SRU-HvJ-2015-10

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. [appellant 1],
B. [appellant 2],
beiden wonende in [district],
appellanten, hierna te noemen: [appellanten],
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district 2],
handelende in privé en als gemachtigde van:

  1. [geïntimeerde 1], wonende in [land],
  2. [geïntimeerde 2], wonende in [land],
  3. [geïntimeerde 3], wonende in [land],
  4. [geïntimeerde 4], wonende in [land],
  5. [geïntimeerde 5], wonende in [land],
  6. [geïntimeerde 6], wonende in [land] ,
    geïntimeerden, hierna te noemen: [geïntimeerden],
    gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 15 april 2010 (A.R. no. 09-2265) tussen [geïntimeerden] als eisers in kort geding *imeerder009098ft ingesteld;02 van het kantongerecht waaruit blijkt dat de gemachtigde en [appellanten] als gedaagden in kort geding,

spreekt de fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellanten] op 10 juni 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota met een productie d.d. 20 april 2012;
  • de antwoordpleitnota met producties d.d. 01 juni 2012;
  • de repliekpleitnota d.d. 15 juni 2012;
  • de dupliekpleitnota d.d. 20 juli 2012;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk gesteld op 19 oktober 2012, doch nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Partijen waren op de dag van de uitspraak (15 april 2010) niet ter terechtzitting aanwezig noch door een gemachtigde ter terechtzitting vertegenwoordigd. Een afschrift van vermeld vonnis is per griffiersbrief d.d. 01 juni 2010 aan partijen betekend. Nu [appellanten] op 10 juni 2010 appèl heeft aangetekend, is dit appèl binnen de door de wet gestelde termijn van 14 dagen geschied en kan [appellanten] daarin worden ontvangen.

3. De feiten
3.1 [geïntimeerde 1] was in gemeenschap van goederen gehuwd met de heer [erflater], welk huwelijk in 1975 door echtscheiding is ontbonden en uit welk huwelijk de geïntimeerden tevens lastgevers sub 1 tot en met sub 6 zijn geboren.

3.2 In het procesdossier bevinden zich onder meer twee koopakten, waarvan de handtekeningen door een notaris zijn gelegaliseerd, inhoudende dat:

  • [erflater] op 28 januari 2008 aan [appellant 1] de beterschap op het perceel aan [adres] heeft verkocht;
  • [erflater] op 29 januari 2008 aan [appellant 1] de Toyota [model], bouwjaar [jaar], kentekennummer [nummer] heeft verkocht.

3.3 [erflater] is op 22 mei 2008 hertrouwd met mevrouw [naam] en is daarna met haar aan [adres 2] de gaan wonen.

3.4 [erflater] is in januari 2009 overleden, achterlatende de geïntimeerden tevens lastgevers sub 1 tot en met sub 6 en mevrouw [naam] voornoemd, als zijn erfgenamen.

3.5 Op 8 februari 2009 heeft [appellanten] een aluminium boot, geregistreerd onder de naam [naam 2] en het no.[nummer 2], met trailer en een auto van het merk Toyota model [model], bouwjaar 1998, kentekennummer [nummer], aan [adres] weggenomen.

3.6 Op 15 februari 2009 heeft [appellanten] de garage aan [adres] afgebroken en de zinkplaten en balken daarvan meegenomen.

3.7 Bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad d.d. 15 april 2010 (A.R. no. 09-2265) van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding is [appellanten] onder meer veroordeeld om op eigen kosten de door haar afgebroken garage aan [adres], in de oorspronkelijke staat te herstellen en om aan [geïntimeerde 1] af te staan de in het vonnis omschreven aluminium boot met bijbehorende trailer en een motorvoertuig van het merk Toyota [model], zulks onder verbeurte van een dwangsom.

3.8 Zowel [geïntimeerde 1] als [appellant 1] hadden perceel no. [nummer 3] aan de [weg] in grondhuur aangevraagd, doch heeft [geïntimeerde 1] uiteindelijk daartoe de bereidverklaring d.d. 29 juli 2010 van de Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer ontvangen.

4. De vordering in eerste aanleg
[geïntimeerden] heeft in eerste aanleg in kort geding, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • [appellanten] te bevelen om op eigen kosten de garage aan [adres] in de oorspronke-lijke staat te herstellen;
  • [appellanten] te bevelen om aan haar af te staan de aluminium boot met trailer en de Toyota [model] bouwjaar [jaar];
  • [appellanten] te verbieden om [geïntimeerde 1] te molesteren of zich binnen een straal van 500 meter van de woning staande op het perceel aan [adres], te begeven;
  • alles op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag.

5. De grieven
[appellanten] heeft grieven aangevoerd, welke, zakelijk weergegeven, als volgt kunnen worden verwoord:
Grief 1 neerkomende op de rechtmatigheid van de afbraak van de garage [appellanten] stelt dat de kantonrechter ten onrechte ervan is uitgegaan dat [appellant 1] heeft erkend dat [geïntimeerde 1] woont aan [adres]. Tevens is de kantonrechter ten onrechte uitgegaan van de feitelijke situatie, daar zowel [appellant 1] als [geïntimeerde 1] het perceel aan [adres] in grondhuur heeft aangevraagd, terwijl [geïntimeerde 1] geen huurster is noch een titel op dit perceel heeft. Voorts is de garage niet door [geïntimeerde 1] gebouwd maar door wijlen [erflater], broer van [appellanten] en had [appellanten] toestemming voor de afbraak verkregen van de tweede echtgenote van wijlen [erflater].

Grieven 2 en 3 neerkomende op de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst tussen wijlen [erflater] en [appellant 1] resp. de afgifte van de boot
[appellanten] stelt dat de kantonrechter ten onrechte de ko[erflater] aan [appellant 1], terzijde heeft gelegd. Bovendien is [geïntimeede] geen erfgename noch partij bij de overeenkomst, weshalve zij de handelingen van wijlen [erflater] niet kan ontkennen. Daarenboven is het nummerbewijs van het voertuig niet relevant voor artikel 1998 van het Burgerlijk Wetboek (BW).Voorts wordt gesteld dat de aluminium boot reeds is afgestaan, terwijl de trailer nooit in het bezit is geweest van [appellanten]

Grief 4 neerkomende op niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde 1]
[appellanten] stelt dat [geïntimeerde 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen, daar zij geen verklaring van erfrecht heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij erfgename is.

6. De vordering in hoger beroep
[appellanten] concludeert in dit hoger beroep op deze gronden tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de gevorderde voorzieningen alsnog te ontzeggen.

7. Het verweer
[geïntimeerden] heeft de grieven van [appellanten] gemotiveerd weersproken onder overlegging van de navolgende producties:

  • een uittreksel van het Centraal Bureau voor Burgerzaken (CBB) d.d. 17 augustus 2010 ten name van [geïntimeerde 1];
  • een afschrift van een bereidverklaring van het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer (ROGB) d.d. 29 juli 2010 ten name van [geïntimeerde 1] met betrekking tot perceel no. [nummer 3] aan de [weg];
  • een verklaring van erfrecht d.d. 18 maart 2011;
  • een rapport met betrekking tot een echtheidsonderzoek van de handtekening van wijlen [erflater] d.d. 13 mei 2009.

Voor zover nodig zal het Hof bij de beoordeling nader ingaan op het door [geïntimeerden] gevoerd verweer.

8. De beoordeling
8.1 Met betrekking tot grief 4
[appellanten] heeft aangevoerd dat [geïntimeerde 1] niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vordering vanwege het ontbreken van een verklaring van erfrecht, waaruit blijkt dat zij gerechtigd is namens de overige geïntimeerden in rechte op te treden. In haar hoedanigheid als geïntimeerde pro se, kan zij de handeling van de erflater niet ontkennen omdat zij geen erfgename is.

Het Hof overweegt dat met de overlegging van de verklaring van erfrecht d.d. 18 maart 2011 in rechte is komen vast te staan dat de lastgevers, namens wie [geïntimeerde] als gemachtigde q.q. optreedt, tot de nalatenschap gerechtigd zijn. Aangezien zij als medegerechtigden bevoegd zijn goederen der nalatenschap die zich onrechtmatig onder derden bevinden van hen op te eisen, is [geïntimeerde 1] als lasthebber naar het oordeel van het Hof bevoegd onderhavige vordering in te stellen. Ten tijde van het instellen van de vordering had [geïntimeerde 1] een aanvraag gedaan voor uitgifte van het onderhavig perceelland in grondhuur, waardoor zij als belanghebbende dient te worden aangemerkt en deswege bevoegd is tot het instellen van de vordering pro se. Gelet op het vorenvermelde is [geïntimeerde 1] derhalve naar het oordeel van het Hof ontvankelijk in haar vorderingen pro se en q.q.
Grief 4 is derhalve ongegrond.

8.2 Met betrekking tot grief 1
[geïntimeerde 1] voert aan dat zij het perceelland aan [adres] reeds 45 jaren bewoont en een houten woning en opstallen op het perceelland heeft gebouwd. Zij heeft daartoe een uittreksel van CBB van 17 augustus 2010 overgelegd, waaruit blijkt dat haar adres “[adres]” is. Gedurende de behandeling in hoger beroep heeft [geïntimeerde 1] haar bereidverklaring tot uitgifte in grondhuur ter bebouwing en bewoning van het perceelland gelegen aan [adres], afkomstig van de Minister van ROGB en gedateerd 29 juli 2010, overgelegd. Hiermede staat thans in rechte vast dat [geïntimeerde 1] de belanghebbende van het perceelland aan [adres] is. Bovendien blijkt uit voornoemde bereidverklaring dat zij bij verzoekschrift d.d. 12 maart 2008 – dus reeds voor het instellen van de onderhavige vordering in eerste aanleg op 22 mei 2009 – de ‘[adres]’ heeft opgegeven als haar adres. Tegenover deze feitelijk onderbouwde stellingen van [geïntimeerde 1] betreffende haar adres, staat de blote ontkenning van [appellanten].

8.3 Het Hof overweegt dat uit het proces-verbaal van de op 8 december 2009 gehouden comparitie van partijen blijkt dat [geïntimeerde 1] onder andere heeft verklaard dat er 2 huizen op het erf gelegen aan [adres] waren. Zij verbleef in het huis voorin en wijlen [erflater] in het huis achterin, hetgeen [appellanten] niet heeft weersproken. [appellanten] heeft blijkens genoemd proces-verbaal daarop opgemerkt dat het perceel gelegen aan [adres] van [geïntimeerde 1] is, maar dat het een huurpacht perceel betreft hetwelk nu via de notaris is aangevraagd. Naar het oordeel van het Hof blijkt uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen niet dat [appellanten] heeft weersproken dat [geïntimeerde 1] op het perceelland woonachtig is. En uitgaande van de toen bestaande situatie, waarin [geïntimeerde 1] – als huurster en bewoonster van het perceel – en [appellant 1] het perceel in grondhuur hadden aangevraagd, is de kantonrechter naar het oordeel van het Hof terecht uitgegaan van de feitelijke situatie, waardoor grief 1 ongegrond is.

8.4 Met betrekking tot grieven 2 en 3
8.4.1 In eerste aanleg heeft [appellanten] zich ten aanzien van de rechtmatigheid van haar handelen onder meer beroepen op de koopovereenkomsten met [erflater] d.d. 28 en 29 januari 2008, waarbij aan [appellanten] de beterschap op het perceel aan [adres] is verkocht, alsmede de Toyota [model], bouwjaar [jaar], kentekennummer [nummer]. [geïntimeerde 1] heeft de echtheid van de handtekening van wijlen [erflater] betwist en zich beroepen op de nietigheid van die overeenkomsten, ter onderbouwing waarvan zij het resultaat van het door [bedrijf] Onderzoeks- en adviesbureau verrichte onderzoek naar de echtheid van de handtekening van wijlen [erflater] heeft overgelegd. De betwiste koopovereenkomsten konden volgens [geïntimeerden] derhalve niet langer tot bewijs van de gestelde koop van de beterschap van het onderhavige perceel en de koop van het voertuig dienen. [appellanten] heeft voornoemd echtheidsrapport gemotiveerd betwist. Het Hof is van oordeel dat de procedure in kort geding zich niet leent voor een onderzoek naar de echtheid van de handtekening, waardoor naar het voorlopig oordeel van het Hof geen rekening kon worden gehouden met die overeenkomsten, als gevolg waarvan de door [appellanten] gestelde grond voor haar optreden is komen weg te vallen.

8.4.2 Naar het voorlopig oordeel van het Hof kon na dat wegvallen evenmin een geslaagd beroep gedaan worden op het bepaalde in artikel 1998 BW. De stelling van [geïntimeerden] dat [appellanten] op zondag 08 februari 2009 naar het huis van [geïntimeerde 1] is gegaan en goederen heeft weggenomen, waaronder een auto van het merk Toyota model [model], bouwjaar [jaar], kentekennummer [nummer], is niet weersproken door [appellanten]. Voorts heeft [appellanten] tijdens de comparitie van partijen verklaard dat [geïntimeerden] had meegeholpen bij de aanschaf van de auto en dat zij erkent dat de kinderen Euro 3.000,- hebben betaald voor de auto, terwijl zij Euro 1.600,- heeft terugbetaald aan de kinderen. [geïntimeerden] heeft bevestigd dat de kinderen de auto hadden gekocht en dat deze op naam van wijlen [erflater] stond geschreven, terwijl zowel de koopovereenkomst als de betaling van Euro 1.600,- wordt betwist. Nu [appellanten] in de conclusie na gehouden comparitie van partijen niet nader is ingegaan op voornoemde betwisting, concludeert het Hof vooralsnog dat aannemelijk is geworden dat [geïntimeerden] de rechtmatige eigenaar van de auto is, waardoor het beroep op artikel 1998 BW niet opgaat. Bovendien, overweegt het Hof dat [appellanten] niet te goeder trouw is in het beroep, nu aannemelijk is geworden dat [appellanten] de auto onrechtmatig uit de garage van [geïntimeerde 1] heeft weggenomen.

8.5 Indachtig het onder 8.4 overwogene wordt geconcludeerd dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat de koop van de beterschap van het onderhavige perceel en de koop van het voertuig tot stand zijn gekomen. Evenmin kan [appellanten] zich beroepen op de verkregen toestemming van de tweede echtgenote van de erflater om de garage af te breken, nu uit de stellingen van partijen vooralsnog is gebleken dat de erflater met zijn tweede echtgenote heeft gewoond, althans woonde op perceel no. [nummer 4] aan de [weg], terwijl naar het voorlopig oordeel van het Hof aannemelijk is geworden dat [geïntimeerde 1] woont op perceel no. [nummer 3] aan de [weg], alwaar de garage is afgebroken. [appellanten] heeft naar het voorlopig oordeel van het Hof dus onrechtmatig gehandeld door de garage staande op perceel no.[nummer 3] aan de [weg] af te breken en zich het voertuig toe te eigenen.

8.6 [geïntimeerden] heeft erkend dat [appellanten] inmiddels de aluminium boot aan haar heeft afgestaan, weshalve het daarop betrekking hebbende onderdeel van grief 3 verder buiten beschouwing zal worden gelaten. [appellanten] heeft bij pleitnota onder grief 3 voorts aangevoerd dat zij de trailer nooit in haar bezit heeft gehad. Dit heeft [geïntimeerden] bij antwoordpleitnota onder punt 7 weersproken. Derhalve had het naar het oordeel van het Hof op de weg van [appellanten] gelegen bij repliekpleitnota daar nader op in te gaan en zo mogelijk feitelijk onderbouwd verweer te voeren. Echter heeft [appellanten] dit nagelaten waardoor geconcludeerd kan worden dat [appellanten]. de bij de boot behorende trailer wel in haar bezit heeft gehad, zodat zij gehouden is tot de teruggave daarvan aan [geïntimeerden].

8.7 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de grieven ongegrond zijn, waardoor het vonnis waarvan beroep, bevestigd zal worden onder aanvulling van gronden.

8.8 [appellanten] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerden] gevallen en wel zoals nader begroot in de beslissing.

9. De beslissing in hoger beroep in kort geding
Het Hof:

9.1 Bevestigt het vonnis d.d. 15 april 2010 (A.R. no. 09-2265) waarvan beroep, onder aanvulling van gronden.

9.2 Veroordeelt [appellanten] in de proceskosten aan de zijde van Riasat c.s. gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, lid, en mr. S.S. Nanhoe, lid-plaatsvervanger, en w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 februari 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellanten, en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van geïntimeerden, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2015-9

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende in [district],
appellant, hierna aangeduid als “[appellant]”,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigden: mr. M.J. Stekkel, jurist bij het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer en mr. J.M. Nibte, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 11 maart 2010 (A.R. 093526) tussen [appellant] als eiser de Staat als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op de in de onderhavige zaak tussen partijen gewezen tussenvonnissen van 19 oktober 2012 en 19 juli 2013.

Het verder procesverloop in hoger beroep
1.1 Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het proces-verbaal van de op 17 januari 2014 gehouden comparitie van partijen;
  • het proces-verbaal van de op 21 februari 2014 gehouden voortzetting van de comparitie van partijen;
  • de conclusie na comparitie van partijen zijdens de Staat d.d. 4 juli 2014;
  • de conclusie na comparitie van partijen zijdens [appellant] d.d. 18 juli 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De beoordeling
2 Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1 De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] om de Staat ertoe te veroordelen binnen een maand te beslissen op zijn verzoekschrift van
27 september 2006 afgewezen. Daartoe is overwogen dat niet [appellant] maar diens dochter [naam], als de belanghebbende, de vordering tegen de Staat had moeten instellen ter verkrijging van het zakelijk genotsrecht van grondhuur op het betreffend perceelland.

2.2. Het Hof is echter van oordeel dat deze overweging geen stand kan houden. Het verzoekschrift van 27 september 2006 strekt er weliswaar toe het recht van grondhuur te doen toekomen aan voornoemde dochter van [appellant], maar de vordering in eerste aanleg is erop gericht dat de Staat een besluit neemt ten aanzien van het verzoek dat [appellant] heeft gedaan. [appellant] heeft als degene die het verzoek heeft gedaan, het recht te vorderen dat de Staat een besluit neemt op het door hem ingediend verzoek, zodat hij ontvankelijk is in zijn vordering. Het bestreden vonnis zal derhalve worden vernietigd.

2.3 De Staat heeft als verweer aangevoerd dat [appellant] bij schrijven van 12 juli 2000 het verzoek heeft gedaan het recht van grondhuur op betreffend perceelland te doen toekomen aan de Stichting [stichting], hierna aangeduid als “de Stichting”. [appellant] heeft weliswaar gevraagd dit verzoek aan te houden, maar heeft het verzoek niet ingetrokken.
De Staat meent dat zij niet zonder meer ertoe kan overgaan een besluit te nemen op een later verzoek, zonder dat op een eerder ingediend verzoek is beslist.

2.4 [appellant] heeft hiertegenover ingebracht dat het verzoek om het recht van grondhuur op perceelland toe te kennen aan de Stichting, is ingetrokken. Daarbij is verwezen naar de brieven zijdens [appellant] d.d. 30 april 2001, 17 mei 2001, 21 mei 2007 en het schrijven van het Hoofd van de Dienst Grondinspectie van 20 juli 2007 aan het Hoofd van de Dienst der Domeinen.

2.5 Bij tussenvonnis van 19 juli 2013 is een comparitie gelast ter verstrekking van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke schikking. Dergelijke vereniging is niet bereikt.

2.6 Het Hof constateert dat in de door [appellant] aan de Staat gerichte brief van 30 april 2001 het verzoek is gedaan de behandeling van het verzoek ten aanzien van de Stichting even aan te houden tot nader bericht van [appellant]. In het schrijven van de procesgemachtigde van [appellant] van 17 mei 2001 is het volgende vermeld:
“Bij schrijven van 30 april 2001 is door mijn client(en) de heer [appellant] en zijn echtgenote … het verzoek gedaan voor de overdracht van het perceelland ter uitoefening van de land- of tuinbouw of veeteelt, groot 1.81 ha, gelegen aan de [weg] in [district], bekend als nummer [nummer].
Namens mijn cliente(n) trek ik hierbij bovenvermeld schrijven in.

Ik doe U hierbij namens mijn client(en) het verzoek bij hun schrijven d.d. 12 juli 2000 door hen gedaan verzoek om bovenvermeld perceelland over te dragen aan de Stichting [stichting]… aan te houden tot nader bericht mijnerzijds.”

Uit de hierboven vermelde brieven blijkt naar het oordeel van het Hof niet dat het verzoek tot toekenning van het recht van grondhuur aan de Stichting zijdens [appellant] is ingetrokken.

2.7 Het Hof constateert verder dat in het schrijven van [appellant] d.d. 21 mei 2007 aan de Staat onder meer het volgende is vermeld:
“dat hij daarna bij verzoekschrift dd. 12 juli 2000, onder La D. No. [nummer 2] ingediend op 29 maart 2001, had gevraagd het stuk grond te mogen overdragen aan de stichting [stichting];…

dat bij schrijven van zijn advocaat Mr. F.F.P. Truideman d.d. 17 mei 2001 aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen het verzoek heeft gedaan bovenvermelde overdracht in te trekken en nader bericht af te wachten;…

dat nogmaals onder uw aandacht wordt gebracht dat de stichting niet operationeel is en derhalve het verzoek tot overdracht aan de stichting wordt ingetrokken;”

Uit dit schrijven blijkt naar het oordeel van het Hof onomstotelijk dat [appellant] het ten behoeve van de Stichting gedane verzoek heeft ingetrokken. Weliswaar is het onjuist, gelijk reeds onder 2.6 van dit vonnis is overwogen, dat de door hem getrokken conclusie dat bedoeld verzoek reeds bij schrijven van zijn advocaat d.d. 17 mei 2001 is ingetrokken. Dit leidt ertoe dat ervan dient te worden uitgegaan dat bedoeld verzoek bij schrijven d.d. 21 mei 2007 is ingetrokken. Nu geconcludeerd is dat het verzoek is ingetrokken, houdt het door de Staat ten aanzien hiervan gevoerd verweer geen stand. Het staat een verzoeker naar het oordeel van het Hof vrij een door hem ten behoeve van een derde aan de Staat gedaan verzoek in te trekken. Het Hof begrijpt uit het door de Staat ten processe aangevoerde dat de Staat het nemen van een besluit uitstelt om te voorkomen dat de Stichting de Staat aanspreekt ter vergoeding van door haar geleden schade. Echter is zulks, nu het verzoek door [appellant] is ingetrokken, in dit geding niet relevant. Indien immers de Stichting door de intrekking schade lijdt, is niet de Staat, maar [appellant] daarvoor aansprakelijk. De vordering van [appellant] zal derhalve worden toegewezen.

2.8 De door [appellant] gevorderde dwangsom komt het Hof bovenmatig voor en zal derhalve gemitigeerd en gemaximaliseerd worden.

2.9 De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

3.1 Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 11 maart 2010, A.R. No. 093526 en opnieuw recht doende gelast de Staat om binnen twee maanden na de uitspraak over te gaan tot het nemen van een beslissing op de aanvraag van [naam] d.d. 27 september 2006, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 3.000,= (drieduizend Surinaamse Dollar) voor iedere dag dat de Staat nalatig blijft uitvoering te geven aan het vonnis, met dien verstande dat de maximaal te verbeuren dwangsom het bedrag van SRD 600.000 (zeshonderdduizend Surinaamse Dollar) niet te boven gaat.

3.2 Veroordeelt de Staat in de kosten van het geding aan de zijde van [appellant] in eerste aanleg en in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 372,–;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. D.G.W. Karamat Ali, Leden, en w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 maart 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. C.A. Meijnaar namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2012-7

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GENERALE ROL NO. 14658

[appellant], wonende aan de [weg] perceel 51 d Br. 173 in [district],
ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Einaarstraat no. 8,
voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F.F.P. Truideman, advocaat,
appellant in Kort Geding,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,
ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraaat no. 3 te Paramaribo,
voor wie als gemachtigde optreedt, mr. J. Nibte, advocaat en mr. M.J. Stekkel, gemachtigde geïntimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [appellant] zich bij verzoekschrift tot het Hof van Justitie heeft gewend, daarbij stellende:
1.dat de eiser de navolgende rechtsvordering in Kort Geding wenst in te stellen tegen De Staat Suriname, rechtspersoon, met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo, gedaagde;
2. dat aan de eiser bij overeenkomst/beschikking d.d. 11 december 1978 no. [nummer 1] het huurrecht is verleend op het perceelland groot 1.81 ha, gelegen aan de [weg] en bekend als perceel no. [nummer 2], met het verzoek de inhoud van deze overeenkomst/beschikking als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen;
3. dat de eiser bij schrijven d.d. 12 juli 2000 aan de gedaagde heeft gevraagd dat het litigieuze recht van huur in grondhuur wordt overgedragen aan de Stichting [stichting], met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen;
4. dat de eiser bij schrijven d.d. 27 september 2006 de Minister heeft gevraagd om het recht van grondhuur niet meer te verlenen aan de Stichting [stichting], maar aan zijn dochter [naam], met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen;
5. dat de gedaagde tot op heden op de aanvraag van de eiser d.d. 27 september 2006 niet heeft beslist, waardoor de eiser terzake in grote rechtsonzekerheid verkeert en heeft volgens artikel 158 GW het recht de rechter te naderen, daar hij het grondwettelijk recht heeft om door de organen van de Overheidsadministratie geïnformeerd te worden over de voortgang van zaken waar hij direct belang bij heeft en omtrent eindbeslissing, met betrekking tot het gevraagde;
6. dat de gedaagde dit grondwettelijke voorschrift op ernstige wijze heeft overschreden, zodat de eiser een dringend spoedeisend belang heeft om de hulp van de Kort Geding rechter in deze in te roepen, teneinde de gedaagde te gelasten op korte termijn een beslissing te nemen op het gedane verzoek van de eiser d.d. 27 september 2006;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren de gedaagde zal worden gelast om binnen een maand na de uitspraak, althans binnen een door de rechter in goede justitie te bepalen termijn over te gaan tot het nemen van een beslissing op de aanvraag d.d. 27 september 2006, waarbij het verzoek is gedaan het huurrrecht om te zetten in grondhuur ten name van [naam], bezitster van de Surinaamse Nationaliteit, van het perceelland groot 1.81 ha, gelegen in [district] aan de [weg] en bekend als no. [nummer 2], alles onder verbeurte van een dwangsom van Srd.20.000,– (twintigduizend surinaamse dollars), voor iedere dag dat de gedaagde nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven, Kosten rechtens;

Overwegende, dat ten dage voor antwoord bepaald, de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie van antwoord heeft genomen onder overlegging van produkties, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde producties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter in Kort Geding bij vonnis van 11 maart 2010 op de daarin opgenomen gronden:
De eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering;
Hem in de kosten van dit proces heeft verwezen, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 11 maart 2010;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Tjanderdewkoemar Jhagroe van 22 juli 2011 No. 429 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellant bij pleitnota producties overgelegd, wordende de inhoud – alsmede die van de overgelegde producties – hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op 19 oktober 2012, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
En alvorens verder te beslissen;
Gelast partijen, appellant in persoon en geïntimeerde deugdelijk vertegenwoordigd, desgewenst vergezeld van hun respectieve gemachtigden ter terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 7 december 2012 des voormiddags te 11:00 uur te verschijnen voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling;

Houdt iedere verdere beslissing aan;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. D.G.W. Karamatali, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 19 oktober 2012, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door mr. D.M. Peterhof namens zijn gemachtigde, advocaat mr. F.F.P. Truideman en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Amirkhan namens zijn gemachtigde, advocaat mr. J. Nibte, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2013-3

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GENERALE ROL NO. 14658

[appellant],
wonende aan de [weg] perceel 51 d Br. 173 in [district],
ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Einaarstraat no. 8,
voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F.F.P. Truideman, advocaat,
appellant in Kort Geding,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,
ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo,
voor wie als gemachtigde optreedt, mr. J. Nibte, advocaat en mr. M.J. Stekkel, gemachtigde,
geïntimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hoven interlocutoir vonnis van 19 oktober 2012 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ‘s Hoven voormeld vonnis is beslist en voorts;
Overwegende, dat bij de door het Hof bevolen en gehouden comparitie van partijen op 7 december 2012 zijn verschenen, de heer [appellant], appellant in persoon, mevrouw [naam], dochter van appellant, advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellant en mr. M.J. Stekkel, gemachtigde van het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond-en Bosbeheer, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd, waarna de voortzetting van comparitie van partijen is gehouden op 15 februari 2013 en zijn verschenen, de heer [appellant], appellant in persoon, mevrouw [naam], dochter van appellant, advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellant en mr. M.J. Stekkel, gemachtigde van het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond-en Bosbeheer, waarna de zaak verwezen is naar de civiele rolzitting van vrijdag, 15 maart 2013 inzake conclusie na gehouden comparitie van partijen;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 15 maart 2013 en 5 april 2013, de gemachtigden van partijen een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden comparitie van partijen heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Het gestelde in het 5e sustenu van de conclusie na gehouden comparitie van partijen van geïntimeerde geeft het Hof aanleiding andermaal een comparitie van partijen te gelasten tot het inwinnen van inlichtingen en meer in het bijzonder het beproeven van een minnelijke regeling.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:
En alvorens verder te beslissen;
Gelast partijen, ambtshalve om in persoon, verweerder deugdelijk vertegenwoordigd, desgewenst vergezeld van hun respectieve gemachtigden, om ter terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 1 november 2013 des voormiddags te 10:00 uur (TIEN UUR) te verschijnen voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een vereniging;

Bepaalt, dat deze comparitie van partijen zal worden gehouden ten overstaan van een Rechter-Commissaris, als hoedanig hierbij wordt benoemd, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid van het Hof van Justitie;

Houdt iedere verdere beslissing aan;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. D.G.W. Karamatali, Lid-Plaatsvervanger en w.g. D.D. Sewratan door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag, 19 juli 2013, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens zijn gemachtigde advocaat mr. F.F.P. Truideman en geintimeerde vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne namens zijn gemachtigde, mr. J.M. Stekkel, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2015-8

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van:

[appellante],
wonende te [district],
appellante, hierna (ook wel) aangeduid als [appellante], e.a
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende in [district 2],
geïntimeerde, hierna (ook wel) aangeduid als [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocate,

gelet op het door het Hof gewezen tussenvonnis van 03 januari 2014 inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 10 november 2008 (A.R.No. 08-0040) tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie tevens gedaagde in reconventie in kort geding tegen [appellante] als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie in kort geding alsmede tegen [gedaagde 1],[gedaagde 2] en [gedaagde 3] als gedaagden in conventie in kort geding,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • de verklaring van de griffier d.d. 18 maart 2009 waaruit blijkt dat [appellante] op 18 maart 2009 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 20 april 2012;
  • het antwoord pleitnota d.d. 03 augustus 2012;
  • het repliek pleitnota d.d. 05 oktober 2012, met een productie;
  • de dupliek pleitnota en uitlating productie d.d. 15 februari 2013;
  • het vonnis in het incident d.d. 03 januari 2014;
  • het proces-verbaal van het gehouden verhoor van partijen d.d. 25 maart 2014;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis welke is bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Partijen waren op de dag van de uitspraak van het vonnis waarvan beroep d.d. 10 november 2008, noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting aanwezig. Een afschrift van het vonnis is aan partijen per griffiersbrief d.d. 16 maart 2009 verstrekt. Nu [appellante] bij schrijven van haar gemachtigde op 18 maart 2009 appèl heeft aangetekend, is dit appèl tijdig geschied en kan zij daarin worden ontvangen.

3. De feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist en op grond van de inhoud van de overgelegde bescheiden, voorzover niet bestreden, staat het volgende tussen partijen vast.

3.1 De heer [gedaagde 3] (hierna: [gedaagde 3]) heeft door overschrijving van een afschrift der akte verkoop en koop d.d. 27 september 1984 in register C 943 onder nummer [nummer 1] op 04 oktober 1984 de eigendom verkregen van het perceelland, groot 781,55 m² met alhetgeen daaropstaat, gelegen in [district 3], thans [district], ten westen van de [weg] op de kaart van de landmeter Ing. Ch. Kanhai d.d. 21 december 1982 aangeduid met de letters ABCD en met het nummer 151 (hierna: het perceelland).

3.2 Blijkens akte d.d. 02 april 1991 verleden ten overstaan van de notaris, mr. Ramdew Ramautar, heeft de heer [naam], handelende als gevolmachtigde van de heer [gedaagde 3] en mevrouw [gedaagde 2], krachtens een onderhandse akte van lastgeving getekend te [district] d.d. 23 juli 1990, welke onderhandse akte van lastgeving door de lasthebber in tegenwoordigheid van de notaris en de na te noemen getuigen voor echt is erkend en ten blijke waarvan door allen ondertekend aan de minuutakte wordt vastgehecht, het perceelland aan [geïntimeerde] verkocht, welke akte op 11 april 1991 is overgeschreven in register C 1146 onder nummer [nummer 2].

3.3 [geïntimeerde] verhuurt vanaf het jaar 1991 het pand gelegen op het litigieuze perceelland aan derden.

3.4 [gedaagde 3] voornoemd is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met mevrouw [gedaagde 2], welk huwelijk op 22 april 1993 is ontbonden middels echtscheiding, waarbij partijen nimmer tot scheiding en deling zijn overgegaan.

3.5 Op 05 april 1993 wordt onder overlegging van een verklaring, gedagtekend 16 februari 1993, in het hypotheekregister aangetekend dat [gedaagde 3], krachtens artikel 173 van het Decreet C-11 van 11 maart 1981, Staatsblad no. 23, jegens de heer [geïntimeerde] heeft verklaard, dat hij de verkoop en levering van het in dit register onder nummer [nummer 2] omschreven percelen door zijn echtgenote, [gedaagde 2], nietig verklaard.

3.6 In de zaak bekend onder A.R.no.920475 van [appellante] tegen [gedaagde 3], [gedaagde 2], [geïntimeerde] en [naam], heeft [appellante] ondermeer gevorderd om de notariële akte d.d. 02 april 1991 nietig te verklaren althans te vernietigen met veroordeling van [gedaagde 3] en [gedaagde 2] tot levering van het perceelland aan [appellante]. Zij stelde daartoe dat zij het perceelland in of omstreeks de eerste helft van 1990 van [gedaagde 3] en [gedaagde 2] heeft gekocht en waarvoor zij ook de koopprijs van Sf 650.000,- aan hen had voldaan; voorts dat het perceelland bewust niet aan haar is geleverd, doch aan [geïntimeerde] en wel voor de koopsom van Sf 70.000,-, hetgeen in strijd is met de wet en goede zeden en dus een ongeoorloofde oorzaak oplevert, als gevolg waarvan de notariële akte ingevolge artikel 1341 lid 4 BW nietig is; Tenslotte stelde zij dat de bij voornoemde akte gebruikte volmacht niet ondertekend door [gedaagde 3], waardoor de koop/verkoop aan [geïntimeerde] nietig, althans vernietigbaar is.

3.7 Bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 22 juni 2004 in de zaak bekend onder A.R.no. 920475, is de vordering van [appellante] ontzegd, onder de overweging dat [appellante] er niet in was geslaagd het van haar verlangde bewijs van de gestelde koop/verkoop overeenkomst te leveren, waardoor deze niet in rechte was komen vast te staan.

3.8 Bij akte d.d. 13 juni 2007 verleden ten overstaan van de notaris mr. Christiaan Albert Calor, hebben de heer [gedaagde] en mevrouw [gedaagde 2], echtelieden, aan [appellante] verkocht en overgedragen de eigendom van de onverdeelde helft in het perceelland, welke akte op 18 juni 2007 is overgeschreven in register C 1798 onder nummer [nummer 3].

3.9 De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft bij vonnis in kort geding van 10 november 2008 (A.R.No. 08-0040), in de zaak van [geïntimeerde] tegen [appellante], [gedaagde], [gedaagde 2] en [gedaagde 3], ondermeer als volgt beslist:

  • in conventie de werking van de eigendomslevering, zoals opgenomen in de akte van 13 juni 2007, waarbij [gedaagde] en [gedaagde 2] de onverdeelde helft in het litigieuze perceelland aan [appellante] hebben verkocht en overgedragen, geschorst totdat in de bodemprocedure definitief hierover zal zijn beslist en [gedaagde 3] gelast om het in deze gewezen vonnis te gehengen en te gedogen, met de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis;
  • in reconventie de vordering afgewezen.

3.10 Henk heeft in de zaak tussen partijen bekend onder A.R.no. 08-0015 ondermeer de nietigheid van de akte d.d. 13 juni 2007 gevorderd.

4. De vorderingen in eerste aanleg

4.1 [geïntimeerde] heeft in conventie gevorderd om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:
I. De werking van de eigendomslevering, zoals opgenomen in de akte van 13 juni 2007, waarbij [gedaagde] en [gedaagde 2] de onverdeelde helft in het litigieuze perceelland aan [appellante] hebben verkocht en overgedragen, te schorsen althans op te schorten totdat in de bodemprocedure definitief hierover zal zijn beslist.
II. De bewaarder van de registers van het Hypotheekkantoor te gelasten de overschrijving op 18 juni 2007 van de akte van transport van 13 juni 2007 in register C 36078 en straatregister 86557, door te halen.
III. [gedaagde 3] te gelasten het in deze te wijzen vonnis te gehengen en te gedogen.

4.2 [appellante] heeft in reconventie gevorderd om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:
I. [geïntimeerde] te verbieden zich als eigenaar van het litigieuze perceelland te gedragen.
II. Voorts zich te onthouden van elke handeling of nalaten, die inbreuk maakt op de eigendomsrechten van [appellante], inclusief het zich vertonen op het litigieuze perceelland, alles op straffe van een direct opvorderbare dwangsom ad SRD 10.000,- voor iedere dag of keer dat gedaagde weigert aan het te wijzen vonnis te voldoen.

5. De grieven
[appellante] heeft in hoger beroep grieven aangevoerd welke als volgt kunnen worden verwoord:

Grief I: neerkomende op de nietigheid van de akte van transport d.d. 02 april 1991.
Ten onrechte neemt de kantonrechter in overweging 4.3 aan dat [geïntimeerde] in processuele zin als de vermoedelijke rechthebbende c.q. de eigenaar van het perceel moet worden aangemerkt op grond de overweging dat [geïntmeerde] het litigieuze perceel al zeker 16 jaren verhuurt en als zodanig als de bezitter mag worden aangemerkt. Dit, ondanks [appellante] duidelijk heeft bewezen dat de volmacht die [geïntimeerde] heeft gebruikt om de notariële akte van overdracht te bewerkstelligen om het perceel op zijn naam over te schrijven, nooit is ondertekend door [gedaagde 3], die als eigenaar in openbare registers geboekt stond. De akte van transport die is ondertekend met gebruikmaking van de niet-ondertekende volmacht, ontbeert dus van meet af aan rechtsgevolg. [geïntimeerde] is dus nooit eigenaar geworden noch is hij bezitter geweest, althans is hij nooit bezitter te goeder trouw geweest.

Grief II: neerkomende op een onterechte belangenafweging.
Ten onrechte overweegt de kantonrechter in overweging 4.4 dat [geïntimeerde] er alle belang bij heeft dat zijn vermeende eigendomsrechten hem ex artikel 604 lid 1 en 604 lid 2 BW geboden, niet illusoir worden gemaakt in die zin dat hij er alle belang bij heeft niet met een eventuele verkoop en overdracht van het litigieuze perceelland door gedaagden geconfronteerd te worden. De kantonrechter zelf spreekt van vermeende eigendomsrechten. Bij deze overweging heeft de kantonrechter dus een onjuiste belangenafweging gemaakt en op grond van vermeende rechten van [geïntimeerde] de balans in zijn richting zwaarder doen wegen, terwijl de belangen van [appellante] ten onrechte licht of van geen belang zijn bevonden hoewel haar eigendomsrechten wel bestaan. Zij is met name voor de helft eigenaar van het litigieuze perceelland, terwijl [gedaagde 3] voornoemd voor de andere helft eigenaar is.

Grief III: neerkomende op de ten onrechte afwijzing van de vordering in reconventie.
Ten onrechte overweegt de kantonrechter in overweging 4.7 dat op grond van de vermeende processuele vermoedens het onjuist zou zijn het door [appellante] in reconventie gevorderde toe te wijzen. Dit, terwijl al duidelijk gebleken is dat de processuele vermoedens waar de kantonrechter van uitgaat, onjuist zijn. Als de kantonrechter voor een moment de volmacht waarvan Henk gebruik heeft gemaakt bij het ondertekenen van de transport akte (lees: had gezien), dan had hij net als [appellante] direct gezien dat de handtekening van [gedaagde 3] ontbreekt, met andere woorden is [gedaagde 3] voornoemd onbevoegd vertegenwoordigd (lees: geweest). De transport akte ontbeert dus elke rechtskracht waarmee de grondslag die [appellante] stelt in rechte is komen vast te staan en de vordering in reconventie diende te worden toegewezen.

Grief IV: neerkomende op de ten onrechte veroordeling in de proceskosten.
Nu vaststaat dat de vordering in conventie diende te worden afgewezen en die in reconventie diende te worden toegewezen, is het rechtens duidelijk dat [appellante] ten onrechte is veroordeeld in de proceskosten.

6. De vordering in Hoger Beroep
[appellante] concludeert in dit hoger beroep op deze gronden te vernietigen het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de vordering in conventie af te wijzen en de vordering in reconventie toe te wijzen.

7. Het verweer
[geïntimeerde] heeft tegen de door [appellante] aangevoerde grieven verweer gevoerd erop neerkomende dat de aangevoerde grieven geen stand kunnen houden. Bij de beoordeling zal het Hof voor zover nodig daarop terug komen. [geïntimeerde] concludeert ten slotte dat hij zich kan verenigen met de beslissing van de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep ten aanzien van het gevorderde onder sub I en sub III van zijn inleidend verzoekschrift, doch kan hij niet meegaan met de ter zake gegeven beslissing in overweging 5.2 van het dictum van voormeld vonnis met betrekking tot het gevorderde onder II van zijn inleidend verzoekschrift. Henk voert hiertoe aan dat de kantonrechter onjuist tot de conclusie is gekomen dat de doorhaling van de overschrijving van de transport akte van 18 juni 2007 niet kan worden gevorderd. Het handhaven en herstellen van het bezit van een bezitter te goeder trouw brengt ook met zich mee dat ook de feitelijke situatie wordt teruggebracht in de toestand voor de verstoring in de vermoedelijke eigendom van de bezitter.

8. De verdere beoordeling

8.1 Het Hof volhardt geheel bij hetgeen in meergenoemd tussenvonnis is overwogen en beslist.

8.2 Het Hof heeft in vermeld tussenvonnis van 04 januari 2014, partijen in de gelegenheid gesteld de zaak mondeling te bepleiten, hetgeen ook is geschied.

8.3 De gemachtigde van [appellante] heeft voor zover van belang bij het mondelinge pleidooi aangevoerd dat uit de door haar bij repliekpleidooi overgelegde volmacht blijkt dat de handtekening van [gedaagde 3] daarop ontbreekt, daar hij de machtiging nooit heeft ondertekend. Op de volmacht zijn duidelijk te onderscheiden de handtekeningen van mevrouw [gedaagde 2], meneer [naam], de notaris Ramautar en twee andere handtekeningen die niet anders kunnen zijn dan van de getuigen in de akte genoemd. Als dus de handtekening van de eigenaar ontbreekt, kan er van een rechtsgeldige overdracht aan [geïntimeerde] nimmer sprake zijn en dus mocht de Kantonrechter in zijn vonnis er ook niet van uitgaan dat [geïntimeerde] al jaren beheersdaden onderneemt en zich daarom heeft gedragen als eigenaar en dus als eigenaar zou moeten worden aangemerkt.

8.4 [geïntimeerde] heeft voor zover van belang bij het mondelinge pleidooi aangevoerd dat de thans aan de orde zijnde rechtsvragen reeds zijn beantwoord door de Kantonrechter in het vonnis gewezen tussen partijen in 2004, welk vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Voorts was [appellante] geen partij bij de overeenkomst van 1991. Bovendien kan een machtiging die onvolkomenheden heeft worden bekrachtigd en is het niet zo dat alles daardoor nietig is.

8.5 Beoordeling met betrekking tot grief I.
Voorop wordt gesteld dat hoewel [appellante] geen partij was bij de overeenkomst c.q. de akte van 02 april 1991, zij hetzelfde perceelland in kwestie van [gedaagde 2] heeft gekocht in 2007, waardoor haar belang als ‘rechtsopvolger’ in rechte vast staat. Het Hof heeft kennis genomen van de door [appellante] overgelegde volmacht d.d. 23 juli 1990 en constateert vooralsnog – zoals gesteld door [appellante] en niet althans onvoldoende betwist door [geïntimeerde] – dat de volmacht slechts is ondertekend door mevrouw [gedaagde 2] en dat [gedaagde 3] de volmacht, als haar toenmalig echtgenoot, niet heeft mede-ondertekend. Dit wordt nog eens bevestigd door de aantekening gemaakt op 05 april 1993 in de openbare registers van de verklaring van nietigheid uitgesproken door [gedaagde 3] met betrekking tot de verkoop van het perceelland door [gedaagde 2] aan [geïntimeerde]. Naar het voorlopig oordeel van het Hof brengt het enkele feit dat [gedaagde 3] de volmacht niet heeft mede-ondertekend, niet met zich mee dat er geen sprake is van een rechtsgeldige overdracht van het perceelland aan [geïntimeerde]. Zoals terecht gesteld door [appellante] kan de andere echtgenoot, in casu [gedaagde 3], ingevolge artikel 173 BW middels een tot de wederpartij bij die handeling gerichte verklaring een dergelijke rechtshandeling vernietigen binnen een jaar nadat bedoelde rechtshandeling ter kennis is gekomen van die andere echtgenoot, in casu [gedaagde 3]. Nu niet aannemelijk is geworden dat de nietigverklaring door [gedaagde 3] is uitgesproken tegen [geïntimeerde], is naar het voorlopig oordeel van het Hof in ieder geval niet voldaan aan de vereiste van artikel 173 BW, zodat de aantekening in de openbare registers van voornoemde verklaring geen rechtsgevolgen heeft. Het voorgaande brengt met zich mee dat hoewel [gedaagde 3] de volmacht d.d. 27 juli 1990 niet heeft mede-ondertekend, het perceelland naar het voorlopig oordeel van het Hof rechtsgeldig door [gedaagde 2] aan [geïntimeerde] is verkocht en overgedragen bij akte d.d. 02 april 1991. De kantonrechter in eerste aanleg is dan ook terecht uitgegaan van het vermoeden van het eigendomsrecht van [geïntimeerde], weliswaar is de kantonrechter langs een andere weg tot het voorlopig oordeel gekomen. In zoverre zal verbetering van rechtsgronden geschieden. Grief I is derhalve ongegrond.

8.6 Beoordeling met betrekking tot grief II.
Nu het Hof voorshands heeft geconcludeerd dat het perceelland rechtsgeldig aan [geïntimeerde] is overgedragen bij akte d.d. 02 april 1991, wordt het ervoor gehouden dat [gedaagde 2] niet beschikkingsbevoegd was hetzelfde perceelland aan [appellante] over te dragen bij akte d.d. 13 juni 2007, immers kan [gedaagde 2] geen eigendomsrechten overdragen die zij niet (meer) heeft. Aangezien [geïntimeerde] in de zaak tussen partijen bekend onder A.R.no. 08-0015 ondermeer de nietigheid van de akte van overdracht aan [appellante] d.d. 13 juni 2007 heeft gevorderd, zal de vordering van [geïntimeerde] naar een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden toegewezen. Nu niet aannemelijk is geworden dat [appellante] eigenaar is geweest van de onverdeelde helft van het litigieuze perceelland, is naar het voorlopig oordeel van het Hof de kantonrechter in eerste aanleg daarom terecht voorbij gegaan aan aan het hetgeen [appellante] terzake heeft gesteld. Ook de tweede grief is ongegrond.

8.7 Beoordeling met betrekking tot grief III.
Nu de eigendomsrechten van [geïntimeerde] aannemelijk zijn geworden, terwijl aannemelijk is geworden dat [appellante] van een beschikkingsonbevoegde overgedragen heeft gehad, heeft de kantonrechter in eerste aanleg de vordering in reconventie terecht afgewezen. Ook deze grief faalt.

8.8 Beoordeling met betrekking tot grief IV.
Nu de door [appellante] aangevoerde grieven ongegrond zijn bevonden en de vordering in reconventie in eerste aanleg terecht is afgewezen, is [appellante] naar het voorlopig oordeel van het Hof als de in het ongelijk gestelde partij terecht veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg.

8.9 Met betrekking tot het door [geïntimeerde] gevoerd verweer dat de kantonrechter onjuist tot de conclusie is gekomen dat hij de doorhaling van de overschrijving van de transport akte d.d. 13 juni 2007 niet kon vorderen, wordt overwogen dat [geïntimeerde] incidenteel appèl had moeten instellen hiertegen. Hoewel [geïntimeerde] dit heeft nagelaten, overweegt het Hof ten overvloede dat de zaak in eerste aanleg een zaak in kort geding betrof en dat het karakter van bedoelde gedeelte van de vordering, namelijk het doorhalen van de overschrijving in de openbare registers, zich verzet tegen de aard van een beslissing in kort geding. De vordering tot doorhaling betreft namelijk een beslissing van definitieve aard waartoe de kort geding rechter onbevoegd is kennis te nemen.

8.10 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigd dienen te worden onder verbetering van rechtsgronden.

8.11 [appellante] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en zoals begroot in de beslissing.

9. De beslissing in hoger beroep in kort geding
Het Hof:

9.1 Bekrachtigt het vonnis van 10 november 2008 (A.R.No. 08-0040), waarvan beroep onder verbetering van rechtsgronden.

9.2 Veroordeelt [appellante] in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S.M.M. Chu, Leden en w.g. D.D. Sewratan door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 5 juni 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. A. Codrington namens mr. B.A. Halfhide, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens mr. S. Mangroelal, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-43

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 28 augustus 2015;
  • het verweerschrift ingediend op 25 januari 2016;
  • de beschikking van het hof van 25 januari 2016 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 20 mei 2016;
  • de productie zijdens de Staat overgelegd op 20 mei 2016;
  • de aantekeningen op het doorlopend proces-verbaal, waaruit blijkt dat het op 20 mei 2016 bepaalde verhoor van partijen wegens de afwezigheid van [verzoeker] en zijn procesgemachtigde is uitgesteld naar 15 juli 2016 onder peremptoirstelling en dat [verzoeker] en zijn procesgemachtigde op laatstgenoemde datum ook niet ter zitting zijn verschenen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 03 februari 2017, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker] is als ambtenaar in de rang van brigadier van politie in dienst bij het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie (hierna: het ministerie).

2.2 De Human Resource manager van het ministerie, de hoofdinspecteur van politie [naam] , heeft bij schrijven d.d. 17 september 2013, gericht aan het hoofd Hoofdstedelijke Dienst, de commissaris van politie [naam 2], gevraagd om [verzoeker] in verband met zijn bevordering in een naast hogere rang te beoordelen over de periode augustus 2012 tot en met februari 2013. Blijkens de daartoe opgemaakte beoordelingsstaat voldoet [verzoeker] aan de gestelde eisen en is het samenvattend oordeel “goed” gegeven. Uit deze beoordelingsstaat blijkt tevens dat het beoordelingsgesprek met [verzoeker] heeft plaatsgevonden op 09 oktober 2013.

2.3 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 04 september 2014 aan de korpschef van het Korps Politie Suriname (hierna: de korpschef), kort gezegd, het verzoek gedaan om zijn bevordering in de naast hogere rang spoedig een feit te doen zijn.

2.4 De korpschef heeft, in reactie op voormelde brief van [verzoeker], bij schrijven d.d. 13 oktober 2014, K.A. no. [nummer], onder meer het volgende aan [verzoeker] bericht:

“Onderwerp: reactie op uw schrijven

Geachte meneer,
Naar aanleiding van uw schrijven inzake verzoek om spoedige bevordering bericht ik u het volgende:
Per schrijven de dato 27 september 2013 heb ik u medegedeeld dat u vanwege het negatief resultaat van het antecedenten- en integriteitsonderzoek ongunstig bent beoordeeld over de periode van 02 februari 2009 en 02 februari 2012. U zou na 6 maanden herbeoordeeld worden.
Uit nader onderzoek is gebleken dat u zich in de herbeoordelingsperiode, te rekenen van 27 september 2013, wederom schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten c.q. ernstig plichtsverzuim. Ter zake hiervan werd u op gehouden korpsrapport de dato 30 april 2014 door mij medegedeeld van het voorstel mijnerzijds aan de minister van Justitie en Politie van onthouding van bevordering voor de duur van 01 jaar, zoals opgenomen in artikel 40 lid sub f van het Politiehandvest.
Op grond van het vorenstaande kan er door mij geen invulling worden gegeven aan uw verzoek.”

2.5 [verzoeker] heeft bij schrijven van zijn procesgemachtigde d.d. 02 februari 2015 aan de minister van Justitie en Politie (hierna: de minister) het verzoek gedaan om hem ten spoedigste te bevorderen tot majoor van politie. De minister heeft nimmer op dit verzoek beslist.

2.6 [verzoeker] is bij beschikking van de minister d.d. 07 december 2015, Bureau no. [nummer 2], K.A. no. [nummer 3], te rekenen van 09 augustus 2012 bevorderd tot majoor van politie (functiegroep 8B), onder toekenning van een bezoldiging van SRD 2.408,- per maand. Daartoe is als volgt overwogen:

dat de agent van politie 1e klasse, [verzoeker] bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 13 mei 2009 werd bevorderd tot brigadier van politie te rekenen van 02 februari 2009;

  • dat de brigadier van politie, [verzoeker] bij beschikking de dato 04 april 2012 Bureau no. [nummer 4] K.A. no. [nummer 5], de tuchtstraf van schorsing werd opgelegd voor de duur van zeven (7) dagen;
  • dat de brigadier van politie, [verzoeker] negatief was beoordeeld en is na zes (6) maanden herbeoordeeld en gunstig bevonden;
  • dat de brigadier van politie, [verzoeker] voldoet aan de criteria zoals vastgesteld in artikel 49 lid 2 van het Reglement Algemene Politie (G.B. 1972 no. 143) en wordt voorgedragen voor bevordering tot majoor van politie, te rekenen van 09 augustus 2012.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Staat zal worden veroordeeld om hem binnen twee weken na de betekening van het vonnis te bevorderen tot majoor van politie en hem de bijbehorende emolumenten toe te kennen, met terugwerkende kracht vanaf 02 februari 2012 of een door het hof in goede justitie te stellen datum, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vonnis. [verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] is gedurende de beoordelingsperiode van februari 2009 tot en met februari 2012 gunstig beoordeeld. Blijkens de in 2.2 genoemde beoordelingsstaat geldt hetzelfde voor de herbeoordelingsperiode van augustus 2012 tot en met februari 2013. [verzoeker] heeft hierdoor het recht verworven om bevorderd te worden tot de naast hogere rang, zijnde die van majoor van politie. [verzoeker] kan zich helemaal niet terugvinden in het voorstel van de korpschef om zijn bevordering voor een jaar aan te houden (zie 2.4). Er kleeft een motiveringsgebrek aan het schrijven van de korpschef d.d. 27 september 2013, K.A. no. [nummer 6], nu daarin gewag wordt gemaakt van een herbeoordelingsperiode te rekenen van 27 september 2013, terwijl bij de beoordeling van [verzoeker] op 09 oktober 2013 is aangegeven dat hij voldoet aan de gestelde eisen en derhalve het samenvattend oordeel “goed” is gegeven. [verzoeker] dient vanaf 02 februari 2009, thans langer dan zes jaren, in de rang van brigadier van politie. Nu [verzoeker] ten minste drie jaren de rang van brigadier van politie heeft vervuld en hij in het bezit is van een brigadiersdiploma, één en ander zoals bepaald in artikel 49 van het Reglement Algemene Politie, voldoet hij aan alle wettelijke vereisten voor bevordering tot majoor van politie. Aangezien de minister nimmer heeft beslist op het schriftelijk verzoek van [verzoeker] d.d. 02 februari 2015 tot bevordering tot majoor van politie, is er sprake van een fictieve weigering. Door het niet bevorderen van [verzoeker] is er sprake van willekeur dan wel schending van het gelijkheidsbeginsel, aangezien de meeste van zijn lichtingsgenoten reeds zijn bevorderd tot majoor van politie en inmiddels zijn voorgedragen voor bevordering tot onderinspecteur van politie. [verzoeker] heeft zich nimmer schuldig gemaakt aan enige laakbare handeling of gedraging en stelt zich op als een voorbeeldige leidinggevende. Hij heeft een goede staat van dienst.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar van politie is in de zin van artikel 1 van het Politiehandvest, zodat dit handvest op hem van toepassing is. Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. In artikel 79 Pw zijn de vorderingen waarover het hof in eerste en hoogste aanleg bevoegd is te oordelen limitatief weergegeven. Naar het oordeel van het hof kan de onderhavige vordering worden aangemerkt als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren is bepaald, in casu het verder achterwege laten om [verzoeker] vanaf 02 februari 2012 te bevorderen tot majoor van politie. Uit het voorgaande volgt dat het hof bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2 Op grond van artikel 80 lid 2 sub c Pw is een vordering als de onderhavige niet-ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 Pw geacht wordt het besluit te hebben genomen. Artikel 78 lid 2 sub b Pw bepaalt dat een orgaan mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek. Hieruit volgt dat de minister, nu hij binnen voormelde termijn niet uitdrukkelijk heeft beslist op het schriftelijk verzoek van [verzoeker] d.d. 02 februari 2015 tot zijn bevordering tot majoor van politie, geacht wordt op 02 augustus 2015 een fictief besluit te hebben genomen en wel een negatief besluit. [verzoeker] heeft de onderhavige vordering bij het hof ingesteld op 28 augustus 2015, derhalve binnen de termijn van drie maanden na 02 augustus 2015, zodat hij op grond van artikel 80 lid 2 sub c Pw daarin ontvankelijk is.

4.3 [verzoeker] is gedurende dit geding en wel bij de in 2.6 genoemde beschikking van de minister d.d. 07 december 2015 te rekenen van 09 augustus 2012 bevorderd tot majoor van politie, onder toekenning van de bij die rang behorende bezoldiging. Uit de onderhavige vordering blijkt dat [verzoeker] van mening is dat hij te rekenen van 02 februari 2012 diende te worden bevorderd. Naar het hof uit de overwegingen opgenomen in voormelde beschikking begrijpt, is [verzoeker] aanvankelijk negatief beoordeeld, vanwege een eerdere bij beschikking van de minister d.d. 04 april 2012 oplegde tuchtstraf van schorsing voor de duur van zeven dagen. Uit de beschikking d.d. 07 december 2015 blijkt voorts dat zes maanden na deze negatieve beoordeling een herbeoordeling van [verzoeker] heeft plaatsgevonden, die heeft geleid tot een voor hem gunstig resultaat. Daarna is hij voorgedragen voor bevordering tot majoor van politie te rekenen van 09 augustus 2012. [verzoeker] heeft deze gang van zaken niet weersproken, zodat het hof niet vermag in te zien waarom hij te rekenen van 02 februari 2012 in plaats van 09 augustus 2012 zou moeten worden bevorderd. Het hof gaat voorbij aan het beroep van [verzoeker] op schending van het gelijkheidsbeginsel, nu hij niet heeft gesteld laat staan heeft onderbouwd dat er in casu sprake is van gelijke gevallen, waarin de Staat niet gelijkelijk heeft gehandeld. Van enig handelen van de Staat in strijd met het verbod van willekeur is niet gebleken. Uit al het voorgaande volgt dat de Staat, door [verzoeker] te bevorderen tot majoor van politie te rekenen van 09 augustus 2012, reeds heeft voldaan aan de onderhavige vordering, zodat deze zal worden afgewezen.

4.4 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.5 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5. De beslissing
Het hof:
Wijst de vordering af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr.I.S.Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 17 april 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend–griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. S. Nanda namens mr. R. Koendan, gemachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in person noch bij gemachtigde is verschenen.
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-42

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigden: mr. M.D. Lau-Kerssenberg en mr. M.A. Gout, advocaten,

tegen

DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
domicilie hebbende te zijnen Parkette te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. M. Winter, vervolgingsambtenaar,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 29 december 2015;
  • het verweerschrift met producties ingediend op 04 mei 2016;
  • de beschikking van het hof van 30 mei 2016 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 oktober 2016;
  • de processen-verbaal van het op 07 oktober 2016 gehouden verhoor van partijen en van de voortzetting daarvan gehouden op respectievelijk 21 oktober 2016, 04 november 2016 en 02 december 2016;
  • de producties door de Staat overgelegd op 02 december 2016;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] d.d. 06 januari 2017, met producties;
  • de conclusie tot uitlating overgelegde stukken zijdens de Staat, overgelegd op 17 februari 2017.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 juli 2017, doch nader op heden.

De feiten
2.1 [verzoeker], leerkracht MBO (Natin) in vaste dienst bij het Openbaar Onderwijs, is bij beschikking van de ministers van Openbare Werken en van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 22 januari 2014, no. [nummer] no. [nummer 2] no. [nummer 3] [nummer 4], te rekenen van 01 november 2013 overgeplaatst naar het Ministerie van Openbare Werken (hierna ook wel aangeduid als: het ministerie) met behoud van zijn bezoldiging van SRD 2.477,- per maand.

2.2 [verzoeker] is vervolgens bij beschikking van de minister van Openbare Werken (hierna ook aangeduid als: de minister) d.d. 10 februari 2014, no. [nummer 5] no. [nummer 6], te rekenen van 11 december 2013 overgeplaatst van het Directoraat Openbaar Groen naar het Directoraat Civieltechnische Werken (Vuilophaal en Verwerking) van het ministerie, met behoud van zijn bezoldiging van SRD 2.477,- per maand.

2.3 De minister heeft bij circulaire d.d. 23 december 2013, gericht aan de (onder)directeuren, (beleids)adviseurs, (hoofd)beleidsmedewerkers, dienst- en afdelingshoofden en personeel van het ministerie, bekendgemaakt dat [verzoeker] ingaande 20 december 2013 wordt belast met de waarneming van de functie van onderdirecteur Dienstverlening.

2.4 Bij missive van de Raad van Ministers d.d. 28 februari 2014, no. [nummer 7], is goedgekeurd dat [verzoeker] te rekenen van 23 december 2013 wordt belast met de waarneming van de functie van onderdirecteur Dienstverlening van het Directoraat Bouwkundige Werken en Dienstverlening (hierna ook wel aangeduid als: de functie), onder toekenning van een waarnemingstoelage.

2.5 De minister heeft bij schrijven d.d. 29 juli 2014, Mow [nummer 8], het volgende aan de minister van Onderwijs en Volksontwikkeling bericht:

Betreft:
Weder tewerkstelling dhr. [verzoeker], BSc. op het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling
Collega,

Vanaf 20 december 2013 is dhr. [verzoeker], BSc. tewerkgesteld op het Ministerie van Openbare Werken alwaar hij belast is geworden met de waarneming van de functie van Onderdirecteur Dienstverlening. In de afgelopen periode is echter gebleken dat het functioneren van dhr. [verzoeker] niet heeft voldaan aan de verwachtingen van de departementsleiding.

Het handhaven van betrokkene op het Ministerie van Openbare Werken is derhalve niet langer opportuun, weshalve ik u vraag betrokkene wederom in de gelegenheid te stellen zich verdienstelijk te maken op het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling en wel per 1 augustus as.

2.6 De minister heeft [verzoeker] op 31 juli 2014 mondeling meegedeeld dat hij met onmiddellijke ingang geen werkzaamheden meer op het ministerie mocht verrichten en dat hij thuis nadere instructies moest afwachten.

2.7 De minister van Onderwijs en Volksontwikkeling ging in reactie op het in 2.5 vermeld schrijven d.d. 29 juli 2014 aanvankelijk akkoord met de wedertewerkstelling van [verzoeker] op dit ministerie, maar heeft vervolgens bij schrijven d.d. 22 oktober 2014, no. [nummer 9], het volgende aan de minister van Openbare Werken meegedeeld:

“Met referte aan uw schrijven d.d. 29 juli 2014 waarin gevraagd wordt de heer [verzoeker], BSc. te muteren van het Ministerie van Openbare Werken naar het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, kan gesteld worden dat zulks niet mogelijk is. De heer [verzoeker] heeft een overplaatsingsbeschikking, daterende 22 januari 2014 ontvangen waarin zijn mutatie naar het Ministerie van Openbare Werken is bekrachtigd door de ministers van beide ministeries. Er is geen andere beschikking die dat ongedaan maakt. Het is de persoon [verzoeker] die vrijwillig kan besluiten akkoord te gaan met de overplaatsing, anders is zulks met zijn beschikking in handen niet mogelijk.”

2.8 Het maandelijkse salaris van [verzoeker] werd, ook na diens overplaatsing te rekenen van 01 november 2013 naar het Ministerie van Openbare Werken, door het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling betaald. Laatstgenoemd ministerie heeft de betaling van het salaris van [verzoeker] vanaf oktober 2015 stopgezet.

2.9 [verzoeker] heeft bij schrijven van zijn procesgemachtigde mr. Lau-Kerssenberg d.d. 09 november 2015, kort gezegd, op de – nieuw aangetreden – minister het beroep gedaan om binnen twee weken na ontvangst van dit schrijven het daarheen te leiden dat zijn volledige salaris vanaf 01 oktober 2015 en zijn waarnemingstoelage vanaf 20 december 2013 met alle emolumenten per direct wordt uitbetaald door het Ministerie van Openbare Werken, bij gebreke waarvan hij genoodzaakt zal zijn om zijn rechten geldend te maken.

2.10 De minister heeft in reactie hierop bij schrijven d.d. 04 december 2015, SOW [nummer 10], onder meer het volgende aan mr. Lau-Kerssenberg bericht:

Naar aanleiding van uw schrijven gedateerd 9 november 2015 inzake uw client [verzoeker] BSc het volgende. Dhr. [verzoeker] heeft inderdaad een overplaatsingsbeschikking van het Ministerie van Onderwijs naar het Ministerie van Openbare Werken. Echter is betrokkene nimmer overgenomen door dit ministerie dus ook nimmer uitbetaald en op grond hiervan kan dit ministerie zijn salaris ook niet blokkeren.Bij schrijven van 29 juli 2014 Mow [nummer 11] heeft de voormalige Minister van Openbare Werken aangegeven dat dhr. [verzoeker] weder tewerk gesteld wordt op het Ministerie van Onderwijs. Als reactie hierop is door de Minister van Onderwijs aangegeven dat dit slechts mogelijk zou zijn met goedkeuring van dhr. [verzoeker] daar hij reeds over zijn overplaatsingsbeschikking beschikt.

Bij schrijven van 5 december 2014 Mow [nummer 12] is door de Minister van Openbare Werken voorgesteld dat dhr. [verzoeker] toch tewerkgesteld wordt op het ministerie van Onderwijs daar:

  • Hij een functie vervult binnen het onderwijs dat niet in de formatie van het ministerie van Openbare Werken voorkomt te weten Leerkracht MBO;
  • Hij niet naar tevredenheid van de departementsleiding gefunctioneerd heeft;
  • Hij reeds geruime tijd niet meer ingezet werd op Openbare Werken en nog altijd op de betaalsrol van het ministerie van Onderwijs voorkomt.

Aangezien dhr. [verzoeker] niet op de betaalsrol van het ministerie van Openbare Werken voorkomt, kan dezerzijds zijn salaris niet gedeblokkeerd worden. Hij zal zijn verzoek moeten richten aan het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling.”

2.11 Bij beschikking van de ministers van Openbare Werken en van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur d.d. 07 november 2016, no. [nummer 13], is besloten om [verzoeker] – volgens deze beschikking in vaste dienst bij het Openbaar Onderwijs – te rekenen van 01 november 2013 in de functie van chef Vuilverwerking over te plaatsen naar de Vuilophaal- en Vuilverwerkingsdienst van het Directoraat Civieltechnische Werken van het ministerie, met behoud van zijn bezoldiging van SRD 2.522,- per maand.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Staat zal worden veroordeeld om:

  1. binnen een week na de uitspraak aan [verzoeker] te betalen zijn maandelijkse salaris te rekenen van 01 oktober 2015, vermeerderd met alle verhogingen en emolumenten en de wettelijke rente ad 6% per jaar, vanaf de dag der rechtsingang tot aan de dag der algehele voldoening;
  2. binnen een week na de uitspraak aan [verzoeker] te betalen een waarnemingstoelage vanaf 20 november 2013 voor waarneming van de functie van onderdirecteur Dienstverlening van het Directoraat Bouwkundige Werken en Dienstverlening van het ministerie, vermeerderd met alle verhogingen en emolumenten en de wettelijke rente ad 6% per jaar, vanaf de dag der rechtsingang tot aan de dag der algehele voldoening;
  3. aan [verzoeker] te betalen de (buiten)gerechtelijke kosten geraamd op SRD4.675,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar, vanaf de dag der rechtsingang tot aan de dag der algehele voldoening;
  4. [verzoeker] weder tewerk te stellen, alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere dag of keer dat de Staat nalatig blijft om aan het vonnis gevolg te geven. [verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] heeft tot op heden geen toelage van het ministerie ontvangen voor de waarneming van de functie.[verzoeker] zit sedert 01 augustus 2014 thuis in opdracht van de minister, waardoor hij in een grote rechtsonzekere positie verkeert. Ingevolge artikel 30 (lees: artikel 30 lid 1) van de Personeelswet (Pw) wordt er op het salaris van een landsdienaar zonder zijn uitdrukkelijke machtiging geen bedragen gekort of ingehouden dan overeenkomstig de bepalingen van deze wet. Aangezien [verzoeker] de Staat niet heeft gemachtigd om zijn salaris in te houden en hij nog steeds ingevolge de beschikking d.d. 22 januari 2014 (zie 2.1) op het ministerie tewerk is gesteld, handelt de Staat in strijd met de bepalingen van de Personeelswet. [verzoeker] is sedert november 2013 overgeplaatst naar het Ministerie van Openbare Werken, zodat dit ministerie en niet het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling [verzoeker] zijn maandelijkse salaris moet doorbetalen. Het Ministerie van Openbare Werken weigert dit echter te doen. De Staat heeft op de aanmaning van [verzoeker] d.d. 09 november 2015 (zie 2.9) op 04 december 2015 een onbegrijpelijke reactie gegeven (zie 2.10), waarvan de inhoud in strijd is met de regels van de Personeelswet en voorts op onwaarheden berust. De Staat maakt zich door zijn handelwijze schuldig aan wanprestatie. De Staat handelt voorts in stijd met het zorgvuldigheids-, het vertrouwens-, het rechtszekerheids- en het gelijkheidsbeginsel. De Staat handelt tevens contrair het goed werkgeverschap. [verzoeker], die nog steeds bereid en in staat is de bedongen werkzaamheden te verrichten, heeft er alle belang bij dat hij zo snel mogelijk zijn werkzaamheden hervat, althans dat zijn (achterstallig) loon zo snel mogelijk wordt (door)betaald. De inkomsten uit loon strekken namelijk tot zijn levensonderhoud, de maandelijke aflossing van SRD 1.000,- voor zijn woonhuis en de aflossing per kwartaal voor zijn masteropleiding van USD. 1.385,-. Door de handelwijze van de Staat was [verzoeker] genoodzaakt om (buiten)gerechtelijke kosten te maken ten bedrage van SRD 4.675,-, welke kosten voor rekening van de Staat dienen te komen. Deze kosten zijn: advocaatkosten ad SRD 4.500,- en wel SRD 500,- voor een aanmaningsbrief en SRD 4.000,- voor proceskosten (lees kennelijk: honorarium), alsmede de deurwaarderskosten voorlopig begroot op SRD 175,- voor betekening van de aanmaningsbrief.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. Deze wet is dan ook op hem van toepassing. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. totgehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. totvergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. totoplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald. In artikel 79 lid 2 Pw zijn limitatief opgesomd de voor nietigverklaring vatbare besluiten. Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren. [verzoeker] vordert in 3.1 onder 1 betaling van achterstallig salaris vanaf 01 oktober 2015. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het in 3.1 onder 1 gevorderde zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht zich dan ook op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw bevoegd om van dit deel van de vordering kennis te nemen.

4.1.3 Het hof beschouwt de in 3.1 onder 2 en 3 gevorderde waarnemingstoelage respectievelijk buitengerechtelijke kosten eveneens als schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw. Het hof acht zich op grond van voormelde bepaling daarom bevoegd om ook van dit deel van de vordering kennis te nemen. Voor zover de Staat ter zake van de gevorderde buitengerechtelijke kosten – deze moeten worden onderscheiden van de gerechtelijke of proceskosten – een andere mening erop nahoudt, gaat hij uit van een onjuiste opvatting. Ten aanzien van de gerechtelijke of proceskosten, verwijst het hof naar het in 4.9 overwogene.

4.1.4 Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw tevens bevoegd kennis te nemen van de mede gevorderde dwangsom.

4.1.5 De in 3.1 onder 4 gevorderde wedertewerkstelling van [verzoeker], kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2 Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] de onderhavige vordering te laat heeft ingesteld bij het hof, zodat hij ontvankelijk is in het in 3.1 onder 1, 2 en 3 gevorderde.

Achterstallig salaris
4.3.1 Het hof stelt voorop dat uit de processtukken blijkt dat het één en ander flink mis is gegaan op het ministerie alwaar [verzoeker] vanaf 01 november 2013 middels de overplaatsingsbeschikking d.d. 22 januari 2014 (zie 2.1) was tewerkgesteld, als gevolg waarvan [verzoeker] vanaf oktober 2015 ten onrechte zijn maandelijkse salaris heeft moeten ontberen. Naar het oordeel van het hof kan het voorgaande de Staat worden aangerekend en heeft de Staat onrechtmatig gehandeld jegens [verzoeker].

4.3.2 De comparitiegevolmachtigde van de Staat, mevrouw mr. [naam], heeft ter terechtzitting van 02 december 2016 een salarisstrook ten name van [verzoeker] over de maand november 2016 overgelegd, waaruit volgens haar blijkt dat het achterstallige salaris aan [verzoeker] is betaald. Blijkens voormelde salarisstrook is een bedrag groot SRD 33.604,- aan achterstallige bezoldiging – naar het hof begrijpt over de periode van oktober 2015 tot en met oktober 2016 – betaald, alsmede het salaris over maand november 2016.

4.3.3 [verzoeker] heeft bij conclusie tot uitlating producties erkend dat de Staat in de maand november 2016 een (netto)bedrag groot SRD 28.443,54 op zijn rekening heeft gestort. [verzoeker] heeft echter betwist dat het volledige achterstallige salaris aan hem is betaald. Hij heeft, naar het hof begrijpt en kort gezegd, gesteld dat uit de salarisstrook van november 2016 blijkt dat de Staat ten onrechte bepaalde door hem, [verzoeker], met name genoemde componenten niet heeft betaald dan wel op het salaris heeft ingehouden. [verzoeker] heeft voorts gesteld dat de Staat heeft verzuimd om samen met voren bedoelde salarisstrook een financieel overzicht over de periode van november 2013 tot november 2016 over te leggen.

4.3.4 De Staat is niet inhoudelijk ingegaan op het door [verzoeker] ingenomen standpunt dat niet het volledige achterstallige salaris aan hem is betaald. De Staat heeft voren bedoeld financieel overzicht ook niet overgelegd. De Staat heeft, naar het hof begrijpt, betoogd dat het [verzoeker] vrijstaat zich te wenden tot zijn werkgever voor het verkrijgen van het door hem gewenste financieel overzicht en dat het ongepast is dat [verzoeker] zich ter zake hiervan tot het hof wendt, zonder hierover (eerst) met zijn werkgever afgestemd te hebben. Het hof volgt de Staat niet in dit betoog. [verzoeker] heeft onder meer ten aanzien van het achterstallige salaris een vordering ingesteld tegen de Staat, die thans aanvoert het achterstallige salaris inmiddels aan [verzoeker] te hebben betaald. Naar het oordeel van het hof mag van de Staat, die als ondeelbaar moet worden beschouwd, worden verwacht dat deze in het onderhavige geding – waarbij partijen van mening verschillen over de al dan niet volledige betaling van het achterstallige salaris – ter onderbouwing van het door hem aangevoerde een financieel overzicht overlegt waaruit niet alleen [verzoeker] maar ook het hof, dat over de vordering moet beslissen, zou kunnen afleiden dat het volledige achterstallige salaris inderdaad aan [verzoeker] is betaald. Het hof tekent hierbij aan dat voren bedoeld overzicht, nu [verzoeker] betaling van het achterstallige salaris vanaf oktober 2015 heeft gevorderd, slechts de periode vanaf oktober 2015 dient te betreffen. Het hof volgt de Staat, gelet op diens ondeelbaarheid, evenmin in zijn betoog dat [verzoeker] de vermeende onregelmatigheden ter zake het betaalde bedrag aan achterstallig salaris (eerst) intern met zijn, [verzoeker], werkgever zou moeten opnemen.

4.3.5 Het hof zal thans overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het in 3.1 onder 1 gevorderde achterstallige salaris vanaf 01 oktober 2015. [verzoeker] heeft ten eerste gesteld dat hij niet is betaald voor 167 uren aan overwerk, verricht in de periode van 23 november 2013 tot 19 december 2013. Het hof gaat voorbij aan deze stelling, omdat deze overuren niet geacht kunnen worden onderdeel te zijn van het achterstallige salaris vanaf oktober 2015.

4.3.6 Als niet weersproken staat rechtens tussen partijen vast dat [verzoeker] vanaf 01 oktober 2015 tot en met eind november 2016 niet medisch verzekerd was en dat de Staat (over deze periode) onterecht een bedrag van SRD 1.447,76 aan ‘SZF werknemers aandeel’ op zijn salaris heeft ingehouden. Het hof overweegt dat dit bedrag derhalve aan [verzoeker] dient te worden terugbetaald.

4.3.7 [verzoeker] heeft voorts, naar het hof begrijpt, gesteld dat hij als chef Vuilverwerking van het ministerie recht heeft op een jaarlijkse kledingtoelage van SRD 550,- vanaf het jaar 2014, maar dat deze toelage niet aan hem is betaald. [verzoeker] heeft zijn vermeende aanspraak op voormelde kledingtoelage niet onderbouwd. Voren bedoelde aanspraak blijkt immers niet uit de beschikking d.d. 07 november 2016 (zie 2.11) noch is deze anderszins gebleken. [verzoeker] heeft niet voldaan aan zijn stelplicht ter zake. Voor zover de onderhavige vordering ook betrekking heeft op voormelde kledingtoelage, zal dit onderdeel van het gevorderde worden afgewezen.

4.3.8 Voorts staat als niet weersproken rechtens tussen partijen vast dat [verzoeker] aanspraak maakt op de hieronder genoemde componenten, maar dat deze niet aan hem zijn betaald:

  • de onbelaste loonheffingskorting respectievelijk ad SRD 50,- per maand over de maanden oktober 2015 en november 2015, ad SRD 100,- per maand over de maanden december 2015 tot en met mei 2016 en ad SRD 125,- per maand over de maanden juni 2016 tot en met november 2016, bedragende deze in totaal SRD 100,- (2 x SRD 50,-) + SRD 600,- (6 x SRD 100,-) + SRD 750,- (6 x SRD 125,-) = SRD 1.450,-;
  • de koopkrachtversterking van SRD 100,- per maand over de maanden oktober 2015 tot en met december 2016, bedragende deze in totaal SRD 1.500,- (15 x SRD 100,-);
  • de gratificatie van SRD 100,- over de maand december 2015.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de Staat tevens een bedrag van SRD 3.050,- (SRD 1.450,- + SRD 1.500,- + SRD 100,-) aan [verzoeker] moet betalen.

4.3.9 [verzoeker] heeft verder gesteld dat het bedrag van SRD 45,-, zijnde het verschil tussen zijn maandelijkse bezoldiging van SRD 2.477,- op het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling en zijn maandelijkse bezoldiging van SRD 2.522,- vanaf zijn overplaatsing in november 2013 naar het Ministerie van Openbare Werken, vanaf november 2013 tot en met oktober 2015 niet aan hem is betaald. De Staat heeft dit niet weersproken, zodat dit rechtens vaststaat tussen partijen. Nu alleen het verschil in bezoldiging van SRD 45,- over de maand oktober 2015 kan worden beschouwd als te zijn onderdeel van het achterstallige salaris vanaf oktober 2015, dient slechts laatstgenoemd bedrag aan [verzoeker] te worden betaald. Als onderdeel van het achterstallige salaris vanaf oktober 2015 kan evenmin worden beschouwd het door [verzoeker] gestelde verschil in bezoldiging van SRD 45,- inzake zijn vakantie-uitkeringen van juli 2014 en juli 2015, zodat dit niet aan hem hoeft te worden betaald.

4.3.10 Uit het in 4.3.6, 4.3.8 en 4.3.9 overwogene volgt dat de Staat in totaal een bedrag van SRD 4.542,76 (SRD 1.447,76 + SRD 3.050,- + SRD 45,-) aan achterstallig salaris aan [verzoeker] moet betalen. Dit bedrag zal dan ook als het mindere van het in 3.1 onder 1 gevorderde worden toegewezen.

4.4 [verzoeker] heeft, kort gezegd, gesteld dat hij gedurende de periode waarin hij zorgverzekering ontbeerde, zelf zijn medische kosten moest betalen. Het hof beschouwt deze stelling als een bloot te kennen geven en gaat derhalve daaraan voorbij, nu [verzoeker] geen vergoeding van voren bedoelde – bovendien niet geconcretiseerde – medische kosten heeft gevorderd.

Waarnemingstoelage
4.5 De Staat heeft [verzoeker] aanspraak op een toelage voor de waarneming van de functie niet betwist. De Staat heeft bij conclusie tot uitlating overgelegde stukken aangevoerd dat de Raad van Ministers bij missive de toekenning van voren bedoelde toelage aan [verzoeker] reeds heeft goedgekeurd en dat de nadere formalisering daarvan reeds ter hand is genomen. Vaststaat dat [verzoeker] van 20 december 2013 tot en met 31 juli 2014 belast is geweest met de waarneming van de functie en derhalve aanspraak maakt op toekenning van een waarnemingstoelage ter zake. Dit leidt tot de slotsom dat het in 3.1 onder 2 gevorderde – voor zover de waarnemingstoelage over voormelde periode niet reeds aan [verzoeker] is betaald – zal worden toegewezen als in het dictum te melden.

Buitengerechtelijke kosten
4.6 De Staat heeft de door [verzoeker] gestelde en in 3.1 onder 3 gevorderde buitengerechtelijke kosten ad SRD 4.675,- niet weersproken. Vast is komen te staan dat [verzoeker] deze – als schade aan te merken – kosten heeft moeten maken vanwege het onrechtmatig handelen van de Staat jegens hem. Deze kosten zullen dan ook worden toegewezen.

4.7 De mede gevorderde dwangsom kan op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw worden opgelegd voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling, dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. De dwangsom is in casu niet gekoppeld aan een besluit of handeling, maar aan het in 3.1 onder 1, 2 en 3 gevorderde, te beschouwen als vorderingen tot vergoeding van schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw, zodat deze niet kan worden toegewezen.

4.8 De gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis zal worden afgewezen, nu het hof in eerste en hoogste aanleg beslist.

4.9 Ook de gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.10 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing
Het hof:
5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de in 3.1 onder 4 gevorderde wedertewerkstelling

5.2 Veroordeelt de Staat om bij wege van schadevergoeding aan [verzoeker] te betalen een bedrag van SRD 4.542,76 (vierduizend vijfhonderdtweeënveertig 76/100 Surinaamse dollar) aan achterstallig salaris, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf 29 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.3 Veroordeelt de Staat – voor zover de betaling van de na te noemen waarnemingstoelage aan [verzoeker] nog niet is geschied – om bij wege van schadevergoeding aan [verzoeker] te betalen de maandelijkse toelage voor de waarneming van de functie van onderdirecteur Dienstverlening van het Directoraat Bouwkundige Werken en Dienstverlening van het Ministerie van Openbare Werken, Transport en Communicatie te rekenen van 20 december 2013 tot en met 31 juli 2014, vermeerderd met alle verhogingen en emolumenten en met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf 29 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.4 Veroordeelt de Staat om bij wege van schadevergoeding aan [verzoeker] te betalen een bedrag van SRD 4.675,- (vierduizend zeshonderdvijfenzeventig 00/100 Surinaamse dollar) aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 29 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr.I.S.Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 15 mei 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend–griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Gout, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne MLS namens mr. M. Winter, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyvel

SRU-HvJ-2020-41

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker]
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie c.q. de Minister van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het hof) op 18 maart 2016;
  • de beschikking van het hof van 02 januari 2017 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 17 februari 2017, welk verhoor is verplaatst naar 21 juli 2017;
  • het proces-verbaal van het op 21 juli 2017 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging van stukken zijdens de Staat d.d. 17 november 2017, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] d.d. 19 januari 2018, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens de Staat d.d. 06 april 2018.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 03 augustus 2018, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker], ambtenaar in dienst van de Staat, is in 2003 bevorderd tot penitentiaire ambtenaar 2e klasse.

2.2 In december 2014 zijn enkele penitentiaire ambtenaren van de lichting van [verzoeker] bevorderd tot de naast hogere rang. [verzoeker] bevond zich niet onder deze groep van bevorderde penitentiaire ambtenaren.

2.3 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 05 augustus 2015 van zijn procesgemachtigde, gericht aan de minister van Justitie en Politie (hierna: de minister), kort gezegd, zich erover beklaagd dat hij niet in december 2014 is bevorderd tot de naast hogere rang en de minister verzocht om hem binnen redelijke termijn te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse met terugwerkende kracht vanaf december 2014.

2.4 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 21 augustus 2015, gericht aan de directeur van de Penitentiaire Inrichting [plaats], bezwaar aangetekend tegen een door hem gekregen negatieve beoordeling over de periode van januari 2015 tot en met juni 2015. [verzoeker] heeft bij deze gelegenheid zich voorts erover beklaagd dat hij niet in december 2014 is bevorderd tot de naast hogere rang en voormelde directeur verzocht het daarheen te leiden dat hij binnen een redelijke termijn wordt bevorderd tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse met terugwerkende kracht vanaf december 2014. Een kopie van dit schrijven is onder meer verzonden aan de (nieuw aangetreden) minister en de onderdirecteur van Justitie belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Delinquentenzorg.

2.5 Bij schrijven d.d. 11 februari 2016, DZ/[nummer], met als onderwerp ‘reactie bezwaarschrift’, is namens de waarnemend onderdirecteur van Justitie belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Delinquentenzorg het volgende aan [verzoeker] bericht:

Penitentiaire ambtenaar [verzoeker],
Middels deze delen wij u mede dat bij de laatst gehouden bevorderingen in het jaar 2014 u vanwege uw groot aantal ziektedagen niet in aanmerking kwam voor bevorderingen in de naast hogere rang.
Wij doen er alles aan om u, zolang u aan de voorwaarden voldoet, bij de eerstvolgende bevorderingen te bevorderen in de naast hogere rang.

2.6 De minister heeft bij schrijven d.d. 16 februari 2016, SM [nummer 2], onder meer het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:

“Geachte heer,
Naar aanleiding van uw schrijven van 21 augustus 2015, wordt u als volgt bericht.
Uit onderzoek is komen vast te staan dat u niet bent voorgedragen voor bevordering in de naast hogere rang vanwege het feit dat u vaker ziek meld [sic] waardoor de dienst niet op u kan rekenen. Als gevolg van uw presentiegedrag zijn er correctiegesprekken met u gevoerd die helaas geen soelaas hebben geboden.
U bent niet alleen beoordeeld aan de hand van uw presentiegedrag maar ook aan de hand van alle gedragingen en handelingen binnen de dienst.

Penitentiaire ambtenaren die het niet nauw nemen met de dienst kunnen nimmer conform enkele bevorderingseisen worden benoemd.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. het genomen besluit van de Staat tot het verlies van aanspraak op bevordering van [verzoeker] zal worden vernietigd;
b. de Staat zal worden veroordeeld om [verzoeker] te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse en wel met terugwerkende kracht vanaf december 2007 en met behoud van anciënniteit;
c. de Staat zal worden veroordeeld om [verzoeker] te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse en wel met terugwerkende kracht vanaf december 2014, indien het hof niet meegaat met de ingangsdatum onder sustenu b, en met behoud van anciënniteit;
d. een dwangsom zal worden verbeurd van SRD 5.000,- per dag, voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft om uitvoering te geven aan het sub b of sub c gevorderde;
e. de Staat zal worden gelast aan [verzoeker] toe te kennen de bij de rang van penitentiaire ambtenaar 1ste klasse behorende bezoldiging en emolumenten vanaf december 2007, althans vanaf december 2014.[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Volgens het bevorderingsbeleid had [verzoeker] in 2007 moeten worden bevorderd tot de naast hogere rang en wel die van penitentiaire ambtenaar 1ste klasse. [verzoeker] heeft het als willekeur ervaren dat hij zonder deugdelijke motivering buiten de groep van in december 2014 bevorderde ambtenaren is gelaten. Hij ervaart het als een enorme domper dat hij, na 13 jaren in de rang van penitentiaire ambtenaar 2e klasse te hebben gediend, nog steeds niet is bevorderd tot een naast hogere rang. [verzoeker] heeft zich nimmer schuldig gemaakt aan enige laakbare handeling of gedraging. Hij heeft zich altijd opgesteld als een voorbeeldige leidinggevende en is nimmer in gebreke gesteld om zich te verweren voor enig plichtsverzuim. Kortom, hij heeft een goede staat van dienst als penitentiaire ambtenaar 2e klasse.[verzoeker] is op 18 augustus 2015 bekend geworden met een beoordelingsstaat, waarin is aangegeven dat hij negatief is beoordeeld over de periode van januari 2015 tot en met juni 2015. Hij heeft op 21 augustus 2015 bezwaar aangetekend tegen deze negatieve beoordeling (zie 2.4). De reden tot de negatieve beoordeling betreft de meerdere door [verzoeker] opgenomen ziekteverlofdagen. Dit kan echter nimmer leiden tot een negatieve beoordeling. [verzoeker] prestaties op de werkvloer dienen te worden meegenomen bij de beoordeling. [verzoeker] heeft op 16 februari 2016 het in 2.6 genoemd schrijven ontvangen, in welk schrijven is aangegeven dat hij niet zal worden bevorderd tot een naast hogere rang. In dit schrijven is tevens aangegeven dat hij door ziekte minder inzetbaar is voor de dienst. [verzoeker] kan zich niet hiermee verenigen. Hij is hernia patiënt en onder behandeling van de specialist [naam 1] (het hof begrijpt: [naam 1]). Laatstgenoemde heeft grondige onderzoeken gedaan en rust van belang gesteld. Volgens artikel 32 lid 1 sub f van het Penitentiair Besluit moet vorenbedoeld verlies van aanspraak op bevordering gezien worden als een door de Staat opgelegde tuchtstraf. [verzoeker] zal op grond van artikel 79 lid 2 sub d Pw nietigverklaring vorderen van het besluit vervat in het schrijven d.d. 16 februari 2016.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] (penitentiaire) ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw en artikel 1 lid 1 van het Penitentiair Besluit, zodat voormeld(e) wet en besluit op hem van toepassing zijn. Hetgeen van het hof als gerecht in ambtenarenzaken gevorderd kan worden, is limitatief omschreven in artikel 79 Pw. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg onder meer over vorderingen tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Volgens artikel 79 lid 2 sub d Pw is een besluit waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, vatbaar voor nietigverklaring.

4.1.2 Naar het hof begrijpt, gaat [verzoeker] ervan uit dat in het schrijven van de minister d.d. 16 februari 2016 (zie 2.6) is vervat het besluit tot oplegging aan hem van de in artikel 32 lid 1 sub f van het Penitentiair Besluit genoemde tuchtstraf, te weten: stilstand van bezoldiging, bestaande uit verlies van de aanspraak op bevordering en van die op periodieke verhogingen, voor een tijdvak van ten hoogste drie jaar. Het in 3.1 onder a gevorderde strekt dan ook tot de nietigverklaring van dit door [verzoeker] gestelde besluit. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub a juncto lid 2 sub d Pw dan ook bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

4.1.3 Het hof vat het in 3.1 onder b tot en met d gevorderde op als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald, in casu het verder achterwege laten van de Staat om [verzoeker] te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse en wel met terugwerkende kracht vanaf december 2007, althans vanaf december 2014 en met behoud van anciënniteit. Het hof acht zich derhalve op grond van voormelde bepaling bevoegd om ook van dit deel van de vordering kennis te nemen.

4.1.4 Het hof beschouwt het in 3.1 onder e gevorderde als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar is voortgevloeid uit een nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, in casu het nalaten van de Staat om aan [verzoeker] toe te kennen de bij de rang van penitentiaire ambtenaar 1ste klasse behorende bezoldiging en emolumenten vanaf december 2007, althans vanaf december 2014. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om van dit gevorderde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2.1 Ingevolge artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 1 sub a en lid 2 sub d Pw is een vordering tot nietigverklaring van een besluit, waarbij aan een (penitentiaire) ambtenaar een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, niet-ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. [verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat hij het in 2.6 genoemd schrijven van de minister d.d. 16 februari 2016, waarin zou zijn vervat het besluit tot oplegging aan hem van de door hem gestelde tuchtstraf (zie 4.1.2), op dezelfde datum heeft ontvangen. Nu [verzoeker] het verzoekschrift op 18 maart 2016 heeft ingediend, derhalve meer dan een maand na 16 februari 2016 – de maand februari 2016 telt immers 29 dagen –, is hij tardief met het in 3.1 onder a gevorderde en dient hij daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.2.2 Het hof overweegt ten overvloede dat ook in geval [verzoeker] wel ontvankelijk zou zijn in het in 3.1 onder a gevorderde, dit gevorderde niet zou kunnen worden toegewezen. Naar het oordeel van het hof kan immers het door [verzoeker] gehuldigde uitgangspunt, zoals weergegeven in 4.1.2, niet als juist worden aanvaard. De in het schrijven van de minister d.d. 16 februari 2016 gedane mededeling omtrent het uitblijven van de bevordering van [verzoeker] in 2014 is, anders dan [verzoeker] meent, geen besluit (in de zin van de Personeelswet) en allerminst een besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de door hem gestelde tuchtstraf, hoe zeer hij het ook als zodanig ervaart. In voormeld schrijven, niet zijnde een ministeriële beschikking, wordt [verzoeker] bovendien niet verweten zich aan enig plichtsverzuim schuldig te hebben gemaakt.

4.2.3 Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] het in 3.1 onder b tot en met e gevorderde te laat heeft ingesteld bij het hof, zodat hij daarin ontvankelijk is.

4.3 De comparitiegevolmachtigde van de Staat, [naam 2] (hierna: [naam 2]), directeur van de Penitentiaire Inrichting [plaats], heeft ter gelegenheid van het op 21 juli 2017 gehouden verhoor van partijen verklaard dat [verzoeker] op 28 december 2016 is bevorderd tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse en wel te rekenen van 01 januari 2016. [verzoeker] heeft zulks bevestigd, zodat het hof van de juistheid daarvan zal uitgaan. Het hof acht daarom termen aanwezig het in 3.1 onder b tot en met d gevorderde thans te lezen als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten door de Staat om [verzoeker] bevordering tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse te laten ingaan vanaf december 2007, althans vanaf december 2014 en wel met behoud van anciënniteit, zulks in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het voorgaande is niet van invloed op de bevoegdheid van het hof om van dit gevorderde kennis te nemen.

4.4.1 Thans dient beantwoord te worden de vraag of de Staat in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald, achterwege heeft gelaten om de bevordering van [verzoeker] tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse in te laten gaan vanaf december 2007, althans vanaf december 2014. Daarbij dienen alle relevante omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

4.4.2 Vooropgesteld wordt dat er een regeling met betrekking tot de bevordering van penitentiaire ambtenaren bestaat, welke regeling is opgenomen in de artikelen 42 en 43 van het op [verzoeker] van toepassing zijnde Reglement voor het Korps Penitentiaire Ambtenaren (G.B. 1973 no. 61, gelijk dit luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij S.B. 1983, no. 102). Artikel 42 lid 1 aanhef en onder d van voormeld reglement luidt als volgt:

“In aanmerking voor benoeming in de rang van penitentiaire ambtenaar der eerste klasse komt de penitentiaire ambtenaar der tweede klasse, die – onverminderd de eisen van geschiktheid voor de nieuwe rang en rekening houdende met de formatie een – diensttijd van tenminste vier jaren in die klasse heeft vervuld en in het bezit is van het Diploma-B penitentiaire ambtenaar.”

4.4.3 [naam 2] heeft ter zitting onweersproken dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken verklaard, dat de formatie het pas in 2014 toeliet dat de lichting van [verzoeker] in aanmerking kwam voor bevordering tot de naast hogere rang, zodat het hof van de juistheid daarvan zal uitgaan. [verzoeker] heeft immers niet beweerd dat lichtingsgenoten van hem in 2007, althans vóór 2014 zijn bevorderd tot de naast hogere rang – zijnde die van penitentiaire ambtenaar 1ste klasse – en zulks is ook niet gebleken.

4.4.4 Blijkens artikel 2 lid 3 van het Penitentiair Besluit geschiedt de aanstelling, bevordering, schorsing en ontslag van de penitentiaire ambtenaren door de minister, voor zover deze bevoegdheid niet aan een andere autoriteit is toegekend. De minister heeft bij schrijven d.d. 16 februari 2016 (zie 2.6) onder meer aan [verzoeker] bericht dat uit onderzoek is komen vast te staan dat hij (in 2014) niet is voorgedragen voor bevordering tot de naast hogere rang vanwege zijn vele ziektedagen, waardoor de dienst niet op hem kon rekenen. Dit vindt ondersteuning in hetgeen [naam 2] ter zitting heeft verklaard. Blijkens het door de Staat overgelegde overzicht van het presentiegedrag van [verzoeker] (productie no. 2 bij de conclusie tot overlegging van stukken zijdens de Staat d.d. 17 november 2017) had [verzoeker] in de periode 2007 tot en met 2014 in totaal 573 ziektedagen. [verzoeker] heeft voormeld overzicht niet betwist, zodat het hof van de juistheid van het aantal van 573 ziektedagen uitgaat. In de visie van het hof kon de Staat in alle redelijkheid reeds op grond van dit grote aantal ziektedagen, waardoor [verzoeker] in sterk vermindere mate inzetbaar was voor de dienst, tot het oordeel zijn gekomen dat [verzoeker] in december 2014 niet in aanmerking kwam voor bevordering tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse. Zulks ongeacht of al dan niet aan het bepaalde in artikel 42 lid 1 aanhef en onder d van het Reglement voor het Korps Penitentiaire Ambtenaren was voldaan. Dat [verzoeker] niets aan zijn ziekte kan doen, doet daar evenmin aan af. Gelet op het voorgaande is, ongeacht hetgeen [verzoeker] voorts heeft gesteld, niet komen vast te staan dat de Staat in strijd heeft gehandeld met het beginsel van verbod van willekeur door [verzoeker] in december 2014 niet te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse.

4.5 Uit hetgeen hierboven in 4.4.3 en 4.4.4 is overwogen, volgt dat de Staat niet in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald, achterwege heeft gelaten om de bevordering van [verzoeker] tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse te laten ingaan vanaf december 2007, althans december 2014. Het in 3.1 onder b tot en met d gevorderde zal dan ook worden afgewezen. Het in 3.1 onder e gevorderde, dat als een sequeel daarvan heeft te gelden, ondergaat hetzelfde lot.

4.6 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5. De beslissing
Het hof:
5.1 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het in 3.1 onder a gevorderde.

5.2 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr.I.S.Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 16 oktober 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. E.M. Redjopawiro namens advocaat mr. R.R. Lobo, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door Major Pengel namens mr. R. Koendan, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2021-4

Kantonrechter in Kort geding

A.R. no. 210733
24 maart 2021

Vonnis in de zaak van

A. [eiser sub A], wonende aan [adres 1] te [district],
B. [eiser sub B], wonende aan de [adres 2] te [district],
procederend in persoon,
eisers in kort geding,
tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Volksgezondheid, ten deze vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, gevestigd en kantoorhoudende aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,
gemachtigden: mr. C.B. Lachman en mr. M. Babulall, advocaten,
gedaagde in kort geding.

1. Het proces verloop:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 9 maart 2021 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van eis d.d. 11 maart 2021,
  • de mondelinge conclusie van antwoord, met producties, aangetekend in het proces-verbaal van de zitting van 11 maart 2021;
  • de conclusie van repliek, met producties,
  • de conclusie van dupliek, met producties,
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens eisers.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kort geding is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Ingevolge de Wet van 7 augustus 2020 houdende algemene regels in verband met de uitvoering van een burgerlijke uitzonderingstoestand afgekondigd ingevolge artikel 23 jo 72 onder c van de Grondwet (SB 2020 no. 151), genoemd de Wet Uitvoering Burgerlijke Uitzonderingstoestand, zijn bij Presidentieel besluit van 25 juli 2020 (SB 2020 no. 143 / PB 16/2020) een aantal maatregelen vastgesteld.

2.2 Artikel 1 van het Presidentieel besluit luidt alsvolgt:
“Vanaf 26 juli 2020 tot nader orde worden de volgende maatregelen voor een ieder verplicht gesteld:
a. het dragen van een mond- en neusbedekking;
b. het aanhouden van 1,5 meter fysieke afstand, de zogeheten Covid afstand en
c. het regelmatig desinfecteren van de handen. “

2.3 Naar de effectiviteit en de gevolgen van het dragen van een mond- en neusbedekking is door verschillende instanties onderzoek gedaan.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering
Eisers vorderen, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
– De maatregelen voortvloeiende uit de Wet Uitvoering Burgerlijke Uitzonderingstoestand, welke omstreeks juni 2020 in werking is getreden, waarbij het dragen van een mond- en neusbedekking c.q. mondkapje voor burgers van Suriname verplicht is gesteld om verspreiding van Covid-19 tegen te gaan, opschort totdat deze middels een definitieve voorziening zal zijn opgeheven;
Subsidiair:
– De gedaagde veroordeelt om naast het aanbevelen van mondkapjes de bevolking omstandig te informeren over het bestaan van wetenschappelijk bewijs dat mondkapjes medisch niet effectief zijn en dat zij integendeel zelfs schadelijk zijn voor de gezondheid, en voorts
Primair en subsidiair:
– Gedaagde veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag
Eisers hebben als grondslag voor het gevorderde vier gronden aangevoerd:

1. Het dragen van een mond- en neuskap draagt niet bij aan het tegengaan van de gevolgen van Covid-19
Het verplicht voorschrijven van het dragen van mond- en neusbedekking draagt niet bij aan het tegengaan van de gevolgen van Covid-19. Er bestaat geen enkel serieus bewijs dat mond- en neuskapjes helpen.
Op basis van veertig jaar wetenschappelijk onderzoek is er onvoldoende bewijs dat mond- en neuskapjes effectief zijn in het voorkomen van de verspreiding van virussen zoals het Covid-19 virus.
Eisers verwijzen naar de resultaten van de onderzoekers Ha’eri en Wiley uit 1980, onderzoekers van de Universiteit van Minnesota van oktober 2020, onderzoeken naar de effectiviteit van het dragen van maskers in de operatiekamer van 11 verschillende onderzoeksteams, van de onderzoekers van MacIntyre et al., van de Amerikaanse CDC, van de Deense RCT, van Oostenrijkse wetenschappers, van wetenschappers in de Amerikaanse staat Kansas, van professor dr. I. Kappstein van het Robert Koch Instituut, van professor Sarah Lebeer aan de Universiteit van Antwerpen, een onderzoek aan de Faculteit der Technologische Wetenschappen in Suriname, van Fikenzer et al. van juni 2020, van Yanis Roussel et al. en van de WHO zelf van onder andere juni 2020.
In meerdere rechtzaken in Nederland is door de rechter geoordeeld dat het nut van het dragen van mondkapjes beperkt en omstreden is.

2. Het dragen van mond- en neusbedekking is juist aantoonbaar schadelijk voor de gezondheid van burgers zowel fysiek als psychisch
Er is bij het dragen van een mond- en neuskap een risico op een toename van infecties van virussen, bacteriën en schimmels door langdurig en niet hygiënisch gebruik van mondkapjes, ook kunnen er allerlei andere negatieve gezondheidseffecten optreden. Voorts kan bij langdurig dragen van mondkapjes door burgers blijvende schade worden veroorzaakt. Het is niet rechtvaardig om zo verregaand in te grijpen in de grondrechten van burgers door ze te verplichten om een mondkapje te dragen terwijl het dragen schadelijk is en niet helpt. Gedaagde heeft zich niet gehouden aan het zorgvuldigheidsbeginsel bij de besluitvorming welke geleid heeft tot het verplichten van mondkapjes.

3. De verplichting om mond- en neusbedekking te dragen is in strijd met fundamentele mensenrechten zoals opgenomen in de Grondwet en Verdragen
Het verplichten tot het dragen van mond- en neusbedekking staat op gespannen voet met verschillende grondrechten zoals opgenomen in de Grondwet en Verdragen. De verplichting tot het dragen van een mond- en neusbedekking druist in tegen het universele grondrecht van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zoals geformuleerd in artikel 16 leden 1 en 2 en artikel 17 lid 1 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM.
Ook is er sprake van een onrechtmatige inbreuk op het recht op leven, welk recht in artikel 14 van de Grondwet is opgenomen. De schade welke op verschillende manieren aangericht wordt aan de gezondheid van burgers door het verplicht dragen van mond- en neusbedekking tast de kwaliteit van het leven van personen aan en kan hun leven potentieel zelfs in gevaar brengen. Burgers worden gedwongen om hun gezondheid en hun leven potentieel in gevaar te brengen.
Het staat niet ter discussie dat gedaagde een belangrijke taak heeft bij de bestrijding van infectieziekten zoals Covid-19. Echter kunnen fundamentele grondrechten niet zonder meer worden ingeperkt door gedaagde. Het verplicht stellen tot het dragen van een mond- en neusbedekking is een ernstige inperking van fundamentele grondrechten. Inbreuk op grondrechten zou slechts gerechtvaardigd zijn als vaststaat dat een dergelijke inbreuk bij wet geregeld is, een legitiem doel dient, strikt noodzakelijk, proportioneel en effectief is en niet schadelijk is voor de gezondheid.

4. Er is sprake van misleiding van de samenleving
Het doel van de mondkapjesmaatregel is om de bevolking wereldwijd psychologisch te manipuleren. Men probeert opzettelijk een klimaat van continu gevaar te creëren om de bevolking angst in te boezemen, zodat de bevolking makkelijk instemt met zelfs de meest draconische maatregelen, maatregelen die thuishoren in een politiestaat. Dat verklaart ook waarom de bevolking vanaf het begin wordt overspoeld met dagelijkse berichten over het aantal Covid-19 besmettingen en doden terwijl het al vroeg duidelijk was dat het Covid-19 virus niet gevaarlijker bleek te zijn dan andere virussen in omloop. Gelijktijdig met de angst campagne vanuit de staat en de media werd elk tegengeluid wereldwijd zwaar gecensureerd, niet alleen in de reguliere media maar ook op social media. Ook in wetenschappelijke kringen werd er gecensureerd. Onder het voorwendsel van de pandemie hebben autoriteiten in sommige landen hardhandig gereageerd met veiligheidsmaatregelen en noodmaatregelen om afwijkende meningen de kop in te drukken, onafhankelijke verslaggeving het zwijgen op te leggen en activiteiten van niet-gouvernementele organisaties te beperken.
Het voorgaande geldt ook voor Suriname. Het is gedaagde samen met de media gelukt om een grimmig klimaat te scheppen waar er een constante angst heerst hetgeen door de maatregelen van gedaagde langzaam verergerd wordt.
De gedaagde heeft in strijd met artikel 7 lid 1 van de Wet Uitvoering Burgerlijke Uitzonderingstoestand de bevolking misleid door de burgers de indruk te geven dat het dragen van mondkapjes medisch effectief is terwijl er overweldigend wetenschappelijk bewijs is dat mondkapjes medisch niet effectief zijn tegen de verspreiding van Covid-19 en zelfs schadelijk zijn voor de gezondheid. Hierdoor handelt de gedaagde onrechtmatig.

Het spoedeisend belang
Er is een spoedeisend belang. Een groot deel van de bevolking loopt als gevolg van de mondkapjes plicht het risico om daarvan grote en blijvende schade te ondervinden. Een onmiddellijke voorziening bij voorraad om een einde te maken aan het in gevaar brengen van de bevolking door gedaagde c.q. het onrechtmatig handelen van gedaagde tegen de bevolking is daarom dringend noodzakelijk.

4. Het verweer
Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling
5.1 Gedaagde heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd: 1. dat eisers geen belang hebben bij de vordering; zij stellen dat er fundamentele rechten geschonden zijn, echter heeft de Staat ingevolge artikel 23 van de Grondwet in verband met de Covid-19 pandemie de Wet Uitvoering Burgerlijke Uitzonderingstoestand uitgevaardigd waardoor de maatregelen wel getroffen hadden mogen worden; door gedaagde is ingesteld het Outbreak Management Team, bestaande uit medische experts en public health deskundigen; dit Outbreak Management Team geeft op basis van de geldende wetenschappelijke inzichten van onder andere de WHO, de Carfa en de CDC, adviezen aan de regering ter indamming en controle van de Covid-19 pandemie; 2. dat eisers geen spoedeisend belang hebben; de maatregelen dateren van augustus 2020; thans zijn wij zeven maanden verder waardoor niet kan worden gesteld dat er een spoedeisend belang is; immers, dan zouden de eisers eerder de vordering ingediend moeten hebben; 3. dat het niet uit de stellingen van eisers is gebleken dat het dragen van een mondkap nadelig is voor de gezondheid van de burgers en dat er geen gevallen bekend zijn in de Surinaamse samenleving waarbij burgers het door eisers genoemde gezondheidsnadeel hebben ondervonden van het dragen van een mondkap; dat aan die stelling dan ook voorbij gegaan moet worden; 4. dat het niet juist is dat uit onderzoek is gebleken dat mondkapjes nadelig zijn voor de gezondheid van de burgers; het onderzoek door de eisers aangehaald uit Denemarken is bekend; ook is bekend dat dat onderzoek is gedaan onder 0,1 % van de populatie waardoor het niet representatief is; het bedoelde onderzoek wordt internationaal gekwalificeerd als niet-doorslaggevend; 5. dat de onderzoeken door de eisers aangevoerd dateren van lang voor de Covid-19 pandemie en derhalve geen onderzoeken zijn die in verband met de pandemie zijn uitgevoerd of in verband gebracht kunnen worden met de pandemie; 6. dat uit een onderzoek van de International Journal of Environmental Research and Public Health van 11 augustus 2020, overgelegd door gedaagde, is gebleken dat bij gezonde personen, personen zonder luchtwegklachten, het opzetten van een masker voor langere tijd zelfs, geen veranderingen laat zien in de zuurstof- en koodioxide concentratie en tevens dat het opzetten van een masker geen effect heeft op het volume per inademing en op de ademhalingssnelheid; er is een lichte stijging van drie procent in de ademweerstand gezien, doch zonder verdere gezondheidsnadelen; ook is melding gemaakt van een negatieve impact van het dragen van maskers met name bij personen met een voorgeschiedenis van hoofdpijn; bij hun bleek dat bij het lang opzetten van een masker hoofdpijn optreedt; de onderzoekers stelden echter dat de voordelen met betrekking tot de besmettingsreductie en daaraan gekoppeld de infectie-complicaties en mortaliteit, vele malen groter waren dan het ongemak van hoofdpijn; 7. dat een toenemend aantal onderzoeken heeft uitgewezen dat het universeel beleid voor het dragen van maskers in verband kan worden gebracht met een vermindering van het aantal en het percentage van infecties en sterfgevallen; in deze onderzoeken wordt geen onderscheid gemaakt tussen de soorten maskers, stof, chirurgisch of N95 die in de gemeenschap worden gebruikt; deze associatie wordt verstrekt om dat in veel gevallen andere mitigatie strategieën zoals bijvoorbeeld sluiting van scholen en werkplekken, aanbevelingen voor sociale afstand en handhygiëne al waren toegepast voordat het beleid voor het dragen van maskers werd ingevoerd waarna de verminderingen werden waargenomen; een studie waarin de veranderingen en toenames in percentages in 15 staten in Amerika voor en na maskerplicht werden onderzocht toonden aan dat de infecties toenamen voordat de maskerplicht was ingevoerd en daarna aanzienlijk verminderden toen de maskerplicht kwam en verminderden naarmate de maskerplicht langer van kracht was; 8. dat uit de door gedaagde overgelegde onderzoeksrapporten en publicaties blijkt dat het dragen van mondmaskers wel effectief is bij het tegengaan van de spreiding van Covid-19, en daardoor bij het tegengaan van complicaties en mortaliteit en geen nadelig effect heeft op de gezondheid van dragers.

5.2 Eisers hebben gereageerd op het verweer van gedaagde en hebben daarbij onder andere het volgende aangevoerd: 1. dat zij wel een belang hebben en ook een spoedeisend belang omdat de gezondheid van de burgers in het geding is; 2. dat gedaagde de stellingen dat het dragen van mondkapjes niet effectief is en nadelig is voor de gezondheid, niet heeft weersproken; 3. dat gedaagde slechts heeft verwezen naar de Wet betreffende de uitzonderingstoestand terwijl er fundamentele rechten geschonden worden; ook heeft een ieder het recht op gezondheid ingevolge artikel 36 lid 1 en 2, waardoor de maatregel die nadelig is voor de gezondheid niet kan worden getolereerd; 4. dat er inderdaad in Suriname geen gegevens zijn over het nadelig effect van de mondkapjes op de gezondheid van burgers doch dat daardoor juist de vraag gesteld kan worden waarom een maatregel wordt opgelegd waarvan de effecten niet duidelijk zijn; dat geldt temeer nu er studies zijn gedaan in het buitenland waaruit het gezondheidsnadeel blijkt; eisers verwijzen daarbij nogmaals naar het onderzoek van MacIntyre et al. uit 2015; ook is uit de onderzoeken het risico op virale en bacteriële infecties gebleken en het risico op gezondheidsschade als gevolg van zuurstofgebrek of een kooldioxide-vergiftiging; 5. dat zij erbij blijven dat er maatregelen zijn doorgevoerd zonder dat de effectiviteit ervan is bewezen en zonder dat het korte- en lange termijn effect op de gezondheid voldoende bekend is; 6. dat het enkele feit dat enkele van de door hun aangehaalde wetenschappelijke studies van vóór de Covid-19 periode dateren, nog niet met zich meebrengt dat deze niet kunnen worden gebruikt voor het beleid van 2021; wereldwijd wordt dagelijks gebruik gemaakt van oudere wetenschappelijke studies; 7. dat het onderzoek van Denemarken wel representatief is; er hebben zesduizend personen aan meegedaan en de studie betrof een RCT studie; RCT studies worden beschouwd als de gouden standaard voor klinisch onderzoek; de overgelegde producties van gedaagde worden niet alszodanig beschouwd; de conclusies uit het kapsalon onderzoek waar 139 personen aan meededen zou dan ook als kleinschalig moeten worden aangemerkt; 8. dat ook het onderzoek op de USS Theodore Roosevelt niet kan worden gebruikt voor het maken van beleid omdat daar 382 personen aan hebben deelgenomen die en grotere kans op blootstelling hadden en alle informatie was gebaseerd op zelfrapportage; in dat onderzoek waren verschillende interventies gelijktijdig doorgevoerd waardoor het niet mogelijk is om te concluderen welke interventie heeft geleid tot het resultaat; 9. dat het door de gedaagde genoemde resultaat van een verhoging van 3% ademhalingsweerstand afkomstig is uit een onderzoek met een computersimulatie; uit een onderzoek onder proefpersonen gedaan door Fikenzer et al. in juni 2020 bleek dat er wel aanzienlijke negatieve effecten optreden bij het dragen van een masker; 10. dat het gebruik van computersimulaties ook in het begin van de pandemie hebben geleid tot verregaande maatregelen omdat met een computersimulatie was voorspeld dat er miljoenen doden zouden vallen; de voorspelling bleek niet lang daarna totaal verkeerd te zijn en niet in overeenstemming met de realiteit; 11. dat gedaagde de maatregelen verplicht stelt doch daar zelf niet in gelooft omdat regeringsleiders de maatregelen zelf niet naleven; zij verwijzen daarbij naar een aantal keren dat regeringsleiders zich niet aan de mondkapjesplicht hielden.

5.3 De kantonrechter overweegt met betrekking tot het belang en het spoedeisend belang dat eisers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij een spoedeisend belang hebben. Zij stellen zich onder andere op het standpunt dat de verplichting tot het dragen van mond- en neuskapjes nadelig is voor de gezondheid en dat het stellen van die verplichting in strijd is met grondrechten van de burgers. Die grondslag brengt met zich mee dat het een zaak is die spoedeisend is en waarvoor een voorziening bij voorraad gevorderd zou moeten kunnen worden, ongeacht het feit dat de verplichting reeds geruime tijd bestaat. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan het desbetreffende verweer van gedaagde.

5.4 De kantonrechter overweegt dat de vraag die partijen verdeeld houdt de vraag betreft of er gronden zijn om de verplichting om een mond- en neusbedekking te dragen op te schorten.
In hun grondslag noemen eisers – kort weergegeven – een viertal gronden namelijk:

1. Het dragen van een mond- en neuskap draagt niet bij aan het tegengaan van de gevolgen van Covid-19; er is onvoldoende bewijs dat het effectief is;

2. Het dragen van een mond- en neuskap is aantoonbaar schadelijk voor de gezondheid van burgers zowel fysiek als psychisch;

3. De verplichting om een mond- en neuskap te dragen is in strijd met fundamentele mensenrechten zoals opgenomen in de Grondwet en Verdragen

4. Gedaagde misleidt de samenleving door de burgers de indruk te geven dat het dragen van mond- en neuskapjes medisch effectief is terwijl wetenschappelijk bewezen is dat dat niet het geval is en het dragen van mond- en neuskapjes zelfs schadelijk is voor de gezondheid. De gedaagde handelt hierdoor onrechtmatig jegens haar burgers.

5.5.1 De kantonrechter stelt voorop dat het betreft een verplichting die bij Wet is opgelegd, zoals hierboven onder de feiten opgenomen, en wel in het uitvoeringsbesluit van de Wet van 7 augustus 2020 houdende algemene regels in verband met de uitvoering van een burgerlijke uitzonderingstoestand afgekondigd ingevolge artikel 23 jo 72 onder c van de Grondwet (SB 2020 no. 151). Het betreft het Presidentieel besluit van 25 juli 2020 (SB 2020 no. 143 / PB 16/2020).

5.5.2 De kantonrechter acht het van belang allereerst de artikelen van de Grondwet te bespreken die relevant zijn voor de beoordeling van dit geschil.

5.5.3 Ingevolge artikel 80 lid 2 van de Grondwet zijn alle wetten onschendbaar, behoudens het bepaalde in de artikelen 106, 137 en 144 lid 2. In dit verband is een verwijzing naar de Wet Algemene Bepalingen (SB 1945 no. 112) ook van belang, met name artikel 12 waarin is bepaald: “De rechter moet volgens de wettelijke bepalingen rechtspreken; hij mag in geen geval hare innerlijke waarde of billijkheid beoordelen.”

5.5.4 Ingevolge artikel 70 van de Grondwet is het vaststellen van wetten in formele zin opgedragen aan de Nationale Assemblee en de Regering gezamenlijk.

5.5.5 De Grondwetgever heeft met artikel 80 de toetsingsbevoegdheid van de rechter, om wetten te toetsen, afgebakend. Buiten het kader van de Grondwetsbepalingen heeft de rechter geen bevoegdheid om de innerlijke waarde van een wet te toetsen. In artikel 80 zijn de bepalingen genoemd die een uitzondering vormen op bedoelde onschendbaarheid. Het betreft, zoals hiervoor reeds genoemd, de artikelen 106, 137 en 144 lid 2 van de Grondwet. In artikel 106 van de Grondwet is bepaald dat binnen de Republiek Suriname geldende wettelijke bepalingen geen toepassing vinden, wanneer deze toepassing niet verenigbaar zou zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten, die hetzij voor, hetzij na de totstandkoming van de voorschriften zijn aangegaan. In artikel 137 van de Grondwet is bepaald dat voor zover de rechter in een concreet aan hem voorgelegd geval toepassing van een bepaling van een wet strijdig oordeelt met één of meer der in hoofdstuk 5 genoemde grondrechten, de rechter die toepassing ongeoorloofd verklaart. In artikel 144 lid 2 van de Grondwet komt de bevoegdheid van het Constitutioneel Hof aan de orde. (vide tevens het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 28 maart 2019; SRU-K1-2019-4)

5.6 De kantonrechter overweegt dat de vordering van eisers zo begrepen moet worden dat zij vorderen dat de bepaling met betrekking tot de verplichting van de mond- en neuskapjes wordt geschorst totdat door de rechter in een bodemprocedure of het Constitutioneel Hof een oordeel is gegeven over de vraag of de bepaling strijdig is met een ieder verbindende bepalingen van een verdrag of één of meer der in hoofdstuk 5 van de Grondwet genoemde grondrechten. Zij stellen als grondslag voorts dat inbreuk op grondrechten slechts gerechtvaardigd zou zijn als vaststaat dat een dergelijke inbreuk bij wet geregeld is, een legitiem doel dient, strikt noodzakelijk, proportioneel en effectief is en niet schadelijk is voor de gezondheid.

5.7 Eisers beroepen zich in hun grondslag op strijdigheid met de volgende grondrechten:
• het grondrecht van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zoals geformuleerd in artikel 16 leden 1 en 2 en artikel 17 lid 1 van de Grondwet;
• het grondrecht opgenomen in artikel 9 lid 1 van de Grondwet, het zelfbeschikkingsrecht, het recht van een ieder op fysieke, psychische en morele integriteit;
• het grondrecht opgenomen in artikel 14 van de Grondwet, namelijk het recht op leven.

5.8 Gedaagde heeft in haar verweer op dit verwijt aangevoerd dat artikel 23 van de Grondwet de gedaagde de bevoegdheid geeft om in geval van – onder andere – een uitzonderingstoestand de in de Grondwet genoemde grondrechten bij wet te onderwerpen aan beperkingen. De gedaagde stelt dat er sprake is van een uitzonderingstoestand omdat er een pandemie heerst die de volksgezondheid ernstig in gevaar brengt. Op 7 augustus 2020 is de Wet Uitvoering Burgerlijke Uitzonderingstoestand vastgesteld in verband met de bescherming van de volksgezondheid, de economie en de algemene veiligheid van burgers. De maatregelen waar eisers op doelen zijn enigszins beperkend, doch moesten getroffen worden in het belang van de volksgezondheid.

5.9 Eisers hebben op dat verweer gereageerd waarbij zij aanvoerden dat een ieder recht heeft op gezondheid en dat een beperking van de gezondheid van de burger niet kan worden toegestaan. Zij zijn verder gebleven bij hun stellingen dat het gebruik van mond- en neuskapjes niet effectief is en schadelijk is voor de gezondheid.

5.10 Gedaagde heeft met betrekking tot de effectiviteit van de maatregel en door eisers genoemde nadelige gevolgen voor de gezondheid aangevoerd dat de maatregel wel effectief is en dat het niet juist is dat het dragen van mondkapjes zodanige nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid dat de maatregel daarom niet genomen had mogen worden.

5.11 Beide partijen hebben producties overgelegd om hun respectieve stellingen te onderbouwen.

5.12.1 De kantonrechter overweegt dat voor de beoordeling van het geschil, naast de hiervoor besproken Grondwetsartikelen, tevens de rechtspraak van belang is. In casu is er immers sprake van dat gedaagde gebruik maakt van haar bevoegdheid ingevolge artikel 23 van de Grondwet doch stellen eisers dat gedaagde dat op een wijze doet die ongeoorloofd is. Het toetsingskader dat in de Nederlandse rechtspraak gehanteerd is, en voor de Surinaamse rechtspraktijk ook een goed toetsingskader vormt, is onder andere te vinden in de hierna volgende uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. Het Hof heeft daarin geoordeeld over een vordering in verband met een maatregel die bij wet was opgelegd in verband met de Covid-19 pandemie.

5.12.2 Het betreft een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 26 februari 2021 (ECLI:NL:GHDHA:2021:285) waarbij het Hof onder andere alsvolgt overwoog:

“De vraag welke maatregelen moeten worden getroffen ter bestrijding van de coronacrisis en of die maatregelen proportioneel en subsidiair zijn vergt primair een politieke afweging. Dat die politieke afweging met betrekking tot de invoering van de avondklok ook heeft plaatsgevonden, blijkt zowel uit de toelichting bij de Voortduringswet als uit het besluit van het kabinet om voorafgaand aan het instellen van de avondklok de Tweede Kamer te raadplegen. De civiele rechter – en zeker de rechter in kort geding – moet zich daarom terughoudend opstellen bij de beoordeling van de keuzes die de Staat binnen de grenzen van zijn beoordelings- en beleidsvrijheid maakt. Alleen als evident is dat de Staat onjuiste keuzes maakt en de Staat dus in redelijkheid niet voor het gevoerde beleid heeft kunnen kiezen, of wanneer de Staat een bevoegdheid aanwendt zonder dat daarvoor in de gegeven omstandigheden een wettelijke grondslag bestaat, is plaats voor rechterlijk ingrijpen…..”

“ In deze procedure is de vraag aan de orde of er sprake is van buitengewone omstandigheden die invoering van de avondklok noodzakelijk maken.
6.7.
Het begrip buitengewone omstandigheden is in de wet of de wetsgeschiedenis ………….niet gedefinieerd. Naar het oordeel van het hof is het zonder meer duidelijk dat er sprake is van buitengewone omstandigheden…………………….. Ondanks vele (vaak vergaande) maatregelen is het Covid-19 virus nog steeds niet uitgedoofd en is dit aan het muteren in (veelal) nog besmettelijkere varianten. Het wachten is uiteindelijk op voldoende vaccinatiemogelijkheden, maar zover is het nu nog niet, terwijl bovendien onzeker is of de thans bestaande vaccins onverminderd werken bij de nieuwe varianten.
6.8.
Volgens de regering is de situatie zeer zorgelijk, omdat twee epidemiologische situaties zich naast elkaar ontwikkelen, te weten het ‘oude’ Covid-19 virus en de veel besmettelijkere buitenlandse varianten die naar verwachting de boventoon zullen gaan voeren. Alles op alles moet worden gezet om het aantal besmettingen zo laag mogelijk te houden en zo te voorkomen dat Nederland wordt overspoeld met een derde golf bovenop de tweede. De regering baseert zich hierbij op het OMT (met specifieke deskundigheid), dat in verband hiermee dringend adviseert tot invoering van de avondklok omdat geen gelijkwaardige alternatieven voorhanden zijn.
6.9.
Naar het oordeel van het hof mag het kabinet in beginsel op de adviezen van het OMT afgaan. Niet voor niets is dit orgaan verantwoordelijk voor het tot stand komen van het best mogelijke professionele advies over de te nemen crisismaatregelen.7 De omstandigheid dat niet exact gewogen kan worden in hoeverre de tevens dringend geadviseerde bezoekbeperking mede effect sorteert, maakt niet dat daarmee de noodzaak van de avondklok ontbreekt of is vervallen. De Staat heeft voldoende onderbouwd dat de avondklok ook effect heeft, althans dat hij hier in redelijkheid van mag uitgaan…..”.
“……………… heeft nog gesteld dat het invoeren van de avondklok niet noodzakelijk is omdat het aantal besmettingen terugloopt, evenals de ziekenhuis- en IC-bezetting, terwijl het aantal besmettingen bovendien niet gelijk staat aan even zovele zieken en het om een ‘vrij onschuldig’ virus gaat. …………….. miskent hiermee dat het OMT ondanks de verminderde druk op de zorg uitvoerig en wetenschappelijk onderbouwd heeft toegelicht dat verder ingrijpen noodzakelijk is, met name in verband met de toename van de nieuwe varianten. Dit ter voorkoming van het risico – dit is geen zekerheid en hoeft en kan ook geen zekerheid (te) zijn – van versneld oplopende ernstige besmettingen en daarmee (over)belasting van de zorg. De stelling dat de “donkere wolk” die door het OMT is geschetst “nog nooit regen heeft opgeleverd” is een miskenning van de feitelijke toestand waarin Nederland sinds ongeveer een jaar verkeert en waarvan het kabinet mag oordelen dat die zodanig is dat een verergering moet worden voorkomen…..”
6.11.
“Al met al heeft de Staat daarom in redelijkheid kunnen oordelen dat er sprake was van buitengewone omstandigheden die invoering van de avondklok noodzakelijk maakten. …..
Uiteraard dienen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit bij de daadwerkelijke inzet van de Wbbbg wel in acht te worden genomen. Het hof zal hierna deze aspecten toetsen.
Proportionaliteit en subsidiariteit
6.12.
Niet in geschil is dat met de invoering van de avondklok diverse grondrechten worden beperkt, die onder meer zijn verankerd in internationale verdragen. Het gaat daarbij om het recht op bewegingsvrijheid (artikel 2 Vierde Protocol EVRM), het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM en artikel 10 Grondwet – Gw) en indirect de vrijheid van vergadering, betoging en het belijden van godsdienst en levensovertuiging (artikel 9 en artikel 10 EVRM en artikel 6 en artikel 9 Gw).
6.13.
Deze grondrechten bieden ruimte voor een inperking daarvan (onder meer) als dat noodzakelijk is voor de bescherming van de volksgezondheid. De Staat is tot deze bescherming verplicht op grond van artikel 22 Gw en de artikelen 2 en 8 EVRM. Een dergelijke inperking is mogelijk voor zover deze (i) een legitiem doel dient, (ii) bij de wet is voorzien en (iii) noodzakelijk is in een democratische samenleving. In dat laatste criterium ligt besloten dat de inperking van de grondrechten proportioneel moet zijn en dat er geen andere (lichtere) middelen moeten zijn om het beoogde doel te verwezenlijken. De Staat heeft hierbij een grote beoordelingsvrijheid (a wide margin of appreciation).
6.14.
Vast staat dat de inperking (i) een legitiem doel dient en (ii) bij wet is voorzien. De Staat heeft aangevoerd (iii) dat de maatregel ook proportioneel is. …………………………..
6.15.
Naar het oordeel van het hof is, gelet op de klemmende situatie waar de Staat blijkens het voorgaande vanuit mocht gaan, de maatregel van deze avondklok (iii) proportioneel en voldoet deze ook aan de eisen van subsidiariteit. Afwachten hoe de situatie zich ontwikkelt, ………….heeft de Staat in redelijkheid niet willen en hoeven doen. ….”

5.12.3 De kantonrechter acht op grond van de hiervoor genoemde wetgeving en rechtspraak het volgende kader van belang bij de beoordeling:
• er moet sprake zijn van buitengewone omstandigheden;
• de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit moeten in acht genomen worden bij het doorvoeren van maatregelen waarbij grondrechten worden beperkt;
• de civiele rechter, en zeker de rechter in kort geding, moet zich terughoudend opstellen bij de beoordeling van de keuzes die de gedaagde binnen de grenzen van zijn beoordelings- en beleidsvrijheid maakt, omdat de vraag welke maatregelen moeten worden getroffen ter bestrijding van de coronacrisis en of die maatregelen proportioneel en subsidiair zijn primair moet worden beantwoord door de regering en de wetgevende macht; alleen als het evident is dat de gedaagde bij het beperken van de grondrechten onjuiste keuzes maakt, dus in redelijkheid niet voor het gevoerde beleid heeft kunnen kiezen, is er plaats voor rechterlijk ingrijpen.

5.13 De kantonrechter overweegt dat er sprake is van buitengewone omstandigheden, evenals in de casus van het hiervoor bedoeld vonnis van het Hof. Daarom was gedaagde genoodzaakt de uitzonderingstoestand af te kondigen. Beoordeeld moet worden of de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht zijn genomen en of er sprake is van een situatie waarbij gedaagde bij het beperken van de grondrechten onjuiste keuzes heeft gemaakt waarbij in redelijkheid niet voor het gevoerde beleid gekozen had kunnen worden.

5.14 De kantonrechter overweegt dat de stellingen van eisers hierop neerkomen dat gedaagde onjuiste keuzes heeft gemaakt. De twee gronden die zij daarbij aanvoeren staan in verband met de proportionaliteit. Zij stellen in hun grondslag dat inbreuk op grondrechten slechts gerechtvaardigd zou zijn als vaststaat dat een dergelijke inbreuk strikt noodzakelijk, proportioneel en effectief is en niet schadelijk is voor de gezondheid.

5.15.1 Eisers stellen allereerst dat het dragen van mond- en neuskapjes niet effectief is. Zij stellen dat de verplichting om die reden niet doorgevoerd had mogen worden. In hun stellingen wijzen zij erop dat nu de maatregel niet effectief is, deze niet mocht worden doorgevoerd, temeer niet nu deze maatregel een inbreuk vormt op de grondrechten. Deze stellingen betreffen het proportionaliteitsbeginsel.

5.15.2 De gedaagde heeft op deze grond verweer gevoerd. Zij heeft aangevoerd dat het wel is gebleken dat de maatregel effectief is. Om haar verweer te onderbouwen heeft zij acht en twintig producties overgelegd waaronder een publicatie van de Centers for Disease Control and Prevention van november 2020 waarin is geconcludeerd dat verschillende onderzoeken leiden tot de slotsom dat het gebruik van mond- en neuskapjes leidt tot de vermindering van de spreiding van het Covid-19 virus en een tussentijdse richtlijn van de WHO van 1 december 2020 (pagina 8 en verder) waarin wordt geadviseerd over te gaan tot het dragen van maskers in de gevallen van “community or cluster transmission”.

5.15.3 De kantonrechter overweegt dat enerzijds eisers, blijkens de opsomming onder de grondslag, circa dertien onderzoeken hebben aangevoerd voor het onderbouwen van hun stelling. Anderzijds heeft gedaagde haar stelling onderbouwd met een achtentwintigtal publicaties, eveneens resultaten van wetenschappelijk onderzoek. De kantonrechter overweegt dat het evident is dat er in de wetenschappelijke wereld verschillende meningen bestaan over de effectiviteit en de gevolgen van het gebruik van mond- en neuskapjes. De kantonrechter overweegt dat, ondanks de meningsverschillen, uit het door gedaagde gevoerd verweer en de overgelegde producties, voldoende aannemelijk is geworden dat de inzichten van de WHO en andere internationale en nationale public health deskundigen, en het Outbreak Management Team, op wiens adviezen de besluiten van de gedaagde zijn gebaseerd, tot de conclusie leiden dat de maatregel wel effectief is. Zoals ook in de hiervoor genoemde rechtspraak is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde in beginsel op de adviezen van het Outbreak Management Team mag afgaan. De gedaagde heeft voldoende onderbouwd dat de maatregel effect heeft, althans dat zij hier in redelijkheid van mag uitgaan.

5.16.1 Eisers stellen ten tweede dat het dragen van mond- en neuskapjes schadelijk is voor de gezondheid van burgers, zowel fysiek als psychisch. Daardoor zou de verplichting om mond- en neuskapjes te dragen niet als maatregel mogen zijn doorgevoerd. Zij hebben om deze stelling te onderbouwen verwezen naar verschillende onderzoeken met betrekking tot het effect van de mondkapjes op het zuurstof- en kooldioxidegehalte in het bloed en het verhogen van het risico van virale en bacteriële besmettingen.

5.16.2 De gedaagde heeft ook op deze grond verweer gevoerd. Zij heeft aangevoerd dat het niet is gebleken dat het dragen van een mond- en neuskap een noemenswaardig effect heeft op het zuurstof- en kooldioxidegehalte in het bloed. Verder heeft zij aangevoerd dat er weliswaar ongemakken zijn gebleken doch dat deze ongemakken niet opwegen tegen het positieve effect dat het dragen van mond- en neuskapjes heeft op het indammen van de verspreiding van de pandemie en de daarmee gepaard gaande complicaties en mortaliteit. Om die reden hebben de WHO en andere internationale en nationale public health deskundigen, en het Outbreak Management Team, geadviseerd het dragen van een mond- en neuskap wel te verplichten. Ook ten aanzien van deze weren zijn door gedaagde enkele publicaties met onderzoeksresultaten overgelegd waaronder een publicatie van de American Thoracic Society waarin resultaten van een onderzoek zijn opgenomen betreffende de fysiologische effecten van het gebruik van mond- en neuskapjes. In die publicatie is de conclusie opgenomen dat er geen noemenswaardige gezondheidsproblemen ontstaan voor wat betreft het zuurstof- en kooldioxidegehalte in het bloed bij het dragen van een mond- en neuskap. Ook is in die publicatie ingegaan op het feit dat er geen redenen zijn om bezorgd te zijn over de veiligheid van het gebruik van de mond- en neuskapjes. Voorts is overgelegd een publicatie van de International Journal of Environmental Research en Public Health waarin is ingegaan op de fysiologische effecten van het dragen van een mond- en neuskap, waaronder het ontstaan van hoofdpijn, pijn aan het gezicht, acne, jeuk en huiduitslag. In die publicatie wordt echter geconcludeerd dat de hiervoor genoemde effecten veelal kunnen worden vermeden door een ander soort mond- en neuskap te gebruiken. In het artikel wordt gesteld dat het voordeel dat bereikt wordt door het gebruik van mond- en neuskapjes veel zwaarder wegen dan de nadelen die zijn genoemd. In de tussentijdse richtlijn van de WHO van december 2020 is op pagina 6 ingegaan op de nadelige effecten van het gebruik van mond- en neuskapjes en is op pagina 5 ingegaan op maatregelen die getroffen kunnen worden om de nadelige gevolgen van het dragen van een mond- en neuskap te vermijden.

5.16.3 De kantonrechter overweegt dat uit het door gedaagde gevoerd verweer en de overgelegde producties, voldoende aannemelijk is geworden dat de inzichten van de WHO en andere internationale en nationale public health deskundigen, en het Outbreak Management Team, op wiens adviezen de besluiten van de gedaagde zijn gebaseerd, tot de conclusie leiden dat er geen sprake is van zodanige nadelige gevolgen op de gezondheid door het dragen van een mond- en neuskap, dat de maatregel niet had mogen worden doorgevoerd. Evenals hiervoor overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde in beginsel op de adviezen van het Outbreak Management Team mag afgaan. De gedaagde heeft voldoende onderbouwd dat de maatregel niet leidt tot zodanige nadelige effecten voor de gezondheid van de dragers van een mond- en neusbedekking, dat de maatregel niet had mogen worden doorgevoerd, althans dat zij hier in redelijkheid van mag uitgaan.

5.17.1 De kantonrechter overweegt dat op grond van het hiervoor overwogene, de grondslag van eisers voor wat betreft de punten 1, 2 en 3 niet aannemelijk is geworden, met name de grondslag dat de maatregel niet had mogen worden doorgevoerd omdat de maatregel grondrechten beperkt terwijl de maatregel niet effectief is en schadelijk is voor de gezondheid.

5.17.2 De kantonrechter zal het deel van de grondslag, genoemd onder punt 4 van de grondslag, met betrekking tot de misleiding van de samenleving niet beoordelen nu dat deel van de grondslag niet valt onder de uitzondering op de onschendbaarheid van wetten zoals genoemd in artikel 80 lid 2 van de Grondwet.

5.18 De kantonrechter zal op grond van het voorgaande de gevraagde voorzieningen weigeren.

5.19 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en eisers, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de proceskosten.

6. De beslissing
6.1 Weigert de gevraagde voorzieningen;

6.2 Veroordeelt eisers in de kosten van dit geding aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter in kort geding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van woensdag 24 maart 2021, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2020-40

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
wonende in [district],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie c.q. de minister van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Rathipal, substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het hof) op 22 maart 2016;
  • de beschikking van het hof van 03 oktober 2016 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 21 oktober 2016;
  • de processen-verbaal van het op 21 oktober 2016 gehouden verhoor van partijen en de op 17 februari 2017 gehouden voortzetting daarvan, alsmede de op eerstgenoemde datum door de Staat overgelegde bescheiden;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens de Staat d.d. 21 juli 2017, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoekster] d.d. 03 november 2017 (kennelijk abusievelijk gedateerd: 03 november 217).

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 06 april 2018, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 De secretaris van de President van de Republiek Suriname (hierna: de President), mevr. [naam], heeft een lijst met meer dan tweehonderd namen van personen doen toekomen aan de minister van Justitie en Politie (hierna: de minister). Deze lijst is voorzien van het stempel van het kabinet van de President. Het was de bedoeling dat vorenbedoelde personen op voormeld ministerie geaccommodeerd zouden worden. [verzoekster] komt op deze lijst voor, (kennelijk) onder nummer [nummer].Voormelde lijst ging vergezeld van een door mevr. [naam] voornoemd ondertekend begeleidend schrijven d.d. 13 februari (het jaartal is niet leesbaar), luidende onder meer als volgt:

“Heer minister,

Aub, de juiste lijst. Gaarne de overige lijsten te vernietigen. Van deze lijst is een exemplaar aangeboden aan de minister van Binnenlandse Zaken.”

2.2 [verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 04 januari 2015, gericht aan de human resource manager van het Korps Politie Suriname (KPS), gesolliciteerd naar een betrekking bij het KPS en wel als interieurverzorgster.

2.3 Het waarnemend hoofd Personele Zaken van het Ministerie van Justitie en Politie, mevr. [naam 2] (hierna: [naam 2]), heeft bij schrijven d.d. 05 maart 2015, met als onderwerp ‘werkgeversverklaring’, het volgende aan de directeur van Justitie en Politie (hierna: de directeur) bericht:

Geachte directeur,
Naar aanleiding van de kanttekening gemaakt op het sollicitatie schrijven van mej. [naam 3] d.d. 2 januari 2015 wordt, conform de instructie, u 43-tal werkgeversverklaringen aangeboden.

Hopende u van dienst te zijn geweest.

2.4 Als bijlage bij het hierboven in 2.3 genoemd schrijven d.d. 05 maart 2015 is gevoegd een uitgeprinte lijst, getiteld ‘Overzicht werkgeversverklaring’, met daarop 43 namen van personen, genummerd 1 tot en met 43, onder vermelding van de functie, schaal en datum van indiensttreding (een 44ste naam is met de hand aan deze lijst toegevoegd).[verzoekster] komt onder nummer [nummer 2] op deze lijst voor, onder vermelding van de functie ‘schoonmaakster’, schaal ‘[nummer 3]B’ en datum van indiensttreding ‘02 maart 2015’.

2.5 Een door [naam 2] ondertekende werkgeversverklaring ten name van [verzoekster] d.d. 05 maart 2015 (hierna: de werkgeversverklaring), luidt als volgt:
“L.S.
(…)

V E R K L A R I N G
Ondergetekende verklaart hierdoor, dat mw. [verzoekster], geboren in [district] op [geboorte datum], te rekenen van 02 maart 2015 op arbeidsovereenkomst in overheidsdienst is getreden op het Ministerie van Justitie en Politie, in de functie van Schoonmaakster, onder het genot van een bruto-salaris conform functiegroep [nummer 3] (schaal [nummer 2]B) van SRD 1.014,= (EENDUIZEND EN VEERTIEN SURINAAMSE DOLLAR) per maand.

Wordende deze verklaring, onder voorbehoud van herziening bij onjuiste vaststelling van het bruto-salaris, op haar verzoek afgegeven, om te dienen waar zulks nodig mocht blijken.
(…)
De werkgeversverklaring is verzonden naar de woning van [verzoekster] in [district].

2.6 De waarnemend korpschef van het KPS heeft bij schrijven d.d. 03 februari 2016, K.A. no. [nummer 4], het volgende aan de minister meegedeeld:
Excellentie,
Naar aanleiding van het verzoek van agent van politie 1e klasse [naam 4] inzake onzekerheid indiensttreding van zijn wederhelft, bericht ik u het volgende.

In de periode van maart 2015 tot juni 2015 werd door het ministerie van justitie en politie aan het Korps Politie Suriname het verzoek gedaan 20 interieurverzorgsters waaronder [verzoekster], de levenspartner van agent [naam 4], in dienst te nemen.
Het KPS heeft hieraan niet meegewerkt omdat er enige onduidelijkheid was omtrent hun ontheffing, te werkstelling en uitbetaling. Achteraf bleek dat deze groep geen arbeidsstatus heeft binnen de Overheid. Op grond hiervan kan er geen goedkeuring worden gegeven aan geen van deze verzoekschriften.

2.7 De procesgemachtigde van [verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 16 februari 2016 een beroep gedaan op de minister om [verzoekster] op te roepen voor het verrichten van arbeid en haar conform de arbeidsovereenkomst uit te betalen.

2.8 Bij schrijven d.d. 17 februari 2016, SM [nummer 5], heeft de minister het volgende aan de agent van politie 1e klasse [naam 3], zijnde de levenspartner van [verzoekster], meegedeeld:

Geachte heer,
Naar aanleiding van uw audïentieaanvraag van 28 oktober 2015 waarbij u uw ontevredenheid uit over de sollicitatie van mevouw [verzoekster], wordt u als volgt bericht.
Uit informatie van het Korps Politie Suriname is gebleken dat mevrouw [verzoekster] behoort tot een groep personen die waren voorgedragen voor indiensttreding.
Vanwege onduidelijkheid inzake hun ontheffing, te werkstelling en betaling is aan de indiensttreding niet meegewerkt.

Hopende u voldoende te hebben geïnformeerd.

[verzoekster] heeft dit schrijven op 23 februari 2016 ontvangen.

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoekster] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. hetdoor de Staat genomen besluit totnon-activiteit zal worden vernietigd;
b. voorzover een besluit is genomen tot ontheffing van [verzoekster], ditbesluit zal worden vernietigd;
c. het besluit totniet–uitbetaling van het salaris van [verzoekster] zal worden vernietigd;
d. de Staat zal worden gelast om [verzoekster] werkzaamheden te doen verrichten, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,- per dag, voor iedere dag dat de Staat weigerachtig blijft om [verzoekster] werkzaamheden te laten verrichten;
e. de Staat zal worden veroordeeld tot betaling van het salaris van [verzoekster] en wel vanaf maart 2015, zijnde het maandelijkse brutosalaris van SRD1.104,- met de daarbij behorende emolumenten en tussentijdse verhogingen.
[verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoekster] heeft, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Zij is op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden van de Staat. Zij heeft na de mededeling van indiensttreding d.d. 24 augustus 2015 een leveringsbon ontvangen voor het afhalen van haar uniformen, zijnde twee rokken en twee blouses. [verzoekster] heeft meerdere malen verzocht om opgeroepen te worden voor het verrichten van werkzaamheden als interieurverzorgster en om betaling van haar salaris conform de arbeidsovereenkomst, zulks laatstelijk nog bij schrijven d.d. 16 februari 2016 (zie 2.7)
In het schrijven van de minister d.d. 17 februari 2016 (zie 2.8) is aangegeven dat er niet is meegewerkt aan de tewerkstelling en de betaling vanwege onduidelijkheid inzake haar ontheffing. [verzoekster] komt bij het hof in beroep tegen het besluit tot haar ontheffing, tot non-activiteit en tot het niet betalen van haar salaris, omdat zij nimmer hiervan in kennis is gesteld door de Staat. Zij is nimmer gehoord ter zake van het genomen besluit van non-activiteit en het uitblijven van betaling van haar salaris. [verzoekster] mag gerechtvaardigd erop vertrouwen dat zij middels een arbeidsovereenkomst in dienst is getreden van de Staat en dat zij recht heeft op een maandelijks brutosalaris van SRD 1.104,-. Wat haar vertrouwen nog meer rechtvaardigt is het feit dat zij eerdergenoemde leveringsbon van de Staat heeft ontvangen. Zulks mag derhalve gezien worden als een flagrante schending van het vertrouwensbeginsel. [verzoekster] heeft tevens moeten ervaren dat anderen die rond dezelfde periode een soortgelijke verklaring van indiensttreding in ontvangst hebben genomen, wel reeds zijn opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden en salaris ontvangen. De Staat handelt hiermee naar willekeur en in strijd met het gelijkheidsbeginsel.[verzoekster] wenst graag werkzaamheden te verrichten. De non-activiteit is niet aan haar te wijten. Zij heeft ingaande maart 2015 recht op salaris.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
4.1 De vraag die partijen in dit geding verdeeld houdt, is of tussen hen een arbeidsovereenkomst krachtens artikel 15 Pw zoals bedoeld in de werkgeversverklaring tot stand is gekomen. Het antwoord op deze vraag is reeds van belang voor de ontvankelijkheid van [verzoekster] in haar vordering. Immers, in geval tussen partijen geen arbeidsovereenkomst krachtens artikel 15 Pw tot stand is gekomen, is de Personeelswet niet van toepassing op [verzoekster] en kan zij dientengevolge niet door het hof als gerecht in ambtenarenzaken in haar vordering worden ontvangen. Ten aanzien hiervan overweegt het hof als volgt.

4.2 [verzoekster] beroept zich onder verwijzing naar de werkgeversverklaring op een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, althans op het gerechtvaardigd vertrouwen dat deze arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. [verzoekster] heeft op de zitting van 21 oktober 2016 ter aanvulling van haar stellingen, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende verklaard. Zij heeft in januari 2015 een sollicitatiebrief gestuurd naar het Ministerie van Justitie en Politie en naar het KPS. Zij is op 02 maart 2015 voor een sollicitatiegesprek uitgenodigd door voormeld ministerie, waarbij haar is gezegd om op een oproeping te wachten. Het sollicitatiegesprek heeft plaatsgevonden op voormeld ministerie. De mevrouw met wie zij het sollicitatiegesprek heeft gevoerd, wier naam haar onbekend is, heeft haar voorgehouden dat zij in dienst zou worden genomen. Eerdergenoemd ministerie heeft na 02 maart 2015 echter niets meer van zich laten horen. Zij krijgt geen salaris uitbetaald. In afwachting van haar indiensttreding had zij ontslag genomen bij haar vorige werkgever. De Staat heeft het voorgaande niet weersproken, zodat het hof van de juistheid daarvan zal uitgaan. Naar het hof begrijpt heeft [naam 2] het hierboven bedoelde sollicitatiegesprek met [verzoekster] gevoerd.

4.3 De comparitiegevolmachtigden van de Staat, te weten: mevrouw [naam 5] (hierna: [naam 5]), waarnemend human resource manager bij het KPS, en [naam 2], inmiddels hoofd Personele Zaken van het Ministerie van Justitie en Politie, hebben respectievelijk ter zitting van 21 oktober 2016 en 17 februari 2017 het één en ander verklaard omtrent de omstandigheden waaronder de werkgeversverklaring aan [verzoekster] is verstrekt. Uit hetgeen zij onweersproken hebben verklaard en uit de interne stukken die door de Staat zijn overgelegd bij conclusie tot overlegging van relevante stukken d.d. 21 juli 2017 is, zakelijk weergegeven, het volgende gebleken. [verzoekster] behoort tot een groep van meer dan tweehonderd personen die op het Ministerie van Justitie en Politie geaccommodeerd diende te worden (zie 2.1). Een aantal van hen is bij diverse afdelingen van het dienstonderdeel Justitie en bij het Korps Brandweer Suriname van voormeld ministerie geplaatst geworden, voor zover er daar vacatures waren en betrokkenen aan de desbetreffende functievereisten voldeden. [verzoekster] kon reeds vanwege het feit dat zij woonachtig is te [district 2] in [district] niet geplaatst worden bij het dienstonderdeel Justitie, nu dit dienstonderdeel daar geen afdeling heeft. Vervolgens is [verzoekster] geplaatst op een door de afdeling Personele Zaken van voormeld ministerie opgemaakte lijst met namen van personen, die door het KPS moesten worden geaccommodeerd. Deze lijst is samen met de desbetreffende sollicitatiebrieven, gestuurd naar het KPS. Het ministerie heeft daarbij het KPS, dat over een eigen budget beschikt en een eigen afdeling Personeelszaken en salarisadministratie heeft, voorgehouden dat het KPS zelf diende zorg te dragen voor de betaling van de salarissen van de op voormelde lijst voorkomende personen. Voormeld ministerie heeft het KPS echter niet voorzien van de stukken, benodigd voor het in dienst kunnen nemen van vorenbedoelde personen. Vanwege de personeelsstop is een ontheffing van de Raad van Ministers vereist voor het aantrekken van nieuw personeel. Niet is gebleken dat zo een ontheffing is verleend. De procedure voor het in dienst nemen van vorenbedoelde personen, waaronder [verzoekster], is derhalve niet gevolgd. Het KPS heeft de minister bij het in 2.6 vermeld schrijven d.d. 03 februari 2016 te kennen gegeven niet te zullen meewerken aan het in dienst nemen van deze personen. [naam 2] heeft op instructie van de minister werkgeversverklaringen opgemaakt ten name van de personen voorkomende op in de 2.4 genoemde lijst, waaronder [verzoekster], zonder dat sprake is van een met hen gesloten arbeidsovereenkomst. De werkgeversverklaringen waren bedoeld om betrokkenen, die woonachtig zijn in de districten, in staat te stellen (alvast) een bankrekening te kunnen openen. [naam 2] heeft de werkgeversverklaringen doen toekomen aan de directeur, die ze vervolgens heeft afgegeven aan de minister. De parlementariër [naam 6] heeft de werkgeversverklaringen aan betrokkenen verstrekt.

4.4 Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat partijen op 02 maart 2015 een arbeidsovereenkomst hebben gesloten, zodat de aan [verzoekster] verstrekte werkgevers-verklaring in strijd is met de werkelijkheid. Het hof merkt in dit kader op dat [verzoekster] ter zitting zelf heeft verklaard dat: 1. haar tijdens het sollicitatiegesprek is voorgehouden dat zij in dienst zou worden genomen – en niet dat zij in dienst is genomen – en 2. zij in afwachting van de indiensttreding ontslag had genomen bij haar vorige werkgever. [verzoekster] ging derhalve kennelijk zelf ervan uit dat partijen op 02 maart 2015 geen arbeidsovereenkomst hadden gesloten. Zelfs in geval ervan moet worden uitgegaan dat de door [verzoekster] ter zitting gebezigde bewoordingen ongelukkig zijn gekozen, doet zulks niet af aan hetgeen is verwoord in de eerste volzin van deze rechtsoverweging.

4.5 Het beroep van [verzoekster] op het gerechtvaardigd vertrouwen dat een arbeidsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, faalt. Daartoe wordt als volgt overwogen. Vast is komen te staan dat de werkgeversverklaring in strijd is met de werkelijkheid, zodat [verzoekster] daaraan geen vertrouwen kan ontlenen. De omstandigheid dat het geheel buiten de invloedssfeer van [verzoekster] lag dat de Staat het één en ander administratief niet correct heeft aangepakt, maakt dit niet anders. [verzoekster] kan voorts geen vertrouwen ontlenen aan de eerder door haar gestelde omstandigheid dat zij een leveringsbon voor het afhalen van uniformen van de Staat heeft ontvangen, nu zij ter zitting van 17 februari 2017 zelf heeft verklaard dat zij op eigen initiatief en op eigen kosten de uniformen heeft laten maken. [verzoekster] kan evenmin vertrouwen ontlenen aan het feit dat haar naam voorkomt op de in de conclusie tot uitlating producties d.d. 03 november 2017 genoemde lijsten, nu hieruit niet volgt dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. [verzoekster] heeft verder geen feiten of omstandigheden gesteld, waaruit kan worden geconcludeerd dat zij gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat partijen op enig moment na 02 maart 2015 wilsovereenstemming hebben bereikt over de in artikel 1613a van het Burgerlijk Wetboek genoemde essentiële onderdelen van de door haar gestelde arbeidsovereenkomst. Het hof acht in dit kader tevens van belang de omstandigheid dat [verzoekster] nimmer is opgeroepen om werkzaamheden als schoonmaakster voor de Staat te verrichten.

4.6 Het verdient overigens opmerking dat de handelwijze van de Staat, met name het verstrekken van werkgeversverklaringen zonder dat sprake is van een dienstverband, op zijn zachts uitgedrukt geen schoonheidsprijs verdient. Deze handelwijze is de directe aanleiding geweest voor het onderhavige geding.

4.7 Uit hetgeen in 4.4 en 4.5 is overwogen volgt dat niet is komen vast te staan dat op 02 maart 2015 of op enig ander moment een arbeidsovereenkomst conform artikel 15 Pw tussen partijen tot stand is gekomen. [verzoekster] is derhalve geen arbeidscontractant in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. De Personeelswet is daarom niet op haar van toepassing, zodat het hof als gerecht in ambtenarenzaken haar niet kan ontvangen in haar vordering.

4.8 Het hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5. De beslissing

Het hof:
Verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in de onderhavige vordering.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 16 oktober 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend–griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. E.M. Redjopawiro namens advocaat mr. R.R. Lobo, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door Major Pengel namens mr. R. Rathipal, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld