SRU-HvJ-2021-62

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking ex artikel 20 lid 5 Handelsregisterwet

In de zaak van:

N.V. Grobohama, rechtspersoon,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verzoekster,
vertegenwoordigd wordende door: dhr. R.H. Wijsman,

tegen

DE HANDELSREGISTER COMMISSIE,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder,
niet verschenen.

  1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:

– het beroepschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 16 december 2016 inzake G.R. no. 15175;

– het verleende verstek tegen de behoorlijk opgeroepen doch niet verschenen verweerder.

  1. Vervolgens is bepaald dat beschikking zal volgen in de zaak.
  1. De vordering en de grondslag daarvan

2.1 Verzoekster vordert de handelsregistercommissie te dwingen dan wel een uitspraak te doen zijnde positief of negatief, of subsidiair te honoreren het verzoek van N.V. Grobohama om tot ontbinding van Suramericana Business Group N.V. over te gaan.

2.2 Verzoekster stelt dat zij, op grond van artikel 20 lid 2, 3 en 4 van de Handelsregisterwet aan de Handelsregistercommissie het verzoek heeft gedaan om tot ontbinding over te gaan van Suramericana Business Group N.V., nu deze vennootschap in strijd heeft gehandeld met de openbare orde.

Volgens verzoekster weigert de Handelsregistercommissie om een besluit te nemen op haar verzoek.

  1. De beoordeling

3.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 20 lid 5 van de Handelsregisterwet kan tegen de beslissing van de Handelsregistercommissie beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie. Hieruit volgt dat eerst door de Handelsregistercommissie een besluit moet zijn genomen alvorens daartegen beroep kan worden ingesteld bij het Hof van Justitie

Nu verzoekster zelf stelt dat de Handelsregistercommissie weigert om een besluit te nemen op haar verzoek, is het Hof van oordeel dat zij onbevoegd is kennis te nemen van het onderhavige verzoek. Het Hof zal dan ook dienovereenkomstig beslissen.

3.2 Verzoekster zal, als de in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten moeten dragen.

  1. BESCHIKKENDE:

Het Hof:

4.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de onderhavige zaak.

4.2 Veroordeelt verzoekster in de proceskosten aan de zijde van verweerder gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gegeven door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 5 maart 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen de heer R.H. Wijsman, gemachtigde van verzoekster, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-61

A.C.
G.R. no. 14677

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

18 juni 2021

in de zaak van

[Appellante],
wonende te [plaats],
appellante,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. B.A. Halfhide, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 09 februari 2010 (A.R. No. 07-1968) tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Vooraf:

In deze zaak is er op 07 juni 2019 een tussenvonnis gewezen en uitgesproken;

  1. Het verdere procesverloop in hoger beroep

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de conclusie tot overlegging van bescheiden inzake geleden processchade zijdens geïntimeerde;

– de conclusie tot uitlating zijdens appellante;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 19 maart 2021 doch nader op heden.

  1. De verdere beoordeling van het geschil

2.1. Het Hof neemt over en volhardt bij hetgeen is overwogen en beslist in voormeld tussenvonnis de dato 07 juni 2019. Al hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot het harerzijds oneens zijn met het overwogene en de beslissing in voormeld tussenvonnis haalt het in de visie van het Hof niet in rechte. Immers heeft het Hof in voormeld tussenvonnis – kort gezegd – de zienswijze uiteengezet omtrent het tweemaal procederen omtrent hetzelfde onderwerp van geschil waaromtrent er in eerste aanleg reeds een beslissing is genomen, welke beslissing kracht en gezag van gewijsde heeft verkregen. Het Hof ziet geen aanleiding om terug te komen op zijn beslissing zoals verwoord in voormeld tussenvonnis. Daarenboven zijn de bezwaren aangevoerd in een akte uitlating zijdens appellante als laatste proceshandeling in deze procedure in hoger beroep waardoor geïntimeerde niet de gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren.

2.2. Bij voormeld tussenvonnis de dato 07 juni 2019 werd de zaak verwezen naar de rol voor het nemen van een akte door geïntimeerde teneinde de veroorzaakte processchade door de onderhavige procedure (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) te begroten. Appellante zou vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om zich daaromtrent uit te laten.

2.3. Geïntimeerde heeft gedocumenteerd, onder overlegging van bijbehorende producties, aangegeven dat de door haar geleden schade door deze herhaalde procedure in beide instanties het bedrag van SF. 46.000,-, SRD. 5.000,-,SRD. 4.347,- plus SRD. 24.840,- beloopt (althans zo vat het Hof dat op). Het Hof zal de door geïntimeerde in het geding gebracht producties in het hierna volgende aan een bespreking onderwerpen. Productie no. 1 zoals door geïntimeerde is overgelegd bij akte tot overlegging bescheiden inzake geleden processchade betreft in de visie van het Hof een andere procedure, te weten het geding bekend in het Algemeen Register onder no. 93-1332, en zal derhalve in dit kader buiten beschouwing worden gelaten. Het Hof komt derhalve niet toe aan bespreking van de reactie van appellante daaromtrent. Thans zal het Hof overgaan tot bespreking van productie no. 2 zoals door geïntimeerde in het geding is gebracht. Het verweer van appellante omtrent productie no. 2 dat er –kort gezegd- op neerkomt dat nergens uit blijkt dat deze kosten voor onderhavige procedure zijn voldaan wordt in de visie van het Hof weerlegd door de stempel op blad 1 van voormelde productie waaruit blijkt dat voormeld bedrag per cheque is voldaan op 21 december 2007. Aan de achterkant van blad 1 van voormelde productie no. 2 is een fotokopie van een kwitantie de dato 21 december 2007 aangetroffen waaruit blijkt dat door geïntimeerde het bedrag van in totaal SRD. 5.000,- is betaald aan het advocatenkantoor Lim A Po. De datum op de kwitantie van betaling en de vermelding van de namen van partijen daarop individualiseren in de visie van het Hof wel genoegzaam dat het in casu de onderhavige procedure betreft. Op het tweede blad van productie 2 is opgebracht een declaratie ad SRD. 2.484,-, welk bedrag ingevolge de stempel op voormeld blad per kas is voldaan op 31 januari 2011. De inhoud van de kwitantie de dato 31 januari 2011 aan de achterkant van voormeld blad bevestigt in de visie van het Hof de betaling ad SRD. 2.484,- (declaratie no. 08443) maar verschaft geen nadere informatie omtrent declaratie no. 07669. Gelet op het voorgaande is het Hof niet in staat om te beoordelen of het hier gaat om kosten die gemaakt zijn in deze procedure en zal het Hof in zoverre voorbijgaan aan het op de kwitantie vermeld bedrag nu daarin ook is inbegrepen het bedrag van SRD. 2.484,- betreffende declaratie no. 08443. Het Hof zal derhalve in het kader van dit geding ervan uitgaan en het ervoor houden dat de betaling van declaratie no. 08443 ad SRD. 2.484,- betreft een betaling in onderhavige procedure hetgeen eveneens blijkt uit de koppeling die in voormelde declaratie gemaakt wordt met de zaak bekend in het A.R. onder no. 07-1968.

2.4. Thans volgt bespreking van productie no. 3. Ten aanzien van productie no. 3 heeft appellante aangevoerd –kort gezegd- dat nergens uit blijkt dat deze kosten zijn betaald en derhalve zijn deze kosten niet gemaakt door geïntimeerde. Daarnaast is het volgens appellante opmerkelijk dat de bewuste declaratie dateert van dezelfde datum als het tussenvonnis van het Hof, te weten 07 juni 2019, waaraan de appellante de gevolgtrekking verbindt dat deze declaratie kennelijk na het wijzen van het vonnis gauw uit de koker is getoverd om appellante geld uit de zakken te kloppen. Dit wordt volgens appellante bevestigd als de diverse declaraties naast elkaar worden gelegd en blijkt hoe astronomisch hoog de laatste declaratie no. 15531 is en totaal niet in verhouding met de rest staat. Appellante beticht deze declaratie dan ook van valsheid en ontkent en betwist verplicht te zijn deze te betalen. Het Hof oordeelt omtrent het voorgaande als volgt. Appellante heeft volstaan met het poneren van vermoedens die gekoppeld zijn aan de datum van de declaratie alsmede het niet betaald zijn van het daarin opgebracht bedrag. Daarnaast is het opgebracht bedrag volgens appellante abnormaal hoog. In de visie van het Hof vermag voormeld verweer appellante niet baten. Immers is in voormeld tussenvonnis niet de eis gesteld dat de kosten voldaan dienen te zijn maar is aan geïntimeerde gevraagd om de schade te begroten. Daaraan heeft geïntimeerde in de visie van het Hof in ruime mate voldaan nu ook de door appellante aangevoerde valsheid niet nader is gepreciseerd en de koppeling met de zaak bekend in het G.R. onder no. 14677 evident is alsmede de aard van de verrichte werkzaamheden door de advocaat.

2.5. De slotsom waar al het voorgaande toe leidt is dat de door geïntimeerde begrote processchade deels in rechte is komen vast te staan en zal dat bedrag als onderdeel van de proceskosten worden toegewezen ten laste van appellante in voege als na te melden. De bedragen ad SRD. 5.000,- en SRD. 2.484,- en SRD. 24.840,- zullen bij elkaar worden opgeteld en als onderdeel van de proceskosten ten laste van appellante worden gebracht in het dictum van dit vonnis.

2.6. De consequentie van het voorgaande is dat – nu het Hof heeft vastgesteld dat er in casu sprake is geweest van misbruik van procesrecht door het aanhangig maken van de onderhavige procedure door appellante – het beroepen vonnis dient te worden vernietigd en opnieuw rechtdoende appellante alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ingestelde vordering. Daarnaast zal appellante, als de niet ontvangen partij, de gedingkosten waaronder begrepen de processchade als hiervoor onder 2.5. is overwogen, voor haar rekening dienen te nemen.

2.7. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zullen onbesproken worden gelaten nu die niet tot een andersluidend oordeel aanleiding zullen geven.

  1. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

3.1. Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken de dato 09 februari 2010 en bekend in het Algemeen Register onder no. 07-1968, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

3.2. Verklaart appellante alsnog niet-ontvankelijk in de ingestelde vordering;

3.3. Veroordeelt appellante in de gedingkosten –waaronder begrepen de door geïntimeerde geleden processchade – in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot op heden begroot op SRD. 32.324,- (Twee en Dertigduizend en Driehonderd en Vier en Twintig Surinaamse Dollar);

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. S.M.M. Chu, leden, en bij vervroeging uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 18 juni 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-60

GRNo. 14730

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[Appellante],
wonende te [plaats],
appellante,
verder te noemen: [appellante],
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

  1. [Geïntimeerde sub A], wonende te [stad], [land],
  2. [Geïntimeerde sub B], wonende te [wijk], [land],
  3. [Geïntimeerde sub C], wonende te [plaats],
  4. [Geïntimeerde sub D], wonende te [stad], [land],
  5. [Geïntimeerde sub E], wonende te [plaats],
  6. [Geïntimeerde sub F], wonende te [plaats],
  7. [Geïntimeerde sub G], wonende te [plaats],

handelende voor zichzelf en als gemachtigde van de hiervoor onder a t/m f genoemde personen,
niet verschenen,

en

  1. [Geïntimeerde sub H], wonende in het [district],

verder te noemen [geïntimeerde sub H],
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,
geïntimeerden,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 13 juli 2010 (A.R. No. 07-0859) tussen [appellante] als eiseres en geïntimeerden als gedaagden spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het tussenvonnis van het Hof van 4 mei 2018, waarbij aan appellante een bewijsopdracht is verstrekt;
  • het proces-verbaal van enquête van 12 juli 2018;
  • de conclusie na enquête van [appellante] van 15 februari 2019;
  • de conclusie na enquête van [geïntimeerde sub H] van 5 april 2019.

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling

  1. Bij het tussenvonnis van 4 mei 2018 is aan [appellante] opgedragen te bewijzen dat [geïntimeerde sub H] aan hun vader [naam 1] een volmacht heeft gegeven om het aan partijen bekende perceelland tegen een prijs van Sf. 5.000,- aan [appellante] te verkopen en dat [naam 1] deze last heeft uitgevoerd.
  1. [Appellante] heeft daarop haar en [geïntimeerde sub H] zusters [geïntimeerde sub G] en [geïntimeerde sub C] (beiden tevens geïntimeerden) als getuigen laten horen. In haar conclusie na enquête heeft [appellante] geconcludeerd dat [naam 1] inderdaad aan [geïntimeerde sub H] last en volmacht heeft verstrekt om het perceelland in kwestie aan haar te verkopen. [geïntimeerde sub H] heeft bij zijn conclusie na enquête ten eerste gesteld dat [geïntimeerde sub G] en [geïntimeerde sub C] rechtens ongeschikt zijn om als getuigen op te treden, omdat in deze procedure zelf procespartij zijn. Voorts heeft [geïntimeerde sub H] geconcludeerd dat [appellante] niet in het haar opgedragen bewijs is geslaagd.
  1. Het Hof overweegt het volgende.

3.1 Het standpunt van [geïntimeerde sub H] dat [geïntimeerde sub G] en [geïntimeerde sub C], als partijen in deze procedure, ongeschikt zijn om als getuigen op te treden, berust niet op het recht. Het Hof verwerpt dit standpunt dan ook. Wel kunnen personen die bloedverwanten in de tweede graad van een van de partijen zijn, zich van het afleggen van getuigenis verschonen. [Geïntimeerde sub G] en [geïntimeerde sub C] hebben echter uitdrukkelijk verklaard dat zij van dit verschoningsrecht afzien.

3.2 Vraag is of [appellante] in het haar opgedragen bewijs is geslaagd. Daarbij is van belang, niet alleen of [geïntimeerde sub H] aan [naam 1] een volmacht tot verkoop heeft verstrekt, maar ook of [naam 1] deze volmacht heeft uitgevoerd.

3.3 Hierover heeft [Geïntimeerde sub G], voor zover van belang, als volgt verklaard:

Mijn vader had een volmacht van mijn broertje [geïntimeerde sub H] om te verkopen en te doen wat hij ermee wilde. Natuurlijk moest dat eerst met toestemming van [geïntimeerde sub H]. […] [Ik] hoorde mijn vader een paar keer tegen [geïntimeerde sub H] zeggen: […] ‘[geïntimeerde sub H] waarom zet je dat perceel niet op naam van [appellante]. Mijn belofte moet je niet verbreken.’ Mijn vader heeft mij vaker gezegd: ‘ja ik heb een volmacht en ik mag stukjes van het perceel verkopen.’

[…] Ik heb die volmacht niet gezien. Maar mijn vader bleef zeggen dat hij een volmacht had. Ik weet dat hij niet zou jokken, want hij is een voorbeeldige figuur geweest. Op uw vraag waarom mijn vader niet gebruik heeft gemaakt van die volmacht om het perceel over te dragen, antwoord ik u dat hij aan [geïntimeerde sub H] bleef vragen wanneer [geïntimeerde sub H] zou overdragen. [geïntimeerde sub H] hield dat op de lange baan. […] Ik weet niet waarom mijn vader naar de notaris is geweest om de overdracht zelf te bewerkstelligen. Ik weet niet of die volmacht wel of niet bestond. ”

3.4 [Geïntimeerde sub C] heeft, voor zover van belang, het volgende verklaard:

Mijn vader had een volmacht van [geïntimeerde sub H] om over alles te handelen met betrekking tot het verkopen van dit perceel. […] Die volmacht hield in dat zaken mocht doen. Hij mocht met die volmacht het perceel verkopen. […] Ik hoorde mijn vader en [geïntimeerde sub H] soms ook daarover praten wanneer ik bij vader was. […] Ik begrijp niet waarom het perceel niet op naam van [appellante] is gekomen. Volgens mij is [geïntimeerde sub H] later van mening veranderd. […] Op uw vraag waarom mijn vader toch niet de overdracht zelf heeft bewerkstelligd, antwoord ik u dat ik dan niet precies weet. […] Ik heb die volmacht niet gezien. Wanneer hij zei dat hij een volmacht had dan geloofde ik hem wel. […] Ik heb mijn vader vaker naar de notaris gebracht om de kwestie met betrekking tot de overdracht van dit perceel te regelen, misschien meer dan vijf keren, maar soms waren de medewerkers er niet en keerden wij dan naar huis terug. Geen van de keren heeft hij mij gezegd dat het in orde was. Hij zei wel dat het in orde zou komen. […] Ik weet niet waarom [geïntimeerde sub H] niet naar de notaris ging om zelf het perceel over te dragen aan [appellante]. Ik weet niet waarom er een volmacht daarvoor nodig was. Mijn vader heeft mij verteld dat hij met gebruikmaking van een volmacht dat perceel in kwestie aan [appellante] heeft verkocht. […] De hoogte van het bedrag weet ik niet.”

3.5 Aan deze verklaringen dient te worden toegevoegd dat het dossier een stuk getiteld “Koopovereenkomst” bevat. Daarin staat, voor zover van belang:

De ondergetekenden: [naam 1], […] als gevolmachtigde van […] [geïntimeerde sub H], […] blijkende van gemelde lastgeving uit een onderhandse akte van volmacht de tiende februari negentienhonderd acht en tachtig getekend te Paramaribo, […] ter ener zijde en mevrouw [appellante] […] ter anderer zijde […]

Voorts wordt in dit stuk, dat op 23 februari 1988 is gedateerd, maar niet is ondertekend, gerelateerd dat [naam 1] het litigieuze recht van erfpacht voor Sf. 5.000,- aan [appellante] heeft verkocht.

3.6 De onderhavige procedure beoogt de medewerking van alle erfgenamen van de in 1995 overleden [naam 1] aan de overdracht van het perceel, nu het hiervoor onder 3.5. genoemde stuk genaamd “Koopovereenkomst” de volgens [appellante] daaraan ten grondslag liggende titel is. [geïntimeerde sub H] standpunt is dat het perceel in 1980 aan hem is verkocht en dat hij nooit aan [naam 1] een volmacht heeft verstrekt om het aan [appellante] te verkopen. Hij wijst erop dat de “Koopovereenkomst” niet is ondertekend en dat ook geen overdracht heeft plaatsgevonden.

 

3.7 Uit hetgeen hiervoor is overwogen leidt het Hof af dat [geïntimeerde sub H] aan [naam 1] een volmacht heeft verstrekt om het litigieuze perceel voor Sf. 5.000,- aan [appellante] te verkopen. In het stuk genaamd “Koopovereenkomst”, dat kennelijk op het kantoor van Jadnanansing is opgemaakt, staat dat de notaris de volmacht daartoe van 10 februari 1988 heeft gezien (en heeft teruggegeven). Daarnaast verklaren [geïntimeerde sub G] en [geïntimeerde sub C] beiden dat [geïntimeerde sub H] aan hun vader [naam 1] een volmacht tot die verkoop heeft verstrekt. Weliswaar hebben zij de volmacht nooit gezien, maar volgens hun verklaring heeft hun vader hun wel meermalen laten weten dat hij daarover beschikte. Mede gelet op de inhoud van het stuk genaamd “Koopovereenkomst” acht het Hof hun uitlatingen wat dat betreft geloofwaardig. [appellante] is dan ook in het eerste deel van het haar opgedragen bewijs geslaagd.

3.8 [Appellante] is evenwel niet erin geslaagd te bewijzen dat [naam 1] aan de hem door [geïntimeerde sub H] verstrekte volmacht uitvoering heeft gegeven. Gelet op de verklaringen van [geïntimeerde sub G] en [geïntimeerde sub C] en de inhoud van het stuk genaamd “Koopovereenkomst” is hij wel bij de notaris geweest. Maar de volmacht is niet uitgevoerd, nu niet is gebleken dat een koopovereenkomst tot stand is gekomen en deze vervolgens in een overdracht van het litigieuze perceel heeft geresulteerd.

3.9 Dit brengt mee dat [appellante]’s vordering tegen [geïntimeerde sub H] dient te worden afgewezen en dat de kantonrechter haar terecht in haar vorderingen tegen de andere geïntimeerden niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu niet is gebleken dat zij in het perceel medegerechtigd waren of zijn.

3.10 Het vonnis van de kantonrechter zal dan ook, zij het op andere gronden, worden bevestigd, met veroordeling van appellante in de proceskosten, omdat zij voor het grootste deel in het ongelijk is gesteld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 13 juli 2010 (A.R. No. 07-0859).

veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal en M.V. Kuldip Singh, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 19 november 20021, in tegenwoordigheid van M. Behari, Fungerend-Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. S. Doelam namens advocaat M.I. Vos, gemachtigde van geïntimeerden, terwijl appellante noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-59

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GR.15030

IL

Beschikking ex artikel 272 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de zaak van

[Verzoeker],
wonende in het [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. I.D. Kanhai, advocaat,

tegen

  1. De Stichting Soul Sisters, rechtspersoon
  2. [Verweerder sub B],

beiden domicilie kiezende te Paramaribo,
verweerders,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat.

  1. Het procesverloop
  2. Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

– het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 28 april 2015;

– het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoek in raadkamer van 26 mei 2015.

  1. Vervolgens is op heden beschikking gegeven.
  1. De feiten

2.1 Bij vonnis van de kantonrechter in kort geding d.d. 18 december 2015 bekend onder A.R. no. 14-0045 (hierna: het vonnis), met verweerders als eisers en verzoeker als gedaagde heeft de kantonrechter als volgt beslist:

“5.1 Veroordeelt gedaagde om bij wege voorschot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen het geldbedrag van US$10.000,= (…), vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar, te rekenen vanaf 06 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.2 Veroordeelt gedaagde om bij wege voorschot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen het geldbedrag van €3.000,= (…), vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar, te rekenen vanaf 06 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.3 Veroordeelt gedaagde om bij wege voorschot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen het geldbedrag van SRD6.000,= (…), vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar, te rekenen vanaf 06 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.4 Verklaart het vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad…..”

2.2 Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis van de kantonrechter.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Verzoeker vordert – naar het Hof begrijpt – om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de verweerder te gelasten om de reeds aangevangen executie van het genoemd vonnis te schorsen althans op te schorten totdat in hoger beroep over het geschil zal zijn beslist;
  2. opschorting dan wel op te schorten de werking van het genoemd vonnis totdat in beroep over het geschil zal zijn beslist.

3.2 Verzoeker heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het vonnis apert onjuist is, dat de kantonrechter ten onrechte de rechtsgrond van de vordering heeft gewijzigd en voorts is verzoeker is het verder niet eens met de motivering van de kantonrechter dat hij, toen gedaagde, niet genoeg feiten heeft gesteld om de valsheid van een in de zaak overgelegde kwitantie te ontzenuwen.

3.3 Verweerder heeft mondeling verweer gevoerd. Het Hof komt voor zover nodig daarop terug in de beoordeling.

  1. De beoordeling

4.1 Het Hof stelt voorop dat in de onderhavige procedure, in het kader van de executie van het vonnis d.d. 18 december 2014 bekend onder AR no. 14-0045, er geen ruimte is voor een beoordeling van die feiten die in het beroepen vonnis aan de orde zijn gesteld.

Ingevolge artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is verzoeker bevoegd om bij afzonderlijk verzoekschrift aan het Hof van Justitie het verzoek te doen dat de executie wordt gestaakt wanneer buiten de gevallen bij wet voorzien de voorlopige tenuitvoerlegging van een vonnis is bevolen.

Het tegen verzoeker gewezen vonnis zoals hiervoor genoemd betreft een kort geding vonnis waarbij verzoeker – zakelijk weergegeven – is veroordeeld om een voorschot van de overweging 2.1 genoemde bedragen met rente te betalen aan verweerder.

4.2 Het Hof is van oordeel dat overeenkomstig artikel 56 lid 1 sub 8 Rv, voornoemd vonnis uitvoerbaar bij voorraad mocht verklaard worden, nu het betreft een provisionele voorziening.

Als gevolg van het voorgaande komt het Hof tot de conclusie dat het onderhavige verzoek van verzoeker dient te worden afgewezen. De door verzoeker aan zijn vordering ten grondslag gelegde stellingen hebben betrekking op het feit dat verzoeker het niet eens is met de beslissing van de kantonrechter. Deze toets komt niet aan de orde in de onderhavige procedure, doch wel bij de behandeling van de zaak in hoger beroep.

Het Hof neemt als uitgangspunt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het civiele recht met zich brengt dat een inhoudelijke herbeoordeling van stellingen en weren van partijen slechts door een bij wet aangewezen beroepsinstantie kan plaatsvinden. De procedure ingevolge artikel 272 Rv leent zich hier evenwel niet voor.

4.3 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

  1. Beschikkende

Het Hof

5.1 Wijst af het verzoek.

Aldus gegeven en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 19 maart 2021 door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, leden in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. S. Berenstein BSc.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. N.P. Soekra namens advocaat mr. D. Moerahoe, gemachtigde van verweerders terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-58

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking ex artikel 20 lid 5 Handelsregisterwet

In de zaak van:

DE VLIEGENDE EEND B.V., rechtspersoon,
kantoorhoudende in het district Wanica,
verzoekster,
gemachtigden: mr. E. Naarendorp en mr. M.T.M. Watchman, advocaten,

 

tegen

 

DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN, rechtspersoon,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat.

  1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:

– het beroepschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 6 november 2018 inzake G.R. no. 15555;

– het proces-verbaal van het verhoor van partijen d.d. 20 maart 2019;

– de conclusie tot overlegging van bescheiden ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 29 maart 2019 van de zijde van verweerder;

– de conclusie tot uitlating met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie van de zijde van verzoekster.

  1. Vervolgens is bepaald dat beschikking zal volgen in de zaak.
  1. Ontvankelijkheid

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat verzoekster daarin kan worden ontvangen.

  1. De feiten

3.1 Verzoekster is een buitenlandse rechtspersoon wiens filiaal per 31 maart 2009 in het Handelsregister is ingeschreven onder dossiernummer 50289.

3.2 Verzoekster heeft de naam “Dommelsche Watermolen” op 25 april 2018 als handelsnaam van één van haar ondernemingen doen inschrijven in het Handelsregister. Eerder was in het Handelsregister de naam “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” als handelsnaam van de gelijknamige naamloze vennootschap ingeschreven.

3.3 De secretaris van verweerder heeft bij schrijven d.d. 30 juli 2018 het verzoek gedaan aan de Handelsregistercommissie om de handelsnaam “Dommelsche Watermolen” door te halen. Naar aanleiding van voormeld verzoek heeft de Handelsregistercommissie op 08 oktober 2018 de volgende beslissing genomen:

Beslissing

Oordeelt het verzoek van de secretaris gegrond en beveelt onmiddellijke doorhaling van de opgaaf d.d. 25 april 2018 uit het dossier 50289 van de Vliegende Eend B.V. in het Handelsregister.”

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

4.1 Verzoekster vordert vernietiging van het besluit d.d. 8 oktober 2018 van de Handelsregistercommissie en opnieuw rechtdoende het verzoek van gedaagde af te wijzen en de ongedaanmaking van de doorhaling van de opgaaf d.d. 25 april 2018 danwel het opnieuw doen inschrijven van de handelsnaam “Dommelsche Watermolen” te gelasten in het dossier 50289 van de Vliegende Eend B.V. in het Handelsregister, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

4.2 Verzoekster stelt dat het besluit van de Handelsregistercommissie d.d. 8 oktober 2018 onrechtmatig is. De Handelsregistercommissie heeft miskend dat er aan alle drie voorwaarden van artikel 5 van de Handelsnaamwet moest zijn voldaan aleer er sprake is van overtreding daarvan en dientengevolge sprake is van strijd met de openbare orde.

De Handelsregistercommissie heeft slechts op basis van gelijkenis tussen de namen “Dommelsche Watermolen” en “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” aangenomen dat er sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 5 Handelsnaamwet en de openbare orde. Daarnaast is de naam “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” geen handelsnaam en is niet gevoerd conform artikel 5 van de Handelsnaamwet. Zij heeft voor en na haar inschrijving in het handelsregister geen beschermingswaardige bekendheid onder het publiek verkregen. Daarnaast is “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” inactief en heeft zij geen vestigingsplaats.

Ook verschillen de aard van de ondernemingen. Verzoekster importeert grondstoffen voor het maken van dierenvoer terwijl “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” onder meer als doelstelling heeft import van diervoer en niet de grondstoffen daarvan.

4.3 Verweerder heeft verweer gevoerd. Het Hof komt, zover nodig, daarop terug in de beoordeling.

  1. De beoordeling

5.1 Ingevolge van het bepaalde in artikel 5 van de Handelsnaamwet is het verboden een handelsnaam te voeren die, voordat de zaak onder die naam werd gedreven, reeds door een ander rechtmatig gevoerd werd, of die van diens handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt, een en ander voor zover dientengevolge, in verband met de aard der beide zaken en de plaats, waar zij gevestigd zijn, bij het publiek verwarring tussen die zaken te duchten is.

5.2 Vast staat dat verzoekster bij verweerder ter inschrijving heeft aangeboden de naam “Dommelsche Watermolen” als te zijn één van haar handelsnamen die zij wenst te voeren terwijl eerder in het Handelsregister ook de naam “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” was ingeschreven.

Deze twee voormelde namen te weten “Dommelsche Watermolen” en “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” wijken naar het oordeel van het Hof slechts in geringe mate af van elkaar.

Daarnaast wijken ook de doelstellingen van voormelde handelsnamen, naar het oordeel van Hof, in geringe mate van elkaar af. Immers de “Dommelsche Watermolen” heeft tot doel import van grondstoffen voor het maken van dierenvoer terwijl “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” onder meer als doelstelling heeft import van diervoer.

5.3 Het Hof gaat voorbij aan de stelling van verzoekster dat “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” inactief is nu uit artikel 5 van de Handelsnaamwet niet blijkt dat dat artikel slechts van toepassing is op “actieve” handelsnamen.

Het Hof gaat eveneens voorbij aan de stelling van verzoekster dat “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” geen vestigingsplaats heeft. Met de inschrijving bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken, gaat het Hof ervan uit dat zowel “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” als “Dommelsche Watermolen” gevestigd zijn in Suriname.

5.4 Bij nadere conclusie heeft verzoekster nader gesteld dat zij en “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” twee verschillende rechtspersonen zijn met twee verschillende handelsnamen. Het Hof erkent het voorgaande. Evenwel staat rechtens tussen partijen vast dat één van de ondernemingen van verzoekster ook de handelsnaam “Dommelsche Watermolen” draagt. Deze naam, zoals eerder overwogen onder 5.2 van de beoordeling, wijkt echter in geringe mate af van “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.”, zodat in verband met de aard der beide zaken en de plaats waar zij gevestigd zijn, het gevaar voor verwarring bij het publiek niet irreëel is.

5.5 Nu er sprake is van minimale verschillen in de namen van “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” en “Dommelsche Watermolen”, terwijl ook de doelstellingen in geringe mate afwijken van elkaar, alsook dat de vestigingsplaatsen hetzelfde zijn, is het Hof van oordeel dat dit kan leiden tot verwarring bij het publiek.

Het besluit van de Handelsregistercommissie tot onmiddellijke doorhaling van de opgaaf d.d. 25 april 2018 uit het dossier 50289 van de Vliegende Eend B.V. in het Handelsregister is derhalve niet onrechtmatig en dient het onderhavige verzoek te worden afgewezen.

5.6 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5.7 Verzoekster zal, als de in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten moeten dragen.

  1. BESCHIKKENDE:

Het Hof:

6.1 Wijst af het verzoek van verzoekster.

6.2 Veroordeelt verzoekster in de proceskosten aan de zijde van verweerder gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gegeven door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 5 maart 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. M.T.M. Watchman, mede namens mr. E. Naarendorp, gemachtigde van verzoekster, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2021-57

15 oktober 2021

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

HANDELSONDERNEMING SOLUTION CENTRE N.V.,
gevestigd in Paramaribo,
appellante, hierna: ‘Solution Centre’,
gemachtigde: [naam 1], directeur van Solution Centre,

tegen

DE SURINAAMSCHE BANK N.V.,
gevestigd in Paramaribo,
geïntimeerde, hierna: ‘DSB’,

gemachtigde: aanvankelijk mr. H.R. Schurman, thans mr. G.N. Best, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 26 oktober 2017 bekend onder A.R. 16-5825 tussen Solution Centreals eiseres en DSB als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop
  2. Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:
  • de verklaring van de griffier dat Solution Centre op 8 november 2017 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de als ‘memorie van grieven’ aangeduide pleitnota van Solution Centre van 4 mei 2018;
  • de antwoordpleitnota van DSB van 20 juli 2018;
  • de repliekpleitnota van Solution Centre van 4 januari 2019;
  • de dupliekpleitnota van DSB van 5 april 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. Ontvankelijkheid

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Solution Centre daarin kan worden ontvangen.

  1. Het geding in eerste aanleg

3.1 In eerste aanleg heeft Solution Centre gevorderd, samengevat, om DSB bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, te bevelen om binnen 24 uur de blokkering van de door Solution Centre bij DSB aangehouden SDR rekening met [nummer 1] op te heffen, op straffe van een dwangsom.

3.2 Solution Centre heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat DSB eenzijdig en zonder rechtsgrond tot die blokkering is overgegaan. Volgens haar geldt daarbij dat DSB op – ook jegens Solution Centre – onrechtmatige wijze is overgegaan tot veiling op 12 januari 2016 van een perceellanddat toebehoorde aan de aan Solution Centre gelieerde Stichting Solution Real Estate.

3.3 Bij het bestreden vonnis van 26 oktober 2017 heeft de kantonrechter de door Solution Centre gevraagde voorzieningen geweigerd, met haar veroordeling in de (op nihil begrote) kosten van het geding.

3.4 De kantonrechter overwoog daartoe het volgende:

“4.1 De kantonrechter constateert dat eiseres dezelfde feiten die zij in de zaak bekend onder A.R. No. 16-3995 heeft gesteld, ook in de onderhavige zaak stelt en er op die gronden reeds is beslist in de hiervoor vermelde zaak. Dit heeft gedaagde ook als verweer opgeworpen. Op grond hiervan zal de door eiseres gevraagde voorziening worden geweigerd. In dat licht brengt de kantonrechter eiseres in herinnering dat het blijven voortprocederen omtrent hetzelfde onderwerp in kort geding misbruik van procesrecht kan opleveren.”

  1. De beoordeling

4.1Solution Centre vordert in hoger beroep naar het Hof begrijpt vernietiging van het vonnis waarvan beroep, met toewijzing van het door haar oorspronkelijk gevorderde. DSB heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep.

4.2 Voor zover Solution Real Estate met de tweede alinea van haar repliekpleitnota heeft beoogd nieuwe vorderingen in te stellen (afdracht van het geblokkeerde saldo van SRD 8.448,71 en vergoeding van rente, koersverlies en overige schade), geldt dat zij daarin niet kan worden ontvangen. Het gaat immers niet om toegelaten nieuwe eisen als bedoeld in artikel 278 Rv. Ook uit het oogpunt van de goede procesorde moeten deze pas bij repliekpleitnota aan de orde gestelde eisen buiten beschouwing blijven.

4.3 De door Solution Centre in het onderhavige kort geding gevraagde voorzieningen en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen zijn in de kern identiek aan haarvorderingen en stellingen in het kort geding met zaaknummer A.R.16-3995, in welke zaak de kantonrechter bij vonnis van 30 september 2016 afwijzend heeft beslist. Dat vonnis is bij vonnis van het Hof van 1 juni 2018 (zaaknummer G.R. 15165) bevestigd. Bij uitspraak van het Hof van heden is het verzoek van Solution Centre tot herroeping (request-civiel) van bedoeld Hofvonnis afgewezen (zaaknummer GR-15608).

4.4 Het Hof sluit zich aan bij de hiervoor onder 3.4 aangehaalde overweging van de kantonrechter en maakt die tot de zijne. De goede procesorde verzet zich in het onderhavige geval tegen het opnieuw in kort geding instellen op dezelfde gronden van dezelfde, reeds afgewezen vorderingen.

4.5 Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep van Solution Centre niet kan slagen. De overige stellingen van partijen kunnen daarin geen verandering brengen Het Hof verwijst partijen in dit verband nog naar hetgeen het Hof in de hiervoor onder 4.3 bedoelde uitspaak van heden heeft overwogen, welke uitspraak als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. In het bijzonder hetgeen het Hof in die uitspraak heeft overwogen met betrekking tot de nadere stellingen van Solution Centre over de kosten van de executieveiling geldt ook hier: de relevantie van die stellingen voor het gevorderde is niet gebleken. Gesteld noch gebleken is immers dat er zonder de door Solution Centre betwiste veilingkosten geen sprake zou zijn (geweest) van een restschuld van Solution Centre die de blokkering van haar creditsaldo kan rechtvaardigen.

4.6 Solution Centre zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

  1. Beslissing

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Solution Centre in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van DSB begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier,

  1. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. G.N. Best, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellante noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

 

SRU-HvJ-2021-56

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellante]
wonende te [plaats],
appellante, hierna aangeduid als “de vrouw”,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de man”,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gegeven beschikking van 11 maart 2020 (A.R.No. 20-0807) (hierna de bestreden beschikking) tussen de man als verzoeker en de vrouw als gedaagde,

geeft het Hof van Justitie, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking.

Het procesverloop

  1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken c.q. handelingen:
  • de brief d.d. 12 maart 2020, gericht aan de hoofdgriffier der Kantongerechten afkomstig van de vrouw waaruit blijkt dat zij hoger beroep heeft aangetekend tegen de bestreden beschikking;
  • de processen-verbaal van verhoor van partijen gehouden op 5 november 2020 en 28 januari 2021;

1.2 De beschikking wordt op heden gegeven.

De ontvankelijkheid

2.1 Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de vrouw daarin kan worden ontvangen.

De beoordeling

3 Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1 Door de man is aan de kantonrechter in het Eerste Kanton bij verzoekschrift d.d. 28 mei 2020 verzocht een beschermingsbevel te verlenen tegen de vrouw vanwege het feit dat hij niet meer samen met haar in één huis woont, doch dat zij hem veelvuldig lastig valt op het adres alwaar hij werkt en wel zodanig dat hij vreest zijn baan te zullen kwijtraken. De man betoogt dat de politie van station Uitvlugt meerdere malen erbij is gehaald;

3.2. Op voornoemd verzoek is door de kantonrechter het verzochte beschermingsbevel verleend in dier voege dat is beschikt dat de vrouw vanaf de dagtekening van de beschikking, zoals aangegeven onder 4.1 van de beschikking, voor een periode van drie (3) jaren verboden is zich tijdens de werktijden te begeven naar of te bevinden op het werkadres van de man; voorts dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;

3.3 In dit hoger beroep heeft de vrouw – zakelijk weergegeven – verklaard, dat zij bezwaren heeft tegen de bestreden beschikking omdat het noodzakelijk is om contact met de man te hebben ten behoeve van hun minderjarige zoon; dat hun zoon onder behandeling is van de kinderpsychiater en dat deze deskundige het nodig acht dat de man betrokken is bij de behandeling van de minderjarige; dat de man thans woonachtig is bij zijn werkplek en het voor haar dan niet mogelijk is om hun zoon in contact te brengen met diens vader, daar het haar verboden is om de werkplek van de man te betreden; dat door het verleende beschermingsbevel het voor haar niet mogelijk is de man op zijn werkplaats te halen als hij voor behandeling naar de psychiater moet; dat de man niet naar de psychiater gaat tenzij hij door haar wordt gehaald;

3.4 Op daartoe strekkende vragen heeft de man onder meer en zakelijk weergegeven, verklaard wel behoefte te hebben aan contact met zijn zoon; dat de vrouw geen toestemming geeft dat zijn zoon in het weekeinde bij hem komt blijven; dat de vrouw verklaart dat hij psychisch gestoord is, hetgeen niet op waarheid berust; dat hij bereid is om zijn medewerking te verlenen bij de behandeling van zijn zoon, indien de kinderpsychiater zulks nodig acht mits dit rechtstreeks en niet door tussenkomst van de vrouw aan hem wordt doorgegeven.

3.5 Uit het gehouden verhoor en de inhoud van de stukken in eerste aanleg is naar het oordeel van het Hof gebleken dat de man handhaving van de verleende beschikking wenst teneinde overlast door de vrouw te voorkomen daar hij geen behoefte heeft aan contact met haar. Naar zijn zeggen heeft hij geen last meer van de vrouw sinds het beschermingsbevel is verleend en kan hij rustig werken. Anderzijds ontkomt het Hof niet aan de indruk dat de vrouw koste wat kost het contact met de man wil hervatten en zich daartoe wil begeven naar diens werkplek. Als reden voert zij aan dat zij dit contact met de man wil zodat hun zoon contact kan hebben met de man (zijn vader). Het Hof acht de door de vrouw aangevoerde reden om zich te mogen begeven naar de werkplek van de man en contact met hem te hebben, ongegrond; immers zijn er genoeg andere manieren waarop het contact tussen de man en de zoon kan worden georganiseerd zonder dat de vrouw zich zou hoeven te begeven naar de werkplek van de man.

3.6 Nu er in dit hoger beroep geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die het Hof noodzaken anders te beslissen dan zoals is beslist in de bestreden beschikking zal de bestreden beschikking worden bevestigd.

Beschikkende in hoger beroep:

Bevestigt de beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gegeven op 11 maart 2020 bekend onder A.R. no. 20-0807.

Aldus gegeven te Paramaribo op 17 juni 2021 door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Lachitjaran, Leden in tegenwoordigheid van mevr. C.R. Tamsiran-Harris LL.B., Fungerend-griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan

w.g. A. Charan

w.g. I.S. Lachitjaran

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2007-45

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO: 14279

[Appellant], wonende te [plaats] aan [adres 1], ten deze domicilie kiezende aan de Grote Combeweg no. 43 Unit 1, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. E.Y. Braam-Jordan, advocaat,
appellant,

t e g e n

[Geïntimeerde], wonende aan [adres 2] te [plaats], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Prins Hendrikstraat no. 14, bij het Advocatenkantoor van Dijk-Silos, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,
geïntimeerde,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 4 januari 2005 tussen partijen gewezen;
  1. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 17 januari 2005, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen [appellant], wonende te [plaats] aan [adres 1].
  2. Dat eiser blijkens hierbij in fotokopie overgelegde beschikking d.d. 20 september 2000 uitgesproken door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, Nederland, door mr. H.L.L. Neervoort-Briet, lid van de zesde enkelvoudige Kamer, is benoemd tot bewindvoerder over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [naam 1], geboren te Suriname in het [district] op 30 mei en wonende aan [adres 1], zijnde de moeder van eiser.
  3. Dat de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, Nederland, voorgezeten door het lid van de zesde enkelvoudige Kamer, alvorens te geraken tot het benoemen van eiser tot bewindsvoerder heeft overwogen dat degene op wie het verzoekschrift betrekking heeft, i.c. [naam 1], lijdende is aan een geestelijke stoornis, waardoor zij niet in staat is of bemoeilijkt wordt haar belangen behoorlijk waar te nemen, met het verzoek de inhoud van de alhier in fotokopie overgelegde beschikking d.d. 20 september 2002 als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.
  4. Dat de benoeming van eiser tot bewindsvoerder over alle tegenwoordige en toekomstige goederen van [naam 1] voortvloeit uit een vordering tot onder curatele stelling van [naam 1] voornoemd, waarmede [naam 2], dochter van [naam 1] zich gewend had tot de Arrondissements Rechtbank te Amsterdam, Nederland, zesde enkelvoudige kamer. Dat zowel [naam 2] voornoemd als gedaagde, zijnde belanghebbende tijdens de behandeling van het verzoek tot onder curatele stelling instemden met de onder curatele stelling van [naam 1], doch dat er geen overeenstemming kon worden bereikt over de te benoemen curator, weshalve eiser tot bewindvoerder werd aangesteld.
  5. Dat gedaagde na de indiening en tijdens de behandeling van het verzoek d.d. 11 november 1999 tot onder curatele stelling van [naam 1] voornoemd, met laatstgenoemde zonder medeweten van haar kinderen naar Suriname afreisde, alwaar gedaagde en [naam 1] voornoemd op 23 mei 2002 in het huwelijk traden, zoals moge blijken uit de hierbij in fotokopie overgelegde huwelijksakte d.d. 23 mei 2002, alhoewel [naam 1] al eerder door haar huisarts [naam 3] dement was verklaard, zoals het hierbij in fotokopie overgelegd schrijven d.d. 15 september 1999 doet blijken met het verzoek de overgelegde producties als hier letterlijk aangehaald en geïnsereerd te willen beschouwen.
  6. Dat uit het bovenstaande overduidelijk blijkt dat [naam 1] voornoemd ten tijde van de huwelijksvoltrekking met gedaagde d.d. 23 mei 2000, vanwege haar ernstige gestoorde geestesvermogen niet in staat was c.q. moet worden geacht haar zelfstandige vrije wil tot het aangaan van een huwelijk met gedaagde te bepalen. Eiser doet u bijgaand een brief d.d. 16 augustus 2002 van [naam 4], neuroloog, toekomen, waaruit blijkt dat [naam 1] voornoemd ten tijde van het litigieuze huwelijk niet in staat was haar wil rechtsgeldig te bepalen. Gedaagde heeft misbruik gemaakt van de omstandigheden waarin [naam 1] voornoemd verkeerde, weshalve het huwelijk d.d. 23 mei 2000 gesloten tussen [naam 1] en gedaagde volstrekt nietig dus non – existent is.
  7. Dat de gezondheidstoestand van [naam 1] thans dusdanig verslechterd is dat zij sedert 08 juli 2002 opgenomen ligt in het Diakonessenhuis, waarbij de prognose van de gezondheidstoestand van [naam 1] voornoemd als ongunstig wordt aangeduid en plotseling overlijden zeker een reële mogelijkheid is, zoals moge blijken uit de hierbij in fotokopie overgelegde verklaring d.d. 22 augustus 2002 van drs. J. Pengel, neuroloog en mitsdien het verzoek van eiser aan de rechter om de behandeling van de onderhavige vordering te bespoedigen alleszins gerechtvaardigd is.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad middels een versnelde behandeling van onderhavig verzoek.

PRIMAIR:

Voor recht zal worden verklaard dat het ten rekeste vermelde huwelijk d.d. 23 mei 2000 voltrokken tussen [naam 1] en gedaagde niet tot stand is gekomen, althans dat het huwelijk voltrokken non – existent is.

SUBSIDIAIR:

Zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard het ten rekeste vermelde huwelijk d.d. 23 mei 2002 voltrokken tussen [naam 1] en gedaagde; Kosten rechtens.

