SRU-K1-2021-14

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1719

28 oktober 2021

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

A. REDAN, CLAUDIA,

B. ACADEMISCH ZIEKENHUIS,

te Paramaribo,

eisers in conventie,verweerders in reconventie,

hierna ‘Redan’ en ‘AZ’ genoemd,

gemachtigde: mr. S.N.Essed, advocaat,

 

tegen

 

HELLINGS, RAOUL,

te Paramaribo,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna ‘Hellings’ genoemd,

gemachtigde: mr. D.P.A. Landvreugd, advocaat.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 21 mei 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling genomen is op 8 juli 2021;
  • de conclusie van antwoord in conventie met producties en van eis in reconventie;
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1 Op 17 mei 2021 publiceert het nieuwsmedium Starnieuws het bericht met als titel “AZP-directeur alarmeert: Op de drempel van code zwart”. Daarin staat onder meer:

[citaat]:

“De ziekenhuizen staan aan de vooravond van code zwart, als er geen verandering komt in de situatie. De aanmeldingen en opnames van geïnfecteerden met het Covid-virus nemen vanaf vrijdag enorm toe. “De situatie is zeer ernstig en triest. Bij onze checkpoint is er een continue stroom van mensen die of in thuis isolatie Covid-positief zijn en verslechteren of mensen die klachten ontwikkelen en zich aanmelden”, zegt algemeen directeur van het Academisch Ziekenhuis Paramaribo (AZP), Claudia Redan, in gesprek met Starnieuws. (…) De situatie is zeer zorgwekkend, benadrukt Redan, die ook voorzitter is van de Nationale Ziekenhuisraad. ”

[einde citaat].

2.2 Op 19 mei 2021 post Hellings op zijn Facebook pagina de volgende tekst:

[citaat]:

“Een directeur van een ziekenhuis pierde haar mond over code zwart nadat ze in het weekend mooi haar winti pley had gehouden!! Un no kong aksi mi dong dong sani…”

[einde citaat].

2.3 Een reactie op de hiervoor geciteerde Facebook-post van Hellings luidt:

[citaat]:

“Bedoelde je die mevrouw Red-dan!!!”

[einde citaat].

  1. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1 Redan en AZ vorderen in conventie – samengevat – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis Hellings veroordeelt:

  • om binnen 1×24 uur, de kantonrechter leest, na de uitspraak, zijn publicatie op zijn facebook account van 19 mei 2021 met als titels “Een directeur van een ziekenhuis pierde haar mond over code zwart nadat ze in het weekend mooi haar winti pley had gehouden!! Un no kog – de kantonrechter leest verbeterd kong aksi mi dong dong sani” te verwijderen;
  • om binnen 1×24 uur, de kantonrechter leest, na de uitspraak, over te gaan tot rectificatie van de publicatie door op zijn facebook account, in de dagbladen De Ware Tijd, Times of Suriname, op Starnieuws en op het radiostation Radio 10 het volgende bericht te plaatsen dan wel wordt voorgelezen: “Ik heb op 19 mei 2021 op mijn facebook account het volgende gepost: “Een directeur van een ziekenhuis pierde haar mond over code zwart nadat ze in het weekend mooi haar winti pley had gehouden!! Un no kong aksi mi dong dong sani”. Dit berust echter niet op de waarheid en door het desondanks te publiceren heb ik onrechtmatig gehandeld. Door mijn handelen hebben zowel mevrouw Claudia Redan als het AZ schade geleden, waarvoor ik mijn welgemeende verontschuldigingen aanbied.”
  • tot het betalen van een dwangsom van SRD 5.000, – per dag dat hij niet aan het vonnis voldoet.

Ook is veroordeling van Hellingsin de proceskosten gevorderd.

3.2 Redan en AZ leggen aan hun vordering – zakelijk weergegeven – ten grondslag dat Hellings onwaarheden heeft gepubliceerd. Door zijn publicatie “Een directeur van een ziekenhuis pierde haar mond over code zwart nadat ze in het weekend mooi haar winti pley had gehouden!! Un no kong aksi mi dong dong sani.” op zijn Facebook pagina van 19 mei 2021, heeft Hellings de eer en goede naam van Redan geschonden. Redan, directeur van AZ en voorzitter van de Nationale Ziekenhuis Raad, heeft op 17 mei 2021 via een nieuwsmedium alarm geslagen over de ernstige situatie in de ziekenhuizen als gevolg van de pandemie. Hellings heeft met zijn bericht veroorzaakt dat de samenleving de ernst van de Covid-19 pandemie minder serieus kan opvatten. Hellings is voorzitter van de Politiebond en heeft een relatief grote kring waarbinnen hij invloed heeft.Daartoe behoort zijn Facebook pagina die wordt gevolgd door 1.235 personen die toegang hebben tot de publicatie. AZ heeft er, gelet op haar zorgtaak in de Covid-19 pandemie, belang bij dat de samenleving uitspraken van Redan die zij namens het ziekenhuis doet, serieus neemt.

3.3 Hellings voert verweer en concludeert tot niet ontvankelijkheid van Redan en AZ

3.4 In reconventie vordert Hellings, kort gezegd, dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis Redan en AZ veroordeelt om als voorschot het bedrag van SRD 21.600, – aan advocaatkosten, omzetbelasting, executiekosten en na-kosten te betalen. Hij legt daaraan ten grondslag dat hij ongegrond in rechte is betrokken, waardoor hij onnodig in de kosten is gejaagd.Redan en AZ concluderen tot weigering van het gevorderde.

  1. De beoordeling

In conventie

4.1 Gelet op de aard van de vorderingen, hebbenRedan en AZ een voldoende spoedeisend belang om in hun vorderingen in het kort geding te worden ontvangen.

4.2 Hellings voert als meest verstrekkend verweer dat AZ niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat zij geen belang heeft bij het door Redan gevorderde. AZ stelt hiertegenover dat Redan in haar hoedanigheid van algemeen directeur haar zowel in als buiten rechte vertegenwoordigt. Schade aan de reputatie van Redan kan volgens het ziekenhuis tot schade aan de reputatie van AZ leiden. Dit gevolg, zo voert AZ aan, is ongewenst nu Redan degene is die leiding geeft aan de organisatie van het AZ waarvan ook de medische zorg aan Covid-19 patiënten deel uitmaakt.

4.2.1 Het verweer van Hellings gaat niet op, reeds omdat recent nog, en wel uit de Wet Staatsbegroting 2020, S.B. 2021 no. 6, Afdeling 13, Titel IV blijkt dat het Academisch Ziekenhuis Paramaribo nog steeds een van de Parastatalen is. Hierdoor is niet uit te sluiten dat de Staat door middel van onder anderen AZ invulling geeft aan het bevorderen van de algemene gezondheidszorg, artikel 36 lid 2 GW. Aan de verwevenheid van die zorgtaak met de uitvoering van de Wet Uitzonderingstoestand Covid-19 kan in het onderhavige geschil dan ook niet voorbij worden gegaan.AZ is wel ontvankelijkheid in haar vordering en de kantonrechter komt thans toe aan de beoordeling.

4.3 Hellings voert verder aan dat de grondslag van de vordering niet duidelijk is, omdat hem meerdere handelingen worden verweten: oprui, stemmingmakerij en schending van goede naam en eer. Hij concludeert op die grond tot niet ontvankelijkheid van zowel Redan als AZ. Hellings beroept zich erop dat hij het recht heeft om vrij zijn mening te uiten. Hij blijft erbij dat hij noch de naam van Redan noch van AZ heeft genoemd. Hij weerspreekt de verweten handelingen – samengevat -als volgt. Redan is niet de enige ziekenhuis directeur die over de alarmerende situatie, de kantonrechter begrijpt,met betrekking tot de Covid-19 pandemie, heeft gesproken. Ook is Redan in Suriname noch internationaal de enige vrouwelijke ziekenhuis directeur. Hellings sluit tevens niet uit dat de schoen Redan kennelijk wel past.Hij noemt de reacties op zijn post hilarisch,en stelt dat sommigen Redan zelfs een riem onder het hart steken, zonder negatieve uitlatingenof ondertoon over de Covid-19 pandemie of over Redan. Volgens Hellings heeft Redan er moeite mee dat hijheeft gepost dat zij een wintiprei zou hebben bezocht tijdens de Covid-19 pandemie. Hij vindt dat zijn verwijzing naar het bezoeken van een wintiprei voor Redan geen grond oplevert voor schending van haar goede naam en eer.

4.4 Redan en AZ gaan uit van het recht op eerbiediging van de goede naam en eer zoals bepaald in de artikelen 19 GW, 13 AVRM en 19 BUPO, specifiek lid 3. Hellings beroept zich op het recht van vrije meningsuiting. Vraag is welke van deze wederzijdse belangen zwaarder wegen in het voorliggend geval. De kantonrechter vindt voor die beoordeling aansluiting bij in onderling verband te beschouwen omstandigheden zoals door de Hoge Raad der Nederlanden genoemd in zijn arrest van 24 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AD2221. Onder meer is relevant (i) de aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben, (ii) de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die aan de kaak wordt gesteld, (iii) de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal ten tijde van de publicatie, (iv) de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen, (v) het gezag dat het medium waarop de uitlatingen zijn gepubliceerd geniet en (vi) de maatschappelijke positie van de betrokken persoon. Genoemde omstandigheden wegen niet allen even zwaar. Welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht daaraan moet worden gehecht, hangt af van het concrete geval.

4.4.1 Het algemeen belang is gegeven met het wettelijk kader dat in de voorliggende omstandigheden van toepassing is en wel als volgt.

4.4.2 Bij Wet Uitvoering Burgerlijke Uitzonderingstoestand, S.B. 2020 no. 151, gewijzigd bij S.B. 2021 no. 20 en verlengd bij S.B. 2021 no. 105 (hierna de Wet) is in artikel 6 bepaald dat de Regering bij Presidentieel besluit maatregelen kan nemen en voorzieningen treffen in verband met de afkondiging van een uitzonderingstoestand. Maatregelen kunnen onder meer betrekking hebben op de beperking van persoonlijke rechten en vrijheden.

In artikel 6 lid 1 sub A (6) van voornoemde Wet is als maatregel die betrekking heeft op de beperking van de persoonlijke rechten en vrijheden genoemd: “het instellen van verboden tot samenkomsten van personen of het onbeschermd begeven in het openbaar of in publieke of private ruimten, alsmede het verplichten van personen tot het houden van fysieke afstanden.”

De Memorie van Toelichting van de Wet sluit niet uit dat de Minister belast met justitiële zaken voor de handhaving van met name het opleggen van een bestuurlijke boete, eveneens ambtenaren van politie vanwege het aanwezig deskundig kader en de infrastructuur zal aanwijzen voor de handhaving van de bestuurlijke sanctie.

De politie heeft in het algemeen tot taak te zorgen voor de handhaving van de openbare orde, het voorkomen van inbreuken daarop en de bescherming van personen en goederen, artikel 5 lid 1 sub a van het Politiehandvest, G.B. 1971 no. 70. Volgens artikel 20 van het Politiehandvest verleent de politie in de gevallen en in de mate waarin zulks redelijkerwijs van haar kan worden gevergd en zij daartoe het meest aangewezen orgaan is, aan alle overheidsorganen de hulp en bijstand welke deze voor de vervulling van hun wettelijke taak behoeven.

4.4.3 Redan en AZ stellen dat de inhoud van de Facebook post een grove onwaarheid is. Zij weerspreken dat de post niet grievend zou kunnen zijn omdat geen namen zouden zijn genoemd. Juist blijkt uit de omstandigheden die in de post van 19 mei 2021 zijn geschetst en de reacties daarop dat Redan wordt bedoeld. De kantonrechter volgt Redan en AZ in hun stelling dat het expliciet noemen van namen voor die conclusie niet nodig is. Dat Redan is bedoeld volgt alleen al uit het feit dat Redan de vrouwelijke ziekenhuisdirecteur is die in de media recent, en wel op 17 mei 2021, dringend aandacht heeft gevraagd voor de code zwart situatie in verband met de Covid-19 pandemie.

4.4.4 Redan en AZ stellen verder, en zulks naar het oordeel van de kantonrechter niet onjuist, dat uitspraken van Hellings door zijn openbare functie van voorzitter van de politiebond een relatief grote invloed hebben. Hellings zou moeten begrijpen wat het negatieve effect is van gepubliceerde onwaarheden over personen in het algemeen en in specifieke functies. Van Hellings mocht volgens Redan en AZ dit begrip worden verwacht.

4.4.5 Voor de uitspraak van Hellings is thans geen steun te vinden in het beschikbare feitenmateriaal. Dit klemt te meer nu de eigenlijke boodschap die Hellings overbrengt is dat de directeur van het AZ, ondanks de ernstige omstandigheden van de Covid-19 pandemie die zij de samenleving voorhoudt, zelf de maatregelen niet in acht neemt. Daar komt bij dat het op grond van de hiervoor aangehaalde wettelijke bepalingen niet uitgesloten is dat betrokkenheid van Hellings zelf als ambtenaar van politie bij handhavingstaken in het kader van de Covid-19 pandemie nodig kan zijn.Hellings stelt weliswaar Gedaagde steltssssssssslechts ww dat op zijn Facebook post hilarisch is gereageerd en ondersteuning is geuit, maar dat maakt niet goed en doet niet af aan het vergroot bereik door het delen van de post via Facebook. Bovendien blijven deze uitlatingen langer bij het publiek voortbestaan.

4.4.6 De kantonrechter overweegt dat het in de Surinaamse samenleving een feit van algemene bekendheid is dat de wintiprei in haar uiterlijke verschijningsvorm – kort gezegd – een ritueel feest is met daarbij behorende muziek en dans.[1] In de onderhavige Covid-19 omstandigheden is niet uit te sluiten dat deelname daaraan niet zonder risico’s is. Immers, overschrijding van aangebrachte beperkende grenzen door een samenscholingsverbod, artikel 6 lid 1 sub A (6) van de Wet, kan al gauw zijn bereikt. De post van Hellingsis dan ook onweersprekelijk suggestief door een mogelijk strafbare handeling die daarin besloten ligt, wat vooralsnog voldoende blijk geeft van een ernstige en ingrijpende aantijging tegen Redan. Een post als door Hellings gedaan kan onder de thans aannemelijk geworden omstandigheden geen rechtvaardiging vinden, omdat juist hij als ambtenaar van politie de strekking daarvan had moeten kunnen overzien. Het voorgaande klemt temeer nu Hellings het nodige feitenmateriaal voor zijn uitlatingen niet heeft aangedragen, zodat een feitensubstraat ontbreekt.

4.5 Het antwoord op de vraag of het recht van Redan en AZ op bescherming van de goede naam en eer zwaarder weegt dan het recht van Hellings gedaagde om zijn mening vrij te uiten via zijn account, zal dan ook bevestigend zijn.

4.6 Het voorgaande brengt met zich dat de vordering tot verwijdering van de gewraakte post en het plaatsen van een nieuwe post met voorgeschreven tekst op de Facebook pagina van Hellings zal worden toegewezen.De kantonrechter volgt Hellings in zijn onderbouwd verweer dat excuses spontaan behoren te worden aangeboden. In deze kunnen aan Hellings geen interne gevoelens worden opgelegd. De veroordeling zal daarom worden toegewezen zonder de gevorderde excuses en wel als volgt:

“Ik heb op 19 mei 2021 op mijn Facebook account het volgende gepost:

“Een directeur van een ziekenhuis pierde haar mond over code zwart nadat ze in het weekend mooi haar winti pley had gehouden!! Un no kong aksi mi dong dong sani…”

Dit berust echter niet op waarheid en door het bericht desondanks te publiceren heb ik onrechtmatig gehandeld. Door mijn handelen hebben zowel mevrouw Claudia Redan als het Academisch Ziekenhuis schade geleden.”

4.7 Voor plaatsing van het bericht in de dagbladen De Ware Tijd, Times of Suriname en op het radiostation Radio 10 ziet de kantonrechter geen aanleiding. Hellings zal worden veroordeeld tot plaatsing van de voorgeschreven tekst op de nieuwspagina van Starnieuws.

4.8 De gevorderde dwangsom zal als na te melden worden toegewezen.

4.9 Hellings zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld bestaande uit de kosten voor vastrecht ad SRD 50, – en oproeping ad SRD 786, -.

In reconventie

4.10 Het oordeel in conventie doet de grondslag aan de vordering in reconventieontvallen. Thans is niet aannemelijk dat Hellings ten onrechte en nodeloos, ongegrond in rechte is aangesproken.

4.11 In conventie is aannemelijk geworden dat het recht van Redan en AZ op bescherming van de goede naam en eer zwaarder weegt dan het recht van Hellings om zijn mening vrij te uiten. Hellings zal daarom in conventie – kort gezegd – worden veroordeeld tot verwijdering van de gewraakte post en plaatsing van een rectificatie.

4.12 De vordering in reconventie zal op grond van voorgaande als ongegrond worden afgewezen met veroordeling van Hellings in de proceskosten.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding

In conventie

5.1 Veroordeelt Hellings om binnen 1 x 24 uur na betekening van dit vonnis zijn publicatie op zijn Facebook account van 19 mei 2021 met als titel:

“Een directeur van een ziekenhuis pierde haar mond over code zwart nadat ze in het weekend mooi haar winti pley had gehouden!! Un no kong aksi mi dong dong sani…”

te verwijderen.

5.2 Veroordeelt Hellings om binnen 1 x 24 uur na betekening van dit vonnis de publicatie hiervoor onder 5.1geciteerd te rectificeren door op zijn eigen Facebook account te plaatsen en op het medium Starnieuws te doen plaatsen het volgende bericht:

“Ik heb op 19 mei 2021 op mijn Facebook account het volgende gepost:

“Een directeur van een ziekenhuis pierde haar mond over code zwart nadat ze in het weekend mooi haar winti pley had gehouden!! Un no kong aksi mi dong dong sani…”

Dit berust echter niet op waarheid en door het bericht desondanks te publiceren heb ik onrechtmatig gehandeld. Door mijn handelen hebben zowel mevrouw Claudia Redan als het Academisch Ziekenhuis schade geleden.”

5.3 Veroordeelt Hellings een eenmalige dwangsom van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse Dollar) aan Redan en AZ te betalen indien hij niet aan de veroordelingen hiervoor onder 5.1 en 5.2 voldoet.

5.4 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt Hellings in de proceskosten aan de zijde van Redan en AZ tot aan deze uitspraak begroot op SRD 836, – (achthonderdzesendertig Surinaamse Dollar).

5.6 Weigert het meer of anders gevorderde.

In reconventie

5.7 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.8 Veroordeelt Hellings in de proceskosten aan de zijde van Redan en AZ tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het Eerste Kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 28 oktober 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

[1] Zie ook Wortubuku fu Sranantongo, SIL International, 5e editie, 2007.

 

SRU-K1-2021-13

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 17-1362

24 juni 2021

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

[eiseres],

wonend te Paramaribo,

eiseres,

gemachtigden: mr. L.E. Palmburg, mr. J. Pinas en I.D. Kanhai BSc., advocaten,

tegen

A.[gedaagde sub A],

gevestigd te Paramaribo,

B. [gedaagde sub B],

wonend te Paramaribo,

gedaagden,

gemachtigde: mr. D.F. Chocolaad, advocaat.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de navolgende processtukken en -handelingen:

  • het op 24 maart 2017 op de Griffie der Kantongerechten ingediend inleidend verzoekschrift, met producties;
  • de op 27 april 2017mondeling genomen conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord en uitlating producties met producties;
  • de conclusie van replieken uitlating producties met een productie;
  • de conclusie van dupliek en uitlating productie met een productie;
  • de conclusie tot uitlating productie met producties zijdens eiseres;
  • de conclusie tot uitlating producties met producties zijdens gedaagde;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens eiseres.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [de stichting] heeft als doel onder meer het begeleiden van bedrijfstrainingen en workshops. De activiteiten van de stichting zijn aangevangen op 13 maart 2001. Gedaagde sub B is secretaris /penningmeester van de stichting, e.e.a. zoals blijkt uit een uittreksel uit het Handelsregister van 19 mei 2017.

