SRU-HvJ-2020-39

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
16 oktober 2020

in de zaak van

[appellant],
wonende in het [district],
appellant in kort geding, hierna aangeduid als [appellant],
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het MINISTERIE van JUSTITIE en POLITIE,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie
van Suriname, kantoorhoudende aan de Limesgracht nr. 92 te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding, hierna aangeduid als de Staat,
gemachtigde: mr. P. Campagne MLS, jurist verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 26 april 2019 bekend in het Algemeen Register onder no. 19-1605 tussen [appellant] als eiser en de Staat als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1.Het procesverloopin hoger beroep
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het schrijven van de advocaat van [appellant] gedateerd 29 april 2019 – ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 02 mei 2019 – waaruit blijkt dat [appellant] hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 26 april 2019;
  • de pleitnota gedateerd 07 februari 2020;
  • de antwoordpleitnota gedateerd 06 maart 2020;
  • de repliekpleitnota gedateerd 03 april 2020;
  • de dupliekpleitnota gedateerd 07 augustus 2020;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2.De ontvankelijkheid van het beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 26 april 2019. Bij de uitspraak was [appellant], bijgestaan door zijn gemachtigde, ter terechtzitting verschenen terwijl de Staat niet vertegenwoordigd was. Nu [appellant] op 02 mei 2019 hoger beroep heeft ingesteld tegen het beroepen vonnis is dit ingevolge het bepaalde in artikel 235 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig geschied en is [appellant] ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep.

3.De vordering in hoger beroep
[appellant] vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter in kort geding, in eerste aanleg uitgesproken op 26 april 2019 in de procedure met A.R. No. 19-1605 tussen [appellant] als eiser en de Staat als gedaagde en opnieuw rechtdoende de vordering van [appellant] alsnog toe te wijzen, met veroordeling van de Staat in de kosten ( het Hof begrijpt: in beide instanties).

4.Waarvan kan worden uitgegaan
[appellant] heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten door de kantonrechter in eerste aanleg, weshalve van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Derhalve staat – ook in hoger beroep – het navolgende vast tussen partijen:

4.1. [appellant] is op 20 april 2018 in verzekering gesteld en bij vonnis van 22 november 2010 (het Hof begrijpt: 2018) in het tweede kanton veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden waarvan drie (het Hof begrijpt: maanden) voorwaardelijk en in het derde kanton tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 (het Hof begrijpt: maanden) voorwaardelijk.
4.2. [appellant] heeft kennis gekregen van het besluit dat zijn VI-verzoek is afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 30a lid 1 sub g van het Wetboek van Strafrecht.
4.3. Bij schrijven van 21 februari 2019 van de gemachtigde van [appellant] is de Staat aangemaand om [appellant] binnen 48 uur voorwaardelijk in vrijheid te stellen.
4.4. Aan deze aanmaning heeft de Staat geen gevolg gegeven.

5.De beoordeling van het geschil
5.1. [appellant] heeft in eerste aanleg als eiser in kort geding het navolgende gevorderd:

  • dat de kantonrechter bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:
    * de Staat zal veroordelen om [appellant] binnen 1 X 24 uur na het vonnis lijfelijk in vrijheid te stellen op straffe van een dwangsom en voorts
    * de Staat zal veroordelen in de advocaatkosten ad SRD. 5.000,= en in de proceskosten.

5.2. Naast voormelde vaststaande feiten heeft [appellant] in eerste aanleg aan zijn vordering ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven en voor zover ten deze van belang- dat hij reeds twee derde deel van zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten. Voorts heeft hij aangevoerd dat artikel 30a lid 1 sub g van het wetboek van Strafrecht in zijn geval niet van toepassing is omdat hij een gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen die onder de vier jaar ligt. De Staat handelt daarom onrechtmatig door [appellant] niet voorwaardelijk in vrijheid te stellen.
5.3. Bij vonnis van de kantonrechter in kort geding de dato 26 april 2019 heeft de kantonrechter de gevraagde voorzieningen geweigerd en [appellant] in de gedingkosten veroordeeld. [appellant] verzoekt het Hof om het beroepen vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende zijn vordering alsnog toe te wijzen, met veroordeling van de Staat in de kosten (het Hof begrijpt: in beide instanties). Daartoe heeft [appellant] grieven aangevoerd die in het hierna volgende aan een bespreking zullen worden onderworpen:
5.4. In de visie van [appellant] heeft de kantonrechter ten onrechte in het beroepen vonnis onder rechtsoverweging 5.7 het navolgende overwogen: “ De kantonrechter is van oordeel dat uit de hiervoor genoemde wetsartikelen blijkt dat met de formulering “is gesteld” steeds weer, en ook in artikel 30 a lid 1 onder g wordt gedoeld op een in de wet genoemd vastgesteld strafmaximum”.
5.5. De Staat heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verweer gevoerd op welk verweer het hof – voor zover nodig – in het hierna volgende zal ingaan.
5.6. In de visie van het Hof is het navolgende in casu aan de orde. [appellant] meent aanspraak te maken om voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld aangezien hij reeds twee/derde deel van de door de kantonrechter in eerste aanleg opgelegde straf heeft uitgezeten. De Staat daarentegen huldigt de opvatting dat ingevolge het bepaalde in artikel 30a lid 1 onder g van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr.) [appellant] niet in aanmerking komt om voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld aangezien hij zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet Verdovende Middelen en aan een misdrijf waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Hoewel het onvoorwaardelijk deel van de door de kantonrechter opgelegde gevangenisstraf een periode van vijftien (15) maanden bedraagt en dus onder de vier jaar ligt, huldigt de Staat de opvatting (althans zo vat het Hof dat op) dat in artikel 30a lid 1 onder g Sr met het woord “ is gesteld” bedoeld wordt de strafbedreiging door de wetgever gesteld en niet de door de kantonrechter opgelegde straf. [appellant] daarentegen gaat uit van het standpunt dat de wetgever met het woord “ is gesteld” als hiervoor aangegeven doelt op de opgelegde straf en niet op de door de wetgever gestelde strafmaximum.
5.7. Voor de goede orde zal het Hof het bepaalde in artikel 30a lid 1 onder g Sr in het hierna volgende citeren. In voormeld wetsartikellid is als weigeringsgrond voor voorwaardelijke invrijheidstelling het navolgende bepaald (begin citaat) “ de veroordeelde onherroepelijk is veroordeeld ter zake van misdrijven omschreven in de artikelen 295, 296, 297, 298, 347, 348, 348a, 349 en 349a alsmede ter zake van misdrijven in de Wet Verdovende Middelen waarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.” (einde citaat). Het punt dat partijen verdeeld houdt betreft de vraag of met het woord “ is gesteld” in voormeld wetsartikellid bedoeld wordt de strafbedreiging of de opgelegde straf. Hoewel het Hof zich ervan bewust is dat [appellant] inmiddels lijfelijk in vrijheid is gesteld (volgens de Staat op 14 juli 2019) zal het Hof toch ingaan op de fundamentele rechtsvraag die partijen verdeeld houdt. Voorafgaand daaraan wenst het Hof aan te geven dat nu de wetgever voor bezwaren betreffende het uitblijven van voorwaardelijke invrijheidstelling een speciale rechtsgang in het leven heeft geroepen hetwelk eveneens is gebleken effectief te zijn, de kortgedingrechter thans in beginsel niet meer –zoals in het recente verleden gebruikelijk was- als restrechter kan functioneren in zaken betreffende het uitblijven van voorwaardelijke invrijheidstelling. Daartoe is ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr bevoegd de rechter (casu quo het gerecht) die de vrijheidsstraf heeft opgelegd.
5.8. Thans zal het Hof ingaan op de vraag die partijen verdeeld houdt. Evenals de kantonrechter is het Hof van oordeel dat een wetssystematische en taalkundige interpretatie van de woorden “is gesteld” in voormeld wetsartikellid tot de slotsom leidt dat de wetgever met het bezigen van voormelde woorden het oog heeft gehad op de strafbedreiging en niet op de opgelegde straf. Hoewel de memorie van toelichting op voormelde wetsbepaling met geen woord daarover rept komt het het Hof voor dat indien de wetgever het oog had gehad op de opgelegde straf in de context van voormeld wetsartikellid dat met zoveel woorden zou zijn aangegeven. Nu dat niet is geschied en in voormelde context de woorden “is gesteld” in de visie van het Hof niet voor velerlei uitleg vatbaar zijn, zal de door [appellant] opgeworpen grief ongegrond worden verklaard. De overwegingen van andere kortgedingrechters in eerste aanleg zoals door de gemachtigde van [appellant] is aangevoerd en die contrair zijn aan hetgeen hiervoor is overwogen worden met het voorgaande geacht te zijn besproken en verworpen.
5.9. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat de door [appellant] aangevoerde grief zoals hiervoor weergegeven onder 5.4. niet gegrond is gebleken. De consequentie daarvan is dat het vonnis waarvan beroep – onder aanvulling van gronden als hiervoor overwogen – zal worden bevestigd en [appellant], als de in het ongelijk gestelde partij, zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
5.10. Bespreking van de overige grieven en weren van partijen zal, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

6. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:
6.1. Bevestigt, onder aanvulling van gronden als voormeld, het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken de dato 26 april 2019 en bekend in het Algemeen Register onder no. 19–1605, waarvan beroep;
6.2. Veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van de Staat gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en bij vervroeging uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 oktober 2020 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen, advocaat mr. Ch. Algoe en mr.P.J. Campagne MLS, gemachtigden van partijen.

