SRU-HvJ-2015-24

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[eiseres],
wonende in het [district] ,
eiseres, hierna aangeduid als “[eiseres]”,
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Financiën,
zetelende te Paramaribo,
verweerster, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. D. Parohi, Hoofd Juridische Zaken van het Ministerie van Financiën,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het verzoekschrift ter Griffie van het Hof van Justitie ontvangen op d.d. 27 mei 2011, met producties;
  • de beschikking van het Hof van 7 juli 2011 inhoudende de verlenging van de termijn binnen welke het verweerschrift moet worden ingediend;
  • het verweerschrift d.d. 12 augustus 2011;
  • de beschikking van het Hof van 16 maart 2012 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 4 mei 2012;
  • de aantekening uit het doorlopend proces-verbaal inhoudende uitstel van de mondelinge behandeling tot 5 oktober 2012;
  • het proces-verbaal van de op 5 oktober 2012 gehouden mondelinge behandeling;
  • de nota ter uitlating na verhoor van partijen zijdens [eiseres] d.d. 15 maart 2013;
  • de nota ter uitlating na verhoor van partijen zijdens de Staat d.d. 15 maart 2013;
  • de pleitnota d.d. 3 mei 2013;
  • de antwoord pleitnota d.d. 7 juni 2013;
  • de repliek pleitnota d.d. 17 januari 2014;
  • de dupliek pleitnota d.d. 4 april 2014.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2.1 Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 21 juni 2006, [nummer 1] , is de Directeur der Belastingen gemachtigd om met [eiseres] de bij die resolutie gevoegde arbeidsovereenkomst aan te gaan.

2.2 De Directeur der Belastingen en [eiseres] hebben een arbeidsovereenkomst ondertekend ingevolge welke [eiseres] te rekenen van 1 september 2005 in overheidsdienst trad en werd tewerkgesteld als fiscaal jurist bij de Inspectie der Directe Belastingen.

2.3 In artikel 4 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is bepaald dat [eiseres] aanspraak heeft op 15 dienstdagen vacantieverlof per kalenderjaar. In artikel 6 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat [eiseres], voor zover daarbij van toepassing, alle rechten en verplichtingen heeft die in de Personeelswet aan landsdienaren zijn toegekend c.q. opgelegd.

2.4 De Directeur der Belastingen heeft [eiseres] een schrijven d.d. 14 juni 2010, La B P/O [nummer 2] gezonden inhoudende onder meer: “Onlangs hebben wij van het Directoraat Financiën een overzicht ontvangen van de opgenomen ziekte- en verlofdagen over het jaar 2009 en over 2010 tot en met 6 mei jl. Het is ons opgevallen dat u veel meer verlofdagen hebt opgenomen dan waar u recht op hebt. Ook is het aantal ziektedagen vrij hoog.
Verder is ons door mw. [naam] gerapporteerd dat u in de afgelopen maanden nauwelijks werkzaamheden heeft verricht voor het Ministerie. Op grond van het voorgaande wordt u in de gelegenheid gesteld zich ingevolge artikel 63 van de Personeelswet (…) schriftelijk te verantwoorden en wel binnen 2 (twee) dagen na ontvangst van dit schrijven.”

2.5 Bij schrijven van 21 juni 2010 heeft [eiseres] zich verweerd naar aanleiding van de brief onder 2.4 genoemd.

2.6 Bij schrijven van 24 juni 2010, La B P/O [nummer 3], heeft de Directeur der Belastingen gereageerd op het verweerschrijven van [eiseres] en heeft hij haar medegedeeld dat de met haar gesloten arbeidsovereenkomst, die op 1 september (2010) zou expireren, niet zou worden verlengd.

2.7 [eiseres] heeft bij verzoekschrift d.d. 11 oktober 2010 (A-714) betoogd dat het schrijven onder 2.6 genoemd geen rechtsgevolg toekomt en heeft gevorderd de Staat te veroordelen tot (door)betaling van haar salaris.

2.8 De Staat heeft bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 5 april 2011 [nummer 4] [eiseres] ontslagen wegens plichtsverzuim. In de betreffende resolutie is onder meer overwogen:
dat Mw. [eiseres], (…), zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, hierin bestaande dat zij volgens een overzicht van de opgenomen ziekte- en verlofdagen over het jaar 2009 en 2010 teveel verlofdagen heeft opgenomen, het aantal ziektedagen was ook vrij hoog, waardoor zij nauwelijks werkzaamheden verrichtte; dat bij schrijven van de Directeur van Belastingen van 14 juni 2010 La B P/O [nummer 2], Mw. [eiseres] voornoemd, in de gelegenheid is gesteld zich ter zake te verantwoorden, doch heeft in haar verweerbrief van 21 juni 2010 geen argumenten kunnen aanvoeren, welke ertoe zouden kunnen leiden dat van het opleggen van een tuchtstraf wordt afgezien;
dat Mw. [eiseres] voornoemd, sedert haar indiensttreding op 01 september 2005, verschillende werkplekken aangeboden gekregen heeft. Op geen van deze afdelingen heeft zij kunnen samenwerken met de functionarissen die daar werkzaam zijn. Ook het Ministerie van Financien is het niet goed gelukt en heeft zij zelfs geweigerd bepaalde opdrachten uit te voeren;
dat het voorgaande ernstig plichtsverzuim, in de zin van de aangehaalde “Personeelswet” oplevert;
dat het dienstbelang vordert, dat ter handhaving van de orde, de integriteit, het gezag met bijzondere gestrengheid, tegen voormelde vorm van plichtsverzuim dient op te treden;”.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in ambtenaren zaken:
a. het besluit vervat in de resolutie van de President van de Republiek Suriname van 5 april 2011 [nummer 4] te vernietigen, althans nietig te verklaren;
b. de Staat te veroordelen haar een schadevergoeding te betalen.

3.2 Ter onderbouwing van haar vordering heeft [eiseres] gesteld dat het door haar gelaakt besluit jegens haar onrechtmatig is omdat:
1. de feitelijke grondslag van het besluit ondeugdelijk is;
2. het besluit tot beëindiging van de dienstbetrekking wegens plichtsverzuim niet in overeenstemming is met het vermeend plichtsverzuim;
3. er sprake is van detournement de pouvoir: de bevoegdheid tot het doen beëindigen van de dienstbetrekking is kennelijk gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die is gegeven, nl. het voorkomen van een veroordeling in het rechtsgeding bekend onder A-714.
4. de resolutie niet overeenkomstig artikel 5 van de Personeelswet ter kennis van haar is gebracht.

3.3 De Staat heeft de vordering weersproken.
Het Hof komt, voor zover van belang, daarop bij de beoordeling terug.

Bevoegdheid
4 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring.
Ingevolge artikel 79 lid 1 sub b van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot schade die voor een (gewezen) ambtenaar is voortgevloeid uit een door de Staat jegens hem genomen besluit.
Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van [eiseres].

De ontvankelijkheid
5 Voor het beoordelen van de ontvankelijkheid moet worden uitgegaan van het moment waarop het bestreden besluit ter kennis van [eiseres] is gebracht, dan wel het moment waarop zij redelijkerwijs daarvan kennis kon nemen.
Uit de standpunten van de Staat blijkt dat de bestreden resolutie op 29 april 2011 ter hand is gesteld van de Procureur-Generaal. [eiseres] heeft gesteld dat zij op deze datum een concept van het exploot en de resolutie in haar brievenbus heeft aangetroffen.
Het Hof constateert dat de Staat heeft aangevoerd dat de bestreden resolutie met gebruikmaking van artikel 5 lid 2 sub c van de Personeelswet ter hand is gesteld aan de Procureur-Generaal. [eiseres] heeft weliswaar in haar verzoekschrift gesteld dat de bestreden resolutie niet conform de Personeelswet aan haar ter kennis is gebracht, maar heeft het door de Staat in dit kader aangevoerde verder niet gemotiveerd weersproken.
Aangezien de artikelen 3 en 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de mogelijkheid bieden om, bij afwezigheid van de geëxploiteerde (en andere huisgenoten) het exploot ter hand te stellen van de Procureur-Generaal, zoals in casu ook is geschied, is naar het oordeel van het Hof de bestreden resolutie op 29 april 2011 op correcte wijze ex artikel 5 lid 2 sub c van de Personeelswet ter kennis van [eiseres] gebracht.
Nu het verzoekschrift van [eiseres] op 27 mei 2011 is ontvangen door de griffie, is [eiseres] ontvankelijk in haar verzoek.

De beoordeling van het geschil
De opzegging door de Directeur der Belastingen
6.1.1 Het Hof constateert dat [eiseres] opkomt tegen het besluit tot beëindiging van het dienstverband met de Staat. Het besluit tot het beëindigen van het dienstverband is [eiseres] eerstens bij schrijven van de Directeur der Belastingen d.d. 24 juni, La B P/O [nummer 3] medegedeeld. [eiseres] heeft ten aanzien van dit schrijven gesteld dat daaraan geen betekenis toekomt, aangezien de Directeur der Belastingen slechts is gemachtigd om haar aan te trekken, maar de bevoegdheid mist een eind te maken aan de dienstbetrekking.

6.1.2 Het door [eiseres] gestelde is naar het oordeel van het Hof terecht, aangezien in artikel 3 lid 5 van de Personeelswet is bepaald dat tot het nemen van andere dan de in de leden 1 tot en met 4 van dat artikel bedoelde besluiten ten aanzien van een arbeidscontractant bevoegd is het gezag dat laatstelijk met hem (haar) een arbeidsovereenkomst heeft gesloten.
Ingevolge lid 3 van artikel 3 van de Personeelswet is tot het sluiten van arbeidsovereen- komsten voor het Land bevoegd onder andere de daartoe door de President of door een Minister gemachtigde landsdienaren.
Tussen partijen is niet in het geding dat de President van de Republiek Suriname ten aanzien van [eiseres] het bevoegd gezag is. Dit is naar dezerzijds oordeel niet anders indien een andere functionaris door hem wordt gemachtigd tot het sluiten van een arbeidsovereenkomst.
Dit leidt tot de gevolgtrekking dat aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [eiseres] gedaan door de Directeur der Belastingen geen rechtsgevolg wordt verbonden, nu deze functionaris ten aanzien van [eiseres] niet als het bevoegd gezag kan worden aangemerkt.

Het ontslag wegens plichtsverzuim
6.2.1 Uit de bestreden resolutie blijkt dat het [eiseres] verweten plichtsverzuim bestaat uit:
a. het opnemen van teveel verlofdagen en een hoog aantal ziektedagen;
b. het niet kunnen samenwerken met functionarissen op diverse afdelingen;
c. het weigeren om op het Ministerie van Financiën bepaalde opdrachten uit te voeren.

6.2.2 Gesteld noch gebleken is dat [eiseres], naast de verweeraanzegging genoemd onder 2.4 van dit vonnis, is aangezegd zich te verweren.
Uit de verweeraanzegging blijkt echter niet dat zij is aangezegd zich te verweren terzake de onder b en c genoemde aanleidingen tot het ontslag. [eiseres] is evenwel in haar verweerschrift wel ingegaan op deze aanleidingen tot het ontslag, zodat naar het oordeel van het Hof zij zich eveneens ten aanzien van deze ontslaggronden heeft kunnen verweren.

6.2.3 Zijdens het Hof wordt geconstateerd dat [eiseres] in haar verweerschrijven d.d. 21 juni 2010 ten aanzien van het hoog aantal verlof- en ziektedagen als volgt heeft gereageerd:
op pagina 1:
“Hoog verzuim
In reactie op het hoog aantal dagen van verzuim kan ik u het volgende mededelen.
Het is een zeer logische consequentie dat elke werknemer in mijn positie letterlijk ziek zou kunnen worden van frustratie van de betuttelende wijze waarop door u wordt omgegaan met een ambtenaar van mijn niveau. Hierbij wil ik u er tevens op attenderen dat ik, ondanks het feit dat ik verlof opneem, gewoon thuis doorwerk.”
en op pagina 2:
“Aangezien ik nog steeds werkzaam ben op het Ministerie van Financiën, was het een eenvoudige handeling geweest om mijn verlofkaart te willen opsturen naar Personeelszaken Financiën, hetgeen niet is geschied. Hierdoor is het voor mij volkomen onduidelijk op welke wijze het verlof moet worden aangevraagd. Bovendien heb ik totaal geen zicht op het aantal dagen waar ik rechtens aanspraak op maak.”

Uit de hierboven weergegeven citaten blijkt dat [eiseres] niet weerspreekt dat zij een hoog aantal verlof- en ziektedagen heeft. Dit is eveneens in de ten processe overgelegde pleitnota’s het geval. Daarbij is door [eiseres] gesteld dat zij geen weet had van het aantal verlofdagen, niet wist hoe aan te vragen. Zijdens [eiseres] is bij pleitnota gesteld dat het rechtens niet mogelijk is dat zij teveel verlofdagen zou hebben opgenomen zonder dat de Staat daarmee heeft ingestemd, aangezien afwezigheid van werk pas als een verlofdag wordt aangemerkt als de verlofaanvraag en de acceptatie daarvan met elkaar overeenstemmen, hetgeen naar het oordeel van [eiseres] in casu het geval is, nu blijkens het ontslagbesluit zelf het niet betreft onwettig verzuim (in de betekenis dat [eiseres] niet aan het werk zou zijn verschenen zonder medeweten van de Staat). Indien een dergelijke acceptatie niet zou hebben plaatsgevonden, zou de Staat de verzuimde dagen immers als “onwettig verzuimde dagen “ hebben aangemerkt. Daarnaast blijkt, aldus [eiseres], uit artikel 52 jo. artikel 48 lid 1 van de Personeelswet dat pas sprake is van een verlofdag als een verlofverzoek wordt gehonoreerd en het vakantieverlof wordt verleend. Evenzo is volgens [eiseres] ingevolge artikel 45 leden 1 en 2 van de Personeelswet pas sprake van een “ziektedag” als de aanspraak op vrijstelling van dienst wegens ziekte wordt erkend en die vrijstelling wordt verleend. De Staat heeft nagelaten afwijzend te beslissen op de verzoeken tot verlening van vakantieverlof en de vrijstelling wegens ziekte niet te verlenen.

6.2.4 De hierboven weergegeven redenering zijdens [eiseres] gaat naar het oordeel van het Hof mank.
In artikel 47 lid 1 van de Personeelswet is bepaald dat de ambtenaar aanspraak maakt op vakantieverlof met behoud van salaris onder de na te stellen regelen. Een der regelen is gegeven in artikel 48 lid 1 van de Personeelswet dat bepaalt dat er een schriftelijk verzoek daartoe moet worden ingediend. De bedoeling hiervan is dat de Staat de ruimte moet worden geboden het verzoek te beoordelen.
Zijdens de Staat is bij de comparitie van partijen aangevoerd dat [eiseres] telefonisch verlof aanvroeg, hetgeen zijdens [eiseres] niet is betwist.
Naar het oordeel van het Hof kan, nu de personeelswet slechts regelingen geeft voor het realiseren van de bestaande aanspraak op vakantieverlof, een (onvolkomen) aanvraag tot verlening van vakantieverlof niet resulteren in het verruimen van een aanspraak op vakantieverlof.
De aanspraak is immers vastgelegd in de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst.
Daarnaast is het Hof van oordeel dat op [eiseres] de plicht rustte om zelfstandig haar verlofaanspraken bij te houden, zodat zij de overschrijding daarvan niet zonder meer op het conto van de Staat kan schuiven. Daarnaast blijkt uit het door de Staat overgelegd overzicht van de door [eiseres] wegens “verlof” niet gewerkte dagen, dat het over het jaar 2009 38 verlofdagen heeft genoten en over de eerste 5 maanden van 2010 28 verlofdagen heeft opgenomen. Dit terwijl [eiseres] slechts conform de met haar gesloten arbeidsovereenkomst aanspraak maakt op 15 verlofdagen per jaar. [eiseres] heeft, naar dezerzijds oordeel, dan ook gezien de grove overschrijding van haar verlofaanspraak, moeten kunnen begrijpen dat zij meer verlofdagen aanvroeg dan waar zij aanspraak op maakte. Een dergelijke handelwijze is niet hetgeen een goed en getrouw landsdienaar betaamt, zodat [eiseres] hiervoor terecht is verweten plichtsverzuim te hebben gepleegd.

6.2.5 Ten aanzien van het aantal ziektedagen constateert het Hof dat uit het door de Staat overgelegd overzicht van verlof- en ziektedagen blijkt dat ten aanzien van [eiseres] over het jaar 2009 een totaal van 12 ziektedagen zijn geregistreerd, alsook dat tot en met de maand mei 2010 [eiseres] twee ziektedagen heeft opgenomen. Een dergelijk aantal is echter naar het oordeel van het Hof niet als hoog te kwalificeren. Gesteld noch gebleken is dat er zich onregelmatigheden hebben voorgedaan bij het opnemen van de ziektedagen door [eiseres], zodat het aantal ziektedagen niet kan dienen tot onderbouwing van het door de Staat aan [eiseres] verleend ontslag wegens plichtsverzuim.

6.2.6 In de bestreden resolutie is overwogen dat [eiseres] op geen van de verscheidene werkplekken die haar zijn aangeboden heeft kunnen samenwerken met de functionarissen die daar werkzaam zijn. Een onmogelijkheid tot samenwerking is weliswaar ingevolge artikel 69 lid 3 sub e van de Personeelswet een ontslaggrond, maar daarvoor is vereist dat de onmogelijkheid tot samenwerking aan de landsdienaar te wijten is. De bestreden resolutie maakt hier echter geen melding van, zodat de door de Staat aangevoerde onmogelijkheid tot samenwerking niet kan leiden tot ontslagverlening.

6.2.7 [eiseres] heeft in haar verweerschrift weersproken dat zij opdrachten heeft geweigerd. In de overwegingen vervat in de bestreden ontslagresolutie is dit verweer zijdens [eiseres] niet weerlegd, zodat de ontslagverlening naar het oordeel van het Hof niet mede op deze grond gestoeld kan worden.

6.2.8 Zijdens [eiseres] is verder tegen de bestreden resolutie aangevoerd dat het daarin vervatte besluit is genomen zonder het resultaat van de procedure bekend onder A-714 af te wachten. Ten aanzien hiervan is het Hof van oordeel dat geen verplichting daartoe bestaat, zodat aan deze stelling zijdens [eiseres] zal worden voorbij gegaan.

6.2.9 Resumerend concludeert het Hof dat slechts het plichtsverzuim bestaande uit het overschrijden van de verlofaanspraken [eiseres] terecht is verweten. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] eerder een tuchtstraf is opgelegd zodat het ontslag naar het oordeel van het Hof niet in overeenstemming is met het gepleegd verzuim. Het Hof zal ex artikel 82 lid 4 van de Personeelswet [eiseres] schorsen voor de duur van twee maanden, onder inhouding van het salaris, nu dit naar het oordeel van het Hof een passende tuchtstraf is.

6.2.10 De vordering tot schadevergoeding zal, nu het Hof tot het oordeel komt dat de Staat [eiseres] terecht heeft verweten dat zij zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt, en [eiseres] deze vordering niet heeft onderbouwd, worden afgewezen.

De beslissing

Het hof:

7.1 Verklaart nietig de resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 5 april 2011 [nummer 4], waarbij [eiseres] uit ’s landsdienst is ontslagen;

7.2 Schorst [eiseres] wegens plichtsverzuim voor het tijdvak van twee maanden;

7.3 Bepaalt dat [eiseres] over het tijdvak van de schorsing geen aanspraak heeft op salaris;

7.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 april 2015, in tegenwoordigheid van mr.S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. A. Codrington namens advocaat mr.M.I. Vos, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr. D. Parohi, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2020-47

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van
[appellant sub 1] en
[appellante sub 2] ,
wonende in het [district 1] ,
appellanten in conventie, geïntimeerden in reconventie in kort geding,
verder te noemen (in enkelvoud) [appellanten],
gemachtigde: mr. A.S.N. Adhin, advocaat,

tegen

[geïntimeerde sub 1] ,
[geïntimeerde sub 2] ,
[geïntimeerde sub 3] ,
[geïntimeerde sub 4] ,
wonende te [district 2] respectievelijk in het [district 1] ,
geïntimeerden in conventie, appellanten in reconventie in kort geding,
verder ook (in enkelvoud) aan te duiden als [geïntimeerden],
gemachtigde: mr. S. Mangre, advocaat,
Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 16 december 2015, A.R.no. 15-4900 tussen [appellanten] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagde, spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging in kort geding uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 17 februari 2016, inhoudende dat op 29 december 2015 door mr. A.S.N. Adhin, advocaat, namens [appellanten] hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in kort geding van 16 december 2015 tussen partijen gewezen en uitgesproken.
  • pleidooi d.d. 3 juni 2016.
  • antwoordpleidooi en pleidooi in reconventie van 15 juli 2016.
  • repliekpleidooi en antwoordpleidooi in reconventie van 5 augustus 2016.
  • dupliekpleidooi en repliekpleidooi in reconventie van 4 november 2016.
  • dupliekpleidooi in reconventie van 2 december 2016.
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 19 mei 2017 en vervolgens nader op 5 juni 2020, doch bij vervroeging op heden.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
De dienstbrief van de griffier is gedateerd 17 december 2015. Het hoger beroep is door [appellanten] ingesteld op 29 december 2015, zodat het tijdig en op de juiste wijze is ingesteld en [appellanten] daarin kan worden ontvangen.
De aanzegging van het hoger beroep heeft plaatsgevonden bij exploit van 11 april 2016. [geïntimeerden] heeft niet conform artikel 274 Rv. binnen 30 dagen incidenteel appèl ingesteld tegen de afwijzing van de vordering in reconventie, inhoudende veroordeling van [appellanten] tot betaling van € 59.433,62. Hij heeft het hoger beroep daartegen pas kenbaar gemaakt in zijn antwoord pleidooi (tevens pleidooi in reconventie) van 15 juli 2016, en dat is te laat. Het hoger beroep zal zich mitsdien beperken tot de afwijzing van de vordering van [appellanten] met betrekking tot de doorhaling van de akte van geldlening. [geïntimeerden] zal ten aanzien van zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard worden.

De beoordeling

1. Tussen partijen staat het volgende vast.
1.1. Partijen hebben bij akte, verleden door mr. M.H.P. Kanhai, kandidaat-notaris, op 26 maart 2012 een overeenkomst van geldlening gesloten inhoudende dat [appellanten] een bedrag van € 246.400,00 van [geïntimeerden] leent. Uit de akte blijkt dat [appellanten] voorts tot zekerheid aan de drie in de akte genoemde schuldeisers een hypotheek heeft verleend op een perceelland ten westen van de grond [buurt] in het [district 3] groot 4,30 ha. zoals aangeduid op de kaart van landmeter J.C. de la Parra d.d. 14 oktober 1920 bekend als afdeling I Sectie [buurt] [nummer 1]. De akte is ingeschreven op het Hypotheekkantoor op 11 april 2012 in register B deel [nummer 2] onder [nummer 3].
1.2. De akte vermeldt onder meer:
“ Partijen verklaarden deze geldlening te hebben aangegaan onder beding:

  • dat van gemelde som van TWEEHONDERD ZESENVEERTIGDUIZEND VIERHONDERD EURO (€ 246.400–) of het pro resto verschuldigde een interest zal worden betaald tegen een ten honderd (1%) in het jaar ingaande heden;
  • dat de gemelde som van TWEEHONDERD ZESENVEERTIGDUIZEND VIERHONDERD EURO (€ 246.400,– )zal worden voldaan binnen een (1) jaar na heden (….)”;

1.2. [appellanten] heeft tussen 26 maart 2012 en 18 maart 2014 € 249.000,00 aan [geïntimeerden] voldaan.
1.3. Op 21 oktober 2015 hebben [geïntimeerden] via deurwaarder D.E. Hew A Kee de akte van geldlening met hypotheekstelling voornoemd aan [appellanten] betekend en hem aangemaand om de verschuldigde hoofdsom inclusief rente tot 27 december 2015 van € 59.433,62, te vermeerderen met de rente van 1% per jaar vanaf 28 december 2015 tot de dag der algehele voldoening, te voldoen en aangezegd dat op 17 december 2015 de openbare verkoop van het verbonden onroerend goed zal plaatsvinden.
1.4. De kantonrechter heeft bij vonnis in kort geding van 16 december 2015 in conventie de stopzetting van de openbare verkoop van genoemd perceelland gelast op verbeurte van een dwangsom van SRD 500.000,00. Het verzoek van [appellanten] om de doorhaling te gelasten van de akte van geldlening en hypotheekstelling totdat in een bodemzaak zal zijn beslist voor welk bedrag mag worden ten uitvoer gelegd, heeft de kantonrechter afgewezen.
1.5. De vordering in reconventie van [geïntimeerden], gebaseerd op de stelling dat de akte een fout bevat en dat er een rente van 1% per maand en niet van 1 % per jaar is afgesproken en die ertoe strekt dat [appellanten] wordt veroordeeld tot betaling van € 54.526,26 c.a. , heeft de kantonrechter afgewezen.
1.6. Uit het bestreden vonnis blijkt dat de kantonrechter van oordeel was dat partijen twisten over de rente die is afgesproken en dat het niet gelukt is van de kandidaat-notaris enige informatie te krijgen die zou kunnen leiden tot de aannemelijkheid van het ene of het andere standpunt. Noch een rente van 1% per jaar noch een rente van 1 % per maand is in het kort geding aannemelijk geworden. De kantonrechter heeft de belangen over en weer gewogen en geoordeeld dat de openbare verkoop moet worden stopgezet en dat partijen eerst in rechte de nog verschuldigde rente zullen moeten laten vaststellen. Vervolgens heeft de kantonrechter de stopzetting van de openbare verkoop gelast en de overige vorderingen van partijen afgewezen, met dien verstande dat [geïntimeerden] in de proceskosten is veroordeeld.
1.7. [appellanten] vordert in hoger beroep dat het Hof het vonnis van de kantonrechter van 16 december 2015 vernietigt ten aanzien van de weigering van de doorhaling van de hypothecaire inschrijving d.d. 11 april (het Hof leest:) 2012 in register B deel [nummer 2]onder [nummer 3] van de akte van geldlening met hypotheekstelling d.d. 26 maart 2012 en alsnog rechtdoende deze voorziening zal toewijzen.
1.8. [geïntimeerden] heeft in hoger beroep verweer gevoerd en verzocht het vonnis waarvan beroep te bevestigen.
Op het verweer van [geïntimeerden] wordt hierna bij de bespreking van de grieven teruggekomen.
1.9. [appellanten] heeft – kort gezegd – in hoger beroep een aantal grieven voorgedragen en – kort gezegd – naar voren gebracht dat de kantonrechter ten onrechte geoordeeld heeft dat ten aanzien van de overeengekomen rente noch het ene noch het andere standpunt aannemelijk is geworden. Daarnaast heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat niet duidelijk is hoeveel [appellanten] nog verschuldigd is zodat de vordering tot doorhaling niet kan worden toegewezen. De authentieke akte levert verplicht volledig bewijs op tussen partijen tenzij tegenbewijs wordt geleverd. [geïntimeerden] is er niet in geslaagd het door hen aangedragen (tegen)bewijs te leveren. De kantonrechter had dan ook in rechte aannemelijk moeten achten dat de overeengekomen rente 1% per jaar bedroeg en niet alleen de openbare verkoping moeten stuiten, maar ook op basis van de hoogte van de schuld de akte moeten royeren tegen inontvangstneming van € 861,20.
1.10. Het Hof oordeelt als volgt.
De stelling van [appellanten] dat de overeenkomst van geldlening, die als authentieke akte is opgemaakt, tussen partijen dwingend en volledig bewijs oplevert is juist. De in die akte opgenomen verschuldigde rente bedraagt 1 % per jaar. Gegeven het uitgangspunt dat wat er in de akte staat ook zo door partijen is verklaard, lag het op de weg van [geïntimeerden] om tegenbewijs te leveren en aannemelijk te maken dat er een rente van 1 % per maand, dus 12 % per jaar was afgesproken.
1.11. De kantonrechter heeft ter zitting de kandidaat-notaris die de akte heeft verleden als informant gehoord. Zij heeft verklaard dat zij niet weet welk rentepercentage is afgesproken. Daarnaast heeft [appellant sub 1] verklaard dat de overeengekomen rente 1 % per jaar bedroeg. Er is een laag percentage afgesproken omdat [geïntimeerde sub 4] veel doneert aan mandirs en moskeeën en hij ook aan hem een bedrag tegen zo’n laag percentage heeft geleend omdat hij zo kon opbouwen.
1.12. [geïntimeerde sub 1] heeft tijdens de comparitie in kort geding verklaard dat de rente 1 % per maand was. Hij verklaarde verder dat hij niet goed kan lezen, dat hij de fout van de notaris niet heeft opgemerkt en dat hij is afgegaan op wat de notaris heeft voorgelezen. Hij heeft de reden van een laag rentepercentage betwist en gezegd dat als hij geld wilde geven om op te bouwen hij het hele bedrag zou hebben geschonken.
1.13. Het Hof is van oordeel dat [geïntimeerden] in hoger beroep onvoldoende specifiek bewijs heeft aangeboden om het tegenbewijs te leveren. Met name de opmerking dat hij ook getuigen heeft die de afspraken van partijen onder ede kunnen bevestigen, is niet concreet genoeg omdat niet is aangegeven wie die getuigen zijn en wat zij precies kunnen verklaren. Het Hof is van oordeel dat [geïntimeerden] ook in hoger beroep voorshands onvoldoende aanknopingspunten heeft gegeven om de bewijskracht van de akte van geldlening te ontzenuwen, zodat niet aangenomen kan worden dat hij in een bodemprocedure in staat zal zijn om het verlangde tegenbewijs te leveren.
1.14. Het vonnis van de kantonrechter, dat inhoudt dat niet kan worden vastgesteld welk rentepercentage is afgesproken en dat eerst in rechte zal moeten worden vastgesteld wat de afgesproken rente was, is dan ook niet juist. De kantonrechter had in het feit dat [geïntimeerden] de bewijskracht van de akte onvoldoende heeft ontzenuwd, aanleiding moeten zien om de gevorderde doorhaling van de akte van geldlening met hypotheekstelling te gelasten tegen betaling door [appellanten] van € 861,20 en de vordering onder B dus moeten toewijzen.
1.15. De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerden] in reconventie afgewezen omdat de standpunten van partijen ten aanzien van de rente niet aannemelijk waren. Het Hof zal het vonnis op dit onderdeel onder verbetering van de gronden bevestigen omdat [geïntimeerden] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een vordering van € 59.433,62 op [appellanten] heeft.
1.16. Omdat de grieven terecht zijn voorgedragen zal het Hof het vonnis van de kantonrechter bevestigen ten aanzien van de stopzetting van de openbare verkoop en het vonnis vernietigen voor zover de vordering onder B is afgewezen.
1.17. [geïntimeerden] krijgt ongelijk en zal in de proceskosten aan de zijde van [appellanten] in eerste instantie en in hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep in kort geding:
Het Hof:
1. verklaart [geïntimeerden]niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep;

in conventie en in reconventie:
2. bevestigt het vonnis vande kantonrechter van 16 december 2015 ten aanzien van de beslissingen onder 6.1, 6.2, 6.3, 6.5 (onder verbetering van de gronden) en 6.6.;
3. vernietigt het vonnis vande kantonrechter van 16 december 2015 ten aanzien van de beslissing onder 6.4. en

opnieuw rechtdoende:
4. gelast de doorhaling van de akte van geldleen met hypotheekstelling van 26 maart 2012 ingeschreven ten Hypotheekkantore op 11 april 2012 in register B deel [nummer 2] onder [nummer 3] tegen betaling door [appellanten] aan geïntimeerden [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] van € 861,20, (achthonderd een en zestig euro en twintig euro cent) dan wel het bedrag dat op de dag van doorhaling verschuldigd is;
5. veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in hoger beroep alsmede die van het geding in eerste aanleg, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] begroot op

  • voor de eerste aanleg op SRD 346,00;
  • voor het hoger beroep op SRD 348,00.

6. Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. M.V.Kuldip Singh, Leden en

w.g. A. Charan
door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 15 mei 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C.Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

 

SRU-K1-2020-62

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 20-3027
15 oktober 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiseres],
wonende aan de [adres 1] te [district],
eiseres,
hierna te noemen [eiseres],
gemachtigden: mr. R. Sohanisingh en mr. K. Seopershad, advocaat,

tegen

A.[gedaagde sub A] ,
gevestigd aan de [adres 2] te [district]
B. [gedaagde sub B] ,
wonende aan de [adres 2] te [district]
gedaagden,
hierna te noemen respectievelijk de NV en [gedaagde sub B],
gemachtigde van beiden: mr. D.S. Kraag, advocaat.

1.Het verloop van het proces
1.1Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 12 oktober 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die is genomen op 13 oktober 2020;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de aantekeningen van de griffier van al hetgeen partijen tijdens het mondeling afpleiten na conclusie van antwoord hebben aangevoerd.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [eiseres] is eigenares van “het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot vierhonderd vijftig vierkante meter, gelegen te [district], ten zuiden van de [weg 1] en ten westen van het [kanaal], aangeduid op de kaart van de landmeter R.R. Lieuw Kie Song de dato twee en twintig november negentienhonderd zes en negentig met de letters ABCD en met het [nummer 1], welk perceel deel uitmaakt van het perceelland, groot zes en vijftig duizend tweehonderd negen en veertig vierkante meter, gelegen tussen de [weg 2] en de [weg 1] te [district], aangeduid op de kaart van de landmeter R.R. Lieuw Kie Song de dato acht en twintig november negentienhonderd negen en tachtig met de letters CDE, deel uitmakende van het perceelland, bekend als Afdeling I Sectie [buurt] [nummer 2] (straat register[nummer 3] ), hierna aangeduid als het perceel.

2.2 Op 15 juli 2020 had [gedaagde sub B], na daartoe verkregen toestemming van de kantonrechter, conservatoir beslag doen leggen op het perceel. Reden tot het doen leggen van het beslag is een vordering die [gedaagde sub B] op [eiseres] meent te hebben tot levering van het perceel op basis van een koopovereenkomst waarvan hij meent dat de Vries de koopovereenkomst namens [eiseres] met hem heeft gesloten.

2.3 [eiseres] heeft in de kort gedingzaak bekend onder A.R. No. 20-2758 onder andere tegen [gedaagde sub B] een vordering tot opheffing van het door hem gelegde conservatoir beslag ingediend.
De kantonrechter heeft in de hiervoor vermelde zaak op 05 oktober 2020 vonnis gewezen en uitgesproken, krachtens welk vonnis het door [gedaagde sub B] gelegde conservatoir beslag op het perceel is opgeheven.

2.4 Op 05 oktober 2015 hebben de NV en [gedaagde sub B] een verzoek tot het doen leggen van conservatoir beslag op hetzelfde perceel aan de kantonrechter gedaan. Dit verzoek staat bekend in de zaak onder A.R. No. 20-2936. [gedaagde sub B] en de NV hebben aan het verzoek ten grondslag gelegd dat [eiseres] wanprestatie jegens hen pleegt door de koopovereenkomst niet na te komen. In dat licht hebben zij het volgende gesteld:

  • [eiseres] had een hypothecaire lening bij een Stichting genomen, welke lening zij niet kon aflossen;
  • om haar betalingsachterstand te kunnen inlopen, is [gedaagde sub B] door [eiseres] en de Stichting benaderd om het perceel te kopen en is [gedaagde sub B] hiermee akkoord gegaan;
  • partijen zijn een koopsom ad € 25.000,- met elkaar overeengekomen;
  • middels een schrijven d.d. 01 juni 2020 heeft de Stichting bij [gedaagde sub B] bevestigd dat zij bereid is royement te verlenen op het perceel bij ontvangst van de som van € 19.000,-;
  • [gedaagde sub B] heeft per diezelfde datum een bedrag ad € 15.000,- als aanbetaling bij de Stichting gestort;
  • partijen waren overeengekomen dat zij op 04 juni 2020 bij de notaris zouden verschijnen om zowel de koopovereenkomst als de volmacht aldaar te tekenen, doch is [eiseres] niet verschenen;
  • [gedaagde sub B] en de NV hebben er belang bij dat het perceel niet wordt weggemaakt. Het belang van hen is levering van het perceel tegen betaling van de restant koopsom.

2.5 De kantonrechter heeft bij beschikking d.d. 06 oktober 2020 het verzoek van de NV en [gedaagde sub B] tot het doen leggen van het beslag op het perceel ingewilligd.

2.6 Op grond van de hiervoor vermelde beschikking hebben de NV en [gedaagde sub B] op 07 oktober 2020 conservatoir beslag op hetzelfde perceel doen leggen, hetgeen blijkt uit het exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, P.S. Olensky, d.d. 07 oktober 2020 No. 718-2020.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [eiseres] vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
1) opheft c.q. de opheffing gelast van het door de NV en [gedaagde sub B] gelegde conservatoir beslag op het perceel van [eiseres];
2) de doorhaling gelast van de overschrijving van het gelegd conservatoir beslag d.d. 7 oktober 2020 in de Registers van het GLIS, overgeschreven in het Register D deel [nummer 4] onder [nummer 5] ;
3) [gedaagde sub B] en de NV verbiedt om op dezelfde gronden wederom conservatoir beslag te doen leggen c.q. dan wel op dezelfde gronden als bij hun verzoekschriften bekend onder A.R. No. 20-2758 en A.R. 20-2936, op het aan [eiseres] toebehorend perceel, op straffe van een dwangsom van € 50.000,- die [gedaagde sub B] en de NV elk afzonderlijk aan [eiseres] zullen verbeuren voor het in strijd handelen met het vonnis;
4) de NV en [gedaagde sub B] veroordeelt, bij wege van voorschot, des de één betalende de ander zal zijn bevrijd, de door eiseres gemaakte gerechtelijke – en buitengerechtelijke kosten
ad € 2.500,- plus de 8% omzetbelasting daarover, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening.

3.2 [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat de NV en [gedaagde sub B] een onrechtmatige daad jegens haar plegen. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • de NV en [gedaagde sub B] hebben misbruik gemaakt van het beslagrecht om [eiseres] te benadelen, omdat zij op dezelfde gronden als in de beslagzaak bekend onder A.R. No. 20-1577 het verzoek tot het verkrijgen van toestemming om beslag te mogen leggen op het perceel hebben gedaan;
  • de NV en [gedaagde sub B] maken misbruik van recht door bewust en opzettelijk te verzwijgen voor de beslagrechter dat [gedaagde sub B] reeds op 15 juli 2020 op dezelfde gronden beslag op het perceel had doen leggen en dit beslag bij vonnis van de kantonrechter in kort geding d.d. 05 oktober 2020 was opgeheven;
  • er is geen enkele koopovereenkomst betreffende het perceel tussen haar en [gedaagde sub B] tot stand gekomen, evenmin heeft zij enige rechtsrelatie met de NV;
  • als gevolg van het door de NV en [gedaagde sub B] gelegde beslag lijdt [eiseres] schade, zijnde kosten van rechtsbijstand ad € 2.500,-, omdat zij onmiddellijk haar advocaten moest inschakelen om haar bij te staan in het kader van de opheffing van het door de NV en [gedaagde sub B] gelegde beslag.

3.3 De NV en [gedaagde sub B] hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1 [eiseres] stelt als spoedeisend belang dat zij door het beslag, dat zij onrechtmatig acht, wordt belemmerd in de overdracht van het perceel aan de door haar aangezochte koper en de vrees bij haar bestaat dat de koper vanwege steeds onrechtmatig gelegde beslagen niet meer bereid zal zijn te kopen waardoor zij in grote problemen zal komen te verkeren. Zij heeft voor 15 oktober 2020 om 12.00 uur een afspraak bij de notaris om samen met de koper de stukken van overdracht te tekenen en daaraan gekoppelde betaling te ontvangen opdat zij uit de verkoopopbrengst de kredietschuld aan haar schuldeiser/hypotheekhouder volledig kan voldoen.

De NV en [gedaagde sub B] weerspreken dat [eiseres] spoedeisend belang heeft bij de onderhavige zaak, doch naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende. Zoals uit de stellingen van [eiseres] kan worden afgeleid hangt [eiseres] een tweede veiling boven het hoofd, indien zij de kredietschuld bij de hypotheekhouder niet voldoet. Naar de kantonrechter het begrijpt is de voortzetting van de koop op 15 oktober 2020 wenselijk, omdat zij uit de verkoopopbrengst haar kredietschuld zal voldoen. Derhalve wordt [eiseres] ontvankelijk geacht in het kort geding.

Het gelegd conservatoire beslag
4.2 De kantonrechter stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 639 juncto artikel 596 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt, indien behoorlijke zekerheid is gesteld voor of betaling heeft plaatsgehad van de som voor welke het beslag gelegd is.
De kantonrechter constateert dat de NV en [gedaagde sub B] het beslag hebben gelegd op grond van een vordering tot levering van een perceel waarop zij aanspraak menen te maken uit hoofde van een tussen [gedaagde sub B] en [eiseres] vermeend gesloten koopovereenkomst. Uit de stellingen van [eiseres] begrijpt de kantonrechter dat zij zich op het standpunt stelt dat het door de NV en [gedaagde sub B] ingeroepen recht, te weten de vordering tot levering van het perceel, ondeugdelijk is. Ter onderbouwing van dit standpunt beroept zij zich op het door de kantonrechter in kort geding gewezen vonnis d.d. 05 oktober 2020 in de zaak bekend onder A.R. No. 20-2758, in welk vonnis de kantonrechter heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat een koopovereenkomst tot stand is gekomen tussen [gedaagde sub B] en [eiseres] en dus summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering is gebleken.
In reactie hierop werpen de NV en [gedaagde sub B] op dat zij hoger beroep tegen dat vonnis hebben aangetekend, omdat de kantonrechter in diens beoordeling of al dan niet sprake is van een koopovereenkomst de overgelegde emailcorrespondenties van de notaris buiten beschouwing heeft gelaten.
De kantonrechter begrijpt uit de inhoud van dit verweer dat de NV en [gedaagde sub B] zich niet erin kunnen terugvinden dat de kantonrechter in de zaak bekend onder A.R. No. 20-2758 de emailcorrespondenties van de notaris die zij heel essentieel achten niet heeft meegenomen in de beoordeling. Daar dit verweer als een grief dient te worden aangemerkt en het niet door een kantonrechter van gelijke orde kan worden beoordeeld, doch door de rechter in hoger beroep, zal de kantonrechter voorbijgaan aan dit verweer. Dit, omdat het betrekking heeft op hetzelfde onderwerp, te weten de vermeende koopovereenkomst, waarover reeds een oordeel door een kantonrechter van gelijke orde is gegeven.

4.3 Uit het hele betoog van de NV en [gedaagde sub B] begrijpt de kantonrechter dat zij het beslag hebben doen leggen om hun vordering tot juridische overdracht van het perceel veilig te stellen en zij zulks aanmerken als een andere grondslag voor hun tweede verzoek tot het doen leggen van het beslag. De kantonrechter kan gedaagden niet volgen in hun betoog, omdat de vordering tot juridische levering die zij op [eiseres] menen te hebben als grondslag heeft, de vermeende koopovereenkomst die zij door tussenkomst van de Stichting of de Vries met [eiseres] menen te hebben gesloten. Nu alles valt en staat met de vermeend gesloten koopovereenkomst en een kantonrechter van gelijke orde (in eerste aanleg) reeds uitvoerig omtrent dit geschil heeft geoordeeld, zal de kantonrechter het ervoor moeten houden dat niet aannemelijk is dat de koopovereenkomst met de NV en [gedaagde sub B] is gesloten. Het opnieuw oordelen over ditzelfde geschilpunt door een rechter van gelijke orde wordt immers in strijd met de beginselen van een goede procesorde geacht en kan slechts in hoger beroep opnieuw ter beoordeling worden voorgelegd.
Hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen leidt tot de voorlopige slotsom dat het gelegde beslag onrechtmatig is geschied en dient te worden opgeheven, zodat het gevorderde onder 1 en 2 als gegrond zal worden toegewezen.

Verbod tot het leggen van beslag
4.4 Gezien het feit dat de NV en [gedaagde sub B] tot tweemaal toe het verzoek tot het mogen leggen van beslag aan de beslagrechter hebben gedaan op grond van de vermeende koopovereenkomst en zij mogelijkerwijs hetzelfde verzoek wederom aan de beslaglegger zouden kunnen doen, zal hen het verbod worden opgelegd om op grond van de vermeende koopovereenkomst beslag te mogen leggen. Een herhaald verzoek op dezelfde gronden, levert immers misbruik van recht op. Hieruit volgt dat het gevorderde onder 3 zal worden toegewezen, doch met dien verstande dat de medegevorderde dwangsom zal worden vastgesteld op een ander bedrag dan wat [eiseres] heeft gevorderd.

Geleden schade
4.5 De NV en [gedaagde sub B] betogen dat zij niet moeten worden veroordeeld in de vermeende kosten voor juridische bijstand, omdat deze niet onderbouwd en buitensporig hoog zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter gaat dit betoog niet op.
Zoals blijkt uit de stellingen van [eiseres] is de grondslag van de gevorderde kosten van rechtsbijstand een onrechtmatige daad vanwege een tweede beslaglegging op basis van dezelfde gronden en is de hoogte van het gevorderde bedrag onderbouwd middels overlegging van een declaratie van advocaatkosten door [eiseres]. Nu de overgelegde declaratie niet van valsheid is beticht, zal het gevorderde onder 4 als gegrond worden toegewezen doch met uitzondering van de medegevorderde omzetbelasting en wettelijke rente.

Overige stellingen en weren
4.6 De overige stellingen en weren behoeven geen bespreking, omdat die niet relevant worden geacht en tot geen enkel andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

Proceskosten
4.7 De NV en [gedaagde sub B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak het vastrecht ad SRD 50,- en de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 553,-.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
5.1 Heft op het door de NV en [gedaagde sub B] gelegd conservatoir beslag, welk beslag is gelegd door de deurwaarder van het Hof van Justitie van Suriname, P.S. Olensky
d.d. 07 oktober 2020 op het volgende aan [eiseres] toebehorend onroerend goed:
het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot vierhonderd vijftig vierkante meter, gelegen te [district], ten zuiden van de [weg 1] en ten westen van het [kanaal], aangeduid op de kaart van de landmeter R.R. Lieuw Kie Song de dato twee en twintig november negentienhonderd zes en negentig met de letters ABCD en met het [nummer 1], welk perceel deel uitmaakt van het perceelland, groot zes en vijftig duizend tweehonderd negen en veertig vierkante meter, gelegen tussen de [weg 2] en de [weg 1] te [district], aangeduid op de kaart van de landmeter R.R. Lieuw Kie Song de dato acht en twintig november negentienhonderd negen en tachtig met de letters CDE, deel uitmakende van het perceelland, bekend als Afdeling I Sectie [buurt] [nummer 2] (straat register[nummer 3] ),

5.2 Gelast de doorhaling van de overschrijving van het gelegd consevatoir beslag d.d. 7 oktober 2020 in de Registers van het GLIS, overgeschreven in het Register D deel [nummer 4] onder [nummer 5].

5.3 Verbiedt de NV en [gedaagde sub B] om op dezelfde gronden wederom conservatoir beslag te doen leggen c.q. dan wel op dezelfde gronden als bij hun verzoekschriften bekend onder A.R. No. 20-1577 en A.R. No. 20-2936, op het aan [eiseres] toebehorend onroerend goed, zoals omschreven onder 5.1 van de beslissing, op straffe van een dwangsom van SRD 5.000.000,- (Vijfmiljoen Surinaamse Dollar) die de NV en [gedaagde sub B] elk afzonderlijk aan [eiseres] zullen verbeuren voor elke keer dat zij in strijd handelen met het vonnis.

5.4 Veroordeelt de NV en [gedaagde sub B], des de één betalend de ander zal zijn bevrijd, om bij wege van voorschot aan [eiseres] te betalen het bedrag ad € 2.500,- (Tweeduizend en Vijfhonderd Euro)

5.5 Verklaart hetgeen onder 5.1 tot en met 5.4 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.6 Veroordeelt de NV en [gedaagde sub B], des de één betalend de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten die aan de zijde van [eiseres] zijn gevallen en tot aan de uitspraak zijn begroot op SRD 603,- (Zeshonderd en Drie Surinaamse Dollar).

5.7 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 15 oktober 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr.S.M.M.Chu, in aanwezigheid van de griffier.

 

 

SRU-HvJ-2015-23

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellante],
wonende aan de [adres 1] in het [district] ,
appellante,
gemachtigde: mr. M.R. Sheombar, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende aan de [adres 2] in het [district],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 14 mei 2012 (A.R.NO. 105156) tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiser,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve aangeduid als respectievelijk “de vrouw” en “de man”;

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • De verklaring van de Griffier der Kantongerechten waaruit blijkt dat appellante op 15 mei 2012 hoger beroep heeft ingesteld;
  • De schriftelijke pleitnota de dato 07 november 2014;
  • De schriftelijke antwoord pleitnota de dato 05 december 2014;
  • De schriftelijke repliek pleitnota de dato 19 december 2014;
  • De schriftelijke dupliek pleitnota de dato 15 januari 2015;

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 20 maart 2015 doch nader op heden;

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.
De man heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat tussen partijen, gehuwd op 23 februari 1966 in het Ressort Sur/FH, de echtscheiding zal worden uitgesproken en voorts dat de vrouw wordt veroordeeld om met hem over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin zij zijn gehuwd.
1.1. De kantonrechter heeft bij vonnis van 14 mei 2012 de echtscheiding uitgesproken als verzocht, de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd bevolen, en voorts – kort – gezegd – een boedelnotaris en twee onzijdige personen benoemd.

2.1 De vrouw heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsman op 15 mei 2012 appél aangetekend tegen het vonnis van 14 mei 2012. Alhoewel uit voormeld vonnis niet blijkt of partijen in persoon danwel bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest kan op grond van het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de vaste jurisprudentie op het stuk van het voortijdig ingesteld appél er vanuit worden gegaan dat het appél tijdig is aangetekend. De vrouw is derhalve ontvankelijk in het ingesteld hoger beroep.

2.2. De vrouw heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het Hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende – ook in hoger beroep – vast tussen partijen: Partijen zijn op 23 februari 1966 in het Ressort Sur/FH, in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn er geen kinderen geboren;

2.3 Naast voormelde vaststaande feiten heeft de man – zakelijk weergegeven en voor zovér voor de beslissing van belang – aan zijn vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd:

2.3.1. dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht aangezien de vrouw aan de man te kennen heeft gegeven niet meer te willen samenwonen en heeft de vrouw dientengevolge haar intrek in de bovengedeelte van de echtelijke woning genomen terwijl partijen reeds 5 jaren niet meer samenwonen;
2.3.2. dat partijen geen contact met elkaar onderhouden en dat gelet op de gespannen situatie ook de man te kennen heeft gegeven niet meer te willen samenwonen met de vrouw;
2.3.3. dat enig zicht op verbetering van de gescheiden situatie tussen beide echtelieden volgens de man niet meer mogelijk is.

2.4. De vrouw heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – aangevoerd dat zij ontkent dat zij in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd op 23 februari 1996 zoals is gesteld in het inleidend rekest, immers uit de stukken door de man zelf overgelegd blijkt dat partijen zijn gehuwd op 23 februari 1966. Voorts ontkent de vrouw dat zij aan de man te kennen heeft gegeven dat zij niet samen wil wonen met de man. Er is dagelijks contact tussen partijen en partijen leven niet op gespannen voet met elkaar. De vrouw voert voorts aan dat zij geen ander onderdak heeft; dat als de man elders zijn intrek wil nemen dat zij recht c.q. zaak is, doch kan zij naar haar oordeel niet van de ene op de andere dag dakloos worden gemaakt.

2.5.In zijn conclusie van repliek in eerste aanleg heeft de man gesteld dat er duidelijk sprake is van een verschrijving en vraagt rectificatie van de verschrijving in dier voege dat partijen zijn gehuwd op 23 februari 1966 en het huwelijk van 23 februari 1966 wordt ontbonden. Voorts stelt de man dat volgens de bedoeling van de wetgever echtelieden een gemeenschappelijk huishouden dienen te hebben en getrouwheid en hulp jegens elkaar verschuldigd zijn hetgeen in casu niet het geval is nu de ene echtgenoot in de bovenverdieping en de andere in de benedenverdieping woont. Ook is de situatie onhoudbaar.
2.6. In haar conclusie van dupliek in eerste aanleg vraagt de vrouw geen akte van rectificatie te verlenen c.q. de gevraagde wijziging niet te verlenen daar de man een incidentele vordering had moeten indienen, de wijziging kan volgens de vrouw niet bij conclusie van repliek geschieden daar zij al haar conclusie van antwoord heeft genomen en zij wordt geschaad in haar verweer. Voor het overige ontkent de vrouw de stellingen van de man.
2.7 In hoger beroep concludeert de vrouw tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en tot opnieuw recht te doen c.q. recht te spreken;
2.8. Daartoe heeft de vrouw een tweetal grieven tegen voormeld vonnis aangevoerd. De eerste grief komt er op neer dat de gevraagde rectificatie ten aanzien van de datum van het huwelijk welke bij conclusie van repliek heeft plaatsgevonden niet toelaatbaar is, het gaat niet om een verschrijving zoals de man in eerste aanleg en de kantonrechter hebben aangegeven. De man had ter zake een incidentele vordering dienen in te stellen. Als tweede grief voert de vrouw aan dat het huwelijk niet duurzaam is ontwricht en dat partijen een tafel– en bed relatie hebben met elkaar en ook een gemeenschappelijk huishouden. Door de man is verweer gevoerd waarop voor zover nodig hierna zal worden ingegaan.
2.9. Het hof zal allereerst de eerste grief bespreken. Naar het oordeel van het hof haalt deze grief het niet in rechte en dient te worden verworpen. Door de kantonrechter is terecht geoordeeld dat blijkens overgelegde huwelijksakte het gaat om een verschrijving van het jaartal 1996 in stede van 1966. Immers is de overgelegde huwelijksakte waarin als huwelijksdatum is opgenomen 23 februari 1966 ook niet betwist noch van valsheid beticht. De stelling van de vrouw dat rectificatie van een dergelijke eenvoudige verschrijving slechts bij incidentele vordering kan, vindt geen steun. Van belang is dat de tegenpartij, in casu de vrouw, zich over de gevraagde rectificatie heeft kunnen uitlaten, hetgeen wel het geval is geweest in casu. De kantonrechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat de vrouw niet in haar verdediging is geschaad.
2.10 Ingaand op de tweede aangevoerde grief is het hof van oordeel dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Immers is alszijnde door de vrouw onweersproken c.q. erkend dat gedurende de procesgang van deze zaak in eerste aanleg partijen gescheiden van elkaar leefden. Nu bij de behandeling van de zaak in hoger beroep circa vijf jaren verder wordt door de vrouw in de pleitnota enerzijds gesteld dat het huwelijk niet duurzaam is ontwricht en dat partijen een tafel– en bed relatie alsook een gemeenschappelijk huishouden hebben. Anderzijds wordt door de vrouw in haar repliek pleitnota aangevoerd dat de man de echtelijke woning heeft verlaten om vervolgens zijn intrek te nemen bij een andere madonna. Het hof oordeelt dat de hiervoor weergegeven stellingen van de vrouw dermate tegenstrijdig zijn en dat daaraan wordt voorbijgegaan. De tweede grief wordt dan ook verworpen.
2.11 Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot slotsom dat het beroepen vonnis dient te worden bevestigd. De proceskosten in hoger beroep zullen worden gecompenseerd tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten drage en betale.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep;
Compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten drage en betale;
Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. R.M. Praag, Leden–Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 19 juni 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend–Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

 

SRU-HvJ-2020-46

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker] ,
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme, thans het Ministerie van Openbare Werken, Transport en Communicatie,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat,
spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 18 juni 2010;
  • het verweerschrift d.d. 02 december 2010;
  • de beschikking van het Hof van 07 december 2010 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 februari 2011, welk verhoor is verplaatst naar 15 juli 2011;
  • het proces-verbaal van het op 15 juli 2011 gehouden verhoor van partijen;
  • de pleitnota d.d. 21 oktober 2011, met een productie;
  • de antwoordpleitnota overgelegd op 18 november 2011, aangeduid als: conclusie tot uitlating;
  • de repliekpleitnota d.d. 03 februari 2012;
  • de dupliekpleitnota overgelegd op 16 maart 2012.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 15 juni 2012, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker] is vanaf 16 juni 1978 tot aan zijn pensionering op 28 november 2007 in vaste dienst dienst geweest bij de Luchtvaartdienst van het Ministerie van Economische Zaken, later genaamd het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme (hierna: de Luchtvaartdienst). Hij diende laatstelijk in de rang van Hoofdambtenaar B 3e klasse in de functie van Operations Inspecteur, ook wel Air Traffic Controller genoemd (bezoldigingsschaal 18).

2.2 Het hoofd van de Luchtvaartdienst heeft bij schrijven d.d. 19 april 1999, LVD/[nummer 1] , het volgende aan de directeur van Transport, Communicatie en Toerisme (hierna: de directeur) bericht:
Hierbij vraag ik Uw aandacht voor het navolgende:
In mei 1997 werd zoals u bekend de Luchtvaartinspektie opgeheven en werd de Luchtvaartautoriteit CASAS in het leven geroepen. Het personeel werd ter beschikking gesteld van CASAS, evenwel kozen de Luchtvaart Inspekteurs Operations, de heren [VERZOEKER] en [naam 1], om in dienst van de Luchtvaartdienst te blijven.
Gelet op hun back ground als verkeersvlieger en hun kennis op het gebied van vluchtuitvoering, meteorology en navigatie wordt dezerzijds voorgesteld betrokkenen in te delen bij de afdeling Luchtverkeersdiensten in functie van ATC-Operations Medewerker en hen overeenkomstig het nivo [sic] van de ATC Watch Supervisor waarderen.
Betrokkenen zullen Hoofd Luchtverkeersdiensten bijstaan bij de uitvoering van zijn taken m.b.t. o.a. het inrichten van het luchtruim, het vaststellen van vliegroutes, nadering– en landingsprocedures en de meteo-voorziening voor het luchtverkeer.
Ik verzoek U goed te keuren dat herschikking van de heren [verzoeker] en [NAAM 1] plaatsvindt en betrokkenen ingedeeld worden bij de Luchtverkeersdiensten als ATC-Operations/Meteo Medewerker met aanstelling in de rang van Hoofd Ambtenaar A 3e kl., schaal 21, te rekenen van 1 mei 1999.

2.3 De directeur heeft bij schrijven d.d. 09 augustus 2000, MAA/rb/[nummer 2], Bureau , aan het hoofd van de Luchtvaartdienst meegedeeld akkoord te gaan met de herschikking van [verzoeker] en de heer [naam 1] en dat betrokkenen zullen worden ingedeeld bij de Luchtverkeersdiensten als ATC-Operations/Meteo medewerker met aanstelling in de rang van Hoofd Ambtenaar A 3e klasse, schaal 21, te rekenen van 01 mei 1999.

2.4 Bij schrijven d.d. 21 maart 2003, LVD/[nummer 3], heeft het hoofd van de Luchtvaartdienst onder meer het volgende aan de directeur meegedeeld:

Herschikking [verzoeker]
Bij schrijven d.d. 19 april 1999 [nummer 1] werd goedkeuring gevraagd voor de Luchtvaart Inspekteurs, de heren [verzoeker] en [naam 1] een herschikking te treffen. Deze heren hadden bij de oprichting van de Luchtvaartautoriteit CASAS de voorkeur gegeven te blijven werken voor de Luchtvaartdienst.
Zij werden toen ingedeeld bij de afdeling Luchtverkeersdiensten in de functie van ATC-OperationsMeteo medewerker.
Bij schrijven d.d. 9 augustus 2000 [nummer 4] van de Direkteur van Transport, Communicatie en Toerisme werd goedkeuring gegeven aan de herschikking van de heren [verzoeker] en [naam 1] en hen aan te stellen in de rang van Hoofd Ambtenaar ‘A’ 3e klasse (schaal 21).

De formalisering vond echter geen voortgang, aangezien de heren [verzoeker] en [naam 1] op eigen verzoek per 21 februari 2001 ter beschikking van CASAS werden gesteld.
Inmiddels werd de heer [verzoeker], in gemeen overleg, met ingang van 22 april 2002 wederom ter beschikking gesteld van de Luchtvaartdienst en vertoefde met ingang van die datum voor langere periode tot en met 17 juli 2002 in Nederland.

Thans heeft hij zijn werkzaamheden bij de Luchtvaartdiensten hervat, reden om U te verzoeken de beslissing d.d. 9 augustus 2000 [nummer 4] alsnog uit te voeren en de heer [verzoeker] met ingang van 1 augustus 2002 aan te stellen als Hoofd Ambtenaar ‘A’ 3e klasse (schaal 21).
(…)

2.5 Het hoofd van de Luchtvaartdienst heeft bij schrijven d.d. 16 mei 2006, LVD/[nummer 5], gericht aan alle afdelingshoofden, chefs, sectiechefs en personeel van deze dienst, bekendgemaakt dat [verzoeker] met ingang van dezelfde datum zal worden belast met de functie van Hoofd Opleidingen en Examens.

2.6 Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname (hierna: de President) d.d. 30 mei 2008, Bureau [nummer 6], is [verzoeker] – na zijn pensionering – te rekenen van 01 januari 2005 benoemd tot Hoofdbeleidsmedewerker 2e klasse en dienovereenkomstig bevorderd tot Hoofdambtenaar B 2e klasse (bezoldigingsschaal 19).

2.7 [verzoeker] heeft bij schrijven van zijn procesgemachtigde d.d. 10 december 2009 de minister van Transport, Communicatie en Toerisme (hierna: de minister) op de in dit schrijven vermelde gronden, aangemaand om binnen 14 dagen na dagtekening van dit schrijven:

  • hem met ingang van 16 mei 2007 alsnog te bevorderen tot schaal 24 dan wel 23, althans tot de schaal behorende bij schaal 24 dan wel 23 volgens het Fiso-systeem, althans hem te bevorderen tot de rang behorende bij de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst, althans tot het in overeenstemming brengen van zijn bezoldiging met die welke verbonden is aan de definitieve vervulling sinds 16 mei 2007 van de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst;
  • aan hem te voldoen het verschil in bezoldiging tussen schaal 19 en schaal 24 dan wel tussen schaal 19 en 23 vanaf 16 mei 2006 tot en met 28 november 2007, althans aan hem te voldoen de bezoldiging verbonden aan de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst, althans aan hem te voldoen een toelage voor de waarneming in de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst in de periode 16 mei 2006 tot en met 28 november 2007;
  • met terugwerkende kracht en wel met ingang van 01 december 2007 zijn pensioengrondslag, althans zijn pensioenuitkering, te berekenen aan de hand van de bezoldiging verbonden aan schaal 24 dan wel 23, althans aan de schaal behorende bij schaal 24 dan wel 23 volgens het Fiso-systeem, althans te berekenen aan de hand van de bezoldiging verbonden aan de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst, althans aan die volgens het Fiso-systeem.

De minister heeft nimmer op dit schrijven gereageerd.

2.8 [verzoeker] heeft bij schrijven van zijn procesgemachtigde d.d. 22 februari 2010 ingevolge het bepaalde in artikel 78 lid 1 van de Personeelswet (Pw) bij de President beklag gedaan tegen het – naar zijn zeggen – afwijzend besluit van de minister. [verzoeker] heeft daarbij herhaald hetgeen waartoe hij de minister heeft aangemaand (zie 2.7) en de President verzocht het afwijzend besluit van de minister te vernietigen en conform het gevorderde te beslissen. Een beslissing van de President op het beklag is uitgebleven.

3.De vordering, de grondslag daarvanenhet verweer

3.1 [verzoeker] vordert, naar het Hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. het tenrekeste genoemde besluit van de minister nietig zal worden verklaard;
B. het tenrekeste genoemde besluit van de President nietig zal worden verklaard;
C. de Staat zal wordenveroordeeld om aan hem te voldoen een toelage voor de waarneming van de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst voor de duur van de waarneming, te rekenen van 16 mei 2006 tot 16 mei 2007, vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf de dag der indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening;
D. de Staat zal wordengelast over te gaantot het verrichten van handelingen inzake het alsnog definitief vaststellen van de stilzwijgende benoeming van [verzoeker] tot Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst, te rekenen van 16 mei 2007, onder toekenning van het aan die functie verbonden salaris (schaal 24/23) en overige emolumenten, althans onder toekenning van het salaris behorende bij schaal 24/23 en overige emolumenten, vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf de dag der indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening, e.e.a. op straffe van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft aan het te wijzen vonnis te voldoen;
E. de Staat zal wordenveroordeeld om hem te rekenen van 16 mei 2007 alsnog te bevorderen tot schaal 24 dan wel 23, alles op straffe van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag voor iedere dag dat de Staat hiermee in gebreke blijft;
F. de Staat zal wordenveroordeeld om met terugwerkendekracht en wel met ingang van 01 december 2007 zijn pensioengrondslag (lees kennelijk: bijdragegrondslag), althans zijn pensioenuitkering, te berekenen aan de hand van de bezoldiging verbonden aan de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst (schaal 23/24), althans aan de hand van de bezoldiging verbonden bij schaal 24 dan wel 23, alles op straffe van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag voor iedere dag dat de Staat hiermee in gebreke blijft.
[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] is ingevolge het bepaalde in artikel 79 Pw bevoegd om als gewezen (gepensioneerde) ambtenaar de onderhavige vordering in te stellen. In 1998 heeft de directeur aan de Raad van Ministers een voordracht gedaan om [verzoeker] te bevorderen tot Hoofdambtenaar A 3e klasse, met plaatsing in schaal 20. Het hoofd van de Luchtvaartdienst heeft bij schrijven d.d. 19 april 1999 en wederom bij schrijven d.d. 21 maart 2003 aan de directeur het voorstel gedaan om [verzoeker] aan te stellen in de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse, schaal 21. De directeur is bij schrijven d.d. 09 augustus 2000 daarmee akkoord gegaan (zie 2.2 tot en met 2.4). [verzoeker] is pas bij resolutie d.d. 30 mei 2008, na diens pensionering, op grond van de verzoeken tot bevordering van 1999, 2000 en 2001 te rekenen van 01 januari 2005 bevorderd tot Hoofdambtenaar B 2e klasse, bezoldigingsschaal 19. De luchtverkeersleiders zijn als gevolg van de door hen in 2000/2001 gevoerde acties door de toenmalige regering geplaatst in schaal 23. Hierdoor is een scheefgroei ontstaan in de bezoldiging van ambtenaren tewerkgesteld bij de Luchtvaartdienst, als gevolg waarvan [verzoeker], die als luchtvaartinspecteur de verkeersleiders heeft opgeleid en een hogere opleiding dan hen heeft genoten, lager dan hen is ingeschaald. [verzoeker] is sinds 16 mei 2006 tot aan zijn pensionering op 28 november 2007 belast geweest met de waarneming van de (vacante) functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst en heeft voor zover er wettelijke vereisten bestaan voor benoembaarheid in deze functie, daaraan voldaan. Nu die functie sinds 16 mei 2006 is opengevallen en [verzoeker] langer dan een jaar deze functie heeft waargenomen, moet hij ingevolge het bepaalde in artikel 22 lid 5 Pw geacht worden met ingang van 16 mei 2007 stilzwijgend in die functie te zijn benoemd. Het belasten van een ambtenaar met de waarneming van een hogere taak door de hoogste functionaris van een ministerie wekt verwachtingen en impliceert in elk geval dat de daarvoor vereiste formaliteiten zijn vervuld dan wel zullen worden vervuld (vgl. HvJ 03 december 2004, A-494, Kersout/de Staat Suriname; HvJ 15 augustus 1975, A-37 (lees kennelijk: Spoor/het Rijksdeel Suriname)). In ieder geval zijn bij [verzoeker] verwachtingen gewekt en de Staat kan niet stellen dat hij niet aan de vereisten voldoet. [verzoeker] maakt op grond van artikel 24 lid 4 Pw sinds 16 mei 2007 ook aanspraak op bevordering tot de rang behorende bij genoemde functie, zijnde de rang van Hoofdambtenaar A 1e klasse (schaal 23). [verzoeker] maakt op grond van artikel 22 lid 4 Pw eveneens aanspraak op een waarnemingstoelage over de periode 16 mei 2006 tot 16 mei 2007. De Staat is echter, ondanks daartoe vaker te zijn verzocht, in gebreke gebleven om aan [verzoeker] vorenbedoelde waarnemingstoelage te voldoen alsmede [verzoeker] te bevorderen en aan hem de daaraan verbonden bezoldiging te voldoen. Dit heeft tot gevolg dat de pensioengrondslag van [verzoeker] ook veel lager is. [verzoeker] ressorteerde als luchtvaartinspecteur operations hiërarchisch rechtstreeks onder het hoofd van de Luchtvaart Inspectie. Gelet op het feit dat [verzoeker] 23 jaren lang ambtenaren op het gebied van de luchtvaart heeft opgeleid, hij sinds 16 mei 2006 heeft waargenomen de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst, hij beleidsadviezen heeft gegeven en voorts gelet op voormelde scheefgroei, is het redelijk dat [verzoeker] in schaal 24 althans schaal 23 wordt geplaatst. Aan [verzoeker] is na het laatste schrijven van 21 maart 2003 ook de toezegging gedaan tot een spoedige benoeming in de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst en tot bevordering in schaal 23/24. In dezen moet aanknoping gezocht worden bij het rechtsbeginsel dat gedane toezeggingen moeten worden gehonoreerd (vgl. HvJ 03 december 2004, A-494, Kersout/de Staat Suriname). Het achterwege laten van genoemde benoeming dient als een daad van willekeur te worden beschouwd, althans als een daad in strijd met de in het rechtsbewustzijn levende normen van behoorlijk bestuur, althans in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel (vgl. HvJ 19 juli 1974, A-18, Kandhai ca. Suriname; HvJ 03 december 2004, A-494, Kersout/de Staat Suriname; HvJ (lees kennelijk: HvJ 15 augustus 1975) Spoor/het Rijksdeel Suriname, A-37; HvJ 22 juni 1990, A-226, Kaersenhout/de Staat Suriname). Op de aanmaning van 10 december 2009 (zie 2.7) is geen reactie van de minister gekomen, zodat kan worden geconcludeerd dat de minister afwijzend heeft gereageerd. Op het bij schrijven van 22 februari 2010 gedane beklag bij de President ex artikel 78 lid 1 Pw tegen de afwijzende beslissing van de minister is evenmin gereageerd, zodat gesteld kan worden dat de President op zijn beurt afwijzend heeft beslist. [verzoeker] kan zich niet verenigen met het afwijzend besluit van de minister en van de President, zodat hij gerechtigd is tot het vorderen van de nietigheid daarvan wegens strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Rechtens staat tussen partijen vast dat [verzoeker] ambtenaar is geweest in de zin van artikel 1 Pw. [verzoeker] is op grond van deze wet als gewezen ambtenaar in beginsel bevoegd vorderingen bij het Hof in te stellen. Blijkens artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijkenietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding vande schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c. tot oplegging vaneen dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:
a. betreffende salaris,verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b. tot verlaging van rang;
c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d.waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e.tot schorsing of ontslag.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 [verzoeker] vordert in 3.1 onder A, naar het Hof begrijpt, de nietigverklaring van het door hem gestelde afwijzend besluit van de minister ter zake van hetgeen waartoe de minister door hem is aangemaand bij schrijven d.d. 10 december 2009 (zie 2.7), welk afwijzend besluit de minister geacht wordt te hebben genomen nu hij nimmer op voormeld schrijven heeft gereageerd. Het Hof overweegt dienaangaande dat een fictief – dat wil zeggen een niet daadwerkelijk genomen – besluit, zoals door [verzoeker] bedoeld, niet voor nietigverklaring vatbaar is. In dit kader wordt verwezen naar het door mr. dr. M.R. Hoever-Venoaks in haar proefschrift gehuldigde standpunt, luidende als volgt: “Uit het systeem van art. 78 lid 2 en art. 80 lid 2(c) volgt dat fictieve besluiten niet voor nietigverklaring vatbaar zijn” (vide M.R. Hoever-Venoaks, Het Surinaamse ambtenarenrecht in ontwikkelingsperspectief: een onderzoek naar de rechtspositie van de ambtenaar met aanbevelingen voor een adequaat ambtenarenrecht, proefschrift, 1999, p. 294). Nu het gaat om een fictief, niet voor nietigverklaring vatbaar, besluit van de minister, zal het Hof zich op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw onbevoegd verklaren kennis te nemen van het in 3.1 onder A gevorderde.

Het Hof overweegt ten overvloede dat ook indien het Hof wel bevoegd zou zijn om kennis te nemen van voormelde vordering, [verzoeker] daarin niet-ontvankelijk zou worden verklaard en wel om de volgende reden. Artikel 3 lid 2 Pw bepaalt dat ambtenaren die zijn ingedeeld – of, indien het betreft een aanstelling of bevordering, daarbij worden ingedeeld – in een rang waaraan een vaste of minimum-bezoldiging is verbonden welke meer bedraagt dan de helft van die van de direkteur van een departement, met afwijking in zoverre van het eerste lid, uitsluitend bij resolutie van de President worden aangesteld, bevorderd, geschorst en ontslagen. De Staat heeft onweersproken aangevoerd dat de minister niet het in artikel 3 Pw bedoelde bevoegde gezag is ten aanzien van de door [verzoeker], blijkens zijn schrijven d.d. 10 december 2009, gewenste bevordering in een functie ingeschaald in bezoldigingsschaal 23 dan wel bezoldigingsschaal 24. [verzoeker] is laatstelijk bij resolutie van de President d.d. 30 mei 2008 (zie 2.6) te rekenen van 01 januari 2005 benoemd tot Hoofdbeleidsmedewerker 2e klasse en dienovereenkomstig bevorderd tot Hoofdambtenaar B 2e klasse (bezoldigingsschaal 19). Gelet op deze bevordering en op het bepaalde in artikel 3 lid 2 Pw mag het ervoor worden gehouden dat [verzoeker] vanaf 01 januari 2005, zijnde de datum van ingang van zijn bevordering, was ingedeeld in een rang waaraan een vaste of minimum-bezoldiging is verbonden welke meer bedraagt dan de helft van die van de directeur van een departement, zodat op grond van voormelde bepaling de President – en niet de minister – het bevoegde gezag is ten aanzien van de door [verzoeker] gewenste bevordering tot een hogere rang. Voormeld schrijven van [verzoeker] diende naar het oordeel van het Hof dan ook aan de President te zijn gericht en niet aan de minister. Nu het gestelde afwijzend besluit van de minister niet een besluit van het bevoegde gezag betreft, heeft [verzoeker] geen belang bij de nietigverklaring daarvan.

4.1.3 [verzoeker] vordert in 3.1 onder B, naar het Hof begrijpt, de nietigverklaring van het door hem gestelde afwijzend besluit van de President op het door hem gedane beklag (zie 2.8) bij de President tegen het afwijzend besluit van de minister zoals bedoeld in 4.1.2, welk – eerst genoemd – afwijzend besluit de President geacht wordt te hebben genomen nu hij nimmer op het beklag heeft beslist. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.

In 4.1.2 is – weliswaar ten overvloede ten aanzien van het in 3.1 onder A gevorderde – overwogen dat de President in dezen het bevoegde gezag is. Gelet hierop dient het schrijven van [verzoeker] d.d. 22 februari 2010, gericht aan de President, naar het oordeel van het Hof niet te worden beschouwd als een schriftelijk beklag zoals bedoeld in artikel 78 lid 1 Pw tegen een afwijzend besluit van de minister, maar als een verzoek aan de President om de daarin aangehaalde zaken voor [verzoeker] in orde te maken, op welk schrijven de President geacht wordt afwijzend te hebben beslist. Nu het ook hier gaat om een fictief besluit en, naar in 4.1.2 reeds is overwogen, een dergelijk besluit niet voor nietigverklaring vatbaar is, zal het Hof zich op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw eveneens onbevoegd verklaren kennis te nemen van het in 3.1 onder B gevorderde.

4.1.4 [verzoeker] vordert in 3.1 onder C, kort gezegd, veroordeling van de Staat tot betaling van een waarnemingstoelage. Een dergelijke vordering is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het Hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het Hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zodanig uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van een waarnemingstoelage vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet betalen van een waarnemingstoelage ter hoogte van de waarnemingstoelage waarop [verzoeker] meent aanspraak te maken, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het Hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

4.1.5 Naar het oordeel van het Hof kan het in 3.1 onder D tot en met F gevorderde worden aangemerkt als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een handeling in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald, in casu het nalaten om, kort gezegd: a. alsnog definitief vast te stellen de stilzwijgende benoeming van [verzoeker] tot Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst te rekenen van 16 mei 2007, onder toekenning van het aan die functie verbonden salaris (schaal 24/23) en overige emolumenten, althans onder toekenning van het salaris behorende bij schaal 24/23 en overige emolumenten, vermeerderd met 6% rente per jaar;
b. [verzoeker] te rekenen van 16 mei 2007 alsnog te bevorderen tot schaal 24 dan wel schaal 23;
c. met terugwerkende kracht enwel met ingang van 01 december 2007 de pensioengrondslag, althans de pensioenuitkering van [verzoeker] te berekenen aan de hand van de bezoldiging verbonden aan de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst (schaal 23/24), althans aan de hand van de bezoldiging verbonden bij schaal 24 dan wel schaal 23.
Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van dit deel van het gevorderde.

Ontvankelijkheid
4.2.1 De Staat heeft, naar het Hof begrijpt en zakelijk weergegeven, onder meer als verweer aangevoerd dat [verzoeker] niet diende op te komen tegen een afwijzend besluit van de minister, maar tegen het bij de resolutie d.d. 30 mei 2008 (zie 2.6) genomen besluit van de President tot benoeming van [verzoeker] tot Hoofdbeleidsmedewerker 2e klasse en de dienovereenkomstige bevordering van [verzoeker] tot Hoofdambtenaar B 2e klasse (bezoldigingsschaal 19), hetgeen [verzoeker] heeft nagelaten. [verzoeker] heeft in reactie daarop bij pleitnota gesteld dat de resolutie d.d. 30 mei 2008 betrekking heeft op voordrachten en/of de missive vóór januari 2005, zodat de bevordering niet (mede) als grondslag heeft de waarneming van de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaardienst. [verzoeker] heeft voorts gesteld dat de onderhavige vordering is gebaseerd op de stilzwijgende benoeming sinds 16 mei 2007 en op de bezoldiging waarop hij aanspraak maakt doch niet heeft ontvangen. De Staat heeft zulks niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat het Hof voorbijgaat aan het verweer van de Staat.

4.2.2 Ingevolge artikel 80 lid 2 sub c Pw zijn vorderingen als bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b en c Pw niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 Pw geacht wordt het besluit te hebben genomen. Artikel 78 lid 2 sub b Pw bepaalt dat een orgaan mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] zijn schriftelijk verzoek op 22 februari 2010 aan de President heeft doen toekomen noch dat de President nimmer daarop heeft beslist. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 78 lid 2 sub b Pw had de President de ruimte tot 22 augustus 2010 om te beslissen op het verzoek van [verzoeker]. Nu de onderhavige vordering is ingesteld op 18 juni 2010, is [verzoeker] dus prematuur met het in 3.1 onder C tot en met F gevorderde en zou hij dientengevolge in beginsel daarin niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Het Hof overweegt echter dat de President, naar vaststaat, ook gedurende dit geding niet heeft beslist op het verzoek van [verzoeker], zodat ervan wordt uitgegaan dat de President alsnog een fictief besluit heeft genomen en wel een negatief besluit. Om deze reden acht het Hof [verzoeker] wel ontvankelijk in het in 3.1 onder C tot en met F gevorderde. Het aanhangig maken van de vordering betekent immers niet dat de President niet meer op het verzoek hoefde te beslissen.

Waarnemingstoelage
4.3.1 Het Hof stelt voorop dat een landsdienaar blijkens artikel 22 lid 1 Pw door of vanwege het bevoegde gezag met de waarneming van een functie kan worden belast (a) voor de duur van afwezigheid of verhindering van degene die daarin is benoemd, (b) voor de duur van een jaar, indien de functie definitief is opengevallen en hij aan de wettelijke eisen van benoembaarheid daarin voldoet en (c) voor onbepaalde tijd, indien de functie definitief is opengevallen en hij niet aan de wettelijke eisen van benoembaarheid daarin voldoet. Deze landsdienaar geniet op grond van artikel 22 lid 4 Pw, indien hij gedurende meer dan een maand achtereen belast is geweest met de waarneming van de functie, en zijn salaris minder bedraagt dan het minimum waarop hij in geval van benoeming in die functie aanspraak zou hebben, voor de verdere duur van de waarneming een toelage overeenkomstig de daarvoor bij staatsbesluit te stellen regelen.

4.3.2 Naar het Hof begrijpt betoogt de Staat dat [verzoeker] geen aanspraak maakt op een waarnemingstoelage, omdat [verzoeker] niet heeft gesteld dat hij bij besluit van het daartoe bevoegde gezag met de waarneming van de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst was belast, één en ander conform artikel 22 lid 1 Pw. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.

4.3.3 [verzoeker] heeft in reactie op het verweer van de Staat gesteld dat, althans zo heeft het Hof dit opgevat, het hoofd van de Luchtvaartdienst bij schrijven d.d. 16 mei 2006 (zie 2.5) namens het bevoegde gezag heeft bekendgemaakt dat [verzoeker] met ingang van dezelfde datum zal worden belast met de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van deze dienst. De Staat heeft dit niet weersproken, zodat het Hof van de juistheid daarvan zal uitgaan. Tussen partijen staat vast dat de benoeming van [verzoeker] in deze functie nimmer is geformaliseerd. De Staat heeft niet weersproken dat [verzoeker] vanaf 16 mei 2006 tot aan zijn pensionering op 28 november 2007 de werkzaamheden behorende bij de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst heeft verricht, zodat dit ook rechtens vaststaat. Nu [verzoeker] de werkzaamheden behorende bij de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst heeft verricht gedurende de hiervoor vermelde periode, terwijl de benoeming van [verzoeker] in deze functie nooit is geformaliseerd, moet ervan worden uitgegaan dat [verzoeker] door het bevoegde gezag met de waarneming van deze functie is belast en dat hij deze functie gedurende voormelde periode heeft waargenomen. Het Hof heeft bij dit oordeel betrokken dat gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] op enig moment gedurende de periode van waarneming door of vanwege het bevoegde gezag is opgedragen zich te onthouden van het verrichten van de werkzaamheden verbonden aan de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst. Het verweer van de Staat ter zake dient daarom te worden verworpen.

4.3.4 Nu [verzoeker] gedurende meer dan een maand achtereen met de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst belast is geweest, komt hij op grond van artikel 22 lid 4 Pw voor de verdere duur van de waarneming in aanmerking voor een toelage, indien zijn salaris minder bedraagt dan het minimum waarop hij in geval van benoeming in die functie aanspraak zou hebben.

4.3.5 Uit de stellingen van [verzoeker] blijkt dat hij onder meer aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat aan de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst de rang van Hoofdambtenaar A 1e klasse (schaal 23) is verbonden.
De Staat heeft in dit kader, naar het Hof begrijpt, betoogd dat [verzoeker], zonder daarvoor een wettelijke grondslag aan te dragen en overigens ten onrechte, van het voorgaande uitgaat. De Staat heeft aangevoerd dat ingevolge artikel 7 Pw bij of krachtens staatsbesluit voor elk onderdeel van ’s Landsdienst wordt bepaald welke functies daarbij kunnen worden vervuld en in welke rangen de in die functies te benoemen ambtenaren kunnen of moeten worden ingedeeld. Volgens de Staat ontbreekt voor de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst het ingevolge voormeld artikel vereiste staatsbesluit.
[verzoeker] heeft zich in reactie hierop beroepen op de, als productie bij zijn pleitnota in fotokopie overgelegde, resolutie van de President d.d. 26 juli 2004, Bureau [nummer 7], ten name van [naam 2] (hierna: [naam 2]). [verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat uit voormelde resolutie blijkt dat [naam 2], het voormalig hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst, als Hoofdambtenaar A 1e klasse in schaal 23 was ingedeeld. [verzoeker] concludeert dat hiermee is bewezen dat bij de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst schaal 23 behoort.

4.3.6 De Staat betwist dat aan de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst schaal 23 is gekoppeld. De Staat heeft daarbij aangevoerd dat zulks niet blijkt uit voormelde resolutie d.d. 26 juli 2004. Naar het oordeel van het Hof lag het op de weg van de Staat om onderbouwd te stellen aan welke rang voormelde functie is verbonden en in welke schaal die rang is ingedeeld. De Staat, die geacht wordt de procespartij te zijn die bij uitstek over deze informatie beschikt, is hiermee echter in gebreke gebleven. Als onvoldoende gemotiveerd betwist is daarom rechtens tussen partijen komen vast te staan dat aan de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst is verbonden de rang van Hoofdambtenaar A 1e klasse (schaal 23). De omstandigheid dat het staatsbesluit in de zin van artikel 7 Pw ter zake van de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst, naar zeggen van de Staat, ontbreekt, kan niet aan [verzoeker] worden tegengeworpen nu niet in geschil is dat voormelde functie bestaat. Het ter zake door de Staat gevoerde verweer wordt derhalve verworpen.
Het Hof tekent aan dat in de stellingen van [verzoeker] geen aanleiding is gevonden om aan de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst schaal 24 te koppelen.

4.3.7 Het Hof concludeert dat het salaris van [verzoeker], die te rekenen van 01 januari 2005 is bevorderd tot Hoofdambtenaar B 2e klasse (schaal 19), minder bedraagt dan het minimum waarop hij in geval van benoeming in de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst (schaal 23) aanspraak zou hebben.
Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat [verzoeker] aanspraak maakt op een waarnemingstoelage. Thans rest nog de vraag op welke periode van waarneming deze aanspraak betrekking heeft. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. Vaststaat dat [verzoeker] gedurende de periode van 16 mei 2006 tot 28 november 2007 de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst heeft waargenomen. Partijen verschillen er niet van mening over dat deze functie definitief is opengevallen en dat [verzoeker] aan de eisen van benoembaarheid daarin, zo deze eisen bestaan, voldoet. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 22 lid 1 sub b Pw, wordt [verzoeker] geacht gedurende de periode van 16 mei 2006 tot 16 mei 2007 met de waarneming van voormelde functie te zijn belast geweest. Op grond van artikel 22 lid 4 Pw maakt [verzoeker] aanspraak op een toelage voor de waarneming van de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst (schaal 23) over de periode van 16 juni 2006 tot 16 mei 2007. Deze waarnemingstoelage zal als het mindere van het in 3.1 onder C gevorderde worden toegewezen.

Benoeming en bevordering
4.4.1 Artikel 22 lid 5 Pw bepaalt dat zodra een landsdienaar gedurende meer dan een jaar een definitief opengevallen functie heeft waargenomen en hij aan de wettelijke eisen van benoembaarheid daarin voldoet, hij geacht wordt stilzwijgend in die functie te zijn benoemd. Blijkens artikel 24 lid 4 Pw heeft een ambtenaar aanspraak op bevordering, indien en zodra zijn rang lager is dan die welke als minimum behoort bij de functie waarin hij uitdrukkelijk of stilzwijgend is benoemd.

4.4.2 Gelet op hetgeen hierboven ten aanzien van de gevorderde waarnemingstoelage is overwogen en gelet op artikel 22 lid 5 Pw, wordt [verzoeker], nu hij gedurende meer dan een jaar – en wel van 16 mei 2006 tot 28 november 2007 – de definitief opengevallen functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst heeft waargenomen en hij aan de eisen van benoembaarheid in die functie voldoet, geacht daarin stilzwijgend te zijn benoemd te rekenen van 16 mei 2007. Voorts maakt [verzoeker], nu aan deze functie een hogere rang is verbonden dan hij bekleedt, op grond van artikel 24 lid 4 Pw aanspraak op bevordering tot die rang te rekenen van dezelfde datum. Het definitief vaststellen van voren bedoelde benoeming alsmede de bevordering van [verzoeker] tot Hoofdambtenaar A 1e klasse (schaal 23) zijn ten onrechte achterwege gebleven, zodat het in 3.1 onder D en E gevorderde zal worden toegewezen als in het dictum te melden. Het Hof tekent daarbij ten aanzien van het in 3.1 onder D overig gevorderde aan dat [verzoeker] te rekenen van 16 mei 2007 tot 28 november 2007 slechts aanspraak maakt op het verschil tussen het salaris verbonden aan de rang van Hoofdambtenaar A 1e klasse (schaal 23) en overige emolumenten en het salaris verbonden aan de rang van Hoofdambtenaar B 2e klasse (schaal 19).

Pensioengrondslag (bijdragegrondslag)
4.5 Het Hof heeft reeds overwogen dat [verzoeker] geacht wordt te rekenen van 16 mei 2007 stilzwijgend te zijn benoemd in de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst en dat hij dientengevolge te rekenen van dezelfde datum aanspraak maakt op bevordering tot de rang van Hoofdambtenaar A 1e klasse (schaal 23). De bijdragegrondslag dient derhalve te worden berekend aan de hand van de bezoldiging verbonden aan voormelde rang. Vorenbedoelde berekening van de bijdragegrondslag is uitgebleven. Uit de resolutie d.d. 30 mei 2008 blijkt dat [verzoeker] op 28 november 1947 is geboren. Ingevolge het bepaalde in artikel 71 lid 2 Pw wordt ontslag wegens het bereiken van de leeftijdsgrens verleend met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin deze grens is bereikt. Gelet hierop gaat het Hof ervan uit dat [verzoeker] wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd met ingang van 01 december 2007 eervol ontslag uit Staatsdienst is verleend. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het in 3.1 onder F gevorderde zal worden toegewezen, zoals in het dictum te melden.

4.6 Het Hof acht termen aanwezig de gevorderde dwangsom te maximeren als in het dictum te melden.

4.7 De gevorderde veroordeling in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.8 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing
Het Hof:
5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder A en B gevorderde.

5.2 Veroordeelt de Staat om bij wege van schadevergoeding aan [verzoeker] te voldoen de maandelijkse toelage voor de waarneming van de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst (schaal 23) gedurende de periode van 16 juni 2006 tot 16 mei 2007, vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf 18 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.3 Gelast de Staat om binnen zes maanden na betekening van dit vonnis over te gaan tot het verrichten van handelingen inzake het alsnog definitief vaststellen van de stilzwijgende benoeming van [verzoeker] in de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst en tot de bevordering van [verzoeker] tot de rang van Hoofdambtenaar A 1e klasse (schaal 23), zulks te rekenen van 16 mei 2007.

5.4 Veroordeelt de Staat om binnen zes maanden na betekening van dit vonnis aan [verzoeker] te voldoen het verschil tussen het salaris verbonden aan de rang van Hoofdambtenaar A 1e klasse (schaal 23) en overige emolumenten en het salaris verbonden aan de rang van Hoofdambtenaar B 2e klasse (schaal 19), zulks te rekenen van 16 mei 2007 tot 28 november 2007, vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf 18 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.5 Veroordeelt de Staat om binnen zes maanden na betekening van dit vonnis, met terugwerkende kracht en wel met ingang van 01 december 2007 de bijdragegrondslag van [verzoeker] te berekenen aan de hand van de bij de functie van Hoofd Opleidingen en Examens van de Luchtvaartdienst behorende rang van Hoofdambtenaar A 1e klasse (schaal 23).

5.6 Veroordeelt de Staat om aan [verzoeker] te betalen een dwangsom van SRD 1.000,- (eenduizend Surinaamse dollar) per dag, voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft aan het in 5.3 en 5.5 bepaalde te voldoen, met dien verstande dat boven de som van SRD 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar) geen dwangsom meer wordt verbeurd.

5.7 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S.Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 17 januari 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend–griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. N.A.S. Ramnarain namens de gemachtigden van partijen, advocaten mr. M.G.A. Vos en mr. van der San.

 

 

SRU-HvJ-2015-22

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende aan de [adres] te [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, casu quo de Minister van Justitie en Politie,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder,
gemachtigde: mr. R. Autar, Substituut Officier van Justitie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat;

1.Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • Het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 15 mei 2014;
  • Het proces-verbaal van het op 21 november 2014 gehouden verhoor van partijen;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 06 maart 2015 doch nader op heden;

2. De feiten

2.1 [verzoeker] is bij beschikking, Bureau [nummer 1] en K.A. [nummer 2] (hierna: de beschikking) een tuchtstraf van ontslag opgelegd, ingevolge artikel 40 lid 1 onder J van het Politiehandvest;

2.2 De ontslagbeschikking de dato 28 april 2014 is in persoon uitgereikt aan [verzoeker];

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. Nietigverklaring van de beschikking en dat [verzoeker] gerehabiliteerd wordt in de rang waarin hij diende met toekenning van de schadeloosstelling als bedoeld in artikel 49 Politiehandvest;

B.[verzoeker] in de gelegenheid zal worden gesteld de bedongen arbeid als vòòr de gewraakte beschikking op de normale wijze te vervullen zonder enige hinder zijdens de Staat;

C. Dat de Staat het vonnis uitvoert binnen een week na betekening of een door het Hof te stellen termijn, onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 10.000,= althans een door het Hof in goede justitie vast te stellen dwangsom, voor elke dag waarop de Staat in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vonnis;

3.2 [verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] werd verdacht van primair: voorbereiding, secundair poging tot mensensmokkel. In de gewraakte beschikking is aangegeven dat er sprake is van vermoedens zijdens [verzoeker] voor zijn betrokkenheid en dat de bewijzen in deze zaak zo mager en tegenstrijdig waren dat [verzoeker] door het Openbaar Ministerie in vrijheid werd gesteld en de zaak aan de kantonrechter werd voorgelegd. Inmiddels is [verzoeker] vrijgesproken door de kantonrechter en het Openbaar Ministerie heeft geen hoger beroep aangetekend tegen voormelde beslissing. De opgelegde tuchtstraf van ontslag is in strijd met de onschuldpresumptie, genoemd in artikel 8 lid 2 van het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: AVRM). Ten tijde van het in ontvangst nemen van de beschikking was [verzoeker] nog niet veroordeeld, zijn schuld was dus nog niet bewezen en dat betekent dat hij voor onschuldig dient te worden gehouden totdat de strafrechter anders heeft beslist. Derhalve kon er geen sprake zijn van ernstig plichtsverzuim ten tijde van het uitreiken van vorenvermelde beschikking. Dat een eventuele tuchtstraf onlosmakelijk verbonden is met de strafzaak en dat de overheid niet alvast een voorschot kan nemen op een door de strafrechter te nemen beslissing. De Staat maakt zich eveneens schuldig aan schending van het algemene beginsel van goed bestuur en het verbod op willekeur daar andere korpsleden, zelfs diegenen die strafrechtelijk veroordeeld zijn, hun werkzaamheden gewoon konden hervatten.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Het Hof komt – voor zover nodig – daarop terug in de beoordeling.

4. De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1 Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoeker] niet binnen de gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking zodat hij ontvankelijk is in de onderhavige vordering.

4.2 De Staat heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verweer gevoerd. Dat de opgelegde tuchtstraf niet afhankelijk is van de uitkomst van de strafzaak. Naar het oordeel van het Hof is het standpunt van de Staat in deze correct. Er is geen enkele wetsbepaling die voorschrijft dat, indien tegelijk met een disciplinair onderzoek tegen een ambtenaar van politie, een strafrechtelijk onderzoek gaande is, de uiteindelijke afloop van de strafzaak dient te worden afgewacht alvorens een tuchtstraf kan worden opgelegd. Het daartoe strekkend verweer van de Staat is derhalve gegrond en is de daartoe strekkende grondslag van de vordering van verzoeker niet in rechte komen vast te staan;

4.3 Voorts heeft [verzoeker] aangevoerd dat in de gewraakte beschikking is aangegeven dat er sprake is van vermoedens ten aanzien van de betrokkenheid van verzoeker. Naar het oordeel van het Hof is de daartoe strekkende grondslag van verzoeker’s vordering wel in rechte komen vast te staan. Immers is de ontslaggrond hetwelk ernstig plichtsverzuim zou constitueren, in overwegende mate rechtstreeks afhankelijk van de uitkomst van de strafzaak. Door uitgaande van vermoedens het ernstig plichtsverzuim aan te nemen aan de zijde van [verzoeker] en dan meteen de hoogste tuchtstraf op te leggen heeft de Staat , naar het oordeel van het Hof, een disproportionele tuchtstraf opgelegd. Naar het oordeel van het Hof staat de opgelegde tuchtstraf niet in een redelijke verhouding tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan. Het voorgaande klemt te meer nu [verzoeker] door de kantonrechter is vrijgesproken en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

4.4 Immers is in de beschikking als dragende overweging opgenomen (begin citaat) “ dat onderinspecteur [verzoeker] heeft gehandeld in strijd met artikel 4 lid 2 van het Politie Handvest, de artikelen 3 en 10 van de Instructies voor de ambtenaren van politie en de punten 1, 2 en 3 Gedragscode voor de ambtenaren van politie en de Personeelswet; namelijk taakuitoefening in overeenstemming met de geldende rechtsregelen; het verbod om giften en/of beloften aan te nemen teneinde in de dienstbetrekking iets te doen of na te laten; toezicht houden op de naleving van wettelijke regelingen; zich te allen tijde en onder alle omstandigheden zodanig te gedragen dat aan de waardigheid van zijn ambt geen afbreuk worden gedaan en het aanzien van de politie niet wordt geschaad; altijd eerlijk en oprecht zijn, zich houden aan de instructies voor ambtenaren van politie en alle andere ter zake dienende wettelijke regelingen; betrouwbaar zijn, de waarheid te spreken en de waarheidsvinding te bevorderen; zich als een voorbeeldfiguur gedragen, alsook zich niet schuldig maken aan strafbare feiten en overtredingen” (einde citaat). Naar het oordeel van het Hof is de inhoud van al het voorgaande op de helling komen te staan met de – inmiddels onherroepelijke – beslissing van de strafrechter.

4.5 Gelet op al het voorgaande zal het Hof het gevorderde toewijzen als hierna te melden. De mede gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal worden afgewezen nu het Hof rechtdoende in Ambtenarenzaken in eerste en hoogste instantie beslist. Het gevorderde onder sub B en C van het petitum van het verzoekschrift kunnen niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 van de Personeelswet en zullen derhalve worden afgewezen. De onder sub A van het petitum gevorderde rehabilitatie met toekenning van de schadeloosstelling kan evenmin gecategoriseerd worden onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 van de Personeelswet en zal derhalve eveneens worden afgewezen. Het overig gevorderde onder sub A van het petitum zal worden toegewezen in voege als na te melden.

4.6 De Staat zal, als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van [verzoeker] gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van het vonnis.

5. De beslissing

Het hof:
5.1 Verklaart nietig de beschikking bekend onder Bureau No. [nummer 1] en K.A. [nummer 2] van het Ministerie van Justitie en Politie welke aan [verzoeker] in persoon is uitgereikt en waarbij [verzoeker] is ontslagen.

5.2 Veroordeelt de Staat in de kosten van het geding aan de zijde van [verzoeker] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.60,– ( Zestig Surinaamse Dollars).

5.3 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en mr. G.L. de Miranda,Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 mei 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend–Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. S.G.R. Khoen Khoen namens mr. R.R. Lobo, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. M. Danning namens mr. R.Autar, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-K1-1997-6

Betalend
AR.no. 963999
7 januari 1997
MGT

[eiser],
wondende te [district]
ten deze vertegenwoordigd door [naam],
wonende te [district] aan de [adres],
voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
eiser om kort geding,

tegen

COOPERATIEVE REPUBLIEK GUYANA, rechtspersoon,
ten deze vertegenwoordigd wordende door [gedaagde],
gevestigd en kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 82,
voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.B.A.Halfhide, advokaat,
gedaagde in kort geding,

De kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort geding uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gezien partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
A. Gedaagde zal worden veroordeeld tegen behoorlijk bewijs van kwijting tot betaling van een bedrag van US $ 7500,= (ZEVENDUIZEND EN VIJFHONDERD U.S. DOLLARS) vermeerderd met de wettelijk rente ad 6% ‘s jaars vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

Subsidiair:
B. De gedaagde zal worden gelast om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de eiser te betalen het bedrag van US $ 7000,= (ZEVENDUIZEND U.S. DOLLARS) en wel als voorschot, in afwachting van de resultaten van de in te stellen vordering bij de gewone rechter;
Kosten rechtens.

Overwegende, dat te dienende dage partijen, vertegenwoordige door hun respektieve gemachtigden, advokaten, Mr.F.F.P.Truideman en Mr.B.A.Halfhide, ter terechtzitting zijnverschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiser wijziging van het petitum heeft gevraagd te aanzien van het primair gevorderde luidende “van US 7500 naar US 3000” en ten aanzien van het subsidiair gevorderde luidende “voorschot van US $ 2500, dus resteert haar over november en december 1996”, waarna de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd.

Overwegende, dat ten dage voor uitbetaling zijdens gedaagde bepaald, de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigdenvan partijen mondelinge pleidooien hebben gehouden, waarvan is opgemaakt een procesverbaal, welk hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij aanvankelijk vonnis hadden bepaald op 23 januari 1997 doch bij vervoeging op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT
Overwegende, dat wij eisers verzoek op wijziging staat blijkens de aan haar verweer te grondslag gelegdestellingen uitdrukkelijk beroepen heeft op haar immuniteit tegen het uitoefenen van rechtsmacht over haar door de Surinaamse rechter, zijnde zij een onafhankelijke en soevereine staat en als zodanig volkenrechtelijk de gelijke van Suriname, op grond waarvan de Staat Suriname of zijn rechterlijke organen geen rechtsmacht ten uitoefenen over gedaagde, zullen eiser zich dan ook hebben te wenden tot de rechterlijke organen van gedaagde, indien hij pretendeert enige rechtsaanpraak op gedaagde te hebben, ijnde haar immuniteit tegen rechtsmacht van andere staten immers absoluut, in verband waarmede gedaagde verwezen heeft naar : Ian Brownleer: Principle of Public International Law, 4e druk, 1890.

Overwegende dag de eiser tegen voormeld verweer voor zover ten deze van belang, heeft aangevoerd, dat gedaagde aan het privaatrechtelijk verkeer deeneemt en dat zij zich op grond hiervan niet op haar immuniteit kan beroepen. Zijnde in casu van toepassing het recht van de Republiek Suriname;

Overwegende, dat partijen over en weer bij hun respektievelijke standpunden hebben volhard;

Overwegende, dat nu gedaagde als vreemde staat zich op haar immuniteit beroept, wij gebonden zijn aan de bepaling van artikel 15 A B, dat op zijn beurt voor de grenzen aan de rechtsmacht van ons verwijst naar het volkenrecht;

Overwegende, dat Wij er evenwel van uitaagn, dat de Surinaamse rechter zich bevoegd mag achter als de vreemde staat zich aan zijn rechtermacht onderwerpt, dan, wel de privaatpersoon aan het maatschappelijk verkeer deelgenomen heeft, zoals door het aangaan van een privaatrechtelijke overeenkomst;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken vaststaat, dat tussen gedaagde en de eiser op 1 februari 1995 bij geschrift is gesloten voor de duur van 3 jaren, ingaande 1 februari 1995 een overeenkomst van huur en verhuur betreffende het perceelland met daaropstaande gebouwen, gelegen te [district] aan [adres] tegen de prijs van US $ 1500.= per maand;

Overwegende, dat gedaagde door met de eiser voormelde huurovereenkomst te sluiten, als privaatpersoon aan het maatschappelijk verkeer heeft deelgenomen op grond waarvan Wij ons bevoegd mogen achten en aan gedaagde ‘mitsdien geen immuniteit kunnen toekennen;

Overwegende, dat gedaagde voorts als subsidiair verweer heeft aangevoerd, dat een enkel belang zijdens eiser is gesteld of gebleken om een onverwijlde voorziening bij voorraad zoals gevorderd te rechtvaardigen, zijnde het enkelefeit, dat volgens eiser gedaagde ernstig gewanpresteerd zou hebben, op zichzelf geen reden tot een voorziening bij voorraad, aangezien dat op zichzelf geen orde maatregel vereist;

Overwegende, dat Wij voormeld verweer besprekend, opmerken, dat haar als onweerspreken tussen partijen rechtens vaststaat: gedaagde, geheel in strijd met het eertijds tussen partijen overeengekomene, die huurovereenkomst heeft beëindigd en dat gedaagde, naar de eiser haar, naar ons voorlopig oordeel , terecht verwijt wanprestatie heeft gepleegde alsgevolgd waarvan hij –eiser- schade heeft geleden onder meer bestaande uit inkomstenderving;

Overwegende, dat de eiser op grind van voormelde schadetoebrengende handeling terecht van gedaagde schadevergoeding vordert tot de voldoening waarvan Wij gedaagde zullen veroordelen bu de gewone rechter een daartoe strekkende vordering naar aan zekerheidgrenzende waarschijnlijkheidook zou toewijzen;

Overwegende, dat Wij ook het subsidiair gevoerd verweer van gedaagde als ongegrond verwerpen;

Overwegende, dat Wij gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proceszullen laten dargen;

RECHTDOENDE IN KORT GEDING
Verlenen eiser akte van wijziging van zijn primaire vordering als verzocht;

Veroordelenn gedaagde aan de eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijitng te betalen het bedrag van US $ 3000,= verwoordend met de wettelijke interessen hierover ad 6 % per jaar vanaf 6 november 1996 tot aan die der algehele voldoening;

Verwijzen gedaagde in de kosten van dit proces, aan eisers zijde gevallen en tot aan deze uitspraakbegroot op f.3551,= (DRIEDUIZEND VIJFHNDERD EEN EN VIJFTIG GULDEN);

Aldus gewezen en bij vervoeging uitgesproken ter Openbare Terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste kanton te Paramaribovan donderdag, 9 januari 1997 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr.J.R.Von Niessewand, in tegenwoordigeheid van de Fungerend-griffier, Mr.L.Van Bosse.

In kort geding
Partijen zijn noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak te terechtzitting verschenen.

SRU-RC-2019-10

RECHTER-COMMISSARIS BELAST MET DE BEHANDELING VAN STRAFZAKEN BIJ DE KANTONGERECHTEN

Beschikking ex artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering(SB 2008 no.21)

Gezien het verzoek tot invrijheidstelling van de verzoeker/verdachte [verzoeker/verdachte] ingediend door haar raadsman mr. R. Malahe op 04 januari 2019;

Gelezen de stukken, waaronder het bevel tot inverzekeringstelling, waaruit blijkt dat de verzoeker/ verdachte op 19 december 2018 in verzekering is gesteld terzake overtreding van de artikelen 370; 381 en 414 van het wetboek van Strafrecht evenals het bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling d.d. 26 december 2018;

Gehoord de verzoeker/verdachte, die heeft verklaard gelijk gerelateerd staat in de daartoe opgemaakte verklaring, waarvan een afschrift aangehecht is aan deze beschikking;

Gehoord de raadsman van verdachte, mr. R. Malahe;

Gehoord de vervolgingsambtenaar, mr. M. van Dijk;

  1. Ontvankelijkheid van verzoeker/verdachte:
    De vervolgingsambtenaar heeft aangevoerd dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu in de periode van verlenging van de inverzekeringstelling door een verdachte geen beroep kan worden gedaan op het bepaalde in artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering ( Sv).

    Beoordeling
    Naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie ( HvJ 29 september 2009 inz [naam] en HvJ 4 december 2009 inz. [naam 2]) moet de mogelijkheid voor de verdachte openstaan om in de periode van de verlenging van de inverzekeringstelling gebruik te maken van het bepaalde in artikel 54a Sv. Immers, kan het nimmer de bedoeling zijn geweest om rechten of waarborgen van de verdachte, te beperken tot slechts de eerste fase van de inverzekeringstelling.Het verweer wordt om die redenen ongegrond verklaard en verdachte/ verzoeker is derhalve ontvankelijk in het verzoek tot invrijheidstelling.

  2. De verlenging van de inverzekeringstelling
    De verzoeker/ verdachte is op 19 december 2018 omstreeks 09:30 uur aangehouden op verdenking van diefstal; verduistering en vernieling. De verdachte is op 19 december 2018 omstreeks 11:30 uur in verzekering gesteld. Op 19 december 2018 is getracht een aanvang te maken met het (nader) verhoor van de verdachte, maar deze gaf – anders dan daarvoor op 5 november 2018 – te kennen geen verklaring te willen afleggen.

Op 24 december 2018 is de verdachte ingevolge artikel 54a Sv voor de rechter-commissaris geleid, die de inverzekeringstelling rechtmatig oordeelde. Diezelfde dag is de inverzekeringstelling in opdracht van de officier van justitie verlengd per ingaande 26 december 2018. Op 7 januari 2019 is de verzoeker/ verdachte opnieuw geleid voor de rechter-commissaris, dit maal om te worden gehoord op het verzoek tot invrijheidstelling. Op dat moment was de verzoeker/ verdachte (vanaf 19 december 2018) nog niet opnieuw gehoord door de politie.

Overwegende, dat:

  • in het onderhavige (in ieder geval) vanaf de verlenging van de inverzekeringstelling van de verdachte op 26 december 2018 geen onderzoekshandelingen meer zijn verricht;
  • de vervolgingsambtenaar tegenover de Rechter-Commissaris heeft opgemerkt dat sedert de laatste onderzoekshandelingen van 19 december 2018 geen verdere onderzoeken zijn gepleegd omdat ervan is uitgegaan dat verdachte persisteerde bij haar (eerdere) weigerachtige houding en dus geen medewerking zou verlenen aan het de voortzetting van het onderzoek;

Overwegende voorts dat:

  • ingevolge artikel 50 lid 1 Sv de inverzekeringstelling bij dringende noodzakelijkheid door de vervolgingsambtenaar kan worden verlengd;
  • die beslissing tot verlenging van de inverzekeringstelling impliceert een afweging van alle in aanmerking komende belangen;
  • gelet op de omstandigheid dat uit eerder aangehaalde opmerking van de vervolgingsambtenaar geen aanknopingspunt kan worden gevonden om te oordelen dat thans voor de verlenging van de inverzekeringstelling een dringende noodzaak als bedoeld in artikel 50 lid 1 Sv aanwezig is;

Reden waarom, naar het oordeel van de Rechter-Commissaris, in het onderhavige sprake is van onrechtmatige toepassing van het vrijheidsbenemend dwangmiddel waardoor het verzoek tot invrijheidstelling zal worden toegewezen.

BESCHIKKENDE:
Verklaart de verlenging van de inverzekeringstelling onrechtmatig en beveelt haar onmiddellijke invrijheidstelling;
Wijst toe het verzoek tot invrijheidstelling van de verzoeker/ verdachte [verzoeker/verdachte].

Aldus gegeven te Paramaribo op 10 januari 2019 door mr. D.G.W. KARAMAT ALI, Rechter-Commissaris, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. CHANDER- ROEPA .

De Fgd. Griffier, De Rechter-Commissaris,

mr. J. CHANDER- ROEPA mr. D.G.W. KARAMAT ALI

SRU-RC-2019-9

Rechter-commissaris belast met de behandeling van Strafzaken bij de Kantongerechten

Verzoek tot invrijheidstelling ex artikel 54a Sv

De Rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten;
Gezien het verzoek tot invrijheidstelling van de verdachte: [verdachte];
Gezien de stukken, waaronder een bevel tot inverzekeringstelling d.d. 24 juli 2019 en de verlenging daarvan d.d. 29 juli 2019;
Gehoord de verdachte en zijn raadsman I.D. Kanhai, B.Sc.;
Gehoord de vervolgingsambtenaar mr. N.Maikoe;
Overwegende, dat uit de overgelegde stukken vooralsnog de navolgende feiten en omstandigheden zijn voortgekomen:
Op woensdag 24 juli 2019 tegen 18.10 uur reed het slachtoffer kort voor de aanrijding over [straat] komende vanuit de [straat 2] en gaande in die van de [straat 3] terwijl de verdachte over de [straat 3] reed komende vanuit de [straat 4] en gaande in die van de [straat 5].
Gekomen op de kruising gevormd door de [straat] en de [straat 3], alwaar het verkeer over de [straat] voorrang geniet boven het verkeer over de [straat 3], verzuimde de verdachte voorrang te verlenen aan het verkeer op de [straat], in deze het slachtoffer met als gevolg de aanrijding tussen de door verdachte bestuurde auto en de door het slachtoffer bestuurde bromfiets.
Het slachtoffer is op vrijdag 26 juli 2019 als gevolg van de opgelopen verwondingen in het [ziekenhuis] komen te overlijden.
Verdachte, die de [land] nationaliteit bezit, is ook in het bezit van een verblijfsvergunning om in [land 2] te verblijven voor de periode van 15 maart 2018 tot 15 maart 2020. Uit een stempel in het paspoort van verdachte blijkt dat zij op 17 juli 2019 in [land 2] vanuit het buitenland is binnengekomen. Verdachte is in het bezit van een geldig [land] nationaal rijbewijs. Verdachte is niet in het bezit van een [land 2] paspoort, een rijtoestemmingsbewijs als bedoeld in artikel 37i lid 1 van het Rijbesluit 1957 (zoals gewijzigd bij het Staatsbesluit van 24 februari 2009 SB. 2009 no. 23) noch een internationaal rijbewijs.

Overwegende, dat de cruciale vraag aan de orde is of verdachte aangemerkt kan worden als een persoon die niet in het bezit was van een geldig rijbewijs ten tijde van de aanrijding, één en ander als bedoeld in artikel 7 van de Rijwet 1971;

Overwegende, dat als uitvloeisel van het bepaalde in artikel 7 lid 5 van de Rijwet 1971 het Staatsbesluit van 24 februari 2009 (SB. 2009 no. 23) is uitgevaardigd tot wijziging van het Rijbesluit 1957 waarin in artikel 37i lid 1 is verwoord, zakelijk weergegeven, dat het degene die in het bezit is van een geldig buitenlands nationaal rijbewijs als bedoeld in artikel 7 lid 5 van de Rijwet 1971 toegestaan is om daarmee in Suriname een motorrijtuig over de weg te besturen indien:
a. het buitenlands nationaal rijbewijs is afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit in het buitenland;
b. de bestuurder in het bezit is van een vanwege de Procureur Generaal door het Hoofd van de Afdeling Verkeer van het Korps Politie Suriname afgegeven bewijs houdende toestemming (rijtoestemmingsbewijs) om in Suriname met een buitenlands nationaal rijbewijs een motorrijtuig over een weg te besturen;

Overwegende, dat in lid 7 van genoemd artikel 37i lid 1 is bepaald dat “het bepaalde in lid 1 onder b van dit artikel niet van toepassing is op door de Minister aangewezen categorieën van personen”; dat hieruit volgt dat bepaalde categorieën van personen door de minister kunnen worden aangewezen, aan wie, zonder in het bezit te zijn van het rijtoestemmingsbewijs, is toegestaan een motorrijtuig op de weg in [land 2] te besturen;

Overwegende, dat bij beschikking van de minister van Justitie van 2 juli 2009 [nummer] , houdende aanwijzing categorieën van personen ter uitvoering van artikel 37i lid 7 van het Rijbesluit 1957 (S.B. 2009 no.94) als de bedoelde categorieën van personen is aangewezen personen die voor vakantie of zakelijke doeleinden in Suriname verblijven voor een periode van niet langer dan 14 dagen;

Overwegende, dat thans de vraag dient te worden beantwoord of verdachte, die, na aankomst uit het buitenland, 7 dagen in [land 2] verbleef voor zakelijke doeleinden (zij zou haar voertuig verkopen en terugreizen naar [land 3] volgens haar verklaring) en die wel in het bezit is van een geldig nationaal rijbewijs afgegeven door de bevoegde autoriteiten van [land], het land waarvan zij de nationaliteit bezit, aangemerkt kan worden als een persoon niet in het bezit zijnde van een geldig rijbewijs omdat ze een verblijfsvergunning van [land 2] bezit; dat met andere woorden de vraag dient te worden of het hebben van een verblijfsvergunning voor verdachte in haar situatie een beletsel oplevert om te behoren tot de categorie van personen die voor een periode van maximaal 14 dagen zonder rijtoestemmingsbewijs een motorvoertuig mogen besturen op de weg;

Overwegende, dat, naar oordeel van de rechter-commissaris, voornoemde vraag negatief dient te worden beantwoord daar deze beperking nergens in de wettelijke regelingen is neergelegd;

Overwegende, dat, derhalve de thans geldende wettelijke regelingen in die zin dienen te worden begrepen, dat het elke vreemdeling, die in het bezit is van een geldig nationaal rijbewijs van het land waarvan hij/zij de nationaliteit heeft en die in [land 2] voor vakantie of zakelijke doeleinden verblijft, gedurende maximaal 14 dagen na binnenkomst in [land 2], is toegestaan een motorrijtuig (van de categorie waarvoor het rijbewijs is afgegeven) in [land 2] te besturen op de weg, ongeacht of die vreemdeling al dan niet ook een verblijfsvergunning van de [land 2] autoriteiten bezit;

Overwegende, dat het voren overwogene tot de conclusie leidt dat verdachte in casu niet aangemerkt kan worden als zijnde niet in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs ten tijde van de aanrijding; dat dientengevolge er onvoldoende feiten en omstandigheden aanwezig zijn die leiden tot een redelijk vermoeden van schuld dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het haar verweten strafbaar feit verwoord in artikel 20 lid 3 van de Rijwet;

Overwegende, dat het vorenoverwogene tot de conclusie leidt dat de inverzekeringstelling en de verlenging daarvan als onrechtmatig kunnen worden gekwalificeerd weshalve het verzoek dient te worden toegewezen;

Beschikkende:

Wijst het verzoek tot invrijheidstelling van de verdachte [verdachte] toe en beveelt diens onmiddellijke invrijheidstelling.

Aldus gegeven te Paramaribo op 6 augustus 2019 door mr. D.D. Sewratan, rechter-commissaris, in tegenwoordigheid van de griffier mevr. Mr. E. Ommen-Dors.

De griffier, De rechter-commissaris,

mevr. Mr. E. Ommen-Dors mr. D.D. Sewratan

SRU-HvJ-2015-21

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellante],
wonende te [district],
appellante,
gemachtigde: mr. H.P. Boldewijn, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. I.A. Soechitram, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 17 februari 2010 (A.R. no. 09-2697) tussen enerzijds appellante als
gedaagde (hierna: [appellante]) en anderzijds geïntimeerde als eiser (hierna: [geïntimeerde]),
spreekt de fungerend-president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1.Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier d.d. 02 maart 2010 waaruit blijkt dat [appellante] op 02 maart 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota van de zijde van [appellante] d.d. 21 november 2014;
  • de antwoordpleitnota van de zijde van [geïntimeerde] d.d. 05 december 2014;
  • de repliekpleitnota van de zijde van [appellante] d.d. 16 januari 2015;
  • de dupliekpleitnota van de zijde van [geïntimeerde] d.d. 20 maart 2015.

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1.Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellante] en [geïntimeerde] zijn op 28 juli 2006 met elkaar in het huwelijk getreden, welk huwelijk is ingeschreven in het huwelijksregister van de Burgerlijke Stand onder no. 199 akte 100 te Paramaribo. De kantonrechter in het eerste kanton heeft bij vonnis uitgesproken op 17 februari 2010 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. [appellante] heeft tegen voornoemd vonnis beroep aangetekend.
2.2. Het hof dient allereerst na te gaan of het beroep tijdig door [appellante] is ingesteld. Uit de verklaring van de griffier der kantongerechten d.d. 02 maart 2010 blijkt dat [appellante] op 02 maart 2010 hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van 17 februari 2010. Het hof overweegt dat [appellante] haar beroep binnen de wettelijke beroepstermijn van 30 dagen heeft ingesteld en wordt zij in haar beroep ontvankelijk geacht.
2.3.[appellante] voert onder meer aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht (grief III). Ter zake de vraag of er in dezen sprake is van duurzame ontwrichting overweegt het hof dat tussen partijen in confesso is dat het huwelijk in die mate onder druk kwam te staan dat partijen het samenwonen hebben beëindigd, thans langer dan vijf jaar, zonder dat er zicht is op verzoening c.q. weder samenwonen c.q. het redden van het huwelijk. Het hof is van oordeel dat nu er geen zicht bestaat op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen, er sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk. Daarbij neemt het hof mede in ogenschouw dat [appellante] aanvoerde dat [geïntimeerde] zich niet heeft gehouden aan de huwelijkstrouw.
2.4. Als grieven voert [appellante] verder aan dat de kantonrechter geen rekening heeft gehouden met haar belangen (grief I) en dat de kantonrechter voorbij is gegaan aan het bepaalde in artikel 263 van het Burgerlijk Wetboek (grief II). Dat artikel luidt als volgt: “De vordering tot echtscheiding wordt afgewezen, indien de duurzame ontwrichting in overwegende mate te wijten is aan de echtgenoot, die de vordering heeft ingesteld, en de andere echtgenoot deswege tegen die vordering verweer voert.” Het hof neemt waar dat het belang waar [appellante] op doelt, is verwoord in haar conclusie van antwoord onder sustenu 5 alwaar zij vermeldt – voor zover van belang – dat zij vanwege de werkgever van [geïntimeerde] in een dienstwoning verblijft. Die woning heeft ze met haar spaargelden leefbaar gemaakt. Door de eventuele echtscheiding zal zij door de schuld van [geïntimeerde] in een zeer precaire situatie komen te verkeren, omdat zij als dan de dienstwoning zal moeten verlaten. De vraag is of [appellante] het bovenstaande terecht als grief kan aanwenden.
2.5. Het artikel 156 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft weer dat echtgenoten elkaar getrouwdheid, hulp en bijstand verschuldigd zijn. Met getrouwheid wordt gedoeld op huwelijkstrouw. Het schenden van deze verplichting is een belangrijke factor bij de vaststelling of er sprake is van duurzame ontwrichting en ook of deze in overwegende mate aan een van de partners is te wijten: de schuldvraag. Het verzaken van de huwelijkstrouw – en dus het schenden van verplichtingen die voor echtelieden voortspruiten uit het artikel 156 BW – mag er niet toe leiden dat een echtgenoot die “immoreel” handelt, vruchten kan plukken uit handelen strijdig met de wet (artikel 156 BW), door de mogelijkheid te hebben echtscheiding aan te vragen. Echter het hof bemerkt dat [appellante] zich, bij haar beroep op artikel 263 BW, niet laat leiden door hetgeen partijen bij een huwelijk beogen, met name op een harmonieuze wijze een bestaan opbouwen. Voorts heeft zij niet gesteld zich te willen inspannen voor herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen dan wel dat zij het geloof heeft dat zulks in de naaste toekomst het geval kan zijn. Zij heeft evenmin vermeld wat zij vanaf de ontwrichting van het huwelijk en de beëindiging van het samenleven met [geïntimeerde] heeft gedaan om te voorzien in verblijf in een andere woning. Het hof bemerkt dat het [appellante] sec gaat om het continueren van het verblijf in een woning die de werkgever van [geïntimeerde] hem, vanwege zijn beroep, ter beschikking had gesteld. Het hof overweegt dat [appellante] hiermede oneigenlijk gebruik maakt van het artikel 263 BW en dat op die grond het beroep daarop afgewezen dient te worden.
2.6 Het vorenoverwogene brengt met zich dat het vonnis waarvan beroep onder aanvulling van gronden zal worden bevestigd.
2.7 De proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt daar partijen echtelieden zijn.

3. De beslissing in hoger beroep
Het hof:

  • bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden;
  • compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen gevallen, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. M.C. Mettendaf, lid, en mr. R.M. Praag, lid-plaatsvervanger, en door de fungerend–president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 02 oktober 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend–griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. H.P. Boldewijn, gemachtigde van appellante, terwijl geïntimeerde in persoon verschenen is bij de uitspraak.