HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van
1. [Appellant 1], hierna te noemen “appellant 1”,
2. [Appellant 2], hierna te noemen “appellant 2”,
wonende in het district,
appellanten, hierna gezamenlijk aangeduid als “appellanten”,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,
tegen
[Geïntimeerde],
wonende in Nederland,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 30 juni 2005 (A.R.no. 204260) tussen appellanten als eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie en geïntimeerde als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellanten op 11 juli 2005 bij schrijven van hun procesgemachtigde d.d. 8 juli 2005 hoger beroep heeft ingesteld;
- de pleitnota d.d. 17 augustus 2012, met producties;
- de antwoord pleitnota tevens uitlating producties d.d. 7 december 2012;
- de repliek pleitnota d.d. 18 januari 2013, met producties;
- de dupliek pleitnota tevens uitlating producties d.d. 5 april 2013.
1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.
De ontvankelijkheid
2 Appellanten zijn vertegenwoordigd door deurwaarder Van Brussel namens hun procesgemachtigde ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak. Nu appellanten op 11 juli 2005 appèl hebben aangetekend, is dit binnen de wettelijke termijn geschied, zodat zij ontvankelijk zijn in het ingesteld hoger beroep.
De feiten
3.1 Geïntimeerde en [naam], zijn op 4 maart 1972 gehuwd in het ressort Sur/Ch, Suriname.
3.2 Bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te ’s Gravenhage d.d. 31 januari 1984, rolnummer 83/5923, is de echtscheiding uitgesproken tussen geïntimeerde en [naam].
In dit vonnis is de scheiding en deling gelast van de gemeenschap van goederen waarin geïntimeerde en [naam], waren gehuwd, nadat het betreffend echtscheidingsvonnis is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het echtscheidingsvonnis is op 5 november 1984 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te ’s Gravenhage.
3.3 Geïntimeerde heeft bij exploot van deurwaarder H.B. Blijd op 13 september 2000 maritaal beslag gelegd op de percelen.
3.4 [Naam], heeft bij een akte van 3 augustus 1999 verleden voor de kandidaat-notaris mr. Henricus Cornelius Antonius Emmen, als plaatsvervanger van de notaris ter standplaats ’s Gravenhage, mr. Douwe Thiadrik Hartman Osinga, aan appellant 1 volmacht verleend om te verkopen en ter uitvoering van een eventueel reeds gesloten koopovereenkomst in eigendom over te dragen aan zichzelf en appelant 2:
I. het perceelland, groot een hectare, vijf en negentig aren en twintig centiaren,
gelegen ten zuiden van de Rijweg naar [weg], in het [district],
aangeduid op de daarvan vervaardigde kaart van de landmeter H. Raatgever d.d.
13 augustus 1946 met de letters [letters] en deel uitmakende van het perceelland, ter
grootte van vijf hectaren, gelegen aan de linkeroever van de Saramaccarivier en
bekend onder [nummer];
II. het perceelland, groot een hectare, vijf en negentig aren en twintig centiaren,
gelegen ten zuiden van de Rijweg naar [weg], in het [district],
aangeduid op de daarvan vervaardigde kaart van de landmeter H. Raatgever op
13 augustus 1946 met de letters [letters] en deel uitmakende van het perceelland ter
grootte van vijf hectaren, gelegen aan de linkeroever van de Saramaccarivier en
bekend onder [nummer].
De beide percelen worden hierna gezamenlijk aangeduid als “de percelen”.
3.5 Appellant 1 heeft bij notariële akte d.d. 19 oktober 2000 verleden voor notaris R.G. Rodrigues, met gebruikmaking van de sub 3.4 van dit vonnis genoemde volmacht, de onverdeelde helft in de percelen aan zichzelf verkocht. Deze koopovereenkomst is overgeschreven ten hypotheekkantore op 23 oktober 2000 in register C deel 1488 onder [nummer].
De procedure in eerste aanleg
In conventie
4.1 Appellanten hebben in eerste aanleg in conventie gevorderd geïntimeerde ertoe te veroordelen om met hen over te gaan tot scheiding en deling van de percelen, met benoeming van een notaris als onzijdig persoon.
In reconventie
4.2 Geïntimeerde heeft in eerste aanleg in reconventie – zakelijk weergegeven – gevorderd:
A. nietigverklaring van de notariële koopovereenkomst
B. de doorhaling te gelasten van de koopovereenkomst en/of transportakte
C. Appellanten te veroordelen in de kosten van het geding.
Het besluit in eerste aanleg
4.3 De Kantonrechter heeft in het vonnis van 30 juni 2005 onder meer overwogen:
a. dat vaststaat dat nog geen scheiding en deling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van geïntimeerde en [naam] heeft plaatsgevonden;
b. dat gesteld noch gebleken is dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap slechts uit de percelen bestond;
c. dat een deelgenoot zijn aandeel in de gehele ontbonden gemeenschap kan verkopen en leveren, doch niet zijn aandeel in afzonderlijke goederen
d. dat [naam], beschikkingsonbevoegd was, hetgeen tot gevolg heeft dat de akte van overdracht van de percelen nietig is, zodat appellanten geen scheiding en deling als gevorderd kan verlangen.
4.4 De kantonrechter heeft de vordering in eerste aanleg in conventie afgewezen en in reconventie de doorhaling gelast van de transportakte d.d. 19 oktober 2000.
De vordering, de grieven en het verweer
5.1 Appellanten concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog toewijzen van de vordering.
5.2 Geïntimeerde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.
De beoordeling
6.1 Appellanten heeft bij pleitnota het navolgende tegen het bestreden vonnis aangevoerd:
A. de kantonrechter heeft een verkeerde conclusie getrokken ten aanzien van de overige onroerende goederen, omdat deze conclusie geen enkele ondersteuning geniet in de terzake overgelegde stukken; Geïntimeerde heeft in haar verweer niet gesteld dat er nog andere goederen zijn.
B. [Naam], heeft zijn aandeel in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap verkocht aan appellanten; [naam] is hiertoe bevoegd.
C. de kantonrechter heeft ten onrechte beslist dat het in het belang van de rechtspositie van de mededeelgenoot niet is toegestaan dat een deelgenoot in een boedel zijn aandeel in een bepaald goed verkoopt en overdraagt, tenzij andere deelgerechtigden aan deze verkoop en overdracht zouden meewerken; dit standpunt vindt nergens steun in de wet, want in de notariële praktijk komt het regelmatig voor dat de ene echtgenoot zijn aandeel in de ontbonden huwelijksgemeenschap verkoopt, mits de overdracht niet geschiedt met benadeling van het aandeel van de andere echtgenoot.
[Naam] had, aldus appellanten, geen toestemming nodig van geïntimeerde, nu hij niet het gehele onroerend goed heeft verkocht en overgedragen, maar slechts zijn onverdeeld aandeel.
D. de kantonrechter heeft ten onrechte gesteld dat de akte van overdracht van 19 oktober 2000 nietig is.
6.2 Het Hof constateert dat geïntimeerde zowel in eerste aanleg (zie 3.3 van de conclusie van antwoord in conventie en 2.3 van de conclusie van dupliek in conventie) als in hoger beroep heeft aangevoerd dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap niet slechts bestond uit de percelen. In de antwoord pleitnota is aangevoerd dat tot de ontbonden huwelijksgemeenschap ten tijde van de verkoop onder andere behoorden twee woningen in Nederland en twee voertuigen, waarvan één in Nederland en één in Suriname.
Geïntimeerde heeft verder aangevoerd dat ingevolge vaste rechtspraak in Suriname en Nederland het in strijd is met artikel 1093 lid 2 BW en de goede trouw indien een deelgenoot beschikt over zijn aandeel in een afzonderlijk/bepaald goed dat tot die ontbonden gemeenschap behoort.
De verkoop van de percelen aan appellanten is derhalve, aldus geïntimeerde nietig.
6.3 Appellanten hebben hierop bij repliek pleitnota gesteld dat zij scheiding en deling hebben gevraagd van de gehele ontbonden gemeenschap. Zij hebben verder aangevoerd dat van benadeling van geïntimeerde geen sprake is omdat de verkoop van het onverdeeld aandeel is geschiedt ten overstaan van een openbaar ambtenaar.
In de repliek pleitnota sub 4 hebben appellanten gesteld dat geïntimeerde, nu zij stelt dat er meerdere goederen tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoren, concreet dient aan te geven welke goederen het betreft.
6.4 Het Hof merkt op dat vaste jurisprudentie is dat een mede-deelgenoot niet over zijn aandeel in een afzonderlijk goed van de ontbonden gemeenschap kan beschikken, zonder daartoe de toestemming te hebben verkregen van de overige deelgenoten.
Artikel 1093 BW bepaalt namelijk dat niemand genoodzaakt is in een onverdeelde boedel te blijven, alsmede dat ieder der deelgerechtigden ten allen tijde gerechtigd is boedelscheiding te vorderen. De relatie tussen de deelgenoten wordt beheerst door de goede trouw, die eist dat deelgenoten zorgvuldig omgaan met elkaars belangen. Door het beschikken over een deel van het aandeel dat een deelgenoot toekomt, worden de overige deelgenoten geconfronteerd met meerdere onverdeeldheden, hetgeen hun positie bemoeilijkt indien zij wensen over te gaan tot scheiding en deling van de onverdeeldheid. Indien echter het gehele aandeel dat een deelgenoot toekomt wordt vervreemd, heeft dit niet tot gevolg dat er meerdere onverdeeldheden ontstaan; de ene deelgenoot wordt dan slechts vervangen door een andere deelgenoot.
6.5 Het Hof overweegt dat het, nu geïntimeerde niet slechts heeft gesteld dát de percelen niet het gehele onverdeeld aandeel van [naam] betroffen, maar tevens de overige goederen die deel uitmaken van het onverdeeld aandeel van [naam] hebben genoemd, het op de weg van appellanten had gelegen om nader te motiveren waarom zij menen dat het gehele onverdeeld aandeel van [naam] aan hen is overgedragen.
Het Hof constateert overigens dat zowel de notariële akte van 19 oktober 2000, als de daaraan ten grondslag gelegde akte van lastgeving van 3 augustus 1999 slechts melding maken van de verkoop van (het onverdeeld aandeel van [naam]) in de percelen en niet van het onverdeeld aandeel van [naam] in de ontbonden huwelijksgemeenschap.
Appellanten hebben derhalve naar dezerzijds oordeel die stellingen die zijn ten grondslag aan hun vordering hebben gelegd onvoldoende onderbouwd, hetgeen tot gevolg heeft dat de door hen ingediende vordering niet voor toewijzing vatbaar is.
Het door appellanten bestreden vonnis zal derhalve worden bevestigd.
6.6 Appellanten zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.
De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
7.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 30 juni 2005, A.R.no. 204260, waarvan beroep;
7.2 Veroordeelt appellanten in de kosten van het geding aan de zijde van geïntimeerde in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;
Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhagur-Lachitjaran, Lid, en mr. J.M. Jensen, Lid-plaatsvervanger, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 november 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan
Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellanten, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.
Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
- M.E. van Genderen-Relyveld