SRU-HvJ-2015-23

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellante],
wonende aan de [adres 1] in het [district] ,
appellante,
gemachtigde: mr. M.R. Sheombar, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende aan de [adres 2] in het [district],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 14 mei 2012 (A.R.NO. 105156) tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiser,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve aangeduid als respectievelijk “de vrouw” en “de man”;

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • De verklaring van de Griffier der Kantongerechten waaruit blijkt dat appellante op 15 mei 2012 hoger beroep heeft ingesteld;
  • De schriftelijke pleitnota de dato 07 november 2014;
  • De schriftelijke antwoord pleitnota de dato 05 december 2014;
  • De schriftelijke repliek pleitnota de dato 19 december 2014;
  • De schriftelijke dupliek pleitnota de dato 15 januari 2015;

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 20 maart 2015 doch nader op heden;

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.
De man heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat tussen partijen, gehuwd op 23 februari 1966 in het Ressort Sur/FH, de echtscheiding zal worden uitgesproken en voorts dat de vrouw wordt veroordeeld om met hem over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin zij zijn gehuwd.
1.1. De kantonrechter heeft bij vonnis van 14 mei 2012 de echtscheiding uitgesproken als verzocht, de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd bevolen, en voorts – kort – gezegd – een boedelnotaris en twee onzijdige personen benoemd.

2.1 De vrouw heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsman op 15 mei 2012 appél aangetekend tegen het vonnis van 14 mei 2012. Alhoewel uit voormeld vonnis niet blijkt of partijen in persoon danwel bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest kan op grond van het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de vaste jurisprudentie op het stuk van het voortijdig ingesteld appél er vanuit worden gegaan dat het appél tijdig is aangetekend. De vrouw is derhalve ontvankelijk in het ingesteld hoger beroep.

2.2. De vrouw heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het Hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende – ook in hoger beroep – vast tussen partijen: Partijen zijn op 23 februari 1966 in het Ressort Sur/FH, in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn er geen kinderen geboren;

2.3 Naast voormelde vaststaande feiten heeft de man – zakelijk weergegeven en voor zovér voor de beslissing van belang – aan zijn vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd:

2.3.1. dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht aangezien de vrouw aan de man te kennen heeft gegeven niet meer te willen samenwonen en heeft de vrouw dientengevolge haar intrek in de bovengedeelte van de echtelijke woning genomen terwijl partijen reeds 5 jaren niet meer samenwonen;
2.3.2. dat partijen geen contact met elkaar onderhouden en dat gelet op de gespannen situatie ook de man te kennen heeft gegeven niet meer te willen samenwonen met de vrouw;
2.3.3. dat enig zicht op verbetering van de gescheiden situatie tussen beide echtelieden volgens de man niet meer mogelijk is.

2.4. De vrouw heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – aangevoerd dat zij ontkent dat zij in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd op 23 februari 1996 zoals is gesteld in het inleidend rekest, immers uit de stukken door de man zelf overgelegd blijkt dat partijen zijn gehuwd op 23 februari 1966. Voorts ontkent de vrouw dat zij aan de man te kennen heeft gegeven dat zij niet samen wil wonen met de man. Er is dagelijks contact tussen partijen en partijen leven niet op gespannen voet met elkaar. De vrouw voert voorts aan dat zij geen ander onderdak heeft; dat als de man elders zijn intrek wil nemen dat zij recht c.q. zaak is, doch kan zij naar haar oordeel niet van de ene op de andere dag dakloos worden gemaakt.

2.5.In zijn conclusie van repliek in eerste aanleg heeft de man gesteld dat er duidelijk sprake is van een verschrijving en vraagt rectificatie van de verschrijving in dier voege dat partijen zijn gehuwd op 23 februari 1966 en het huwelijk van 23 februari 1966 wordt ontbonden. Voorts stelt de man dat volgens de bedoeling van de wetgever echtelieden een gemeenschappelijk huishouden dienen te hebben en getrouwheid en hulp jegens elkaar verschuldigd zijn hetgeen in casu niet het geval is nu de ene echtgenoot in de bovenverdieping en de andere in de benedenverdieping woont. Ook is de situatie onhoudbaar.
2.6. In haar conclusie van dupliek in eerste aanleg vraagt de vrouw geen akte van rectificatie te verlenen c.q. de gevraagde wijziging niet te verlenen daar de man een incidentele vordering had moeten indienen, de wijziging kan volgens de vrouw niet bij conclusie van repliek geschieden daar zij al haar conclusie van antwoord heeft genomen en zij wordt geschaad in haar verweer. Voor het overige ontkent de vrouw de stellingen van de man.
2.7 In hoger beroep concludeert de vrouw tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en tot opnieuw recht te doen c.q. recht te spreken;
2.8. Daartoe heeft de vrouw een tweetal grieven tegen voormeld vonnis aangevoerd. De eerste grief komt er op neer dat de gevraagde rectificatie ten aanzien van de datum van het huwelijk welke bij conclusie van repliek heeft plaatsgevonden niet toelaatbaar is, het gaat niet om een verschrijving zoals de man in eerste aanleg en de kantonrechter hebben aangegeven. De man had ter zake een incidentele vordering dienen in te stellen. Als tweede grief voert de vrouw aan dat het huwelijk niet duurzaam is ontwricht en dat partijen een tafel– en bed relatie hebben met elkaar en ook een gemeenschappelijk huishouden. Door de man is verweer gevoerd waarop voor zover nodig hierna zal worden ingegaan.
2.9. Het hof zal allereerst de eerste grief bespreken. Naar het oordeel van het hof haalt deze grief het niet in rechte en dient te worden verworpen. Door de kantonrechter is terecht geoordeeld dat blijkens overgelegde huwelijksakte het gaat om een verschrijving van het jaartal 1996 in stede van 1966. Immers is de overgelegde huwelijksakte waarin als huwelijksdatum is opgenomen 23 februari 1966 ook niet betwist noch van valsheid beticht. De stelling van de vrouw dat rectificatie van een dergelijke eenvoudige verschrijving slechts bij incidentele vordering kan, vindt geen steun. Van belang is dat de tegenpartij, in casu de vrouw, zich over de gevraagde rectificatie heeft kunnen uitlaten, hetgeen wel het geval is geweest in casu. De kantonrechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat de vrouw niet in haar verdediging is geschaad.
2.10 Ingaand op de tweede aangevoerde grief is het hof van oordeel dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Immers is alszijnde door de vrouw onweersproken c.q. erkend dat gedurende de procesgang van deze zaak in eerste aanleg partijen gescheiden van elkaar leefden. Nu bij de behandeling van de zaak in hoger beroep circa vijf jaren verder wordt door de vrouw in de pleitnota enerzijds gesteld dat het huwelijk niet duurzaam is ontwricht en dat partijen een tafel– en bed relatie alsook een gemeenschappelijk huishouden hebben. Anderzijds wordt door de vrouw in haar repliek pleitnota aangevoerd dat de man de echtelijke woning heeft verlaten om vervolgens zijn intrek te nemen bij een andere madonna. Het hof oordeelt dat de hiervoor weergegeven stellingen van de vrouw dermate tegenstrijdig zijn en dat daaraan wordt voorbijgegaan. De tweede grief wordt dan ook verworpen.
2.11 Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot slotsom dat het beroepen vonnis dient te worden bevestigd. De proceskosten in hoger beroep zullen worden gecompenseerd tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten drage en betale.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep;
Compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten drage en betale;
Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. R.M. Praag, Leden–Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 19 juni 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend–Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

 

SRU-HvJ-2020-46

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker] ,
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme, thans het Ministerie van Openbare Werken, Transport en Communicatie,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat,
spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 18 juni 2010;
  • het verweerschrift d.d. 02 december 2010;
  • de beschikking van het Hof van 07 december 2010 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 februari 2011, welk verhoor is verplaatst naar 15 juli 2011;
  • het proces-verbaal van het op 15 juli 2011 gehouden verhoor van partijen;
  • de pleitnota d.d. 21 oktober 2011, met een productie;
  • de antwoordpleitnota overgelegd op 18 november 2011, aangeduid als: conclusie tot uitlating;
  • de repliekpleitnota d.d. 03 februari 2012;
  • de dupliekpleitnota overgelegd op 16 maart 2012.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 15 juni 2012, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker] is vanaf 16 juni 1978 tot aan zijn pensionering op 28 november 2007 in vaste dienst dienst geweest bij de Luchtvaartdienst van het Ministerie van Economische Zaken, later genaamd het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme (hierna: de Luchtvaartdienst). Hij diende laatstelijk in de rang van Hoofdambtenaar B 3e klasse in de functie van Operations Inspecteur, ook wel Air Traffic Controller genoemd (bezoldigingsschaal 18).

2.2 Het hoofd van de Luchtvaartdienst heeft bij schrijven d.d. 19 april 1999, LVD/[nummer 1] , het volgende aan de directeur van Transport, Communicatie en Toerisme (hierna: de directeur) bericht:
Hierbij vraag ik Uw aandacht voor het navolgende:
In mei 1997 werd zoals u bekend de Luchtvaartinspektie opgeheven en werd de Luchtvaartautoriteit CASAS in het leven geroepen. Het personeel werd ter beschikking gesteld van CASAS, evenwel kozen de Luchtvaart Inspekteurs Operations, de heren [VERZOEKER] en [naam 1], om in dienst van de Luchtvaartdienst te blijven.
Gelet op hun back ground als verkeersvlieger en hun kennis op het gebied van vluchtuitvoering, meteorology en navigatie wordt dezerzijds voorgesteld betrokkenen in te delen bij de afdeling Luchtverkeersdiensten in functie van ATC-Operations Medewerker en hen overeenkomstig het nivo [sic] van de ATC Watch Supervisor waarderen.
Betrokkenen zullen Hoofd Luchtverkeersdiensten bijstaan bij de uitvoering van zijn taken m.b.t. o.a. het inrichten van het luchtruim, het vaststellen van vliegroutes, nadering– en landingsprocedures en de meteo-voorziening voor het luchtverkeer.
Ik verzoek U goed te keuren dat herschikking van de heren [verzoeker] en [NAAM 1] plaatsvindt en betrokkenen ingedeeld worden bij de Luchtverkeersdiensten als ATC-Operations/Meteo Medewerker met aanstelling in de rang van Hoofd Ambtenaar A 3e kl., schaal 21, te rekenen van 1 mei 1999.

2.3 De directeur heeft bij schrijven d.d. 09 augustus 2000, MAA/rb/[nummer 2], Bureau , aan het hoofd van de Luchtvaartdienst meegedeeld akkoord te gaan met de herschikking van [verzoeker] en de heer [naam 1] en dat betrokkenen zullen worden ingedeeld bij de Luchtverkeersdiensten als ATC-Operations/Meteo medewerker met aanstelling in de rang van Hoofd Ambtenaar A 3e klasse, schaal 21, te rekenen van 01 mei 1999.

2.4 Bij schrijven d.d. 21 maart 2003, LVD/[nummer 3], heeft het hoofd van de Luchtvaartdienst onder meer het volgende aan de directeur meegedeeld:

Herschikking [verzoeker]
Bij schrijven d.d. 19 april 1999 [nummer 1] werd goedkeuring gevraagd voor de Luchtvaart Inspekteurs, de heren [verzoeker] en [naam 1] een herschikking te treffen. Deze heren hadden bij de oprichting van de Luchtvaartautoriteit CASAS de voorkeur gegeven te blijven werken voor de Luchtvaartdienst.
Zij werden toen ingedeeld bij de afdeling Luchtverkeersdiensten in de functie van ATC-OperationsMeteo medewerker.
Bij schrijven d.d. 9 augustus 2000 [nummer 4] van de Direkteur van Transport, Communicatie en Toerisme werd goedkeuring gegeven aan de herschikking van de heren [verzoeker] en [naam 1] en hen aan te stellen in de rang van Hoofd Ambtenaar ‘A’ 3e klasse (schaal 21).

De formalisering vond echter geen voortgang, aangezien de heren [verzoeker] en [naam 1] op eigen verzoek per 21 februari 2001 ter beschikking van CASAS werden gesteld.
Inmiddels werd de heer [verzoeker], in gemeen overleg, met ingang van 22 april 2002 wederom ter beschikking gesteld van de Luchtvaartdienst en vertoefde met ingang van die datum voor langere periode tot en met 17 juli 2002 in Nederland.

Thans heeft hij zijn werkzaamheden bij de Luchtvaartdiensten hervat, reden om U te verzoeken de beslissing d.d. 9 augustus 2000 [nummer 4] alsnog uit te voeren en de heer [verzoeker] met ingang van 1 augustus 2002 aan te stellen als Hoofd Ambtenaar ‘A’ 3e klasse (schaal 21).
(…)

2.5 Het hoofd van de Luchtvaartdienst heeft bij schrijven d.d. 16 mei 2006, LVD/[nummer 5], gericht aan alle afdelingshoofden, chefs, sectiechefs en personeel van deze dienst, bekendgemaakt dat [verzoeker] met ingang van dezelfde datum zal worden belast met de functie van Hoofd Opleidingen en Examens.

2.6 Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname (hierna: de President) d.d. 30 mei 2008, Bureau [nummer 6], is [verzoeker] – na zijn pensionering – te rekenen van 01 januari 2005 benoemd tot Hoofdbeleidsmedewerker 2e klasse en dienovereenkomstig bevorderd tot Hoofdambtenaar B 2e klasse (bezoldigingsschaal 19).

2.7 [verzoeker] heeft bij schrijven van zijn procesgemachtigde d.d. 10 december 2009 de minister van Transport, Communicatie en Toerisme (hierna: de minister) op de in dit schrijven vermelde gronden, aangemaand om binnen 14 dagen na dagtekening van dit schrijven:

  • hem met ingang van 16 mei 2007 alsnog te bevorderen tot schaal 24 dan wel 23, althans tot de schaal behorende bij schaal 24 dan wel 23 volgens het Fiso-systeem, althans hem te bevorderen tot de rang behorende bij de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst, althans tot het in overeenstemming brengen van zijn bezoldiging met die welke verbonden is aan de definitieve vervulling sinds 16 mei 2007 van de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst;
  • aan hem te voldoen het verschil in bezoldiging tussen schaal 19 en schaal 24 dan wel tussen schaal 19 en 23 vanaf 16 mei 2006 tot en met 28 november 2007, althans aan hem te voldoen de bezoldiging verbonden aan de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst, althans aan hem te voldoen een toelage voor de waarneming in de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst in de periode 16 mei 2006 tot en met 28 november 2007;
  • met terugwerkende kracht en wel met ingang van 01 december 2007 zijn pensioengrondslag, althans zijn pensioenuitkering, te berekenen aan de hand van de bezoldiging verbonden aan schaal 24 dan wel 23, althans aan de schaal behorende bij schaal 24 dan wel 23 volgens het Fiso-systeem, althans te berekenen aan de hand van de bezoldiging verbonden aan de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst, althans aan die volgens het Fiso-systeem.

De minister heeft nimmer op dit schrijven gereageerd.

2.8 [verzoeker] heeft bij schrijven van zijn procesgemachtigde d.d. 22 februari 2010 ingevolge het bepaalde in artikel 78 lid 1 van de Personeelswet (Pw) bij de President beklag gedaan tegen het – naar zijn zeggen – afwijzend besluit van de minister. [verzoeker] heeft daarbij herhaald hetgeen waartoe hij de minister heeft aangemaand (zie 2.7) en de President verzocht het afwijzend besluit van de minister te vernietigen en conform het gevorderde te beslissen. Een beslissing van de President op het beklag is uitgebleven.

3.De vordering, de grondslag daarvanenhet verweer

3.1 [verzoeker] vordert, naar het Hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. het tenrekeste genoemde besluit van de minister nietig zal worden verklaard;
B. het tenrekeste genoemde besluit van de President nietig zal worden verklaard;
C. de Staat zal wordenveroordeeld om aan hem te voldoen een toelage voor de waarneming van de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst voor de duur van de waarneming, te rekenen van 16 mei 2006 tot 16 mei 2007, vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf de dag der indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening;
D. de Staat zal wordengelast over te gaantot het verrichten van handelingen inzake het alsnog definitief vaststellen van de stilzwijgende benoeming van [verzoeker] tot Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst, te rekenen van 16 mei 2007, onder toekenning van het aan die functie verbonden salaris (schaal 24/23) en overige emolumenten, althans onder toekenning van het salaris behorende bij schaal 24/23 en overige emolumenten, vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf de dag der indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening, e.e.a. op straffe van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft aan het te wijzen vonnis te voldoen;
E. de Staat zal wordenveroordeeld om hem te rekenen van 16 mei 2007 alsnog te bevorderen tot schaal 24 dan wel 23, alles op straffe van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag voor iedere dag dat de Staat hiermee in gebreke blijft;
F. de Staat zal wordenveroordeeld om met terugwerkendekracht en wel met ingang van 01 december 2007 zijn pensioengrondslag (lees kennelijk: bijdragegrondslag), althans zijn pensioenuitkering, te berekenen aan de hand van de bezoldiging verbonden aan de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst (schaal 23/24), althans aan de hand van de bezoldiging verbonden bij schaal 24 dan wel 23, alles op straffe van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag voor iedere dag dat de Staat hiermee in gebreke blijft.
[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] is ingevolge het bepaalde in artikel 79 Pw bevoegd om als gewezen (gepensioneerde) ambtenaar de onderhavige vordering in te stellen. In 1998 heeft de directeur aan de Raad van Ministers een voordracht gedaan om [verzoeker] te bevorderen tot Hoofdambtenaar A 3e klasse, met plaatsing in schaal 20. Het hoofd van de Luchtvaartdienst heeft bij schrijven d.d. 19 april 1999 en wederom bij schrijven d.d. 21 maart 2003 aan de directeur het voorstel gedaan om [verzoeker] aan te stellen in de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse, schaal 21. De directeur is bij schrijven d.d. 09 augustus 2000 daarmee akkoord gegaan (zie 2.2 tot en met 2.4). [verzoeker] is pas bij resolutie d.d. 30 mei 2008, na diens pensionering, op grond van de verzoeken tot bevordering van 1999, 2000 en 2001 te rekenen van 01 januari 2005 bevorderd tot Hoofdambtenaar B 2e klasse, bezoldigingsschaal 19. De luchtverkeersleiders zijn als gevolg van de door hen in 2000/2001 gevoerde acties door de toenmalige regering geplaatst in schaal 23. Hierdoor is een scheefgroei ontstaan in de bezoldiging van ambtenaren tewerkgesteld bij de Luchtvaartdienst, als gevolg waarvan [verzoeker], die als luchtvaartinspecteur de verkeersleiders heeft opgeleid en een hogere opleiding dan hen heeft genoten, lager dan hen is ingeschaald. [verzoeker] is sinds 16 mei 2006 tot aan zijn pensionering op 28 november 2007 belast geweest met de waarneming van de (vacante) functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst en heeft voor zover er wettelijke vereisten bestaan voor benoembaarheid in deze functie, daaraan voldaan. Nu die functie sinds 16 mei 2006 is opengevallen en [verzoeker] langer dan een jaar deze functie heeft waargenomen, moet hij ingevolge het bepaalde in artikel 22 lid 5 Pw geacht worden met ingang van 16 mei 2007 stilzwijgend in die functie te zijn benoemd. Het belasten van een ambtenaar met de waarneming van een hogere taak door de hoogste functionaris van een ministerie wekt verwachtingen en impliceert in elk geval dat de daarvoor vereiste formaliteiten zijn vervuld dan wel zullen worden vervuld (vgl. HvJ 03 december 2004, A-494, Kersout/de Staat Suriname; HvJ 15 augustus 1975, A-37 (lees kennelijk: Spoor/het Rijksdeel Suriname)). In ieder geval zijn bij [verzoeker] verwachtingen gewekt en de Staat kan niet stellen dat hij niet aan de vereisten voldoet. [verzoeker] maakt op grond van artikel 24 lid 4 Pw sinds 16 mei 2007 ook aanspraak op bevordering tot de rang behorende bij genoemde functie, zijnde de rang van Hoofdambtenaar A 1e klasse (schaal 23). [verzoeker] maakt op grond van artikel 22 lid 4 Pw eveneens aanspraak op een waarnemingstoelage over de periode 16 mei 2006 tot 16 mei 2007. De Staat is echter, ondanks daartoe vaker te zijn verzocht, in gebreke gebleven om aan [verzoeker] vorenbedoelde waarnemingstoelage te voldoen alsmede [verzoeker] te bevorderen en aan hem de daaraan verbonden bezoldiging te voldoen. Dit heeft tot gevolg dat de pensioengrondslag van [verzoeker] ook veel lager is. [verzoeker] ressorteerde als luchtvaartinspecteur operations hiërarchisch rechtstreeks onder het hoofd van de Luchtvaart Inspectie. Gelet op het feit dat [verzoeker] 23 jaren lang ambtenaren op het gebied van de luchtvaart heeft opgeleid, hij sinds 16 mei 2006 heeft waargenomen de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst, hij beleidsadviezen heeft gegeven en voorts gelet op voormelde scheefgroei, is het redelijk dat [verzoeker] in schaal 24 althans schaal 23 wordt geplaatst. Aan [verzoeker] is na het laatste schrijven van 21 maart 2003 ook de toezegging gedaan tot een spoedige benoeming in de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst en tot bevordering in schaal 23/24. In dezen moet aanknoping gezocht worden bij het rechtsbeginsel dat gedane toezeggingen moeten worden gehonoreerd (vgl. HvJ 03 december 2004, A-494, Kersout/de Staat Suriname). Het achterwege laten van genoemde benoeming dient als een daad van willekeur te worden beschouwd, althans als een daad in strijd met de in het rechtsbewustzijn levende normen van behoorlijk bestuur, althans in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel (vgl. HvJ 19 juli 1974, A-18, Kandhai ca. Suriname; HvJ 03 december 2004, A-494, Kersout/de Staat Suriname; HvJ (lees kennelijk: HvJ 15 augustus 1975) Spoor/het Rijksdeel Suriname, A-37; HvJ 22 juni 1990, A-226, Kaersenhout/de Staat Suriname). Op de aanmaning van 10 december 2009 (zie 2.7) is geen reactie van de minister gekomen, zodat kan worden geconcludeerd dat de minister afwijzend heeft gereageerd. Op het bij schrijven van 22 februari 2010 gedane beklag bij de President ex artikel 78 lid 1 Pw tegen de afwijzende beslissing van de minister is evenmin gereageerd, zodat gesteld kan worden dat de President op zijn beurt afwijzend heeft beslist. [verzoeker] kan zich niet verenigen met het afwijzend besluit van de minister en van de President, zodat hij gerechtigd is tot het vorderen van de nietigheid daarvan wegens strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Rechtens staat tussen partijen vast dat [verzoeker] ambtenaar is geweest in de zin van artikel 1 Pw. [verzoeker] is op grond van deze wet als gewezen ambtenaar in beginsel bevoegd vorderingen bij het Hof in te stellen. Blijkens artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijkenietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding vande schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c. tot oplegging vaneen dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:
a. betreffende salaris,verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b. tot verlaging van rang;
c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d.waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e.tot schorsing of ontslag.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 [verzoeker] vordert in 3.1 onder A, naar het Hof begrijpt, de nietigverklaring van het door hem gestelde afwijzend besluit van de minister ter zake van hetgeen waartoe de minister door hem is aangemaand bij schrijven d.d. 10 december 2009 (zie 2.7), welk afwijzend besluit de minister geacht wordt te hebben genomen nu hij nimmer op voormeld schrijven heeft gereageerd. Het Hof overweegt dienaangaande dat een fictief – dat wil zeggen een niet daadwerkelijk genomen – besluit, zoals door [verzoeker] bedoeld, niet voor nietigverklaring vatbaar is. In dit kader wordt verwezen naar het door mr. dr. M.R. Hoever-Venoaks in haar proefschrift gehuldigde standpunt, luidende als volgt: “Uit het systeem van art. 78 lid 2 en art. 80 lid 2(c) volgt dat fictieve besluiten niet voor nietigverklaring vatbaar zijn” (vide M.R. Hoever-Venoaks, Het Surinaamse ambtenarenrecht in ontwikkelingsperspectief: een onderzoek naar de rechtspositie van de ambtenaar met aanbevelingen voor een adequaat ambtenarenrecht, proefschrift, 1999, p. 294). Nu het gaat om een fictief, niet voor nietigverklaring vatbaar, besluit van de minister, zal het Hof zich op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw onbevoegd verklaren kennis te nemen van het in 3.1 onder A gevorderde.

Het Hof overweegt ten overvloede dat ook indien het Hof wel bevoegd zou zijn om kennis te nemen van voormelde vordering, [verzoeker] daarin niet-ontvankelijk zou worden verklaard en wel om de volgende reden. Artikel 3 lid 2 Pw bepaalt dat ambtenaren die zijn ingedeeld – of, indien het betreft een aanstelling of bevordering, daarbij worden ingedeeld – in een rang waaraan een vaste of minimum-bezoldiging is verbonden welke meer bedraagt dan de helft van die van de direkteur van een departement, met afwijking in zoverre van het eerste lid, uitsluitend bij resolutie van de President worden aangesteld, bevorderd, geschorst en ontslagen. De Staat heeft onweersproken aangevoerd dat de minister niet het in artikel 3 Pw bedoelde bevoegde gezag is ten aanzien van de door [verzoeker], blijkens zijn schrijven d.d. 10 december 2009, gewenste bevordering in een functie ingeschaald in bezoldigingsschaal 23 dan wel bezoldigingsschaal 24. [verzoeker] is laatstelijk bij resolutie van de President d.d. 30 mei 2008 (zie 2.6) te rekenen van 01 januari 2005 benoemd tot Hoofdbeleidsmedewerker 2e klasse en dienovereenkomstig bevorderd tot Hoofdambtenaar B 2e klasse (bezoldigingsschaal 19). Gelet op deze bevordering en op het bepaalde in artikel 3 lid 2 Pw mag het ervoor worden gehouden dat [verzoeker] vanaf 01 januari 2005, zijnde de datum van ingang van zijn bevordering, was ingedeeld in een rang waaraan een vaste of minimum-bezoldiging is verbonden welke meer bedraagt dan de helft van die van de directeur van een departement, zodat op grond van voormelde bepaling de President – en niet de minister – het bevoegde gezag is ten aanzien van de door [verzoeker] gewenste bevordering tot een hogere rang. Voormeld schrijven van [verzoeker] diende naar het oordeel van het Hof dan ook aan de President te zijn gericht en niet aan de minister. Nu het gestelde afwijzend besluit van de minister niet een besluit van het bevoegde gezag betreft, heeft [verzoeker] geen belang bij de nietigverklaring daarvan.

4.1.3 [verzoeker] vordert in 3.1 onder B, naar het Hof begrijpt, de nietigverklaring van het door hem gestelde afwijzend besluit van de President op het door hem gedane beklag (zie 2.8) bij de President tegen het afwijzend besluit van de minister zoals bedoeld in 4.1.2, welk – eerst genoemd – afwijzend besluit de President geacht wordt te hebben genomen nu hij nimmer op het beklag heeft beslist. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.

In 4.1.2 is – weliswaar ten overvloede ten aanzien van het in 3.1 onder A gevorderde – overwogen dat de President in dezen het bevoegde gezag is. Gelet hierop dient het schrijven van [verzoeker] d.d. 22 februari 2010, gericht aan de President, naar het oordeel van het Hof niet te worden beschouwd als een schriftelijk beklag zoals bedoeld in artikel 78 lid 1 Pw tegen een afwijzend besluit van de minister, maar als een verzoek aan de President om de daarin aangehaalde zaken voor [verzoeker] in orde te maken, op welk schrijven de President geacht wordt afwijzend te hebben beslist. Nu het ook hier gaat om een fictief besluit en, naar in 4.1.2 reeds is overwogen, een dergelijk besluit niet voor nietigverklaring vatbaar is, zal het Hof zich op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw eveneens onbevoegd verklaren kennis te nemen van het in 3.1 onder B gevorderde.

4.1.4 [verzoeker] vordert in 3.1 onder C, kort gezegd, veroordeling van de Staat tot betaling van een waarnemingstoelage. Een dergelijke vordering is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het Hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het Hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zodanig uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van een waarnemingstoelage vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet betalen van een waarnemingstoelage ter hoogte van de waarnemingstoelage waarop [verzoeker] meent aanspraak te maken, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het Hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

4.1.5 Naar het oordeel van het Hof kan het in 3.1 onder D tot en met F gevorderde worden aangemerkt als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een handeling in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald, in casu het nalaten om, kort gezegd: a. alsnog definitief vast te stellen de stilzwijgende benoeming van [verzoeker] tot Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst te rekenen van 16 mei 2007, onder toekenning van het aan die functie verbonden salaris (schaal 24/23) en overige emolumenten, althans onder toekenning van het salaris behorende bij schaal 24/23 en overige emolumenten, vermeerderd met 6% rente per jaar;
b. [verzoeker] te rekenen van 16 mei 2007 alsnog te bevorderen tot schaal 24 dan wel schaal 23;
c. met terugwerkende kracht enwel met ingang van 01 december 2007 de pensioengrondslag, althans de pensioenuitkering van [verzoeker] te berekenen aan de hand van de bezoldiging verbonden aan de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst (schaal 23/24), althans aan de hand van de bezoldiging verbonden bij schaal 24 dan wel schaal 23.
Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van dit deel van het gevorderde.

Ontvankelijkheid
4.2.1 De Staat heeft, naar het Hof begrijpt en zakelijk weergegeven, onder meer als verweer aangevoerd dat [verzoeker] niet diende op te komen tegen een afwijzend besluit van de minister, maar tegen het bij de resolutie d.d. 30 mei 2008 (zie 2.6) genomen besluit van de President tot benoeming van [verzoeker] tot Hoofdbeleidsmedewerker 2e klasse en de dienovereenkomstige bevordering van [verzoeker] tot Hoofdambtenaar B 2e klasse (bezoldigingsschaal 19), hetgeen [verzoeker] heeft nagelaten. [verzoeker] heeft in reactie daarop bij pleitnota gesteld dat de resolutie d.d. 30 mei 2008 betrekking heeft op voordrachten en/of de missive vóór januari 2005, zodat de bevordering niet (mede) als grondslag heeft de waarneming van de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaardienst. [verzoeker] heeft voorts gesteld dat de onderhavige vordering is gebaseerd op de stilzwijgende benoeming sinds 16 mei 2007 en op de bezoldiging waarop hij aanspraak maakt doch niet heeft ontvangen. De Staat heeft zulks niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat het Hof voorbijgaat aan het verweer van de Staat.

4.2.2 Ingevolge artikel 80 lid 2 sub c Pw zijn vorderingen als bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b en c Pw niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 Pw geacht wordt het besluit te hebben genomen. Artikel 78 lid 2 sub b Pw bepaalt dat een orgaan mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] zijn schriftelijk verzoek op 22 februari 2010 aan de President heeft doen toekomen noch dat de President nimmer daarop heeft beslist. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 78 lid 2 sub b Pw had de President de ruimte tot 22 augustus 2010 om te beslissen op het verzoek van [verzoeker]. Nu de onderhavige vordering is ingesteld op 18 juni 2010, is [verzoeker] dus prematuur met het in 3.1 onder C tot en met F gevorderde en zou hij dientengevolge in beginsel daarin niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Het Hof overweegt echter dat de President, naar vaststaat, ook gedurende dit geding niet heeft beslist op het verzoek van [verzoeker], zodat ervan wordt uitgegaan dat de President alsnog een fictief besluit heeft genomen en wel een negatief besluit. Om deze reden acht het Hof [verzoeker] wel ontvankelijk in het in 3.1 onder C tot en met F gevorderde. Het aanhangig maken van de vordering betekent immers niet dat de President niet meer op het verzoek hoefde te beslissen.

Waarnemingstoelage
4.3.1 Het Hof stelt voorop dat een landsdienaar blijkens artikel 22 lid 1 Pw door of vanwege het bevoegde gezag met de waarneming van een functie kan worden belast (a) voor de duur van afwezigheid of verhindering van degene die daarin is benoemd, (b) voor de duur van een jaar, indien de functie definitief is opengevallen en hij aan de wettelijke eisen van benoembaarheid daarin voldoet en (c) voor onbepaalde tijd, indien de functie definitief is opengevallen en hij niet aan de wettelijke eisen van benoembaarheid daarin voldoet. Deze landsdienaar geniet op grond van artikel 22 lid 4 Pw, indien hij gedurende meer dan een maand achtereen belast is geweest met de waarneming van de functie, en zijn salaris minder bedraagt dan het minimum waarop hij in geval van benoeming in die functie aanspraak zou hebben, voor de verdere duur van de waarneming een toelage overeenkomstig de daarvoor bij staatsbesluit te stellen regelen.

4.3.2 Naar het Hof begrijpt betoogt de Staat dat [verzoeker] geen aanspraak maakt op een waarnemingstoelage, omdat [verzoeker] niet heeft gesteld dat hij bij besluit van het daartoe bevoegde gezag met de waarneming van de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst was belast, één en ander conform artikel 22 lid 1 Pw. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.

4.3.3 [verzoeker] heeft in reactie op het verweer van de Staat gesteld dat, althans zo heeft het Hof dit opgevat, het hoofd van de Luchtvaartdienst bij schrijven d.d. 16 mei 2006 (zie 2.5) namens het bevoegde gezag heeft bekendgemaakt dat [verzoeker] met ingang van dezelfde datum zal worden belast met de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van deze dienst. De Staat heeft dit niet weersproken, zodat het Hof van de juistheid daarvan zal uitgaan. Tussen partijen staat vast dat de benoeming van [verzoeker] in deze functie nimmer is geformaliseerd. De Staat heeft niet weersproken dat [verzoeker] vanaf 16 mei 2006 tot aan zijn pensionering op 28 november 2007 de werkzaamheden behorende bij de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst heeft verricht, zodat dit ook rechtens vaststaat. Nu [verzoeker] de werkzaamheden behorende bij de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst heeft verricht gedurende de hiervoor vermelde periode, terwijl de benoeming van [verzoeker] in deze functie nooit is geformaliseerd, moet ervan worden uitgegaan dat [verzoeker] door het bevoegde gezag met de waarneming van deze functie is belast en dat hij deze functie gedurende voormelde periode heeft waargenomen. Het Hof heeft bij dit oordeel betrokken dat gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] op enig moment gedurende de periode van waarneming door of vanwege het bevoegde gezag is opgedragen zich te onthouden van het verrichten van de werkzaamheden verbonden aan de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst. Het verweer van de Staat ter zake dient daarom te worden verworpen.

4.3.4 Nu [verzoeker] gedurende meer dan een maand achtereen met de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst belast is geweest, komt hij op grond van artikel 22 lid 4 Pw voor de verdere duur van de waarneming in aanmerking voor een toelage, indien zijn salaris minder bedraagt dan het minimum waarop hij in geval van benoeming in die functie aanspraak zou hebben.

4.3.5 Uit de stellingen van [verzoeker] blijkt dat hij onder meer aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat aan de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst de rang van Hoofdambtenaar A 1e klasse (schaal 23) is verbonden.
De Staat heeft in dit kader, naar het Hof begrijpt, betoogd dat [verzoeker], zonder daarvoor een wettelijke grondslag aan te dragen en overigens ten onrechte, van het voorgaande uitgaat. De Staat heeft aangevoerd dat ingevolge artikel 7 Pw bij of krachtens staatsbesluit voor elk onderdeel van ’s Landsdienst wordt bepaald welke functies daarbij kunnen worden vervuld en in welke rangen de in die functies te benoemen ambtenaren kunnen of moeten worden ingedeeld. Volgens de Staat ontbreekt voor de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst het ingevolge voormeld artikel vereiste staatsbesluit.
[verzoeker] heeft zich in reactie hierop beroepen op de, als productie bij zijn pleitnota in fotokopie overgelegde, resolutie van de President d.d. 26 juli 2004, Bureau [nummer 7], ten name van [naam 2] (hierna: [naam 2]). [verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat uit voormelde resolutie blijkt dat [naam 2], het voormalig hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst, als Hoofdambtenaar A 1e klasse in schaal 23 was ingedeeld. [verzoeker] concludeert dat hiermee is bewezen dat bij de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst schaal 23 behoort.

4.3.6 De Staat betwist dat aan de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst schaal 23 is gekoppeld. De Staat heeft daarbij aangevoerd dat zulks niet blijkt uit voormelde resolutie d.d. 26 juli 2004. Naar het oordeel van het Hof lag het op de weg van de Staat om onderbouwd te stellen aan welke rang voormelde functie is verbonden en in welke schaal die rang is ingedeeld. De Staat, die geacht wordt de procespartij te zijn die bij uitstek over deze informatie beschikt, is hiermee echter in gebreke gebleven. Als onvoldoende gemotiveerd betwist is daarom rechtens tussen partijen komen vast te staan dat aan de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst is verbonden de rang van Hoofdambtenaar A 1e klasse (schaal 23). De omstandigheid dat het staatsbesluit in de zin van artikel 7 Pw ter zake van de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst, naar zeggen van de Staat, ontbreekt, kan niet aan [verzoeker] worden tegengeworpen nu niet in geschil is dat voormelde functie bestaat. Het ter zake door de Staat gevoerde verweer wordt derhalve verworpen.
Het Hof tekent aan dat in de stellingen van [verzoeker] geen aanleiding is gevonden om aan de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst schaal 24 te koppelen.

4.3.7 Het Hof concludeert dat het salaris van [verzoeker], die te rekenen van 01 januari 2005 is bevorderd tot Hoofdambtenaar B 2e klasse (schaal 19), minder bedraagt dan het minimum waarop hij in geval van benoeming in de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst (schaal 23) aanspraak zou hebben.
Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat [verzoeker] aanspraak maakt op een waarnemingstoelage. Thans rest nog de vraag op welke periode van waarneming deze aanspraak betrekking heeft. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. Vaststaat dat [verzoeker] gedurende de periode van 16 mei 2006 tot 28 november 2007 de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst heeft waargenomen. Partijen verschillen er niet van mening over dat deze functie definitief is opengevallen en dat [verzoeker] aan de eisen van benoembaarheid daarin, zo deze eisen bestaan, voldoet. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 22 lid 1 sub b Pw, wordt [verzoeker] geacht gedurende de periode van 16 mei 2006 tot 16 mei 2007 met de waarneming van voormelde functie te zijn belast geweest. Op grond van artikel 22 lid 4 Pw maakt [verzoeker] aanspraak op een toelage voor de waarneming van de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst (schaal 23) over de periode van 16 juni 2006 tot 16 mei 2007. Deze waarnemingstoelage zal als het mindere van het in 3.1 onder C gevorderde worden toegewezen.

Benoeming en bevordering
4.4.1 Artikel 22 lid 5 Pw bepaalt dat zodra een landsdienaar gedurende meer dan een jaar een definitief opengevallen functie heeft waargenomen en hij aan de wettelijke eisen van benoembaarheid daarin voldoet, hij geacht wordt stilzwijgend in die functie te zijn benoemd. Blijkens artikel 24 lid 4 Pw heeft een ambtenaar aanspraak op bevordering, indien en zodra zijn rang lager is dan die welke als minimum behoort bij de functie waarin hij uitdrukkelijk of stilzwijgend is benoemd.

4.4.2 Gelet op hetgeen hierboven ten aanzien van de gevorderde waarnemingstoelage is overwogen en gelet op artikel 22 lid 5 Pw, wordt [verzoeker], nu hij gedurende meer dan een jaar – en wel van 16 mei 2006 tot 28 november 2007 – de definitief opengevallen functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst heeft waargenomen en hij aan de eisen van benoembaarheid in die functie voldoet, geacht daarin stilzwijgend te zijn benoemd te rekenen van 16 mei 2007. Voorts maakt [verzoeker], nu aan deze functie een hogere rang is verbonden dan hij bekleedt, op grond van artikel 24 lid 4 Pw aanspraak op bevordering tot die rang te rekenen van dezelfde datum. Het definitief vaststellen van voren bedoelde benoeming alsmede de bevordering van [verzoeker] tot Hoofdambtenaar A 1e klasse (schaal 23) zijn ten onrechte achterwege gebleven, zodat het in 3.1 onder D en E gevorderde zal worden toegewezen als in het dictum te melden. Het Hof tekent daarbij ten aanzien van het in 3.1 onder D overig gevorderde aan dat [verzoeker] te rekenen van 16 mei 2007 tot 28 november 2007 slechts aanspraak maakt op het verschil tussen het salaris verbonden aan de rang van Hoofdambtenaar A 1e klasse (schaal 23) en overige emolumenten en het salaris verbonden aan de rang van Hoofdambtenaar B 2e klasse (schaal 19).

Pensioengrondslag (bijdragegrondslag)
4.5 Het Hof heeft reeds overwogen dat [verzoeker] geacht wordt te rekenen van 16 mei 2007 stilzwijgend te zijn benoemd in de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst en dat hij dientengevolge te rekenen van dezelfde datum aanspraak maakt op bevordering tot de rang van Hoofdambtenaar A 1e klasse (schaal 23). De bijdragegrondslag dient derhalve te worden berekend aan de hand van de bezoldiging verbonden aan voormelde rang. Vorenbedoelde berekening van de bijdragegrondslag is uitgebleven. Uit de resolutie d.d. 30 mei 2008 blijkt dat [verzoeker] op 28 november 1947 is geboren. Ingevolge het bepaalde in artikel 71 lid 2 Pw wordt ontslag wegens het bereiken van de leeftijdsgrens verleend met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin deze grens is bereikt. Gelet hierop gaat het Hof ervan uit dat [verzoeker] wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd met ingang van 01 december 2007 eervol ontslag uit Staatsdienst is verleend. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het in 3.1 onder F gevorderde zal worden toegewezen, zoals in het dictum te melden.

4.6 Het Hof acht termen aanwezig de gevorderde dwangsom te maximeren als in het dictum te melden.

4.7 De gevorderde veroordeling in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.8 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing
Het Hof:
5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder A en B gevorderde.

5.2 Veroordeelt de Staat om bij wege van schadevergoeding aan [verzoeker] te voldoen de maandelijkse toelage voor de waarneming van de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst (schaal 23) gedurende de periode van 16 juni 2006 tot 16 mei 2007, vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf 18 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.3 Gelast de Staat om binnen zes maanden na betekening van dit vonnis over te gaan tot het verrichten van handelingen inzake het alsnog definitief vaststellen van de stilzwijgende benoeming van [verzoeker] in de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst en tot de bevordering van [verzoeker] tot de rang van Hoofdambtenaar A 1e klasse (schaal 23), zulks te rekenen van 16 mei 2007.

5.4 Veroordeelt de Staat om binnen zes maanden na betekening van dit vonnis aan [verzoeker] te voldoen het verschil tussen het salaris verbonden aan de rang van Hoofdambtenaar A 1e klasse (schaal 23) en overige emolumenten en het salaris verbonden aan de rang van Hoofdambtenaar B 2e klasse (schaal 19), zulks te rekenen van 16 mei 2007 tot 28 november 2007, vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf 18 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.5 Veroordeelt de Staat om binnen zes maanden na betekening van dit vonnis, met terugwerkende kracht en wel met ingang van 01 december 2007 de bijdragegrondslag van [verzoeker] te berekenen aan de hand van de bij de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst behorende rang van Hoofdambtenaar A 1e klasse (schaal 23).

5.6 Veroordeelt de Staat om aan [verzoeker] te betalen een dwangsom van SRD 1.000,- (eenduizend Surinaamse dollar) per dag, voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft aan het in 5.3 en 5.5 bepaalde te voldoen, met dien verstande dat boven de som van SRD 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar) geen dwangsom meer wordt verbeurd.

5.7 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S.Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 17 januari 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend–griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. N.A.S. Ramnarain namens de gemachtigden van partijen, advocaten mr. M.G.A. Vos en mr. van der San.

 

 

SRU-HvJ-2015-22

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende aan de [adres] te [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, casu quo de Minister van Justitie en Politie,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder,
gemachtigde: mr. R. Autar, Substituut Officier van Justitie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat;

1.Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • Het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 15 mei 2014;
  • Het proces-verbaal van het op 21 november 2014 gehouden verhoor van partijen;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 06 maart 2015 doch nader op heden;

2. De feiten

2.1 [verzoeker] is bij beschikking, Bureau [nummer 1] en K.A. [nummer 2] (hierna: de beschikking) een tuchtstraf van ontslag opgelegd, ingevolge artikel 40 lid 1 onder J van het Politiehandvest;

2.2 De ontslagbeschikking de dato 28 april 2014 is in persoon uitgereikt aan [verzoeker];

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. Nietigverklaring van de beschikking en dat [verzoeker] gerehabiliteerd wordt in de rang waarin hij diende met toekenning van de schadeloosstelling als bedoeld in artikel 49 Politiehandvest;

B.[verzoeker] in de gelegenheid zal worden gesteld de bedongen arbeid als vòòr de gewraakte beschikking op de normale wijze te vervullen zonder enige hinder zijdens de Staat;

C. Dat de Staat het vonnis uitvoert binnen een week na betekening of een door het Hof te stellen termijn, onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 10.000,= althans een door het Hof in goede justitie vast te stellen dwangsom, voor elke dag waarop de Staat in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vonnis;

3.2 [verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] werd verdacht van primair: voorbereiding, secundair poging tot mensensmokkel. In de gewraakte beschikking is aangegeven dat er sprake is van vermoedens zijdens [verzoeker] voor zijn betrokkenheid en dat de bewijzen in deze zaak zo mager en tegenstrijdig waren dat [verzoeker] door het Openbaar Ministerie in vrijheid werd gesteld en de zaak aan de kantonrechter werd voorgelegd. Inmiddels is [verzoeker] vrijgesproken door de kantonrechter en het Openbaar Ministerie heeft geen hoger beroep aangetekend tegen voormelde beslissing. De opgelegde tuchtstraf van ontslag is in strijd met de onschuldpresumptie, genoemd in artikel 8 lid 2 van het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: AVRM). Ten tijde van het in ontvangst nemen van de beschikking was [verzoeker] nog niet veroordeeld, zijn schuld was dus nog niet bewezen en dat betekent dat hij voor onschuldig dient te worden gehouden totdat de strafrechter anders heeft beslist. Derhalve kon er geen sprake zijn van ernstig plichtsverzuim ten tijde van het uitreiken van vorenvermelde beschikking. Dat een eventuele tuchtstraf onlosmakelijk verbonden is met de strafzaak en dat de overheid niet alvast een voorschot kan nemen op een door de strafrechter te nemen beslissing. De Staat maakt zich eveneens schuldig aan schending van het algemene beginsel van goed bestuur en het verbod op willekeur daar andere korpsleden, zelfs diegenen die strafrechtelijk veroordeeld zijn, hun werkzaamheden gewoon konden hervatten.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Het Hof komt – voor zover nodig – daarop terug in de beoordeling.

4. De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1 Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoeker] niet binnen de gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking zodat hij ontvankelijk is in de onderhavige vordering.

4.2 De Staat heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verweer gevoerd. Dat de opgelegde tuchtstraf niet afhankelijk is van de uitkomst van de strafzaak. Naar het oordeel van het Hof is het standpunt van de Staat in deze correct. Er is geen enkele wetsbepaling die voorschrijft dat, indien tegelijk met een disciplinair onderzoek tegen een ambtenaar van politie, een strafrechtelijk onderzoek gaande is, de uiteindelijke afloop van de strafzaak dient te worden afgewacht alvorens een tuchtstraf kan worden opgelegd. Het daartoe strekkend verweer van de Staat is derhalve gegrond en is de daartoe strekkende grondslag van de vordering van verzoeker niet in rechte komen vast te staan;

4.3 Voorts heeft [verzoeker] aangevoerd dat in de gewraakte beschikking is aangegeven dat er sprake is van vermoedens ten aanzien van de betrokkenheid van verzoeker. Naar het oordeel van het Hof is de daartoe strekkende grondslag van verzoeker’s vordering wel in rechte komen vast te staan. Immers is de ontslaggrond hetwelk ernstig plichtsverzuim zou constitueren, in overwegende mate rechtstreeks afhankelijk van de uitkomst van de strafzaak. Door uitgaande van vermoedens het ernstig plichtsverzuim aan te nemen aan de zijde van [verzoeker] en dan meteen de hoogste tuchtstraf op te leggen heeft de Staat , naar het oordeel van het Hof, een disproportionele tuchtstraf opgelegd. Naar het oordeel van het Hof staat de opgelegde tuchtstraf niet in een redelijke verhouding tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan. Het voorgaande klemt te meer nu [verzoeker] door de kantonrechter is vrijgesproken en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

4.4 Immers is in de beschikking als dragende overweging opgenomen (begin citaat) “ dat onderinspecteur [verzoeker] heeft gehandeld in strijd met artikel 4 lid 2 van het Politie Handvest, de artikelen 3 en 10 van de Instructies voor de ambtenaren van politie en de punten 1, 2 en 3 Gedragscode voor de ambtenaren van politie en de Personeelswet; namelijk taakuitoefening in overeenstemming met de geldende rechtsregelen; het verbod om giften en/of beloften aan te nemen teneinde in de dienstbetrekking iets te doen of na te laten; toezicht houden op de naleving van wettelijke regelingen; zich te allen tijde en onder alle omstandigheden zodanig te gedragen dat aan de waardigheid van zijn ambt geen afbreuk worden gedaan en het aanzien van de politie niet wordt geschaad; altijd eerlijk en oprecht zijn, zich houden aan de instructies voor ambtenaren van politie en alle andere ter zake dienende wettelijke regelingen; betrouwbaar zijn, de waarheid te spreken en de waarheidsvinding te bevorderen; zich als een voorbeeldfiguur gedragen, alsook zich niet schuldig maken aan strafbare feiten en overtredingen” (einde citaat). Naar het oordeel van het Hof is de inhoud van al het voorgaande op de helling komen te staan met de – inmiddels onherroepelijke – beslissing van de strafrechter.

4.5 Gelet op al het voorgaande zal het Hof het gevorderde toewijzen als hierna te melden. De mede gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal worden afgewezen nu het Hof rechtdoende in Ambtenarenzaken in eerste en hoogste instantie beslist. Het gevorderde onder sub B en C van het petitum van het verzoekschrift kunnen niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 van de Personeelswet en zullen derhalve worden afgewezen. De onder sub A van het petitum gevorderde rehabilitatie met toekenning van de schadeloosstelling kan evenmin gecategoriseerd worden onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 van de Personeelswet en zal derhalve eveneens worden afgewezen. Het overig gevorderde onder sub A van het petitum zal worden toegewezen in voege als na te melden.

4.6 De Staat zal, als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van [verzoeker] gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van het vonnis.

5. De beslissing

Het hof:
5.1 Verklaart nietig de beschikking bekend onder Bureau No. [nummer 1] en K.A. [nummer 2] van het Ministerie van Justitie en Politie welke aan [verzoeker] in persoon is uitgereikt en waarbij [verzoeker] is ontslagen.

5.2 Veroordeelt de Staat in de kosten van het geding aan de zijde van [verzoeker] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.60,– ( Zestig Surinaamse Dollars).

5.3 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en mr. G.L. de Miranda,Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 mei 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend–Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. S.G.R. Khoen Khoen namens mr. R.R. Lobo, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. M. Danning namens mr. R.Autar, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-K1-1997-6

Betalend
AR.no. 963999
7 januari 1997
MGT

[eiser],
wondende te [district]
ten deze vertegenwoordigd door [naam],
wonende te [district] aan de [adres],
voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
eiser om kort geding,

tegen

COOPERATIEVE REPUBLIEK GUYANA, rechtspersoon,
ten deze vertegenwoordigd wordende door [gedaagde],
gevestigd en kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 82,
voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.B.A.Halfhide, advokaat,
gedaagde in kort geding,

De kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort geding uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gezien partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
A. Gedaagde zal worden veroordeeld tegen behoorlijk bewijs van kwijting tot betaling van een bedrag van US $ 7500,= (ZEVENDUIZEND EN VIJFHONDERD U.S. DOLLARS) vermeerderd met de wettelijk rente ad 6% ‘s jaars vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

Subsidiair:
B. De gedaagde zal worden gelast om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de eiser te betalen het bedrag van US $ 7000,= (ZEVENDUIZEND U.S. DOLLARS) en wel als voorschot, in afwachting van de resultaten van de in te stellen vordering bij de gewone rechter;
Kosten rechtens.

Overwegende, dat te dienende dage partijen, vertegenwoordige door hun respektieve gemachtigden, advokaten, Mr.F.F.P.Truideman en Mr.B.A.Halfhide, ter terechtzitting zijnverschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiser wijziging van het petitum heeft gevraagd te aanzien van het primair gevorderde luidende “van US 7500 naar US 3000” en ten aanzien van het subsidiair gevorderde luidende “voorschot van US $ 2500, dus resteert haar over november en december 1996”, waarna de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd.

Overwegende, dat ten dage voor uitbetaling zijdens gedaagde bepaald, de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigdenvan partijen mondelinge pleidooien hebben gehouden, waarvan is opgemaakt een procesverbaal, welk hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij aanvankelijk vonnis hadden bepaald op 23 januari 1997 doch bij vervoeging op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT
Overwegende, dat wij eisers verzoek op wijziging staat blijkens de aan haar verweer te grondslag gelegdestellingen uitdrukkelijk beroepen heeft op haar immuniteit tegen het uitoefenen van rechtsmacht over haar door de Surinaamse rechter, zijnde zij een onafhankelijke en soevereine staat en als zodanig volkenrechtelijk de gelijke van Suriname, op grond waarvan de Staat Suriname of zijn rechterlijke organen geen rechtsmacht ten uitoefenen over gedaagde, zullen eiser zich dan ook hebben te wenden tot de rechterlijke organen van gedaagde, indien hij pretendeert enige rechtsaanpraak op gedaagde te hebben, ijnde haar immuniteit tegen rechtsmacht van andere staten immers absoluut, in verband waarmede gedaagde verwezen heeft naar : Ian Brownleer: Principle of Public International Law, 4e druk, 1890.

Overwegende dag de eiser tegen voormeld verweer voor zover ten deze van belang, heeft aangevoerd, dat gedaagde aan het privaatrechtelijk verkeer deeneemt en dat zij zich op grond hiervan niet op haar immuniteit kan beroepen. Zijnde in casu van toepassing het recht van de Republiek Suriname;

Overwegende, dat partijen over en weer bij hun respektievelijke standpunden hebben volhard;

Overwegende, dat nu gedaagde als vreemde staat zich op haar immuniteit beroept, wij gebonden zijn aan de bepaling van artikel 15 A B, dat op zijn beurt voor de grenzen aan de rechtsmacht van ons verwijst naar het volkenrecht;

Overwegende, dat Wij er evenwel van uitaagn, dat de Surinaamse rechter zich bevoegd mag achter als de vreemde staat zich aan zijn rechtermacht onderwerpt, dan, wel de privaatpersoon aan het maatschappelijk verkeer deelgenomen heeft, zoals door het aangaan van een privaatrechtelijke overeenkomst;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken vaststaat, dat tussen gedaagde en de eiser op 1 februari 1995 bij geschrift is gesloten voor de duur van 3 jaren, ingaande 1 februari 1995 een overeenkomst van huur en verhuur betreffende het perceelland met daaropstaande gebouwen, gelegen te [district] aan [adres] tegen de prijs van US $ 1500.= per maand;

Overwegende, dat gedaagde door met de eiser voormelde huurovereenkomst te sluiten, als privaatpersoon aan het maatschappelijk verkeer heeft deelgenomen op grond waarvan Wij ons bevoegd mogen achten en aan gedaagde ‘mitsdien geen immuniteit kunnen toekennen;

Overwegende, dat gedaagde voorts als subsidiair verweer heeft aangevoerd, dat een enkel belang zijdens eiser is gesteld of gebleken om een onverwijlde voorziening bij voorraad zoals gevorderd te rechtvaardigen, zijnde het enkelefeit, dat volgens eiser gedaagde ernstig gewanpresteerd zou hebben, op zichzelf geen reden tot een voorziening bij voorraad, aangezien dat op zichzelf geen orde maatregel vereist;

Overwegende, dat Wij voormeld verweer besprekend, opmerken, dat haar als onweerspreken tussen partijen rechtens vaststaat: gedaagde, geheel in strijd met het eertijds tussen partijen overeengekomene, die huurovereenkomst heeft beëindigd en dat gedaagde, naar de eiser haar, naar ons voorlopig oordeel , terecht verwijt wanprestatie heeft gepleegde alsgevolgd waarvan hij –eiser- schade heeft geleden onder meer bestaande uit inkomstenderving;

Overwegende, dat de eiser op grind van voormelde schadetoebrengende handeling terecht van gedaagde schadevergoeding vordert tot de voldoening waarvan Wij gedaagde zullen veroordelen bu de gewone rechter een daartoe strekkende vordering naar aan zekerheidgrenzende waarschijnlijkheidook zou toewijzen;

Overwegende, dat Wij ook het subsidiair gevoerd verweer van gedaagde als ongegrond verwerpen;

Overwegende, dat Wij gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proceszullen laten dargen;

RECHTDOENDE IN KORT GEDING
Verlenen eiser akte van wijziging van zijn primaire vordering als verzocht;

Veroordelenn gedaagde aan de eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijitng te betalen het bedrag van US $ 3000,= verwoordend met de wettelijke interessen hierover ad 6 % per jaar vanaf 6 november 1996 tot aan die der algehele voldoening;

Verwijzen gedaagde in de kosten van dit proces, aan eisers zijde gevallen en tot aan deze uitspraakbegroot op f.3551,= (DRIEDUIZEND VIJFHNDERD EEN EN VIJFTIG GULDEN);

Aldus gewezen en bij vervoeging uitgesproken ter Openbare Terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste kanton te Paramaribovan donderdag, 9 januari 1997 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr.J.R.Von Niessewand, in tegenwoordigeheid van de Fungerend-griffier, Mr.L.Van Bosse.

In kort geding
Partijen zijn noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak te terechtzitting verschenen.

SRU-RC-2019-10

RECHTER-COMMISSARIS BELAST MET DE BEHANDELING VAN STRAFZAKEN BIJ DE KANTONGERECHTEN

Beschikking ex artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering(SB 2008 no.21)

Gezien het verzoek tot invrijheidstelling van de verzoeker/verdachte [verzoeker/verdachte] ingediend door haar raadsman mr. R. Malahe op 04 januari 2019;

Gelezen de stukken, waaronder het bevel tot inverzekeringstelling, waaruit blijkt dat de verzoeker/ verdachte op 19 december 2018 in verzekering is gesteld terzake overtreding van de artikelen 370; 381 en 414 van het wetboek van Strafrecht evenals het bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling d.d. 26 december 2018;

Gehoord de verzoeker/verdachte, die heeft verklaard gelijk gerelateerd staat in de daartoe opgemaakte verklaring, waarvan een afschrift aangehecht is aan deze beschikking;

Gehoord de raadsman van verdachte, mr. R. Malahe;

Gehoord de vervolgingsambtenaar, mr. M. van Dijk;

  1. Ontvankelijkheid van verzoeker/verdachte:
    De vervolgingsambtenaar heeft aangevoerd dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu in de periode van verlenging van de inverzekeringstelling door een verdachte geen beroep kan worden gedaan op het bepaalde in artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering ( Sv).

    Beoordeling
    Naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie ( HvJ 29 september 2009 inz [naam] en HvJ 4 december 2009 inz. [naam 2]) moet de mogelijkheid voor de verdachte openstaan om in de periode van de verlenging van de inverzekeringstelling gebruik te maken van het bepaalde in artikel 54a Sv. Immers, kan het nimmer de bedoeling zijn geweest om rechten of waarborgen van de verdachte, te beperken tot slechts de eerste fase van de inverzekeringstelling.Het verweer wordt om die redenen ongegrond verklaard en verdachte/ verzoeker is derhalve ontvankelijk in het verzoek tot invrijheidstelling.

  2. De verlenging van de inverzekeringstelling
    De verzoeker/ verdachte is op 19 december 2018 omstreeks 09:30 uur aangehouden op verdenking van diefstal; verduistering en vernieling. De verdachte is op 19 december 2018 omstreeks 11:30 uur in verzekering gesteld. Op 19 december 2018 is getracht een aanvang te maken met het (nader) verhoor van de verdachte, maar deze gaf – anders dan daarvoor op 5 november 2018 – te kennen geen verklaring te willen afleggen.

Op 24 december 2018 is de verdachte ingevolge artikel 54a Sv voor de rechter-commissaris geleid, die de inverzekeringstelling rechtmatig oordeelde. Diezelfde dag is de inverzekeringstelling in opdracht van de officier van justitie verlengd per ingaande 26 december 2018. Op 7 januari 2019 is de verzoeker/ verdachte opnieuw geleid voor de rechter-commissaris, dit maal om te worden gehoord op het verzoek tot invrijheidstelling. Op dat moment was de verzoeker/ verdachte (vanaf 19 december 2018) nog niet opnieuw gehoord door de politie.

Overwegende, dat:

  • in het onderhavige (in ieder geval) vanaf de verlenging van de inverzekeringstelling van de verdachte op 26 december 2018 geen onderzoekshandelingen meer zijn verricht;
  • de vervolgingsambtenaar tegenover de Rechter-Commissaris heeft opgemerkt dat sedert de laatste onderzoekshandelingen van 19 december 2018 geen verdere onderzoeken zijn gepleegd omdat ervan is uitgegaan dat verdachte persisteerde bij haar (eerdere) weigerachtige houding en dus geen medewerking zou verlenen aan het de voortzetting van het onderzoek;

Overwegende voorts dat:

  • ingevolge artikel 50 lid 1 Sv de inverzekeringstelling bij dringende noodzakelijkheid door de vervolgingsambtenaar kan worden verlengd;
  • die beslissing tot verlenging van de inverzekeringstelling impliceert een afweging van alle in aanmerking komende belangen;
  • gelet op de omstandigheid dat uit eerder aangehaalde opmerking van de vervolgingsambtenaar geen aanknopingspunt kan worden gevonden om te oordelen dat thans voor de verlenging van de inverzekeringstelling een dringende noodzaak als bedoeld in artikel 50 lid 1 Sv aanwezig is;

Reden waarom, naar het oordeel van de Rechter-Commissaris, in het onderhavige sprake is van onrechtmatige toepassing van het vrijheidsbenemend dwangmiddel waardoor het verzoek tot invrijheidstelling zal worden toegewezen.

BESCHIKKENDE:
Verklaart de verlenging van de inverzekeringstelling onrechtmatig en beveelt haar onmiddellijke invrijheidstelling;
Wijst toe het verzoek tot invrijheidstelling van de verzoeker/ verdachte [verzoeker/verdachte].

Aldus gegeven te Paramaribo op 10 januari 2019 door mr. D.G.W. KARAMAT ALI, Rechter-Commissaris, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. CHANDER- ROEPA .

De Fgd. Griffier, De Rechter-Commissaris,

mr. J. CHANDER- ROEPA mr. D.G.W. KARAMAT ALI

SRU-RC-2019-9

Rechter-commissaris belast met de behandeling van Strafzaken bij de Kantongerechten

Verzoek tot invrijheidstelling ex artikel 54a Sv

De Rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten;
Gezien het verzoek tot invrijheidstelling van de verdachte: [verdachte];
Gezien de stukken, waaronder een bevel tot inverzekeringstelling d.d. 24 juli 2019 en de verlenging daarvan d.d. 29 juli 2019;
Gehoord de verdachte en zijn raadsman I.D. Kanhai, B.Sc.;
Gehoord de vervolgingsambtenaar mr. N.Maikoe;
Overwegende, dat uit de overgelegde stukken vooralsnog de navolgende feiten en omstandigheden zijn voortgekomen:
Op woensdag 24 juli 2019 tegen 18.10 uur reed het slachtoffer kort voor de aanrijding over [straat] komende vanuit de [straat 2] en gaande in die van de [straat 3] terwijl de verdachte over de [straat 3] reed komende vanuit de [straat 4] en gaande in die van de [straat 5].
Gekomen op de kruising gevormd door de [straat] en de [straat 3], alwaar het verkeer over de [straat] voorrang geniet boven het verkeer over de [straat 3], verzuimde de verdachte voorrang te verlenen aan het verkeer op de [straat], in deze het slachtoffer met als gevolg de aanrijding tussen de door verdachte bestuurde auto en de door het slachtoffer bestuurde bromfiets.
Het slachtoffer is op vrijdag 26 juli 2019 als gevolg van de opgelopen verwondingen in het [ziekenhuis] komen te overlijden.
Verdachte, die de [land] nationaliteit bezit, is ook in het bezit van een verblijfsvergunning om in [land 2] te verblijven voor de periode van 15 maart 2018 tot 15 maart 2020. Uit een stempel in het paspoort van verdachte blijkt dat zij op 17 juli 2019 in [land 2] vanuit het buitenland is binnengekomen. Verdachte is in het bezit van een geldig [land] nationaal rijbewijs. Verdachte is niet in het bezit van een [land 2] paspoort, een rijtoestemmingsbewijs als bedoeld in artikel 37i lid 1 van het Rijbesluit 1957 (zoals gewijzigd bij het Staatsbesluit van 24 februari 2009 SB. 2009 no. 23) noch een internationaal rijbewijs.

Overwegende, dat de cruciale vraag aan de orde is of verdachte aangemerkt kan worden als een persoon die niet in het bezit was van een geldig rijbewijs ten tijde van de aanrijding, één en ander als bedoeld in artikel 7 van de Rijwet 1971;

Overwegende, dat als uitvloeisel van het bepaalde in artikel 7 lid 5 van de Rijwet 1971 het Staatsbesluit van 24 februari 2009 (SB. 2009 no. 23) is uitgevaardigd tot wijziging van het Rijbesluit 1957 waarin in artikel 37i lid 1 is verwoord, zakelijk weergegeven, dat het degene die in het bezit is van een geldig buitenlands nationaal rijbewijs als bedoeld in artikel 7 lid 5 van de Rijwet 1971 toegestaan is om daarmee in Suriname een motorrijtuig over de weg te besturen indien:
a. het buitenlands nationaal rijbewijs is afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit in het buitenland;
b. de bestuurder in het bezit is van een vanwege de Procureur Generaal door het Hoofd van de Afdeling Verkeer van het Korps Politie Suriname afgegeven bewijs houdende toestemming (rijtoestemmingsbewijs) om in Suriname met een buitenlands nationaal rijbewijs een motorrijtuig over een weg te besturen;

Overwegende, dat in lid 7 van genoemd artikel 37i lid 1 is bepaald dat “het bepaalde in lid 1 onder b van dit artikel niet van toepassing is op door de Minister aangewezen categorieën van personen”; dat hieruit volgt dat bepaalde categorieën van personen door de minister kunnen worden aangewezen, aan wie, zonder in het bezit te zijn van het rijtoestemmingsbewijs, is toegestaan een motorrijtuig op de weg in [land 2] te besturen;

Overwegende, dat bij beschikking van de minister van Justitie van 2 juli 2009 [nummer] , houdende aanwijzing categorieën van personen ter uitvoering van artikel 37i lid 7 van het Rijbesluit 1957 (S.B. 2009 no.94) als de bedoelde categorieën van personen is aangewezen personen die voor vakantie of zakelijke doeleinden in Suriname verblijven voor een periode van niet langer dan 14 dagen;

Overwegende, dat thans de vraag dient te worden beantwoord of verdachte, die, na aankomst uit het buitenland, 7 dagen in [land 2] verbleef voor zakelijke doeleinden (zij zou haar voertuig verkopen en terugreizen naar [land 3] volgens haar verklaring) en die wel in het bezit is van een geldig nationaal rijbewijs afgegeven door de bevoegde autoriteiten van [land], het land waarvan zij de nationaliteit bezit, aangemerkt kan worden als een persoon niet in het bezit zijnde van een geldig rijbewijs omdat ze een verblijfsvergunning van [land 2] bezit; dat met andere woorden de vraag dient te worden of het hebben van een verblijfsvergunning voor verdachte in haar situatie een beletsel oplevert om te behoren tot de categorie van personen die voor een periode van maximaal 14 dagen zonder rijtoestemmingsbewijs een motorvoertuig mogen besturen op de weg;

Overwegende, dat, naar oordeel van de rechter-commissaris, voornoemde vraag negatief dient te worden beantwoord daar deze beperking nergens in de wettelijke regelingen is neergelegd;

Overwegende, dat, derhalve de thans geldende wettelijke regelingen in die zin dienen te worden begrepen, dat het elke vreemdeling, die in het bezit is van een geldig nationaal rijbewijs van het land waarvan hij/zij de nationaliteit heeft en die in [land 2] voor vakantie of zakelijke doeleinden verblijft, gedurende maximaal 14 dagen na binnenkomst in [land 2], is toegestaan een motorrijtuig (van de categorie waarvoor het rijbewijs is afgegeven) in [land 2] te besturen op de weg, ongeacht of die vreemdeling al dan niet ook een verblijfsvergunning van de [land 2] autoriteiten bezit;

Overwegende, dat het voren overwogene tot de conclusie leidt dat verdachte in casu niet aangemerkt kan worden als zijnde niet in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs ten tijde van de aanrijding; dat dientengevolge er onvoldoende feiten en omstandigheden aanwezig zijn die leiden tot een redelijk vermoeden van schuld dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het haar verweten strafbaar feit verwoord in artikel 20 lid 3 van de Rijwet;

Overwegende, dat het vorenoverwogene tot de conclusie leidt dat de inverzekeringstelling en de verlenging daarvan als onrechtmatig kunnen worden gekwalificeerd weshalve het verzoek dient te worden toegewezen;

Beschikkende:

Wijst het verzoek tot invrijheidstelling van de verdachte [verdachte] toe en beveelt diens onmiddellijke invrijheidstelling.

Aldus gegeven te Paramaribo op 6 augustus 2019 door mr. D.D. Sewratan, rechter-commissaris, in tegenwoordigheid van de griffier mevr. Mr. E. Ommen-Dors.

De griffier, De rechter-commissaris,

mevr. Mr. E. Ommen-Dors mr. D.D. Sewratan

SRU-HvJ-2015-21

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellante],
wonende te [district],
appellante,
gemachtigde: mr. H.P. Boldewijn, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. I.A. Soechitram, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 17 februari 2010 (A.R. no. 09-2697) tussen enerzijds appellante als
gedaagde (hierna: [appellante]) en anderzijds geïntimeerde als eiser (hierna: [geïntimeerde]),
spreekt de fungerend-president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1.Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier d.d. 02 maart 2010 waaruit blijkt dat [appellante] op 02 maart 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota van de zijde van [appellante] d.d. 21 november 2014;
  • de antwoordpleitnota van de zijde van [geïntimeerde] d.d. 05 december 2014;
  • de repliekpleitnota van de zijde van [appellante] d.d. 16 januari 2015;
  • de dupliekpleitnota van de zijde van [geïntimeerde] d.d. 20 maart 2015.

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1.Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellante] en [geïntimeerde] zijn op 28 juli 2006 met elkaar in het huwelijk getreden, welk huwelijk is ingeschreven in het huwelijksregister van de Burgerlijke Stand onder no. 199 akte 100 te Paramaribo. De kantonrechter in het eerste kanton heeft bij vonnis uitgesproken op 17 februari 2010 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. [appellante] heeft tegen voornoemd vonnis beroep aangetekend.
2.2. Het hof dient allereerst na te gaan of het beroep tijdig door [appellante] is ingesteld. Uit de verklaring van de griffier der kantongerechten d.d. 02 maart 2010 blijkt dat [appellante] op 02 maart 2010 hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van 17 februari 2010. Het hof overweegt dat [appellante] haar beroep binnen de wettelijke beroepstermijn van 30 dagen heeft ingesteld en wordt zij in haar beroep ontvankelijk geacht.
2.3.[appellante] voert onder meer aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht (grief III). Ter zake de vraag of er in dezen sprake is van duurzame ontwrichting overweegt het hof dat tussen partijen in confesso is dat het huwelijk in die mate onder druk kwam te staan dat partijen het samenwonen hebben beëindigd, thans langer dan vijf jaar, zonder dat er zicht is op verzoening c.q. weder samenwonen c.q. het redden van het huwelijk. Het hof is van oordeel dat nu er geen zicht bestaat op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen, er sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk. Daarbij neemt het hof mede in ogenschouw dat [appellante] aanvoerde dat [geïntimeerde] zich niet heeft gehouden aan de huwelijkstrouw.
2.4. Als grieven voert [appellante] verder aan dat de kantonrechter geen rekening heeft gehouden met haar belangen (grief I) en dat de kantonrechter voorbij is gegaan aan het bepaalde in artikel 263 van het Burgerlijk Wetboek (grief II). Dat artikel luidt als volgt: “De vordering tot echtscheiding wordt afgewezen, indien de duurzame ontwrichting in overwegende mate te wijten is aan de echtgenoot, die de vordering heeft ingesteld, en de andere echtgenoot deswege tegen die vordering verweer voert.” Het hof neemt waar dat het belang waar [appellante] op doelt, is verwoord in haar conclusie van antwoord onder sustenu 5 alwaar zij vermeldt – voor zover van belang – dat zij vanwege de werkgever van [geïntimeerde] in een dienstwoning verblijft. Die woning heeft ze met haar spaargelden leefbaar gemaakt. Door de eventuele echtscheiding zal zij door de schuld van [geïntimeerde] in een zeer precaire situatie komen te verkeren, omdat zij als dan de dienstwoning zal moeten verlaten. De vraag is of [appellante] het bovenstaande terecht als grief kan aanwenden.
2.5. Het artikel 156 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft weer dat echtgenoten elkaar getrouwdheid, hulp en bijstand verschuldigd zijn. Met getrouwheid wordt gedoeld op huwelijkstrouw. Het schenden van deze verplichting is een belangrijke factor bij de vaststelling of er sprake is van duurzame ontwrichting en ook of deze in overwegende mate aan een van de partners is te wijten: de schuldvraag. Het verzaken van de huwelijkstrouw – en dus het schenden van verplichtingen die voor echtelieden voortspruiten uit het artikel 156 BW – mag er niet toe leiden dat een echtgenoot die “immoreel” handelt, vruchten kan plukken uit handelen strijdig met de wet (artikel 156 BW), door de mogelijkheid te hebben echtscheiding aan te vragen. Echter het hof bemerkt dat [appellante] zich, bij haar beroep op artikel 263 BW, niet laat leiden door hetgeen partijen bij een huwelijk beogen, met name op een harmonieuze wijze een bestaan opbouwen. Voorts heeft zij niet gesteld zich te willen inspannen voor herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen dan wel dat zij het geloof heeft dat zulks in de naaste toekomst het geval kan zijn. Zij heeft evenmin vermeld wat zij vanaf de ontwrichting van het huwelijk en de beëindiging van het samenleven met [geïntimeerde] heeft gedaan om te voorzien in verblijf in een andere woning. Het hof bemerkt dat het [appellante] sec gaat om het continueren van het verblijf in een woning die de werkgever van [geïntimeerde] hem, vanwege zijn beroep, ter beschikking had gesteld. Het hof overweegt dat [appellante] hiermede oneigenlijk gebruik maakt van het artikel 263 BW en dat op die grond het beroep daarop afgewezen dient te worden.
2.6 Het vorenoverwogene brengt met zich dat het vonnis waarvan beroep onder aanvulling van gronden zal worden bevestigd.
2.7 De proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt daar partijen echtelieden zijn.

3. De beslissing in hoger beroep
Het hof:

  • bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden;
  • compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen gevallen, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. M.C. Mettendaf, lid, en mr. R.M. Praag, lid-plaatsvervanger, en door de fungerend–president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 02 oktober 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend–griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. H.P. Boldewijn, gemachtigde van appellante, terwijl geïntimeerde in persoon verschenen is bij de uitspraak.

SRU-K1-2020-61

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 19-3554
19 november 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. STICHTING MEGHANATH, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan de [adres] in het [district],
B. [eiser B],
wonende aan de [adres] in het [district] ,
eisers,
hierna te noemen respectievelijk de Stichting en [eiser B],
gemachtigde: mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan de [adres 2] in het [district],
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 12 september 2019 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis d.d. 13 september 2019;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek;
  • de rolbeschikking d.d. 12 maart 2020, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • het door de griffier opgemaakte proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen d.d. 30 juli 2020;
  • de rolbeschikking d.d. 06 augustus 2020;
  • de conclusie tot overleggen bescheiden d.d. 20 augustus 2020.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [gedaagde] is advocaat van beroep. [gedaagde] heeft gedurende de periode 2010 tot 2013 in zijn hoedanigheid als advocaat juridische bijstand aan de Stichting en [eiser B] verleend tot verkrijging van het recht van grond huur op een perceelland.
In dat licht heeft [gedaagde] in de kort gedingzaak bekend onder A.R. No. 10-0844 en in de bodemzaak bekend onder A.R. No. 12-3653 een vordering tegen de Staat Suriname ingesteld opdat de Stichting en [eiser B] het recht van grondhuur konden verkrijgen.

Het betreft het recht van grondhuur op: “het perceelland, groot 3,32ha, gelegen in het [district] , aan de [weg], uitmakende de samenvoeging van het perceelland groot 1,56 ha, zijnde het resterend gedeelte van het perceelland groot 1,76 ha, bekend als [weg] [nummer 1] , thans bekend als [weg] [nummer 2], nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de Landmeter in Suriname R.C. Black Bsc d.d. 10 december 2012 met de letters ABCDEF”, hierna aangeduid als het perceelland.

2.2 Bij ministeriele beschikking d.d. 23 oktober 2013 LAD [nummer 3] heeft de Stichting het recht van grondhuur op het perceelland toegewezen gekregen. [gedaagde] heeft de ministeriele beschikking op 21 februari 2014 voor de Stichting doen overschrijven in het daartoe bestemde register ten kantore van het Management Instituut Glis, omdat de beschikking op 22 februari 2014 zou komen te vervallen.

2.3 [gedaagde] heeft een zaak tegen de Stichting en [eiser B] ingediend in respectievelijk kort geding bekend onder A.R. No. 15-1129 en in bodemprocedure bekend onder A.R. No. 14-3348, vanwege een vordering die hij meent te hebben op de Stichting en [eiser B] bestaande uit het honorarium voor de door hem aan de Stichting en [eiser B] verleende juridische bijstand.

2.4 De kantonrechter heeft op 06 augustus 2018 in de bodemzaak tussen partijen bekend onder A.R. No. 14-3348 vonnis gewezen, bij welk vonnis de vordering van [gedaagde] is afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter, voor zover voor de onderhavige beslissing van belang, het volgende in het vonnis overwogen:
“ (…)
3.2 Meghanath en [eiser B] (lees [eiser B]) hebben aangevoerd dat zij met [gedaagde] zijn overeengekomen dat zijn diensten – onder meer in de kort geding zaak bekend onder het A.R. no. 10-0844 – daarin zouden bestaan dat het recht van grondhuur op het perceelland aan de [weg] aan Meghanath werd toegewezen tegen een honorarium van SRD 16.000,-.
Dat een bedrag ad SRD 5.500 voor separate behandeling van zaken is bedongen hebben Meghanath en [eiser B] betwist. Ter onderbouwing van hun verweer hebben zij een kwitantie in het geding gebracht waaruit blijkt dat op 13 september 2012 [eiser B] ten behoeve van Meghanath een bedrag van
1.000,- aan [gedaagde] heeft betaald voor – als op de kwitantie vermeld – “bodemprocedure + geldvordering c/a de staat m.n. R.O.G.B. (afgifte grondh. Beschikking)”. Ook staat de tekst “saldo SRD 11.500,-“ vermeld.
Verder is als verweer gevoerd dat de zaak met het A.R. no. 10-0844 ook de afgifte van de grondhuurbeschikking betreft en [gedaagde] daarom niet nog eens het bedrag van SRD 5.500,- aan honorarium daarvoor kan vorderen.
Volgens Meghanath en [eiser B] geldt hetzelfde voor de gevorderde dwangsommen, en wel dat die begrepen zijn in het honorarium van
SRD 16.000,-, zoals daarnaar is verwezen op de kwitantie met “geldvordering ca de Staat.”.
De gevorderde kosten zijn eveneens betwist onder aanvoering dat het juist [gedaagde] is die heeft geweigerd de stukken af te geven indien hij niet eerst een bedrag ad SRD 17.000,- zou ontvangen.
De opvorderbaarheid van het honorarium in de zaak met het A.R. no. 12-3653 hebben Meghanath en [eiser B] eveneens betwist op grond dat de werkzaamheden van [gedaagde] in die zaak nog niet zijn afgerond.

3.3 Tijdens de comparitie van partijen op 04 november 2016 hebben partijen verklaard de zaak in der minne te willen schikken.

3.4 Bij akte van 05 juni 2017 heeft [gedaagde] zich vervolgens uitgelaten over de schikking die partijen hebben bereikt, onder meer als volgt: “Verzoeker in conventie, gedaagde in reconventie heeft met betrekking tot de schikking een bedrag van SRD 15.000,- (…) ontvangen van gedaagde in conventie, tevens verzoeker in reconventie, waardoor bij deze kwijting aan hem is gegeven voor het betaalde bedrag.”
Verder laat [gedaagde] zich over de gelegde beslagen als volgt uit: “Verzoeker in conventie, gedaagde in reconventie geeft verder aan dat alle beslagen van de gedaagde in conventie tevens verzoeker in reconventie reeds zijn opgeheven zowel bij de handelsbanken en op het in rekeste genoemd perceelland.”.
Ten aanzien van de grondpapieren geeft [gedaagde] aan: “Voorts heeft verzoeker in conventie tevens gedaagde in reconventie de originele grondpapieren aan de gedaagde in reconventie tevens verzoeker in reconventie afgegeven. (…) De vordering in reconventie staat derhalve gereed voor afwijzing.”

3.5 [gedaagde] is evenwel van mening, zo blijkt voorts uit voornoemde akte, dat door de weigerachtige houding van Meghanath en [eiser B] om hem, [gedaagde], te betalen, laatstgenoemde ernstig is benadeeld. De benadeling vloeit volgens [gedaagde] voort uit de ontwaarding van de Surinaamse Dollar met circa 100% ten opzichte van de bedoelde periode van betaling.
[gedaagde] stelt daarom bij akte uitlating dat de gevorderde som van SRD 22.425,- moet worden verminderd met het bedrag van SRD 15.000,-.

3.6 Bij akte van 21 juni 2017 met als bijlage een kopie van de kwitantie van betaling van het bedrag van SRD 15.000,- d.d. 21 november 2016, hebben Meghanath en [eiser B] de kantonrechter om een comparitie van partijen verzocht.
[gedaagde] is niet verschenen bij het gesprek in Raadkamer, dat daarop door de kantonrechter is gelast bij rolbeschikking van 04 december 2017.
De gemachtigde van Meghanath en [eiser B] heeft op 24 januari 2018 in Raadkamer de opheffing van de gelegde beslagen bevestigd en voorts verklaard dat er geen belang meer is bij de vordering in reconventie.
Ten aanzien van de door [gedaagde] gevorderde verrekening van het bedrag van SRD 15.000,- met de vordering van SRD22.425,-, heeft de gemachtigde zich aan het oordeel van de kantonrechter gerefereerd.

3.7 De standpunten van [gedaagde] in dit verband zijn niet met elkaar te rijmen. De kantonrechter begrijpt de positie die [gedaagde] thans inneemt als een waarbij hij enerzijds bevestigt dat hij het bedrag van SRD 15.000,- heeft ontvangen, maar anderzijds stelt dat zulks voor hem niet het rechtsgevolg van volledige betaling sorteert. Meghanath en [eiser B] zijn van mening – bij akte van 21 juni 2017 – dat [gedaagde] door deze positie in te nemen al dan niet opzettelijk een verkeerd beeld van de feiten tracht voor te houden.

3.8 Uit het door partijen aangevoerde blijken de verbintenissen die zij over en weer krachtens de schikking op zich hebben genomen, te weten betaling van het bedrag ad SRD 15.000,- aan [gedaagde] en opheffing van de gelegde beslagen door [gedaagde]. Onweersproken staat thans in rechte vast dat partijen deze verbintenissen geheel zijn nagekomen. De vraag over de wilsvorming van [gedaagde] in het schikkingsproces, zal bij de thans vaststaande feiten en omstandigheden in zijn nadeel worden uitgelegd, nu daarover niet anders is gesteld of gebleken. Daarbij overweegt de kantonrechter tevens mee dat de verklaring die Meghanath en [eiser B] in Raadkamer over de schikking hebben gegeven overeenstemd met de akte uitlating schikking van [gedaagde] zoals hiervoor onder 3.4 is aangehaald.

3.9 Het voorgaande brengt met zich dat de vordering in conventie zal worden afgewezen.”

Het hiervoor vermeld vonnis is reeds in gezag van gewijsde gegaan.

2.5 De kantonrechter heeft op 03 januari 2019 in de kort gedingzaak tussen partijen bekend onder A.R. No. 15-1229 vonnis gewezen (hierna aangeduid als het kort gedingvonnis), krachtens welk vonnis de vordering van [gedaagde] deels is toegewezen. Met name zijn de Stichting en [eiser B] veroordeeld tot betaling van het bedrag ad SRD 17.000,- aan [gedaagde], vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 17 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en tot betaling van de kosten van het geding tot aan de uitspraak begroot op SRD 344,– Daartoe heeft de kantonrechter, voor zover voor de onderhavige beslissing van belang, het volgende in het vonnis overwogen:

(…)
4.2 De kantonrechter begrijpt dat de vordering is opgesplitst in drie delen te weten, de vordering met betrekking tot:

  • kosten juridische bijstand
  • kosten ad SRD 2.500,- en
  • buitengerechtelijke kosten

4.3 Kosten Juridische Bijstand ad SRD 17.000,- (SRD 5.500,- + SRD 11.500,-)
(…)
Met het voorgaande heeft eiser naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat er ten aanzien van de kortgedingzaak nog een openstaande rekening moet bestaan van SRD 5.500,- die gedaagden aan eiser moeten voldoen.
Derhalve dienen gedaagden het bedrag van SRD 5.500,- aan eiser te voldoen.
(…) Dus is het aannemelijk dat gedaagden ook het saldobedrag van SRD 11.500,- aan eiser moeten betalen.
Gezien het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat gedaagden moeten worden veroordeeld om aan eiser te betalen SRD 17.000,- (dit is SRD 11.500,- + SRED 5.500,-).
(…)
4.5 Buitengerechtelijke kosten ad SRD 2.925,-
(…)
De kantonrechter is van oordeel dat eiser zelf advocaat beroep is waardoor er niet zondermeer buitengerechtelijke kosten in rekening kunnen worden gebracht bij cliënten, althans gewezen cliënten (gedaagden) anders dan wanneer hij dit uitdrukkelijk was overeengekomen.
Nu het daartoe strekkend onderdeel van het gevorderde een wettelijke of contractuele grondslag ontbeert, zal dat onderdeel van het gevorderde worden geweigerd.

2.6 De kantonrechter heeft het kort gedingvonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [gedaagde] heeft het kort gedingvonnis op 20 augustus 2019 door een deurwaarder aan de Stichting en [eiser B] doen betekenen bij exploit no. 594 en no. 595.

2.7 Blijkens het exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, D. Chocolaad, d.d. 03 september 2019, no. 619 heeft [gedaagde] executoriaal beslag doen leggen op het perceelland dat ten name van de Stichting staat.

2.8 De Stichting en [eiser B] hebben op 06 september 2019 hoger beroep tegen het kort gedingvonnis aangetekend.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 De Stichting en [eiser B] vorderen – na wijziging van eis – dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a)de werking van het vonnis d.d. 03 januari 2019, ter Griffie der Kantongerechten bekend onder A.R. No. 15-1229 schorst, althans opschort totdat in appel over dit vonnis zal zijn beslist;
b)[gedaagde]verbiedt om de verdere executie van het litigieuze vonnis voort te zetten, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 000,- per dag, voor iedere dag of keer dat [gedaagde] in gebreke mocht blijven of nalaten uitvoering te geven aan dit nog te wijzen vonnis;
c) het door[gedaagde]middels het deurwaardersexploot d.d. 03 september 2019, No. 619, afkomstig van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, Derrick Jan Chocolaad, gelegd executoriaal beslag op het recht van grondhuur opheft en doorhaalt in de daartoe bestemde registers van M.I. Glis;
d)[gedaagde] veroordeelt om bijwege van voorschot aan de Stichting en [eiser B] te betalen het bedrag ad USD 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag der indiening tot aan de dag der algehele voldoening;
e)[gedaagde]veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 De Stichting en [eiser B] leggen aan hun vordering ten grondslag dat [gedaagde] een onrechtmatige daad jegens hen pleegt. Daartoe stellen zij, tegen de achtergond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • de tenuitvoerlegging van het kort geding vonnis zal een noodtoestand aan hun zijde doen ontstaan;
  • het gelegde executoriaal beslag is onrechtmatig, omdat zij niets meer verschuldigd zijn aan [gedaagde]. De zaak bekend onder A.R. No. 15-129 stond sedert 11 augustus 2016 voor vonnis en hebben partijen nadien op 21 november 2016 een schikking getroffen, bij welke schikking de Stichting en [eiser B] tegen finale kwijting van de zaken bekend onder A.R. No. 14-3348 en
    A.R. No. 15-1229 aan [gedaagde] SRD 15.000,- hebben betaald;
  • als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] lijden zij schade ad SRD 10.800,-, bestaande uit kosten voor juridische bijstand ad SRD 10.000,- en 8% omzetbelasting, zodat [gedaagde] gehouden is deze schade aan de Stichting en [eiser B] te voldoen.

3.3 [gedaagde] heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1 Het door de Stichting en [eiser B] gestelde spoedeisend belang, dat niet voldoende gemotiveerd door [gedaagde] is weersproken, acht de kantonrechter voldoende aannemelijk. Om die reden worden de Stichting en [eiser B] in het kort geding ontvangen.

Wijziging van eis
4.2 Bij conclusie van repliek vorderen de Stichting en [eiser B] wijziging van eis, inhoudende dat onder a van het petitum wordt gelezen “03 januari 2019” instede van “03 juli 2019”. Daar het een wijziging van een kennelijke schrijffout betreft en [gedaagde] hierdoor niet in zijn verweer is geschaad, zal de wijziging worden toegestaan zoals dat reeds is verwerkt onder 3.1 in dit vonnis.

Het tardief zijn met hoger beroep

4.3 [gedaagde] werpt op dat de Stichting en [eiser B] laat zijn met het instellen van het rechtsmiddel van hoger beroep tegen het kort gedingvonnis en dat zij in hoger beroep niet ontvankelijk zullen worden verklaard in het hoger beroep. [gedaagde] concludeert op grond hiervan tot weigering van het gevorderde.
De kantonrechter gaat voorbij aan dit verweer, omdat slechts het Hof de bevoegdheid heeft om te oordelen of de Stichting en [eiser B] al dan niet binnen de bij wet gestelde termijn het rechtsmiddel van hoger beroep hebben aangewend en om daaraan gevolgen te verbinden. Een rechter van eerste aanleg is daartoe niet bevoegd.
Wat relevant is in de onderhavige zaak, is dat het hoger beroep is aangetekend en de aanzegging voor het hoger beroep reeds heeft plaatsgevonden opdat kan worden beoordeeld of de door de Stichting en [eiser B] gestelde feiten grond opleveren tot opschorting van de werking van het kort gedingvonnis.

Niet-ontvankelijkheidsverweer
4.4 [gedaagde] werpt op dat [eiser B] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering jegens [gedaagde], omdat het perceelland waarop het executoriaal beslag is gelegd in eigendom toebehoort aan de Stichting.
In reactie hierop stelt [eiser B] dat het kort gedingvonnis ook aan hem is betekend en dat hij blijkens het vonnis ook is veroordeeld tot betaling, zodat hij wel belang heeft bij de onderhavige vordering.
De kantonrechter verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde]. Zoals De Stichting en [eiser B] terechtstellen is het kort gedingvonnis ook aan [eiser B] betekend, dus is de kans groot dat [gedaagde] – gezien zijn proceshouding – ook het vonnis jegens [eiser B] zal ten uitvoer te leggen.

Gezag van gewijsde
4.5 [gedaagde] voert aan dat hij het volste recht heeft om het kort gedingvonnis te executeren, omdat het sedert maart 2019 al in gezag van gewijsde is gegaan.
Naar het oordeel van de kantonrechter gaat [gedaagde] uit van een onjuist standpunt. Zoals reeds hiervoor onder 4.3 in dit vonnis is overwogen, heeft slechts het Hof van Justitie de bevoegdheid om te oordelen over het hoger beroep. Bovendien heeft een kort gedingvonnis kracht van gewijsde en geen gezag van gewijsde. Het verweer van [gedaagde] wordt daarom verworpen.

Misbruik van bevoegdheid
4.6 [gedaagde] weerspreekt dat hij misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid. In dat licht stelt hij dat de Stichting en [eiser B] hem in totaal SRD 17.000,- aan honorarium verschuldigd zijn voor de juridische bijstand die hij hen heeft verleend in de zaken bekend onder A.R. No. 10-0844 en A.R. No. 12-3653 en dat ter zake het honorarium nimmer een schikking tussen partijen is geweest. Ter staving van zijn standpunt beroept [gedaagde] zich op een schrijven van 04 september 2016, dat hij als productie ten processe heeft overgelegd. Het betreft een schrijven van hemzelf gericht aan de toenmalige gemachtigde van de Stichting en [eiser B].

Nadat hij vanwege het achterwege blijven van de betaling van het honorarium door de Stichting en [eiser B] conservatoir beslag op het perceelland had gelegd werd [gedaagde], aldus zijn verdere betoog, door de toenmalige gemachtigde van de Stichting en [eiser B] benaderd om gedeeltelijk te schikken. In dat kader is er een gedeeltelijke schikking getroffen, inhoudende dat de gemaakte proceskosten ad. SRD 15.000,- voor het indienen van de zaken met A.R. No. 15-1229 en A.R. No. 14-3348 betaald moesten worden aan [gedaagde]. Ter staving hiervan beroept hij zich op een fotokopie van een kwitantie welke is getekend door de toenmalige gemachtigde van de Stichting en [eiser B], welke is gedateerd 21 november 2016. Over de betaling van het honorarium ad SRD 17.000,- hebben partijen geen schikking getroffen en zouden de hiervoor vermelde rechtszaken normaal voortgang vinden. De Stichting en [eiser B] hebben tot op heden het honorarium niet aan hem voldaan.

De Stichting en [eiser B] daarentegen blijven volharden in hun stelling dat [gedaagde] misbruik maakt van executiebevoegdheid, omdat ter zake dit onderwerp er een schikking was bereikt en dit pas aan het licht is gekomen nadat het vonnis in kort geding is gewezen.

4.7 De kantonrechter leidt uit de inhoud van de productie die [gedaagde] bij conclusie van antwoord heeft overgelegd, zijnde de productie die hij kwalificeert als een kwitantie van betaling, af dat het geen kwitantie van betaling betreft maar een omschrijving van de kosten die de Stichting en [eiser B] aan [gedaagde] verschuldigd zijn welke [gedaagde] aan de toenmalige gemachtigde heeft opgestuurd. Dit leidt de kantonrechter af uit de zinsnede bovenaan de productie “Ontvangen van mr.[gedaagde], adv. d.d. 21 nov. 2015”, op welk stuk de toenmalige advocaat heeft getekend voor ontvangst, met vermelding van de datum van ontvangst, terwijl de productie die de Stichting en [eiser B] bij inleidend verzoekschrift ten processe hebben overgelegd, wel een kwitantie van betaling betreft die door [gedaagde] zelf is getekend en is gedateerd 21 november 2016. Op de bedoelde kwitantie, die door [gedaagde] is getekend, staat het volgende vermeld: “finale afwikkeling inz [gedaagde] ca St Meganaht/[eiser B] AR 14.3348 en AR 15.1229”. Hieruit leidt de kantonrechter ondubbelzinnig af dat het bedrag van SRD 15.000,- heeft gediend ter finale afwikkeling van het tussen partijen bestaande geschil over de vordering die [gedaagde] op de Stichting en [eiser B] meende te hebben. Dit brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat [gedaagde] wel misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid. Het bovenstaande wordt versterkt met het gegeven dat [gedaagde] ermee bekend was dat in bodemprocedure de vordering in de hoofdzaak vanwege de schikking was afgewezen, hetgeen hij heeft verzwegen in de kort gedingzaak die zich toen al in staat van wijzen bevond. Zou de kantonrechter in kort geding van de schikking en het bodemvonnis op de hoogte zijn geweest of gebracht, dan zou hij/zij naar alle zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op grond van de afstemmingsregel die in de jurisprudentie is ontwikkeld het kort gedingvonnis hebben afgestemd op het bodemvonnis oftewel het vonnis in de hoofdzaak. De afstemmingsregel houdt in dat de rechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, zijn vonnis moet afstemmen op de beslissingen in de hoofdzaak in het vonnis in de bodemzaak. Ter zake verwijst de kantonrechter naar het arrest van HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015.

Nu dat van de schikking als een feit kan worden aangemerkt dat na het kort gedingvonnis aan het licht is gekomen en de tenuitvoerlegging van het kort gedingvonnis een noodtoestand aan de zijde van de Stichting en [eiser B] zal doen ontstaan, dient het gevorderde onder a te worden toegewezen. Hieruit vloeit ook voort dat de gevorderde voorzieningen onder b en c dienen te worden toegewezen. De medegevorderde dwangsom die gekoppeld is aan de gevorderde voorziening onder c, zal eenmalig worden vastgesteld op het bedrag zoals hierna in de beslissing vermeld.

Advocaat kosten
4.8 [gedaagde] weerspreekt het bedrag ad SRD 10.500,- aan de Stichting en [eiser B] verschuldigd te zijn, omdat zij dat niet hebben bedongen.
De kantonrechter kan geen chocola maken van dit verweer van [gedaagde]. De grondslag van de advocaatkosten is misbruik van executiebevoegdheid, zijnde een onrechtmatige daad. Als gevolg hiervan hebben de Stichting en [eiser B] schade geleden. Vaststaat en zichtbaar is, dat de Stichting en [eiser B] zich hebben moeten doen bijstaan door een advocaat waaraan kosten verbonden zijn, zodat [gedaagde] aansprakelijk is voor deze schade. [gedaagde] heeft de hoogte van de advocaatkosten als schadepost niet weersproken, zodat het gevorderde onder d zal worden toegewezen doch met uitzondering van de omzetbelasting. Dit, omdat er geen bewijs is dat de omzetbelasting is afgedragen aan de Inspecteur der Belastingen.

Proceskosten
4.9 Gedaagde zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak: het vastrecht ad SRD 50,- en de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 300,-.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
5.1 Staat toe de gevorderde wijziging van eis.

5.2 Schort op de werking van het kort gedingvonnis dat tussen partijen is gewezen en uitgesproken op 03 januari 2019, in de zaak bekend onder A.R. No. 15-1229.

5.3 Verbiedt [gedaagde] om over te gaan tot de verdere tenuitvoerlegging van het kort gedingvonnis bekend onder A.R. No. 15-1229 tussen partijen gewezen en uitgesproken op 03 januari 2019, onder verbeurte van een eenmalige dwangsom ad SRD 5.000.000,- (Vijf Miljoen Surinaamse Dollar).

5.4 Heft op het door de deurwaarder bij het Hof van Justitie, D. Chocolaad, bij exploot d.d. 03 september 2019 no. 619 gelegde executoriaal beslag op het in het exploot omschreven perceelland en gelast de doorhaling van de overschrijving van dit beslag in het daartoe bestemde register van het Management Instituut GLIS.

5.5 Veroordeelt [gedaagde] om bij wege van voorschot aan de Stichting en [eiser B] te betalen het bedrag ad SRD 10.000,- (Tienduizend Surinaamse Dollar), zijnde advocaatkosten oftewel een deel van de door hun geleden schade.

5.6 Verklaart hetgeen onder 5.2 tot en met 5.5 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.7 Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van de Stichting en [eiser B] zijn gevallen en tot aan de dag van de uitspraak zijn begroot op SRD 350,- (Driehonderd en Vijftig Surinaamse Dollar).

5.8 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M.Chu,en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 19 november 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S. J.S. Bradley, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-60

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 20-3040
27 november 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiseres]
gevestigd en kantoorhoudende aan de [adres ] te [district],
eiseres, hierna te noemen: de NV,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name de MINISTERIES VAN NATUURLIJKE HULPBRONNEN, JUSTITIE EN POLITIE en FINANCIEN,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. S. Ramsanjhul, jurist bij het Korps Politie Suriname.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 12 oktober 2020 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die is genomen op 22 oktober 2020;
  • de conclusie van antwoord, met een productie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is, nadat is afgezien van het houden van een comparitie na antwoord, nader bepaald op heden.

2.De feiten
2.1 Bij ministeriele beschikking d.d. 20 april 2012, met G.M.D. [nummer] heeft de NV het recht tot de exploitatie van goud en andere delfstoffen van de Staat verkregen voor de duur van 10 jaren, en wel op “het perceelland groot 3.068 ha, gelegen in het [district] ten oosten van de [rivier], zoals weergegeven op de figuratieve kaart van de landmeter Lcs. J.O.A. Mans d.d 10 juni 2011”, hierna aangeduid als het concessiegebied.

2.2 De NV is in het jaar 2016 gestart met haar mijnactiviteiten op het concessiegebied. Voorafgaand hieraan heeft zij de voorbereidingen getroffen en investeringen gepleegd.
In hetzelfde jaar werd zij geconfronteerd met personen die zonder haar toestemming het concessie gebied betraden voor het verrichten van goudzoekactiviteiten. Deze personen, hierna aangeduid als illegalen, zijn toen met behulp van de politie uit het concessiegebied verwijderd.

2.3 Gedurende september 2019 tot en met maart 2020 werd de NV op verschillende tijdstippen wederom geconfronteerd met het feit dat illegalen zonder haar toestemming het concessiegebied betraden, waarbij de werknemers en de leiding van de NV door de illegalen werden bedreigd met geweld tegen het leven gericht, werknemers van de NV door de illegalen zijn mishandeld en goederen van de NV zijn vernield. De NV heeft ter zake het bovenstaande meerdere malen aangifte bij de politie gedaan en heeft ter zake ook meerdere malen aan de Procureur-Generaal schriftelijk het verzoek gedaan om politionele hulp.
Ondanks instructies van de Procureur-Generaal aan de politie om de illegalen uit het concessiegebied te verwijderen, is zulks niet gebeurd.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 De NV vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren:
I) de Staat veroordeelt ombinnen 1×24 uur na het in deze te wijzen vonnis de veiligheid terug tebrengen op de goudconcessie van de NV, zoals die aan haar is verleend bij beschikking d.d. 20 april 2012, met G.M.D. [nummer] van de minister van Natuurlijke Hulpbronnen voor de duur van 10 jaren, op het perceelland, althans de illegalen die zich erop bevinden met onmiddellijke ingang te verwijderen en jegens hen conform de wet politioneel en justitieel op te treden, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000.000,-, althans een door de kantonrechter in goed justitie vast te stellen dwangsom, voor elk uur dat er aan deze ter zake hiervan uit te spreken veroordeling geen gevolg wordt gegeven;
II) de Staat veroordeelt om aan de NV tegenbehoorlijk bewijs van kwijting bij wege van voorschot te betalen het bedrag van USD 000,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen voorschot, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar te rekenen vanaf de dag der indiening van dit verzoekschrift tot aan de dag der algehele voldoening;
III) de Staat veroordeelt om aan de NV te betalen de kosten van de deskundige ad USD 1.600,- en de door haar gemaakte incassokosten die gelijk gesteld worden aan 15% van het gevorderde bedrag onder II;
IV) de Staat veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De NV legt aan haar vordering ten grondslag dat de Staat een onrechtmatige daad jegens haar pleegt als gevolg waarvan zij schade heeft geleden en nog lijdt. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • de Staat heeft in strijd met haar wettelijke plicht niet de bescherming geboden van de goederen en aan het personeel van de NV op het concessiegebied, danwel niet de veiligheid van de goederen en het personeel van de NV gewaarborgd, terwijl niet is gebleken van een feitelijke of juridische onmogelijkheid zijdens de Staat om die bescherming te bieden;
  • de Staat heeft met het niet in acht nemen van haar wettelijke plicht ook in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, zijnde één der algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en wel in die zin dat de Staat op de concessiegebieden van respectievelijk Grassalco, New Mont en Iam Gold wel heeft opgetreden tegen illegalen die de hiervoor genoemde concessiegebieden hadden betreden;
  • tot op heden bevinden de illegalen zich op het concessiegebied van de NV alwaar zij ongestoord hun goudwinningactiviteiten verrichten, zonder dat de aanwezige politie tegen hen optreedt.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1 De NV stelt als spoedeisend belang dat zij na 7 maanden zonder productie, door haar reserves heen is en thans geconfronteerd wordt met een forse financieringsschuld voor doorlopende kosten. Zij heeft een voorschot op de geleden schade dringend nodig om de bedrijfsvoering en daarmee samenhangende verplichtingen te kunnen vergoeden. Tevens heeft zij er groot belang bij om de goudwinningactiviteiten met onmiddellijke ingang te hervatten, omdat zij allerlei financiele verplichtingen heeft die verband houden met de onderhavige ondernemingsactiviteiten.
4.2 De kantonrechter constateert dat de Staat het door de NV gestelde spoedeisend belang niet heeft weersproken, zodat het spoedeisend belang voldoende aannemelijk wordt geacht. Daarom wordt de NV in het kort geding ontvangen.

Schending wettelijke plicht tot bescherming
4.3 De kantonrechter stelt voorop dat, ingevolge artikel 8 lid 2 van de Grondwet van de Republiek Suriname (GW), allen die zich op het grondgebied van Suriname bevinden gelijke aanspraak hebben op bescherming van persoon en goederen. Hieruit volgt dat op de Staat de grondwettelijke plicht rust elke burger hier te lande bescherming te bieden tegen onrechtmatige en/of strafbare gedragingen van anderen om de veiligheid van goederen of van de burger te waarborgen. Indien de de Staat nalaat deze grondwettelijke plicht na te komen en burgers als gevolg van dit nalaten schade mochten lijden, dan is de Staat aansprakelijk voor de daaruit ontstane schade.

4.4 De Staat weerspreekt dat de politie gedurende september 2019 tot en met heden niet heeft opgetreden tegen de illegalen op het concessiegebied. Volgens zijn betoog heeft de politie steeds persoonlijk gereageerd op de gedane aangiften c.q. meldingen van de NV door ter plaatse op het concessiegebied te verschijnen voor onderzoek en handhaving. Echter werd de politie, volgens het verdere betoog van de Staat, door het bevoegde gezag medegedeeld dat de politie geen bemoeienis mocht hebben met de zaak van de NV, omdat deze mondeling was aangezegd om het concessiegebied te verlaten. Ter ondersteuning of staving van dit betoog, beroept de Staat zich op het ten processe door hem overgelegd rapport van de Inspecteur van Politie tweede klasse, [naam 1], gedateerd 08 maart 2020, hierna aangeduid als het politierapport, ten behoeve van de Regio Commandant, de Commissaris van Politie, [naam 2]
De kantonrechter begrijpt uit het betoog van de Staat dat de politie alles in het werk heeft gesteld om op te kunnen treden tegen de illegalen op het concessiegebied van de NV, doch mocht de politie vanwege diens ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag niet optreden tegen de illegalen.
De kantonrechter kan de Staat niet volgen in zijn betoog, omdat het bevoegde gezag belast is met het dagelijkse bestuur van de Staat. Nu de Staat zelf erkent dat de politie op grond van instructies van het bevoegde gezag niet mocht optreden tegen de illegalen, staat onomstotelijk vast dat de Staat niet heeft voldaan aan zijn grondwettelijke plicht zoals neergelegd in artikel 8 lid 2 GW. De kantonrechter komt ook tot deze conclusie op grond van de hierna volgende passages vermeld in:
A)het politierapport dat de Staat zelf ten processe heeft overgelegd:
Op maandag 2 maart 2020, omstreeks 07 .20 uur is bericht ontvangen van de ondernemer [naam 3] directeur van [eiseres] met de mededeling dat de [weg], enkele honderden meters van het goud concessiegebied van [eiseres], gebarricadeerd is middels boomstammen. Verder gaf [naam 3] door dat er bij de barricade ongeveer twintig tot dertig mannen stonden die naar hem vroegen.
Na het voorval gerapporteerd te hebben aan de regio commandant, de commissaris van politie [naam 2] vroeg ik assistentie van de Regio Bijstand Team, De district commissaris Finisie, F., was telefonisch niet bereikbaar dus gaf ik de bijzonderheden door aan de district secretaris de heer [naam 4].
Omstreeks 00.21 uur koerste ik, bijgestaan door acht medewerkers o.l.v. Majoor [naam 5] naar de [weg].
Dichtbij de goudconcessie van [eiseres]aangekomen, bleek de weg door middel van twee grote boomstammen te zijn gebarricadeerd. Een groep van ongeveer 50-voornamelijk boslandcreoolse mannen stonden nabij de boomstammen.
Een boslandcreoolse man, die opgaf te zijn geheten, [naam 6], wonende in het [dorp] en die als woordvoerder optrad, voegde zich bij ons.
Uit een gesprek met hem kwam naar voren dat zij bewoners zijn van het [dorp] en dat de ondernemer [naam 3] de concessie waarop hij aan goudwinning doet, meteen moet verlaten omdat het gebied aan het gemeenschap bos van het [dorp] toebehoort. Alleen in dat geval zal de barricade worden verwijderd. Verder verklaarde [naam 6] dat [naam 3] niet over een vergunning beschikt om in hun gebied aan goudwinning te doen. Allen hebben zij vrouwen en kinderen en kunnen zij geen brood voor hen op tafel leggen omdat er op hen wordt geschoten door de bewakers van [naam 3] als zij in het gebied betreden om aan goudwinning te doen.
Toen ik [naam 6] te kennen gaf dat hetgeen hij aanhaalt met de districts commissaris van het district besproken moest worden gaf hij mij als antwoord dat zij (de actievoerders) niets van district commissaris Finisie, F. Wilden weten.
Naar zeggen van hen is de Dc van het probleem op de hoogte en had hij hen de laatste keer uit zijn eigen kantoor weggejaagd, nadat zij hun beklag voor de zoveelste keer gedaan hadden. Hierna heeft een groep zich begeven naar het kabinet van de President van de Republiek Suriname en hadden zij daar hun beklag gedaan. Hen werd toen geadviseerd om de weg te barricaderen om zodoende de ondernemer [naam 3] te dwingen het gebied aan hen over te laten. [naam 6] wilde niet kwijt met wie van het kabinet deze afspraken gemaakt zijn en wanneer.

(…)
Een andere RBT’er rapporteerde dat aan hem door iemand werkzaam op het Kabinet van de President is doorgegeven dat wij, de politie, geen bemoeienis mogen hebben met de zaak omdat [naam 3] sinds vorige jaar mondeling is aangezegd het goudconcessiegebied te verlaten.
Verder is uit monde van een basja van het [dorp], die ook tot de actievoerders behoorde, de naam van dhr.[naam 7], werkzaam op het Kabinet van de President, genoemd, die de actievoerders de nodige instructies heeft gegeven/gaf.
Aangezien ons aanwezigheid op dat moment voornamelijk als doel had het opheffen van de barricade op de weg en wij vanwege gebrek aan het nodige, de boomstammen niet konden verwijderen evenzo door het uitblijven van de nodige instructies, verlieten wij de plaats.
Omstreeks 14.20 uur belde de heer [naam 3] wederom naar het station met de mededeling dat de actie voerders vernielingen aanbrachten aan zijn bezittingen en dat zijn arbeiders worden bedreigd en geintimideerd. De arbeiders waren bang.
Verder hebben de mannen bedreigd dat zij hem zullen mishandelen als zij niet voor 16.00 uur de plaats zouden verlaten. Nadat ik dat gevraagd had zou [naam 3] zijn medewerking verlenen om een loader in te zetten om zodoende de boomstammen te verwijderen op de weg.
(…)
Ondertussen hadden vier arbeiders omstreeks 17.30 uur het station aangedaan en is er aangifte opgenomen van vernieling en bedreiging. Naar zeggen van deze arbeiders waren anderen ook mishandeld, echter hadden zij het station niet aangedaan. De mannen hadden op een gegeven moment de boomstammen met zwaar materieel verwijderd waardoor zij de plaats gedwongen en uit vrees konden verlaten. [naam 3] had daartoe de toestemming verleend.” ;

B) het schrijven van de Procureur-Generaald. 03 maart 2020, gerichtaan de Commandant van de Regio Midden Suriname:
“Ten vervolge op het telefonisch gesprek met u van hedenmiddag inzake het beëindigen van de wegbarricade c.q. belemmering van bedrijfsactiviteiten wegens gepleegde strafbare handelingen van personen, breng ik het volgende onder uw aandacht.
U heeft in voormeld gesprek de ontvangst van mijn brief met bijlagen d.d 02 maart 2020 met betrekking tot de onderhavige aangelegenheid bevestigd.
Voormelde brief bevat een instructie voor politioneel optreden in het kader van rechtshandhaving afkomstig van het Openbaar Ministerie en dient prompt uitgevoerd te worden met inzet van de middelen en mogelijkheden die ten dienste staan van het Korps Politie Suriname.
Ik moge u erop attenderen dat inmiddels bekend is geworden dat onder andere sprake is van occupatie, wegversperring, bedreiging, diefstal en vernieling hetgeen reeds directe aanleiding oplevert voor een politie optreden.
Indien de schade onstaat door het nalaten om op te treden kan de Staat daarvoor civielrechtelijk aansprakelijk worden gesteld.
Het is op grond van het bovenstaande dat ik uw informatie niet kan begrijpen namelijk, dat de Korpschef u heeft mede gedeeld om elk optreden met betrekking tot voormelde aangelegenheid achterwege te laten danwel te staken.
(…)”.

De huidige situatie op het concessiegebied
4.5 Uit de inhoud van de brieven die de NV gedurende september 2019 tot en met augustus 2020 heeft gericht aan de bevoegde autoriteiten, leidt de kantonrechter af dat tot op heden de veiligheid niet is teruggekeerd op het concessiegebied van de NV. Bij conclusie van antwoord voert de Staat wel aan dat er thans wekelijks 6 tot 8 politieambtenaren naar het concessiegebied van de NV worden gedetacheerd, doch heeft hij niet uiteengezet op welke wijze hij zal bewerkstelligen dat de veiligheid op het concessiegebied zal terugkeren en zal worden gewaarborgd. Dit bekeken vanuit het licht dat ondanks de aanwezigheid van politieambtenaren aldaar de veiligheid en rust op het concessiegebied tot op heden niet is teruggekeerd. Nu het de grondwettelijke plicht van de Staat is om de veiligheid op het concessiegebied te doen terugkeren en waarborgen en dit tot op heden niet is geschied, staat het gevorderde onder I voor toewijzing gereed. De kantonrechter zal anders dan is gevorderd, de Staat een ander termijn vergunnen om aan het gevorderde onder I te kunnen voldoen. Dit, vanwege de complexiteit van het probleem betreffende de illegalen dat al geruime tijd speelt en de belangen van partijen die in het kader van de aanpak van dit probleem tegenover elkaar afgewogen moeten worden, inclusief die van de omwonenden in dat concessiegebied die als illegalen worden aangemerkt.

In dat licht, maar ook vanwege het verweer van de Staat dat hij een ander concessiegebied aan de NV zou aanbieden opdat de illegalen hun goudwinningactiviteiten op het concessiegebied van de NV kunnen ontplooien, brengt de kantonrechter partijen in herinnering dat de Wet Mijnbouw (S.B. 1989 no. 39 en 40, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B.1997, no. 44) zowel de Staat als de NV voldoende tools aanreikt om tot een gezamenlijke oplossing te kunnen komen om dit probleem van de illegalen aan te pakken, in welke wet ook rechten van rechthebbenden en derdebelanghebbenden zijn neergelegd. Daarbij benadrukt de kantonrechter dat het toewijzen van een ander concessiegebied aan de NV geen garantie biedt dat illegalen zullen wegblijven van concessiegebieden, nadat investeringen zijn gepleegd – in de vorm van deskundigenonderzoek tot vaststelling van de delfstoffen en de waarde en hoeveelheid van de delfstoffen die mogelijk in de concessiegebieden mochten voorkomen – door degenen aan wie gebieden in concessie zijn uitgegeven door de daartoe bevoegde autoriteit.

Schade
4.6 Zoals reeds onder 4.4 is overwogen, heeft de Staat nagelaten te voldoen aan diens grondwettelijke plicht om de goederen en het personeel van de NV op diens concessiegebied te beschermen tegen onrechtmatige gedragingen van de illegalen, zodat de Staat aansprakelijk dient te worden gesteld voor schade die de NV als gevolg van dat nalaten heeft geleden.
De NV heeft ter staving van haar stelling dat zij als gevolg van het nalaten van de Staat schade heeft geleden ten processe overgelegd, een financieel schaderapport d.d. 05 oktober 2020 dat door een door haar ingeschakelde deskundige is opgemaakt.

De kantonrechter constateert dat de Staat niet heeft weersproken dat de NV schade heeft geleden en evenmin is ingegaan op het financieel schaderapport c.q. de hoogte van de schade die de NV meent te lijden, zodat de kantonrechter het ervoor moet aannemen dat de NV de door haar gestelde schade heeft geleden. Hieruit en uit het door de NV gestelde spoedeisend belang volgt, dat het gevorderde onder II dient te worden toegewezen.

Overige stellingen en weren
4.7 De overige stellingen en weren van partijen die niet relevant worden geacht, behoeven geen bespreking. Dit, omdat die tot geen andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

Proceskosten
4.8 De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak: het vastrecht
ad SRD 250,- en de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 380,-.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
5.1 Veroordeelt de Staat om binnen een maand na betekening van dit vonnis de veiligheid terug te brengen op de goudconcessie van de NV, zoals die aan haar is verleend bij beschikking d.d.d 20 april 2012, met G.M.D. [nummer] van de minister van Natuurlijke Hulpbronnen voor de duur van 10 jaren, op het perceelland groot 3.069 ha, gelegen in het [district] ten oosten van de [rivier], zoals weergegeven op de figuratieve kaart van de landmeter Lcs. J.O.A. Mans d.d 10 juni 2011, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 100.000,- (Eenhonderdduizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat zij geen gevolg geeft aan de veroordeling, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsommen het bedrag ad SRD 10.000.000,- (Tien Miljoen Surinaamse Dollar) niet te bovengaan.

5.2 Veroordeelt de Staat om aan de NV tegen behoorlijk bewijs van kwijting bij wege van voorschot te betalen het bedrag ad USD 750.000,- (Zevenhonderd en Vijftigduizend Amerikaanse Dollar), vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 12 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.3 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt de Staat in de proceskosten aan de zijde van de NV zijn gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 630,- (Zeshonderd en Dertig Surinaamse Dollar).

5.5 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op vrijdag 27 november 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-HvJ-1998-45

PRO JUSTITIA
Vonnis 1998 no.6

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde verkort vonnis, door de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 10 juni 1994, gewezen en uitgesproken tegen:

[verdachte],
oud [leeftijd];
[beroep] van beroep;
wonende aan de [adres] te [district],
ontvlucht uit het cellenhuis te [plaats] d.d. [datum].

Gelet op het tijdig door de vervolgingsambtenaar en de verdachte ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton van 30 juni 1994;
Gelet op het ten deze tegen de behoorlijk gedagvaarde doch niet verschenen verdachte in hoger beroep verleende verstek;
Gehoord de getuigen in hun beëdigde verklaringen;
Gehoord het Openbare Ministerie;
Gelet op het onderzoek in beide instanties;
overwegende, dat aan verdachte zijn tenlastegelegd, de feiten zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding, welke als hier geinsereerd moet worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter in het Tweede Kanton in diens vonnis wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat verdachte het hem bij de betreffende inleidende akte van dagvaarding sub IA tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven;
met vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde;
Overwegende, dat de Kantonrechter in het Tweede Kanton het bewezen verklaarde feit heeft gekwalificeerd als;
het medeplegen van doodslag, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 347 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;
en hem veroordeeld te dier zake tot gevangenisstraf voor de tijd van ACHT JAREN, met bepaling dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak van 6 juli 1994 (lees 1993) af, voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht bij de uitvoering van de hem opgelegde straf in mindering wordt gebracht;

Overwegende, dat het Hof zich niet kan verenigen met het vonnis a quo, weshalve dit moet worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan;
overwegende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht, hetgeen de verdachte in het Tweede Kanton bij dagvaarding sub IA,B,C,D en E is tenlastegelegd, weshalve hij daarvan dient te worden vrijgesproken;

Fotocopie afgegeven voor wetenschappelijke doeleinden. De Griffier van het Hof van Justirie,
(Mr.E.M.Ranchor).

Overwegende, dat een proces-verbaal van verhoor door de Rechter-Commissaris, belast met de instructie van strafzaken zakelijk weergegeven- onder meer als op 6 december 1993 door de verdachte afgelegde verklaring inhoudt;

Op [datum 2] heb ik in de [straat] te [district] een dubbelloopsjachtgeweer uit de kofferbak van een auto gehaald en dit vervolgens met een patroon geladen. Ik ging toen terug naar [naam] en sloeg hem met de kolf. [naam] greep toen het geweer vast, waarna er een gehaal en getrek om het geweer plaatsvond. Mijn broer [naam 2] kwam vervolgens tussen ons beiden en trok het geweer van ons af. Terwijl [naam] de loop van bedoeld geweer weer vast greep, hoorde ik plotseling een schot afgaan.

Overwegende, dat een belofte opgemaakt procesverbaal nr. [nummer], gesloten en ondertekend te [district] op [datum 3] door [verbalisant], onderinspecteur van politie, dienstdoende aan het bureau recherche, onder meer inhoudt –zakelijk weergegeven-:
Op [datum 4] is aan mij overhandigd een dubbelloops Jachtgeweer (cal.20) van het merk [merk], voorzien van het serienummer [nummer 2], gefabriceerd in [land]),hetwelk door mij is inbeslaggenomen.

Overwegende, dat een ambtsedig procesverbaal, ongenummerd, opgemaakt, gesloten en ondertekend te [district] op [datum 2] door [verbalisant 2], agente van politie eerste klasse, dienstdoende aan het bureau recherche, onder meer inhoudt- zakelijkweergegeven-:
Op [datum 2] heb ik mij, bijgestaan door de agent van [straat] te [district] naar aanleiding van een platsgehad hebbende schietpartij. Aldaar is aan mij een witte rijstzak inhoudende acht scherpe patronen van een jachtgeweer, kaliber 20 overhandigd, hetwelk door mij in beslaggenomen werd.

Overwegende, dat een rapport van [datum 5], opgemaakt door [verbalisant 3] van Politie 2e klasse, verbondenaan de afdeling Vuurwapenvergunning onder meer inhoudt –zakelijk- weergegeven-:
Het dubbelloopjachtgeweer kaliber 20 van het merk [merk] serie no. [nummer 2] staat niet geregistreerd op naam van [naam 3].

Overwegende, dat het Hof door de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen en de daarin vervatte redengevende feiten en omstandigheden, waarbij ieder bewijsmiddel ook in zijn onderdelen slechts is gebruikt ten bewijze van dat feit, het welk het inzonderlijk betreft, wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het hem onder II en III tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande:

  1. dat hij op [datum 2], te [district], zonder daartoe bevoegd te zijn een jachtgeweer voorhanden heeft gehad.
  2. dat hij op [datum 2], te [district], anders dan van overheidswege ten behoeve van ‘s Landsdienst munitie voorhanden heeft gehad zonder voorzien te zijn van een schriftelijke machtiging van de Procureur-Generaal van Suriname.
    Overwegende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht, hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub II en III meer of anders is ten laste gelegd dan bewezen is verklaard, weshalve hij daarvan behoort te worden vrijgesproken;

Overwegende, dat ten laste van verdachte bewezen verklaard is, dat hij op [datum 2] –kort gezegd- zonder een daartoe vereiste vergunning van een jachtgeweer en munitie voorhanden heeft gehad. Ingevolge de Wet van 7 februari 1990, houdende nadere wijzigingen van de Vuurwapenwet (S.B. 1990 no.1) is het bewezen verklaarde als misdrijf – in plaats van als overtreding- strafbaar gesteld. Het vorenstaande leidt, naar ‘S Hofs oordeel, tot de gevolgtrekking dat, nu de wijziging van overtreding in misdrijf sedert 7 februari 1990 van kracht is, terwijl verdachte op [datum 2] het bewezen verklaarde als vermeld heeft begaan. In casu geen sprake is van verandering van wetgeving, zodat een beroep op artikel 1 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht faalt.

Overwegende, dat de ten laste van verdachte bewezen geachte feiten moeten worden gekwalificeerd als:

  1. Overtreding van een voorschrift vallende onder artikel 9 van de Vuurwapenwet en strafbaar gesteld bij artikel 23 daarvan;
  2. Overtreding van een voorschrift vallende onder artikel 15 lid 1 van de Vuurwapenwet en strafbaar gesteld bij artikel 23 daarvan;
    Overwegende, dat de verdachte deswege strafbaar is, zijnde van geen grond tot uitsluiting of opheffing van de strafbaarheid gebleken;

Overwegene, dat het Hof na te melden strafoplegging in overeenstemming acht met de aard en de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de omstandigheid dat niet gebleken is dat verdachte eerder ter zake van een misdrijf met Justitie en Politie in aanraking is gekomen:

Overwegende, dat nu het bewezenverklaarde als vermeld 2 misdrijven oplevert en derhalve zich in casu een geval van meerdaadse samenloop voordoet, zal het Hof, in aanmerking nemende het bepaalde in artikel 82 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, slechts een straf uitspreken:
Gezien voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 34, 38, 40 van het Wetboek van Strafrecht:

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP BIJ VERSTEK:
Vernietigt het vonnis van 30 juni 1994 door de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken tegen de verdachte [verdachte]. [verdachte] waarvan beroep;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE BIJ VERSTEK:
Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1A,B,C,D en E bij de betreffende inleidende akte van dagvaarding is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij:
Verklaart wettig en overtuigend bewezen hetgeen hiervoren bewezen is geacht:
Kwalificeert de bewezen verklaarde feiten als voormeld;
Verklaart de bewezen verklaarde feiten en de verdachte deswege strafbaar:
Veroordeelt hem te dier zake tot een geldboete van sf5000,= (vijfduizend gulden), bij gebreke van betaling en/of verhaal te vervangen door 2 (twee) weken hechtenis;
Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte voornoemd bij de betreffende inleidende akte van dagvaarding sub II en III meer of anders is tenlastegelegd dan bewezen is verklaard;
Spreekt hem daarvan vrij;

Aldus gewezen door de heren: mr.E.S.Ombre, fungerend-President, mr.K.Pultoo, mr.M.G. de Miranda, lid-Plaastdvervanger, in tegenwoordigheidvan mr.M.Tedjoe,fungerend-Griffier, die dit vonnis hebben ondertekend en uitgesproken ter openbaren terechtzitting van het Hof van Justitie van woesdag, 4 maart 1998, door de fungerend-President voornoemd.