SRU-HvJ-2014-25

GR- 14698

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

  1. [Verzoekster sub A], weduwe van [naam 1],
  2. [Verzoeker sub B],
  3. [Verzoekster sub C],
  4. [Verzoekster sub D],
  5. [Verzoekster sub E],
  6. [Verzoekster sub F], en
  7. [Verzoeker sub G],

allen wonende te [district 1], te [adres 1],
verzoekers,
gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

tegen

[Verweerder],
wonende te [plaats] aan [adres 2],
verweerder,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po Jr., advocaat,

inzake het gedaan verzoek zijdens verzoekers strekkende tot verval van instantie in de hoger beroepszaak van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 06 februari 1996 (A.R.NO. 941335) tussen de rechtsvoorganger van verzoekers, [naam 1], als eiser en verweerder als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • Het zijdens verzoekers ingediend verzoekschrift met bijlagen de dato 07 maart 2012;
  • De pleitnota zijdens verzoekers de dato 06 juli 2012;
  • Het schriftelijke antwoordpleidooi zijdens verweerder de dato 05 oktober 2012;
  • Het schriftelijke repliekpleidooi zijdens verzoekers de dato 07 december 2012;
  • Het schriftelijke dupliekpleidooi, onder overlegging van een productie, zijdens verweerder de dato 05 april 2013;
  • De schriftelijke pleitnota tot uitlating productie zijdens verzoeker de dato 19 april 2013;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 02 augustus 2013 doch nader op heden;

De beoordeling

  1. Het gaat in dit geding om het volgende.
    1. In 1994 had de rechtsvoorganger van verzoekers in het Eerste Kanton een vordering in bodemgeschil aanhangig gemaakt tegen verweerder. Bij vonnis van 06 februari 1996, A.R. no. 941335 heeft de kantonrechter in het Eerste Kanton o.a. nietig verklaard de overeenkomst, welke tussen partijen in 1986 is gesloten met betrekking tot het ter beschikking stellen van pensioengelden van [NAAM 1] middels verweerder; voorts is verweerder veroordeeld aan [NAAM 1] te betalen het bedrag van Nf 118.500,00 of de tegenwaarde daarvan in Surinaams courant, berekend naar de dagkoers van de Centrale Bank van Suriname te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 maart 1994 tot aan de dag der algehele voldoening, onder verrekening van het door verweerder aan verzoekers in Suriname uitgekeerde bedrag groot omstreeks (het hof leest: ongeveer) Sf. 127.000,00;
    2. Bij schrijven d.d. 20 februari 1996 is verweerder tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen; door de schorsende werking ervan kan niet tot executie van bedoeld vonnis worden overgegaan;
    3. Op 15 juni 2001 stond de zaak op de rol van het Hof voor dagbepaling pleidooi. Echter is de zaak afgevoerd vanwege het feit dat verweerder verzuimd had verzoekers op te roepen om op de dienende dag te verschijnen ter terechtzitting van het Hof;
    4. Sedertdien zijn in het voormelde rechtsgeding in hoger beroep meer dan drie jaren verlopen zonder dat de zaak is voortgezet;
    5. Ingevolge de artikelen 208 t/m 213 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna WvBRv te noemen) hebben verzoekers het recht om te vorderen de vervallenverklaring van de instantie in hoger beroep, opdat het vonnis waarvan verweerder in beroep is gekomen, kracht van gewijsde verkrijgt;
    6. Verzoekers vorderen in dit geding dat het hof bij vonnis de instantie in hoger beroep vervallen zal verklaren, opdat het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 06 februari 1996, A.R. no. 941335, waarvan verweerder in beroep is gekomen, kracht van gewijsde verkrijgt;
  2. Verweerder heeft verweer gevoerd en –zakelijk weergegeven- aangevoerd dat het verzoek tot verval van instantie niet buiten de appèlprocedure om kan worden ontvangen en niet als een geheel nieuw verzoek als in onderhavig geval. Derhalve concludeert verweerder tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekers. Voorts heeft verweerder aangevoerd dat ingevolge het bepaalde in artikel 277a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna WvBRv te noemen)de President van het Hof van Justitie partijen doet oproepen om te dienende dag en uur te verschijnen en het dus rechtens niet aan verweerder ligt om de oproeping te doen waardoor de door verzoekers gestelde verloop van drie jaren in dit geval niet in de risicosfeer van verweerder ligt en hem daarom niet kan worden tegengeworpen;
  3. Het hof zal allereerst ingaan op het verweer van verweerder dat er op neer komt dat het onderhavig verzoek niet buiten de appèlprocedure om kan worden ontvangen. Dienaangaande komt het hof tot de slotsom dat dat verweer niet op de wet is gebaseerd. In de artikelen 208 e.v. van het WvBrv wordt deze eis nergens gesteld. Daarenboven ontgaat het het hof helemaal hoe verzoekers een dergelijke vordering zouden kunnen instellen in de appèlprocedure aangezien die zaak niet op de rol loopt. Het initiatief teneinde de zaak op de rol te laten brengen ligt naar het oordeel van het hof in elk geval niet bij verzoekers aangezien zij geen appèl hebben aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter. Derhalve hebben verzoekers dan ook geen andere keus dan de zaak op deze manier aan te brengen en nu de wet dat niet verbiedt zijn zij ontvankelijk in hun verzoek. Het daartoe strekkend verweer van verweerder zal derhalve worden verworpen;
  4. Ten tweede heeft verweerder aangevoerd dat ingevolge het bepaalde in artikel 277a WvBRv de President van het Hof van Justitie partijen doet oproepen en het initiatief daartoe niet bij hem ligt (althans zo vat het hof dat op). Naar het oordeel van het hof staat voormelde zienswijze van verweerder op gespannen voet met de rechtspraktijk. Inderdaad is in voormeld wetsartikel opgenomen dat de Voorzitter (lees: President) van het Hof van Justitie de dag en het uur bepaalt waarop de zaak voor het Hof van Justitie zal dienen en doet, met inachtneming van de termijnen van oproeping, voorgeschreven bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 13, partijen oproepen teneinde alsdan te verschijnen. Naar het oordeel van het hof dient voormeld wetsartikel in samenhang te worden gelezen met het bepaalde in artikel 270 WvBRv, voor zover inhoudende dat het hoger beroep aanvangt met een verklaring dat men van dat middel gebruik wenst te maken. Voorts vermeldt voormeld artikel dat van de afgelegde verklaring de griffier aantekening houdt in het algemeen register. Die aantekening geschiedt niet dan na vooruitbetaling aan de griffier van de kosten voor de aanzegging, voor de betekening van de memorie en van de daarbij overgelegde bescheiden en voor de oproeping, bedoeld in artikel 277a, desverlangd na taxatie door de rechter. Gesteld noch gebleken is dat de kosten voor de oproeping in voormelde appèlprocedure door verweerder zijn voorgeschoten, weshalve verweerder naar het oordeel van het hof niet te goeder trouw een beroep op voormelde wetsbepaling kan doen in weerwil van de huidige rechtspraktijk dat de datum en het uur van de behandeling in hoger beroep door het hof worden vastgesteld en dat de appelerende partij –als meest gerede partij- de kosten van de oproeping betaalt. De inhoud van het door verweerder bij dupliekpleidooi overgelegde oproepingsexploit doet aan het voorgaande niet af aangezien daaruit niet blijkt dat door het hof is opgeroepen. Daaruit blijkt wel dat op bevel van de President van het Hof van Justitie is opgeroepen. Gelet op het voorgaande zal ook dit verweer worden verworpen;
  5. Ten derde heeft verweerder aangevoerd dat het tijdsverloop hem niet kan worden tegengeworpen aangezien dat niet binnen zijn risicosfeer ligt. Dienaangaande overweegt het hof dat de ratio van de bepalingen betreffende verval van instantie is dat een middel wordt geboden tot beëindiging van de procedure, dat ten dienste staat aan de wederpartij van de partij die de zaak laat sloffen. In casu is gesteld – althans zo vat het hof de stelling van verzoekers op – dat verweerder in de appèlprocedure op de eerstdienende dag verzoekers niet heeft doen oproepen en daarna heeft stilgezeten. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verweerder de zaak heeft doen sloffen. Immers heeft het hof daarna geen andere datum voor behandeling van de zaak bepaald hetgeen – zoals terecht door verweerder is aangevoerd- niet voor zijn rekening en risico kan komen, nu verweerder daar geen invloed op kan uitoefen. Weliswaar is het hof van oordeel dat verweerder wel initiatieven had kunnen nemen teneinde de behandeling van de appèlzaak een aanvang te doen nemen, maar kan dat nalaten in perspectief bezien met het nalaten van de administratie van het Hof van Justitie om een datum van behandeling te doen bepalen, niet als consequentie hebben een verval van instantie zoals gevorderd. Een dusdanige consequentie zou naar het oordeel van het hof disproportioneel zijn. Uiteraard kan de zaak niet ten eeuwige dage blijven voortsudderen en het hof ziet daarin aanleiding om de administratie van het hof middels deze beslissing een zogenaamde “wake up call” te geven inhoudende een inspanningsverplichting teneinde de zaak bekend in het Generale Register onder no. 13771 op de rol te doen plaatsen. In het verlengde hiervan maakt het hof van de gelegenheid gebruik om een beroep op verweerder te doen om bij appointering van de zaak wel op te roepen, zodat een aanvang kan worden gemaakt met de behandeling in hoger beroep;
  6. Gelet op het al voorgaande komt het hof tot de slotsom dat het gevorderde dient te worden afgewezen en zullen verzoekers, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld om de gedingkosten aan de zijde van verweerder gevallen voor hun rekening te nemen;

De beslissing

Wijst af het gevorderde;

Veroordeelt verzoekers in de gedingkosten aan de zijde van verweerder gevallen en tot aan deze uitspraak begoot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. M.V. Kuldip Singh, Lid-plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 07 maart 2014, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Genderen-Relyveld, Griffier.

w.g. M.E. van Genderen-Relyveld w.g. A. Charan

Partijen, verzoekers vertegenwoordigd door advocaat mr. E. Naarendorp namens hun gemachtigde, advocaat mr. Y.S. Engkar en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C.A. Bleau namens zijn gemachtigde, advocaat mr. H.R. Lim A Po Jr, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-24

G.R.No. 14620

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

DE STICHTING SURINAAMSE VOLKSCREDIETBANK,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 17 november 2009 (A.R.NO. 041726) tussen appellante als opposante en geïntimeerde als geopposeerde,

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk VCB en [geïntimeerde] ;

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • Het schrijven van de advocaat van VCB gedateerd 22 oktober 2010 –ingekomen ter griffie van het hof op 29 oktober 2010 – waaruit blijkt dat VCB hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 17 november 2009;
  • De memorie van grieven zijdens VCB ingediend de dato 11 november 2010;
  • De schriftelijke pleitnota de dato 17 juni 2011;
  • Het schriftelijke antwoordpleidooi de dato 04 november 2011;
  • Het schriftelijke repliekpleidooi, onder overlegging van producties, de dato 17 februari 2012;
  • Het schriftelijke dupliekpleidooi en uitlating omtrent overgelegde producties de dato 20 april 2012;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 20 juli 2012 doch nader op heden;

De beoordeling

  1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

[Geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, een verklaringsprocedure ingediend en gevorderd dat, onder andere VCB, een verklaring aflegt van hetgeen zij van [naam 1], onder zich heeft of aan hem verschuldigd is. Verder heeft hij gevorderd dat, onder andere VCB, zal worden veroordeeld om af te geven wat zij van [naam 1] onder zich zou hebben, dan wel bij gebreke van het doen van een verklaring zal worden veroordeeld als ware zij zelf schuldenaar. De vordering is gebaseerd op de artikelen 347 in verbinding met 604 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna WvBRv te noemen). VCB is in voormelde procedure bij verstekvonnis de dato 02 augustus 2005 veroordeeld –aangezien zij geen verklaring heeft afgelegd- als ware zij zelf schuldenaar.

VCB heeft tegen voormeld verstekvonnis verzet aangetekend –na de betekening van het verstekvonnis op 26 maart 2007- de dato 28 maart 2007 en heeft daarbij gevorderd –kort gezegd- dat zij op grond van het bepaalde in artikel 610 WvBRv ontlast wordt van haar veroordeling tot betaling van het bedrag der vordering waarvoor het beslag is gelegd, zoals tegen haar uitgesproken bij voormeld verstekvonnis, met deugdelijk verklaring van de door haar afgelegde verklaring de dato 27 maart 2007;

  1. De kantonrechter heeft bij vonnis van 17 november 2009 – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang- VCB kwaad opposant verklaard en haar vordering afgewezen met bevestiging van het vonnis de dato 2 augustus 2005. VCB is daarbij eveneens in de proceskosten veroordeeld aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen;
  1. VCB heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsman bij schrijven gedateerd 22 oktober 2010 – ingekomen ter griffie van het hof op 29 oktober 2010 – appèl aangetekend tegen het vonnis van 17 november 2009. Uit voormeld vonnis blijkt dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest. Blijkens het aangetekend schrijven zijdens de griffier is voormeld vonnis op 20 oktober 2010 op de voet van het bepaalde in artikel 119 lid 3 WvBRv aan VCB medegedeeld. Gelet op het voorgaande heeft VCB ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 3 WvBRv tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep;
  1. VCB heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende –ook in hoger beroep- vast tussen partijen:
    1. [naam 1] is bij vonnis van 22 oktober 2002 door de kantonrechter in het eerste kanton veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen de bedragen van Nf. 1.434.965,73 en US$ 596.055,02, vermeerderd met de rente van 12 % per jaar vanaf 25 mei 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, althans de tegenwaarde van de Nederlandse gulden in euro’s in Surinaams Courant en de U.S. Dollar in Surinaams Courant tegen de officiële wisselkoers van de Centrale Bank van Suriname op de dag van betaling;
    2. [naam 1] heeft nagelaten uitvoering te geven aan voormelde vonnis. Om nakoming af te dwingen heeft George [geïntimeerde] onder, onder andere VCB, executoriaal derdenbeslag doen leggen;
    3. VCB heeft in haar inleidend verzetrekest in sustenu 6 een aanbod van betaling gedaan;
  1. Naast voormelde vaststaande feiten heeft VCB – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep ten aanzien van haar van belang – aan haar vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat zij op grond van het bepaalde in artikel 610 WvBRv bij door of namens haar ondertekend geschrift, verklaring doet, inhoudende dat zij van [naam 1] geen gelden, geldswaardige papieren en/of goederen onder zich heeft of aan hem verschuldigd is;
  1. [Geïntimeerde] heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang- aangevoerd dat aangezien VCB haar vordering baseert op artikel 610 WvBRv het een vereiste is dat dat verzet wordt gedaan onder aanbod van betaling van kosten. Dit bedrag aan kosten is niet ter betaling aan [geïntimeerde] ‘ bij het verzet’ aangeboden en blijkens aantekening van de Griffie is het verzet door VCB “ gedaan” op 30 maart 2007. Volgens vaste jurisprudentie moet betaling echter vóór of uiterst bij het indienen van het verzetrekest worden aangeboden, op straffe van niet-ontvankelijkheid, hetgeen niet het geval is geweest en tot op heden niet het geval is. Weliswaar heeft VCB in het verzetrekest aanbod van betaling van kosten gedaan maar dat is beslist niet toereikend. Ten eerste gaat het niet om een daadwerkelijk aanbod, hetwelk is uitgebleven. Ten tweede kan de opmerking in het verzetrekest dat betaling wordt aangeboden ook niet worden aangemerkt als ‘ het aanbod zelf’, nu die verklaring niet is gericht tegen [geïntimeerde] . Ten derde heeft [geïntimeerde] pas van de betreffende opmerking in het verzetrekest kennis gekregen toen hij op 11 juni 2007 bij exploot van deurwaarder D. Hieralal voor de verzetprocedure werd opgeroepen, terwijl de bepaling van artikel 610 WvBRv met zich meebrengt dat (op straffe van niet-ontvankelijkheid) het aanbod op zijn laatst op de dag van het verzet (30 maart 2007) moest hebben plaatsgevonden. [geïntimeerde] heeft op grond van het voorgaande geconcludeerd dat VCB niet in haar verzet kan worden ontvangen;
  1. Indien in rechte mocht blijken dat VCB ontvankelijk is in het verzet dan wenst [geïntimeerde] in te brengen dat de afgelegde verklaring volstrekt ondeugdelijk is aangezien die is afgelegd door een onbekend persoon, althans en in ieder geval niet door iemand die statutair bevoegd is om VCB in rechte te vertegenwoordigen. Daarenboven blijkt uit de verklaring niet of de VCB op de dag van de beslaglegging (19 april 2004) gelden van [naam 1] onder zich had;
  1. De kantonrechter heeft in eerste aanleg bij vonnis de dato 17 november 2009 –kort gezegd- het formeel verweer van [geïntimeerde] strekkende tot niet-ontvankelijkheid van VCB verworpen en het materieel verweer – strekkende tot ondeugdelijkheid van de verklaring van VCB – gegrond verklaard;
  1. In hoger beroep concludeert VCB tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en opnieuw rechtdoende tot alsnog verklaring van VCB tot goed opposante, onder goedkeuring van de door haar afgelegde verklaring;
  1. Daartoe heeft VCB als grief tegen voormeld vonnis aangevoerd –kort samengevat en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang- dat de kantonrechter ten onrechte de verklaring niet deugdelijk heeft verklaard op grond van het feit dat, hoewel de verklaring is ondertekend, niet duidelijk is of die persoon bevoegd is om de verklaring namens de VCB te ondertekenen. De kantonrechter heeft hierbij over het hoofd gezien dat ingevolge het bepaalde in artikel 1812 BW een last ook bij monde kan worden gegeven en aangenomen. De door de kantonrechter in punt 4.6. van haar vonnis vermelde feiten zijn sufficient om aan te nemen dat de verklaring namens VCB is afgelegd aangezien de ondertekenaar van de verklaring ingevolge artikel 1812 lid 2 BW de last heeft volvoerd, VCB heeft daarbij overgelegd een copie van een volmacht d.d. 01 juni 2005 waaruit blijkt , dat te rekenen van 01 juni 2005 [naam 2], hoofd Juridische Zaken van VCB, is gemachtigd om namens VCB verklaringen ten behoeve van de Kantonrechter te ondertekenen. De bewuste verklaring waarover de Kantonrechter is gevallen, is ondertekend door [naam 2], hoofd Juridische Zaken. De Kantonrechter heeft in haar oordeel geen rekening gehouden met de mogelijkheid van een verklaring van indemniteit zoals is verwoord in artikel 1827 lid 2 BW en heeft dus ten onrechte geconcludeerd dat een lastgeving ontbreekt;
  1. Ten tweede heeft VCB aangevoerd dat de Kantonrechter de verklaring ten onrechte ondeugdelijk heeft verklaard op grond van het feit dat in de verklaring niet is af te leiden wat de stand van zaken op 19 april 2014 was, wat VCB tot die dag (aan) gelden en/of geldswaarden en/of goederen van [naam 1] onder zich had c.q. aan hem verschuldigd was; de mankementen in de verklaring zijn niet ten faveure van VCB. De VCB heeft aangevoerd dat de door de (kanton)rechter geconstateerde mankementen nergens in de wet worden gesanctioneerd met ondeugdelijkverklaring van de afgelegde verklaring reeds wegens het maatschappelijk- en juridische verschijnsel dat mankementen reparabel zijn tenzij zulks ondermeer bij de wet expliciet is uitgesloten. Indien de derde gearresteerde een verklaring heeft afgelegd die naar de mening van de rechter onvoldoende is, dan blijkt uit de strekking van de wet met betrekking tot het afleggen van de verklaring dat de rechter de derde gearresteerde in de gelegenheid stelt om de verklaring te verbeteren in de door hem aangegeven zin. De verklaring tot kwaad opposant, vermeld in punt 4.6. van het gewraakte vonnis, staat haaks op hetgeen de rechter heeft overwogen in de punten 4.1., 4.2., 4.3. en 4.4. van het vonnis waarvan appèl. Daarnaast is de verklaring van VCB tot kwaad opposante het gevolg van een verkeerde rechtsopvatting van de kantonrechter zoals hiervoren is uiteengezet;
  1. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop –in het hierna volgende voor zover voor de beslissing van belang- terug komen;
  1. Gelet op de devolutieve werking van het rechtsmiddel van hoger beroep zal het hof allereerst aangeven hoe die tegen het formeel verweer van [geïntimeerde] in eerste aanleg –zoals hiervoor onder 1.5. weergegeven-aan kijkt. Dienaangaande oordeelt het hof dat –zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen onder 4.1 van het beroepen vonnis -het aanbod tot betaling van de kosten zoals bij het verzetrekest is gedaan voldoende is voor de ontvankelijkheid van het verzet. Het hof neemt de daartoe strekkende overwegingen van de kantonrechter –zoals verwoord onder 4.1. van het beroepen vonnis in eerste aanleg- over. Het hof zal vervolgens ingaan op de aangevoerde grieven. Ten aanzien van de eerste aangevoerde grief overweegt het hof dat die grief op gaat en doel treft. Immers blijkt het hoofd Juridische Zaken van de VCB gevolmachtigd te zijn sedert 01 juni 2005 om namens de VCB verklaringen ten behoeve van de Kantonrechter te ondertekenen. Overigens geeft artikel 606 WvBRv aan dat de verklaring schriftelijk, door of namens de derde gearresteerde ondertekend, ter terechtzitting dient te worden overgegeven. Aan de zinssnede “door of namens” dient ingevolge de doctrine niet de gevolgtrekking te worden verbonden dat de ondertekenaar daartoe een bijzondere volmacht van de derde nodig heeft, zijnde zijn algemene volmacht daarvoor toereikend. Nu gesteld noch gebleken is dat VCB zich van voormelde verklaring heeft gedistantieerd, bestaat er geen twijfel omtrent de herkomst van het document. Het hof oordeelt in dit kader voorts dat het beroep van VCB op het bepaalde in artikel 1812 van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW te noemen) eveneens gegrond is en doel treft aangezien een last ook mondeling kan worden gegeven en stilzwijgend kan worden aanvaard, hetgeen de kantonrechter kennelijk over het hoofd heeft gezien. Eveneens gaat het beroep van VCB op het bepaalde in artikel 1827 lid 2 BW op aangezien uit het gehele samenstel van stellingen van VCB ondubbelzinnig blijkt dat er –voor zover de lasthebber zijn last zou hebben overschreden- van uitdrukkelijke bekrachtiging sprake is;
  1. De tweede grief besprekend komt het hof tot de slotsom dat dat eveneens op gaat en doel treft. Immers luidt de tekst van de zijdens de VCB overgelegde verklaring de dato 27 maart 2007 als volgt: “ De Stichting Surinaamse Volkscredietbank verklaart geen gelden en/of geldswaarden en/of goederen onder zich te hebben, danwel verschuldigd te zijn aan [naam 1].” De wetgever heeft in artikel 605 WvBRv aangegeven dat de verklaring met redenen omkleed moet zijn; dat zij moet inhouden een staat van de gelden of roerende goederen, welke de derde gearresteerde onder zich heeft; de vermelding van de oorzaak en van het bedrag van diens schuld; van de betalingen op rekening, zo die mochten hebben plaats gehad, en van de wijze van schuldkwijting, indien de derde gearresteerde beweert niets meer schuldig te zijn, en in alle gevallen de andere inbeslagnemingen, welke onder hem mochten zijn gedaan. Weliswaar betreft de verklaring een momentopname en heeft als peildatum de dag van de beslaglegging, in casu 19 april 2004, maar gesteld noch gebleken is dat de VCB op enig moment gelden en/of geldswaarden en/of goederen afkomstig van [naam 1] onder zich zou hebben gehad. Derhalve is de opname van de datum van beslaglegging in de verklaring geen wettelijk vereiste. Indien de derde gearresteerde nà de beslaglegging de dato 19 april 2004 nog betalingen aan de beslagdebiteur zou hebben gedaan zijn die betalingen ingevolge het bepaalde in artikel 1409 BW rechtens van onwaarde en voor zover de derde gearresteerde vóór de beslaglegging gelden en/of geldswaarden en/of goederen van de beslagdebiteur onder zich zou hebben gehad, dan dient de opbouw van de betaling aan de beslagdebiteur tot aan de datum van beslaglegging gespecificeerd in de verklaring te worden opgenomen zodat dat door de beslaglegger getoetst kan worden. Van het voorgaande is gesteld noch gebleken. [geïntimeerde] heeft dienaangaande volstaan met een vermoeden uit te spreken zonder dat ook maar op enigerlei wijze aannemelijk te maken. Voor zover [geïntimeerde] meent een beroep te moeten doen op het bepaalde in artikel 612 WvBRv is het hof van oordeel dat de VCB dienaangaande ten overvloede genoeg duidelijkheid heeft verschaft in het 1e sustenu van haar repliekpleidooi waarbij zij in niet mis te verstane bewoordingen heeft aangegeven dat de verklaring de dato 27 maart 2007 mede omvat de situatie op de dag van de beslaglegging, te weten 19 april 2004. Een plechtige verklaring of een verklaring onder ede ter bevestiging van de inhoud van de door de VCB in het geding gebrachte verklaring komt het hof derhalve overbodig voor en zal het hof daaraan voorbij gaan;

