veroordelend vonnis op te komen. Zijn heenzenden naar Suriname, bijkans een jaar na zijn veroordeling, heeft daar geen invloed op gehad.

6.5 Artikel 61 lid 2 sub b van de Personeelswet bepaalt tevens dat de veroordeling moet strekken tot een opzettelijk begaan misdrijf. Naar de mening van het Hof is in casu daarvan sprake.
Uit de door de Staat bij antwoordpleitnota overgelegde producties blijkt immers dat de cocaïne (3 pakken) werd vervoerd in opgerolde spijkerbroeken. Uit deze wijze van vervoer wordt geconcludeerd dat het strafbaar feit opzettelijk is begaan.

6.6 Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat de Staat op basis van deugdelijke feiten heeft geoordeeld dat [verzoeker] zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Hier doet niet aan af dat hij niet door de Staat buiten functie is gesteld of is geschorst, aangezien geen verplichting daartoe bestaat. Om eenzelfde reden doet hier evenmin aan af dat het Overleg Orgaan in Ambtenarenzaken, de Vakvereniging bij de Brandweer en de Procureur-Generaal niet bij de ontslagprocedure zijn betrokken.
Naar het oordeel van het Hof is de toegepaste tuchtstraf een passende, gezien de aard van het plichtsverzuim en het feit dat ingevolge artikel 22 lid 2 van de Wet Brandweer Suriname 1993 jo. artikel 37 lid 1 van het Politiehandvest binnen het Korps Brandweer Suriname de discipline in militaire trant wordt gehandhaafd.
De vordering van [verzoeker] zal dan ook worden afgewezen.

De beslissing

Het Hof:

Wijst de vordering van [verzoeker] af.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid, en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger, en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 februari 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat
mr. J.F. Echteld, gemachtigde van verzoeker, en verweerder vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde, mr. P.J. Campagne, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2021-104

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoekster],
wonende te [plaats],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 22 juni 2016;

het verweerschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof op 17 oktober 2016;

de beschikking van het Hof van 23 februari 2017 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 april 2017, welk verhoor is uitgesteld naar 19 januari 2018;

de processen-verbaal van het op 19 januari 2018 gehouden verhoor van partijen en de op 03 augustus 2018 en 07 december 2018 gehouden voortzetting daarvan;

de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen, met een productie, zijdens [verzoekster] overgelegd op 21 juni 2019;

de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen en tot uitlating productie, met een productie, zijdens de Staat overgelegd op 19 juli 2019;

de conclusie tot uitlating productie zijdens [verzoekster] overgelegd op 02 augustus 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 15 mei 2020, doch nader op heden.

  1. De feiten

2.1 [Verzoekster], in dienst getreden bij de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken van het Ministerie van Justitie en Politie in de functie van administratief medewerkster, is te rekenen van 02 juli 2014 belast geworden met de waarneming van de functie van onderdirecteur van Justitie, belast met de algehele leiding van voormelde hoofdafdeling.

2.2 De minister heeft bij brief d.d. 26 augustus 2015, SM[nummer 1], onder meer aan [verzoekster] bericht dat zij, [verzoekster], te rekenen van 26 augustus 2015 wordt ontlast van de waarneming van de functie van onderdirecteur van de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken en per dezelfde datum ter beschikking wordt gesteld van de directeur van Justitie en Politie. De minister heeft als reden hiervoor gegeven dat blijkens een door de korpschef van het Korps Politie Suriname uitgebracht tussentijds verslag, er sterke aanwijzingen zijn dat er corruptieve handelingen zijn gepleegd op de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken.

2.3 De procesgemachtigde van [verzoekster] heeft bij brief d.d. 16 juni 2016, zakelijk weergegeven, de minister:

erop geattendeerd dat [verzoekster] langer dan een jaar de functie van onderdirecteur van Justitie, belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken heeft waargenomen en dat zij ingevolge de wet wordt geacht stilzwijgend in deze functie te zijn benoemd;

verzocht om [verzoekster] in de gelegenheid te stellen haar werkzaamheden in voormelde functie te vervullen zonder enige obstructie;

meegedeeld dat indien aan bovenbedoeld verzoek geen gehoor wordt gegeven, er rechtsmaatregelen tegen de Staat zullen worden ondernomen.

2.4 De waarnemend directeur van Justitie en Politie heeft bij brief d.d. 04 oktober 2016, J[nummer 2], de procesgevolmachtigde van de Staat bericht dat de departementsleiding van mening is dat [verzoekster], vanwege haar opleidingsniveau, niet het kwalificatieniveau heeft om benoemd te kunnen worden in de functie van onderdirecteur Vreemdelingenzaken.

2.5 De procureur-generaal heeft bij brief d.d. 26 november 2018, SPG [nummer 3], betreffende het strafrechtelijk onderzoek tegen [verzoekster], de minister, kort gezegd, meegedeeld dat er geen grondslag is voor enige verdenking jegens [verzoekster], zodat de strafzaak tegen haar is geseponeerd.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoekster] vordert dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de Staat zal worden veroordeeld om haar te benoemen c.q. aan te stellen tot onderdirecteur van Justitie en Politie, belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken van het Ministerie van Justitie en Politie, zulks onder toekenning van een bezoldiging en de aan deze functie verbonden toelagen en emolumenten conform het bezoldigingsbesluit van een onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur, één en ander in overleg met de minister van Binnenlandse Zaken en met inachtneming van de ter zake vigerende regels en richtlijnen en wel met ingang van 02 juli 2015;
  2. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

3.2 [verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. [verzoekster], sinds 02 juli 2014 belast geworden met de waarneming van de functie van onderdirecteur van Justitie en Politie, belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken, heeft deze functie langer dan een jaar waargenomen en dient in vaste dienst in deze functie te worden aangesteld c.q. benoemd. Vorenbedoelde aanstelling in vaste dienst is echter uitgebleven. [verzoekster] heeft uit het schrijven van de Staat d.d. 26 augustus 2015 (zie 2.2), waarbij zij werd ontlast van de waarneming van voormelde functie en ter beschikking werd gesteld van de directeur van Justitie en Politie, niet begrepen dat zij corruptieve handelingen heeft gepleegd. Zij heeft haar volledige medewerking verleend aan het onderzoek van de politie. [verzoekster] kan zich niet verenigen met vorenbedoeld schrijven d.d. 26 augustus 2015 en heeft bij schrijven (het Hof begrijpt: van haar procesgemachtigde) d.d. 16 juni 2016 (zie 2.3) de Staat aangegeven haar werkzaamheden in vorenbedoelde functie te willen hervatten. [verzoekster] heeft geen reactie van de Staat ontvangen op laatstgenoemd schrijven en zij is niet in de gelegenheid gesteld om haar werkzaamheden te hervatten.

