SRU-K1-2020-63

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 20-4000
22 december 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:
A.[eiser sub A],
B.[eiser sub B],
wonende aan de [adres 1 ]te [district 1],
C.[eiseres sub C] ,
wonende aan de [adres 2] in het [district 2],
D. STICHTING UBA REAL ESTATE,
gevestigd aan de Dr. Sophie Redmondstraat no. 24 te Paramaribo,
eisers,
gemachtigde: mr. M.D.Lau-Kerssenberg, advocaat,

tegen

AMAZONE GOLD N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Jodenbreestraat no. 38-40 boven te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.

1.Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 14 december 2020op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de akte van rectificatie van het verzoekschrift d.d. 16 december 2020;
  • de conclusie van eis die is genomen op 16 december 2020;
  • de conclusie van antwoord, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating over de productie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1 Blijkens een schuldbekentenis d.d. 15 december 2014 die eiseres sub C namens Qurominas NV, hierna te noemen Qurominas, heeft getekend, was Qurominas op 04/12/ 2014 een bedrag ad USS 1.540.568,- aan gedaagde verschuldigd, welke schuld Qurominas tezamen met een rente ad US$ 10.000,- per jaar op uiterlijk 03 december 2015 volledig diende af te lossen.
2.2 Op 15 december 2015 hebben eisers sub A en B, als zekerheid tot betaling van al hetgeen Qurominas krachtens de schuldbekentenis van 15 december 2014 aan gedaagde verschuldigd mocht zijn, een hypotheek gevestigd op het perceelland aan de [adres 3] te [district 1] met alle opstallen en inboedel, hierna aangeduid als het onroerend goed. Ten tijde van het vestigen van de hypotheek, behoorde het perceelland in eigendom toe aan eisers sub A en B.
2.3 Op 11 mei 2015 is het onroerend goed door eisers sub A en B verkocht en in eigendom overgedragen aan eiseres sub D.
2.4 Op 20 december 2017 heeft eiseres sub C namens Qurominas een schuldbekentenis getekend waarin is vastgesteld het bedrag dat Qurominas aan gedaagde verschuldigd is, zijnde een bedrag van US$ 4.132.126,55 over de periode 01/01/2018 tot en met 31/12/2018 en een rente ad 8% per jaar.
2.5 Bij exploot van deurwaarder S.W. Niekoop d.d. 06 november 2020 is de openbare verkoop van het onroerend goed aan eisers aangezegd. De openbare verkoop van het onroerend goed zal op 22 december 2020 om 10.00 uur des voormiddag ten kantore van de notaris mr. D. Alexander of mr. M. Boetius-Cadogan of diens plaatsvervanger aan de Prins Hendrikstraat no. 32 te Paramaribo plaatsvinden.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de stopzetting van de openbare verkoop van het onroerend goed gelast, totdat in bodemprocedure is beslist.
3.2 Eisers leggen aan het gevorderde ten grondslag dat gedaagde misbruik maakt van het recht van parate executie. Daartoe voeren zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende aan:

  • zij hebben met gedaagde een overeenkomst gesloten, krachtens welke overeenkomst zij goud voor gedaagde opkopen en leveren aan gedaagde voor de export waartegenover staat dat gedaagde hen voor de levering van het goud financieel vergoedt;
  • gedaagde heeft op 04 januari 2018, zonder hun toestemming en zonder hun hiervoor financieel te hebben vergoed, 11 kilogram goud dat ze hebben geleverd ingehouden;
  • deze inhouding kan worden aangemerkt als een verrekening van de schuld;
  • zij zijn vanwege deze verrekening het door gedaagde opgegeven verschuldigde bedrag ad US$ 5.999.329,- niet verschuldigd en zijn bereid om de schuld met gedaagde te herschikken.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen en het gevorderde van eisers. Om die reden zijn zij in het kort geding ontvangen.

Akte van rectificatie
4.2 Eisers hebben akte van rectificatie van een klein aantal punten van het verzoekschrift gevorderd. Daar de rectificatie als niet noemenswaardig valt aan te merken en het tijdig aan gedaagde is betekend om tijdig verweer te kunnen voeren, zal de kantonrechter de akte van rectificatie toestaan.

Niet ontvankelijkheidsverweer
4.3 Gedaagde voert als formeel verweer dat eisers sub A tot en met C niet ontvankelijk moeten worden verklaard in het gevorderde, omdat zij geen partij zijn bij de overeenkomst ter zake de goud op- en verkoop tussen Qurominas en de daaraan gekoppelde schuldbekentenissen die Qurominas als schuldenaar en gedaagde als schuldeiser hebben getekend.
4.4 De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde slaagt in het door haar opgeworpen formeel verweer, en wel op grond van de hierna volgende overwegingen.
Uit de inhoud van de ten processe door eisers overgelegde schuldbekentenissen blijkt dat eiseres sub C namens Qurominas de schuldbekentenissen heeft getekend. Dit leidt tot de slotsom dat eisers niet de schuldenaren van gedaagde zijn. Tevens kan uit de ten processe overgelegde producties worden afgeleid dat eisers sub A en B, die geen partij zijn bij de overeenkomst en schuldbekentenissen en als derden dienen te worden aangemerkt, als zekerheid tot betaling van de schuld van de schuldenaar “Qurominas” een hypotheek hebben gevestigd op het onroerend goed dat toentertijd aan hun in eigendom toebehoorde. Zoals uit de feiten blijkt, hebben zij dit onroerend goed na het vestigen van de hypotheek daarop aan eiseres sub D verkocht en overgedragen, zodat zij naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen belang hebben bij de onderhavige vordering.
Zij stellen wel als belang dat hun bedrijf vanwege de veiling ten onder zal gaan, doch hebben zij dit niet middels feiten en bescheiden aannemelijk gemaakt. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt, dat eisers sub A tot en met C niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in de gevorderde voorziening.

Derdenhypotheek
4.5 Zoals reeds hiervoor onder 4.4 is overwogen is Qurominas de schuldenaar van gedaagde en hebben eisers sub A en B als derden tot zekerheid voor de betaling van de schuld van Qurominas een hypotheek gevestigd op het toen aan hun in eigendom toebehorend onroerend goed dat zij vervolgens hebben verkocht en overgedragen aan eiseres sub D. Het juridisch gevolg hiervan is dat het hypotheek vanwege de nog bestaande schuld tussen Qurominas en gedaagde is blijven rusten op het onroerend goed. Deze feiten leiden tot de slotsom dat in casu sprake is van een derdenhypotheek, hetgeen met zich meebrengt dat de schuldeiser, zijnde gedaagde, het onroerend goed kan uitwinnen tot verhaal van hetgeen zij van de schuldenaar, zijnde Qurominas, te vorderen heeft. Dit brengt ook met zich mee dat de onderzetter of de nieuwe eigenaar, zijnde eiseres sub D, heeft te dulden dat de schuldeiser mag overgaan tot de exucutie van het onroerend goed indien de schuldenaar niet voldoet aan zijn/haar betalingsverplichting jegens de schuldeiser.

Recht van parate executie
4.6 Aangenomen mag worden, dat de schuldenaar – die niet in het onderhavige proces is betrokken – niet heeft voldaan aan diens plicht tot betaling van de schuld aan gedaagde zodat gedaagde ingevolge artikel 1207 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek (BW) bevoegd is om tot de openbare verkoop van het onroerend goed over te gaan. Tegen deze veiling mag eiseres sub D als derde bezitter zich ingevolge artikel 1228 BW verzetten, indien zij één of meer onroerende goederen kan aanwijzen die eigendom zijn van de schuldenaar, die mede ten behoeve van de schuldeiser hypothecair zijn verbonden en die voldoende verhaal bieden. Het bovenstaande heeft eiseres sub D niet gesteld en evenmin is dat uit de feiten gebleken, zodat het beroep op misbruik van het recht van parate executie niet opgaat en er dus geen grond is tot stopzetting van de veiling. Om die reden zal het gevorderde als ongegrond worden geweigerd.
Eiseres sub D stelt wel dat zij bereid is tot een herschikking van de schuld met gedaagde te komen, doch komt haar die bevoegdheid niet toe. Dit, omdat zij geen partij is bij de overeenkomst tussen Qurominas en gedaagde.

Overige stellingen en weren
4.7 De overige stellingen en weren behoeven geen bespreking, omdat die tot geen andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

Proceskosten
4.8 Eisers sub A tot en met C zullen, als de niet ontvangen partij, in de proceskosten worden veroordeeld en eiseres sub D, zal als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5.De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
5.1 Staat toe de gevordere akte van rectificatie.

Ten aanzien van eisers sub A tot en met C
5.2 Verklaart eisers sub A tot en met C niet ontvankelijk in de gevorderde voorziening.
5.3 Veroordeelt eisers sub A tot en met C als de niet ontvangen partij in de proceskosten die aan de zijde van gedaagde zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Ten aanzien van eiseres sub D
5.4 Weigert de gevorderde voorziening.
5.5 Veroordeelt eiseres sub D in de proceskosten die aan de zijde van gedaagde zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op dinsdag 22 december 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid

 

 

SRU-HvJ-2020-48

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
wonende te [district],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Defensie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. M. Winter, substituut officier van justitie,
spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen juncto artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.
Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis door het Hof van Justitie in deze zaak gewezen op 20 mei 2016.

1. Het verdere procesverloop

1.1 Het verdere procesverloop blijkt uit:

  • het proces-verbaal van het op 21 oktober 2016 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken d.d. 02 februari 2017, met producties, door de Staat overgelegd op 03 februari 2017;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoekster] d.d. 21 april 2017.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 03 november 2017, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [verzoekster] is ambtenaar in dienst van het Ministerie van Defensie in de rang van kapitein.
2.2 Bij order C-MP no. [nummer ] d.d. 25 januari 2011, afkomstig van de Commandant Militaire Politie, C.W. Li Fo Sjoe, is, onder meer, [verzoekster] te rekenen van 01 januari 2011 benoemd in de functie van Commandant Divisie 2.
2.3 [verzoekster] heeft op 22 april 2014 een studieovereenkomst gesloten met de Staat ter zake van de opleiding ‘Professioneel leidinggeven’ van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMKB).

Artikel 2 lid 2 van deze overeenkomst luidt als volgt:
“Bij succesvolle afronding van de opleiding wordt de werknemer voorgedragen voor bevordering tot de naast hogere rang.” [verzoekster] heeft voormelde opleiding succesvol afgerond op 11 november 2014.

2.4 [verzoekster] heeft bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, R. Sontono, d.d. 29 april 2015, no. 757, een schrijven van haar procesgemachtigde d.d. 12 april 2015 doen betekenen aan de Staat, ter attentie van de minister van Defensie. Dit schrijven luidt onder meer als volgt:

Excellentie,
Tot mij heeft zich gewend mevr. [verzoekster], met het verzoek om haar bij te staan en haar belangen te behartigen terzake het navolgende.
Mijn client is ambtenaar bij Uw Ministerie, met bovenstaand registratienummer. Zij bekleedt thans de functie van Kapitein.
Echter is zij sinds 25 januari 2011 benoemd tot Commandant Divisie 2
De bij deze functie behorende toelage cq het salaris, met verhogingen en emolumenten heeft zij nimmer ontvangen.
Voorts heeft zij met goed gevolg afgelegd het examen ‘Professioneel leidinggeven’ en wel op 27 augustus 2014.
Conform de met haar gesloten studieovereenkomst dd 22 april 2014 en wel artikel 2 punt 2, dient zij na het succesvol afleggen van de opleiding voorgedragen te worden voor de bevordering in de naast hogere rang.
Client stelt, dat zulks ook niet is geschiedt [sic]. Zij wenst haar rechten effectief te maken.
Alvorens het voorgaande gerechtelijk te addieren, heb ik gemeend U aan te schrijven met het verzoek het daarheen te leiden, opdat het voorgaande op meest korte termijn in orde gemaakt kan worden.
Gelet op de belangen van client, verzoek ik U mij binnen een week te berichten. Anderzijds zal ik geen keus hebben, dan de zaak bij het Ambtenarengerecht te addieren.
Vertrouwende erop, dat onnodig procederen voorkomen kan worden, verblijf ik en verneem gaarne van u.

Op dit schrijven is geen reactie van de Staat gekomen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoekster] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. de Staat zal worden veroordeeld om binnen een week na vonnis (lees kennelijk: na de uitspraak) haar te bevorderen tot de naast hogere rang, volgende op de huidige rang c.q. functie en haar te vergoeden overeenkomstig de aan die rang c.q. functie verbonden vergoedingen, verhogingen en emolumenten;
B. het gevorderde onder A zal worden toegestaan onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag, voor elke dag dat de Staat weigert aan het vonnis te voldoen;
C. de Staat zal worden veroordeeld om aan haar uit te keren de aan de rang c.q. functie van commandant Divisie 2 verbonden vergoeding en emolumenten en wel vanaf 01 januari 2011 tot de onder A gevorderde benoeming c.q. bevordering;
D. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het proces en de kosten van de advocaat conform een door het hof vast te stellen vergoeding.

3.2 [verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven, aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij het salaris, de verhogingen en de emolumenten behorende bij haar functie van commandant Divisie 2 vanaf 01 januari 2011 nog van de Staat moet ontvangen.
Zij heeft tevens gesteld dat zij op grond van artikel 2 lid 2 van de studieovereenkomst dient te worden bevorderd tot de naast hogere rang, zijnde de rang na commandant Divisie 2.
[verzoekster] heeft voorts gesteld dat zij genoodzaakt was de onderhavige vordering bij het hof in te stellen, nu op het schrijven van haar procesgemachtigde d.d. 12 april 2015 geen reactie van de Staat is gekomen.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
4.1 Het hof volhardt in hetgeen in voornoemd tussenvonnis is overwogen.