2.9. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroepen vonnis dient te worden vernietigd. Immers zijn de aangevoerde grieven gegrond gebleken en hebben doel getroffen;

  1. [Geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van VCB zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis;
  1. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het hof, als niet langer relevant zijnde, achterwege laten;
  1. De beslissing in hoger beroep

Het hof:

3.1. Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 17 november 2009, A.R.No. 041726, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

3.2. Verklaart VCB goed opposante;

3.3. Ontlast VCB van haar veroordeling tot betaling van het bedrag van de vordering, waarvoor beslag is gelegd, zoals tegen haar uitgesproken bij voormeld vonnis de dato 02 augustus 2005;

3.4. Verklaart deugdelijk de door VCB afgelegde verklaring de dato 27 maart 2007;

3.5. Veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding aan de zijde van VCB in eerste aanleg gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 240,–;

3.6. Veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 160,–;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 02 mei 2014, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. S.C. Berenstein.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. A.S.N. Adhin namens haar gemachtigde, advocaat mr. A.R. Baarh en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C.A. Bleau namens zijn gemachtigde, advocaat mr. M.I. Vos, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-102

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat (thans overleden),

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 26 november 2015;

het verweerschrift met producties, ingediend ter griffie van het Hof op 05 april 2016;

de beschikking van het Hof van 21 april 2016, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 juli 2016;

de processen-verbaal van het op 15 juli 2016 gehouden verhoor van partijen en van de op 06 januari 2017 en 03 maart 2017 gehouden voortzetting daarvan, alsmede de op laatstgenoemde datum door partijen overgelegde bescheiden;

de conclusie tot overlegging van stukken, met producties, zijdens de Staat bij de griffier ingediend op 16 maart 2017;

de conclusie na gehouden verhoor van partijen, zijdens [verzoeker] overgelegd op 07 april 2017.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 06 oktober 2017, doch nader op heden.

  1. De feiten

2.1 [Verzoeker] is in vaste dienst van de Staat geweest en wel bij het Openbaar Onderwijs als leerkracht van [de school] (hierna: de school).

2.2 Leerlinge van de school, [naam 1] (hierna: [naam 1] ), heeft tijdens het eerste schoolonderzoek (S.0.) van het schooljaar 2014/2015 zeer lage cijfers behaald voor de vakken wiskunde en natuurkunde, welke vakken werden gedoceerd door [verzoeker]. Laatstgenoemde heeft [naam 1] achteraf in de gelegenheid gesteld om bij hem thuis aanvullingen te plegen op de reeds verbeterde wiskunde- en natuurkundewerken. [Naam 1] werd daarbij geassisteerd door [naam 2] (hierna: [naam 2] ), collega-leerkracht van [verzoeker]. [Verzoeker] heeft vervolgens vorenbedoelde cijfers van [naam 1] veranderd van een diepe onvoldoende naar een voldoende, ondanks deze in een vergadering van de school reeds waren bekrachtigd.

2.3 [Naam 1] heeft bij de directeur van de school, mevr. [naam 3] (hierna: [naam 3]) beschuldigingen geuit tegen [verzoeker], naar aanleiding waarvan [naam 3] bij brief d.d. 28 april 2015 onder meer het volgende aan het hoofd van de Inspectie heeft bericht:

“Op vrijdag 24 april jl. om 9.30 v.m. verschenen dhr. [naam 2] en leerling [naam 1] van klasse CB4 bij mij op kantoor. Eerst kwam [naam 1] en vroeg of ze een persoonlijk gesprek met mij kon hebben. Later kwam ze samen met [Naam 2] op kantoor. Deze leerling verklaart dat ze seksueel gemolesteerd wordt door [verzoeker]. Zij vertelt dat ze gebeld en lastig gevallen wordt door [verzoeker]. Leerlingen moesten een keer tijdens mijn afwezigheid met hun schoolwerk op kantoor komen om hun opdrachten te laten nazien. Toen desbetreffende leerling alleen op kantoor was, werd ze betast. Bij het laatste telefoongesprek met [verzoeker] heeft [naam 1] vastgelegd [sic]. Ook toen ze bij [verzoeker] thuis samen met [naam 2] haar S.O.I wiskunde en natuurkunde opnieuw heeft gemaakt. [Naam 2] heeft het telefoongesprek uit [naam 1]’s cel uitgewist en op zijn laptop overgebracht, zodat verspreiding voorkomen wordt. Deze leerling heeft te kennen gegeven dat ze geen les van [verzoeker] wil volgen, omdat ze zich niet prettig voelt in zijn aanwezigheid en ook bang is. Ze wil stappen ondernemen tegen [verzoeker] door aangifte te doen bij de politie en B.N.O.”

2.4 [Verzoeker] is, na door [naam 3] op de hoogte te zijn gesteld van de beschuldigingen van [naam 1] aan zijn adres, in de gelegenheid gesteld daarop te reageren, hetgeen hij ook heeft gedaan bij schrijven d.d. 29 april 2015. [Verzoeker] heeft daarbij de beschuldigingen tegengesproken.

2.5 [Naam 1] heeft op haar beurt haar relaas gedaan bij schrijven d.d. 05 mei 2015.

2.6 Bij brief van de directeur van Onderwijs (hierna: de directeur) d.d. 15 mei 2015, RP/rl/ag [nummer 1], is [verzoeker] buiten functie gesteld ingaande 18 mei 2015 wegens het plegen van fraudeleuze handelingen, waaronder het onrechtmatig wijzigen van cijfers toebedeeld aan studenten, en het seksueel molesteren van vrouwelijke studenten en/of het vragen van seksuele tegenprestaties voor het onrechtmatig bevoordelen van hen. [Verzoeker] is tevens in de gelegenheid gesteld om zich te verweren.

2.7 [Verzoeker] heeft bij brief d.d. 21 mei 2015, gericht aan de directeur, verweer gevoerd. Dit verweer komt, zakelijk weergegeven, op het volgende neer. [Verzoeker] heeft de door [naam 1] behaalde cijfers voor de vakken natuurkunde en wiskunde van het eerste kwartaal in het voordeel van laatstgenoemde veranderd, zulks op verzoek van [naam 2]. Vervolgens werd [verzoeker] bij de tweede S.O.-ronde voor de tweede keer door [naam 2] benaderd om wederom de cijfers voor voornoemde vakken te veranderen in veel hogere cijfers dan werkelijk door [naam 1] behaald. [Verzoeker] heeft geweigerd hieraan mee te werken. Dit is de reden dat [naam 1] en [naam 2] zich hebben gewend tot de schooldirecteur en hem hebben beschuldigd van frauduleuze handelingen, waarvoor hij seksuele tegenprestaties zou hebben gevraagd van [naam 1]. [Verzoeker] heeft [naam 1] niet seksueel gemolesteerd of betast. Alle communicatie die [verzoeker] heeft gehad met [naam 1] is geweest in het kader van het verzoek van [naam 2] om haar te ‘helpen’ met cijfers.

2.8 [Verzoeker] is per 09 juni 2015 ter beschikking gesteld van het Bureau Volkscontacten van het Kabinet van de President van de Republiek Suriname.

2.9 Bij beschikking van de minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur d.d. 02 november 2015, AD. [nummer 2] (hierna: de ontslagbeschikking), is besloten om aan [verzoeker] met toepassing van artikel 63 lid 2 sub c (lees: artikel 69 lid 2 sub c) juncto artikel 71 leden 3 en 4 Pw wegens plichtsverzuim ontslag uit Staatsdienst te verlenen (hierna: het ontslagbesluit). Daartoe is als volgt overwogen:

“dat de Hoofdonderwijzer op [de school], in vaste dienst bij het Openbaar Onderwijs, [verzoeker], bij schrijven van de Minister van Onderwijs van 26 juni 2015, kenmerk m [nummer 3], vanwege seksueel molest, het tonen van pornografisch beeldmateriaal aan studenten en het niet in stand houden van de vereiste afstand in relatie tot leerkracht en student, buiten functie is gesteld per 18 mei 2015;

dat het verweerschrift d.d. 21 mei 2015 van de heer [VERZOEKER] voornoemd, beaambt [sic] de feiten te hebben gepleegd;

dat de heer [VERZOEKER] meergenoemd, in de gelegenheid is gesteld zich te verweren;

dat een dergelijk gedrag van betrokkene niet kan worden getolereerd, in de zin dat het ernstig plichtsverzuim oplevert;

dat rekeninghoudend [sic] met

  1. de ernst van het plichtsverzuim waaraan de landsdienaar zich schuldig heeft gemaakt;
  2. de gevolgen van het plichtsverzuim;
  3. de omstandigheden waaronder het tuchtrechtelijk te straffen feit is begaan;
  4. het algemeen gedrag, de ijver en de prestaties van de landsdienaar, alsmede met diens persoonlijke en huiselijke omstandigheden het pedagogisch niet verantwoord is de heer [VERZOEKER] meergenoemd, langer in het onderwijs te handhaven;

dat aan de heer [VERZOEKER] mergenoemd [sic], wegens onvoldoende waarborgen van betrouwbaarheid ingevolge artikel 69 lid 2 sub c juncto artikel 71 lid 3 en 4 ontslag uit Staatsdienst rechtvaardigt [sic].”

2.10 [Verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 17 november 2015 ontvangen.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de ontslagbeschikking zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;
  2. hem de gelegenheid zal worden gegeven zijn diensten te hervatten bij het Bureau Volkscontacten,

alles wat sub a en b betreft onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- voor iedere dag dat de Staat nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven.

[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 Hetgeen [verzoeker] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, komt, zakelijk weergegeven, op het volgende neer. [Verzoeker] kan zich niet verenigen met de in de ontslagbeschikking aangehaalde feiten. Van seksueel molest is nooit sprake geweest, daar de directrice [naam 3] (het Hof begrijpt: [naam 3] ) op de hoogte was van de correctie van het cijfer van bedoelde leerling en zulks met haar toestemming is gebeurd en het één en ander met de inspectie zou worden besproken. [Verzoeker] heeft in zijn verweerschrift d.d. 21 mei 2015 vorenbedoelde feiten afdoende weersproken. Hij is nooit in het bezit geweest van pornografisch beeldmateriaal, nog afgezien van het feit dat er geen confrontatie heeft plaatsgevonden. Voorts begrijpt [verzoeker] niet wat de Staat bedoelt met “het niet in stand houden van de vereiste afstand”. De Staat heeft geen rekening gehouden met artikel 63 Pw, daar geen enkele redelijk denkende overheid [verzoeker] gaat ontslaan voor vorenbedoelde feiten die niet eens zijn bewezen, nog afgezien van het feit dat [verzoeker] 58 jaar oud is en langer dan 30 jaar de Staat heeft gediend. Ook al mocht waar zijn dat [verzoeker] vorenbedoelde feiten heeft begaan, dan nog heeft de Staat in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel zoals vermeld in artikel 79 lid 3 Pw, aangezien een onrechtmatig ontslag ernstige gevolgen heeft voor [verzoeker], nu zijn salaris is stopgezet sedert augustus 2015 en hij derhalve geen aanspraak meer maakt op medische voorzieningen voor hem en zijn gezin. Het ontslag van [verzoeker] is om voormelde redenen onrechtmatig.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar is geweest in de zin van artikel 1 lid 1 Pw, zodat deze wet op hem van toepassing is. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

Blijkens artikel 79 lid 2 Pw zijn besluiten waarbij aan een ambtenaar ontslag is verleend, vatbaar voor nietigverklaring.

Op grond van het voorgaande is het Hof bevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1 onder a, strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit.

4.1.2 Het overige gevorderde, te weten, kort gezegd, de wedertewerkstelling van [verzoeker] zoals gevorderd onder 3.1 onder b, onder verbeurte van een dwangsom, kan niet worden gecategoriseerd onder de in artikel 79 lid 1 Pw limitatief opgesomde vorderingen waarover het Hof bevoegd is te oordelen, zodat het Hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen. Hetzelfde geldt voor de gevorderde dwangsom voor zover gekoppeld aan het nietig te verklaren ontslagbesluit, zijnde dit (reeds genomen) ontslagbesluit immers niet een achterwege gelaten besluit van een bestuursorgaan in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw.

Ten aanzien van de mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten, verwijst het Hof naar hetgeen onder 4.9 is overwogen.

Ontvankelijkheid

4.2 Ingevolge artikel 80 lid 1 sub b Pw juncto artikel 79 leden 1 sub a en 2 Pw is een vordering tot nietigverklaring van een besluit waarbij aan een ambtenaar ontslag uit Staatsdienst is verleend, niet-ontvankelijk, indien deze is ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht.

[Verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 17 november 2015 ontvangen. Nu hij de vordering onder 3.1 onder a strekkende tot nietigverklaring van het ontslagbesluit heeft ingediend op 26 november 2015, derhalve binnen een maand na 17 november 2015, is hij daarin ontvankelijk.

4.3 Het Hof stelt voorop dat [verzoeker] – zij het dat zulks in de ontslagbeschikking op gebrekkige wijze is verwoord – wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan seksueel molest, het tonen van pornografisch beeldmateriaal aan studenten en het niet in stand houden van de vereiste afstand in relatie tot leerkracht en student en voorts dat aan hem (in ieder geval) wegens plichtsverzuim ontslag uit Staatsdienst is verleend.

4.4.1 [Verzoeker] heeft betwist zich schuldig te hebben gemaakt aan de hem verweten gedragingen. Hij stelt dat deze gedragingen niet zijn bewezen.

Het Hof overweegt dienaangaande als volgt. Bij een disciplinair onderzoek gaat het om de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven. Hiertoe is voldoende dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt. In het licht van de betwisting door [verzoeker] had het op de weg van de Staat gelegen om nadere feiten of omstandigheden aan te dragen ter onderbouwing van zijn stelling dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel molest en het tonen van pornografisch beeldmateriaal aan studenten, hetgeen de Staat heeft nagelaten. Dit verzuim klemt temeer nu in de ontslagbeschikking vorenbedoelde beschuldiging niet is gepreciseerd.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat niet is komen vast te staan en de Staat derhalve niet tot de overtuiging kon komen dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel molest en het tonen van pornografisch beeldmateriaal aan studenten, zodat deze gedragingen niet (mede) aan het ontslagbesluit ten grondslag hadden mogen worden gelegd.

4.4.2 De vraag rijst of [verzoeker] zich wel schuldig heeft gemaakt aan het overige hem in de ontslagbeschikking verweten gedrag, te weten het niet in stand houden van de vereiste afstand in relatie tot leerkracht en student. In dit kader is van belang een door [naam 1] heimelijk gemaakte opname van een telefoongesprek tussen haar en [verzoeker], welke opname (hierna: de geluidsopname) het Hof ter zitting van 03 maart 2017 heeft beluisterd. [Verzoeker] heeft ter voormelde zitting erkend dat hij vorenbedoeld telefoongesprek heeft gevoerd met [naam 1] en dat zijn stem op de geluidsopname te horen is. Hij betwist echter enkele voor hem bezwarende insinuerende dan wel seksueel getinte uitspraken te hebben gedaan en beroept zich ten aanzien van deze uitspraken op manipulatie van de geluidsopname.

Dit beroep faalt. Het Hof overweegt daartoe als volgt. Op de geluidsopname is, voor zover van belang, eerst te horen dat [verzoeker] en [naam 1] afspreken dat en op welke wijze laatstgenoemde bij [verzoeker] thuis zal komen om de wiskunde- en natuurkundewerken opnieuw te maken. Afgesproken wordt dat [naam 1] met de bus naar een bepaalde locatie zal gaan en dat [verzoeker] haar daar zal ophalen en naar zijn huis zal brengen. [Verzoeker] heeft dit deel van de geluidsopname niet betwist.

Op de geluidsopname is vervolgens te horen dat [naam 1] vraagt of zij alleen het werk gaat overschrijven, waarop [verzoeker] antwoordt: “Wat denk je?” Op de reactie van [naam 1] dat zij het niet zou weten en het daarom aan [verzoeker] vraagt, antwoordt laatstgenoemde: “Voor wat, hoort wat” en voorts “Je mag zelf weten hoe of wat. Je mag zelf weten, want je bent een volwassen vrouw. Je weet hoe of wat.” Even later is te horen dat [verzoeker] vraagt: “Ok eh, neem jij een condoom mee of zorg ik daarvoor?”, waarop [naam 1] antwoordt dat zij daarvoor zal zorgen.

Het opgenomen gesprek heeft in de visie van het Hof een logisch verloop. Vorenbedoelde geciteerde uitspraken van [verzoeker] staan naar het oordeel van het Hof niet op zichzelf en komen niet uit de lucht vallen, maar zijn een reactie op hetgeen [naam 1] vraagt dan wel een logisch gevolg van het eerder besprokene. Het Hof overweegt voorts dat deze voor [verzoeker] bezwarende uitspraken, geen korte (ja/nee-)antwoorden betreffen, maar hele volzinnen. [Verzoeker] heeft weliswaar betwist dat hij voormelde uitspraken heeft gedaan, maar niet dat ook op dit deel van de geluidsopname zijn stem is te horen. Naar het oordeel van het Hof zijn er, anders dan [verzoeker] beweert, geen tekenen aanwezig die wijzen op manipulatie van de geluidsopname. Op grond van het voorgaande acht het Hof niet aannemelijk dat sprake is van vorenbedoelde manipulatie.

4.4.3 [Verzoeker] betoogt bij conclusie na gehouden verhoor van partijen, naar het Hof begrijpt, dat de Staat in deze procedure geen gebruik mag maken van de geluidsopname, omdat deze als onrechtmatig verkregen bewijs moet worden aangemerkt, nu hij, [verzoeker], niet op de hoogte was van het gebruik daarvan door de Staat. Het Hof volgt [verzoeker] niet hierin. Immers, dat [verzoeker] niet ermee bekend was dat de Staat gebruik zou maken van de geluidsopname is geen omstandigheid die verband houdt met de wijze van verkrijging van de geluidsopname door de Staat en kan derhalve nimmer leiden tot het oordeel dat de geluidsopname onrechtmatig door de Staat is verkregen. De Staat mag in deze procedure gebruik maken van de geluidsopname, nu er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die daaraan in de weg staan. De slotsom is dat het Hof de geluidsopname mag betrekken in zijn beoordeling.

4.4.4 Voor het Hof staat op grond van de geluidsopname vast dat [verzoeker] aan [naam 1] een seksuele tegenprestatie heeft gevraagd voor het achteraf onrechtmatig veranderen van de door haar behaalde zeer slechte cijfers voor de vakken wiskunde en natuurkunde van een onvoldoende naar een voldoende. Daarmee staat tevens vast dat [verzoeker] als leerkracht niet de professionele afstandelijkheid jegens een in een afhankelijkheidspositie verkerende leerling(e), in casu [naam 1], heeft bewaard, hetgeen hij wel had moeten doen. Deze gedraging is in de ontslagbeschikking omschreven als “het niet in stand houden van de vereiste afstand in relatie tot leerkracht en student”.

4.5 Op grond van artikel 36 lid 1 Pw is een landsdienaar onder meer verplicht zich steeds zo te gedragen als een goed en getrouw landsdienaar betaamt. Handelen in strijd met deze verplichting kan plichtsverzuim opleveren. Door zich als leerkracht schuldig te maken aan het niet bewaren van de professionele afstandelijkheid jegens een in een afhankelijkheidspositie verkerende leerling oftewel aan het niet in stand houden van de vereiste afstand in relatie tot leerkracht en student, heeft [verzoeker] zich niet gedragen zoals een goed landsdienaar betaamt en zich daardoor in de visie van het Hof schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

4.6 Dit plichtsverzuim kan [verzoeker] worden toegerekend. [Verzoeker], volgens eigen zeggen langer dan 30 jaar verbonden aan het onderwijs, diende beter te weten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel nopen.

4.7 Het Hof acht het gepleegde plichtsverzuim dermate ernstig dat het ontslag van [verzoeker] uit Staatsdienst niet als een daaraan onevenredige straf is te beschouwen. Hetgeen [verzoeker] in dit kader heeft gesteld, te weten zijn leeftijd van 58 jaar, zijn diensttijd van meer dan 30 jaar, de gevolgen van het ontslag voor hem en zijn familie en de omstandigheid dat hij niet eerder tuchtrechtelijk is gestraft, maakt dit niet anders. [Verzoeker] dient de gevolgen te dragen van zijn grensoverschrijdend gedrag. Van strijd met artikel 63 lid 4 Pw of schending van het evenredigheidsbeginsel is geen sprake.

Daarbij komt dat vaststaat dat [verzoeker] onrechtmatig de zeer lage cijfers door [naam 1] tijdens het eerste S.O. van het schooljaar 2014/2015 behaald voor de vakken wiskunde en natuurkunde heeft veranderd van een onvoldoende naar een voldoende en wel nadat de bekrachtiging van deze cijfers reeds had plaatsgevonden. Deze handelwijze is [verzoeker] weliswaar in deze procedure niet verweten, maar valt hem niettemin zwaar aan te rekenen. Dat [verzoeker] zou hebben gehandeld met medeweten en toestemming van [naam 3] , hetgeen laatstgenoemde ter zitting van 06 januari 2017 overigens heeft weersproken, doet hieraan niet af. Op [verzoeker] rustte immers een eigen verantwoordelijkheid.

[verzoeker] kan in alle redelijkheid niet verwachten te worden gehandhaafd als ambtenaar verbonden aan het onderwijs.

4.8 Uit hetgeen onder 4.3 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat de grondslag van de vordering onder 3.1 onder a, strekkende tot nietigverklaring van het ontslagbesluit, niet in rechte is komen vast te staan, zodat dit gevorderde zal worden afgewezen.

4.9 Ook de gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.10 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1 onder b, alsook van de mede gevorderde dwangsom.

5.2 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

 

SRU-HvJ-2021-101

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats 1],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. H.H. Veldkamp, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Openbare Werken,
ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende op zijn Parket te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R.Y. Gravenbeek, waarnemend substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 06 mei 2014;

het verweerschrift ingediend ter griffie van het Hof op 05 september 2014;

de beschikking van het Hof van 20 oktober 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 21 november 2014, welk verhoor is verplaatst naar 16 januari 2015;

het proces-verbaal van het op 16 januari 2015 gehouden verhoor van partijen;

de conclusie tot uitlating en overlegging van stukken na verhoor van partijen, met producties, zijdens de Staat overgelegd op 17 april 2015;

de conclusie tot uitlating zijdens [verzoeker] overgelegd op 15 mei 2015.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 07 augustus 2015, doch nader op heden.

  1. De feiten

2.1 [Verzoeker] is vanaf juli 1983 in dienst van de Staat. Hij was in eerste instantie tewerkgesteld op het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Op 11 maart 1991 werd [verzoeker], dienende in de rang van stafambtenaar A 3e klasse, overgeplaatst naar het Ministerie van Openbare Werken. Te rekenen van 01 april 1991 werd [verzoeker] bevorderd tot hoofdambtenaar B 3e klasse, schaal 16, en belast met de functie van hoofd Personeelszaken, onder toekenning van een salaris van Sf 1.932,- per maand.

2.2 [Verzoeker] vertoefde van 23 maart 1992 tot en met 02 juni 1992 met vakantieverlof in Nederland. Hij was voornemens een opleiding te doen aan de Universiteit van Amsterdam. Bij brief d.d. 18 mei 1992, gericht aan de directeur van Openbare Werken (hierna: de directeur), vroeg [verzoeker] studieverlof aan te rekenen van 03 juni 1992 voor de duur van een jaar.

2.3 [Verzoeker] heeft zich bij brief d.d. 04 mei 1993, gericht aan de directeur, erover beklaagd dat hij nog geen reactie heeft ontvangen op zijn hierboven onder 2.2 genoemde brief d.d. 18 mei 1992. [Verzoeker] heeft voorts het verzoek gedaan om het door hem aangevraagde studieverlof dat op 03 juni 1993 zou aflopen, met een jaar te verlengen.

2.4 De directeur heeft bij brief d.d. 24 juni 1993 [verzoeker] bericht dat zijn verzoek om verlenging van het aangevraagde studieverlof is doorgeleid naar de minister van Binnenlandse Zaken en dat, zodra er een beslissing ter zake is genomen, hij daarvan in kennis zal worden gesteld.

2.5 [Verzoeker] heeft nimmer een reactie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken ontvangen omtrent zijn verzoek tot verlenging van het aangevraagde studieverlof.

2.6 [Verzoeker] had de onder 2.2 bedoelde studie in juni 1993 nog niet afgerond en hij is daarom niet meteen teruggekeerd naar Suriname. [Verzoeker] diende de dienst op 03 juni 1993 te hervatten, hetgeen hij niet heeft gedaan.

2.7 [Verzoeker] keerde eerst in december 2005 terug naar Suriname. Bij navraag vernam hij dat hem geen ontslag uit Staatsdienst was verleend. [verzoeker] heeft zich vervolgens bij de Staat aangemeld voor diensthervatting. De Staat heeft hem nooit opgeroepen zijn diensten te hervatten.

2.8 Op 09 april 2014 is aan [verzoeker] uitgereikt de resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 27 juni 2012, Bureau [nummer 1], [nummer 2] (hierna: de ontslagresolutie), waarin is vervat het besluit om aan [verzoeker], met toepassing van artikel 69 lid 2 sub k Pw, wegens het niet hervatten van de dienst na afloop van het aan hem verleende studieverlof, te rekenen van 03 juni 1993 ontslag uit Staatsdienst te verlenen (hierna: het ontslagbesluit). Daartoe is overwogen:

“dat aan de Hoofdambtenaar ‘B’ 3e klasse in vaste dienst in de functie van Hoofd Personeelszaken, van het Ministerie van Openbare Werken, de heer [VERZOEKER], op zijn verzoek, te rekenen van 03 JUNI 1992, studieverlof werd verleend voor de duur van 01 (ÉÉN) jaar, met toestemming dit verlof in Nederland en/of elders in Europa te te [sic] mogen doorbrengen;

dat betrokkene, die zijn werkzaamheden op 03 juni 1993 had moeten hervatten, zulks niet heeft gedaan;

dat er thans voldoende aanleiding bestaat betrokkene ingevolge artikel 69 lid 2 sub k van de aangehaalde ‘Personeelswet’, wegens het niet hervatten van de dienst na afloop van het aan hem verleend studieverlof uit Staatsdienst te ontslaan.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert, zakelijk weergeveven, dat bij vonnis:

  1. de ontslagresolutie zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;
  2. de Staat zal worden veroordeeld om binnen een door het Hof te stellen termijn die handelingen te verrichten dat [verzoeker] zijn dienst kan hervatten;
  3. de Staat zal worden veroordeeld tot betaling van het achterstallige salaris van [verzoeker], totdat de rechtsverhouding tussen [verzoeker] en de Staat op regelmatige wijze zal zijn beëindigd.

[Verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 Hetgeen [verzoeker] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, komt, naar het Hof begrijpt en zakelijk weergegeven, op het volgende neer. [verzoeker] kan zich niet verenigen met de ontslagresolutie en komt daartegen op en wel om de volgende redenen. Het op grond van artikel 69 lid 2 onder k Pw aan [verzoeker] verleende ontslag uit Staatsdienst wegens het niet hervatten van de dienst na afloop van het aan hem verleende studieverlof, moest ingevolge artikel 71 lid 6 Pw met onmiddellijke ingang plaatsvinden. De ontslagresolutie is echter gedateerd 27 juni 2012. Aangezien de Staat verzuimd heeft het ontslag met onmiddellijke ingang te verlenen, kan hij achteraf geen gebruik meer maken van voormelde ontslaggrond.

Voorts is het ontslag verleend te rekenen van 03 juni 1993, hetgeen in strijd is met artikel 6 lid 2 Pw. Artikel 6 Pw wordt slechts buiten toepassing gelaten, indien het ontslag ingevolge artikel 71 lid 6 onder 1 Pw met onmiddellijke ingang wordt verleend. Van dit laatste is in casu geen sprake, waardoor het ontslag nietig althans vernietigbaar is.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar is in de zin van de Personeelswet. Deze wet is dan ook op hem van toepassing. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 Gezien het voorgaande is het Hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen nietig te verklaren, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het Hof zich onbevoegd te verklaren.

Blijkens artikel 79 lid 2 onder e Pw zijn besluiten tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring. Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering onder 3.1 onder 1, strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagresolutie vervatte ontslagbesluit.

4.1.3 Het Hof is tevens bevoegd kennis te nemen van de vordering onder 3.1 onder 3 tot veroordeling van de Staat tot betaling van het achterstallige salaris aan [verzoeker], welke vordering het Hof beschouwt als een vordering zoals bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b Pw tot vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling – het nalaten van het tijdig betalen van het maandelijkse salaris – in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde.

4.1.4 Het gevorderde onder 3.1 onder 2 kan niet worden gecategoriseerd onder de in artikel 79 lid 1 Pw limitatief opgesomde vorderingen waarover het Hof bevoegd is oordelen, zodat het Hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

4.2.1 De Staat heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn vordering. Hetgeen de Staat daartoe heeft aangevoerd, komt, naar het Hof begrijpt en zakelijk weergegeven, op het volgende neer. De ontslagresolutie is gedateerd 27 juni 2012 en hieruit blijkt dat er een afschrift daarvan beschikbaar was voor [verzoeker]. Het verzoekschrift is op 06 mei 2014 ingediend, zodat [verzoeker] zijn vordering heeft ingesteld meer dan de wettelijk gestelde termijn van een maand nadat het ontslagbesluit ter kennis van hem is gebracht en hij derhalve daarmee tardief is.

4.2.2 Het Hof gaat voorbij aan dit verweer en wel op grond van het volgende. Vaststaat dat de ontslagresolutie op 09 april 2014 aan [verzoeker] is uitgereikt. Anders dan de Staat van oordeel is, blijkt nergens uit dat er op enig moment vóór deze datum een afschrift van deze resolutie ter kennisname beschikbaar was voor [verzoeker]. Uit het door de Staat aangevoerde volgt niet dat [verzoeker] tardief is met zijn vordering.

4.2.3 Uit het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b Pw volgt dat een vordering tot nietigverklaring van een besluit, waarbij aan een ambtenaar ontslag uit Staatsdienst is verleend, niet-ontvankelijk is, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. [Verzoeker] heeft het verzoekschrift op 06 mei 2014 ingediend, derhalve binnen een maand na 09 april 2014, zodat hij ontvankelijk is in het onder 3.1 onder 1 gevorderde.

4.2.4 Op grond van artikel 28 lid 1, tweede volzin, Pw is de Staat gehouden het salaris uiterlijk op de laatste dag van de kalendermaand te betalen. Gelet op artikel 80 lid 2 sub c juncto artikel 79 lid 1 sub b Pw is een vordering tot schadevergoeding naar het oordeel van het Hof niet-ontvankelijk, indien deze is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop de Staat geacht wordt het besluit te hebben genomen om het salaris van een ambtenaar niet meer te betalen.