De Staat heeft door zijn hierboven omschreven handelwijze in strijd gehandeld met de Personeelswet en zich derhalve schuldig gemaakt aan wanprestatie jegens [verzoekster]. Deze wanprestatie is van dusdanige aard dat deze mag worden gekwalificeerd als een onrechtmatige daad. [verzoekster] behoeft de door de Staat gepleegde wanprestatie niet te accepteren.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] landsdienaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. Deze wet is dan ook op haar van toepassing. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 Gezien het voorgaande is het Hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen nietig te verklaren, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het Hof zich onbevoegd te verklaren.

[Verzoekster] vordert in 3.1 onder A, kort gezegd, veroordeling van de Staat om haar te benoemen c.q. aan te stellen in de functie van onderdirecteur van Justitie, belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken, onder toekenning aan haar van de bij deze functie behorende bezoldiging, toelagen en emolumenten. Dit gevorderde betreft geen nietigverklaring van een besluit noch vergoeding van schade, zoals bedoeld in artikel 79 lid 1 sub a en sub b Pw. Het Hof is derhalve slechts bevoegd kennis te nemen van het gevorderde, indien dit kan worden aangemerkt als een vordering tot oplegging van een dwangsom in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald. Het gevorderde kan in de visie van het Hof alleen als een zodanige vordering worden aangemerkt als daaraan een dwangsom is verbonden. Nu dit niet het geval is, is het Hof niet bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde en zal het zich daarom ter zake onbevoegd verklaren.

4.2 De in 3.1 onder B gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, omdat dit niet op de wet is gestoeld.

4.3 Het Hof komt niet toe aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen.

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder A gevorderde.

5.2 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 16 april 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. Ronodikromo namens mr. R. Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoekster noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2021-103

A.C.
A-1017

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, meer in het bijzonder het Ministerie van Onderwijs, Wetenschappen en Cultuur, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd wordende door
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Lala, jurist verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (hierna: Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Vooraf:

In deze zaak is er op 18 december 2020 een tussenvonnis gewezen en uitgesproken.