SRU-HvJ-2020-38

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

Sport Vereniging Eendracht,
gevestigd en kantoorhoudende in het district Paramaribo,
appellante in kort geding,
verder ook te noemen: Eendracht,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

De Surinaamse Voetbal Bond,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
verder ook te noemen: de SVB,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,
Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 19 juli 2012, A.R.no. 12-2577, tussen Eendracht als eiseres en de SVB als gedaagde spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 2 augustus 2012, inhoudende dat Eendracht op 2 augustus 2012 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 19 juli 2012 in kort geding gewezen tussen Eendracht als eiseres en de SVB als gedaagde;
  • een pleitnota met 4 producties van Eendracht, overgelegd op 17 januari 2014;
  • een pleitnota van antwoord van de SVB, overgelegd op 4 juli 2014;
  • een pleitnota van repliek, overgelegd op 1 augustus 2014;
  • een pleitnota van dupliek, overgelegd op 17 oktober 2014.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
Partijen waren niet aanwezig bij de uitspraak van het vonnis van 19 juli 2012. Dit vonnis is op 24 juli door de griffier der kantongerechten aan partijen meegedeeld. Eendracht heeft vervolgens op 2 augustus 2012 hoger beroep tegen dat vonnis aangetekend.
Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Eendracht daarin kan worden ontvangen.

Beoordeling
1. Het geschil tussen partijen betreft, kort samengevat, het volgende:
Eendracht deed in juni 2012 mee aan het jaarlijks gehouden SVB/Integra Port Services Lidbondentoernooi. Na een wedstrijd tegen Sport Club Altona op 8 juni 2012 tekende zij bij de competitie commissie van de SVB protest aan, omdat in die wedstrijd een niet gerechtigde speler met Altona zou hebben meegespeeld. Het protest werd op 14 juni 2012 door de protest commissie van de SVB afgewezen en Eendracht ging daarvan in beroep bij het hoofdbestuur van de SVB. Het hoofdbestuur trok het besluit van de protest commissie in maar besloot tevens dat het protest van Eendracht opnieuw werd afgewezen. Eendracht diende vervolgens bij de kantonrechter een vordering in kort geding in. Deze vordering strekte er in hoofdzaak toe, dat het besluit van de SVB 18 juni 2012 zou worden geschorst, althans opgeschort, en dat aan de SVB zou worden gelast om de wedstrijd van Eendracht en Altona van 8 juni 2012 te laten overspelen. De kantonrechter verklaarde echter Eendracht niet-ontvankelijk in haar vordering, omdat, kort samengevat, artikel 9 sub g van de voor het lidbondentoernooi van 2012 geldende regels bepaalt dat de verenigingen die aan het toernooi deelnemen “zich verbinden om uitspraken van het hoofdbestuur van de SVB als definitief te accepteren en de Burgerrechter niet te adiëren”.
Op 8 augustus 2012, dus nadat Eendracht hoger beroep had aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter van 19 juli 2012, schreef de gemachtigde van Eendracht een brief aan de arbitrage commissie van de SVB. Hij verzocht in deze brief namens Eendracht aan de arbitrage commissie om het besluit van het hoofdbestuur van de SVB van 18 juni 2012 te vernietigen, het beroep van Eendracht alsnog gegrond te verklaren en “te handelen overeenkomstig de procedure, zoals in het Reglement voor de Jaarlijkse Nationale Competitie van de Surinaamse Voetbalbond is bepaald”. De SVB schreef op 23 augustus 2012 terug. De brief kwam er op neer dat de arbitrage commissie de zaak niet in behandeling zou nemen omdat de rechter in kort geding inmiddels uitspraak had gedaan “waardoor deze kwestie als zijnde afgedaan wordt beschouwd”.

2. De kantonrechter was in het vonnis waarvan beroep van oordeel dat Eendracht niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Hij baseerde dit oordeel op artikel 9 g van het hoofdstuk “Organisatie en Regels” van het namens de SVB uitgegeven programmaboek van het7e SVB/Integra Port Services Lidbondentoernooi 2012. Artikel 9 g. luidt, voor zover hier van belang: “De deelnemende verenigingen en lidbonden verbinden zich om uitspraken van het hoofdbestuur van de SVB als definitief te accepteren en de Burgerrechter niet te adiëren.”. De kantonrechter stelde dat de Commissie Lidbonden, die het toernooi onder auspiciën van de SVB en in nauwe samenwerking met de lidbonden organiseerde, bevoegd was om de regels voor het toernooi vast te stellen en dat alle deelnemende verenigingen gehouden waren on die regels na te leven. Daarom was Eendracht ook gehouden om het bepaalde in artikel 9g na te leven, aldus te kantonrechter.

3. Eendracht voert als grief tegen het vonnis van de kantonrechter aan, dat de kantonrechter ten onrechte Eendracht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar vordering. In haar toelichting op deze grief stelt zij dat niet de toernooiregels waar de kantonrechter van uitging van toepassing waren, maar de bepalingen van het reglement voor de jaarlijkse nationale competitie van de SVB. Volgens dit reglement is, aldus Eendracht, bij protesten van de bij de SVB aangesloten verenigingen niet het hoofdbestuur van de SVB de hoogste beroepsinstantie, maar de arbitrage commissie van de SVB. Eendracht verwijst daarbij onder andere naar artikel 22 van het competitie reglement. Artikel 1 lid 1 van dit artikel luidt:

In alle gevallen waarbij het hoofdbestuur van de SVB in beroep een besluit heeft genomen aangaande een ongerechtigde speler, alsook in de gevallen waarbij genoemd bestuur in beroep een besluit heeft genomen aangaande een transfer, is in hoogste en laatste instantie beroep mogelijk bij de Arbitrage commissie.

4. Met de kantonrechter is ook het hof van oordeel dat voor het protest van Eendracht de regels gelden, die in het toernooiboek 2012 onder de kop “Organisatie en regels” vermeld staan. Het slotartikel 10 van deze regels luidt:

In alle gevallen waarin de regelgeving c.q. sancties van het lidbondentoernooi niet specifiek voorziet, zijn de vigerende Regels, Bepalingen en Reglementen o.a. Competitie Reglement, Transfer Reglement, Statuten en het Huishoudelijk Reglement van de Surinaamse Voetbal Bond onverkort van toepassing.

Belangrijk is hier de beperking “ in alle gevallen waarin de regelgeving van het lidbondentoernooi niet specifiek voorziet”. De toernooiregels voorzien juist wel specifiek in de wijze waarop protesten tijdens het toernooi moeten worden behandeld. Heel duidelijk bepalen de toernooiregels hoe er geprotesteerd moet worden, wie daarover beslist, en hoe men van die beslissing in beroep kan gaan. Kennelijk wilden de organisatoren het beroep tegen beslissingen op protesten beperken tot één instantie. Dat is ook logisch, want bij een toernooi moet het resultaat van een protest snel duidelijk zijn.
Het hof is daarom van oordeel dat de arbitrage commissie van de SVB niet bevoegd was om van het beroep van Eendracht kennis te nemen, zodat de grief faalt.

5. Ambtshalve overweegt het hof het volgende.
Naar het oordeel van het hof kunnen de organisatoren van het toernooi de gang naar de rechter in kort geding niet voor alle gevallen afsluiten. Wanneer als gevolg van een onrechtmatige uitspraak van het hoofdbestuur van de SVB groot nadeel zou dreigen en er geen andere spoedprocedure met voldoende waarborgen voorhanden is, dan zou de benadeelde die een spoedeisend belang heeft zich tot de rechter in kort geding kunnen wenden, ook als dat in enig reglement wordt uitgesloten.

In dit geval is daar echter geen sprake van. De beslissing van het hoofdbestuur van de SVB was niet onrechtmatig, het nadeel dat Eendracht leed als gevolg van het meespelen van een beweerdelijk ongerechtigde speler in een enkele wedstrijd is allerminst concreet gemaakt en het hoofdbestuur had grote vrijheid bij het al dan niet toepassen van sancties, zodat voor een optreden door de rechter in kort geding hoe dan ook geen plaats was.

6.De kantonrechter heeft dus terecht in kort geding Eendracht niet-ontvankelijk verklaard. Zijn vonnis zal worden bevestigd en Eendracht zal worden verwezen in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep in kort geding:
Het Hof:
Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 juli 2012, A.R.no. 12-2577, in kort geding tussen partijen gewezen,
Veroordeelt Eendracht in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de SVB begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 15 mei 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. N.A.S. Ramnarain namens advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellante noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

SRU-HvJ-2020-37

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15704
4 december 2020

In de zaak van

[appellant]
in zijn hoedanigheid van advocaat en lid van de Surinaamse Orde van Advocaten,
domicilie gekozen hebbende te Paramaribo,
appellant in kort geding,
hierna te noemen [appellant],
procederend in persoon,

tegen

De Surinaamse Orde van Advocaten, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
hierna te noemen SOvA,
gemachtigde: voorheen mr. dr. G.N. Best, advocaat, thans mr. R. Sohansingh, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 25 juni 2019 bekend onder AR no. 19-1919 tussen [appellant] als eiser en SOvA als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1.Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat [appellant] op 25 juni 2019 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota met producties ingediend op 19 december 2019;
  • de antwoordpleitnota met producties ingediend op 10 januari 2020;
  • de repliekpleitnota ingediend op 24 januari 2020;
  • de dupliekpleitnota ingediend op 7 februari 2020.

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 19 juni 2020 doch nader op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 25 juni 2019. [appellant] heeft op dezelfde dag, te weten 25 juni 2019 appèl aangetekend. Dit is binnen de bij wet gestelde termijn. [appellant] is dus ontvankelijk in het door hem ingestelde appèl.

3. De vordering in hoger beroep
[appellant] vordert in hoger beroep:
I. vernietiging van het vonnis van de kantonrechter gedateerd25 juni 2019 met A.R. no. 19-1919, en opnieuw rechtdoende de vordering alsnog toe te wijzen;
II. uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis;
III. veroordeling van SOvA in de proceskosten.

4.De feiten
4.1 [appellant] is lid van de SOvA.
4.2 De verkiezing voor de Raad van Bestuur van de Orde stond gepland voor 23 maart 2019. [naam 1] (hierna [naam 1]) en [naam 2] (hierna [naam 2]) hadden zich als kandidaat verkiesbaar gesteld voor de functie van Deken.
4.3 Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 22 maart 2019, bekend onder A.R. no. 19-1069, heeft de kantonrechter de kandidaatstelling van [naam 1] voor de functie van Deken ongeldig verklaard.
4.4 Bij verzoekschrift d.d. 20 maart 2019 was door de advocaten die zich kandidaat hadden gesteld tegen de lijst van [naam 1], bij de rechter in kort geding gevorderd dat [naam 3] (hierna [naam 3]) werd uitgesloten van deelname aan de verkiezing voor de functie van Deken.
De kantonrechter heeft bij vonnis d.d. 22 maart 2019 met A.R. no. 19-1087 de gevraagde voorziening geweigerd.
4.5 Op 23 maart 2019 zijn verkiezingen gehouden voor de Raad van Bestuur van de Orde.
De leden van verkiezingscommissie waren:

  • [naam 4] (voorzitter),
  • [naam 5] (secretaris),
  • [naam 6] (lid),
  • [naam 7] (lid) en
  • [naam 8] (lid).

4.6 Op 23 maart 2019, nadat de verkiezingen waren gehouden, heeft de verkiezingscommissie een proces-verbaal opgemaakt van de gehouden verkiezingen waarin is opgenomen dat [naam 3] is gekozen tot Deken.
4.7[naam 3] heeft ingevolge de Advocatenwet binnen een week schriftelijk te kennen gegeven dat zij haar verkiezing aanvaardt.
4.8 In eerste aanleg heeft [appellant] – zakelijk weergegeven – gevorderd dat de uitslag van de door de SOvA op 23 maart 2019 gehouden verkiezing van de Raad van Bestuur wordt opgeschort totdat over de rechtsgeldigheid van de verkiezingen c.q. de verkiezing van de Deken in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist.
4.9 Bij vonnis van de kantonrechter in kort geding d.d. 25 juni 2019 bekend onder A.R. no. 19-1919 is de door [appellant] gevraagde voorziening geweigerd.

5.De beoordeling
5.1 [appellant] heeft grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter. Als grief I voert hij aan dat de rechter ten onrechte onder 2.3 van de feiten het volgende heeft overwogen: “In de periode voor de verkiezingen heeft [naam 3] zich verkiesbaar gesteld voor de functie van Deken van de Orde”.
Volgens [appellant] heeft de kandidaatstelling van [naam 3] in strijd met het verkiezingsreglement plaatsgevonden, zodat haar verkiesbaarheid niet als feit kon worden aangenomen. [appellant] meent dat [naam 3] zich niet verkiesbaar heeft gesteld voor de functie van Deken. Ter onderbouwing van deze grief heeft [appellant] overgelegd een afschrift van een verklaring afgelegd door één van de leden van de verkiezingscommissie van de SOvA.
Deze verklaring is gedateerd 20 maart 2019 en gericht aan [naam 2], advocaat. In deze verklaring is, zo ver van belang, het volgende opgenomen:
“Ingevolge onze gespreken (lees gesprekken) van maandag 18 maart 2019 en dinsdag 19 maart 2019 verklaard (lees verklaart) ondergetekende, in zijn hoedanigheid van lid van de verkiezingscommissie ter verkiezing van de deken en leden van de Raad van Bestuur van de Surinaamse Orde van Advocaten, dat [naam 3] zich als lid verkiesbaar heeft gesteld voor de Raad van Bestuur van de Surinaamse Orde van Advocaten en niet als deken. Wij hebben als commissie haar kandidaatstelling als lid op de lijst van [naam 1] goedgekeurd en niet als kandidaat voor de positie van deken. Het door de voorzitter van de verkiezingscommissie gestelde [naam 4] is in strijd met de waarheid……”.
[appellant] heeft voorts aangevoerd dat de verkiezingscommissie de kandidaatstelling van [naam 3] voor de verkiezing tot lid van de Raad van Bestuur heeft gewijzigd terwijl de kandidaatstellingstermijn reeds verstreken was. Dit, omdat het toen duidelijk was geworden dat [naam 1], die zich kandidaat had gesteld voor de functie van Deken, uitgesloten zou worden om aan de verkiezing mee te doen. Dit heeft tot gevolg gehad dat zowel [naam 3], [naam 1] als [naam 2] kandidaat waren voor de functie van Deken.
[appellant] heeft het verzoek gedaan om [naam 8] en de overige leden van de verkiezingscommissie, als informant, ter zake te horen.

5.1.1 De SOvA heeft als formeel verweer aangevoerd dat grief I een nieuw verweer is welke [appellant] uitsluitend bij memorie van grieven had kunnen voeren en concludeert dat het Hof voorbij gaat aan deze grief en het gedane verzoek tot getuigenverhoor.
Dit verweer zal worden verworpen.
Het recht op een eerlijk proces brengt met zich dat ook indien de appellant, in casu [appellant], geen memorie van grieven heeft genomen, het Hof in zijn oordeel moet betrekken hetgeen de appellant bij pleidooi heeft aangevoerd ter ondersteuning van stellingen en weren.
Door het hoger beroep is de zaak in de volle omvang aan het oordeel van het Hof als appelrechter onderworpen en dient het Hof, ook bij gebreke van een memorie van grieven, in zijn beoordeling te betrekken hetgeen [appellant] als appellant bij gelegenheid van zijn pleidooi naar voren heeft gebracht om door hem in eerste aanleg aangevoerde stellingen en weren toe te lichten, te verbeteren en aan te vullen.
Bovendien, ook indien het juist is dat het door [appellant] aangevoerde ter zake grief I pas in hoger beroep aan de orde is gesteld, is de SOvA niet geschaad in haar verdediging. Zij heeft immers de gelegenheid gehad om daarop te reageren bij antwoord- en dupliekpleidooi.
5.2 De SOvA voert tevens aan dat de kantonrechter een rechtsfeit heeft vastgesteld dat [naam 3] zich voorafgaand aan de verkiezingen, verkiesbaar heeft gesteld voor de functie van Deken van de Orde. Volgens de SOvA heeft de kantonrechter terecht het voorgaande overwogen. Dit blijkt immers – aldus de SOvA – genoegzaam uit het in eerste aanleg bij conclusie van antwoord als productie 1 overgelegd schrijven van de voorzitter van de verkiezingscommissie, waarin hij verklaart dat de kandidaatstelling van [naam 3] voor de functie van deken is goedgekeurd. Daarnaast blijkt voormeld rechtsfeit volgens de SOvA ook uit het door [appellant] bij inleidend verzoekschrift als productie 2 overgelegd proces-verbaal van de Verkiezingscommissie d.d. 23 maart 2019. In dit proces-verbaal heeft de verkiezingscommissie de kandidaatstelling van alle kandidaten, inclusief [naam 3], goedgekeurd.
De SOvA betoogt verder dat de door [appellant] overgelegde verklaring van het ene lid van de verkiezingscommissie d.d. 20 maart 2019, één en ander zoals omschreven onder 5.1 hiervoor, kan worden aangemerkt als te zijn volstrekt ongeloofwaardig en onbetrouwbaar.
Dit, – althans zo begrijpt het Hof dat– omdat dit lid ook het proces-verbaal van de verkiezingscommissie waarin staat vermeld dat:
(i) drie (3) kandidaten zich voor de functie van Deken verkiesbaar hebben gesteld, waaronder [naam 3];
(ii) de kandidaatstelling van alle kandidaten door de verkiezingscommissie zijn goedgekeurd;
(iii) [naam 3] is verkozen tot Deken en
(iv) de verkiezingscommissie de verkiezing van [naam 3] bindend heeft verklaard, heeft medeondertekend.

5.2.1 Na dit gemotiveerd verweer van de SOvA is [appellant] blijven volharden in zijn stelling dat [naam 3] zich in strijd met het verkiezingsreglement verkiesbaar heeft gesteld, met name dat zij zich niet verkiesbaar heeft gesteld voor de functie van Deken. Zoals reeds eerder overwogen heeft [appellant] voorts aangevoerd dat de verkiezingscommissie de kandidaatstelling van [naam 3] voor de verkiezing tot lid van de Raad van Bestuur heeft gewijzigd terwijl de kandidaatstellingstermijn reeds verstreken was.
Gelet op het voorgaande acht het Hof het van belang om de leden van de verkiezingscommissie als informant te horen. Het gaat met name om de volgende personen te weten [naam 4] (voorzitter), [naam 5] (secretaris), [naam 6] (lid), [naam 7] (lid) en [naam 8] (lid).
Het Hof zal dan ook een datum daartoe bepalen, zoals in het dictum te melden.
Voorts acht het Hof het van belang om kennis te nemen van het verkiezingsreglement waar partijen gewag van maken in de gewisselde stukken maar welk zij niet ten processe hebben overgelegd. [appellant] zal – als de meest gerede partij – in de gelegenheid worden gesteld om dit document uiterlijk een week voor de onder 6.3 aangegeven datum in te dienen bij de griffier.
5.3 Voor het overige zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

6.De beslissing
Het Hof:
6.1 Bepaalt dat de personen zoals omschreven onder 5.2 van de beoordeling als informanten zullen worden gehoord en wel met het doel zoals omschreven in de beoordeling.
6.2 Bepaalt dat de griffier de hiervoor genoemde personen zal oproepen voor voormeld doel en wel op dag en tijdstip als na te melden.
6.3 Bepaalt dat de zaak ter fine van het voorgaande zal worden afgeroepen ter rolle van de terechtzitting van donderdag 14 januari 2021 om 11.00 uur des voormiddags.
6.4 Stelt [appellant] in de gelegenheid om uiterlijk op 7 januari 2021 een exemplaar van het verkiezingsreglement bij de griffier in te dienen.
6.5 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S.Chhangur-Lachitjaran, leden enbij vervroeging uitgesproken door mr. D.D.Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 4 december 2020 in tegenwoordigheid van mr.S.C.Berenstein BSc, fungerend-griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

 

SRU-HvJ-2020-36

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant] ,
wonende te [district],
appellant, hierna aangeduid als ‘de man’
gemachtigde: mr. H.P. Boldewijn, advocaat,

tegen

[geïntimeerde] ,
wondende te [district],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ‘de vrouw’
gemachtigde: mr. E.F. van der Hilst, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 5 juli 2006 (A.R. no. 033750) tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam de van Republiek, het navolgend vonnis bij vervroeging uit:

1.Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de Griffier der Kantongerechten waaruit blijkt dat de man op 28 juli 2006 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota, overgelegd op 16 november 2007;
  • de antwoordpleitnota, overgelegd op 7 maart 2008;
  • de repliekpleitnota met productie, overgelegd op 15 mei 2015;
  • de dupliekpleitnota, overgelegd op 5 juni 2015;
  • de rechtsdag voor de uitspraak was hierna aanvankelijk bepaald op 16 oktober 2015 en vervolgens op 20 maart 2020, doch bij vervroeging op heden.

2. De feiten
2.1 Partijen zijn op 29 augustus 1981 te Paramaribo buiten gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.
2.2 De uit het huwelijk van partijen geboren kinderen zijn reeds meerderjarig, doch ten tijde van het proces in eerste aanleg (het jaar 2003) was één der kinderen, [naam] geboren op 10 augustus 1985 te Paramaribo, minderjarig.
2.3 De vrouw heeft op 2 oktober 2003 een verzoekschrift ingediend tot scheiding van tafel en bed met nevenvoorziening.
2.4 Bij provisionele beschikking van 22 januari 2004, A.R. no. 033750, heeft de kantonrechter als voorlopige voorziening (onder meer) de alimentatie van de vrouw vastgesteld op SRD 4500,- en de kinderalimentatie op SRD 1500, -.
2.5 Bij vonnis van 7 juli 2004 bekend onder A.R. no. 033750, heeft de kantonrechter in het eerste kanton, bij verstek, de scheiding van tafel en bed tussen partijen uitgesproken en het familieverhoor ter voorziening in de ouderlijke macht bepaald op 18 januari 2005; voorts heeft de kantonrechter alimentatie ten behoeve van de vrouw bepaald ten bedrage van SRD 4500,- per maand.
2.6 De man heeft bij verzoekschrift d.d. 4 maart 2005 verzet ingediend tegen voornoemd vonnis van de kantonrechter.
2.7 Bij vonnis van 5 juli 2006, A.R. no. 033750, heeft de kantonrechter in het eerste kanton de man tot goed opposant verklaard en het vonnis van de kantonrechter d.d. 7 juli 2004, waarvan verzet, bevestigd met uitzondering van de alimentatie ten behoeve van de vrouw en deze, opnieuw rechtdoende, op een bedrag van SRD 800,- per maand bepaald ingaande de datum van inschrijving van het vonnis in de registers van de Burgerlijke Stand.
2.8 Tegen voormeld vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.

3. De ontvankelijkheid van het beroep
De man en zijn gemachtigde zijn op de dag van de uitspraak van het vonnis waarvan beroep d.d. 5 juli 2006, ter terechtzitting aanwezig geweest. Voor de vrouw was namens haar gemachtigde, mr. Halfhuid ter terechtzitting aanwezig. Omdat de man bij schrijven van zijn gemachtigde d.d. 26 juli 2006, ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 28 juli 2006, appel heeft aangetekend, is dit tijdig geschied en kan hij daarin worden ontvangen.

4. De vordering in eerste aanleg
4.1 De man heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd dat:

  1. hij tot goed opposant zal worden verklaard;
  2. het verstekvonnis van 7 juli 2004 bekend onder A.R. no. 033750, zal worden vernietigd en opnieuw rechtdoende geopposeerde niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar oorspronkelijke vordering, althans deze haar te ontzeggen, als zijnde ongegrond en niet bewezen;
  3. de vrouw wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

5. De grieven
De door de man aangevoerde grieven kunnen als volgt worden samengevat:
I. Een vonnis waarbij de scheiding van tafel en bed is uitgesproken kan nimmer in de registers van de Burgerlijke Stand worden ingeschreven, doch bij de Griffie der Kantongerechten, zodat het vonnis van de kantonrechter d.d. 7 juli 2004 bekend onder A.R. no. 033750, onjuist is en derhalve vernietigd dient te worden.
II. De kantonrechter heeft bij de bepaling van het alimentatiebedrag onvoldoende rekening gehouden met de financiële mogelijkheden van de man. De kantonrechter heeft slechts volstaan met de overweging: “(…) Onder de gegeven omstandigheden acht de kantonrechter het redelijk en billijk dat de man het bedrag van SRD 800,- per maand aan alimentatie ter voorziening van de vrouw zal betalen. (..)”. Op geen enkele wijze is aangegeven welke (financiële) omstandigheden tot de bepaling van voormeld bedrag aanleiding hebben gegeven.

6.De vordering in hoger beroep
De man verzoekt in hoger beroep het vonnis, waarvan beroep, te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog het gevorderde in eerste aanleg af te wijzen.

7. Het verweer
De vrouw heeft verweer gevoerd concluderende dat de inschrijving in het huwelijks–goederenregister slechts een formaliteit ter voldoening aan een publiciteitsplicht is. Wanneer het vonnis niet wordt ingeschreven in het huwelijksgoederenregister zijn partijen ook gescheiden van tafel en bed; de rechtskracht van het vonnis is niet afhankelijk van de inschrijving.
Voorts heeft de vrouw als verweer aangevoerd dat de provisonele beschikking van 22 januari 2004, waarin de alimentatie is bepaald op SRD 4.500,00, van kracht blijft totdat in hoger beroep is beslist. De kantonrechter heeft wel voldoende rekening gehouden met de financiële omstandigheden van de man en daardoor de alimentatie, van SRD 4500,- (vierduizend vijfhonderd Surinaamse dollar), teruggebracht naar SRD 800,- (achthonderd Surinaamse dollar).

8.De beoordeling
8.1 Alvorens in te gaan op de grieven constateert het Hof dat de man bij conclusie van repliek heeft aangevoerd dat hij zich niet kan terugvinden in de scheiding van tafel en bed, hebbende hij in eerste aanleg geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring, dan wel ontzegging van de vordering van de vrouw.
8.2 Het Hof overweegt dat ingevolge de wet, met name artikel 286 jo. 262 BW, scheiding van tafel en bed op dezelfde grond als echtscheiding, te weten duurzame ontwrichting, kan worden gevorderd. De vrouw heeft aan haar vordering tot scheiding van tafel en bed duurzame ontwrichting ten grondslag gelegd. Zij heeft in haar verzoekschrift in eerste aanleg gesteld dat de duurzame ontwrichting gelegen is in het feit dat de man een buitenechtelijke relatie op na houdt en dat zulks de reden is dat hij al geruime tijd niet in de echtelijke woning samen woont. De man heeft de duurzame ontwrichting van het huwelijk niet betwist en heeft tevens onvoldoende gemotiveerd waarom hij zich niet kan vinden in de scheiding van tafel van bed. Het Hof is van oordeel dat, nu de vrouw voldoende onderbouwing aan het door haar gevorderd verzoek tot scheiding van tafel en bed heeft gegeven en de man zijn betwisting onvoldoende gemotiveerd heeft, de duurzame ontwrichting vast staat. Het vonnis waarbij de vordering tot scheiding van tafel en bed is uitgesproken zal worden bevestigd met inachtneming van het volgende.
8.3 De wet, met name artikel 298 BW, stelt de inschrijving van een vonnis, waarbij de scheiding van tafel en bed is uitgesproken, in het huwelijksgoederenregister, gehouden ter Griffie van het Kantongerecht, niet verplicht, maar bij het achterwege laten kan de scheiding van tafel en bed niet worden tegengeworpen aan onkundige derden. Inschrijving in de registers van de Burgerlijke Stand is niet nodig: het huwelijk blijft immers in stand. De scheiding van tafel en bed komt tot stand zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en daarom is de rechtskracht van het vonnis niet afhankelijk van de inschrijving. Het Hof is van oordeel dat er in het onderhavige sprake is van een kennelijke verschrijving. Gelet op het voorgaande wordt de eerste grief verworpen.
8.4 Ingaand op de tweede aangevoerde grief overweegt het Hof dat deze zich richt op de vaststelling het levensonderhoud ten behoeve van de vrouw. De man vindt het toegewezen bedrag te hoog en komt daartegen in hoger beroep op. Enerzijds speelt dus de draagkracht van de man een rol, anderzijds de behoefte van de vrouw. De man stelt dat de vrouw een eigen bedrijf heeft waaruit zij inkomsten genereert, terwijl hij aan de andere kant het door de kantonrechter vastgestelde bedrag als wurgend ervaart. De vrouw daarentegen ontkent met klem dat zij een eigen bedrijf heeft. Derhalve heeft zij behoefte aan een bijdrage in haar levensonderhoud. De man is volgens haar wel in staat het door de kantonrechter vastgestelde bedrag te voldoen.
8.5 Naar het oordeel van Hof is voldoende vast komen te staan dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud omdat de man zonder overlegging van enig bewijsmiddel heeft aangevoerd dat de vrouw een eigen bedrijf heeft, terwijl de vrouw dat ontkent. De man heeft daarmee niet aan zijn stelplicht voldaan. Het Hof acht de man in staat om het door de kantonrechter vastgesteld bedrag van SRD 800,- per maand aan de vrouw te betalen aangezien hij in eerste aanleg verklaard heeft dat hij bereid en in staat is om ten behoeve van het minderjarig kind een bedrag van SRD 1000,- per maand te betalen. In de vonnissen in eerste aanleg van 7 juli 2004 en 5 juli 2006 is de man niet veroordeeld tot het betalen van alimentatie aan het – destijds – minderjarige kind. Gelet op het voorgaande zal ook deze grief worden verworpen.
8.6 Het Hof stelt vast dat de vrouw bij haar conclusie van antwoord in hoger beroep heeft aangevoerd dat de man niet in verzet is gekomen en ook geen hoger beroep heeft aangetekend tegen de provisionele beschikking van 22 januari 2004, waarbij de kantonrechter als voorlopige voorziening de alimentatie van de vrouw heeft vastgesteld op een bedrag van SRD 4500,- en de kinderalimentatie heeft vastgesteld op een bedrag van SRD 1500,. Volgens de vrouw heeft dit tot gevolg dat de voorlopige voorziening met betrekking tot haar levensonderhoud blijft doorlopen totdat in hoger beroep definitief is beslist.
8.7 Het Hof overweegt dat ingevolge de wet, met name artikel 263 Rv, van vonnissen en beschikkingen, welke aan het eindvonnis voorafgaan, slechts hoger beroep mag worden ingesteld tegelijk met het beroep van het eindvonnis. Nu de man niet (tegelijk) met het beroep tegen het eindvonnis hoger beroep heeft ingesteld tegen de provisionele beschikking van 22 januari 2004, blijft de in die beschikking getroffen voorlopige voorziening van kracht tot aan de dag van deze uitspraak met dien verstande dat de kinderalimentatie doorloopt tot aan de meerderjarigheid van het destijds minderjarig kind.
8.8 Omdat partijen echtgenoten zijn is er aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

9. De beslissing in Hoger Beroep
Het Hof:
9.1 vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover de ingangsdatum is gesteld aan de datum van inschrijving van het vonnis in de Registers van de Burgerlijke Stand;
en opnieuw rechtdoende:
9.2 veroordeelt de man om aan de vrouw met ingang van heden een bedrag van SRD 800,- per maand te betalen ten titel van levensonderhoud.
9.3 compenseert de proceskosten tussen partijen in beide instanties, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewraten, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. S.M.M.Chu, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 maart 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. M. Babulall namens mr. E.F. van der Hilst, gemachtigde van geïntimeerde.

 

SRU-HvJ-2018-61

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
1.[verzoeker 1]
2.[verzoeker 2]
3.[verzoeker 3]
4.[verzoeker 4]
5.[verzoeker 5]
6.[verzoeker 6]
7.[verzoeker 7]
8.[verzoeker 8]
allen wonende aan de [adres 1] in het [district],
verzoekers,
gemachtigde: mr. J.C.P. Nannan Panday,
advocaat,

tegen

a.[verweerder a]
b.[verweerder b], echtelieden van elkaar,
zonder bekende woon- en of verblijfplaats in en buiten Suriname,
verweerders,
gemachtigde: mr. K.J. Hok- A- Hin, advocaat,

Overwegende ten aanzien van de feiten:
Gezien het verzoekschrift met bijbehorende producties, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 12 juni 2017, afkomstig van verzoekers, welk verzoekschrift strekt tot vervv van instantie van het aanhangig gemaakte appel van 30 oktober 1995, in de zaak van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis d.d. 17 oktober 1995 bekend onder A.R. No. 92-4709;
Gezien het bestreden vonnis d.d. 17 oktober 1995 in de zaak bekend onder A.R.No.92-4709;
Gezien de overige zich in het procesdossier bevindende bescheiden;

Overwegende ten aanzien van het recht:
Verzoekers vorderen om bij vonnis het door verweerders aanhangig gemaakte appel van 30 oktober 1995 in de zaak tussen partijen, bekend onder A.R.No. 924709, vervallen te verklaren van instantie.
Verzoekers hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat bij schrijven van de toenmalige advocaat mr. B.A. Halfhide d.d. 30 oktober 1995 er namens [verweerder a] en [verweerder b] (verweerders) voornoemd appel werd aangetekend tegen het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis d.d. 17 oktober 1995 bekend onder A.R.No. 92-4709; dat de laatste rechtshandeling in deze dateert van 30 oktober 1995; dat verweerders zijn blijven stilzitten en dat op geen enkele wijze is gebleken dat zij enige actie tot op heden hebben ondernomen om het door hen ingestelde appel te doen behandelen; dat verzoekers recht en belang hebben dat aan voormelde zaak een eind komt en is het redelijk dat thans het verval van instantie zal worden uitgesproken door het Hof van Justitie;

Uit de stukken blijkt dat mr. B.A. Halfhide, toen advokaat van verweerders, bij schrijven d.d. 31 januari 2012 gericht aan de griffier der kantongerechten heeft gevraagd onderhavige zaak, waarvan appel was aangetekend en ook de appelkosten waren voldaan, te doen behandelen c.q. door te sturen naar het Hof van Justitie; voorts dat genoemde advokaat bij brief d.d. 15 januari 2013 zich heeft onttrokken als advokaat van verweerders; dat bij brief van 15 januari 2013 thans de advokaat mr. K.J. Hok-A-Hin zich heeft gesteld als procesgemachtigde van verweerders inzake de behandeling van de zaak in hoger beroep; dat bij exploot van deurwaarder J.E.Febis van 30 maart 2013, [nummer] aan [naam] en [verzoeker 1] het hoger beroep is aangezegd;

Gelet op het bepaalde in artikel 211 wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient voorafgaand aan het vervallen van instantie partijen ter terechtzitting te zijn opgeroepen en, voor zover verschenen, te worden gehoord; Uit de stukken blijkt niet dat deze oproeping reeds heeft plaatsgevonden, weshalve verzoekers in de gelegenheid worden gesteld alsnog deze oproeping te doen bij deurwaardersexploot en wel op de volgende wijze; dat uit een produktie gehecht aan de conclusie van dupliek in conventie repliek in conventie in eerste aanleg d.d. 21 juni 1994 is gebleken dat verweerders vermoedelijk als adres hebben [adres 2] verzoekers derhalve bij deurwaardersexploot de verweerders dienen op te roepen bij voorkeur op hun woonadres als voormeld en, indien mocht blijken dat verweerders niet op genoemd adres woonachtig zijn en hun feitelijk woonadres niet verder bekend mocht zijn, ten kantore van hun procesgemachtigde de advokaat mr. K.J. Hok A Hin op dag en datum als na te melden;

ledere verdere beslissing wordt aangehouden;

Rechtdoende:

En alvorens verder beslissen:
Bepalen dat de zaak zal dienen bij het Hof van Justitie op vrijdag 20 april 2018 des voormiddags te half negen uur en dat verweerders zullen worden opgeroepen, op hun vermoedelijke woonadres de [adres] c.q. ten kantore van de advokaat mr. K.J. Hok A Hin teneinde alsdan te verschijnen op onderhavige verzoekschrift te worden gehoord;

Houden iedere verdere beslissing aan;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. J.J. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en
w.g. D.D. Sewratan
door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 januari 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. J.C.P. Nannan Panday, gemachtigde van appellanten, terwijl geïntimeerden noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

 

 

SRU-K1-2020-57

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-1504
05 november 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[GEDAAGDE SUB A],
wonende aan de [adres] te [stad],
en
STICHTING PRODUCTIEF SURINAME,
gevestigd aan de Mohamed Ajoebweg no. 10 (hoek Antigua en Barbudaweg) te Paramaribo,
eisers,
gemachtigde: mr. V.S. Balradj, advocaat,

tegen

AIB BANK N.V., rechtspersoon naar Arubaans recht,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Wilhelminastraat no. 36 te Oranjestad op Aruba,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, Jr., advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of – handelingen:

  • het verzoekschrift dat met producties op 03 juni 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 16 juli 2020;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens eisers.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 22 december 2017 hebben eisers met gedaagde een overeenkomst gesloten, bij welke overeenkomst zij – voor zover voor de beslissing van belang – het volgende zijn overeengekomen:

2. De Schuldenaren zullen uiterlijk per 31 december 2017 aan de Banken voldoen de som van US.$ 7.500.000,- (…) middels girering daarvan naar een door de Banken aan de Schuldenaren schriftelijk op te geven rekeningnummer onder vermelding van referentie: “City Settlement”, zulks vrij van beslagen, kosten en overige lasten.