Uit de stellingen van [verzoeker] blijkt niet duidelijk wanneer hij voor het laatst zijn salaris heeft ontvangen, terwijl de Staat daarover evenmin iets heeft aangevoerd. Uit het gevorderde onder 3.1 onder 3 valt evenmin op te maken vanaf welke datum [verzoeker] aanspraak meent te maken op achterstallig salaris. Vaststaat dat [verzoeker] vanaf 03 juni 1993 zijn dienst niet heeft hervat. [Verzoeker] heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen enerzijds verklaard dat hij in 1993 geen salaris meer ontving en ervan uitging dat hij was ontslagen en anderzijds, kort gezegd, dat hij in 2006 tot de ontdekking kwam dat er geen ontslagresolutie in zijn personeelsdossier voorkwam en dat hij vanaf 2006 geen salaris heeft ontvangen. Voorts stelt [verzoeker] in de op 15 mei 2015 overgelegde conclusie tot uitlating dat aan hem geen salaris is uitbetaald gedurende het door hem gestelde vakantieverlof.

[Verzoeker] heeft de vordering onder 3.1 onder 3 ingesteld op 06 mei 2014, derhalve meer dan drie maanden nadat de Staat geacht wordt op de laatste dag van enige maand in 1993 dan wel 2006 het besluit te hebben genomen om het salaris van [verzoeker] niet meer te betalen, zodat hij tardief is met het instellen van deze vordering en derhalve daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4.3.1 Het Hof zal thans overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering onder 3.1 onder 1 strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagresolutie vervatte ontslagbesluit.

4.3.2 Artikel 5 Pw schrijft voor op welke wijze een besluit, genomen op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde, schriftelijk ter kennis van de belanghebbende moet worden gebracht en bepaalt op welke dag zulks wordt geacht te hebben plaatsgevonden.

4.3.3 Artikel 6 Pw luidt als volgt:

“1. Een besluit, genomen op grond van het bepaalde bij of krachtens deze wet, werkt niet eerder ten nadele van de belanghebbende dan met ingang van de dag volgende op die waarop het overeenkomstig artikel 5 te zijner kennis is gebracht.

  1. Een besluit heeft geen terugwerkende kracht, voorzover het voor de belanghebbende nadelig is.
  2. Behoudens het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel treedt een besluit in werking met ingang van de dag volgende op die waarop het is genomen, voorzover in het besluit niet anders is bepaald.”

4.3.4 Artikel 71 lid 6 Pw luidt als volgt:

“1. Ontslag op grond van artikel 69, lid 2 onder k wordt verleend met onmiddellijke ingang tenzij het bevoegde gezag een latere datum van ingang bepaald [sic].

  1. De artikelen 5 en 6 blijven buiten toepassing.
  2. Het ontslag wordt geacht ter kennis van de betrokkene te zijn gebracht door de aankondiging daarvan in het Advertentieblad van de Republiek Suriname en in één of meer plaatselijke nieuwsbladen. In afwijking hiervan kan het ontslag ter kennis van betrokkene worden gebracht middels uitreiking van een afschrift van het ontslagbesluit.”

4.3.5 Het bepaalde in artikel 71 lid 6 onder 1 Pw houdt in dat het ontslag wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van verlof of vrijstelling van dienst, wordt verleend met ingang van de dag waarop het besluit tot dit ontslag is genomen, tenzij in voormeld besluit een latere datum van ingang is bepaald. Dit betekent niet dat dit besluit tot ontslag reeds genomen moet worden op de dag dat de betrokken ambtenaar, in casu [verzoeker], na afloop van het aan hem verleende verlof de dienst niet heeft hervat, in casu op 03 juni 1993, en evenmin dat bij gebreke daarvan het bevoegde gezag niet op een later moment de betrokken ambtenaar op deze grond ontslag uit Staatsdienst mag verlenen. De van het vorenoverwogene afwijkende stellingen van [verzoeker] kunnen niet als juist worden aanvaard.

4.3.6 Evenmin kan als juist worden aanvaard de stelling van [verzoeker], erop neerkomende dat hem met terugwerkende kracht te rekenen van 03 juni 1993 ontslag uit Staatsdienst is verleend, zulks in strijd met het bepaalde in artikel 6 lid 2 Pw. Immers, in artikel 71 lid 6 onder 2 Pw is uitdrukkelijk en zonder voorbehoud bepaald dat de artikelen 5 en 6 Pw buiten toepassing blijven bij ontslag als waarvan hier sprake is.

4.3.7 Hetgeen door [verzoeker] eerst is gesteld bij de op 15 mei 2015 overgelegde conclusie tot uitlating – zijnde het laatste processtuk – komt naar het Hof begrijpt en zakelijk weergegeven, op het volgende neer. De ontslagresolutie is tevens nietig, omdat volgens deze resolutie aan [verzoeker] studieverlof is verleend, maar deze resolutie verder onder paragraaf III onder de kop ‘BESLUIT’ vermeldt dat aan [verzoeker] over de niet gewerkte uren geen salaris zal worden uitbetaald, zulks in strijd met de Personeelswet. Immers, over de periode gedurende welke aan [verzoeker] studieverlof is verleend, is de aanspraak op salarisuitkering blijven bestaan.

Het Hof gaat aan deze stelling voorbij, omdat de Staat geen gelegenheid heeft gehad om hierop te reageren.

4.3.8 Het onder 4.3.5 tot en met 4.3.7 overwogene leidt tot de slotsom dat de grondslag van de vordering onder 3.1 onder 1 strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagresolutie vervatte ontslagbesluit niet in rechte is komen vast te staan, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

4.4 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.5 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1 onder 2.

5.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het gevorderde onder 3.1 onder 3.

5.3 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 02 juli 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-100

A-1039

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in het [district 1],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Defensie,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
zetelende te diens Parket aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: Majoor Vernon W. Pengel LL.M., jurist verbonden aan het Bureau Landsadvocaten,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (hierna: PW) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof d.d. 29 september 2020;
  • het door de Staat ingediend verweerschrift d.d. 12 november 2020;
  • de beschikking gegeven door het Hof op 20 januari 2021, waarbij het verhoor van partijen in Raadkamer is bepaald op vrijdag 19 februari 2021 des voormiddags te 11.30 uur;
  • het proces-verbaal van het op 19 februari 2021 gehouden verhoor van partijen;
  • het proces-verbaal van het op 16 april 2021 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 02 juli 2021 doch nader op heden.
  1. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

  1. [Verzoeker] is bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 19 augustus 2020 Bureau No. L.P. Agno. [nummer 1], welke beschikking [verzoeker] op 09 september 2020 in ontvangst heeft genomen in de kazerne van Nickerie, ontslagen uit Staatsdienst en wel ter zake plichtsverzuim. De Staat is namelijk de mening toegedaan dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, zulks daar zij meent dat [verzoeker] zonder toestemming van zijn superieuren in Paramaribo buiten het detachement is geweest, alsook dat [verzoeker] heeft nagelaten zaken die te maken hebben met de justitie aan zijn superieuren te rapporteren;
  2. [verzoeker] heeft zich na ontvangst van de beschikking afkomstig van de Minister van Defensie de dato 19 augustus 2020 Bureau No. L.P. Agno. [nummer 1] binnen de daartoe aangegeven termijn gewend tot de President van de Republiek Suriname en wel bij schrijven d.d. 24 september 2020. [verzoeker] heeft op dit schrijven geen reactie ontvangen;
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
    1. [Verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – dat bij vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad:
  1. zal worden vernietigd althans nietig verklaard de beschikking van de Minister van Defensie d.d. 19 augustus 2020 Bureau No. L.P. Agno. [nummer 1], waarbij [verzoeker] is ontslagen uit Staatsdienst ter zake plichtsverzuim;
  2. de Staat zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van SRD. 10.000,= voor iedere dag en/of keer dat de Staat in strijd handelt met het onder sub a van dit petitum gevorderde bij veroordeling daarvan;

Kosten rechtens.

  1. [Verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven – naast voormelde vaststaande feiten het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. De grondslagen om hem te ontslaan zijn onterecht en kloppen niet. [Verzoeker] heeft wel degelijk contact gemaakt met zijn superieur(en) en die heeft/hebben toestemming aan hem verleend om zich buiten het detachement te begeven en onderzoek daar te verrichten aan de hand van bekomen informatie. De superieur aan wie [verzoeker] zaken heeft gerapporteerd en wie toestemming aan hem heeft verleend is de detachementscommandant geweest die op 12 februari 2020 is komen te overlijden. Voorts is [verzoeker] de mening toegedaan dat de aan hem opgelegde straf casu quo sanctie niet correspondeert met het verwijt welke aan zijn adres wordt gemaakt. [verzoeker] heeft de bevoegdheid gehad om te onderzoeken dat wat hij bezig was te onderzoeken en zulks valt niet buiten zijn werkbevoegdheid. Het feit dat de detachementscommandant na de aan [verzoeker] verleende toestemming geen contact met Paramaribo mocht hebben gemaakt, kan en mag niet in de schoenen van [verzoeker] worden geschoven. [verzoeker] heeft de lijn van het moeten vermelden van zaken en vragen voor toestemming voor onderzoek gevolgd en mag het niet verder doorspelen van zaken door zijn meerdere hem niet worden verweten. De Staat stelt dat door het gedrag van [verzoeker] – het nalaten van de uit te voeren controle op de veiligheid van het detachement – er ontoelaatbare handelingen hebben plaatsgevonden waarvan [verzoeker] dan niet op de hoogte was, hetgeen tot gevolg heeft gehad de dood van twee militairen. [verzoeker] ontkent deze beschuldiging met klem. [verzoeker] geeft aan dat èèn van de twee overleden militairen is geweest de detachementscommandant aan wie hij zaken heeft gerapporteerd en van wie hij toestemming heeft verkregen om zaken buiten het detachement om te mogen onderzoeken. [verzoeker] geeft aan dat er verwacht mag worden dat zijn meerdere, in deze de detachementscommandant, zich ook houdt aan de regels op veiligheid binnen het detachement en dat hij als hoogste in rang op dat moment zich niet bezig gaat houden met zaken die de veiligheid van de manschappen onder hem in gevaar gaat brengen. Verder is er niet bewezen dat het door de Staat gestelde nalatend handelen tot direct gevolg heeft gehad de dood van twee militairen. [verzoeker] geeft expliciet aan dat er geen causaal verband is tussen het eventueel nalatend handelen van hem en de dood van twee militairen. Van [verzoeker] kan en mag niet verwacht worden dat hij aan zijn meerdere, de detachementscommandant, gaat vragen wat die gaat doen, waar hij naar toe gaat en waarom. De commandant is de commandant en is de commandant aan niets en niemand anders verantwoording verschuldigd dan zijn meerdere(n) casu quo superieuren;
  2. De Staat heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij het verhoor van partijen eveneens verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan;
  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 1 van de PW oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

4.2. Ingevolge het bepaalde in lid 2 van artikel 79 van de PW zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:

  1. betreffende salaris, verlofbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
  2. tot verlaging van rang;
  3. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
  4. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
  5. tot schorsing of ontslag.

4.3. Uitgaande van de gebezigde bewoordingen in de wettelijke bepalingen zoals hierboven geciteerd stelt het Hof vast dat het bepaalde in artikel 79 leden 1 en 2 een door de wetgever limitatief gerubriceerde opsomming betreft. Uitgaande van hetgeen is gesteld in artikel 79 leden 1 en 2 PW hetwelk het Hof in onderling verband en samenhang leest stelt het Hof vast dat nu het gevorderde in casu betreft een vernietiging dan wel nietigverklaring van een ontslagbeschikking en het opleggen van een dwangsom, het Hof bevoegd is om kennis te nemen van de onderhavige vordering.

Ontvankelijkheid

4.4. Weliswaar is er gesteld doch niet gebleken dat [verzoeker] niet binnen de bij de PW gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking van de Minister van Defensie d.d. 19 augustus 2020, hetwelk hij op 09 september 2020 in ontvangst heeft genomen, weshalve hij ontvankelijk is in de ingestelde vordering. Hetgeen de Staat heeft aangevoerd in haar verweerschrift en dat er op neer komt dat [verzoeker] prematuur is met het adiëren van de Ambtenarenrechter aangezien hij ingevolge artikel 78 PW beklag heeft ingediend bij de President van de Republiek Suriname, haalt het in de visie van het Hof niet in rechte. Immers is het publiek geheim dat de hogere instantie niet efficiënt en effectief het beklag behandelt en afhandelt terwijl de ambtenaar – in casu [verzoeker] – niet alleen in onzekerheid verkeert maar ook geen salaris ontvangt. Immers heeft het beklag geen schorsende kracht. Derhalve is [verzoeker] naar het oordeel van het Hof ontvankelijk in zijn verzoek;

4.5. De Staat heeft –zakelijk weergegeven- in haar verweerschrift en ter gelegenheid van het verhoor van partijen aangegeven dat de Staat zich op het standpunt stelt dat [verzoeker] zich heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en dat het op zijn weg ligt om het tegendeel te bewijzen.

4.6. Naar het oordeel van het Hof gaat het om het volgende. [Verzoeker] is militair van beroep in de rang van Korporaal en ingedeeld bij de Landmacht (G-2 functionaris). [Verzoeker] is ingedeeld bij de Militaire Inlichtingen Dienst en werd op enig moment gedetacheerd te Koemakapan ter aflossing van een collega genaamd [naam 1]. Naar zeggen van [verzoeker] moest hij informatie verzamelen zowel binnen het detachement als daarbuiten. In dat kader is [verzoeker] samen met een collega van de Militaire Politie, Korporaal [naam 2], met de boot naar Yaw Pasi vertrokken om informatie te verzamelen. Sergeant [naam 3], de detachementscommandant, heeft hen samen met een bootsman gebracht naar Yaw Pasi. Daardoor vertoefden [verzoeker] en [naam 2] in de periode 04 februari 2020 tot en met 12 februari 2020 buiten het detachement. Op 12 februari 2020 is de boot waarin de detachementscommandant sergeant [naam 3] samen met onder andere de soldaten [naam 4], [naam 5], [naam 6], [naam 7], [naam 8] en de bootsman [naam 9] zat, gekapseisd en zijn daarbij de bootsman [naam 9], Soldaat [naam 4] en Sergeant [naam 3] verdronken. Er was geen rekening gehouden met de veiligheidsvoorzieningen met name had niemand een reddingsvest aan en was de boot overbeladen met 09 man. Naderhand bleek dat de detachementscommandant sergeant [naam 3] de te Koemakapan gedetacheerde soldaten inzette voor beveiliging van een goudveld in de buurt van Anapaike (kennelijk tegen betaling). Op de fatale dag van het bootongeluk was sergeant [naam 3] de soldaten van het goudveld in de buurt van Anapaike met de boot gaan ophalen teneinde ze terug te brengen naar het detachement te Koemakapan.

4.7. Thans staat in de visie van het Hof de vraag overeind of de kennelijk illegale activiteiten van de detachementscommandant en het fatale bootongeluk op enige manier op het conto van [verzoeker] kunnen worden geschreven. [Verzoeker] is van de Militaire Inlichtingen Dienst en door zich buiten het detachement te begeven heeft hij zich in de visie van de Staat schuldig gemaakt aan plichtsverzuim waardoor de detachementscommandant vrijelijk kon uitvaren. Indien [verzoeker] zich volgens de Staat niet buiten het detachement had begeven had de detachementscommandant niet de gelegenheid gehad om uit te varen en zou het fatale ongeluk kennelijk niet hebben plaatsgevonden (althans zo vat het Hof het standpunt van de Staat op). Naar het oordeel van het Hof dient voormelde vraag in ontkennende zin te worden beantwoord. Het standpunt van de Staat dat het primair de verantwoordelijkheid van [verzoeker] was om te voorkomen dat militairen op voornoemd detachement te Koemakapan ontoelaatbare handelingen zouden plegen is in de visie van het Hof onhoudbaar in rechte. Daargelaten het feit dat bij de behandeling van deze zaak het niet aannemelijk is geworden dat deze verantwoordelijkheid uitdrukkelijk onder de aandacht van [verzoeker] zou zijn gebracht door de dienstleiding heeft de detachementscommandant naar het oordeel van het Hof een eigen verantwoordelijkheid en hoeft [verzoeker] niet perse continu ter plekke aanwezig te zijn om de detachementscommandant te controleren. En indien de detachementscommandant zich heeft bezig gehouden met ontoelaatbare handelingen dan kan [verzoeker] in de visie van het Hof niet aansprakelijk gesteld worden daarvoor. Waar [verzoeker] tekort is geschoten in de visie van het Hof is dat hij heeft verzuimd om zijn superieuren in Paramaribo telefonisch te informeren over hetgeen te Koemakapan gaande was en dat hij zich buiten het detachement zou begeven. De gebrekkige telefoonverbinding die [verzoeker] als excuus daarvoor heeft aangevoerd is in de visie van het Hof niet valide gebleken aangezien er wel telefonisch contact gemaakt kon worden door en met de andere militairen die ter plaatse gedetacheerd waren;

4.8. Op grond van al het voorgaande komt het Hof tot de slotsom dat [verzoeker] zich wel heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim maar dat de tuchtstraf van ontslag – gelet op alle omstandigheden van het geval – in de visie van het Hof niet in redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan. Het Hof ziet in het voorgaande aanleiding om het verzoek toe te wijzen in voege als na te melden. De mede gevorderde dwangsom zal worden afgewezen nu dat gekoppeld is aan iedere dag en/of keer terwijl er geen veroordeling is gevorderd dat gekoppeld is aan een termijn. Het Hof ziet op grond van al het voorgaande aanleiding om aan [verzoeker] ingevolge het bepaalde in artikel 82 lid 4 PW juncto artikel 61 PW de tuchtstraf van schorsing voor de duur van een maand op te leggen, welke tuchtstraf het Hof passend voor komt in het gegeven geval.

  1. De beslissing

Het Hof rechtdoende als Ambtenarengerecht:

  1. Verklaart nietig de beslissing van de Minister van Defensie d.d. 19 augustus 2020 Bureau No. L.P. Agno. [nummer 1], waarbij [verzoeker] is ontslagen uit Staatsdienst ter zake plichtsverzuim;
  1. Legt aan [verzoeker] op de tuchtstraf van schorsing voor de duur van één (1) maand;
  1. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen majoor V.W. Pengel LL.M., gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-99

A-1016

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in het [district 1],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. A. Tjong A Sie, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Binnenlandse Zaken en het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen,
beiden vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. Sanné, Lindsey Zeppeni, beleidsadviseur op het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (hierna: PW) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: Hof) d.d. 19 september 2019;
  • de beschikking gegeven door het Hof op 08 november 2019 waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift is verlengd met zes weken met ingang van 14 november 2019;
  • de beschikking gegeven door het Hof op 13 mei 2020, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op vrijdag 03 juli 2020 des voormiddags te 10.30 uur;
  • het proces-verbaal van het op 18 december 2020 gehouden verhoor van partijen;
  • de processen-verbaal van het op respectievelijk 05 februari 2021, 19 maart 2021, 16 juli 2021, 06 augustus 2021 en 19 augustus 2021 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.
  1. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

  1. [Verzoeker] is sinds het jaar 1986 als ambtenaar in Suriname werkzaam, met in het jaar 1992 een onderbreking van 15 jaar vanwege het verhuisd zijn naar het buitenland;
  2. [Verzoeker] trad in 2011 wederom in dienst van de overheid en wel van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, ingedeeld in functiegroep 6 (schaal 6B) werkzaam bij de Dienst Elektriciteitsvoorziening als magazijnmeester;
  3. [Verzoeker] is vanwege een ernstige conflictsituatie tussen hem en zijn directe chef en de onuithoudbare (het Hof begrijpt: onhoudbare) situatie die voor hem dientengevolge was ontstaan op voormelde afdeling, in het jaar 2017 enige tijd niet in staat geweest zijn werkzaamheden uit te oefenen en leed hij aan ernstige depressie. [Verzoeker] werd volgens zijn zeggen ernstig tegengewerkt door het desbetreffend diensthoofd hetgeen hem mentaal te veel werd op een bepaald moment;
  4. [Verzoeker] heeft gedurende zijn ziekte herhaaldelijk het verzoek gedaan aan de leiding van het Ministerie om hem over te plaatsen naar een andere afdeling en meer nog naar een afdeling die door een ander diensthoofd dan voormelde wordt geleid;
  5. Aan voormeld verzoek van [verzoeker] is nimmer gevolg gegeven;
  6. Vanwege het veelvuldig verzuim van [verzoeker] is hij op 18 oktober 2017 voor de keuringscommissie verschenen van het Ministerie van Volksgezondheid en kreeg hij van voormeld team de ruimte een psychiater te raadplegen teneinde zijn situatie te bespreken en tot een mogelijke oplossing te komen en moest hij zich op 02 november 2018 wederom aanmelden bij deze keuringscommissie;
  7. [Verzoeker] kreeg een brief gedateerd 20 augustus 2018 van de psychiater, drs. H. Cheung, mee dat hij moest meenemen naar de geneeskundige commissie van het Ministerie van Volksgezondheid in Suriname met in dit schrijven het advies aan deze commissie hem over te plaatsen naar een andere afdeling en hem derhalve als ambtenaar te handhaven;
  8. Vanwege de ontwikkelingen na het gesprek met de commissie waarbij [verzoeker] steeds meer er van overtuigd werd dat hij, ondanks het advies van de psychiater, ontslagen zou worden wendde hij zich wederom tot de psychiater en heeft deze in een eigenhandig geschreven brief de dato 17 december 2018 wederom zijn visie gegeven over de toestand van [verzoeker] en geadviseerd hem niet af te keuren;
  9. Bij beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 14 juni 2019 is aan [verzoeker] toch eervol ontslag uit Staatsdienst verleend;
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
    1. [Verzoeker] vordert –zakelijk weergegeven- dat bij vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad:
  1. de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken opgenomen in de beschikking d.d. 14 juni 2019 onder [nummer 1], waarin aan [verzoeker] eervol ontslag uit Staatsdienst is verleend, nietig te verklaren en [verzoeker] dientengevolge wederom in Staatsdienst te stellen;
  2. de Staat Suriname te gelasten [verzoeker] conform het advies van de psychiater over te plaatsen naar een andere afdeling binnen het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen of een ander Ministerie;
  3. De Staat Suriname te veroordelen tot betaling van een dwangsom aan (het Hof begrijpt:) [verzoeker] van SRD. 1.000,= per dag voor elke dag waarop zij weigert tot uitvoering van de in deze zaak uitgesproken vonnis over te gaan;
  4. de Staat te veroordelen in de proceskosten van het geding;
  1. [Verzoeker] heeft –zakelijk weergegeven- naast voormelde vaststaande feiten het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Gelet op de wijze waarop betrokkenen in casu met de belangen van [verzoeker] zijn omgegaan en het advies van de psychiater willens en wetens niet hebben opgevolgd en [verzoeker] niet de kans hebben gegeven zijn werkzaamheden op een andere afdeling te verrichten, is het in voormelde beschikking aan [verzoeker] gegeven ontslag geheel onrechtmatig en moet vernietigd worden en is art. 69 lid 2 sub f van de Personeelswet (hierna: PW) in casu niet van toepassing;
  1. De Staat heeft geen verweerschrift ingediend maar heeft bij het verhoor van partijen verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan;
  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 1 van de PW oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet , of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

4.2. Ingevolge het bepaalde in lid 2 van artikel 79 van de PW zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:

  1. betreffende salaris, verlofbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
  2. tot verlaging van rang;
  3. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
  4. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
  5. tot schorsing of ontslag.

4.3. Uitgaande van de gebezigde bewoordingen in de wettelijke bepalingen zoals hierboven geciteerd stelt het Hof vast dat het bepaalde in artikel 79 leden 1 en 2 PW een door de wetgever limitatief gerubriceerde opsomming betreft. Uitgaande van hetgeen is gesteld in artikel 79 leden 1 en 2 PW hetwelk het Hof in onderling verband en samenhang leest stelt het Hof vast dat nu het gevorderde onder 3.1. sub a betreft nietigverklaring van een ontslagbeschikking het Hof bevoegd is om kennis te nemen van de onderhavige vordering. Het Hof is op grond van artikel 79 lid 1 onder c PW tevens bevoegd kennis te nemen van hetgeen gevorderd wordt onder 3.1. sub c. Ten aanzien van hetgeen gevorderd wordt onder 3.1. sub b en d is het Hof van oordeel dat deze niet valt onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 PW zodat het Hof zich onbevoegd zal verklaren kennis te nemen van deze onderdelen van het gevorderde.

Ontvankelijkheid

4.4. Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoeker] niet binnen de bij de PW gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 14 juni 2019, hetwelk hij op 06 september 2019 in ontvangst heeft genomen, weshalve hij ontvankelijk is in de ingestelde vordering;

4.4. De Staat heeft –zakelijk weergegeven- in haar verweer ter gelegenheid van het verhoor van partijen aangegeven dat de Staat niet open staat voor een schikking. [verzoeker] is volgens de gevolmachtigde van de Staat ontslagen vanwege het feit dat de Geneeskundige Commissie hem blijvend arbeidsongeschikt heeft verklaard en dan heeft de Staat geen andere keus dan tot ontslag van betrokkene over te gaan (althans zo vat het Hof dat op).

4.5. Naar het oordeel van het Hof gaat het in dit geval om een ambtenaar die het slachtoffer is geworden van pesterijen op de werkvloer door een leidinggevende. Hoewel [verzoeker] diverse malen aan de bel heeft getrokken en ook de op instigatie van de door de Geneeskundige Commissie ingeschakelde psychiater oplossingsmodellen heeft aangereikt aan de Geneeskundige Commissie om het probleem van [verzoeker] op de werkvloer op te lossen, heeft dit geen soelaas geboden. Uiteindelijk heeft de Geneeskundige Commissie het navolgende vastgelegd in haar geneeskundige verklaring betreffende afkeuring voor ’s Landsdienst d.d. 13 december 2018 (begin citaat): “ De Geneeskundige Commissie verklaart de persoon van [verzoeker], Dennis volgens opgave geboren te de 08 juni 1962 in ’s Lands vaste dienst als Magazijn Medewerker te hebben onderzocht en bevonden te hebben, dat de onderzochte blijvend ongeschikt is zijn betrekking te vervullen door een der oorzaken genoemd in artikel 69 tweede lid, onder f van de Personeelsverordening (G.B. 1962 no. 195, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1985 no: 41”. (einde citaat)

4.6. De Staat stelt zich op het standpunt dat zij naar aanleiding van voornoemde verklaring van de Geneeskundige Commissie geen andere keus had dan tot ontslag van [verzoeker] over te gaan terwijl [verzoeker] aanvoert in staat te zijn om de bedongen arbeid als ambtenaar te verrichten. Voorts is tijdens de behandeling van deze zaak gebleken dat [verzoeker] niet de gelegenheid gehad heeft om kennis te nemen van voormelde verklaring van de Geneeskundige Commissie terwijl daarin is aangegeven dat er een cc naar hem is gegaan. Naar het oordeel van het Hof is voornoemde verklaring van de Geneeskundige Commissie onvoldoende met redenen omkleed en blinkt het niet uit door transparantie. Zo is er niet aangegeven welke onderzoekingen hebben geleid tot de uiteindelijke conclusie van de Geneeskundige Commissie terwijl de ingeschakelde psychiater een andere oplossingsmodel heeft voorgesteld en wiens diagnose haaks staat op de vaststelling van de Geneeskundige Commissie. Al met al heeft voornoemde verklaring van de Geneeskundige Commissie tot de nodige gefronste wenkbrauwen bij het Hof geleid en heeft het Hof daarin aanleiding gevonden om een vertegenwoordiger van de Geneeskundige Commissie uit te nodigen voor een toelichting. Naar het Hof heeft begrepen uit een schrijven van advocaat mr. C.B. Lachman d.d. 17 augustus 2021 is de secretaris van de Geneeskundige Commissie, mevrouw [naam 1] aangewezen door de directeur van het Ministerie van Volksgezondheid om inlichtingen te verschaffen aan het Hof. Evenwel was voornoemde secretaris verhinderd om op 19 augustus 2021 op de zitting aanwezig te zijn vanwege het feit dat zij op die dag haar tweede covid-19-vaccinatieprik zou krijgen. Aangezien de behandeling van deze zaak reeds geruime tijd gaande is waarbij [verzoeker] de pensioengerechtigde leeftijd in het vizier begint te krijgen en het reces van de rechterlijke macht ook al in zicht was op de dag van de zitting, heeft het Hof gemeend om in deze zaak vonnis te wijzen teneinde te voorkomen dat de beslissing van het Hof zou blijken mosterd na de maaltijd te zijn;

4.7. Op grond van al het voorgaande komt het Hof tot de slotsom dat op grond van de niet inzichtelijke vaststelling van de Geneeskundige Commissie, welke niet met redenen is omkleed, en evenmin zorgvuldig is gemotiveerd en toegespitst op de specifieke situatie van [verzoeker], de grondslag van het gevorderde in rechte is komen vast te staan. Voorts heeft de Staat in de visie van het Hof onvoldoende rekening gehouden met alle omstandigheden van het specifieke geval van [verzoeker]. Er is in de visie van het Hof, onder andere, onvoldoende gelet op de “impact” die de ontslagverlening aan [verzoeker] op hem zou hebben in samenhang bezien met zijn jarenlange staat van dienst en zijn kalenderleeftijd waarbij zijn kansen op de arbeidsmarkt minimaal zijn. Naar het oordeel van het Hof is derhalve in rechte komen vast te staan dat het aan [verzoeker] verleend ontslag onrechtmatig is geschied en zal het gevorderde worden toegewezen in voege als na te melden. De mede gevorderde dwangsom zal worden afgewezen nu er geen termijn voor de uitvoering van het gevorderde is opgenomen in het petitum van het verzoekschrift.

  1. De beslissing

Het Hof rechtdoende als Ambtenarengerecht:

  1. Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1. sub b en d;
  1. Verklaart nietig de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken opgenomen in de beschikking d.d. 14 juni 2019 onder [nummer 1] waarin aan [verzoeker] eervol ontslag uit Staatsdienst is verleend;
  1. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen dhr. [verzoeker], Dennis Edmund, verzoeker, terwijl verweerder niet wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-98

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in het [district 1],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: I.D. Kanhai, BSc., advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer precies het Ministerie van Openbare Werken,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te zijnen Parkette te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 20 augustus 2014;

het verweerschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof op 30 september 2014;

de beschikking van het Hof van 12 januari 2015, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 06 februari 2015;

de processen-verbaal van het op 06 februari 2015 gehouden verhoor van partijen en de op 20 februari 2015 gehouden voortzetting daarvan, alsmede de op laatstgenoemde datum door partijen overgelegde bescheiden;

de conclusie tot overlegging bewijs met betrekking tot de op nagehouden administratie, met een productie, zijdens de Staat overgelegd op 20 maart 2015;

de conclusie tot uitlating productie (aangeduid als: antwoordpleitnota op de overgelegde stukken) zijdens [verzoeker] overgelegd op 17 april 2015.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 07 augustus 2015, doch nader op heden.

 

  1. De feiten

2.1 [Verzoeker] is sinds 1982 in dienst van het Ministerie van Openbare Werken. Hij was laatstelijk in vaste dienst werkzaam in de functie van beleidsmedewerker, ingedeeld in functiegroep 8 (schaal 8A), op het Directoraat Openbaar Groen (afdeling Straatonderhoudsdienst Saramacca) van voormeld ministerie.

2.2 [Verzoeker] is wegens ziekte geruime tijd niet op het werk verschenen. Op gegeven moment heeft de Staat het salaris van [verzoeker] geblokkeerd. Bij vonnis in kort geding d.d. 09 januari 2014 in de zaak tussen partijen, bekend onder A.R. no. 130061, is de Staat onder meer veroordeeld om, kort gezegd, het salaris van [verzoeker] te deblokkeren en maandelijks aan hem te betalen vanaf februari 2012 en wel zolang als de dienstbetrekking tussen partijen voortduurt.

2.3 [Verzoeker] is op gegeven moment verwezen naar de Geneeskundige Commissie voor het ondergaan van een geneeskundig onderzoek. De Geneeskundige Commissie heeft in haar geneeskundige verklaring “BETREFFENDE VERLOFSVERLENGING” ten name van [verzoeker] d.d. 06 februari 2014, kort gezegd, bevonden dat verder verlof tot herstel van gezondheid dringend noodzakelijk is en dat zij een verlofsverlenging van 01 augustus 2013 tot en met 28 februari 2014 nodig acht. Deze verklaring is voorzien van een stempel van het Directoraat Openbaar Groen, afdeling D.I.V., en, onder meer, van de handgeschreven aantekening “OG [nummer 1]”.

2.4 De Geneeskundige Commissie heeft in haar geneeskundige verklaring “BETREFFENDE AFKEURING VOOR ‘S LANDSDIENST” ten name van [verzoeker], eveneens gedateerd 06 februari 2014, bevonden dat [verzoeker] blijvend ongeschikt is zijn betrekking te vervullen door één der oorzaken genoemd in artikel 69 lid 2 onder f Pw. Blijkens deze verklaring is een kopie daarvan verzonden aan [verzoeker].

2.5 De minister van Openbare Werken heeft bij beschikking d.d. 04 juni 2014, no. OG [nummer 2]: PZ [nummer 3] (hierna: de ontslagbeschikking), besloten om [verzoeker] ingevolge artikel 69 lid 2 sub f juncto artikel 71 lid 4 Pw ontslag uit Staatsdienst te verlenen (hierna: het ontslagbesluit). Daartoe is als volgt overwogen:

“dat dhr. [VERZOEKER] (…) blijkens een overgelegde verklaring van de Geneeskundige Commissie van 06 februari 2014 no. OG [nummer 1] onderzocht en ongeschikt is bevonden zijn betrekking te vervullen;

dat ingevolge artikel 69 lid 2 onder f van de ‘Personeelswet’ (…) aan een ambtenaar ontslag uit Staatsdienst wordt verleend indien hij blijkens de resultaten van een Geneeskundig onderzoek, hetzij uit hoofde van ziekten of gebreken, blijvend ongeschikt is zijn betrekking te vervullen;

dat het ontslag, ingevolge artikel 71 lid 4 van genoemende wet moet worden verleend met ingang van de eerste (1e) dag van de tweede (2e) kalendermaand na die waarin het besluit overeenkomstig artikel 5 van de ‘Personeelswet’ ter kennis van de landsdienaar is gebracht, tenzij daarin een later tijdstip is bepaald.

dat in verband hiermede het ontslag op 01 juli 2014 ingaat.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

 

3.1 [Verzoeker] vordert, naar het Hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis:

  1. de ontslagbeschikking zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;
  2. de Staat zal worden gelast [verzoeker] te rehabiliteren in de rang waarin hij diende, met toekenning van het aan hem toekomende salaris;
  3. [Verzoeker] in de gelegenheid zal worden gesteld de bedongen arbeid op de normale wijze en in de functie die hij heeft bekleed vóór de ontslagbeschikking te vervullen zonder enige hinder zijdens de Staat;
  4. de Staat zal worden gelast het salaris aan [verzoeker], zoals door hem verdiend vóór de ontslagbeschikking, uit te betalen en daarmee voort te gaan;
  5. de Staat zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere keer of dag dat hij in strijd met het hierboven gevorderde mocht handelen.

[Verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [Verzoeker] heeft, naar het Hof begrijpt en zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Uit de ontslagbeschikking, die op of omstreeks 13 augustus 2014 in [verzoeker]’s brievenbus is gezet, blijkt dat de grondslag van het ontslag blijvende ongeschiktheid is. De ontslagbeschikking komt in aanmerking voor vernietiging, omdat deze een deugdelijke grondslag mist en voorts in strijd is met de wet, ter adstructie waarvan het volgende:

  1. [Verzoeker] is gedurende lange tijd ziek geweest. Hij is genezende van een hernia operatie, althans hij lijdt aan de ziekte bekend als hernia;
  2. [Verzoeker] heeft zich aangemeld bij de Keuringscommissie, die heeft beslist dat hij is afgekeurd;
  3. de Staat heeft ‘afkeuren’ gezien als synoniem van ‘blijvend ongeschikt’, hetgeen niet alleen onjuist is maar ook niet blijkt uit enig (geneeskundig) onderzoek;
  4. afkeuring is bovendien geen grond voor ontslag, doch voor inmindering op het loon met behoud van andere emolumenten zoals de ziektekostenregeling en het recht op pensioen.

Voorts is in de ontslagbeschikking niet gemotiveerd aangegeven welke rechtvaardigingsgrond aanwezig is geweest om [verzoeker] na de operatie te ontslaan.

De gewraakte beschikking d.d. 10 juli 2003 (lees kennelijk: d.d. 04 juni 2014) is voorts in strijd met de wet, ter adstructie waarvan het volgende:

  1. nimmer is aan [verzoeker] de mededeling gedaan dat hij geschorst is, omdat er termen aanwezig zijn om hem voor te dragen voor ontslag (ex artikel 66 Pw);
  2. het ontslag staat in geen enkele evenredigheid met het verwijt en de diensttijd van [verzoeker].

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 De Staat voert aan dat [verzoeker] door het aan hem bij de ontslagbeschikking verleende ontslag uit Staatsdienst geen ambtenaar meer is in de zin van de Personeelswet en dat de Staat sindsdien geen verplichtingen heeft jegens hem. Volgens de Staat moet [verzoeker] op grond hiervan niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

Voor zover de Staat hiermee bedoelt als formeel verweer aan te voeren dat het Hof onbevoegd is om kennis te nemen van de onderhavige vordering en wel louter vanwege het feit dat [verzoeker] door zijn ontslag thans geen ambtenaar meer is, wordt dit verweer verworpen. Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar in de zin van de Personeelswet is geweest. Deze wet is dan ook op hem als gewezen ambtenaar van toepassing.

4.1.2 Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

Gezien het voorgaande is het Hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen nietig te verklaren, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het Hof zich onbevoegd te verklaren.

Blijkens artikel 79 lid 2 onder e Pw zijn besluiten tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring. Het Hof is dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering onder 3.1 onder a, strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit.

4.1.3 Het gevorderde onder 3.1 onder b en c kan niet worden gecategoriseerd onder de in artikel 79 lid 1 Pw limitatief opgesomde vorderingen waarover het Hof bevoegd is te oordelen, zodat het Hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen.

4.1.4 Het Hof vat de vordering onder 3.1 onder d op als een vordering zoals bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b Pw tot vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling – te weten het nalaten van het tijdig betalen van het maandelijkse salaris – in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het Hof is op grond van voormelde bepaling bevoegd om kennis te nemen van dit gevorderde.

4.1.5 Het Hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw tevens bevoegd om kennis te nemen van de vordering onder 3.1 onder e tot veroordeling van de Staat tot het betalen van een dwangsom aan [verzoeker].

Ontvankelijkheid

4.2.1 De Staat voert voorts als formeel verweer aan dat [verzoeker] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. De Staat weerspreekt dat [verzoeker] de ontslagbeschikking op 13 augustus 2014 in zijn brievenbus heeft aangetroffen. Volgens de Staat is [verzoeker] onverwijld en gelijk nadat de ontslagbeschikking d.d. 04 juni 2014 is verleend, hiervan in kennis gesteld. De wettelijk vastgestelde termijn voor het instellen van de vordering is reeds verstreken, aldus de Staat.

4.2.2 Uit het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b Pw volgt dat een vordering tot nietigverklaring van een besluit waarbij aan een ambtenaar ontslag uit Staatsdienst is verleend, niet-ontvankelijk is, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht.

Partijen twisten over de datum waarop het ontslagbesluit ter kennis van [verzoeker] is gebracht. [Verzoeker] heeft over dit twistpunt verschillende standpunten ingenomen. De Staat heeft bij conclusie tot overlegging bewijs met betrekking tot de op nagehouden administratie, aangevoerd dat [verzoeker] de ontslagbeschikking op 06 augustus 2014 heeft ontvangen en voor ontvangst daarvan heeft getekend, hetgeen [verzoeker] heeft weersproken.

Wat ook zij van de stellingen van partijen, gesteld noch gebleken is dat de ontslagbeschikking vóór 21 juli 2014 aan [verzoeker] is uitgereikt. [Verzoeker] heeft het verzoekschrift ingediend op 20 augustus 2014, derhalve binnen een maand na 21 juli 2014, zodat hij ontvankelijk is in het onder 3.1 onder a gevorderde.

[verzoeker] is op dezelfde grond ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 2 sub b Pw ontvankelijk in het onder 3.1 onder e gevorderde.

4.2.3 Op grond van artikel 28 lid 1, tweede volzin, Pw is de Staat gehouden het salaris uiterlijk op de laatste dag van de kalendermaand te betalen. Gelet op artikel 80 lid 2 sub c juncto artikel 79 lid 1 sub b Pw is een vordering tot schadevergoeding naar het oordeel van het Hof niet-ontvankelijk, indien deze is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop de Staat geacht wordt het besluit te hebben genomen om het salaris van een ambtenaar niet meer te betalen.

Uit het gevorderde onder 3.1 onder d noch uit de stellingen van [verzoeker] blijkt vanaf welke datum hij achterstallig salaris vordert. [verzoeker] heeft ter zitting onweersproken verklaard dat hij, na de uitspraak in de zaak hierboven onder 2.2 genoemd, slechts één keer zijn salaris heeft ontvangen, echter zonder daarbij aan te geven welke maand dit betreft. De Staat is bij vonnis in vorenbedoelde zaak onder meer veroordeeld om, kort gezegd, vanaf februari 2012 het maandelijkse salaris aan [verzoeker] te betalen. Het Hof concludeert op grond van het voorgaande dat de betaling van het salaris aan [verzoeker] op enig moment vanaf februari 2012 – met uitzondering van de betaling over een niet met name genoemde maand – wederom is uitgebleven.

[verzoeker] heeft de vordering onder 3.1 onder d ingesteld op 20 augustus 2014, derhalve meer dan drie maanden nadat de Staat geacht wordt op de laatste dag van enige maand vanaf februari 2012 het besluit te hebben genomen om het salaris van [verzoeker] niet meer te betalen, zodat hij tardief is met het instellen van deze vordering en derhalve daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het formele verweer van de Staat slaagt ten aanzien van het gevorderde onder 3.1 onder d.

4.3.1 Het Hof zal thans overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering onder 3.1 onder a, strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit.

Het Hof stelt het volgende voorop. [Verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij de keuringscommissie (het Hof begrijpt: de Geneeskundige Commissie) te kennen heeft gegeven dat hij uit vrees weigerde om geopereerd te worden en voorts dat hij in juni 2014 het besluit heeft genomen om de operatie alsnog te ondergaan, maar dit niet heeft doorgegeven aan voormelde commissie. Als niet weersproken staat rechtens vast dat [verzoeker] op 21 juli 2014 bedoelde operatie heeft ondergaan. Dit heeft plaatsgevonden nadat voormelde commissie hem op 06 februari 2014 blijvend ongeschikt heeft bevonden om zijn betrekking te vervullen.

Artikel 69 lid 2, aanhef en onder f Pw bepaalt dat aan een ambtenaar, behalve wegens plichtsverzuim, voorts ontslag kan worden verleend indien hij blijkens de resultaten van een geneeskundig onderzoek hetzij uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is zijn betrekking te vervullen.

Blijkens de ontslagbeschikking is op grond van voormelde bepaling aan [verzoeker] ontslag uit Staatsdienst verleend.

4.3.2 [Verzoeker] stelt, kort gezegd, dat de keuringscommissie (het Hof begrijpt: de Geneeskundige Commissie) heeft beslist dat hij is afgekeurd, dat de Staat ‘afkeuren’ heeft gezien als synoniem van ‘blijvend ongeschikt’, hetgeen niet alleen onjuist is maar ook niet blijkt uit enig (geneeskundig) onderzoek en voorts dat afkeuring geen grond is voor ontslag. [verzoeker] betoogt op grond van het voorgaande dat het ontslagbesluit een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert en voorts in strijd is met de wet.

4.3.3 Het Hof volgt [verzoeker] niet in dit betoog. De Staat heeft immers terecht, kort gezegd, aangevoerd dat in de onder 2.4 genoemde geneeskundige verklaring d.d. 06 februari 2014 – zijdens de Staat overgelegd tijdens de op 20 februari 2015 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen – uitdrukkelijk staat vermeld dat [verzoeker] blijvend ongeschikt is bevonden zijn dienstbetrekking te vervullen, dat nergens uit blijkt dat de Geneeskundige Commissie heeft geoordeeld dat [verzoeker] is ‘afgekeurd’ en dat de grond voor het aan [verzoeker] verleende ontslag, te weten de blijvende ongeschiktheid om zijn dienstbetrekking te vervullen, conform de Personeelswet is.

Het Hof is dan ook van oordeel dat het ontslagbesluit wel steunt op een deugdelijke feitelijke grondslag en dat van strijd met enige wettelijke bepaling niet is gebleken.

Hieraan doet niet af de stelling van [verzoeker] dat hij na de door hem ondergane operatie is hersteld van zijn ziekte en thans in staat is zijn werkzaamheden te hervatten.

Het Hof heeft, gelet op het door [verzoeker] gestelde bij de op 17 april 2015 overgelegde conclusie tot uitlating productie, in zijn oordeel mede betrokken dat [verzoeker] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de Geneeskundige Commissie op 06 februari 2014 op basis van de toen beschikbare informatie in alle redelijkheid hem niet blijvend ongeschikt kon hebben bevonden om zijn dienstbetrekking te vervullen.

4.3.4 Het Hof gaat voorbij aan de stelling van [verzoeker] dat in de ontslagbeschikking niet gemotiveerd is aangegeven welke rechtvaardigingsgrond aanwezig is geweest om hem, na de door hem ondergane operatie, uit Staatsdienst te ontslaan. [verzoeker] is immers ontslagen voordat hij vorenbedoelde operatie onderging. Het ontslagbesluit dateert van 04 juni 2014, terwijl [verzoeker] op 21 juli 2014, derhalve ruim een maand later, werd geopereerd.

4.3.5 [Verzoeker] stelt tevens, althans zo vat het Hof dit op, dat het ontslagbesluit is genomen in strijd met de wet en wel op de grond dat [verzoeker] nimmer is meegedeeld dat hij geschorst is, omdat er termen aanwezig zijn om hem voor te dragen voor ontslag (ex artikel 66 Pw) en voorts dat het ontslag in geen enkele evenredigheid staat met het verwijt en de diensttijd van [verzoeker]. Het Hof gaat ook aan deze stelling voorbij. Niet valt in te zien hoe het uitblijven van vorenbedoelde mededeling – nog daargelaten dat gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] op grond van artikel 66 Pw is geschorst – het besluit tot het ontslag van [verzoeker] wegens blijvende ongeschiktheid zijn betrekking te vervullen, in strijd met de wet doet zijn. Hetzelfde geldt ten aanzien van de gestelde onevenredigheid van het ontslag, nu dit weliswaar (op grond van de artikelen 63 lid 4 en 79 lid 3 Pw) van betekenis kan zijn bij een wegens plichtsverzuim opgelegde tuchtstraf van ontslag, maar van een dergelijk ontslag in deze procedure geen sprake is.

4.3.6 [Verzoeker] stelt eerst bij de op 17 april 2015 overgelegde conclusie tot uitlating productie, zijnde het laatste processtuk, kort gezegd, dat de Staat hem niet heeft gehoord alvorens het ontslagbesluit te nemen. Voor zover [verzoeker] zich hiermee erop beroept dat het ontslagbesluit nietig is wegens strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, zijnde een in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur, gaat het Hof hieraan voorbij omdat de Staat geen gelegenheid heeft gehad om hierop te reageren.

4.3.7 Het Hof komt tot de slotsom dat het door [verzoeker] gestelde geen grond oplevert voor nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit, zodat de vordering onder 3.1 onder a zal worden afgewezen.

4.4 De onder 3.1 onder e gevorderde veroordeling van de Staat tot betaling van een dwangsom zal ook worden afgewezen, omdat deze niet gekoppeld kan worden aan de onder 3.1 onder a gevorderde nietigverklaring van het ontslagbesluit.

4.5 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.6 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1 onder b en c.

5.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het gevorderde onder 3.1 onder d.

5.3 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 02 juli 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-97

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING

GR no. 16126
1 december 2021

In de zaak van

  1. [Verzoeker], wonende te [plaats],
  2. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP HANDELMAATSCHAPPIJ B. SEWNATH N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
  3. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP MULTI NATIONAL PROCESSING INDUSTRIES N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

verzoekers,
hierna ook te noemen “[verzoeker], HBS NV en MNPI NV”,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

BERGER PAINTS TRINIDAD LIMITED, rechtspersoon naar het recht van Trinidad and Tobago, gevestigd en kantoorhoudende te Port of Spain, Trinidad and Tobago,
domicilie gekozen hebbende te Paramaribo,
verweerder,
hierna te noemen “Berger LTD”,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat.

  1. Het procesverloop

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 28 oktober 2021;

de processen-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoek in Raadkamer van 23 november 2021 en 1 december 2021;

1.2 Vervolgens is bepaald dat beschikking op heden wordt gegeven.

  1. De feiten

2.1. Bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, d.d. 11 maart 2020, bekend onder A.R. no. 141027 (hierna: het vonnis), met Berger LTD als eiseres in conventie en [verzoeker], HBS NV en MNPI NV als gedaagden in conventie, heeft de kantonrechter in het eerste kanton [verzoeker], HBS NV en MNPI NV in conventie veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Berger LTD te betalen de som van US$ 121.738,=, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 3 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts zijn de derdenbeslagen ten laste van [verzoeker], HBS NV en MNPI NV van waarde verklaard en zijn [verzoeker], HBS NV en MNPI NV veroordeeld in de proceskosten.

2.2. Tegen dit vonnis hebben [verzoeker], HBS NV en MNPI NV hoger beroep ingesteld.

2.3 Bij exploit van 26 maart 2014 no. 411 was conservatoir derdenbeslag gelegd onder de in dat exploit genoemde financiële instellingen ten laste van verzoekers. Die derdenbeslagen zijn, zoals hierboven reeds vermeld, van waarde verklaard.

2.4 Bij exploit van 16 augustus 2021 no. 650-21 van deurwaarder P.S. Olensky, heeft Berger LTD uit kracht van voormeld vonnis executoriaal derdenbeslag gelegd onder de in voormeld exploit genoemde financiële instellingen ten laste van verzoekers.

2.5 Bij exploit van woensdag 2 september 2020 no. 589-2020 van deurwaarder P.S. Olensky, heeft Berger LTD uit kracht van voormeld vonnis executoriaal beslag gelegd op een groen-geel gelakte graafmachine, een rood-blauw gelakte graafmachine, een oranje gelakte heftruck en een bordeaux gelakte Ford Ranger Pickup ten laste van verzoekers.

2.6 Bij exploit is aan verzoekers de openbare verkoop aangezegd van de op woensdag 2 september 2020 in beslag genomen goederen.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Verzoekers vorderen bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de werking van het vonnis wordt geschorst, c.q. de staking van de ten uitvoerlegging van het vonnis zal worden bevolen, onder verbeurte van een dwangsom, totdat door het Hof van Justitie op het hoger beroep, bekend onder Grno. 16053, zal zijn beslist.

3.2 Verzoekers hebben het volgende aan hun vordering ten grondslag gelegd.

Er is sprake van een feitelijke en juridische misslag in het vonnis. Het is vaste rechtspraak dat op grond daarvan de staking kan worden bevolen van de executie van het vonnis. Ook brengt een redelijke belangenafweging met zich mee dat het belang van verzoekers bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van Berger LTD bij de tenuitvoerlegging, vooruitlopend op de uitkomst van het ingestelde rechtsmiddel.

Als misslag noemen verzoekers dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat er sprake is van vereenzelviging tussen HBS NV en MNPI NV, immers, de stempel waar de kantonrechter dat oordeel op baseert heeft niet als opschrift “B. SEWNATH N.V.” zoals de kantonrechter overweegt, doch “Firma B. SEWNATH”.

Als misslag noemen verzoekers verder dat door het enkel plaatsen van het stempel niet de schijn is opgewekt dat HBS NV als rechtspersoon en [verzoeker] in persoon als partij bij de overeenkomst moeten worden aangemerkt. Uit de tekst van de overeenkomst blijkt duidelijk wie partij zijn bij de overeenkomst.

Met betrekking tot de belangenafweging voeren verzoekers aan dat het door Berger gelegd executoriaal beslag op werkmachines van HBS NV, waarvan de openbare verkoop is aangezegd, alsmede het executoriaal derdenbeslag onder de banken, op tegoeden van [verzoeker] en HBS NV, de bedrijfsvoering stillegt. De gedwongen verkoop van de werkmachines van HBS NV zal verstrekkende gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering van HBS NV, terwijl het Hof nog moet beslissen op het ingestelde hoger beroep en het verwachtbaar is dat het vonnis zal worden vernietigd. Een redelijke belangenafweging brengt met zich mee dat de executie van het beroepen vonnis gestaakt kan worden totdat op het hoger beroep is beslist.

3.3 Berger LTD heeft als verweer aangevoerd dat er geen sprake is van een misslag. Berger LTD verwijst hierbij naar de overeenkomst en de garantstelling, waaruit naar de mening van Berger LTD blijkt dat ook [verzoeker] en HBS NV zich hebben verbonden tot de nakoming van de overeenkomst. Berger LTD verwijst naar een stempel met de tekst Firma B. [verzoeker]. Dit stempel is geplaatst bij de handtekening van [verzoeker] op de documenten. Nu MNPI NV zich niet aan de betalingsafspraken heeft gehouden, en na onderzoek bleek dat MNPI NV geen vermogensbestanddelen heeft waarop beslag gelegd kan worden, is Berger LTD gerechtigd op grond van de overeenkomst het verschuldigde op [verzoeker] en HBS NV te verhalen.

  1. De beoordeling

4.1 Ingevolge artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) is een partij, wanneer buiten de gevallen bij wet voorzien, de voorlopige tenuitvoerlegging van een vonnis bevolen is, bevoegd om bij afzonderlijk verzoekschrift aan het Hof van Justitie het verzoek te doen, dat de executie wordt gestaakt. Artikel 55 Rv. geeft de gevallen aan waarbij de kantonrechter bevoegd is een vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.2 Op grond van artikel 272 Rv. jo artikel 55 en artikel 56 Rv. concludeert het Hof dat de kantonrechter in casu bevoegd was om het vonnis, ten aanzien waarvan het verzoek is gedaan, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Gelet op de inhoud van het vonnis van de rechter kan niet gesteld worden dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad is gegeven in een geval dat niet bij wet was voorzien, immers gaat het in onderwerpelijke zaak om een condemnatoire beslissing, weshalve de rechter ingevolge artikel 55 Rv het vonnis uitvoerbaar bij voorraad mocht verklaren;

4.3 Het is echter vaste rechtspraak dat, afgezien van het voorgaande, de belangen van partijen enerzijds bij spoedige tenuitvoerlegging en anderzijds bij handhaving van de status quo tegen elkaar af te wegen teneinde te voorkomen dat door de tenuitvoerlegging een onaanvaardbare situatie zou ontstaan voor de partij tegen wie het vonnis ten uitvoer wordt gelegd.

4.4 Overwegende, dat het in deze casus een situatie betreft waarbij de verzoekers stellen dat [verzoeker] en HBS NV geen partij zijn bij de overeenkomst, terwijl juist vermogensbestanddelen van hun worden uitgewonnen. Aan HBS NV is de openbare verkoop aangezegd van haar bedrijfsmachines. Het in het openbaar verkopen van de in beslag genomen bedrijfsmachines van HBS NV, zal voor de bedrijfsvoering van laatstgenoemde verstrekkende consequenties hebben. Dit geldt evenzo voor de gelegde executoriaal derdenbeslagen op de banktegoeden.

4.5 Het Hof overweegt dat, nu uit de overgelegde overeenkomst en de credit application form blijkt dat als partijen in die documenten slechts zijn opgenomen MNPI NV en Berger LTD, en niet [verzoeker] of HBS NV, zal aan [verzoeker] en HBS NV de gelegenheid moeten worden geboden eventuele grieven daarop betrekking hebbende in hoger beroep aan te voeren. Het zou daarom naar het oordeel van het Hof geraden zijn dat met de ten uitvoerlegging bij voorraad terughoudend wordt omgegaan.

4.6 Mede gelet op de verstrekkende gevolgen van de gelegde executoriale beslagen zal het Hof in Raadkamer er dan ook toe overgaan, de staking van de executie van het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 11 maart 2020 in de zaak bekend onder AR no. 141027, te bevelen, voorzover de executie zich richt tegen [verzoeker] en HBS NV. Het door MNPI NV gevorderde zal worden afgewezen.

4.7 Berger zal worden veroordeeld in de proceskosten.

  1. Beschikkende

Het Hof:

5.1 Beveelt de staking van de executie van het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 11 maart 2020 in de zaak bekend onder AR no. 141027, voorzover de ten uitvoerlegging betrekking heeft op [verzoeker] en HBS NV, totdat het Hof van Justitie in onderhavige zaak in hoger beroep heeft beslist;

5.2 Veroordeelt Berger LTD tot betaling aan [verzoeker] en HBS NV van een dwangsom van SRD.10.000,= (tienduizend Surinaamse dollar) per dag, het maximum van SRD.10.000.000,= (tienmiljoen Surinaamse dollar) niet te bovengaand voor iedere dag dat Berger LTD in strijd handelt met deze beschikking;

5.3 Veroordeelt Berger LTD in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] en HBS NV gevallen en tot op heden begroot op nihil;

5.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gegeven in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 1 december 2021 door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en mr. A.C. Johanns, leden in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mevr. C.R. Tamsiran-Harris, LL.B.

 

SRU-HvJ-2021-96

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in het [district 1],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. M. A. Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Defensie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. D.G. Duurham, jurist,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 06 april 2020;

het verweerschrift met producties, ingediend ter griffie van het Hof op 14 mei 2020;

de beschikking van het Hof van 11 november 2020, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 december 2020;

het proces-verbaal van het op 18 december 2020 gehouden verhoor van partijen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 04 juni 2021, doch nader op heden.

  1. De feiten

2.1 [Verzoeker] is een studieovereenkomst, gedateerd 03 juli 1996, met de Staat aangegaan voor het volgen van de Elementaire Algemene Opleiding (E.A.O.) en de Elementaire Opleiding Militaire Politie (E.O.M.P.) te rekenen van 16 juni 1996 (hierna: de studieovereenkomst). De studieovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:
STUDIEOVEREENKOMST

TUSSEN

MINISTERIE VAN DEFENSIE

EN

[Verzoeker]

(…)

In aanmerking nemende:

dat de heer [verzoeker] te rekenen van 16 juni 1996 onder de hierna volgende voorwaarden in de gelegenheid wordt gesteld om de Elementaire Algemene Opleiding (E.A.O.) en de Elementaire Opleiding Militaire Politie (E.O.M.P.) te volgen.

ARTIKEL I

ADMINISTRATIEVE ALGEMENE BEPALINGEN

  1. Dat voor de duur van de opleiding, tenzij de Minister van Defensie anders beslist, de heer [verzoeker] is ingedeeld bij de afdeling Onderwijs van het Ministerie van Defensie.
  2. Dat hij ten aanzien van alle aangelegenheden de opleidingen betreffende onder de bevelen en het toezicht staat van het Commando Opleidingen Nationaal Leger (CONL).

ARTIKEL II

ANDERE EMOLUMENTEN

  1. Dat hij gedurende de opleiding als Kortverband vrijwilliger/recruut/Soldaat zal worden aangemerkt en alszodanig [sic] de aan de rang verbonden bezoldiging van Sf. 31.880,= (…) per maand zal genieten, alsmede een militaire toelage van Sf. 5.250,= (…) per maand en een bijzondere toelage van Sf. 8.000,= (…) per maand (zijnde stipendium).

(…)

ARTIKEL III

Slotbepalingen

  1. De Studieovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van 01 (èèn) jaar.
  2. Dat aan het volgen van de EOMP de verplichting is verbonden om na beëindiging van de opleiding de Staat gedurende 3 jaren aaneengesloten te dienen.

(…)”

2.2 Door omstandigheden is de Elementaire Algemene Opleiding (E.A.O.) pas op 16 maart 1997 van start gegaan. [verzoeker] was in de periode van 16 juni 1996 tot 16 maart 1997 geplaatst op het Centraal Kantoor voor het verrichten van werkzaamheden.

2.3 [verzoeker] heeft twee negatieve beoordelingen d.d. 02 december 1997 en d.d. 06 januari 1998 gekregen. Voorts blijkt uit de straflijst ten name van [verzoeker] dat hij op 02 december 1997, 09 januari 1998 en 19 januari 1998 tuchtrechtelijk is gestraft ter zake van ongeoorloofde afwezigheid.

2.4 [Verzoeker] is te rekenen van 01 februari 1998 verwijderd van de Elementaire Opleiding Militaire Politie (E.O.M.P.).

2.5 Majoor [naam 1], hoofd G-1 van het Nationaal Leger, heeft een brief d.d. 02 februari 1998 gericht aan [verzoeker]. Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

Kennisgeving

Hierbij deel ik U mede dat U terekenen [sic] van o1. [sic] februari 1998 wordt ontheven van de Basis Opleiding MP, tevens wordt U met ingang van 01. [sic] maart 1998 voorgedragen voor beeindiging [sic] van het dienstverband.”

2.6 De minister van Defensie, [naam 2], heeft bij brief d.d. 09 maart 1999, kenmerk: MD [nummer 1], voor zover van belang, onder meer het volgende aan mr. K.J. Brandon meegedeeld ten aanzien van haar cliënt [verzoeker]:

“Geachte Mr. Brandon,

(…)

Met de heer [verzoeker] was een studie-overeenkomst gesloten;

(…)

Omdat er slechts sprake is van een studie-overeenkomst en niet van een arbeidsovereenkomst, kan moeilijk gesteld worden dat het dienstverband met betrokkene beeindigd [sic] had moeten worden op de wijze aangegeven in de Personeelswet (vide Uw schrijven van 30 december 1998).

Mijns inziens was er geen sprake van een dienstverband waar de arbeidswetgeving op van toepassing zou zijn.

De enige referentie naar een arbeidsrelatie wordt gevonden in art III lid 2, n.l. dat aan het volgen van de Elementaire Opleiding Militaire Politie de verplichting is verbonden na beeindiging [sic] van de opleiding de staat gedurende 3 jaar te dienen.

Onder welke voorwaarden dit zou moeten geschieden staat niet vermeld, zodat deze studie-overeenkomst geenszins het karakter heeft van een gemengde overeenkomst (studie/arbeid).”

2.7 De waarnemend directeur van Defensie, kolonel [naam 3], heeft bij brief d.d. 28 juni 2018, kenmerk: DD [nummer 2], voor zover van belang, onder meer het volgende aan mr. R.H. Tholen, advocaat, bericht ten aanzien van haar cliënt [verzoeker]:

“Weledelgestrenge vrouwe,

(…)

Uw cliënt is wegens negatief gedrag uit de opleiding ontheven. Uw cliënt is bij schrijven van 2 februari 1998 in kennis gesteld van zijn ontheffing uit de opleiding en bij schrijven van 1 maart 1998 is het dienstverband met hem beëindigd, met onmiddellijke stopzetting van zijn soldij.

(…)

Mede op grond van het voorgaande is de redenering van uw cliënt, dat hij na 20 jaren nog in het duister tast met betrekking tot de mogelijke ontheffing en beëindiging van het dienstverband dezerzijds niet te volgen.

Er bestaat al langer dan 20 jaren geen dienstbetrekking meer tussen uw cliënt en het Nationaal Leger c.q. het Ministerie van Defensie.

(…)”

2.8 De minister van Defensie, brigade generaal b.d. [naam 4], heeft bij brief d.d. 11 december 2019, ref. no. MD [nummer 3], betreffende “aangevraagd onderzoek case de heer [verzoeker]” onder meer het volgende aan [verzoeker] bericht:

“Geachte heer [verzoeker],

Uit documentenonderzoek is ten aanzien van u het volgende gebleken:

16.06.1996: in werkelijke dienst getreden bij het Ministerie van Defensie;

03.07.1996: studieovereenkomst ondertekend voor het volgen van de Elementaire Opleiding

Militaire Politie (EOMP);

16.06.96 – 16.03.1997: geplaatst op het Centraal Kantoor

16.03.1997: geplaatst als KVV-er voor de E.A.O.;

21.05.1997: verheven tot geoefend soldaat:

02.05.1997: geplaatst op de EOMP;

01.02.1998: ontheven uit de EOMP vanwege slechte PB-resultaten en andere dringende

redenen;

01.03.1998: beëindiging van het dienstverband conform artikel 3, lid a 2a van het

Examenreglement Basisopleiding M.P.

Vanwege omstandigheden is de voor 1996 geplande EOMP aangevangen in 1997.

In afwachting van deze opleiding bent u voor diensten op het Centraal Kantoor ingezet.

Bij aanvang van de opleiding bent u op basis van de eerder aangegane studieovereenkomst daarop geplaatst.

Op grond van een door u aangespannen proces terzake uw ontslag, is deze aangelegenheid reeds diepgaand onderzocht. De rechter heeft hierover uitspraak gedaan, waarbij u de zaak hebt verloren. Daardoor wordt deze aangelegenheid van deze zijde als afgesloten beschouwd.”

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. het besluit van de Staat in het schrijven d.d. 02 februari 1998 en 01 maart 1998, waarbij aan [verzoeker] zou zijn meegedeeld over het ontheven zijn van de Basis Opleiding MP en de ingangsdatum d.d. 01 maart 1998 ter zake beëindiging van het dienstverband, nietig zal worden verklaard, althans zal worden vernietigd;
  2. de Staat zal worden veroordeeld om aan [verzoeker] te betalen het bedrag van SRD 950.000,-, zijnde o.a. het door de Staat aan [verzoeker] verschuldigde salaris en tegoeden vanaf 01 maart 1998 tot en met de dag van vonniswijzing, vermeerderd met de vertragingsrente ingevolge artikel 1614q van het Burgerlijk Wetboek (BW) en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;
  3. de Staat zal worden veroordeeld om binnen 1 (een) week na de uitspraak [verzoeker] wederom toe te laten tot de dienst;
  4. De Staat zal worden veroordeeld tot een dwangsom van SRD 25.000,- voor iedere dag dat de Staat nalaat om aan het gevorderde onder sub A en B te voldoen.

[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

3.2 [Verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Hij is op 16 juni 1996 in werkelijke dienst getreden bij de Staat, die met hem een arbeidsovereenkomst ex artikel 15 Pw is aangegaan. Hij heeft vanaf 16 juni 1996 tot en met 01 maart 1998, zijnde de datum van de zogenaamde beëindiging van het dienstverband conform artikel 3 lid a onder 2a van het Examenreglement Basisopleiding Militaire Politie, in loondienst gewerkt bij de overheid. Tijdens voormeld dienstverband heeft hij productieve arbeid verricht.

De verwijzing door de minister van Defensie in zijn brief d.d. 11 december 2019 (zie 2.8) naar artikel 3 lid a 2a van voormeld examenreglement bestaat niet, althans komt niet voor in de studieovereenkomst. De Staat heeft op grond hiervan gebruik gemaakt van een onjuiste juridische grondslag voor de beëindiging van het dienstverband met [verzoeker] en hierdoor willens en wetens in strijd gehandeld met de vigerende wettelijke regelingen, waaronder de Personeelswet en de Wet rechtspositie militairen.

De Staat heeft door deze handelwijze voorts gehandeld in strijd met het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, als gevolg waarvan [verzoeker] schade heeft geleden. Deze schade behelst gederfde inkomsten bestaande uit bezoldiging, vakantiegeld, emolumenten en achterstand van periodieken, vermeerderd met de wettelijke rente inclusief de vertragingsrente.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Vooropgesteld wordt dat het Hof op grond van artikel 79 lid 1 juncto artikel 83 Pw, kort gezegd, slechts bevoegd is kennis te nemen van door landsdienaren ingestelde vorderingen in de zin van artikel 79 lid 1 Pw. De vraag die partijen in deze procedure verdeeld houdt, is of tussen hen een dienstverband heeft bestaan.

[Verzoeker] stelt, kort gezegd, dat hij op basis van een arbeidsovereenkomst ex artikel 15 Pw in dienst van de Staat is geweest en dat de Staat dit dienstverband onrechtmatig heeft beëindigd. [Verzoeker] heeft tijdens het verhoor van partijen ter zitting, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij als burger personeel in dienst is getreden van de Staat, zulks vanwege de verlate aanvang van de opleiding(en).

De Staat betwist dat er sprake is geweest van vorenbedoeld dienstverband en voert daartoe, zakelijk weergegeven, aan dat met [verzoeker] geen arbeidsovereenkomst maar een studieovereenkomst is gesloten, dat de periode waarvoor de studieovereenkomst is aangegaan gezien moet worden als een opleidingsperiode, dat van productieve arbeid zijdens [verzoeker] geen sprake was en dat de studieovereenkomst niet was gericht op profijt voor de Staat. Omdat er slechts sprake was van een studieovereenkomst en niet van een arbeidsovereenkomst, kan er geen sprake zijn van beëindiging van het dienstverband zoals aangegeven in de Personeelswet, aldus de Staat. De Staat voert voorts aan dat [verzoeker] vanaf de datum waarop hij in kennis is gesteld van zijn ontheffing uit de opleiding geen relatie meer had met de Staat, aangezien met hem slechts een overeenkomst was gesloten voor het volgen van die opleiding.

4.1.2 [Verzoeker] verwijst ter onderbouwing van zijn stelling dat hij met de Staat een arbeidsovereenkomst ex artikel 15 Pw is aangegaan naar de volgende brieven:

– de hierboven onder 2.5 genoemde brief van majoor [naam 1] d.d. 02 februari 1998 waarin gewag wordt gemaakt van de voordracht tot beëindiging van het dienstverband met [verzoeker];

de hierboven onder 2.7 vermelde brief van de waarnemend directeur van Defensie d.d. 28 juni 2018 waarin gewag wordt gemaakt van de beëindiging van het dienstverband met [verzoeker] bij schrijven van 01 maart 1998 met onmiddellijke stopzetting van zijn soldij;

de hierboven onder 2.8 genoemde brief van de minister van Defensie d.d. 11 december 2019 waarin gewag ervan wordt gemaakt dat [verzoeker] te rekenen van 16 juni 1996 in werkelijke dienst is getreden bij de Staat en dat op 01 maart 1998 het dienstverband met [verzoeker] is beëindigd conform artikel 3, lid a 2a van het Examenreglement Basisopleiding Militaire Politie.

Het Hof constateert dat de vermelding van de beëindiging van het dienstverband met [verzoeker] door voornoemde functionarissen van de Staat in bovengenoemde brieven niet in lijn is met de betwisting door de Staat dat met [verzoeker] een arbeidsovereenkomst is gesloten. Het lag op de weg van de Staat om een verklaring te geven voor deze discrepantie. De Staat heeft dit nagelaten, zodat als onvoldoende gemotiveerd betwist rechtens tussen partijen is komen vast te staan dat [verzoeker] met de Staat een arbeidsovereenkomst ex artikel 15 Pw is aangegaan.

4.1.3 Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:

  1. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
  2. tot verlaging van rang;
  3. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
  4. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
  5. tot schorsing of ontslag.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.4 Het Hof is gelet op het voorgaande onbevoegd om kennis te nemen van het eerste deel van het gevorderde onder 3.1 onder A, alsmede van de onder 3.1 onder B gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 1614q BW en voorts van het gevorderde onder 3.1 onder C. Het Hof overweegt daartoe als volgt.

De brief van majoor [naam 1] d.d. 02 februari 1998 behelst, anders dan [verzoeker] kennelijk meent, geen besluit tot zijn verwijdering van de Elementaire Opleiding Militaire Politie, maar slechts een kennisgeving van dit besluit. Bovendien behoort een dergelijk besluit niet tot de in artikel 79 lid 2 Pw limitatief opgesomde besluiten die vatbaar zijn voor nietigverklaring.

De (als schade) gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 1614q BW is volgens vaste rechtspraak van het Hof niet te beschouwen als schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw.

De gevorderde veroordeling van de Staat tot het weder toelaten van [verzoeker] tot de dienst kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw.

Het Hof zal zich derhalve onbevoegd verklaren kennis te nemen van voornoemde vorderingen.

Het Hof is wel bevoegd tot kennisname van het overige door [verzoeker] gevorderde.

Ten aanzien van de mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten, verwijst het Hof naar hetgeen onder 4.3 is overwogen.

Ontvankelijkheid

4.2 [Verzoeker] is tardief met het instellen van de overige vorderingen. In de visie van het Hof is aan de feitelijke relatie tussen [verzoeker] en de Staat op 01 februari 1998 een einde gekomen als gevolg van de verwijdering van [verzoeker] van de Elementaire Opleiding Militaire Politie. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] na 01 februari 1998 (nog) werkzaamheden heeft verricht voor de Staat. Het Hof overweegt op grond van het voorgaande dat het van een onbehoorlijke proceshouding zijdens [verzoeker] getuigt om op 06 april 2020, derhalve met overschijding van ruim 20 jaren van de termijnen genoemd in artikel 80 Pw, nog een vordering in te stellen tot nietigverklaring van het in het schrijven d.d. 01 maart 1998 vervatte besluit tot de beëindiging van het dienstverband tussen [verzoeker] en de Staat per dezelfde datum. Hetzelfde geldt voor de vordering tot betaling van het achterstallige salaris vanaf 01 maart 1998. De stelling van [verzoeker] – wat hiervan ook zij – dat hij pas bij schrijven van de minister van Defensie d.d. 11 december 2019 officieel heeft vernomen dat het dienstverband met de Staat ingevolge artikel 3 lid a onder 2a van het Examenreglement Basisopleiding Militaire Politie is beëindigd en dat hij voormeld schrijven d.d. 01 maart 1998 nimmer heeft ontvangen, doet hieraan niet af. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel nopen.

De conclusie is dat [verzoeker] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de onder 3.1 onder A mede gevorderde nietigverklaring van het in het schrijven d.d. 01 maart 1998 vervatte besluit tot beëindiging van het dienstverband tussen [verzoeker] en de Staat, alsmede in de onder 3.1 onder B gevorderde betaling van het achterstallige salaris vanaf 01 maart 1998 vermeerderd met de wettelijke rente en voorts in de onder 3.1 onder D gevorderde dwangsom.

4.3 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten, zal als niet op de wet gestoeld worden afgewezen.

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering onder 3.1 onder A tot nietigverklaring van de in het schrijven van majoor [naam 1] d.d. 02 februari 1998 vervatte mededeling van de ontheffing van [verzoeker] uit (oftewel de verwijdering van [verzoeker] van) de Elementaire Opleiding Militaire Politie, alsmede van de onder 3.1 onder B gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 1614q BW en voorts van het gevorderde onder 3.1 onder C.

5.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het onder 3.1 onder A en B overige gevorderde, alsmede in het gevorderde onder 3.1 onder D.

5.3 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 05 november 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen Majoor V. Pengel LLM namens mr. D.G. Duurham, gevolmachtigde van verweerder terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

 

SRU-HvJ-2021-95

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
gevestigd en kantoorhoudende te zijnen Parkette te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 22 van de Wet Brandweer Suriname 1993 juncto artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 20 december 2017;

de beschikking van het Hof van 27 november 2018, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 januari 2019;

de processen-verbaal van het verhoor van partijen gehouden op 18 januari 2019 en voortgezet op 05 april 2019 en 21 juni 2019, alsmede het op laatstgenoemde datum door de Staat overgelegde bescheid;

de conclusie tot uitlating en overlegging van relevante stukken, met producties, zijdens de Staat overgelegd op 02 augustus 2019;

de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] overgelegd op 06 december 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 16 oktober 2020, doch nader op heden.

  1. De feiten

2.1 [Verzoeker] was als ambtenaar in de rang van brandwacht 2e klasse bij het Korps Brandweer Suriname in dienst van de Staat.

2.2 Op 20 mei 2016 is [verzoeker] in verzekering gesteld op verdenking van één of meer zedendelicten, wederspannigheid en overtreding van de Vuurwapenwet. [verzoeker] is bij vonnis ter zake van een zedendelict en overtreding van de Vuurwapenwet veroordeeld tot een gevangenisstraf van anderhalf jaar. [verzoeker] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen dit veroordelend vonnis.

2.3 Nadat [verzoeker] in vrijheid was gesteld, heeft hij zich gemeld bij de Inspectiedienst. Naar aanleiding van informatie verkregen van deze dienst heeft [verzoeker], die geen (schriftelijke) verweeraanzegging had ontvangen, een brief d.d. 22 augustus 2017 gericht aan de commandant van de brandweer. Voormelde brief, met als onderwerp “Afwezigheid”, luidt voor zover van belang als volgt:

Verweer

Hierbij wens ik brandwacht 2e klasse [verzoeker], dienende in ploeg a te cmp, afdeling repressie U het volgende te verweren

Van vrijdag 20 mei 2016 tot en met woensdag 16 augustus 2017 was ik ter beschikking van het Openbaar Ministerie vanwege verdenking van Art 298; Art 296; Art 300; Art 323; Wetboek van Strafrecht; Art 9 Vuurwapenwet (namelijk peperspray). In deze periode kon ik mij dus niet persoonlijk aanmelden. Ik verzoek u mij persoonlijk te willen ontvangen om mij mondeling te laten verweren en u meer informatie te verschaffen omtrent mijn afwezigheid.

Hopende op een gunstig antwoord uwerzijds.”

2.4 [Verzoeker] is vervolgens telefonisch opgeroepen om op 14 september 2017 op korpsrapport te verschijnen teneinde door de tuchtcommissie te worden gehoord. [Verzoeker] werd op het korpsrapport meegedeeld dat hij zal worden voorgedragen voor ontslag.

2.5 De minister van Justitie en Politie (hierna: de minister) heeft bij beschikking d.d. 10 november 2017, Bureau no. J [nummer 1], BW. [nummer 2] (hierna: de ontslagbeschikking), besloten om aan [verzoeker] met toepassing van artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest wegens plichtsverzuim de tuchtstraf van ontslag te verlenen (lees: op te leggen). Vorenbedoeld besluit (hierna: het ontslagbesluit) is als volgt gemotiveerd:

“- dat blijkens het schrijven van de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie d.d. 4 juli 2016, de Brandwacht 2e klasse, de heer [VERZOEKER], (…) in vaste dienst bij het Korps Brandweer Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie, als verdacht van één of meer zedendelicten, wederspannigheid en overtreding vuurwapenwet, dan wel ernstig plichtsverzuim, te rekenen van 20 mei 2016 in verzekering is ingesteld [sic] en derhalve ingevolge artikel 66 lid 1 van de Personeelswet van rechtswege is geschorst;

(…)

dat betrokkene ingevolge artikel 44 lid 1 van het Politiehandvest in de gelegenheid is gesteld zich terzake schriftelijk en mondeling te verweren, echter heeft hij bij zijn schriftelijke verweer d.d. 22 augustus 2017 geen steekhoudende argumenten kunnen aanvoeren welke ertoe zouden leiden van bestraffing af te zien;

dat deze handeling, die ernstig plichtsverzuim voor hem oplevert, in een gedisciplineerd Korps niet kan worden getolereerd;

dat op het gehouden korpsrapport van de Tuchtcommissie d.d. 14 september 2017 aan betrokkene is meegedeeld, dat hij ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest wegens ernstig plichtsverzuim zal worden voorgedragen voor ontslag;

dat blijkens het schrijven van de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie d.d. 18 juli 2017 betrokkene is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 1½ (anderhalf) jaar onder aftrek en gevangenhouding;

dat gelet op de ernst van de zaak er termen aanwezig zijn voor het in overweging nemen van ontslag wegens ernstig plichtsverzuim;

dat naar aanleiding van het voorgaande betrokkene niet langer in Staatsdienst kan worden gehandhaafd en ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest, de tuchtstraf van ontslag aan hem wordt opgelegd.”

2.6 [Verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 27 november 2017 ontvangen.

2.7 [Verzoeker] heeft bij brief d.d. 30 november 2017 de minister verzocht om de ontslagbeschikking binnen een maand na ontvangst van deze brief nietig te verklaren en de werkrelatie met hem te herstellen. [Verzoeker] heeft zich daarbij erover beklaagd dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zich schriftelijk dan wel mondeling te verweren. Op voormelde brief is geen antwoord van de minister gekomen.

2.8 De minister heeft bij brief d.d. 03 juli 2019, met als onderwerp “Overweging/besluit inzake ontslag [verzoeker]”, het volgende aan de commandant van het Korps Brandweer Suriname bericht:

“Geachte heer,

Onder verwijzing naar uw schrijven d.d. 28 juni 2019, BW. [nummer 3], inzake de zaak van ex-brandweerman, dhr. [verzoeker] aanhangig gemaakt tegen de Staat Suriname naar aanleiding van zijn ontslag, moge het volgende dienen:

Aangezien er in meerdere gevallen afgeweken is van het opleggen van ontslag, is de mogelijkheid in reële mate aanwezig dat de Staat bij persisteren veroordeeld zal worden en dus [verzoeker] in het gelijk gesteld zal worden.

Geadviseerd wordt een schikking met betrokkene te treffen en in stede van ontslag, de tuchtmaatregel van degradatie in rang op te leggen.

(…)”

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de ontslagbeschikking zal worden vernietigd dan wel nietig zal worden verklaard;
  2. de Staat zal worden veroordeeld om [verzoeker] weder aan het werk toe te laten binnen een week na de uitspraak, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 50.000,- voor elke keer dat de Staat in strijd met het vonnis handelt;
  3. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het proces en de kosten van juridische bijstand ten bedrage door uw Hof (lees: het Hof) vast te stellen;
  4. de Staat zal worden veroordeeld om aan [verzoeker] te betalen het loon vanaf 10 november 2017, verhoogd met de vertragingsrente op grond van artikel 1614q van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de overige emolumenten.

3.2 Hetgeen [verzoeker] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, komt, zakelijk weergegeven, op het volgende neer. [Verzoeker] kan zich niet verenigen met zijn ontslag uit Staatsdienst en wel om de volgende redenen. Het ontslagbesluit is genomen in strijd met het hoorbeginsel. [Verzoeker] werd niet de gelegenheid geboden om zich te verweren op het op 14 september 2017 gehouden korpsrapport. Hij kreeg te horen dat zulks niet nodig was, omdat hij al was voorgedragen voor ontslag. Voorts blijkt uit de ontslagbeschikking dat de Staat het onder 2.3 vermelde schrijven d.d. 22 augustus 2017 beschouwt als een schriftelijk verweer zijdens [verzoeker], zulks ten onrechte omdat dit schrijven geen verweer behelst maar een verzoek om ontvangen te worden voor een mondeling verweer. [Verzoeker] heeft zich derhalve nimmer kunnen verweren.

De Staat heeft tevens in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, omdat anderen binnen het korps, met name de heren [naam 1] en [naam 2], die ook met justitie in aanraking zijn gekomen en veroordeeld zijn voor handelingen binnen hun diensttijd, na een schrijven aan de minister weer aan het werk zijn.

Voorts is [verzoeker] in de nachtelijke uren, geheel buiten zijn schuld om, in een situatie geraakt en levert zijn handeling geen plichtsverzuim op. De feiten waarvoor hij veroordeeld is, zijn niet in functie gepleegd. Hij is zich nimmer bewust geweest van de minderjarigheid van het slachtoffer; zij had hem meegedeeld dat zij 23 jaar oud was. [Verzoeker] is onschuldig.

Het ontslag is aldus in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en derhalve nietig althans vernietigbaar.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

  1. De beoordeling

4.1 De Staat heeft in de loop van dit geding conform de onder 2.8 genoemde brief van de minister d.d. 03 juli 2019 een schikkingsvoorstel aan [verzoeker] gedaan, inhoudende dat (het ontslagbesluit naar het Hof begrijpt zal worden ingetrokken en) in stede van ontslag, aan [verzoeker] de tuchtstraf van degradatie in rang zal worden opgelegd. [Verzoeker] heeft dit schikkingsvoorstel afgewezen. Nu er tussen partijen geen schikking is bereikt, zal het Hof overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering.

Bevoegdheid

4.2.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar van de brandweer in de zin van artikel 1 van de Wet Brandweer Suriname 1993 is geweest, zodat deze wet op hem van toepassing is. In artikel 22 lid 2 van de Wet Brandweer Suriname 1993 is bepaald dat het vierde hoofdstuk van het Politiehandvest – dit zijn de artikelen 32 tot en met 49 – met uitzondering van de artikelen 32, 35 lid 2 en 37 leden 3, 4 en 5 van overeenkomstige toepassing is op de ambtenaren van de brandweer.

Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid, de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie.

Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

Het onder 3.1 onder A gevorderde strekt tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw juncto artikel 47 lid 3 van het Politiehandvest is het Hof bevoegd kennis te nemen van een vordering tot nietigverklaring van een besluit waarbij aan een ambtenaar van de brandweer de tuchtstraf van ontslag is opgelegd. Het Hof is derhalve bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1 onder A.

4.2.2 Het onder 3.1 onder B gevorderde, kort gezegd, de veroordeling van de Staat tot wedertewerkstelling van [verzoeker] onder verbeurte van een dwangsom, kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het Hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen.

4.2.3 Het Hof beschouwt de onder 3.1 onder C gevorderde kosten van juridische bijstand als schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw en is derhalve bevoegd van dit gevorderde kennis te nemen.

Ten aanzien van de onder 3.1 onder C mede gevorderde proceskosten, verwijst het Hof naar hetgeen onder 4.12 is overwogen.

4.2.4 Het Hof beschouwt het onder 3.1 onder D gevorderde achterstallige loon ook als schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw en is daarom bevoegd ook van dit gevorderde kennis te nemen.

Hetzelfde geldt, naar het oordeel van het Hof, niet voor de onder 3.1 onder D mede gevorderde wettelijke verhoging in de zin van artikel 1614q BW. Deze wettelijke verhoging, die de werkgever verschuldigd is bij niet-tijdige betaling van het salaris, is immers niet bedoeld als een (gefixeerde) schadevergoeding, maar als een prikkel om de werkgever te bewegen tot tijdige betaling (vgl. HR 05 januari 1979, NJ 1979, 207). Het Hof zal zich derhalve onbevoegd verklaren om van dit deel van de vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

4.3 Ingevolge artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest zijn vorderingen tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van een tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder e tot en met j van voormeld handvest – hieronder valt de aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf van ontslag –, niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat het besluit ter kennis van de gestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen. Het ontslagbesluit is op 27 november 2017 ter kennis van [verzoeker] gebracht. Nu [verzoeker] de onder 3.1 onder A vermelde vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit op 20 december 2017 heeft ingesteld, derhalve binnen voormelde termijn van een maand, is hij daarin ontvankelijk.

Dit laatste geldt op grond van artikel 80 lid 2 sub b Pw ook voor de onder 3.1 onder C respectievelijk D gevorderde veroordeling van de Staat tot betaling aan [verzoeker] van de kosten van juridische bijstand en van het achterstallige loon vanaf 10 november 2017.

4.4 Vooropgesteld wordt dat aan [verzoeker] – zij het dat zulks in de ontslagbeschikking op gebrekkige wijze is verwoord – de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst is opgelegd wegens het plegen van een zedendelict en het overtreden van de Vuurwapenwet, voor welke strafbare feiten hij tot een gevangenisstraf van anderhalf jaar is veroordeeld. Dat [verzoeker] met deze reden van zijn ontslag bekend is, is niet in geding.

4.5 [Verzoeker] heeft zich erop beroepen dat de Staat in strijd heeft gehandeld met het hoorbeginsel. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. Aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat de Staat zijn brief d.d. 22 augustus 2017 niet kon beschouwen als een schriftelijk verweer. Immers, in deze brief doet [verzoeker] slechts het verzoek om zich mondeling te verweren en dit verzoek betreft bovendien [verzoeker]s afwezigheid van het werk, welk verwijt niet aan het ontslagbesluit ten grondslag is gelegd. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] zich in een ander schrijven heeft kunnen verweren tegen hetgeen hem wel wordt verweten. Op grond van het voorgaande is rechtens niet komen vast te staan – en is derhalve in de ontslagbeschikking ten onrechte opgenomen – dat [verzoeker] in de gelegenheid is gesteld om zich schriftelijk te verweren.

[verzoeker] heeft voorts gesteld dat hem niet de gelegenheid is geboden om zich mondeling te verweren op het op 14 september 2017 gehouden korpsrapport, hetgeen de comparitiegevolmachtigde van de Staat, [naam 3], commandant van de brandweer, op de zitting van 21 juni 2019 gemotiveerd heeft weersproken. Het Hof acht het ongeloofwaardig dat aan [verzoeker], na telefonisch te zijn opgeroepen om op korpsrapport te verschijnen teneinde door de tuchtcommissie te worden gehoord, op het gehouden korpsrapport is meegedeeld dat hij zich niet meer mondeling hoefde te verweren omdat hij reeds was voorgedragen voor ontslag. Om deze reden zal het Hof [verzoeker], die geen bewijsaanbod heeft gedaan, niet ambtshalve opdragen zijn stelling dat hem niet de gelegenheid is geboden om zich mondeling te verweren op het op 14 september 2017 gehouden korpsrapport, te bewijzen. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat rechtens niet is komen vast te staan dat [verzoeker] niet in de gelegenheid is gesteld om zich mondeling te verweren. Het beroep op het hoorbeginsel faalt derhalve.

4.6 Het Hof volgt [verzoeker] niet in zijn stelling dat hij onschuldig is. [Verzoeker] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het onder 2.2 bedoeld veroordelend vonnis, zodat dit vonnis onherroepelijk is geworden. Derhalve staat rechtens vast dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan een zedendelict en het overtreden van de Vuurwapenwet.

4.7 Ingevolge artikel 22 lid 1 van de Wet Brandweer Suriname 1993 zijn de algemene regelen omtrent de rechtstoestand van de landsdienaren van toepassing op de ambtenaren van de brandweer, voor zover daarvan niet bij deze wet is afgeweken. Artikel 36 lid 1 Pw bepaalt dat een landsdienaar onder meer verplicht is zich steeds te gedragen zoals een goed en getrouw landsdienaar betaamt.

Het Hof is van oordeel dat [verzoeker] zich met het plegen van de onder 2.2 genoemde strafbare feiten waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld, niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar van de brandweer betaamt en zich daarmee aan ernstig plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt. Het Hof tekent daarbij aan dat volgens vaste rechtspraak ook handelen buiten werktijd onder omstandigheden strijdig kan zijn met hetgeen een goed ambtenaar betaamt en daarmee plichtsverzuim kan opleveren. Dit is onder meer het geval in situaties waarbij het handelen van de ambtenaar het aanzien van de openbare dienst heeft geschaad. Naar het oordeel van het Hof is er in het onderhavige geval sprake van grensoverschrijdend gedrag zijdens [verzoeker] dat ook zijn weerslag heeft op het aanzien van het Korps Brandweer Suriname.

4.8 Naar het oordeel van het Hof kan het gepleegde plichtsverzuim [verzoeker] worden toegerekend. [Verzoeker] heeft in deze procedure alleen ter zake van het door hem gepleegde zedendelict aangevoerd dat het slachtoffer hem had meegedeeld dat zij 23 jaar oud was en dat hij zich nimmer bewust is geweest van haar minderjarigheid. Dit levert in de visie van het Hof geen verontschuldigende factor op die noopt tot een ander oordeel. Dat [verzoeker] aannam dat het slachtoffer oud genoeg was omdat hij haar in een nachtclub had ontmoet, zoals zijn procesgemachtigde ter zitting van 05 april 2019 heeft aangevoerd, maakt dit niet anders.

4.9 [Verzoeker] heeft zich tevens erop beroepen dat de Staat in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. Bij dit algemene beginsel van behoorlijk bestuur gaat het, kort gezegd, erom dat gelijke gevallen, gelijk moeten worden behandeld. Naar het Hof begrijpt betoogt [verzoeker] dat zijn geval gelijk is aan dat van de brandweermannen [naam 1] en [naam 2]. Net als [verzoeker] zijn [naam 1] en [naam 2], naar de comparitiegevolmachtigde van de Staat, [naam 4], medewerker op de afdeling Tuchtzaken van het Korps Brandweer Suriname, ter zitting van 21 juni 2019 onweersproken heeft verklaard, kort gezegd, beide veroordeeld wegens het plegen van ernstige strafbare feiten. [Naam 3] heeft ter voormelde zitting onweersproken verklaard dat aan [naam 1] en [naam 2] daarvoor de tuchtstraf van degradatie in rang is opgelegd, zodat het Hof van de juistheid daarvan zal uitgaan. Nu [verzoeker] heeft afgewezen het door de Staat gedane schikkingsvoorstel, kort gezegd, inhoudende dat aan hem in stede van ontslag – net als aan [naam 1] en [naam 2] – de tuchtstraf van degradatie in rang zal worden opgelegd, is er naar het oordeel van het Hof geen sprake van gelijke gevallen. Derhalve faalt ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

4.10 Naar het oordeel van het Hof is de aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf van ontslag een passende, gelet op de ernst en de gevolgen van het gepleegde plichtsverzuim en het feit dat ingevolge artikel 22 lid 2 van de Wet Brandweer Suriname 1993 juncto artikel 37 lid 1 van het Politiehandvest de discipline onder de ambtenaren van de brandweer in militaire trant wordt gehandhaafd.

4.11 Uit het onder 4.5 tot en met 4.10 overwogene volgt dat de grondslag van de vordering onder 3.1 onder A, strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit, niet in rechte is komen vast te staan, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

4.12 Niet is komen vast te staan dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoeker]. Reeds op deze grond zal de onder 3.1 onder C gevorderde veroordeling van de Staat in de kosten van juridische bijstand, de omvang van welke kosten [verzoeker] overigens niet heeft vermeld, worden afgewezen.

De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.13 Uit het onder 4.11 overwogene volgt dat het ontslagbesluit in stand blijft, zodat van achterstallig loon geen sprake is. Het onder 3.1 onder D gevorderde achterstallige loon zal daarom ook worden afgewezen.

4.14 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1 onder B en van de onder 3.1 onder D gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 1614q BW.

5.2 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 06 augustus 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. Tjin Aton Pryce namens mr. R. Koendan, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in person noch bij gemachtigde is verschenen.