  1. Het verdere procesverloop
    1. Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
  • de gehouden enquête de dato 28 januari 2021, zijnde daarvan proces-verbaal opgemaakt hetwelk zich onder de processtukken bevindt;
  • voortzetting van de enquête op respectievelijk 04 maart 2021, 15 april 2021 en 23 april 2021, zijnde daarvan door de griffier processen-verbaal opgemaakt welke zich onder de processtukken bevinden;
  • vervolgens is de enquête gesloten verklaard en heeft de gevolmachtigde van de Staat aangegeven geen behoefte te hebben aan contra-enquête;
  • partijen zijn hierna in de gelegenheid gesteld om een conclusie na gehouden enquête te nemen, waarvan [verzoeker] gebruik heeft gemaakt om vonniswijzing te verzoeken terwijl de Staat ondanks peremptoirstelling geen conclusie heeft genomen;
  1. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 18 juni 2021 doch nader op heden.
  1. De verdere beoordeling
    1. Het Hof neemt over en volhardt bij al hetgeen in voormeld tussenvonnis d.d. 18 december 2020 is overwogen en beslist;
    2. Bij voormeld tussenvonnis d.d. 18 december 2020 werd [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen te bewijzen:
  1. dat hij in de periode 2011 tot 12 juni 2017 in contact is getreden met het Ministerie teneinde zijn werkzaamheden op basis van zijn aanstelling te hervatten;
  2. dat de toenmalige Directeur van Onderwijs hem in het jaar 2011 heeft mede gedeeld dat hij op afroep ter beschikking was en dat hij geen presentielijsten hoefde te tekenen;
  3. dat een functionaris van de afdeling Personeelszaken hem in het jaar 2016 heeft mede gedeeld dat de toen gehouden registratie van ambtenaren enkel bedoeld was voor personen die zonder toestemming zijn weggebleven en dat hij niet tot die categorie behoort;
  1. [Verzoeker] heeft in de enquête 5 (vijf) getuigen doen horen die hebben verklaard gelijk in het daarvan door de griffier opgemaakte processen-verbaal staat gerelateerd. Met name zijn als getuigen gehoord de navolgende personen te weten: [naam 1]; [naam 2]; [naam 3]; [naam 4] en [naam 5].
  1. De getuige [naam 1] heeft –voor zover van belang en zakelijk weergegeven– verklaard dat hij vanaf het 4e kwartaal van 2013 tot januari 2014 was aangesteld als directeur van Onderwijs. Daarvoor was hij als Onderdirecteur verbonden aan het Ministerie van Onderwijs. Voorts heeft hij verklaard dat hij zich wel kan heugen dat [verzoeker] zich in het vierde kwartaal van 2013 een keer bij hem had aangemeld om ingezet te worden en dat hij [verzoeker] toen naar de bond (BPMO) had verwezen.
  1. De getuige [naam 2] heeft – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – aangegeven dat hij in de periode 2009 tot 01 februari 2011 directeur van het directoraat Onderwijs van het Ministerie van Onderwijs is geweest en dat hij op 01 februari 2011 zijn ambt moest overdragen aan zijn opvolger [naam 3]. Hij geeft voorts aan dat hij zich kan heugen dat [verzoeker] bij hem was geweest en zijn relaas heeft gedaan. Hij heeft [verzoeker] toen geadviseerd om met de nieuw aantredende directeur van het directoraat in contact te treden aangezien hij zou afzwaaien als directeur. De getuige heeft tevens verklaard dat hij ook beleidsadviseur is geweest tijdens de bewindsperiode van minister Sitaldien en dat [verzoeker] toen in de periode 2012-2013 bij hem was geweest om zijn beklag te doen teneinde zijn werkzaamheden te hervatten en dat hij [verzoeker] toen had geadviseerd om contact op te nemen met de minister. Eveneens heeft de getuige aangegeven dat [verzoeker] hem had voorgehouden dat hij thuis was gezet en dat hij niet wist wat de reden daarvoor was.
  1. De getuige [naam 3] heeft – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – verklaard dat hij op 01 februari 2011 als directeur van het directoraat Onderwijs is aangetreden en dat [verzoeker] ongeveer een week na zijn aantreden zich bij hem kwam aanmelden om zijn werkzaamheden te hervatten. Het gaat volgens de getuige om drie contactmomenten waarbij het in twee gevallen ging om fysieke contactmomenten (ontmoetingen) en één keer ging het om een telefonisch contactmoment. Voor wat betreft onderdeel b van het probandum heeft de getuige verklaard dat hij in de maand februari 2011 mondeling met [verzoeker] heeft afgesproken dat hij op afroep ter beschikking diende te blijven en dat hij geen presentielijst hoefde te tekenen. Hij geeft aan dat hij pas was aangetreden en de bedoeling was dat na een herstructurering van het departement contact zou worden opgenomen met [verzoeker] teneinde hem wederom in te zetten. Evenwel werd de getuige tegen eind april 2011 zelf op non-actief gesteld en formeel uit de functie van directeur ontheven in februari 2012.
  1. De getuige [naam 4] heeft – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – verklaard dat hij in de periode 2011 tot en met 2014 op het Ministerie van Onderwijs werkzaam is geweest als Hoofd van de afdeling van het Bureau Voortgezet Onderwijs (BVO). [Verzoeker] heeft zich in voormeld tijdvak aangemeld teneinde zijn werkzaamheden te hervatten op basis van de aanstelling en de getuige heeft hem te werk gesteld als parttimer op een Middelbare School, het IMEAO (dag- en avondopleiding) als leerkracht. Nadat de getuige [verzoeker] had geplaatst op IMEAO heeft hij geen contact meer met hem gehad. In de regel is het zo dat als er geen wanklanken zijn over het functioneren dan wel zaken betreffende verzuim van een leerkracht, de getuige als hoofd van BVO niet in beeld komt.
  1. In de visie van het Hof heeft [verzoeker] tijdens de behandeling van deze zaak hard kunnen maken dat hij enige tijd terug (kennelijk in het jaar 2007) met behoud van salaris thuis is gezet door de toenmalige leidinggevende(n) van het Ministerie van Onderwijs en dat hij op afroep beschikbaar diende te zijn voor de Staat. Aangezien hij niet werd opgeroepen heeft hij herhaaldelijk zelf initiatieven (hetzij mondeling hetzij schriftelijk) ondernomen om in de gelegenheid gesteld te worden om alsnog aan de slag te gaan. Deze pogingen zijn helaas vruchteloos gebleken. De Staat hulde zich in een langdurig stilzwijgen en toen de Staat na een lange winterslaap ergens in 2017 ontwaakte en bemerkte dat [verzoeker] betaald werd maar niet werkte en geen presentielijsten tekende, werd [verzoeker] alsnog – na zich te hebben verweerd – ontslagen wegens plichtsverzuim bij beschikking van het Ministerie van Binnenlandse Zaken gedateerd 27 mei 2019. Naar het oordeel van het Hof is de grondslag die de Staat heeft gehanteerd voor de ontslagverlening aan [verzoeker] niet valide gebleken. Immers heeft de Staat in de ontslagbeschikking aangegeven dat [verzoeker] sedert februari 2011 zonder kennisgeving van het werk is weggebleven hetgeen ernstig plichtsverzuim oplevert waardoor hij wegens plichtsverzuim uit Staatsdienst dient te worden ontslagen. Behalve de incongruentie tussen ernstig plichtsverzuim en plichtsverzuim komt de opgelegde tuchtstraf aan [verzoeker] het Hof inderdaad disproportioneel voor en is de door [verzoeker] aangevoerde grondslag derhalve in rechte komen vast te staan. Het kan er bij het Hof niet in dat de ene beleidsmaker naar eigen goeddunken mondeling een ambtenaar aanzegt om thuis te blijven zonder enig besluit op schrift te stellen en aangeeft dat de ambtenaar op afroep beschikbaar dient te blijven en een andere beleidsmaker na verloop van tijd aangeeft dat er sprake is van onwettig verzuim (althans zo vat het Hof dat op). Ondertussen schijnt de betrokken ambtenaar in casu de stoep van het Ministerie plat te hebben gelopen teneinde in de gelegenheid gesteld te worden om weer aan de slag te gaan.
  1. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat [verzoeker] is geslaagd in het bijbrengen van het bewijs van de onderdelen a en b van het probandum in rechte. Met betrekking tot onderdeel c van het probandum is [verzoeker] naar het oordeel van het Hof niet geslaagd in het bijbrengen van het bewijs daarvan in rechte. Naar het oordeel van het Hof is de grondslag van het gevorderde op grond van al het voorgaande in rechte komen vast te staan en zal het gevorderde worden toegewezen in voege als na te melden. Hoewel [verzoeker] er niet in is geslaagd om het bewijs van onderdeel c van het probandum in rechte bij te brengen kan dat naar het oordeel van het Hof zonder consequenties blijven aangezien dat een ondergeschikt onderdeel van het probandum vormt en voor de beslechting van dit geschil van minder gewicht is gebleken.
  1. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het Hof, als voor de beslissing niet relevant zijnde, achterwege laten.
  1. De beslissing

Het Hof rechtdoende als Ambtenarengerecht:

  1. Verklaart nietig de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 27 mei 2019 no [nummer 1]
  1. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, fungerend-president, mr. J.M. Jensen, lid en mr. E.P. Rudge LL.M., lid-plaatsvervanger, en

w.g. A. Charan

door mr. D.D. Sewratan bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 16 juli 2021, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. S.C. Berenstein BSc.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. R. Lala, gevolmachtigde van de Staat Suriname, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-27

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellant], ten deze handelende als gevolmachtigde van [naam 1] en [naam 2],
wonende te [plaats 1],
appellant, hierna aangeduid als “[appellant] ”,
procederend in persoon,

tegen

  1. [de Stichting], rechtspersoon,
    gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
    hierna aangeduid als “de Stichting”,
  1. [Geïntimeerde sub B], in privé en in zijn hoedanigheid van voorzitter van het bestuur van [de Stichting],
    wonende te [plaats 1],
    hierna aangeduid als “[geïntimeerde sub B] ”,

geïntimeerden,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 05 januari 2009 (A.R.NO. 04-3706) tussen [appellant] als eiser en de Stichting en [geïntimeerde sub B] als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handeling:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] op 04 februari 2009 hoger beroep heeft ingesteld;
  • op de dagbepalingen voor pleidooi d.d. 19 november 2010, 07 januari 2011, 21 januari 2011, 18 maart 2011 en 20 mei 2011 is geen pleitnota overgelegd;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 05 augustus 2011, doch nader bepaald op heden.
  1. De ontvankelijkheid van het beroep

2.1 Partijen waren op de dag van de uitspraak (05 januari 2009) niet ter terechtzitting aanwezig noch door een gemachtigde vertegenwoordigd. Een afschrift van vermeld vonnis is per griffiersbrief d.d. 15 mei 2009 aan partijen betekend. [Appellant] heeft op 04 februari 2009 appèl aangetekend.

2.2 Nu geïntimeerden geen nadeel ondervinden van het voortijdig door [appellant] ingesteld appèl, zal [appellant] daarin worden ontvangen.

  1. De feiten

3.1 [Naam 1] en [naam 2] zijn respectievelijk de grootmoeder en moeder van appellant [appellant] .

3.2 [Naam 1] en [Naam 2] zijn de enige erfgenamen van de nalatenschap van de op 29 oktober 2000 ab intestato overleden [naam 3]

3.3. [Naam 1] en [naam 2] op respectievelijk 09 februari 2009 en op 27 mei 2004 volmacht verleend aan [appellant] om hen te vertegenwoordigen en hun belangen waar te nemen en te behartigen bij de vereffening van de nalatenschap van de op 29 oktober 2000 overleden [naam 3]

3.4 [Naam 3] heeft bij akte d.d. 20 november 1990 verleden ten overstaan van de notaris, mr. R.G. Rodrigues, van de heer [naam 4] en mevrouw [naam 5] gekocht en geleverd gehad het erfpachtsrecht – vervallende op 07 juli 2035 – op het erf met al hetgeen daarop staat, groot 622,49 m² gelegen te [plaats 1] aan [adres 1], op de kaart van de landmeter J.O.A. Mans, Lcs., d.d. 26 juni 1990 aangeduid met de letters ABCD en bekend [perceelgegevens 1](hierna: het erfpachtsrecht), ingeschreven in register [C-nummer 1] onder [nummer 2] van de akte verkoop/koop.

3.5 [Naam 3] heeft bij akte d.d. 13 maart 1995 verleden ten overstaan van de notaris, mr. Willy Henry Tjon, van de heer [geïntimeerde sub B] geleend het bedrag van Nf 45.000,-, waarbij op het erfpachtsrecht een eerste hypotheek is gevestigd.

3.6 [Naam 3] heeft bij onderhandse akte d.d. 18 oktober 1995, het erfpachtsrecht aan de Stichting verkocht, gelijk deze heeft gekocht het erfpachtsrecht van [naam 3].

3.7 Bij akte verleden ten overstaan van de notaris, mr. D. Alexander, d.d. 21 oktober 1999, heeft de heer [geïntimeerde sub B] handelende in zijn hoedanigheid van voorzitter in het bestuur van de Stichting en in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde van de heer [naam 3], krachtens onderhandse koopovereenkomst met last en volmacht d.d. 18 oktober 1995, het erfpachtsrecht verkocht en overgedragen aan de heer [naam 6].

3.8 Bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 05 januari 2009 in de zaak van [appellant] ca de Stichting en [geïntimeerde sub B] (A.R.no. 04-3706),is [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tegen [geïntimeerde sub B] in zijn hoedanigheid van voorzitter van het bestuur van de stichting en is al het overig gevorderde afgewezen.

  1. De vordering in eerste aanleg

[Appellant] heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

nietig te verklaren de onderhands gesloten voorlopige koopakte met last en volmacht op 18 oktober 1995 tussen wijlen [naam 3] en [de Stichting] en/of [geïntimeerde sub B] q.q.

en in privé, zoals verleden ten overstaan van Notaris Willy Henry Tjon, alsmede de doorhaling te gelasten van akten ingeschreven in de registers van het Hypotheekkantoor van o.m. koop en levering welke krachtens, uit hoofde van de voorlopige koopakte met last en volmacht d.d. 18 oktober 1995 verleden en/of gepasseerd.

  1. De beoordeling

5.1 Het Hof overweegt dat nu er geen grieven zijn aangevoerd en er evenmin een pleitnota is overgelegd, recht zal worden gedaan op stukken.

5.2 [Appellant] heeft aan zijn vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat de voorlopige koopakte akte met last en volmacht d.d. 18 oktober 1995 vals en in strijd is met de waarheid, daar wijlen [naam 3] nimmer is overgegaan tot verkoop van vermeld erfpachtsrecht en de handtekening onderaan de voorlopige koopakte niet van [naam 3] is. Eveneens is de akte van verkoop/koop d.d. 21 oktober 1999 en de inschrijving daarvan in de registers van het Hypotheekkantoor vals, in ieder geval is door [geïntimeerde sub B] onbevoegd gehandeld, daar [naam 3] in die periode (vanaf maart 1998) nog in leven was doch ernstig ziek. [Geïntimeerde sub B] die bekend was met de ernstige ziekte van [naam 3] heeft misbruik gemaakt van deze situatie, waardoor beide genoemde akten nietig zijn dan wel vernietigbaar. Volgens [appellant] had [naam 3] wel geld geleend bij [geïntimeerde sub B] , maar was dit reeds terugbetaald waardoor [naam 3] niets verschuldigd was aan [geïntimeerde sub B] en/of de Stichting.

