SRU-aa–2208

KANTONGERECHT

Vonnisnummer: 52
Datum uitspraak: 31 januari 2022
Tegenspraak
Raadslieden: mr. B. Pick en mr. R. Tjong A Joe

VONNIS
van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo, in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte:

De verdachte is in persoon verschenen en wordt bijgestaan door zijn raadslieden als hierboven voornoemd, advocaten bij het Hof van Justitie.

KROMOSOETO, GINMARDO BUDIONO
Geboren op [datum] te [district]
Van beroep bankier
Wonende aan de [adres] te [district].

De verdachte is in persoon verschenen en wordt bijgestaan door zijn raadslieden als hierboven voornoemd, advocaten bij het Hof van Justitie.

HET ONDERZOEK VAN DE ZAAK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 december 2020, 12 januari 2021, 26 januari 2021, 9 februari 2021, 30 maart 2021, 29 april 2021, 25 mei 2021, 29 juni 2021, 13 juli 2021, 17 augustus 2021, 15 oktober 2021 en 22 december 2021 en 31 januari 2022.

De Kantonrechter heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officier van justitie mr. C. Klein – Jules, van hetgeen verdachte en zijn raadslieden mr. R. Tjong A Joe en mr. B. Pick naar voren hebben gebracht en hetgeen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen is gebleken.

DE GELDIGHEID VAN DE DAGVAARDING
De dagvaarding voldoet aan de wettelijke vereisten van artikel 242 van het wetboek van Strafvordering en is derhalve geldig.

DE BEVOEGDHEID VAN DE KANTONRECHTER
Krachtens de wettelijke bepalingen is de kantonrechter bevoegd om van het ten laste gelegde kennis te nemen.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE
De verdediging stelt zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in haar vordering omdat de vervolging van verdachte is ingesteld krachtens artikel 13 van de Anti Corruptiewet en de Commissie als bedoeld in artikel 2 van voormelde wet nog niet ingesteld was ten tijde dat verdachte in verzekering werd gesteld. De melders ex artikel 1 van de Anti Corruptiewet kunnen meldingen van misstanden doen bij deze commissie en de commissie kan deze meldingen vervolgens doorgeleiden naar de Procureur – Generaal. De wetgever heeft hiermee beoogd dat geregistreerde gevallen worden onderzocht en dat daarbij rekening wordt gehouden met het opportuniteitsbeginsel. Ten tijde van de brief van 28 januari 2020 was er nog geen commissie ingesteld en hebben de melders zich rechtstreeks gewend tot de Procureur – Generaal. Noch uit het politioneel onderzoek noch uit het GVO is gebleken dan wel is komen vast te staan, dat de in de Anti Corruptie Wet genoemde commissie, corruptie heeft vastgesteld en dat er naar aanleiding daarvan een strafrechtelijk onderzoek is verzocht. In casu is derhalve in strijd gehandeld met de Anti Corruptie Wet. Verder blijkt uit geen van de in de dagvaarding genoemde feiten dat aan verdachte het verwijt wordt gemaakt dat hij door het aannemen van een gift, dienst of belofte misbruik heeft gemaakt van zijn functie door iets te doen of na te laten waarbij hij of een ander onrechtmatig voordeel hebben gekregen. Derhalve dient het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard dan wel dient de verdachte Kromosoeto ontslagen te worden van alle rechtsvervolging.

De officier van justitie stelt daartegenover het volgende. Onze strafrechtwetgeving geeft duidelijk aan op grond van welke bepalingen er een strafrechtelijk onderzoek dan wel een vervolging kan worden ingesteld door het Openbaar Ministerie. Ook blijkt nergens in de Anti Corruptie Wet dat het hebben van een Commissie de noodzakelijke voorwaarde is om een strafrechtelijke vervolging in te stellen, noch kan ergens uit worden afgeleid dat de wet niet uitvoerbaar is zonder instelling van de anti-corruptie Commissie. Ook is dat niet af te leiden uit de Memorie van Toelichting. De Commissie als bedoeld in de Anti Corruptiewet heeft slechts taken m.b.t. regulering en monitoring van het preventiebeleid. Het verband dat de verdediging probeert te leggen tussen het installeren van de anti-corruptie Commissie en het instellen van een strafrechtelijk onderzoek op grond van artikel 13 van de Anti Corruptie Wet snijdt dan ook geen hout.

Vaststaat dat het strafrechtelijk onderzoek werd aangevangen nadat er aangifte is gedaan door functionarissen van de CBvS, in opdracht van de gewezen minister van Financiën. Conform de regels van het Wetboek van Strafvordering – in casu art. 113 Sv – heeft de Procureur Generaal instructies gegeven tot het verrichten van een onderzoek. Artikel 18 van de Anti Corruptie Wet vermeldt dat bepalingen als bedoeld in het 1ste en 2de lid van artikel 17 van dezelfde wet worden gekwalificeerd als misdrijven en is het Openbaar Ministerie dan ook bevoegd tot het vervolgen van gepleegde strafbare feiten (zie art 3 Wet RIS). Bovendien staat in de M.v.T. van voormelde wet op pagina 28 het volgende: “De (repressieve) bestrijding van corruptie en de bepaling van de opportuniteit van de opsporing en vervolging in corruptiezaken valt onder de exclusieve bevoegdheden van het Openbaar Ministerie en de Procureur-generaal.” Voorts verwijst de M.v.T. op pag. 31 naar strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht die aanvankelijk zouden worden opgenomen in de Anti – Corruptiewet en vermeldt: ‘’Deze vernieuwing van de bestaande bepalingen met betrekking tot anti-corruptie in het herziene Wetboek van Strafrecht waren aanvankelijk onderdeel van deze wet. Aangezien het herziene Wetboek van Strafrecht reeds eerder de goedkeuring heeft verkregen van De Nationale Assemblée, zijn bedoelde verruimde anti-corruptie bepalingen uiteraard niet meer opgenomen in deze wet.’’ Op grond hiervan houdt de stelling van de verdediging geen stand en moet daaraan worden voorbijgegaan.

Het oordeel van de Kantonrechter
De officier van justitie heeft de door de verdediging opgeworpen formele verweren gemotiveerd weersproken zoals hierboven is vermeld. De kantonrechter komt tot het oordeel dat de verweren van de raadslieden geen stand houden en is de conclusie dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vordering.

DE SCHORSING VAN DE VERVOLGING
Er zijn geen redenen gebleken om de vervolging te schorsen.

DE TENLASTELEGGING
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Het ten laste gelegde komt erop neer dat de verdachte zich – kort en zakelijk weergegeven – schuldig heeft gemaakt aan:

I. Deelneming criminele organisatie zoals genoemd in artikel 188 van het wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44.

II. A en II. B. Medeplegen c.q. medeplichtigheid aan overtreding van de Anti – corruptiewet, zoals genoemd in artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 8.
III. A en III. B. Medeplegen c.q. medeplichtigheid aan ambtsverduistering van geld of geldswaardig papier, zoals genoemd in artikel 423 van het wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44.

VI. A en IV. B. Medeplegen c.q. medeplichtigheid aan overtreding van de anti – corruptiewet, zoals genoemd in artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 8.

V. A en V. B Medeplegen c.q. medeplichtigheid aan ambtsverduistering van geld of geldswaardig papier, zoals genoemd in artikel 423 van het wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44.

DE VORDERING VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten onder I, II A, III B, IV A en V B van de dagvaarding. Zij verwijst naar de bewijsmiddelen in het dossier en de verklaringen van de verdachte, getuigen en deskundigen afgelegd bij de politie en tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek en op de terechtzitting. Daarbij wordt gevorderd dat verdachte wordt veroordeelt tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 (vijf) jaren, onder aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, een geldboete tot een totaal van SRD 150.000,– subsidiar 12 maanden hechtenis en handhaving van het bevel tot gevangenhouding.

HET STANDPUNT VAN DE VERDEDIGING
De verdediging is – kort en zakelijk weergegeven – van mening dat de tenlaste gelegde feiten niet zijn bewezen. Uit de processtukken blijkt niet dat verdachte heeft samengewerkt met de heer Gilmore Hoefdraad en Robert van Trikt en is het bewijs van medeplegen en medeplichtigheid van de in de dagvaarding genoemde feiten ook niet geleverd. De verdediging concludeert tot vrijspraak voor de verdachte.

HET OORDEEL VAN DE KANTONRECHTER
De Kantonrechter acht op grond van de inhoud van de hieronder genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder I, II A, III B, IV A en V B ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat hij:

I. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode juni 2019 tot en februari 2020, in de jaren 2019 en 2020, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

(telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie, waarvan hij verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij (telkens) tot het oogmerk had tot het begaan van misdrijven, te weten
• het (telkens) om een feit, bedoeld in het eerste lid van artikel 18 van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173, te weten het (telkens) opzettelijk doen verstrekken van een of meer blanco kredieten of voorschotten door de Centrale Bank van Suriname en
• het in strijd te handelen met het verbod, als bedoeld in het vierde lid van artikel 18 van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173, te weten het doen aanschaffen en het doen bezitten van één of meer onroerende goederen door de Centrale Bank van Suriname, zonder dat de Centrale Bank van Suriname daarbij een redelijk belang had en
• het (telkens) verrichten van verboden handelingen en het nemen van besluiten waarbij aan een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname, opzettelijk financieel nadeel is toegebracht of financieel nadelige voorwaarden zijn overeengekomen, waarbij (telkens) in strijd is gehandeld met de ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften, zoals vervat in het tweede lid van artikel 16 en het eerste en vierde lid van 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 en procedures ten einde voor zichzelf en/of ten behoeve van (een) ander(en) enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen, als bedoeld in artikel 13 van de Anti – Corruptiewet SB 2017 no. 85 en
• het (telkens) opzettelijk door VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname, doen verduisteren of het toelaten van het verduisteren of wegnemen van een of meer geldsbedrag(en) of geldswaardig papier, dat die VAN TRIKT, ROBERT-GRAY in zijn bediening onder zich had, als bedoeld in artikel 423 Wetboek van Strafrecht en
welke organisatie bestond uit een groep samenwerkende personen, bestaande naast hem verdachte, uit VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no.173 en HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als minister van Financiën, zijnde één of meer publieke functionarissen in de uitoefening van hun publieke functies als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85 en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname en PUTTER, ROBERT, PAUL.
(artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht)

II. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode juni 2019 tot en met september 2019, in het jaar 2019, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

A. hij, verdachte als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK in de hoedanigheid als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti – Corruptiewet SB 2017 no. 85 tezamen en in vereniging met VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173 en HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als minister van Financiën, zijnde één of meer publieke functionarissen in de uitoefening van hun publieke functies als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85 en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname en PUTTER, ROBERT, PAUL verboden handelingen heeft verricht en besluiten heeft genomen waarbij aan een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname, opzettelijk financieel nadeel is toegebracht of financieel nadelige voorwaarden zijn overeengekomen, waarbij door hem en zijn voornoemde mededaders in strijd is gehandeld met de ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften, zoals vervat in het tweede lid van artikel 16 en het eerste en vierde lid van 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173 en procedures teneinde voor zichzelf en ten behoeve van (een) ander(en) te weten die HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van Financiën, althans één of meer tot nog toe onbekend gebleven personen enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen,

hebbende immers hij verdachte als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK tezamen en in vereniging als voormeld, althans alleen, de volgende handelingen verricht en ideeën bedacht en naar aanleiding daarvan voorstellen gedaan en besluiten genomen en gesprekken gevoerd, in ieder geval het initiatief genomen om ten behoeve, althans ten laste van de Centrale Bank van Suriname, zijnde een staatsinstelling, één of meer koopverkoopovereenkomsten van 17, (zeventien), althans één of meer onroerende goederen aan te gaan in het kader van een schuldverrekening en/of ter schuldsanering ten behoeve van het ministerie van Financiën, althans de Staat Suriname en,

hebbende hij, verdachte als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK daartoe voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname en voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE zijnde de gewezen minister van Financiën en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname geadviseerd, althans een of meer (oneigenlijke) voorstellen gedaan en ideeën bedacht en naar aanleiding daartoe gesprekken gevoerd en berichten per email aan voornoemde medeverdachten gepresenteerd, in ieder geval geïnstrueerd, om voormelde 17, (zeventien), onroerende goederen door de Centrale Bank van Suriname te doen kopen en te doen aankopen, althans voormelde onroerende goederen ten behoeve van een schuldverrekening te doen overnemen van het Ministerie van Financiën, althans de Staat Suriname, terwijl die onroerende goederen niet noodzakelijk waren voor de bedrijfsvoering van de Centrale Bank van Suriname en waarvan 8(acht) van voornoemde onroerende goederen niet aan de Staat Suriname toebehoorden, doch aan een of meer rechtspersonen te weten INVESTMENT PARTNERS N.V en LIFESTYLE TRUST N.V. en N.V. LESCOMP en FORCE ONE SECURITY N.V en aan voornoemde PUTTER, ROBERT, PAUL, die enige bestuurslid en directeur was van voornoemde rechtspersonen en waarvan een of meer van voormelde onroerende goederen, vooraf door de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK en anderen bezwaard waren middels hypotheken en waarop een of meer beslagen waren gelegd en zonder dat er aan voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, zijnde de minister van Financiën, (vooraf en daartoe) toestemming was verleend door de Raad van Ministers voor het verrichten van handelingen regarderende transacties met betrekking voornoemde onroerende goederen en zonder dat hij, verdachte zich daarvan had overtuigd en

hebbende voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname (na voormelde ideeën en/of voorstellen) vervolgens ten aanzien van voornoemde onroerende goederen – in stede van een schuldverrekening – een blanco krediet dan wel een voorschot ter waarde van totaal SRD 869.055.000,- (achthonderd en negenzestig miljoen en vijfenvijftigduizend Surinaamse Dollars) aan die HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, zijnde de minister van Financiën verstrekt, zonder dat voormelde 17(zeventien), althans een of meer van die panden werd/werden overgedragen aan de Centrale Bank van Suriname en zonder dat de Centrale Bank van Suriname daarbij – als na te melden – een redelijk belang had en

hebbende hij, verdachte aldus tezamen en vereniging als voormeld althans alleen, bij de door voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname genomen besluit(en) met name het accorderen en/of aangaan en ondertekenen van voormelde overeenkomst(en) ten aanzien van voormelde onroerende goederen ten behoeve van de Centrale Bank van Suriname, in strijd gehandeld met de bepaling in het eerste en het vierde lid van artikel 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173, in ieder geval in strijd gehandeld met de ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften, zoals vervat in het tweede lid van artikel 16 en/of het eerste en vierde lid van 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173 en/of procedures ten einde voor zichzelf en/of ten behoeve van een ander te weten die HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als minister van Financiën (ten behoeve van het ministerie van Financiën) enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen te weten een totaal bedrag SRD. 869.055.000, – (achthonderd en negenenzestig miljoen en vijfenvijftigduizend Surinaamse Dollars), althans een ander totaal bedrag in Surinaamse Dollars, waardoor de Centrale Bank van Suriname ernstig financieel nadeel heeft ondervonden en

zijnde de Centrale Bank van Suriname aldus opzettelijk financieel benadeeld, door het verstrekken van voormelde (oneigenlijke) voorstellen en (oneigenlijke) adviezen, althans door het verrichten van vermelde handelingen door hem, verdachte, als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK in de hoedanigheid, als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti – Corruptiewet SB. 2017 no. 85 en zijn mededader(s) opzettelijk financieel benadeeld en

zulks terwijl hij, verdachte wist dat voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY vermelde handelingen heeft gepleegd en voornoemde besluiten heeft genomen in de hoedanigheid, als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti – Corruptiewet SB. 2017 no. 85;
(medeplegen van artikel 13 lid 1 onder a van de Anti – Corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 Wetboek van Strafrecht)

III. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode juni 2019 tot en met september 2019, in het jaar 2019, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

B. VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173, in ieder geval een persoon die voortdurend of tijdelijk belast is met een openbare dienst tezamen en in vereniging met HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, zijnde alstoen de minister van Financiën, althans een politieke ambtsdrager en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname en met PUTTER PAUL ROBERT (telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot € 105.000.000, – (honderd en vijf miljoen Euro’s), althans een ander in Surinaams dollars equivalent bedrag te weten een totaal van SRD. 869.055.000, – (achthonderd negenenzestigmiljoen en vijfenvijftigduizend Surinaamse dollars), althans een ander totaal, in ieder geval enig geld of geldswaardig papier, dat voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in zijn bediening als de president van de Centrale Bank van Suriname onder zich had, heeft verduisterd en heeft toegelaten dat het door een ander te weten voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE werd weggenomen of werd verduisterd,

immers heeft voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname en zijn voornoemde mededader(s) (telkens) opzettelijk (onverschuldigd) één of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot € 105.000.000, – (honderd en vijf miljoen Euro’s), althans een ander in Surinaams dollars equivalent bedrag te weten een totaal van SRD. 869.055.000,- (achthonderd negenenzestigmiljoen en vijfenvijftigduizend Surinaamse dollars), althans een ander totaal, in ieder geval enig goed toebehorende aan de Centrale Bank van Suriname, welke bestemd was/waren ter uitoefening van de wettelijke taken van de Centrale Bank van Suriname conform de geldende tekst van de Bankwet 1956 SB 2010 no. 173, aan diens bestemming onttrokken en

hebbende VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in gemeen overleg en afstemming, althans in nauwe samenwerking met voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van financiën en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname en een zekere PUTTER PAUL ROBERT, zeventien panden, welke onroerende goederen niet noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de bedrijfsvoering van de Centrale Bank van Suriname als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173 en zonder dat er aan voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, zijnde de minister van Financiën, (vooraf en daartoe) toestemming was verleend door de Raad van Ministers van de Republiek Suriname voor het verrichten van handelingen regarderende transacties met betrekking voornoemde onroerende goederen en

hebbende voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname (vervolgens) de autorisatie verleend, althans de opdracht gegeven om voormelde geldbedragen te (doen) verstrekken aan voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van Financiën als betaling voor de aankoop van die onroerende goederen en aldus voormelde geldbedragen wederrechtelijk en oneigenlijk aangewend, althans onttrokken aan diens bestemming en tot bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode juni 2019 tot en met september 2019, in het jaar 2019, te Paramaribo en elders in Suriname opzettelijk gelegenheid, middelen en inlichtingen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door deel te nemen en te participeren bij de totstandkoming van voormelde voor de Centrale Bank van Suriname nadelige besluiten en ter ondersteuning van vermelde voor de Centrale Bank van Suriname nadelige handelingen en genomen nadelige besluiten, door toen aldaar als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK in de hoedanigheid als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti – Corruptiewet SB 2017 no. 85 aan voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als president van de Centrale Bank van Suriname en voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van Financiën een of meer (oneigenlijke) voorstellen te doen en gesprekken gevoerd en (oneigenlijke) adviezen te doen en daartoe een e – mailbericht opgesteld en (oneigenlijke) ideeën bedacht, in ieder geval geïnstrueerd/voorgesteld om voormelde 17, (zeventien), onroerende goederen door de Centrale Bank van Suriname te kopen en op te doen aankopen, althans voormelde onroerende goederen ten behoeve van een schuldverrekening te doen overnemen van het Ministerie van Financiën, althans de Staat Suriname en zulks terwijl hij, verdachte wist dat:
• voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als president van de Centrale Bank van Suriname bij het plegen van vermelde handelingen in strijd handelde met het tweede lid van artikel 16 en het eerste en het vierde lid van artikel 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 en
• dat (8), althans een of meer van voornoemde onroerende goederen niet aan de Staat Suriname en aan de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK toebehoorden en
• dat een of meer van voornoemde onroerende goederen bezwaard waren middels hypotheken en beslagen en
• zonder dat er aan voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, zijnde de minister van Financiën, (vooraf en daartoe) toestemming was verleend door de Raad van Ministers van de Republiek Suriname voor het verrichten van handelingen regarderende transacties met betrekking voornoemde onroerende goederen en
• voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY vermelde handelingen heeft gepleegd en/of voornoemde besluiten heeft genomen in de hoedanigheid van een persoon die voortdurend of tijdelijk belast is met een openbare dienst.
(artikel 423 Wetboek van Strafecht juncto artikel 73 Wetboek van Strafrecht medeplichtigheid aan ambtsverduistering)

IV. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode juni 2019 tot en met februari 2020, in de jaren 2019 en 2020, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

A. hij, verdachte telkens als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK in de hoedanigheid als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti – Corruptiewet SB 2017 no. 85 tezamen en in vereniging met VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173 en HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van Financiën, zijnde een of meer publieke functionarissen in de uitoefening van zijn/hun publieke functies als bedoeld in artikel 1 van de Anti-Corruptiewet SB 2017 no. 85 en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname, verboden handelingen heeft verricht en besluiten heeft genomen waarbij aan een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname, opzettelijk financieel nadeel is toegebracht of financieel nadelige voorwaarden zijn overeengekomen, waarbij door hem en zijn voornoemde mededaders in strijd is gehandeld met de ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften, zoals vervat in het tweede lid van artikel 16 en het eerste lid van 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173 en procedures ten einde voor zichzelf en ten behoeve van een ander te weten die HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als gewezen minister van Financiën (ten behoeve van het ministerie van Financiën), althans één of meer tot nog toe onbekend gebleven personen enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen,

hebbende immers hij, verdachte als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK in de hoedanigheid als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti – Corruptiewet SB 2017 no. 85 na tevoren gemaakte afspraak en in gemeen overleg met voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname en HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als gewezen minister van Financiën en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname, het idee bedacht en het voorstel gedaan en advies gegeven, in ieder geval zijn voornoemde mededaders ertoe gebracht besluiten te nemen en handelingen te verrichten voor de afdracht van de royalty’s door de Republiek Suriname aan de Centrale Bank van Suriname en ten gevolge waarvan zijn, verdachte‘s mededaders de overeenkomst gedateerd van 01 november 2019 betreffende de afdracht van de royalty’s door de Republiek Suriname aan de Centrale Bank van Suriname voor de aflossing van de lopende lening (de Staatsschuld) van het ministerie van financiën althans de Staat Suriname bij de Centrale Bank van Suriname hebben opgesteld, althans doen opstellen en opgemaakt, althans doen opmaken en ondanks dat er daartoe een (ongunstig) juridisch advies was uitgebracht om vermelde overeenkomst niet aan te gaan en zonder dat De Nationale Assemblee daarvoor de vereiste machtiging tot het aangaan van voormelde overeenkomst tot nadere wijziging en aanvulling op de Delfstoffenovereenkomst de dato 7 april 1994 (SB 1994 no. 22 gewijzigd bij SB 2002 no. 115) was verleend en zonder dat een machtigingswet daartoe in het Staatsblad van de Republiek Suriname was afgekondigd en waardoor zijn verdachte ’s mededader VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname en ten behoeve van de Centrale Bank van Suriname het besluit heeft genomen tot het aangaan en ondertekenen van voormelde overeenkomst de dato 1 november 2019 betreffende de aflossing van de lopende lening (de Staatsschuld) van het ministerie van financiën, althans de Staat Suriname bij de Centrale Bank van Suriname en

hebbende aldus hij, verdachte en voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname en voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van Financiën en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname, in strijd gehandeld met de ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften, zoals vervat in het tweede lid van artikel 16 en het eerste lid van 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 en procedures, waarbij na de ondertekening van voormelde overeenkomst de dato 01 november 2019 tussen die VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname en HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van Financiën, door de Centrale Bank van Suriname – na autorisatie door VAN TRIKT, ROBERT – GRAY – onverschuldigd één of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot Srd 2.216.729.120, – (twee miljard en tweehonderdzestien miljoen en zevenhonderd en negenentwintig duizend en honderd en twintig Surinaamse Dollars), althans enig geld als voorschot, in ieder geval als blanco krediet verstrekt aan voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als gewezen minister van Financiën, waardoor de Centrale Bank van Suriname ernstig financieel nadeel heeft ondervonden en

zijnde de Centrale Bank van Suriname aldus opzettelijk financieel benadeeld door het verstrekken van voormelde (oneigenlijke) adviezen en voorstellen, althans door het verrichten van vermelde handelingen en door het nemen van voormelde besluiten door hem, verdachte en/of zijn mededader(s),

zulks terwijl hij, verdachte wist dat voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY vermelde handelingen heeft gepleegd en/of voornoemde besluiten heeft genomen in de hoedanigheid, als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85;
(medeplegen van artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht)

V. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode vanaf november 2019 tot en met februari 2020, althans in de jaren 2019 en 2020, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

B. VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173, in ieder geval een persoon die voortdurend of tijdelijk belast is met een openbare dienst tezamen en in vereniging met HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als gewezen minister van Financiën, althans een politieke ambtsdrager en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname (telkens) opzettelijk één of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot SRD. 2.216.729.120, – (twee miljard en tweehonderdzestien miljoen en zevenhonderd en negenentwintig duizend en honderd en twintig Surinaamse Dollars), althans enig geld of geldswaardig papier, dat voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in zijn bediening onder zich had, heeft verduisterd en heeft toegelaten dat het door een ander(en) te weten voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE werd verduisterd, immers heeft voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname en zijn voornoemde mededaders (telkens) opzettelijk één of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot SRD. 2.216.729.120, – (twee miljard en tweehonderdzestien miljoen en zevenhonderd en negenentwintig duizend en honderd en twintig Surinaamse Dollars), althans een ander totaal, in ieder geval enig goed toebehorende aan de Centrale Bank van Suriname, welke bestemd was ter uitoefening van de wettelijke taken van de Centrale Bank van Suriname conform de geldende tekst van de Bankwet 1956 SB 2010 no. 173, aan diens bestemming onttrokken, door (telkens) oneigenlijk en in strijd met artikel 18 lid 1 van de geldende tekst de Bankwet 1956 SB 2010 no 173, op grond van voormelde overeenkomst gedateerd 01 november 2019, betreffende de aflossing van de lopende lening (de Staatsschuld) van het ministerie van financiën, althans de Staat Suriname bij de Centrale Bank van Suriname, een of meer geldbedrag(en) tot een totaal van voormelde SRD. 2.216.729.120, – (twee miljard en tweehonderdzestien miljoen en zevenhonderd en negenentwintig duizend en honderd en twintig Surinaamse Dollars), in de vorm van (blanco) voorschotten te verstrekken aan die HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als gewezen minister van Financiën zonder enig deugdelijk grondslag en aldus voormelde geldbedragen wederrechtelijk en oneigenlijk aangewend althans onttrokken aan diens bestemming en

tot bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode vanaf november 2019 tot en met februari 2020, althans in de jaren 2019 en 2020, te Paramaribo en elders in Suriname opzettelijk gelegenheid, middelen en inlichtingen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door actief deel te nemen en te participeren bij de totstandkoming van voormelde voor de Centrale Bank van Suriname nadelige besluiten en ter ondersteuning van vermelde voor de Centrale Bank van Suriname nadelige handelingen en genomen nadelige besluiten, door toen aldaar als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK in de hoedanigheid als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti – Corruptiewet SB. 2017 no. 85, ideeën bedacht en vervolgens daartoe voorstellen gedaan en gesprekken gevoerd en daartoe een email bericht opgesteld betreffende zijn voorstel voor de afdracht van de royalty’s en vervolgens verzonden naar zijn voornoemde mededaders ten einde dat voormelde overeenkomst de dato 1 november 2019 inhoudende de afdracht van royalty’s door de Republiek Suriname aan de Centrale Bank van Suriname betreffende de aflossing van de lopende lening (de Staatsschuld) van het ministerie van financiën, althans de Staat Suriname bij de Centrale Bank van Suriname werd opgesteld, althans ter ondersteuning/onderbouwing voor het opstellen van voormelde overeenkomst,
en zulks terwijl hij, verdachte wist dat:
• voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als president van de Centrale Bank van Suriname bij het plegen van vermelde handelingen in strijd handelde met het eerste lid van artikel 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173 en
• voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY vermelde handelingen heeft gepleegd en voornoemde besluiten heeft genomen in de hoedanigheid van een persoon die voortdurend of tijdelijk belast is met een openbare dienst.
(artikel 423 Wetboek van Strafrecht juncto artikel 73 Wetboek van Strafrecht medeplichtigheid aan ambtsverduistering)

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten onder I, II A, III B, IV A en V B van de ten laste gelegde feiten.
I. Het proces – verbaal van de terechtzitting van 12 januari 2021, waar de verdachte – kort en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Ten aanzien van de e-mailberichten van 10 juni 2019, die ik heb verzonden naar Hoefdraad en Van Trikt en die doorgestuurd zijn naar Hausil moet ik u verklaren dat er reeds gesprekken waren met Hoefdraad en Van Trikt, die vroegen of er voorstellen waren. Er werd gekeken naar assets en ik heb toen het voorstel gestuurd t.a.v. de Royalty’s en natuurbeschermingsgebieden. Hoefdraad had mij gevraagd om een presentatie te houden en dat heb ik ook gedaan. Er was toen geen sprake van verkoop van onroerende goederen. Ik had de panden alleen geregistreerd en ik wist dat die noch aan de staat, noch aan SPSB toebehoorden. Ten aanzien van het “Fonds Woningbouw Lagere Inkomensgroepen” was de intentie er om te ondertekenen in hoedanigheid van beheerder volkswoningbouw. Er was verzuimd om aan te geven dat ik als beheerder heb getekend.

Ik heb slechts de opdracht uitgevoerd van de staat, omdat de staat een cliënt is van de bank. De bank heeft wel een juridische afdeling, maar zij hebben daarover niets geadviseerd. De opdracht kwam van Hoefdraad, vandaar dat de juridische afdeling niet is gevraagd voor toetsing. Ik heb Putter betaald voor de uren die hij doorgaf. Hij rapporteerde zijn werkzaamheden aan mij. Hij gaf naast een urenstaat aan welke werkzaamheden hij had verricht. De kantonrechter merkt op dat [persoon 1] heeft verklaard dat hij nergens in de administratie stukken is tegengekomen waaruit de taken en werkzaamheden, verricht door Putter, blijkt. De verdachte geeft geen antwoord.

De verdachte verklaart verder: Ik was niet onder druk gezet, maar er was een vertrouwensrelatie met Hoefdraad om de voorschotten te betalen. Wanneer er wordt gevraagd om voorschotten, dan wordt er ook meteen gevraagd naar schatkist papier. Niet elke schuld moet gemeld worden aan het bureau Staatsschuld. De middelen, die de staat op de rekening bij SPSB had, waren voldoende voor de dekking van de schuld, zo ook die SRD.381 miljoen. We hadden wel gevraagd om dat bedrag terug te storten, maar er is slechts een deel betaald. Er was volgens Hoefdraad een crisis en daarom was dat bedrag nodig. Achteraf bekeken besef ik dat ik anders had moeten handelen. In het jaar 2015 had de SPSB geen legal advice unit. Zoals reeds door u vastgesteld was de administratie zoek bij SPSB. Ik ben sedert 15 januari 2015 in dienst van de SPSB aangetreden en sedertdien gaf Hoefdraad aan dat het land in een crisis zit en dat hij de SPSB zal gebruiken. Inderdaad lopen de jaarrekeningen van de bank achter. Ik had gevraagd om een particuliere accountant aan te trekken om die alsnog in te halen. Hoefdraad had mij niet voorgehouden dat de panden voor een veel hoger bedrag dan de getaxeerde waarde zijn verkocht. Bij mijn aantreden bij de bank heb ik gemerkt dat de bank niet over een legal advice afdeling beschikte. Ik heb toen die afdeling bemenst. Verder heb ik gekeken naar de regels die de Centrale Bank hanteert. Ik heb gekeken naar de middelen van de staat en ik heb daarop geanticipeerd door leningen aan de staat te verstrekken. Volgens de wet is de SPSB de bankier van de staat. Er is een gezagsrelatie tussen de minister van Financiën en SPSB. Ik was met verplicht verlof gestuurd en de verantwoording had ik overgedragen aan de waarnemend directeur. Ik mocht geen handelingen verrichten. Ik heb bij de aankoop van de twee tranches panden geen bemoeienissen gehad dan alleen bij die van Fatum. Na het verzenden van de e-mail op 10 juni 2019 naar Hoefdraad en Van Trikt, had ik geen follow up gehad. Ik was ook niet betrokken bij de overdracht van de panden van de staat aan de Centrale Bank van Suriname.

II. Het proces – verbaal van de terechtzitting van 9 februari 2021, waar de verdachte – kort en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
De koop en verkoop is gedaan door Investment Partners. Ik weet niet of er t.a.v. de zes onroerende goederen een taxatierapport is opgemaakt. Ik had de overeenkomst getekend in hoedanigheid van vertegenwoordiger van volkswoningbouw. De percelen zijn niet getaxeerd, omdat er haast was en de geschatte waarde was acceptabel. De verkoper zei gezien de waarde van de percelen was de getaxeerde waarde acceptabel. Aan mij was gezegd dat de verkoopprijs de klapperwaarde was. Er was haast geboden en ik had de inschatting gemaakt dat ik kon tekenen. Deze constructie van de koop verkoop overeenkomst is besproken met de toenmalige minister van Financiën. Als de SPSB bank zou kopen dan zou de ratio´s van de bank onder druk komen te staan. Toen is het idee geponeerd om een derde erbij te halen, die gefinancierd zou worden door SPSB. Het was ook aan [persoon 2] kenbaar gemaakt dat de SPSB niet kon kopen, maar een derde. Tijdens de onderhandelingen en uitvoering had ik de Minister van Financiën gezegd dat de uitvoering voor het betalen van de huur van de percelen met opstallen niet door SPSB gedragen konden worden. Ten aanzien van de hele koopsom had de minister gezegd dat er garanties gegeven zou worden maar dat is niet gedaan. In mijn periode dat ik niet actief was is de rest betaald. Ten aanzien van de rente kan ik me niet herinneren dat er rente was overeengekomen. Er waren nota´s ingeleverd door Fatum, maar de rente en de berekening daarvan heb ik pas bij de RC gezien. Er waren betalingsverplichtingen aan Fatum en het ministerie had de gebouwen nodig en ik wilde betalen hoewel de betalingdisciplines er niet waren. De betalingen van rente waren aan mijn aandacht ontsnapt. Vanaf mijn aantreden is Putter in dienst van de SPSB geweest. Bij de besprekingen met de minister werd er afgesproken dat er een special purpose vehicle gebruikt zou worden en die zou later worden overdragen aan de bank. Investment Partners zou als special purpose vehicle functioneren en we zouden ook rente erop berekenen en woningbouw zou overmaken.

Op dat moment was het voorstel van de minister om Investment Partners te financieren en vanwege de urgentie meende ik mijn medewerking te verlenen. Ik denk niet dat het goed gebruik is om als bank op deze wijze vóór te financieren. Er zijn hypotheken gevestigd op de onroerende goederen die gekocht zijn door Investment Partners. Het is niet gebruikelijk maar het was het verzoek van de minister om medewerking te verlenen. Er was een vertrouwensrelatie ontstaan tussen mij en de minister, vandaar dat we die afspraken hadden gemaakt. Voordat ik met verlof ging had ik aan accountant [persoon 3] gevraagd om de controle te doen, maar dat is niet gebeurd. De controle van die nota´s zijn niet gedaan. De toenmalige minister had gevraagd om zaken in orde te maken, omdat het personeel gehuisvest moest worden en mijn inschatting op dat moment was dat ik de koop verkoopovereenkomst moest tekenen. Op verzoek van de minister heb ik mijn medewerking verleend om Investment Partners met zulke grote bedragen vóór te financieren. Volgens de minister was er een crisissituatie, vandaar dat ik mijn medewerking heb verleend. Ik was niet op de hoogte dat er boeterente betaald moest worden aan [persoon 2]. Dat ben ik bij de RC tijdens GVO te weten gekomen. Het was mij niet opgevallen dat er reeds bedragen voor Fatum werd overgemaakt. Er kwamen nota´s vanuit Fatum bij mij en na die bestudeerd te hebben verleende ik fiat voor uitbetaling. Daarbij was ik me er niet van bewust dat het om rentebedragen ging. De controle moest daarna gebeuren, maar dat is niet gedaan. Er werden verschillende bedragen aangeboden door Fatum zoals koop en verhuur, vandaar dat de boeterente niet is opgevallen. SPSB heeft geen onroerend goed gekocht, maar SPSB heeft slechts gefinancierd, vervolgens financiert de SPSB de gebouwen die gehuurd waren. De minister had mij gevraagd de financiering te doen middels een special vehicle en daarvoor had ik Putter gevraagd. Ik denk dat er vanuit Investment Partners is overgemaakt voor [persoon 4]. Ik heb later van de minister begrepen dat het pand is verkocht. Ik had van Putter begrepen dat Investment Partners niet meer gebruikt zou worden als special vehicle, maar dat er een andere entiteit ingezet zou worden. Ik kan me nu niet meer heugen waarom er voor een andere entiteit is gekozen.

Putter stuurde naar mij een uurwerkstaat en die werd dan naar het secretariaat doorgestuurd. De nota´s van Putter werden altijd onderbouwd middels een uur-staat en die vond ik verantwoordelijk. Ik vind het vreemd dat [persoon 1] nergens een onderbouwing heeft gezien. Toen ik directeur was, had Putter als taak om drie afdelingen op te zetten en hij heeft geholpen met de operatie waarbij cambio´s een rekening moesten openen bij de SPSB. Dat de declaratie van Putter met $3000 afnam, toen [persoon 1] om een onderbouwing vroeg, is nooit onder mijn aandacht gebracht. Ik kan me niet herinneren of ik vooraf de RvT had gevraagd om een pand, gelegen aan de Watermolenstraat, door SPSB te laten afbouwen.

Ten aanzien van het kopen van zeven onroerende goederen toebehorende aan [persoon 2] door Investment Partners merk ik achteraf op dat de gebruikelijke procedures niet gevolgd zijn. Dit is gebeurd omdat de minister haast had. Ik kan alleen achteraf opmerken dat ik zulke besluiten niet had moeten nemen, maar eerst het papierwerk in orde had moeten maken. [persoon 1] heeft het over ´kleine bedragen.’. Die zijn afhankelijk van een creditaanvraag. Daarna kan er een limiet worden vastgesteld. Normaal gesproken krijgt de afdeling Internal Audit alle overzichten voor kredietverstrekking. Ik weet niet of in dit geval dat ook is gebeurd. De verschillende afdelingen hadden wel de mogelijkheid om te rapporteren bij de Raad van Toezicht. De haast die aan mij werd opgelegd had ook invloed waarom ik niet rapporteerde bij de Raad Van Toezicht. De Minister van Financiën gaf mondeling de garantie dat de taxatierapporten op verzoek van de minister, door de SPSB zijn gefinancierd. Voor mij was belangrijk de bank en primair het verdienen voor de bank en het financieren van de taxatierapporten zag ik als een middel om meer rente te kunnen verdienen.

Ik had de bevoegdheid om mezelf goedkeuring te geven voor het ontstaan van debetstanden, maar achteraf gezien vond ik het wel een conflict of interest om mijn handtekening te plaatsen op mijn eigen kredietaanvraag. Ik weet niet of er documenten zijn verdwenen. Op wat [persoon 1] over de achteraf geconstateerde verhaalsmogelijkheid te verklaren heeft, heb ik niets te zeggen.

III. Het proces – verbaal van de terechtzitting van 30 maart 2021, hetgeen kort en zakelijk weergegeven, het volgende inhoudt:
De kantonrechter houdt de verdachte de verklaring van de getuige [persoon 5] van 07 september 2020 voor, afgelegd bij de RC:

P.3-4 Is deze wijze van financieren conform de regels van de SPSB gegaan? Zo nee, welke regels zijn niet in acht genomen door Kromosoeto?
De getuige verklaart: Intern is het zo geregeld dat de directeur toestemming mag geven voor een kredietverlening tot een bedrag SRD150.000, -. Tussen het bedrag van SRD150.000,- en SRD750.000, – ( of SRD1miljoen) dienen twee directieleden, de kredietcommissie en drie raadsleden toestemming te verlenen voor kredietverlening. Ten aanzien van bedragen hierboven dient de voltallige RvT toestemming te verlenen. Ik weet niet wie toestemming heeft gegeven voor de bedragen die door Investment Partners zijn getrokken uit de girorekening. Voor zover mocht blijken dat Kromosoeto geen toestemming heeft gehad van de RvT bij de kredietverlening aan Investment Partners dan heeft hij tegen de regels gehandeld. Ik ben er niet van op de hoogte of Kromosoeto dit heeft besproken met de RvT. Tot nu toe weet ik dat niet.

De verdachte antwoordt ter terechtzitting van 30 maart 2021:
Ik heb het achteraf besproken met de RvT. Ik kan me niet herinneren of ze de goedkeuring als nog hadden verleend.

Indien de lening van Investment Partners door de Staat is afgelost, wat is de reden daartoe?
De getuige verklaart: Er was een opdracht binnengekomen vanuit het ministerie van Financiën om de schuld af te lossen. Ik heb begrepen dat betaald is voor het pand aan de Jamalludinstraat waar het ministerie van Financiën is gehuisvest. Achteraf heb ik begrepen dat er voor meerdere onroerende goederen is betaald. Waarom voor de rest van de onroerende goederen is betaald weet ik niet.

De verdachte antwoordt ter terechtzitting van 30 maart 2021:
Hierop heb ik geen reactie. Er was een afspraak dat de onroerende goederen betaald zouden worden door de minister van Financiën. Hij had mij daarover geïnformeerd. De opdracht was niet rechtstreeks aan mij gegeven, want ik was op dat moment met verlof. Het was gegeven aan de directie en ik heb begrepen dat de waarnemend directeur dat heeft uitgevoerd. Ik was op de hoogte dat er voor de gebouwen betaald zou worden.

P.7 Uit het Clad onderzoek is ook gebleken dat een van de privé girorekeningen van Kromosoeto [rekeningnummer] een debetstand had van SRD 914.942,97 per 3 augustus 2018. Wie heeft goedkeuring gegeven voor deze debetstand?
De getuige verklaart: Uit de girobiljetten zou moeten blijken wie gefiatteerd heeft voor de bedragen. Ik heb daar geen zicht op. Ik weet niet zeker of Kromosoeto zelf goedkeuring heeft gegeven voor dit debet stand.

Mag de directeur van SPSB (in deze Kromosoeto) de regels voor kredietverstrekking naast zich neerleggen?
De getuige verklaart: Kromosoeto zou niet zelf de girobiljetten ten aanzien van zichzelf mogen fiatteren. Hij zou tenminste goedkeuring van een van de directieleden moeten vragen. Ik heb zelf geen goedkeuring verleend t.a.v. deze girobiljetten.

De verdachte antwoordt ter terechtzitting van 30 maart 2021:
Er was geen toestemming gegeven voor deze bedragen, omdat het om kleine bedragen ging, onder de SRD 150.000 en die zijn gecumuleerd samen met de rente. Ik had geen toestemming gevraagd om geldsbedragen op 1 van mijn girorekeningen over te maken. De reden daartoe is dat ik betalingen moest doen en ik heb gebruik gemaakt van mijn girorekening met dien verstande dat de rente daarin zou worden opgenomen. Ik had geen toestemming nodig om die bedragen op te nemen, omdat het ging om bedragen onder de 150.000. Er is geen regel binnen de bank dat een directeur aan een andere fiat moet vragen ook al gaat het om bedragen beneden de 150.000, maar ik had wel bijvoorbeeld voor hypotheken vestigen, dat een directielid zou mede ondertekenen.

Wordt door SPSB geld gecreëerd? Zo ja in welke gevallen?
De getuige verklaart: Ik ben wel van mening dat SPSB geld creëert. Gezien de liquide positie van SPSB ben ik van mening dat SPSB wel geld creëert. Dit omdat SPSB gelden heeft uitgegeven terwijl zij niet daarover beschikt. Dit komt doordat SPSB gelden heeft voorgeschoten aan de woningbouwfonds terwijl het juist de bedoeling was dat de middelen t.b.v. het woningbouwfonds vooraf ter beschikking zouden worden gesteld.

De verdachte antwoordt ter terechtzitting van 30 maart 2021:
Ik werd gevraagd door de minister van Financiën om het woningbouwproject voor te schieten en dat heb ik ook uitgevoerd met de afspraak dat de regering de gelden daarna ter beschikking zou stellen.

De getuige verklaart: U houdt mij als rechter – commissaris voor dat uit de nadere overeenkomst die Kromosoeto is aangegaan met [persoon 2] niet blijkt dat Kromosoeto hiermee SPSB heeft willen binden. Als reactie daarop verklaar ik dat hij in die overeenkomst heeft doen opnemen dat hij directeur is van de SPSB en dat daarmee de intentie is gegeven om de bank te binden. Indien dat niet de intentie was, dan zou hij kunnen volstaan met het afgeven van een bankgarantie. Ik hoor de rechter-commissaris opmerken dat indien Kromosoeto niet de intentie had SPSB te binden aan een nadere overeenkomst dan had hij in privé de kosten ten aanzien van deze overeenkomst moeten betalen en niet middels financiering door de SPSB hetgeen in casu is gebeurd. De directeur had niet de bevoegdheid om de bank te binden aan een bedrag van Euro13.350.000, – omdat hij daarvoor toestemming zou moeten hebben van de RvT. Dat is niet gebeurd. De directeur mag de bank slechts binden tot een bedrag van SRD150.000, -.

De verdachte antwoordt ter terechtzitting van 30 maart 2021:
Ik denk dat er getekend zou worden als beheerder van Volkswoningbouw, omdat de financiering van daaruit was. Ik heb echter niet erop gelet dat ik daar moest schrijven “ Directeur handelende als beheerder Volkswoningbouw”. Ik moest tekenen als bankdirecteur.

Op vragen van de vervolgingsambtenaar verklaart de verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:
U hebt op een vraag van de rechter verklaard dat door de min van Fin is gevraagd om voorschotten te betalen, dat is ook gebeurd, met de bedoeling dat het geld wederom ter beschikking zou worden gesteld. Is dat gebeurd?

De verdachte antwoordt ter terechtzitting van 30 maart 2021:
Er is daarna een missive gekomen. Toen ik met verlof moest gaan was 150 miljoen gestort. Er moest nog een verschil van ongeveer 350 miljoen gestort worden. Ten aanzien van de bewakingskosten die [persoon 6] heeft opgebracht bij SPSB weet ik dat ze verschillende objecten moesten bewaken. Die nota’s gaan naar Algemene zaken die worden gecheckt en dan wordt de uitbetaling gedaan. Wat [persoon 1] heeft gezegd daar kan ik niets op zeggen.

De kantonrechter houdt de verdachte de verklaring van de getuige Van Trikt van 09 september 2020 voor, afgelegd bij de RC:

P.10 Was u op de hoogte dat middelen van de Staat ook werden gestort bij de SPSB? Zo ja, welke middelen werden gestort bij SPSB?
De getuige verklaart: Toen ik Governor werd begreep ik op enig moment dat middelen van de Staat werden gestort bij de SPSB. Ik weet niet waarom. Wij hadden wel een analyse gemaakt van wat de CBvS misliep aan inkomsten van de Staat en er waren grote discrepanties. Ik weet dat er stortingen waren van het woningbouwfonds en het agrarische fonds. Ook belastingmiddelen werden gestort bij SPSB. Op enig moment had ik wel gemerkt dat SPSB ten behoeve van de Staat een bedrag had van 600 miljoen SRD op de rekening, terwijl zij slechts een bedrag van 60 miljoen SRD hadden gestort bij de CBvS. Ik had [persoon 10] gevraagd om dit verder uit te zoeken met de heer [persoon 7]. Ik kan mij niet herinneren of dit onderzoek is afgerond en wat daaruit is gebleken.

De verdachte antwoordt ter terechtzitting van 30 maart 2021:
Belastingmiddelen worden ook bij commerciële banken gestort. Daarna wordt het gestort bij de CBvS. De minister heeft mij gevraagd om ter effectuering van inning van belastingmiddelen bij de SPSB, een loket te plaatsen bij het Belastingkantoor zodat de cliënt daar de storting kan doen en er is één bij haven geplaatst. Deze stortingen komen op de rekening van ministerie van financiën te staan. Ik weet niet waarom Van Trikt opmerkt dat er een achterstand van 600 miljoen is. Ten aanzien van wat Van Trikt heeft verklaard: De middelen zijn van de staat. Administratief moet er gematcht worden met de rekening van de staat bij de CBvS. Ik heb de staat als een cliënt beschouwd. Wij moesten de middelen van de staat beheren en dat hebben we ook gedaan. Nu blijkt dat de staat uitgaven moet doen, ze een beperking hebben en dat ze geen uitgaven kunnen doen? Ik heb de staat als een cliënt beschouwd en aldus behandeld. Er werd wel periodiek rapportage gedaan aan de CBvS. Er was reeds uitvoering gegeven tot betaling van 150 miljoen in mijn afwezigheid en toen kwam de opdracht van mij voor restbetaling en dat is ook gedaan. Hoefdraad was procuratiehouder, hij was niet bevoegd vandaar dat de transactie teruggedraaid. Ik heb de instructies alleen maar opgevolgd. De SPSB is niet nagegaan of de bevoegdheid er was. Ik had slechts een voorstel gedaan t.a.v. de panden. Ik moest [persoon 8] in contact brengen met de minister van ROGB en daar is het bij gebleven. Daarvoor had ik wel het voorstel gedaan om de restauratie van de panden te doen. [persoon 9] heeft mij gevraagd om [persoon 8] in contact te brengen met de minister van ROGB die zou handelen ten behoeve van de CBvS. De gelden die door mij zijn getrokken van de SPSB zijn reeds gezuiverd.

IV. Het proces – verbaal van de terechtzitting van 29 april 2021, waar de verdachte – kort en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: ik heb uit dit alles veel geleerd over de procedure – en beleidsregels. De verantwoordelijkheid als directeur lag bij mij, maar ik was ook verantwoording schuldig aan de Minister van Financiën. Achteraf bekeken had ik de checks en balances in de gaten moeten houden. Ik heb de verzoeken van de regering moeten honoreren. Ik heb in mijn verhoor niets meer aan te vullen.

V. Blijkens de processen-verbaal van verhoren van de getuige [persoon 1], opgemaakt door avp PIERKHAN Z & WALKER, M dd. 13 aug 2020 en bij de rc in het kader van het GVO dd. 02 sept 2020 & 07 sept 2020: is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat dhr. Kromosoeto als directeur van de SPSB slechts kredieten tot SRD 150.000 mocht goedkeuren. Kredieten met bedragen van boven de SRD 150.000 moeten eerst goed worden gekeurd door de Raad van Toezicht (hierna te noemen RVT). Dit staat in een raadsbesluit, waarin de bevoegdheden van de directeur zijn opgenomen. M.b.t. de panden: De directeur heeft goedkeuring nodig van de RVT voor de aankoop van onroerende goederen voor de bank (SPSB). Als ik het goed heb staat dit ook vermeld in de wet van de SPSB. KROMOSOETO had aan de directie voorgehouden dat de onroerende goederen door INVESTMENT PARTNERS zouden worden gekocht met een financiering van SPSB. KROMOSOETO was voornemens om t.a.v. van deze onroerende goederen huur te innen bij de Staat Suriname en daarmee de schuld van INVESTMENT PARTNERS bij de SPSB af te lossen. Voor zover ik weet heeft er nimmer een schuldaflossing plaatsgevonden.

[persoon 2] (Fatum) heeft op 5 september 2018 een (nadere) overeenkomst gesloten met: Putter in persoon en Kromosoeto als directeur van SPSB. Hierin komen partijen overeen dat de koopsom van een aantal (7) percelen in totaal bedraagt €. 13.350.000, -, waarbij een voorschot van €. 5.000.000, – is betaald, terwijl het saldo van €. 8.350.000, – zal worden betaald binnen 18 maanden na 5 september 2018. Naar mijn mening mocht Kromosoeto als directeur de SPSB niet binden aan zo’n overeenkomst omdat SPSB kredietverstrekker is en geen schuldenaar of partij bij de overeenkomst. Kormosoeto heeft in die overeenkomst doen opnemen dat hij directeur is van de SPSB en dat daarmee de intentie is gegeven om de bank te binden. Indien dat niet de intentie was, dan zou hij kunnen volstaan met het afgeven van een bankgarantie. Indien Kromosoeto niet de intentie had SPSB te binden aan een nadere overeenkomst dan had hij in privé de kosten ten aanzien van deze overeenkomst moeten betalen en niet middels financiering door de SPSB hetgeen in casu is gebeurd. Ik vind dat Kromosoeto met deze overeenkomst de bank ten onrechte heeft gebonden, terwijl de bank geen partij is bij de koopovereenkomst m.b.t. de onroerende goederen. Bovendien is er nimmer goedkeuring verleend door de kredietafdeling voor een krediet t.b.v. Investment Partners of Putter. Door de SPSB zijn er betalingen gedaan m.b.t. de voornoemde onroerende goederen uit middelen van het ministerie van Financiën bij SPSB. De voorschotten die zijn verstrekt aan Investment Partners komen uit de positie van de SPSB. Uiteindelijk is er vanuit het ministerie van Financiën de opdracht gekomen om middelen uit haar rekening te gebruiken voor het aflossen van de schuld van Investment Partners. Er is een schrijven van de minister ten aanzien hiervan.

De onroerende die aan de Staat moesten worden overgedragen naar aanleiding van de schuld die de Staat heeft betaald voor NEW VISION INTERNATIONAL; INVESTMENT PARTNERS en PARAMARIBO TRAVEL bij de SPSB zijn tot op de dag van vandaag nog steeds niet zijn overgedragen, waarbij zelf één van de onroerende middels een ontbinding terug is in boezem van [persoon 2]. De Bank is in deze schotvrij, omdat de schuld die bij ons was is voldaan door de Staat Suriname. Echter, is de Staat Suriname benadeeld omdat die een schuld heeft betaald en daarvoor niets terug heeft gehad.

VI. Blijkens de afgelegde verklaring van de getuige VAN TRIKT, Robert Gray bij de RC in het kader van het GVO dd. 09 sept 2020: Getuige Van Trikt, Robert Gray heeft het volgende verklaard nl dat er met de minister van Financiën en ook met medewerkers en directieleden van de Bank er veel is gesproken over het terugbrengen van de langlopende schuld van de Staat bij de CBvS en het verhogen van de inkomsten van de CBvS. De bedoeling was om het schuldenplafond van de Staat omlaag te brengen. De minister gaf aan dat Kromosoeto ook enige betekenis hierin zou kunnen hebben. Naar aanleiding hiervan is door Kromosoeto contact opgenomen met mijn persoon. Het kan ook zijn dat Kromosoeto toevallig op de Bank was vanwege zijn positie als directeur van de SPSB en dat dit ter sprake is geweest. Ik heb Kromosoeto uitgelegd wat mijn bedoeling was namelijk het aflossen van de langlopende lening door de Staat bij de CBvS. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door middel van assets die verrekend konden worden. Naar aanleiding hiervan heeft Kromosoeto een e-mail gestuurd naar mijn persoon en Hoefdraad waarin hij ook zijn ideeën gaf.

Nadat ik de e-mail van Kromosoeto ontving heb ik die direct geforward naar Hausil. Kromosoeto is als adviseur opgetreden in het zoeken naar assets van de Staat ten behoeve van de Bank voor het verrekenen van de langlopende schuld. Ik kan mij herinneren dat de naam van Kromosoeto door de minister aan mij is doorgegeven, in die zin dat Kromosoeto contact met mij zou opnemen. Waarom Kromosoeto zich specifiek heeft beziggehouden met de assets weet ik niet. Het idee om de royalty’s in pand te geven aan de CBvS: Vanuit de e-mail bekeken lijkt dit idee wel afkomstig te zijn van Kromosoeto.

Kromosoeto hield zich bezig met het taxeren van panden van de overheid. Dit, terwijl zulks de taak is van het ministerie van ROGB. Ik weet niet waarom hij, als directeur van SPSB, zich heeft beziggehouden hiermee. M.b.t. het email bericht van Kromosoeto welke ertoe heeft geleid dat Hoefdraad brieven respectievelijk gedateerd 26 juni – en 20 september 2019 in totaal 17 panden willen overdragen aan de CBvS. Op basis van het emailbericht is de brief van de minister opgemaakt, die werd ontvangen in juni 2019 ten aanzien van de 1e tranche panden. Ik weet niet op welke wijze Kromosoeto betrokken is geweest bij de 2e tranche panden. M.b.t. de zinsnede:” tot zover, terwijl ik verder ga met het zoeken naar mogelijkheden”: Ik denk dat Kromosoeto hiermee bedoelde dat hij verder zou nadenken over andere assets die gebruikt zouden kunnen worden ter verrekening van de langlopende schuld. In mijn opinie zou iedereen kunnen nadenken over mogelijkheden met betrekking tot de assets van de Staat en de ontwikkeling van Suriname. Waarom Kromosoeto zich specifiek heeft beziggehouden met de assets weet ik niet. De royalty’s zijn niet gebruikt ter aflossing van de langlopende lening van de Staat bij de CBvS, omdat Hoefdraad een groot bedrag aan SRD heeft getrokken op grond van de royalty’s. Wij hebben geen brief van hem ontvangen dat de royalty’s gebruikt zouden worden ter verrekening van de langlopende schuld. Op grond van deze overeenkomst is een bedrag van ongeveer 2.3 miljard betaald aan de Staat (het ministerie van Financiën) in de vorm van monetaire financiering.

VII. Blijkens de processen-verbaal van verhoren t.n.v. van de getuige [persoon 5] bij de rc in het kader van het GVO dd. 07 sept 2020: is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat zij als directielid van de SPSB voorheen niet op de hoogte was dat Investment Partners onroerende goederen zou kopen en dat SPSB deze zou financieren. Inmiddels weet ik wel dat de onroerende goederen die door Investment Partners zijn gekocht zijn gefinancierd door SPSB. Dit weet ik naar aanleiding van het onderzoek dat thans gaande is. De financiering is gegaan vanuit de girorekening van Investment Partners, in die zin dat er gelden getrokken zijn van deze rekening zonder dat deze rekening beschikte over de middelen. Dit is terug te zien in de debet standen van Investment Partners. Kortom heeft de SPSB de gekochte onroerende goederen gefinancierd vanwege de ongedekte debet standen.

Voorts had ik van Kromosoeto begrepen dat Investment Partners is opgetreden als “Special Purpose Vehicle”. Echter heb ik geen documenten ter zake gezien. Ik begreep van Kromosoeto dat de percelen niet konden worden geplaatst op naam van het ministerie van financiën. Op uw vraag waarom het ministerie van ROGB niet betrokken is geweest bij de koop van de percelen, maar een wild vreemde rechtspersoon (Investment Partners) moet ik u zeggen dat ik daar niet over heb nagedacht. Ik heb slechts aangenomen hetgeen Kromosoeto mij heeft voorgehouden.

VIII. Blijkens het proces-verbaal van verhoor t.n.v. van de getuige [persoon 10], afgelegd bij de rc in het kader van het GVO dd. 17 sept 2020: is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat, Van Trikt, Robert Gray hem had voorgehouden dat Kromosoeto was aangewezen door de minister om mee te helpen aan de overdracht van de panden aan de CBvS. Om deze reden heb ik contact opgenomen met Kromosoeto en hem medegedeeld hetgeen ik van de governor had vernomen. Kortom: Ik had van van Trikt begrepen dat Kromosoeto door de minister was aangewezen als de persoon die zou mee helpen aan de overdracht van de panden. Om deze reden ga ik ervan uit dat de minister Kromosoeto heeft betrokken bij de verkoop van de panden dan wel de overdracht daarvan. Kromosoeto was betrokken bij de overdracht van zowel de 1ste als de 2de tranche panden.

IX. Blijkens het proces-verbaal van verhoor t.n.v. van de getuige [persoon 8], afgelegd bij de rc in het kader van het GVO dd. 22 sept 2020: is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat, ten aanzien van de eerste tranche panden hij, het volgende kan zeggen. Van [persoon 10] moest ik eerst Kromosoeto bellen. Nadat ik Kromosoeto gebeld had, gaf hij mij te kennen dat ik contact moest opnemen met de gewezen minister van ROGB, [persoon 11], hetgeen ik ook heb gedaan.
Ten aanzien van de 2e tranche panden deel ik u het volgende mede. Terwijl ik bezig was met de voorbereidingen ten aanzien van de 1e tranche panden, kwam de 2e brief van de 2e tranche panden binnen en moest ik ook daaraan werken. Ik heb hetzelfde traject weer afgelegd, met dien verstande dat ik niet meer naar Kromosoeto en [persoon 11] ben geweest voor informatie, maar dat ik rechtstreeks contact heb opgenomen met [persoon 12]. Zij zou de voorbereidingen doen en op een goed moment deelde zij mij mede dat een groot deel van de panden niet aan de Staat in eigendom toebehoren. Zij zei dat ze om deze reden niet meer kan meewerken aan de overdracht van de panden en dat het proces dus moet stoppen. Uit de informatie van [persoon 12] kon worden geconcludeerd dat de percelen in eigendom toebehoorden aan rechtspersonen, waarbij de heer Putter betrokken was. Dit heb ik gerapporteerd aan [persoon 10].
Op enig moment begreep ik van [persoon 10] dat Putter contact met mij zou opnemen, hetgeen ook is gebeurd. De eerste keer werd ik gebeld door Putter en hij deelde mij mede dat hij mijn nummer heeft van Kromosoeto. Hij zei mij dat hij de overdracht in orde zou laten maken door notaris [persoon 13] en dat deze notaris contact met mij zou opnemen hierover. Van de notaris begreep ik dat hij informatie nodig had van de heer van Trikt. Deze zou namens de Bank zitting nemen in het bestuur van de rechtspersonen. Volgens afspraak zou de overdracht plaatsvinden na de kerstperiode, maar wel nog voor oudjaar. In opdracht van [persoon 10] moest ik voorbereidingen treffen zodat het ondertekenen van de akten op de Bank zou plaatsvinden. Kort voordat dit zou plaatsvinden werd ik gebeld door [persoon 10] en hij deelde mij mede dat het ondertekenen van de akte niet door zou gaan op de afgesproken dag. Als ik het goed heb, heb ik contact gemaakt met [persoon 13] en hem medegedeeld dat de ondertekening van de akten niet door zou gaan.

X. Blijkens het proces-verbaal van verhoor t.n.v. van de getuige [persoon 13], afgelegd bij de rc in het kader van het GVO dd. 22 sept 2020: is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat, op 5 september 2018 partijen, te weten [persoon 2] als partij A en de heren Putter en Kromosoeto als partij B, een nadere overeenkomst hebben ondertekend met betrekking tot de betaling van de koopsom van Euro 13.350.000, –. Voorts dat hij geen idee had waarom Kromosoeto zich met de betaling van de gehele koopsom van Euro 13.350.000, – t.b.v. FATUM/[persoon 2], heeft ingelaten, terwijl hij slechts voor één van de percelen ten behoeve van het Fonds verantwoordelijk was. Partijen hebben mij hierover niet geïnformeerd. Ik had helemaal geen idee waarom al deze percelen gekocht werden door Investment Partners NV en wat de bedoeling daarvan was. Ik weet niet of de koopsom is betaald en door wie. Ik hoor u zeggen dat de gehele koopsom inmiddels is betaald, maar ik ben daar niet van op de hoogte.
Ik kan mij herinneren dat ik op 27 december 2019 zou vertrekken naar Nederland. Twee weken daarvoor hebben de heer Putter en de heer [persoon 8] van de CBvS contact met mij opgenomen voor de overdracht van de hiervoor genoemde onroerende goederen aan de CBvS. Putter was persoonlijk bij mij langs geweest, terwijl de heer [persoon 8] mij telefonisch had gesproken hierover. Hierna heb ik de voorbereidingen getroffen, maar hoorde een hele tijd niets meer van betrokkenen.
Toen ik in Nederland was, werd ik door mijn collega [persoon 14] die voor mij waarnam, gebeld. Hij deelde mij mede dat men weer is gekomen voor de overdracht van de onroerende goederen, maar nadat hij onderzoek had gedaan was gebleken dat er meerdere documenten nodig waren voor de overdracht. Zo was nodig toestemming van de Raad van Ministers, een missive enz.
Ik heb toen aan Putter gezegd dat de overdracht niet zal kunnen zonder de benodigde stukken en dat beter is dat hij de overdracht doet aan de Staat. Echter zou ook daarvoor een missive nodig zijn en hij zou dit in orde maken. Zo is de missive van de president van 10 juli 2020 op enig moment aan mij verstrekt.
Het is erg ondenkbaar dat voor de onroerende goederen(2de tranche) de tegenwaarde in SRD van het bedrag van Euro 60 miljoen door de CBvS aan de minister van Financiën is betaald als koopsom. De Minister van Financiën mocht nooit geld hebben aangenomen voor deze onroerende goederen, omdat zij niet beschikte daarover. Zij was niet de eigenaar van de onroerende goederen. CBvS had ook het bedrag niet mogen overmaken ten behoeve van financiën, omdat ook zij een onderzoek plicht hebben. Als zij hadden onderzocht, hadden ze kunnen zien dat de onroerende goederen niet aan de Staat toebehoorden en dat de minister onbevoegd was om over te dragen. Ook de koopsom van Euro 60 miljoen is absurd en niet realistisch. Dit omdat ik weet dat de onroerende goederen zijn gekocht en overgedragen voor het bedrag van minder dan Euro 13 miljoen. Aan mij was gezegd door Putter dat voor hetzelfde bedrag als waarvoor de onroerende goederen waren gekocht deze zouden worden overgedragen aan de CBvS

XI. Blijkens het proces-verbaal van verhoor t.n.v. van de getuige [persoon 2], afgelegd bij de rc in het kader van het GVO dd. 28 aug 2020: is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat, het nodig was om een nadere overeenkomst te sluiten m.b.t. aanschaf van de onroerende goederen (7), omdat er alleen een voorschot was betaald van Euro 5 miljoen bij het sluiten van de koopovereenkomst. Het saldo bedrag moest nog worden betaald en daarom was de nadere overeenkomst van belang.
Uit de nadere overeenkomst blijkt dat daarbij partij zijn: Putter in persoon en Kromosoeto als directeur van SPSB. Waarom de nadere overeenkomst is gesloten met deze twee personen terwijl zij niet de kopers zijn van de percelen, houd ik voor dat ik van begin af aan onderhandelingen heb gepleegd met Kromosoeto die voor mij ook de koper was. Pas bij de notaris kwam Putter in beeld en begreep ik dat de onroerende goederen zouden worden overgedragen aan rechtspersonen waarbij Putter betrokken was. Ik ben er altijd vanuit gegaan, dat SPSB de koper was en dat deze bepaalde aan wie de onroerende goederen moesten worden overgedragen.
Zes van de onroerende goederen zijn aan de N.V. verkocht waarvan Putter de bestuurder is, terwijl een perceel (3e Rijweg) verkocht is aan het woningbouwfonds voor lagere inkomens.
De keus van de notaris is geweest Kromosoeto. Bij de koop van onroerend goed is het de koper die bepaald wie de notaris wordt.

Putter heb ik gezien bij de ondertekening van de akten bij de notaris. Kromosoeto heeft mij eerder niet voorgehouden dat de onroerende goederen zouden worden overgedragen aan andere rechtspersonen dan de SPSB. Ik ging ervan uit dat de onroerende goederen gekocht werden door de SPSB en ook aan SPSB zouden worden overgedragen. Ik heb geen vragen ten aanzien hiervan gesteld aan Kromosoeto, omdat ik ervan uitga dat de koper zelf mag bepalen aan wie de onroerende goederen zullen worden overgedragen. Ik heb Putter eerder gezien bij Kromosoeto op kantoor in een andere werkkamer en ik ging ervan uit dat Putter verbonden was aan SPSB. Om deze reden was er voor mij geen aanleiding om vragen te stellen. Het is niet ongebruikelijk in de zakenwereld dat een rechtspersoon wordt gebruikt als een special purpose vehicle bij de koop van onroerende goederen. Bij de ondertekening van akten ten overstaan van de notaris heb ik voor mijzelf de conclusie getrokken dat Investment Partners N.V. kennelijk als special purpose vehicle van de SPSB zou worden gebruikt. In mijn belevenis ging ik ervan uit dat Investment Partners N.V. het beheer van de onroerende goederen zou voeren en dat in de boeken van SPSB zou opnemen. In een dergelijke constructie hoort de SPSB dus de eigenaar te zijn danwel enig aandeelhouder. Ik weet niet of dit hier ook het geval is geweest. Het enige dat ik op dat moment wist was dat Putter de directeur van Investment Partners N.V. was. Deze transactie van 5 september 2018 is de enige transactie geweest waarbij Kromosoeto en Putter betrokken zijn geweest. Ik heb geen andere onroerende goederen verkocht aan of door tussenkomst van hen. Ook niet aan Hoefdraad.

M.b.t. een special purpose vehicle: dat het niet ongebruikelijk is in de zakenwereld om een special purpose vehicle aan te wijzen bij de koop van onroerende goederen. De vereiste daarvoor is dat de degene die het onroerend goed koopt, dit ook in zijn boeken verwerkt als te zijn de eigenaar van het onroerend goed.
Het is als een vereiste voor een special purpose vehicle dat de eigenaar van het onroerend goed dit ook in zijn boeken vermeld. Immers als jij eigenaar bent van een onroerend goed en je gebruikt een special purpose vehicle hiervoor, dan moet het wel duidelijk uit je administratie blijken dat jij de eigenaar bent.

Verklaring van verdachte KROMOSOETO

XII. Blijkens de processen-verbaal verhoren t.n.v. van de verdachte KROMOSOETO, Ginmardo afgelegd bij avp ARICHERO J dd. 15 oktober 2020 en bij de rc in het kader van het GVO dd. 15 okt 2020: op verzoek van de voormalige minister van financiën, de heer Hoefdraad, moest ik vanwege mijn ervaring als minister van ROGB in het verleden, assets van de Staat in kaart brengen met het doel om de minister van financiën de gelegenheid te bieden om het te gebruiken als onderpand voor mogelijke financiering. Ik heb hierbij voorgesteld de panden die aan de overheid in eigendom toebehoren, de royalty’s en verder heb ik ook gekeken naar natuurreservaten van de Staat. Alhoewel ik in mijn e-mail heb gesproken over verkoop van de panden aan de CBvS, wist ik niet zeker of dit het geval zou zijn. Mij was verteld dat de panden in een fonds bij de CBvS zouden worden ondergebracht. Ik heb niet over het fonds gesproken in mijn e-mail, maar over verkoop omdat dat het gemakkelijkste was om de waarde aan te geven. Waarom ik de minister niet heb geweigerd om het voorgaande te doen en hem verwezen heb naar de minister van ROGB hiervoor, hou ik u voor dat ik dit niet heb gedaan vanwege mijn relatie met de minister van financiën. De relatie met de minister had betrekking op een verzoek van de minister aan mij of ik bereid was om hem te ondersteunen bij het identificeren van de assets.
Dat de 1ste tranche panden zijn verkocht aan de CBvS voor een bedrag dat vele malen hoger is dan de getaxeerde waarde, daarop kan ik geen reactie daarop geven. [persoon 10] van de CbvS heeft inderdaad contact met mij opgenomen en mij gezegd dat [persoon 8] de zaken met betrekking tot de overdracht verder zal behartigen bij de CBvS. [persoon 8] heeft mij inderdaad ook benaderd en het enige dat ik heb gedaan is dat ik hem in contact heb gebracht met [persoon 11]. Hoefdraad had mij gevraagd om te assisteren bij de overdracht van de genoemde panden, hetgeen ik ook heb gedaan. Ik weet niet waarom Hoefdraad mij gevraagd heeft om te assisteren. Het kan zijn vanwege mijn kennis over de panden. Over de verkoop transacties zelf was ik niet op de hoogte omdat ik slechts bij de overdracht zou assisteren. De assistentie bestond alleen maar uit het in contact brengen van [persoon 8] met de minister van ROGB. Het was slechts een verzoek van Hoefdraad om te assisteren en ik heb mijn assistentie verleend door de contacten te leggen met [persoon 11] en [persoon 8].
Hij was zelf niet betrokken bij de verkoop van de panden (zowel 1ste als 2de tranche).

M.b.t. de 2de tranche panden: Ik ben er wel van op de hoogte dat enkele van deze(9) panden gekocht waren bij [persoon 2] van de FATUM, danwel rechtspersonen waarmee [persoon 2] bemoeienis in had. De eerste zes panden zijn gekocht bij [persoon 2] door Investment Partners NV.
Hoefdraad had mij gevraagd of FWLI onroerende goederen zou kunnen kopen ten behoeve van de Staat. Ik had hem daarop aangegeven, dat het niet kon omdat FWLI slechts onroerende goederen kon kopen voor woningbouw projecten. Hij heeft toen voorgesteld dat er een rechtspersoon zou worden gebruikt als ‘special purpose vehicle’ om onroerende goederen te kopen en die later over te dragen aan de Staat. Waarom de Staat niet zelf de onroerende goederen kon kopen, indien dat nodig was, geef ik daarop aan dat ik Hoefdraad daar niets over heb gevraagd. Ik heb mij verder niet bemoeid met de overdracht van de panden door Investment Partner aan de Staat. U houdt mij voor dat het u bevreemd dat ik mij in de voorfase wel heel actief heb voorgesteld om Investment Partner te gebruiken als ‘special purpose vehicle’ maar dat ik mij verder niet heb druk gemaakt over de overdracht van de panden aan de Staat, hetgeen de bedoeling was. Als reactie daarop verklaar ik dat ik het idee had dat Hoefdraad dit verder zou afhandelen.

Ik heb inderdaad meegewerkt aan het vestigen van hypotheek op een van de percelen van FWLI ten behoeve van [persoon 2], in de hoedanigheid van bestuurder van FWLI. U maakt terecht de opmerking dat mijn functie als bestuurder van FWLI gekoppeld was aan mijn functie als directeur van SPSB. U vraagt mij of ik ondanks het feit dat ik met verplicht verlof was in die periode, toch heb meegewerkt aan het vestigen van hypotheek. Hierop verklaar ik dat ik heb meegewerkt omdat Hoefdraad mij gevraagd heeft om dit af te handelen.

M.b.t. de Royalty’s overeenkomst: uit het mailbericht blijkt dat ik het voorstel heb gedaan t.a.v. de royalty’s van IAMGold.
(De zinsnede “Met betrekking tot de royalty’s van IAMGold: misschien kan Gillmore hierin interveniëren.” ) Dit voorstel had ik ook gedaan vanwege de vraag van Hoefdraad om uit te kijken naar assets van de Staat. Het was slechts een voorstel.
Gebleken is dat de genoemde royalty’s uiteindelijk door de Staat aan de CBvS in pand zijn gegeven, op grond waarvan een totaal bedrag van ongeveer SRD2.3 miljard door Hoefdraad is getrokken bij de CBvS. Dat Hoefdraad dus dankbaar gebruik heeft gemaakt van mijn voorstel m.b.t. de royalty’s, was ik helemaal niet op de hoogte daarvan. M.b.t. het doen van voorstellen (emailbericht) was het niet mijn taak als directeur van de SPSB, maar omdat hij mij gevraagd had om hem te assisteren, heb ik dit gedaan.

I. Schriftelijke bescheiden/ het schriftelijk bewijs.

1. Email bericht afkomstig van hem, verdachte KROMOSOETO verstuurd naar Hoefdraad en Van Trikt, waarbij laatstgenoemde op 10 juni 2019 het bericht heeft ge-forward naar Hausil.
In voormeld email bericht doet Kromosoeto voorstellen m.b.t. verkoop van panden, overdracht Royalty’s en een of meer natuurreservaten in Suriname.

2. Een emailbericht afkomstig van Hausil, gedateerd 22 juni 2019 en gericht aan Hoefdraad en Van Trikt, waaruit blijkt dat zij aan de 2 voornoemde verdachten een conceptbrief heeft doen toekomen in het kader van eigendomsoverdracht van onroerende goederen aan de CBvS, ter verrekening van de langlopende schuld. In dit mailtje geeft zij aan dat SPSB heeft voorgesteld dat zij de restauratie ter hand willen nemen, echter stelt zij voor dat de Bank hierin het voortouw neemt.

3. Brief wisseling tussen Min. Fin. Hoefdraad en Van Trikt R m.b.t. eerste en tweede tranche panden.
• Het eerste schrijven (1ste tranche) afkomstig van Min Fin dateert van26 juni 2019 waarbij hij 8 panden ter beschikking stelt voor een bedrag tot Euro 45.000.000, -. Van Trikt reageert op dit schrijven dd. 7 nov 2019 waarbij hij aangeeft dat een koopsom tot euro 45 miljoen ter beschikking te stellen van het Min Fin.
• Het eerste schrijven (2de tranche) afkomstig van Min Fin dateert van 20 sept 2019 waarbij hij 9 panden ter beschikking stelt voor een bedrag tot Euro 60.000.000, -. Van Trikt reageert op dit schrijven dd. 3 dec 2019 waarbij hij aangeeft dat een koopsom tot euro 60 miljoen ter beschikking te stellen van het Min Fin.

4. Betalingsoverzicht voor de panden op 28 juni 2019; 20 september2019 en 24 september 2019. Totaal SRD.869, 055, 000.00, –

5. Royalty Overeenkomst dd. 1 november 2019.

6. Een betalingsoverzicht SRD 2.2 miljard afkomstig van de CBvS. Voormeld bedrag is overgemaakt op een rekening van Min Fin bij de CbvS.

Overwegingen per ten laste gelegd feit.
• Met betrekking tot het ten laste gelegde onder Feit I (deelneming aan Criminele organisatie strafbaar gesteld in art 188 Sr en het juridisch kader).

Voor het bestanddeel “organisatie” is vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon (ECLI: NL: HR:2018:378 ).
Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie (vgl. ECLI: NL: HR:2004: AQ8470) of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is (vgl. NJB 1991, 50).

Kortom, voor dit feit moet er sprake zijn van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en een of meerdere andere personen. Het samenwerkingsverband moet een zeker doel hebben en zijn deelnemers moeten in dat samenwerkingsverband actief zijn ter verwezenlijking van dat doel. Van de duurzaamheid van samenwerkingsverband, structuur en doel van de organisatie te verwezenlijken: de verdachten hebben zich geruime tijd bezig gehouden met onrechtmatige trekkingen van financiële middelen bij de CBvS, waarbij ten laste van de CBvS in totaal 3 miljard Surinaamse Dollars (meer specifiek SRD. 3.069.055.000, -) aan ongedekte voorschotten/blanco kredieten zijn verstrekt ten behoeve van het ministerie van Financiën.

De verdachten (KROMOSOETO; HOEFDRAAD; VAN TRIKT; PUTTER en HAUSIL) hebben elk afzonderlijk hun bijdrage geleverd in dit geheel.

Uit het onderzoek is onomstotelijk komen vast te staan dat verdachten samen met zeker op minimaal twee momenten de moederbank, financieel hebben benadeeld. Ten eerste bij transacties regarderende de zeventien onroerende goederen en tenslotte de trekking naar aanleiding van de Royalty- overeenkomst.

Verdachten hebben gezamenlijk op meerdere momenten zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten, zoals vervat in de tenlastelegging.

Kortom: het oogmerk van de criminele organisatie was gericht op het in strijd handelen met bepalingen opgenomen in de Strafwet en de Bankwet, In dit geval het verstrekken van blanco kredieten aan het ministerie van Financiën, alsook het verrichten van quasi fiscale activiteiten door de CBvS. Het boven aangehaalde komt tot uiting in de verklaringen afgelegd door verschillende getuigen in het vooronderzoek, alsook de afgelegde verklaringen van medeverdachten VAN TRIKT en HAUSIL als getuigen en is het eerder aangehaalde te herleiden op grond van de hierboven opgesomde bewijsmiddelen.

• Met betrekking tot het ten laste gelegde onder de Feiten II, IV ( overtreding van 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 8 en het juridisch kader).
Verdachte KROMOSOETO was directeur van de SPSB, derhalve een publieke functionaris en is de Anti – Corruptiewet op hem van toepassing. Strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde, zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handeling aan de Staat of staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings- of handelingsbevoegdheid is toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een wettelijk voorschrift.

Het blijkt, dat deze verdachten samen hebben gespannen om de CBVS en ook de Staat Suriname ernstig te benadelen. De rollen zijn daarbij duidelijk verdeeld. HOEFDRAAD heeft op regeringsniveau bepaalde zaken afgehandeld en afgedekt. Als voorbeeld een missive van de Raad van Ministers met betrekking tot de verkoop van de overheidspanden (1ste tranche). VAN TRIKT als governor bij de CBVS om autorisatie te verlenen voor de betalingen en allerlei andere zaken, waarbij hij in strijd met de Bankwet heeft gehandeld. Als voorbeeld de betaling voor de 1ste en 2de tranche panden, die nimmer zijn overgedragen aan de CBVS. HAUSIL als directeur Legal Compliance and International Affairs om illegale transacties (in strijd met de Bankwet) legaal te doen overkomen. Bijvoorbeeld de aankoop van onroerend goed (1ste en 2de tranche) en de Royalty’s van IAM GOLD.

M.b.t. de transacties regarderende de 1ste en 2de tranche panden:
• Artikel 18 het eerste lid van de Bankwet luidt als volgt: “ De Bank verleent in blanco geen krediet of voorschot. Onder krediet of voorschot in blanco is niet begrepen het toevertrouwen in haar eigen belang van gelden of goederen aan lasthebbers die niet bij haar in vaste dienst zijn.”
• Artikel 18 lid 4 van de Bankwet geeft het volgende aan: “Behoudens het bepaalde in het tweede lid koopt of bezit de Bank geen onroerende goederen, dan die welke voor de uitoefening van haar bedrijf benodigd zijn.”

De constructie van de panden is één van de mogelijkheden geweest, die genoemde verdachten in vereniging hebben toegepast om blanco voorschotten of kredieten (de zgn. Monetaire Financiering) te verkrijgen van de CbvS. Monetaire financiering brengt met zich mee dat er meer geld in omloop wordt gebracht waartegenover geen dekking staat met als gevolg een wisselkoers die omhoogschiet. Om de wisselkoers “stabiel” te houden is er geïntervenieerd op de valutamarkt en daarbij is er onder andere gebruik gemaakt van de kasreservemiddelen van de commerciële banken.

In het strafrechtelijk onderzoek verricht bij de CBVS in het kader van de aankoop van de zeventien onroerende goederen komen in beeld de verdachten KROMOSOETO, Ginmardo Budiono en PUTTER, Robert Paul.

Op 26 juni 2019 heeft HOEFDRAAD een brief gericht aan VAN TRIKT waarin hij de navolgende onroerende goederen aanbiedt aan de CBVS voor gedeeltelijke financiering of schuldverrekening en wel voor een bedrag van Euro 45 miljoen. (een geschatte marktwaarde) (1ste tranche)

1. Ministerie van Financiën (Tamarindelaan br.no 3)
2. Ministerie van Financiën (oud gebouw afdeling Thesaurie Inspectie – Mr. Dr. J.C. de Mirandastraat br.no.17)
3. Ministerie van Financiën (oud gebouw afdeling Economische aangelegenheden – Onafhankelijkheidsplein)
4. Ministerie van Justitie en Politie (oud KKF gebouw – Mr. Dr. J.C. De Mirandastraat br.no.6)
5. Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting (Waterkant br.no 30-32)
6. Minister van Regionale Ontwikkeling (Roseveltkade br.no. 2)
7. Minister van Ruimtelijke Ordening, Grondbeheer en Bosbeheer(Cornelis Jongbawstraat 10-12)
8. Het gebouw van de Nationale Loterij aan de Keizerstraat

Op 07 november 2019 richt VAN TRIKT een brief aan HOEFDRAAD waarin hij het bod van de 8 onroerende goederen accepteert en ook de betaling van Euro 45 miljoen autoriseert.

Op 20 september 2019 heeft HOEFDRAAD een brief gericht aan VAN TRIKT waarin hij de navolgende onroerende goederen aanbiedt aan de CBVS voor een gedeeltelijke financiering of schuldverrekening en wel voor een bedrag van Euro 60 miljoen (geschatte marktwaarde) (2de tranche)
1. Hoofdkantoor Ministerie van Financiën – S.M. Jamaludinstraat 26
2. Directoraat Financiën – J.D. Gomperstraat 03
3. Trainingscentrum Financiën – Gongrijpstraat 51
4. Parking Trainingscentrum Financiën – Gongrijpstraat 36
5. Directoraat Ontwikkeling financiering – Henk A.E. Arronstraat 36
6. Gebouw t.o. Belastingkantoor (Adviseur Min) – Van Sommelsdijkstraat 34
7. Belastingkantoor – Van Sommelsdijk 27
8. Directoraat Belastingen (Oud -BDO gebouw) Kerkplein 12
9. Het Nationaal Informatie Instituut (ABC gebouw) – Mahonylaan 55

Op 3 december 2019 richt VAN TRIKT een brief aan HOEFDRAAD waarin hij het bod van de 9 onroerende goederen accepteert en ook de betaling van Euro 60 miljoen autoriseert.

De betaling voor de onroerende goederen hebben op de navolgende dagen plaatsgevonden:
• 28 juni 2019……………………….SRD 377, 955,000.00
• 20 september 2019……………..SRD 220, 000,000.00
• 24 september 2019……………..SRD 271, 100,000.00
Totaal———————————–SRD 869, 055,000.00

Kortom: Er heeft nimmer een schuldverrekening plaatsgevonden.

Na de aanhouding van medeverdachte HAUSIL is haar emaildata over het jaar 2019 en 2020 (gedeeltelijk) ter beschikking gesteld van het onderzoek. Daarbij is er een email bericht aangetroffen afkomstig van verdachte KROMOSOETO en verzonden naar medeverdachten HOEFDRAAD en VAN TRIKT. Dit bericht is op 10 juni 2019 door medeverdachte VAN TRIKT (ge-forward)doorgestuurd naar HAUSIL.

Uit dit mailtje blijkt, dat KROMOSOETO met het voorstel is gekomen om onroerende goederen van de overheid te verkopen aan de CBVS. Verder heeft hij het ook over de royalty’s van IAM GOLD en natuurreservaten van Suriname. Hij sluit het mailtje af met:

“Tot zover, terwijl ik verder ga met zoeken naar mogelijkheden”.

Uit het boven aangehaalde staat onomstotelijk vast, dat hij, verdachte KROMOSOETO, met ideeën is gekomen, die uiteindelijk hebben geleid tot ongedekte verstrekkingen/blanco voorschotten (monetaire financiering) door de CBVS, waarbij de CBVS, als Staatsinstelling ernstig financieel is benadeeld. Het verhaal rond de onroerende goederen is uitgebreid omschreven. Dat van royalty’s (een overeenkomst van 01 november 2019 aanvankelijk bedoeld voor de verrekening van de langlopende Staatschuld, terwijl daarvan gebruik is gemaakt om SRD 2,3 miljard te trekken) was volgens medeverdachte VAN TRIKT bedoeld om de langlopende staatschuld te verrekenen en dat zegt hij ook omtrent de aankoop van de panden, maar aan de hand van dit mailtje is dat van het verrekenen van de langlopende staatschuld een drogreden omdat het nu blijkt, dat het meer bedoeld was om aan financiën te komen voor de Staat Suriname. HOEFDRAAD; HAUSIL en VAN TRIKT hebben bewust hieraan meegewerkt. Weliswaar komt het idee van de onroerende goederen niet van HAUSIL, maar zij was wel degelijk (vooraf) op de hoogte van dat er middels allerhande constructies aan monetaire financiering zou worden gedaan ten nadele van de CBVS en zij heeft zulks helpen faciliteren.

Rekening houdend met de verklaring van HOEFDRAAD bij de Rechter Commissaris, namelijk dat de onroerende goederen (2de tranche) het eigendom zijn van de SPSB en de inhoud van het e – mail bericht, dat KROMOSOETO naar HOEFDRAAD en VAN TRIKT heeft verstuurd kan gevoeglijk worden aangenomen, dat KROMOSOETO de onroerende goederen in de 2de tranche (met uitzondering van het pand van de belastingdienst aan de Sommelsdijkstraat) via HOEFDRAAD ten verkoop heeft geboden aan de CBVS wetende dat deze onroerende goederen niet van Staat Suriname zijn en nog minder van de SPSB.

Uit documentatie en verklaring van de notaris [persoon 13] en de getuige [persoon 2] blijkt het volgende:
• Het onroerend goed aan de Mahonylaan op 16 maart 2018 is gekocht door PUTTER die werkzaam was bij de SPSB.
• De onroerende goederen aan de GRAVENSTRAAT, GONGRIJPSTRAAT; GOMPERTSTRAAT (COMPLEX); SOMMELSDIJKSTRAAT zijn op 5 september 2018 van [persoon 2] gekocht door PUTTER.
• Volgens [persoon 2] heeft hij steeds onderhandeld met KROMOSOETO die genoemde onroerende goederen zou kopen voor de SPSB. Deze panden werden door [persoon 2] verhuurd aan het ministerie van Financiën en de huur werd betaald door de SPSB. Op de dag van de verkoop werd PUTTER door KROMOSOETO naar voren geschoven om op te treden als koper. De stichtingen en naamloze vennootschappen waarvan PUTTER het enige bestuurslid is heeft geen enkele link met de SPSB. De onroerende goederen zijn door [persoon 2] voor Euro 13.350.000 verkocht aan de GONGRIJPSTRAAT; GOMPERTSTRAAT en SOMMELSDIJKSTRAAT- Euro 2.450.000 voor een verkavelingsproject aan de 3de rijweg. Dit verkavelingsproject is gekocht door KROMOSOETO in zijn hoedanigheid als bestuurder van het “Fonds Woningbouw Lagere Inkomensgroepen”.
KROMOSOETO (niet in de hoedanigheid als directeur van de SPSB, nog minder als bestuurder van het “Fonds Woningbouw Lagere Inkomensgroepen) heeft samen met PUTTER als partij een betalingsovereenkomst ondertekend met [persoon 2] t.a.v. de onroerende goederen gekocht op 05 september 2018. De betalingsovereenkomst is per zelfde datum ondertekend. In de betalingsovereenkomst is aangegeven, dat op 05 september 2018 Euro 5.000.000 wordt betaald en het resterend bedrag, namelijk Euro 8.350.000 binnen 18 maanden na 05 september 2018.
• Daar KROMOSOETO en PUTTER hun betalingsverplichting niet optimaal konden nakomen is er door [persoon 2], rente doorberekend van SRD 3.075.000.
KROMOSOETO heeft [persoon 2] dit jaar aangegeven dit bedrag niet te kunnen betalen en heeft toen het voorstel gedaan aan [persoon 2], dat die een hypotheek vestigt van SRD 3.075.000 op het verkavelingsproject aan de 3de rijweg. Dit heeft plaatsgevonden op 01 april 2020.
• Met uitzondering hiervan heeft KROMOSOETO op 20 juli 2020 de aankoop van het onroerend goed op naam van stichting REDI OEDOE laten ontbinden. PUTTER heeft de ontbinding ondertekend. De koopsom van REDI OEDOE was Euro 100.000 omgerekend SRD 1.500.000. Dit bedrag is afgetrokken van de SRD 3.075.000 waardoor KROMOSOETO en PUTTER (SPSB) [persoon 2] nog SRD 1.575.000 verschuldigd zijn.
• Het onroerend goed op naam van stichting REDI OEDOE is in eerst instantie door HOEFDRAAD verkocht aan de CBVS. Vervolgens, heeft PUTTER in zijn brief van 31 december 2019 aangegeven, dat hij de onroerende goederen, waaronder ook het onroerend goed op naam van stichting REDI OEDOE zal overdragen aan de Republiek Suriname. Zulks naar aanleiding van het feit, dat de Republiek Suriname de schuld van PUTTER bij de SPSB heeft afgelost. Echter, is noch de CBVS noch de Republiek Suriname de eigenaar geworden van dit onroerend goed (REDI OEDOE) dat door handelingen van KROMOSOETO en PUTTER middels een ontbinding d.d. 20 juli 2020 terug is gekeerd in de boezem van de verkoper ([persoon 2]).
• In een laatste wanhoopsdaad heeft HOEFDRAAD met een brief en een missive van de ex-president van de Republiek Suriname, BOUTERSE, D d.d. 10 juli 2020 dat van de panden recht proberen te trekken. In deze brief vraagt HOEFDRAAD aan INVESTMENT PARTNERS N.V. om de onroerende goederen aan de GRAVENSTRAAT; GONGRIJPSTRAAT; GOMPERTSTRAAT/ JAMALUDINSTRAAT en KERKPLEIN over te dragen aan de Staat Suriname. In deze brief rept hij met geen woord over het onroerend goed op naam van stichting REDI OEDOE waarvoor de Republiek Suriname in 2019 reeds heeft betaald. Hier blijkt duidelijk, dat HOEFDRAAD en KROMOSOETO, nauw hebben samengewerkt bij de constructie van de panden. HOEFDRAAD heeft het onroerend goed op naam van stichting REDI OEDOE niet opgenomen te nemen in zijn brief van 10 juli 2020 en heeft de ontbinding van desbetreffende overeenkomst pas 10 dagen daarna plaatsgevonden, namelijk op 20 juli 2020.
• Er is in casu sprake van een criminele organisatie, die op systematische wijze niet alleen de CBVS, maar ook de Republiek Suriname heeft benadeeld en zichzelf en mogelijk ook anderen hebben bevoordeeld.
• Op 02 mei 2019 heeft KROMOSOETO in de hoedanigheid van directeur van de SPSB een brief geschreven aan de notaris [persoon 13] waarin hij vestiging van een krediethypotheek wenst in de hoofdsom groot SRD 1.400.000 ten laste van INVESTMENT PARTNERS; NEW VISION INTERNATIONAL en PARAMARIBO TRAVEL CENTER N.V. ten behoeve van de SPSB. Het gaat in deze om de onroerende goederen aan de GRAVENSTRAAT; SOMMELSDIJKSTRAAT; GOMPERTSTRAAT (COMPLEX); GONGRIJPSTRAAT en het KERKPLEIN. Op 10 mei 2019 is genoemde hypotheek gevestigd en op 13 mei 2019 ingeschreven in het register bij GLIS. PARAMARIBO TRAVEL CENTER waarvan [persoon 15], directeur is.
• Per zelfde datum, namelijk 2 mei 2019 heeft KROMOSOETO als directeur van SPSB een brief geschreven aan notaris [persoon 13] waarin hij vraagt om ten gunste van SPSB een akte van onherroepelijke volmacht tot hypotheekvestiging en hypotheek belofte te passeren, af te geven door INVESTMENT PARTNERS; NEW VISION INTERNATIONAL en PARAMARIBO TRAVEL CENTER N.V. waarbij de SPSB onherroepelijk volmacht zal hebben om de navolgende goederen te bezwaren ten gunste in hoofdsom groot SRD 67.500.000. De onroerende goederen in deze aan de GRAVENSTRAAT; SOMMELSDIJKSTRAAT; GOMPERTSTRAAT (COMPLEX); GONGRIJPSTRAAT en het KERKPLEIN. Op 10 mei 2019 is deze volmacht tot hypotheek gevestigd.
• Op 16 december 2019 heeft [persoon 1], in hoedanigheid van waarnemend directeur van de SPSB, acht (8) brieven gestuurd naar notaris [persoon 13] waarin hij aangeeft, dat de SPSB bereid is om royement te verlenen van de hypothecaire inschrijving ten name van Investment Partners, New Vission International NV en Paramaribo Travel Center NV. Het gaat om de navolgende onroerende goederen, namelijk GRAVENSTRAAT; SOMMELSDIJKSTRAAT; GOMPERTSTRAAT (COMPLEX); GONGRIJPSTRAAT en het KERKPLEIN. Het royement is op 18 december 2019 gepasseerd bij de notaris [persoon 13].

In deze is het opmerkelijk, dat het verzoek tot het verlenen van royement op 16 december 2019 is gedaan door de SPSB, terwijl in een brief aan PUTTER d.d. 20 december 2019 wordt aangegeven, dat zijn rekening courant kredieten d.d. 18 december 2019 volledig zijn afgewikkeld. Het komt erop neer, dat er royement is aangevraagd vóórdat de rekening courant kredieten waren afgewikkeld.

Conclusie:
Uit het voorgaande is komen vast te staan dat de verdachte KROMOSOETO nauw betrokken is geweest en samen met zijn mededaders handelingen heeft verricht -t.w.
• als directeur van de SPSB bank informatie per mail gedeeld over (de eerste tranche) onroerende goederen en/of het voorstel gedaan t.a.v. de Royalty overeenkomst aan zijn medeverdachten HOEFDRAAD en VAN TRIKT en
• als directeur van de SPSB bank – alwaar de medeverdachte PUTTER de scepter zwaaide over het zgn. special vehicle en met zijn vele stichtingen en overige rechtspersonen de bezittingen had over een aantal onroerende goederen ten verkoop onder de mom van schuldsanering ten verkoop zijn aangeboden (2de tranche) – voornoemde onroerende goederen althans de informatie daarvan gedeeld en voorstellen gedaan en juridische adviezen uitgebracht met zijn medeverdachten HOEFDRAAD en VAN TRIKT en
• daarbij enkele ontmoetingen danwel overleg momenten gehad met voornoemde mededaders die geleid hebben tot de aankoop van en de overname van zeventien panden, althans één of meer onroerende goederen, welke onroerende goederen niet noodzakelijk zijn gebleken voor de uitoefening van de bedrijfsvoering van de Centrale Bank van Suriname als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173 en de verstrekking van ongedekte voorschotten middelen in het kader van de Royalty overeenkomst als bedoeld in artikel 18 lid 2 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173.

Het boven aangehaalde komt duidelijk tot uiting volgens de verklaringen afgelegd door verschillende getuigen in het vooronderzoek, alsook de afgelegde verklaringen van medeverdachten VAN TRIKT en HAUSIL als getuigen en is het eerder aangehaalde te herleiden op grond van de eerder opgesomde bewijsmiddelen.
In onderhavige zaak is er onder meer sprake van grootschalige corruptie: “consists of acts, committed at a high level of government that distort policies or the central functioning of the state, enabling leaders to benefit at the expense of the public good.” (zie Transparancy International, geraadpleegd op 1 juli 2015, van http:// www. Transparancy.org/glossary/term/corruption).

Volgens geraadpleegde literatuur kunnen zes factoren en condities een organisatie behoeden voor onregelmatigheden:
a) Een gezonde organisatiestructuur en in het bijzonder een (eerlijke) verdeling van werk
b) Direct contact tussen het topmanagement en de werkvloer ter vergroting van de kans op ontdekking (transparantie)
c) De aanwezigheid van een specifiek integriteitsbeleid (regels)
d) De strengheid, duidelijkheid en correctheid van leidinggevenden (toezicht)
e) Voorbeeldgedrag en betrouwbaarheid van de leiders
f) Een groepscultuur, met onderling vertrouwen en de cultuurethiek.

Naar het oordeel van de kantonrechter zijn bovengenoemde factoren en condities niet (duidelijk) uit de verf gekomen in de organisatiecultuur waar verdachte werkte, blijkende dit uit de bewijsmiddelen die zijn vervat in de processen – verbaal van de politie, het gerechtelijk vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. Bij corruptie is de context van het corrupt handelen en de gelegenheid die door de organisatie wordt geboden van belang. Volgens de literatuur zijn er drie voorwaarden nodig voor het plegen van het delict namelijk: een gemotiveerde dader, een aantrekkelijk doelwit en weinig of geen toezicht. Wanneer een duidelijke omschrijving van good en bad policing ontbreekt, blijft het onduidelijk wat er wordt verwacht. Medewerkers weten niet meer wat is toegestaan en gaan vervolgens de grijze vlakken zelf invullen. Bovendien brengen bepaalde functies een zekere mate van status en macht met zich mee. Het is die macht en het vertrouwen in de bekleder van die macht, die misbruikt wordt ten eigen bate. Het beroep brengt als het ware een eigen gelegenheidsstructuur met zich mee. De handelingen die door verdachte en zijn mededaders zijn gepleegd worden vergeleken met een slechte boomgaard, een institutionele context waar de organisatie, het soort werk en de werkcultuur een belangrijke rol hebben gespeeld. Bij corruptie falen zowel de individuen als de organisatie: de organisatie creëert de gelegenheid om corruptie te plegen. Werknemers hebben veelal hun gedrag aangeleerd via (non) verbale communicatieprocessen in een omgeving waarin anti – sociaal gedrag ook veel voorkomt: het is ieder voor zichzelf en dit getuige ook op grond van de verklaringen bij de rechter – commissaris in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek afgelegd, het gebrek aan verantwoordelijkheid en adequaat toezicht van de directeur (verdachte) en de Raad van Toezicht van de Surinaamse Postspaarbank. Mede daardoor heeft verdachte zich de behoeften en (morele) opvattingen en vaardigheden eigen gemaakt die het plegen van corruptie bevorderen. Ook persoonlijkheidskenmerken kunnen volgens de literatuur corrupt gedrag bevorderen: de behoefte aan geldingsdrang, aan macht over de omgeving, een bepaalde mate van hebzucht, het handelen onder druk van anderen en thrill seeking, de sterke behoefte om bij anderen gezien te worden en belangrijk geacht c.q erkend te worden alsook een ongezonde loyaliteit aan opdrachtgevers die (politieke) macht bekleden.

Uit de processen – verbaal van de politie, het gerechtelijk vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de variabelen van meso en micro niveau voor een groot deel aanwezig waren om te komen tot de vaststelling van corruptie die door verdachte en zijn mededaders zijn gepleegd. Deze variabelen zijn ook belangrijke toetsstenen om na te gaan of er sprake is van good governance van instituten met sterke democratische wortels waarbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur centraal staan. De SPSB heeft in de periode waar verdachte en zijn mededaders hebben gewerkt, gefunctioneerd als een corrupt orgaan vanwege de corruptieve handelingen die door verdachte en zijn mededaders zijn gepleegd.

De variabelen op mesoniveau zijn:
1. Leiderschap waarbij de rol van de leidinggevende centraal staat. De leidinggevende:
a) geeft niet het goede voorbeeld en is niet bepaald een integere leider;
b) is onduidelijk over wat is toegestaan;
c) spreekt de medewerkers niet aan op regelovertredend gedrag;
d) geeft geen ondersteuning aan integer gedrag.

2. Procedures, deze variabele betreft het bestaan en de naleving van wet – en regelgeving en de uitwerking daarvan in procedures. De procedures:
a) Zijn niet schriftelijk vastgelegd;
b) Sluiten niet aan bij de praktijk;
c) Zijn niet gericht op het voorkomen van integriteitsrisico’s;
d) Zijn niet duidelijk;
e) Zijn niet bekend;
f) Worden niet nageleefd door de medewerkers.

3. Controle. Aan de hand van deze variabele wordt nagegaan in hoeverre er sprake is van interne of externe controle. Met de controles:
a) Wordt niet nagegaan of volgens de voorgeschreven procedures wordt gewerkt;
b) Worden medewerkers niet aangesproken op regelovertredend gedrag;
c) Wordt niet opgetreden en bestraft indien wordt afgeweken van de procedures.

4. Organisatiecultuur. Deze variabele gaat over het moraal binnen de organisatie en de groepscultuur. In een niet integere organisatiecultuur:
a) gaat men niet zorgvuldig om met elkaar, de middelen van de organisatie en (vertrouwelijke) informatie:
b) ontbreekt onderling vertrouwen en open communicatie;
c) voelen medewerkers zich niet veilig om vragen te stellen als zij strafbare feiten – zoals corruptie – vermoeden;
d) bestaat geen onderling corrigerend gedrag.

5. Integriteitsbeleid. Het gaat hier erom of er binnen de organisatie speciale aandacht is voor het woord integriteit:
a) er zijn geen integriteitsvoorschriften (wettelijke regelingen, gedragscode, vertrouwenspersoon, meldprocedure);
b) de integriteitsvoorschriften zijn niet bekend bij de medewerkers;
c) medewerkers worden niet gescreend;
d) risicofuncties worden niet benoemd;
e) medewerkers volgen geen integriteitstrainingen.

De variabelen op microniveau
1. Persoonlijkheidskenmerken. Er is sprake van een of meer persoonlijkheidskenmerken:
a. Dominant
b. Machtswellustig
c. Welbespraakt
d. Overtuigend
e. Megalomaan
f. Principeloos
g. Onverantwoordelijk

2. Motieven
a) Geld
b) Macht

3. Rationaliteit van handelen, waarbij er sprake is van een rationele keuze aan de hand van een kosten- en batenanalyse. Corrupte bestuurders en ambtenaren zijn vaak rationale wezens die maximaal profijt nastreven met het eigen belang voorop: zij proberen de instituties in hun eigen voordeel te hervormen door meer macht naar zich toe te trekken. Potentiële daders van corruptie maken een bewuste keuze van de kosten en baten analyse. Zij zijn bereid om corruptie te plegen als zij verwachten dat de opbrengsten groter zijn dan de kosten. “Opbrengsten” staan niet uitsluitend voor financieel gewin, maar ook voor het bereiken van een bepaalde status, aanzien en macht. Het begrip “ kosten” betreft niet alleen de kosten van steekpenningen, maar ook het ingeschatte risico van een lage pakkans ( waar verdachte en zijn mededaders bedrogen in zijn uitgekomen) en het risico op een eventueel baanverlies (als ik niet doe wat mijn meerdere mij opdraag kan ik mijn baan verliezen) of een reputatieschade ( bijvoorbeeld: ik ga mijn aanzien bij mijn meerderen verliezen als ik niet doe wat zij van mij vragen).

4. Neutralisatietechnieken. De gedragingen worden vooraf en/of achteraf verantwoord door toepassing van een of meer van de volgende neutralisatietechnieken:
a) Ontkenning van de eigen verantwoordelijkheid
b) Ontkenning van schade of benadeling
c) Ontkenning door de dader: niemand is benadeeld. Handelingen gepleegd in het belang van land en volk / ik heb het beste met het land voor/ vaderlandsliefde.
d) Veroordeling van de oordelaars cq degenen die de wantoestanden aan het licht hebben gebracht
e) Verwijzing naar hogere plichten of morele principes: een groot risico genomen, financiering gegeven zonder enige dekking daartegenover, wij zijn vooruitgelopen op zaken en we hadden er geloof in dat het wel goed zou komen, Ik ben loyaal aan mijn opdrachtgevers en had het beste voor met het land.

Bovenstaande variabelen op mesoniveau en microniveau zijn belangrijke toetsstenen voor instanties die bemenst worden door publieke functionarissen, teneinde na te gaan of er sprake is van good governance en sterke democratische instituten met transparante regels en werkwijzen. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben – op grond van bovenstaande bewijsmiddelen in samenhang met de geraadpleegde literatuur en de jurisprudentie – de SPSB en verdachte gefaald om aan de noodzakelijke voorwaarden te voldoen met als gevolg een geschokte rechtsorde en benadeling van De Staat Suriname.

• Met betrekking tot het ten laste gelegde onder de Feiten III en V (Ambtsverduistering en subsidiair verduistering in persoonlijke dienstbetrekking en het juridisch kader).
Er is sprake van overtreding van artikel 423 Wetboek van Strafrecht als een ambtenaar geld dat is gebudgetteerd voor een specifiek doel voor een ander publiek doel wordt gebruikt, zoals bedoeld in Hoofdstuk III van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 (de taakstelling en werkkring van de Centrale Bank van Suriname).
De Hoge Raad oordeelde dat van verduistering in de zin van art. 359 Sr Nederland (423 Sr Suriname) sprake is bij onttrekking aan de bestemming van gelden en geldswaardig papier. Voorts beschermt art. 359 Sr NL volgens de Hoge Raad het belang van een juiste vervulling van het ambt, ter wille van de integriteit van de openbare dienst, ‘welk belang van een goede taakvervulling gelijkelijk heeft te gelden ten aanzien van de persoon die in persoonlijke dienstbetrekking staat tot zijn werkgever (HR 02-06-2015, ECLI: NL: HR:2015:1449.)

Gelet op de eerder aangehaalde bewijsmiddelen komt de kantonrechter tot de conclusie dat medeverdachte VAN TRIKT als governor van de CBvS als heer en meester over de op de in beheer zijnde middelen van de CBvS gaan beschikken en deze heeft gebruikt voor doeleinden waarvoor zij niet aangewezen waren.
Zo heeft de gewezen governor gelden tot een totaal bedrag van 3 miljard Surinaamse Dollars (meer specifiek SRD. 3.069.055.000, -) toebehorende aan de CBvS uitgegeven in de mom van blanco voorschotten, althans laten verduisteren door HOEFDRAAD toen als gewezen minister van Financiën. Deze handelingen zijn verricht door middel van verschillende valse constructies in het kader van de transacties regarderende de 1ste en 2de tranche panden alsook de overeenkomst dd. 1 november 2019 omtrent de Royalty’s onder de mom van zogenaamde schuldsanering.
Aldus heeft medeverdachte HOEFDRAAD tezamen en in vereniging met voornoemde medeverdachte, zich naar het oordeel van de kantonrechter, betreffende geldbedragen in zijn hoedanigheid van minister van Financiën opzettelijk wederrechtelijk toegeëigend.

Verdachte KROMOSOETO heeft als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK in de hoedanigheid van publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB. 2017 no. 85 na gemeen overleg en afstemming, althans in nauwe samenwerking met voornoemde VAN TRIKT, ROBERT als de president van de Centrale Bank van Suriname en/of voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE als minister van financiën en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en/of functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname in strijd met het vierde lid van artikel 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173, een of meer gesprekken gevoerd en voorstellen gedaan en ideeën of constructies bedacht, in ieder geval geïnstrueerd en voorstellen gedaan, althans geadviseerd tot de aankoop van en de overname van zeventien panden, welke onroerende goederen niet noodzakelijk zijn gebleken voor de uitoefening van de bedrijfsvoering van de Centrale Bank van Suriname als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 en waarvan een deel van voornoemde onroerende goederen niet aan de Staat Suriname toebehoorden en zonder dat er aan voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, zijnde de minister van Financiën, (vooraf en daartoe) toestemming was verleend door de Raad van Ministers van de Republiek Suriname voor het verrichten van handelingen regarderende transacties met betrekking tot voornoemde onroerende goederen en zonder dat hij verdachte zich daarvan had overtuigd. Voorts heeft hij, verdachte persoonlijk danwel per email voorstellen gedaan voor de afdracht van royalty’s aan de aan de Centrale Bank van Suriname en/of ten gevolge waarvan door zijn voornoemde mededaders een overeenkomst gedateerd van 01 november 2019 omtrent de afdracht van de royalty’s door de Republiek Suriname aan de Centrale Bank van Suriname betreffende de aflossing van de lopende lening (de Staatsschuld) van het ministerie van financiën, althans de Staat Suriname bij de Centrale Bank van Suriname werd opgesteld, althans hebben doen opstellen en opgemaakt, althans hebben doen opmaken en ondanks dat er daartoe een (ongunstige) juridisch advies was uitgebracht om vermelde overeenkomst niet aan te gaan en zonder dat daarvoor de vereiste machtiging tot het aangaan van voormeld overeenkomst tot nadere wijziging en aanvulling op de Delfstoffenovereenkomst de dato 7 april 1994 (SB 1994 no 22 gewijzigd bij SB 2002 no115) was verleend door De Nationale Assemblee en/of zonder dat een machtigingswet daartoe in het Staatsblad van de Republiek Suriname was afgekondigd.

Kortom de getrokken middelen van circa meer dan 3 miljard, hebben een ander bestemming gehad, dan waarvoor het bedoeld was.

De bewijsconstructie
Gelet op het eerder aangehaalde en in samenhang met de opgesomde bewijsmiddelen kan – tegenover verdachte ‘s ontkenning – vastgesteld worden dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte KROMOSOETO en zijn voornoemde mededaders te weten HOEFDRAAD G; VAN TRIKT R en PUTTER, waarbij er duurzaam en in structureel verband is samengewerkt en daarbij wettelijke bepalingen zoals vervat in het Wetboek van Strafrecht en de Bankwet doelbewust zijn vertrapt, dit voorgaande met het enig oogmerk financiering van de overheidsuitgave ten nadele van de staatsinstelling in deze de moederbank(CbvS), waarbij aan die ernstig financieel nadeel is toegebracht. Verdachte KROMOSOETO heeft steevast te kennen gegeven dat hij de voorstellen t.a.v. de onroerende goederen en de royalty’s heeft gedaan na overleg, goed vertrouwen en op voorstel van medeverdachte HOEFDRAAD. Als voormalig bankier moest hij hebben geweten dat dergelijke handelingen helemaal niet gepast zijn binnen de wet en regelgeving, desondanks heeft hij meegewerkt aan voormelde constructies. Door een moederbank dergelijke financiële klappen toe te brengen heeft dat voor de totale economie en samenleving van Suriname ernstige gevolgen gehad. Verdachte KROMOSOETO heeft duidelijk andere belangen gediend te weten dat van medeverdachte HOEFDRAAD en daarmede de CBvS ernstig financieel benadeeld. De verdachte KROMOSOETO heeft puur gehandeld ten faveure en behoud van zijn functie en positie als topman bij de SPSB.

Verdachte KROMOSOETO heeft misbruik gemaakt van zijn kennis en positie als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK, alwaar hij over de nodige informatie beschikte t.a.v. de onroerende goederen (vooral t.a.v. de 2de tranche panden). Hij heeft het vertrouwen dat in hem gesteld in ernstige mate geschaad. Door verdachte en zijn medeverdachten is aan de CBvS grote financiële schade toegebracht, waardoor de bestaande Staatsschuld hierdoor enorm is gaan toenemen. Dit voorgaande heeft ertoe geleid tot de verdere ontwaarding van de Surinaamse munt en hierdoor de huidige economische malaise waaronder elke Surinaamse burgers thans gebukt gaat. Komende generaties komen hieraan niet onderuit en zullen deze nare gevolgen eveneens ondervinden.

Bij de bepaling van de hierna op te leggen straf is, gelet op de aard en ernst van de te bewezen verklaren feiten, op de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op de persoon van de verdachte KROMOSOETO, zoals een en ander uit het vooronderzoek en ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De strafbaarheid van de feiten
De te bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. Verdachte is een first offender voor de wet.

De motivering van de straf.
Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden volstaan met een lichtere sanctie dan de hierna te melden straf welke een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijk duur met zich brengt. Op grond van het hierboven aangehaalde en mede gelet op het feit dat verdachte KROMOSOETO enerzijds een essentiële rol binnen het geheel heeft gehad, is de kantonrechter van oordeel dat de straf zoals die is geëist, passend en geboden is. Verdachte heeft gewerkt in een ongezonde organisatiecultuur die niet beantwoord aan de vereisten van good governance en waarbij loyaliteit aan opdrachtgevers met dubbele agenda’s een centrale rol hebben gespeeld. Het spreekwoordelijk gezegde “ wat baat het een mens om de wereld te winnen en daarbij schade te lijden aan zijn ziel” is daarbij aan verdachte voorbij gegaan. Prestige kwesties gaan vaak hand in hand met afhankelijkheid van anderen, waarbij er vaak een prijs wordt betaald die ten koste gaat van de integriteit, het zelfrespect en de normen en waarden en het naleven van wettelijke regels die van een publieke functionaris in de uitoefening van zijn bediening worden verwacht. Het gedrag van verdachte en zijn mededaders hebben grote schade aangericht aan de economische ordening, waarbij de burgerij het meest te lijden heeft.

De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Verklaart het bewezenverklaarde onder I; II A; III B; IV A; V B van de ten laste legging strafbaar en kwalificeert dit als volgt:
I: Deelneming criminele organisatie zoals voorzien en strafbaar gesteld in artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht.
II A: Medeplegen van de overtreding van de Anti – Corruptiewet zoals genoemd en strafbaar gesteld in artikel 13 lid 1 onder a van de Anti – Corruptiewet S.B. 2017 no. 8. juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
III B: Medeplichtigheid aan ambtsverduistering zoals genoemd en strafbaar gesteld in artikel 423 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht.
IV A: Medeplegen van de overtreding van de Anti – Corruptiewet zoals genoemd en strafbaar gesteld in artikel 13 lid 1 onder a van de Anti – Corruptiewet S.B. 2017 no. 8.juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
V B: Medeplichtigheid aan ambtsverduistering zoals genoemd en strafbaar gesteld in artikel 423 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing van de Kantonrechter berust mede op de artikelen 9, 11, 38, 43, 44, 54 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING VAN DE KANTONRECHTER
• Verklaart de onder I; IIA; III B; IVA; VB: ten laste gelegde feiten zoals hierboven is vermeld wettig en overtuigend bewezen;
• Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
• Veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van vijf (5) jaren.
• Bepaalt dat de tijd door de verdachte vόόr de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
• Veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete tot een totaal bedrag van SRD 150.000, – (honderdvijftigduizend Surinaamse Dollar) subsidiair 12 maanden hechtenis.
• Handhaaft het bevel tot gevangenhouding van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Kuldip Singh, kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo, in tegenwoordigheid van A. A. Kalloe LL.B. griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van maandag 31 januari 2022.

De Griffier, De Kantonrechter,
Mw. A.A.KALLOE,fg. Mr. M.V. KULDIP SINGH

 

 

 

SRU-HvJ-2022-2

HOF VAN JUSTITIE

dienende als beroepsinstantie van het Advocaten Tuchtcollege

 

In de zaak van

[verweerster],

advocaat,

wonende in [district],

appellant, hierna aangeduid als [verweerster],

gemachtigde: mr. E. Glunder, advocaat,

 

tegen

 

[klager],

wonende in [district],

geïntimeerde, hierna aangeduid als [klager],

gevolmachtigde: mr. E. Mohangoo, jurist,

inzake het hoger beroep van de beslissing van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: ATC) van 22 mei 2020 (no. 19/25) gewezen tussen [klager] en [verweerster],

spreekt de Fungerend-president, in naam van de Republiek, op de voet van artikel 57 van de Advocatenwet (S.B. 2004 No. 42 zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 No. 42) de navolgende beslissing uit.

  1. Het procesverloop

1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de brief en de daarbij ingediende memorie van grieven d.d. 25 juni 2020 waaruit blijkt dat [verweerster] hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van het ATC;
  • het proces-verbaal van het verhoor van partijen gehouden op 18 augustus 2020;
  • het proces-verbaal van de voortzetting van het verhoor van partijen gehouden op 13 oktober 2020;
  • de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen, zijdens partijen d. 17 november 2020;

1.2. De uitspraak van de beslissing is bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Partijen zijn op de dag van de uitspraak, 22 mei 2020, niet ter zitting verschenen. Een afschrift van de beslissing hebben partijen op 27 mei 2020 van de Secretaris van het ATC ontvangen en [verweerster] heeft bij schrijven d.d. 25 juni 2020 appel aangetekend weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld appel.

  1. De feiten

3.1. [klager] is een jongere zus van [verweerster] en is procespartij in 18 processen die tussen partijen worden gevoerd c.q. zijn gevoerd.

3.2. Er is sprake van een verstoorde relatie tussen [klager] en [verweerster].

  1. De procedure in eerste aanleg

4.1. [klager] heeft bij het ATC gevorderd dat er maatregelen worden getroffen tegen [verweerster] op grond van tuchtrechtelijk verwijtbare handelingen door [verweerster] gepleegd.

4.2. Als grondslag voor de vordering heeft [klager] aangevoerd dat [verweerster] over hetzelfde onderwerp gedingen aanhangig maakt tegen haar en andere familieleden waarbij steeds verweer moet worden gevoerd en rechtsbijstand moet worden ingeroepen, hetgeen voor zware financiële druk zorgt. [klager] is van mening dat [verweerster] hierdoor misbruik maakt van procesrecht. Voorts dat zij verschillende brieven heeft geschreven naar de werkgever van [klager], waarbij zij haar heeft beklad en haar goede naam onterecht is aangetast.

4.3. [verweerster] heeft verweer gevoerd in dier voege dat haar woning en perceel door het geknoei van [klager] op de veiling is gezet en dat zij zich bestolen voelt. Verder dat zij volgens de wettelijke procedures voor zichzelf opkomt en dat haar privé problemen met haar familie niets te maken hebben met haar functioneren als advocaat. Tenslotte ontkent zij misbruik te maken van procesrecht en onbetamelijk te handelen.

4.4. Het ATC heeft hierna bij beslissing d.d. 22 mei 2020 met de daarin vermelde gronden, de klacht van [klager] gegrond verklaard en [verweerster] de tuchtmaatregel van schorsing voor de duur van één (1) jaar opgelegd en haar voorts verboden om gedurende twee jaren over hetzelfde onderwerp van geschil te procederen tegen [klager].

  1. De grieven

[verweerster] heeft een negental grieven aangevoerd tegen de beslissing van het ATC, zakelijk weergegeven neerkomende op:

Grief 1.Ten onrechte heeft het ATC appellante geen redelijke mogelijkheid geboden tot verweer.

Onder 3.2 van haar beslissing heeft het Tuchtcollege onterecht overwogen dat [verweerster] verweer heeft gevoerd.

Het Tuchtcollege heeft haar moeder, ondanks haar protest bij schrijven d.d. 26 november 2019 vanwege de fragiele gezondheid van haar moeder, toch gehoord op de zitting van 29 november 2019. Tijdens dit verhoor heeft zij, [verweerster], de ruimte voor enige tijd verlaten en bij terugkomst heeft zij opgemerkt dat haar moeder onwaarheden vertelde aan het Tuchtcollege, waartegen zij (emotioneel) niet bij machte was om verweer te voeren. Gelet op de brief van 26 november 2019, had het Tuchtcollege haar in de gelegenheid moeten stellen zich uit te laten over de door haar moeder afgelegde verklaringen. Ook het niet kenbaar maken van het bestaan van het proces-verbaal van de gehouden zittingen, heeft ertoe bijgedragen dat zij geen deugdelijk verweer heeft kunnen voeren. Ten onrechte heeft het Tuchtcollege voorts onder 4.4 van haar beslissing, het gevoerd verweer van [verweerster], vermeld als te zijn niet relevant.

Grief 2. Het ATC heeft in strijd met de wet gehandeld

Het ATC vermeldt in haar beslissing in punt 1.2 dat van de behandeling proces-verbaal is opgemaakt, welke zich onder de processtukken bevindt. Echter heeft het ATC in strijd met artikel 52 lid 2, nagelaten om haar van dit processtuk kennis te doen nemen zowel gedurende het proces als daarna. De mogelijkheid tot verweer is haar ontnomen.

Het ATC heeft met verwijzing naar artikel 47 lid 2, als bijzondere voorwaarde een verbod aan appellante opgelegd om met betrekking tot hetzelfde onderwerp van geschil te procederen tegen [klager] gedurende een periode van twee jaren met ingang van de dag waarop deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Met het opgelegd verbod, dat als bijzondere voorwaarde is geformuleerd, overtreedt het ATC volgens haar, artikel 47 lid 2 waarop het volgens de bewoordingen gebaseerd zou zijn. De gestelde bijzondere voorwaarde zoals genoemd in dit artikel heeft alleen betrekking op de praktijkbeoefening van de advocaat. Het feit dat [verweerster] advocaat van beroep is, neemt niet weg dat zij in persoon kan procederen, hetgeen binnen de grenzen van Suriname is toegestaan. Volgens [verweerster] kan het Tuchtcollege haar niet hiervan uitsluiten, gezien dit indruist tegen de bepaling neergelegd in artikel 11 van de Grondwet en het discriminatieverbod neergelegd in artikel 1 jo 8 leden 1 en 2 van de Grondwet. Voorts heeft het Tuchtcollege onterecht onder 4.3 overwogen dat de persoon van [verweerster] en de advocaat [verweerster], niet van elkaar afgezonderd kunnen worden. Volgens [verweerster] vervult zij meerdere maatschappelijke functies die elk hun eigen specifieke verantwoordelijkheid en zorgplicht hebben. [verweerster] erkent dat, door haar beroep als advocaat, een verregaande zorgplicht op haar rust, doch is de mening toegedaan dat zij zich steeds naar haar zorgplicht heeft gedragen.

Volgens [verweerster] mag van haar, ook al is zij advocaat, niet verwacht worden dat zij zich erbij neerlegt dat zij wordt bestolen van hetgeen zij moeizaam heeft opgebouwd.

Ten onrechte heeft het Tuchtcollege verklaringen afgenomen van de moeder van [verweerster], daar zij niet beëdigd was als getuige en is het Tuchtcollege hiermee in overtreding van artikel 52 lid 8 van de Advocatenwet.

Grief 3. Het Tuchtcollege heeft zijn wettelijke bevoegdheden overschreden

Ten onrechte heeft het Tuchtcollege getracht te bemiddelen in het geschil tussen [verweerster] en [klager], zonder daarvoor de wettelijke bevoegdheid te hebben. Volgens [verweerster] is er in Suriname geen sprake van enige geschillenregeling voor de advocatuur, waarbij de bevoegdheid zou zijn verleend aan het ATC tot geschiloplossing naar aanleiding van klachten tegen een advocaat.

Grief 4. Ten onrechte heeft het ATC zich ingelaten met het verloop van lopende processen.

Door het opgelegd verbod om te mogen procederen heeft het Tuchtcollege, naar de mening van [verweerster], haar in de situatie gebracht om zonder enig verweer toe te zien, dat [klager] en haar moeder door misleiding van meerdere personen en autoriteiten, hebben bewerkstelligd dat zij haar woning en perceel is kwijtgeraakt. Volgens [verweerster] houdt het aan haar opgelegd verbod om te procederen ook in dat alle lopende zaken niet meer voortgezet mogen worden.

Grief 5. De beslissing van het Tuchtcollege is niet voldoende gemotiveerd

Het Tuchtcollege heeft onder 3.1 van de beslissing aangegeven, dat [klager] rechtsbijstand heeft moeten inroepen en advocaatkosten heeft moeten betalen. Echter heeft het Tuchtcollege verzuimd aan te geven dat er in Suriname geen verplichte procesvertegenwoordiging bestaat. Het ATC heeft merendeels de klachten van klaagster verwoord en het specifieke verweer niet in de overwegingen c.q. beslissing betrokken maar volstaan met de algemene vermelding in punt 4.4 dat het ATC bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig acht daar die voor de beslissing niet relevant zijn gebleken. Hiermee is in strijd gehandeld met artikel 45 van de Advocatenwet.

Grief 6. Het Tuchtcollege heeft bij de beslissing ontoelaatbare onzorgvuldigheden en tegenstrijdigheden begaan

De door het Tuchtcollege genomen beslissing behelst naast meerdere onjuiste spellingen en vermeldingen, ook een oppervlakkige beoordeling met vergaande gevolgen waarbij de relevante feiten en omstandigheden, afgezien van het eenzijdig verhaal van [klager] en de rest van de familie, niet in de overwegingen van het Tuchtcollege zijn meegenomen.

Mr. Glunder is als haar raadsman opgetreden en staat desondanks als gemachtigde vermeld. Het dictum van de beslissing bevat verder niet de volledige vermelding van de naam van [verweerster], waardoor het in twijfel kan worden getrokken of de beslissing zonder de volledige naamsvermelding enige werking heeft.

De in de beslissing van het Tuchtcollege opgenomen bijzondere voorwaarde is verder onuitvoerbaar, daar het Tuchtcollege niet heeft aangegeven welke vordering als basis zal gelden voor het verbod tot procederen. Hierdoor kan de Deken van de Orde van Advocaten de toebedeelde toezichtfunctie ingevolge artikel 48 van de Advocatenwet niet uitoefenen. Het Tuchtcollege heeft in de beslissing aangegeven, dat het aan de rechter is toebedeeld om te bepalen of er sprake is van misleiding van de rechter door [klager] en dat het Tuchtcollege deze overweging niet kan maken. Echter heeft het Tuchtcollege wel een beslissing genomen in de civiele procedures tussen partijen, door het verbod van procederen op te leggen.

Grief 7. Het Tuchtcollege heeft zich eenzijdig ingelaten met familie aangelegenheden

Het Tuchtcollege heeft indringende vragen gesteld over de begrafenis van de vader van [verweerster] en deze ook betrokken in haar beslissing, hetgeen doet vermoeden dat het Tuchtcollege de handelingen van [verweerster] op dit zeer persoonlijk gebied wilde beoordelen.

Grief 8. Het Tuchtcollege heeft de klachten niet objectief benaderd

Gedurende het proces en de daarin genomen beslissing heeft het Tuchtcollege zich zeer ontvankelijk getoond voor de emotionele beïnvloeding van de tegenpartij. Het Tuchtcollege heeft in de beslissing te vaak eenzijdige informatie opgenomen, zoals onder andere de brief gericht aan de werkgever van [klager]. Echter zijn in deze brief geen zaken van familierechtelijke aard opgenomen, maar is de werkgever van [klager] aangeschreven in het kader van het publiekrecht. Het Tuchtcollege heeft gericht een negatief beeld van [verweerster] opgebouwd, door enkel de klachten van [klager] op te nemen zonder het daartegen gevoerd verweer van [verweerster].

Grief 9. Het Tuchtcollege heeft geen recht op een eerlijk proces gegund

Het Tuchtcollege heeft een eenzijdig beïnvloed oordeel gegeven in een jarenlange familievete.

  1. De vordering in hoger beroep

[verweerster] concludeert op bovengenoemde gronden tot vernietiging van de beslissing van het ATC waarvan beroep, althans te bepalen dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd.

  1. Het standpunt van [klager] in hoger beroep.

Verkort weergegeven, blijft [klager] bij haar standpunt, ingenomen bij het ATC, dat [verweerster] misbruik maakt van het procesrecht en zich onbetamelijk gedraagt in de uitoefening van haar beroep als advocaat

  1. De beoordeling

8.1. Advocaten zijn op grond van artikel 37 van de Advocatenwet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoren te betrachten ten opzichte van degenen wier belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, ter zake van inbreuken op de ordebesluiten en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Ingevolge het bepaalde in artikel 17 lid 2 van de Advocatenwet zijn de ere-regelen op advocaten van toepassing. Deze ere-regelen, ook wel gedragsregels genoemd, kunnen als een leidraad dienen bij de beantwoording van de vraag of de tuchtrechtelijke norm van artikel 37 van de Advocatenwet is geschonden. Om te bepalen wat de advocaat in het concrete geval heeft te doen of heeft na te laten, is de tuchtrechter vaak genoodzaakt zich uit te laten over de strekking van een gedragsregel.

Het Hof overweegt met betrekking tot de aangevoerde grieven als volgt:

Voorop dient gesteld te worden dat [verweerster] geen duidelijke scheiding trekt tussen de verschillende grieven die zij aanvoert. Door herhaling van delen van sommige grieven in andere grieven, vindt er overlapping plaats. Waar nodig zal het Hof derhalve meerdere grieven samen bespreken.

8.2. Met betrekking tot grief 1 en delen van grief 2

[verweerster] is van mening dat zij geen kans heeft gehad om verweer te voeren en dat het ATC in strijd met artikel 52 lid 2 van de Advocatenwet heeft gehandeld door haar het proces-verbaal van de zitting van 29 november 2019 te onthouden.

Artikel 52 lid 2 van de Advocatenwet luidt als volgt: “De betrokken advocaat en de klager zijn bevoegd zich bij de behandeling van de klacht door een raadsman te doen bijstaan; zij en hun raadslieden worden in de gelegenheid gesteld tijdig van de processtukken kennis te nemen; hen wordt door de secretaris van het Tuchtcollege tijdig medegedeeld waar en wanneer deze gelegenheid bestaat.”

Het zal de aandachtige lezer bij het lezen van het gehele artikel 52 opvallen dat daarin in feite enkele procedurele handelingen zijn beschreven die gevolgd moeten worden bij het in behandeling nemen van de zaak. De daarin bedoelde processtukken hebben in bijzonderheid te maken met de aanwezige stukken aan het begin van het proces. Niet is gebleken dat [verweerster] om een afschrift van het proces-verbaal van de zitting van 29 november 2019 heeft gevraagd en desgevraagd dit niet te harer beschikking is gesteld.

De stelling van [verweerster] dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om verweer te voeren is onjuist. Uit de door het Hof opgevraagde stukkenin eerste aanleg, met name het proces-verbaal van de tuchtzitting van vrijdag 29 november 2019,wordt zakelijk weergegeven, het volgende gelezen: Aan het begin van de terechtzitting is door de voorzitter van het ATC ingegaan op de brief die [verweerster] heeft geschreven met betrekking tot het bezwaar, dat haar moeder gehoord zou worden. Het Hof maakt op dat is aangegeven, dat de moeder als informant gehoord zal worden en is uiteengezet welk doel het college dacht te bereiken met de aanwezige partijen. In de aanhef van het proces-verbaal is de moeder ook aangeduid als informante. Op grond hiervan wordt vastgesteld dat er geen verplichting bestond de moeder te beëdigen zoals wordt gesteld in grief 2.

[verweerster] heeft na de uitleg terzake door de voorzitter van het ATC, in emotionele toestand, de zaal verlaten. De zitting is toen geschorst om haar advocaat mr. Glunder de gelegenheid te geven met haar in gesprek te gaan. De behandeling van de zaak is hervat nadat [verweerster] en haar advocaat terug zijn gekeerd in de zaal. [naam], zijnde de moeder, [klager] en [verweerster] zijn achtereenvolgens aan het woord geweest en hierna de raadsman van [verweerster], mr. Glunder, althans zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten. Dat [verweerster] thans stelt geen gelegenheid te hebben gehad om verweer te voeren oftewel dat er ten onrechte is overwogen dat zij verweer heeft gevoerd is naar het oordeel van het Hof onjuist. In het verlengde hiervan rustte er op het ATC geen plicht het proces-verbaal van de zitting van 29 november 2019, ongevraagd aan [verweerster] te verstrekken. Het ATC heeft op grond hiervan dus niet in strijd gehandeld met artikel 52 lid 2 van de Advocatenwet zoals gesteld door [verweerster]. Grief 1 en de besproken delen van grief 2 falen derhalve.

8.3. Met betrekking tot grief 3

Van belang is eerstens vast te stellen of het ATC bevoegd is kennis te nemen van de aan haar voorgelegde klacht. Die bevoegdheid staat vast nu dit college ex artikel 38 van de Advocatenwet (S.B. 2004 No. 42 zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 No. 42), specifiek voor dit doel – tuchtrechtspraak – is ingesteld. Nu er geen enkele wettelijke bepaling is die het ATC verbiedt te bemiddelen, faalt deze grief.

8.4. Met betrekking tot het overig deel van grief 2 en grief 4

Deze grieven komen in essentie op hetzelfde neer of liggen in elkaars verlengde en worden daarom samen besproken. In het overig deel van grief 2 spreekt [verweerster] zich uit tegen het verbod dat haar is opgelegd dat zij gedurende een periode van twee jaren geen processen mag voeren met betrekking tot hetzelfde geschil tegen [klager]. Volgens [verweerster] heeft het ATC er geen rekening mee gehouden dat art. 47 lid 2 alleen betrekking heeft op de praktijkbeoefening van de advocaat. Zij heeft zich steeds aan haar zorgplicht gehouden in het besef dat vanwege haar beroep deze zorgplicht verregaand is. Het feit dat zij advocaat is neemt niet weg dat zij in persoon mag procederen. Ten slotte is zij van mening dat zij door dit verbod in de situatie gebracht wordt om zonder verweer de processen te moeten ondergaan.

Ten aanzien van het overig deel van grief 2 overweegt het hof als volgt.

Onderdeel van de klacht van [klager] is dat [verweerster] misbruik van procesrecht maakt door steeds processen tegen haar aanhangig te maken en haar alzo doende in de kosten jaagt.

Voorop dient gesteld te worden dat zowel de advocaat als beroepsbeoefenaar, als de privépersoon van de advocaat, procederende in persoon, dienen te handelen zoals het een goed advocaat betaamt. Het Hof gaat derhalve mee met de overweging van het ATC dat de persoon van [verweerster] en de advocaat [verweerster] onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, waardoor [verweerster] zich ook in haar privé- c.q. maatschappelijk gerelateerde aangelegenheden, naar de stand van haar beroep behoort te gedragen. De advocaat dient steeds voor ogen te houden, dat die door de toelating als advocaat bij het Hof van Justitie in Suriname, geroepen is richting te geven aan het rechtsleven en naast de Rechterlijke Macht mede te werken aan de rechtsbedeling, één en ander ter bevordering van een goede rechtspraak in het land. Zijn verplichtingen, voortvloeiend uit de betekenis van het beroep, kunnen worden samengevat in het door de wetgever als grondslag zowel voor weigering van toelating als voor disciplinaire maatregelen aanvaarde voorschrift, dat de advocaat zich heeft te onthouden van alles, wat inbreuk maakt op de eer van de stand der advocaten.

Ten einde in casu het gestelde misbruik van procesrecht te kunnen beoordelen, heeft het Hof het door [klager] overgelegd overzicht van 18 aanhangig gemaakte processen onder de loep genomen. Het hof heeft dit overzicht geplaatst tegen de verplichting genoemd onder a van het Algemeen gedeelte I van de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname, met name de verplichting dat de advocaat in en buiten de uitoefening van het beroep alles hoort na te laten dat zijn stand zou kunnen schaden. Onder deze verplichting valt, naar het oordeel van het Hof, in elk geval dat de advocaat als deskundige een gedegen inschatting dient te maken van de kans van slagen van rechtszaken alvorens de rechter te adieren. Daarbij hoort hij mede in overweging te nemen, het belang van alle bij het proces betrokken personen. [verweerster] kan, mede gelet op haar jarenlange ervaring als advocaat en na alle omstandigheden in aanmerking genomen hebbende, worden verweten bewust in strijd te hebben gehandeld met de verplichting genoemd onder a van het Algemeen gedeelte I van de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname. Het Hof komt tot de conclusie dat [verweerster] tegen beter weten in, onnodig rechtsprocessen aanhangig heeft gemaakt tegen [klager].

Ten aanzien van grief 4 overweegt het hof als volgt.

Artikel 47 lid 2 van de Advocatenwet luidt: “Bovendien is het Tuchtcollege bevoegd bij de beslissing ook andere bijzondere voorwaarden, betreffende de praktijk-beoefening van de betrokken advocaat gedurende de proeftijd of een bij de beslissing te bepalen gedeelte daarvan, te stellen.”

Dit artikel staat niet op zichzelf maar ligt in het verlengde van artikel 46 van de Advocatenwet waarin is bepaald dat het ATC bij het opleggen van de maatregel van schorsing mag bepalen dat een deel daarvan niet zal worden tenuitvoer gelegd, een voorwaardelijk deel dus, onder bepaling van een proeftijd. De voorwaarde is dat hij binnen de bepaalde proeftijd niet in strijd mag handelen met hetgeen opgenomen staat in artikel 37 van deze wet. Boven op dit alles mag het ATC krachtens artikel 47 een bijzondere voorwaarde opleggen.Nu het ATC onder 5.2 van de beslissing een onvoorwaardelijke schorsing heeft opgelegd, kan er geen bijzondere voorwaarde, ex artikel 47 lid 2 van de Advocatenwet, worden opgelegd. De beslissing onder 5.3 kan derhalve geen stand houden.

Het overig deel van grief 2 dat zich richt tot met name de beslissing onder 5.3, slaagt.
Op grond van al hetgeen hierboven is overwogen acht het Hof de verdere bespreking van grief 4 niet nodig, aangezien bedoelde grief zich richt tot de implementatie van de bijzondere voorwaarde, het verbod om met betrekking tot hetzelfde onderwerp van geschil te procederen tegen [klager] gedurende een periode van twee jaren.

8.5. Met betrekking tot grief 5

Inderdaad kent de Surinaamse wetgeving geen verplichte procesvertegenwoordiging.

Dit houdt in dat iemand ervoor mag kiezen zijn eigen zaak voor de kantonrechter in Suriname te verdedigen maar sluit niet uit dat iemand zich mag doen bijstaan door een raadsman wanneer dat voor haar noodzakelijk is. Wanneer volgens het ATC de relevante onderdelen voor haar beslissing zijn besproken, staat het haar vrij niet relevante onderdelen onbesproken te laten, ongeacht door welke partijen deze zijn ingebracht. In casu is naar het oordeel van het Hof niet in strijd gehandeld met artikel 45 van de Advocatenwet. De redenering van [verweerster] gaat derhalve mank op dit stuk, waardoor deze grief faalt.

8.6. Met betrekking tot grief 6

Indien er in de beslissing van het ATC waarvan beroep, omissies danwel schrijffouten voorkomen worden die uiteraard verbeterd. Voor het overige ligt het aan het Hof om de overwegingen van het ATC te beoordelen hetgeen ook geschiedt in de bespreking van de grieven.

[verweerster] is vanaf 2005 toegelaten om als advocaat bij het Hof van Justitie te postuleren en is het haar niet onbekend, of althans behoort het haar bekend te zijn dat de naamsaanduiding van partijen zoals in hoofde van de beslissing vermeld, geen praktische c.q. implementatie problemen oplevert voor de werking van de beslissing, nu deze als één geheel moet worden opgevat. Het Hof vermag niet na te laten op te merken dat in casu geen juridisch betoog is gevoerd doch dat eerder sprake is van een zoektocht “naar spijkers op laag water”. Het 2e deel van grief 6 richt zich wederom tot de bijzondere voorwaarden, waarover het Hof zich bereids heeft uitgelaten.

8.7. Met betrekking tot de grieven 7 en 9

Grief 7: Het Tuchtcollege heeft zich eenzijdig ingelaten met familie aangelegenheden. Grief 9: Het Tuchtcollege heeft een eenzijdig beïnvloed oordeel gegeven in een jarenlange familievete.

Beide partijen hebben in het proces bij het ATC hun familievete ter sprake gebracht waardoor het logisch is dat er daarover vragen zijn gesteld. Het is het Hof niet gebleken dat het ATC zich eenzijdig heeft ingelaten met familie aangelegenheden.

Het Hof is evenwel van oordeel dat voor het vaststellen of [verweerster] ingevolge de Advocatenwet tuchtrechtelijk aansprakelijk moet worden gesteld, het ATC partijen veel ruimte geboden heeft om de familie omstandigheden aan de orde te stellen. Naar het oordeel van het Hof is echter niet gebleken dat het ATC zich bij de beslissing in deze zaak heeft laten leiden door de familievete. Grieven 7 en 9 falen derhalve.

8.8. Met betrekking tot grief 8

Ten aanzien van grief 8 kan worden gesteld, dat indien [verweerster] tot de conclusie was gekomen dat er zich enige onregelmatigheid zou hebben voorgedaan ten aanzien van het perceel, hetwelk onderwerp is van een proces tussen haar en [klager], het op haar weg had gelegen om dit ter attentie van de behandelende rechter te brengen. Het siert een advocaat niet om de werkgever van een partij waartegen geprocedeerd wordt, aan te schrijven en daarbij vermoedens, insinuaties en aantijgingen, als te zijn vaststaande feiten, aan te halen. Bovendien heeft [verweerster] hierbij gebruik gemaakt van het brievenhoofd van haar advocatenpraktijk met de kennelijke bedoeling meer gewicht te geven aan de inhoud van die brief c.q. brieven. Dit handelen kan slechts tot doel hebben gehad de goede naam en eer van [klager] aan te tasten. Naar het oordeel van het Hof zijn privé gedragingen van een advocaat tuchtrechtelijk van belang indien er voldoende verwevenheid is met de praktijkuitoefening. Er bestaat in casu verwevenheid tussen het handelen van [verweerster] als advocaat, met haar optreden in de gedingen, ook al berusten die, volgens haar op een familievete. Privé gedragingen van een advocaat worden in tuchtrechtelijk belang beoordeeld, wanneer door die gedragingen het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad. Er kan hiervan sprake zijn indien er een zeker verband met de praktijkuitoefening is of wanneer de verweten gedraging voor een advocaat in het licht van diens beroepsuitoefening, absoluut ongeoorloofd moet worden geacht. Naar het oordeel van het Hof heeft [verweerster] met het zich wenden tot de werkgever van [klager], in strijd gehandeld met Ere- regel nummer 25, luidende: “De advocaat zal zich steeds in gepaste termen uitlaten en alles vermijden, wat tot ongewenste incidenten, in het bijzonder van persoonlijke aard, aanleiding kan geven.”

Aan de verplichting genoemd onder a van het Algemeen gedeelte I van de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname, met name de verplichting dat de advocaat in en buiten de uitoefening van het beroep, niets behoort te doen, wat zijn stand zou kunnen schaden, is [verweerster], ook met deze handeling, wederom voorbijgegaan.

8.9. Concluderend is het Hof van oordeel dat [verweerster] zich bij het uitoefenen van het beroep, meer dan eens schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van de Ere-regelen van de Advocaten in Suriname, namelijkhet bepaalde onder a van het Algemeen gedeelte I van voormelde Ere-regelen, met name de verplichting dat de advocaat in en buiten de uitoefening van het beroep alles hoort na te laten dat zijn stand zou kunnen schaden. Tevens is overtreden Ere-regel nummer 25 als bijzondere regel, die bepaalt dat de advocaat zich steeds in gepaste termen zal uitlaten en alles zal vermijden, wat tot ongewenste incidenten, in het bijzonder van persoonlijke aard, aanleiding kan geven. [verweerster] heeft door in strijd te handelen met de genoemde ere-regels, gehandeld zoals het een goed advocaat niet betaamt en kan haar daarom schending van artikel 37 van de advocatenwet worden verweten. De klacht ingediend door [klager] is daarom gegrond.

8.10. Artikel 45 lid 2 van de Advocatenwet somt limitatief vier tuchtmaatregelen op die het ATC kan opleggen indien het college van oordeel is dat het tegen de betrokken advocaat gerezen bezwaar gegrond is. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen zal het Hof de getroffen maatregel niet overnemen en acht het Hof een maatregel als na te noemen passend.

  1. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

9.1. Verklaart de klacht van [klager] gegrond;

9.2. Vernietigt de beslissing van het Advocaten Tuchtcollege d.d. 22 mei 2020, waarvan beroep voor wat betreft de opgelegde tuchtmaatregel;

En opnieuw rechtdoende:

9.3. Legt aan [verweerster] de tuchtstraf van schorsing uit het ambt van advocaat op voor de duur van vier maanden met ingang van de dag waarop het afschrift van deze beslissing van de griffier is ontvangen.

9.4 Bepaalt dat deze beslissing zal worden bekendgemaakt c.q. gepubliceerd op de uitspraken databank van de website van het Hof van Justitie (www.rechtspraak.sr).

Aldus gewezen door mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-president, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. E.P. Rudge LL.M., Lid-plaatsvervanger en door de Fungerend-president ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op 11 januari 2022 uitgesproken, in tegenwoordigheid van mevr. C.R. Tamsiran-Harris LL.M., Fungerend-griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. M.C. Mettendaf

w.g. S.S.S. Wijnhard

w.g. E.P. Rudge

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2022-1

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

De Staat Suriname
zetelende te Paramaribo,
appellante,
verder te noemen: de Staat,
gemachtigde: M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

Simson, Paris Yvanna,
wonende te Paramaribo,
geïntimeerde,
verder te noemen: Yvanna of zij,
gemachtigde: mr. A.M. Tjong A Sie, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen Yvanna als eiseres en de Staat als gedaagde gewezen en uitgesproken vonnis van 11 januari 2017 (A.R. no. 15-5612), spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
• het proces-verbaal van 24 januari 2017 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat de Staat tegen het voormelde vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
• de pleitnota van de Staat van 17 november 2017;
• de conclusie van antwoordpleitnota van Yvanna van 2 februari 2018;
• de conclusie van repliekpleidooi van de Staat van 2 november 2018;
• de conclusie van dupliekpleidooi van Yvanna van 18 januari 2019.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling
2. Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven gericht. Het hof gaat dan ook van die feiten uit. De zaak gaat – kort weergegeven – over het volgende.

a. Yvanna is op [datum] te Paramaribo geboren als wettig kind van [persoon 1] en [persoon 2]. In de geboorteakte over het jaar [jaartal] folio [nummer] zijn als voornamen van het kind vermeld de voornamen [naam 1] en als geslacht van het kind, het mannelijk geslacht.
b. In de door Yvanna overgelegde verificatieverklaring d.d. 16 februari 2009, opgemaakt door neuropsycholoog [naam 2] is onder ander het volgende opgenomen:
“Dit is een verificatieverklaring om aan te geven dat [naam 1] heeft deelgenomen aan een aantal sessies van individuele psychotherapie, vanwege haar gevoel in het verkeerde lichaam te zijn geboren.
[naam 1] gebruikt al ruim twee jaren oestrogeen en leidt al ongeveer tien jaren het leven van een vrouw.
Volgens het Diagnostisch en Statistisch Handboek van Psychische Stoornissen, Vierde Herziene druk, luidt haar diagnose: Genderidentiteitsstoornis.
Om psychologische gronden is het haar toegestaan een verandering naar het vrouwelijk geslacht te ondergaan.
De operatie tot geslachtsverandering is voor haar erg belangrijk, aangezien zij sinds haar kinderjaren daarnaar heeft verlangd”.
c. In de medische verklaring van 8 mei 2009 heeft de Plastisch en Reconstructief Chirurg dr. [naam 3]. onder meer het volgende verklaard:
“Mejuffrouw [naam 1], geboren op [datum], als kind van het mannelijk geslacht, is door een team van vooraanstaande medische deskundigen gediagnosticeerd met dysforie (geslachtidentificatieafwijking) en heeft geslachtveranderingschirurgie ondergaan in het Piyavate Ziekenhuis in Thailand.
Op 22 april 2009 heb ik voor deze patiënt een geslachtsveranderingsoperatie uitgevoerd (mannelijk naar vrouwelijk) in het Piyavate Ziekenhuis, in Bangkok, Thailand. De ingreep bestond uit orchidectomie (verwijdering van de testikels), penectomie (verwijdering van de penisschacht), reconstructie van de urinekanaalopening, enkele-fase plastische chirurgie van schaamlippen (kleine en grote schaamlippen), plastische chirurgie van de clitoris, con-structie van een vaginale opening met huid van de penis en constructie van een neo-vaginaal kanaal met huidtransplantatie. Op medische en wettelijke gronden is zij nu een onvruchtbare persoon van het vrouwelijk geslacht, daar haar geslacht blijvend is veranderd naar dat van een vrouw door middel van geslachtsveranderingschirurgie.
(…)
Ik verklaar hierbij, op straffe van meineed, dat het voorgaande op waarheid berust en juist is”.
d. Bij beschikking van de kantonrechter in het eerste kanton van 12 januari 2011 (A.R. no. 10-1164) is aan Yvanna toestemming verleend om haar voornamen [naam 1] te veranderen in Paris Yvanna. De beschikking is blijkens een kantmelding op de geboorteakte ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand Paramaribo.

3. Bij inleidend processtuk van 24 juli 2002 heeft Yvanna de kantonrechter verzocht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, om de Staat te veroordelen tot het plaatsen van een latere vermelding c.q. kantmelding in de registers van geboorte voor wat betreft de geslachtsaanduiding van Yvanna als behorend tot het vrouwelijk geslacht in plaats van het mannelijk geslacht. De Staat heeft hiertegen verweer gevoerd.

4. De kantonrechter heeft de vordering van Yvanna toegewezen. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat noch het huidige BW noch het toekomstige BW een oplossing biedt en dat een oplossing daarom moet worden gezocht in de mensenrechtenverdragen waar Suriname partij bij is. Het kunnen aanpassen van de voornaam en het geslacht op de geboorteakte vormt naar het oordeel van de kantonrechter een van de fundamentele rechten van transseksuele personen. Vaststaat dat Yvanna met een identiteitsprobleem kampt. Zij ondervindt dagelijks problemen omdat in haar ID-kaart, paspoort en andere relevante documenten vermeld staat dat zij van het mannelijke geslacht is, terwijl zijn naar uiterlijke verschijningsvorm vrouwelijk is. Ook heeft zij verklaard dat zij gediscrimineerd wordt en geen werk kan vinden. De kantonrechter is van oordeel dat Yvanna zich dagelijks in een situatie bevindt die niet verenigbaar is met het recht op respect voor privéleven als bedoeld in de artikelen 17 van de Grondwet (GW), 17 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en 11 Amerikaans Verdrag voor de rechten van de mens (AVRM), en er derhalve sprake is van een schending van deze artikelen. Gelet op het bepaalde in de artikelen 106 en 137 GW geeft de kantonrechter in casu een zodanige ruimere interpretatie aan de bepalingen van de artikelen 17 Burgerlijk Wetboek (BW) en 64 -67a BW dat deze aansluit bij hetgeen door Yvanna wordt gevorderd.

5. In het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter heeft de Staat een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van Yvanna en verder nog twee grieven aangevoerd. Volgens de Staat moet Yvanna niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek omdat zij haar verzoek al eerder aan de kantonrechter heeft voorgelegd. Dit heeft geleid tot het vonnis van 12 oktober 2011 (A.R.11-1445) waarbij haar verzoek is afgewezen.

6. Grief 1 betoogt dat nu er geen wettelijke bepaling is die voorziet in de gevraagde wijziging op de geboorteakte en de maatschappelijke discussie over onder andere transseksualiteit in Suriname nog gaande is, de kantonrechter zich meer terughoudend had moeten opstellen en de vordering niet had moeten toewijzen. De Staat verwijst in dat verband naar het voornoemde vonnis van de kantonrechter waarin een eerder gelijkluidend verzoek van Yvanna door de kantonrechter is afgewezen en waar als volgt is overwogen: “De geboorteakte, die krachtens artikel 23 van het Burgerlijk Wetboek “de kunne van het kind” moet vermelden, bewijst naar algemeen wordt aangenomen ten aanzien van een ieder dat op de in de akte vermelde plaats, dag en uur uit de daarin genoemde moeder een kind van de “daarin vermelde kunne” is geboren. Met “de kunne van het kind” kan niet anders zijn bedoeld dan “ de kunne van het kind” ten tijde van de geboorte. De juistheid van dat gegeven vermeld in de onderliggende akte wordt niet door verzoekster betwist. De wet kent geen voorziening die het mogelijk maakt om een wijziging van het geslacht, als waarvan in casu sprake is, in de registers van de burgerlijke stand te vermelden. In de registers van de burgerlijke stand behoren alleen die gegevens, die daarin volgens de desbetreffende bepalingen moeten voorkomen en de wet kent geen bepaling volgens welke een geslachtsverandering als gegeven in die registers van de burgerlijke stand moet worden verwerkt/ in het bijzonder behoort niet tot de rechterlijke uitspraak waarvan volgens de wet inschrijving moet geschieden, een rechterlijke uitspraak waarbij een geslachtsverandering als hier bedoeld wordt vastgesteld”. De vordering kan daarom niet worden toegewezen.

7. Verder heeft de Staat verwezen naar de volgende overweging in het voornoemde vonnis: “Om het onderhavige verzoek in te willigen dient het stelsel van de wet ingrijpend te worden gewijzigd, hetgeen een zorgvuldig wetgevingstraject vereist, waarin de medische, medisch-psychologische, medisch-ethische, sociale facetten en met het oog op de rechtszekerheid de juridische facetten van deze problematiek tegen het licht worden gehouden en waarin nauwkeurig in kaart is gebracht welke juridische consequenties uit een dergelijke uitbreiding van de registratie voortvloeien. De wetgever zal bovendien heldere criteria moeten formuleren voor de onderbouwing en de beoordeling van een verzoek tot registratie van een geslachtsverandering. Niet alleen de belangen van de verzoeker grijpen zo diep in, maar ook de consequenties voor het gehele systeem van ons familierecht zijn zo verstrekkend, dat de regeling van de onderhavi-ge problematiek niet aan de incidentele beslissingen van de rechter kan worden overgelaten”. De vordering kan ook daarom niet worden toegewezen, aldus de Staat.

8. Met grief 2 betoogt de Staat dat de artikelen 64-67a BW en artikel 17 BW hier niet van toepassing zijn dan wel niet ruim geïnterpreteerd moeten worden. De artikelen 64-67a BW gaan over verbetering en aanvulling van akten van de burgerlijke stand. Yvanna vraagt geen verbetering of aanvulling maar het plaatsen van een kantmelding dat zij van geslacht is veranderd. Artikel 17 BW gaat over het plaatsen van een kantmelding maar daarbij geldt dat latere ver-meldingen geen andere gegevens mogen bevatten dan die ingevolge de wet vermeld moeten worden. De wet voorziet hoegenaamd niet in de mogelijkheid van geslachtsverandering. Zolang de wet daartoe niet is gewijzigd kan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand op grond van de wet niet een dergelijke kantmelding plaatsen. Van strijd met grondrechten of mensenrechten ex artikel 106 en 137 GW is ook geen sprake omdat geslachtsverandering niet in de wet is geregeld.

Niet-ontvankelijkheid
9. Het beroep van de Staat op niet-ontvankelijkheid dan wel misbruik van omstandigheden of procesrecht van Yvanna omdat zij al eerder een gelijkluidend verzoek tot aantekening van de geslachtverandering bij de kantonrechter heeft gedaan, wordt door het hof verworpen. Dat verzoek van Yvanna heeft geleid tot het vonnis van de kantonrechter van 12 oktober 2011 (A.R.11-1445) waarbij haar verzoek toen is afgewezen. De Staat was geen partij bij die procedure en het vonnis is dus niet tussen partijen gewezen. Het vonnis heeft daarom geen gezag van gewijsde. Van misbruik van omstandigheden of procesrecht is evenmin sprake. De discussie over rechten van onder andere transpersonen is volop in ontwikkeling, ook op de sociale media. Dit leidt in steeds meer landen tot wetgeving en rechtspraak. Gelet op die ontwikkeling heeft Yvanna dan ook, na een aanvankelijke afwijzing van haar verzoek in 2011, haar gelijkluidende verzoek opnieuw in december 2015 aan de kantonrechter mogen voorleggen en daarbij de Staat in rechte mogen betrekken. Dat Yvanna geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het afwijzend vonnis van 12 oktober 2011 staat niet aan haar ontvankelijkheid in deze procedure in de weg.

Verbod op discriminatie
10. Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van de onderhavige zaak door het hof stelt het hof het volgende voorop. Artikel 8 van de Surinaamse grondwet (GW) bepaalt dat niemand op grond van zijn geboorte, geslacht, ras, taal, godsdienst, afkomst, educatie, politieke overtuiging, economische positie of sociale omstandigheden of enige andere status [cursivering hof] gediscrimineerd mag worden. Hieronder moet ook worden begrepen discriminatie we-gens seksuele gerichtheid zoals die van transpersonen. Onder transpersoon wordt verstaan, iemand bij wie (zoals bij Yvanna) de genderidentiteit en/of genderexpressie niet overeenkomt met het geslacht dat bij de geboorte is toegekend. Het verbod op discriminatie is ook neergelegd in artikel 26 IVBPR en artikel 24 AVRM, bij welke verdragen Suriname partij is.

Privé leven, persoonlijke identiteit en juridische erkenning daarvan
11. Verder stelt het hof voorop dat artikel 17 lid 1 GW bepaalt dat een ieder, dus ook een transpersoon, recht heeft op eerbiediging van zijn privéleven (zie ook artikel 17 IVBPR en artikel 11 AVRM). Het recht op privéleven van artikel 17 lid 1 GW ziet ook op de bescherming van de persoonlijke identiteit, daaronder begrepen de genderidentiteit (of geslachtsbewustzijn zoals Yvanna dat noemt) en de juridische erkenning daarvan, zoals bij een transpersoon die een operatieve geslachtsverandering heeft ondergaan en die wijziging wenst van de vermelding van het geslacht in de registers van de burgerlijke stand.

12. Zowel ten aanzien van het verbod op discriminatie (hiervoor onder 10) als ten aanzien van het recht op bescherming van de persoonlijke identiteit (hiervoor onder 11) verwijst het hof verder nog naar de uitspraak van het UN Human Rights Comittee dat toeziet op de naleving van het IVBPR. Het UN Human Rights Committee heeft in de zaak van G. tegen Australië bevestigd dat het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR ook omvat discriminatie op grond van genderidentiteit, daaronder begrepen de status van transgender. In die uitspraak is verder bevestigd dat artikel 17 IVBPR ziet op de bescherming van de persoonlijke identiteit, daar-onder begrepen genderidentiteit (Communication No. 2172/2012 (CCPR/C/119/D/2172/2012) (UN HRC, 15 June 2017).

Strijdigheid met grondrechten
13. Ten slotte stelt het hof voorop dat artikel 137 GW bepaalt dat de rechter die in een concreet aan hem voorgelegd geval de toepassing van een wettelijke bepaling strijdig oordeelt met een of meer van de in hoofdstuk V genoemde grondrechten, hij die toepassing voor dat geval ongeoorloofd verklaard. Zowel het discriminatieverbod van artikel 8 GW als het recht op privéleven van artikel 17 lid 1 GW vallen onder de in hoofdstuk V van de Grondwet genoemde grondrechten.

Recht op juridische erkenning van de geslachtsverandering
14. Uit hetgeen het hof onder 10. en 11. voorop heeft gesteld moet volgen dat Yvanna, gelet op het aldus bepaalde in artikel 8 en artikel 17 lid 1 GW, recht heeft op juridische erkenning van haar persoonlijke identiteit en daarmee ook van de geslachtsverandering die zij heeft ondergaan. Niet weersproken is dat Yvanna nog immer een identiteitsprobleem heeft omdat haar geslachtsverandering juridisch niet is erkend. Verder ondervindt zij dagelijks, maar in ieder geval veelvuldig, problemen doordat op haar ID-kaart, haar paspoort en andere relevante documenten vermeld staat dat zij van het mannelijk geslacht is terwijl zij een geslachtsverandering heeft ondergaan en naar uiterlijke verschijningsvorm vrouwelijk is. De Surinaamse wet kent geen specifieke wettelijke bepaling die voorziet in een wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte. De Staat betoogt dat zolang een dergelijke bepaling er niet is, de rechter terughoudendheid moet betrachten en een verzoek tot aantekening van de geslachtsverandering in de geboorteakte moet afwijzen.

Grief 1 Terughoudendheid van de rechter
15. Het verweer dat de rechter zich hier terughoudend moet opstellen vindt geen steun in het recht. Integendeel, zoals vooropgesteld onder 13. moet de rechter ingevolge artikel 137 GW als er sprake is van strijdigheid met een of meer grondrechten, zoals het verbod op discriminatie en het recht op privéleven, de toepassing van een wettelijke bepaling ongeoorloofd verklaren. Dat geldt dus ook voor een wettelijke bepaling zoals artikel 23 BW waarvan de Staat betoogt dat dit artikel (in samenhang met de artikelen 17 BW en 64-67a BW) de mogelijkheid van inschrijving van de geslachtswijziging belemmert. Het hof werkt dit hierna verder uit on-der 17. en 18. van dit vonnis.

16. De Staat heeft ter onderbouwing van de noodzaak van rechterlijke terughoudendheid ook verwezen naar het vonnis van de kantonrechter van 12 oktober 2011 (A.R.11-1445) en de hierboven onder 7 aangehaalde overweging uit dat vonnis. Het hof acht die verwijzing onvoldoende overtuigend. Allereerst wijst het hof erop dat het vonnis ruim tien jaar geleden gewezen is en er sedertdien meer aandacht is gekomen voor het recht op persoonlijke identiteit en de noodzaak tot juridische erkenning daarvan, in het bijzonder voor transpersonen en andere personen behorend tot de LGBTQ+-gemeenschap. Verder valt niet goed in te zien, althans de Staat heeft dit niet verder onderbouwd, dat voor toewijzing van het verzoek van Yvanna “het stelsel van de wet ingrijpend moet worden gewijzigd”. In het geval van Yvanna is niet in geding dat zij – blijkens de verklaring van dr. [naam 3] genoemd onder 2.c –geslachtsveranderingschirurgie heeft ondergaan en hierdoor blijvend van geslacht is veranderd naar dat van een vrouw en dat zij onvruchtbaar is geworden. Nu niet gesteld of gebleken is dat zij gehuwd is, spelen er geen familierechtelijke problemen die aan de aantekening van de geslachtsverandering in de geboorteakte in de weg zouden kunnen staan, althans deze zijn niet gesteld of gebleken. Hoewel het aangehaalde vonnis van de kantonrechter – zoals gezegd – ruim tien jaar geleden is gewezen zijn er van overheidswege geen initiatieven ontplooid – althans de Staat heeft in dat verband niets aangevoerd – om te komen tot een wetge-vingstraject laat staan tot een met het oog daarop georganiseerde maatschappelijke discussie of voorbereidend (juridisch) onderzoek. In de memorie van toelichting van het Ontwerp Boek 1 van het Nieuw Surinaams Burgerlijk Wetboek bij titel 4, afdeling 12, is opgenomen dat in navolging van de Nederlandse Antillen en Aruba de bepalingen over transseksualiteit niet zijn overgenomen. Er is dus hoegenaamd geen uitzicht op een wettelijke regeling. Het hof is dan ook van oordeel dat de Staat zich niet op de afwezigheid van wetgeving kan blijven beroepen indien zij daartoe zelf geen initiatieven ontplooit. Bij een afweging van de belangen van Yvanna tegenover die van de Staat is het hof van oordeel dat van Yvanna niet kan worden gevergd dat zij schending van het verbod van gelijke behandeling en een inbreuk op haar privéleven nog langer moet dulden, zonder enig uitzicht op een wettelijke regeling.

Grief 2 Overige wettelijke belemmeringen
17. Het hof is verder van oordeel dat het bepaalde in de artikelen 17 BW, 23 BW en 64-67a BW niet in de weg staat aan toewijzing van de vordering van Yvanna. Yvanna vraagt specifiek om het plaatsen van een latere vermelding c.q. kantmelding in de registers van geboorte voor wat betreft de geslachtsaanduiding van Yvanna als behorend tot het vrouwelijk geslacht in plaats van het mannelijk geslacht. Artikel 23 BW bepaalt dat de geboorteakte “de kunne van het kind” zal vermelden. Dit heeft weliswaar betrekking op het geslacht van het kind, en dus niet het geslacht van de volwassene, maar dat geldt ook voor de voornamen die aan het kind (“aan hetzelfde”) worden gegeven. Eventueel nadien gewijzigde voornamen kunnen door middel van het plaatsen van een kantmelding in de geboorteakte worden opgenomen. Het valt dan ook niet in te zien waarom dit niet eveneens zou kunnen ten aanzien van een geslachtswijziging zoals door de kantonrechter ten aanzien van Yvanna is gelast. Zoals hiervoor is overwogen, is daartoe niet een specifieke wettelijke voorziening vereist, maar kan dit bij rechterlijke uitspraak worden gelast en ingevolge artikel 67 BW worden ingeschreven.

18. De mogelijkheid van plaatsing van een kantmelding is geregeld in artikel 17 BW. De Staat heeft betoogd dat die mogelijkheid alleen bestaat ten aanzien van gegevens die ingevolge de wet vermeld moeten worden, en de geslachtsverandering niet zo’n wettelijk voorgeschreven gegeven is, dat ook daartoe een nader ingeschreven akte ontbreekt, en dus niet bij wege van kantmelding kan worden gedaan. Indien het hof er veronderstellenderwijs van uit moet gaan dat dit juist is, kan dit de Staat niet baten. Dan is er immers sprake van een situatie als be-doeld in artikel 137 GW waarin de toepassing van deze voorschriften hier, in het onderhavige geval, strijdig is met de grondrechten van artikel 8 GW en artikel 17 GW. Het hof moet deze voorschriften hier dan ongeoorloofd c.q. buiten toepassing verklaren. Ten overvloede overweegt het hof dat de te plaatsen kantmelding als volgt kan komen te luiden: “Blijkens vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton te Paramaribo van 11 januari 2017 (A.R. 15-5612) is de melding gelast van de geslachtsverandering van Simson, Paris Yvanna, in de registers van geboorte, als behorend tot het vrouwelijk geslacht in plaats van het mannelijk geslacht.

19. Nu de grieven falen zal het hof het vonnis van de kantonrechter bevestigen.

20. Bij deze stand van zaken zal het hof de Staat, als de in het ongelijk gestelde partij, veroorde-len in de kosten van de procedure in hoger beroep.

De beslissing
Het Hof:
• bevestigt het vonnis van de kantonrechter van 11 januari 2017 (A.R. 15-5612);
• veroordeelt de Staat in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Yvanna tot op heden begroot op nihil;

Dit vonnis is gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend – President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur – Lachitjaran, Leden en uitgesproken door de Fungerend-President ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 21 januari 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend – Griffier.

w.g. S.C. Berenstein                   w.g. D.D. Sewratan

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

 

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie
namens deze,
Mr. E. Ommen-Dors
(Substituut-Griffier van het Hof van Justitie)

SRU-HvJ-2021-1

In naam van de Republiek!

Vonnisnummer: 62/2021

Uitspraak: 17 december 2021

VERSTEK

Het Hof van Justitie van Suriname

in eerste aanleg inzake politieke ambtsdragers

Zitting houdende te Paramaribo, inzake het Openbaar Ministerie tegen de verdachte:

 

HOEFDRAAD, Gillmore Andre, geboren op [datum] in [district], gewezen politieke ambtsdrager in de functie van Minister van Financiën en wonende aan de [adres] te [district], in vrijheid verkerend;

De verdachte is niet verschenen, doch wordt bijgestaan door mr. M. Dubois, advocaat bij het Hof van Justitie.

 

De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

Bevoegdheid van het Hof

Krachtens de wettelijke bepalingen is het Hof bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Door de verdediging is aangevoerd dat het OM niet –ontvankelijk verklaard dient te worden t.a.v. feit II, III en V, omdat er sprake is van obscuur libel. Het tenlaste gelegde betreft een combinatie van gedragingen uit de Bankwet 1956 (art. 16 en 18) en art. 13 van de Anti Corruptiewet (hierna ACW). Naar de mening van de verdediging heeft de wetgever ten aanzien van die gedragingen uit de Bankwet 1956 (hierna Bankwet) geen strafbaar feit in het leven geroepen terwijl, het openbaar ministerie met gebruikmaking van art. 13 ACW getracht heeft die gedragingen aan te doen merken als een strafbaar feit. Naar de mening van de verdediging verwijst de ACW naar een bestuurlijk aspect en omdat er geen Bestuurswet in Suriname is, kan de ACW niet van toepassing zijn.

 

Het Hof overweegt alsvolgt;

Het Hof begrijpt dat de verdediging zich hierbij richt op het artikel 35A Bankwet (SB 2005 no. 56), waarbij uitdrukkelijk is bepaald dat art. 21 leden 2 en 4 strafbare feiten (misdrijven) opleveren. Artikel 13 lid 1a ACW is – voorzover van belang- gericht op het verbod om niet in strijd te handelen met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures. Volgens de Memorie van Toelichting (MvT) op dit artikel betreft het handelingen, besluiten en adviezen door een publieke functionaris verricht of genomen die in strijd zijn met de voor de besluitvorming vastgestelde voorschriften, voorwaarden of procedures. Dit wil zeggen dat de ACW niet beperkt is tot gedragingen die expliciet aangemerkt zijn als misdrijven. Het verweer van de verdediging dat de verweten gedraging uit de Bankwet een strafbaar feit moet betreffen aleer tot vervolging kan worden overgegaan, is derhalve ongegrond en wordt verworpen.

Het is het Hof anderszins niet gebleken van omstandigheden, die de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan. Het openbaar ministerie zal daarom ontvankelijk worden verklaard in zijn vervolging.

 

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen gebleken om de vervolging te schorsen.

Het onderzoek ter terechtzitting

Bij tussenvonnis van 11 januari 2021 is door het Hof beslist op de preliminaire weren. Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis.

 

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg, 11 januari 2021, 04 februari 2021, 11 maart 2021, 06 mei 2021 en 17 december 2021.

 

De tenlastelegging:

Aan verdachte zijn de volgende feiten ten laste gelegd:

Feit I Deelname aan een criminele organisatie (art 188 Sr)
Feit II, III en V overtreding van art. 13 lid 1 onder a ACW
Feit IV en VI onder A ambtsverduistering (art. 423 Sr) en onder B gekwalificeerde verduistering (art. 382 Sr.)

Wijziging tenlastelegging

Aan dit vonnis is als bijlage I en II gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding en de gewijzigde ten lastelegging, van waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

 

De vordering van de vervolgingsambtenaar

De procureur generaal heeft gerekwireerd tot de bewezenverklaring van de onder I, II, III, IVA, V en VIA ten laste gelegde feiten, met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren, een geldboete van Srd 500.000,- (Vijfhonderdduizend Surinaamse dollar) te vervangen door 12 (twaalf) maanden hechtenis en de gevangenneming van de verdachte.

 

Het standpunt/verweer van de verdediging:

Door de verdediging is vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit. Daartoe is aangevoerd dat verdachte niet het verwijt gemaakt kan worden dat hij in daderschap en/of deelneming met van Trikt e.a. de verweten strafbare gedragingen – overtreding van de ACW en ambtsverduistering c.q. verduistering- gepleegd heeft.

Volgens de verdediging bevat het dossier onvoldoende bewijs dat verdachte samen met van Trikt e.a. een organisatie vormde gericht op het plegen van misdrijven.

Naar de mening van de verdediging is er ook geen sprake van schending van art.13 ACW omdat:

  • Het delictsbestandsdeel “wettelijk voorschrift” niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de art. 16 lid 3 (verbod op quasi- fiscale activiteiten),

18 (verbod op koop onroerend goed anders dan voor haar eigen bedrijfsvoering) en art. 21 (verbod op overschrijden maximum te verstrekken voorschotten aan de Staat) van de Bankwet aangezien genoemde bepalingen geen strafbare feiten betreffen;

  • De betrokken artikelen 16, 18 en 21 van de Bankwet zijn kwalitatieve delicten welker overtreding alleen door een persoon in de hoedanigheid van president van de Bank vervuld kunnen worden.

Bewezenverklaring

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder I, II, III, IVA, V en VIA van de inleidende dagvaarding ten laste is gelegd, met dien verstande, dat hij op meer tijdstippen gelegen in de periode maart 2019 tot en februari 2020 te Paramaribo, als gewezen minister van Financiën en als een publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de ACW tezamen en invereniging met de publieke functionarissen in de uitoefening van hun publieke functies t.w. VAN TRIKT, Robert – Gray president van de Centrale Bank van Suriname en KROMOSOETO, Ginmardo Budiono, directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK, en HAUSIL, Faranaaz gehuwd Alibaks als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International Affairs bij de Centrale Bank van Suriname, zich schuldig heeft gemaakt aan:

I Deelname aan een criminele organisatie.
II, III en V Overtreding van art. 13 lid 1 onder a ACW quasi fiscale handelingen van de Bank, aankoop onroerend goed betalen overheidsuitgaven door de Bank en verstrekken van blanco krediet.

IVA en VIA Ambtsverduistering van gelden verkregen naar aanleiding van de verkoop van overheidspanden en de Royalty overeenkomsten.

De bewezenverklaring is als bijlage III gehecht, van waaruit de inhoud geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

 

Door het Hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd.

Bewijsmiddelen

  1. De bewezenverklaarde feiten houden verband met elkaar. Hun beginpunt ligt in de Clairfield en Benelux overeenkomsten daarom zal het Hof de bewijsmiddelen m.b.t. feit I t/m VIA gezamenlijk opsommen
  1. Het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van Ramsukul, D., ambtenaar van politie d.d. 28 januari 2020, betreffende – voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven– (map II, pg 13 tot en met 27)

de ontvangst van het schrijven van de Procureur- generaal voor het instellen van een opsporingsonderzoek inzake mogelijke malversaties gepleegd bij de Centrale Bank van Suriname.

  1. De verklaring van de getuige Van Trikt, Robert- Gray, afgelegd bij de Rechter Commissaris tijdens het G.V.O. d.d. 9 september 2020 voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (zwarte map GVO-verhoren en EXTRACT TLL, p. 107-117):

p.108: In 2018 was ik nog geen governor maar kreeg van Hoefdraad het verzoek voor een databank. De assets van de staat moesten op waarde worden gewaardeerd. Toen was Buysse van Clairfield in Suriname en is dit met de minister besproken. Ik was reeds governor en tijdens een meeting in Washington is dit onderwerp weer naar voren gehaald. Hoefdraad heeft aangegeven een lening te arrangeren voor de overname van de Afobakkadam. Ik heb een gesprek met Hoefdraad gehad over het project om de assets te waarderen en het opzetten van het fonds. Hoefdraad heeft toen aangegeven dat deze projecten door de CBvS konden worden uitgevoerd. Alles is afgestemd met Hoefdraad. Uit zijn voice apps blijkt ook dat hij dit heeft bevestigd. Ik heb de ideeën voorgelegd aan de heer Buysse van Clairfield, die als core business evaluatie van assets heeft. Hieruit zijn de projecten Prodigy en Prodigy 2 uitgerold. Toen Buysse in Suriname was is hij ook ontvangen door de minister. Ten huize van de minister is met hem gesproken over de projecten. Ook toen heeft de minister kenbaar gemaakt dat het goede projecten zijn.

p.109: Ik had inmiddels brieven gestuurd naar de minister die naar de verschillende overheidsinstituten verzonden moesten worden ter verkrijgen van informatie. Van de minister kreeg ik te horen dat de brieven na enige aanpassing zouden worden verzonden en dat [persoon 1] de coordinator zou worden vanuit het ministerie. Ik heb een overzicht ontvangen van alle ambassades van de minister die ik heb doorgestuurd naar Clairfield. Met de minister is er veel gesproken over het terugbrengen van de langlopende schuld van de staat bij de CBvS en het verhogen van de inkomsten van de Staat. De bedoeling was om het schulden plafond van de Staat omlaag te brengen.

p.110: Belangrijk is wel dat hij op de hoogte was van alle projecten voordat de overeenkomsten tot stand kwamen.

p.111: In de volgende projecten heeft Hoefdraad directe bemoeienis gehad door middel van expliciete handelingen:

Prodigy I: hierin heeft hij expliciet aangegeven dat [persoon 1] als coordinator van het ministerie zou optreden voor het verzamelen van data door middel van brieven die naar de verschillende overheidsinstanties zouden worden verzonden.

Prodigy 5: de informatie van de ambassades komt van het ministerie

Lagarde1: er is een missive en een resolutie; de data afkomstig van Iamgold is door de minister naar mij verzonden. De minister heeft afspraken met Grassalco gemaakt via de minister van Natuurlijke Hulpbronnen.

  1. De verklaring van de getuige Hausil, Faranaaz, afgelegd bij de Rechter Commissaris tijdens het G.V.O d.d. 15 september 2020 voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (map GVO-verhoren en EXTRACT TLL, p. 139-146):

Ik weet dat alle assets van de overheid gewaardeerd zouden worden.

p.142: In opdracht van Van Trikt heeft mijn directoraat ook conceptbrieven opgesteld ten behoeve van de minister van Financiën met betrekking tot de “valuation of Assets”.

p.143: Mijn conceptbrief heb ik verzonden naar Hoefdraad en van Trikt.

p. 144: Hoefdraad heeft mijn conceptbrief gebruikt om geld op te nemen bij de CBvS nadat daarin veranderingen zijn aangebracht. Ik heb naderhand die veranderde versie van mijn conceptbrief gezien.

  1. Het op ambtseed opgemaakt procesverbaal d.d 14 maart 2020 van Z.Pierkhan ambtenaar van politie, betreffende het verhoor van de Minister van Financien, Hoefdraad,Gilmore- voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (aanvullend dossier Map I pg. 338)

Ik wist dat Buyse was aangetrokken als adviseur. Ik heb kennis gemaakt met hem in 2018. De ideeen waren mij wel bekend. Zeker drie overeenkomsten hebben betrekking op de Staat en [persoon 1] is gekoppeld aan Van Trikt en Buyse. De door de CBvS gesloten overeenkomsten ten behoeve van de Staat zijn puur quasi-fiscaal en verboden door de Bankwet. Ik was op de hoogte van de valuation assets projecten en de waardebepaling van de royalties uit de Delfstoffenovereenkomst.

  1. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 24 augustus 2020 van Thakoer, R, ambtenaar van politie, betreffende het 4e nader verhoor van de getuige, [persoon 2] (directielid CBvS), – voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (aanvullend dossier III, p. 41-54):

p.43: Gaande het onderzoek is naar voren gekomen dat de kosten die de ex-governor Robert van Trikt liet dragen door de CBvS (…) in principe door de Staat gedragen moesten worden. Onder quasi-fiscaal versta ik dat het kosten zijn die door de staatsbegroting gedragen moeten worden.

  1. Het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d. 25 augustus 2020 van Soekhoe, Kishnu R, ambtenaar van politie, betreffende het nader verhoor van [persoon 3], (econoom/ ex-governor CBvS)– voorover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (aanvullend dossier II, p. 98-109):

p.99: Wanneer de zaak niet tot het werkterrein van de CBvS behoort maar tot het werkterrein van de Staat dan moet zij de zaken zelf ter hand nemen en zelf financieren en niet de CBvS.

p. 101: de minister van Financien is bekend met de Bankwet.

  1. Het referte proces-verbaal , opgemaakt door Ramsukul, D, inspecteur van politie d.d. 14 maart 2020, betreffende de schriftelijke vastlegging van devoice notes” tussen Hoefdraad en van Triktvoorover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- I, 20.07.2021, p. 68- 69.

Waarin onder andere is vervat dat Hoefdraad aanwijzingen geeft dat de brief aangepast moet worden omdat de namen Clairfield & Orion zomaar ruis zal geven. Idee is gewoon dat Financien het coördineert. Dat [persoon 1] coordinator is in het proces en vocal point is. Dat [persoon 1] Hoefdraad heeft gerapporteerd hoe de meeting is verlopen. Voorts dat de C.B.v.S. dat heel ding overneemt.

  1. De brief van het Ministerie van Financien om informatie van parastatalen te verkrijgen ( I, 20.07.2019, p. 77 en 78).

Dit heeft geresulteerd in project Prodigy een overeenkomst tussen Clairfield Benelux en de C.B.v.S.

  1. Het resultaat van het onderzoek verricht met betrekking tot de overeenkomsten die de C.B.v.S. heeft getekend met Clairfield Benelux. (Ds. I, 20.07.2021, p. 49-54), waarbij uit de evaluatie blijkt dat:

p.49.1: Project Lagarde I: “Valuation of fairness opinion of RGM Royalty Suriname

Het onderwerp van deze overeenkomst is een opinie over de mate waarin de royalty die Rosebel betaalt aan de republiek Suriname rechtvaardig is. Het uiteindelijk doel is om de waarde van de royaltyrechten gedurende 10 jaren door de CBvS als zekerheid te laten dienen, teneinde de schuld die de Republiek Suriname heeft af te lossen.

Bij de ondertekening op 02.10.2019, heeft de CBvS, EURO 300.000,- betaald.

Non-refundable vergoeding overeengekomen van EURO 620.000,-.

p.50: Project Prodigy “Asset valuation and monetization options”.

Het onderwerp is het waarderen van de activa van de republiek Suriname.

Bij de ondertekening heeft de CBvS, EURO 1.250.000,- betaald aan Clairfield.

Op 19.09.2019 is EURO 182.885,- aan Clairfield betaald voor een deeloplevering.

Non-refundable vergoeding overeengekomen van EURO 2.500.000,-.

p.51: Project Prodigy 5:

“Valuation of Suriname Embassies and sale and lease back structuring.”

Het onderwerp is het waarderen van de ambassades van de Republiek Suriname en het opzetten van een verkoop en lease structuur.”

p.51.1: Bij de ondertekening op 02.10.2019, heeft de CBvS, EURO 196.000,- betaald aan Clairfield.

  1. Het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d. 31 juli 2020 van Pierkhan, Zamier, ambtenaar van politie, betreffende het verhoor van de getuige van Trikt, Robert-Gray (ex-governor CBvS) – voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (map I, p. 129- 137):

p. 133: Op grond van artikel 21 van de Bankwet had hij reeds SRD 670 miljoen getrokken bij de CBvS. Naar aanleiding van het gegeven dat hij op grond van artikel 21 van de Bankwet geen geld meer kon trekken, heeft hij het geld van de panden getrokken.

  1. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 25 augustus 2020 van Arichero, J. ambtenaar van politie, betreffende het verhoor van de getuige, [persoon 4] (directielid CBvS) – voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (aanvullend dossier III, p. 88-97):

p. 96: Het was de modus operandi van Hoefdraad om elke eind van de maand aan middelen te komen om het begrotingstekort van de staat te financieren.

De Staat kon geen beroep meer doen op artikel 21 van de Bankwet na de lening van SRD 648.800.000,- van de Staat in de maand maart 2019 als voorschot op grond van artikel 21 van de Bankwet. Er moest eerst worden afgelost.

  1. De verklaring van de getuige Van Trikt, Robert- Gray, afgelegd bij de Rechter Commissaris tijdens het G.V.O d.d. 9 september 2020 voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (zwarte map GVO-verhoren en EXTRACT TLL, p. 107-117):

In dit kader is Kromosoeto bij mij op kantoor geweest en heb ik hem uitgelegd dat mijn bedoeling was het aflossen van de langlopende lening van de Staat bij de CBvS. Dit zou kunnen door middel van de assets die verrekend konden worden. Naar aanleiding hiervan heeft Kromosoeto een email naar mij persoon en Hoefdraad gestuurd waarin hij zijn ideeen gaf. De minister gaf aan dat Kromosoeto ook enige betekenis hierin zou kunnen hebben.

p.110: Nadat ik de email van Kromosoeto ontving, heb ik die direct naar Hausil geforward. In dat kader is er een conceptbrief van Hausil uitgegaan naar de minister en mijn persoon. Uiteindelijk bleek dat het bedrag van de 1e tranche panden is overgemaakt naar de rekening van het ministerie van Financien en dat Hoefdraad zich niet heeft gehouden aan de afspraak om die gelden te gebruiken ter verrekening van de langlopende schuld. Om de hiervoor vermelde reden moest weer worden gekeken naar een manier om de langlopende schuld weg te maken. Er zijn toen weer sessies gevoerd en kwam het voorstel van Grassalco en Rosebel naar voren.

p.112: De bedoeling van de email van Kromosoeto (Ds. I, 20.07.2021, p. 24-30). Kromosoeto is als adviseur opgetreden in het zoeken naar assets van de Staat ten behoeve van de bank voor het verrekenen van de langlopende schuld. Op basis van dit email bericht is de brief van de minister opgemaakt die werd ontvangen in juni 2019 ten aanzien van de 1e tranche panden.

p. 113: de tegenwaarde in SRD van EURO 45 miljoen ter beschikking gesteld op de rekening van het ministerie van Financiën. Deze zelfde principe is toegepast bij de overmaking van de tegenwaarde in SRD van de EURO 60 miljoen voor de 2e tranche panden. De minister heeft de gelden niet ter beschikking gesteld voor schuldverrekening maar heeft deze volledig gebruikt ten behoeve van overheidsuitgaven.

  1. De verklaring van de getuige Hausil, Faranaaz, afgelegd bij de Rechter Commissaris tijdens het G.V.O d.d. 15 september 2020 voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (map GVO-verhoren en EXTRACT TLL, p. 139-146):

Ik weet dat alle assets van de overheid gewaardeerd zouden worden.

Ik ben ervan op de hoogte dat Kromosoeto de overheidspanden in een e-mail naar Van Trikt en Hoefdraad had opgenomen, alsook de taxatie daarvan.

  1. De verklaring van de getuige Kromosoetoe, Gilmardo, afgelegd bij de Rechter Commissaris tijdens het G.V.O d.d. 16 september 2020 voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (map GVO-verhoren en EXTRACT TLL p. 147-156):

p. 154: Op verzoek van Hoefdraad heb ik een presentatie m.b.t. de assets van de Staat gemaakt. Hoefdraad heeft mij gevraagd om taxaties te laten doen van de assets van de Staat. Hoefdraad had wel aangegeven dat hij zocht naar financiering en dat het mogelijk als onderpand kon worden gebruikt. Hieruit zijn voortgekomen de taxatierapporten t.a.v. de onroerende goederen.

  1. Het op ambtseed Procesverbaal van Arichero, J, ambtenaar van politie betreffende een nader verhoor van [persoon 4] d.d 22 juli 2020, (dossier I pg. 167-179):

De Overheid heeft geld ontvangen van de panden en dat is een bedrag van srd 869.055.000.

  1. Het op ambtseed opgemaakt procesverbaal d.d 25 augustus 2020 van Thakoer, R, ambtenaar van politie, betreffende een 2e nader verhoor van [persoon 5] – voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (aanvullend dossier II en aanvullend dossier III pg. 76-87):

Bij de eerste tranche panden is er SRD 377,955,000.00 door de C.B.v.S bijgeschreven op de rekening van het Ministerie van Financien. Bij de 2e tranche is er een bedrag van SRD 491,100,000.00 door de C.B.v.S bijgeschreven op de rekening van het Ministerie van Financiën.

  1. Het op ambtseed opgemaakt procesverbaal d.d. d.d 25 augustus 2020 van Arichero, J. ambtenaar van politie, betreffende een verhoor van de getuige [persoon 4] – voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (aanvullend dossier II en aanvullend dossier III pg. 88-97):

De C.B.v.S mag volgens de Bankwet geen onroerende goederen kopen of bezitten, die niet nodig zijn voor de uitoefening van haar bedrijf. Hoefdraad heeft als tegenwaarde 105 miloen euro ontvangen. Hoefdraad heeft voor een 2e maal onder het mom van schuldverrekening geld los gekregen van de C.B.v.S.

  1. Het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d.25 augustus 2020 van Thakoer, R, ambtenaar van politie, betreffende een 2e nader verhoor van [persoon 5] (medewerker CBvS)- voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (aanvullend dossier II en aanvullend dossier III pg. 76-87):

p.80: de C.B.v.S. mag volgens de Bankwet geen onroerende goederen kopen of bezitten die niet nodig zijn voor de uitoefening van haar bedrijf. De schuldverrekening heeft niet plaatsgevonden omdat de “opbrengst” anders zijn aangewend.

p.81: Als het geld bedoeld was voor schuldverrekening had de C.B.v.S. niet hoeven uit te keren aan het Ministerie van Financiën maar gedeeltelijke schuldverrekening kunnen plegen.

p.82: Hoefdraad heeft duidelijk de gelegenheid gehad van de heer van Trikt om na 26 juni 2019 voor de tweede maal onder het mom van schuldverrekening geld los te krijgen bij de C.B.v.S.

  1. Het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van Pierkhan, Z, ambtenaar van politie d.d.16 september 2020, betreffende het verhoor van, Adhin, Ashwin, (gewezen VP) voorzover inhoudende- verkort en zakelijk weergegeven- (3e aanvullend dossier pg. 138-150):

p.138: Een minister kan pas overgaan tot het uitvoeren van een voorstel dat is aangeboden aan de RvM als dit is goedgekeurd door de RvM en daaromtrent een missive is uitgekomen. Hoefdraad moest wachten op een missive. Hij had geen toestemming van mij noch van de president Bouterse om de panden te verkopen. De C.B.v.S. mocht de overmaking van Euro 45 miljoen niet plegen

p.141: ik ben verrast dat de overmaking van SRD 377.955.000,- vóór de missive van 15 oktober 2019 heeft plaatsgevonden.

  1. Het schrijven van de Minister van Financien Hoefdraad aan de President van de CBvS Van Trikt, Robert-Gray betreffende het ter beschikking stellen van de eerste en tweede tranche panden. (dossier I pg. 87-91):

Eerste schrijven d.d 26 juni 2019 van de 1e tranche panden afkomstig van het Min van Financien, waarbij hij 8 panden ter beschikking stelt voor een bedrag van euro 45.000.000.

Tweede schrijven van Hoefdraad mbt de tweede tranche d.d 26 juni 2019 waarbij Hoefdraad 9 panden ter beschikking stelt voor een bedrag van euro 60.000.000,-

  1. Het veiliggestelde emailbericht afkomstig van Kromosoeto verstuurd naar Hoefdraad, waarbij Kromosoeto voorstellen doet m.b.t. de verkoop van panden, d.d. 25 april 2019. (Ds. I, 20.07.2021, p. 28-28a/ 15e vervolgdossier d.d. 08.01.2021, p. 10-11/ map GVO-verhoren en EXTRACT TLL, p. 139-146) – verkort en zakelijk weergegeven inhoudende-:

Op 25.04.2019 email van Kromosoeto naar Hoefdraad en v Trikt.

Op 26.04.2019 de reactie van V Trikt aan Kromosoeto: CBvS kan dat dragen. Just look at the (assets) valuation;

De reactie van Hoefdraad: Laten we doortrekken dat alles overheat. Will help the budget.

  1. Het veiliggestelde emailbericht afkomstig van Hausil, F. d.d. 22 juni 2019 gericht naar Hoefdraad en Van Trikt R., m.b.t. eigendomsoverdracht van onroerende goederen aan de CBvS (Ds. I, 20.07.2021, pg. 7)
  1. Het betalingsoverzicht voor de panden op 28 juni 2019, 20 september 2019 en 24 september 2019, totaal SRD 869,055,000.00. (dossier 1 pg. 121-123)

Betaling op 28 juni 2019: ref no. 300-00000372756 overboeking van Centrale Bank op rekening van min van financien onderhanden investering SRD 377.955.000,00

Betaling op 20 september 2019: ref.no. 300-00000379708 overboeking van Centrale Bank op rekening van min van financien inzake panden inzake panden:
SRD 271.100.000,00

Betaling op 24 september 2019: ref.no. 302-00000379898 overboeking van Centrale Bank op rekening van min van financien inzake panden inzake panden:
SRD 271.100.000,00

  1. Missive van 15 november 2019 no.1242 /RVM regarderende de toestemming tot verkoop van de eerste tranche panden d.d. 15 november 2019, (Ds. I, pg 92–93)
  1. Missive van 11 april 2020 no. 358 /RVM (aanvullend Ds.III, p.21 – 24) inhoudende dat, het voorstel van de minister van financien Hoefdraad, waarbij de overdracht van de panden komt te vervallen en de financiering van de panden wordt overgenomen in de geconsolideerde lening conform artikel 8 van de wet uitzonderingstoestand covid-19 tussen de Staat en de CBvS.
  1. De verklaring van de getuige Van Trikt, Robert- Gray, afgelegd bij de Rechter Commissaris tijdens het G.V.O d.d. 9 september 2020 voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (zwarte map GVO-verhoren en EXTRACT TLL, p. 107-117):

Hoefdraad zich niet heeft gehouden aan de afspraak om die gelden van de panden te gebruiken ter verrekening van de langlopende schuld. Redenen waarom weer moest worden gekeken naar een manier om de schuld bij de bank weg te maken. Er zijn toen weer sessies gevoerd en kwam het voorstel van Grassalco en Rosebel naar voren.

p.116: De missive gedateerd 11 oktober 2019, geeft aan dat de royalty’s moesten worden overgedragen aan de CBvS voor de duur van 15 jaren en blijkt niet dat de royalty’s ter beschikking zouden worden gesteld voor financiering van overheidsuitgaven maar wel voor verrekening van de langlopende schuld. p. 117: De gelden zijn gestort t.b.v. het ministerie van Financien door de CBvS zonder dat daartegenover een prestatie is geweest vanuit het ministerie.

  1. De verklaring van de getuige Hausil, Faranaaz, afgelegd bij de Rechter Commissaris tijdens het G.V.O d.d. 15 september 2020 voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (map GVO-verhoren en EXTRACT TLL, p. 139-146):

Ik ben ervan op de hoogte dat de royalty’s zijn gewaardeerd in het project Lagarde I. Deze waardering heeft ertoe geleid dat door de CBvS een bedrag is uitgekeerd aan de Staat. Ik heb gewerkt aan een conceptovereenkomst tot overdracht van de royalty’s aan de Staat in het kader van schuldverrekening van de langlopende schuld.

  1. Het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van Thakoer, R, ambtenaar van politie, betreffende een 2e nader verhoor van [persoon 5] (medewerker CBvS) d.d. 25 augustus 2020- verkort en zakelijk weergegeven- (aanvullend dossier II en aanvullend dossier III pg. 76-87):

p.83: Het heeft aan van Trikt en Hoefdraad gelegen dat er geen aflossing van de langlopende lening van de Staat heeft plaatsgevonden. Uit de overeenkomst van 01 november 2019 is ontvangen SRD 2,3 miljard.

  1. De overeenkomst van 1 november 2019 tussen de Republiek Suriname en de Centrale Bank van Suriname inhoudende dat;

(Art. 1) de Staat per dezelfde datum voor de duur van 15 jaren en wel tot 1 november 2034, de royalties die zij verkrijgt van Grassalco N.V. voortvloeiende uit de Delfstoffenovereenkomst d.d. 7 april 1994 afgedraagt aan de Bank ter aflossing van de Staatsschuld.

(art.2) De verwachte inkomsten over de genoemde periode
bedraagt vierhonderdzevenentwintig miljoen negenhonderdenzesduizend US dollars (US 427,906,000.00) terwijl, de contante waarde van de royalties is geraamd op driehonderd miljoen US dollar (US 300,000,000.00).

  1. De verklaring van de getuige Van Trikt, Robert- Gray, afgelegd bij de Rechter Commissaris tijdens het G.V.O d.d. 9 september 2020 voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven (zwarte map GVO-verhoren en EXTRACT TLL, p. 107-123):

Uiteindelijk bleek dat het bedrag van de panden is overgemaakt naar de rekening van het ministerie van Financiën en dat Hoefdraad zich niet heeft gehouden aan de afspraak om die gelden te gebruiken ter verrekening van de langlopende schuld.

  1. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 25 augustus 2020 van Arichero, J. ambtenaar van politie, betreffende het verhoor van de getuige, [persoon 4] (directielid CBvS) – voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (aanvullend dossier III, p. 88-97):

p. 94: Er heeft geen aflossing van de langlopende lening van de Staat plaatsgevonden omdat de minister van Financiën dat geld nodig had voor financiering van het begrotingstekort van de overheid. Uit de overeenkomst van 01 november 2019 is ongeveer SRD 2,3 miljard ontvangen. Van Trikt en Hoefdraad zouden conform de overeenkomst moeten handelen. Echter, hebben zij zich niet aan de overeenkomst gehouden.

33. Prod.I tabeloverzicht(B) (overmaking Grand total 2019 en 2020 aangegevende;

Totale royalty afdracht door CBvS aan MinFin bedraagt SRD 2.216.729.120,00,-

Bewijs overweging

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Het hof overweegt aangaande de gevoerde verweren het volgende.

T.a.v. schending art. 13 ACW

Naar de mening van de verdediging is er geen sprake van schending van art.13 van de ACW, omdat het delictsbestandsdeel “wettelijk voorschrift” niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de art. 16 en 21 van de Bankwet, vanwege het ontbreken van de “wet Bestuursrecht.

Het Hof merkt op dat door de jurisprudentie reeds is uitgemaakt dat “wettelijk voorschrift” betekent wetten (voorschriften, voorwaarden en procedures) gegeven door machten met wetgevende bevoegdheid. Inderdaad kent Suriname geen wet Bestuursrecht (geen verzameling op een plaats als in bijvoorbeeld, het strafrecht) maar, dit betekent niet dat er geen wettelijke voorschriften bestaan die gelden binnen de publieke sector in Suriname.

In art. 13 lid 1a van de ACW is in elk geval bepaald dat het de publieke functionaris in de uitoefening van zijn functie verboden is om handelingen te verrichten, te adviseren, en besluiten te nemen. Dit zijn verboden en geboden die betrekking hebben op wettelijke voorschriften die in verschillende wettelijke regelingen zijn vastgelegd. De ACW is een raamwet en derhalve is er geen uitputtende opsomming van de wettelijke voorschriften daarin opgenomen. In de MvT op art. 13 lid 1 ACW is verduidelijkt dat de Strafbaarheid van de publieke functionaris o.a. bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht met zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handeling aan de Staat of staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. In casu gaat het in elk geval om verdachte en zijn medeverdachte van Trikt die elk op hun eigen werkgebied bevoegdheid hebben om te handelen, besluiten te nemen en adviezen te geven. Hun werkgebieden zijn nota bene aan elkaar verwant. Uit de delictsomschrijving zal steeds vast komen te staan welke voorschriften zijn overtreden. In casu, is er sprake van handelingen en gedragingen uit de Bankwet welker overtreding genoegzaam zijn komen vast te staan. Het verweer dat de ACW niet van toepassing kan zijn vanwege het ontbreken van de “wet Bestuursrecht” houdt derhalve geen stand.

T.a.v. kwalitatieve delicten

Naar de verdediging aanvoert, zijn de betrokken artikelen 16, 18 en 21 van de Bankwet kwalitatieve delicten welker overtreding alleen door een persoon in de hoedanigheid van president van de Bank vervuld kunnen worden, tengevolge waarvan er ten aanzien van verdachte geen sprake kan zijn van overtreding van artikel 13 ACW.

Met de verdediging is het Hof het eens dat de betreffende verbodsnorm uitsluitend gericht is tot de President van de Bank. Evenwel, bestaat de mogelijkheid tot vervolging van andere betrokkenen die tezamen en in vereniging met de pleger hebben gehandeld. In deze zaak wordt verdachte vervolgd als medepleger. Uit de aangehaalde bewijsmiddelen blijkt dat het niet nodig was dat verdachte zelf de kwaliteit van President van de Bank bezat. Verdachte en de President van de Bank hadden elkaar nodig om deze strafbare feiten te plegen. Nu, verdachte tezamen en in vereniging heeft gehandeld met de President van de Bank, is aan de vereisten voor medeplegen voldaan.

T.a.v. ambtsverduistering

De verdediging beroept zich erop dat er geen sprake is van overtreding van art. 423 Sr (ambtsverduistering). Aangevoerd is dat niet bewezen is dat verdachte zich de gelden wederrrechtelijk heeft toegeeigend en te eigen bate heeft aangewend.

Het Hof overweegt, dat het begrip verduisteren in de zin van art. 423 Sr een ruimer bereik heeft dan in art. 381 Sr. Het betekent niet dat de dader zich het voorwerp wederrechtelijk toe-eigent, maar dat de dader het goed wederrechtelijk onttrekt aan waar het voor bestemd is.

In casu, waren de gelden bestemd voor schuldverrekening en aflossing door de Staat maar heeft dit niet plaatsgevonden en is er een andere bestemming gegeven aan de gelden.

T.a.v. deelneming aan een criminele organisatie

De verdediging is de mening toegedaan dat verdachte vrijgesproken dient te worden van deelname criminele organisatie.

Het Hof overweegt, dat onder een criminele organisatie in de zin van art. 188 Sr. wordt verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor duurzaamheid of bestendigheid is het tijdsverloop van het samenwerkingsverband een aanwijzing. Voor structuur is een hiërarchie geen vereiste. Om van deelnemen in de zin van bovengenoemd wetsartikel te spreken, dient men te behoren tot het samenwerkingsverband en een aandeel te hebben in of ondersteuning te bieden aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van deze organisatie. Het hebben van een aandeel in en het ondersteuning geven aan die gedragingen veronderstellen opzet.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat er een feitelijke samenwerkingsverband bestaat tussen verdachte en zijn mededaders die het oogmerk hebben tot het overtreden van het misdrijf van artikel 21 leden 2 en 4 van de Bankwet (overschrijding leningplafond). Naar het oordeel van het Hof leidt hetgeen hiervoor is weergegeven in onderlinge samenhang bezien, tot de onontkoombare conclusie dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van art. 188 Sr.

Het Hof concludeert dat de opgeworpen verweren ongegrond zijn en worden derhalve verworpen.

Bewijsmotivering

Gelezen de dagvaarding hebben de onder II tot en met VI verweten gedragingen gerelateerd aan feit I (deelname aan criminele organisatie) verkort en zakelijk weergegeven- betrekking op:

  1. Het in strijd met art. 18 lid 1 van de Bankwet verstrekken van blanco kredieten of voorschotten door de Centrale Bank van Suriname (hierna de Bank) aan het Ministerie van Financiën (hierna Financiën).
  2. Het handelen in strijd met art. 18 lid 3 van de Bankwet door het doen aanschaffen van onroerende goederen door de Bank zonder dat deze daarbij een redelijk belang had.
  3. Het handelen in strijd met art. 16 lid 1 en 3 van de Bankwet (het deelnemen aan quasi fiscale activiteiten) waarbij aan de Bank opzettelijk financieel nadeel is toegebracht teneinde voorzichzelf of anderen enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen.
  4. Het verduisteren c.q. ten eigen bate aanwenden van gelden toebehorende aan de Bank.

Het Hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen de navolgende feitelijke gang van zaken af.

Clairfield en Benelux overeenkomsten

In het jaar 2018, reeds voordat van Trikt aantrad als president van de Bank, heeft verdachte het opzetten van een databank met hem besproken, waarbij de assets van de Staat gewaardeerd zouden worden. Nadat van Trikt President van de Bank werd is dit onderwerp weer naar voren gehaald en heeft van Trikt met verdachte een gesprek gehad. Hieruit volgden enkele ideeën over het project om de assets te waarderen en het opzetten van een fonds. De bedoeling was om het schulden plafond van de Staat omlaag te brengen.

Van Trikt heeft de ideeën voorgelegd aan de heer Buysse van Clairfield, dit bedrijf heeft als core business evaluatie van assets. Verdachte heeft bij zijn politieverhoor de kennismaking met Buyse beaamd en verklaard, dat hij wist dat Buyse was aangetrokken als adviseur.

Uit de samenwerking met Clairfield zijn er vijf projecten tot stand gekomen waarvan drie betrekking hadden op de Staat te weten Project Lagarde 1, Project Prodigy en Prodigy 5. Deze projecten konden slechts met toestemming van de regering worden gesloten. Verdachte heeft aangegeven dat hij wist van het Lagarde I project en waardebepaling van de royalties van Rosebel Goldmines. Uit de voice apps blijkt de bevestiging door verdachte en de afstemming tussen hem en van Trikt. In de voice apps heeft verdachte ook aangegeven dat deze projecten door de Bank konden worden uitgevoerd.

Het idee was dat Financiën coördineerde en werd verdachte’s adviseur, [persoon 1], door hem aangewezen als coordinator en vocal point. [persoon 1] heeft in dit kader verslag gedaan aan verdachte.

Hausil was op de hoogte dat alle assets van de overheid gewaardeerd zouden worden. Het directoraat van Hausil heeft conceptbrieven opgesteld voor de verdachte met betrekking tot de “valuation of Assets”. Deze concept brieven ten behoeve van de verschillende overheidsinstituten voor het verkrijgen van informatie, zijn door van Trikt naar verdachte verzonden. Middels “voice notes” heeft verdachte aan van Trikt aanwijzingen gegeven om deze brief aan te passen. Naar de mening van verdachte was de aanpassing nodig, omdat de namen Clairfield & Orion zomaar ruis zouden geven.

Alsvoren aangegeven, heeft de Bank vijf overeenkomsten gesloten met Clairfield Benelux waarvan, 3 projecten t.w. Prodigy, Lagarde I en Prodigy 5, rechtstreeks betrekking hadden op de Staat.

Deze overeenkomsten zijn gesloten op respectievelijk 16 mei 2019, 2 oktober 2019 en 16 oktober 2019 en houden in:

  • Project Lagarde I: “Valuation of fairness opinion of RGM Royalty Suriname”

Het onderwerp van deze overeenkomst is een opinie over de mate waarin de royalty die Rosebel betaalt aan de Republiek Suriname rechtvaardig is. Het uiteindelijk doel is om de waarde van de royaltyrechten gedurende 10 jaren door de CBvS als zekerheid te laten dienen, teneinde de schuld die de Republiek Suriname heeft af te lossen.

  • Project Prodigy: “Asset valuation and monetization options”

Het onderwerp is het waarderen van de activa van de Republiek Suriname.

  • Project Prodigy 5: “Valuation of Suriname Embassies and sale and lease back structuring”

Het onderwerp is het waarderen van de ambassades van de Republiek Suriname en het opzetten van een verkoop en lease structuur.

Met betrekking tot deze overeenkomsten heeft de Bank op 2, 16 en 19 oktober 2019 reeds een miljoen zevenhonderd en zesenveertig duizend Euro (Euro 1.746.000.-) aan Clairfield Benelux betaald. Door het dragen van de kosten ten behoeve van de Staat heeft de medeverdachte van Trikt in strijd gehandeld met het verbod van de Bank om deel te nemen aan quasi fiscale activiteiten, dit zijn activiteiten die door de begroting van de Staat gedragen moeten worden. Nu, uit alles is komen vast te staan dat verdachte bekend was met de genoemde overeenkomsten die in het belang van de Staat waren, is hij hieraan mede verantwoordelijk.

Bereiken wettelijk leenplafond door de Staat

Ingevolge art. 21 leden 1 en 2 Bankwet is de Bank, indien nodig verplicht aan de Staat tegen een wettelijk gesteld maximum, voorschotten te verstrekken. Het was de modus operandi van verdachte om als minister van Financiën steeds aan het eind van de maand naar middelen te zoeken om het begrotingstekort van de Staat te financieren. In maart 2019 kon de Staat, na de lening en voorschot van zeshonderdachtenveertig miljoen en achthonderdduizend Surinaamse Dollars (SRD 648.800.000,-) geen voorschotten meer op nemen bij de Bank, omdat het wettelijk leenplafond bereikt was.

Verkoop panden

Teneinde weer geld te kunnen opnemen bij de Bank moest de Staat eerst aflossingen plegen. Omdat verdachte weer geld nodig had werd naar verklaring van van Trikt gezocht naar mogelijkheden voor schuldverrekening tussen de Staat en de Bank.

Voorgesteld werd de schuldverrekening te doen door de assets van de Staat te verrekenen. Op aangeven van verdachte trad Kromosoeto op als adviseur bij het zoeken naar assets van de Staat ten behoeve van de Bank voor het verrekenen van de schuld. Op verzoek van verdachte heeft Kromosoeto een presentatie m.b.t. de assets van de Staat gemaakt en de taxaties daarvan. Hieruit zijn voortgekomen de taxatierapporten ten aanzien van de 17 panden.

Op 25 april 2019 heeft Kromosoetoe via email aan verdachte voorstellen gedaan met betrekking tot de verkoop van de panden. Op 26 april 2019 heeft van Trikt in reactie gemaild naar verdachte en Kromosoeto en aangegeven dat de Bank dit kan dragen. De reactie van verdachte op dit emailbericht was” laten we doortrekken dat alles overheat. Will help the budget” .

Vervolgens heeft van Trikt de email van Kromosoeto doorgestuurd naar Hausil. Hausil was op de hoogte van het feit dat Kromosoeto de overheidspanden in een e-mail naar Van Trikt en verdachte had opgenomen, alsook de taxatie daarvan. In dat kader heeft het directoraat van Hausil een conceptbrief betreffende de “valuation of Assets” gestuurd naar verdachte en van Trikt.

Verdachte heeft vervolgens gebruikmakend van de aangepaste conceptbrief van Hausil, schriftelijk aan van Trikt de 1ste tranche van 8 panden aangeboden aan de Bank voor vijfenveertigmiljoen Euro (Euro 45.000.000,-) en de 2e tranche van 9 panden voor een bedrag van zestigmiljoen Euro (Euro 60.000.000,-). De tegenwaarde van de totale koopsom van eenhonderdenvijfmiljoen Euro (Euro 105.000.000,-) zijnde achthonderd negenenzestig miljoen vijfenvijftigduizend Surinaamse Dollar (SRD 869.055.000.00,-) is op respectievelijk 28 juni 2019, 20 september 2019 en 24 september 2019 door de Bank overgemaakt naar de rekening van Financiën.

Reeds voordat het Raadsvoorstel tot verkoop van de panden op 15 oktober 2019 was goedgekeurd door de Raad van Ministers (RvM) en daaromtrent een missive was uitgekomen is verdachte overgegaan tot verkoop van de panden en heeft de Bank de volledige betaling aan Financiën gedaan.

Dient nog te worden opgemerkt dat de panden nimmer zijn overgedragen aan de Bank. Naar het voorstel van verdachte is deze overdracht bij missive van 11 april 2020 no. 358 /RVM komen te vervallen. De financiering van de panden werd overgenomen in de geconsolideerde lening conform artikel 8 van de wet uitzonderingstoestand covid-19 tussen de Staat en de Bank.

Schuldverrekening

Eerder genoemd bedrag was aanvankelijk bestemd voor de schuldverrekening met de Bank.

Verdachte heeft zich niet gehouden aan deze afspraak. Redenen waarom er weer uitgekeken moest worden naar een manier om de schuld bij de Bank weg te maken. Er zijn toen weer sessies gevoerd en kwam het voorstel met betrekking tot de royalties van Iam Gold en Rosebel Gold Mines N.V. aan Grassalco naar voren.

Royalties

Bij overeenkomst van 1 november 2019 tussen de Staat en de Bank, heeft de Staat per dezelfde datum voor de duur van 15 jaren en wel tot 1 november 2034, de royalties die zij verkrijgt van Grassalco N.V. voortvloeiende uit de Delfstoffenovereenkomst d.d. 7 april 1994 afgedragen aan de Bank ter aflossing van de Staatsschuld. In het project Lagarde I zijn deze royalties gewaardeerd en deze informatie is gebruikt om de overeenkomst met de Bank aan te gaan. De verwachte inkomsten over de genoemde periode
bedraagt vierhonderdzevenentwintig miljoen negenhonderden zesduizend US dollars (US 427,906,000.00) terwijl, de contante waarde van de royalties is geraamd op driehonderd miljoen US dollar (US 300,000,000.00). Uit de verklaringen van van Trikt is gebleken dat verdachte de overeenkomst niet is nagekomen en heeft er geen aflossing plaatsgevonden. Ingendeel heeft van Trikt in strijd met de overeenkomst, de gelden uit deze overeenkomst, ongeveer 2,3 miljard Surinaamse Dollar, aan Financiën afgedragen.

Naar het oordeel van het Hof leidt hetgeen hiervoor is weergegeven in onderlinge samenhang bezien tot het oordeel dat, verdachte en zijn mededaders herhaaldelijk over een lange periode gebruik hebben gemaakt van schijnconstructies om gelden bij de Bank op te nemen ondanks het wettelijk leenplafond van de Staat bereikt was. De verstrekking van gelden door de Bank is steeds gedaan onder het mom van schuldverrekening. In tegendeel bestond, er gezien de betekenis van het begrip schuldverrekening, geen verplichting voor de Bank om de gelden aan het ministerie van Financiën uit te betalen. In de wetenschap dat de Staat geen geld had, heeft verdachte tevens de Bank de kosten laten dragen voor uitgaven die uitsluitend ten laste van de staatsbegroting mochten komen.

Bij dit alles heeft verdachte in de hoedanigheid van Minister van Financiën gelden ontvangen van de Bank en deze niet de bestemming van de afgesproken verrekening en aflossing gegeven. Dit komt neer op ambtsverduistering. Nu, het hier gaat om verdachte als minister van Financiën en zijn mededaders die hoge functies bekleden binnen het bancair wezen, staat het vast dat het gaat om functionarissen die geacht mogen worden te weten wat hun bevoegdheid is. Uit de modus operandi kan niet anders geconcludeerd worden dat zowel verdachte als zijn mededaders bewust de wettelijke voorschriften hebben overtreden.

Strafrechtelijk Financieel Onderzoek

Bij de gepleegde handelingen is steeds de Bank benadeeld en is het de Staat die voordeel heeft gehad. Niet duidelijk is hoe de besteding van de totaal aan ontvangen gelden is geweest. Derhalve is het noodzakelijk dat een strafrechtelijk financieel onderzoek wordt ingesteld. Het Hof zal daartoe machtiging verlenen.

De strafbaarheid van de feiten:

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Feit 1:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2 en 3 en 5:

Medeplegen van opzettelijke overtreding van artikel 13 lid 1 onder a van de Anti Corruptiewet, meermalen gepleegd;

Voorzien en strafbaar gesteld bij artikel van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 4 en 6:

Medeplegen van een met de openbare dienst belast persoon opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich heeft, verduisteren, meermalen gepleegd;

Voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 van het Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

De op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De ernst van de feiten is gelegen in de wijze waarop verdachte en zijn medeverdachten zijn omgegaan met het monetair beleid van de Republiek Suriname. In plaats van het zoeken naar structurele oplossingen teneinde de staatschuld bij de moederbank af te lossen, zijn er modellen bedacht en uitgewerkt om het aflossen te omzeilen en toch aan gelden te komen om het begrotingstekort te dekken. Verdachte als minister van Financiën heeft dit niet in zijn eentje kunnen doen en had daar partners voor nodig, waaronder de President van de Centrale Bank terwijl laatsgenoemde de bewaking van de monetaire situatie in het land als hoogste prioriteit diende te hebben. De woorden van verdachte in een bericht aan van Trikt “doorgaan dat het overheat. Will help the budget” spreken voorzich.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het Hof in het bijzonder gelet op het feit dat het gaat om een persoon die, zowel internationaal als nationaal bekend is binnen de financiële wereld. In Suriname heeft de verdachte enkele jaren leiding gegeven aan de CBvS en is daarna benoemd in de functie van minister van Financiën. Verdachte is dus iemand die qua opleiding en ervaring goed bekend is met het financieel reilen en zeilen binnen de overheid. Beschouwen wij de ten laste gelegde feiten die hierboven bewezen zijn verklaard, dan is het duidelijk dat deze verdachte bewust heeft gehandeld in strijd met geldende regels en voorschriften terwijl van hem anders mocht worden verwacht. Het klemt des te meer nu verdachte de gewezen President van de Bank is en wist wat zijn mededader als toenmalige President van de Bank mocht doen en wat hij hoorde na te laten. Verdachte weet als geen ander dat deze handelingen van hoge functionarissen van de Centrale Bank van Suriname, de moederbank van de Republiek Suriname, het land in grote financiële problemen zou brengen en tevens internationaal te schande zou zetten, nog daar gelaten de desastreuze gevolgen voor het volk van Suriname.

Naar het oordeel van het Hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het Hof acht de gemaakte keuzes met betrekking tot strafsoort en strafmaat het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het Hof heeft gelet op de artikelen 9, 11, 40 en 127 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 17 van de Anti Corruptiewet zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

DE BESLISSING

Het Hof van Justitie in eerste aanleg inzake politieke ambtsdragers

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder I, II, III, IVA, V en VIA ten laste gelegde feiten, zoals vermeld hierboven heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot:

  • een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 12 (TWAALF) JAREN.
  • het betalen van een GELDBOETE van SRD 500.000, – (vijfhonderd duizend Surinaamse dollars) en bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door een hechtenis van 12 (twaalf) maanden.

Wijst toe de vordering van de Procureur- generaal strekkende tot het instellen van een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek en verleent daartoe machtiging.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte.

Aldus gewezen door:

M.C. Mettendaf, Fungerend – President,

D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. M.K. Dayala, Lid – plaatsvervanger,

bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh, fungerend – griffier en uitgesproken door de fungerend – president voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie in eerste aanleg inzake politieke ambtsdragers van vrijdag 17 december 2021 te Paramaribo.

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh w.g. M.C. Mettendaf

w.g. D.G.W. Karamat Ali

w.g. M.K. Dayala

Voor eensluidend afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

Namens deze,

(mr. E.M. Ommen-Dors, Substituut-Griffier)

SRU-K1-2021-20

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-3668
09 december 2021
NNA

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

[eiser],
wonende aan de [adres] te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

A. DE STAAT SURINAME in deze het ministerie van JUSTITIE EN POLITIE,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
gevestigd en kantoorhoudende aan Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde sub A, hierna te noemen: ‘de Staat’,
gevolmachtigde: mr. I. Markiet, jurist op het ministerie van Justitie en Politie en verbonden aan het Buro Landsadvocaat,

B. [gedaagde sub B], pro sé q.q. in hoedanigheid van Voorzitter van de Examencommissie Kaderopleiding 2019-2020,
kantoorhoudende aan de Duisburglaan 43-45 te Paramaribo,
gedaagde sub B, hierna te noemen: ‘[gedaagde sub B]’,
procederend in persoon.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat op 08 november 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
• de mondelinge conclusie van eis d.d. 11 november 2021;
• het verleend verstek tegen de behoorlijk opgeroepen doch niet verschenen [gedaagde sub B];
• de verschijning van [gedaagde sub B] op de gehouden comparitie d.d. 15 november 2021 waarbij het tegen hem verleend verstek is gezuiverd;
• de gehouden comparities van partijen d.d. 11 november en 15 november 2021 en de daarvan opgemaakte processen-verbaal;
• de conclusie van antwoord met producties zijdens de Staat;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens [eiser].

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [eiser] is brigadier van Politie en cursist van de Kaderopleiding 2019-2020.

2.2 Voor het vak Strafrecht werd op 20 september 2020 een take-home tentamen gegeven aan de cursisten met de instructie dat samenwerking niet was toegestaan. [eiser] heeft het take-home tentamen afgelegd en ingeleverd.

2.3 Bij schrijven d.d. 17 november 2020 heeft de docent Strafrecht, [persoon 1], aan [gedaagde sub B] te kennen gegeven dat [eiser], tegen de gegeven instructies, vermoedelijk heeft samengewerkt met een andere cursist, zijnde [persoon 2].

2.4 Naar aanleiding van voormeld schrijven heeft [gedaagde sub B] bij schrijven d.d. 19 november 2020 [eiser] verweer aangezegd.

2.5 [eiser] heeft zich verweerd en heeft vanaf 19 november 2020 tot en met 17 maart 2021 deelgenomen aan de overige tentamen, welke hij heeft behaald.

2.6 Bij schrijven d.d. 22 april 2021 heeft [gedaagde sub B] aan [eiser] medegedeeld dat besloten is dat het resultaat van hem ten aanzien van het examen Strafrecht conform artikel 17 lid 4 van het Onderwijs- en Examenreglement (OER), ongeldig wordt verklaard door de examencommissie en dat hij alsnog wordt uitgesloten van deelname aan de overige examens.

2.7 Tegen voormeld schrijven is [eiser], bij schrijven van 21 juni 2021, in beroep gegaan bij de Korpschef.

2.8 Bij exploot van deurwaarder M.K. Jaggi d.d. 18 oktober 2021 no. 400 heeft [eiser] de Korpschef aangemaand om het daarheen te leiden dat het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 wordt herroepen c.q. nietig wordt verklaard en dat [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijst zal ontvangen en de daaraan verbonden bevordering zal verwerven.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [eiser] vordert dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om binnen 1 (één) week na deze uitspraak, althans door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 te herroepen c.q. nietig te verklaren en [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijsten te overhandigen;
b. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om binnen 2 (twee) weken na deze uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, [eiser] te bevorderen in de rang van Majoor van Politie c.q. de rang verbonden aan de geslaagden van de Kaderopleiding 2019-2020 met dezelfde ingangsdatum als de mede cursisten en met behoud van de rangorde op de ranglijst;
c. bij niet toekennen van bovengenoemde vorderingen, een zodanige voorziening te geven dat de schendingen van het zorgvuldigheidsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden weggenomen;
d. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om aan [eiser] te betalen, bij wege van dwangsom, het bedrag ad SRD 50.000,= voor elke dag of keer dat zij in strijd handelen met het gevorderde onder sub a en b.

3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de beslissing, zoals geformuleerd in het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021, een late en onterechte beslissing is. Het besluit is onrechtmatig en in strijd met het systeem van sanctioneren, waarbij straffen nimmer met terugwerkende kracht kunnen worden opgelegd, aldus [eiser].

3.3 Zowel de Staat als [gedaagde sub B] voeren verweer. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter. [eiser] wordt daarom ontvangen in het kort geding.

4.2 Tijdens de gehouden comparities hebben de Staat en [gedaagde sub B] onder meer betwist dat het besluit onrechtmatig is. Volgens hen hebben [eiser] en [persoon 2], tegen de instructies in, samengewerkt hetgeen de reden is van het besluit.
Ter onderbouwing hiervan heeft de Staat de examenwerken van [eiser] en [persoon 2] overgelegd. Volgens de Staat vertonen de examenwerken, conform de constatering van de docent Strafrecht, op onderstaande 3 punten sterke gelijkenissen:
• opzet en vorm (format) zijn het hetzelfde,
• antwoorden vertonen woordelijk veel overeenkomsten en
• materieel zijn de foute/goede antwoorden nagenoeg conform.

4.3 In reactie hierop heeft [eiser] aangevoerd dat de Staat de volgende antwoorden heeft gehighlight waaruit – volgens de Staat – zou moeten blijken dat hij en [persoon 2] hebben samengewerkt: antwoord 3, 9, 10, 12, 14 en 19.
Volgens [eiser] levert het feit dat zowel hij en [persoon 2] vraag 3 fout hebben, geen enkel bewijs van fraude op. Het is een multiple choice vraag en kunnen meerdere cursisten dit fout hebben. Ten aanzien van vraag 9 en 10 voert [eiser] aan dat er wel degelijk significante verschillen zijn in de redactie van de antwoorden. Ten aanzien van vraag 12 voert [eiser] aan dat het bekend is dat in een antwoord een deel van de vraag wordt herhaald. De overeenkomsten in het eerste deel van het antwoord is dan ook daaraan te wijten. Ten aanzien van vraag 14 voert [eiser] aan dat het antwoord rechtstreeks uit het Wetboek van Strafrecht komt en is toch niet te verwachten dat hij zulks gaat parafraseren? Ten aanzien van vraag 19 voert [eiser] aan dat de redactie van het antwoord grote verschillen vertoont.

4.4 Geconstateerd wordt dat de exemplaren van de examenwerken die de Staat heeft overgelegd niet volledig zijn.
Bij het examenwerk van [eiser] zijn de vragen 8, 13 en 20 niet volledig. De antwoorden op de vragen 14 en 15 ontbreken.
Bij het examenwerk van [persoon 2] zijn de antwoorden op de vragen 8 en 14 niet volledig. De antwoorden op de vragen 9, 15, 16 en 17 ontbreken.
Gelet op het voorgaande mede in acht nemende hetgeen de kantonrechter aan de Staat heeft voorgehouden ter comparitie d.d. 15 november 2021 met name dat de Staat had nagelaten een conclusie van antwoord te nemen, doch alsnog in de gelegenheid is gesteld de producties over te leggen middels een conclusie van antwoord, hetgeen hij heeft gedaan doch onvolledige exemplaren heeft overgelegd, zal de kantonrechter aan de hand van de antwoorden op de overige vragen (1,2,3,4,5,6,7,10,11,12, 18,19 en 20) beoordelen of aannemelijk is dat [eiser] al dan niet heeft samengewerkt met [persoon 2].

4.5 Gelet op de bewoordingen van de antwoorden is de kantonrechter voorshands van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [eiser] en [persoon 2] hebben samengewerkt. Dat de vorm en opzet hetzelfde zijn en dat zij beiden vraag 3 fout hebben, maakt het niet anders.

4.6 Het voorgaande leidt ertoe dat de beslissing welke vervat is in het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 herroepen c.q. nietig verklaard dient te worden, daargelaten het onweersproken feit dat [eiser] alsmede de overige cursisten nimmer een OER hebben ontvangen. De gevorderde voorziening onder punt 3.1 sub a is derhalve toewijsbaar.

4.7 De gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub b is constitutief van aard. Nu de aard van het kort geding zich verzet tegen dergelijke beslissingen, omdat in kort geding slechts beslissingen van condemnatoire aard worden gegeven, zal [eiser] op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard in de door hem gevraagde voorziening.

4.8 De gevorderde dwangsom komt de kantonrechter bovenmatig voor, zodat zulks zal worden gematigd en gemaximeerd als hierna in het dictum is beslist.

4.9 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst zullen leiden.

4.10 De Staat en [gedaagde sub B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld om op grond van het Procesreglement voor Civiele Zaken bij het Hof van Justitie en de Kantongerechten in Suriname een bedrag van SRD 7.500,- aan [eiser] dienen te betalen, zijnde het salaris van de gemachtigde van [eiser].
De Staat en [gedaagde sub B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.
De kosten omvatten op de dag van de uitspraak:
• het vastrecht ad SRD 50,=,
• de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 700,=,
en zijn in totaal dus begroot op SRD 750,=.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding
5.1 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] om binnen 1 (één) maand na betekening van deze uitspraak, het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 te herroepen en [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijsten te overhandigen.

5.2 Verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in de door hem gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub b van dit vonnis.

5.3 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] tot betaling van een dwangsom ad SRD 10.000,= (tienduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat zij weigeren om aan dit vonnis te voldoen tot een maximum van SRD 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar).

5.4 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] tot betaling van het bedrag van SRD 7.500,- (zevenduizend en vijfhonderd Surinaamse dollar) aan [eiser], zijnde het salaris van de gemachtigde van [eiser].

5.5 Verklaart hetgeen is beslist onder 5.1, 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad.

5.6 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 750,- (zevenhonderd en vijftig Surinaamse dollar).

5.7 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai ter openbare terechtzitting op donderdag 09 december 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-K1-2021-19

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-3667
09 december 2021
NNA

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

[eiser],
wonende aan de [adres] te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

A. DE STAAT SURINAME in deze het ministerie van JUSTITIE EN POLITIE,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
gevestigd en kantoorhoudende aan Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde sub A, hierna te noemen: ‘de Staat’,
gevolmachtigde: mr. I. Markiet, jurist op het ministerie van Justitie en Politie en verbonden aan het Buro Landsadvocaat,

B. [Gedaagde Sub B], pro sé q.q. in hoedanigheid van Voorzitter van de Examencommissie Kaderopleiding 2019-2020,
kantoorhoudende aan de Duisburglaan 43-45 te Paramaribo,
gedaagde sub B, hierna te noemen: ‘[gedaagde sub B]’,
procederend in persoon.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat op 08 november 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
• de mondelinge conclusie van eis d.d. 11 november 2021;
• het verleend verstek tegen de behoorlijk opgeroepen doch niet verschenen [gedaagde sub B];
• de verschijning van [gedaagde sub B] op de gehouden comparitie d.d. 15 november 2021 waarbij het tegen hem verleend verstek is gezuiverd;
• de gehouden comparities van partijen d.d. 11 november en 15 november 2021 en de daarvan opgemaakte processen-verbaal;
• de conclusie van antwoord met producties zijdens de Staat;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens [eiser].

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [eiser] is brigadier van Politie en cursist van de Kaderopleiding 2019-2020.

2.2 Voor het vak Strafrecht werd op 20 september 2020 een take-home tentamen gegeven aan de cursisten met de instructie dat samenwerking niet was toegestaan. [eiser] heeft het take-home tentamen afgelegd en ingeleverd.

2.3 Bij schrijven d.d. 17 november 2020 heeft de docent Strafrecht, [persoon 1], aan [gedaagde sub B] te kennen gegeven dat [eiser], tegen de gegeven instructies, vermoedelijk heeft samengewerkt met een andere cursist, zijnde [persoon 2].

2.4 Naar aanleiding van voormeld schrijven heeft [gedaagde sub B] bij schrijven d.d. 19 november 2020 [eiser] verweer aangezegd.

2.5 [eiser] heeft zich verweerd en heeft vanaf 19 november 2020 tot en met 17 maart 2021 deelgenomen aan de overige tentamen, welke hij heeft behaald.

2.6 Bij schrijven d.d. 22 april 2021 heeft [gedaagde sub B] aan [eiser] medegedeeld dat besloten is dat het resultaat van hem ten aanzien van het examen Strafrecht conform artikel 17 lid 4 van het Onderwijs- en Examenreglement (OER), ongeldig wordt verklaard door de examencommissie en dat hij alsnog wordt uitgesloten van deelname aan de overige examens.

2.7 Tegen voormeld schrijven is [eiser], bij schrijven van 05 mei 2021, in beroep gegaan bij de Korpschef, op welk schrijven [eiser] nimmer enige reactie heeft ontvangen van de Korpschef.

2.8 Bij exploot van deurwaarder M.K. Jaggi d.d. 18 oktober 2021 no. 401 heeft [eiser] de Korpschef aangemaand om het daarheen te leiden dat het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 wordt herroepen c.q. nietig wordt verklaard en dat [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijst zal ontvangen en de daaraan verbonden bevordering zal verwerven.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [eiser] vordert dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om binnen 1 (één) week na deze uitspraak, althans door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 te herroepen c.q. nietig te verklaren en [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijsten te overhandigen;
b. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om binnen 2 (twee) weken na deze uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, [eiser] te bevorderen in de rang van Majoor van Politie c.q. de rang verbonden aan de geslaagden van de Kaderopleiding 2019-2020 met dezelfde ingangsdatum als de mede cursisten en met behoud van de rangorde op de ranglijst;
c. bij niet toekennen van bovengenoemde vorderingen, een zodanige voorziening te geven dat de schendingen van het zorgvuldigheidsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden weggenomen;
d. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om aan [eiser] te betalen, bij wege van dwangsom, het bedrag ad SRD 50.000,= voor elke dag of keer dat zij in strijd handelen met het gevorderde onder sub a en b.

3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de beslissing, zoals geformuleerd in het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021, een late en onterechte beslissing is. Het besluit is onrechtmatig en in strijd met het systeem van sanctioneren, waarbij straffen nimmer met terugwerkende kracht kunnen worden opgelegd, aldus [eiser].

3.3 Zowel de Staat als [gedaagde sub B] voeren (uiteindelijk) verweer. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter. [eiser] wordt daarom ontvangen in het kort geding.

4.2 Tijdens de gehouden comparities hebben de Staat en [gedaagde sub B] onder meer betwist dat het besluit onrechtmatig is. Volgens hen hebben [eiser] en [persoon 2], tegen de instructies in, samengewerkt hetgeen de reden is van het besluit.
Ter onderbouwing hiervan heeft de Staat de examenwerken van [eiser] en [persoon 2] overgelegd. Volgens de Staat vertonen de examenwerken, conform de constatering van de docent Strafrecht, op onderstaande 3 punten sterke gelijkenissen:
• opzet en vorm (format) zijn het hetzelfde,
• antwoorden vertonen woordelijk veel overeenkomsten en
• materieel zijn de foute/goede antwoorden nagenoeg conform.

4.3 In reactie hierop heeft [eiser] aangevoerd dat de Staat de volgende antwoorden heeft gehighlight waaruit – volgens de Staat – zou moeten blijken dat hij en [persoon 2] hebben samengewerkt: antwoord 3, 9, 10, 12, 14 en 19.
Volgens [eiser] levert heft feit dat zowel hij en [persoon 2] vraag 3 fout hebben, geen enkel bewijs van fraude op. Het is een multiple choice vraag en kunnen meerdere cursisten dit fout hebben. Ten aanzien van vraag 9 en 10 voert [eiser] aan dat er wel degelijk significante verschillen zijn in de redactie van de antwoorden. Ten aanzien van vraag 12 voert [eiser] aan dat het bekend is dat in een antwoord een deel van de vraag wordt herhaald.
De overeenkomsten in het eerste deel van het antwoord is dan ook daaraan te wijten. Ten aanzien van vraag 14 voert [eiser] aan dat het antwoord rechtstreeks uit het Wetboek van Strafrecht komt en is toch niet te verwachten dat hij zulks gaat parafraseren? Ten aanzien van vraag 19 voert [eiser] aan dat de redactie van het antwoord grote verschillen vertoont.

4.4 Geconstateerd wordt dat de exemplaren van de examenwerken die de Staat heeft overgelegd niet volledig zijn. Bij het examenwerk van [eiser] zijn de antwoorden op de vragen 8 en 14 niet volledig. De antwoorden op de vragen 9, 15, 16 en 17 ontbreken.
Bij het examenwerk van [persoon 2] zijn de vragen 8, 13 en 20 niet volledig. De antwoorden op de vragen 14 en 15 ontbreken.
Gelet op het voorgaande mede in acht nemende hetgeen de kantonrechter aan de Staat heeft voorgehouden ter comparitie d.d. 15 november 2021 met name dat de Staat had nagelaten een conclusie van antwoord te nemen, doch alsnog in de gelegenheid is gesteld de producties over te leggen middels een conclusie, hetgeen hij heeft gedaan doch onvolledige exemplaren heeft overgelegd, zal de kantonrechter aan de hand van de antwoorden op de overige vragen (1,2,3,4,5,6,7,10,11,12, 18,19 en 20) beoordelen of aannemelijk is dat [eiser] al dan niet heeft samengewerkt met [persoon 2].

4.5 Gelet op de bewoordingen van de antwoorden is de kantonrechter voorshands van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [eiser] en [persoon 2] hebben samengewerkt. Dat de vorm en opzet hetzelfde zijn en dat zij beiden vraag 3 fout hebben, maakt het niet anders.

4.6 Het voorgaande leidt ertoe dat de beslissing welke vervat is in het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 herroepen c.q. nietig verklaard dient te worden, daargelaten het onweersproken feit dat [eiser] alsmede de overige cursisten nimmer een OER hebben ontvangen. De gevorderde voorziening onder punt 3.1 sub a is derhalve toewijsbaar.

4.7 De gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub b is constitutief van aard. Nu de aard van het kort geding zich verzet tegen dergelijke beslissingen, omdat in kort geding slechts beslissingen van condemnatoire aard worden gegeven, zal [eiser] op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard in de door hem gevraagde voorziening.

4.8 De gevorderde dwangsom komt de kantonrechter bovenmatig voor, zodat zulks zal worden gematigd en gemaximeerd als hierna in het dictum is beslist.

4.9 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst zullen leiden.

4.10 De Staat en [gedaagde sub B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld om op grond van het Procesreglement voor Civiele Zaken bij het Hof van Justitie en de Kantongerechten in Suriname een bedrag van SRD 7.500,- aan [eiser] te betalen, zijnde het salaris van de gemachtigde van [eiser].
De Staat en [gedaagde sub B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.
De kosten omvatten op de dag van de uitspraak:
• het vastrecht ad SRD 50,=,
• de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 800,=,
en zijn in totaal dus begroot op SRD 850,=.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding
5.1 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] om binnen 1 (één) maand na betekening van deze uitspraak, het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 te herroepen en [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijsten te overhandigen.

5.2 Verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in de door hem gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub b van dit vonnis.

5.3 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] tot betaling van een dwangsom ad SRD 10.000,= (tienduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat zij weigeren om aan dit vonnis te voldoen tot een maximum van SRD 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar).

5.4 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] tot betaling van het bedrag van SRD 7.500,- (zevenduizend en vijfhonderd Surinaamse dollar) aan [eiser], zijnde het salaris van de gemachtigde van [eiser].

5.5 Verklaart hetgeen is beslist onder 5.1, 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad.

5.6 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 850,- (achthonderd en vijftig Surinaamse dollar).

5.7 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai ter openbare terechtzitting op donderdag 09 december 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2021-18

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1704
09 december 2021

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

[eiser],
wonende aan de [adres] in [district],
eiser,
gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Binnenlandse Zaken,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,
gevolmachtigde: mr. J.M. Foort, jurist verbonden aan het Buro Landsadvocaten.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat op 19 mei 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
• de mondelinge conclusie van eis;
• de conclusie van antwoord, met producties;
• de conclusie van repliek en uitlating producties;
• de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiser heeft in de periode van 30 juni 2015 tot en met 29 juni 2020 gefunctioneerd als lid van De Nationale Assemblée.

2.2 Per schrijven d.d. 10 september 2020 heeft eiser de minister van Grondbeleid en Bosbeheer gevraagd om zijn aanstelling in de functie van beleidsadviseur in voltijdse dienst van de Staat conform artikel 7 lid 4 van de Wet financiële voorzieningen leden en gewezen leden van De Nationale Assemblée (S.B. 1988 no. 59, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 no. 74) te formaliseren, op welk schrijven de Staat niet heeft gereageerd. Per brief van 18 februari 2021 heeft eiser zijn verzoek bij de Minister van Grondbeleid en Bosbeheer herhaald en heeft de Staat op dit schrijven wederom niet gereageerd.

2.3 Op 15 april 2021 heeft de gemachtigde van eiser in een rappèlschrijven de Minister van Binnenlandse Zaken het volgende aangegeven:
“Reden, waarom ik u namens cliënt nader met het verzoek tot spoedige formalisering van zijn aanstelling in de functie van Beleidsadviseur in voltijdse dienst onder toekenning van de daaraan inherente bezoldiging en emolumenten binnen twee weken na ontvangst van dit schrijven.”
Op dit schrijven heeft eiser geen reactie ontvangen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis in kortgeding uitvoerbaar bij voorraad:
a. gedaagde te gelasten om de rechtspositie van hem als beleidsadviseur in voltijdse dienst van de Staat te formalisereren, onder toekenning van de daaraan inherente bezoldiging en emolumenten conform artikel artikel 7 lid 4 van de Wet financiële voorzieningen leden en gewezen leden van De Nationale Assemblée (S.B. 1998 no. 59, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 no. 74);
b. als sequeel daarvan gedaagde te veroordelen tot de uitbetaling van, de kantonrechter begrijpt, het loon, terugwerkend tot het moment van de maand volgende met ingang van de maand volgende op zijn verzoek om benoemd te worden tot beleidsadviseur in voltijdse dienst van de Staat, onder verbeurte van een direct opeisbare dwangsom ten bedrage van
SRD 10.000,- per dag voor elke dag dat gedaagde weigert, althans in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;
c. gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eiser legt, zakelijk weergegeven, aan zijn vordering het volgende ten grondslag.
Uit bekomen informatie zijn eerder gewezen assembléeleden op grond van de vigerende regeling bij resolutie van de President van de Republiek Suriname alszodanig in vaste dienst aangesteld en wel met ingang van de maand volgende op hun verzoek. Zich beroepend op het bepaalde in de vigerende regeling en het gelijkheidsbeginsel, namelijk dat alle gewezen assembléeleden op gelijke wijze behoren te worden bejegend na beëindiging van hun lidmaatschap, stelt eiser dat hij de jure de status van beleidsadviseur in voltijdse dienst van de Staat heeft, met aanspraak op de daaraan inherente bezoldiging en emolumenten. Ondanks diverse pogingen van verzoeker is gedaagde niet ertoe overgegaan om zijn rechtspositie te formaliseren. Met stelligheid kan worden aangegeven dat gedaagde in deze geen, althans niet voldoende, rekening houdt met de belangen van hem en maakt zich schuldig aan een handelen in strijd met het recht, de wet en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het beginsel van rechtszekerheid, het beginsel van zorgvuldigheid en het gelijkheidsbeginsel. Gedaagde handelt onrechtmatig jegens hem en is gehouden om de hierdoor ontstane schade te vergoeden, aldus eiser.

3.3 Gedaagde voert verweer. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang is in voldoende mate aannemelijk geworden, waardoor eiser ontvangen wordt in kortgeding.

4.2 Hetgeen partijen verdeeld houdt is de vraag of eiser op de wettelijk voorgeschreven wijze aan gedaagde de wens te kennen heeft gegeven om in voltijdse dienst treden bij de overheid in de functie van tenminste Beleidsadviseur.

4.3 In artikel 7 lid 4 van de Wet financiële voorzieningen leden en gewezen leden van De Nationale Assemblée S.B. 1988 no. 59, gewijzigd bij S.B. 2015 no. 74 en verbeterd bij S.B. 2017 no. 82 is het volgende bepaald:
“4. Een gewezen lid dat een zittingsperiode of langer lid is geweest, de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, wordt door de overheid op zijn of haar verzoek in dienst genomen dan wel benoemd in de functie van tenminste Beleidsadviseur in voltijdse dienst.”
De kantonrechter constateert dat in voormeld artikel niet is vermeld op welke wijze een gewezen lid de wens om in dienst genomen te worden, kenbaar moet maken; moet dat schriftelijk of mondeling? Aan welke functionaris de wens kenbaar moet worden gemaakt is evenmin aangegeven. De reden waarom zulks niet is opgenomen in dit artikel is de kantonrechter niet duidelijk.

In de memorie van toelichting, met name pagina 10, van de Wet financiële voorzieningen leden en gewezen leden van De Nationale Assemblée S.B. 1988 no. 59, gewijzigd bij S.B. 2015 no. 74 is het volgende opgenomen:
“(…)
Voor de leden die een zittingsperiode of langer hebben gediend, de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt en dus niet in aanmerking komen voor pensioen bestaat de mogelijkheid te wens te kennen te geven in voltijdse dienst te treden bij de overheid in de functie van tenminste Beleidsadviseur 1ste (eerste) klasse periodiek 18 (achttien). De kennisgeving hiertoe zal worden gedaan aan de Minister van Binnenlandse Zaken met afschrift aan De Nationale Assemblee.”
Hieruit volgt dat de wetgever ervoor heeft gekozen om de procedure in de memorie van toelichting op te nemen. Duidelijk is dat een gewezen lid de kennisgeving dient te doen aan de Minister van Binnenlandse Zaken met toezending van een afschrift daarvan aan De Nationale Assemblee.

4.4 Zoals onder 2.2 van dit vonnis is aangegeven, heeft eiser zijn verzoeken steeds gericht aan de Minister van Grondbeleid en Bosbeheer, wat – als gekeken wordt naar de memorie van toelichting op artikel 7 lid 4 van de Wet financiële voorzieningen leden en gewezen leden van De Nationale Assemblée S.B. 1988 no. 59, gewijzigd bij S.B. 2015 no. 74 en verbeterd bij S.B. 2017 no. 82 – niet de juiste procedure is. Met gedaagde is de kantonrechter het eens dat eiser als gewezen lid van de wetgevende macht wist dan wel behoorde te weten wat de te volgen procedure is. Derhalve kunnen deze brieven niet gelden als kennisgeving als bedoeld in voormeld artikel.

4.5 De kantonrechter is van oordeel dat alhoewel eiser bij schrijven d.d. 15 april 2021, zoals onder 2.3 van dit vonnis geciteerd, niet expliciet aan de Minister van Binnenlandse Zaken de wens kenbaar maakt om in voltijdse dienst te treden bij de overheid, zoals bedoeld in artikel 7 lid 4 van de Wet financiële voorzieningen leden en gewezen leden van De Nationale Assemblée S.B. 1988 no. 59 gewijzigd bij S.B. 2015 no. 74 en verbeterd bij S.B. 2017 no. 82, zulks uit de brief wel kan worden begrepen. Dit, omdat eiser de Minister van Binnenlandse Zaken verzoekt tot spoedige formalisering van zijn aanstelling in de functie van Beleidsadviseur in voltijdse dienst. Ingevolge artikel 1 van de Personeelswet is aanstelling een beschikking van het bevoegde gezag, waardoor een persoon, anders dan met toepassing van het burgerlijk recht, in dienst van het Land wordt genomen, of waarbij een tijdelijk dienstverband in een vast dienstverband wordt omge¬zet. Hieruit blijkt dus impliciet het verzoek van eiser. Derhalve is de kantonrechter niet eens met gedaagde dat eiser wettelijke procedure niet heeft opgevolgd en zal de dagtekening van het schrijven, namelijk 15 april 2021, gelden als datum waarbij eiser de kennisgeving heeft gedaan. Hieruit volgt dat het gevorderde onder A wordt toegewezen, in die zin dat aan deze veroordeling ook een termijn zal worden gekoppeld. Het gevorderde onder B wordt niet toegewezen nu eiser deze onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.
De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, nu gebleken is dat gedaagde ondanks herhaalde schrijven, nimmer heeft gereageerd op deze schrijven van eiser, wat overigens een goed functionerende overheid niet betaamt. Ook de proceshouding van gedaagde, waarbij hij steeds blijft volharden in zijn onjuiste standpunt, geeft de kantonrechter aanleiding om een dwangsom te koppelen aan de veroordeling. Aanleiding wordt gezien om de dwangsom te maximeren tot een bedrag zoals in de beslissing te vermelden.

4.6 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld zoals in het dictum te vermelden.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding
5.1 Gelast gedaagde om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis de rechtspositie van eiser te formaliseren als Beleidsadviseur in voltijdse dient van de Staat Suriname onder toekenning van de daaraan inherente bezoldiging en emolumenten, conform artikel artikel 7 lid 4 van de Wet financiële voorzieningen leden en gewezen leden van De Nationale Assemblée S.B. 1988 no. 59, gewijzigd bij S.B. 2015 no. 74 en verbeterd bij S.B. 2017 no. 82.

5.2 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- (tienduizend Surinaamse dollar) per dag voor elke dag dat hij weigert, althans in gebreke blijft te voldoen aan het veroordeelde onder 5.1 van dit vonnis en wel tot een maximum bedrag van SRD 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar).

5.3 Verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 650,- (zeshonderd en vijftig Surinaamse dollar).

5.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai ter openbare terechtzitting op donderdag 09 december 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-K1-2021-17

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1445
18 november 2021
NNA

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

[eiseres],
wonende aan de [adres] in [district], ten deze domicilie kiezende aan de [adres] ten kantore van Balradj Advocatuur & Mediation NV,
eiseres,
gemachtigde: mr. V.S. Balradj, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name:
1. HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE,
2. HET OPENBAAR MINISTERIE,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, gevestigd en kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagden,
gevolmachtigde: mr. D. Bhagwandien, waarnemend Substituut Officier van Justitie,

1. Het verloop van het proces
Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat op 27 april 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met productie;
• de mondelinge conclusie van eis d.d. 06 mei 2021;
• de conclusie van antwoord, met producties;
• de conclusie van repliek, met producties;
• de conclusie van dupliek, met productie;
• de conclusie tot uitlating productie zijdens eiseres.

1.2. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Op 01 april 2021 is eiseres aangehouden en inverzekering gesteld terzake verduistering en oplichting.

2.2 Op 07 april 2021 is eiseres na een gesprek met de Officier van Justitie, mr. Tjin Lip Shie, in vrijheid gesteld.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert dat de kantonrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
a. gedaagden zal bevelen om binnen 3 (drie) werkdagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, op hun kosten, de navolgende advertentie goed leesbaar op de voorpagina te doen plaatsen van Dagblad Suriname, Times of Suriname, de Ware Tijd en duidelijk op de websites van voornoemde mediabedrijven, alsook eenmaal door de kantonrechter te bepalen mediabedrijf in Nederland, met de tekst:
‘De Staat Suriname, in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie en het Openbaar Ministerie, verklaren hierbij dat de inverzekeringstelling van [eiseres] van zeven dagen waarmede zij in verband gebracht werd met misdrijven van oplichting en verduistering onrechtmatig was en een ernstige inbreuk vormt op haat eer en goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit. Hetgeen geschiedde kan niet meer teruggenomen worden, de gepleegde daad heeft [eiseres] leed aangedaan. De Staat Suriname houdt [eiseres] aan als vrouw van goede eer en biedt aan haar welgemeende verontschuldigingen aan. Het spijt ons.’;
b. zal verklaren dat de gepleegde daad lasterlijk en beledigend is;
c. het onder sub a gevorderde onder straffe van een dwangsom van SRD 20.000,=, voor elk uur dat gedaagden niet aan de veroordeling onder sub a voldoen;
d. gedaagden zal veroordelen tot betaling van de door eiseres geleden en nog te lijden schade van USD 5.000,=, dan wel in een ander door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen bedrag aan materieel en immaterieel leed.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat de inverzekeringstelling onrechtmatig is geschied in de zin van artikel 1386 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zo is de inverzekerstelling voor een ander doel gebruikt dan waarvoor die is uitgegeven. Voorts dat de onrechtmatige inverzekerstelling als smadelijke en lasterlijke handelingen beschouwd moeten worden waardoor gedaagden ingevolge artikel 1393 jo 1394 en 1401 BW gehouden zijn de door eiseres geleden schade te vergoeden en over te gaan tot rectificatie.

3.3 Gedaagden voeren verweer. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter. Eiseres wordt daarom ontvangen in het kort geding.

4.2 De vraag die centraal staat en beantwoord dient te worden is of de inverzekerstelling van eiseres onrechtmatig is in zin van artikel 1386 BW. Indien voormelde vraag bevestigend beantwoord wordt, dan is het de vraag of gedaagde als gevolg daarvan gehouden de door eiseres gestelde schade, te vergoeden.

4.3 Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij inverzekering is gesteld voor een ander doel dan waarvoor de inverzekeringstelling is uitgegeven en dat haar inverzekerstelling derhalve onrechtmatig is in de zin van artikel 1386 BW. Hiertoe stelt zij dat:
• er reeds in februari 2021 aangifte van verduistering en oplichting is gedaan tegen haar;
• zij echter pas op 01 april 2021 om 15.00u is opgeroepen door de politie en in verzekering is gesteld;
• zij een bekende journalist is en daardoor bereikbaar was, althans niet onvindbaar was;
• de agent die haar van Richelieu naar Geyersvlijt vervoerde, getracht heeft haar om te kopen in die zin dat als eiseres hem zou betalen, zij meteen in vrijheid zou worden gesteld;
• de betreffende agent aan haar heeft gezegd dat indien zij hem en de overige agenten betaalt, hij het dossier van eiseres zal laten verdwijnen en zij vrij de gevangenis uit kan lopen;
• 02 april tot en met 05 april nationale vrije dagen waren en haar gemachtigde in die periode
geen artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kon indienen;
• haar gemachtigde op 07 april door de officier van Justitie, mr. Tjin Liep Shie werd gebeld, met de mededeling dat eiseres in vrijheid wordt gesteld en dat eiseres verkeerd heeft gehandeld. Zij liet weten dat er een onderzoek gepleegd was en liet zich uit over het resultaat daarvan.

4.4 Gedaagde voert aan dat de inverzekeringstelling van eiseres geen onrechtmatige daad is in de zin van artikel 1386 BW. Hiertoe voert gedaagde aan dat door de benadeelden aangifte is gedaan jegens eiseres terzake oplichting. Naar aanleiding van de beschikbare feiten en omstandigheden werd eiseres als verdachte aangemerkt en vervolgens aangehouden. Na overleg met een lid van het Openbaar Ministerie (OM) is eiseres in verzekering gesteld. De inverzekeringstelling is geheel conform de politie c.q. het OM toekomende bevoegdheid geschied zoals vastgelegd in artikel 48 Sv.

4.5 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is de inverzekeringstelling van eiseres niet onrechtmatig in de zin van artikel 1386 BW. Hiertoe overweegt de kantonrechter het volgende. Vooropgesteld wordt dat een inverzekerstelling onrechtmatig is als er geen redelijk vermoeden van schuld aanwezig is dat de verdachte het aan hem verweten strafbare feit heeft schuldig gemaakt. In onderhavige casu is, gelet op de processen-verbaal van aangiften alsmede de processen-verbaal van confrontatie van de benadeelden met eiseres, voldoende aannemelijk dat eiseres de benadeelden heeft opgelicht. Eiseres heeft bovendien toegegeven dat zij de gelden van de benadeelden in ontvangst heeft genomen en hen heeft voorgehouden dat zij percelen voor hun zou regelen. Eiseres heeft zulks niet bewerkstelligd en heeft verder geen nadere feiten en omstandigheden gesteld daaromtrent; ook in dit proces niet. Zij erkent gelden te hebben ontvangen en zwijgt in alle talen dat zij de gesprekken van de benadeelden op een gegeven moment niet beantwoordde. Dat zij journalist is en het bekend is waar zij te vinden is, is onvoldoende, daar dit geen feit van algemeen bekendheid is.
Voorts wordt overwogen dat de procedure van aangifte als volgt is. De politie zal na de aangifte eerst ertoe overgaan om bewijs te verzamelen, vervolgens de aangevers wederom horen en de onderliggende documenten bekijken. Indien de politie van mening is dat zij aan de hand van het voorgaande, een sterke case heeft, wordt de verdachte opgeroepen, verhoord en na afstemming met een lid van het OM in verzekering gesteld. Dat eiseres niet meteen na de aangifte in verzekering is gesteld, is aldus gebruikelijk.

4.6 Nu de inverzekeringstelling van eiseres niet onrechtmatig is, is gedaagde niet gehouden de – door eiseres vermeende schade voortvloeiende uit de inverzekeringstelling – te vergoeden. De gevraagde voorzieningen zullen, als ongegrond, worden geweigerd.

4.7 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst zullen leiden.

4.8 Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagde worden tot op de dag van de uitspraak begroot op nihil.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 18 november 2021 te Paramaribo door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-K1-2021-16

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1632
09 december 2021

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

RAMADHIN AMAR, in persoon en in de hoedanigheid van Minister van het Ministerie van Volksgezondheid,
wonende aan de [adres] te [district],
eiser in conventie tevens gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: ‘Ramadhin’,
gemachtigde: mr. M. Babulall, advocaat,

tegen

SAMSON, GUILLERMO,
wonende aan de [adres] te [district],
gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie,
hierna te noemen: ‘Samson’,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat op 14 mei 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
• de mondelinge conclusie van eis d.d. 27 mei 2021;
• de conclusie van antwoord in conventie en de eis in reconventie, met producties;
• de conclusies van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met productie;
• de conclusies van dupliek in conventie en repliek in reconventie;
• de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Samson heeft op 25 april 2021 in een live uitzending van een radio programma op het radiostation Radio Tamara – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – de volgende uitlating gedaan aan het adres van Ramadhin:
“(…) hij moet aan de directeur komen. Ik daag hem uit. Laat hij het doen. Want deze narcist, vanaf hij is gekomen, alleen maar chaos gecreëerd. (…).”

2.2 Op 09 mei 2021 heeft Samson in een live uitzending van een radio programma op het radiostation Radio Tamara – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – de volgende uitlating gedaan aan het adres van Ramadhin:
“(…) een draad zit los in zijn hoofd… etnische tendensen van deze man… als een kleine jongen met een pamper en een luier… (hij is een) liegbek… hij is te jong, loopt in de luiers… (…).”

2.3 Ramadhin heeft bij schrijven van zijn procesgemachtigde d.d. 06 mei 2021 en betekend door de deurwaarder op 07 mei 2021, Samson aangemaand om een rectificatie op het radiostation Radio Tamara alsook de dagbladen: Dagblad Suriname, Starnieuws en De Ware Tijd te plaatsen ter zuivering van Ramadhin zijn eer en goede naam alsook zijn verontschuldigingen aan te bieden.

2.4 Samson heeft niet voldaan aan de aanmaning.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie
3.1 Ramadhin vordert dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Samson zal veroordelen:
a. om, binnen 1×24 uur na de uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, op zijn kosten de navolgende verontschuldiging te doen plaatsen in de dagbladen: De Ware Tijd, Times of Suriname, Dagblad Suriname en op de website van Starnieuws en te doen omroepen met eigen stem via Radio Tamara:
‘dat het handelen, althans de uitlating gedaan door mij persoon, Guillermo Samson, op 25 april 2021 en 09 mei 2021 in een live uitzending, althans interview op het station Radio Tamara, gericht aan het adres van de heer Amar Ramadhin beledigend en lasterlijk zijn geweest. Dat door de uitlating van mij, de heer Amar Ramadhin zowel in persoon als in de hoedanigheid van de minister van Volksgezondheid is geschaad in zijn eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit. Bij deze trek ik de gedane ongerechtvaardigde, onjuiste uitlating volledig in. De heer Amar Ramadhin is geen narcist. Derhalve biedt ik mijn welgemeende, behoorlijke, oprechte en gepaste verontschuldiging bij deze uitdrukkelijk aan de heer Amar Ramadhin. Ik zal mijn verontschuldigingen ook per schrijven richten aan de heer Amar Ramadhin, minister van Volksgezondheid op het adres Henck Arronstraat # 64. Met deze verklaring beoog ik de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit van de heer Amar Ramadhin volledig te hebben hersteld.’;
b. om binnen 1×24 uur na betekening van het vonnis, alle uitlatingen zoals opgesomd alsmede eventueel andere door hem gedane uitlatingen via het internet of enig openbaar medium met vergelijkbare strekking te verwijderen, te doen verwijderen en verwijderd te houden;
c. om zich op enige wijze via internet of via enig ander openbaar medium over Ramadhin uit te laten op een vergelijkbare wijze zoals in het lichaam van het verzoekschrift omschreven;
d. om, indien mocht blijken dat elders opnieuw via internet of een openbaar medium, vergelijkbare uitlatingen die Ramadhin betreffen, worden verspreid, op eerste verzoek van Ramadhin zich in te zetten om binnen 12 uur na het eerste verzoek, het medium kenbaar te maken dat de uitingen verwijderd dienen te worden, alles op straffe van een dwangsom van SRD 100.000,= per dag voor elke dag dat Samson nalatig blijft gehoor te geven aan de onder sub a tot en met d gevorderde;
e. om bij wege van voorschot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Ramadhin te betalen het bedrag van SRD 30.000,=, zijnde de advocaatkosten;
f. in de proceskosten.

3.2 Ramadhin legt aan zijn vordering ten grondslag dat de uitlating van Samson beledigend is, zodat Samson op grond van artikel 1386 jo 1393 BW gehouden is om zijn verontschuldigingen aan te bieden. Volgens Ramadhin is Samson voorts gehouden om de kosten voor rechtsbijstand aan hem te vergoeden, nu hij door toedoen van Samsom voormelde kosten heeft moeten maken om een vordering in te stellen tegen Samson.

In reconventie
3.3 Samson vordert dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Ramadhin zal veroordelen:
a. om aan Samson te voldoen de som van USD 2.160,=, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 24 juni 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
b. in de proceskosten.

3.4 Samson legt aan zijn vordering ten grondslag dat er geen grondslag aanwezig is om hem in rechte te betrekken. Derhalve handelt Ramadhin onrechtmatig jegens hem. Volgens Samson heeft hij spoed rechtsbijstand moeten inroepen omdat hij niet deskundig is om zelfstandig in zo een korte tijd het proces zelf te voeren. Hierdoor heeft hij kosten moeten maken en is Ramadhin gehouden voormelde kosten bij wege van schadevergoeding te voldoen, aldus Samson.

In conventie en in reconventie
3.5 Zowel de Ramadhin als Samson hebben, respectievelijk in conventie en reconventie, verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter voor zover van belang, hierna terugkomt.

4. De beoordeling
In conventie
4.1 Het spoedeisend belang is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter. Ramadhin wordt daarom ontvangen in het kort geding.

4.2 Samson voert als formeel verweer aan dat hij de uitlating heeft gedaan tijdens een programma via het radio station Tamara. Volgens hem is de uitzender van het programma verantwoordelijk voor de inhoud van het programma. Bovendien is er ook een aanmaning gestuurd naar het radio station Tamara. Derhalve bevreemd het hem dat het radio station Tamara niet in rechte is betrokken. Volgens Samson heeft Ramadhin niet de keus om Samson alleen in rechte betrekken, terwijl hij de uitzender van het programma en de verantwoordelijke bij uitstek in casu het radio station Tamara, buiten beschouwing laat, zodat Ramadhin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.

4.3 Met Ramadhin is de kantonrechter het eens dat Samson als enige partij betrokken is omdat hij degene is die de uitlating heeft gedaan en derhalve als enige aansprakelijk is. Het formeel verweer van Samson faalt derhalve, zodat Ramadhin ontvankelijk is in zijn vordering.

4.4 Uit de stellingen van Ramadhin kan worden afgeleid dat hij zich beledigd heeft gevoeld door de uitlatingen die Samson aan zijn adres heeft gedaan op 25 april 2021 en 09 mei 2021 in een live uitzending van een radio programma op het radio station Tamara.
In dat licht stelt de kantonrechter voorop dat de burgerrechtelijke rechtsvordering ter zake belediging wordt ingesteld op grond van de artikelen 1393 jo 1397 BW. Blijkens het bepaalde in artikel 1397 BW kan de burgerlijke rechtsvordering ter zake belediging niet worden toegewezen, indien niet blijkt van het oogmerk om te beledigen. Dat oogmerk wordt niet aanwezig geacht voor zover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging.

4.5 Samson heeft aangevoerd dat hij de uitlating heeft gedaan op basis van de gedragingen van Ramadhin, met name dat Ramadhin zijn falend covid-19 beleid blijft voortzetten aangezien dit beleid hem de ruimte geeft steeds in de schijnwerpers te staan. Voorts dat de uitlating is gedaan basis van de gedragingen van Ramadhin om steeds in het brandpunt van de belangstelling te willen staan.

4.6 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter gaat het verweer van Samson niet op. Hiertoe overweegt de kantonrechter het volgende. De door Samson gedane uitlating draagt het karakter van een verwijt aan het adres van Ramadhin, zonder dat deze middels enig officieel bescheid is onderbouwd. Bovendien is ten eerste niet gebleken dat het thans gevoerd covid-19 beleid een falend beleid is en ten tweede behoort Ramadhin in hoedanigheid van de minister van Volksgezondheid tot één van de aangewezen personen die de samenleving dient te informeren over het een en ander betreffende het gevoerd, althans te voeren beleid met betrekking tot de covid-19 pandemie. Niet valt in te zien waarom Ramadhin in de schijnwerpers wil staan, althans in het brandpunt van de belangstelling wil zijn, terwijl hij in zijn hoedanigheid van minister van Volksgezondheid niet anders kan dán in de schijnwerpers te zijn vanwege (onder meer) het feit dat er steeds nieuwe ontwikkelingen zijn rondom de covid-19 pandemie in Suriname alsook wereldwijd.

4.7 Met het doen van deze uitlatingen tijdens een live uitzending van een radio programma dat voor elke derde toegankelijk is via YouTube en als beledigend dient te worden aangemerkt, hebben deze uitlatingen een openbaar karakter gekregen. Gesteld noch gebleken is dat deze uitlatingen zijn gedaan in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging, hetgeen tot de slotsom leidt dat Samson hiermee enkel en alleen tot doel heeft gehad om Ramadhin in zijn eer en goede naam aan te tasten. Hiermee heeft Samson aldus onrechtmatig gehandeld jegens Ramadhin. Nu het voorgaande grond oplevert tot rectificatie van de uitlating, zal de gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub a van dit vonnis worden toegewezen.

4.8 Ten aanzien van het gevorderde onder punt 3.1 sub b van dit vonnis is de kantonrechter van oordeel dat Ramadhin heeft nagelaten te stellen of Samson andere uitlatingen van vergelijkbare strekking heeft gedaan via een ander openbaar medium. Om die reden zal de gevraagde voorziening op dit punt, als onvoldoende gesteld, worden geweigerd. Wat wel zal worden toegewezen is dat Samson binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de uitlatingen gedaan op op 25 april 2021 en 09 mei 2021 in een live uitzending van een radio programma op het radio station Tamara, welke op, in ieder geval YouTube te beluisteren zijn, doet verwijderen en verwijderd houdt.

4.9 Nu in voldoende mate aannemelijk is geworden dat Samson tijndens twee live uitzendingen beledigende uitlatingen heeft gedaan naar het adres van Ramadhin, zal het gevorderde onder punt 3.1 sub c dat het neerkomt op een verbod om de goede naam en eer van Ramadhin te schaden, worden toegewezen.

4.10 De gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub d is gebaseerd op toekomstige verwachtingen, zodat er geen grondslag is voor toewijzing hiervan.

4.11 De gevorderde dwangsom komt de kantonrechter bovenmatig voor, zodat zulks zal worden gematigd en gemaximeerd als hierna in het dictum is beslist.

4.12 De advocaatkosten worden aangemerkt als buitengerechtelijke kosten. Overwogen wordt dat deze, nu die niet op de wet en evenmin op een tussen partijen bestaande overeenkomst is gestoeld, niet toewijsbaar zijn.

4.13 De kantonrechter acht de overige stellingen en weren van partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst zullen leiden.

4.14 Samson zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak:
• het vastrecht ad SRD 50,=
• de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 411,= en zijn in totaal dus begroot op SRD 465,=.

In reconventie
4.15 Gelet op hetgeen in conventie is overwogen en beslist, is de gevraagde voorziening in reconventie niet toewijsbaar.

4.16 Samson zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Ramadhin worden tot op de dag van de uitspraak begroot op nihil.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding

In conventie
5.1 Veroordeelt Samson om binnen drie dagen na de betekening van dit vonnis op zijn kosten de onderstaande rectificatie en verontschuldiging te doen opnemen en plaatsen in de dagbladen: De Ware Tijd, Times of Suriname, Dagblad Suriname en op de website van Starnieuws en te doen omroepen met eigen stem via Radio Tamara:
“dat het handelen, althans de uitlating gedaan door mij persoon, Guillermo Samson, op 25 april 2021 en 09 mei 2021 in een live uitzending, althans interview op het station Radio Tamara, gericht aan het adres van de heer Amar Ramadhin beledigend en lasterlijk zijn geweest. Dat door de uitlating van mij, de heer Amar Ramadhin zowel in persoon als in de hoedanigheid van de minister van Volksgezondheid is geschaad in zijn eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit. Bij deze trek ik de gedane ongerechtvaardigde, onjuiste uitlating volledig in. De heer Amar Ramadhin is geen narcist. Derhalve bied ik mijn welgemeende, behoorlijke, oprechte en gepaste verontschuldiging bij deze uitdrukkelijk aan de heer Amar Ramadhin. Ik zal mijn verontschuldigingen ook per schrijven richten aan de heer Amar Ramadhin, minister van Volksgezondheid op het adres Henck Arronstraat # 64. Met deze verklaring beoog ik de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit van de heer Amar Ramadhin volledig te hebben hersteld.”

5.2 Veroordeelt Samson om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis alle uitingen zoals opgesomd onder 2.1 en 2.2 van dit vonnis via het internet of enig ander openbaar medium te verwijderen, te doen verwijderen en verwijderd te houden.

5.3 Verbiedt Samson om zich op enige wijze via het internet of via enig ander openbaar medium over Ramadhin uit te laten, althans zich uit te laten op een vergelijkbare wijze zoals opgesomd onder 2.1 en 2.2 van dit vonnis.

5.4 Veroordeelt Samson tot betaling van een dwangsom ad SRD 10.000,- (tienduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat hij weigert om aan dit vonnis te voldoen tot een maximum van SRD 200.000,- (tweehonderdduizend Surinaamse dollar).

5.5 Verklaart hetgeen is beslist onder 5.1, 5.2, 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad.
5.6 Veroordeelt Samson in de proceskosten aan de zijde van Ramadhin gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 465,= (vierhonderd en vijfenzestig Surinaamse dollar).

5.7 Weigert het meer of anders gevorderde.

In reconventie
5.8 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.9 Veroordeelt Samson in de proceskosten aan de zijde van Ramadhin gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 09 december 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2021-15

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-3397

30 november 2021

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

  1. VAN DIJK-SILOS, JENNIFER V.,
  2. MEYE, STEVE,
  3. BHAGWANDIN, PATRICK ANANDKUMAR,

allen wonend te Paramaribo,

eisers,

gemachtigden: mr. F.A.Bhagwandin-Telting en mr. N.U. van Dijk, beiden advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID,meer in het bijzonder DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, de heer drs. AmarRamadhin, in persoon en q.q. in de hoedanigheid van Minister van Volksgezondheid,in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname,

kantoorhoudend te Paramaribo,

gedaagde,

gemachtigden voor de Staat:mr. A.I. Ramlakhan en mr. C. Lachman, beiden advocaat.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 14oktober2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis die is genomen op de zitting van 28oktober 2021;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Op vrijdag 20 augustus 2021 hebben eisers aan de Vice-President van de Republiek Suriname de petitie “Apartheid en Discriminatie in Suriname” aangeboden.

2.2 Volgens het Besluit Taakomschrijving Departementen 1991, voor het laatst gewijzigd bij S.B.2002, no. 16, zijn de bijzondere taken van het ministerie van Volksgezondheid onder meer de volksgezondheid in de ruimste zin en het toezicht op de behartiging van de volksgezondheid in het bijzonder, met inbegrip van de gezondheidsvoorlichting en –opvoeding en het waarborgen van de kwaliteit, beschikbaarheid en bereikbaarheid van de gezondheidszorg over het gehele land.

  1. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1 Eisers vorderen – samengevat – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis gedaagde veroordeelt:

I. om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis rectificatie te doen op dezelfde wijze en via dezelfde media als de uitspraken door gedaagde zijn gedaan op 23 augustus 2021 te weten via dagbladdewest.com, TrishulBroadcasting Network (TBN) en Covid-19 Journaal.

RECTIFICATIE

“De door mij, drs. A. Ramadhin, Minister van Volksgezondheid, in interviews gedane uitspraken op 23 augustus 2021 ten aanzien van de aanbieders van de petitie “Apartheid en Discriminatie in Suriname”, te weten

VAN DIJK-SILOS, JENNIFER V.,

MEYE, STEVE en

BHAGWANDIN, PATRICK ANANDKUMAR

zijn onnodig grievend, lasterlijk en beledigend en door de kantonrechter in Kort Geding onrechtmatig geoordeeld jegens voornoemde personen. Ik, drs. A. Ramadhin, Minister van Volksgezondheid doe een beroep op alle media en anderen die hiervan kennis dragen onmiddellijk op te houden om genoemde interviews verder te delen, distribueren en of uit te zenden dan wel te publiceren”;

althans dat de kantonrechter gedaagde beveelt een zodanige verklaring openbaar te maken in de eerder genoemde media met de strekking tot verbetering van de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke en functionele integriteit van eisers als persoon en als respectievelijk juridisch consultant en geestelijke in de Republiek van Suriname en op de manier die de kantonrechter juist en geraden oordeelt;

II. zich in de toekomst te onthouden van elke gedraging en of handeling die de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke en functionele integriteit van eisers aantasten;

III. aan eisers elk afzonderlijk een dwangsom van SRD 100.000, – te betalen voor iedere keer of dag dat gedaagde in strijd mocht handelen met de veroordelingen onder I en II;

IV. om bij wege van voorschot de reeds geleden en nog te lijden schade te voldoen,vooralsnog begroot op de tegenwaarde in Surinaamse Dollar van USD 1,500. -;

V. in de proceskosten.

3.2 Aan hun vordering leggen eisers, kort gezegd, ten grondslag dat gedaagde via media zodanige uitspraken over hen heeft gedaan, dat sprake is van belediging, laster, smaad en aantasting van hun recht op een goede naam en eer. Gedaagde heeft eisers beledigd door hen ‘misleiders’ en ‘antivaxxers’ te noemen. In het openbaar heeft gedaagde niet ware uitlatingen over eisers gedaan met de bedoeling hen in een kwaad daglicht te plaatsen. Door zich suggestief over eisers uit te spreken heeft gedaagde onrechtmatig jegens hen gehandeld. Dat gedaagde een gebeuren, waarvoor eiser sub 2 reeds zijn verontschuldiging heeft aangeboden, in herinnering brengt, schaadt de reputatie van eiser sub 2. Gedaagde heeft als gezaghebbende beleidsmaker invloed op het vormen van oordelen over personen en onderwerpen door de samenleving. Eisers lijden naast financiële schade ook imago- en emotionele schade. Op een aanmaning tot rectificatie heeft gedaagde niet gereageerd.

3.3 Gedaagde voert verweer waarop hierna, voor zover van belang, wordt teruggekomen.

  1. De beoordeling

4.1 Gelet op de aard van de vorderingen, hebben eisers een voldoende spoedeisend belang om in hun vorderingen in het kort gedingte worden ontvangen.

4.2 Als meest verstrekkend verweer voert gedaagde aan dat eisers hem niet in gebreke hebben gesteld en concludeert tot niet ontvankelijkheid van eisers in hun vordering. Hiertegenover stellen eisers een van hen afkomstig schrijven met als onderwerp ‘aanmaning en ingebrekestelling’ van 13 september 2021 betekend op dezelfde dag. Gedaagde voert daartegenaan dat de ingebrekestelling slechts is gericht tot de minister van Volksgezondheid, terwijl in deze zaak de Staat Suriname als gedaagde is opgeroepen.

4.3 Voldoende aannemelijk is dat de aanmanings- en ingebrekestellingsbrief waarnaar eisers verwijzen, volgens het overgelegde deurwaardersexploot No. 21-392, productie 6 bij verzoekschrift, is betekend aan ‘De Minister van Volksgezondheid, drs. AmarRamadin’. Dit leidt tot de vaststelling dat niet de Staat in gebreke is gesteld, maar de minister van Volksgezondheid, drs. AmarRamadin.

4.4 Vast staat voorts dat eisers op 20 oktober 2021 de Staat Suriname zoals hiervoor in de kop van dit vonnis als gedaagde partij is geduid, hebben opgeroepen bij deurwaardersexploot No. 21-454, om op donderdag 28 oktober 2021 ter zitting te verschijnen.

4.5 De wijze van duiding van de gedaagde partij in het verzoekschrift en in het exploot No. 21-454 leidt ertoe dat de specifiek genoemde minister en de persoon Amar Ramadin niet als afzonderlijke procespartijen in dit geding zijn gedaagd en om die reden geen status van procespartij kunnen hebben. Immers, het betreft in deze respectievelijk een bestuursorgaan en een natuurlijke persoon die in rechte niet door de Procureur-Generaal vertegenwoordigd worden. De duiding is onjuist. Dit klemt te meer nu eisers in randnummer 6 van hun verzoekschrift juist stellen dat zij [citaat]: zijn geconfronteerd met uitspraken gedaan door gedaagde, de Minister van Volksgezondheid, die gekwalificeerd kunnen worden als belediging, laster, smaad en aantasting van hun recht op eer en goede naam (…) Gedaagde heeft eisers in de in het 6esustenu genoemde media beledigd, gekrenkt, door hen misleiders en antivaxxers te noemen (…)” [einde citaat]. Ook in hun stellingen na randnummer 6 geven eisers er geen blijk van dat zij een ander voor ogen hebben gehad dan de minister van Volksgezondheid. Eisers verwijzen in randnummer 14 – ter onderbouwing van de ingebrekestelling van gedaagde – naar productie 6, het exploot van betekening aan de minister van Volksgezondheid.Voor zover eisers als uitgangspunt wilden hanteren dat het bestuursorgaan als procespartij mag optreden is zulks niet onjuist, zie ook Hoever-Venoaks en Damen, 2003, hoofdstuk 2. Evenwel is in de onderhavige zaak geen sprake van een bestuursorgaan dat is gedaagd als procespartij. Voorts maakt het bij repliek overgelegd oproepexploot No. 21-461 van maandag 25 oktober 2021, waarin staat dat “Amar Ramadhin” is opgeroepen om op donderdag 28 oktober 2021 op de terechtzitting te verschijnen, de duiding evenminjuist, nu eisers daaromtrent niet de daartoe vereiste proceshandelingen hebben verricht, nog voor zij ter zitting van eis concludeerden in de onderhavige zaak. Het zou in strijd met de goede procesorde zijn om zonder dat sprake is geweest van die voorafgaande proceshandelingen ter zitting, AmarRamadhin als procespartij aan te merken. Bij de gegeven omstandigheden kan de oproep aan Amar Ramadhin om ter terechtzitting te verschijnen slechts begrepen worden als een oproep aan hem als derde. Nu eisers hierover slechts hebben gesteld dat AmarRamadhin bij de eerste behandeling van de zaak ter terechtzitting aanwezig was, kan zulks hen in het licht van voorgaande overwegingen niet baten. De kantonrechter weegt in dit verband mee dat blijkens de conclusie van antwoord en het gevoerd verweer, de gemachtigden zich op het standpunt hebben gesteld dat zij zich voor de enkele gedaagde, de Staat,hebben gesteld, wat zij bij conclusie van dupliek uitdrukkelijk hebben herhaald.

4.6 Eisers zijn niet ontvankelijk voor zover zij hun vorderingen tegen de minister van Volksgezondheid en de persoon AmarRamadin gericht hebben.Suriname, de Staat Suriname, is rechtspersoon en kan in een rechtsgeding als eiser of gedaagde betrokken zijn blijkens art 95 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Rv, en wordt in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal, art 146 lid 2 Gw. Voor zover eisers tegen de Staat Suriname (het ministerie van Volksgezondheid) gevorderd hebben, worden zij in hun vordering ontvangen.

4.7 De achtergrond van het geschil is gelegen in het spanningsveld dat ontstaat tussen sociale en klassieke grondrechten, specifiek dewijze waarop inhoud wordt gegeven aan het algemeen belang in het kader van de Covid-19 pandemie. In de onderhavige zaak heeft dit geleid tot openbare reacties die eisers als kwetsend en beledigend hebben ervaren. De gewraakte uitlatingen zijn overgelegd door middel van een usb sticken quotes (respectievelijk producties 2en 5 bij verzoekschrift).

4.8 Gedaagde weerspreekt dat de uitspraken op de usb stick beledigend zijn. De uitspraken zijn informatief en bedoeld als waarschuwingin verband met de toename van besmettingen met het Corinavirus, in het algemeen belang.De kantonrechter zal volgens de regel bepaald in HR 10 maart 2017, NJ 2017, 147 de beoordeling van productie 2 beperken tot de quotes zoals weergegeven in productie 5 bij verzoekschrift en wel de citaten bij minuut 8:06 en 11:23. De toegepaste regel luidt dat de eisen van een behoorlijke rechtspleging meebrengen dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (…). De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept.

In de quote van minuut 8:06 hebben eisers onderstreept [citaat]: “Vanwege de beschikbaarheid van vaccins zouden we veel meer mensen kunnen vaccineren, als de anti vax beweging minder fel was gegaan (…) Ik wil alleen hiermee aangeven het is goed dat mensen hun mening geven het is goed dat we de petitie indienen maar de petitie zie je duidelijk dat het gericht is tegen een ministerie of een minister wat ik natuurlijk ook jammer vind (…) het is een gezondheidscrisis dus het is de minister van volksgezondheid die oplossingen moet aandragen samen met de regering ondersteund door de regering maar mijn vraag is naar de mensen toe wilt u verontrust blijven, of wilt u ook onderdeel zijn van die oplossing of wilt u het probleem groter maken?” [einde citaat] en in de quote van minuut 11:23 [citaat]: “We kunnen ook zeggen misschien is het goed dat die groep verontruste burgers een keer besluiten om apart te gaan wonen geïsoleerd van de wereld, want waarschijnlijk lijkt dat de bedoeling geweest te zijn.” [einde citaat].

Eisers hebben voor het overige geen andere concrete passages geselecteerd uit het vastgelegde materiaal op de usb stick die hebben te gelden als feitelijke onderbouwing van hun stelling dat sprake is van belediging, laster, smaad en aantasting van hun recht op eer en goede naam.

4.9 Voorts beperkt de kantonrechter de beoordeling van uitlatingen gedaan in het Covid-19 Journaal van 23 augustus 2021 tot de benadrukte delen:

[citaat]:

“Laten we goed kijken naar mensen die petities indienen.”

“Minstens één van de indieners van de petitie die leugens heeft verkondigd, misleidende informatie heeft gegeven aan de samenleving waar een jongeman zou zijn neergevallen in een supermarkt als gevolg van een covidprikje om dan daarna terug te komen, toen die grond warm (…) begon te worden, om daarna terug te komen dat het een (…) vergissing was.”

“(…) hoeveel vertrouwen moet ik dan hebben in zo iemand; dus laten we goed kijken naar de mensen die petities indienen.”

“Vandaag is de full approval van Pfizer gegeven zal er dan een argument gezocht worden door die verontruste burgers, laten we eerlijk kijken naar de zaak en laten we goed kijken naar de zaak ik wil graag weten van deze groep die zich zo zorgen maakt over de situatie wat is uw antwoord op deze petitie.”

“Met welk gevoel gaan deze verontruste burgers slapen als ze elke dag en de hele dag mensen zitten te demotiveren om te vaccineren om dan te weten dat diezelfde personen die zich niet laten vaccineren het gros van het deel vormt van welke opgenomen wordt in het ziekenhuis met een COVID infectie. Laten we goed kijken naar onze inborst en laten we goed kijken naar deze situatie.”

Ik zeg het nogmaals, ik vraag alleen aan de verontruste burgers wat is uw oplossing en met welk gevoel gaat u slapen met welke voldoening gaat u slapen als u op een dag mensen hebt gemotiveerd om niet te vaccineren en om daarna te weten dat 97% van de mensen die wordt opgenomen niet gevaccineerd waren. Is dat uw doel? Wilt u dat hebben voor de samenleving? Kunt u dat gevoel opbrengen die verantwoordelijkheid opbrengen om verantwoordelijk te zijn voor een vierde golf in Suriname.”

[einde citaat].

4.10 Gedaagde voert – kort gezegd – aan dat de minister vrij zijn mening uit in een poging de samenleving bewust te maken van de juiste keuze door zich te laten vaccineren. Daarin gaat geen intentie tot beledigen schuil. De minister is open over zijn dagelijkse ervaringen omwille van het bewustmaken van de samenleving. Daarin weegt mee dat hijzelf medicus is. De mening van de minister is dat het aanbieden van de petitie een demotiverende uitwerking heeft op mensen om zich te laten vaccineren. Hij kiest voor het stellen van de retorisch de vraagKunt u dat gevoel opbrengen die verantwoordelijkheid opbrengen om verantwoordelijk te zijn voor een vierde golf in Suriname, wanneer hij de petitie bespreekt, maar die keuze is niet beledigend. Gedaagde ziet niet in waarom verwijzing naar verkeerde informatie die verstrekt is, beledigend is.

4.11 Uit de overgelegde producties waarin uitspraken van de minister zijn aangehaald die hiervoor zijn geciteerd, blijkt niet van het gebruik van het woord ‘wappies’ om eisers te duiden, zodat zulks niet aannemelijk is gemaakt. Voorts blijkt uit de productie 4 bij verzoekschrift dat het woord ‘viruswappie’ niet staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie, zodat niet aannemelijk wordt dat de duiding van scheldwoord door kennelijk nl.wiktionary.org, juist is. Nu het woord ‘antivaxxers’ een begrip uit de actuele pandemie is, komt het de kantonrechter voor dat de connotatie daarvan nog in ontwikkeling is wat een oordeel in deze prematuur maakt.

4.12 De kantonrechter overweegt ten overvloede, dat de gewraakte uitlatingen door de minister van Volksgezondheid hooguit sarcastisch van toon zijn. Gedaagde noemt dit de politieke reactie. Hiertegenover staan verwijten van eisers, waar niet van uitgesloten mag worden dat deze associaties kunnen oproepen met gebeurtenissen in de wereld die hebben geleid tot misdrijven tegen de menselijkheid.Door deze verwijten is naar het oordeel van de kantonrechter de discussie te zwaar aangezet. Sarcasme benadert bij verre na niet verwijten in een context van discriminatie,dwang en apartheid.Het komt de kantonrechter dan ook voor dat in het algemeen belang het nodig is dat partijen binnen korte tijd met elkaar in gesprek raken en de discussie aangaan over de tegenbeweging, dat is het aanbieden van de petitie versus de verantwoordelijkheid voor en bewaking van het algemeen belang, dat is noodzakelijke behandeling in het belang van de openbare orde.

4.13 Nu de gewraakte uitlatingen alle gedaan zijn door de minister van Volksgezondheid en eisers in hun vorderingen tegen de minister niet ontvankelijk zijn, en voorts uit het voorgaande niet aannemelijk is geworden dat sprake is van belediging, laster, smaad en aantasting van recht op eer en goede naam, zullende vorderingen tegen gedaagde worden afgewezen.

4.14 Aan een beoordeling van de overige stellingen en weren van partijen wordt op grond van het voorgaande niet toegekomen, nu zulks niet tot een ander oordeel kan leiden.

4.15 Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing

De kantonrechter in kort geding

5.1 Verklaart eisers niet ontvankelijk in hun vorderingen tegen de minister van Volksgezondheid en Amar Ramadhin.

5.2 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.3 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het Eerste Kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op dinsdag 30 november 2021 te Paramaribo, in aanwezigheid van de griffier.