2.2 [gedaagde sub A] heeft als doel onder meer het organiseren en begeleiden van gecertificeerde opleidingen op bachelor- en masterniveau.De nv i.o. is per 6 mei 2011 omgezet in een naamloze vennootschap. Gedaagde sub B is directeur van de nv,e.e.a. zoals blijkt uit een uittreksel uit het Handelsregister van 09 december 2016.

2.3 Eiseres heeft zich bij [gedaagde sub A], ingeschreven voor de opleiding Bachelor Toegepaste Psychologie van januari 2015 t/mdecember 2018. Zijheeft een bedrag van € 7.680, – voor de eerste twee collegejaren betaald.

2.4 In een brochure (z.j.) van [gedaagde sub A] staat over de opleiding ‘Hbo Bachelor Toegepaste Psychologie’ op pagina 1 in rood omrand kader: “De inhoud van de opleiding is internationaal geaccrediteerd!!!”. Op pagina 5 staat onder het kopje ‘Diploma’ onder meer:”De bachelor van [gedaagde sub A] is internationaal geaccrediteerd.”

2.5 Uit een schrijven van 1 december 2015 met in het brievenhoofd de vermelding [gedaagde sub A], blijkt dat gedaagde sub B in de hoedanigheid van ‘directeur [gedaagde sub A]’ aanwezig is geweest bij een evaluatiegesprek met eerstejaars studenten van de Bachelor opleiding Toegepaste Psychologie.

2.6 Onder de kop ‘Accreditatie’ van voormeld schrijven staat:

Vraag gesteld uit de groep over de accreditatie van de opleiding. Hier is uitleg aan gegeven dat de opleiding Bachelor Toegepaste Psychologie reeds via onze business-partner[instantie 1] eenNVAO accreditatie heeft (EU). Dit maakt dat ‘[instantie 2]’een verkorte procedure van de NOVA inSU krijgt. Momenteel zit [instantie 2] midden in het accreditatieproces.”

2.7 Over de accreditatie staat in een schriftelijk verslag van 14 januari 2016 met in het brievenhoofd de vermelding [gedaagde sub A] onder het kopje ‘Nieuw examen en huishoudelijk reglement’ over de start van de eerste les, college jaar 2, module case Psychologie op 12 januari 2016 het volgende:

[instantie 2] geeft aan dat het instituut in het accreditatieproces van NOVA zit en de bachelor-opleiding Toegepaste Psychologie eerst wordt geaccrediteerd. En aangezien dit onafhankelijk instituut hoge eisen stelt, zal het Instituut vanaf dit collegejaar strikt het examen en huishoudelijk reglement toepassen. Verder worden de leveringsvoorwaarden ook toegepast.”Gedaagde sub B is in de hoedanigheid van ‘directeur [gedaagde sub A]’ bijde start aanwezig.

2.8 Eiseres heeft via e-mailbericht van 13 december 2016 aan de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie te Den Haag, Nederland, het volgende voorgelegd:

“Ik ben reeds 2 jaar als student Bachelor Toegepaste Psychologie verbonden aan [gedaagde sub A] in Suriname. Bij de inschrijving werd ons meegedeeld dat de opleiding NVAO geaccrediteerd is.Echter hebben wij het bewijs daarvan nimmer gehad en tot nu toe kan het niet bevestigd worden.”

Op 16 december 2016 bericht [persoon], Communicatie, Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie via e-mail:

“Nee, deze opleiding is voor [instantie 2] etc in Suriname niet door ons geaccrediteerd.

Maar, [instantie 2] werkt samen met [instantie 1] en wij hebben de bacheloropleiding Toegepaste Psychologie wel voor [instantie 1]geaccrediteerd.”(…)

Dit betekent dat [instantie 1] voor de opleiding verantwoordelijk blijft en u na succesvolle afronding van de studie ook een diploma van [instantie 1] ontvangt/moet ontvangen.”

In vervolg op voorgaand bericht staat vermeld:

“Mijn internationale collega attendeerde mij erop dat [instantie 1] in 2014 heeft aangegeven dat zij niet met [instantie 2] samenwerken en deze informatie dus foutief op hun website staat.

Ik verzoek u dan ook mijn eerdere informatie als niet verzonden te beschouwen.

De samenwerking blijkt niet rechtsgeldig en de diploma’s van [instantie 2] voor Toegepaste Psychologie zijn in dat geval ook geen rechtsgeldige bachelordiploma’s.De NVAO heeft immers geen Toegepaste Psychologie opleiding voor [instantie 2] geaccrediteerd. (…)”.

2.9 Bij betekend schrijven van 16 december 2016 van haar advocaat heeft eiseres aan gedaagde sub A aandacht gevraagd voor onder meer het volgende.

“(…) In de brochure wordt (…) aangegeven dat de inhoud van deze HBO Bachelor Opleiding internationaal is geaccrediteerd. (…)Het is u bekend dat in ons land de Nova belast is met het accrediteren van hogere beroepsopleidingen. (…) Zo hebben cliënten de vrijheid genomen om bij Nova en het Ministerie van Onderwijs te informeren naar de status van de opleiding die zij volgen. De Nova gaf als informatie dat vanuit uw onderwijsinstelling slechts informatie is aangevraagd maar dat het proces om te komen tot de accreditatie van uw onderwijsinstelling niet is ingezet. Ook het Ministerie van Onderwijs (afdeling BOS) is niet bekend met enig accreditatieverzoek vanuit uw onderwijsinstelling.

Ik wens te benadrukken dat op 14 januari 2016 bij de start van het 2e collegejaar aan de studenten, waaronder cliënten, is voorgehouden dat uw instituut in het accreditatieproces van de Nova zit en dat de Bachelor Opleiding Toegepaste Psychologie als eerste wordt geaccrediteerd. (…)

Voor elk van hun geldt namelijk dat zij na afronding van deze bacheloropleiding een vervolg Masteropleiding in Suriname of in het buitenland willen volgen en dat kan alleen als de opleiding die zij nu volgen aan alle vereisten voldoet qua erkenning en accreditering. (…)”

2.10 [instantie 1] te Hilversum, Nederland,schrijft op 22 februari 2018 aan [gedaagde sub A] onder meer:“(…) Op grond van de raamovereenkomst van 6 september 2010 heeft [instantie 1] lesmateriaal voor de voor de Nederlandse markt door [instantie 1] ontwikkelde bacheloropleiding Toegepaste Psychologie (de “Opleiding”) aan [gedaagde sub A] geleverd. (…)Uit zowel de Historie als het Actuele Afschrift volgt dat de Opleiding bij besluit van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) 30 augustus 2011 accreditatie heeft verkregen tot 29 augustus 2017. (…)”.

  1. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1 Eiseres vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

  • de overeenkomsten van 10 november 2014 en 09 september 2015 (althans alle overeenkomsten voor zover de deelbetalingen ook als overeenkomst worden beschouwd) die zij met gedaagden, althans gedaagde sub A,is aangegaan en waarbij zij zich heeft ingeschreven op de HBO Bacheloropleiding Toegepaste Psychologie voor het 1e en 2e collegejaar opschort c.q. schorst;
  • gedaagden veroordeelt, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen de som van Euro 7.670, -bij wege van voorschot,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;
  • gedaagden veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 Eiseres legt daaraan ten grondslag dat zij over de HBO Bachelor Opleiding Toegepaste Psychologieen de accreditatie daarvan informatie heeft gehaald van de website van [de stichting],en uit de door hen uitgegeven brochure. Ook hebben gedaagden eiseres verzekerd dat de opleiding internationaal geaccrediteerd is en wordt afgesloten met een rechtsgeldig diploma. Op grond van de verkregen informatie en de verzekering door gedaagden heeft eiseres zich in november 2014 voor de opleiding ingeschreven bij [gedaagde sub A]. Zij heeft aan collegegeld voor het eerste jaar een bedrag van € 4.380, -betaald. Evenwel is de opleiding een jaar later aangevangen. Eiseres en andere studenten hebben meerdere malen gedaagde sub B verzocht om duidelijkheid over het accreditatietraject van de opleiding. Gedaagde sub B heeft studenten op 1 december 2015 geïnformeerd dat [gedaagde sub A] via de business partner [instantie 1] in Nederland, een NVAO accreditatie heeft en dat [instantie 2] in Suriname een verkorte procedure van het Nationaal Orgaan voor Accreditatie, NOVA, krijgt. Eiseres heeft op grond van deze informatie het bedrag van € 3.300, – voor het tweede collegejaar betaald. Op 12 januari 2016, in het openingscollege van het tweede jaar, heeft gedaagde sub B studenten, onder wie eiseres, voorgehouden dat het instituut in het accreditatieproces van NOVA zit. Ook heeft gedaagde sub B hen geïnformeerd dat de Bachelor Opleiding Toegepaste Psychologie als eerste geaccrediteerd zal worden. Omdat gedaagde sub B halverwege het jaar 2016 nog geen concrete mededelingen over het accreditatieproces had gedaan, is eiseres op onderzoek uitgegaan. Eiseres heeft de rechtsgeldigheid noch accreditatie van diploma’safgegeven door [instantie 2],bevestigd gekregen. Evenmin is haar gebleken dat gedaagden een accreditatieverzoek bij het Nationaal Orgaan voor Accreditatie, NOVA,hebben neergelegd. Gedaagden weigeren informatie over het accreditatietraject aan eiseres te verschaffen. Ook zijn zij het geven van rechtsgeldig onderwijs waartoe zij zich jegens eiseres verplicht hebben niet nagekomen. Eiseres heeft daarom gedaagden in gebreke gesteld. Gedaagden, specifiek gedaagde sub B, hebben eiseres steeds ten onrechte de verzekering gegeven dat het proces bij NOVA reeds was opgestart. Door de misleidende handelingen hebben gedaagden in strijd gehandeld met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt.

3.3 Gedaagden voeren verweer als volgt. Allereerst is tot niet ontvankelijkheid van eiseres in haar vordering tegen gedaagde sub B geconcludeerd, omdat laatstgenoemde niet qualitate qua in het proces is betrokken. Voorts is aangevoerd dat [de stichting] een geheel ander opleidingsinstituut dan [gedaagde sub A] is. De oorzaak van de latere aanvang van de opleiding is daarin gelegen dat door het accreditatieproces van [instantie 1] in Nederland het lesmateriaal voor de opleiding in 2014 later werd ontvangen. Aan eiseres en andere studenten is een brochure verstrekt waarop de tekst “NVAO geaccrediteerde opleiding” staat. Op een nader tijdstip is dit gewijzigd en is in de brochure de tekst “de inhoud van de opleiding is internationaal geaccrediteerd” aangebracht.Deze wijzigingen zijn de studenten nog voor de aanvang van de studie voorgehouden. Gedaagde sub A heeft aldus aan haar mededelingsplicht voldaan. In de precontractuele fase en niet nu, twee jaren nadat de verbintenis reeds in uitvoering is, rustte op eiseres een onderzoekplicht. Aan eiseres is een volledig pakket aan studiemateriaal waaronder een tablet afgegeven en zij heeft de daarbij horende colleges op gedegen niveau in een goed geoutilleerde school kunnen volgen. Ook al zou de samenwerking met het Instituut op een later moment zijn stopgezet, wil zulks nog niet zeggen dat de opleiding anders is dan de studenten is voorgehouden. Van wanprestatie kan dan ook geen sprake zijn eneiseres kan niet te goeder trouw teruggave van de collegegelden vorderen. De samenwerking met [instantie 1] houdt in dat de bij NVAO geaccrediteerde opleidingen van het Instituut aan gedaagde sub A ter beschikking worden gesteld ten behoeve van de door gedaagde sub A te verzorgen bachelor opleidingen. Eiseres is hiervan op de hoogte en weet ook dat gedaagde sub A een separaat accreditatieproces is begonnen bij NOVA. Eiseres en overige studenten weten ook dat de Bachelor Opleiding Toegepaste Psychologie een geheel nieuwe door gedaagde sub A verzorgde opleiding is. Gedaagde sub A voert aan dat de NOVA accreditatie geen enkele garantie biedt dat studenten die na afronding van de opleiding bij gedaagde sub A aansluiting zoeken bij enig instituut – een Nederlandse universiteit of de Adekus – zullen worden geaccommodeerd. Standpunt is dat de desbetreffende universiteiten hun eigen procedures kennen en hun eigen procedures en criteria hanteren om studenten toe te laten tot master opleidingen.

  1. De beoordeling

4.1 De spoedeisendheid van het gevorderde is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk. Eiseres zal daarom in kort geding ontvangen worden.

4.2 In dit geding wordt van het volgende uitgegaan. [instantie 1] heeft voor de Nederlandse markt de bachelor opleiding Toegepaste Psychologie (hierna opleiding TP) ontwikkeld. De opleiding TP heeft accreditatie verkregen op 30 augustus 2011 bij besluit van de NVAO voor een periode eindigend op 29 augustus 2017. [instantie 1] heeft lesmateriaal van genoemde opleiding aan gedaagde sub A geleverd op grond van een raamovereenkomst van 6 september 2010. Het lesmateriaal, nodig voor de opleiding TP die gedaagde sub A in 2014 reeds bekendgemaakt had, werd op een later tijdstip geleverd, wat volgens gedaagden verband hield met het accreditatieproces van [instantie 1] in Nederland. De opleiding TP door gedaagden aangeboden, is in januari 2015 van start gegaan.

4.3 Gedaagden hebben het schrijven van 1 december 2015 niet weersproken, zodat de inhoud daarvan tussen partijen vast staat. Uitleg aan studenten over de accreditatie van de opleiding TP luidt volgens aangehaald schrijven – kort gezegd – dat reeds via de business partner [instantie 1], die door NVAO geaccrediteerd is, de opleiding TP van gedaagde sub A accreditatie heeft. Eiseres heeft hiertegenover gesteld dat het ‘Verdrag tussen de Vlaamse Gemeenschap van België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de Accreditatie van Opleidingen binnen het Vlaamse en Nederlandse Hoger Onderwijs’, slechts op deze twee landen van toepassing is. De opleiding TP zal daarom volgens eiseres door het NOVA geaccrediteerd moeten worden.

4.4 De kantonrechter overweegt dat enkel het gebruik van lesmateriaal van een geaccrediteerde opleiding niet kan leiden tot rechtsgeldige accreditatie van eenniet geaccrediteerde opleiding waarvoor het lesmateriaal wordt of is gebruikt. Zulks vloeit reeds voort uit de wet. Blijkens de Wet NOVA, artikel 1 sub g is volgens de daar gegeven definitie een opleiding een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden; een opleiding kan één of meer afstudeerrichtingen bevatten; een onderwijseenheid is een geheel van activiteiten van de student dat deel uitmaakt van een opleiding, waaraan een examen verbonden is. Uit deze wettelijke definitie vloeit voort dat lesmateriaal onderdeel is van een meeromvattend onderwijstraject. De opsomming die gedaagde geeft – hiervoor onder 3.3 aangehaald – maakt zulks niet anders, nu daaruit niet van aansluiting blijkt bij de in de brochures van gedaagde sub A vermelde programma’s. Voorts is naar het oordeel van de kantonrechter de stelling van eiseres niet onjuist dat accreditatie van de opleiding TP door NOVA nodig is. Immers, niet alleen ontleent gedaagde sub A geen rechtstreekse rechten aan het verdrag tussen de Vlaamse Gemeenschap van België en het Koninkrijk der Nederlanden, zijstelt in het onderhavig geval een geheel nieuwe door haar verzorgde opleiding aan te bieden. In dit verband zij – voor zover van belang en wellicht ten overvloede – verwezen naar artikel 18 van de Wet NOVA over de toets van nieuwe opleidingen jo. artikel 12 leden 3 en 4.

4.5 De bachelor opleidingen Bedrijfskunde en Informatie Technologie van gedaagde sub A heeft NOVA erkend in het jaar 2010. Ex artikel 15 lid 6 van de Wet Nova vervalt een accreditatie zes jaar na de dag van inwerkingtreding van het accreditatiebesluit. In dit geding is gesteld noch gebleken dat voor deze opleidingen een nieuw accreditatiebesluit in werking is getreden met ingang van de dag waarop voornoemd besluit is vervallen in 2016. Ook is het overzicht van NOVA van geaccrediteerde opleidingen per 1 januari 2018 onweersproken gebleven, zodat tussen partijen vaststaat, dat in het jaar 2018 geen door NOVA geaccrediteerde opleidingen van gedaagde sub A in het Centraal Register ex artikel 24 Wet Nova geregistreerd staan. Het karakter van de beperkte duur van een accreditatie, i.c. zes jaar, maakt dat eiseres zich na verloop van de termijn niet langer kan beroepen op de verkregen accreditatie voor (op)nieuw aan te bieden opleidingen, e.e.a. overeenkomstig de Wet NOVA, artikel 15.

4.6 Voorop staat dat contractspartijen elkaar moeten kunnen vertrouwen. Het bewust achterwege laten van een mededeling waarvan men weet dat die voor de wederpartij van belang is, vormt in het algemeen opzettelijke misleiding. Eiseres stelt dat gedaagden door misleidend handelen in strijd hebben gehandeld met het zorgvuldigheidscriterium. Gedaagden voeren hiertegen aan dat op eiseres een onderzoekplicht rustte in de precontractuele fase en niet na twee jaar. De kantonrechter overweegt dat ook als gedaagden aanvoeren dat een mogelijke dwaling van eiseres is gelegen in een uitsluitend toekomstige omstandigheid, die redenering niet opgaat. Immers de dwaling heeft dan betrekking op het ten tijde van het sluiten van de overeenkomst geldende juridische kader (Van Velde-Roozen, NJ 2008, 286). Regel is dat wie wil contracteren een onderzoekplicht heeft. Echter, aan de mededelingen van gedaagden behoefde eiseres in beginsel niet te twijfelen. Eiseres mocht uitgaan van de professionaliteit van de school, die ter zake deskundig was. Evenwel blijkt dat gedaagden,in dit geding het standpunt innemend dat [de stichting] een geheel ander opleidingsinstituutis, bij de evaluatiebijeenkomst op 1 december 2015belangrijke mededelingen over de accreditatie van de opleiding TP hebben gedaan bij monde van gedaagde sub B in haar hoedanigheid van directeur van deze stichting. Nota bene is daarbij steeds ‘[instantie 2]’ genoemd als de organisatie die het accreditatietraject bij NOVA doorloopt voor de opleiding TP. Dit laatste staat haaks op de stelling van gedaagden in het onderhavig geding dat gedaagde sub A het instituut is dat een geheel nieuwe door haar verzorgde opleiding TP aanbiedt. De kantonrechter oordeelt dat als in het onderhavig geval achteraf blijkt dat eiseres op onjuiste mededelingen van gedaagden is afgegaan, zij dan verschoonbaar dwaalt (Booy-Wisman, NJ 1966, LJN AC4621).Gedaagden waren zich bewust van de niet in gang gezette accreditatieprocedure bij NOVA voor de opleiding TP door ‘[instantie 2]’ en gedaagde sub A. Om die reden reeds waren gedaagdengehouden ten opzichte van eiseres zorgvuldig te contracteren. Immers, eiseres kon niet geacht worden van de werkelijke stand van zaken, door gedaagden kennelijk geduid als ‘vennootschappelijke zaken’, op de hoogte te zijn. Zo wist eiseres niet dat op de evaluatie van 1 december 2015 ‘[instantie 2]’ weliswaar werd genoemd als het instituut in het accreditatietraject, maar dat in 2014 vertragingen waren opgetreden in de levering van lesmateriaal aan gedaagde sub A als de aanbieder van de geaccrediteerde opleiding TP.

4.7 Conclusie uit het voorgaande is dat vooralsnog aannemelijk is dat gedaagden noch in 2015 noch in 2016 een geaccrediteerde opleiding TP aan eiseres hebben geleverd. Ook hebben gedaagden eiseres onvolledig dan wel onjuist geïnformeerd over de accreditatie van de opleiding TP. Eiseres heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gesteld dat zij de overeenkomst voor de opleiding TP met gedaagden is aangegaan om de accreditatie van die opleiding. Zonder accreditatie van de opleiding TP zou eiseres niet of niet onder dezelfde voorwaarden de opleidingsovereenkomst met gedaagden zijn aangegaan. Gedaagden hebben onzorgvuldig gehandeld jegens eiseres.

4.8 De voorgaande feiten en omstandigheden maken aannemelijk dat de bodemrechter de vernietiging van de opleidingsovereenkomst zal uitspreken. De kantonrechter zal daarom het gevorderde toewijzen.

4.9 Gedaagden menen dat eiseres in haar vordering tegen gedaagde sub B niet ontvankelijk is. Geoordeeld wordt dat eiseres in haar vordering tegen gedaagde sub B wel ontvankelijk is nu uit het niet weersproken uittreksel uit het Handelsregister blijkt dat zij enig bestuurder – directeur – is van [gedaagde sub A] en gesteld noch gebleken is dat het handelen van gedaagde sub A effectief te bestrijden is zonder ook gedaagde sub B aan te spreken.

4.10 Slotsom is dat het gevorderde zal worden toegewezen. Aan een bespreking van overige stellingen en weren wordt niet toegekomen.

4.11 Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten verwezen worden.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding

5.1 Schorst de overeenkomsten van 10 november 2014 en 09 september 2015, althans alle overeenkomsten voor zover de deelbetalingen ook als overeenkomst worden beschouwd tussen gedaagden, althans gedaagde sub A en eiseres waarbij eiseres zich heeft ingeschreven voor de HBO Bachelor Opleiding Toegepaste Psychologie voor het eerste en het tweede collegejaar.

5.2 Veroordeelt gedaagden, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, bij wege van voorschot aan eiseres te betalen de som van € 7.670,- (zevenduizend zeshonderdenzeventig Euro) vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf 27 maart 2017 tot aan de dag van algehele voldoening.

5.3 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiseres tot aan deze uitspraak begroot op SRD 500, – (vijfhonderd Surinaamse Dollar).

5.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, en uitgesproken op donderdag 24 juni 2021 te Paramaribo in tegenwoordigheid van de griffier.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SRU–2021-1

DE KRIJGSRAAD

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK

Parketnummer : SPG.No.3975/07

Vonnisnummer : 4

Datum uitspraak : 30 augustus 2021

Verzet

Raadsman : I.D. Kanhai, Bsc., advocaat,

VONNIS

van de Krijgsraad, zitting houdende te Paramaribo, in de verzet strafzaak van de auditeur-militair tegen:

BOUTERSE, DESIRÉ DELANO,

geboren op [datum] in [district],

voorheen van beroep militair in de rang van Luitenant-Kolonel, thans politicus,

wonende aan de [adres] te [district],

defaillant,

  1. Ontvankelijkheid rechtsmiddel van verzet

Op 29 november 2019 heeft de Krijgsraad in de onderhavige strafzaak tegen de voornoemde defaillant vonnis bij verstek gewezen en uitgesproken. Het bij verstek gewezen en uitgesproken vonnis heeft plaatsgevonden op basis van al hetgeen tijdens het onderzoek op de diverse data gehouden terechtzittingen en gerechtelijke plaatsopnemingen in de onderhavige strafzaak tegen de defaillant (toen de niet – verschenen verdachte), en wel gedurende 30 november 2007 tot en met 29 november 2019, heeft plaatsgevonden.

Op 2 december 2019 heeft de defaillant door tussenkomst van zijn raadsman het rechtsmiddel van verzet tegen het verstekvonnis aangewend.

De Krijgsraad is van oordeel dat de defaillant binnen de in artikel 364 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gestelde termijn het rechtsmiddel van verzet heeft aangewend, zodat hij daarin ontvankelijk is.

  1. Het onderzoek van de verzet strafzaak ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van al de procesverrichtingen die op de terechtzittingen van respectievelijk d.d. 22 januari 2020, 30 oktober 2020, 30 november 2020, 29 januari 2021, 26 februari 2021, 31 maart 2021, 30 april 2021 en 30 juli 2021 hebben plaatsgevonden en van welke terechtzittingen de processen-verbaal zijn opgemaakt.

De Krijgsraad heeft op basis van al de procesverrichtingen die ter terechtzitting hebben plaatsgevonden het volgende vastgesteld:

– de defaillant is in de gelegenheid gesteld om de reden van het aanwenden van het verzet aan te geven, welke hij middels een statement op 30 november 2020 heeft gedaan;

– de defaillant is conform het bepaalde in artikel 269 Sv in de gelegenheid gesteld preliminaire verweren op te werpen, welke preliminaire verweren de Krijgsraad in haar beslissing op 31 maart 2021 heeft verworpen;

– vervolgens heeft de Krijgsraad zowel de defaillant, als de vervolging in de gelegenheid gesteld de namen van getuigen die zij in de onderhavige verzet strafzaak wensen te doen horen op te geven, bij welke gelegenheid de defaillant en de auditeur-militair aan de Krijgsraad hebben kenbaar gemaakt geen behoefte te hebben om getuigen te doen horen;

– de defaillant heeft, aleer de Krijgsraad zou overgaan tot zijn verhoor, op de terechtzitting van 30 april 2021 uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat hij gebruik wenst te maken van zijn zwijgrecht. Bij die gelegenheid hij heeft kenbaar gemaakt dat hij persisteert bij:

a) zijn verhoor en nader verhoor, die hij bij de Rechter-commissaris tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek respectievelijk d.d. 28 juni 2001 en 30 november 2004 heeft afgelegd, van welk verhoor en nader verhoor de processen-verbaal zich in het strafdossier dossier bevinden;

b) zijn op schrift gestelde statement, welke hij op de terechtzitting van 30 oktober 2020 heeft voorgelezen en overgelegd;

– hierna zijn de auditeur-militair en de raadsman van de defaillant in de gelegenheid gesteld om respectievelijk het requisitoir, pleidooi, repliek en dupliek te voeren, en is de defaillant na afloop van deze proceshandelingen in de gelegenheid gesteld het laatste woord te voeren. Op daartoe uitdrukkelijk gestelde vraag van de Krijgsraad of hij indien er naar aanleiding van het laatste woord vragen gesteld zullen worden, bereid is die te beantwoorden, heeft defaillant wederom uitdrukkelijk kenbaar gemaakt gebruik te maken van zijn zwijgrecht.

De Krijgsraad gaat thans over tot het wijzen van vonnis in de onderhavige verzetstrafzaak tegen de defaillant.

  1. De tenlastelegging
    Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding bij de Krijgsraad, van waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De defaillant is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

  1. Het vonnis waarvan verzet

De Krijgsraad volhardt bij de inhoud van de eerder door haar gegeven en uitgesproken beslissing d.d. 31 maart 2021 op de door de defaillant opgeworpen preliminaire verweren betreffende nietigheid van de dagvaarding, de bevoegdheid van de Krijgsraad en de niet-ontvankelijkheid van de auditeur-militair. Van deze beslissing is als bijlage II aan dit vonnis gehecht, een door de griffier gewaarmerkte fotokopie, van welke beslissing de inhoud moet worden geacht hier in dit vonnis te zijn overgenomen.

De Krijgsraad heeft kennis genomen van de statement van de defaillant, de vordering van de auditeur-militair bij requisitoir en repliek, van hetgeen de raadsman van de defaillant naar voren heeft gebracht bij pleidooi en dupliek, en van het laatste woord van de defaillant.

De auditeur-militair heeft gepersisteerd bij al hetgeen in de verstekprocedure in het requisitoir en het repliek is gesteld, overwogen en gevorderd op basis van de door de auditeur-militair aangedragen bewijsmiddelen en -overwegingen. De auditeur-militair heeft geconcludeerd dat de defaillant en diens raadsman geen nieuwe gezichtspunten naar voren hebben gebracht die de vervolging nopen tot andere overwegingen met betrekking tot de bewezenverklaring, en gevorderd dat de Krijgsraad het bij verstek gewezen en uitgesproken vonnis d.d. 29 november 2019 bekrachtigt.

De raadsman van de defaillant heeft evenals de auditeur-militair gepersisteerd bij al hetgeen in het pleidooi en het dupliek in de verstekprocedure is aangevoerd, waarbij het verzoek is gedaan om alles als herhaald te willen aanmerken op grond waarvan hij vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging voor de defaillant vordert.

Aan dit vonnis is als bijlage III gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van het op 29 november 2019 door de Krijgsraad bij verstek gewezen en in het openbaar uitgesproken vonnis tegen de defaillant. De Krijgsraad is in het verstekvonnis – en zoals dat uit de inhoud ervan blijkt – breedvoerig ingegaan op de juridische standpunten van de auditeur-militair en de raadsman van de defaillant met betrekking tot de bewijsmiddelen c.q. de bewijswaardering. De Krijgsraad heeft op basis van de door haar gebezigde bewijsmiddelen in de verstekprocedure het aan de defaillant ten laste gelegde feit, te weten medeplegen van moord, wettig en overtuigend bewezen verklaard en heeft aan de defaillant een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren opgelegd.

De auditeur-militair en de raadsman van de defaillant hebben in de onderhavige verzetprocedure, vanwege het blijven volharden in de standpunten die zij in de verstekprocedure hadden aangevoerd, de Krijgsraad geen nieuwe inzichten verschaft over de bewijsmiddelen die zijn gebezigd in het verstekvonnis.

Voor wat betreft de door de defaillant in zijn statement van 30 november 2020 en zijn laatste woord op 30 juli 2021 gehuldigde juridische standpunten over de door de Krijgsraad gebezigde bewijsmiddelen in het door haar gewezen en uitgesproken verstekvonnis, benadrukt de Krijgsraad dat zij niet in de gelegenheid is geweest om deze ter terechtzitting te toetsen dan wel aan een nader onderzoek te onderwerpen. Dit, vanwege het uitdrukkelijk beroep van de defaillant op het gebruik maken van het aan hem toekomende zwijgrecht.

De Krijgsraad wenst te benadrukken dat de defaillant de bevoegdheid toekomt om het rechtsmiddel van verzet aan te wenden, doch heeft hij naar het oordeel van de Krijgsraad met het zich daarna beroepen op zijn zwijgrecht, oneigenlijk gebruik van dit rechtsmiddel gemaakt. Dit, omdat de defaillant met het aanwenden van dit rechtsmiddel de indruk heeft doen wekken dat hij – in het kader van de waarheidsvinding – alle feiltelijke en juridisch relevante zaken die hij vanwege zijn niet verschijning in de verstek procedure heeft kunnen aandragen, bij de behandeling van de strafzaak in verzet procedure aan de orde zou stellen.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de Krijgsraad geen andere keus dan deze strafzaak zonder nader onderzoek af te doen op grond van de processtukken die zich in het strafdossier bevinden.

Nu de Krijgsraad in het door haar op 29 november 2019 gewezen en uitgesproken verstekvonnis reeds breedvoerig en ampel is ingegaan op al de juridische standpunten van de auditeur-militair en de raadsman van de defaillant en bij de inhoud van het verstekvonnis blijft volharden, zal de Krijgsraad het bij verstek gewezen en uitgesproken vonnis, waarvan thans verzet, bekrachtigen.

  1. Beslissing in verzet

De Krijgsraad:

Bekrachtigt het op 29 november 2019 door de Krijgsraad bij verstek gewezen en uitgesproken vonnis in de strafzaak van de auditeur-militair tegen de defaillant Bouterse, Desiré Delano.

 

Dit vonnis is gewezen door

drs. C.C.L.A. Valstein-Montnor, president,

S.M.M. Chu, lid,

R.G. Chatterpal, lid,

en ter openbare terechtzitting uitgesproken op 30 augustus 2021 te Paramaribo door de president van de Krijgsraad, mr. drs. C.C.L.A. Valstein-Montnor, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. Oosterwolde.

w.g. N. Oosterwolde w.g.C.C.L.A.Valstein-Montnor

w.g.S.M.M.Chu

w.g.R.G.Chatterpal

Voor afschrift

De Griffier van de Krijgsraad

Mr.N. Oosterwolde

 

SRU-K1-2021-12

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1987

19 juli 2021

Vonnis in kort geding in de hoofdzaak van:

A. DE STICHTING REGIONAAL ZIEKENHUIS WANICA,

gevestigd aan de Vredenburg Serie B in het district Wanica,

eiseresin conventie, tevens gedaagde in reconventie,

hierna te noemen: RZW,

gemachtigde:mr.A.C.A. Karg, advocaat,

B. DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID,

gevestigd en kantoorhoudende aan de HenckArronstraat no. 64 te Paramaribo,

eiser,

hierna te noemen: de Staat,

gemachtigde: mr. C.B. Lachman, advocaat

 

tegen

 

[gedaagde],

wonende aan de [adres] in [ district] ,

gedaagde in conventie, tevens gedaagde in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigden: mr. A.E. Debipersad en mr. T. Jhakry, beiden advocaat.

 

Dit vonnis bouwt voort op het in de onderhavige zaak tussen partijen gewezen en uitgesproken tussenvonnis d.d. 17 juli 2021.

  1. Het verdere verloop van het proces

In conventie en reconventie

1.1 Dit blijktuit de volgende processtukken en –handelingen:

  • de conclusie tot uitlating producties in conventie en antwoord in reconventie d.d. 18 juli 2021.

1.2 De uitspraak van het vonnisis bepaald op heden.

  1. De verdere beoordeling in conventie en reconventie

2.1 Algemeen

2.1.1 De kantonrechter blijft volharden bij de inhoud van het tussen partijen gewezen en uitgesproken tussenvonnis d.d. 17 juli 2021.

2.1.2 De kantonrechter stelt het volgende voorop. Op grond van het vonnis dat op 22 april 2020 in de zaak bekend onder A.R. No. 20-1182 tussen [gedaagde] en RZW is gewezen, welk vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, komt [gedaagde] de bevoegdheid toe tot tenuitvoerlegging van het vonnis, waaronder mede begrepen het leggen van executoriaal beslag op gelden en/of goederen van RZW tot de hoogte van het bedrag waartoe RZW is veroordeeld. Mocht [gedaagde] geen in redelijkheid te respecteren belang hebben bij het gebruik maken van de aan hem toekomende executiebevoegdheid en desondanks hiervan gebruik maken, dan wel misbruik mocht maken van zijn executiebevoegdheid, dan kan dit volgens vaste jurisprudentie grond opleveren tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis en eventueel opheffing van het gelegd executoriaal beslag dat krachtens dit vonnis is geschied.
Van misbruik van executiebevoegdheid kan slechts sprake zijn indien de te executeren titel (het vonnis) klaarblijkelijk berust op een feitelijke misslag, of indien tenuitvoerlegging op grond van na de titel voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde (in casu RZW) een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

2.1.3 Als uitgangspunt dient dat [gedaagde]hetgeen hij krachtens het vonnis van RZW te vorderen heeft, mag verhalen op alle gelden en goederen van RZW, tenzij de wet anders bepaalt. Blijkens het bepaalde in artikel 312a Rv mag beslag niet worden gelegd op goederen bestemd voor de openbare dienst. In dat licht heeft de Staat – naar de kantonrechter de stellingen van RZW en de Staat begrijpt – de onderhavige vordering tezamen met RZW ingesteld, omdat zij zich op het standpunt stellen dat de gelden van RZW onder de bankinstelling en roerende goederen waarop [gedaagde] executoriaal beslag heeft doen leggen bestemd zijn voor de openbare dienst. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en mede op grond van het feit dat de Staat geen partij is geweest in de kort gedingzaak bekend onder A.R. No. 20-1182, zal de kantonrechter zich bij de beoordeling van het debat tussen de Staat en [gedaagde] – voor zover dat nodig is – slechts beperken tot de beantwoording van de vraag of de in executoriaal beslag genomen gelden onder de bankinstelling en goederen kunnen worden aangemerkt als gelden en goederen bestemd voor de openbare dienst.

2.2 In conventie

Formeel verweer tot niet ontvankelijk verklaring van de Staat

2.2.1 [gedaagde] voert als formeel verweer dat de Staat niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de onderhavige zaak, omdat de Staat geen procespartij in het oorspronkelijke kort geding is geweest. Voorts voert hij aan dat de Staat heeft verzuimd het bewijs aan te dragen dat door de ten uitvoerlegging van het vonnis de belangen van de Staat zullen worden geschaad. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] dit formeel verweer onvoldoende onderbouwd, omdat uit de stellingen van RZW en de Staat valt af te leiden dat de Staat zich erop beroept dat de door [gedaagde] in executoriaal beslag genomen gelden onder de bankinstelling en goederen voor de openbare dienst bestemd zijn. De Staat kan in dit geval, naar analogie van artikel 347a Rv, opheffing van het executoriale beslag vorderen om redenen van openbaar belang. Mitsdien verwerpt de kantonrechter het door [gedaagde] opgeworpen formeel verweer.

Spoedeisend belang

2.2.2 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde, hetgeen de kantonrechter aanleiding geeft RZW en de Staat in het kort geding te ontvangen.

Beroep op klaarblijkelijk feitelijke en juridische misslag

2.2.3 Naar de kantonrechter RZW begrijpt, berust het vonnis klaarblijkelijk op een feitelijke en juridische misslag. RZW heeft echter, zoals [gedaagde] terecht opwerpt, nagelaten te stellen welke overwegingen in het vonnis klaarblijkelijk op een feitelijke en juridische misslag berusten. Voor zover RZW mocht beogen te stellen dat de feitelijke en juridische misslag daarin bestaan dat de arbeidsovereenkomst d.d. 19 februari 2020 waar [gedaagde] zich in de zaak bekend onder A.R. 20-1182 op heeft beroepen – tot staving van de vermeend bestaande arbeidsrelatie tussen hem en RZW – vervalst is, is de kantonrechter van oordeel dat dit als een grief in hoger beroep aan de orde dient te worden gesteld. Dit, omdat blijkens de inhoud van de overwegingen van het vonnis, van welk vonnis [gedaagde] een fotokopie ten processe heeft overgelegd,de behandelende kantonrechter in die zaak uitvoerig is ingegaan op de standpunten van partijen hierover. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan deze stelling van RZW.

Het ontbreken van een in redelijkheid niet te respecteren belang

2.2.4 RZW stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] in redelijkheid een niet te respecteren belang heeft bij de tenuitvoerlegging van het vonnis, omdat zij bereid is deelbetalingen te plegen maar ook omdat [gedaagde] dubbele inkomsten geniet.

[gedaagde] voert in reactie hierop aan, dat dit niet afdoet aan zijn claim. De kantonrechter kan [gedaagde] volgen in zijn verweer, omdat hij blijkens het vonnis een vordering op RZW heeft en hij bevoegd is het vonnis te executeren indien RZW niet aan het vonnis voldoet. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft RZW geen concrete betalingsschema aan [gedaagde] voorgesteld. Indien het RZW ernst was om deelbetalingen te plegen, mocht op zijn minst van haar worden verwacht dat zij een concrete betalingsschema had aangeboden en overgelegd. Dit temeer daar uit het verweer van [gedaagde]kan worden afgeleid dat hij er geen vertrouwen in heeft dat RZW aan het vonnis zal voldoen.

Conclusie

2.2.5 Op grond van hetgeen hiervoor onder 2.2.3 en 2.2.4 is overwogen, komt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat van misbruik van executierecht geen sprake is, zodat er geen grond is tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. Dit geeft aanleiding om zowel het primair gevorderde onder III als het subsidiair gevorderde onder III te weigeren.

De gelegde executoriale beslagen

2.2.6 Uit hetgeen hiervoor onder 2.1.2 en 2.2.5 is overwogen volgt, dat [gedaagde] bevoegd is om executoriaal beslag te doen leggen op de gelden van RZW onder de bankinstelling en de roerende goederen van RZW. Thans dient te worden beoordeeld of er gronden zijn tot opheffing van de gelegde executoriale beslagen.