5.3 De Stichting en [geïntimeerde sub B] betwisten al hetgeen door [appellant] is gesteld en voeren aan dat [naam 3] de lening nimmer heeft terugbetaald en het erfpachtsrecht integendeel met een hypotheek heeft belast. Ter adstructie wordt een akte van geldlening d.d. 24 augustus 1995 overgelegd. Voorts wordt aangevoerd dat de handtekening van [naam 3] door de notaris Willy Henry Tjon is gelegaliseerd waarmee de echtheid daarvan vaststaat. Van misbruik van de situatie is geen sprake omdat [naam 3] ten tijde van de totstandkoming van de wederkerige overeenkomsten compos mentis was en tussen partijen wilsovereenstemming was bereikt. Tot slot dient [appellant] niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering tegen [geïntimeerde sub B] in privé en in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Stichting, omdat [geïntimeerde sub B] niet in privé heeft gehandeld met [appellant] en omdat de rechtshandelingen van de voorzitter van de Stichting aan de Stichting worden toegerekend.

5.4 Het Hof overweegt eerstens dat [appellant] in zijn vordering tegen [geïntimeerde sub B] in zijn hoedanigheid van voorzitter van het bestuur van de Stichting, niet-ontvankelijk zal worden verklaard, nu de rechtsgeldige handelingen van de voorzitter van het bestuur aan de Stichting als rechtspersoon worden toegerekend en de Stichting reeds onder sub A in rechte wordt aangesproken. Voorts wordt overwogen dat [appellant] geen belang heeft bij een vordering tegen [geïntimeerde sub B] in privé, nu beide akten die [appellant] in de vordering noemt, rechtshandelingen van de Stichting betreffen. Concluderend dat [appellant] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering tegen [geïntimeerde sub B] .

5.5 Met betrekking tot de niet-erkenning van de handtekening van [naam 3] onder de voorlopige koop/verkoop overeenkomst met last en volmacht d.d. 18 oktober 1995 door zijn rechtsverkrijgers, overweegt het Hof dat het in deze betreft een onderhandse koop/verkoop overeenkomst tussen [appellant] als verkoper en de Stichting als koper, waarvan de handtekeningen van zowel [naam 3] als [geïntimeerde sub B] , in zijn hoedanigheid van voorzitter van het bestuur van de Stichting, door de notaris, mr. Willy Henry Tjon, zijn gelegaliseerd. Voorts is bedoelde verkoop/koop van het erfpachtsrecht bevestigd ter comparitie van partijen d.d. 08 mei 2008 door notaris E. Emanuels, die zulks begrepen heeft van een medewerker van notaris Willy Tjon. Met name heeft voornoemde notaris ter comparitie verklaard dat zij van een medewerker van het kantoor van notaris Tjon heeft begrepen dat er na 24 augustus 1995 een onderhandse koop is gesloten tussen [naam 3] en de heer [geïntimeerde sub B] met betrekking tot hetzelfde onroerend goed. Notaris Emanuels heeft ter comparitie eveneens overgelegd vijf hypotheekakten waaruit mag blijken dat [naam 3] in de periode maart 1995 – augustus 1995 vijf leenovereenkomsten met hypotheekstelling heeft gesloten met [geïntimeerde sub B] in privé. Daarnevens is de ‘akte’ d.d. 18 oktober 1995 in originali aan [appellant] getoond door de notaris, mr. D. Alexander, ter comparitie van partijen gehouden op 22 juni 2008. [Appellant] heeft ter adstructie van de niet-erkenning van de handtekening slechts het registratiebewijs d.d. 18 oktober 1991 ten name van [naam 3] met zijn handtekening daarop, overgelegd, welke handtekening overigens naar het oordeel van het Hof geen twijfel doet ontstaan omtrent de echtheid daarvan. Daarnevens heeft [appellant] geen feiten en of omstandigheden aangevoerd die het Hof zouden nopen tot een echtheidsonderzoek.Het Hof concludeert derhalve op grond van het vorenoverwogene dat de voorlopige koop/verkoop akte met last en volmacht d.d. 18 oktober 1995 rechtsgeldig is en zal daarvan uitgegaan.

5.6 Nu geconcludeerd is dat de voorlopige koop/verkoop akte met last en volmacht d.d. 18 oktober 1995 rechtsgeldig is, is daarmee de verkoop/koop van het erfpachtsrecht door [naam 3] aan de Stichting rechtsgeldig en heeft de Stichting, gebruikmakend van bedoelde last en volmacht, bevoegdelijk namens [naam 3] het erfpachtsrecht bij akte d.d. 21 oktober 1999 verkocht en geleverd aan een ander. Voormelde verkoop door de Stichting is dan ook rechtsgeldig.

5.7 Met betrekking tot de gestelde misbruik van omstandigheden, overweegt het Hof dat de door [naam 3] gepleegde rechtshandelingen betreffen de periode 1990 – 1995, terwijl blijkens de overgelegde controlekaarten [naam 3] in ieder geval vanaf maart 1998 in behandeling was van een arts. Voorts is niet gesteld of gebleken dat [naam 3] ten tijde van het plegen van de rechtshandelingen niet in staat is geweest om zijn wil te bepalen vanwege ziekte, zodat hieraan voorbij zal worden gegaan.

5.8 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen concludeert het Hof dat de vordering van [appellant] ongegrond. Het vonnis waarvan beroep dient echter te worden vernietigd op grond van het vorenoverwogene in 5.4.

5.9 [Appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Stichting en [geïntimeerde sub B] gevallen, zoals nader begroot in de beslissing.

  1. De beslissing in Hoger Beroep

Het Hof:

6.1 Vernietigt het vonnis d.d. 05 januari 2009 (A.R.NO. 04-3706) waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

6.2 Verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn vordering tegen [geïntimeerde sub B] in privé en in zijn hoedanigheid van voorzitter van het bestuur van de Stichting.

6.3 Wijst al het overig gevorderde af.

6.4 Veroordeelt [appellant] in de proceskosten aan de zijde van de Stichting en [geïntimeerde sub B] gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door : mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 02 mei 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat mr. S. Marica, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerden noch in person noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2014-26

G.R. 14790

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

CARITRUST N.V.,
rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellant, hierna aangeduid als “Caritrust”,
gemachtigde: mr. B.G. Beckles, advocaat.

tegen

Financial Services D.M. IV Inc.,
rechtspersoon naar het recht van de Staat Delaware in de Verenigde Staten van Amerika, medegevestigd en kantoorhoudende op het eilandgebied Curaçao,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “FSDM”,
gemachtigde: mr. R.L. Kensmil, advocaat,

inzake het op grond van de Handelsregisterwet ingesteld beroep tegen de door de Handelsregistercommissie van de Kamer van Koophandel en Fabrieken (hierna KKF) genomen beslissing van 27 november 2012 ter zake van de inschrijving van de adreswijziging van Caritrust in het handelsregister,

geeft de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking.

  1. Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • verzoekschrift d.d. 24 december 2012, met bijgevoegde bijlagen, ingediend op 24 december 2012 ter griffie van het Hof van Justitie;
  • proces-verbaal van de op 31 januari 2013 gehouden zitting in Raadkamer;
  • antwoord pleitnota d.d. 31 januari 2013 met bijlagen;
  • repliek pleitnota d.d. 7 februari 2013 met een bijlage;
  • dupliek pleitnota d.d. 14 februari 2013;
  1. De casus
  1. Het gaat in deze zaak om het volgende. Bij schrijven d.d. 28 november 2012 afkomstig van de secretaris van de KKF en gericht aan N.V. Caritrust op het adres aan de Kleine Saramaccastraat 37, Paramaribo, is Caritrust in kennis gesteld van het besluit van de Handelsregistercommissie d.d. 27 november 2012 betrekking hebbende op het inschrijvingsadres van Caritrust.

Het voornoemd besluit luidt alsvolgt:

Besluit

Handelsregister Commissie

Gelezen het verzoekschrift van Financial Services D.M. IV Incorporation de dato 12 september 2012, betreffende de doorhaling te gelasten van de onjuiste inschrijving welke door Caritrust N.V. in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel & Fabrieken is gedaan na de datum van 21 mei 2012.

Gehoord de vertegenwoordiger van de secretaris van de Kamer van Koophandel & Fabrieken;

Gelet op de behandeling van bovengenoemde zaak.

Overwegende dat door de Kamer van Koophandel & Fabrieken ter plaatse een onderzoek heeft plaatsgevonden naar de verrichtingen van Caritrust N.V.

Overwegende dat is komen vast te staan dat Caritrust N.V. haar activiteiten vanuit de Johan A. Pengelstraat coördineert.

Overwegende dat bij opname van de buitendienst van de Kamer van Koophandel & Fabrieken op het eerder door Caritrust N.V. opgegeven adres aan de klerk van Kamer van Koophandel & Fabrieken is medegedeeld dat het juiste adres was Kleine Saramaccastraat no.37. Evenwel is op laatstgenoemd adres geen naambord aangetroffen van Caritrust N.V. noch enige activiteit van Caritrust N.V.

Overwegende dat wij de inschrijving van Caritrust N.V. wijzigen m.d.v. dat het adres luidt: Johan A. Pengelstraat no.192 te Paramaribo.

Besluiten:

De inschrijving in het Handelsregister te wijzigen als vorenvermeld.

Aldus gedaan te Paramaribo, op 27 november 2012.

De Handelsregister Commissie

Voorzien van een handtekening (opmerking van het Hof van Justitie)

Mr. R. Vos

Niet voorzien van een handtekening (opmerking van het Hof van Justitie)

Mr. R. Soerdjbalie

C.E. Hoft, Lcs. Voorzien van een handtekening (opmerking van het Hof van Justitie)”

  1. Caritrust komt hiertegen op stellende dat het besluit onrechtmatig en zowel feitelijk als juridisch niet althans niet behoorlijk gemotiveerd is.
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

Caritrust verzoekt het Hof om:

  1. het besluit van de Handelsregistercommissie te vernietigen dan wel nietig te verklaren en opnieuw beslissende FSDM niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans haar die te ontzeggen.

Caritrust stelt daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende:

  1. Zij wenst op grond van de leden 5 en 7 van de Handelsregisterwet (G.B. 1936 no. 149) in beroep te gaan tegen het besluit van de Handelsregistercommissie. Zij had aanvankelijk haar adres aan de Johan A. Pengelstraat no. 192 te Paramaribo en was dit adres ook geregistreerd in het handelsregister. Omdat zij genoodzaakt was haar bedrijfsactiviteiten omstreeks ultimo juni 2012 te staken heeft ze de huurovereenkomst die haar recht gaf op huurgenot op dat adres, beëindigd. Zij is vervolgens verhuisd naar een tijdelijk adres aan de Hofstraat no. 91 en nader aan de Kleine Saramaccastraat no. 37 welke adreswijzigingen aan de KKF zijn doorgegeven.
  1. Bij schrijven van de secretaris van de KKF d.d. 28 november 2012 welke aan Caritrust is toegezonden op het geregistreerd adres Kleine Saramaccastraat no. 37, is Caritrust in kennis gesteld van het besluit van de Handelsregistercommissie d.d. 27 november 2012, waarin het besluit werd genomen de inschrijving van de adreswijziging van Caritrust in het handelsregister ongedaan te maken met dien verstande dat het adres luidt: Johan A. Pengelstraat no. 192 te Paramaribo.
  1. Echter de secretaris van de KKF heeft niet overeenkomstig het artikel 20 lid 1 van de Handelsregisterwet een oordeel gegeven over de inschrijving van het nieuw adres van Caritrust althans de secretaris van de KKF heeft geen verzoek aan de Handelsregistercommissie doen uitgaan met betrekking tot de inschrijving van de wijziging van het adres van Caritrust hetgeen dwingend is voorgeschreven.
  1. Het besluit is onrechtmatig en niet op de wet gegrond aangezien het besluit blijkens de ondertekening daarvan is genomen door slechts twee van de drie leden van de Handelsregistercommissie.
  1. Caritrust is nimmer door de Handelsregistercommissie gehoord alvorens het besluit is genomen en is zij daartoe ook niet opgeroepen.
  1. Volgens de overweging in het besluit heeft de KKF en niet de Handelsregistercommissie een onderzoek ingesteld naar de verrichtingen van Caritrust en blijkt zelfs dat een klerk van de KKF het onderzoek heeft gedaan.
  1. Het besluit rept over het coördineren van haar activiteiten door Caritrust vanuit de Johan A. Pengelstraat terwijl de Handelsregisterwet rept over een onderneming die een bedrijf uitoefent en niet over “het coördineren van activiteiten.”

FSDM verweert zich als volgt:

  1. Zij heeft op 12 september 2012 als belanghebbende in de zin van artikel 20 lid 2 van de Handelsregisterwet een verzoekschrift gericht aan de Handelsregistercommissie voor wijziging van het vestigingsadres van Caritrust. Dit omdat Caritrust valselijk haar adres van vestiging medio juni 2012 heeft doen wijzigen in een adres aan de Hofstraat no. 91 terwijl de onderneming welke Caritrust als geldovermakingsbedrijf vanaf 1994 uitoefent aan de Johan A. Pengelstraat no. 192, op voornoemd adres wordt gecontinueerd.
  1. Het belang van FSDM ligt in de opheffing van de blokkade welke Caritrust onrechtmatig had opgeworpen door de valselijk door haar ingeschreven wijziging van haar adres in het handelsregister om de executie tegen Caritrust te beletten van een onder andere tegen haar gewezen vonnis met veroordeling van Caritrust om aan FSDM te betalen een bedrag van US $ 904.875,-.
  1. Haar meest verstrekkend verweer is dat Caritrust geen belang heeft bij haar vordering.
  1. Tevens is de wijziging van haar adres in het Handelsregister strijdig met artikel 25 lid 1 sub d van de Wet Toezicht Geldtransactiekantoren van 29 oktober 2012 (SB 2012 no. 170). Voormeld artikel verbiedt geldtransactiekantoren om hun vestigingsplaats c.q. hun adres van vestiging te veranderen anders dan na verkregen schriftelijke toestemming van de Centrale Bank van Suriname. Tevens heeft Caritrust, de Centrale Bank van Suriname ingevolge artikel 10 sub d van voornoemde wet, niet van de beëindiging van haar werkzaamheden als geldovermakingsbedrijf in kennis gesteld. Derhalve is zij ingevolge die wet rechtens nog steeds als geldovermakingsbedrijf gevestigd aan de Johan A. Pengelstraat no. 192 te Paramaribo.
  1. Op verdere stellingen van Caritrust en weren van FSDM komt het Hof hierna, voor zover nodig terug.
  1. De beoordeling van de vordering
  1. Het Hof dient allereerst na te gaan of het beroep tijdig is ingesteld door Caritrust. Volgens het artikel 20 lid 5 van de Handelsregisterwet kan binnen 30 dagen na de dag van de beslissing van de Handelsregistercommissie betreffende een inschrijving in het handelsregister, door degene die daarbij geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie, dat in raadkamer beslist. Het besluit is op 27 november 2012 genomen en bij schrijven van 28 november 2012 aan Caritrust toegezonden. Het verzoekschrift van Caritrust is vervolgens op 24 december 2012 ter griffie van het Hof van Justitie ingekomen.

Het Hof overweegt dat Caritrust derhalve haar beroep binnen de wettelijke beroepstermijn van 30 dagen heeft ingesteld en wordt zij in haar beroep ontvankelijk verklaard.

  1. Als haar meest verstrekkend verweer heeft FSDM aangevoerd dat Caritrust geen belang heeft bij haar vordering. Het Hof overweegt ter zake het volgende.

De belangen van Caritrust en FSDM staan haaks tegenover elkaar zodat een gebrek van een belang van Caritrust bij beroep bij het Hof van Justitie tegen het besluit van de Handelsregistercommissie genomen op een verzoekschrift van de FSDM zou impliceren dat ook de FSDM toen geen belang zou hebben gehad bij haar verzoekschrift gericht aan de Handelsregistercommissie teneinde het gewraakte besluit uit te lokken. Nu uit het besluit van de Handelsregistercommissie impliciet kan worden afgeleid, dat geoordeeld is dat FSDM belang had bij haar verzoekschrift teneinde te doen bewerkstelligen dat t.b.v. FSDM vast komt te staan op welk adres Caritrust in het Handelsregister ingeschreven staat teneinde haar bedrijf uit te oefenen, wordt voor Caritrust eveneens een gerechtvaardigd belang aanwezig geacht dat zij is ingeschreven in het Handelsregister op het adres waar zulks plaatsvindt, zoals zij stelt voor de afhandeling van zaken. Zij heeft er alle belang bij niet te zijn ingeschreven op het adres waarvan zij stelt, geen bedrijfsactiviteiten te ontplooien. Zij wordt geacht er belang bij te hebben om een door de Handelsregistercommissie ter zake genomen besluit ter beoordeling aan het Hof van Justitie voor te leggen hetgeen in dezen is geschied. Het verweer van FSDM dat Caritrust geen belang heeft bij haar vordering wordt derhalve verworpen.

  1. Partijen twisten verder over de vraag of de Handelsregistercommissie op eigen gezag een verzoek tot doorhaling, aanvulling of wijziging van het in het handelsregister ingeschrevene kan beoordelen dan wel of de Handelsregistercommissie pas tot beoordeling kan overgaan nadat de secretaris van de KKF over het ingeschrevene een oordeel heeft gegeven.

4.3.2 Het Hof overweegt naar aanleiding van het voorgaande het volgende.

Artikel 20 van de Handelsregisterwet luidt alsvolgt:

Lid 1

Indien de Secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Paramaribo oordeelt, dat een opgaaf voor inschrijving ten onrechte is gedaan of onvolledig of onjuist is, of in strijd met de openbare orde of goede zeden, wendt hij zich bij verzoekschrift – waarvan hij bij aangetekende brief afschrift doet toekomen aan hem die de opgaaf heeft gedaan – tot de Handelsregistercommissie met het verzoek al naar de omstandigheden doorhaling, aanvulling of wijziging van het ingeschrevene te gelasten. Insgelijk doet de Secretaris in voorkomende gevallen aan de Handelsregistercommissie het verzoek om het plaatsen van een aantekening bij de gegevens van een zaak in het handelsregister te gelasten dat in de betreffende zaak niet daadwerkelijk of in strijd met wettelijke voorschriften een bedrijf wordt uitgeoefend.

Lid 2

Iedere belanghebbende die oordeelt dat een inschrijving ten onrechte is gedaan of dat hetgeen in het handelsregister is ingeschreven of aangetekend, onvolledig of onjuist is of in strijd met de openbare orde of goede zeden kan, indien de Kamer weigert of nalaat tot doorhaling, aanvulling of wijziging over te gaan, zich bij verzoekschrift tot de Handelsregistercommissie wenden met het verzoek al naar de omstandigheden doorhaling, aanvulling of wijziging van het ingeschrevene te gelasten.

Lid 3

De Handelsregistercommissie willigt het in lid 1 en 2 bedoelde verzoek niet in dan na verhoor of behoorlijke oproeping van degenen aan wie de zaak toebehoort en zo mogelijk van degene die de opgaaf heeft gedaan.

Lid 4

Van haar beslissing geeft de Handelsregistercommissie onmiddellijk bij aangetekend schrijven kennis aan de Secretaris der Kamer, aan degene die het verzoek heeft gedaan en aan degene die de opgave heeft gedaan.

Lid 5

Binnen 30 dagen na de dag der beslissing van de Handelsregistercommissie kan daartegen door hem, die daarbij geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie, dat in raadkamer beslist.

Het daartoe strekkend verzoekschrift wordt aan de belanghebbende wederpartij betekend.

Het derde en vierde lid vinden overeenkomstige toepassing.

Lid 6

De Handelsregistercommissie kan de voorlopige tenuitvoerlegging van haar beslissing gelasten.

Lid 7

Indien bij beslissing van de Handelsregistercommissie of, in beroep, van het Hof van Justitie hetgeen in het handelsregister is ingeschreven, geheel of gedeeltelijk onrechtmatig is verklaard, wordt door de Secretaris daarvan aantekening in het handelsregister gedaan.”

4.3.3 Uit de tekst en de strekking van het bepaalde in artikel 20 lid 1 juncto artikel 20 lid 2 van de Handelsregisterwet en met name de zinsnede in lid 2 van artikel 20 van voornoemde wet luidende “indien de Kamer weigert of nalaat tot doorhaling, aanvulling of wijziging over te gaan” valt af te leiden dat in dezen sprake is van een dwingend voorgeschreven procedure waarbij de beoordeling van de Handelsregistercommissie vooraf dient te zijn gegaan door de beoordeling van de Kamer. Het is derhalve niet aan de belanghebbende gelegen om de Kamer over te slaan en zich rechtstreeks tot de Handelsregistercommissie te wenden daar dit tot gevolg zou hebben dat partijen één beoordelingsinstantie ontnomen zou worden. Nu FSDM zich rechtstreeks heeft gewend tot de Handelsregistercommissie en daarbij de KKF heeft overgeslagen had zij, FSDM, door de Handelsregistercommissie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Nu dat niet is geschied wordt reeds op grond hiervan het gewraakte besluit van de Handelsregistercommissie nietig verklaard met als gevolg dat Caritrust nog steeds geacht wordt te zijn ingeschreven aan de Kleine Saramaccastraat no. 37 te Paramaribo.

  1. Caritrust heeft mede gevorderd: “en opnieuw beslissende FSDM niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans haar die te ontzeggen.” FSDM heeft geen vordering bij het Hof ingesteld met als gevolg dat geen niet-ontvankelijkheid daarvan kan worden uitgesproken.

4.3.5. Het Hof overweegt ten overvloede dat zelfs al zou zijn beslist dat de Handelsregistercommissie gerechtigd was in eerste instantie van het verzoek kennis te nemen, haar besluitvorming niet andersluidend zou zijn. Dit omdat niet is gebleken dat de Handelsregistercommissie het in artikel 20 lid 3 van de Handelsregisterwet dwingend voorgeschrevene in acht heeft genomen. Met name is niet gebleken – ondermeer uit haar besluit d.d. 27 november 2012 – dat Caritrust is gehoord dan wel daartoe behoorlijk is opgeroepen.

4.3.6 Het Hof zal, gegeven het bovenoverwogene niet nodig achtend verder in te gaan op de overige stellingen en weren van partijen, als na te melden beslissen.

  1. Het Hof beschikkende in beroep:

5.1 Verklaart Caritrust ontvankelijk in het door haar ingestelde beroep.

5.2 Verklaart nietig het besluit van de Handelsregistercommissie d.d. 27 november 2012 genomen op het verzoekschrift van Financial Services D.M. IV Incorporation de dato 12 september 2012, betreffende de doorhaling te gelasten van de onjuiste inschrijving welke door Caritrust N.V. in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel & Fabrieken is gedaan na de datum van 21 mei 2012.

5.3 Wijst het meer of anders door Caritrust gevorderde af.

Aldus gegeven op Vrijdag 24 januari 2014 in Raadkamer van het Hof van Justitie te Paramaribo door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. R.M. Praag, Lid-Plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier mr. S.C. Berenstein.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

w.g. S.M.M. Chu

w.g. R.M. Praag

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld