SRU-HvJ-2020-45

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15671
07 februari 2020

In de zaak van
A. [appellant sub A]
B.De naamloze vennootschap N.V. Surishopping,
wonende c.q. kantoorhoudende te [district],
appellanten in kort geding,
hierna te noemen Surishopping e.a.,
appellant sub A procederend in persoon,
gevolmachtigde van appellante sub B: [appellant sub A]

tegen

Godo Bank N.V. ten rechte geheten Coöperatieve Vereniging Coöperatieve Spaar – en Kredietbank Godo G.A.,
kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
hierna te noemen Godo,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 15 april 2019 bekend onder AR no. 17-3112 tussen Surishopping e.a. als eisers en Godo als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding, bij vervroeging, uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat Surishopping e.a. op 17 april 2019 hoger beroep hebben ingesteld;
  • de pleitnota met producties gedateerd 21 juni 2019, door Surishopping e.a. aangeduid als “Memorie van Grieven”;
  • de antwoordpleitnota gedateerd 12 juli 2019;
  • de repliekpleitnota met producties gedateerd 19 juli 2019;
  • de dupliekpleitnota gedateerd 2 augustus 2019;
  • de brieven respectievelijk gedateerd 5 en 12 november 2019 zijdens appellant sub A;
  • het proces-verbaal van gehouden verhoor van partijen gedateerd 2 december 2019, naar aanleiding van de hiervoor vermelde brieven.

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 februari 2020 doch bij vervroeging op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep

Het beroepen vonnis is gedateerd 15 april 2019. Surishopping e.a. hebben op 17 april 2019 appèl aangetekend. Dit is binnen de bij wet gestelde termijn. Surishopping e.a. zijn dus ontvankelijk in het door hen ingestelde appèl.

3. De vordering in hoger beroep

Surishopping e.a. vorderen in hoger beroep:
1. vernietigingvan het vonnis van de kantonrechter gedateerd 15 april 2019 met AR 17-3112, en opnieuw rechtdoende:
2. de vorderingalsnog toe te wijzen;
3.uitvoerbaarbij voorraad verklaring van het vonnis;
4. veroordelingvanGodo in de proceskost

4. De feiten

4.1 In december 2013 hebben Surishopping e.a. Godo benaderd voor de financiering van de aankoop van een perceel aan de [adres 1].
4.2 Op 14 maart 2014 zijn er twee leningen verstrekt aan Surishopping, te weten:

  • een hypothecaire lening groot US$338.000,= met betrekking tot aankoop van het perceel aan de [adres 1] en
  • een rekening-courant krediet groot US$300.000,=. Godo heeft deze rekening-courant krediet overgenomen van de Hakrinbank.

4.3 Ten behoeve van Godo is er hypotheek gevestigd op de volgende onroerende goederen, en nader bij partijen bekend, te weten gelegen aan de [adres 1] en [adres 2] .

4.4 Bij brief gedateerd 17 april 2014 heeft Godo het volgende bericht aan Surishopping e.a.:
“….. Geachte heer [appellant sub A],
Hierbij delen wij u mede geen bezwaar te hebben tegen gedeeltelijk royement van de hypothecaire inschrijving ten laste van [appellant sub A] en [naam 1] en ten behoeve van N.V. Surishopping, verleden ten kantore van notariaat mr. G.H.B. Blom dd 6 maart 2014 op het perceelland groot 3.381,27 m2 gelegen te [district] ten oosten van de [weg] aangeduid met de letters ABCDEFG en het [nummer ], gelegen aan de [rivier], deeluitmakende van het voorland van de [plantage ].
Bovenstaand gedeeltelijk royement zal plaatsvinden onder de volgende voorwaarden:

  • Storting van een bedrag ad. USD.7.250,- ten behoeve van hypotheek sub 1; zijnde de aflossing over de maanden maart 2014 en april 2014
  • Storting van een bedrag ad. USD.15.000,- ten behoeve van rekening courant sub 1 zijnde 5% van de hoogste maandstand
  • Het afsluiten van een overlijdens risico verzekering voor een bedrag groot USD.220.000,= ten name van [naam 1]
  • Cedering van het agentschap en de begunstiging ten behoeve van Godo op de brandverzekering van het in dekking gegeven pand gelegen aan de [adres 2].

Hopende u hiermee voldoende te hebben geinformeerd, verblijven wij,
Hoogachtend,
Godo………….”.

4.5 Surishopping heeft bij schrijven d.d. 29 september 2014 – zover van belang – het volgende bericht aan Godo:
“…….Mijne heren,
…… Wij vragen u dan ook en dringen bij u erop aan om het royement van het perceel zo spoedig mogelijk te realiseren. Graag nog dit jaar.
Ten overvloede moeten wij u erop wijzen, dat wij onlangs nog in oktober, na de medische keuring van mijn echtgenote, met uw [naam 2] hierover hebben gesproken. Er waren geen andere bezwaren dan het punt van de verzekering….”.

4.6 Op 24 december 2014 stuurt Godo (in de persoon van [naam 2], relatie beheerder Zakelijk) een e-mail naar ene mevr.[naam 3] van het notariaat Aexander. Hierin is het volgende verwoord.
“…..Geachte mevr. [naam 3],
Naar aanleiding van het gesprek van vandaag d.d. 24 december 2014 met mevrouw [naam 4] ontvangt u mijn reactie.
In uw brief van 17 december 2014 heeft u een saldo- opgave van de hypothecaire schuld ten name van Surishopping N.V. opgevraagd. De berekening is gemaakt op basis van algeheel royement. Het bedrag bij algeheel royement bedraagt US$645.930,=. Achteraf blijkt uit het gesprek met mevrouw [naam 4] en met de heer [appellant sub A] dat het een gedeeltelijke royement betreft.
Ik wil u daarom vriendelijk vragen om nogmaals een schriftelijk verzoek in te dienen voor gedeeltelijke royement. Na ontvangst krijgt u van GODO Bank een saldo-opgave voor gedeeltelijke royement…..”.

4.7 Op 24 december 2014 bericht Godo (in de persoon van [naam 5], Directeur Commercie) per e-mail de heren [appellant sub A] en [naam 6] (van Surishopping), alsvolgt:
“…..Beste heren [appellant sub A] en [naam 6] ,
Zoals u ziet zijn we bezig met uw verzoek. Ik wil u er wel op attenderen dat we bij royement opnieuw een dekkingscalculatie zullen maken om na te gaan hoe de risico’s van de bank gedekt zijn bij eventueel (gedeeltelijk)royement. De brief van april 2014 mag niet als uitgangspunt dienen. We zijn inmiddels 8 maanden verder. In de tussentijd zijn de (interne en externe) regels verder aangescherpt en moeten we de situatie op dit moment bekijken. Het verloop van de kredietrelatie speelt ook een belangrijke rol.
Nogmaals, we doen onze uiterste best voor u…….”.

4.8 Bij brief gedateerd 16 december 2015, heeft Godo een voorstel gedaan aan [appellant sub A] voor herstructurering van de kredieten tot één (1) krediet.

4.9 Godo heeft een saldo-opgave overgelegd bij zijn conclusie van antwoord, genummerd als productie no. 1.
Daaruit blijkt dat de hypotheeklening per 28 juli 2017 is opgelopen tot een bedrag van US$488.151,65 terwijl de rekening-courant krediet bedraagt US$300.000,=.
De totale schuld bedroeg per 28 juli 2017: US$842.191,15.

4.10 In eerste aanleg hebben Surishopping e.a. – zakelijk weergegeven – gevorderd veroordeling van Godo:

  1. om royement te verlenen van de hypothecaire inschrijving ten laste van [appellant sub A] en [naam 1] enten behoeve van N.V.Surishopping, verleden ten kantore van notariaat mr. G.H.B. Blom d.d. 6 maart 2014 op het perceelland groot 3.381,27 m2 gelegen te [district] ten oosten van de [weg] aangeduid met de letters ABCDEFG en het [nummer ], gelegen aan de [rivier], deel uitmakende van het voorland van de [plantage] (hierna het perceel).
  2. totbetaling van een dwangsom;
  3. totbetaling van de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten.

4.11 De kantonrechter heeft de vordering van Surishopping e.a. geweigerd en laatstgenoemden veroordeeld in de proceskosten.

  1. De beoordeling in appèl

5.1 Surishopping e.a. hebben een achttal grieven aangevoerd tegen het vonnis. Daarnaast hebben zij andere feitelijkheden nader gesteld.
In de onderhavige zaak dient te worden onderzocht of Godo, al dan niet ten onrechte weigert over te gaan tot het verlenen van het gevorderde royement.
5.1.1 Het komt – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – erop neer dat Surishopping e.a. zich erop beroepen dat zij hebben voldaan aan de door Godo vastgestelde voorwaarden voor gedeeltelijk royement van de hypothecaire inschrijving op het perceel zoals omschreven onder 4.10 van de feiten, doch dat Godo weigert om de hypotheek op het perceel te royeren.
Surishopping e.a. stellen dat het aan Godo heeft gelegen dat zij niet binnen afzienbare tijd aan (al) de voorwaarden hebben kunnen voldoen, waardoor de afhandeling van het royement steeds werd uitgesteld.
Voor een goed overzicht zal het Hof ertoe overgaan om de door Godo gestelde voorwaarden afzonderlijk te bespreken.

5.2 Voorwaarde 1

– Storting van een bedrag ad. USD.7.250,- ten behoeve van hypothecaire lening zijnde de aflossing over de maanden maart 2014 en april 2014.
Surishopping e.a. stellen ten aanzien hiervan dat zij aan deze voorwaarde hebben voldaan. Volgens Surishopping e.a. hebben zij tot en met oktober 2014 een totaal bedrag van US$25.609,71 gestort. Dit is een bedrag van US$234,71 meer.
Ter onderbouwing hiervan hebben Surishopping e.a. bij hun verzoekschrift een overzicht aangehecht genummerd productie 7.

5.2.1 Het Hof is van oordeel dat Godo deze stelling van Surishopping e.a. niet, althans niet gemotiveerd, heeft weersproken. Godo heeft namelijk niet weersproken dat Surishopping e.a. in ieder geval tot en met oktober 2014 de aflossing van de hypotheek volgens afspraak hebben gepleegd. Ook de inhoud van de ten aanzien hiervan door Surishopping e.a. overgelegde productie no. 7 is niet betwist zodat ook dat aannemelijk is.
Het verweer van Godo dat Surishopping e.a. van meet af aan een aanmerkelijke betalingsachterstand hadden, kan op grond van voorgaande dus niet worden gevolgd nu Surishopping e.a. vanaf het moment na de gestelde voorwaarden tot en met oktober 2014 de aflossingen hadden gepleegd.

5.3 Voorwaarde 2
– Storting van een bedrag ad. USD.15.000,- ten behoeve van rekening-courant zijnde 5% van de hoogste maandstand.
Surishopping e.a. stellen dat ondanks hun slechte liquiditeitspositie, zij deze stortingen hebben voortgezet tot en met eind oktober 2014. Surishopping e.a. hebben gesteld dat maandelijks minimaal 5% van de hoogste debetstand neerkwam op US$15.000,=. Vanaf het moment van de voorwaarden tot en met oktober 2014 (ongeveer 7 maanden) is een totaal bedrag van US$109.650,= gestort. Dit is US$4.650,= meer dan wat er was afgesproken. Ter onderbouwing hiervan hebben Surishopping e.a. bij hun verzoekschrift een overzicht aangehecht genummerd productie 6.

5.3.1 Godo heeft ten aanzien hiervan aangevoerd dat Surishopping e.a. onvolledige informatie hebben verstrekt. Godo verwijst naar twee door haar als productie 2 en 3 bij haar conclusie van antwoord overgelegde saldo overzichten. Volgens Godo hebben deze overzichten betrekking op de rekening-courant rekening tot en met juli 2017 als ook de lijst van stortingen en debiteringen.
Volgens Godo blijkt uit deze producties dat Surishopping e.a. zich niet hebben gehouden aan de verplichte maandelijkse aflossing van tenminste 5% over de hoogste debetstand. Godo betoogt verder dat Surishopping e.a. bewust de debiteringen hebben verzwegen. Daarnaast was de limiet op het rekening-courant krediet op de datum van de uitkering al op het maximum.
Wat er ook van zij, Godo heeft niet weersproken dat maandelijks minimaal 5% van de hoogste debetstand neerkwam op US$15.000,= zodat dat aannemelijk is. Godo heeft evenmin weersproken dat per eind oktober 2014 – 7 maanden nadat de voorwaarden door Godo waren vastgesteld – in totaal US$109.650,= door Surishopping e.a was gestort, hetgeen betekende dat US$4.650,= meer dan wat er was afgesproken was overgemaakt, zodat ook dit aannemelijk is. Na deze uiteenzetting mocht van Godo worden verwacht dat zij duidelijkheid verschafte of de hiervoor genoemde stellingen onjuist waren en zo ja dit ook gemotiveerd onderbouwde door middel van berekeningen en cijfermateriaal. Het verweer van Godo ter zake acht het Hof ontoereikend.
Het Hof acht daarom aannemelijk dat Surishopping e.a. tot en met eind oktober 2014 terstond aan de hiervoor gestelde voorwaarde hebben voldaan.

5.4 Voorwaarde 3
– Levensverzekering ten name van mevr. [naam 1]
Surishopping e.a. stelt ten aanzien hiervan, dat voor wat betreft de verzekeringen, in het arrangement dat met de bank is getekend staat, dat de te sluiten verzekeringen via Godo moeten geschieden. Zij, Surishopping e.a., waren voor de tijdigheid van de te sluiten verzekering geheel van Godo afhankelijk. Zij hebben vanwege de urgentie van de zaak vaak bij de bank aangedrongen voor de verzekeringen. Door Godo werd steeds gezegd dat zij hen zou bellen. Godo had de totstandkoming van de verzekering opzettelijk vertraagd.
Uiteindelijk werd afgesproken dat mevr. [naam 1] te wiens name de levensverzekering diende te worden afgesloten, pas op 23 september 2014 naar de bank moest om een formulier voor haar levensverzekering in te vullen. Ter onderbouwing van het voorgaande hebben Surishopping e.a. stukken overgelegd (zie productie 3 verzoekschrift), waaruit onder meer blijkt dat de aanvraag van de verzekering door Assuria is ontvangen op 25 september 2014.

5.4.1 Ten aanzien van dit onderdeel heeft Godo aangevoerd dat zij voor het sluiten van de overlijdensrisicoverzekering (hierna levensverzekering) afhankelijk was van de te verzekeren persoon, in deze [naam 1] . Godo erkent dat de afspraak voor het invullen van het formulier terzake gemaakt was voor 23 september 2014, maar, voert zij aan, dat dit niet betekent dat zij daarvoor niets terzake had ondernomen.
Met dit verweer heeft Godo onvoldoende gemotiveerd welke handelingen zij heeft verricht om dit proces te versnellen. Tegen de achtergrond van de stelling van Surishopping e.a. dat zij daarentegen steeds daarop hebben aangedrongen bij Godo mocht van laatstgenoemde wel meer informatie terzake worden verwacht. In ieder geval is het aannemelijk dat Surishopping e.a. niets te verwijten valt dat de levensverzekering pas op 25 september 2014 is gesloten.

5.5 Voorwaarde 4
– Cedering van het agentschap en de begunstiging ten behoeve van Godo op de brandverzekering van het in dekking gegeven pand gelegen aan de [adres 1].
Ten aanzien van deze voorwaarde hebben Surishopping e.a. gesteld dat nu Godo de lening heeft overgenomen van de Hakrinbank, zij, Godo, ook automatisch het recht heeft op begunstiging. Godo zou hiervoor zelf een schrijven moeten sturen naar de verzekeringsmaatschappij waar de verzekering loopt, om verandering van begunstiging te vragen. Volgens Surishopping e.a. is dit ook gebeurd. Surishopping e.a. hebben ter onderbouwing hiervan bij hun verzoekschrift een overzicht aangehecht genummerd productie 7a.

5.5.1 Godo heeft hiertegen ingebracht dat de brandverzekering een lopende verzekering was en dat de Hakrinbank pas na maanden de verzekering heeft gecedeerd aan haar. Zij, Godo, was dus niet alleen afhankelijk van de verzekeringsmaatschappij maar ook van de Hakrinbank.
Gezien het verweer van Godo terzake, is het Hof van oordeel dat Surishopping e.a. bij de voldoening van deze voorwaarde niets te verwijten valt. Dat dit iets langer heeft geduurd kan dus niet werken ten nadele van Surishopping e.a.

5.6 Op grond van het onder 5.2 tot en met 5.2.1 overwogene concludeert het Hof dat aan tenminste drie (3) van de vier (4) voorwaarden was voldaan per oktober 2014, terwijl de 4e voorwaarde niet afhankelijk was van enig handelen van Surishopping e.a.

5.7 Surishopping e.a. beroepen zich voorts erop dat er een overbodige dekking bij Godo was, waardoor laatstgenoemde ervoor koos om het perceel aan de [adres 1]reeds in een heel vroeg stadium, van nauwelijks een maand na verstrekking van het krediet, vrij te geven. Door andere (overbodige) voorwaarden aan te verbinden en de hypotheek daarna toch niet te royeren heeft Godo hen opzettelijk ruim 3 jaren lang gedupeerd terwijl zij zo krap zaten met werkkapitaal.

5.8 Aangezien per oktober 2014 aan drie (3) van de vier voorwaarden was voldaan, terwijl het vervullen van de 4e voorwaarde niet afhankelijk was van een handelen van Surishopping e.a. is het voor het Hof onduidelijk waarom Godo heeft nagelaten om de gewraakte hypotheek te royeren per oktober 2014. Godo heeft hierover ook geen informatie verschaft terwijl juist zij in de positie was om die informatie te verschaffen en dat ook van haar mocht worden verwacht.
Dit tegen de achtergrond van de stelling van Surishopping e.a. dat er sprake was van een overbodige dekking en dat Godo om deze reden ervoor koos om in een heel vroeg stadium na verstrekking van het krediet, het perceel aan de [adres 1]vrij te geven. Ook hierover mocht nadere uitleg van Godo worden verwacht. Onduidelijk is gebleven waarom Godo reeds na één (1) maand nadat de kredietovereenkomsten tussen partijen waren gesloten, bereid was om over te gaan tot het royeren van de hypotheek aan de [adres 1]onder de hiervoor omschreven voorwaarden.
Hierdoor is de stelling van Surishopping e.a., dat er sprake was van een overbodige dekking, dan wel aannemelijk geworden.

5.9 Naar aanleiding van al hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang gelezen, komt het Hof tot de conclusie dat Godo ten onrechte weigert om gedeeltelijke royement te verlenen op het onroerend goed aan de [adres 1]. De kantonrechter heeft daarom ten onrechte de door Surishopping e.a. gevraagde voorzieningen geweigerd, zodat het vonnis d.d. 15 april 2019 bekend onder AR no. 17-3112 dient te worden vernietigd en opnieuw rechtdoende zal worden beslist als in het dictum te melden.

5.10 De door Surishopping e.a. gevorderde dwangsom zal worden gemitigeerd en gemaximeerd, nu deze het Hof bovenmatig voorkomt.

5.11 Het Hof acht het overbodig om de overige stellingen en weren van partijen te bespreken.

5.12 Godo zal, als de in het ongelijk gelijk gestelde partij, de proceskosten moeten dragen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

6. De beslissing
Het Hof:
6.1 vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding, d.d. 15 april 2019 bekend onder AR no. 17-3112.

En opnieuw rechtdoende:
6.2 veroordeelt Godo om binnen 1×24 uur na betekening van dit vonnis royement te verlenen van de hypothecaire inschrijving ten laste van [appellant sub A] en [naam 1] en ten behoeve van N.V. Surishopping, verleden ten kantore van notariaat mr. G.H.B. Blom d.d. 6 maart 2014 op het perceelland groot 3.381,27 m2 gelegen te [district] ten oosten van de [weg] aangeduid met de letters ABCDEFG en het [nummer] gelegen aan de [rivier], deel uitmakende van het voorland van de [plantage].

6.3 veroordeelt Godo tot betaling van een dwangsom groot SRD10.000,= (tienduizend Surinaamse Dollar) voor iedere dag dat zij in gebreke blijft uitvoering te geven aan de veroordeling weergegeven onder 6.2 van dit vonnis en wel tot een maximum van SRD1000.000,= (één miljoen Surinaamse Dollar).

6.4 veroordeelt Godo in de proceskosten aan de zijde van Surishopping e.a. gevallen in eerste aanleg en in hoger beroep en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 750,–;

6.5 weigert het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S.Chhangur-Lachitjaran, ledenen bij vervroeging uitgesproken door mr. D. Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 7 februari 2020 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door de heer [appellant sub A], gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. J. Kraag namens advocaat mr. D. Kraag, gemachtigden van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2020-44

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellante ],
wonende te [district],
appellante,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

[geintimeerde],
wonende in [land],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. R. Kensmil, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 24 februari 2015 (A.R. No. 10-4774) tussen geïntimeerde als eiser en appellante als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal d.d. 4 maart 2015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat appellante tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 6 januari 2017;
  • de antwoordpleitnota d.d. 17 februari 2017;
  • de repliekpleitnota d.d. 17 maart 2017;
  • de dupliekpleitnota d.d. 19 mei 2017;
  • de rechtsdag voor de uitspraak was hierna aanvankelijk bepaald op 1 december 2017, doch nader op heden.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellante daarin kan worden ontvangen.

2. Het gaat in deze zaak om de vraag wie recht heeft op een pakket van 3150 aandelen in N.V. [naam] ,gevestigd in [district]. Dit pakket vormt 50% van alle aandelen in deze vennootschap (verder: het aandelenpakket). Alle aandelen werden destijds gehouden door de vader van geïntimeerde (verder: de vader). De vader was ook bestuurder van deze vennootschap. De vader is overleden. Geïntimeerde is gerechtigd als erfgenaam tot een kwart van de nalatenschap. Uit de stellingen van geïntimeerde volgt dat het aandelenpakket tot de nalatenschap behoort. Appellante echter stelt zich op het standpunt dat het aandelenpakket bij leven door de vader van appellante aan haar is verkocht, dat het aandelenpakket niet tot de nalatenschap heeft behoord en dat zij de eigenaar ervan is.

3. In eerste aanleg is de door geïntimeerde (als eiser) gevraagde verklaring voor recht toegewezen. Die verklaring houdt, kort weergegeven, in dat de eigendom van het aandelenpakket niet op appellanteis overgegaan.

4. De gevraagde verklaring voor recht heeft uiteraard als indirect doel vast te stellen dathet aandelenpakkettot de nalatenschap behoort. Het Hof stelt voorop dat geïntimeerde (toen nog eiser) als deelgenoot in de nalatenschap het recht heeft dit doel in rechte na te streven, zonder dat hij daarbij afhankelijk moet zijn van de medewerking van de andere erfgenamen. Anders gezegd, hij is tot zelfstandig procederen bevoegd.

5. Met grief 1 stelt appellante aan de orde dat geïntimeerde (als eiser) door de kantonrechter niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Volgens appellante is over deze kwestie al eerder geprocedeerd. Dat was tussen haar en de moeder-voogdes van de toen nog minderjarige geïntimeerde (verder: de moeder). Andermaal kan daarover niet worden geprocedeerd, ook niet door geïntimeerde zelf nu hij meerderjarig is geworden. Want wat de moeder toen deed, bindt hem juridisch.
Deze grief faalt, omdat de feiten anders liggen. Tussen genoemde personen is inderdaad eerder geprocedeerd, maar de inzet van die procedure was vernietiging van het besluit tot benoeming van appellante tot bestuurder van de eerder genoemde vennootschap. De grondslag van die eis, ingesteld door de moeder, was dat het besluit van de aandeelhoudersvergadering niet rechtsgeldig was genomen. Het argument daarvoor was dat op die vergadering drie personen hebben meegestemd die weliswaar pretendeerden aandeelhouder te zijn, maar dat niet waren. Die personen pretendeerden ieder voor zichzelf aandelen te houden die behoorden tot de andere helft van het totaal van de aandelen, dus niet tot het nu in geschil zijnde aandelenpakket. De beslissing van de kantonrechter ging dus niet over het nu in geschil zijnde aandelenpakket. Die beslissing kan tussen partijen in de nu voorliggende rechtszaak geen gezag van gewijsde hebben. Er is geen sprake van het opnieuw tussen dezelfde partijen procederen over hetzelfde onderwerp. Grief 1 faalt.

7. Grief 2 strekt ertoe dat het gevorderde door geïntimeerde (als eiser) door de kantonrechter had moeten worden afgewezen. Daartoe stelt appellante dat de moeder in de eerdere procedure gaaf en onvoorwaardelijk heeft erkend – ook nu nog steeds bindend voor geïntimeerde – dat het aandelenpakket aan appellante was overgedragen.
Het Hof leest daarin een beroep op een gerechtelijke erkentenis, zoals bedoeld in artikel 212 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv). Gerechtelijke erkentenissen gelden als zodanig slechts in het geding waarin zij zijn afgelegd, dus in dit geval in de rechtszaak tussen appellante en de moeder. Artikel 212 Rv moet niet zo gelezen worden dat daarin verandering wordt gebracht. Het Hof vindt steun voor deze uitleg in de toelichting op artikel 133 lid 1 van het nog in te voeren nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarin is te lezen:
“Een gerechtelijke erkentenis is het in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk erkennen van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij.”
Hiermee is geen breuk met het huidige recht beoogd, want artikel 212 Rv blijft in de nieuwe regeling letterlijk hetzelfde.
Appellante stelt dus ten onrechte dat sprake is van een gerechtelijke erkentenis, waardoor ook grief 2 faalt.

8.Met grief 3 komt appellante aan de inhoud van het geschil toe. Zij voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft beslist dat zij géén houder van de aandelen is.
Het staat vast dat de aandelen bij leven door de vader aan haar zijn verkocht. Daarvan is een schriftelijke overeenkomst van 24 augustus 2000 overgelegd. Maar een verkoop op zichzelf bewerkstelligt nog niet de overdracht van de aandelen. Dat de moeder op de zitting in de andere procedure heeft gezegd dat de aandelen aan appellante zijn overgedragen, is niet doorslaggevend voor die overdracht. De overdracht is immers een zakenrechtelijke rechtsfiguur. Als aan de vereisten is voldaan, is de overdracht een feit en andersom. Wat de moeder daarover heeft gezegd, kan niet bijdragen aan het antwoord op de vraag of de overdracht van het aandelenpakket aan appellante een feit is.

9. Appelante stelt dat het aandelenpakket alleen aandelen aan toonder bevat. Uit de toelichting op grief 3 leidt het Hof af dat appellante niet beschikt over aandeelbewijzen van het aandelenpakket. Zij wijst er immers op dat er helemaal geen wettelijke bepaling is die voorschrijft dat bij aandelen aan toonder aandeelbewijzen verplicht zijn en zij wijst er verder op dat de schriftelijke overeenkomst tussen de vader en appellante van 24 augustus 2000 voldoende bewijs is dat het bestaan van de aandelen aan toonder aantoont. En in deze procedure heeft appellante ook geen aandeelbewijzen in het geding gebracht, wat voor de hand lag om te doen als die aandeelbewijzen er zouden zijn geweest. Dat lag beslist op de weg van appellante, omdathet niet overleggen door appellante (als gedaagde) vandie aandeelbewijzen voor de kantonrechter doorslaggevend was om aan te nemen dat géén sprake was van aandelen aan toonder.

10. De vraag die moet worden beantwoord, is of appellante houder kan zijn van toonderaandelen als zij niet in het bezit is van bijbehorende aandeelbewijzen, doch op niet meer kan wijzen dan de verkoopovereenkomst. Het antwoord op die vraag is ‘nee’.Aandeelbewijzen van aandelen aan toonder legitimeren bij uitstek de bezitter ervan als houder van die aandelen, zowel tegenover de vennootschap als tegenover derden. Artikel 51 Wetboek van Koophandel (verder:WvK) veronderstelt dan ook dat aandeelbewijzen worden uitgegeven van aandelen aan toonder. Alleen dan kunnen aan toonderaandelen de rechtsgevolgen worden verbonden die horen bij toonderpapieren, zoals de vrije verhandelbaarheid van deze toonderaandelen. Weliswaar kent ons recht de mogelijkheid voor de houder van toonderaandelen aan te tonen dat hij die hoedanigheid heeft, zonder dat hij de aandeelbewijzen kan tonen, maar die mogelijkheid gaat uit van verlies of vernietiging van de aandeelbewijzen. Hier echter hebben aandeelbewijzen nooit bestaan. De overeenkomst van 24 augustus 2000 is geen aandeelbewijs, alleen al niet omdat deze overeenkomst als zodanig niet kan worden verhandeld, zoals met aandeelbewijzen wél kan. Kortom, van toonderaandelen is blijkbaar geen sprake, omdat aandeelbewijzen ontbreken.

11.Dan kan het alleen nog maar gaan over aandelen op naam.Want ook aandelen die als toonderaandelen zijn bedoeld, maar waarvan geen aandeelbewijzen zijn uitgegeven, hebben te gelden als aandelen op naam in ruime zin.Aandelen op naam kunnen worden overgedragen op de manier die staat beschreven in artikel 55 WvK. De kantonrechter heeft overwogen dat het tussen partijen vaststaat dat de als eerste in dit wetsartikel genoemde manier van overdracht – betekening van een akte van overdracht aan de vennootschap – niet heeft plaatsgevonden. Tegen die vaststelling is geen grief ontwikkeld, zodat ook het Hof hiervan uitgaat.
Bij repliekpleidooi is voor het eerst overgelegd een schriftelijk stuk van 12 september 2000, waarin (de vader namens) de vennootschap verklaart dat appellante medeaandeelhouder is van de vennootschap. Deze verklaring is van na de verkoop van de aandelen aan appellante op 24 augustus 2000. Hoewel in de verklaring de omvang van het aandelenpakket niet wordt genoemd, kan het niet anders dan dat de verklaring verband houdt met de verkoop van het aandelenpakket. Niet gesteld of gebleken is immers dat appellante ooit andere aandelen heeft gekocht van de vader.

12. De verklaring is bij dupliekpleidooi niet betwist of van commentaar voorzien. De verklaring kan niet anders worden gelezen dan als een erkenning door de vennootschap van een overdracht van de aandelen na de verkoop ervan op 12 augustus 2000.De erkenning is schriftelijk gebeurd, waardoor voldaan is aan de vereisten voor overdracht van het aandelenpakket, zoals bepaald in artikel 55 WvK.
Het verweer van geïntimeerde dat een dergelijke erkenning alleen kan geschieden ‘op het aandeelbewijs voor zover deze aan de naamloze vennootschap is getoond’ vindt geen grondslaag in het recht. Blijkbaar grijpt geïntimeerde bij dit verweer terug naar de door hem als productie IV en V bij de conclusie van repliek in eerste aanleg overgelegde kopie uit een Nederlands handboek, maar die passages zijn gebaseerd op het Nederlands recht dat in artikel 2:196 Burgerlijk Wetboek anders luidt dan ons recht. Daarbij komt dat de schrijver de vraag opwerpt of een erkenning zonder dat de akte van overdracht van de aandelen is overgelegd en die vraag bevestigend beantwoordt. Dus ook naar toenmalige Nederlands recht kon een erkenning plaatsvinden zoals naar ons recht.

13. De schriftelijke verklaringvan 12 september 2000is een erkenning die voldoet aan de vereisten van artikel 55 WvK. Uit de verklaring die is ondertekend door de vader, zo begrijpt het Hof, is af te leiden dat de vader de schriftelijke verkoopovereenkomst van 24 augustus 2000 beschouwde als akte van overdracht. Dat is voldoende om deze overeenkomst, in ieder geval vanaf 12 september 2000, juridisch op te vatten als een akte van overdracht, die immers – afgezien van het schriftelijkheidsvereiste – vormvrij is.

14. Het Hof komt tot de slotsom dat appellante houdster is van het aandelenpakket, wat alsnog moet leiden tot afwijzing van de verklaring voor recht zoals die door geïntimeerde (als eiser) is gevraagd, omdat die eis nu juist van het tegendeel uitgaat.

15.Grief 3 slaagt. Grief 4 heeft geen bespreking meer nodig. Het vonnis van de kantonrechter moet worden vernietigd.
Geïntimeerde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van de procedure in de eerste aanleg en in het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:
– vernietigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 24 februari 2015 (A.R. no. 10-4774), waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

  • wijst de vordering van geïntimeerde, toen eiser, alsnog af;
  • veroordeelt geïntimeerde in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van appellante begroot op SRD. 352,– (driehonderd twee en vijftig Surinaamse dollars).

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. M.C.Mettendaf,Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging gesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 maart 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. dr. M.S. Boedhoe namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellante terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

 

SRU-K1-2020-59

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 20-1843
30 juli 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

1.[eiser 1],
2.[eiseres 2],
domicilie kiezende aan de Grote Combéweg no. 83 te Paramaribo,
eisers,
hierna respectievelijk te noemen: [eisers] ,
gemachtigde van [eiser 1]: mr. S.S. Mangre, advocaat,
[eiseres 2] procederend in persoon,

tegen

[gedaagde] ,
wonende aan de [adres] in het [district],
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 23 juli 2020 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 28 juli 2020;
  • de akte van rectificatie van de naam van eiseres sub 2 en die van gedaagde, welke akte van rectificatie onmiddellijk is toegestaan door de kantonrechter;
  • de aantekeningen van de griffier, met daarin vervat hetgeen procespartijen tijdens het mondeling afpleiten hebben aangevoerd en daaraan gehecht een productie welke [eiser 1] tijdens het mondeling afpleiten heeft overgelegd:
  • de aantekeningen van de griffier waarin is vervat hetgeen partijen tijdens de comparitie van partijen na antwoord hebben aangevoerd;
  • de aantekeningen van de griffier ter zake hetgeen partijen tijdens het verder mondeling afpleiten na comparitie van partijen hebben aangevoerd.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 13 juli 2018 heeft [eiser 1] een graafmachine bij een bankinstelling gekocht voor een koopsom ad Euro 12.500,-.
Vervolgens heeft hij op 16 juli 2018 ter zake de graafmachine een huurkoopovereenkomst met ene [naam 1] gesloten. [naam 1] heeft op zijn beurt de graafmachine aan [gedaagde] verkocht en de koopsom van [gedaagde] ontvangen.

2.2 In de zaak bekend onder A.R. No. 18-5214 tussen [eiser 1] (toen eiser) en [naam 1] (gedaagde) is bij verstekvonnis d.d. 08 juli 2019 bevestigd dat [eiser 1] de eigenaar van de graafmachine is. Met betrekking tot het onderhavige geschil is [eiseres 2] de gemachtigde van [eiser 1].

2.3 Op grond van het hiervoor vermeld verstekvonnis heeft [eiser 1] de graafmachine middels juridische bijstand van [eiseres 2] bij [naam 1] weggenomen.

2.4 [gedaagde] heeft ter zake de graafmachine in de zaak bekend onder A.R. No. 19-0078 een vordering in kort geding ingesteld tegen [eiser 1], [eiseres 2] en een deurwaarder. In de hiervoor vermelde zaak heeft de kantonrechter bij vonnis
d.d. 23 juli 2020 [eisers] veroordeeld om binnen drie dagen na de uitspraak aan [gedaagde] (toen eiser) in goede staat af te geven een graafmachine, onder verbeurte van een eenmalige dwangsom van SRD 100.000,-.

2.5 Onder 3.2 in het vonnis is voor wat betreft de grondslag van de vordering in die zaak het volgende opgenomen:
“Eiser heeft kort gezegd aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat gedaagden onrechtmatig jegens hem handelen waardoor hij schade lijdt ad SRD 46.000,-. Daartoe stelt hij dat [eiser 1] weet of hoort te weten dat er geen sprake is van een huurkoopovereenkomst tussen hem en [naam1], maar van lastgeving zoals in de brief van mr. M.A. Gout vermeld staat. [eiseres 2] behoort te weten dat de machine bij de rechtmatige eigenaar is weggehaald. [naam 2] draagt kennis van de koopovereenkomst tussen [gedaagde] en [naam 1] en heeft aldus tegen beter weten in gehandeld. [eiser 1], [eiseres 2] en [naam 2] hebben inbreuk gepleegd op het eigendomsrecht van [gedaagde] en daardoor is sprake van misleiding van de rechter en misbruik van de beschikking.”

2.6 De kantonrechter is ten aanzien van [eisers] tot de veroordeling gekomen, op grond van de hierna volgende overweging onder 4.3 in het vonnis:
“[eiser 1] stelt dat hij is benadeeld, omdat hij de volledige koopsom aan de Bank, de kantonrechter begrijpt, de Nationale Ontwikkelingsbank van Suriname N.V., heeft voldaan en [naam 1] onterecht de koopsom heeft ontvangen, de kantonrechter begrijpt [gedaagde], na verkoop van de graafmachine. De kantonrechter oordeelt dat [eiser 1] hierdoor in de onderhavige zaak een standpunt inneemt dat haaks staat op de stellingen in de zaak A.R. No. 18-5214 waarin hij een huurkoopovereenkomst stelt die hij met [naam 1] is aangegaan voor de graafmachine. [eisers] lezen de brief van mr. M.A. Gout anders, in die zin dat [naam 1] de graafmachine “niet verder (mocht) verkopen nadat de volledige koopsom is afgehandeld met gedaagde sub a”, de kantonrechter begrijpt, dan eerst nadat de volledige koopsom zou zijn “afgehandeld” met gedaagde sub a. De kantonrechter volgt [eisers] evenwel niet in deze conclusie, omdat die geheel in strijd is met de (verdere) uitleg in het schrijven van mr. Gout en het antwoord daarop van mr. Matawlie, zoals hiervoor aangehaald. Nota bene hebben [eisers] deze producties niet weersproken. Het verweer wordt dan ook gepasseerd. Voorts gaat de kantonrechter voorbij aan het verweer van [eisers] dat [gedaagde] eerst onderzoek bij [naam 1] naar de huurovereenkomst had moeten doen en niet bij hen. De kantonrechter oordeelt dat een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat de eigen onderzoeksplicht ten volle uitvoert waarvan in het geval van [gedaagde] in de onderhavige zaak sprake is geweest.”

2.7 [eisers] hebben middels een schrijven d.d. 23 juli 2020 aan de griffier der kantongerechten kenbaar gemaakt dat zij hoger beroep aantekenen tegen het vonnis.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [eisers] vorderen dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
a)opschort c.q. schorst de werking van het vonnis, totdat er in hoger beroep zal zijn beslist;
b)[gedaagde]verbiedt het vonnis te executeren, totdat er in hoger beroep zal zijn beslist onder verbeurte van een dwangsom.

3.2 [eisers] leggen aan hun vordering ten grondslag dat zij ten onrechte zijn veroordeeld. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • [eiseres 2] heeft nimmer zaken gedaan met [gedaagde], kent hem niet en heeft zich dus niet schuldig gemaakt aan wanprestatie;
  • [eiser 1] is volgens het verstekvonnis eigenaar van de graafmachine.

3.3 [gedaagde] heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4.De beoordeling
4.1 Het door [eisers] gestelde spoedeisend belang blijkt uit de stellingen, in het bijzonder uit de stelling dat aan het niet ten uitvoerleggen van het vonnis binnen drie dagen na de uitspraak een eenmalige dwangsom is gekoppeld. Om die reden zijn [eisers] in het kort geding ontvangen.

4.2 Na antwoord heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gehouden, teneinde een schikking tussen partijen te pogen te treffen. Daar dit niet is gelukt, zal de kantonrechter thans de knoop doorhakken en overgaan tot het nemen van een eindbeslissing.

4.3 Bij vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis dient als uitgangspunt de ter zake in de jurisprudentie (HR 22 april 1983, NJ 1984, 145) ontwikkelde criteria. Ingevolge dit arrest is voor schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld slechts plaats is indien tenuitvoerlegging van het vonnis misbruik van executiebevoegdheid oplevert. Een dergelijk misbruik zal onder meer aan de orde kunnen zijn indien de executant (is [gedaagde]), mede gelet op de – voor hem kenbare – belangen van de veroordeelde ([eisers]) die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij het gebruikmaken van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Hiervan kan in het bijzonder sprake zijn indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat de executie van het vonnis klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis wordt ten uitvoer gelegd. Daarbij behoort de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.

4.4 [gedaagde] voert aan dat [eisers] niet voldoen aan de voorwaarden voor het schorsen van de werking van het vonnis. Zij hebben niet gesteld dat het vonnis apert onjuist is of dat het vonnis een noodtoestand aan hun zijde zal doen ontstaan.
De kantonrechter begrijpt uit dit verweer dat [gedaagde] betoogt dat [eisers] niet volledig hebben voldaan aan hun stelplicht.
In reactie op dit verweer stellen [eisers] het volgende. Het vonnis zal een noodtoestand aan de zijde van [eiseres 2] doen ontstaan, omdat er beslag op haar bankrekening zal worden gelegd. [naam 1] heeft zich niet gehouden aan de huurkoopovereenkomst die hij met [eiser 1] heeft gesloten en heeft de graafmachine zonder zijn toestemming aan [gedaagde] verkocht. Er was geen sprake van lastgeving tussen hem en [naam 1].
Er is niet gevorderd om [eiseres 2] te veroordelen en [naam 1] is in de zaak bekend onder A.R. No. 19-0078 niet ter verantwoording opgeroepen.

4.5 Uit de hiervoor onder 4.4 door [eisers] gestelde feiten begrijpt de kantonrechter dat zij zich erop beroepen dat het vonnis van de kantonrechter klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust.
Ter zake stelt de kantonrechter het volgende voorop. Teneinde te kunnen concluderen of van een tot schorsing van de executie nopende feitelijke of juridische misslag sprake is, is vereist dat reeds op het eerste gezicht – dus zonder relevant nader feitelijk of juridisch onderzoek – zonder meer duidelijk is dat een feitelijk of juridisch oordeel in een bepaalde rechtsoverweging onjuist is. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter hier geen sprake, omdat hetgeen [eisers] stellen als grieven dienen te worden aangemerkt welke zij in hoger beroep ter beoordeling dienen voor te leggen.

4.6 [eisers] hebben geen feiten gesteld waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat die na het vonnis zijn voorgevallen of aan het licht zijn gekomen dat de executie van het vonnis klaarblijkelijk een noodtoestand aan hun zijde zal doen ontstaan. Al de door hun gestelde feiten zijn reeds in de zaak bekend onder A.R. No. 19-0078 aan de orde geweest en worden dus niet als niet aan het licht voorgevallen feiten geacht.

4.7 Hetgeen onder 4.3 tot en met en 4.6 is overwogen leidt tot de slotsom dat er geen gronden zijn die kunnen leiden tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. Om die reden zullen de gevorderde voorzieningen als ongegrond worden geweigerd.

4.8 [eisers] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
5.1 Weigert de gevorderde voorzieningen.
5.2 Veroordeelt [eisers] in de proceskosten die aan de zijde van [gedaagde] zijn gevallenen tot aan de dag van de uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 30 juli 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S. M.M.Chu,in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2015-20

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 14927

In de zaak van

[appellante],
wonende te [district],
appellante,
hierna te noemen de vrouw,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

[geintimeerde],
wonende te[district] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen de man,
gevolmachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat.
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 8 oktober 2012 AR no. 10-5140 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 7 november 2015

1. Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het proces-verbaal van gehouden enquête d.d. 4 december 2015;
  • de conclusies na gehouden enquête zijdens partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De beoordeling
2.1 Bij tussenvonnis heeft het Hof de vrouw toegelaten om door alle middelen rechtens te bewijzen dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan de man te wijten is.
Ter voldoening aan het voorgaande, heeft de vrouw 2 getuigen doen horen te weten [naam 1] en [naam 2] .
De getuige [naam 1] , heeft – zover van belang aangevoerd:
“Dit alles heeft zich ongeveer 20 jaren geleden afgespeeld. De relatie van pa en ma was helemaal niet meer hoe het wezen moet. Het was meer ruzie dan wat anders……De ruzie tussen ma en pa kon verschillend zijn. Ma heeft onze altijd er buiten willen houden. Achteraf begreep ik van ma dat de ruzies te maken hadden met de buitenechtelijke relaties die pa op na hield. Pa is langer dan 20 jaren uit huis gegaan. Er was een proces van scheiding van tafel en bed. En de rechter had toen beslist dat pa het huis moest gaan. Zover ik weet heeft pa om die reden het huis verlaten…………”.

Naar het oordeel van het Hof is de reden die de vrouw heeft aangevoerd, dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk aan de man te wijten is omdat de man 22 jaar geleden de echtelijke woning heeft verlaten voor een andere vrouw, met achterlating van de vrouw en de toen nog minderjarige kinderen, niet in rechte komen vast te staan. Uit de verklaring van de getuige hiervoor genoemd blijkt dat de man uit huis is gegaan omdat de rechter dat had beslist tijdens een proces van scheiding van tafel en bed en niet vanwege een andere vrouw zoals de vrouw beweerd. Ook uit andere verklaringen die door de getuigen zijn afgelegd is niet te destileren dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is, zoals door de vrouw is aangevoerd. De vrouw is dus niet geslaagd in het leveren van het aan haar opgedragen bewijs. Het verweer van de vrouw ter zake wordt daarom alsnog verworpen.

Het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 8 oktober 2012, bekend onder AR no. 10-5140, zal worden bevestigd met aanvulling van de gronden zoals overwogen in dit vonnis.

2.2 Hiermee komt het Hof terug op de overweging onder 5.2 van het tussenvonnis van 7 november 2014, en wel de laatste volzin te weten dat “het beroepen vonnis zal worden vernietigd”.

2.3 Het hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

3.De beslissing
Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 8 oktober 2012 bekend onder AR no. 10-5140.

Aldus gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-president, mr.R.G.Chatterpal, lid, en mr. R.M. Praag, lid-plaatsvervanger,

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

en bij vervroeging uitgesproken door mr. A. Charan, Fungerend-president, te Paramaribo ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 20 maart 2015 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. C.A. Meijnaar namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van appellante, en advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtigde van geïntimeerde.

 

SRU-HvJ-2014-7

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 14927
In de zaak van

[appellante],
wonende te [district],
appellante,
hierna te noemen de vrouw,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

[geintimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde,
hierna te noemen de man,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat.
inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 8 oktober 2012 A.R.no.10-5140 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde.
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat de vrouw op 2 april 2013 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 6 juni 2014;
  • het antwoordpleidooi d.d. 20 juni 2014;
  • het repliekpleidooi d.d. 4 juli 2014;
  • het dupliekpleidooi d.d. 18 juli 2014.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2.De ontvankelijkheid van het beroep
Gesteld en evenmin is gebleken dat de vrouw niet binnen de gestelde termijn hoger beroep heeft aangetekend tegen het beroepen vonnis, zodat zij ontvankelijk is in het door haar ingestelde beroep.

3. De feiten
3.1 Partijen zijn op 16 januari 1963 te Paramaribo in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.
3.2 Partijen wonen al ettelijke jaren gescheiden van elkaar.
3.3 De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft bij vonnis gedateerd 8 oktober 2012 bekend onder AR no. 10-5140 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, en de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd gelast, met benoeming van een boedelnotaris en onzijdige personen.

4.De vordering in hoger beroep
De vrouw vordert in hoger beroep om het beroepen vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de man af te wijzen als te zijn ongegrond en niet bewezen, dan wel om de vrouw alvorens definitief te beslissen met het bewijs te belasten.

5. De beoordeling
5.1 De vrouw heeft als grief aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte het verzoek tot echtscheiding heeft toegewezen op grond van het feit dat partijen reeds 22 jaren niet meer samenwonen en het de verdeling is die de vrouw zorgen baart, terwijl er geen schijn van verzoening te bespeuren is.
De vrouw betoogt dat zij een beroep heeft gedaan op artikel 263 van het Burgerlijk Wetboek (BW), met name dat zij zich verzet tegen de vordering van de man tot echtscheiding omdat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan hem te wijten is. Ingevolge artikel 263 BW dient dan de vordering tot echtscheiding te worden afgewezen indien de gedaagde echtgenoot het bewijs kan leveren dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de eisende echtgenoot (in casu de man) te wijten is. De vrouw stelt bewijs te hebben aangeboden doch is zij ten onrechte niet in de gelegenheid daartoe gesteld.

5.2 Het Hof constateert dat in de zaak bekend onder AR no. 10-5140 dat de vrouw als verweer tegen de door de man gevorderde echtscheiding heeft aangevoerd dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is, omdat de man 22 jaar geleden de echtelijke woning heeft verlaten voor een andere vrouw, met achterlating van de vrouw en de toen nog minderjarige kinderen. De vrouw heeft in genoemde zaak verder een beroep gedaan op artikel 263 BW en heeft bewijs aangeboden van het door haar gevoerde verweer.
Het Hof overweegt ten aanzien van de grief van de vrouw dat uit het beroepen vonnis blijkt dat de Kantonrechter, heeft nagelaten het verweer van de vrouw te bespreken. Naar het oordeel van het Hof brengt een beroep op artikel 263 BW met zich dat dit verweer onderzocht had moeten worden en zo die gegrond werd bevonden zou dit ingevolge de wet moeten leiden tot afwijzing van de vordering tot echtscheiding. De kantonrechter had dus het verweer niet onbesproken mogen laten. Het verweer van de man dat partijen thans 26 jaren gescheiden leven en er geen uitzicht is op het verlangen naar herstel van de echtelijke samenwoning, gaat niet op bij gebrek van enige wettelijke grondslag hiervoor. Het beroepen vonnis zal op grond van het voorgaande worden vernietigd.

5.3 Nu de vrouw heeft aangevoerd, en erbij blijft dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is, terwijl dit wordt ontkend door de man zal de vrouw het door haar aangeboden bewijs van haar verweer in rechte moeten bijbrengen.
Het Hof zal dan ook dienovereenkomstig beslissen als in het dictum te melden, onder aanhouding van iedere verdere beslissing.

6.De beslissing
6.1 Laat de vrouw toe om door alle middelen rechtens te bewijzen dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan de man te wijten is.

6.2 Roept daartoe de zaak af ter terechtzitting van vrijdag 21 november 2014 te 12.00 uur desmiddags.

6.3 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr.R.G.Chatterpal en mr. R.M. Praag, Leden–Plaatsvervanger en

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-Presisent uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 7 november 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens haar gemachtigde, advocaat mr. M.G.A. Vos en geïntimeerde vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. A.R. Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2015-19

Het Hof van Justitie

Gezien het verzoekschrift ter Griffie van het Hof van Justitie ingediend op 13 maart 2014 door verzoekster in beroep Suriname Industries Holding Company N.V., zijnde de enige aandeelhouder van Surijet.com N.V. en Surimint Refinery N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de [straat] [nummer 1], vertegenwoordigd wordende door haar directeur, de heer [naam 1] , welk verzoekschrift ertoe strekt het besluit van de Handelsregistercommissie (2) d.d. 18 februari 2014, inzake doorhaling van de inschrijving voor wat betreft het adres [straat] [nummer 1] te [district] van SIHCO N.V, Surijet.com N.V. en Surimint Refinery N.V., nietig te verklaren en of te vernietigen;

Gezien het bestreden besluit van de Handelsregistercommissie (2) d.d. 18 februari 2014, welke bij schrijven d.d. 26 februari 2014 ref. [nummer 2] aan verzoekster is betekend en de overige stukken, waarvan de inhoud als letterlijk herhaald en geïnsereerd in deze beschikking wordt aangemerkt;

Overwegende, dat de Handelsregistercommissie (2) tot voormeld besluit is gekomen naar aanleiding van het verzoekschrift van Brominco N.V. d.d. 10 november 2013 betreffende inschrijving van het correcte adres van SIHCO N.V., Surijet.com N.V. en Surimint Refinery N.V., waarbij is gehoord de vertegenwoordiger van de Kamer van Koophandel & Fabrieken, mevrouw [naam 2], en voorts in aanmerking is genomen dat:

  • door de Kamer van Koophandel & Fabrieken een plaatselijk onderzoek is ingesteld op het adres [straat ] [nummer 1] te [district];
  • uit het opgemaakte rapport gebleken is dat op voormeld adres geen bedrijfsactiviteiten worden ontplooid, geen brievenbus aanwezig is, naamborden ontbreken, het niet afgebouwde pand en het terrein er verlaten uitzien en de elektriciteitsvoorziening door EBS is stopgezet;
  • de heer [naam 1] op een uitnodigingsschrijven van de Kamer van Koophandel & Fabrieken ter bespreking van de adressering van voornoemde bedrijven heeft volstaan met een schrijven, waarin hij persisteert bij de bestaande adressering van voornoemde bedrijven;
  • op grond van artikel 20 van de Handelsregisterwet G.B. 1962 no. 182 – het Hof begrijpt dat voor “182” gelezen moet worden “187” – de doorhaling zal worden gelast van de inschrijving voor wat betreft het adres [straat] [nummer 1] te [district] van SIHCO N.V., Surijet.com N.V. en Surimint Refinery N.V.;

Overwegende, dat gesteld en evenmin gebleken is dat verzoekster niet binnen de bij wet bepaalde termijn beroep heeft aangetekend tegen voormeld besluit, zodat zij ontvankelijk is in het door haar ingestelde beroep;
Overwegende, dat verzoekster in Raadkamer van het Hof is gehoord, van welk verhoor proces-verbaal is opgemaakt, en dat verweerster conform het door haar gedane verzoek schriftelijk heeft gereageerd op het verhoor;
Overwegende, dat verzoekster – voor zover van belang – in haar verhoor heeft verklaard, gelijk in haar verzoekschrift is verwoord, in beroep te zijn gegaan tegen voormeld besluit om de volgende redenen:

  • verzoekster is enig aandeelhouder van Surijet.com N.V. en Surimint Refinery N.V.;
  • Surijet.com N.V. is een lege vennootschap, staat ook als zodanig ingeschreven bij de KKF – het Hof begrijpt dat voor “KKF” gelezen moet worden “Kamer van Koophandel en Fabrieken” – en ontplooit geen activiteiten; op 29 januari 2013 is aan de KKF doorgegeven dat Surijet.com N.V. een lege vennootschap is;
  • Surimint Refinery N.V. is een lege vennootschap, staat ook als zodanig ingeschreven bij de KKF en ontplooit geen activiteiten; op 24 oktober 2013 is aan de KKF doorgegeven dat Surimint Refinery N.V. een lege vennootschap is;
  • SIHCO N.V. is niet de officiële naam van verzoekster en evenmin een officiële afkorting; dit gegeven alleen is voldoende om het besluit nietig te verklaren; immers, het besluit betreft SIHCO N.V.; op grond van voormeld besluit echter is het adres van verzoekster, die ook in hetzelfde pand gevestigd is, doorgehaald, hetgeen verkeerd is en grote consequenties heeft; gelet op de doelstellingen van verzoekster, worden er wel degelijk bedrijfsactiviteiten ontplooid, doch voor die bedrijfsactiviteiten zijn slechts vereist een laptop, internetverbinding en een mobiele telefoon alsmede een netwerk van contacten in zowel binnen- als buitenland; verzoekster heeft de afgelopen tijden diverse ondernemingen opgericht en/of daarin deelgenomen; thans is verzoekster executeur testamentair in een omvangrijke boedel alsmede de bewindvoerster in een waterproductiebedrijf;
  • het is voor de activiteiten die verzoekster ontplooit niet van belang of zij elektriciteit in haar pand heeft of niet en of het gras daaromheen wel of niet gewied is, aangezien zij geen publiek over de vloer krijgt; het pand is van verzoekster en het aan de KKF doorgegeven correspondentieadres, postbus 2509 – Paramaribo, is tevens de brievenbus van verzoekster; de ingang van het pand aan de [straat] [nummer 1], dat inderdaad niet is afgebouwd, is aan de [gracht], alwaar door de ijzeren poort een naambord van alle daar geregistreerde bedrijven duidelijk zichtbaar is; de elektriciteitspaal is per abuis door het Ministerie van Openbare Werken tijdens werkzaamheden aan de [gracht] verwijderd, waardoor de EBS de elektriciteitsvoorziening nog steeds dient aan te sluiten;
  • een vestigingsadres, waar men de vennootschap zou moeten kunnen bereiken, is inderdaad een vereiste, doch er wordt niet specifiek gevraagd naar een adres, maar naar een vestigingsplaats, met name in welk district de vennootschap is gevestigd;
  • Brominco N.V., die het verzoek tot correctie van het adres aan de Handelsregistercommissie heeft gedaan, heeft nagelaten voldoende aan de Handelsregistercommissie aan te tonen een belanghebbende te zijn, zoals voorgeschreven in artikel 20 lid 2 van de Handelsregisterwet, en de Handelsregistercommissie heeft nagelaten adequaat te onderzoeken of Brominco N.V. daadwerkelijk een belanghebbende was; aangezien noch Surijet.com N.V. noch Surimint Refinery N.V. activiteiten ontplooit of heeft ontplooid en geen van beide vennootschappen ooit zaken heeft gedaan met Brominco N.V., is er dus geen sprake van belang harerzijds; omgekeerd heeft verzoekster als enig aandeelhouder belang in Brominco N.V.;
  • verzoekster is met Brominco N.V. in rechtszaken verwikkeld en dat is de reden waarom Brominco N.V. met deze actie op rancune uit is;

Overwegende, dat verweerster, bijgestaan door haar procesgemachtigde, mr. A.R. Baarh, zich schriftelijk heeft verweerd, welk verweer erop neerkomt dat:

  • ingevolge artikel 17 van de Handelsregisterwet iedere wijziging van hetgeen betreffende een ingeschreven zaak moet worden opgegeven door degenen die ingevolge artikel 3 van de gelijknamige wet tot opgaaf verplicht zijn;
  • ingevolge artikel 20 van de Handelsregisterwet de Handelsregistercommissie is neergezet als een instantie voor administratief bezwaar, alwaar iedere belanghebbende, inclusief de secretaris van de KKF, een bezwaarschrift kan indienen;
  • in voormeld artikel 20 tevens imperatief is voorgeschreven de door belanghebbenden bij het adiëren van de Handelsregistercommissie in acht te nemen procedure;
  • het Hof bij zijn beschikking d.d. 24 januari 2014 G.R. 14790 inzake Caritrust N.V. ca Financial Services D.M. IV Inc. heeft beslist dat aan de beoordeling door de KKF de beoordeling door de Handelsregistercommissie dient te zijn vooraf gegaan;
  • uit voormeld besluit niet blijkt dat Brominco N.V. eerst het oordeel van de KKF heeft gevraagd, met andere woorden Brominco N.V. heeft de KKF overgeslagen, weshalve Brominco N.V. ingevolge voornoemde beschikking van het Hof niet-ontvankelijk moest worden verklaard door de Handelsregistercommissie;
  • verweerster persisteert bij al hetgeen onder ‘in aanmerking genomen’ van het besluit is verwoord en concludeert verzoekster niet te ontvangen in haar verzoek althans haar deze te ontzeggen als ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat verzoekster in antwoord op het verweerschrift bij repliek persisteert bij haar eerder ingenomen standpunten;

Overwegende, dat verweerster bij dupliek het Buitendienstrapport d.d. 10 december 2013 evenals foto’s van het pand aan de [straat] [nummer 1] heeft overgelegd en daarbij – voor zover van belang – het volgende betoogt:

  • om zaken te doen gebruikt SIHCO diverse brievenhoofden en namen; hierdoor creëert zij zelf de verwarring, waarvan zij beweert slachtoffer te zijn geworden; verweerster verwijst naar het verzoekschrift en het repliek;
  • een belanghebbende kan zich ingevolge artikel 20 lid 2 van de Handelsregisterwet mondeling dan wel schriftelijk tot de KKF wenden voor een ten onrechte of onjuist gedane inschrijving, de beslissing van de KKF is vormvrij en niet aan een termijn gebonden, en de enkele mondelinge mededeling door of vanwege de KKF is voldoende;
  • in de onderhavige zaak heeft Brominco N.V. de KKF eerst mondeling geadieërd en na mondelinge weigering van de KKF gevolg te geven aan het verzoek heeft Brominco N.V. zich tot de Handelsregistercommissie gewend;
    • de Buitendienst van de KKF heeft in opdracht van de Handelsregistercommissie een plaatselijk onderzoek gedaan en dat onderzoek is vastgelegd in het overgelegde rapport d.d. 10 december 2013 van de heer [naam 3];
    • uit het voorgaande blijkt dat de procedure vervat in artikel 20 lid 2 van de Handelsregisterwet in de onderhavige procedure is nageleefd en dat Brominco N.V. belanghebbende is;

    Overwegende, dat verzoekster zich schriftelijk heeft uitgelaten over de conclusie van dupliek en de daarbij overgelegde producties en dat zij onder overlegging van producties heeft gepersisteerd en daarbij aanvoert dat:

    • in het officieel besluit van de Handelsregistercommissie niet de officiële naam van verzoekster is gebruikt, doch een niet-officiële afkorting, namelijk SIHCO N.V.;
    • verweerster er niet in is geslaagd het belang van Brominco N.V. aan te tonen en dat verzoekster belanghebbende van Brominco N.V. is en niet omgekeerd;
    • voor de activiteiten van verzoekster het adres aan de [straat] [nummer 1] adequaat is en dat nergens in de Handelsregisterwet is omschreven waaraan een adres zou moeten voldoen;

    Overwegende, dat verweerster zich schriftelijk heeft uitgelaten over de door verzoekster overgelegde producties en daarbij – voor zover van belang – betoogt dat:

    • uit de beschikking, waarin het besluit van de Handelsregistercommissie is vervat, en de reactie van verzoekster op de uitnodiging van de Handelsregistercommissie ter bespreking van de adressering van de bedrijven, het duidelijk moet zijn dat met SIHCO N.V. niemand en niets anders wordt bedoeld dan verzoekster;
    • Brominco N.V. in en buiten rechte wordt vertegenwoordigd door haar directie, terwijl de aandeelhouders andersoortige rechten hebben en dat verzoekster geen of onvoldoende distinctie tussen de twee entiteiten maakt; zolang de directie van Brominco N.V. de mening is toegedaan dat zij belang heeft bij de genoemde adressen, staan de aandeelhouders daarbuiten;
    • artikel 8 sub 3 van de Handelsregisterwet voorschriften geeft ten aanzien van het adres bepaaldelijk met betrekking tot het huisnummer en dat op het huisnummer geen zaak is aangetroffen;

    Overwegende, dat het Hof voorop stelt dat artikel 8 lid 1 sub 3 van de Handelsregisterwet voorschrijft dat indien een zaak aan een naamloze vennootschap toebehoort, de plaats, de straat, het huisnummer en het district waar de zaak gevestigd is, dienen te worden opgegeven en dat daarbij geen onderscheid is gemaakt tussen een lege vennootschap en een naamloze vennootschap die activiteiten ontplooit; naar het oordeel van het Hof is de strekking van voornoemd wetsartikel dat op het opgegeven adres daadwerkelijk bedrijfsactiviteiten plaatsvinden en minimale voorzieningen – zoals elektriciteit, water, telefoon, fax, internet, bemensing e.d. – aanwezig zijn om een bedrijf te kunnen exploiteren, opdat het bedrijf bereikbaar is voor (toekomstige) klanten, schuldeisers, deurwaarders, de belastingdienst en elke andere potentiële belanghebbende;

    Overwegende, dat verzoekster zelf stelt dat de ingang van het niet-afgebouwde pand aan de Limesgracht is en niet aan de [straat] [nummer 1], alsmede dat het pand niet is aangesloten op het elektriciteitsnet;

    Overwegende, dat nu verzoekster stelt met Brominco N.V. verwikkeld te zijn in rechtszaken, is naar het oordeel van het Hof het belang van Brominco N.V. bij een correct adres van verzoekster in verband met het doen uitbrengen van oproepingen voldoende komen vast te staan; dat aangezien verzoekster enig aandeelhouder is van Surijet.com N.V. en van Surimint Refinery N.V. en beide vennootschappen door dezelfde directeur, de heer [naam 1] , vertegenwoordigd worden en vaststaat dat verzoekster ook enig aandeelhouder is van Brominco N.V., hoewel niet gesteld of gebleken is dat ook Surijet.com N.V. en Surimint Refinery N.V. met Brominco N.V. in rechtszaken verwikkeld zijn, wordt het ervoor gehouden dat Brominco N.V. eveneens belang heeft bij een correct adres van Surijet.com N.V. en van Surimint Refinery N.V.;

    Overwegende, dat verzoekster stelt dat Brominco N.V. niet de in artikel 20 lid 2 van de Handelsregisterwet neergelegde procedure heeft gevolgd, aangezien zij de KKF heeft overgeslagen en de Handelsregistercommissie direct heeft benaderd met haar verzoek; dat verweerster daartegen aanvoert dat Brominco N.V. de KKF eerst heeft benaderd met haar verzoek, doch dat deze daarop negatief heeft beslist, zij het mondeling, waarna het verzoek is gericht aan de Handelsregistercommissie; dat aangezien de Handelsregisterwet niet voorschrijft dat het besluit van de KKF schriftelijk dient te geschieden en verzoekster het door verweerster aangevoerde niet heeft betwist, het ervoor gehouden wordt dat de in artikel 20 lid 2 van de Handelsregisterwet neergelegde procedure door Brominco N.V. is gevolgd;

    Overwegende, dat hoewel de afkorting SIHCO N.V. voorkomt in het briefhoofd van verzoekster, dat zij aanwendt voor het voeren van correspondentie en andere officiële doeleinden, zoals voor de ten processe overgelegde stukken, en het voor verzoekster duidelijk moet zijn geweest dat met SIHCO N.V. in het besluit van 18 februari 2014 van de Handelsregistercommissie bedoeld wordt Suriname Industries Holding Company N.V., had naar het oordeel van het Hof de handelsnaam Suriname Industries Holding Company N.V., zoals voorkomende in het Handelsregister, in voormeld besluit moeten zijn vermeld en kan naar het oordeel van het Hof dit besluit om deze reden niet in stand blijven en zal dit besluit moeten worden vernietigd;

    Overwegende, dat nu de handelsnaam van verzoekster niet correct is vermeld in het besluit van de Handelsregistercommissie, kan dit besluit waarvan beroep niet in stand blijven en zal dit besluit derhalve worden vernietigd;

    Overwegende, dat bespreking van de overige stellingen en weren van partijen als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege zal worden gelaten;

    BESCHIKKENDE:

    Vernietigt het besluit tot doorhaling van de inschrijving voor wat betreft het adres [straat] [nummer 1] te [district] gegeven door de Handelsregistercommissie (2) op 18 februari 2014, waarvan beroep.

    Aldus gegeven door mr. D.D. Sewratan, Fungerend–President, mr. A. Charan, Lid en mr. G.L. de Miranda,Lid-Plaatsvervanger

    w.g. D.D. Sewratan

    en door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 mei 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

    w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

    Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, de heer [naam 1], gemachtigde van verzoekster en advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtigde van verweerster.

     

SRU-HvJ-2015-18

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

[appellante],
wonende te [district 1],
appellante,
hierna aangeduid als ”de vrouw”,
gemachtigde: mr. A.E. Telting, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district 1],
geïntimeerde,
hierna aangeduid als ”de man”,
gemachtigde: mr. H.R. Derby, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 02 december 2009 (A.R. No. 09-2888) tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in de Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat de vrouw op 09 december 2009 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 17 oktober 2014;
  • de antwoordpleitnota d.d. 05 december 2014;
  • de repliekpleitnota d.d. 19 december 2014;
  • de dupliekpleitnota d.d. 16 januari 2015.

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

Ontvankelijkheid in hoger beroep
Uit de verklaring van de griffier der kantongerechten d.d. 09 december 2009 blijkt dat de vrouw op 09 december 2009 hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van 02 december 2009. Op de dag van de uitspraak was de vrouw ter terechtzitting aanwezig. Gebleken is dat het door de vrouw ingestelde hoger beroep binnen de bij wet gestelde termijn is geschied. Derhalve zal de vrouw worden ontvangen in het hoger beroep

De beoordeling
De in rechtsoverweging 2 van het bestreden vonnis vermelde feiten, waartegen geen grieven zijn gericht of anderszins bezwaar is gemaakt, dienen ook in hoger beroep tot uitgangspunt. Het gaat in dit geding om het volgende.

1.1 Op 03 mei 1994 zijn partijen in het [district 2] in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

1.2 Uit dit huwelijk zijn kinderen geboren. De kinderen zijn thans meerderjarig.

1.3 In eerste aanleg heeft de vrouw gevorderd:

  • de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, in algehele gemeenschap van goederen gehuwd op 03 mei 1994 in het Ressort geh. [district 2] akte [nummer];
  • een bijdrage van SRD 400,- per maand aan haar toe te kennen om in haar dagelijkse levensonderhoud te kunnen voorzien.

1.3.1 De vrouw heeft ter onderbouwing van haar vordering aangevoerd dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht, wegens frequente onderlinge ruzie waardoor partijen niet meer samenwonen.
Voorts dat zij momenteel behoeftig is, omdat zij niet in haar dagelijkse levensonder–houd kan voorzien.

1.3.2 Tegen de man die behoorlijk was opgeroepen en niet was verschenen, is verstek verleend. Hij is door de kantonrechter bij verstek veroordeeld. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter het volgende beslist:

”5.1 Spreekt uit de echtscheiding tussen:
[geïntimeerde], en
[appellante],
gehuwd op 3 mei 1994 in het [district 2] .

5.2 Veroordeelt de man om maandelijks aan de vrouw ter voorziening in haar levensonderhoud te betalen voor de periode van 1 jaar het bedrag van SRD. 400,= (vierhonderd Surinaamse Dollar), ingaande de datum van inschrijving van het echtscheidingsvonnis in de registers van de Burgerlijke Stand.

5.3 Wijst af hetgeen meer of anders gevorderde.

1.4 De vrouw concludeert in het hoger beroep tot vernietiging van het bestreden vonnis d.d. 02 december 2009 met A.R. No. 09-2888, althans het gedeelte onder 5.2 hiervan, en opnieuw rechtdoende:

  • de bijdrage ad SRD 400,- toe te wijzen voor een onbepaalde periode;
  • de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap alsnog toe te wijzen met benoeming van een boedelnotaris en onzijdige personen ingevolge de wet;
  • veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

Daartoe voert de vrouw de twee hierna volgende grieven aan:

1) De kantonrechter diende ook de scheiding en deling van de huwelijksgoederen–gemeenschap te bevelen, hetgeen niet is gebeurd. Hierdoor is ook geen boedel–notaris aangewezen en zijn evenmin onzijdige personen aangewezen.

2) De kantonrechter heeft de alimentatie slechts voor een jaar toegewezen, terwijl alimentatie was gevorderd zonder een termijn welke daaraan zou moeten worden verbonden. De kantonrechter heeft zijn beslissing om de alimentatie tot een jaar te beperken ook niet gemotiveerd.

1.5 Ten aanzien van de eerste grief heeft de man aangevoerd dat de vrouw uitgaat van een onjuist standpunt, omdat zij niet heeft gevorderd ”de ontbinding van het huwelijk met alle wettelijke gevolgen van dien”. Voorts is, aldus het betoog van de man, de vrouw altijd vrij een verzoek tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap bij de kantonrechter in te dienen.

1.5.1 Zoals het Hof de man begrijpt, beroept hij zich erop dat de kantonrechter de scheiding en deling niet kon toewijzen omdat het niet gevorderd is.
Naar het oordeel van het Hof gaat de man uit van een juist standpunt, omdat volgens de algemene regels van het procesrecht de kantonrechter niet meer kan toewijzen dan gevorderd is. De vrouw stelt evenwel dat de kantonrechter op grond van artikel 52 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verplicht is rechtsgronden aan te vullen, doch neigt datgene wat de vrouw aanvoert richting het in het petitum lezen van wat zij wenst te vorderen en niet richting aanvulling van rechtsgronden. In dat licht brengt het Hof de vrouw in herinnering dat bij aanvulling van rechtsgronden de kantonrechter door middel van uitleg een juridische structuur aanbrengt in de stellingen van partijen. Het in het petitum lezen van datgene dat de vrouw wenst te vorderen, moet kunnen worden gerechtvaardigd door de feiten die zij in het inleidend verzoekschrift heeft gesteld. Het Hof constateert dat de vrouw ter zake de huwelijksgoederengemeen–schap niets heeft gesteld. Met name heeft zij niet gesteld dat de man zal weigeren mee te werken aan de scheiding en deling. Om die reden is er geen ruimte om het petitum zodanig te lezen dat de scheiding en deling wordt mede gevorderd. In dit specifiek geval zou het lezen van het petitum als zou de scheiding en deling zijn mede gevorderd, in strijd zijn met de beginselen van een goede procesorde.
Daarom zal het Hof de eerste grief van de vrouw verwerpen.

1.6 Ten aanzien van de tweede grief werpt de man op dat de vrouw na de uitspraak van het vonnis waarvan beroep, in bodemprocedure een vordering tot alimentatie in de zaak bekend onder A.R. No. 10-1414 tegen de man heeft ingesteld. In die zaak is de man bij beschikking d.d. 07 februari 2011 door de kantonrechter veroordeeld om met ingang van 01 maart 2011 maandelijks het bedrag van SRD 30O,-, zijnde alimentatie, aan de vrouw uit te keren. Dit bedrag ontvangt de vrouw maandelijks van de man.
Deze stelling heeft de vrouw niet betwist, hetgeen het Hof tot het oordeel brengt dat de vrouw het hiervoor vermelde bedrag maandelijks voor onbepaalde tijd van de man ontvangt.
Anders dan de vrouw is het Hof van oordeel dat de kantonrechter het vonnis wel voldoende heeft gemotiveerd. Daarbij neemt het Hof in overweging dat de man bij verstek is veroordeeld en de vrouw ter zake de gevorderde alimentatie zelf als grondslag heeft gesteld dat zij momenteel behoeftig is en het dus vanzelfsprekend is dat alimentatie voor bepaalde duur zou worden toegewezen. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot verwerping van de tweede grief van de vrouw.

1.7 Uit de verwerping van beide grieven vloeit voort dat het bestreden vonnis zal worden bevestigd, onder aanvulling van de gronden.

1.8 De vrouw zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van de man gevallen.

De beslissing
Het Hof:
Bevestigt het bestreden vonnis van 02 december 2009 in de zaak bekend onder A.R. No. 09-2888, onder aanvulling van de gronden zoals overwogen onder 1.7.
Veroordeelt de vrouw in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van de man gevallen en begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid, en mr. A.C. Johanns,Lid-Plaatsvervanger, en

w.g. S.M.M. Chu

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 06 november 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. D.D. Sewratan w.g. S.C. Berenstein

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat R.M.E. Wittenberg LL.M. namens advocaat mr. A.E. Telting, gemachtigde van appellante, en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat mr. H.R. Derby, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2015-17

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellante],
wonende te [district],
appellante,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende in [land],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. J.F. Echteld, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 17 mei 2011 (A.R.NO. 074847) tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiseres,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk [appellante] en [geïntimeerde].

1.Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • Het schrijven van de advocaat van appellante gedateerd 25 oktober 2011 – ingekomen ter griffie van het hof op 28 oktober 2011– waaruit blijkt dat appellante hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 17 mei 2011;
  • De pleitnota de dato 02 augustus 2013;
  • De antwoordpleitnota, onder overlegging van een productie, overgelegd de dato 06 december 2013;
  • De repliekpleitnota en uitlating productie de dato 17 januari 2014;
  • De dupliekpleitnota de dato 21 maart 2014;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 15 augustus 2014 doch nader op heden;

2.De beoordeling
2.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat [appellante] zal worden veroordeeld om aan haar te betalen Euro 1.204 plus SRD 1.630,-, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar.

2.2. De kantonrechter heeft bij vonnis van 17 mei 2011 [appellante] veroordeeld tot betaling van Euro 1.204,- en SRD. 1.430,-. Voorts is het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is [appellante] in de kosten van het geding aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, veroordeeld. Het meer of anders gevorderde is afgewezen;

2.1 [appellante] heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsman bij schrijven gedateerd 25 oktober 2011 – ingekomen ter griffie van het hof op 28 oktober 2011 – appèl aangetekend tegen het vonnis van 17 mei 2011. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest. De aangetekende dienstbrief zijdens de griffier is gedateerd 21 oktober 2011. Gelet op het voorgaande heeft [appellante] ingevolge het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep;

2.2.[appellante] heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende – ook in hoger beroep – vast tussen partijen:
2.2.1 Partijen hebben een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, betreffende de woning gelegen te Paramaribo aan de [adres]. De huurprijs bedroeg Euro 135,- per maand. [geïntimeerde] is de verhuurster en [appellante] de huurster.
2.2.2 Op 30 oktober 2007 heeft [appellante] de litigieuze woning ontruimd.

2.3 Naast voormelde vaststaande feiten heeft [geïntimeerde] – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep ten aanzien van [appellante] van belang – aan haar vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat [appellante] de huur onregelmatig betaalt getuige het feit dat zij vanaf de maand januari 2007 niet meer heeft voldaan aan haar betalingsverplichtingen, echter met uitzondering van 18 april – en 02 juni 2007 waarbij zij respectievelijk 100 – om 50 Euro heeft gestort, aldus t/m de maand oktober 2007 een saldo latende van Euro 1.240,-.

2.4 [appellante] heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – aangevoerd dat zij ontkent enige betalingsachterstand te hebben, daar [geïntimeerde] duidelijk aan haar heeft medegedeeld dat zij geen huur meer hoeft te betalen, mits zij de woning ontruimt. Dit heeft [appellante] gedaan in oktober 2007 omdat de woning die zij bezig was te bouwen reeds af was en zij haar intrek daarin kon nemen. [appellante] is dus geen enkel bedrag van € 1.240,- aan [geïntimeerde] verschuldigd.

2.5. In hoger beroep concludeert [appellante] tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en tot alsnog ontzegging van de vordering aan [geïntimeerde] casu quo haar in haar vordering niet te ontvangen.

2.6 Daartoe heeft [appellante] als grief tegen voormeld vonnis aangevoerd – kort samengevat en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang- dat de beoordeling van de kantonrechter geen deugdelijke basis heeft aangezien de kantonrechter bevoegd was om een der partijen een bewijsopdracht op te leggen. Maar afgezien daarvan kan [geïntimeerde] geen achterstallig huur meer vorderen, daar deze vordering ingevolge de wet reeds lang is verjaard. [appellante] blijft er bij dat zij met [geïntimeerde] de afspraak had gemaakt dat bij ontruiming zij geen huur meer behoefde te betalen. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij ten onrechte is veroordeeld tot betaling van de deurwaarderskosten, gerechtelijke – en buitengerechtelijke kosten aangezien de overeenkomst door de ontruiming reeds was ontbonden en [geïntimeerde] haar nodeloos in de kosten heeft gejaagd, daar artikel 9 van de overeenkomst geen toepassing meer vond.

2.7 [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop – in het hierna volgende voor zover voor de beslissing van belang – terug komen;

2.8 [geïntimeerde] heeft als formeel verweer aangevoerd dat alhoewel [appellante] binnen de wettelijke termijn hoger beroep heeft aangetekend, het ruim twee jaren heeft geduurd aleer zij haar pleitnota heeft ingediend. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij niet op de door de wet bepaalde wijze is opgeroepen om in hoger beroep te verschijnen. Gelet op het voorgaande heeft zij – althans zo vat het hof dat op – de niet – ontvankelijkheid van [appellante] bepleit. Naar het oordeel van het hof gaat het door [geïntimeerde] aangevoerd formeel verweer niet op.

2.9 Allereerst staat er in zijn algemeenheid geen sanctie op het laat indienen van een pleitnota en is het appointeringsbeleid een aangelegenheid van het hof, waar [appellante] geen invloed op kan uitoefenen. Met betrekking tot de wijze van oproeping van [geïntimeerde] om op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen blijkt uit het ten processe overgelegd oproepingsexploit de dato 13 maart 2013, no. 188, afkomstig van deurwaarder Tjanderdewkoemar Jhagroe, dat dat op rechtens juiste wijze is geschied. Gelet op al het voorgaande zal het door of namens [geïntimeerde] aangevoerd formeel verweer worden verworpen.

2.10 Het hof zal ingaan op de aangevoerde grief. Dienaangaande overweegt het hof dat uit de gedingstukken in eerste aanleg blijkt dat de kantonrechter in haar vonnis, onder meer, het navolgende heeft overwogen (citaat): “Gedaagde voert aan dat eiseres met haar had afgesproken dat indien zij de woning ontruimt, zij geen huur hoefde te betalen. Nu zij de woning van eiseres heeft ontruimd, is zij niets aan eiseres verschuldigd. Eiseres weerspreekt met gedaagde te zijn overeengekomen dat zij geen huur meer hoefde te betalen indien zij de woning zou ontruimen en stelt daartoe dat gedaagde zich op 10 oktober 2007 op kantoor bij de deurwaarder L. Gangaram Panday had aangemeld en medegedeeld dat zij pas in maart-april 2008 de achterstallige huur zou betalen, doch dat eiseres hiermede niet akkoord is gegaan. Desondanks blijft gedaagde in haar verweer volharden dat partijen wel zijn overeengekomen dat zij geen huur meer behoefde te betalen, zonder echter op het gemotiveerd verweer van eiseres het bewijsaanbod ter zake te doen. In stede daarvan voert gedaagde dat eiseres dient te bewijzen dat zij, gedaagde nog huurpenningen verschuldigd is. Daar het verweer van gedaagde niets anders inhoudt dan een betwisting van de stelling van eiseres, lag het op de weg van gedaagde te bewijzen dat partijen zijn overeengekomen dat zij geen huur hoeft te betalen als zij de woning had ontruimd. Nu gedaagde geen specifiek bewijsaanbod ter zake heeft gedaan zal de kantonrechter het ervoor moeten houden dat gedaagde nog achterstallig huur ad Euro 1.204,- aan eiseres verschuldigd is, zodat de vordering ter zake zal worden toegewezen.” (einde citaat). Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter terecht het voorgaande overwogen. Immers staat tussen partijen vast dat zij met elkaar een huurovereenkomst met betrekking tot de desbetreffende woning zijn aangegaan tegen een huurprijs van Euro 135,- per maand. Dat [appellante] vanaf januari 2007 de huur niet heeft betaald en per eind oktober 2007 de woning heeft ontruimd staat eveneens vast tussen partijen. Waar partijen met elkaar van mening over verschillen betreft het antwoord op de vraag of [appellante] over de periode januari 2007 tot en met oktober 2007 huurpenningen verschuldigd was aan [geïntimeerde]. [appellante] vindt dat zij met [geïntimeerde] had afgesproken dat indien zij zou ontruimen, zij geen huurpenningen meer behoefde te betalen terwijl [geïntimeerde] categorisch ontkent voormelde afspraak met [appellante] gemaakt te hebben.

2.11 [geïntimeerde] heeft ter staving van het tegendeel van de stelling van [appellante] een productie gedateerd 09 september 2006 in het geding gebracht (afkomstig van Hentimo Administratie-, Advies, en Bemiddelingskantoor). De inhoud van voormelde productie alsmede de daarop prijkende handtekening van [appellante] zijn door laatstgenoemde bloot ontkend terwijl zij – ook in hoger beroep- heeft nagelaten een gespecificeerd bewijsaanbod te doen ter zake van de door haar geponeerde stelling dat overeengekomen was dat – indien zij zou ontruimen – zij geen huur meer behoefde te betalen. Daarenboven heeft zij niet ontkend de stelling van [geïntimeerde] dat [appellante] op 18 april 2007 en 02 juni 2007 respectievelijk het bedrag van Euro 100 om Euro 50 heeft gestort, zodat dat in rechte is komen vast te staan. Het voorgaande staat – naar het oordeel van het hof – op gespannen voet met hetgeen [appellante] heeft aangevoerd en dat ertoe strekt dat afgesproken was dat zij geen huur meer behoefde te betalen. Immers rijst dan de vraag wat de ratio van voormelde betalingen dan zou zijn geweest. Nu [appellante] noch in eerste aanleg noch in hoger beroep een gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan terwijl dat op haar weg had gelegen, aangezien zij zich op een bevrijdend rechtsfeit beroept, bestaat er naar het oordeel van het hof geen behoefte om [appellante] ambtshalve met het bewijs daarvan te belasten. Aan het bloot aangevoerde verweer zijdens [appellante] dat het vorderingsrecht van [geïntimeerde] zou zijn verjaard zal het hof voorbij gaan aangezien dat niet feitelijk is onderbouwd.

2.12 Met betrekking tot hetgeen [appellante] heeft aangevoerd betreffende de deurwaarders-, gerechtelijke – en buitengerechtelijke kosten oordeelt het hof dat dat tussen partijen is overeengekomen en dat de kantonrechter derhalve terecht heeft overwogen en beslist dat dat dient te worden betaald door [appellante]. Aan het voorgaande doet de ontruiming door [appellante] niet af. Evenwel blijkt de kantonrechter zich kennelijk te hebben vergist met betrekking tot de hoogte van het gevorderd bedrag. De kantonrechter heeft het geldbedrag van SRD. 1.430,- toegewezen in stede van het gevorderd bedrag ad SRD. 1.630,- en heeft ter rechtvaardiging daarvan in het vonnis geen beweegreden aangegeven. Het voorgaande leidt naar het oordeel van het hof tot de slotsom dat het kennelijk een vergissing betreft zodat het vonnis van de kantonrechter op dat punt ambtshalve dient te worden vernietigd en opnieuw rechtdoende het oorspronkelijk gevorderd bedrag dient te worden toegewezen.

2.13 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de opgeworpen grief dient te worden verworpen en het beroepen vonnis voor het overige dient te worden bevestigd.

2.14 [appellante] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis;

3.De beslissing in hoger beroep
Het hof:
3.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 17 mei 2011, A.R. no. 074847, voor wat betreft punt 5.2. daarvan.

En opnieuw rechtdoende:

3.2 Veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] te betalen SRD. 1.630,- (Eenduizend en Zeshonderd en Dertig Surinaamse Dollar), zijnde de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten.

3.3 Bevestigt voor het overige het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 17 mei 2011, A.R.No. 074847, waarvan beroep, onder aanvulling van de beoordeling als hiervoor onder 2.9 en 2.10. aangegeven;

3.4 Veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en mr. A.C.Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 17 april 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend–Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat mr.F.F.P.Truideman, gemachtigde van appellante, terwijl geïntimeerde noch in person noch bij gemachtigde is verschenen.

 

SRU-HvJ-2015-16

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
A. [appellant sub A],
B. [appellante sub B],
beiden wonende in het [district],
appellanten, hierna gezamenlijk aangeduid als “[appellanten]”,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

tegen

[geintimeerde],
wonende te [stad], [land],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “[geintimeerde]”,
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 2 augustus 2010 (A.R. no. 091402) tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellanten] als gedaagden,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het op 20 juni 2014 bij vervroeging tussen partijen gewezen tussenvonnis.

Het verder procesverloop in hoger beroep
1.1 Het verder procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het proces-verbaal van het op 5 december 2014 gehouden getuigenverhoor.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De verdere beoordeling
2.1 Bij tussenvonnis van 20 juni 2014 is [geïntimeerde] toegelaten om door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen, te bewijzen dat er tussen partijen een huurovereen-komst heeft bestaan ten aanzien van de woning gelegen aan de [adres], alsmede welke huursom daarvoor is afgesproken.
Uit het proces-verbaal van het getuigenverhoor blijkt dat geen getuigen zijn opgebracht.
[geïntimeerde] heeft evenmin op andere wijze het hem opgedragen bewijs van zijn stellingen bijgebracht. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat niet is komen vast te staan dat er tussen partijen een huurovereenkomst heeft bestaan ten aanzien van de woning gelegen aan de [adres], zodat de door [geïntimeerde] gevorderde huursommen niet toewijsbaar zijn. Hetgeen in het bestreden vonnis onder 3.1 en 3.3 is besloten zal derhalve worden vernietigd.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
3.1 Vernietigt de besluiten genomen onder 3.1 en 3.3 van het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 2 augustus 2010 (A.R. no. 091402), waarvan beroep.
3.2 Bevestigt het onder 3.1 genoemd vonnis voor het overige.
Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. J.M. Jensen, Leden-Plaatsvervanger, en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 maart 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. E.Naarendorp, gemachtigde van appellanten, en geïntimeerde vertegenwoordigd doorzijn gemachtigde advocaat mr. S. Marica, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2014-6

HET HOF VAN JUS1TITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. [appellant sub A],
B. [appellante sub B],
beiden wonende in het [district],
appellanten, hierna gezamenlijk aangeduid als “[appellanten]”,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [stad], [land],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “[geïntimeerde]”,
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 2 augustus 2010 (A.R. 091402) tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellanten] als gedaagden,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellanten] op 2 november 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de memorie ex artikel 271 d.d. 26 november 2010, met producties;
  • de memorie van antwoord d.d. 3 augustus 2012;
  • de pleitnota d.d. 5 oktober 2012;
  • de antwoordpleitnota d.d. 2 november 2012;
  • de repliekpleitnota d.d. 18 januari 2013;
  • dupliekpleitnota met producties d.d. 15 maart 2013;
  • de nota ter uitlating producties zijdens [appellanten].

1.2 Het vonnis is nader bepaald op heden.

De ontvankelijkheid
2.1 [appellanten] zijn niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak. Het vonnis is bij griffiersbrief van 26 oktober 2010 aan partijen toegezonden. [appellanten] heeft bij schrijven van hun gemachtigde op 2 november 2010 appèl aangetekend.

2.2 Gelet op het voorgaande heeft [appellanten] tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de termijn van dertig dagen na dagtekening van de dienstbrief van de griffier der kantongerechten is geschied, zodat zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De procedure in eerste aanleg
3.1 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg –zakelijk weergegeven – gevorderd:
A. de tussen partijen bestaande huurovereenkomst te ontbonden, althans voor ontbonden te verklaren;
B. [appellanten] te veroordelen om binnen 1 week na het te wijzen vonnis de woning aan de [adres] te [district] te ontruimen;
C. [appellanten] te veroordelen, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om maandelijks te rekenen van 1 maart 2005 tot en met december 2006 aan hem te betalen de som van € 200,=, zijnde de maandelijks verschuldigde huurpenning en te rekenen van 1 januari 2007 tot aan de maand der algehele ontruiming de som van € 350,= zijnde de verschuldigde huurpenning over deze periode;
D. de som van € 750, zijnde de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten zoals overeengekomen.
3.2 De Kantonrechter heeft in zijn vonnis van 2 augustus 2010 de vordering, met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke kosten, toegewezen, zodanig dat [appellant sub A] binnen 1 maand na betekening van het vonnis de woning aan de [adres] diende te ontruimen.

De vordering en de grieven
4. [appellanten] concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot ontzegging van de vordering als zijnde ongegrond en onbewezen. [appellanten] heeft ter onderbouwing daarvan gesteld dat zij geen huurovereenkomst hebben gesloten met [geïntimeerde] en op hen dus geen verplichting rust tot betaling van huurpenningen. Zij zijn in oktober 2005 in de woning getrokken omdat [geïntimeerde] hen het dringend verzoek daartoe gedaan had; zij moesten de woning beheren en renoveren, hetgeen zij hebben gedaan.
Zij hebben de woning inmiddels ontruimd zodat enig daarop gericht vonnis onnodig is.

De beoordeling

De ontruiming
5.1 Het Hof oordeelt dat nu na het tussen partijen in eerste aanleg gewezen vonnis [appellanten] de woning heeft ontruimd, zodat er geen aanleiding toe bestaat dit deel van het in eerste aanleg gegeven besluit te vernietigen. Immers, voor de bewoning door [appellant sub A] is door elk van de partijen een andere grond aangedragen:
a. [appellanten] hebben in hoger beroep aangevoerd dat zij de woning in gebruik hebben gekregen van [geïntimeerde]. Dit zou tot gevolg hebben dat het gebruik door [geïntimeerde] is opgezegd en [appellanten] zonder recht of titel de woning bewoonden, zodat in eerste aanleg de ontruiming terecht is bevolen.
b. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gesteld dat [appellanten] op basis van een huurafspraak in de woning verbleven. Dit zou tot gevolg hebben dat de huurovereenkomst door [geïntimeerde] is opgezegd en door de kantonrechter in eerste aanleg is ontbonden, waarna terecht de ontruiming van de woning is gelast.
Geoordeeld wordt dat ook dat in eerste aanleg de ontruiming terecht is gelast, zodat dit deel van de beslissing zal worden bevestigd.

De grondslag voor bewoning
5.2 Tussen partijen is in geding op welke grondslag [appellanten] de betreffende woning hebben bewoond: gebruik dan wel een huurovereenkomst.
[geïntimeerde] heeft in beide instanties gesteld dat hij een huurafspraak heeft met [appellanten] [appellant sub A] heeft dit gemotiveerd betwist.
Aangezien [geïntimeerde] heeft verklaard dat hij het bewijs wenst te leveren dat er een huurovereenkomst bestond tussen partijen, zal hij in de gelegenheid daartoe worden gesteld.
Het Hof constateert daarbij dat in de door [geïntimeerde] overgelegde producties die zijns inziens het bestaan van de huurafspraak ondersteunen, verschillende bedragen worden genoemd voor de verschuldigde huur:
– in het e-mail bericht van [geïntimeerde] dd. 7 november 2007 gericht aan [appellanten] staat vermeld “Want zoals besproken is vind ik het betalen van huur vanaf maart 2005 (€ 200 p/m) een redelijk bedrag, vanaf januari 2007 is afgesproken dat er € 325 huur betaald zou worden”.
– in het e-mail bericht van [geïntimeerde] dd. 25 november 2007 gericht aan [appellanten] staat vermeld “Jullie hadden toestemming voor een periode van 4 mnd te blijven, dat is dus t/m feb 2005, vanaf die datum zou ik dus € 200 p/m redenen dit t/m december 2006. Vanaf janauari 2007 zou er € 350 betaald worden”.
– in de verklaring van [naam 1] d.d. 25 juni 2008 staat onder de tussen partijen gemaakte afspraken vermeld “Zij zou huur gaan betalen ad € 150 per maand vanaf maart 2005.
– in de verklaring van [naam 2] d.d. 30 januari 2013 staat onder de tussen partijen gemaakte afspraken vermeld “dat ze huur zou gaan betalen vanaf 1 maart 2005 a € 150.00 per maand. Dit tot 1 januari 2007. Daarna zou er € 350 betaald gaan worden tot de datum van overdracht.
Vanwege de geconstateerde discrepantie en de betwisting zijdens [appellanten] zal [geïntimeerde] tevens dienen te bewijzen welk bedrag aan huur verschuldigd was.

5.3 Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden.

De beslissing in hoger beroep
Het hof:
6.1 Stelt [geïntimeerde] in de gelegenheid door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen, te bewijzen dat er tussen partijen een huurovereenkomst heeft bestaan ten aanzien van de woning gelegen aan de [adres] , alsmede welke huursom daarvoor is afgesproken.

6.2 Bepaalt, dat het getuigenverhoor ter fine van het voorgaande zal worden gehouden op de terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 01 augustus 2014 te 10:30 uur, ten overstaan van een Rechter-Commissaris, als hoedanig hierbij wordt benoemd, mr.D.D.Sewratan, Fungerend-President van dit Hof;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr.A.C. Johanns,Lid-Plaatsvervanger en bij vervroeging door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 juni 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens hun gemachtigde, advocaat mr. E. Naarendorp en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens zijn gemachtigde, advocaat mr. S. Marica, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.