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – onder overlegging van producties- welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat de vordering van verzoeker niet ontvankelijk zal worden verklaard c.q. zal worden afgewezen;

Overwegende, dat de gedaagde twee getuigen heeft doen horen, wier verklaringen zijn gerelateerd in daartoe opgemaakte processen-verbaal, waarvan de inhoud als hier geïnsereerd dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat partijen daarna nadere conclusies hebben opgenomen, waarbij gedaagde enkele producties in het geding heeft gebracht waarop eiser bij nadere conclusie heeft gereageerd;

Overwegende, dat bij rolbeschikking d.d. 2 maart 2004 toen een comparitie van partijen is gelast teneinde een minnelijke regeling tussen partijen te beproeven, hetgeen niet is gelukt;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 4 januari 2005 op de daarin opgenomen gronden:

Voor recht heeft verklaard dat het huwelijk gesloten tussen [naam 1] en gedaagde op 23 mei 2000 niet tot stand is gekomen;

Gedaagde heeft verwezen in de kosten van het geding aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 43,99 (Drieënveertig 99/100 Surinaamse Dollar);

Het primair meer of anders gevorderde heeft afgewezen;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal de dato 17 januari 2005, Wilfred Cornelis Blankendaal in hoger beroep is gekomen van voormelde eindvonnis van 4 januari 2005;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder James Edward Kolf van 10 december 2005 No. 0982 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van geïntimeerde bij dupliek pleidooi een productie overgelegd, wordende de inhoud alsmede die van de overgelegde productie hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier, tussen appellant als gedaagde en geïntimeerde als eiser op 4 januari 2005 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton vonnis gewezen en uitgesproken is, waarvan het dictum luidt:

Verklaart voor recht dat het huwelijk tussen [naam 1] en gedaagde op 23 mei 2000 niet tot stand is gekomen;

Verwijst gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 43.99,– (VIERDUIZEND DRIEHONDERD EN NEGEN EN NEGENTIG);

Wijst het primair meer of anders gevorderde af;

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt appellant als gedaagde in eerste aanleg niet persoonlijk bij de uitspraak in prima tegenwoordig is geweest en daarbij evenmin aanwezig was de advocaat, die volgens dat vonnis als zijn gemachtigde optrad;

Overwegende, dat, naar luidt van artikel 264 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de termijn voor hoger beroep dertig dagen is, gerekend van de dag der uitspraak of, indien de eiser in beroep bij die uitspraak niet tegenwoordig is geweest, van de dag waarop het eindvonnis hem volgens dit Wetboek is medegedeeld;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de partij, die niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting tegenwoordig is, doet de Kantonrechter de inhoud van ieder vonnis bij aangetekende dienstbrief door de griffier mededelen;

dat de bedoeling van deze wetsbepaling geen andere kan zijn dan dat ook de bij de uitspraak afwezige partijen van de inhoud van het eindvonnis op de hoogte zullen zijn, opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden;

Overwegende, dat, naar het Hof gebleken is, aan appellant geen dienstbrief is verzonden;

dat uit het zo juist overwogene volgt, dat het niet verzenden van de dienstbrief niet kan hebben bewerkt dat de appeltermijn een aanvang heeft genomen, in verband waarmede verwezen wordt naar het 4e lid van artikel 119 van meergemeld Wetboek;

Overwegende, dat het aantekenen van appel tegen het vonnis de dato 4 januari 2005 op 17 januari 2005 prematuur is geweest;

Overwegende, immers dat appellant dat gedaan heeft zonder de terzake geldende wettelijke bepalingen in acht te nemen;

Overwegende, dat het Hof appellant dan ook niet ontvankelijk verklaren zal in het door hem tegen het beroepen vonnis de dato 4 januari 2005 aangetekend appel en de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen zal hebben te dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellant niet ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 4 januari 2005 gewezen;

Veroordeelt hem in de kosten aan de zijde van geïntimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op SRD 150,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van de appellant eveneens op SRD 150,–;

Aldus gewezen door de heren: mr. J.R. von Niesewand, Waarnemend-President, mr. D.D. Sewratan en mr. H.E. Struiken, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 februari 2007, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. E.Y. Braam-Jordan en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat
mr. A.I. Soechitram namens zijn gemachtigde, advocaat mr. dr. J. van Dijk-Silos, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-44

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO: 14279

[Appellant], wonende te [plaats] aan [adres 1], ten deze domicilie kiezende aan de Grote Combeweg no. 43 Unit 1, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. E.Y. Braam-Jordan, advocaat,
appellant,

t e g e n

[Geïntimeerde], wonende aan [adres 2] te [plaats], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Prins Hendrikstraat no. 14, bij het Advocatenkantoor van Dijk-Silos, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,
geïntimeerde,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 4 januari 2005 tussen partijen gewezen;
  1. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 17 januari 2005, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen [appellant], wonende te [plaats] aan [adres 1].
  2. Dat eiser blijkens hierbij in fotokopie overgelegde beschikking d.d. 20 september 2000 uitgesproken door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, Nederland, door mr. H.L.L. Neervoort-Briet, lid van de zesde enkelvoudige Kamer, is benoemd tot bewindvoerder over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [naam 1], geboren te Suriname in het [district] op 30 mei en wonende aan [adres 1], zijnde de moeder van eiser.
  3. Dat de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, Nederland, voorgezeten door het lid van de zesde enkelvoudige Kamer, alvorens te geraken tot het benoemen van eiser tot bewindsvoerder heeft overwogen dat degene op wie het verzoekschrift betrekking heeft, i.c. [naam 1], lijdende is aan een geestelijke stoornis, waardoor zij niet in staat is of bemoeilijkt wordt haar belangen behoorlijk waar te nemen, met het verzoek de inhoud van de alhier in fotokopie overgelegde beschikking d.d. 20 september 2002 als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.
  4. Dat de benoeming van eiser tot bewindsvoerder over alle tegenwoordige en toekomstige goederen van [naam 1] voortvloeit uit een vordering tot onder curatele stelling van [naam 1] voornoemd, waarmede [naam 2], dochter van [naam 1] zich gewend had tot de Arrondissements Rechtbank te Amsterdam, Nederland, zesde enkelvoudige kamer. Dat zowel [naam 2] voornoemd als gedaagde, zijnde belanghebbende tijdens de behandeling van het verzoek tot onder curatele stelling instemden met de onder curatele stelling van [naam 1], doch dat er geen overeenstemming kon worden bereikt over de te benoemen curator, weshalve eiser tot bewindvoerder werd aangesteld.
  5. Dat gedaagde na de indiening en tijdens de behandeling van het verzoek d.d. 11 november 1999 tot onder curatele stelling van [naam 1] voornoemd, met laatstgenoemde zonder medeweten van haar kinderen naar Suriname afreisde, alwaar gedaagde en [naam 1] voornoemd op 23 mei 2002 in het huwelijk traden, zoals moge blijken uit de hierbij in fotokopie overgelegde huwelijksakte d.d. 23 mei 2002, alhoewel [naam 1] al eerder door haar huisarts [naam 3] dement was verklaard, zoals het hierbij in fotokopie overgelegd schrijven d.d. 15 september 1999 doet blijken met het verzoek de overgelegde producties als hier letterlijk aangehaald en geïnsereerd te willen beschouwen.
  6. Dat uit het bovenstaande overduidelijk blijkt dat [naam 1] voornoemd ten tijde van de huwelijksvoltrekking met gedaagde d.d. 23 mei 2000, vanwege haar ernstige gestoorde geestesvermogen niet in staat was c.q. moet worden geacht haar zelfstandige vrije wil tot het aangaan van een huwelijk met gedaagde te bepalen. Eiser doet u bijgaand een brief d.d. 16 augustus 2002 van [naam 4], neuroloog, toekomen, waaruit blijkt dat [naam 1] voornoemd ten tijde van het litigieuze huwelijk niet in staat was haar wil rechtsgeldig te bepalen. Gedaagde heeft misbruik gemaakt van de omstandigheden waarin [naam 1] voornoemd verkeerde, weshalve het huwelijk d.d. 23 mei 2000 gesloten tussen [naam 1] en gedaagde volstrekt nietig dus non – existent is.
  7. Dat de gezondheidstoestand van [naam 1] thans dusdanig verslechterd is dat zij sedert 08 juli 2002 opgenomen ligt in het Diakonessenhuis, waarbij de prognose van de gezondheidstoestand van [naam 1] voornoemd als ongunstig wordt aangeduid en plotseling overlijden zeker een reële mogelijkheid is, zoals moge blijken uit de hierbij in fotokopie overgelegde verklaring d.d. 22 augustus 2002 van drs. J. Pengel, neuroloog en mitsdien het verzoek van eiser aan de rechter om de behandeling van de onderhavige vordering te bespoedigen alleszins gerechtvaardigd is.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad middels een versnelde behandeling van onderhavig verzoek.

PRIMAIR:

Voor recht zal worden verklaard dat het ten rekeste vermelde huwelijk d.d. 23 mei 2000 voltrokken tussen [naam 1] en gedaagde niet tot stand is gekomen, althans dat het huwelijk voltrokken non – existent is.

SUBSIDIAIR:

Zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard het ten rekeste vermelde huwelijk d.d. 23 mei 2002 voltrokken tussen [naam 1] en gedaagde; Kosten rechtens.

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – onder overlegging van producties- welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat de vordering van verzoeker niet ontvankelijk zal worden verklaard c.q. zal worden afgewezen;

Overwegende, dat de gedaagde twee getuigen heeft doen horen, wier verklaringen zijn gerelateerd in daartoe opgemaakte processen-verbaal, waarvan de inhoud als hier geïnsereerd dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat partijen daarna nadere conclusies hebben opgenomen, waarbij gedaagde enkele producties in het geding heeft gebracht waarop eiser bij nadere conclusie heeft gereageerd;

Overwegende, dat bij rolbeschikking d.d. 2 maart 2004 toen een comparitie van partijen is gelast teneinde een minnelijke regeling tussen partijen te beproeven, hetgeen niet is gelukt;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 4 januari 2005 op de daarin opgenomen gronden:

Voor recht heeft verklaard dat het huwelijk gesloten tussen [naam 1] en gedaagde op 23 mei 2000 niet tot stand is gekomen;

Gedaagde heeft verwezen in de kosten van het geding aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 43,99 (Drieënveertig 99/100 Surinaamse Dollar);

Het primair meer of anders gevorderde heeft afgewezen;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal de dato 17 januari 2005, Wilfred Cornelis Blankendaal in hoger beroep is gekomen van voormelde eindvonnis van 4 januari 2005;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder James Edward Kolf van 10 december 2005 No. 0982 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van geïntimeerde bij dupliek pleidooi een productie overgelegd, wordende de inhoud alsmede die van de overgelegde productie hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier, tussen appellant als gedaagde en geïntimeerde als eiser op 4 januari 2005 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton vonnis gewezen en uitgesproken is, waarvan het dictum luidt:

Verklaart voor recht dat het huwelijk tussen [naam 1] en gedaagde op 23 mei 2000 niet tot stand is gekomen;

Verwijst gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 43.99,– (VIERDUIZEND DRIEHONDERD EN NEGEN EN NEGENTIG);

Wijst het primair meer of anders gevorderde af;

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt appellant als gedaagde in eerste aanleg niet persoonlijk bij de uitspraak in prima tegenwoordig is geweest en daarbij evenmin aanwezig was de advocaat, die volgens dat vonnis als zijn gemachtigde optrad;

Overwegende, dat, naar luidt van artikel 264 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de termijn voor hoger beroep dertig dagen is, gerekend van de dag der uitspraak of, indien de eiser in beroep bij die uitspraak niet tegenwoordig is geweest, van de dag waarop het eindvonnis hem volgens dit Wetboek is medegedeeld;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de partij, die niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting tegenwoordig is, doet de Kantonrechter de inhoud van ieder vonnis bij aangetekende dienstbrief door de griffier mededelen;

dat de bedoeling van deze wetsbepaling geen andere kan zijn dan dat ook de bij de uitspraak afwezige partijen van de inhoud van het eindvonnis op de hoogte zullen zijn, opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden;

Overwegende, dat, naar het Hof gebleken is, aan appellant geen dienstbrief is verzonden;

dat uit het zo juist overwogene volgt, dat het niet verzenden van de dienstbrief niet kan hebben bewerkt dat de appeltermijn een aanvang heeft genomen, in verband waarmede verwezen wordt naar het 4e lid van artikel 119 van meergemeld Wetboek;

Overwegende, dat het aantekenen van appel tegen het vonnis de dato 4 januari 2005 op 17 januari 2005 prematuur is geweest;

Overwegende, immers dat appellant dat gedaan heeft zonder de terzake geldende wettelijke bepalingen in acht te nemen;

Overwegende, dat het Hof appellant dan ook niet ontvankelijk verklaren zal in het door hem tegen het beroepen vonnis de dato 4 januari 2005 aangetekend appel en de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen zal hebben te dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellant niet ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 4 januari 2005 gewezen;

Veroordeelt hem in de kosten aan de zijde van geïntimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op SRD 150,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van de appellant eveneens op SRD 150,–;

Aldus gewezen door de heren: mr. J.R. von Niesewand, Waarnemend-President, mr. D.D. Sewratan en mr. H.E. Struiken, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 februari 2007, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. E.Y. Braam-Jordan en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.I. Soechitram namens zijn gemachtigde, advocaat mr. dr. J. van Dijk-Silos, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2014-23

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Eiser],
wonende in het [district],
eiser, hierna aangeduid als “[eiser]”,
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerster, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. R. Autar, ambtenaar op het parket van de Procureur-Generaal,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het verzoekschrift d.d. 8 juni 2012, ter griffie ontvangen op 8 juni 2012, met producties;
  • het verweerschrift d.d. 19 juli 2012;
  • de beschikking van het hof van 22 oktober 2012 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 2 november 2012;
  • het proces-verbaal van de op 2 november 2012 gehouden mondelinge behandeling;
  • de pleitnota d.d. 15 februari 2013, met productie;
  • het antwoordpleidooi d.d. 10 maart 2013, overgelegd ter griffie op 15 maart 2013;
  • het repliekpleidooi d.d. 19 april 2013;
  • dupliekpleidooi d.d. 1 mei 2013, overgelegd ter griffie op 3 mei 2013.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2.1 [Eiser] is als Penitentiair Ambtenaar 1e klasse in vaste dienst bij de Hoofdafdeling Delinquentenzorg van het Ministerie van Justitie en Politie.

2.2 [Eiser] was op 24 juli 2011 ingedeeld in de ochtenddienst van 07.00 uur tot 14.00 uur tezamen met onder andere [naam]..

2.3 [Naam] voornoemd is om 08.00 uur, 9.30 uur en 11.00 uur naar de winkel gegaan, waarbij hij terugkwam met een plastic zakje met inhoud. Om 11.00 uur is hem door de leidinggevende voorgehouden dat het de laatste keer was dat hij naar de winkel mocht gaan. Bij terugkomst ging [naam] voornoemd naar het cellenblok, alwaar hij met [eiser] voor de dienst was ingedeeld.

2.4 [Eiser] is tegen 12.15 uur naar de winkel geweest en kwam terug met een plastic zakje met inhoud waarmee hij richting het cellenblok is gegaan.

2.5 In het cellenblok zijn hierna in de wachtruimte vier tot vijf blikken bier gewikkeld in krantenpapier aangetroffen.

2.6 Op 24 juli 2011 is kort na de dienstoverdracht (omstreeks 17.00 uur) een gedetineerde in beschonken toestand aangetroffen.

2.7 In de nachtdienst van 28 op 29 juli 2011 is op de kamer van de gedetineerde [naam 2] een petfles met bruingekleurde vloeistof, vermoedelijk whisky, aangetroffen.

2.8 In een aan [eiser] gericht schrijven van de Directeur van de Penitentiaire Inrichting Duisburglaan van 2 augustus 2011, P.I.D.no. [nummer] is vermeld:
“Naar aanleiding van aanhoudende informatie dat u zich bezig houdt met het verlenen van hand en spandiensten voor gedetineerde en dat u in de morgendienst van zondag 24 juli dezer alchohol (bier) in de inrichting hebt binnengebracht, werd u in bijzijn van de onderdirecteur mr. [naam 3] geconfronteerd met de informatie als voornoemd.

In eerste instantie ontkende u dat u geen bier gebruikt. Ook zwoer u dat u op die bewuste zondag 24 juli dezer geen bier/alcohol in de inrichting hebt binnengebracht. Na confrontatie met details bekende u een blik bier samen met penitentiair ambtenaar [naam]. te hebben gebruikt…

Voorts bekende u op de daartoe gestelde vragen dat u de afgelopen week (eind juli 2011) gekookt vlees, cocosolie en peper alsook alcohol in een petfles te hebben gebracht voor de gedetineerde [naam 2] tegen betaling van een bedrag groot vijftig Surinaamse dollars
(SRD 50) Ook dat u eerder voor de gedetineerde [naam 4] (die nu reeds is overgeheveld naar de Centrale Penitentiaire Inrichting Santo Boma) vlees en alcohol hebt gebracht.

Vermits het vorenstaande plichtsverzuim voor u kan opleveren, wordt u middels deze aangezegd zich ter zake, binnen 1 x 24 uur na ontvangst van dit schrijven schriftelijk te verweren.”

2.9 In zijn schriftelijk verweer van 2 augustus 2011 heeft [eiser] onder meer verklaard:
Ik ontken ten stelligste mij bezig te houden met het verlenen van hand- en spandiensten voor gedetineerden. Zo ook heb ik nimmer in de ochtenddienst van zondag 24 juli 2011 alcohol (bier) de inrichting binnen gebracht en genuttigd.

De beschuldiging dat ik de in uw verweeraanzegging genoemde goederen afgelopen week, eind juli 2011, zou hebben afgestaan aan de gedetineerde [naam 2] tegen betaling van SRD 50,= en dat ik vlees en alcohol zou hebben afgestaan aan gedetineerde [naam 4]l zijn bezijdens de waarheid. Ik heb nimmer de in uw verweeraanzegging genoemde goederen aan wie dan ook afgegeven. Zoals het u bekend is mogen gedetineerden niet over geld beschikken, waardoor zij ook niet in staat zijn enige betaling aan mij te hebben verricht. Bovendien is de gedetineerde [naam 4] reeds langer dan een jaar overgeheveld naar de Centrale Penitentiaire Inrichting Santo Boma.

Ik heb steeds duidelijk aangegeven dat ik mij nimmer heb ingelaten met de zaken waar u mij van beschuldigd. Op aandringen van u en de onderdirecteur, waarbij er werd gedreigd met degradatie en schorsing en uw mededeling dat de zaak als afgehandeld zou worden beschouwd indien ik zou bekennen, heb ik onder dwang aangegeven dat ik de feiten waar ik van wordt beschuldigd zou hebben gepleegd, hetgeen niet op de waarheid berust.”

2.10 [Eiser] is in verband met een tegen hem ingesteld onderzoek met ingang van 2 augustus 2011 buiten functie gesteld. De buitenfunctiestelling is ingaande 26 augustus opgeheven.

2.11 [Eiser] is bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 12 april 2012, J.no. [nummer 2] wegens plichtsverzuim de navolgende tuchtstraffen opgelegd:

  1. ontslag ingevolge artikel 32 lid 1 sub j van het Penitentiair Besluit juncto artikel 61 lid 1 sub j van de Personeelswet, onder voorwaarde dat deze niet ten uitvoer zal worden gebracht, indien betrokkene gedurende twee jaren zich niet aan een plichtsverzuim van soortgelijke of ernstige aard schuldig maakt;
  2. degradatie ingevolge artikel 32 lid 1 sub 1 van het Penitentiair Besluit juncto artikel 61 lid 1 sub i van de Personeelswet, bestaande uit terugstelling tot de rang Penitentiair Ambtenaar der 2e klasse (functiegroep 6, schaal 06B), voor de duur van 1 jaar, onder toekenning van een bezoldiging van SRD 1.707 per maand.

In deze beschikking is daartoe overwogen:
dat betrokkene tijdens zijn mondeling verweer bij de Directeur van de Penitentiaire Inrichting Duisburglaan, heeft toegegeven bij verschillende gelegenheden alcohol en andere etenswaren voor gedetineerden de inrichting binnen te hebben gebracht, met andere woorden, betrokkene geeft toe hand- en spandiensten te hebben verricht;

dat deze handelingen, die plichtsverzuim voor hem opleveren, niet getolereerd kunnen worden in een gedisciplineerd korps;

dat betrokkene … in de gelegenheid is gesteld zich binnen 1×24 uur ter zake schriftelijk te verweren, waaraan hij gevolg heeft gegeven, echter heeft hij het hem ten laste gelegde niet kunnen weerleggen;

dat betrokkene zich eerder aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt waarvoor hij ook disciplinair is gestraft;

dat het derhalve nodig is wederom een tuchtstraf op te leggen aan betrokkene.”.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [Eiser] vordert bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken:
a. de beschikking onder 2.11 vermeld, althans het besluit daarin vervat nietig te verklaren;
b. de staat te veroordelen tot betaling van een dwangsom ad SRD 1.000 voor iedere dag dat
de Staat weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;
c. veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eiser] aangevoerd dat het door hem gelaakt besluit jegens hem onrechtmatig is omdat de Staat in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld, met name de beginselen van juiste informatie, van deugdelijke feitelijke grondslag, van draagkrachtige juiste formulering en het zorgvuldigheidsbeginsel en wel omdat:
1. in zijn verweerschrift hij het gestelde plichtsverzuim heeft weerlegd, althans hij heeft
ontkend zich aan het hem verweten plichtsverzuim te hebben schuldig gemaakt.
2. er zou sprake zijn van aanhoudende informatie dat hij zich aan plichtsverzuim schuldig
maakte, maar hij niet eerder hiermee geconfronteerd is. Er is ook nimmer bewijs hiervan
overgelegd. Uit het door hem overgelegd informatierapport van [naam 5] blijkt
dat het onderzoek de afkomst van de verboden spullen niet heeft aangetoond.
3. hij tijdens het mondeling verweer werd bedreigd met degradatie en schorsing indien hij
niet zou bekennen.
4. de toenmalige onderdirecteur Delinquentenzorg hem heeft aangegeven dat het dossier
onvoldoende bewijzen bevatte voor het gestelde plichtsverzuim.

3.3 De Staat heeft de vordering weersproken.
Het Hof komt, voor zover van belang, daarop bij de beoordeling terug.

Bevoegdheid

4 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot verlaging van rang of ontslag vatbaar voor nietigverklaring.
Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering, kort gezegd, tot nietigverklaring van het besluit van de Staat tot verlaging van rang dan wel voorwaardelijk ontslag van een penitentiair ambtenaar, waarvan in het onderhavige geval sprake is.

Ontvankelijkheid
5 Het afschrift van de betreffende beschikking waartegen [eiser] opkomt dateert van 12 april 2012. Volgens verklaring van [eiser] is deze beschikking op 16 mei 2012 te zijner kennis gebracht. De Staat heeft dit niet betwist, zodat hiervan zal worden uitgegaan.
Dit heeft tot gevolg dat [eiser], nu zijn verzoekschrift binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend, ontvankelijk is in zijn vordering.

De beoordeling van het geschil

6.1 Het Hof merkt allereerst op dat de Staat ten aanzien van het in de Personeelswet gebezigde begrip “plichtsverzuim” de ruimte is gelaten om deze term verder in te vullen, zodat naar het oordeel van het Hof in deze sprake is van beoordelingsruimte zijdens de Staat. Dit brengt met zich mee dat bij de beoordeling in rechte slechts marginaal getoetst mag worden; ter beoordeling van het Hof ligt slechts de vraag open of de Staat in redelijkheid tot de bestreden beslissing had kunnen komen.
Daarvoor is allereerst vereist dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de betreffende ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt.

6.2 De Staat heeft aangevoerd dat er geen sprake was van bedreiging tijdens het verhoor van [eiser]. Het mondelinge verweer van [eiser], heeft volgens de Staat niet lang geduurd. [Eiser] heeft in zijn mondeling verweer, na te zijn geconfronteerd met details, verklaard dat op 24 juli 2011 alcohol is binnengebracht door hem en zijn collega [naam] voornoemd en dat zij tezamen de alcohol hebben genuttigd tijdens werkuren. [Eiser] is volgens de verklaring van de Staat ter terechtzitting eerst afzonderlijk en daarna in bijzijn van [naam] voornoemd gehoord. Zijdens de Staat is verklaard dat [naam] ook tegenover de Onderdirecteur en de Directeur van de Centrale Penitentiaire Inrichting Duisburg heeft verklaard dat hij tegen eind juli gemalen peper, vlees en een petfles met alcohol voor de gedetineerde [naam 2] had gebracht, waarvoor hij als tegenprestatie een bedrag van SRD 50 heeft ontvangen van een relatie van de gedetineerde [naam 2], alsook dat hij eerder de gedetineerde [naam 4], die toentertijd reeds was overgeheveld naar de Centrale Penitentiaire Inrichting Santo Boma, vlees en alcohol heeft gebracht.

6.3 Het Hof overweegt dat ook indien tijdens het mondeling verweer sprake is geweest van degradatie en schorsing, dit niet als een bedreiging hoeft te gelden; het zijn immers tuchtstraffen die ingevolge de personeelswet kunnen worden toegepast indien een ambtenaar zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Daarnaast overweegt het Hof dat de verklaring van [eiser] overeenkomt met de verklaring van [naam] voornoemd, die immers een gelijkluidende verklaring heeft afgelegd ten aanzien van het gebeuren op 24 juli 2011: [naam] voornoemd heeft als eerst meermalen alcohol gehaald bij de winkel, waarna [eiser] dit heeft gedaan; de alcohol hebben zij ([naam] en [eiser]) tezamen genuttigd tijdens werkuren. De verklaring van [naam] wordt ook ondersteund door de verklaring van de ploegcommandant. Daarnaast wordt de bekennende verklaring van [eiser] ook ondersteund door de bierblikken die in de wachtruimte zijn aangetroffen. De bekennende verklaring van [eiser] wordt dan ook geloofwaardig geacht.
Het Hof overweegt voorts dat ten aanzien van het verstrekken van alcohol aan gedetineerden op 24 juli 2011, gesteld noch gebleken is dat bij de dienstoverdracht door [eiser] aan zijn opvolger, hij er melding van heeft gemaakt dat een gedetineerde gebruik heeft gemaakt van alcohol. Nu vrij korte tijd daarna een gedetineerde uit dit cellenblok in beschonken toestand is aangetroffen, kan worden geconcludeerd dat de penitentiaire ambtenaren die aldaar de wacht hielden, waaronder [eiser], het alcoholgebruik tenminste hadden behoren op te merken. Nu hier geen melding van is gemaakt, kan worden geconcludeerd dat [eiser] zijn plicht als penitentiair ambtenaar heeft verzaakt.
Ook de verklaring van [eiser] ten aanzien van het ter beschikking stellen van alcohol aan de gedetineerde [naam 2] wordt naar het oordeel van het Hof ondersteund door het feit dat in de cel van deze gedetineerde een fles is aangetroffen met vermoedelijk whisky.
In het licht van al het hierboven overwogene concludeert het Hof dat [eiser] terecht is verweten dat hij zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt.

6.4 Tussen partijen is niet in het geding dat [eiser], naast de hem eerder opgelegde tuchtstraffen, 2 tot 3 keren is aangesproken op zijn gedrag. [Eiser] heeft weliswaar tijdens de mondelinge behandeling op 2 november 2012 gesteld dat hij niet is aangesproken terzake het verlenen van hand- en spandiensten, maar in casu doet dit er niet toe, aangezien de grondslag voor het opleggen van een tuchtstraf is dat hij zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt en plichtsverzuim een ruim begrip is.
Naar het oordeel van het Hof is het handelen van [eiser] dat heeft geleid tot het opleggen van de tuchtstraffen vervat in de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d.
12 april 2012, J.no. [nummer 2] dermate ernstig dat ontslag, bij herhaling van dit handelen, passend wordt geacht. Nu het ontslag voorwaardelijk is, is het daarnaast verlagen van de rang geoorloofd en passend.
Uit het voorwaardelijk ontslag blijkt dat ruimschoots rekening is gehouden met het langdurig dienstverband van [eiser], zodat aan het door hem in dat kader gestelde, zal worden voorbij gegaan.
De overige standpunten van partijen behoeven, nu reeds is geoordeeld dat de Staat in redelijkheid tot het genomen besluit heeft kunnen komen, geen bespreking.

6.5 Gelet op hetgeen onder 6.3 en 6.4 is overwogen zal de vordering van [eiser] worden afgewezen.

De beslissing

Het hof:

Wijst de vordering af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S.M.M. Chu, Leden en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 mei 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. M.E. Danning namens mr. R.A. Autar, gemachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld