SRU-HvJ-1990-15

PRO JUSTITIA
VONNIS 1990 No. 25

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter-plaats vervanger in het Tweede Kanton op 2 februari 1987 gewezen en uitgesproken tegen:

[verdachte];
oud 45 jaar;
van beroep [buschauffeur]; geboren in [land];
verblijf gehouden hebbende aan [adres] te [district],thands zonder bekende woon of verblijfplaats;
Gelet op het tijdstip door de vervolgingsambtenaar ingestelde hoger beroep;
Gelet op het ten deze tegen de behoorlijk middels aan plakking gedagvaarde niet verschene in hoger beroep verleende verstek;
Gehoord het Openbaar Ministerie;
Gelet op het onderzoek in beide instanties;
Overwegende, dat aan verdachte bij de inleidende akte van dagvaarding is ten laste gelegd, dat hij:
op of omstreeks [datum] althans in het jaar [jaar], te [district], in ieder geval in [land];
A. het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat bij gelegenheid van een botsing, aan- of overrijding met een door hem, verdachte, bestuurd motorrijtuig of bij gelegenheid van een handeling ter voorkoming van botsing met- aan- of overrijding door dat motorrijtuig een ander te weten [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (s) heeft bekomen, terwijl dat (die) letsel (s) door die botsing aan- of overrijding, danwel door die handeling ter voorkoming daarvan is veroorzaakt,hebbende hij, verdachte, op voormelde tijd en plaats als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig, personenauto, daarmede, hoogst roekeloos althans hoogst onvoorzichtig en/of onoplettend gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijweg naar [plaats] komende vanuit de richting van het [plaats 2] en gaande in de richting van de [weg], zonder er voor te zorgen dat –voormelde- personenauto voorzien was van twee onafhankelijk van elkaar deugdelijk werkende reminrichtingen, en bij het naderen van een voor hem uit op de linkerzijde van de Rijweg naar [plaats] in voormelde richting als hij, verdachte, zich voortbeweginend althans zich bevindend tweewielig rijwiel, het welk bestuurd werd door voornoemde [slachtoffer], die door hem, verdachte bestuurde personen auto niet, althans niet tijdig en/of voldoende afgeremd en/of niet tijdig en/of voldoende uitgeweken doch daarmede tegen voornoemde [slachtoffer] opgebotst of aangereden tengevolge van welke botsing of aanrijding [slachtoffer] voornoemd gewelddadig in aanraking is gekomen met een of meer harde vlakken en/of voorwerpen waarbij of waardoor voornoemde [slachtoffer] onder meer heeft bekomen (onder meer):
een gecompliceerder onderbeen fractuur,in ieder geval zwaar lichamelijk letsel,althans, indien en voorzover het onder A gestelde niet tot een vooroordeling mocht of zou kunnen leiden;hij als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig, personenauto, daarmede heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijweg naar [plaats] komende vanuit de richting van het [plaats 2] en gaande in de richting van de [weg] zonder er voor te zorgen dat voormelde personenauto voorzien was van twee onafhankelijk van elkaar deugdelijk werkende reminrichtingen, en bij het naderen van een voor hem uit op de linkerzijde van die Rijweg naar [plaats] in voormelde richting als hij, verdachte, zich voortbewegend althans zich bevindend tweedelig rijwiel, het welk bestuurd werd door voornoemde [slachtoffer] die door hem, verdachte bestuurde personenauto niet, althans niet tijdig en/of voldoende heeft afgeremd en/of niet tijdig en/of voldoende is uitgeweken doch daarmede tegen voornoemde [slachtoffer] is opgebotst of aangereden, door welke gedraging van hem verdachte, in ieder geval de vrijheid van het verkeer zonder noodzaak werd belemmerd of de veiligheid op die weg in gevaar werd gebracht of redelijkewijze was aan te nemen dat de veiligheid op die weg in gevaar kon worden gebracht.
Overwegende, dat de kantonrechter in diens vonnis door de daarin vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat verdachte het hem bij inleidende akte van dagvaarding sub A ten laste gelegde heeft begaan; te weten:
Op [datum] te [district], het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat bij gelegeheid van een botsing met een door hem, verdachte, bestuurd motorrijtuig een ander te weten [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsels heeft bekomen, terwijl die letsels door die botsing is veroorzaakt,hebbende hij, verdachte, op vermelde tijd en plaats als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig, personenauto, daarmede hoogst onvoorzichtig en onoplettend gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijweg naar [plaats] komende vanuit de richting van het [plaats 2] en gaande in de richting van de [weg], zonder er voor te zorgen dt voormelde personenauto voorzien was van twee onafhankelijk van elkaar deugdelijk werkende reminrichting, en bij het naderen van een voor hem uit op de linkerzijde van de Rijweg naar [plaats] in voormelde richting als hij, verdachte zich voortbewegend tweedelig rijwiel, hetwelk bestuurd werd door voornoemde [slachtoffer], die door hem, verdachte bestuurde personenauto niet tijdig geremd doch doormede tegen voornoemde [slachtoffer] opgebotst tengevolge van welke botsing [slachtoffer] voornoemd geweldadig in overtreding is gekomen met een of meer harde vlakken waarbij voornoemde [slachtoffer] onder meer heeft bekomen, een gecompliceerde onderbeen fractuur, in ieder geval zwaar lichamelijk letsel;met vrijspraak van het meer of anders te laste gelegde;
Overwegende, dat de kantonrechter het bewezen verklaarde heeft gekwalificeerd als; “Het aan zijn schuld bij gelegenheid van een aanrijding met een door hem bestuurd motorrijtuig te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, terwijl dat letsel door de aanrijding is veroorzaakt”.Misdrijf, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 20 lid 2 juncto artikel 2 lid 1 en lid 4 van de Rijwet 1971;en de verdachte te dier zake heeft veroordeeld tot;
a. gevangenisstraf voor de tijd van VIER WEKEN, met bevel dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een hierbij op TWEE JAREN bepaalde proeftijd aan een strafbaarfeit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen, met ontzegging van de bevoegdheid mottorrijtuigen te besturen voor de tijd van NEGEN MAANDEN, met bevel dat deze ontzegging niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later andere mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een hierbij op TWEE JAREN bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen.
b. een geldboete van DRIE HONDERD EN VIJFTIG GULDEN, met bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hechtenis voor de tijd van VIJF EN DERTIG DAGEN.
Overwegende, dat het Hof zich kan verenigen met en mitsdien overneemt hetgeen in het beroepen vonnis is overwogen en beslist, weshalve dit vonnis behoort te worden bevestigd;
Gezien de in het beroepen vonnis aangehaalde wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP BIJ VERSTEK
bevestigd het vonnis op 2 februari 1987 door de Kantonrechter-plaatsvervanger in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken tegen de verdachte [verdachte] waarvan beroep,
Aldus gewezen door de heren: Mr.S.Gangaram-Panday, fungerend-President, Mr.E.S.Ombre, lid, Mr.A.L.MAC Donald, lid-plaatsvervanger, in tegenwoordigheidvan mej.Mr.D.A.Ensberg, fungerend-Griffier, die dit vonnis hebben ondertekend en terstond hebben uitgegeven ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Woensdag, 11 juli 1990 door de fungerend-President voornoemd.

SRU-ATC-2020-13

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/19

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[klager],
klager,
procederend in persoon,

tegen

[verweerder],
verweerder,
de advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
procederend in persoon.

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Bij schrijven van 24 september 2018 heeft klager bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna de Deken) een klacht ingediend tegen verweerder;

1.2 De Deken heeft de klacht met bijbehorende producties op 07 maart 2019 ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het tuchtcollege).

1.3 De klacht is behandeld op 10 januari 2020 ter zitting van het tuchtcollege, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

1.4 De beslissing is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Klager had verweerder benaderd om, mede namens hem, een vordering aan te leggen bij de kantonrechter. Deze vordering was bekend onder A.R. nummer [no.1] en beoogde de juridische levering van een drietal percelen c.q. schadevergoeding.

2.2 De kantonrechter heeft voormelde vordering afgewezen bij vonnis d.d.1 november 2011. Uit dit vonnis blijkt onder meer dat de kantonrechter een deel van de vordering heeft afgewezen omdat eisers, waaronder klager, verzuimd hadden om de originele kwitanties over te leggen waaruit de betaling zou moeten blijken van de volledige koopsom van een perceel met [nummer].

2.3 Verweerder heeft mede namens klager hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter.

3. De klacht
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, een en ander als bedoeld in artikel 37 van de Advocatenwet. De klager stelt dat verweerder hem nimmer op de hoogte heeft gesteld om met de originele betalingsbewijzen naar [land] Suriname te komen. Hierdoor – zo begrijpt het tuchtcollege – is het vonnis in zijn nadeel uitgevallen. Klager stelt dat hij verweerder heeft voorgehouden dat hij alle voor het proces benodigde documenten bij zich heeft en dat verweerder deze moest opvragen indien die nodig waren voor het proces. Klager concludeert dat hij door toedoen van verweerder in zijn belangen is geschaad.

4. Het verweer
Volgens verweerder heeft hij steeds telefonisch contact gehad met klager die in het buitenland woonde als ook met diens zus, die zelf ook partij was in de genoemde zaak, die hier te lande woont, over de voortgang van de zaak. Zo heeft hij ook klager als diens zus op de hoogte gesteld van het verzoek van de rechter voor inzage van de originele documenten. Verweerder voert aan dat het zelf aan klager heeft gelegen dat hij de originele stukken niet heeft opgestuurd. Voorts voert verweerder aan dat hij hoger beroep had ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter maar op uitdrukkelijk verzoek van klager heeft hij het hoger beroep ingetrokken.

5. De beoordeling
5.1 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij als advocaat behoorde te betrachten jegens klager. Alhoewel klager behoorlijk op de hoogte is gesteld dat de onderhavige tuchtzaak zou worden behandeld heeft hij nagelaten om aanwezig te zijn op de zitting danwel zich behoorlijk te doen vertegenwoordigen. Het tuchtcollege is er daarom toe overgegaan om de zaak af te handelen op grond van de processtukken en het verhoor van verweerder.

5.2 Verweerder heeft blijven volhouden dat hij zowel klager als diens zus, die inmiddels is overleden, steeds op de hoogte heeft gehouden van het verloop van de zaak, alsook het verzoek van de rechter tot inzage in de originele documenten. Het tuchtcollege overweegt voorts dat uit het proces-verbaal van gehouden comparitie van partijen in de zaak bekend onder AR no. [no.1], gedateerd 3 april 2008, is gebleken dat de eisers in die zaak, waaronder ook klager, ter terechtzitting vertegenwoordigd waren door hun vertegenwoordiger in de persoon van [klager] alsook verweerder die toen hun advocaat was. Op die zitting heeft deze [klager] onder andere verklaard “…….Ik ben in gebreke gebleven om de kwitanties mee te nemen…..”. Dit voorgaande impliceert dat klager op de hoogte diende te zijn dat de originele kwitanties vereist waren ter terechtzitting. Het had dus aan klager gelegen om de originele documenten die in zijn bezit waren aan verweerder te doen toekomen. Nu hij dat niet heeft gedaan kan dit verweerder niet worden aangerekend. Verweerder is dus ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De klacht is derhalve ongegrond.

6. De beslissing
Het tuchtcollege:

Verklaart de klacht tegen [verweerder] ongegrond.

Aldus gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, plv. voorzitter, mr. G. Ramai-Badal en mr. J.R. Wouter, leden, en door de plv. voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 09 oktober 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van mr. S. Sheombar en mr. J.R. Wouter, alsmede de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris, De plv. voorzitter,
w.g. w.g.
Mr. M.S. Wesenhagen mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran

De leden,
w.g.
mr. G. Ramai-Badal
w.g.
mr. J.R. Wouter

Voor eensluitend afschrift
De secretaris van het ATC,
mr. M. S. Wesenhagen

 

SRU-ATC-2020-12

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/18

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[klager],
klager,
procederend in persoon,

tegen

[verweerder] ,
verweerder,
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
procederend in persoon.

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Bij schrijven van 24 september 2018 heeft klager bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna de Deken) een klacht ingediend tegen verweerder.

1.2 De Deken heeft de klacht met bijbehorende producties op 07 maart 2019 ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het tuchtcollege).

1.3 De klacht is behandeld op 10 januari 2020 ter zitting van het Tuchtcollege, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

1.4 De beslissing is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Klager had allereerst [verweerder], advocaat, benaderd die mede namens hem een vordering had aangelegd bij de kantonrechter in een perceelkwestie. Deze vordering was bekend onder A.R. nummer [nummer 1]. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen bij vonnis d.d. [datum]. Uit dit vonnis blijkt onder meer dat de kantonrechter een deel van de vordering heeft afgewezen omdat eisers, waaronder klager, verzuimd hadden om de originele kwitanties over te leggen waaruit de betaling zou moeten blijken van de volledige koopsom van een perceel met no. [nummer 2].

2.2 [verweerder] heeft mede namens klager hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter.

2.3 Klager heeft daarna verweerder benaderd om hem rechtsbijstand te verlenen.

2.4 Klager heeft na afstemming met verweerder het hoger beroep met betrekking tot het vonnis bekend onder A.R. nummer [nummer 1] doen intrekken. Verweerder heeft hierna een nieuwe vordering ingesteld bij de kantonrechter. Deze vordering is bekend onder A.R. nummer [nummer 3].

2.5 De kantonrechter heeft op 24 november 2015 vonnis gewezen in de zaak bekend onder A.R. nummer [nummer 3], waarbij klager (toen één van de eisers) niet ontvankelijk is verklaard in zijn vordering. De kantonrechter heeft aan de beslissing ten grondslag gelegd dat – althans zo begrijpt het tuchtcollege dat – over de zaak reeds onherroepelijk is beslist met als gevolg dat het vonnis bekend onder A.R. nummer [nummer 1] gezag van gewijsde heeft.

2.6 Tegen het vonnis van de kantonrechter bekend onder A.R. nummer [nummer 3] is er geen hoger beroep aangetekend.

3. De klacht
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, een en ander als bedoeld in artikel 37 van de Advocatenwet. Klager stelt daartoe dat verweerder de belangen van klager niet zorgvuldig heeft behartigd. Zo heeft verweerder hem geadviseerd om een nieuwe zaak aan te leggen en het eerder door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter bekend onder A.R. nummer [nummer 1] in te trekken alvorens hij zou starten met een nieuwe procedure bij de kantonrechter. Hij heeft op instigatie van verweerder onnodige kosten gemaakt.

4. Het verweer
Verweerder heeft verweer gevoerd. Het tuchtcollege zal – zover nodig – hierop terug komen in de beoordeling.

5. De beoordeling
5.1 Verweerder heeft als verweer aangevoerd – althans zo begrijpt het tuchtcollege – dat klager niet heeft voldaan aan artikel 40 Advocatenwet, met dien verstande dat klager in het buitenland woont en dat hij geen vertegenwoordiger heeft in Suriname. Het tuchtcollege gaat voorbij aan dit verweer, nu daarop geen sanctie is gesteld.

5.2 Naar het tuchtcollege begrijpt heeft de klacht betrekking op de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder. Het tuchtcollege stelt voorop dat zij mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt te beoordelen indien deze daarover klaagt. Evenwel heeft het tuchtcollege rekening te houden met de vrijheid die de advocaat heeft met de keuzes – zoals over procesrisico en kostenrisico – waarvoor de advocaat bij de behandeling van de zaak kan komen te staan. Echter, de vrijheid van de advocaat is niet onbeperkt maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat hij zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Tot die professionele standaard behoren het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en het informeren van de cliënt daarover. Het tuchtcollege zal aan de hand van deze maatstaven de klacht beoordelen.

5.3 Uit het door partijen over en weer gestelde staat vast dat klager op advies van verweerder het ingestelde hoger beroep tegen het vonnis d.d. 01 november 2011 bekend onder A.R. nummer [nummer 1] heeft doen intrekken. Ongeacht of dit na afstemming met klager is geweest, is het tuchtcollege van oordeel dat door de intrekking van het hoger beroep, klager de kans heeft gemist om fouten die in eerste aanleg zijn gemaakt, zoals het niet overleggen van de gevraagde originele kwitantie, alsnog te herstellen in hoger beroep. Van verweerder als professional mocht worden verwacht dat hij de inschatting had moeten maken dat indien de nieuwe door hem ingestelde vordering bakzeil zou halen – hetgeen ook is gebeurd, nu eisers in die vordering niet ontvankelijk zijn verklaard – alsnog de zaak in hoger beroep had kunnen slagen.

5.4 Wat verweerder ook kan worden aangerekend is dat hij ook in de nieuwe zaak bekend onder A.R. nummer [nummer 3], geen hoger beroep heeft aangetekend, wetende dat ook dat vonnis gezag van gewijsde zou hebben daardoor. Dit terwijl klager wel wilde dat er hoger beroep moest worden aangetekend tegen het vonnis in die zaak. Het verweer van verweerder dat hij heeft geweigerd om in hoger beroep te gaan tegen het vonnis op basis van no cure no pay, zoals door klager verzocht gaat niet op. De belangen van klager in acht nemende had verweerder wel hoger beroep moeten aantekenen en aan klager moeten voorhouden dat hij niet als zijn advocaat zou optreden in hoger beroep omdat hij niet kon instemmen met de voorwaarde “no cure no pay”. Het tuchtcollege komt dan ook tot de slotsom dat verweerder tekort is geschoten in zijn dienstverlening aan klager en derhalve tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Daarnaast is het tuchtcollege van oordeel dat verweerder – terecht zoals klager stelt – klager onnodig in de kosten heeft gejaagd.

5.5 Op grond van het hiervoor overwogene, in onderlinge samenhang beschouwd, acht het tuchtcollege de klacht tegen verweerder gegrond. Aan verweerder zal daarom worden opgelegd de maatregel van berisping.

5.6 Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

6. De beslissing
Het tuchtcollege:

Verklaart de klacht tegen [verweerder] gegrond.

Legt aan [verweerder] op de maatregel van berisping.

Aldus gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, plv. voorzitter, mr. S. Sheombar en mr. J.R. Wouter, leden, en door de plv. voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 09 oktober 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris, De plv. voorzitter,
w.g. w.g.
mr. M.S. Wesenhagen mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran

De leden,
mr. S. Sheombar
w.g.
mr. J.R. Wouter
w.g.

Voor een sluitend afschrift
De secretaris van ATC,
mr. M.S. Wesenhagen

Ingevolge artikel 56 van de Advocatenwet kan van de beslissingen van het Tuchtcollege gedurende dertig dagen na de ontvangst van het afschrift hoger beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie aan de daarbij door:

de klager die de klacht die tot de beslissing heeft geleid, heeft ingediend, indien:

a. de klacht geheel of ten dele ongegrond is verklaard; bij gegrondbevinding van de klacht, het verzoek in artikel 45 lid 6 bedoeld wordt afgewezen;
b. de Deken, welke de klacht die tot de beslissing heeft geleid, ter kennis van het Tuchtcollege heeft gebracht, indien de klacht geheel of ten dele ongegrond is verklaard;
c. de advocaat jegens wie de beslissing is genomen.
Het beroep wordt ingesteld bij een met redenen omklede memorie, in drievoud in te dienen bij de griffie van het Hof van Justitie en vergezeld van drie afschriften van de beslissing waartegen beroep is ingesteld.

SRU-K1-2020-58

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-3889

30 december 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [EISER SUB A],
in privé en in zijn hoedanigheid van erfgenaam van zijn echtgenote, nu wijlen
[naam],
wonende aan [adres 1] te [stad],
B. SURISHOPPING N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Wilhelminastraat no. 45-47 te Paramaribo,
eisers in conventie, tevens gedaagden in reconventie,
hierna te noemen, respectievelijk [eiser sub A] en de NV,
procederend in persoon,

tegen

A. REPUBLIC BANK (SURINAME) N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende aan het Kerkplein no. 1te Paramaribo,
B. STICHTING DELANO PEAK,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Vierkinderenweg no. 141 in het district Wanica,
C. [GEDAAGDE SUB C],
wonende aan [adres 2]in het [district],
gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie,
hierna afzonderlijk te noemen: de Bank, de Stichting en [gedaagde sub c],
gemachtigde van de Bank: mr. D.S. Kraag, advocaat,
gemachtigde van de Stichting en [gedaagde sub c]: mr. D. Moerahoe, advocaat.

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 04 december 2020 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de eiswijziging d.d. 08 december 2020;
  • de conclusie van eis die is genomen op 08 december 2020;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie aan zowel de zijde van de Bank als aan de zijde van de Stichting en [gedaagde sub c];
  • de conclusie van repliek in conventie, met een productie en antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie aan zowel de zijde van de Bank als aan de zijde van de Stichting en [gedaagde sub c];
  • de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

In conventie en in reconventie

2.1 Op 06 februari 2020 heeft de Bank de onroerende goederen aan [adres 3] en aan de [adres 4], van welke onroerende goederen [eiser sub A] en de NV de eigenaars waren, op de veiling doen verkopen. [Eiser sub A] en de NV hadden als zekerheid tot terugbetaling van een lening aan de Bank een hypotheek op deze onroerende goederen gevestigd ten behoeve van de Bank.

2.2 De Stichting heeft het onroerend goed aan de [adres 4] te Paramaribo op de veiling gekocht. [Gedaagde sub c] heeft het onroerend goed te [adres 3] te Paramaribo op de veiling gekocht.
Bij exploot van deurwaarder J.E. Febis d.d. 24 november 2020 zijn [eiser sub A] en de NV aangezegd om de onroerende goederen binnen 1 x 24 uur te ontruimen.

2.3 Op 03 februari 2020 hadden [eiser sub A] en de NV een vordering tot stopzetting van de hiervoor bedoelde veiling tegen de Bank ingesteld, in de zaak die tussen partijen bekend staat onder A.R. No. 20-0381. Bij vonnis van de kantonrechter d.d 06 februari 2020 is de vordering afgewezen. [Eiser sub A] en de NV hebben hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld. Zij zijn niet ontvankelijk verklaard in hoger beroep.

2.4 [Eiser sub A] en de NV hadden reeds in een viertal eerdere processen op grond van dezelfde gronden die zij in de zaak bekend onder A.R. No. 20-0381 hadden aangevoerd, stopzetting van de veiling van de onder 2.1 bedoelde onroerende goederen gevorderd. Al de vorderingen in de eerder tussen [eiser sub A] en de Bank gevoerde processen, die bekend staan onder A.R. No.’s 17-0238, 18-0314, 18-3788 en 20-0381, zijn geweigerd.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

In conventie en in reconventie

3.1 In conventie vorderen [eiser sub A] en de NV – na wijzing van eis – dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de opzegging van het krediet door de Bank op 14 juli 2015 schorst;
  2. de executie van het vonnis A.R. No. 20-0381 van 06 februari 2020 schorst, totdat de bodemrechter over de rechtsgeldigheid daarvan heeft beslist;
  3. de Stichting en [gedaagde sub c] verbiedt beheers- en beschikkingsdaden uit te voeren op de door hun op de veiling van 06 februari 2020 gekochte panden, totdat de bodemrechter over de rechtsgeldigheid daarvan heeft beslist;
  4. de Stichting verbiedt de ontruiming van [adres 4] uit te voeren, totdat de bodemrechter over de rechtsgeldigheid daarvan heeft beslist;
  5. de Bank veroordeelt als voorlopige voorziening de voorschotschade ten bedrage van US$ 1.800.000,- aan [eiser sub A] en de NV te voldoen, door storting op hun rekening bij de Hakrinbank N.V.;
  6. de Bank, de Stichting en [gedaagde sub c] veroordeelt tot betaling van een dwangsom ad US$ 10.000,- per dag, bij niet nakoming van dit vonnis.

3.2 In conventie leggen [eiser sub A] en de NV, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2,het volgende aan het gevorderde ten grondslag:

  • de opzegging van het krediet door de Bank was onterecht en aldus onrechtmatig;
  • de veiling van de onroerende goederen was onrechtmatig, omdat deze voor een lager bedrag zijn geveild dan de taxatiewaarde ad US$ 900.000,-;
  • als gevolg van deze onrechtmatige opzegging en veiling hebben [eiser sub A] en de NV schade geleden ad US$ 1.800.000,-; de Bank dient hen deze schade te vergoeden.

3.3 In reconventie:

a) vordert de Bank dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • [eiser sub A] en de NV veroordeelt in de voorlopige kosten voor juridische bijstand ad SRD 23.000,- (inclusief omzetbelasting), des de één betalend de ander zal zijn bevrijd, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf 08 december 2020;

b) vorderen de Stichting en [gedaagde sub c] dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [eiser sub A] en de NV veroordeelt, des de één betalend de ander zal zijn bevrijd en om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Stichting en [gedaagde sub c] te betalen het bedrag ad SRD 15.000,-, zijnde het honorarium voor rechtsbijstand.

3.4 In reconventie:

a) legt de Bank aan het gevorderde ten grondslag dat [eiser sub A] en de NV misbruik van het procesrecht maken door voor de vijfde maal ter zake hetzelfde onderwerp wederom een vordering in kort geding in te stellen. Dit, terwijl ze weten dat hetgeen zij vorderen geen kans van slagen zal hebben. Als gevolg hiervan wordt de Bank in kosten gejaagd, omdat zij in de positie wordt gebracht om juridische bijstand te moeten inwinnen;

b) leggen de Stichting en [gedaagde sub c] aan het gevorderde ten grondslag dat [eiser sub A] en de NV misbruik van procesrecht maken en aldus een onrechtmatige daad jegens hen plegen, als gevolg waarvan zij onnodig in de kosten voor juridische bijstand worden gejaagd. Met name hebben [eiser sub A] en de NV informatie verzwegen dat zij ter zake ditzelfde onderwerp al eerder 4 processen hebben gevoerd, in welke processen de vorderingen zijn afgewezen.