Beroep op nietigheid van het gelegd executoriaal derdenbeslag

2.2.7 RZW beroept zich erop dat het gelegd executoriaal derdenbeslag nietig is, omdat het niet binnen de bij wet vastgestelde termijn aan haar is betekend. In reactie hierop werpt [gedaagde] op dat ingevolge artikel 599 lid 3 juncto artikel 596 lid 1 Rv het beslag dient te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering of het onnodige van het beslag mocht blijken, indien behoorlijke zekerheid is gesteld voor of betaling heeft plaatsgehad van de som voor welke het beslag is gelegd.

Naar het oordeel van de kantonrechter gaat [gedaagde] uit van een verkeerd toetsingskader, omdat dat toetsingskader betrekking heeft op conservatoire beslagen en niet op executoriale beslagen. Als toetsingskader voor opheffing van executoriale beslagen geldt hetzelfde toetsingskader als bij een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis, namelijk misbruik van executiebevoegdheid. Tevens dient ook als toetsingskader bij executoriaal derdenbeslag de wettelijke formaliteiten die de executant in acht dient te nemen bij en na het leggen van het beslag. RZW beroept zich op één der wettelijke formaliteiten waarmee [gedaagde] volgens haar betoog in strijd heeft gehandeld, te weten artikel 344 lid 3 Rv, die onder meer als volgt luidt: “Binnen acht dagen na deze betekening moet het beslag, op straffe van nietigheid, ook aan de geëxecuteerde worden betekend.’

Hiertegen heeft [gedaagde] niets relevants ingebracht. Evenmin heeft hij zich enige moeite getroost het beslagexploot, waaruit kan worden afgeleid dat het exploot van het gelegd executoriaal derdenbeslag aan RZW is betekend, ten processe over te leggen. Nu [gedaagde] zulks heeft nagelaten, zal de kantonrechter het ervoor moeten aannemen dat het exploot van het gelegde beslag niet is betekend aan RZW, dan wel niet binnen de in artikel 344 lid 3 Rv vastgestelde termijn aan RZW is betekend. De voorlopige slotsom is, dat RWZ slaagt in het beroep op nietigheid van het gelegde beslag, hetgeengrond oplevert tot opheffing van het gelegd executoriaal derdenbeslag. Hieruit volgt dat het primair gevorderde onder I als gegrond zal worden toegewezen.

Het executoriale beslag op de roerende goederen

2.2.8 Zoals reeds hiervoor onder 2.2.6 is overwogen geldt als toetsingskader voor opheffing van executoriale beslagen hetzelfde toetsingskader als bij vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van vonnissen, namelijk misbruik van executierecht. Nu reeds inhoudelijk hierover is geoordeeld onder 2.2.4 in dit vonnis en de voorlopige slotsom is dat van misbruik van executiebevoegdheid geen sprake is, blijft nog overeind de beantwoording van de vraag of de in beslag genomen roerende goederen kunnen worden aangemerkt als te zijn goederen die bestemd zijn voor de openbare dienst.

De kwalificatie van de in executoriaal beslag genomen goederen

2.2.9 RZW en de Staat stellen zich op het standpunt dat de goederen waarop[gedaagde]het executoriale beslag heeft doen leggen niet vatbaar zijnvoor beslag, omdat de goederen – naar de kantonrechter RZW en de Staat begrijpt – bestemd zijn voor de openbare dienst. Ter onderbouwing van hun standpunt, stellen RZW en de Staat onder meer het hierna volgende. De Staat is in de ruimste zin des woordbelast met het toezicht op de behartiging van de volksgezondheid en heeft tot taak het waarborgen van de kwaliteit, beschikbaarheid en bereikbaarheid van de gezondheidszorg over het gehele land. RZW is door de Staat opgericht en zijn de activiteiten van RZW onderdeel van de openbare dienst. Met name betreffen de activiteitenvan RZW het beheer en de exploitatie van een algemeen ziekenhuis, de samenwerking met andere ziekenhuizen en in het bijzonder de rechtstreeks door de Staat aan RZW opgedragen taak van frontline zorg en opvang, behandeling en verzorging van patiënten met het COVID-19 virus en de varianten daarvan. Daar RZW een werkarm van de Staat is, heeft de Staat belang in de onderhavige zaak.

[gedaagde] daarentegen stelt zich op het standpunt dat de inbeslag genomen goederen niet bestemd zijn voor de openbare dienst. In dat licht voert hij het hierna volgende aan. De bedoelde roerende goederen staan niet geregistreerd ten name van de Staat en kunnen dus niet bestemd zijn voor de openbare dienst. Het feit dat RZW door de Staat is opgericht en onder toezicht van een door de Staat benoemde Raad van Bestuur staat, maakt nog niet dat de feitelijk door RZW uitgeoefende werkzaamheden rechtstreeks het openbaar belang dienen.

2.2.10 De kantonrechter stelt voorop dat het bij goederen voor de openbare dienst moet gaan om goederen, zonder welke de openbare dienst niet goed kan functioneren. Voor de beantwoording van de vraag of goederen al dan niet bestemd zijn voor openbare dienst is echter niet bepalend of de goederen toebehoren aan een overheidsinstantie, zijnde de Staat. Dit, omdat ook niet-publiekrechtelijke rechtspersonen een overheidstaak kunnen uitoefenen en hun goederen kunnen aanwenden voor het uitvoeren van de aan hun opgedragen overheidstaak.[gedaagde] heeft niet weersproken dat RZW als ziekenhuisinstelling door de Staat is aangewezenom patiënten met het COVID-19 virus en de varianten daarvan op te vangen, te begeleiden en verzorgen, zodat de kantonrechter de stelling van RZW en de Staat ter zakevoor waar zal moeten aannemen. Dit brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat RZW, voor zover deze als een niet-publiekrechterlijkerechtsorgaan dient te worden aangemerkt, welbelast is met overheidstaken.

2.2.11 Thans is aan de orde de beantwoording van de vraag voor welke specifieke overheidstaken de in executoriaal beslag genomen goederen worden aangewend. De kantonrechter stelt vast dat RZW en de Staat niets hierover hebben gesteld, zodat niet aannemelijk is dat de in executoriaal beslag genomen roerende goederen bestemd zijn voor de openbare dienst. Op grond hiervan en mede op grond van hetgeen hiervoor onder 2.2.5 is overwogen, is er geen grond tot opheffing van de in executoriaal beslag genomen roerende goederen. Hieruit volgt dat zowel het primair gevorderde onder II als het subsidiair gevorderde onder II als ongegrond zal worden geweigerd.

Overige stellingen en weren

2.2.12 De overige stellingen en weren van partijen die in de onderhavige zaak niet relevant worden geacht, behoeven geen bespreking. Dit, omdat die tot geen andere uitkomst zullen leiden.

Proceskosten

2.2.13 Daar RZW en de Staat voor een miniem deel in het ongelijk zullen worden gesteld, zullen de proceskosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tussen partijen worden gecompenseerd, met dien verstande dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

2.3 In reconventie

De kantonrechter stelt vast en zoals RZW terecht opwerpt, dat [gedaagde] heeft nagelaten te stellen wat het spoedeisend belang in reconventie is. Mitsdien zal hij niet worden ontvangen in het kort geding en de door hem gevorderde voorziening worden geweigerd. Ook in dit geval zal de kantonrechter de proceskosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tussen partijen compenseren.

  1. De beslissing in conventie en reconventie

De kantonrechter in kort geding:

3.1 In conventie

3.1.1 Heft op het door deurwaarder S.S. Saheblal bij exploot d.d. 24 juni 2021, no. 108A-21, gelegd executoriaal derdenbeslag onder de Finabank N.V. op alle gelden, geldswaarden en/of goederen die zij als derde-gearresteerde verschuldigd mocht zijn of worden aan of onder haar berusting mocht hebben of verkrijgen van RZW.

3.1.2 Verklaart hetgeen hiervoor onder 3.1.1 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

3.1.3 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

3.1.4 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

3.2 In reconventie

3.2.1 Weigert de gevorderde voorziening.

3.2.2 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op maandag 19 juli 2021 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in aanwezigheid van de griffier.

 

 

SRU-K1-2021-11

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1987

17 juli 2021

Vonnis in kort geding in het incident van:

STICHTING STAATSZIEKENFONDS,

gevestigd en kantoorhoudende aan de F. Derbystraat no. 107-111 te Paramaribo,

eiseres in het incident,

hierna te noemen: SZF,

gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

 

in de zaak van:

A. DE STICHTING REGIONAAL ZIEKENHUIS WANICA,

gevestigd aan de Vredenburg Serie B in het district Wanica,

Eiseresin de hoofdzaak, tevens gedaagde in het incident,

hierna te noemen: RZW,

gemachtigde:mr. A.C.A. Karg, advocaat

B. DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID,

gevestigd en kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 64 te Paramaribo,

eiser in de hoofdzaak, tevens gedaagde in het incident,

hierna te noemen: de Staat,

gemachtigde: mr. C.B. Lachman, advocaat

 

tegen

 

[gedaagde],

wonende aan de [adres] in [district],

gedaagde in de hoofdzaak, tevens gedaagde in het incident,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigden: mr. A.E. Debipersad en mr. T. Jhakry, beiden advocaat.

  1. Het verloop van het proces

In de hoofdzaak in conventie en reconventie en in het incident

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 06 juli 2021op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d.09 juli 2021;
  • de incidentele eis tot voeging d.d. 12 juli 2021 tot voeging van SZF in de hoofdzaak;
  • de conclusie van antwoord in conventie in de hoofdzaak, tevens eis in reconventie in de hoofdzaak d.d. 15 juli 2021;
  • de conclusie van antwoord in het incident aan de zijde van RZW en de Staat d.d. 15 juli 2021;
  • de conclusie van antwoord in het incident aan de zijde van [gedaagde]
    d.d. 15 juli 2021.

1.2 De uitspraak van het vonnis in het incident is bepaald op heden.

  1. De feiten voor zover van belang voor het incident en de hoofdzaak in conventie en reconventie

2.1 Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 22 april 2021, in de kort gedingzaak bekend onder A.R. No. 20-1182, hierna aangeduid als het vonnis, is RZW veroordeeld tot betaling van loon ad SRD 30.000,- per maand aan [gedaagde] over de periode 19 november 2019 tot en met oktober 2020.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De procespartijen in de hiervoor vermelde zaak zijn geweest,[gedaagde] als de eisende partij en RZW als de gedaagde partij.

2.2 Op 19 mei 2021 heeft [gedaagde] het vonnis aan RZW doen betekenen.
RZW heeft hoger beroep aangewend tegen het vonnis.

2.3 Blijkens exploot van:
a) de deurwaarder bij het Hof van Justitie, S.S. Saheblal, d.d. 24 juni 2021, no. 108A-21, heeft [gedaagde] op vermelde datum executoriaal derdenbeslag doen leggen op alle gelden, geldswaarden en/of goederen onder de Finabank N.V. ten laste van RZW;

b) de deurwaarder bij het Hof van Justitie, P.S. Olensky, d.d. 28 juni 2021, no. 502-21, heeft [gedaagde] executoriaal beslag doen leggen op de hierna volgende roerende goederen:

1)een wit gelakte pick up van het merk Hunday kentekenno. [nummer];

2) Hunday 15 personen bus, kentekenno. [nummer], witgelakt;

3) een Mitsubishi Rosa 30 personen, kentekenno. [nummer];

4) een Kia Rio personenauto roodgelakt, kentekenno.[nummer];

5) een rechthoekige houten vergaderburo (bruin).

2.4 De executoriale verkoop van de hiervoor onder 2.3 vermelde in executoriaal beslag genomen roerende goederen zal op 21 juli 2021 om 11.00 uur des voormiddag plaatsvinden.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer in de hoofdzaak

In conventie en reconventie

3.1 In conventie vordert RZWdat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

Primair:

I) gelast de opheffing van het gelegd executoriaal derdenbeslag;

II) gelast de opheffinghet gelegd executoriaal beslag op de roerende goederen;

Subsidiair:

I) gelast de schorsing, dan wel opschorting van het gelegd executoriaal derden beslag;

II) gelast de schorsing, dan wel opschorting het gelegd executoriaal beslag op de roerende goederen;

Zowel primair als subsidiair:

III) [gedaagde] verbiedt handelingen gericht op de executie, dan wel uitwinning van de executoriale beslagen, althans het vonnis van de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton d.d. 22 april 2021 met A.R. No. 20-1182;

IV) [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 In conventie leggen RZW en de Staat verkort en zakelijk weergegeven, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende aan het gevorderde ten grondslag:

– het vonnis berust op een klaarblijkelijke feitelijke en juridische misslag;

– een redelijk te respecteren belang tot ten uitvoerlegging van het vonnis aan de zijde van [gedaagde] ontbreekt, omdat RZW bereid is deelbetalingen aan [gedaagde] te plegen, [gedaagde] dubbele inkomsten geniet vanwege zijn dienstbetrekking met SZF en hij inkomsten geniet uit werkzaamheden als arts;

– de inbeslag genomen goederen bestemd zijn voor de openbare dienst, zodat dit beslag in strijd is met het verbod gesteld in artikel 312a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);

– het gelegd executoriaal derdenbeslag is nietig, omdat [gedaagde] het beslag in strijd met het bepaalde in artikel 344 Rv niet tijdig aan RZW heeft doen betekenen.

3.3 In conventie heeft [gedaagde] verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

3.4 In reconventie vordert [gedaagde] dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, RZW veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van US$ 4.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 9 juli 2021 tot en met de dag der algehele voldoening daarvan.

3.5 In reconventie legt [gedaagde] aan het gevorderde ten grondslag dat RZW misbruik maakt van procesrecht, en wel in die zin dat RZW ervoor heeft gekozen om [gedaagde] op te zadelen met een rechtsproces, terwijl zij haar vordering in coventie baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op de stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hebben.

  1. De vordering en de grondslag in het incident

In het incident vordert SZF dat de kantonrechter in kort geding haar toestaat om zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van RZW.

SZF ondersteunt RZW in diens stelling dat het vonnis zowel juridisch als feitelijk onjuist is en stelt daartoe het hierna volgende:

– tussen haar en [gedaagde] heeft vanaf 05 februari 2018 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bestaan;

– SZF heeft [gedaagde] met ingang van 19 november 2019 aan RZW uitgeleend;

– ondanks [gedaagde] aan RZW was uitgeleend, heeft hij gedurende november 2019 tot en met oktober 2020 normaal salaris van SZF ontvangen. Dit is de periode waarover hij betaling van salaris van RZW heeft gevorderd en waartoe RZW tot betaling van het salaris bij vonnis is veroordeeld;

– indien [gedaagde] daadwerkelijk aanspraak maakt op door RZW te betalen loon, dan maakt SZF aanspraak op restitutie van het totaal door haar aan [gedaagde] betaalde bedrag van SRD 333.514,-; SZF is in het verlengde hiervan door subrogatie gerechtigd dit bedrag van RZW te vorderen en heeft er voldoende belang bij zich te voegen aan de zijde van RZW.

  1. De beoordeling in het incident tot voeging

5.1 RZW en de Staat referen zich ten aanzien van het incident, aan het oordeel van de kantonrechter. [gedaagde] daarentegen heeft bezwaar tegen het incident tot voeging. Het bezwaar van [gedaagde] bestaat daarin, dat toewijzing hiervan tot onredelijke vertraging van de hoofdzaak zal leiden en het de executie onnodig gecompliceerd zal maken, hetgeen in strijd is met de goede procesorde. Voorts voert [gedaagde] aan dat SZF niet gesteld heeft welke nadelige gevolgen de voortzetting van de aangekondigde executie en handhaving van de gelegde beslagen voor haar te weeg zullen brengen, zodat het incidenteel verzoek tot voeging niet toewijsbaar is.

5.2 De kantonrechter is het hierna volgende van oordeel. Ingevolge artikel 214 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is een ieder die belang heeft bij een rechtsgeding, hangende tussen andere partijen, bevoegd te vorderen zich daarin te mogen voegen of tussen te komen.

Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij, die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert (in dit verband wordt verwezen naar HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1787)

5.3 De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van SZF dat zij het aan [gedaagde] uitbetaalde salaris over de periode waartoe RZW tot betaling is veroordeeld, onverschuldigd aan [gedaagde] heeft betaald en dit bedrag dus van RZW heeft te vorderen. Deze stelling van SZF is niet te volgen, omdat een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling als een zelfstandige vordering jegens [gedaagde] dient te worden aangemerkt en niet als subrogatie. Bovendien geschiedt subrogatie (inde plaatsstelling in de rechten van de schuldeiser ten behoeve van een derde persoon, die deze betaalt) blijkens het bepaalde in artikel 1421 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek bij overeenkomst of uit kracht van de wet.

Voorts valt geenszins uit de door SZF gestelde feiten en omstandigheden af te leiden welke rechtstreekse nadelige gevolgen een toewijzing of afwijzing van de vordering van RZW in de onderhavige zaak, dan wel welke nadelige gevolgen de voortzetting van de aangekondigde executie en handhaving van de gelegde beslagen voor haar (SZF) te weeg zullen brengen. Om die reden zal de vordering in het incident tot voeging worden afgewezen. In dat licht neemt de kantonrechter ook in overweging dat de zaak tussen RZW en [gedaagde] zich reeds in de executoriale fase bevindt en het toestaan van de voeging in dit stadium tot onredelijke vertraging van de hoofdzaak zal leiden, hetgeen zoals [gedaagde] terecht aanvoert, in strijd met de beginselen van een goede procesorde wordt geacht. Dit, temeer daar de veiling van de in executoriaal beslag genomen roerende goederen van RZW op 21 juli 2021 zal plaatsvinden.

In de hoofdzaak

5.4 Nu de vordering in het incident tot voeging niet zal worden toegestaan, zal vanwege het bijzonder spoedeisend karakter in de hoofdzaak het concluderen stoppen bij conclusie tot uitlating over de producties die in conventie zijn overgelegd en antwoord in reconventie. Mitsdien zal RZW in de gelegenheid worden gesteld om op zondag 18 juli 2021 om 09.00 uur per mailte concluderen voor uitlating productie in conventie en antwoord in reconventie, zonder uitstel. Ditzelfde geldt ook voor de Staat die op zondag 18 juli 2021 om 09.00 uur per mail dient te concluderen voor uitlating producties in conventie, zonder uitstel.

5.5 Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak zal worden aangehouden.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

In het incident

6.1 Staat niet toe de incidentele vordering tot voeging.

In de hoofdzaak in conventie en reconventie

6.2 Stelt RZW in de gelegenheid om op zondag 18 juli 2021 uiterlijk 09.00 uur per mail te concluderen voor uitlating producties in conventie en antwoord in reconventie, zonder uitstel.

6.3 Stelt de Staat in de gelegenheid om op zondag 18 juli 2021 uiterlijk 09.00 uur per mail te concluderen voor uitlating producties, zonder uitstel.

6.4 Bepaalt dat eindvonnis in de hoofdzaak zal worden gewezen op maandag 19 juli 2021 om 10.00 uur.

6.5 Houdt iedere verdere beslissing in conventie en reconventie aan.

 

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op zaterdag 17 juli 2021 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-K1-2021-10

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-2119

17 juli 2021

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[Bedrijf],

gevestigd aan de [adres] te [district],

eiseres,

gemachtigde:mr. C. Rambharos, advocaat,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE meer in het bijzonder HET OPENBAAR MINISTERIE, rechtspersoon,

in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,

kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,

gevolmachtigde: mr. S. Ramdayal, Waarnemend Substituut Officier van Justitie,

B.STICHTING VOOR BOSBEHEER EN BOSTOEZICHT,

gevestigd en kantoorhoudende aan de Ds. Martin Luther Kingweg no. 283 te Paramaribo,
gedaagde,
gevolmachtigden: mr. F.S.F. Narsing-Abdul en dhr. W. Nannan.

  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op15 juli 2021op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 16 juli 2021;
  • de aantekeningen van de griffier betreffende hetgeen partijen over weer tijdens het mondeling pleiten d.d. 16 juli 2021 hebben aangevoerd, met daaraan gehecht de producties die partijen tijdens het mondeling pleiten hebben overgelegd

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden om 08.30 uur.

  1. De feiten

2.1 In april 2021 heeft gedaagde sub A 968 blokken rondhout van eiseres, die klaar waren voor de export, in justitieel beslag genomen. Dit, vanwege verdenking van het overtreden van de Wet Economische Delicten. Met name bestaat het vermoeden bij gedaagde sub A dat niet de juiste procedure zou zijn gevolgd bij de export van de blokken rondhout.

2.2 Het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak is nog gaande en bevindt zich nog in de voorbereidende fase. In opdracht van gedaagde sub A, zal gedaagde sub B binnenkort overgaan tot de openbare verkoop van de in beslag genomen blokken rondhout. Belangstellenden zijn in de gelegenheid gesteld gedurende 13 juli 2021 tot en met 16 juli 2021 de blokken rondhout te bezichtigen op de landing/houtopslagplaats van eiseres en een bod te doen op het door gedaagde sub B opgegeven emailadres. De marktwaarde van de blokken rondhout is vastgesteld op SRD. 4.758.236,09.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

  1. a) gedaagden veroordeelt om binnen 1×24 uur, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn de verkoop van de 968 stuks in beslag genomen blokken rondhout als vermeld in de bekendmaking d.d. 13 juli 2021 onder nummer SBB/SBN 822/21 door gedaagde sub B stop te zetten, totdat in de strafzaak waarop het justitieel beslag op deze blokken rondhout betrekking heeft is beslist door de kantonrechter;
  2. b) gedaagden veroordeelt tot betaling van een dwangsom van SRD 500.000,-, voor iedere dag waarop zij in gebreke blijven om aan dit vonnis te voldoen.

3.2 Eiseres legt aan het gevorderde ten grondslag, dat gedaagden een onrechtmatige daad jegens haar plegen. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, dat gedaagden in strijd met het bepaalde in artikel 103 lid 3 sub a tot en met c van het Wetboek van Strafvordering (Sv), dan wel zonder in het bezit te zijn van een daartoe verkregen machtiging van de rechter overgaan tot het vervreemden van de bedoelde blokken rondhout.

Eiseres zal onherstelbare schade lijden, indien de openbare verkoop voortgang zal vinden, omdat niet voor de gehele partij in beslag genomen rondhout het vermoeden bestaat dat niet de juiste procedure zou zijn gevolgd.

3.3 Gedaagden hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

  1. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde, hetgeen de kantonrechter aanleiding geeft om eiseres in het kort geding te ontvangen.

4.2 De kantonrechter begrijpt uit het betoog van eiseres dat zij geen verdachte is in de strafzaak van de in justitieel beslaggenomen blokken rondhout en dat zij de eigenares van deze blokken rondhout is. Gedaagden daarentegen stellen zich op het standpunt dat de blokken rondhout de eigendom van de Staat zijn. Daartoe betogen zij dat bij de inbeslagname is gebleken dat bij een deel van de blokken rondhout hergebruikte labels zijn gebruikt en bij een ander deel er geen labels waren, waardoor de afkomst van deze blokken rondhout niet kan worden vastgesteld. Doordat de afkomst hiervan niet kan worden vastgesteld en houtblokken vallen onder natuurlijke hulpbronnen, is de Staat nog steeds eigenaar van deze houtblokken. In reactie hierop blijft eiseres erin volharden dat zij deze blokken rondhout bij een derde heeft gekocht en zij daardoor eigenares hiervan is geworden. De kantonrechter stelt in het licht van het bovenstaande voorop, dat niet in geschil is of de in justitieel beslaggenomen blokken rondhout al dan niet onrechtmatig is geschied. De beoordeling hiervan in kort geding is overigens niet mogelijk, omdat er hiervoor een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is bij de strafrechtrechter, te weten de beklagschrift-procedure die in artikel 460 Sv is neergelegd. Nu niet in geschil is of de inbeslagname van de blokken rondhout al dan niet onrechtmatig is, en gesteld noch gebleken is dat eiseres gebruik heeft gemaakt van de beklagschrift-procedure om het gelegd justitieel beslag op de blokken rondhout te doen opheffen en de teruggave van de blokken rondhout te vorderen, mag op voorhand worden aangenomen dat de blokken rondhout een illegale status hebben en de Staat, zoals gedaagden terecht opwerpen, nog als eigenaar van deze houtblokken dient te worden aangemerkt.

4.3 Thans ligt ter beoordeling de vraag of het Openbaar Ministerie, zijnde gedaagde sub A, een machtiging van de strafrechter nodig heeft om tot het doen vervreemden van de in justitieel beslag genomen blokken rondhout over te gaan, dan wel bevoegd is de opdracht daartoe aan gedaagde sub B te geven.

Gedaagden stellen zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie, zijnde gedaagde sub A, geen machtiging van de (straf)rechter nodig heeft om tot de openbare verkoop van de in beslag genomen blokken rondhout over te gaan. Zij beroepen zich – verkort en zakelijk weergegeven – erop dat houtblokken van reeds gevelde bomen die niet goed worden opgeslagen aan bederf onderhevig zijn en de kwaliteit van de houtblokken snel achteruitgaat wanneer deze in de openlucht (in wind en weer). Dit geval doet zich voor bij deze in justitieel beslag genomen blokken rondhout. Zij beroepen zich in dat licht op de Memorie van Toelichting op artikel 103 Sv dat de mogelijkheid tot vervreemden bedoeld is voor goederen die niet langer voor opslag geschikt zijn en dat men daarbij moet denken aan voorwerpen die bij langdurig opslag zouden bederven of aanmerkelijk in waarde zouden verminderen of dat er voor de opslag kosten gemaakt zullen worden, die in waarde meer zijn dan de voorwerpen zelf of dat er geen ruimte is tot opslag.

In reactie hierop betoogt eiseres dat hout niet aan bederf onderhevig is en juist de kwaliteit van het hout juist verbetert door het langdurig blijven liggen. Verder beroept zij zich erop dat, naar de kantonrechter eiseres haar betoog begrijpt, de gronden waar gedaagden zich op beroepen vallen onder de in artikel 103 lid 3 SV gegeven limitatieve opsomming en in dit geval een machtiging van de strafrechter vereist is om over te gaan tot het vervreemden van de blokken rondhout.

4.4 Uitgaande van de hiervoor door partijen gegeven standpunten, zal voor de kantonrechter als toetsingskader dienen het bepaalde in artikel 103 Sv, die voor zover voor de beslissing van belang, onder meer als volgt luidt:

1. De inbeslaggenomen voorwerpen worden niet vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot een ander doel dan het onderzoek bestemd, tenzij na verkregen machtiging.

  1. Indien de voorwerpen niet geschikt zijn voor opslag kan de in lid 1 van dit artikel bedoelde machtiging door het Openbaar Ministerie aan de bewaarder dan wel aan de ambtenaar die de voorwerpen in afwachting van hun vervoer naar de bewaarder onder zich heeft, worden verleend.
  2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde machtiging kan op vordering van het Openbaar Ministerie door de rechter voor wie de zaak wordt vervolgd of anders het laatst werd vervolgd aan de bewaarder worden verleend ten aanzien van voorwerpen:
  3. a) waarvan de kosten van de bewaring niet in een redelijke verhouding staan tot hun waarde;
  4. b) waarvan aan de bewaring of het onderhoud hoge kosten zijn verbonden of aan de bewaring geen of geen geschikte ruimte beschikbaar is;
  5. c) die vervangbaar zijn en waarvan de tegenwaarde op eenvoudige wijze kan worden bepaald.
  6. Degene aan wie de machtiging is verleend, draagt zorg voor de bepaling van de waarde die het voorwerp op dat moment bij verkoop redelijkerwijs zou hebben opgebracht.”

Tevens dient als toetsingskader de Memorie van Toelichting op dit artikel (pag 7 S.B. 2008, no. 20), waarin onder meer het volgende is vermeld:

Voorwerpen die niet vallen onder de categorieën “niet vatbaar voor opslag (artikel 103 lid 2)” of “niet vatbaar voor opslag gedurende langere tijd (artikel 103 lid 3)” kunnen gedurende de periode voordat over die voorwerpen een definitieve beslissing is genomen bijvoorbeeld niet vervreemd worden, ook al is het om het beslag daarop voort te zetten. Het gevolg hiervan is dat de “schuren” van de bewaarder vollopen, terwijl de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen met de tijd steeds afneemt waarbij deze voorwerpen aan het eind van het proces niet veel waard zijn. Dit zal in het nadeel zijn voor de overheid, die eventueel na verbeurdverklaring eigenaar wordt van de voorwerpen, en de verdachte die mogelijk wederom de beschikking krijgt over de voorwerpen. Daarnaast kunnen de kosten voor opslag en bewaring voor justitie enorm oplopen.

Met de wijziging van artikel 103 van het Wetboek van Strafvordering wordt dan ook getracht om het aantal voorwerpen en de kosten voor het in bewaring houden van de voorwerpen drastisch te beperken. De wijziging van artikel 103 van het Wetboek van Strafvordering voorziet namelijk in meer mogelijkheden om een voorwerp hangende het beslag uit de voorraadschuren van justitie op te ruimen, al is het maar door het voorwerp in geld om te zetten en het beslag daarop voort te zetten.

4.5 Blijkens het bepaalde in artikel 103 lid 2 Sv en de toelichting op artikel 103 Sv heeft het Openbaar Ministerie, zijnde gedaagde sub A, voorafgaand aan een beslissing van een strafrechter met betrekking tot justitieel inbeslaggenomen goederen – geen machtiging van de (straf)rechter nodig om tot het vervreemden van de goederen over te gaan die aan bederf onderhevig zijn. Zoals de kantonrechter gedaagden begrijpt vallen de blokken rondhout onder deze categorie van goederen, omdat zij vanwege het in weer en wind zijn langzaam verrotten en worden opgevreten door termieten en houtboorders. Vanwege dit verrottingsproces heeft, naar de kantonrechter het begrijpt, gedaagde sub A geen machtiging nodig voor het doen vervreemden van deze houtblokken. De kantonrechter kan gedaagden volgen in hun betoog dat houtblokken aan bederf c.q verrotting onderhevig zijn, omdat het een feit van algemeen bekendheid is dat hout dat in weer en wind staat verrot en wordt aangetast door houtluizen en houtboorders, zijnde insecten die heel moeilijk zijn te bestrijden, tenzij het hout is bewerkt met beschermingsmiddelen om verrotting tegen te gaan en te voorkomen dat het wordt aangetast door termieten en houtboorders en/of andere houtaantastende insecten. Vaststaat dat de blokken rondhout in weer en wind staan op het terrein van eiseres. Eiseres heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de blokken rondhout zijn bewerkt met beschermingsmiddelen om verrotting tegen te gaan en te voorkomen dat de blokken rondhout door termieten en houtboorders en/of andere houtaantastende insecten worden aangetast, zodat voor de kantonrechter aannemelijk is dat de blokken rondhout vallen onder de categorie goederen die aan bederf, in dit specifiek geval verrotting, onderhevig zijn. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter komt het Openbaar Ministerie, zijnde gedaagde sub A, op grond van het bepaalde in artikel 103 lid 2 Sv en mede op grond van hetgeen hiervoor is overwogen de bevoegdheid, dan wel een ruime beleidsvrijheid toe om al dan niet opdracht aan gedaagde sub B te geven om over te gaan tot de vervreemding c.q. openbare verkoop van de blokken rondhout. De voorlopige slotsom is dat gedaagden met hun voornemen tot het doen overgaan van de openbare verkoop niet onrechtmatig jegens eiseres handelen. In dit specifiek geval zou het Openbaar Ministerie, zijnde gedaagde sub A, slechts een onrechtmatig handelen kunnen worden verweten indien hij na afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid niet tot het geven van de opdracht dan wel het verlenen van de machtiging aan gedaagde sub B tot openbare verkoop had kunnen komen. Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat gedaagde sub B – die naar aangenomen mag worden de deskundigheid in huis heeft om de kwaliteit en de marktwaarde van het hout te kunnen beoordelen- de minimale marktwaarde van de houtblokken heeft vastgesteld op basis van haar deskundigheid en volgens haar verklaring er totnogtoe veel aanbieders zijn geweest die na het bezichtigen van de blokken rondhout een hoger bedrag hiervoor hebben aangeboden dan de door haar vastgestelde marktwaarde.

4.6 De kantonrechter komt op grond van hetgeen hiervoor onder 4.5 is overwogen tot de voorlopige slotsom dat van een onrechtmatige handelen jegens eiseres geen sprake is, zodat de door eiseres gevorderde voorzieningen als ongegrond zullen worden geweigerd.

4.7 De overige stellingen en weren die niet relevant worden geacht, behoeven naar het oordeel van de kantonrechter geen bespreking. Dit, omdat die tot geen andere uitspraak in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.8 Eisers zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten die aan de zijde van gedaagden zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op zaterdag 17 juli 2021 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-K1-2021-9

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 20-3085

24 juni 2021

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

[eiser],

wonend te [district],

eiser in conventie, gedaagde in reconventie,

hierna ook [naam 1] genoemd,

gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

 

tegen

 

A. [gedaagde],

wonend te [district],

B. ALGEMENE BOND VAN PERSONEEL MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN, afgekort ABP-BIZA, rechtspersoon,

gevestigd en kantoorhoudend te Paramaribo,

gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

hierna ook [naam 2] en ‘ABP-BIZA’ genoemd,

gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.

  1. Het procesverloop:

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 14 oktober 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling genomen is op 05 november 2020;
  • de conclusie van antwoord in conventie met producties en van eis in reconventie;
  • de conclusie van repliek in conventie met producties en van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie met producties en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De feiten

Op grond van de stukken van het geding staat het volgende vast.

2.1 Aan de Vice President van de Republiek Suriname (hierna Vice President genoemd) heeft [gedaagde] op 30 september 2020 onder meer voorgehouden:

“(…)

Wij

Van de Algemene Bond Personeel Binnenlandse Zaken met diverse meningen, achtergronden, politieke voorkeuren en opleidingsniveaus,

Constateren (…)

Vrouwelijke leden van de bond hebben meerdere malen hun klachten gedeponeerd over seksistische opmerkingen die worden gemaakt op de werkvloer door de vader van de minister [naam 1], welke zonder enige hoedanigheid postvat op het ministerie terwijl er een gebrek is aan ruimtes. (…)”.

2.2 Blijkens schrijven van 05 oktober 2020 informeert de Vice President ABP-BIZA onder meer als volgt:

“(…)

Op woensdag 30 september 2020 heb ik uit handen van een burger, vermoedelijk een lid van het Bestuur van de Algemene Bond Personeel BiZa, een Petitie in ontvangst mogen nemen.

Bij de inhoudelijke behandeling van deze petitie heb ik moeten constateren dat de petitie niet is ondertekend. Er is geen referent genoemd in dit document.

Een Petitie is een instrument van burgers om volksvertegenwoordigers een signaal te geven dat hun handelen noodzakelijk is, zoals dat op 30 september 2020 door de Algemene Bond Personeel BiZa is gedaan.

Hoewel petities over het algemeen niet juridisch bindend zijn, vormen ze wel een sterk signaal aan de beslissingsverantwoordelijken dat er een zekere onvrede bestaat.

Ik breng onder Uw aandacht dat deze petitie niet is ondertekend hetgeen de inhoudelijke behandeling hiervan belemmerd. (…)”

2.3 Blijkens schrijven van 06 oktober 2020 informeert ABP-BIZA de Vice President onder meer als volgt:

“(…)

Middels dit geschrift doet het bestuur van de Bond ABP BIZA u een getekende versie van de op 30 september 2020 aangeboden petitie toekomen. Indien u zich zoals uit de media is vernomen geschoffeerd voelt biedt de bond ABP BIZA zijn oprechte verontschuldigingen aan en geven tevens aan dat de ontstane situatie inmiddels is overgedragen aan de Confederatie COL.

Hopende dat er nu inhoudelijk kan worden ingegaan op de petitie verblijven wij.

Aangehecht treft u een bijlage met presentielijsten van de aanwezigen op de dag der indiening van de petitie. (…)”.

  1. De vordering, de grondslag en het verweer

In conventie

3.1 [eiser] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dat de kantonrechter

  1. [gedaagde] veroordeelt om binnen twee dagen na de uitspraak of binnen een in goede justitie te bepalen termijn:

de door haar in privé gedane uitlatingen bekend te maken bij wege van een advertentie via de radiostations Apintie, SRS, ABC, Radio 10, Rapar Broadcasting en de televisiestations ABC TV, Rapar TV, STVS, Apintie televisie en ATV in een door [gedaagde] persoonlijk uitgesproken tekst en in de kranten, De Ware Tijd, de West, dagblad Suriname, Times of Suriname en Face-book geplaatste tekst van de volgende inhoud:

Ik, [naam 2], heb op 30 september 2020 bij de aanbieding van een petitie aan de Vice-President van de Republiek Suriname in privé de volgende uitlatingen gedaan:

“Vrouwelijke leden van de bond hebben meerdere malen hun klachten gedeponeerd over seksistische opmerkingen die worden gemaakt op de werkvloer door de vader van de Minister, de heer [naam 1], welke zonder enige hoedanigheid postvat op het ministerie terwijl er een gebrek is aan ruimtes.”

Deze uitlatingen zijn onjuist, onwaar, krenkend en in strijd met de waarheid. Het oogmerk van mijn uitlatingen was/is om de heer [naam 1] te krenken in zijn eer en goede naam en hem daardoor schade toe te brengen in de Surinaamse gemeenschap in het algemeen en het vrouwelijk deel in het bijzonder.

Ik bied de heer [naam 1] voor deze denigrerende uitlatingen mijn diepe verontschuldiging aan.”

  1. ABP-BIZA veroordeelt om binnen twee dagen na de uitspraak of binnen een in goede justitie te bepalen termijn:

de door [gedaagde] in haar hoedanigheid van bestuurslid van ABP-BIZA gedane uitlatingen bekend te maken bij wege van een advertentie via de radiostations Apintie, SRS, ABC, Radio 10, Rapar Broadcasting en de televisiestations ABC TV, Rapar TV, STVS, Apintie televisie en ATV in een door [gedaagde] persoonlijk uitgesproken tekst en in de kranten, De Ware Tijd, de West, dagblad Suriname, Times of Suriname en Face-book geplaatste tekst van de volgende inhoud:

“Ik, [naam 2], heb in mijn hoedanigheid als bestuurslid van de Algemene Bond van Personeel Ministerie van Binnenlandse Zaken afgekort ABP BIZA op 30 september 2020 bij de aanbieding van een petitie aan de Vice-President van de Republiek Suriname in privé de volgende uitlatingen gedaan:

“Vrouwelijke leden van de bond hebben meerdere malen hun klachten gedeponeerd over seksistische opmerkingen die worden gemaakt op de werkvloer door de vader van de Minister, de heer [naam 1], welke zonder enige hoedanigheid postvat op het ministerie terwijl er een gebrek is aan ruimtes.”

Deze uitlatingen zijn onjuist, onwaar, krenkend en in strijd met de waarheid. Het oogmerk van mijn uitlatingen was/is om de heer [naam 1] te krenken in zijn eer en goede naam en hem daardoor schade toe te brengen in de Surinaamse gemeenschap in het algemeen en het vrouwelijk deel in het bijzonder.

De Algemene Bond van Personeel Ministerie van Binnenlandse Zaken afgekort ABP BIZA bied de heer [naam 1] voor deze denigrerende uitlatingen zijn diepe verontschuldiging aan.”

III. Een en ander onder verbeurte van een dwangsom van SRD 100.000, – per dag voor elke dag of keer dat [gedaagde] en of ABP-BIZA in gebreke mochten blijven aan dit vonnis te voldoen.

Voorts is veroordeling van [gedaagde] en ABP-BIZA in de proceskosten gevorderd.

3.2 Aan zijn vordering legt [eiser], kort gezegd, ten grondslag dat de uitlatingen als geciteerd in het petitum het oogmerk hebben hem te beledigen, in een kwaad daglicht te stellen bij de Surinaamse gemeenschap in het algemeen en het vrouwelijk deel in het bijzonder. Ook zijn de uitlatingen in onnodig krenkende vorm gedaan. Voorts zijn de uitlatingen in strijd met de waarheid en [gedaagde] had moeten weten dat zij daarmee schade toebracht aan [eiser]. Die schade is aangebracht in zijn maatschappelijke, religieuze, humanitaire en financiële leven en beleving. [gedaagde] heeft niet de nodige zorgvuldigheid in acht genomen. De krenkende uitlatingen komen voort uit een persoonlijke en politieke animositeit die tussen haar en [eiser] bestaat. [gedaagde] heeft de uitlatingen ongevraagd en niet uit zelfverdediging gedaan. Zij behoorde bovendien te weten en begrijpen dat haar uitlatingen door de schrijvende, sprekende en beeldende media alsook op Face-book wereldkundig zouden worden gemaakt.

[eiser] stelt een spoedeisend belang bij het gevorderde te hebben, omdat hij in zijn dagelijks leven en werkzaamheden leed, last en hinder, maar bovenal materiële en immateriële schade ondervindt.

3.3 [gedaagde] en ABP-BIZA voeren als verweer, kort gezegd, dat [gedaagde] door het voorlezen van de petitie de mening die onder leden van de bond leeft, heeft verwoord. Op 11 augustus 2020 heeft ABP-BIZA tijdens een bestuursvergadering het besluit genomen een klachtencommissie in te stellen. De klachtencommissie heeft na zorgvuldig onderzoek haar bevindingen aan het bestuur kenbaar gemaakt per brief van 25 september 2020. De bevindingen zijn meegenomen in de petitie die aan de Vice President zou worden aangeboden. Zij behelzen een aantal punten of zaken die naar de mening van leden van de bond verkeerd gaan op het ministerie. [gedaagde] heeft de petitie slechts opgelezen. Van de juistheid en waarheid daarvan overtuigd, hebben [gedaagde] en ABP-BIZA geweigerd aan de sommatie tot rectificatie bij exploot van 6 oktober 2020 gevolg te geven. Zij beroepen zich op de rechtsregel van vrijheid van meningsuiting die doorwerkt in privaatrechtelijke verhoudingen en aldus tussen de bond en haar leden enerzijds en [eiser] anderzijds.

In reconventie

3.4 [gedaagde] en ABP-BIZA vorderen in reconventie dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis [eiser] veroordeelt de noodzakelijkerwijs gemaakte kosten voor juridische bijstand van, de kantonrechter leest verbeterd in plaats van USD, SRD 15.000, – vermeerderd met de wettelijke rente.

Voorts is veroordeling van [eiser] in de proceskosten gevorderd.

3.5 Daaraan leggen [gedaagde] en ABP-BIZA ten grondslag dat zij door de vexatoire conventionele vordering van [eiser] noodzakelijke juridische bijstand moesten inwinnen.

3.6 [eiser] voert verweer, dat voor zover van belang, hierna wordt besproken.

  1. De beoordeling

In conventie

4.1 In de onderhavige zaak bestrijdt [eiser] op grond van artikel 8 lid 2 van de statuten van ABP-BIZA, dat [gedaagde] bevoegd was de bond te vertegenwoordigen. [eiser] stelt daartoe dat het dagelijks bestuur wordt gevormd door de voorzitter, ondervoorzitter en de secretaris. Het dagelijks bestuur vertegenwoordigt de bond binnen en buiten rechte. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] als deel van het dagelijks bestuur daarom niet de bevoegdheid ABP-BIZA buiten rechte te vertegenwoordigen. Bovendien is niet gebleken dat zij daartoe gemachtigd was.

4.2 ABP-BIZA stelt dat [gedaagde] zijn bestuurslid is en door hem impliciet is afgevaardigd om namens het bestuur op te treden. Bovendien heeft het bestuur nimmer afstand genomen van de handelingen die [gedaagde] in dit verband heeft gepleegd. ABP-BIZA voert verder aan dat na het aanbieden van de petitie de Vice President zowel [gedaagde], als voorzitter van de bond, en de COL voor een onderhoud heeft uitgenodigd. Dat de inhoud van de petitie door de leden ondersteund wordt, blijkt volgens ABP-BIZA uit de handtekeningenlijst tevens presentielijst van 30 september 2020. Ook stelt de bond dat [eiser] door in de onderhavige zaak de bond voor een gelijkluidende vordering als tegen [gedaagde] te betrekken, hij in de kern bevestigt dat [gedaagde] ABP-BIZA vertegenwoordigde bij het aanbieden van de petitie.

4.2.1 Het had allereerst op de weg van [eiser] gelegen de statuten of de artikelen uit de statuten als door hem gesteld, in het geding te brengen. [eiser] heeft zulks evenwel nagelaten. Ook overigens heeft [eiser] tegenover de gemotiveerde betwisting door ABP-BIZA niet de nodige onderbouwing door het stellen van concrete feiten en omstandigheden aangebracht. De stelling dat [gedaagde] niet bevoegd was ABP-BIZA te vertegenwoordigen bij het aanbieden van de petitie wordt op voorgaande gronden verworpen.

4.3 Voorts overweegt de kantonrechter de stelling van [eiser] dat geen presentielijst van de vermeende namen van leden van de bond is aangeboden aan de Vice President. Het verweer door ABP-BIZA dat de overgelegde presentie- en handtekeningenlijst alsnog aan de Vice President is aangeboden acht de kantonrechter voldoende onderbouwd. Immers, [eiser] heeft noch de inhoud van het schrijven van 06 oktober 2020 – hiervoor in randnummer 2.3 – noch de inhoud van de bij antwoord overgelegde lijsten bestreden, zodat de inhoud van deze processtukken tussen partijen vaststaat. Aldus staan vast de in kopie overgelegde lijsten met aantallen registraties en handtekeningen als volgt: op het eerste blad totaal 28, op het tweede blad totaal 32, op het derde blad totaal 27, op het vierde blad totaal 31, op het vijfde blad totaal 33, op het zesde blad totaal 33, op het zevende blad totaal 32, op het achtste blad totaal 24, op het negende blad totaal 20, op het tiende blad totaal 7 en op het elfde blad totaal 6. Dat [eiser] de productie met daarop onder meer de tekst: “6/10/’20 Gecorrigeerde Versie Ondertekening van Petitie ABP-Biza/ presentielijst Aan: De VP v/d Rep. Suriname Zijne Excellentie Ronnie Brunswijk” die van een handtekening is voorzien, voor een papier ex artikel 1902 BW houdt, doet aan het voorgaande niet af. De kantonrechter slaat er tevens acht op dat ABP-BIZA binnen een dag op het schrijven van de Vice President d.d. 5 oktober 2020 (hiervoor in randnummer 2.2) heeft geantwoord.

4.3.1 De conclusie uit het voorgaande is dat op grond van de presentie- en handtekeningenlijst van 30 september 2020 en de brief van 6 oktober 2020 met bijlage voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] in haar hoedanigheid van bestuurslid van ABP-BIZA de petitie namens leden van de bond aan de Vice President heeft aangeboden. Daarbij merkt de kantonrechter – voor zover van belang – nog op dat uit het beeld- en geluidfragment dat bij het verzoekschrift is gevoegd, voldoende blijkt van het aanbieden van een petitie namens ABP-BIZA door middel van voorlezing van het thans in het proces als petitie vaststaand document, aan een hoogwaardigheidsbekleder, in casu de Vice President.

4.4 Voorgaande conclusie brengt met zich dat de vordering tegen [gedaagde] in persoon geen stand houdt. De deelvordering onder ‘I’ van het petitum zal daarom worden afgewezen.

4.5 [eiser] stelt dat de gewraakte uitlatingen jegens hem hun bedding vinden in een persoonlijke en politieke vijandschap tussen hem en ‘gerekestreerde(n)’, de kantonrechter begrijpt [gedaagde] en ABP-BIZA. Waarin die persoonlijke en politieke vijandschap bestaat, heeft [eiser] op geen enkele wijze onderbouwd dan wel concreet gemaakt, zodat de kantonrechter aan deze stelling voorbijgaat.

4.6 [eiser] weerspreekt dat hij seksistische opmerkingen tegen vrouwelijke medewerkers op de werkvloer maakt of heeft gemaakt. Tegelijkertijd stelt hij dat hoewel de klachtencommissie andere wegen had kunnen bewandelen, zij openlijk haar ongenoegen heeft geuit door het gewraakte gedeelte in de petitie in het openbaar voor te lezen. De klachtencommissie bedient zich daarbij van algemeenheden in plaats van concreet de gewraakte handelingen te noemen.

4.6.1 ABP-BIZA stelt hiertegenover dat het aanbieden van de petitie aan de President van de Republiek Suriname op dezelfde wijze als aan de Vice President zou plaatshebben. Voor de bond staat niet vast dat de reactie van [eiser] in dat geval anders zou zijn geweest. Aangifte bij de politie is voor ABP-BIZA geen optie geweest, zo voert hij aan, omdat de strafbaarheid van seksistische opmerkingen op de werkvloer niet helder is.

4.6.2 Een Lex specialis ter toetsing van de onderhavige kwestie is niet voorhanden. Tot nog toe is sprake van een ‘Ontwerpwet houdende bepalingen betreffende het voorkomen en tegengaan van geweld en seksuele intimidatie inzake arbeid (Wet Geweld en Seksuele Intimidatie Arbeid)’. Voor nu wordt aansluiting gevonden in artikel 28 sub c van de Grondwet, GW, waarin onder meer is bepaald dat alle werknemers, ongeacht geslacht, recht hebben op veilige en gezonde arbeidsomstandigheden. Artikel 36 GW bepaalt ook dat een ieder recht heeft op gezondheid en dat de Staat de algemene gezondheidszorg door syste­ma­tische verbetering van leef- en werkomstandigheden bevordert. De kantonrechter is van oordeel dat in objectieve zin seksistische opmerkingen moeten worden beoordeeld als grensoverschrijdend en niet passend binnen een werkkring.

4.7 Tegenover de betwisting van de seksistische opmerkingen door [eiser] staan de geregistreerde handtekeningen ter ondersteuning van onder meer het in de petitie gewraakte punt. Op grond van de lijsten blijkt vooralsnog genoegzaam dat [eiser] zich op een of andere wijze min of meer seksistisch heeft uitgelaten tegen vrouwelijke medewerkers op de werkvloer. Voorts heeft ABP-BIZA terecht gesteld dat hij in de petitie de kwestie heeft geadresseerd door het hanteren van een formulering die strikt tot het zakelijke is beperkt. De kantonrechter volgt [eiser] daarom niet in zijn stelling dat de gewraakte uitlatingen concreet omschreven hadden moeten zijn. Moeilijk valt in te zien dat als [eiser] enerzijds reeds de zinsnede “seksistische opmerkingen” als krenkend en beschadigend ervaart, hij anderzijds concretere omschrijvingen bij die opmerkingen behoeft. Komt daarbij dat [eiser] in het geheel geen onderbouwing heeft bijgebracht van zijn stelling dat het in casu om valse beschuldigingen zou gaan. De stellingname van [eiser] is dan ook onhoudbaar. Daarom kan geen rechtvaardiging gevonden worden voor het door [eiser] gevorderde.

4.8 Onweersproken is dat de Vice President de petitie in behandeling neemt en met ABP-BIZA en de Confederatie COL in gesprek gaat. Het komt de kantonrechter dan ook voor dat het (algemeen) belang van ABP-BIZA als vertegenwoordiger van haar leden om door de Vice President gehoord te worden over de in de petitie genoemde punten ook meegewogen zal moeten worden bij de beoordeling van de spoedeisendheid. De kantonrechter is er onvoldoende van overtuigd dat er thans sprake is van een zodanig acute noodsituatie voor [eiser] dat het noodzakelijk is om met een voorlopige voorziening vooruit te lopen op bedoeld gesprek met de Vice President. Op grond van voorgaande overwegingen oordeelt de kantonrechter dan ook dat onvoldoende spoedeisend belang bestaat bij de vordering in conventie.

4.9 Het voorgaande brengt met zich dat de deelvordering ‘II’ van het petitum eveneens zal worden afgewezen.

4.10 Aan een bespreking van de overige stellingen en weren in conventie wordt niet toegekomen, nu zulks niet tot een ander oordeel leidt.

4.11 [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

In reconventie

4.12 De in reconventie gevorderde advocaatkosten zullen als niet op de wet gegrond worden afgewezen.

4.13 ABP-BIZA zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding

In conventie

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding aan de zijde van ABP-BIS tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In reconventie

5.3 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.4 Veroordeelt ABP-BIZA in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, en uitgesproken op donderdag 24 juni 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2021-8

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1771

02 juli 2021

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],

wonende aan de [adres] te [district],

eiser,

hierna te noemen: [eiser],

procederend in persoon,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,

kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,

gedaagde,

hierna te noemen: de Staat,

gemachtigden: mr. C. Lachman en mr. M. Babulall, advocaten.

  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 03 juni 2021 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 07 juni 2021;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Op 11 maart 2020 heeft de World Health Organization (WHO) de uitbraak van de coronavirus disease 2019 (Covid-19), die zich wereldwijd heeft verspreid en wordt veroorzaakt door het SARS-Cov-2 virus (coronavirus), als pandemie bestempeld en de lidstaten opgeroepen tot het treffen van maatregelen om verspreiding van covid-19 tegen te gaan.

2.2 Op 13 maart 2020 werd na medisch onderzoek de eerste persoon in Suriname positief bevonden voor Covid-19. In navolging hiervan heeft de Staat op 09 april 2020 vanwege de Covid-19 pandemie, de burgerlijke uitzonderingstoestand afgekondigd, hetgeen is geschied middels afkondiging van de Wet Uitzonderingstoestand COVID-19 (S.B. 2020, no. 83), en wel ter uitvoering van artikel 72 onder c van de Grondwet van de Republiek Suriname (GW). Dit, in verband met het tegengaan van ongecontroleerde verspreiding in Suriname van het coronavirus.

Op 08 augustus 2020 is bij S.B. 2020 no. 151 de Wet Uitvoering Burgerlijke Uitzonderingstoestand, hierna afgekort WUBU, afgekondigd, krachtens welke wet de Wet Uitzonderingstoestand COVID-19 grotendeels is komen te vervallen. Dit, eveneens ter bescherming van de volksgezondheid, de economie en de algemene veiligheid van burgers van Suriname.

2.3 In artikel 6 van de WUBU (S.B. 2020, no. 151) is, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer het volgende neergelegd:

1. In verband met de afkondiging van een uitzonderingstoestand kan de Regering bij Presidentieel besluit de volgende maatregelen nemen en voorzieningen treffen:

  1. maatregelen die onder meer betrekking hebben op de beperking van persoonlijke rechten en vrijheden:

(….)

(5) het beperken van de bewegingsvrijheid van burgers in de openbare of publieke ruimten of op de openbare wegen;

(6) het instellen van verboden tot samenkomsten van personen of het onbeschermd begeven in het openbaar of in publieke of private ruimten, alsmede het verplichten van personen tot het houden van fysieke afstanden;

(7) het beperken van burgers, organisaties en bedrijven met betrekking tot hun sociale-, maatschappelijke- en economische activiteiten of bedrijvigheid;”

(…)

  1. Bij toepassing van de krachtens lid 1 getroffen maatregelen, verboden en opgelegde verplichtingen door de Regering worden de ingevolge de Grondwet en Internationale verdragen onaantastbare burgerrechten, alsmede de grenzen van de beperkingsmogelijkheden van die rechten steeds gewaarborgd.

2.4 Bij Presidentieel besluit van 31 mei 2021 P.B. no. 40/2021, houdende wijziging van het Presidentieel besluit van 02 januari 2021 PB no. 01/2021 inzake de uitvoering van artikel 6 lid 1 van de WUBU (S.B. 2021, no. 75), hierna aangeduid als het uitvoeringsbesluit, zijn de preventieve maatregelen ter voorkoming van verdere verspreiding van covid-19 aangescherpt.

In artikel 1 van het uitvoeringsbesluit is het volgende bepaald:

1. Vanaf 10 augustus 2020 tot nader order worden de volgende maatregelen voor een ieder verplicht gesteld:

  1. a) het dragen van een mond- en neusbedekking buiten eigen huis en in het bijzonder bij het betreden van ruimten;
  2. b) het aanhouden van 1,5 meter fysieke afstand, de zogeheten COVID afstand; en
  3. c) het regelmatig wassen van de handen met zeep en water of het gebruik van handsanitizer.

(…)

  1. Het wordt zeer dringend geadviseerd om thuis te blijven en slechts voor noodzakelijke werkzaamheden, medische noodgevallen of het doen van noodzakelijke boodschappen uit huis te gaan.

In artikel 2 is er een maatregel neergelegd vallende onder de noemer “Beperking bewegingsvrijheid”, welk artikel onder meer als volgt luidt:

1. Het is een ieder verboden zich in de periode van 31 mei 2021 tot en met
18 juni 2021 in heel Suriname op de openbare weg te begeven of te bevinden, behoudens de uitzondering in artikel 5 lid 3.

(…)

  1. De grenzen via land, water en lucht blijven gesloten voor personen, tenzij om dringende redenen toestemming wordt verleend door het Covid-19 Crisis Management Team, en behoudens uitzonderingen in artikel 6.

(…)”.

In artikel 3 is als maatregel het samenscholingsverbod neergelegd, luidende onder meer als volgt:

1. Het is verboden in de periode van 31 mei 2021 tot en met 18 juni 2021 deel te nemen aan een groep van meer dan 5 (vijf) personen, met uitzondering van De Nationale Assembleé, de Regering, de Staatsraad en personen uit de zorg, veiligheid en essentiële diensten, mits zij de voorschriften in Bijlage A en de Covid-19 preventieprotocollen in acht nemen.

(…..)

  1. Het is verboden om feesten, met inbegrip van huisfeesten, te houden.
  2. Bijeenkomsten voor rouwzittingen en uitvaarten zijn toegestaan uitsluitend indien en voor zover niet meer dan tien (10) personen tegelijkertijd ter plaatse aanwezig zijn, indien de ruimte anderhalve meter afstand toelaat, en met inachtneming van de voorschriften in Bijlage A en de preventieprotocollen van de genoemde activiteiten. Hierbij zijn uitvaartbedrijven verplicht zich aan te melden bij het Covid-19 Crisis Management Team.
  3. Gebedshuizen zijn gesloten. Thuiskerkdiensten waaraan personen deelnemen die van buiten de huishouding komen, zijn eveneens niet toegestaan.
  4. Alle sportactiviteiten, met inbegrip van contactsporten, non-contactsporten en individuele sportactiviteiten zijn verboden.
  5. Het vervoer van personen door middel van het openbaar transport over de weg of over het water is niet toegestaan. Uitsluitend taxi’s van geregistreerde taxibedrijven mogen uitsluitend rijden voor personen die werkzaam zijn in de essentiële diensten en voor noodgevallen.

(…)

  1. Het is een ieder verboden in de periode van 23 januari 2021 tot en met
    18 juni 2021 verboden om alcoholhoudende dranken te gebruiken in het openbaar en/of zich onnodig op te houden in de nabijheid van winkels en supermarkten
    .”
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [eiser] vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Staat veroordeelt:

de maatregelen, voortvloeiende uit de WUBU, welke zijn ingevoerd om de verspreiding van COVID-19 tegen te gaan, opschort totdat deze middels een definitieve voorziening zullen zijn opgehe­ven.

3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de Staat onrechtmatig handelt tegen de bevolking. Daartoe voert hij, verkort en zakelijk weergegeven, het volgende aan:

  1. a) er is geen valide grondslag op basis waarvan de maatregelen ingevoerd en verplicht mogen worden;
  2. b) de maatregelen zijn gebaseerd op verkeerde uitgangspunten en indicaties;
  3. c) de PCR-testen op basis waarvan personen positief worden getest, data worden verzameld en maatregelen worden vastgesteld, zijn onbetrouwbaar;
  4. d) het gevaar van Covid-19 is zwaar overschat, omdat blijkens de beschikbare data wij vrijwel zeker te kampen hebben met de normale seizoensgriep;
  5. e) er is geen enkel wetenschappelijk bewijs dat de maatregelen effectief zijn in het tegengaan van de verspreiding van Covid-19 c.q. het verminderen van het aantal Covid-19 “positieven” en “doden”;
  6. f) de Staat veroorzaakt met de maatregelen enorme financiële-, materiële- en gezondheidsschade onder de bevolking, welke schade in bepaalde gevallen onherstelbaar en desastreus is;
  7. g) het is niet rechtvaardig om zo verregaand in te grijpen in de grondrechten van burgers met de maatregelen die niet werken. De maatregelen staan op gespannen voet met verschillende grondrechten zoals opgenomen in de Grondwet en internationale verdragen.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voorzover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

  1. De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1 [eiser] stelt als spoedeisend belang dat door verschillende prominente wetenschappers is gesteld, dat de nevenschade vanwege de maatregelen inmiddels gigantisch en veel groter is dan het waarneembare voordeel. De schade kan volgens het betoog van [eiser] beperkt worden middels een onmiddellijke voorziening bij voorraad bij wege van opschorting van de maatregelen.

De Staat weerpreekt dat in de onderhavige zaak sprake is van een spoedeisend belang, doch naar het oordeel van de kantonrechter in niet voldoende mate. Mitsdien acht de kantonrechter het door [eiser] gestelde spoedeisend belang in voldoende mate aannemelijk, zodat [eiser] in het kort geding wordt ontvangen.

De thans nog geldende maatregelen

4.2 [eiser] vordert bij wege van voorlopige voorziening al de maatregelen die voortvloeien uit de WUBU op te schorten. In dat licht dient naar het oordeel van de kantonrechter te worden nagegaan welke maatregelen ingevolge WUBU nog van kracht zijn. Dit, vanwege het feit dat de maatregelen periodiek worden geëvalueerd en aangepast door de Staat, welke aanpassing afhankelijk is van het aantal covid-19 “positief geteste personen” en “doden” en de gevolgen daarvan op in het bijzonder het gezondheids-zorgsysteem hier te lande.

Blijkens het uitvoeringsbesluit golden de total lockdownmaatregelen van

31 mei 2021 tot en met 18 juni 2021, zodat de kantonrechter zich zal toespitsen op de nog van kracht zijnde maatregelen. Deze betreffen: de zgn. Mohana-regels, de lockdownregels gedurende bepaalde tijdstippen in de nacht (partiële lockdown) en het samenscholingsverbod tot een bepaald aantal personen, van welke maatregelen de kantonrechter mag aannemen dat deze [eiser] beperken in de Grondwet en internationale verdragen opgenomen grondrechten.

De procespartijen

4.3 De kantonrechter leidt uit de stellingen van [eiser] af dat hij de onderhavige vordering niet alleen voor zich zelf instelt, maar ook voor alle andere burgers. Daar slechts de naam van [eiser] in het verzoekschrift is vermeld, het verzoekschrift slechts door hem is getekend als indiener van de onderhavige rechtszaak en er geen namen van andere eisers staan vermeld, zal de kantonrechter het ervoor moeten aannemen dat slechts [eiser] de eisende partij is die de onderhavige vordering tegen de Staat heeft ingesteld. Om die reden zullen [eiser] en de Staat als procespartijen in de onderhavige zaak worden aangemerkt. In dat licht verwijst de kantonrechter naar het bepaalde in artikel 111 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in welk artikel onder andere is neergelegd dat het verzoekschrift de naam, de voornamen en het adres van respectievelijk de eiser en gedaagde dient te behelzen.

Direct rechtstreeks belang

4.4 Thans dient te worden vastgesteld welk direct rechtstreeks belang [eiser] heeft bij de onderhavige vordering, omdat hij het in zijn verzoekschrift heeft over alle burgers die schade ondervinden van de maatregelen.
Zoals dat uit de inhoud van de bepalingen van de WUBU en het uitvoeringsbesluit van de WUBU kan worden afgeleid, wordt elke burger vanwege de nog van kracht zijnde maatregelen in zijn/haar bewegingsvrijheid beperkt. Dit brengt met zich mee dat elke burger, waaronder [eiser], wordt beperkt in de aan hem/haar toekomende grondrechten die in de Grondwet en in internationale verdragen zijn neergelegd. Dit alles in onderling samenhang beschouwd en gelezen, brengt de kantonrechter tot de slotsom dat [eiser] een direct rechtstreeks belang heeft bij de onderhavige vordering.

Beroep op schending van het ne-bis in idem beginsel

4.5 De Staat voert als formeel verweer dat [eiser] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het gevorderde. Daartoe voert de Staat aan dat [eiser] in een eerder aanhangig gemaakte kort gedingzaak tegen de Staat, bekend onder A.R. No. 21-0733, hetzelfde heeft gevorderd als in de onderhavige zaak, namelijk het opschorten van de maatregelen voortvloeiende uit WUBU, in welke zaak het door [eiser] gevorderde is afgewezen. Ter staving hiervan beroept de Staat zich op een door hem ten processe overgelegde fotokopie van het vonnis dat de kantonrechter in de hiervoor vermelde zaak tussen partijen heeft gewezen op

24 maart 2021.

In reactie op dit formeel verweer voert [eiser] aan dat het onderhavige proces betrekking heeft op de volgende maatregelen: de avondklok, het uitgaansverbod, het verbod op samenscholingen en bijeenkomsten, het verbod op groeps- en contactsporten en het verplicht sluiten van scholen, bedrijven, winkels, restaurants en andere publiekelijk toegankelijke commerciële lokaliteiten of ruimten. De zaak bekend onder A.R. No. 21-0733 had volgens [eiser] betrekking op de opschorting van de verplichting tot het dragen van een mond- en neusbedekking.

4.6 De kantonrechter stelt voorop dat het ne-bis in idem beginsel inhoudt, een verbod om – anders dan via het instellen van een rechtsmiddel – jegens dezelfde wederpartij een herhaalde vordering van gelijke inhoud en strekking i[eiser] n te stellen. Uit vaste rechtspraak (verwezen wordt naar HR 16 december 1994, NJ 1995, 213) kan worden afgeleid dat schending van dit beginsel in een burgerlijk geschil op zichzelf geen grond is die kan leiden tot niet-ontvankelijkheid. Wel kan het beginsel een rol spelen bij de vraag of sprake is van misbruik van procesrecht door op dezelfde gronden een identieke vordering jegens dezelfde wederpartij in te stellen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich verzet tegen een herbeoordeling van deze vordering om te voorkomen dat deze procedure in feite als een verkapt hoger beroep dient. Dit is slechts anders indien sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die het opnieuw instellen van de vordering zouden kunnen rechtvaardigen.

4.7 De kantonrechter stelt op grond van de inhoud van het kort gedingvonnis in de zaak bekend onder A.R. No. 21-0733 vast dat de vordering, zoals [eiser] terecht betoogt, betrekking had op de volgende maatregelen: a) het dragen van een mond- en neusbedekking, b) het aanhouden van 1,5 meter fysieke afstand, de zogeheten Covid afstand en, c) het regelmatig desinfecteren van de handen, zijnde de zgn. Mohana-regels. In het bijzonder blijkt dit uit 3.1 van het kort gedingvonnis: “Eisers vorderen, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

  • De maatregelen voortvloeiende uit de Wet Uitvoering Burgerlijke Uitzonderingstoestand, welke omstreeks juni 2020 in werking is getreden, waarbij het dragen van een mond- en neusbedekking c.q. mondkapje voor burgers van Suriname verplicht is gesteld om verspreiding van Covid-19 tegen te gaan, opschort totdat deze middels een definitieve voorziening zal zijn opgeheven;

Subsidiair:

  • De gedaagde veroordeelt om naast het aanbevelen van mondkapjes de bevolking omstandig te informeren over het bestaan van wetenschappelijk bewijs dat mondkapjes medisch niet effectief zijn en dat zij in tegendeel zelfs schadelijk zijn voor de gezondheid,

In de onderhavige zaak daarentegen heeft de vordering, zoals dat uit de stellingen van [eiser] valt af te leiden, geen betrekking op de zgn. Mohana-regels, doch op de maatregelen zoals hiervoor onder 4.2 is weergeven. De kantonrechter komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot het oordeel dat in het onderhavige geval van misbruik van procesrecht c.q. schending van het ne-bis-in-idem beginsel geenszins sprake is, zodat de Staat niet slaagt in het door hem opgeworpen formeel verweer. Mitsdien wordt het formeel verweer verworpen. De slotsom is, dat [eiser] wel ontvankelijk is in het gevorderde. Nu gebleken is, dat de vordering van [eiser] in de zaak tussen partijen bekend onder A.R. No. 21-0733 betrekking had op opschorting van de zgn. Mohanaregels en de kantonrechter reeds inhoudelijk hierover heeft geoordeeld, zal de kantonrechter dit onderdeel niet meenemen bij de beoordeling van de onderhavige zaak.

De wettelijke grondslag van de nog van kracht zijnde maatregelen

4.8 De kantonrechter kan [eiser] niet volgen in zijn stelling dat de maatregelen geen valide grondslag hebben, omdat deze zoals de Staat terecht opwerpt een wettelijke grondslag hebben. In dat licht voert de Staat gemotiveerd aan dat hij vanwege de covid-19 pandemie ingevolge artikel 23 juncto 72 van de Grondwet (GW), ertoe is overgegaan tot het maken en afkondigen van de WUBU en het uitvoeringsbesluit om de hoge besmettingsgraad van corona (hierna te lezen als covid-19) tegen te gaan en de samenleving te beschermen. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan de stelling van [eiser]. Daarbij neemt de kantonrechter ook het hierna volgende in overweging. Uit de Memorie van Toelichting van de Wet Uitzonderingstoestand COVID-19 en WUBU valt af te leiden dat de Staat bij de totstandkoming van het besluitvormingsproces van de te treffen maatregelen, is uitgegaan van het aantal covid-19 besmettingen, de ter zake door de WHO gegeven richtlijnen heeft gevolgd en adviezen hierover heeft ingewonnen bij een team van deskundigen die deel uitmaken van het Outbreak Management Team in het kader van de strijd tegen covid-19. In het licht van het bovenstaande benadrukt de kantonrechter dat Suriname lid is van de WHO. Deze internationale gezondheidsorganisatie heeft wereldwijd de taak haar lidstaten te assisteren bij het bestrijden van infectieziekten en doet dat in het bijzonder op basis van de Internationale Gezondheidsregeling (IGR) welke is gebaseerd op het Statuut van de WHO van1946. De IGR bevat, zoals de Staat terecht opwerpt, regels voor landen inzake het beheersen en bestrijden van grensoverschrijdende infectieziekten en andere ernstige gezondheidsincidenten. Op basis van deze aan haar toekomende bevoegdheid heeft de WHO op 11 maart 2020 Covid-19 bestempeld als een pandemie en heeft haar lidstaten opgeroepen maatregelen te treffen om verspreiding van Covid-19 tegen te gaan. Op basis van de IGR kan de WHO speciale maatregelen treffen, omdat de Covid-19 een internationale noodsituatie vormt. In dergelijke noodsituaties waarbij de gezondheid van de totale bevolking c.q. de volksgezondheid in gevaar is en de Staat snel dient te handelen en besluiten om dat gevaar af te wentelen, dient de kantonrechter zich zeer terughoudend op te stellen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen van de Staat. Immers heeft de Staat een grote mate van beleidsvrijheid bij het nemen van maatregelen in een acute crisis, hetgeen zich thans voordoet vanwege de Covid-19 pandemie.

Het wetenschappelijk bewijs over de effectiviteit van de nog van kracht zijnde maatregelen, in het bijzonder de lockdown maatregelen

4.9 [eiser] beroept zich ter staving van zijn stelling dat er geen wetenschappelijk bewijs is dat de lockdownmaatregelen effectief zijn in het tegengaan van de verspreiding van Covid-19 c.q. het verminderen van het aantal Covid-19 “positieven” en “doden”, op de visies die diverse wetenschappers/deskundigen hierover geven in onder andere de volgende wetenschappelijke publicaties en literatuur:

1) een rapport van het Noorse Instituut voor Volksgezondheid (Folkehelseinstituttet), gepubliceerd op 05 mei 2020;

2) een rapport van investeringsbank J.P. Morgan, gepubliceerd op 20 mei 2020, samengesteld door Dr. Marko Kolanovic PhD, een opgeleid natuurkundige en “strategist” voor J.P. Morgan;

3) een studierapport getiteld “Assessing mandatory stay-at-home and business closure effects on the spread of COVID-19”, gepubliceerd op 05 januari 2021, in welk studierapport Professor John P.A. Ioannidis zijn wetenschappelijke visie hierover geeft;

4) een publicatie van Mises Institute op 04 mei 2021 getiteld “Why is There no

Correlation between Masks, Lockdowns, and Covid Suppression?”.

4.10 De Staat daarentegen betoogt dat uit verschillende recentelijke wetenschappelijke publicaties blijkt dat de lockdown strategie behoort tot één van de public healt interventies bij uitbraken van infectieziekten en deze maatregel of modificaties hiervan, vergezeld met andere public health interventies, met succes zijn toegepast in verschillende landen om de besmettingsgraden af te remmen. Ter staving van dit betoog, beroept de Staat zich op de fotokopie van een tweetal wetenschappelijke publicaties die hij ten processe heeft overgelegd, te weten de publicatie van:

1) Ayouni e.a. d.d. 29 mei 2021 getiteld “Effective public heatlh measures to mititgate the spread of COVID-19: a systematic review”;

2) Maria Pachetti e.a. d.d. 2 september 2020, getiteld: “Impact of lockdown on Covid-19 case fatality rate and viral mutations spread in 7 countries in Europe and North America”.

4.11 De kantonrechter constateert dat [eiser] in de onderhavige zaak een wetenschappelijke strijd voert met de Staat over het al dan niet effectief en gerechtvaardigd zijn van de lockdownmaatregelen. Daar het kort geding zich niet leent voor een wetenschappelijke strijd of de door de Staat nog te handhaven lockdown maatregelen al dan niet de juiste zijn voor het tegengaan of verminderen van Covid-19 besmettingen, gaat de kantonrechter voorbij aan deze wetenschappelijke strijd. Waarover de kantonrechter dient te oordelen is de beantwoording van de vraag welke schade [eiser] zelf ondervindt als gevolg van de nog van kracht zijnde lockdownmaatregelen, en of het gerechtvaardigd is om in het geval van [eiser] de nog van kracht zijnde lockdownmaatregelen te laten voortduren, waarbij van belang is de wijze van totstandkoming van het besluitvormingsproces over het voortduren van de lockdownmaatregelen. De kantonrechter constateert dat [eiser] stelt dat de maatregelen enorme financiële-, immateriële- en gezondheidsschade aanricht onder de bevolking, doch heeft [eiser] nagelaten te stellen welke schade hij zelf hiervan ondervindt. Zoals reeds hiervoor onder 4.3 is overwogen zijn [eiser] en de Staat de procespartijen in de onderhavige zaak. De bevolking daarentegen is geen procespartij in de onderhavige zaak. De kantonrechter komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen niet toe aan de beoordeling van de vraag of de nog van kracht zijnde lockdownmaatregelen rechtvaardig zijn jegens [eiser], zodat het gevorderde als niet voldoende gesteld zal worden geweigerd. Dit, omdat het resultaat van deze nog van kracht zijnde maatregelen in verband met de strijd tegen het aantal covid-19 besmettingen in Suriname, afgezet dient te worden tegen de schade die [eiser] mogelijk als gevolg van deze maatregelen lijdt.

Overige stellingen en weren

4.12 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen, die het karakter van een wetenschappelijke strijd dragen, niet relevant en overbodig. Dit, omdat die tot geen andere uitkomst zullen leiden.

Proceskosten

4.13 [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt [eiser] in de proceskosten die aan de zijde van de Staat zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op vrijdag 02 juli 2021 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-K1-2021-7

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1861

28 juni 2021

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

[eiseres],

wonend in [district],

eiseres,

gemachtigde: mr. M.C.M. Nibte, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het ministerie van JUSTITIE EN POLITIE,

in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,

kantoorhoudend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,

gedaagde,

gemachtigden: mr. D. Bhagwandien en mr. R. Sitaram, wnd. Substituut Officieren van Justitie.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 24 juni 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 25 juni 2021 met het verzoek tot wijziging van het petitum onder 1 en wel dat in plaats van “binnen 1 (één) na vonnis” wordt gelezen “binnen 1 (één) dag na vonnis” welk verzoek de kantonrechter heeft toegewezen;
  • de conclusie van antwoord met producties d.d. 25 juni 2021;
  • de mondelinge uitlating producties zijdens eiseres.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

Op grond van de stukken van het geding staat het volgende vast.

2.1 Eiseres is op 12 mei 2021 aangehouden en in verzekering gesteld en ingesloten in het cellenhuis verbonden aan het Politiestation te Geyersvlijt, voor het overtreden van de artikelen 188, 278 leden 1 en 2; 278 leden 1 en 2 jo 72; 386 jo 72 en 386 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht; overtreding van de artikelen 2 en 3 van de Wet Tegengaan Smokkelen, artikelen 44 en 45 van de Wet Bosbeheer en artikelen 1 en 7 van de Houtuitvoerwet; artikelen 4 en 7 van de Wet Uitvoerrecht op Hout jo artikel 1 lid 1 sub 20, 24, 25 en 26 en artikelen 2, 3, en 4 van de Wet Economische Delicten.

2.2 Het Openbaar Ministerie heeft een bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling van eiseres met dertig dagen uitgevaardigd, met als laatste dag 17 juni 2021.

2.3 De Rechter-Commissaris belast met de behandeling van Strafzaken bij de Kantongerechten heeft bij beschikking inzake bewaring van 16 juni 2021 de bewaring van eiseres bevolen voor de tijd van dertig dagen ingaande 18 juni 2021.

2.4 Op 22 juni 2021 heeft eiseres geweigerd voor ontvangst te tekenen van de beschikking inzake bewaring ingaande 18 juni 2021 afkomstig van de rechter-commissaris.

2.5 In artikel 55 van het Wetboek van Strafvordering, Sv, is als volgt bepaald:

  1. De rechter-commissaris kan, zolang het onderzoek der zaak op de terechtzit­ting in eerste aanleg nog niet is aange­vangen, op de vordering van de vervolgings­ambtenaar een bevel tot bewaring van de verdachte verlenen.
  2. Indien de rechter-commissaris reeds aanstonds van oordeel is dat voor het verlenen van zodanig bevel geen termen aanwezig zijn, wijst hij de vordering af.
  3. In het andere geval hoort hij, tenzij het voorafgaand verhoor van de verdachte niet kan worden afgewacht, alvorens te beslissen, deze omtrent de vordering van de vervolgingsamb­tenaar en kan hij te dien einde, zonodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, diens dagvaarding gelasten.
  4. De verdachte is bevoegd zich bij het verhoor door een raadsman te doen bijstaan. Artikel 16, laatste lid, is van toepassing.
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert na eiswijziging – kort gezegd – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis gedaagde veroordeelt:

  1. om haar binnen een dag na vonnis dan wel binnen een in goede justitie te bepalen termijn lijfelijk in vrijheid te stellen;
  2. haar bij wege van dwangsom het bedrag van SRD 100.000, – te betalen voor elk uur dat gedaagde in strijd handelt met het gevorderde onder A.

Voorts is veroordeling van gedaagde in de proceskosten gevorderd.

3.2 Eiseres legt – kort gezegd – aan haar vordering ten grondslag dat zij onrechtmatig is ingesloten en het Openbaar Ministerie, hierna het OM, aldus onrechtmatig jegens haar handelt. Het OM heeft niet tijdig op de door de wet voorgeschreven wijze een bevel van bewaring aan eiseres betekend. De rechter-commissaris heeft op 16 juni een vordering tot bewaring van eiseres in behandeling genomen, waarop de gemachtigde van eiseres heeft gereageerd. Eiseres heeft hierna niets meer vernomen. Een verzoek ex artikel 61 Sv tot opheffing van de voorlopige hechtenis kan eiseres niet tot het Hof richten, omdat in haar geval geen sprake is van een rechtmatige bewaring. Het Openbaar Ministerie handelt in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.

3.3 Gedaagde voert verweer. Naast de feiten als hiervoor in randnummers 2.1 tot en met 2.3 vermeld voert gedaagde aan dat de rechter-commissaris door de thans heersende Covid-19 pandemie eiseres noch in persoon noch telefonisch heeft gehoord. De wettelijke grondslag van de voorlopige hechtenis van eiseres ligt besloten in het bevel van bewaring bij beschikking van de rechter-commissaris. De bewaring van eiseres is volgens de beschikking ingegaan op 18 juni 2021 en de beschikking is, door overmacht ontstaan aan de zijde van het OM, op 22 juni 2021 aan eiseres uitgereikt.

  1. De beoordeling

4.1 De spoedeisendheid blijkt uit de aard van de vordering, zodat eiseres zal worden ontvangen in het kort geding.

4.2 De kantonrechter overweegt allereerst als volgt.

In de eerste overwegingen in de bewaringsbeschikking verwijst de rechter-commissaris naar de richtlijnen en maatregelen in verband met de verspreiding van het SARS-COV-2/COVID-19 virus. De kantonrechter oordeelt dat de rechter-commissaris in overeenstemming met de bekendmaking HVJ-69 van 31 mei 2021 op www.rechtspraak.sr – over aanpassingen in de strafrechtspleging en uitgevaardigd door het Hof van Justitie – heeft overwogen dat het verhoor van eiseres noch fysiek noch telefonisch kan plaatsvinden. Over de richtlijnen en maatregelen in verband met het SARS-COV-2/COVID-19 virus merkt de kantonrechter – voor zover van belang – op dat het Hof geen mogelijkheid heeft om anders daarover te oordelen en te handelen dan tot nog toe uit zijn bekendmakingen blijkt. In dit geval ligt het op de weg van de wetgever om hier eventueel in te voorzien.

4.3 Gedaagde beroept zich op artikel 68 Sv, specifiek lid 5, waarin is bepaald: “Het [bevel] wordt voor of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte betekend.” Ook sluit gedaagde aan bij artikel 78 lid 5 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering, WvSv, dat een eenduidige bepaling bevat. De toelichting bij het artikel in ‘Tekst en Commentaar Strafvordering’ van C.P.M. Cleiren en J.F. Nijboer, 2003 voert gedaagde mede aan ter onderbouwing van haar verweer. Die toelichting luidt: “Indien het bevel niet overeenkomstig het vijfde lid vóór of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte is betekend, hoeft dit verzuim niet aan de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging in de weg te staan.” Gedaagde verwijst ook naar de daar genoemde rechtspraak, te weten HR 28 mei 1982, NJ 1982, 490 en HR 3 mei 1988, NJ 1989, 187.

4.3.1 Over de zinsnede “bij de tenuitvoerlegging”, overweegt de kantonrechter als volgt. Volgens het arrest van de Hoge Raad van 22 oktober 1991 over het begin en einde van een bevel bewaring oordeelt hij dat het bevel ingaat op het moment van tenuitvoerlegging en de tenuitvoerlegging gaat in bij het begin van de vrijheidsbeneming dan wel bij beëindiging van de lopende vrijheidsbeneming in dezelfde zaak. De verlenging inverzekeringstelling van eiseres is ex artikel 50 lid 1 Sv op 19 mei 2021 ingegaan. Dit betekent dat de verlenging inverzekeringstelling afliep op 18 juni 2021. De inbewaringstelling is op 18 juni 2021 ingegaan, zie HR 22 oktober 1991, NJ 1992, 232 en ECLI:NL:GHSHE:2017:5973. De tenuitvoerlegging begint op het tijdstip waarop de termijn van de (verlenging) inverzekeringstelling afloopt, volgens ‘Tekst en Commentaar Strafvordering’ van C.P.M. Cleiren en J.F. Nijboer, 2003, artikel 64 WvSv, onder 2. ‘Ingang bewaring’. De stelling van eiseres is juist dat alle dwangmiddelen naadloos moeten aansluiten op een voorgaand bevel, wat in casu aldus het geval is.

4.3.2 Uit recentere rechtspraak blijkt eveneens dat een bevel dat niet voor of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte is betekend, geen onrechtmatigheid van de voorlopige hechtenis tot gevolg heeft, ECLI:NL:GHSHE:2017:5973. In bedoeld arrest overweegt het Hof: “De officier van justitie is belast met de tenuitvoerlegging van het bevel bewaring en tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald vangt de tenuitvoerlegging aan op het moment dat de inverzekeringstelling afloopt (ECLI:NL:HR:1991:ZC8864).” Het verweer van gedaagde snijdt hout.

4.4 Anders dan eiseres meent, is in artikel 69 Sv de opheffing van een bevel tot voorlopige hechtenis geregeld wat in casu geen toepassing vindt. De kantonrechter merkt in dit verband op dat interpretatievrijheid bij dwangmiddelen het kleinst is. De rechter dient zich zeer strikt aan de bewoordingen van de wet te houden, zie G.J.M. Corstens, zesde druk, 2008.

4.5 Uit het voorgaande is vooralsnog niet aannemelijk geworden dat sprake is van een onrechtmatige voorlopige hechtenis van eiseres. Het OM en de rechter-commissaris hebben met in achtneming van het sterk wetsgebonden karakter van de in het strafprocesrecht bepaalde termijnen de voorlopige hechtenis van eiseres respectievelijk gevorderd en bevolen. Dat brengt met zich dat voorshands oordelend onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het Openbaar Ministerie eiseres onrechtmatig vasthoudt, omdat zij niet tijdig zou zijn voorzien van een bevel tot bewaring.

4.6 Tot slot en voor zover nog van belang merkt de kantonrechter op dat uit voorgaande overwegingen voortvloeit dat anders dan eiseres heeft gesteld, een verzoek ex artikel 61 Sv voor haar openstond.

4.7 De kantonrechter komt op grond van het al voorgaande niet meer toe aan een beoordeling van de overmacht waarop gedaagde zich beroept.

4.8 Slotsom is dat het gevorderde zal worden afgewezen.

4.9 Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 28 juni 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-K1-2021-6

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1824

28 juni 2021

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

[eiser],

wonend in [district],

eiser,

gemachtigde: mr. C. Algoe, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het ministerie van JUSTITIE EN POLITIE,

in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,

kantoorhoudend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,

gedaagde,

gemachtigden: mr. D. Bhagwandien en mr. R. Sitaram, wnd. Substituut Officieren van Justitie.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 23 juni 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 24 juni 2021;
  • de conclusie van antwoord met producties d.d. 24 juni 2021;
  • de mondelinge uitlating producties zijdens eiser;
  • de gehouden comparitie van partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

Op grond van de stukken van het geding staat het volgende vast.

2.1 Eiser is op 13 mei 2021 aangehouden en in verzekering gesteld en ingesloten in het cellenhuis verbonden aan het Politiestation te Leiding 9, voor het overtreden van de artikelen 188, 188 jo 67; 278 leden 1 en 2; 278 leden 1 en 2 jo 72; 278 leden 1 en 2 jo 73; 278 leden 1 en 2 jo 67; 278 leden 1 en 2 jo 72 jo 67; 278 leden 1 en 2 jo 73 jo 67; 386; 386 JO 72; 386 jo 70 jo 73; 386 jo 70 jo 67; 386 jo 70 jo 72 jo 67; 386 jo 70 jo 73 jo 67 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht; overtreding van de artikelen 2 en 3 van de Wet Tegengaan Smokkelen, artikelen 44 en 45 van de Wet Bosbeheer en artikelen 1 en 7 van de Houtuitvoerwet; artikelen 4 en 7 van de Wet Uitvoerrecht op Hout jo artikel 1 lid 1 sub 20, 24, 25 en 26 en artikelen 2, 3, en 4 van de Wet Economische Delicten.

2.2 Op 17 mei 2021 heeft het Openbaar Ministerie een bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling met dertig dagen uitgevaardigd ingaande 20 mei 2021. Overweging is dat de omstandigheden die tot het uitvaardigen van voormeld bevel hebben geleid nog steeds bestaan en daarmee de dringende noodzakelijkheid tot verlenging daarvan.

2.3 De Rechter-Commissaris belast met de behandeling van Strafzaken bij de Kantongerechten heeft bij beschikking inzake bewaring van 16 juni 2021 de bewaring van eiser bevolen voor de tijd van dertig dagen ingaande 19 juni 2021.

2.4 Op 22 juni 2021 heeft eiser geweigerd voor ontvangst te tekenen van de beschikking inzake bewaring ingaande 19 juni 2021 afkomstig van de rechter-commissaris.

2.5 In artikel 55 van het Wetboek van Strafvordering, Sv, is als volgt bepaald:

  1. De rechter-commissaris kan, zolang het onderzoek der zaak op de terechtzit­ting in eerste aanleg nog niet is aange­vangen, op de vordering van de vervolgings­ambtenaar een bevel tot bewaring van de verdachte verlenen.
  2. Indien de rechter-commissaris reeds aanstonds van oordeel is dat voor het verlenen van zodanig bevel geen termen aanwezig zijn, wijst hij de vordering af.
  3. In het andere geval hoort hij, tenzij het voorafgaand verhoor van de verdachte niet kan worden afgewacht, alvorens te beslissen, deze omtrent de vordering van de vervolgingsamb­tenaar en kan hij te dien einde, zonodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, diens dagvaarding gelasten.
  4. De verdachte is bevoegd zich bij het verhoor door een raadsman te doen bijstaan. Artikel 16, laatste lid, is van toepassing.

 

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert – kort gezegd – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis gedaagde veroordeelt:

  1. om hem binnen een uur na vonnis dan wel binnen een in goede justitie te bepalen termijn lijfelijk in vrijheid te stellen;
  2. hem bij wege van dwangsom het bedrag van SRD 100.000, – te betalen voor elk uur dat gedaagde in strijd handelt met het gevorderde onder 1.

Voorts is veroordeling van gedaagde in de proceskosten gevorderd.

3.2 Eiser legt – kort gezegd – aan zijn vordering ten grondslag dat hij onrechtmatig is ingesloten en het Openbaar Ministerie, hierna het OM, aldus onrechtmatig jegens hem handelt. Het OM heeft niet tijdig op de door de wet voorgeschreven wijze een bevel van bewaring aan eiser betekend. De rechter-commissaris heeft op 16 juni een vordering tot bewaring van eiser in behandeling genomen, waarop de gemachtigde van eiser heeft gereageerd. Eiser heeft hierna niets meer vernomen. Een verzoek ex artikel 61 Sv tot opheffing van de voorlopige hechtenis kan eiser niet tot het Hof richten, omdat in zijn geval geen sprake is van een rechtmatige bewaring. Het Openbaar Ministerie handelt in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Het uitblijven van het bevel doet sprake zijn van detournement de pouvoir zijdens het OM.

3.3 Gedaagde voert verweer. Naast de feiten als hiervoor in randnummers 2.1 tot en met 2.3 vermeld voert gedaagde aan dat de rechter-commissaris door de thans heersende Covid-19 pandemie eiser noch in persoon noch telefonisch heeft gehoord. De wettelijke grondslag van de voorlopige hechtenis van eiser ligt besloten in het bevel van bewaring bij beschikking van de rechter-commissaris. De bewaring van eiser is volgens de beschikking ingegaan op 19 juni 2021 en de beschikking is, door overmacht ontstaan aan de zijde van het OM, op 22 juni 2021 aan eiser uitgereikt.

  1. De beoordeling

4.1 De spoedeisendheid blijkt uit de aard van de vordering, zodat eiser zal worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Het partijdebat ter zitting resulteert in een drietal vragen die in dit geding beantwoord moeten worden. Kort gezegd luiden de vragen 1. Is sprake van innerlijke tegenstrijdigheid in de beschikking van de rechter-commissaris?, 2. Leidt het moment van uitreiking van het bewaringsbevel tot een onrechtmatige voorlopige hechtenis van eiser? en 3. Is sprake van overmacht zijdens het OM door de zich voordoende logistieke problemen?.

4.2.1 Volgens eiser is de beschikking van de rechter-commissaris innerlijk tegenstrijdig, nu de zesde overweging van die beschikking, “Overwegende, dat geen termen aanwezig geacht worden tot het uitvaardigen van een bevel tot bewaring tegen de verdachte(n) voornoemd;” niet is doorgestreept, maar de tekst na “BESCHIKKENDE:” luidt: “Beveelt de bewaring van de verdachte(n) (…) 9. [naam 1] (…)” voornoemd voor de tijd van dertig dagen ingaande (…) 19.06.2021 (sub 7 t/m 9); (…) in een huis van bewaring in Suriname;”.

4.2.2 De kantonrechter overweegt dat onder de tekst “BESCHIKKENDE:”, de beslissing “Weigert het gevorderde bevel tot bewaring ten aanzien van de verdachte(n) voornoemd; en beveelt hun/zijn/haar onmiddellijke invrijheidstelling;” is doorgestreept. Van belang is daarbij dat ook acht wordt geslagen op de voorafgaande vierde en vijfde overweging van de rechter-commissaris en wel dat de rechter-commissaris kennis heeft genomen van de vordering tot (verlenging) bewaring en de overige door de vervolgingsambtenaar opgestuurde stukken, en dat de in de vordering genoemde feiten en omstandigheden aanleiding geven om het gevorderde bevel uit te vaardigen. Gelet op voorgaande berust de niet doorgestreepte overweging als hiervoor in randnummer 4.2.1 geciteerd op een kennelijke misslag. De kantonrechter leest de beschikking met verbetering van die misslag en wel met doorstreping van “Overwegende, dat geen termen aanwezig geacht worden tot het uitvaardigen van een bevel tot bewaring tegen de verdachte(n) voornoemd;”.

4.2.3 In de eerste overwegingen in de bewaringsbeschikking verwijst de rechter-commissaris naar de richtlijnen en maatregelen in verband met de verspreiding van het SARS-COV-2/COVID-19 virus. De kantonrechter oordeelt dat de rechter-commissaris in overeenstemming met de bekendmaking HVJ-69 van 31 mei 2021 op www.rechtspraak.sr – over aanpassingen in de strafrechtspleging en uitgevaardigd door het Hof van Justitie – heeft overwogen dat het verhoor van eiser noch fysiek noch telefonisch kan plaatsvinden. Dat het Hof in verband met de virus uitbraak als hiervoor aangehaald bekendmakingen via zijn website doet, is anders dan eiser stelt bij de Orde van Advocaten genoegzaam bekend.

4.3 Gedaagde beroept zich op artikel 68 Sv, specifiek lid 5, waarin is bepaald: “Het [bevel] wordt voor of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte betekend.” Ook sluit gedaagde aan bij artikel 78 lid 5 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering, WvSv, dat een eenduidige bepaling bevat. De toelichting bij het artikel in ‘Tekst en Commentaar Strafvordering’ van C.P.M. Cleiren en J.F. Nijboer, 2003 voert gedaagde mede aan ter onderbouwing van haar verweer. Die toelichting luidt: “Indien het bevel niet overeenkomstig het vijfde lid vóór of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte is betekend, hoeft dit verzuim niet aan de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging in de weg te staan.” Gedaagde verwijst ook naar de daar genoemde rechtspraak, te weten HR 28 mei 1982, NJ 1982, 490 en HR 3 mei 1988, NJ 1989, 187.

4.3.1 Over de zinsnede “bij de tenuitvoerlegging”, overweegt de kantonrechter als volgt. Volgens het arrest van de Hoge Raad van 22 oktober 1991 over het begin en einde van een bevel bewaring oordeelt hij dat het bevel ingaat op het moment van tenuitvoerlegging en de tenuitvoerlegging gaat in bij het begin van de vrijheidsbeneming dan wel bij beëindiging van de lopende vrijheidsbeneming in dezelfde zaak. De verlenging inverzekeringstelling van eiser is ex artikel 50 lid 1 Sv op 20 mei 2021 ingegaan. Dit betekent dat de verlenging inverzekeringstelling afliep op 19 juni 2021. De inbewaringstelling is op 19 juni 2021 ingegaan, zie HR 22 oktober 1991, NJ 1992, 232 en ECLI:NL:GHSHE:2017:5973. De tenuitvoerlegging begint op het tijdstip waarop de termijn van de (verlenging) inverzekeringstelling afloopt, volgens ‘Tekst en Commentaar Strafvordering’ van C.P.M. Cleiren en J.F. Nijboer, 2003, artikel 64 WvSv, onder 2. ‘Ingang bewaring’.

4.3.2 Uit recentere rechtspraak blijkt eveneens dat een bevel dat niet voor of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte is betekend, geen onrechtmatigheid van de voorlopige hechtenis tot gevolg heeft, ECLI:NL:GHSHE:2017:5973. In bedoeld arrest overweegt het Hof: “De officier van justitie is belast met de tenuitvoerlegging van het bevel bewaring en tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald vangt de tenuitvoerlegging aan op het moment dat de inverzekeringstelling afloopt (ECLI:NL:HR:1991:ZC8864).” Het verweer van gedaagde snijdt hout.

4.4 Anders dan eiser meent, is in artikel 69 Sv de opheffing van een bevel tot voorlopige hechtenis geregeld wat in casu geen toepassing vindt. De kantonrechter merkt in dit verband op dat interpretatievrijheid bij dwangmiddelen het kleinst is. De rechter dient zich zeer strikt aan de bewoordingen van de wet te houden, zie G.J.M. Corstens, zesde druk, 2008.

4.5 Uit de inhoud van bijlage II blijkt niet van een aan eiser betekend bevel van bewaring, waar hij kennelijk van uitgaat, maar van een rapport opgemaakt door de inspecteur van politie, [naam 2], dat gericht is aan de Procureur-Generaal. Het rapport is een relaas van feiten die verband houden met de betekening van beschikkingen inzake bewaring van onder anderen eiser. De stelling van eiser dat het document niet voldoet aan de vereisten van artikel 415 Sv gaat dan ook niet op.

4.6 Eiser beroept zich voorts op de Grondwet, GW, hoofdstuk V, kennelijk de artikelen 10 tot en met 12. Nu eiser zijn verwijzing naar de Grondwet niet nader heeft onderbouwd, merkt de kantontonrechter slechts op als volgt. Allereerst blijkt voldoende uit de processtukken dat eiser bijstand heeft van een gemachtigde, artikel 12 lid 1. Voor zover de stelling van eiser is gericht op de artikelen 10 en 11 – specifiek de openbare behandeling van zijn klacht, geeft de behandeling van de onderhavige zaak voldoende blijk dat eiser daarin niet is beperkt, nu hij via zijn gemachtigde zijn stellingen heeft kunnen voorbrengen. Over de richtlijnen en maatregelen in verband met het SARS-COV-2/COVID-19 virus merkt de kantonrechter – voor zover van belang – op dat het Hof geen mogelijkheid heeft om anders daarover te oordelen en te handelen dan tot nog toe uit zijn bekendmakingen blijkt. In dit geval ligt het op de weg van de wetgever om hier eventueel in te voorzien.

4.7 Uit het voorgaande is vooralsnog niet aannemelijk geworden dat sprake is van een onrechtmatige voorlopige hechtenis van eiser. Het OM en de rechter-commissaris hebben met in achtneming van het sterk wetsgebonden karakter van de in het strafprocesrecht bepaalde termijnen de voorlopige hechtenis van eiser respectievelijk gevorderd en bevolen. Dat brengt met zich dat voorshands oordelend onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het Openbaar Ministerie in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Ook is onvoldoende aannemelijk dat sprake zou zijn van het uitblijven van het bewaringsbevel inzake eiser.

4.8 Tot slot en voor zover nog van belang merkt de kantonrechter op dat uit voorgaande overwegingen voortvloeit dat anders dan eiser heeft gesteld, een verzoek ex artikel 61 Sv voor hem openstond.

4.9 De kantonrechter komt op grond van het al voorgaande niet meer toe aan een beoordeling van de overmacht waarop gedaagde zich beroept.

4.10 Slotsom is dat het gevorderde zal worden afgewezen.

4.11 Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 28 juni 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.