Bevoegdheid
4.1 Vaststaat dat [verzoekster] militaire ambtenaar is in de zin van artikel 1 van de Wet rechtspositie militairen (WRM). Deze wet is dan ook op haar van toepassing.
Blijkens artikel 58 WRM strekt de bevoegdheid van het hof als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken, zoals vastgelegd in de artikelen 79 tot en met 83 van de Personeelswet (Pw), zich mede uit tot militaire ambtenarenzaken. In artikel 79 Pw zijn de vorderingen waarover het hof in eerste en hoogste aanleg bevoegd is te oordelen limitatief weergegeven.
Het hof vat het in 3.1 onder A en B gevorderde op als een vordering zoals bedoeld in artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald, in casu het verder achterwege laten van de Staat om, kort gezegd, [verzoekster] te bevorderen tot de naast hogere rang onder toekenning van de aan deze rang verbonden vergoedingen, verhogingen en emolumenten. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw dan ook bevoegd kennis te nemen van dit deel van de vordering.
De vorderingen vermeld in 3.1 onder C respectievelijk D tot betaling van het salaris en de emolumenten verbonden aan de functie van commandant Divisie 2 en van de advocaatkosten, worden beschouwd als vorderingen tot schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b Pw. Het hof acht zich op grond van voormelde bepaling eveneens bevoegd kennis te nemen van dit deel van het gevorderde.

Ontvankelijkheid
4.2 Gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] de onderhavige vordering te laat bij het hof heeft ingesteld, zodat zij daarin ontvankelijk is.

Salaris en emolumenten verbonden aan de functie van commandant Divisie 2
4.3.1 De Staat heeft betwist dat [verzoekster] is benoemd in de functie van commandant Divisie 2. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat [verzoekster] niet door het bevoegde gezag, zijnde de President van de Republiek Suriname (hierna: de President) bij resolutie in deze functie is benoemd.
4.3.2 Ingevolge het bepaalde in artikel 19 lid 1 WRM geschiedt benoeming van een militaire landsdienaar in een functie waaraan een hogere rang dan die bekleedt wordt, is verbonden, door het gezag dat bevoegd is tot bevordering, in de rang die verbonden is aan de betreffende functie. De Staat heeft onweersproken aangevoerd dat aan de functie van commandant Divisie 2 de rang van majoor is verbonden, zijnde een hogere rang dan kapitein. Blijkens artikel 26 WRM worden militaire landsdienaren door het tot aanstelling bevoegde gezag bevorderd. Uit artikel 10 WRM volgt dat de President bevoegd is tot de aanstelling van officieren, tot welke categorie een majoor behoort.
Nu is komen vast te staat dat [verzoekster] niet door het bevoegde gezag is benoemd in de functie van commandant Divisie 2, zal het in 3.1 onder C worden afgewezen.

Bevordering in de naast hogere rang
4.4.1 Het hof begrijpt het in 3.1 onder A en B gevorderde, gelet op de stellingen van [verzoekster], aldus dat de Staat een dwangsom moet worden opgelegd voor het verder achterwege laten van haar bevordering tot de rang volgende op die verbonden aan de functie van commandant Divisie 2, aldus bevordering tot de rang volgende op die van majoor.
Deze vordering is niet onderbouwd en zal derhalve worden afgewezen.
4.4.2 De vraag rijst of, als het mindere van het gevorderde, wel kan worden toegewezen de bevordering van [verzoekster] tot de naast hogere rang, zijnde de rang van majoor.
4.4.3 De Staat heeft betoogd dat de omstandigheid dat [verzoekster] tot op heden niet is voorgedragen voor bevordering tot de naast hogere rang niet aan hem is te wijten. Van enig onrechtmatig handelen jegens [verzoekster] is dan ook geen sprake, aldus de Staat.
De Staat heeft, naar het hof begrijpt, daartoe aangevoerd dat voor bevordering van een militaire landsdienaar tot de naast hogere rang onder meer vereist is dat deze de relevante opleiding heeft genoten en een positieve beoordeling heeft gehad. Volgens de Staat kon [verzoekster] niet meteen na de succesvolle afronding van de vereiste opleiding op 11 november 2014 worden voorgedragen voor bevordering tot de naast hogere rang, omdat haar laatste beoordeling en wel die over het tijdvak 01 juli 2014 tot en met 31 december 2014, negatief is geweest. De Staat heeft voorts aangevoerd dat de dienst daarna niet meer in staat is geweest om [verzoekster] te beoordelen en haar eventueel alsnog voor te dragen voor bevordering, omdat zij wegens ziekte niet meer heeft gefunctioneerd binnen de dienst. Ook na haar horizontale mutatie naar de afdeling Staf Verzorgings Bataljon van het Nationaal Leger op 04 maart 2015 heeft [verzoekster] niet meer gefunctioneerd, aldus de Staat.
4.4.4 [verzoekster] heeft in reactie op het verweer van de Staat gesteld dat majoor [naam] , onder wie zij vele jaren heeft gediend, haar positief heeft beoordeeld. Zij heeft ter zake hiervan getuigenbewijs aangeboden. [verzoekster] heeft voorts gesteld dat de Staat niet te goeder trouw handelt door alleen de laatste, negatieve, beoordeling te hanteren, die overigens slechts haar functioneren gedurende enkele maanden betreft, terwijl haar dossier positieve beoordelingen bevat.
4.4.5 Het hof overweegt dat [verzoekster] de relevantie van de door haar gestelde positieve beoordelingen niet aannemelijk heeft gemaakt. [verzoekster] heeft immers niet gesteld dat deze beoordelingen zijn gegeven in het kader van haar mogelijke bevordering tot de rang van majoor. Het gedane bewijsaanbod zal daarom als niet ter zake dienend worden gepasseerd.
Het hof overweegt voorts dat de dienst bewust is van hetgeen zijn belang vordert en dat zijn handelen tegen de achtergrond van dit dienstbelang moet worden bezien. In dit kader valt bijvoorbeeld te denken aan het gewicht dat de dienst toekent aan bepaalde competenties, zeker gelet op de rang waarin bevordering van een militaire landsdienaar wordt overwogen. Voorts valt te denken aan de door de dienst te geven beoordeling van een militaire landsdienaar aan wie het naar zijn mening in mindere of meerdere mate aan de gewenste competenties ontbreekt. Het is daarom niet aan het hof om in de beoordeling daarvan te treden.
Hieruit volgt dat het oordeel van de dienst, dat de door hem gegeven laatste beoordeling van [verzoekster] in de weg staat van haar bevordering tot de naast hogere rang, in beginsel dient te worden gerespecteerd. Dat kan anders zijn indien andere motieven dan het functioneren van betrokkene tot een negatieve beoordeling hebben geleid. In dit geding is gesteld noch gebleken dat hiervan sprake is.
Naar het oordeel van het hof is niet in rechte komen vast te staan dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoekster].
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat ook niet toewijsbaar is de bevordering van [verzoekster] tot de rang van majoor.
4.5 De mede gevorderde advocaatkosten zijn evenmin toewijsbaar, nu de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoekster].
4.6 Ook de gevorderde veroordeling in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld.
4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5. De beslissing

Het hof:
Wijst de vordering af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 06 maart 2020 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend–griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat mr.I.S.Lalji, gemachtigde van verzoekster, terwijl verweerder noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

SRU-HvJ-2015-31

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker] ,
wonende aan de [adres 1] in het [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name de Minister van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. A.R. Rathipal, Substituut Officier van Justitie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat.

1.Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende productie ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 07 november 2012;
  • het zijdens de Staat ingediend verweerschrift, onder overlegging van producties, d.d. 25 januari 2013;
  • de zijdens [verzoeker] genomen akte naamswijziging d.d. 17 mei 2013;
  • de processen-verbaal van het verhandelde in Raadkamer van het Hof van Justitie d.d. 17 mei 2013 en 21 juni 2013;
  • de pleitnota zijdens [verzoeker] d.d. 02 augustus 2013;
  • de antwoordpleitnota, onder overlegging van producties, zijdens de Staat d.d. 01 november 2013;
  • de repliekpleitnota en uitlating producties, onder overlegging van een productie, d.d. 17 januari 2014;
  • de dupliekpleitnota en uitlating productie d.d. 21 februari 2014.

1.2.De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 06 juni 2014, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [verzoeker] is bij beschikking d.d. 18 september 2012 onder No. J.[nummer 1], als voorts K.A. No. [nummer 2] (hierna: de beschikking) ontslagen uit Staatsdienst bij het Korps Politie Suriname, ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest.
2.2 De beschikking is op 12 oktober 2012 ter kennis van [verzoeker] gebracht.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de beschikking, althans het besluit d.d. 18 september 2012 onder No.J.[nummer 1] als voorts K.A. No. [nummer 2], waarbij [verzoeker] uit Staatsdienst is ontslagen, nietig zal worden verklaard;
  2. de Staat zal worden veroordeeld[verzoeker] weder te werk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,=, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag voor iedere dag dat de Staat weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;
  3. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

3.2. [verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Dat de kwestie die tot zijn ontslag heeft geleid zich heeft afgespeeld in zijn privé relationele sfeer en als zodanig geen grondslag oplevert voor het opleggen van een tuchtstraf door de Staat, casu quo de grondslag van plichtsverzuim oplevert, laat staan enige grondslag voor het opleggen van de tuchtstraf van ontslag oplevert. Voorts heeft hij aangegeven dat er toch plichtsverzuim aangevoerd is en aan hem de tuchtstraf van ontslag is opgelegd, ondanks dat hij bij zijn mondelinge verweer d.d. 16 augustus 2012 heeft aangegeven onschuldig te zijn. Deze conclusie is onbegrijpelijk, althans niet voldoende gemotiveerd en kan de beslissing tot het opleggen van de tuchtstraf tot ontslag naar de mening van [verzoeker] niet dragen. Hij is nota bene door de rechter-commissaris voor de beschuldigingen waarvoor hij in verzekering was gesteld op 29 december 2011 in vrijheid gesteld en daarna nimmer in deze kwestie gedagvaard om zich ter terechtzitting te verantwoorden. De beschikking is voorts in strijd met het motiveringsbeginsel en het beginsel van een behoorlijke belangenafweging. Bij gebruikmaking van zijn ontslagbevoegdheid dient de minister een deugdelijke motivering te geven en de belangen van [verzoeker] mee te wegen. In casu klemt zulks te meer nu [verzoeker] in vaste dienst is getreden bij het Korps en nooit eerder in opspraak is geweest, noch disciplinair is gestraft.

3.3. De Staat heeft verweer gevoerd. Het hof komt – voor zover nodig – daarop terug in de beoordeling.

4.De beoordeling
Ontvankelijkheid

4.1 Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoeker] niet binnen de gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking, zodat hij ontvankelijk is in de onderhavige vordering.
4.2. Bij akte naamswijziging d.d. 17 mei 2013 heeft [verzoeker] verzocht dat in stede van [verzoeker naam 1], zal worden gelezen [verzoeker], . De Staat heeft zich daartegen niet verzet, weshalve aan [verzoeker] ter zake daarvan akte zal worden verleend.
4.3 De Staat heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verweer gevoerd. In de beschikking wordt als grondslag voor het besluit vermeld niet slechts de kwestie welke zich in privé relationele sfeer heeft afgespeeld, doch ook het ambt dat [verzoeker] op dat moment bekleedde. De strafbare handelingen die [verzoeker] contra [naam] etaleerde zijn afgewogen tegen de achtergrond van de dienstvoorschriften die inherent zijn aan het ambt van politieambtenaar. Beide omstandigheden zijn cumulatief te kwalificeren en leveren de grondslag van plichtsverzuim op, welk gesanctioneerd is met een tuchtstraf. Het besluit tot ontslag van [verzoeker] is weloverwogen genomen, daar dit besluit in overleg met superieuren (de Korpschef en de Procureur-Generaal) van [verzoeker] is genomen door de Minister van Justitie en Politie. Ingevolge het bepaalde in artikel 61 van de Personeelswet heeft de Minister van Justitie en Politie de vrijheid om de zwaarte van de op te leggen straf te bepalen en heeft de minister geen wettelijke verplichting om rekening te houden met buitenwettelijke omstandigheden. Het gaat om de afkeurenswaardige strafbare handelingen van [verzoeker] tegen de achtergrond van zijn toenmalig ambt.
4.4 Naar het oordeel van het hof kunnen – anders dan [verzoeker] heeft aangevoerd – ook gedragingen in de privésfeer plichtsverzuim opleveren. Bepalend is daarbij of het wangedrag, gelet op de aard en ernst daarvan, zijn weerslag heeft op het functioneren van de ambtenaar en op het aanzien van de dienst. Voor politieambtenaren geldt als uitgangspunt dat hun integriteit boven iedere twijfel verheven dient te zijn, aangezien zij bekleed zijn met direct openbaar gezag en nog meer dan de ‘gewone’ ambtenaar een voorbeeldfunctie hebben. Naar het oordeel van het hof is [verzoeker] in de fout gegaan door zich op deze manier te misdragen in de relationele sfeer en betrokkene ([naam]) tegen haar wil weg te voeren. Het voorgaande siert een ambtenaar van politie allerminst. Aan de andere kant wordt gekeken naar de staat van dienst van [verzoeker] en daaruit blijkt niet dat hij een ambtenaar van politie is die zich bij herhaling aan wangedrag heeft schuldig gemaakt, dan wel dienstvoorschriften bij herhaling heeft geschonden. Voorts slaat het hof acht op de kennelijke impact die dit gebeuren op [verzoeker] heeft gehad en schat dat in op een maximale impact. Tevens slaat het hof acht op de arbeidskansen van [verzoeker] in het maatschappelijk verkeer en op zijn huidige leeftijd alsmede zijn rang binnen het Korps Politie Suriname. Immers dienen alle omstandigheden van betrokkene en van de dienst in ogenschouw te worden genomen en tegen elkaar te worden afgewogen.
4.5 Alles overziende komt het hof tot de slotsom dat de aard en omvang van het door [verzoeker] geëtaleerde wangedrag in de privésfeer, afgezet tegen de vereiste integriteit van een politieambtenaar die met direct openbaar gezag is bekleed, inderdaad afkeurenswaardig zijn en de kwalificatie van ernstig plichtsverzuim opleveren. De staat van dienst van [verzoeker] afgezet tegen het belang van de dienst leidt tot de slotsom dat de zwaarste tuchtstraf, ontslag, niet evenredig is aan de aard en omvang van het geëtaleerde wangedrag. Naar het oordeel van het hof had de Minister van Justitie en Politie kunnen volstaan met een lichtere tuchtstraf, te weten schorsing voor bepaalde duur casu quo voorwaardelijk ontslag. Het hof zal derhalve bepalen dat voornoemde minister alsnog binnen een maand na dagtekening van dit vonnis een nieuw besluit neemt met inachtneming van het vorenoverwogene.
4.6 Gelet op al het voorgaande zal het hof het gevorderde toewijzen als hierna te vermelden. De mede gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal worden afgewezen nu het hof rechtdoende in Ambtenarenzaken in eerste en hoogste instantie beslist. Het gevorderde onder sub II en III van het petitum van het verzoekschrift kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 van de Personeelswet en zal derhalve worden afgewezen. Het gevorderde onder sub I van het petitum zal worden toegewezen in voege als hierna te vermelden.
4.7 De Staat zal, als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van [verzoeker] gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van het vonnis.

5. De beslissing

Het hof:
5.1 Verleent aan [verzoeker] akte van naamswijziging als verzocht.

5.2 Verklaart nietig de beschikking d.d. 18 september 2012 onder No. J.[nummer 1] en K.A. No. [nummer 2] waarbij [verzoeker] uit Staatsdienst is ontslagen.

5.3 Bepaalt dat de Staat binnen een maand na dagtekening van dit vonnis een besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen onder 4.5 van dit vonnis is overwogen.

5.4 Veroordeelt de Staat in de kosten van het geding aan de zijde van [verzoeker] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 60,= (Zestig Surinaamse Dollars).

5.5 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid, en mr. R.M. Praag, Lid-Plaatsvervanger, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 20 maart 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend–Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat R.M.E. Wittenberg LL.M. namens advocaat mr.E.D. Esajas, gemachtigde van verzoeker, en verweerder vertegenwoordigd door mr. R.Jhinkoenamens mr. A.R. Rathipal, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

 

SRU-K1-2021-5

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-0868

08 april 2021

Vonnis in kort geding in de zaak van:

1. MISKIN, MICHAEL HENDRIK SARAI,
wonende aan [adres 1] te [district 1],

2. SWAMIPERSAD, GLENN AMARNATH,
wonende aan [adres 2] in [district 2],

3. SEDOC, MAYRA MONIQUE,
wonende aan [adres 3] te [district 1],

4. RODJAN, OEMSALMA,
wonende aan [adres 4] in [district 3],

5. PALMTAK, RUDOLGO ANDRO,
wonende aan [adres 5] in [district 3],

6. HOOGDORP, MARLON RINALDO,
wonende aan [adres 6] te [district 1],

7. DALLOESINGH, BISNOEPERSAD,
wonende aan [adres 7] in [district 4],

8. AVIANKOI, JOHANNES,
wonende te [eiland] in het [district 5],

allen in de hoedanigheid van hoofdbestuurslid van de Centrale van Landsdienaren Organisaties,
eisers in conventie, tevens gedaagden in reconventie,
hierna gezamenlijk te noemen partij Miskin,
gemachtigde: mr.V.V.C. Pique, advocaat,

tegen

1. HOOGHART, RONALD LOUIS ARNOUD,
wonende aan [adres 8] te [district 1],

2. SHEONANDAN, SANTUSHA SHALINI,
wonende aan [adres 9] te [district 1],

3. SOMMANDAS, RODNEY JAYANT,
wonende aan [adres 10] in [district 2],

4. POOL, LLOYD DUNCAN,
wonende aan [adres 11] te [district 1],

5. HOOGHART, AUGUST DERRICK ANDY,
wonende aan [adres 12] te [district 1],

6. GORISSON, YONE LYDIA,
wonende aan [adres 13] te [district 1],

allen in de hoedanigheid van hoofdbestuurslid van de Centrale van Landsdienaren Organisaties,
gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie,
hierna te noemen: partij Hooghart,
gemachtigde: mr. A.M. Linger, advocaat.

1. Het verloop van het proces in conventie en reconventie

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 18 maart 2021 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis d.d. 25 maart 2021;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie, met producties;
  • de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten in conventie en reconventie

2.1 De Centrale van Landsdienaren Organisaties, hierna afgekort CLO, is een vereniging. Zij bestaat uit:
1) gewone leden, zijnde Federaties en Bonden van personeel in overheidsdienst;
2) buitengewone leden, zijnde Kamers van natuurlijke – en rechtspersonen.

2.2 In de statuten wordt de CLO aangeduid als de Centrale.

In artikel 7 van de statuten is ter zake het Hoofdbestuur, het volgende neergelegd:

1. Het Hoofdbestuur bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste dertien meerderjarige personen gekozen door de Assemblee van de Ledenraad, voor de tijd van 3 jaar.
De voorzitter wordt door de Assemblee van de Ledenraad in functie gekozen, terwijl de overige functies onderling worden verdeeld.
2. Het Hoofdbestuur wordt voor de tijd van drie jaar gekozen door de Assemblee van de Ledenraad.Voor het voorzien in tussentijdse vacatures is in eerste instantie tweederde meerderheid van het aantal uitgebrachte geldige stemmen van de gewone leden vereist op een speciaal daartoe opgeroepen vergadering van de Assemblee van de Ledenraad, waarop ten minste tweederde deel van het aantal leden aanwezig moeten zijn.
Indien het quorum ontbreekt wordt binnen 30 dagen na de eerste vergadering van de Assemblee van de Ledenraad een tweede vergadering bijeen geroepen. Op deze vergadering kan ongeacht het aantal alsdan aanwezige leden met gewone meerderheid van het aantal uitgebrachte geldige stemmen in tussentijdse vacatures worden voorzien.”

Artikel 14 lid 2 van de statuten luidt onder meer als volgt:

Beslissingen in Hoofdbestuursvergaderingen worden genomen bij gewone meerderheid van het aantal uitgebrachte geldige stemmen in een vergadering waarbij ten minste de helft van het aantal leden aanwezig is. Deze beslissingen zijn bindend

2.3 Op 21 december 2018 is elk der partijen op de bijzondere Assemblee van de Ledenraad gekozen als hoofdbestuurslid van de CLO, voor een zittingstermijn van drie jaren. De zittingstermijn verstrijkt op 21 december 2021.

2.4 Tussen partij Miskin en partij Hooghart bestaat verdeeldheid binnen de CLO.

2.5 Partij Miskin heeft vanwege de tussen partijen bestaande verdeeldheid, op 05 november 2020 een kort geding zaak, bekend onder A.R. No. 20-3514, tegen partij Hooghart ingediend, met het oog op het kunnen houden van vervroegde Hoofdbestuursverkiezingen. In deze zaak heeft partij Miskin gevorderd dat haar toestemming wordt verleend om een spoedvergadering van de Assemblee van de Ledenraad te mogen beleggen.
De kantonrechter heeft op 17 december 2020 vonnis in de zaak gewezen, hierna aangeduid als het vonnis, en heeft de vordering van partij Miskin afgewezen, op grond van onder andere de hierna volgende overwegingen:

4.1 (…)
De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van partijen dat bestuursleden van de CLO zich het recht hebben aangemeten om elkaar af te zetten door een besluit te nemen in de bestuursvergadering op een door een deel van het bestuur ingediende motie van wantrouwen. Op grond van artikel 7 lid 1 van de statuten wordt het bestuur van de CLO gekozen door de vergadering van de ledenraad. Het afzetten van het bestuur is een bevoegdheid dat toekomt aan het orgaan dat bevoegd is het bestuur te kiezen, in dit geval de vergadering van de ledenraad. De kantonrechter gaat derhalve voorbij aan de stelling dat gedaagde sub A is afgezet, omdat het afzetten van bestuursleden van de CLO naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter een bevoegdheid is van de vergadering van de ledenraad en niet van een deel van het bestuur van de CLO.

(…)
4.4 Eisers in reconventie stellen dat gedaagden in reconventie zijn geroyeerd in een door het bestuur van de CLO op 16 oktober 2020 gehouden vergadering van de ledenraad. De convocatie van deze vergadering is omgeroepen op 14 en 15 oktober 2020 via een app bericht verzonden naar de leden. De agenda van de ledenraad vergadering betrof bespreking van de loonaanpassing. Staande de ledenraad vergadering werd er door 13 (dertien) leden een spoedvergadering aangevraagd waarin een besluit op een motie is genomen inhoudende ontheffing van gedaagden in reconventie als bestuurslid gevolg door hun royement. In een bestuursvergadering van 19 oktober 2020 is het besluit genomen tot het royeren van gedaagden in reconventie.

De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van partijen dat bestuursleden van de CLO zich het recht hebben aangemeten om elkaar af te zetten door besluiten te nemen in de bestuursvergadering tot royement van het bestuurslid. Op grond van artikel 7 van de statuten wordt het bestuur van de CLO gekozen door de vergadering van de ledenraad. Het afzetten van het bestuur is een bevoegdheid dat toekomt aan het orgaan dat bevoegd is het bestuur te kiezen, in dit geval de vergadering van de ledenraad.
(..) De kantonrechter gaat daarom voorbij aan de stelling dat gedaagden in reconventie zijn geroyeerd, omdat het afzetten van bestuursleden van de CLO naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter een bevoegdheid is van de ledenraad en niet van bestuursleden onderling.”

2.6 Op 13 maart 2021 is in het Dagblad De Ware Tijd een oproeping verschenen voor de besturen van de lidorganisaties voor de bijwoning van de Assemblee van de Ledenraad op 09 april 2021 om 10.00 uur v.m. in het CLO gebouw aan de Verlengde Gemenelandsweg no. 74, met daarin vermeld de volgende agendapunten:

1. Opening
2. Stand van zaken waaronder uitvoering TWK 25%
3. Bestuursverkiezing Hoofdbestuur CLO
4. Installatie gekozen bestuur
5. Rondvraag
6. Sluiting.

In de publicatie staat vermeld dat de oproeping afkomstig is van het Hoofdbestuur van de CLO.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie en reconventie

3.1 In conventie vordert partij Miskin dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
a) partij Hooghart verbiedt om de onrechtmatig opgeroepen Assemblee van de Ledenraad te houden c.q. te beleggen c.q. te doen plaatsvinden op 09 april 2021 omstreeks 10.00 uur v.m. in het gebouw van de Centrale van Landsdienaren Organisaties aan de Verlengde Gemenelandsweg no. 74 te Paramaribo, althans op elke andere aangekondigde datum en tijdstip;
b) partij Miskin machtigt om desnoods de hulp van de Sterke Arm in te roepen, ingeval partij Hooghart weigert of weigeren mocht gehoor te geven aan het verbod;
c) partij Hooghart veroordeelt om een dwangsom ad SRD 10.000,- per dag tot een maximum van SRD 500.000,- aan partij Miskin te betalen, ingeval zij in strijd handelt met het gevorderde onder a indien deze mocht zijn toegewezen.

3.2 In conventie legt partij Miskin aan het gevorderde ten grondslag dat de oproeping in strijd met het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter d.d. 17 december 2020 met A.R. No. 20-3514, de statuten en het huishoudelijk reglement is geplaatst en partij Hooghart hiermee onrechtmatig handelt jegens haar. Daartoe stelt partij Miskin, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • zij heeft als meerderheid van het hoofdbestuur van de CLO, de oproeping niet geplaatst c.q. geen goedkeuring hiertoe gegeven en is niet gekend bij dit besluit;
  • geen der partijen is bevoegd tussentijdse verkiezingen uit te schrijven; slechts de Assemblee van de Ledenraad komt die bevoegdheid toe;
  • het voltallig hoofdbestuur of de Assemblee van de Ledenraad dient een verkiezingscommissie te installeren c.q. te belasten met het organiseren van verkiezingen;
  • volgens vastgebruik dienen, alvorens er een nieuw bestuur gekozen kan worden, de secretaris-generaal en de penningmeester verslag te doen en dient er decharge aan hen te worden verleend door een te benoemen verificatiecommissie;
  • partij Hooghart heeft de rechtmatige mechanismen om eerlijke en vertrouwelijke verkiezingen te organiseren met de voeten getreden.

Partij Miskin stelt als spoedeisend belang dat zij als gevolg van het onrechtmatig handelen van partij Hooghart schade lijdt en in de toekomst schade zal lijden, omdat partij Hooghart haar het recht ontneemt om haar termijn als hoofdbestuurslid uit te zitten. Tevens bestaat bij haar gegronde vrees voor verkiezingsfraude c.q. manipulatie c.q. onregelmatigheden.

3.3 In conventie voert partij Hooghart verweer, op basis van welk verweer zij in reconventie vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • partij Miskin verbiedt om handelingen, van welke aard dan ook, te verrichten in de hoedanigheid van hoofdbestuurslid van de CLO, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen.

Hieraan legt partij Hooghart ten grondslag dat partij Miskin niet bevoegd is tot het verrichten van rechtshandelingen in de hoedanigheid van hoofdbestuurslid van de CLO, omdat zij door de ledenraad is ontheven uit deze bestuursfunctie en dus geen hoofdbestuurslid meer is. Zij stelt als spoedeisend belang dat uit mediaberichten is gebleken dat partij Miskin in de hoedanigheid van hoofdbestuurslid in het openbaar uitlatingen doet, hetgeen voor verwarring zorgt bij met name de overheid met welke partij deze in onderhandeling moet treden.

4. De beoordeling
In conventie en reconventie
Onderlinge samenhang van de vorderingen

4.1 De kantonrechter zal vanwege de onderlinge samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie, deze gezamenlijk beoordelen.

Spoedeisend belang

4.2 Het spoedeisend belang van de vorderingen in conventie en in reconventie blijkt in voldoende mate uit de door beide partijen gestelde feiten, zodat zij beiden in het kort geding worden ontvangen.

Niet ontvankelijkheidverweer c.q. rechtsgeldigheid ontheffing partij Miskin uit de functie als hoofdbestuurslid

4.3 Partij Hooghart voert als formeel verweer dat partij Miskin niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat partij Miskin geen hoofdbestuurslid meer is van de CLO en dus niet bevoegd is om in die hoedanigheid de onderhavige zaak in te dienen. In dat licht voert zij aan dat partij Miskin op 16 oktober 2020 door de ledenraad is ontheven uit deze functie en dat de kantonrechter dit onderdeel onbesproken heeft gelaten in 4.4. van de overweging van het vonnis, zodat het voor haar vaststaat dat partij Miskin op een rechtsgeldige wijze is ontheven uit de functie als hoofdbestuurslid. Volgens het standpunt van partij Hooghart en naar de kantonrechter haar begrijpt heeft de kantonrechter slechts geoordeeld over het royement van partij Miskin als gewoon lid en kan de kantonrechter in diens voorlopig oordeel over het royement van partij Miskin niets anders hebben bedoeld dan dat partij Miskin bij de bestuursvergadering niet als lid van de CLO geroyeerd is geworden en dat zij nog lid van de CLO is in de zin van artikel 3 van de statuten.

Partij Miskin daarentegen blijft volharden in haar stelling dat zij nog hoofdbestuurslid van de CLO is en beroept zich erop dat de kantonrechter in diens vonnis in niet mis te verstane bewoordingen heeft aangegeven dat het royement met waarborgen is omkleed, waarbij procesrechtelijke grondbeginselen zoals strengere motiveringseisen, toepassen van hoor en wederhoor, inzage in stukken in acht moet worden genomen. Volgens het standpunt van partij Miskin heeft de kantonrechter, in tegenstelling tot wat partij Hooghart aanvoert, het onderdeel over de ontheffing uit de functie als hoofdbestuurslid niet onbesproken gelaten.

4.4 De kantonrechter stelt op grond van de standpunten van partijen vast, dat tussen hen een interpretatieverschil bestaat omtrent hetgeen in 4.4. van het vonnis is overwogen, in het bijzonder over het onderdeel betreffende de ontheffing van partij Miskin, en wel vanwege het woord “royement” en/of “geroyeerd” dat in overweging 4.4. van het vonnis wordt gebezigd.
Ter zake dit onderdeel is de kantonrechter het hierna volgende van oordeel. Uit de bedoelde overweging 4.4. van het vonnis, welke overweging is weergeven onder 2.5 van de feiten, kan worden afgeleid dat het partij Hooghart is geweest die dit woord heeft gebezigd, waardoor de begrippen ontheffing en royement door elkaar zijn gebezigd. Echter kan uit de inhoud van de overweging en wel uit het woord “bestuurslid” duidelijk worden afgeleid dat de kantonrechter met het woord “royement” niets anders kan hebben bedoeld dat partij Miskin niet uit diens functie als hoofdbestuurslid is ontheven. In het vonnis maakt de kantonrechter overigens duidelijk onderscheid tussen gewone leden en bestuursleden, en is hiermee duidelijk dat met bestuurslid niets anders kan zijn bedoeld dan hoofdbestuurslid. Het zou immers ook niet anders kunnen, omdat een bestuurslid slechts een natuurlijk persoon kan zijn. Een gewoon lid daarentegen kan geen natuurlijk persoon zijn, omdat deze in de zin van artikel 3 van de statuten slechts een Federatie of Bond kan zijn. De kantonrechter kan partij Hooghart daarom niet volgen in haar standpunt dat partij Miskin nog lid is van de CLO in de zin van artikel 3 van de statuten.

De voorlopige slotsom is, dat partij Miskin op grond van het vonnis nog als hoofdbestuurslid van de CLO dient te worden aangemerkt en tezamen met partij Hooghart, doch met inachtneming van de statuten en het huishoudelijk reglement van de CLO, bevoegd is rechtshandelingen namens de CLO te verrichten. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen verwerpt de kantonrechter het niet ontvankelijkheidverweer van partij Miskin. Hieruit volgt dat het gevorderde in reconventie enige grondslag ontbeert, zodat het zal worden geweigerd. In dat licht benadrukt de kantonrechter dat ingevolge artikel 8 van de statuten het dagelijks bestuur de CLO in en buiten rechte vertegenwoordigt en dat het dagelijks bestuur van de CLO wordt gevormd door de voorzitter, de secretaris generaal en de penningmeester.

4.5 Partij Hooghart stelt zich, naar de kantonrechter haar begrijpt, op het standpunt dat het huidig rechtsgeldig hoofdbestuur partij Hooghart is, waarvan zes hoofdbestuursleden deel uitmaken en dat zij om die reden bevoegd is een bestuursvergadering uit te schrijven voor het nemen van een besluit om bestuursverkiezingen te houden. Hiervan uitgaande, heeft partij Hooghart volgens haar standpunt als hoofdbestuur op 10 maart 2021 een rechtsgeldige bestuursvergadering gehouden en aldus een rechtsgeldig besluit genomen om bestuursverkiezingen te houden. Ter staving van haar standpunt dat zij een bestuursvergadering heeft gehouden, beroept zij zich op de ten processe door haar overgelegde fotokopie van de notulen van de gehouden bestuursvergadering.

Hiermee erkent partij Hooghart dat zij partij Miskin niet heeft uitgenodigd voor het bijwonen van de op 10 maart 2021 gehouden bestuursvergadering en dat partij Miskin geen goedkeuring heeft gegeven hieraan. Zoals reeds onder 4.4 is overwogen dient partij Miskin nog als rechtsgeldig hoofdbestuurslid te worden aangemerkt, waaruit volgt dat zij door partij Hooghart diende te worden uitgenodigd voor de op 10 maart 2021 gehouden bestuursvergadering. Nu zulks niet is geschied, dient naar het oordeel van de kantonrechter de oproeping van partij Hooghart voor het bijwonen van de te houden Assemblee van de Ledenraad niet te worden aangemerkt als een oproeping gedaan door een rechtsgeldig hoofdbestuur, zodat de oproeping en daaruit voortvloeiend de te houden Assemblee van de Ledenraad als niet rechtsgeldig en dus als onrechtmatig dient te worden aangemerkt. Op grond hiervan zal de door Partij Miskin gevorderde voorziening in conventie worden toegewezen, doch met uitzondering van het gevorderde onder b. Dit, omdat het inschakelen van de sterke arm een nog grotere verdeeldheid binnen de CLO teweeg zou kunnen brengen.

De overige stellingen en weren

4.6 Daar hetgeen hiervoor onder 4.5 is overwogen, reeds voldoende grond oplevert tot toewijzing van de gevorderde voorziening in conventie van partij Miskin, behoeven de overige stellingen en weren van partijen inhoudelijk geen bespreking.

De verdeeldheid tussen partijen

4.7 De kantonrechter kan niet nalaten op te merken dat – vanwege de onderlinge verdeeldheid tussen partijen als hoofdbestuursleden – partijen het doel dat zij namens de CLO horen na te streven niet zullen bereiken en zij op een dergelijke wijze niet in staat zullen zijn om de belangen van de doelgroep van de CLO op een deugdelijke wijze te behartigen. Indien partij Miskin en partij Hooghart om wat voor reden dan ook niet meer met elkaar overweg kunnen als hoofdbestuursleden, dan is het raadzaam om in het belang van de doelgroep van de CLO de bestuursverkiezingen van de CLO in een eerder stadium te doen plaatsvinden en het voorstel van partij Miskin tot het doen benoemen van een onafhankelijke verkiezingscommissie in overweging te doen nemen. Dit alles natuurlijk, met inachtneming van de statuten en het huishoudelijk reglement.

Proceskosten

4.8 Daar partijen allen nog als hoofdbestuurslid van de CLO dienen te worden aangemerkt, acht de kantonrechter het redelijk en billijk de proceskosten tussen hen te compenseren, en wel zodanig dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

5. De beslissing in conventie en reconventie
De kantonrechter in kort geding:

5.1 In conventie

5.1.1 Verbiedt partij Hooghart om de opgeroepen Assemblee van de Ledenraad te houden c.q. te beleggen c.q. te doen plaatsvinden op 09 april 2021 omstreeks 10.00 uur v.m. in het gebouw van de Centrale van Landsdienaren Organisaties aan de Verlengde Gemenelandsweg no. 74 te Paramaribo, althans op elke andere aangekondigde datum en tijdstip.

5.1.2 Veroordeelt partij Hooghart tot betaling van een eenmalige dwangsom ad SRD 500.000,- (Vijfhonderdduizend Surinaamse Dollar) bij overtreding van het verbod vermeld onder 5.1.1 in deze beslissing.

5.1.3 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1.1 en 5.1.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.1.4 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

5.1.5 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

5.2 In reconventie

5.2.1 Weigert de gevorderde voorziening.

5.2.2 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis in conventie en in reconventie is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 08 april 2021 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in tegenwoordigheid van de griffier.

 

SRU-HvJ-2015-30

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
1. [Appellant 1], hierna te noemen “appellant 1”,
2. [Appellant 2], hierna te noemen “appellant 2”,
wonende in het district,
appellanten, hierna gezamenlijk aangeduid als “appellanten”,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende in Nederland,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 30 juni 2005 (A.R.no. 204260) tussen appellanten als eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie en geïntimeerde als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellanten op 11 juli 2005 bij schrijven van hun procesgemachtigde d.d. 8 juli 2005 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 17 augustus 2012, met producties;
  • de antwoord pleitnota tevens uitlating producties d.d. 7 december 2012;
  • de repliek pleitnota d.d. 18 januari 2013, met producties;
  • de dupliek pleitnota tevens uitlating producties d.d. 5 april 2013.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De ontvankelijkheid

2 Appellanten zijn vertegenwoordigd door deurwaarder Van Brussel namens hun procesgemachtigde ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak. Nu appellanten op 11 juli 2005 appèl hebben aangetekend, is dit binnen de wettelijke termijn geschied, zodat zij ontvankelijk zijn in het ingesteld hoger beroep.

De feiten

3.1 Geïntimeerde en [naam], zijn op 4 maart 1972 gehuwd in het ressort Sur/Ch, Suriname.

3.2 Bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te ’s Gravenhage d.d. 31 januari 1984, rolnummer 83/5923, is de echtscheiding uitgesproken tussen geïntimeerde en [naam].
In dit vonnis is de scheiding en deling gelast van de gemeenschap van goederen waarin geïntimeerde en [naam], waren gehuwd, nadat het betreffend echtscheidingsvonnis is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het echtscheidingsvonnis is op 5 november 1984 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te ’s Gravenhage.

3.3 Geïntimeerde heeft bij exploot van deurwaarder H.B. Blijd op 13 september 2000 maritaal beslag gelegd op de percelen.

3.4 [Naam], heeft bij een akte van 3 augustus 1999 verleden voor de kandidaat-notaris mr. Henricus Cornelius Antonius Emmen, als plaatsvervanger van de notaris ter standplaats ’s Gravenhage, mr. Douwe Thiadrik Hartman Osinga, aan appellant 1 volmacht verleend om te verkopen en ter uitvoering van een eventueel reeds gesloten koopovereenkomst in eigendom over te dragen aan zichzelf en appelant 2:
I. het perceelland, groot een hectare, vijf en negentig aren en twintig centiaren,
gelegen ten zuiden van de Rijweg naar [weg], in het [district],
aangeduid op de daarvan vervaardigde kaart van de landmeter H. Raatgever d.d.
13 augustus 1946 met de letters [letters] en deel uitmakende van het perceelland, ter
grootte van vijf hectaren, gelegen aan de linkeroever van de Saramaccarivier en
bekend onder [nummer];
II. het perceelland, groot een hectare, vijf en negentig aren en twintig centiaren,
gelegen ten zuiden van de Rijweg naar [weg], in het [district],
aangeduid op de daarvan vervaardigde kaart van de landmeter H. Raatgever op
13 augustus 1946 met de letters [letters] en deel uitmakende van het perceelland ter
grootte van vijf hectaren, gelegen aan de linkeroever van de Saramaccarivier en
bekend onder [nummer].
De beide percelen worden hierna gezamenlijk aangeduid als “de percelen”.

3.5 Appellant 1 heeft bij notariële akte d.d. 19 oktober 2000 verleden voor notaris R.G. Rodrigues, met gebruikmaking van de sub 3.4 van dit vonnis genoemde volmacht, de onverdeelde helft in de percelen aan zichzelf verkocht. Deze koopovereenkomst is overgeschreven ten hypotheekkantore op 23 oktober 2000 in register C deel 1488 onder [nummer].

De procedure in eerste aanleg

In conventie

4.1 Appellanten hebben in eerste aanleg in conventie gevorderd geïntimeerde ertoe te veroordelen om met hen over te gaan tot scheiding en deling van de percelen, met benoeming van een notaris als onzijdig persoon.

In reconventie

4.2 Geïntimeerde heeft in eerste aanleg in reconventie – zakelijk weergegeven – gevorderd:
A. nietigverklaring van de notariële koopovereenkomst
B. de doorhaling te gelasten van de koopovereenkomst en/of transportakte
C. Appellanten te veroordelen in de kosten van het geding.

Het besluit in eerste aanleg

4.3 De Kantonrechter heeft in het vonnis van 30 juni 2005 onder meer overwogen:
a. dat vaststaat dat nog geen scheiding en deling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van geïntimeerde en [naam] heeft plaatsgevonden;
b. dat gesteld noch gebleken is dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap slechts uit de percelen bestond;
c. dat een deelgenoot zijn aandeel in de gehele ontbonden gemeenschap kan verkopen en leveren, doch niet zijn aandeel in afzonderlijke goederen
d. dat [naam], beschikkingsonbevoegd was, hetgeen tot gevolg heeft dat de akte van overdracht van de percelen nietig is, zodat appellanten geen scheiding en deling als gevorderd kan verlangen.

4.4 De kantonrechter heeft de vordering in eerste aanleg in conventie afgewezen en in reconventie de doorhaling gelast van de transportakte d.d. 19 oktober 2000.

De vordering, de grieven en het verweer

5.1 Appellanten concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog toewijzen van de vordering.

5.2 Geïntimeerde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling

6.1 Appellanten heeft bij pleitnota het navolgende tegen het bestreden vonnis aangevoerd:
A. de kantonrechter heeft een verkeerde conclusie getrokken ten aanzien van de overige onroerende goederen, omdat deze conclusie geen enkele ondersteuning geniet in de terzake overgelegde stukken; Geïntimeerde heeft in haar verweer niet gesteld dat er nog andere goederen zijn.

B. [Naam], heeft zijn aandeel in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap verkocht aan appellanten; [naam] is hiertoe bevoegd.

C. de kantonrechter heeft ten onrechte beslist dat het in het belang van de rechtspositie van de mededeelgenoot niet is toegestaan dat een deelgenoot in een boedel zijn aandeel in een bepaald goed verkoopt en overdraagt, tenzij andere deelgerechtigden aan deze verkoop en overdracht zouden meewerken; dit standpunt vindt nergens steun in de wet, want in de notariële praktijk komt het regelmatig voor dat de ene echtgenoot zijn aandeel in de ontbonden huwelijksgemeenschap verkoopt, mits de overdracht niet geschiedt met benadeling van het aandeel van de andere echtgenoot.
[Naam] had, aldus appellanten, geen toestemming nodig van geïntimeerde, nu hij niet het gehele onroerend goed heeft verkocht en overgedragen, maar slechts zijn onverdeeld aandeel.

D. de kantonrechter heeft ten onrechte gesteld dat de akte van overdracht van 19 oktober 2000 nietig is.

6.2 Het Hof constateert dat geïntimeerde zowel in eerste aanleg (zie 3.3 van de conclusie van antwoord in conventie en 2.3 van de conclusie van dupliek in conventie) als in hoger beroep heeft aangevoerd dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap niet slechts bestond uit de percelen. In de antwoord pleitnota is aangevoerd dat tot de ontbonden huwelijksgemeenschap ten tijde van de verkoop onder andere behoorden twee woningen in Nederland en twee voertuigen, waarvan één in Nederland en één in Suriname.
Geïntimeerde heeft verder aangevoerd dat ingevolge vaste rechtspraak in Suriname en Nederland het in strijd is met artikel 1093 lid 2 BW en de goede trouw indien een deelgenoot beschikt over zijn aandeel in een afzonderlijk/bepaald goed dat tot die ontbonden gemeenschap behoort.
De verkoop van de percelen aan appellanten is derhalve, aldus geïntimeerde nietig.

6.3 Appellanten hebben hierop bij repliek pleitnota gesteld dat zij scheiding en deling hebben gevraagd van de gehele ontbonden gemeenschap. Zij hebben verder aangevoerd dat van benadeling van geïntimeerde geen sprake is omdat de verkoop van het onverdeeld aandeel is geschiedt ten overstaan van een openbaar ambtenaar.
In de repliek pleitnota sub 4 hebben appellanten gesteld dat geïntimeerde, nu zij stelt dat er meerdere goederen tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoren, concreet dient aan te geven welke goederen het betreft.

6.4 Het Hof merkt op dat vaste jurisprudentie is dat een mede-deelgenoot niet over zijn aandeel in een afzonderlijk goed van de ontbonden gemeenschap kan beschikken, zonder daartoe de toestemming te hebben verkregen van de overige deelgenoten.
Artikel 1093 BW bepaalt namelijk dat niemand genoodzaakt is in een onverdeelde boedel te blijven, alsmede dat ieder der deelgerechtigden ten allen tijde gerechtigd is boedelscheiding te vorderen. De relatie tussen de deelgenoten wordt beheerst door de goede trouw, die eist dat deelgenoten zorgvuldig omgaan met elkaars belangen. Door het beschikken over een deel van het aandeel dat een deelgenoot toekomt, worden de overige deelgenoten geconfronteerd met meerdere onverdeeldheden, hetgeen hun positie bemoeilijkt indien zij wensen over te gaan tot scheiding en deling van de onverdeeldheid. Indien echter het gehele aandeel dat een deelgenoot toekomt wordt vervreemd, heeft dit niet tot gevolg dat er meerdere onverdeeldheden ontstaan; de ene deelgenoot wordt dan slechts vervangen door een andere deelgenoot.

6.5 Het Hof overweegt dat het, nu geïntimeerde niet slechts heeft gesteld dát de percelen niet het gehele onverdeeld aandeel van [naam] betroffen, maar tevens de overige goederen die deel uitmaken van het onverdeeld aandeel van [naam] hebben genoemd, het op de weg van appellanten had gelegen om nader te motiveren waarom zij menen dat het gehele onverdeeld aandeel van [naam] aan hen is overgedragen.
Het Hof constateert overigens dat zowel de notariële akte van 19 oktober 2000, als de daaraan ten grondslag gelegde akte van lastgeving van 3 augustus 1999 slechts melding maken van de verkoop van (het onverdeeld aandeel van [naam]) in de percelen en niet van het onverdeeld aandeel van [naam] in de ontbonden huwelijksgemeenschap.
Appellanten hebben derhalve naar dezerzijds oordeel die stellingen die zijn ten grondslag aan hun vordering hebben gelegd onvoldoende onderbouwd, hetgeen tot gevolg heeft dat de door hen ingediende vordering niet voor toewijzing vatbaar is.
Het door appellanten bestreden vonnis zal derhalve worden bevestigd.

6.6 Appellanten zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.


De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

7.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 30 juni 2005, A.R.no. 204260, waarvan beroep;

7.2 Veroordeelt appellanten in de kosten van het geding aan de zijde van geïntimeerde in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhagur-Lachitjaran, Lid, en mr. J.M. Jensen, Lid-plaatsvervanger, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 november 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

 

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

 

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellanten, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

 

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

 

 

 

 

  1. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2015-29

G.R. no. 14969

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellante],
wonende te [adres 1],
appellante, hierna aangeduid als “de vrouw”,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [adres 2],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de man”,
gemachtigde: mr. G.A.T.T. Sitaram, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 9 december 2013 (A.R. no. 11-2878) tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat de vrouw op 20 januari 2014 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 21 november 2014;
  • de antwoordpleitnota d.d. 5 december 2014;
  • de repliekpleitnota d.d. 19 december 2014;
  • de dupliekpleitnota d.d. 6 februari 2015, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties d.d. 20 februari 2015, zijdens de vrouw.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Partijen zijn op 29 december 1993 te Paramaribo, buiten gemeenschap van goederen, met elkaar gehuwd.
2.2 Door het huwelijk van partijen is het thans meerderjarige kind [Meerderjarige kind], geboren op 26 juni 1993 te Paramaribo en op 9 juli 1993 te Paramaribo erkend door de man, gewettigd. Uit het huwelijk van partijen is op 29 november 1994 te Paramaribo geboren het thans nog minderjarige kind [Minderjarige].
2.3 Bij vonnis van 9 december 2013 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
2.4 Tegen dat vonnis heeft de vrouw hoger beroep aangetekend.

3. De ontvankelijkheid van het beroep
3.1 De vrouw heeft op 20 januari 2014 appel aangetekend tegen het vonnis van 9 december 2013.
3.2 De vrouw was bij de uitspraak van voormeld vonnis niet ter terechtzitting aanwezig.
3.3 De griffiersbrief waarmee het vonnis ter kennis is gebracht van de vrouw heeft als dagtekening 7 januari 2014, waardoor de vrouw tijdig het appel heeft aangetekend en daarin ontvankelijk is.

4. De grieven
4.1 De vrouw heeft als grieven tegen het vonnis aangevoerd:
1. dat de kantonrechter ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de vrouw terug is gekomen van haar stelling dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan de man is te wijten;
2. dat de man aan de vrouw alimentatie dient te betalen aangezien de vrouw behoeftig is en zij op dit moment niet voldoende inkomsten kan verwerven om in haar levensonder-houd te kunnen voorzien;
3. dat de man directeur is van een NV en voldoende draagkrachtig is om alimentatie te kunnen betalen en de vrouw de man altijd heeft bijgestaan en ondersteund, ook gedurende de moeilijke tijden van het bedrijf;
4. dat de behoeftigheid van de vrouw mede wordt bepaald door de stand van welvaart die de vrouw en de man tijdens hun huwelijk genoten.

4.2 Op grond van voormelde grieven vordert de vrouw dat het vonnis in eerste aanleg wordt vernietigd en opnieuw rechtdoende de vordering van de man alsnog wordt afgewezen.

5. De beoordeling
5.1 De man heeft op de grieven gereageerd, waarbij hij onder andere heeft betwist dat hij jarenlang een bedekte relatie had met een andere vrouw en dat hij zijn huwelijksplicht jegens de vrouw heeft verzaakt. Hij voert aan dat de duurzame ontwrichting niet in overwegende mate aan hem is te wijten en verwijst naar de door de vrouw tijdens de comparitie van partijen afgelegde verklaring waarin zij zelf aangeeft dat de ontwrichting aan hen beiden te wijten is. Hij verzoekt het Hof het vonnis van de kantonrechter te bevestigen.
5.2 Het Hof overweegt ten aanzien van de eerste grief dat de kantonrechter in haar vonnis onder 4.3 als volgt heeft overwogen: “Zowel de man als de vrouw heeft aangevoerd dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan de ander te wijten is, doch tijdens de comparitie van partijen heeft de vrouw verklaard dat de duurzame ontwrichting aan beide partijen te wijten is en heeft de man verklaard dat de schuld aan niemand in overwegende mate te wijten is. De kantonrechter plaatsvervanger begrijpt uit het voorgaande dat partijen teruggekomen zijn van de stelling dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de ander te wijten is.” In 4.4 is als volgt overwogen: “Nu de vrouw de duurzame ontwrichting van het tussen partijen bestaande huwelijk heeft erkend, uit hetgeen partijen hebben aangevoerd niet valt af te leiden dat de bestaande huwelijksband enige wezenlijke betekenis heeft en de door partijen aangevoerde feiten erop neerkomen dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht, kan de vordering tot echtscheiding als op de wet gegrond worden toegewezen.”
5.3 Het Hof overweegt dat de vraag beantwoord moet worden of de kantonrechter ervan had mogen uitgaan dat de vrouw was teruggekomen op haar schuldverweer. Voor de beantwoording van die vraag dient nagegaan te worden wat de vrouw omtrent de duurzame ontwrichting heeft gesteld.
5.4 In haar conclusie van antwoord heeft de vrouw gesteld dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man is te wijten omdat hij zijn zorgplicht jegens haar verzaakt, een nieuwe partner heeft en los van de vrouw een ander leven heeft opgebouwd. Zij stelt in haar conclusie van antwoord tevens dat partijen sedert mei 2008 de keuze gemaakt hebben om het huwelijkse samenwonen te beëindigen. In haar conclusie van dupliek stelt zij dat de man sinds 2008 niet meer met haar in een huis samenleeft en een andere vrouw als levenspartner heeft. Verder gaat zij in haar conclusie van dupliek in op het feit dat de man haar niet ondersteunt in het levensonderhoud.
5.5 Tijdens de comparitie van partijen stelt de vrouw: “(…) Ten aanzien van de duurzame ontwrichting kan ik stellen dat die aan beide partijen te wijten is geweest.”
5.6 In haar conclusie na comparitie van partijen stelt zij: “Gedaagde [de vrouw] blijft erbij dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan eiser te wijten is.”
5.7 In de pleitnota in het hoger beroep stelt de vrouw wederom dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is.
5.8 Het Hof heeft kennis genomen van de stellingen en weren en constateert dat de vrouw tijdens de comparitie van partijen verklaard heeft dat zij ten aanzien van de duurzame ontwrichting kan stellen dat die aan beide partijen te wijten is. Noch in haar conclusie na comparitie van partijen, noch in haar pleitnotas in het hoger beroep heeft zij ontkend dat zij tijdens de comparitie van partijen heeft verklaard dat de duurzame ontwrichting aan beide partijen te wijten is.
5.9 De kantonrechter heeft naar het oordeel van het Hof dan ook terecht aangenomen dat de vrouw met haar verklaring op de comparitiedag, haar verweer had verlaten.
5.10 Het Hof ziet in de verklaringen van partijen afgelegd tijdens de comparitie van partijen, net als de kantonrechter, aanleiding om aan te nemen dat beide partijen van mening zijn dat de duurzame ontwrichting een feit is en dat zij daar beiden aan hebben bijgedragen. Nu beide partijen een echtscheiding wensten, heeft de kantonrechter terecht de vordering toegewezen. Het Hof zal daarom voorbijgaan aan de eerste grief van de vrouw.
5.11 De tweede, derde en vierde grief betreffen de alimentatie, welke in het onderhavige geding niet aan de orde is. Om die reden zal aan deze drie grieven worden voorbijgegaan.
5.12 Het Hof zal op grond van het hiervoor overwogene het vonnis waarvan beroep bevestigen.
5.13 De proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt, daar zij echtelieden zijn.

6. De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
6.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 9 december 2013 waarvan beroep.
6.2 Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid, en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 oktober 2015, in tegenwoordig-heid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein              w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. A. Codrington namens advocaat mr. H.R. Lim A Po, gemachtigde van appellante, en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. C. Rambharos namens advocaat mr. G.A.T.T. Sitaram, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2015-28

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
[verzoeker] ,
wonende in het [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. I. Lalji, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. B. Tjin Liep Shie,
spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het verzoekschrift ter griffie ingediend op 24 mei 2012, met producties;
  • de beschikking van het Hof van 4 juli 2012 waarbij de termijn binnen welke het verweerschrift moet worden ingediend is verlengd met zes weken;
  • het verweerschrift ter griffie ingediend op 16 augustus 2012;
  • de beschikking van het Hof van 22 oktober 2012 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 2 november 2012;
  • het schrijven van de procesgemachtigde van [verzoeker] inhoudend het verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling, welk verzoek door het Hof is ingewilligd;
  • het proces-verbaal van de op 15 februari 2013 gehouden mondelinge behandeling;
  • de pleitnota d.d. 7 juni 2013;
  • de antwoordpleitnota d.d. 3 oktober 2013, overgelegd op 18 oktober 2013, welke abusievelijk is vernoemd “conclusie van dupliek”;
  • de repliekpleitnota d.d. 3 januari 2014;
  • de dupliekpleitnota d.d. 7 maart 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten

2.1 [verzoeker] is als hoofdonderwijzer in vaste dienst bij het Openbaar Onderwijs, werkzaam op de Lagere Technische School [district].
2.2 [verzoeker] is te rekenen van 22 januari 2008 in verzekerde bewaring gesteld, omdat hij verdacht werd van het plegen van ontuchtige handelingen.
2.3 [verzoeker] is bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 28 maart 2012, AD [nummer], hierna aangeduid als “de ontslagbeschikking”, met ingang van 15 mei 2012 ontslagen uit staatsdienst.
Daartoe is onder meer overwogen:
dat de heer [VERZOEKER] meergenoemd, bij vonnis van de kantonrechter in het IIIe kanton van 19 maart 2008 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 2 (twee) jaar en 6 (zes) maanden voorwaardelijk met aftrek en bevel tot gevangen houding; dat als gevolg van de veroordeling zoals hierboven genoemd het pedagogisch niet verantwoord is de heer [VERZOEKER] meergenoemd, langer in het onderwijs te handhaven.
(…)
dat aan de heer [VERZOEKER] meergenoemd, wegens onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid ingevolge artikel 69 lid 2 sub c juncto artikel 71 lid 3 te rekenen van 15 mei 2012 ontslag uit Staatsdienst zal worden verleend.”
2.4 De Staat is in kort geding bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 april 2012 (A.R. no. 115113) veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen zijn maandelijkse salaris naar de schaal waarin hij laatstelijk is ingedeeld, verhoogd met alle emolumenten en verhogingen vanaf 20 juli 2010 totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze is beëindigd.
2.5 De ontslagbeschikking is op 28 april 2012 ter kennis van [verzoeker] gebracht.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken:
A. vernietiging, althans nietigverklaring van de ontslagbeschikking;
B. de Staat te veroordelen hem te handhaven in zijn functie;
C. de Staat te veroordelen tot betaling c.q. doorbetaling van zijn salaris totdat de dienstbetrekking op rechtens juiste wijze is beëindigd, met emolumenten en toelagen en verhogingen;
D. de Staat te veroordelen in de kosten van het proces, waaronder ook de proceskosten ad SRD 2.500,=.
3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [verzoeker] – verkort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het door hem gelaakt besluit jegens hem onrechtmatig is, omdat het in strijd is met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten:
1. het beginsel van hoor en wederhoor;
2. het motiveringsbeginsel;
3. het zorgvuldigheidsbeginsel;
4. het vertrouwensbeginsel.
3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

Bevoegdheid
4. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot ontslag en besluiten betreffende salaris vatbaar voor nietigverklaring.
Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot nietigverklaring van de ontslagbeschikking en die tot (door)betaling van het salaris.
Ten aanzien van de gevorderde veroordeling tot handhaving van [verzoeker] in zijn functie, is het Hof van oordeel dat het hiertoe niet bevoegd is; een dergelijke vordering is immers niet vervat in artikel 79 van de Personeelswet, in welk artikel de bevoegdheid van het Hof limitatief is omschreven.
Het Hof begrijpt het onder D van het petitum gevorderde aldus dat [verzoeker] vordert vergoeding van de schade die voor hem is voortgevloeid uit een door de Staat genomen besluit.
Ingevolge artikel 79 van de Personeelswet is het Hof bevoegd kennis te nemen van een dergelijke vordering.

Ontvankelijkheid
5. De ontslagbeschikking is op 28 april 2012 bij exploot van deurwaarder L. Gangaram Panday no. 153 betekend aan een huisgenoot van [verzoeker]. Nu het inleidend verzoekschrift op 24 mei 2012 ter griffie is ingediend, is dit binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn geschied, zodat [verzoeker] ontvankelijk is in zijn vordering.

De beoordeling van het geschil
Strijd met het beginsel van hoor en wederhoor
6.1 [verzoeker] heeft gesteld dat hij voorafgaand aan de ontslagbeschikking nimmer in de gelegenheid is gesteld zich te verweren. Uit de ontslagbeschikking blijkt ook niet dat het recht van hoor en wederhoor is geëerbiedigd.
6.2 De Staat heeft in zijn verweerschrift erkend dat [verzoeker] niet in de gelegenheid is gesteld zich te verweren. De Staat heeft daarbij tevens aangevoerd dat de omstandigheden van het geval van dien aard zijn dat het belang van [verzoeker] hierdoor niet geschaad is, daar hij bij vonnis van 19 maart 2008 is veroordeeld wegens ontucht en hij tegen dit vonnis niet in beroep is gegaan. Het horen van [verzoeker] zou slechts als formaliteit dienen. [verzoeker] heeft namelijk door zijn gedraging blijk gegeven van een zodanige gezindheid, dat hij redelijkerwijs niet geacht kan worden voldoende waarborgen voor een getrouwe plichtsbetrachting te bieden. De veroordeling van [verzoeker] voor het type strafbaar feit, te weten ontucht, heeft een vertrouwenscrisis doen ontstaan tussen de Staat en [verzoeker], zulks gelet op zijn werkzaamheden als opvoeder en onderwijzer van leerlingen, aldus de Staat.
6.3 Het Hof stelt voorop dat het beginsel van hoor en wederhoor één van de fundamentele beginselen van behoorlijk bestuur is. Dit beginsel is ook in de Personeelswet vervat en wel in artikel 63 lid 2 van deze wet.
Het staat de Staat naar het oordeel van het Hof niet vrij te beoordelen of hij dit fundamenteel beginsel al dan niet in acht wenst te nemen, hoe de omstandigheden van het geval ook mogen zijn. De vordering tot nietigverklaring van de ontslagbeschikking is derhalve toewijsbaar.

(Door)betaling van salaris
6.4 Het Hof constateert allereerst dat [verzoeker] in zijn inleidend verzoekschrift heeft nagelaten te stellen vanaf wanneer het salaris zou moeten worden (door)betaald.
Zijdens de Staat is tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [verzoeker] is uitbetaald tot 19 maart 2008. De nabetaling van zijn salaris heeft hij na zijn invrijheidstelling in juli 2010 tot aan de ontvangst van zijn ontslagbeschikking ontvangen. [verzoeker] heeft deze verklaring in de verdere procesvoering niet betwist, zodat tussen partijen is komen vast te staan dat het salaris is uitbetaald tot aan 28 april 2012, zijnde de dag waarop de ontslagbeschikking aan [verzoeker] is uitgereikt.
Nu de vordering tot nietigverklaring van de ontslagbeschikking toewijsbaar is geacht, zal de Staat dan ook worden veroordeeld om het salaris aan [verzoeker] te doen uitbetalen vanaf 28 april 2012 totdat de tussen partijen bestaande dienstbetrekking op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd.

Vergoeding van schade
6.5 Geconstateerd wordt dat [verzoeker] heeft nagelaten deze vordering te onderbouwen, zodat die, nu niet is voldaan aan de stelplicht, niet toewijsbaar is.

De beslissing
Het Hof:
7.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van hetgeen onder B van het petitum is gevorderd;
7.2 Verklaart de beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling van 28 maart 2012 AD [nummer] nietig;
7.3 Veroordeelt de Staat om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen zijn maandelijkse salaris naar de schaal waarin hij laatstelijk is ingedeeld, verhoogd met alle emolumenten en verhogingen vanaf 28 april 2012 totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze is beëindigd;
7.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S.M.M. Chu, Leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 7 augustus 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat mr. I. Lalji, gemachtigde van verzoeker, en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Koendan namens mr.B.TjinLiep Shie, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2015-27

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende in het [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. M.E. Danning, jurist,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het verzoekschrift d.d. 16 december 2011, ter griffie ingediend op 16 december 2011, met producties;
  • de beschikking van het Hof van 30 januari 2012, waarbij de termijn binnen welke het verweerschrift moet worden ingediend is verlengd met zes weken;
  • het verweerschrift, ter griffie ingediend op 31 januari 2012;
  • de beschikking van het Hof van 11 juni 2012, waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 3 augustus 2012;
  • het proces-verbaal van de op 3 augustus 2012 gehouden mondelinge behandeling;
  • de pleitnota d.d. 2 november 2012;
  • de antwoordpleitnota d.d. 7 december 2012;
  • de repliekpleitnota d.d. 18 januari 2013;
  • de dupliekpleitnota d.d. 15 februari 2013.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2.1 [verzoeker] is als penitentiair ambtenaar werkzaam geweest bij de Staat.
2.2 Bij beschikking d.d. 22 september 2011, no. J [nummer 1] van de Minister van Justitie en Politie is [verzoeker] de tuchtstraf van voorwaardelijk ontslag opgelegd en is hij tevens ontheven uit de functie van penitentiair ambtenaar.
2.3 Bij beschikking d.d. 1 november 2011, J.[nummer 2] is de onder 2.2 van dit vonnis vermelde beschikking ingetrokken, omdat in die beschikking abusievelijk de ingangsdatum van de ontheffing en de ter beschikkingstelling niet was aangegeven.

In eerstgenoemde beschikking is vervolgens besloten:
a. [verzoeker] de tuchtstraf van voorwaardelijk ontslag op te leggen onder de voorwaarde dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij hij zich binnen een proeftijd van twee jaren wederom schuldig maakt aan een soortgelijk of enig ander plichtsverzuim;
b. [verzoeker] in het belang van de dienst te ontheffen uit de functie van penitentiair ambtenaar der 2e klasse en hem met behoud van zijn bezoldiging van SRD 1.694, in een burgerfunctie ter beschikking te stellen van de Directeur van Justitie en Politie.

2.4 In een door drs. [naam ], psychiater, ondertekende schriftelijke verklaring van 14 november 2011 staat het volgende vermeld:
“De heer verzoeker], geboren 13-10-’79, is op 18/10/11 onder begeleiding gekomen op verwijzing van zijn huisarts.
De verwijsreden is: werkgerelateerde stress.
De heer [verzoeker] heeft een angststoornis en een aanpassingsstoornis welke zich tot een depressie neigen te ontwikkelen. Uit exploratie blijken deze te maken te hebben met de gevolgen van zijn vakbondsactiviteiten en de volgens hem rancuneuze maatregelen. Hij is werkwillig, doch wil dit graag in een veilige omgeving, waar de geuite intimidaties niet van toepassing kunnen zijn.”

De vordering en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken:
I.de beschikking d.d. 1 november 2011, J.[nummer 2] , althans het besluit daarin vervat, nietig te verklaren;
II.de Staat te veroordelen hem weder te werk te stellen in de functie van penitentiair ambtenaar, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,—;
III.de Staat te veroordelen in de proceskosten.
3.2 De Staat heeft de vordering weersproken.
Het Hof komt, voor zover van belang, daarop bij de beoordeling terug.

Ontvankelijkheid
4.[verzoeker] heeft in zijn inleidend verzoekschrift gesteld dat de beschikking d.d. 1 november 2011, J[nummer 2]op 8 november 2011 te zijner kennis is gebracht. Het Hof constateert dat zijn verzoekschrift op 16 december 2011 ter griffie is ingediend, hetgeen meer dan een maand is na de datum waarop het besluit te zijner kennis is gebracht.
[verzoeker] heeft zich in dit kader beroepen op artikel 80 lid 4 van de Personeelswet, in welk artikel is bepaald dat het Hof een vordering ingesteld na afloop van de daarvoor bepaalde termijn, niettemin ontvankelijk kan verklaren in geval van overmacht.
[verzoeker] heeft in dat kader het volgende gesteld:

A.In het inleidend verzoekschrift onder 7:
“Vanwege de getroffen maatregel van ontheffing wordt verzoeker kennelijk geacht zijn dagen door te brengen achter een bureau van 07.00 uur tot 15.00 uur, nu zijn burgerfunctie niet is gedefinieerd. Deze situatie gekoppeld aan het feit dat hij zich niet op zijn gemak voelt in de nieuwe werkomgeving is dusdanig van invloed op verzoeker dat hij een angststoornis heeft ontwikkeld, ten bewijze waarvan een verklaring d.d. 14 november 2011 van de psychiater drs. [naam ] , door wie hij thans hiervoor wordt behandeld, wordt overgelegd (…).”

B. In de pleitnota onder 1:
“(…) [verzoeker] voert als reden waarom zijn verzoekschrift op 16 december 2012 [opmerking Hof: lees 2011] is ingediend en derhalve niet binnen de gestelde termijn van de Personeelswet, te maken heeft gehad met het feit dat hij door de opgelegde tuchtstraf c.q. maatregel (…) volledig uit het veld was geslagen en ter ondersteuning psychische hulp heeft moeten inroepen. Deze situatie waarin [verzoeker] als direct gevolg van het besluit kwam te verkeren, dient als een overmachtsituatie te worden aangemerkt (…).”

C. In de repliekpleitnota onder 2:
“(…) In het onderhavige geval heeft [verzoeker] aangegeven dat hij een angst- en aanpassingstoornis heeft ontwikkeld die gerelateerd is aan zijn burgerfunctie c.q. zijn nieuwe werkomgeving: ergo nadat het besluit tot ontheffing uit zijn functie als penitentiair ambtenaar is genomen. Het genomen besluit is voor hem geheel onverwachts gekomen en dit heeft zijn hele leven overhoop gegooid en is hij om deze reden niet direct hiertegen opgekomen. [verzoeker] geeft verder aan dat hij tot op heden onder behandeling is van de psychiater.”

Het Hof overweegt ten aanzien van de stellingen van [verzoeker] in het inleidend verzoekschrift, dat het feit dat hij een burgerfunctie moet uitoefenen alsook dat hij zich niet op zijn gemak voelt in zijn nieuwe werkomgeving, naar het oordeel van het Hof geen overmacht opleveren, aangezien uit het gestelde niet voortvloeit dat hij in de onmogelijkheid verkeerde zijn vordering tijdig in te dienen bij het Hof. Dit is eveneens het geval ten aanzien van hetgeen in de pleitnota en de repliekpleitnota is gesteld. Het enkele feit dat psychische hulp is ingeroepen ter begeleiding en ondersteuning van [verzoeker] wegens een bij hem geconstateerde angststoornis is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van overmacht. In de door de psychiater ten aanzien van [verzoeker] opgestelde verklaring ziet het Hof evenmin aanleiding daartoe. In de betreffende verklaring is immers gesteld dat [verzoeker] werkwillig is, zonder dat daarbij factoren zijn gemeld die naar het oordeel van de behandelend psychiater de uitoefening van de werkzaamheden door [verzoeker] zouden verhinderen. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat [verzoeker] in staat werd geacht om de werkzaamheden uit te voeren. Nu naar dezerzijds oordeel in casu geen sprake is geweest van overmacht, is de vordering van [verzoeker] tardief, zodat hij daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De beslissing
Het Hof:

Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. R.G.Chatterpal, Leden,en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 januari 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat mr.E.D. Esajas, gemachtigde van verzoeker,en verweerder vertegenwoordigd door mr. B.Tjin Liep Shie namens mr. M.E. Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2015-26

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende in het [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. R. Koendan,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het verzoekschrift ingediend ter griffie op 1 februari 2012, met producties;
  • het verweerschrift ingediend ter griffie op 13 maart 2012;
  • de beschikking van het Hof van 11 juni 2012 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 3 augustus 2012;
  • het proces-verbaal van de op 3 augustus 2012 gehouden mondelinge behandeling;
  • het proces-verbaal van de op 2 november 2012 gehouden voortzetting van de mondelinge behandeling;
  • de pleitnota d.d. 1 februari 2013;
  • de antwoord pleitnota d.d. 5 april 2013;
  • de repliek pleitnota d.d. 3 mei 2013;
  • de dupliek pleitnota d.d. 7 juni 2013.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten

2.1 [verzoeker] is als penitentiair ambtenaar der 2e klasse in vaste dienst van de Staat.
2.2 [verzoeker] is op 30 augustus 2010 tezamen met een andere penitentiaire ambtenaar opgedragen een gedetineerde voor behandeling te brengen naar de spoedeisende hulp van het Academisch Ziekenhuis. De gedetineerde heeft daarbij kans gezien te vluchten door het raam van een toiletruimte.
2.3 Bij schrijven van de onderdirecteur van het Huis van Bewaring d.d. 31 augustus 2010 is [verzoeker] aangezegd om zich terzake te verweren.
2.4 [verzoeker] heeft zich schriftelijk verweerd.
2.5 Bij beschikking d.d. 11 oktober 2011 J. [nummer 1], hierna aangeduid als “de beschikking”, is aan [verzoeker] opgelegd de tuchtstraf van schorsing voor de duur van een week, met inhouding van de aan zijn betrekking verbonden inkomsten gedurende de schorsingsperiode.
Daartoe is overwogen:
dat uit de overgelegde stukken is gebleken dat (…) [verzoeker] (…) op 30 augustus 2010 zich niet heeft gehouden aan de juiste bewakings- en beveiligingsstrategie, waardoor de gedetineerde [naam ] die onder zijn toezicht was, tijdens een medische behandeling bij de spoedeisende hulp is ontsnapt en dat betrokkene tijdens de diensttijd bier heeft genuttigd;
– dat betrokkene in zijn verweerschrift een verkeerd tijdstip van ontvluchting heeft aangegeven;
– dat deze handelingen niet in een gedisciplineerd Korps kunnen worden getolereerd en als plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt;
– dat betrokkene ingevolge het bepaalde in artikel 63 lid 2 van de Personeelswet daartoe bij schrijven van de Onderdirecteur van het Huis van Bewaring d.d. 31 augustus 2010, kenmerk H.v.B. [nummer 2] in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk te verweren;
– dat betrokkene zich bij schrijven d.d. 1 september 2010 heeft verweerd, waarbij hij geen steekhoudende argumenten heeft kunnen aanvoeren, welke ertoe zouden kunnen leiden om van bestraffing af te zien;
– dat op grond van het voorgaande het nodig is aan betrokkene een tuchtstraf op te leggen”

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken de beschikking, althans het besluit nietig te verklaren althans te vernietigen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag voor iedere dag dat de Staat weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen.
3.2 [verzoeker] heeft als grondslag voor zijn vordering aangevoerd dat het besluit een deugdelijke feitelijke grondslag mist en in strijd is met het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van een zorgvuldige belangenafweging.
3.3 De staat voert verweer tegen de vordering. Op dat verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in het hiernavolgende ingegaan.

Bevoegdheid
4 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot schorsing vatbaar voor nietigverklaring.
Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Staat vervat in de beschikking.

Ontvankelijkheid
Het Hof constateert dat zijdens[verzoeker] in het inleidend verzoekschrift is gesteld dat de beschikking op 6 januari 2012 te zijner kennis is gebracht. De Staat heeft deze stelling van [verzoeker] in het verweerschrift erkend, zodat het Hof deze datum als uitgangspunt zal nemen.
Nu het verzoekschrift zijdens [verzoeker] op 1 februari 2012 ter griffie is ingediend, is dit binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn geschied, zodat [verzoeker] ontvankelijk is in zijn vordering.

De beoordeling van het geschil
6.1.1 [verzoeker] heeft gesteld dat in de beschikking hem verweten wordt dat hij tijdens diensttijd bier zou hebben genuttigd, terwijl dit niet in de verweeraanzegging is opgenomen, zodat hij zich ten aanzien van dit verwijt niet heeft kunnen verweren. [verzoeker] heeft ontkend zich hieraan te hebben schuldig gemaakt.
[verzoeker] heeft gesteld dat het besluit hierdoor een deugdelijke feitelijke grondslag mist op grond waarvan het niet kan worden gehandhaafd en de nietigheid, althans de vernietiging daarvan dient te volgen.
6.1.2 De Staat heeft in haar verweerschrift te kennen gegeven dat uit het onderzoek dat is ingesteld nadat de gedetineerde [naam] was ontvlucht en weder aangehouden, is komen vast te staan dat [verzoeker] bier had genuttigd tijdens de diensttijd. De Staat heeft daarbij erkend dat [verzoeker] niet is aangezegd zich ten aanzien van dit verwijt te verweren.
6.1.3 In artikel 63 lid 2 van de Personeelswet is bepaald dat een tuchtstraf niet wordt opgelegd alvorens de betrokken landsdienaar in de gelegenheid is gesteld zich terzake mondeling of schriftelijk te verantwoorden. Dit leidt naar het oordeel van het Hof tot de gevolgtrekking dat de Staat in strijd met voornoemd artikel van de Personeelswet het verwijt dat [verzoeker] in strijd met zijn ambtsplicht tijdens diensttijd bier heeft genuttigd, heeft gehanteerd als grondslag voor het opleggen van een tuchtstraf. Echter is voornoemd verwijt niet het enig verwijt waar de opgelegde tuchtstraf op is gebaseerd, zodat het door het Hof geconstateerd euvel niet zonder meer tot nietigverklaring van de beschikking kan leiden. Dit kan pas het geval zijn als alle gronden die tot de beschikking hebben geleid, schipbreuk leiden.
6.2.1 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [verzoeker] verder gesteld dat het door hem gelaakt besluit jegens hem onrechtmatig is omdat in de beschikking als motivering voor de schorsing is aangevoerd dat hij niet heeft gehandeld volgens de geldende bewakings- en beveiligingsstrategie, terwijl er geen specifieke regel of instructie bij hem bekend is waarnaar hij krachtens de omstandigheden zou moeten hebben gehandeld.
6.2.2 De Staat heeft de onder 6.2.1 weergegeven stelling van [verzoeker] betwist.
De normen betreffende de bewaking en beveiliging van gedetineerden zijn reeds gedurende de opleiding tot penitentiair ambtenaar aan hem bekend gemaakt. De Staat heeft verder aangevoerd dat [verzoeker] sinds het jaar 2002 meermalen belast is geworden met het bewaken en beveiligen van gedetineerden. Hij is aldus bekend met de geldende regels, gezien de door hem afgelegde eed bij de aanvaarding van het ambt ingevolge artikel 20 van het Penitentiair Besluit onder meer inhoudende “dat hij de gegeven post in de inrichting met alle getrouwheid, vlijt en oplettendheid zal waarnemen (…) en alle pogingen tot ontvluchting zal trachten te weren.”
Zijdens de Staat is tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat het eerste dat een penitentiair ambtenaar moet doen bij het betreden of laten betreden van een nieuwe omgeving is dat hij de ruimte dient te controleren. [verzoeker] heeft dat, aldus de Staat, niet gedaan, maar heeft de gedetineerde van zijn boeien ontdaan en hem naar binnen laten gaan, hetgeen tegen de instructie is. De Staat heeft verder aangevoerd dat een van de bewakingstechnieken is dat de toiletdeur op een kier wordt geplaatst als je een gedetineerde naar het toilet brengt. [verzoeker] heeft dit eveneens nagelaten.
6.2.3 [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat het hem bekend is hoe gehandeld dient te worden als een gedetineerde naar het toilet wordt gebracht, maar heeft te kennen gegeven dat de door de Staat aangevoerde bewakingstechniek in dit geval geen effect zou hebben, aangezien het toilet in een hoek was en hij geen zicht zou hebben. Hij heeft tevens aangevoerd dat, nadat hij de gedetineerde van zijn boeien had ontdaan, die snel het toilet is ingegaan en de deur achter zich heeft dicht getrokken.
6.2.4 Het Hof constateert dat [verzoeker] niet heeft betwist dat de algemene instructie is dat een penitentiair ambtenaar een nieuwe omgeving eerst dient te controleren bij het betreden of laten betreden daarvan. Uit het verweerschrift blijkt tevens dat [verzoeker] zich van deze algemene regel bewust is. [verzoeker] heeft in het verweerschrijven immers gesteld dat hij zich niet aan deze instructie heeft kunnen houden omdat de gedetineerde naar het toilet snelde, zodat hij daartoe niet de kans kreeg.
Naar het oordeel van het Hof is het door [verzoeker] gestelde geen rechtvaardiging voor het feit dat hij heeft gehandeld in strijd met een aan hem bekende instructie, die tot doel heeft de ontvluchting van gedetineerden te voorkomen. [verzoeker] had immers mogen verwachten dat bij de gedetineerde, aan wie een zetpil was toegediend teneinde zich te ontdoen van een ophoping van ontlasting in zijn darmen, een sterke drang zou ontstaan zich snel naar een toilet te begeven. Daarnaast heeft [verzoeker] niet alleen de gedetineerde ongeboeid in het toilet toegelaten zonder het betreffend toilet te controleren op vluchtmogelijkheden, hij heeft eveneens toegelaten dat de gedetineerde de deur van de toiletruimte volledig heeft dichtgetrokken.
Het Hof constateert dat door de Staat een viertal foto’s zijn overgelegd van het betreffend toilet. Uit het fotomateriaal blijkt naar het oordeel van het Hof dat, in tegenstelling tot de stelling van [verzoeker], er wel zicht zou zijn geweest op de gedetineerde indien de deur op een kier was blijven staan.
Al het hiervoor overwogene leidt naar de mening van het Hof tot de gevolgtrekking dat [verzoeker] verwijtbaar zich niet heeft gehouden aan een beveiligingsinstructie en een bewakingstechniek niet heeft gehanteerd, hetgeen plichtsverzuim oplevert.
6.3.1 [verzoeker] heeft voorts tegen de beschikking aangevoerd dat daarin bloot is gesteld dat zijn verweer niet steekhoudend wordt geacht, zonder dat daarbij blijkt van een gedegen onderzoek dat aantoont welke de specifieke instructies zijn die niet zijn opgevolgd, hetgeen in strijd is met het beginsel van motivering van het besluit.
6.3.2 Het Hof is de mening toegedaan dat de Staat door in de beschikking te overwegen dat het verweer niet steekhoudend wordt geacht, een uiterst minimale motivering heeft gelegd tot grondslag van haar besluit. Het ware naar het oordeel van het Hof prudenter om, nu het vereiste van de motivering van besluiten ten doel heeft de redenen die daartoe hebben geleid, aan de belanghebbende bekend te maken, tevens te motiveren waarom naar het oordeel van de Staat het verweer niet steekhoudend werd geacht.
Van strijd met het motiveringsbeginsel is echter geen sprake.
6.4.1 [verzoeker] heeft tenslotte gesteld dat geen sprake is van een weloverwogen besluit waarbij rekening is gehouden met zijn individuele omstandigheden, aangezien hem niet eerder plichtverzuim is verweten, althans hem een disciplinaire straf is opgelegd sedert zijn indiensttreding in 2002.
6.4.2 Het Hof constateert dat uit de beschikking gestelde aantekening blijkt dat bij het opleggen van de tuchtstraf rekening is gehouden met de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, alsmede de persoonlijke en huiselijke omstandigheden van [verzoeker].
Het Hof is verder de mening toegedaan dat, gelet op de duur van de schorsing, in ruime mate rekening is gehouden met het feit dat [verzoeker] niet eerder een disciplinaire straf is opgelegd sedert zijn indiensttreding in 2002. Het door hem gepleegd plichtsverzuim raakt immers de kern van zijn taakuitvoering, zodat bij het verzaken daarvan dit in de op te leggen tuchtstraf ook tot uiting dient te worden gebracht. Nu [verzoeker] een tuchtstraf van 1 (één) week is opgelegd, is de tuchtstraf naar dezerzijds oordeel niet disproportioneel.
6.4.3 Gelet op het onder 6.1.3, 6.2.4, 6.3.2 en 6.4.2 overwogene zal het Hof de vordering van [verzoeker] afwijzen.

De beslissing

Het Hof:
Wijst de vordering af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger, en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 februari 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein,

Fungerend-Griffier.

 

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. E.D. Esajas, gemachtigde van verzoeker, en verweerder vertegenwoordigd door mr. M. Winter namens mr. R. Koendan, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2015-25

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
wonende in het [district] ,
verzoekster,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
rechtspersoon, zetelende te Paramaribo,
verweerder,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 29 november 2011, met producties;
  • het verweerschrift d.d. 27 december 2011, overgelegd d.d. 27 januari 2012;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 28 mei 2012, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 20 juli 2012;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in Raadkamer d.d. 02 november 2012;
  • de pleitnota d.d. 01 februari 2013, met een productie;
  • het antwoord pleitnota en uitlating productie d.d. 19 april 2013, met producties;
  • het repliek pleitnota en uitlating producties d.d. 03 mei 2013, met een productie;
  • het dupliek pleitnota en uitlating productie d.d. 17 mei 2013;

1.2 de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was gesteld op 16 augustus 2013, doch nader bepaald op heden.

De motivering

De feiten
1.Tussen partijen (hierna respectievelijk ”[verzoekster]” en ”het ministerie” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:
1.1 [verzoekster] is op 01 november 2004 op arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tewerkgesteld op het ministerie als administratief medewerkster op de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken.
1.2 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 01 januari 2008 J[nummer 1], is de op arbeidsovereenkomst dienende landsdienaar op de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken van het ministerie, [verzoekster], te rekenen van 23 juli 2007 in de functie van administratief medewerker tewerkgesteld op de afdeling Departementsleiding (Secretariaat van de Onderdirecteur van Justitie, belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Algemeen Beheer) van voormeld ministerie.
1.3 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 27 mei 2011 J [nummer 2] , is aan [verzoekster] de tuchtstraf van boete naar rato van twee weken bezoldiging opgelegd omdat zij zich op 28 en 29 september 2010; 6, 13 14, 15, 18 19, 22 en 25 tot en met 29 oktober 2010; 8 en 15 november 2010; 9 en 10 december 2010, zonder enig bericht van verhindering en/of nadere kennisgeving onwettig aan de dienst heeft onttrokken, waarbij aan [verzoekster] te kennen is gegeven dat bij een eerstvolgend plichtsverzuim van soortgelijke of ernstiger aard, een zwaardere tuchtstraf in overweging zal worden genomen.
1.4 Bij schrijven van de waarnemend directeur van Justitie en Politie d.d. 13 juli 2011 J[nummer 3] , is aan [verzoekster], voor zover van belang, het navolgende medegedeeld:
“(…) Middels deze wordt u bericht dat gelet op uw negatief presentiegedrag, besloten is om de op 1 november 2004 met u voor onbepaalde tijd, aangegane arbeidsovereenkomst, met toepassing van artikel 2 sub b van voormelde arbeidsovereenkomst, ingaande 15 september 2011 op te zeggen.”
1.5 [verzoekster] heeft in reactie op voormeld schrijven middels een schrijven van haar gemachtigde d.d. 05 september 2011 ref.no. FFPT/jhn, verzocht om herziening van de beslissing vervat in de brief van 13 juli 2011.
1.6 Bij schrijven van de waarnemend directeur van Justitie en Politie d.d. 16 november 2011 J[nummer 4], is negatief beslist op het verzoek vervat in het schrijven d.d. 05 september 2011 ref.no. FFPT/jhn.
1.7 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 17 november 2011 J[nummer 5], is de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] met toepassing van artikel 2 sub b van de arbeidsovereenkomst, te rekenen van 15 september 2011 opgezegd.
1.8 [verzoekster] heeft de ontslagbeschikking d.d. 17 november 2011 J[nummer 5] op 19 december 2011 ontvangen.

De vordering, grondslag en het verweer daartegen
2.1 [verzoekster] vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. te vernietigen althans nietig te verklaren de brieven d.d. 13 juli 2011 J[nummer 3] en 16 november 2011 J[nummer 4], afkomstig van de waarnemend directeur van Justitie en Politie, waarbij de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] gesloten voor onbepaalde tijd met ingang van 15 september 2011 wordt beëindigd c.q. opgezegd;
b. het ministerie te veroordelen om te rekenen van de dag dat het vonnis aan het ministerie is betekend, [verzoekster] de gelegenheid te geven om haar diensten te hervatten, onder toekenning van haar laatst genoten salaris en emolumenten vanaf de dag waarop de beëindiging van de arbeidsovereenkomst nietig is verklaard, alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag, voor iedere dag dat het ministerie nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven.
2.2 [verzoekster] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat het ministerie de arbeidsovereenkomst met haar heeft beëindigd met als grond negatief presentiegedrag, zonder haar in de gelegenheid te stellen zich ter zake te verweren, zoals artikel 158 lid 3 van de Grondwet (GW) juncto artikel 63 lid 3 van de Personeelswet (PW) dat voorschrijft, waardoor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet rechtmatig is en derhalve nietig, nog daargelaten het feit dat de opzegging bij beschikking van het bevoegde gezag dient te geschieden, hetgeen niet is gebeurd, daar de waarnemend directeur van Justitie en Politie niet het bevoegde orgaan is inzake de beëindiging.
2.3 Het ministerie heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat het door [verzoekster] gevordede niet toewijsbaar is en het Hof terzake onbevoegd is, omdat het door [verzoekster] gevorderde buiten de bevoegdheid van de ambtenarenrechter valt.

De beoordeling van het geschil
3.1 Het Hof constateert dat [verzoekster] arbeidcontractant is in de zin van artikel 1 van de Personeelswet, nu zij, zoals uit de overgelegde stukken blijkt, op basis van een arbeidsovereenkomst tewerk is gesteld op het ministerie in de functie van Administratief Medewerkster.
3.2 Het Hof begrijpt uit de stellingen van [verzoekster] dat met de gevorderde nietigverklaring c.q.vernietiging van de brieven van respectievelijk 13 juli 2011 en 16 november 2011, bedoeld wordt de in voormelde brieven vervatte besluiten.
Aangezien de brief van 13 juli 2011 betrekking heeft op nietigverklaring van het besluit tot opzegging van de arbeidsovereenkomst, acht het Hof zich op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.
Nu de brief van 16 november 2011 betrekking heeft op nietigverklaring van het besluit tot weigering om [verzoekster] in de gelegenheid te stellen om haar diensten te hervatten, acht het Hof zich ingevolge artikel 79 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet niet bevoegd om van deze vordering kennis te nemen aangezien dit besluit niet valt onder de in artikel 79 lid 2 van de Personeelswet genoemde besluiten.
Evenzo acht het Hof zich ingevolge artikel 79 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet niet bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder b van het petitum.
Het verweer van het ministerie gaat derhalve slechts gedeeltelijk op.
3.3 [verzoekster] heeft niet weersproken dat de waarnemend directeur gemachtigd was om de arbeidsovereenkomst met haar te ondertekenen. Echter is niet gesteld of gebleken dat de waarnemend directeur opnieuw gemachtigd was door de Minister van Justitie en Politie, in casu het bevoegde gezag ingevolge artikel 3 lid 3 van de Personeelswet, om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te beëindigen c.q. op te zeggen. De waarnemend directeur was naar het oordeel van het Hof daarom niet bevoegd om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te beëindigen c.q. op te zeggen.
3.4 Bij antwoord pleitnota heeft het ministerie de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d.17 november 2011 J[nummer 5], in casu het bevoegde gezag ingevolge artikel 3 lid 3 van de Personeelswet, waarbij is besloten om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] met toepassing van artikel 2 sub b van de arbeidsovereenkomst, te rekenen van 15 september 2011, op te zeggen, overgelegd.
Het ministerie heeft aangevoerd dat [verzoekster] niet is opgekomen tegen dit besluit van de Minister van Justitie en Politie, het bevoegde gezag, waardoor de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet meer vatbaar is voor vernietiging op grond van enig rechtsmiddel en de opzegging daarom definitiefVoorts voert het ministerie aan dat de bedoelde brief van de directeur slechts als mededeling aan [verzoekster] bedoeld was.
3.5 [verzoekster] heeft bij repliek pleitnota daartegenover aangevoerd dat zij moeilijk tegen 2 besluitenkan reageren en dat de beschikking door de minister is gegeven zonder dat het onbevoegde besluit van de waarnemend directeur van Justitie en Politie is ingetrokken. [verzoekster] voert aan dat zij moelijk kan ageren tegen de beslissing van de Minister van Justitie en Politie, indien zij reeds een proces is begonnen tegen de handelingen van de directeur van Justitie en Politie.
3.6 Het Hof overweegt dat [verzoekster] zelf heeft gesteld dat de directeur van Justitie en Politie niet het bevoegde gezag was om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, waardoor die opzegging nietig was. Nu [verzoekster] daarna niet opkomt tegen het wel door het bevoegde gezag genomen besluit, zijnde de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 17 november 2011 J[nummer 5], waarvan zij reeds voor de overlegging van haar pleitnota op 01 februari 2013, namelijk vanaf 19 december 2011, kennis heeft gedragen, concludeert het Hof dat [verzoekster] zich heeft berust in de beslissing van de Minister van Justitie en Politie en dat zij geen belang meer heeft bij haar vordering tot nietigverklaring van het besluit vervat in de voornoemde brief van de waarnemend directeur van Justitie en Politie, omdat met een nietigverklaring van dat besluit van de waarnemend directeur, het besluit van de Minister van Justitie en Politie, het bevoegde gezag, nog steeds overeind staat.
Voor wat betreft het gevorderde onder a van het petitum zal [verzoekster] daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

De beslissing

Het Hof:
4.1 verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering:

  • tot nietigverklaring van het besluit vervat in de brief van 16 november 2011 J [nummer 4], afkomstig van de waarnemend directeur van Justitie en Politie;
  • zoals gevorderd onder sub b van het petitum;

4.2 verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk voor wat betreft de vordering tot nietigverklaring van het besluit vervat in de brief van 13 juli 2011 J[nummer 3], afkomstig van de waarnemend directeur van Justitie en Politie.

Aldus gegeven door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 april 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens mr. F.F.P. Truideman, advocaat, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr. A.R. Baarh, advocaat, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.