3.5 Partijen hebben over en weer verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1 In conventie

Wijziging van eis

4.1.1 De kantonrechter stelt vast dat [eiser sub A] en de NV op 08 december 2020 een wijziging van eis hebben gevorderd, welke zij op de eerste dag van de behandeling van de zaak ten processe hebben overgelegd. Aangenomen mag worden dat [eiser sub A] en de NV deze wijziging van eis aan de Bank, de Stichting en [gedaagde sub c] hebben doen toekomen en deze dus kennis dragen van de inhoud van deze wijziging van eis. Tevens mag worden aangenomen dat de Bank, de Stichting en [gedaagde sub c] verweer hebben kunnen voeren, hetgeen tot de slotsom leidt dat zij niet in hun verweer zijn geschaad. Mitsdien zal de gevorderde wijziging van eis worden toegestaan zoals deze reeds is verwerkt onder 3.1 in dit vonnis.

Het gevorderde onder 1

4.1.2 De kantonrechter constateert dat de opzegging van het krediet door de Bank sedert juli 2015 heeft plaatsgevonden en geenszins uit de stellingen van [eiser sub A] en de NV valt af te leiden wat het spoedeisend belang is van het gevorderde onder 1. Om na bijkans 4 jaren te stellen dat de opzegging onrechtmatig is, terwijl ter zake dit onderwerp reeds eerdere processen tussen partijen zijn gevoerd, acht de kantonrechter in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Bovendien is al hetgeen [eiser sub A] en de NV in de onderhavige zaak hebben gesteld in eerder tussen partijen gevoerde processen aan de orde geweest. Dat zulks het geval is, leidt de kantonrechter af uit de inhoud van het ten processe door [eiser sub A] en de NV overgelegd vonnis d.d. 06 februari 2020 in de zaak bekend onder A.R. No. 20-0381. Daar er geen nieuwe concrete feiten en omstandigheden zijn gesteld die opnieuw een inhoudelijke beoordeling over dit onderdeel kunnen rechtvaardigen, dient de kantonrechter conform de spelregels van het procesrecht het gevorderde onder 1 (schorsing van de opzegging van het krediet) als ongegrond te weigeren.

Het gevorderde onder 2

4.1.3 Het gevorderde onder 2, inhoudende schorsing van de executie van het vonnis van 06 februari 2020 bekend onder A.R. No. 20-1029, is volstrekt onbegrijpelijk voor de kantonrechter. Volstrekt onbegrijpelijk omdat het niet een veroordelend vonnis betreft óf een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. In dat licht brengt de kantonrechter [eiser sub A] en de NV in herinnering, dat slechts van vonnissen krachtens welke een partij of partijen zijn veroordeeld om iets te doen of na te laten en van vonnissen die uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaardschorsing van de tenuitvoerlegging kan worden gevorderd. Nu het bedoelde vonnis geen veroordelend vonnis betreft, dient het gevorderde onder 2 eveneens als ongegrond te worden geweigerd.

Het gevorderde onder 3, 4 en 6

4.1.4 Het gevorderde onder 3 heeft als grondslag dat de veiling van de onroerende goederen op 06 februari 2020 onrechtmatig is geschied. Zoals uit de feiten blijkt, hadden [eiser sub A] en de NV een vordering tot stopzetting van de veiling die op
06 februari 2020 zou plaatsvinden tegen de Bank ingesteld in de zaak bekend onder A.R. no. 20-0381, in welke zaak de kantonrechter per diezelfde datum vonnis heeft gewezen voordat de veiling zou plaatsvinden. De vordering tot stopzetting van de veiling is blijkens het vonnis geweigerd en zijn [eiser sub A] en de NV niet ontvankelijk verklaard in het hoger beroep dat zij tegen dit vonnis hadden ingesteld. De kantonrechter leidt uit de inhoud van dit vonnis af, en ook zoals de Bank terecht opwerpt, dat [eiser sub A] en de NV zich op dezelfde gronden beroepen als in de hiervoor vermelde zaak en dat deze zelfde gronden steeds weer aan de orde zijn geweest in vier eerdere kort gedingzaken bekend onder A.R. No. ‘s 17-0238, 18-0314, 183788 en 20-0381, in welke zaken de vorderingen van [eiser sub A] en de NV steeds zijn afgewezen. Daar reeds in de eerder tussen partijen gevoerde processen inhoudelijk over hetzelfde onderwerp is geoordeeld en er geen nieuwe conrete feiten en omstandigheden zijn gesteld om opnieuw een inhoudelijke beoordeling ter zake ditzelfde onderwerp te rechtvaardigen, zal als uitgangspunt moeten dienen dat de veiling niet onrechtmatig is geschied. Dit ook bekeken vanuit het licht dat het vonnis van 06 februari 2020 in de zaak bekend onder A.R. No. 20-0381 kracht van gewijsde heeft.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het gevorderde onder 3, 4 en 6 als ongegrond worden geweigerd.

De gevorderde schade onder 5

4.1.5 Op grond van hetgeen onder 4.1.2 en 4.1.4 is overwogen, is de slotsom dat de opzegging van het krediet door de Bank en veiling van de onroerende goederen niet als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt. Mitsdien kan van schade geen sprake zijn, zodat het gevorderde onder 5 eveneens als ongegrond zal worden geweigerd.

Proceskosten

4.1.6 [eiser sub A] en de NV zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

4.2 In reconventie

Misbruik van procesrecht

4.2.1 Vaststaat dat [eiser sub A] en de NV ter zake hetzelfde onderwerp vijf processen tegen de Bank hebben gevoerd, in welke processen de kantonrechters reeds inhoudelijk over deze zelfde geschilpunten hebben geoordeeld en [eiser sub A] en de NV ter zake steeds in het ongelijk zijn gesteld, zelfs in hoger beroep. De uitkomst in deze processen moest reeds een indicatie voor [eiser sub A] en de N.V. zijn dat de door hem gevorderde voorzieningen in de onderhavige zaak geen kans van slagen zouden hebben. Desondanks hebben zij ervoor gekozen om de onderhavige zaak met dezelfde geschilpunten waarover in eerder gevoerde processen inhoudelijk is geoordeeld in te dienen. Dit dient naar het oordeel van de kantonrechter worden bestempeld als te zijn misbruik van procesrecht en aldus als een onrechtmatige daad.
Voldoende aannemelijk is dat de Bank als gevolg van dit onrechtmatig handelen van [eiser sub A] en de NV schade heeft geleden, in die zin dat zij op stel en sprong een advocaat in de arm moest nemen om haar juridisch bij te staan in de onderhavige zaak en kosten in dit kader hebben gemaakt. Hetgeen hiervoor is overwogen geldt ook voor de Stichting en [gedaagde sub c] die op stel en sprong een advocaat in de arm moesten nemen om hen juridisch bij te kunnen staan in de onderhavige zaak. Derhalve dienen [eiser sub A] en de NV aansprakelijk te worden gesteld voor de kosten die de Bank, de Stichting en [gedaagde sub c] hebben gemaakt voor juridische bijstand bij wege van schadevergoeding.

De kantonrechter constateert dat de hoogte van de schade van partijen, zijnde het honorarium van de advocaat, van elkaar verschilt terwijl de grondslag van de vorderingen ter zake hetzelfde zijn. Uitgaande van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid en ook met het oog op het rechtszekerheidsbeginsel, zal de kantonrechter het gevorderde schadebedrag van de Bank tot een gelijke hoogte brengen met het gevorderde schadebedrag van de Stichting en [gedaagde sub c], en wel tot het bedrag ad SRD 1.5000,-

Proceskosten

4.2.2 [eiser sub A] en de NV zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing in conventie en in reconventie

De kantonrechter in kort geding:

5.1 In conventie

5.1.1 Staat toe de gevorderde wijziging van eis.

5.1.2 Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.1.3 Veroordeelt de [eiser sub A] en de NV in de proceskosten die aan de zijde van de Bank, de Stichting en [gedaagde sub c] zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

5.2 In reconventie

5.2.1 Veroordeelt [eiser sub A] en de NV, des de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om bij wege van voorschot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Bank te betalen het bedrag ad SRD 1.5000,- (Vijftienduizend Surinaamse Dollar).

5.2.2 Veroordeelt [eiser sub A] en de NV, des de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om bij wege van voorschot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Stichting en [gedaagde sub c] te betalen het bedrag ad SRD 1.5000,- (Vijftienduizend Surinaamse Dollar).

5.2.3 Veroordeelt [eiser sub A] en de NV in de proceskosten die aan de zijde van de de Bank, de Stichting en [gedaagde sub c] zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot nihil.

5.2.4 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis in conventie en in reconventie is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op woensdag 30 december 2020 te Parmaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. C.A. Wallerlei, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2015-15

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[APPELLANT],
thans wonend op [adres] in [land],
appellant, hierna aangeduid als “[appellant]”,
gemachtigde: mr. B.G. Beckles, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. R. Elgin, Officier van Justitie,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 1 oktober 2009 (A.R.no. 092476) tussen [appellant] als eiser en de Staat als gedaagde,
spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.


Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] op 5 oktober 2009 bij schrijven van zijn procesgemachtigde van 1 oktober 2009 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 3 december 2010;
  • de antwoord pleitnota d.d. 21 januari 2011;
  • de repliek pleitnota d.d. 4 februari 2011;
  • de dupliek pleitnota d.d. 1 april 2011;
  • het bij rolbeschikking d.d. 16 december 2011 gelasten van een comparitie van partijen;
  • het proces-verbaal van de op 16 maart 2012 gehouden comparitie van partijen;
  • de uitlating zijdens [appellant] d.d. 20 april 2012;
  • de uitlating zijdens de Staat d.d. 20 april 2012.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.


De ontvankelijkheid

2 [Appellant] is ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak. [appellant] heeft bij schrijven van zijn procesgemachtigde op 5 oktober 2009 appèl aangetekend. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, zodat hij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De beoordeling

3 Het gaat in deze zaak om het volgende.
3.1 [Appellant] heeft ten behoeve van de goudwinning een ponton geplaatst op de Marowijnerivier. [Appellant] heeft zijn werkzaamheden vanaf het ponton in november 2008 gestaakt.

3.2 In eerste aanleg heeft [appellant] gesteld dat de Staat, bij het voorbij varen na een “clean sweep” actie te Mama Ndjuka kreek, de door hem op de ponton aangestelde wachter heeft aangehouden en in verzekering gesteld. [Appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de Staat werd verboden zich verder onrechtmatig jegens hem te gedragen en dat de Staat werd bevolen hem niet te verhinderen, dan wel te belemmeren zijn ponton, zonder nadere beschrijving aan partijen bekend, af te voeren en te ontmantelen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van
SRD 100.000,= voor iedere dag dat de Staat in gebreke mocht blijven aan het te wijzen vonnis te voldoen.

3.3 De Staat heeft in reactie op de vordering in eerste aanleg bij conclusie van antwoord ontkend dat goederen van [appellant] in beslag zijn genomen. Weliswaar zijn volgens de Staat bij de voornoemde actie te Mama Ndjukakreek 5 pontons in beslag genomen en verbeurd verklaard nadat degenen die bij de actie zijn aangehouden wegens een economisch delict, op basis van artikel 27 van de Wet Economische Delicten de wens te kennen hadden gegeven de zaak buiten proces af te willen handelen.

3.4 [Appellant] heeft hierop werknemers gezonden om de ponton te ontmantelen en af te voeren. Hij heeft gesteld dat de werknemers door de Staat zijn aangehouden en in verzekering gesteld en dat de Staat hem ten onrechte verhindert de aan hem toebehorende ponton, waar geen beslag op rust, te ontmantelen en af te voeren. Hij heeft overgelegd kopieën van de op de werknemers betrekking hebbende bevelen tot inverzekeringstelling. De bevelen tot inverzekeringstelling hebben allen betrekking op de misdrijven omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 371, 370 en 386 van het Wetboek van Strafrecht.

3.5 De Staat heeft bij conclusie van dupliek erkend dat een viertal personen gewapend met de conclusie van antwoord in onderhavige rechtszaak hebben geprobeerd een ponton te stelen. De Staat heeft verder gepersisteerd bij hetgeen bij conclusie van antwoord is aangevoerd.
De Staat heeft tevens bij conclusie van dupliek aangevoerd dat [appellant] opkomt in het kader van politioneel optreden waarbij goederen in beslag zijn genomen. Het betreft derhalve een justitieel beslag, zodat artikel 460 van het Wetboek van Strafvordering toepasselijk is, welk artikel dwingendrechtelijk voorschrijft. De Staat heeft aangevoerd dat de rechter in kort geding op basis van voornoemd wetsartikel niet bevoegd is kennis te nemen van de vordering van [appellant].

3.6 De kantonrechter heeft in eerste aanleg de vordering afgewezen.
Daartoe is overwogen:
Zoals de kantonrechter in kort geding eiser begrijpt is er geen justitieel beslag op zijn ponton gelegd. Desondanks verhindert gedaagde hem zijn ponton af te voeren en te ontmantelen. Gedaagde weerspreekt deze stelling en ondanks deze weerspreking laat eiser na specifiek uiteen te zetten op welke wijze gedaagde hem verhindert zijn ponton af te voeren. Om die reden zal de door eiser gevraagde voorziening als niet voldoende aannemelijk worden geweigerd.”

3.7 [Appellant] heeft bij pleitnota de volgende grieven tegen het beroepen vonnis ingebracht:

  1. De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat hij heeft nagelaten specifiek uiteen te zetten op welke wijze de Staat hem verhindert de ponton af te voeren, aangezien in sub 5 van de conclusie van repliek is gesteld dat de werknemers die gezonden zijn om de ponton te ontmantelen, door de politie in opdracht van het Openbaar Ministerie zijn aangehouden en in verzekering gesteld terwijl er geen justitieel beslag op de ponton rustte. Als zijn werknemers zijn verhinderd, lag het voor de hand dat ook hij zou worden aangehouden en ingesloten, aldus [appellant].
  2. De kantonrechter is ten onrechte niet blijven stilstaan bij het feit dat de Staat op geen enkele wijze heeft aangetoond dat er wél een justitieel beslag op de ponton rustte.

3.8 De Staat heeft in de antwoord pleitnota allereerst aangevoerd dat [appellant] niet ontvankelijk is aangezien hij, nu hij opkomt tegen een beslag naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek, hij de verkeerde instantie heeft geadieerd.

3.9 [Appellant] heeft hierop in zijn repliek pleitnota gesteld dat de Staat in eerste aanleg heeft ontkend dat er een justitieel beslag rust op de ponton. Dit betekent volgens hem dat zijn werknemers zich vrijelijk mochten begeven op de ponton. Zij zijn echter opgepakt wegens (poging) tot diefstal. [Appellant] heeft gesteld dat in casu geen sprake is van een strafzaak, maar van onrechtmatig overheidshandelen jegens hem

3.10 De Staat heeft in zijn dupliekpleitnota erbij gepersisteerd dat [appellant], nu hij opkomt tegen een beslag gelegd tijdens een strafrechtelijk onderzoek, de verkeerde instantie heeft geadieerd.
De Staat heeft daarbij tevens aangevoerd dat [appellant] het Openbaar Ministerie had moeten dagvaarden omdat het Openbaar Ministerie met uitsluiting van elk ander orgaan verantwoordelijk is voor de opsporing en belast is met de vervolging van alle strafbare feiten

3.11 Ten aanzien van de exceptie van onbevoegdheid overweegt het Hof dat tussen partijen in het geding is of er sprake is van een justitieel beslag dat rust op een ponton die aan [appellant] toebehoort. Zowel [appellant] als de Staat stellen zich op het standpunt dat hiervan geen sprake is. De kantonrechter in kort geding is derhalve naar het oordeel van het Hof wel bevoegd kennis te nemen van de onderhavige vordering.

3.12 Het Hof constateert dat de Staat in eerste aanleg heeft erkend dat tijdens de “clean sweep” actie te Mama Ndjukakreek 5 pontons in beslag zijn genomen, maar heeft ontkend dat op enig goed van [appellant] justitieel beslag is gelegd.
Hier volgt naar dezerzijds oordeel niet uit dat de Staat de door [appellant] gestelde belemmering om de ponton af te voeren gemotiveerd heeft betwist. [Appellant] heeft de belemmering onder meer onderbouwd door bij conclusie van repliek te stellen dat de werknemers die hij heeft gezonden om de ponton te ontmantelen en af te voeren door de politie in opdracht van het Openbaar Ministerie zijn aangehouden en in verzekering gesteld. De Staat heeft dit feitelijk gebeuren erkend en heeft daarbij aangevoerd dat het betrof een viertal personen die een ponton wilden stelen. Hieruit volgt naar dezerzijds oordeel dat de Staat de door [appellant] gestelde wijze van belemmering niet heeft betwist, maar veeleer heeft betwist dat de betreffende ponton het eigendom was van [appellant]. Op [appellant] rustte derhalve niet de plicht nader specifiek uiteen te zetten op welke wijze de Staat hem heeft verhinderd zijn ponton af te voeren.
De in rechtsoverweging 3.6 van het bestreden vonnis weergegeven overweging van de kantonrechter kan derhalve geen stand houden.

3.13 Het Hof overweegt verder dat enerzijds [appellant] stelt dat de ponton waarop de vier werknemers wegens diefstal zijn aangehouden hem toebehoort, terwijl anderzijds de Staat aanvoert dat dit niet het geval is. De Staat heeft, uitgaande van dit standpunt, de werknemers van [appellant] aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van diefstal van de betreffende ponton.
De betwisting van de door [appellant] gestelde eigendom zou voor het Hof aanleiding (kunnen) zijn om [appellant] met het bewijs van zijn stellingen te belasten. Hiertoe zal evenwel niet worden overgegaan aangezien in de kortgeding procedure, waarbij het gaat om het treffen van voorlopige voorzieningen, de gewone wettelijke regelen met betrekking tot de te bezigen bewijsmiddelen en de daaraan toe te kennen bewijskracht, toepassing missen.
Dit heeft tot gevolg dat de gevraagde voorziening, als niet aannemelijk, niet toewijsbaar is. Het vonnis, waarvan beroep, zal dan ook worden bevestigd onder wijziging van gronden.

3.14 [Appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:
4.1 Bevestigt, onder wijziging van gronden, het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen de dato 1 oktober 2009, A.R.no. 092476, waarvan beroep;
4.2 Veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding aan de zijde van de Staat in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid, en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 oktober 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. H.A. Wekker namens advocaat mr. B.G. Beckles, gemachtigde van appellant, en geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne namens mr. R. Elgin, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2015-14

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

De naamloze vennootschap DE MORGENSTER N.V.,
gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
appellant, hierna aangeduid als “Morgenster N.V.”,
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen en
het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. D. Kraag, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 5 augustus 2010 (A.R.No. 091251) tussen Morgenster N.V. als eiseres *imeerder009098ft ingesteld;02 van het kantongerecht waaruit blijkt dat de gemachtigde en de Staat als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat Morgenster N.V. bij schrijven van zijn procesgemachtigde op 14 september 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 18 november 2011;
  • de antwoord pleitnota d.d. 2december 2011;
  • de repliek pleitnota d.d. 20 januari 2012;
  • de dupliek pleitnota d.d. 16 maart 2012.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De ontvankelijkheid
2. Morgenster N.V. is niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak. Het vonnis is bij griffiersbrief van 1 september 2010 aan partijen toegezonden. Morgenster N.V. heeft bij schrijven van haar gemachtigde op 14 september 2010 appèl aangetekend. Gelet op het voorgaande heeft Morgenster N.V. tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn van veertien dagen na dagtekening van de griffiersbrief is geschied, zodat zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De procedure in eerste aanleg
3.1 Morgenster N.V. heeft in eerste aanleg gevorderd:
a. de Staat te gelasten om binnen 24 uur na het uitspreken van het vonnis, dan wel binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, tot uitgifte aan Morgenster N.V. over te gaan van het gevraagd recht van grondhuur (voor de tijd van 40 jaren) ter uitoefening van de landbouw, veeteelt en visserij ten aanzien van het stuk grond – op een bijgaande figuratieve kaart d.d. 27 maart 1991 van de landmeter G.R. Liesdek aangeduid met de letters ABCDEF, vermoedelijk groot 340 ha., gelegen in het district Saramacca – en grenzende aan en achter de percelen bekend als no. 268, 269 en 270 aan de rechteroever van de [rivier], onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,= per dag, voor iedere dag dat de Staat mocht weigeren aan het vonnis te voldoen;
b. de Staat te veroordelen terzake van het vorenomschrevene aan Morgenster N.V. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen, al dan niet bij wege van voorschot, het bedrag groot USD 2.776.339.= vermeerderd met de wettelijke rente van 6% ’s jaars daarover vanaf de indiening van dit verzoekschrift tot aan die der algehele voldoening.

3.2 De kantonrechter heeft in het vonnis van 5 augustus 2010 partijen verwezen naar de gewone wijze van rechtspleging.

De vordering, de grieven en het verweer
4.1 Morgenster N.V. concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde.

4.2 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling
5. Het gaat in deze zaak om het volgende.

5.1. Morgenster N.V. heeft in eerste aanleg gesteld dat haar directeur, de heer [naam], hierna aangeduid als “[naam]” in het jaar 1968 in privé een perceelland, vermoedelijk groot 75 ha. gelegen in [district], aan de rechteroever van de [rivier], achter en grenzende aan de percelen, op de overzichtskaart van de Gouvernementslandmeter bekend als no’s. 269 en 270, ter uitoefening van de visvangst en de viscultuur in concessie heeft verkregen.
In 1973 heeft, volgens Morgenster N.V. [naam] het voormeld perceelland in huur verkregen ter uitoefening van de visvangst en de viscultuur. Morgenster N.V. heeft daarbij voorts gesteld dat bij de verlenging van de concessie in 1986/1987 van overheidswege aan [naam] is gevraagd op basis van de nieuwe wetgeving het voormeld perceelland in grondhuur aan te vragen.

5.2. Morgenster N.V. heeft een schrijven van 28 maart 1991 gericht aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen waarin staat:
“Geeft met verschuldigde eerbied te kennen: de N.V. Morgenster, (…),
dat zij behoefte heeft aan meer grond voor de uitbreiding van haar bedrijf
redenen waarom zij U hierbij beleefd verzoekt haar in Grondhuur voor de tijd van 40 jaren, ter uitoefening van de landbouw en de veeteelt af te staan: het stuk grond – op bijgaande figuratieve kaart d.d. 27 maart 1991 van de landmeter G.R. LIESDEK aangeduid met de letters ABCDEF, vermoedelijk groot 340 Ha, gelegen in [district] en grenzende aan – en achter de percelen bekend als No. [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3] aan de rechteroever van de [rivier].”
Het hierboven weergegeven schrijven is op 4 april 1991 ingediend en is voorzien van het LaD no. [nummer 4].

5.3 Morgenster heeft in eerste aanleg voorts gesteld dat de overheid nimmer heeft geantwoord op het door haar ingediend verzoek. Morgenster N.V. heeft eveneens gesteld dat zij vanaf 1998 beheersdaden heeft uitgeoefend op het aangevraagd perceelland en investeringen daarop heeft gepleegd tot een geraamd bedrag van USD 2.776.339,=. De investeringen zouden volgens Morgenster N.V. zijn gepleegd toen zij beheersdaden mocht uitoefenen op het aangevraagd perceelland. De Staat handelt volgens Morgenster N.V. in strijd met de artikelen 5 lid 4 en 6 lid 4 van het Decreet Uitgifte Domeingrond, artikel 3 van het Decreet Beginselen Grondbeleid, het vertrouwensbeginsel en/of het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van de correcte bejegening, hetgeen een onrechtmatige daad is. Morgenster N.V. heeft gesteld dat zij door dit handelen c.q. nalaten van de Staat ernstig is geschaad in haar bedrijfsactiviteiten, hebbende zij geen zakelijke rechten op het onroerend goed en dat het risico van verlies van vermogen en bedrijfinventaris onredelijk groot is, aangezien de Staatolie Maatschappij Suriname N.V. het perceelland eveneens in grondhuur heeft aangevraagd en daarop beheersdaden uitvoert die tot gevolg hebben dat er schade wordt toegebracht aan de door Morgenster aangelegde infrastructuur. De aangebrachte schade is geraamd op USD 2.776.339,=.

5.4 Morgenster heeft tegen het bestreden vonnis het volgende aangevoerd:
1. De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen “dat nu deze zaak naar Ons uit de stellingen van partijen ondubbelzinnig gebleken is, zonder onherstelbaar nadeel uitstel gedoogt om in een geding als het onderhavige genoegzaam te worden toegelicht, zullen Wij partijen naar de gewone wijze van rechtspleging verwijzen, onder verwijzing van eiseres als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit proces, nu toepassing van artikel 228 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering weigering van de gevraagde voorziening betekent”. Deze overweging is volgens Morgenster N.V. de facto taalkundig en juridisch bezien geen consistent geheel en ademt juist de geest uit van een niet logische formulering in een niet gemotiveerd kader.
De kantonrechter heeft daarbij ten onrechte overwogen dat dit hem ondubbelzinnig is gebleken uit de stellingen van partijen.
2. De kantonrechter heeft ten onrechte de zaak verwezen naar de gewone wijze van rechtspleging en Morgenster N.V. verwezen in de proceskosten.

5.5 De Staat heeft in eerste aanleg en in hoger beroep betwist dat sprake zou zijn van een spoedeisend belang zijdens Morgenster N.V..

5.6 Het Hof constateert dat uit de onder 5.4 weergegeven overweging van de kantonrechter blijkt dat er een zinsnede is komen weg te vallen. Uit hetgeen op
pagina 2 van de pleitnota in de vierde en vijfde alinea is gesteld, blijkt dat Morgenster N.V. tot dezelfde conclusie is gekomen en dat dit wegvallen niet gevolg heeft gehad dat de overweging die de kantonrechter heeft gehanteerd, onbegrijpelijk is geworden.

5.7 Morgenster N.V. heeft in haar pleitnota ter onderbouwing van het appèl gesteld dat haar vordering gebaseerd is op feiten en omstandigheden die genoegzaam indiceren dat haar rechten en belangen door handelingen van de Staat in een zodanige positie gemanoeuvreerd zijn dat er sprake is van onherstelbare schade die geen uitstel gedoogd. Dit zou volgens Morgenster N.V. ook gebleken zijn tijdens de gerechtelijke plaatsopneming. Morgenster N.V. is de mening toegedaan dat de aard van het rechtsgeschil van zodanige aard is dat de kantonrechter rechtens een voorziening bij voorraad had dienen te geven dan wel kunnen nemen.

5.8 In de antwoord pleitnota heeft de Staat aangevoerd dat Morgenster N.V. in de pleitnota heeft verzuimd aan te geven op welke feiten en omstandigheden zij doelt, noch waar de onherstelbare schade uit zou bestaan.

5.9 In de repliek pleitnota heeft Morgenster N.V. in dit kader verwezen naar de adviezen die door de respectieve instanties (Dienst Grondinspectie, Ressortleider van [district] van het Ministerie van L.V.V. en het Ministerie van L.V.V. (zelve)) zijn uitgebracht en haars inziens gewag maken van deze feiten c.q. deze feiten bevestigen. Uit de adviezen blijken volgens Morgenster N.V. ook de door haar gepleegde beheersdaden.
Morgenster N.V. heeft eveneens gesteld dat de door haar ten processe overgelegde foto’s de ingrijpende vernielingen en wijzigingen gepleegd door de Staatsolie Maatschappij Suriname N.V. adstrueren.

5.10 Het spoedeisend belang is naar dezerzijds voorlopig oordeel in voldoende mate gebleken uit het door Morgenster gesteld dreigend verlies van de door hem gepleegde investeringen op het aangevraagd terrein.

5.11 Het Hof overweegt allereerst dat op basis van de processtukken weliswaar blijkt dat Morgenster N.V. het recht van grondhuur heeft aangevraagd op het betreffend perceelland, maar dat dit niet tot gevolg heeft dat zij ten aanzien daarvan beheersdaden mocht verrichten. Aan het enkel indienen van een verzoek tot toekenning van een recht op domeingrond kan de aanvrager immers geen rechten ontlenen. De aanvrager is pas gerechtigd beheersdaden te verrichten nadat aan hem een toewijzende beschikking is uitgereikt. Het Hof is dan ook vooralsnog van oordeel dat indien en voor zover Morgenster N.V. nog voordat aan haar een toewijzende beschikking is uitgereikt investeringen heeft gepleegd op het door haar in grondhuur aangevraagd perceelland, zulks voor eigen rekening en risico is geschiedt. Naar het voorlopig oordeel van het Hof kan de Staat niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele financiële verliezen die Morgenster N.V. daardoor lijdt.

5.12 Het Hof constateert dat Morgenster N.V. heeft gesteld dat zij op basis van artikel 3 van het Decreet Beginselen Grondbeleid erop mocht vertrouwen dat het recht van grondhuur haar wordt toegewezen. Het Hof overweegt dat uit artikel 3 van voornoemd Decreet, waarin is bepaald dat rechten op domeingrond in beginsel toekomen aan hen die de grond bebouwen, bewonen en bewerken, niet valt af te leiden dat dit principe in alle gevallen zonder meer moet worden toegepast. Immers, dit wetsartikel stelt zelf dat het recht op de grond in beginsel toekomt aan degene die de grond bewerkt. Morgenster heeft derhalve naar dezerzijds voorlopig oordeel op basis van dit artikel niet terecht erop mogen vertrouwen dat het recht van grondhuur hem zou worden toegekend. De Staat komt bij aanvraag van domeingrond de vrijheid toe te beoordelen, mede in het licht van artikel 6 van het Decreet Uitgifte Domeingrond, of een aanvraag voor toewijzing in aanmerking komt.

5.13 Het Hof komt wel tot de voorlopige conclusie dat de Staat, gelijk Morgenster N.V. heeft gesteld, in casu heeft gehandeld in strijd met artikel 5 lid 4 van het Decreet Uitgifte Domeingrond. De Staat heeft immers het door Morgenster N.V. gestelde, namelijk dat van de Staat nimmer enige reactie is vernomen na de indiening van het betreffend verzoek, niet betwist. Door in strijd met voornoemde artikel van het Decreet Uitgifte Domeingrond te handelen, heeft de Staat onrechtmatig gehandeld jegens Morgenster N.V..
Naar dezerzijds voorlopig oordeel heeft de Staat in casu tevens gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, door Morgenster N.V. gedurende 23 jaren in onzekerheid te laten ten aanzien van het door hem in grondhuur aangevraagd perceelland.
Het voorgaande is voor het Hof aanleiding om in deze een voorlopige voorziening te treffen overeenkomstig de bedoeling van voornoemd decreet. De Staat zal, gezien de lange tijd die verstreken is sedert het indienen van de aanvraag door Morgenster N.V., worden bevolen om binnen twee maanden na de betekening van dit vonnis een besluit te nemen ten aanzien van de door Morgenster N.V. ingediende aanvraag en dit besluit uiterlijk twee weken daarna schriftelijk ter kennis te brengen van Morgenster N.V. op straffe van een na te noemen dwangsom.

5.14 De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

6.1 Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 5 augustus 2010 (A.R. 091251) en opnieuw recht doende:

6.2 Gelast de Staat om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis te beslissen op de door Morgenster N.V. op 4 april 1991 ingediende aanvraag (LaD no. [nummer 4]) en dit besluit uiterlijk twee weken daarna schriftelijk ter kennis van Morgenster N.V. te brengen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 3.000 (drieduizend Surinaamse dollar) per dag, het maximum van SRD 300.000,= (driehonderd duizend Surinaamse dollar) niet overschrijdend, voor iedere dag dat de Staat mocht nalaten aan dit vonnis te voldoen.

6.3 Veroordeelt de Staat in de kosten van het geding aan de zijde van Morgenster N.V. in eerste aanleg en in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op
SRD. 739,50,–.

6.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger, en w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 februari 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. F.M.S. Ishaak, gemachtigde van appellant, en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens advocaat mr. D.S. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2015-13

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. [APPELLANT SUB A],
B. [APPELLANT SUB B],
beiden wonende te [stad],
appellanten, hierna aangeduid als “[appellanten]”,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],
wonende te [stad],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “[geïntimeerde]”,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 27 juni 2006 (A.R.NO. 02-3648) tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie tevens gedaagde in reconventie en [appellanten] als gedaagden in conventie en eisers in reconventie in eerste aanleg,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handeling:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellanten] op 10 januari 2008 hoger beroep hebben ingesteld;
  • de pleitnota in conventie en in reconventie d.d. 07 januari 2011, met producties;
  • het antwoord pleitnota in conventie en in reconventie met producties overgelegd d.d. 15 april 2011;
  • het repliek pleitnota in conventie en in reconventie d.d. 20 mei 2011;
  • het dupliek pleitnota in conventie en in reconventie met productie overgelegd d.d. 17 juni 2011;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 07 oktober 2011, doch nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep

Partijen waren op de dag van de uitspraak (27 juni 2006) noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting aanwezig. Een afschrift van het vonnis is aan partijen per griffiersbrief d.d. 28 december 2007 verstrekt. [Appellanten] hebben bij schrijven van hun gemachtigde op 10 januari 2008 appèl aangetekend, weshalve [appellanten] tijdig appèl hebben aangetekend en ontvankelijk zijn daarin.

3. De feiten

3.1 [Appellanten] hebben bij onderhandse akte d.d. 11 november 1998 algemene volmacht verleend aan [geïntimeerde] en zijn echtgenote genaamd [naam 1], zowel aan hen tezamen als aan ieder van hen afzonderlijk, ten behoeve van beheer en administratie, het optreden in rechte, de afwikkeling van nalatenschappen en aannemen van – formele en materiële – schenkingen, en diverse bevoegdheden.

3.2 [Geïntimeerde] heeft de woning toebehorende aan [appellanten], gelegen aan [adres] te [stad], ingaande 01 mei 1998 verhuurd aan een derde voor de huurprijs van US$ 350,- per maand.

3.3 Tussen partijen was overeengekomen dat [geïntimeerde] een ‘waarnemingsloon’ van Nf 100,- per maand zou ontvangen van [appellanten].

3.4 [Appellanten] hebben ten behoeve van [geïntimeerde] de navolgende bedragen overgemaakt:

15 juni 1999

Nf 300,-

10 juli 1999

Nf 300,-

20 september 1999

Nf 300,-

15 november 1999

Nf 300,-

17 januari 2000

Nf 300,-

15 april 2000

Nf 300,-

15 april 2000

Nf 300,-

17 juli 2000

Nf 300,-

Totaal

Nf 2.300,-

3.5 [Geïntimeerde] heeft de navolgende bedragen aan huurpenningen ontvangen:

22 april 1998 US$ 800,- 1 juli 1999 US$ 350,-
7 juli 1998 US$ 350,- 1 augustus 1999 US$ 350,-
4 augustus 1998 US$ 350,- 1 september 1999 US$ 350,-
1 september 1998 US$ 350,- 1 oktober 1999 US$ 350,-
6 september 1998 US$ 350,- 1 november 1999 US$ 150,-
3 november 1998 US$ 350,- 1 december 1999 US$ 400,-
1 december 1998 US$ 350,- 1 januari 2000 US$ 300,-
1 januari 1999 US$ 350,- 14 augustus 2000 US$ 700,-
1 februari 1999 US$ 350,- 22 september 2000 US$ 300,-
1 maart 1999 US$ 350,- 19 januari 2001 US$ 1600,-
1 juni 1999 US$ 350,-    

—————————————————————————————————

In totaal aan huur ontvangen US$ 9.150,-

3.6 Voor de maanden april en mei 1999 heeft [geïntimeerde] 100 gram goud als betaling ontvangen en aan [appellanten] overgedragen.

3.7 Hoewel de woning in de periode januari 2000 tot en met augustus 2000 feitelijk niet was verhuurd, heeft [geïntimeerde] toch huurpenningen ad US$ 1.950,- ontvangen over die periode, omdat de voormalige huurder zijn inboedel in de woning had achtergelaten.

3.8 [Geïntimeerde] heeft de navolgende bedragen ten behoeve van [appellanten] overgemaakt:

  • door tussenkomst van ene [naam 2] op 01 juni 1998 : Nf 10.000,-
  • overmaking DSB op 05 mei 1999 : US$ 650
  • overmaking DSB op 25 oktober 2000 : US$ 1.700,-
  • ten overstaan van de politie op 30 mei 2002 : US$ 10.150,-

3.9 In verband met het overlijden van de vader van [appellant sub A] heeft [geïntimeerde] de navolgende uitgaven gedaan:

  • uitvaartkosten Hamdard d.d. 15 mei 2000 : Sf 850.000,-
  • opzetten/afbreken tent in mei 2000 : Sf 150.000,-

3.10 [Geïntimeerde] heeft het bedrag van Nf 100,- aan de zus van [appellant sub A], genaamd [naam 3], gegeven.

3.11 Op 20 mei 2002 heeft [appellant sub A] aangifte gedaan tegen [geïntimeerde] terzake verduistering en is [geïntimeerde] op 28 mei 2002 daarvoor in verzekering gesteld.

3.12 [Appellant sub A] heeft de onderhandse volmacht op naam van [geïntimeerde] en zijn echtgenote op 23 mei 2002 doen intrekken.

3.13 [Geïntimeerde] heeft op 06 september 2002 bij exploot no.504 van deurwaarder D. Hieralal, conservatoir beslag doen leggen op het perceelland groot 337,50 m², gelegen in het district Suriname aan de [straat], toebehorende aan [appellanten].

3.14 Bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 27 juni 2006 (A.R.no. 02-3648) in de zaak van [geïntimeerde] ca [appellanten], zijn [appellanten] in conventie onder andere veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van de som van US$ 3.251,81 en Nf 8.892,-, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf 19 september 2002 tot de dag der algehele voldoening; tevens is het gelegd conservatoir beslag van waarde verklaard en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard; de opheffing van het conservatoir beslag in reconventie is afgewezen.

4. De vorderingen in eerste aanleg

4.1 [Geïntimeerde] heeft in conventie gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [appellanten] te veroordelen om aan hem te betalen de som van US$ 49.996,53 verhoogd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening en het gelegd conservatoir beslag van waarde te verklaren.

4.2 [Appellanten] hebben in reconventie gevorderd om de opheffing te gelasten van het gelegd conservatoir beslag.

5. De grieven

[Appellanten] hebben grieven aangevoerd, welke als volgt kunnen worden verwoord:

Grief 1 neerkomende op verschuldigde huurontvangsten.

De Kantonrechter in eerste aanleg heeft ten onrechte met betrekking tot het bedrag van Nf 10.000,- door hun ontvangen door tussenkomst van ene [naam 2] – overwogen dat de enkele stelling dat dit bedrag geen huurgelden betreft, maar gelden afkomstig van de verkoop van een auto, onvoldoende is en dat [appellanten] op zijn minst nadere bijzonderheden over de verkoop van een auto hadden moeten verstrekken en of hadden moeten stellen dat [geïntimeerde] een auto voor hun had moeten verkopen. [Appellanten] hadden namelijk bij hun conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie een kwitantie d.d. 01 juni 1998 overgelegd, waaruit blijkt dat [geïntimeerde] een auto namens hen heeft verkocht. Overigens is de kwitantie niet van valsheid beticht, doch meent [geïntimeerde] dat instede van ‘verkoop van een auto’ had moeten staan ‘huurpenningen woning’, hetgeen onmogelijk is omdat [naam 2] de Nf 10.000,- op 23 mei 1998 van [geïntimeerde] heeft ontvangen, op welke datum de woning slechts 23 dagen was verhuurd. Voorts heeft [geïntimeerde] pas bij zijn conclusie van dupliek in reconventie gesteld dat de Nf 10.000,- huurgelden betreft. [appellanten] hebben zich daartegen niet kunnen verweren.

Grief 2 neerkomende op betaling advocaatkosten

Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen dat de advocaatkosten in verband met de Kort Gedingzaak van [appellanten] door [geïntimeerde] is betaald, omdat de kwitantie op naam van [geïntimeerde] staat. Echter, heeft [geïntimeerde] geen kwitantie voor de advocaatkosten overgelegd, slechts het vonnis in die zaak, hetwelk geen bewijs van betaling is.

Grief 3 neerkomende op de kosten voor het opknappen van de woning.

Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen dat [appellanten] niet hebben weersproken dat [geïntimeerde] de mondelinge opdracht van hen heeft gehad om de woning op te knappen en [geïntimeerde] de genoemde kosten heeft gemaakt. Dit, terwijl [geïntimeerde] duidelijk in zijn inleidend rekest heeft gesteld dat hij op grond van de volmacht gelden ontvangen en uitgegeven heeft. [appellanten] hebben het voorgaande weersproken door te stellen dat [geïntimeerde] krachtens de volmacht/het beheer niet bevoegd was de woning op te knappen c.q. gelden uit te geven. [geïntimeerde] heeft pas bij zijn conclusie van dupliek in reconventie aangevoerd de mondelinge opdracht te hebben gehad van [appellanten]. [Appellanten] hebben zich daartegen niet kunnen verweren. Als [geïntimeerde] daadwerkelijk uitgaven heeft gedaan ten behoeve van de woning, is dat voor eigen risico en rekening van [geïntimeerde] geweest. [Appellanten] zijn ervan uitgegaan dat de woning is opgeknapt met de gelden die zij hadden achtergelaten voor [geïntimeerde].

Grief 4 neerkomende op overige gemaakte kosten.

Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen dat uit de kwitanties blijkt dat de betalingen voor de inklaringskosten, verzekeringskosten en busrit kosten zijn gedaan door [geïntimeerde]. Dat de kwitanties op naam van [geïntimeerde] staan, is nog geen bewijs dat hij de betaling heeft verricht met eigen gelden. Ook ten aanzien van deze kosten meent [geïntimeerde] dat hij de uitgaven heeft gedaan krachtens de volmacht. Echter, was [geïntimeerde] daartoe niet bevoegd. Overigens wordt weersproken dat voornoemde uitgaven door [geïntimeerde] zijn betaald.

Grief 5 neerkomende op een nieuwe berekening.

De Kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat [geïntimeerde] teveel heeft betaald aan [appellanten], waardoor zij ten onrechte zijn veroordeeld tot betaling. [Appellanten] concluderen tenslotte dat een nieuwe berekening gemaakt zou moeten worden met in achtneming van de grieven 1 tot en met 4. [Appellanten] zullen bij hun repliek pleitnota de nieuwe berekening overleggen.

6. De vordering in Hoger Beroep

[Appellanten] concluderen in dit hoger beroep op deze gronden te vernietigen het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, althans zijn vordering te ontzeggen als zijnde ongegrond.

7. Het verweer

Met betrekking tot de door [appellanten] aangevoerde grieven heeft [geïntimeerde] gemotiveerd verweer gevoerd, waarop voor zover nodig in de beoordeling zal worden ingegaan.

8. De beoordeling

8.1 Met betrekking tot grief 1

8.1.1 Het Hof overweegt dat [geïntimeerde] in zijn inleidend verzoekschrift met betrekking tot de Nf 10.000,- de volgende omschrijving heeft gegeven:

U5. Verklaring van de heer [naam 2] dat hij van verzoeker (lees: [geïntimeerde]) een bedrag van Nf 10.000,= (tienduizend Nederlands courant) heeft ontvangen welk bedrag [naam 2] in Nederland gerekesteerde sub A, de heer [appellant sub A] heeft overhandigd;”

Bij hun conclusie van dupliek in conventie, hebben [appellanten] gesteld dat de Nf 10.000,- niet betreft ontvangen huurgelden. Ter adstructie hebben [appellanten] een kwitantie d.d. 01 juni 1998 overgelegd, waarop vermeld staat dat de heer [appellant sub A] van de heer [naam 2] Nf 10.000,- heeft ontvangen voor de verkoop van een auto door de heer [geïntimeerde], ondertekend door [appellant sub A].

[Geïntimeerde] heeft bij zijn conclusie van dupliek in reconventie betwist dat de door [appellant sub A] uitgeschreven kwitantie betreft de verkoop van een auto. Daar de heer [naam 2] de causa van de gelden niet kende, heeft [appellant sub A] op de kwitantie opgenomen ‘verkoop van een auto’, terwijl daar had moeten staan ‘huurpenningen woning in Suriname’. Voorts hebben [appellanten] zulks verzwegen om hun sociale uitkering niet in gevaar te brengen.

8.1.2 Voorop wordt gesteld dat de kwitantie d.d. 01 juni 1998 terzake ontvangen betaling door [appellant sub A] zelf is uitgeschreven, weshalve voornoemde kwitantie geen bewijs levert ten voordele van [appellant sub A]. Nu [appellanten] ook in hoger beroep niet nader zijn ingegaan op de bijzonderheden van de ‘verkochte auto’ en evenmin hebben gesteld dat [geïntimeerde] in bedoelde periode een auto voor hen moest verkopen, wordt het ervoor gehouden dat [appellanten] de Nf 10.000,- – waarvan de ontvangst door hun overigens niet wordt ontkend – hebben ontvangen als voorschot op te ontvangen huurpenningen, zoals door [geïntimeerde] is aangevoerd. De Nf 10.000,- is dus terecht afgetrokken van de verschuldigde huurpenningen. Grief 1 is daarom ongegrond.

8.2 Met betrekking tot grief 2

Het Hof overweegt dat, nu uit de overgelegde producties blijkt dat [geïntimeerde] op 02 februari 1999 aan mr. P.U.F. Truideman (lees: R.U.F. Truideman) heeft betaald Sf 250.000,- voor Kort Geding H.W. [appellant sub A] contra [naam 4] – welke kwitantie overigens niet van valsheid is beticht – het ervoor wordt gehouden dat [geïntimeerde] bedoelde kosten heeft voldaan. Meer nog, [appellanten] hebben niet gesteld noch is gebleken dat zij daartoe gelden hadden overgemaakt voor [geïntimeerde]. Grief 2 is daarom eveneens ongegrond.

8.3 Met betrekking tot grief 3

Voorop wordt gesteld dat [appellanten] niet betwisten dat de betreffende woning is opgeknapt.

Evenmin worden de kwitanties van valsheid beticht. Evenwel wordt enerzijds door hun in hun pleitnota gesteld dat de kosten voor eigen risico en rekening van [geïntimeerde] zijn daar zij nimmer de opdracht hebben gegeven, terwijl anderzijds wordt gesteld dat [appellanten] ervan zijn uitgegaan dat de woning is opgeknapt met de gelden die zij hadden achtergelaten voor [geïntimeerde], hetgeen zou blijken uit kwitanties op naam van [appellant sub A].

Nu er geen kwitanties met betrekking tot herstel van de woning op naam van [appellant sub A] zijn overgelegd, bezien tegen de achtergrond van de tegenstrijdige verklaringen van [appellanten] met betrekking tot het wel of niet bevoegd zijn van [geïntimeerde] om de woning op te knappen en de het persisteren van [geïntimeerde] bij de mondelinge opdracht benevens de kwitanties op naam van [geïntimeerde], wordt geconcludeerd dat [appellanten] de mondelinge opdracht tot herstel van de woning aan [geïntimeerde] hebben gegeven en dat [geïntimeerde] op basis van die opdracht de uitgaven heeft gedaan. Geconcludeerd wordt tot ongegrondheid van grief 3.

8.4 Met betrekking tot grief 4

De overige door [geïntimeerde] overgelegde kwitanties (inklaringskosten, verzekeringskosten en busrit kosten) zijn door [appellanten] evenmin van valsheid beticht. [Appellanten] hebben evenmin ontkend dat de uitgaven ten behoeve van hun zijn gedaan. [Appellanten] stellen enerzijds dat [geïntimeerde] de kosten niet uit eigen middelen heeft betaald, terwijl anderzijds wordt gesteld dat [geïntimeerde] niet bevoegd was om genoemde uitgaven te doen.

[Geïntimeerde] daarentegen beroept zich op de algemene volmacht. Nu het in casu betreft een algemene volmacht met betrekking tot alle zaken van [appellanten], bezien tegen de achtergrond van de blote ontkenning van [appellanten], wordt geconcludeerd dat

[geïntimeerde] de uitgaven ten behoeve van [appellanten] heeft gedaan op basis van bevoegdheid voortvloeiende uit de volmacht. Zij zijn dan ook gehouden deze kosten aan hem te vergoeden alsook de kosten voor het vervaardigen van een landkaart.

8.5 Met betrekking tot grief 5

Het Hof overweegt dat, nu [appellanten] geen nieuwe berekening hebben overgelegd zoals in hun pleitnota was aangegeven en de aangevoerde grieven ongegrond zijn bevonden, er geen feiten en of omstandigheden zijn gebleken die het Hof nopen tot een nieuwe berekening van de vordering van [geïntimeerde] op [appellanten]. [appellanten] zijn derhalve terecht veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van de in het vonnis (waarvan beroep) vermeldde bedragen en is het conservatoir beslag ter verzekering van het verhaal, dan ook terecht gelegd. Ook grief 5 is daarom ongegrond.

8.6 Nu de door [appellanten] aangevoerde grieven ongegrond zijn bevonden, zal het vonnis waarvan beroep bevestigd dienen te worden onder aanvulling van gronden.

8.7 [Appellanten] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, zoals nader begroot in het dictum.

9. De beslissing in Hoger Beroep

Het Hof:

9.1 Bevestigt het vonnis d.d. 18 januari 2005 (A.R.NO. 99-1050), waarvan beroep, onder aanvulling van gronden.

9.2 Veroordeelt [appellanten] in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

 

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en w.g. D.D. Sewratan door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 april 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. R. Sohansingh, gemachtigde van appellanten, en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2015-12

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

De Vereniging Sport Sociale en Culturele Vereniging, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante, hierna aangeduid als ”SSCV de Rest”,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,

tegen

A. De Vereniging de Surinaamse Voetbal Bond, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
hierna aangeduid als ”de SVB”,
B. [geïntimeerde sub B], in privé en in de hoedanigheid van bestuurder Voorzitter van de SVB;
C. [geïntimeerde sub C], in privé en in de hoedanigheid van bestuurder, Secretaris van de SVB;
D. [geïntimeerde sub D], in privé en in de hoedanigheid van bestuurder, Ondervoorzitter van de SVB;
E. [geïntimeerde sub E], in privé en in de hoedanigheid van bestuurder, 2e Secretaris van de SVB;
F. [geïntimeerde sub F], in privé en in de hoedanigheid van bestuurder, competitieleider van de SVB;
G. [geïntimeerde sub G], in privé en in de hoedanigheid van bestuurder 2e penningmeester van de SVB;
H. [geïntimeerde sub H], in privé en in de hoedanigheid van bestuurder, penningmeester van de SVB,
geïntimeerden,
gemachtigde voor alle geïntimeerden: mr. A.R. Baarh, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in kort geding uitgesproken vonnis van 21 april 2011 (A.R.No. 100674) tussen SSCV de Rest als eiseres en de geïntimeerden als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat SSCV de Rest bij schrijven van 4 mei 2011 op 5 mei 2011 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 2 december 2011;
  • de antwoord pleitnota d.d. 3 februari 2012;
  • de repliek pleitnota d.d. 2 maart 2012, met een productie;
  • de dupliek pleitnota d.d. 20 april 2012.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De ontvankelijkheid
2. Partijen zijn ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak, te weten 21 april 2011. SSCV de Rest heeft op 5 mei 2011 appèl aangetekend. Gelet op het voorgaande heeft SSCV de Rest tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn is geschied, zodat zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De procedure in eerste aanleg
3.1 Appellant heeft in eerste aanleg – zakelijk weergegeven – gevorderd bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle uren dagen:
I. De SVB te veroordelen binnen 1 x 24 uur na vonniswijzing de samenwerking tussen SSCV de Rest en SV Royal 95 zoals omschreven conform de reglementen van de SVB te erkennen en de gevolgen daarvan te respecteren en daartoe die handelingen te verrichten en te doen verrichten, die in verband daarmede noodzakelijk dan wel bevorderlijk zijn;
II. de SVB te veroordelen binnen 1 x 24 uur na vonniswijzing in de competitieplanning van alle lopende competities van de SVB waarin SSCV de Rest participeert duidelijk en eenduiding naar derden toe SSCV de Rest in te delen en te programmeren en daartoe verrichten en te doen verrichten en te doen verrichten, die in verband daarmede noodzakelijk dan wel bevorderlijk zijn.
III. op grond van omschreven onrechtmatig handelen of nalaten naast de SVB de gedaagden [geïntimeerde sub B], [geïntimeerde sub C], [geïntimeerde sub D], [geïntimeerde sub F], [geïntimeerde sub H], [geïntimeerde sub G] en [geïntimeerde sub E] hoofdelijk, te veroordelen aan SSCV de Rest alle schade te vergoeden.
IV. zal worden geschorst c.q. opgeschort de voortgang van alle competities van de SVB waarin SCV de Rest participeert totdat in bodemprocedure over de rechtmatigheid van handelen en nalaten van gedaagden zal zijn beslist, althans voor recht zal worden verklaard dat die handelingen of gedragingen nietig zijn althans vernietigbaar.
V. gedaagden allen afzonderlijk en/of tezamen zal/zullen worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000,– voor iedere dag of keer dat zij in strijd handelen met het van de kantonrechter verzochte vonnis.
VI. die voorzieningen zullen worden gegeven die de kantonrechter in het onderhavig geval geraden voorkomen.
VII. gedaagden zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding.

3.2 SSCV de Rest heeft ter onderbouwing van haar vordering onder meer gesteld dat zij en de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging SV Royal 95 in augustus 2008 zijn samengesmolten, waarbij laatstgenoemde in SSCV de Rest is opgegaan. De SVB weigert om de samenstelling te erkennen en om SSCV de Rest onder haar eigen naam aan de door de SVB georganiseerd competities deel te laten nemen. Deze handelingen van de SVB zijn onrechtmatig en SSCV de rest lijdt hierdoor veel schade. Gedaagden sub B tot en met H zijn, aldus SSCV de Rest, als bestuurders eveneens aansprakelijk voor het handelen en nalaten van de SVB.

3.3 De Kantonrechter heeft in het vonnis van 21 april 2011 de gevraagde voorziening geweigerd. De kantonrechter heeft daartoe het volgende overwogen: “Gedaagden betwisten de spoedeisendheid van de onderhavige vordering onder meer aanvoerende dat de competitie 2009-2010 reeds in augustus 2009 althans het begin van het 2e halfjaar 2009 is aangevangen, terwijl de onderhavige vordering dateert van februari 2010. ”Eiseres heeft niet althans niet gemotiveerd weersproken dat de competitie 2009 – 2010 reeds in augustus 2009 is begonnen, zodat dit rechtens vast staat tussen partijen. Gelet op het voorgaande, alsook de betwisting door gedaagden van het spoedeisend belang, had het aan eiseres gelegen om haar belang bij een onverwijlde voorziening op de voet van het bepaalde in artikel 226 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te motiveren. Nu zij dat heeft nagelaten en evenmin is gesteld of gebleken waarom in casu de loop van de gewone procedure niet kan worden afgewacht, zal aan eiseres – wegens gemis aan spoedeisend belang – de gevraagde voorziening worden geweigerd.”

De vordering, de grieven en het verweer
4.1 SSCV de Rest concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

4.2 SSCV de Rest heeft ter onderbouwing van het appèl bij pleitnota aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte:
I. haar oordeel mede heeft doen steunen en mede heeft gebaseerd op de overweging dat SSCV de Rest niet, althans niet gemotiveerd heeft weersproken dat de competitie 2009 – 2010 reeds in augustus 2009 is begonnen, zodat dit tussen partijen rechtens vast staat;
II. heeft overwogen dat SSCV de Rest heeft nagelaten haar belang bij een onverwijlde voorziening op de voet van het bepaalde in artikel 226 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te motiveren;
III. heeft overwogen dat SSCV de Rest niet heeft gesteld of althans uit haar stellingen niet is gebleken waarom in casu de loop van de gewone procedure niet kan worden afgewacht;
IV. gemis aan spoedeisend belang heeft overwogen en aangenomen;
V. de gevraagde voorzieningen heeft geweigerd.

4.3 Geïntimeerden hebben verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling
5.1 Geïntimeerden hebben als gedaagden in eerste aanleg bij conclusie van antwoord aangevoerd dat de vordering niet spoedeisend is omdat de competitie 2009 – 2010 reeds in augustus 2009, althans het begin van het tweede half jaar 2009 is aangevangen en SSCV de Rest op 11 februari 2010, dus twee dagen voor de aanvang van de tweede ronde van de competitie op 13 februari 2010, de vordering heeft ingediend ter griffie. Dit terwijl, aldus geïntimeerden, uit het 3e sustenu van het verzoekschrift blijkt dat SSCV de Rest reeds in augustus 2008 de SVB had geïnformeerd over de naamsverandering c.q. het samenwerkingsverband. Tevens is aangevoerd dat uit het 4e, 5e, 6e, maar vooral het 7e en 8e sustenu van het inleidend rekest blijkt dat SSCV de Rest vanaf de aanvang van de competitie (voetbalseizoen 2009 – 2010) weet dat de SVB haar niet erkent en bij de competitieprogrammering haar als SV Royal 95 heeft opgebracht. SSCV de Rest heeft volgens geïntimeerden vanaf de aanvang van het voetbalseizoen 2009 – 2010stilgezeten, terwijl onverwijld handelen toen reeds geboden was.

5.2 SSCV de Rest heeft in haar conclusie van repliek in eerste aanleg sub 5 het volgende gesteld:
“Gedaagden betwisten in punt 4 van hun conclusie van antwoord de spoedeisendheid van verzoeksters vordering en betichtigen in 4.1 verzoekster ervan sinds de aanvang van het voetbalseizoen 2009 – 2010 te hebben stilgezeten. Niets is minder waar, alle gesprekken en gevoerde correspondentie met de SVB en haar bestuurders hadden en hebben maar het resultaat van vertraging, afschepen, treiteren en nodeloze pesterij van verzoekster waardoor verzoekster veel schade heeft geleden en nog steeds lijdt.

Gedaagden hebben altijd de indruk gewekt de kwestie minnelijk te willen oplossen. Totdat het voor verzoekster duidelijk werd dat gedaagden een spelletje aan het spelen waren waarbij steeds opzettelijk de correspondentie door een andere bestuurder werd getekend (vide producties) en verzoekster steeds werd aangegeven dat de stukken of zoek waren of in het bezit van een andere functionaris waren. Immers de gevoerde correspondentie tussen verzoekster en gedaagden, althans gedaagde Sub A spreekt voor zich.

Verzoekster was genoodzaakt alle mogelijkheden als voorgeschreven bij de Statuten en Reglementen van de SVB proberen te bewandelen althans in te roepen alvorens U Kantonrechter in Kort Geding te adiëren.”

5.3 Het Hof constateert dat in het inleidend verzoekschrift in eerste aanleg SSCV de Rest onder meer het volgende heeft gesteld:
a. dat zij de SVB in augustus 2008 formeel per schrijven heeft geïnformeerd over de samensmelting en de SVB heeft gevraagd de volle medewerking aan de samensmelting te verlenen;
b. dat de SVB ertoe is over gegaan om de naam van de jeugdteams van SSCV de Rest die deelnemen in de diverse jeugdcompetities van de SVB eigendunkelijk te veranderen in SV Royal 95.
c. dat de SVB bij schrijven d.d. 17 september 2009 Re. 298/09/GVS, SSCV de Rest heeft medegedeeld dat de SVB wilde voldoen aan het verzoek van SSCV de Rest tot naamsverandering.
d. In haar antwoord schrijven d.d. 18 september 2009 heeft SSCV de Rest benadrukt dat aan het begin van het seizoen 2008 – 2009 SV Royal 95 en SSCV de Rest zijn samengesmolten, waarbij eerstgenoemde in laatstgenoemde is opgegaan.
e. dat zij bij de start van het voetbalseizoen 2009 – 2010 de SSCV de Rest bij de SVB heeft aangemeld en ingeschreven. Tot hun verbazing heeft de SVB bij de competitieprogrammering haar als SV Royal 95 opgebracht.
f. dat zij op 14 oktober 2009 een brief van de SVB heeft ontvangen waarin die stelt dat zij niet op brieven van SSCV de Rest kan ingaan omdat die niet bij de SVB is ingedeeld.
g. SSCV de Rest een schrijven d.d. 23 oktober 2009 heeft gericht aan de SVB om tot een oplossing te geraken. Zij heeft geen reactie ontvangen op dit schrijven.
h. dat de SVB op 6 december 2009 formeel in gebreke is gesteld en is gevraagd, dan wel gesommeerd om binnen acht dagen na ontvangst van het schrijven de samensmelting tussen SSCV de Rest en SV Royal 95 te erkennen en de (rechts) gevolgen daarvan te respecteren.
i. dat door de weigering van de SVB de samensmelting te erkennen de supportersschare drastisch is teruggelopen en veel sponsors vanwege de onduidelijke situatie hun gelden anders hebben gealloceerd. Hierdoor is SSCV de Rest veel inkomsten misgelopen en loopt zij nog steeds inkomsten mis.

5.4 Naar het oordeel van het Hof blijkt uit de door SSCV de Rest geponeerde stellingen dat reeds bij de start van de competitie 2009 – 2010 bekend was dat de SVB niet de door haar gewenste voorzieningen had getroffen. Dit blijkt uit haar stelling dat de SVB haar bij de competitieprogrammering heeft opgebracht als SV Royal 95. Een dergelijke programmering komt, naar algemeen bekend mag worden verondersteld, tot stand voordat de competitie van start gaat. Geïntimeerden hebben bij conclusie van antwoord in eerste aanleg aangevoerd dat de Competitie 2009 -2010 in augustus 2009, althans in het begin van het tweede halfjaar van 2009 van start is gegaan. Het Hof heeft de processtukken nagevorst, doch hieruit is niet gebleken dat SSCV de Rest dit heeft betwist, zodat naar dezerzijds oordeel de kantonrechter dit terecht als vaststaand heeft kunnen aannemen. Tegen de achtergrond van de betwisting van het spoedeisend karakter van de vordering door geïntimeerden, had het op de weg van SSCV de Rest gelegen om nader te betogen waarom het treffen van een voorlopige voorziening op korte termijn geboden was. Het Hof is met de kantonrechter van oordeel dat SSCV de Rest heeft nagelaten de spoedeisendheid nader te motiveren. In hoger beroep heeft SSCV de Rest, naar het Hof begrijpt, het spoedeisend karakter gemotiveerd door te wijzen op de financiële schade die zij heeft geleden en lijdt doordat sponsoren hun financiering hebben stopgezet. Echter vermag dit SSCV de Rest niet te baten, aangezien vanaf de aanvang van de competitie 2009 -2010 voor hen duidelijk was dat de SVB hen niet onder hun eigen naam liet deelnemen aan de competitie. Immers blijkt uit hun stellingen zelf dat de naam van de jeugdploegen door de SVB na de melding van de samensmelting is veranderd naar SV Royal 95. Zonder nadere motivering valt derhalve uit het teruglopen van het aantal supporters en het anders alloceren van de financiële middelen door de sponsoren, geen spoedeisend belang bij de onderhavige vordering af te leiden. Een nadere motivering zijdens SSCV de Rest is evenwel uitgebleven. Nu vaststaat dat de competitie 2009 – 2010 in augustus 2009, althans in het begin van het 2e halfjaar van 2009 is gestart, en het inleidend rekest in eerste aanleg is ingediend ter griffie op 11 februari 2010, ontbeert de vordering naar het oordeel van het Hof een spoedeisend belang. Voor een vordering in kort geding is essentieel dat sprake is van een spoedeisend karakter van de vordering, zodat bij gemis daarvan de gevraagde voorziening dient te worden geweigerd. Het vonnis in eerste aanleg gewezen zal dan ook worden bevestigd.

5.5 SSCV de Rest zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten in eerste aanleg en in hoger beroep gevallen aan de zijde van de geïntimeerden.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

6.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen de dato 21 april 2011, A.R.No.100674, waarvan beroep;

6.2 Veroordeelt SSCV de Rest in de kosten van het geding aan de zijde van geïntimeerden in beide instanties gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 oktober 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens de advocaten mr. D.S. Kraag en mr. A.R. Baarh, gemachtigden van partijen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2015-11

G.R. no. 14627

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

STICHTING PENDAWALIMA ,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Verlengde Gemenelandsweg no. 31 te Paramaribo,
appellante in de hoofdzaak en verzoekster in het incident,
hierna aangeduid als “de stichting”,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

[VERWEERSTER]
wonende aan [adres] in het [distrikt],
geïntimeerde in de hoofdzaak en verweerster in het incident,
hierna aangeduid als “[verweerster]”,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 13 januari 2009 (A.R.NO. 072391) tussen de stichting als gedaagde en [verweerster] als eiseres,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het eerder in deze zaak gewezen en uitgesproken preparatoir vonnis de dato 16 maart 2012.

  1. Het verdere procesverloop

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • De dupliekpleitnota de dato 20 april 2012;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 20 juli 2012 doch nader op heden;

2. De verdere beoordeling

2.1. Het hof neemt over en volhardt bij al hetgeen in voormeld preparatoir vonnis de dato 16 maart 2012 is overwogen en beslist. Ter uitvoering van het bepaalde in voormeld preparatoir vonnis heeft geïntimeerde een dupliekpleitnota genomen waarna de zaak in staat van wijzen is komen te verkeren.

2.2 Het gaat in deze zaak om het volgende. Bij vonnis van de kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste kanton de dato 13 januari 2009 is de tussen partijen gesloten koop- en verkoopovereenkomst respectievelijk gedateerd 11 oktober 1995 en 15 oktober 1996 ontbonden en is de stichting tot ontruiming met de gebruikelijke nevenvoorzieningen veroordeeld binnen twee maanden na betekening van het vonnis. Eveneens is de stichting veroordeeld tot betaling van de achterstallige huurpenningen tot en met ultimo maart 2006 bedragende US$ 64.350,= en doorbetaling van de verschuldigde huurpenningen ad US$ 750,= per maand vanaf april 2006 tot aan de dag der algehele ontruiming. Daarnevens is de stichting in de proceskosten ad SRD. 336,= veroordeeld alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad US$ 9.652,50, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde.

2.3 De stichting heeft op 3 juni 2009 appèl aangetekend tegen voormeld vonnis. Preliminair twisten partijen omtrent de vraag of de stichting al dan niet tijdig appèl heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de kantonrechter. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Uit de gedingstukken in eerste aanleg blijkt dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak van het vonnis aanwezig zijn geweest. Blijkens aangetekende dienstbrief de dato 30 april 2009 zijdens de griffier is voormeld vonnis van de kantonrechter aan de stichting toegezonden. Ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: WvBRv) had de stichting tot uiterlijk dertig dagen na 30 april 2009 en derhalve tot uiterlijk 30 mei 2009 de gelegenheid om tijdig appèl aan te tekenen tegen voormeld vonnis. Door pas op 3 juni 2009 appèl aan te tekenen is de stichting in beginsel tardief met het aantekenen van appel.

2.4 Ter rechtvaardiging van de verlate appèlaantekening heeft de stichting aangevoerd dat uit een ingesteld onderzoek bij Surpost is gebleken dat de aangetekende dienstbrief zijdens de griffier pas op 18 mei 2009 ter post is bezorgd en op 28 mei 2009 is uitgereikt op het adres alwaar de stichting is gevestigd en kantoor houdt. Derhalve had de stichting effectief slechts twee dagen om tijdig appèl aan te tekenen en levert de vertraging bij Surpost volgens de stichting een verontschuldigende omstandigheid op die een verlenging van de termijn voor het instellen van hoger beroep rechtvaardigt. In hoger beroep verzoekt de stichting derhalve voorwaardelijk om verlenging van de appèltermijn en [verweerster] verzet zich daartegen, onder aanvoering dat een eenmaal verstreken termijn niet verlengd kan worden en dat niet het hof maar de kantonrechter ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 4 WvBRv bevoegd is om de appèltermijn te verlengen. Naar het oordeel van het hof is het verzet zijdens [verweerster] gegrond en treft doel. Immers blijkt onomstotelijk dat de stichting tardief is met het aantekenen van appèl. Zij diende derhalve ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 4 WvBRv vanwege bijzondere omstandigheden om verlenging van de appèltermijn te hebben verzocht bij de kantonrechter –plaatsvervanger die het vonnis heeft gewezen. Het voorgaande heeft de stichting nagelaten. De door haar aangevoerde bijzondere omstandigheden zouden naar het oordeel van het hof wel kans van slagen hebben gehad indien het op tijd bij de juiste instantie was ingediend. Voormeld nalaten kan evenwel niet alsnog in hoger beroep worden gecorrigeerd aangezien de in het WvBRv genoemde termijnen van openbare orde zijn en er ten aanzien van uitzonderingen op de algemene regel stringente voorwaarden daarin zijn opgenomen, die zonder meer in acht dienen te worden genomen. Nu het hof ingevolge de wet de competentie ontbeert om een appèltermijn te verlengen heeft de stichting derhalve met dat verzoek bij een verkeerd adres aangeklopt.

2.5 Gelet op al het voorgaande rest het hof niets anders dan vast te stellen dat de stichting tardief is met het aantekenen van hoger beroep en zal zij niet ontvankelijk worden verklaard daarin. Zij zal, als de niet ontvangen partij, worden veroordeeld in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van [verweerster] gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis.

2.6 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het hof derhalve niet toe.

  1. De beslissing in hoger beroep

Het hof:

3.1 Verklaart de stichting niet ontvankelijk in het door haar ingesteld hoger beroep.

3.2 Veroordeelt de stichting in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van [verweerster] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 20 maart 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtigde van appellante, en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Mangroelal, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2012-8

GR- 14627

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

STICHTING PENDAWALIMA ,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Verlengde Gemenelandsweg no. 31 te Paramaribo,
appellante in de hoofdzaak en verzoekster in het incident,
hierna aangeduid als “de stichting”,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

[VERWEERSTER],
wonende aan [adres] in het [distrikt] Paramaribo,
geïntimeerde in de hoofdzaak en verweerster in het incident,
hierna aangeduid als “[verweerster]”,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 13 januari 2009 (A.R.NO. 072391) tussen de stichting als gedaagde en [verweerster] als eiseres,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

In de hoofdzaak:

  • De verklaring van de griffier waaruit blijkt dat de stichting op 03 juni 2009 hoger beroep heeft ingesteld;
  • Memorie van grieven d.d. 08 juni 2009, onder overlegging van producties;
  • Memorie van antwoord d.d. 02 maart 2011;
  • Pleitnota de dato 15 juli 2011;
  • Antwoordpleitnota de dato 07 oktober 2011;
  • Repliekpleitnota de dato 04 november 2011;

In het incident:

  • De incidentele conclusie tot wijziging eis de dato 04 november 2011;
  • De schriftelijke conclusie van antwoord in het incident;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 03 februari 2012 doch nader op heden;

De beoordeling

In het incident:

  1. De stichting verzoekt in het incident –kort samengevat- toestemming om haar petitum voorwaardelijk, indien nodig te wijzigen in dier voege dat tussen “behagen” en “vonnis” wordt ingelast : “de termijn waarbinnen appellante in hoger beroep mocht komen, te verlengen met 7 (zeven) dagen te rekenen van 28 mei 2009 of een door het Hof van Justitie in goede justitie te bepalen dag en datum;

  2. Aan het gevorderde legt de stichting –zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang – ten grondslag het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: BRv) waarbij twee termijnen kunnen worden verlengd, te weten: de termijn tot het indienen van de memorie van grieven en de termijn waarbinnen het hoger beroep moet worden ingesteld. Voorts heeft zij aangevoerd dat [verweerster] door deze wijziging in haar verdediging niet wordt bemoeilijkt noch wordt het proces hierdoor vertraagd;

  3. [Verweerster] heeft daartegenin aangevoerd dat het bepaalde in artikel 278 BRv zich met klem verzet tegen de wijziging van eis. Voorts voert zij aan dat in voormeld artikel limitatief drie gevallen genoemd zijn waar een nieuwe eis mag worden gedaan en daar valt een wijziging van de eis zoals in het onderhavige geval gedaan niet onder. Daarnevens heeft zij aangevoerd dat de stichting zich ten onrechte incidenteel appellante noemt aangezien daaronder volgens het bepaalde in artikel 274 e.v. BRv wordt verstaan de wederpartij van degene die in eerste instantie appel heeft aangetekend. De stichting heeft appel aangetekend en zij kan dus niet tevens als incidenteel appellant worden beschouwd;

  4. Na kennisname van de stellingen en weren van partijen komt het hof tot de slotsom dat [verweerster] kennelijk twee situaties door elkaar haalt. Immers betreft het in casu een wijziging casu quo aanvulling van eis en geen nieuwe eis in hoger beroep. Het bepaalde in artikel 278 BRv mist in casu derhalve toepassing. Naar het oordeel van het hof is in casu slechts van belang het antwoord op de vraag of [verweerster] door de verzochte voorwaardelijke wijziging casu quo aanvulling van het petitum onredelijk in zijn verdediging wordt bemoeilijkt casu quo het geding daardoor onredelijk wordt vertraagd. Naar het oordeel van het hof dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. Derhalve zal de verzochte voorwaardelijke wijziging casu quo aanvulling van het petitum worden toegestaan en zal aan de stichting terzake daarvan akte worden verleend. Het hof heeft in dit verband er mede acht op geslagen dat de grondslag van dit geding vormt een door [verweerster] in eerste aanleg geformuleerde petitum in het inleidend rekest naar aanleiding waarvan er een toewijzend vonnis is gevolgd waarvan het dictum (gedeeltelijk) is gebaseerd op het oorspronkelijke petitum zoals opgenomen in het inleidend rekest. Tegen voormeld vonnis komt de stichting op en heeft derhalve niet alszodanig een petitum geformuleerd maar wel grieven tegen het vonnis in eerste aanleg aangevoerd en daaraan een conclusie gekoppeld. Evenwel is preliminair aan de orde de vraag of de stichting tijdig het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangewend en is het kennelijk derhalve in dat kader dat de stichting heeft gemeend –althans zo vat het hof dat op- om voorwaardelijk, dus voor het geval het hof tot de slotsom komt dat de stichting niet tijdig het rechtsmiddel heeft aangewend, de appeltermijn op grond van het bepaalde in artikel 264 BRv te verlengen zoals verzocht;

  5. Wellicht ten overvloede overweegt het hof dat zoals [verweerster] terecht heeft aangevoerd de stichting zich ten onrechte heeft aangeduid als “incidenteel appellante”. Derhalve heeft het hof er in casu bewust voor gekozen om de stichting in het incident aan te duiden als verzoekster en [verweerster] als verweerster teneinde een “contradictio in terminis” te vermijden;

In de hoofdzaak:

  1. De hoofdzaak verkeert nog niet in staat van wijzen weshalve de beoordeling in de hoofdzaak vooralsnog zal worden aangehouden;

  2. In het verlengde hiervan zal de hoofdzaak naar de rol worden verwezen voor voort procederen in de stand van het nemen van een dupliekpleitnota zijdens [verweerster].

De beslissing

Het hof:

In het incident:

Verleent de stichting akte van wijziging casu quo aanvulling van het petitum in voege als na te melden;

Staat de stichting toe haar petitum voorwaardelijk, indien nodig, te wijzigen in dier voege dat tussen “behagen” en “vonnis” wordt ingelast: “de termijn waarbinnen appellante in hoger beroep mocht komen, te verlengen met 7 (zeven) dagen te rekenen van 28 mei 2009 of een door het Hof van Justitie in goede justitie te bepalen dag en datum”;

In de hoofdzaak:

Alvorens verder te beslissen;

Verwijst de hoofdzaak naar de rol voor het nemen van een dupliekpleitnota zijdens [verweerster];

De zaak zal daartoe worden afgeroepen ter rolle van de terechtzitting van Vrijdag 20 april 2012 des voormiddags te 08.30 uur;

Houdt iedere verdere beslissing aan;

In de hoofdzaak en in het incident.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. M.V. Kuldip Singh, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag, 16 maart 2012, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advocaten mr. A.R. Baarh en mr. S. mangroelal zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.