(…)

4. Onder de opschortende voorwaarde van de realisatie van de ontvangst door de Banken van de som van US.$ 7.500.000,- als onder punt 2 vermeld alsmede van de verzochte informatie en formaliteiten als onder punt 3 vermeld, verlenen de Banken hierbij volledige kwijting aan de Schuldenaren van hun verplichtingen onder de Kredietfaciliteit, en de Banken zullen binnen veertien kalenderdagen vanaf de ontvangst als zojuist bedoeld overgaan (i) tot het royement en de opheffing van alle zekerheidsrechten welke zij houden ten laste van de Schuldenaren in verband met de Kredietfaciliteit en de nakoming van de verplichtingen daaronder, en (ii) tot de intrekking of beëindiging van de rechtsprocedures tussen hen in verband met de nakoming van de Kredietfaciliteit en met de nakoming van de verplichtingen daaronder.

(…)

8) Met de realisatie door de Schuldenaren van de ontvangst door de Banken van de som van US.$ 7.500.000,- als onder punt 2 vermeld, en de nakoming van de overige verplichtingen over en weer onder punt 3 en 4 vermeld, zullen partijen in verband met de Kredietfaciliteit en de nakoming van de verplichtingen daaronder, over en weer niets meer verschuldigd zijn aan elkaar, gelijk zij niets meer van elkaar te vorderen zullen hebben.”

2.2 In de overeenkomst zijn eisers aangeduid als de “Schuldenaren” en de Banken, waaronder gedaagde, als de “Banken”.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen dat de kanotnrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a. gedaagden (lees gedaagde) veroordeelt om binnen 24 uur na datum vonnis over te gaan dan wel alle medewerking te verlenen die leiden tot het royeren van alle zekerheidsrechten, in het bijzonder de hiervoor genoemde (krediet)hypotheken, als bedoeld in de overeenkomst tussen partijen;
b. bepaalt dat gedaagden (lees gedaagde) aan eisers een dwangsom verschuldigd zullen zijn van USD 25.000,- voor iedere dag dat gedaagde weigert aan dit vonnis te voldoen;
c. gedaagde te veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 Eisers leggen, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende aan het gevorderde ten grondslag:

  • zij hebben reeds voldaan aan al hetgeen gedaagde van hun te vorderen had;
  • ondanks gedaagde in het schrijven d.d. 27 september 2018 heeft kenbaar gemaakt dat eisers reeds het bedrag hebben voldaan en de zekerheidsrechten kunnen worden opgeheven, is het royement tot op heden achterwege gebleven.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd, op welk verweer de kantonrechter, voorzover nodig, terug komt bij de beoordeling.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1 Eisers stellen als spoedeisend belang dat zij het perceel waarop de zekerheidsrechten ten behoeve van gedaagde rusten, aan de koper overgedragen moet worden en hen thans een dreiging van ontbinding van de koop/verkoopovereenkomst boven het hoofd hangt. Het gevolg hiervan zal zijn dat eisers de ontvangen bedragen aan de koper zullen moeten terugbetalen.

Gedaagde weerspreekt het door eisers gestelde spoedeisend belang, doch naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende onderbouwd.

Het door eisers gestelde spoedeisend belang wordt daarom in voldoende mate aannemelijk geacht, zodat zij in het kort geding worden ontvangen.

Nakoming dading

4.2 De kantonrechter constateert dat partijen in het kader van een aantal tussen hen bestaande rechtsprocessen over een kredietfaciliteit en ter beëindiging van deze rechtsprocessen op 22 december 2017 een dading in de zin van artikel 1872 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek (SBW) met elkaar hebben gesloten. Eisers beogen met de onderhavige vordering volledige nakoming van de dading door gedaagde, omdat zij reeds hebben voldaan aan de voorwaarde tot betaling van het bedrag vermeld onder punt 2 van de dading.

Exceptio non adempleti contractus

4.3 Tussen partijen is in geschil, de beantwoording van de vraag of eisers hebben voldaan aan de voorwaarde tot intrekking of beëindiging van de rechtsprocedures tussen hun en gedaagde.

Gedaagde werpt op dat eisers wanprestatie jegens haar plegen, omdat zij de intrekking van de rechtszaak bekend onder A.R. No. 13-2527 niet hebben gerealiseerd en maakt zij thans om die reden gebruik van de exceptio non adempleti contractus, totdat de intrekking van de hiervoor vermelde rechtszaak heeft plaatsgevonden.

Hiertegenover stellen eisers dat het nog niet realiseren van de intrekking niet aan hun is gelegen, doch aan gedaagde zelf. Daartoe stellen zij dat de bedoelde rechtszaak op respectievelijk 3 december 2019 en 2 juni 2020 op de rol stond voor conclusie tot uitlating intrekking aan de zijde van gedaagde, doch dat gedaagde in beide gevallen heeft nagelaten deze proceshandeling (conclusie tot uitlating) te plegen waardoor de zaak thans voor vonnis staat. Ter staving van het bovenstaande beroepen eisers zich op de fotokopies van de rollen die zij ten processe hebben overgelegd. Uit de ten processe overgelegde fotokopies blijkt dat zoals eisers terecht stellen, gedaagde aan zet was om zich uit te laten over de intrekking. De te plegen proceshandeling die op de rollen staat vermeld, brengt de kantonrechter tot de slotsom dat eisers wel een brief tot intrekking van de bedoelde rechtszaak aan de behandelende kantonrechter in de bedoelde rechtszaak hebben doen toekomen en gedaagde heeft verzuimd om zich uit te laten over de intrekking. Nu gedaagde zelf in verzuim is geweest om zich over de intrekking uit te laten en de zaak thans voor vonnis staat, kan zij zich naar het oordeel van de kantonrechter niet met succes c.q. niet te goeder trouw beroepen op de exceptio non adempleti contractus. Hieruit volgt dat gedaagde dient te voldoen aan de dading. Bovendien hebben dadingen tussen partijen ingevolge artikel 1879 lid 2 SBW kracht van gewijsde in het hoogste ressort. Het gevorderde zal daarom als gegrond worden toegewezen, doch zal de dwangsom worden gematigd en zal gedaagde een andere termijn worden vergund tot nakoming dan de termijn die is gevorderd. Dit, omdat de kantonrechter zowel de dwangsom als de termijn niet redelijk en billijk acht.

Relevantie kwalificatie hypotheken

4.4 Het verweer van gedaagde, dat de hypotheken als derde- bankhypotheken moeten worden aangemerkt en de bank geen afstand van deze hypotheken heeft gedaan doet naar het oordeel van de kantonrechter niet ter zake. Uit de inhoud van de dading blijkt ondubbelzinnig dat gedaagde zich eraan heeft verbonden om na het voldoen aan het gireren van het bedrag ad US$ 7.500.000,- door eisers, alle zekerheidsinrechten zullen worden geroyeerd. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan dit verweer van gedaagde.

Proceskosten

4.5 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak: het vastrecht ad SRD 50,- en de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 366,-.

Overige stellingen en weren

4.6 De overige stellingen en weren van partijen behoeven geen bespreking, omdat die tot geen andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Veroordeelt gedaagde om binnen 1 week na betekening van dit vonnis over te gaan, dan wel alle medewerking te verlenen voor het royeren van alle zekerheidsrechten, in het bijzonder de (krediet)hypotheken die zijn vermeld in de tussen partijen gesloten overeenkomst van dading d.d. 22 december 2017.

5.2 Veroordeelt gedaagde tot het betalen van een dwangsom ad SRD 100.000,- (Eenhonderdduizend Surinaamse Dollar) per dag aan eisers, voor elke dag dat zij niet voldoet aan de veroordeling onder 5.1 van dit vonnis, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsommen het bedrag ad SRD 5.000.000,- (Vijfmiljoen Surinaamse Dollar) niet te bovengaan.

5.3 Verklaart hetgeen onder 5.1 en 5.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten die aan de zijde van eisers zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op SRD 416,- (Vierhonderd en Zestien Surinaamse Dollar).

5.5 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 05 november 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2020-35

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15451
17 januari 2020

In de zaak van

De naamloze vennootschap NEQXTEP BUILDINGS N.V.,
kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding,
hierna te noemen NEQXTEP,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

A.DE STAAT SURINAME,metname het Ministerie van Volksgezondheid, althans de Project Management Unit (PMU), in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie,
B.[geïntimeerdeB], in zijn hoedanigheid van Project Coördinator van PMU,
hierna te noemen [geïntimeerde B],
C.[geïntimeerdeC] ,in haar hoedanigheid van Procurement Specialist van PMU,
hierna te noemen [geïntimeerde C],
kantoorhoudende c.q. wonende te Paramaribo,
geïntimeerden in kort geding,
hierna tezamen te noemen de Staat e.a.,
gemachtigden: mr. E. Naarendorp en mr. W. Siwpersad, advocaten.
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken tussenvonnis van 25 januari 2018 en vonnis van 19 februari 2018 bekend onder AR no. 174356 tussen NEQXTEP als eiseres en de Staat e.a. als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding bij vervroeging uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat NEQXTEP op 20 februari 2018 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota gedateerd 4 januari 2019;
  • de antwoordpleitnota gedateerd 15 maart 2019;
  • de repliekpleitnota gedateerd 2 augustus 2019;
  • de brief van de gemachtigde van NEQXTEP gedateerd 15 oktober 2019 doch ontvangen op 16 oktober 2019;
  • de dupliekpleitnota met producties gedateerd 1 november 2019;
  • de conclusie tot uitlating producties gedateerd 15 november 2019.

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 6 maart 2020 doch bij vervroeging op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 19 februari 2018. NEQXTEP heeft op 20 februari 2018 appèl aangetekend. Dit is binnen de bij wet gestelde termijn. NEQXTEP is dus ontvankelijk in het door haar ingestelde appèl.

3. De vordering in hoger beroep
NEQXTEP vordert in hoger beroep:
I. vernietiging vanhet vonnis van de kantonrechter gedateerd 19 februari 2018 met AR no. 174356, en opnieuw rechtdoende de vordering alsnog toe te wijzen;
II. uitvoerbaarbij voorraad verklaring van het vonnis;
III. veroordeling van de Staat e.a. in de proceskosten.

4.De feiten
4.1 Omstreeks april 2017 heeft de Staat bouwbedrijven c.q. aannemers uitgenodigd om deel te nemen aan de inschrijving voor de bouw van een zevental gezondheidscentra. Het project staat bekend onder nummer NCB/Bno.: MVG/HSSP/RGD/[nummer 1].

4.2 [geïntimeerde B] en [geïntimeerde C] zijn respectievelijk Project Coördinator en Procurement specialist bij de Project Management Unit (PMU) voor de projecten.

4.3 Op het project is van toepassing de zogenoemde Procurement Documents waaronder de Instructions to Bidders (ITB).

4.4 Op 11 april 2017 hebben acht Surinaamse bouwbedrijven c.q. aannemers zich ingeschreven om in aanmerking te komen voor de opdracht tot de bouw van één of meer van de bedoelde gezondheidscentra. NEQXTEP heeft zich ingeschreven voor de bouw van vijf van de gebouwen.

4.5 In de ITB zijn onder meer de volgende – voor de onderhavige zaak van belang zijnde – artikelen opgenomen:

– artikel 38.1
“Subject to ITB 37.1, the Employer shall award the Contract to the Bidder whose offer has been determined to be the lowest evaluated bid and is substantially responsive to the Bidding Document, provided further that the Bidder is determined to be qualified to perform the Contract satisfactorily.

– artikel 39.2
“Until a formal contract is prepared and executed, the notification of award shall constitute a binding Contract”.

– artikel 40.1
“Promptly upon notification, the Employer shall send the successful Bidder the Contract Agreement”.

– artikel 40.2
“Within twenty-eight (28) days of receipt of the Contract Agreement, the successful Bidder shall sign, date, and return it to the Employer”.

4.6 Bij schrijven gedateerd 30 juni 2017 met als onderwerp Notification of Contract Award Health Care Facilities, is door de projectcoördinator ([geintimeerde B]) het volgende aan NEQXTEP medegedeeld:
“…..Dear Sir,
We are pleased to inform you that your bid submission complied with most of the requirements set forth in the bidding document and was therefore approved as lowest evaluated bid and found eligible for contract negotiation by the evaluation committee and the financing institute OFID.
Based on the above mentioned, we wish to engage immediately in contract negotiation regarding MVG HSSP RDG [nummer 2] – [weg], MVG HSSP RDG [nummer 3] – [plaats 1] and MVG HSSP RDG [nummer 1] – [plaats 2]….”.

4.7 In het hiervoor vermelde schrijven is tevens aan NEQXTEP gevraagd stappen te nemen om de uitvoeringszekerheid (Bank garantie) te verstrekken van 40% van de bid inzending of 60% van de bid inzending in geval van Garantieverzekering.

4.8 Bij schrijven gedateerd 23 augustus 2017 heeft de PMU wederom een schrijven gericht aan NEQXTEP waarin het volgende aan laatstgenoemde is medegedeeld:
…..During the process of revisiting the document of the Neqxtep Buildings N.V., we noticed that the site organization submitted was designed by Consultant AAC….
Based on article 3 Fraud and Corruption of the Bidding Document, where it stated that it is the Bank’s policy to require that Beneficiary’s (including beneficiaries of Bank financings), as well as bidders, suppliers, and contractors and their agents (whether declared or not), personnel, subcontractors, sub-consultants, service providers and suppliers, under Bank-financed contracts, observe the highest standards of ethics during the procurement and execution of such contracts.
In pursuance of this policy, the Ministry of Health cannot except, that Neqxtep Buildings N.V. deliberately used information produced by the Architect AAC for the submission of their bids…….
The above-mentioned violation is taken very serious by the Employer, the PMU the Opec Fund for International Development (OFID).
Based on the above mentioned we hereby inform you of the following: (i) the Employer and OFID do not accept your bid submissions, (ii) negotiation is cancelled immediately by the financing institute and (iii) Neqxtep N.V. is disqualified for the procurement of Civil works under component 1 (Primary Health Care Centers)

Yours faithfully,
[geïntimeerde B] Project Coordinator…..

Copy : = H.E. Gillmore Hoefdraad, Ministry of Finance,….
Dr. Maureen van Dijk, Permanent Secretary, Ministry of Health,…
Natalia Salazar, OFID, Public Sector Operations Officer,….
Mr. Sadik Mohamed MD, MSc., Senior Health Specialist (HDE) IsDB,….”.

4.9 In reactie op het hiervoor vermelde schrijven heeft NEQXTEP een schrijven gericht aan PMU. Dit schrijven is gedateerd 24 augustus 2017. Hierin is – zover van belang – het volgende verwoord:
….Dear Mr. [geintimeerde B],
Your observation that the site organization submitted “was designed by Consultant ACC (the architect)”is based on a serious misunderstanding from your side.
For your information the site organizations as submitted by us in the bids are edited versions of the digital files (“Situatieplan”) provided by PMU itself, with logo and legend from the architect AAC (see annex 1 for example “Situatieplan 1-[weg]”)…….
Due to the seriousness of your accusation and the consequences for Neqxtep Buildings NV we insist on immediate correction and that you inform all concerned on the shortest notice…….

Sincerely yours,
Neqxtep Buildings N.V. …..”.
4.10 Bij schrijven gedateerd 19 september 2017, heeft [geïntimeerde B] het volgende medegedeeld aan NEQXTEP.

Dear Sir,

……We regret to inform you that after due consideration, OFID will not be reversing its decision, and thus the healthcare centers MVG HSSP RGD [nummer 2]- [weg], MVG HSSP RGD [nummer 3]- [plaats 1] and MVG HSSP RGD [nummer 4] –[plaats 2] will be retendered.
Please see the letter “Reversing decision contract negotiation and disqualification NEQXTEP Buildings N.V.” (annex1) from the Ministry of Health to OFID and the instructions provided by OFID (annex 2) attached for your ease of reference.
Kindly note that the accusations made to your address in the letter dated August 23, 2017 are based on information presented in your bid submissions. However, after thorough explanation from your end, it is decided that these accusations are declared void. Therefore, you may participate in the re-tendering process of the afore mentioned Health Care Centers.

Yours faithfully,
[geïntimeerde B] Project Coordinator ……

Copy: H.E. Gillmore Hoefdraad, Ministry of Finance,….
Dr. Maureen van Dijk, Permanent Secretary, Ministry of Health,…
Natalia Salazar, OFID, Public Sector Operations Officer,….
Mr. Sadik Mohamed MD, MSc., Senior Health Specialist (HDE) IsDB,….”.

4.11 NEQXTEP heeft hierop gereageerd bij schrijven gedateerd 22 september 2017. In dit schrijven deelt NEQXTEP mede aan [geïntimeerde B] zich niet te kunnen terugvinden in het voorgaande en heeft geëist dat de beslissing om haar de bouwopdrachten te onthouden, wordt herzien alsook dat de beschuldiging wordt gerectificeerd.
4.12 In eerste aanleg heeft NEQXTEP – zakelijk weergegeven – gevorderd:
I.veroordeling vande Staat ombinnen vierentwintig uren na de uitspraak de overeenkomsten waarvan in artikel 40.1 van de ITB melding wordt gemaakt, toe te sturen naar NEQXTEP voor de bouw van de gezondheidscentra MVG HSSP RGD-[weg], MVG HSSP RGD [nummer 3]-[plaats 1], MVG HSSP RGD [nummer 1]-[plaats 2], in ieder geval [geïntimeerde B] te veroordelen om de met NEQXTEP ter zake tot stand gekomen overeenkomsten na te komen;
II. het opleggen van een verbod aan de Staat om ter zake de bouw van de in punt I genoemde gezondheidscentra een nieuwe inkoop, de zogenoemde re-tender te houden;
III. veroordeling van de Staat om binnen 24 uren na de uitspraak NEQXTEP, middels het in artikel 39.1 ITB vermelde document (letter of Acceptance) ook de bouw van het gezondheidscentrum MVG HSSP RDG [nummer 5]-[plaats 3] toe te kennen (Notification of Award), subsidiair veroordeling van de Staat tot het betalen van de door NEQXTEP geleden schade op te maken bij staat;
IV.veroordeling van de Staat om de beschuldiging geuit in het schrijven van 23 augustus 2017 bekend onder Ref. Nr.:hssp–1706te rectificeren, in dier voege dat hij schriftelijk, onder toezending naar de in gemeld schrijven genoemde personen, het volgende in de Engelse taal verklaart:’
“Hierbij verklaren wij dat wij ten onrechte Neqxtep Buildings N.V. in het schrijven d.d. 23 augustus 2017, bekend onder Ref. Nr.: hssp-17066, van fraude hebben beschuldigd. De door Neqxtep Buildings N.V. in haar inschrijvingsdocumenten gebruikte informatie heeft zij van onszelf ontvangen en niet van architect AAC. Wij zijn dus in de fout gegaan en niet Neqxtep Buildings N.V. en betreuren deze door ons gemaakte fout en bieden Neqxtep Buildings N.V. onze oprechte excuses hiervoor aan”.
V. veroordeling van[geïntimeerde B] en[geïntimeerde C] om de beslissingen te gehengen en te gedogen;
VI.veroordeling vande Staat e.a. tot betalen van een dwangsom voor elk uur dat zij nalaten aan een van de in het vonnis uitgesproken veroordelingen te voldoen;
VII.veroordeling vande Staat e.a. in de proceskosten.

4.13 NEQXTEP heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.
De Staat is gebonden aan de overeenkomsten met betrekking tot de bouw van de drie gezondheidscentra MVG HSSP RGD- [weg], MVG HSSP RGD [nummer 3]-[plaats 1], MVG HSSP RGD [nummer 1]-[plaats 2] en dient die dus ook na te komen. Daarnaast heeft NEQXTEP de laagste inschrijving gedaan voor de bouw van het gezondheidscentrum MVG HSSP RDG [nummer 5]-[plaats 3]. Op grond hiervan moet de opdracht, ingevolge artikel 38.1 ITB, aan haar, NEQXTEP, worden toegekend.
Ten onrechte is zij beschuldigd van fraude nu NEQXTEP de door haar gebruikte informatie bij haar inschrijving verkregen heeft van de PMU.

4.14 De kantonrechter heeft de vordering van NEQXTEP afgewezen en NEQXTEP veroordeeld in de proceskosten.

4.15 Gedurende het geding in hoger beroep is gebleken dat er een nieuwe aanbestedingsprocedure is opgestart en wel op 17 september 2019, voor de bouw van de poliklinieken te [plaats 2], [plaats 4] en [weg].
Voor deze openbare aanbesteding is een compleet nieuw bestek opgesteld met nieuwe ontwerpen en een nieuw architect.

5.De beoordeling
5.1 NEQXTEP heeft drie (3) grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter.

Grief I heeft betrekking op de vorderingen zoals weergegeven onder I en II van het petitum ter zake de overeenkomsten met betrekking tot de gezondheidscentra MVG HSSP RGD-[weg], MVG HSSP RGD [nummer 3]-[plaats 1], MVG HSSP RGD [nummer 1]-[plaats 2], en het houden van een re-tender.
Grief II heeft betrekking op de vordering onder III van het petitum en wel met betrekking tot het gezondheidscentrum MVG HSSP RDG [nummer 5]-[plaats 3].
NEQXTEP.
Grief III heeft betrekking op de vordering tot rectificatie zoals weergegeven onder IV van het petitum.
Voor een goed overzicht zal het hof overgaan tot bespreking van de grieven en tegelijkertijd de vorderingen waarop deze grieven respectievelijk betrekking hebben en wel in de hiervoor genoemde volgorde.
Overeenkomsten bouw gezondheidscentra [weg], [plaats 1] en [plaats 2]

5.2 Grief I
Volgens NEQXTEP heeft de kantonrechter ten onrechte het volgende overwogen in het eindvonnis.
“3.20 De kantonrechter overweegt dat ten aanzien van dit geschilpunt het standpunt van de Staat aannemelijk is geworden. Allereerst wordt het door de Staat gestelde feit dat zij de overeenkomst niet kan aangaan zonder toestemming van de financier, de OFID, aannemelijk uit de overgelegde correspondentie met de OFID. Uit die correspondentie blijkt dat de Staat aangeeft aan de OFID dat zij de NV een geschikte bieder vindt waarmee het contract kan worden gesloten en de OFID zich op het standpunt stelt dat zij geen goedkeuring zal geven en dat er een re-tender gehouden moet worden.

3.21 Ook blijkt uit de notulen van de ‘pre-bid meeting’ gehouden op 1 maart 2017, welke vergadering is bijgewoond door de NV en welke notulen aan de NV zijn verstrekt, dat de NV op 1 maart 2017 op de hoogte was van de volgende feiten:

  • Dat de OFID als kredietfonds is genoemd als partner bij de projecten;
  • Dat bij de mededelingen de OFID is genoemd als de financier;
  • Dat de toewijzing van de projecten door de OFID moet worden goedgekeurd (punt 16 van de notulen). De PMU heeft daar aangegeven dat zij ernaar zal streven dat de toewijzingsperiode zo kort als mogelijk zal worden gehouden;

3.22 De kantonrechter is van oordeel dat op grond van het hiervoor overwogene aannemelijk is geworden dat de NV ervan op de hoogte was en er rekening mee diende te houden dat uiteindelijk de financier ook de goedkeuring moest geven aan het bod alvorens de Staat tot de finale overeenkomst kon komen;

3.23 Om die reden is de kantonrechter van oordeel dat de gebondenheid van Staat zich niet zover uitstrekt dat zij ook gebonden kan worden gehouden wanneer de OFID weigert om goedkeuring te geven aan het contract.

De vraag of de Staat derhalve na afronding van de onderhandelingen onrechtmatig handelt of verwijtbaar wanprestatie pleegt door een re-tender te houden omdat de OFID geen goedkeuring geeft aan het contract moet naar het oordeel van de kantonrechter ontkennend beantwoord worden. Immers, de Staat is afhankelijk van een goedkeuring van de OFID en de NV had daar rekening mee moeten houden.

3.24 De kantonrechter is van oordeel dat op grond van het hiervoor overwogene het onder I en II van het petitum gevorderde moet worden afgewezen.”
Immers, zo vervolgt NEQXTEP haar grief, nergens uit de toepasselijke regels blijkt dat de OFID de bevoegdheid toekomt om achteraf te bepalen dat zij aan een reeds tot stand gekomen overeenkomst de uitvoering kan onthouden. In het onderhavige geval waren de overeenkomsten tot stand gekomen.

Zo overweegt de kantonrechter immers ook expliciet onder 3.14:

“Om die reden acht de kantonrechter het aannemelijk dat er wel sprake was van een overeenkomst waarbij de Staat zich tegenover de N.V. heeft verbonden om het contract met betrekking tot de drie locaties uit te voeren. Artikel 39.2 van de ITB is daarom van toepassing op het document van 30 juni 2017.”.

5.2 Primair dient de vraag te worden beantwoord of er een overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen tussen NEQXTEP enerzijds en de Staat Suriname anderzijds.

De Staat e.a. stellen zich op het standpunt dat voor de totstandkoming van de overeenkomst van belang is dat partijen niet alleen overeenstemming bereiken over de volledige inhoud van de te sluiten overeenkomst, maar voorts is van belang dat de financier, (OFID) ook zijn goedkeuring hecht aan de te sluiten overeenkomst.

5.2.1 Het Hof is van oordeel dat dit standpunt van de Staat e.a. niet kan worden afgeleid uit de ITB.
De door de Staat e.a. gegeven uiteenzetting over het moment waarop de overeenkomst tussen partijen tot stand komt is een heel andere dan hetgeen is verwoord in de ITB. De Staat heeft niet weersproken dat de ITB van toepassing is op het project. Ook is niet gesteld en evenmin gebleken dat partijen op enig moment geheel dan wel gedeeltelijk zijn afgeweken van de ITB. Naar het oordeel van het Hof dient daarom te worden uitgegaan van de inhoud van de ITB, voor wat betreft de totstandkoming van de overeenkomst. In dit kader zijn van belang de artikelen 38, 39 en 40 van de ITB.

5.2.2 Voor een goed overzicht van de hiervoor genoemde artikelen zal het Hof deze artikelen, die in het Engels zijn verwoord, citeren. Het Hof zal daarnaast ook citeren de vertaling in het Nederlands zoals die is overgelegd door NEQXTEP, waarvan de inhoud niet is betwist door de Staat e.a.

“F. Award of Contract
Award Criteria
38.1 Subject to ITB 37.1, the Employer shall award the Contract to the Bidder whose offer has been determined to be the lowest evaluated bid and is substantially responsive to the Bidding Document, provided further that the Bidder is determined to be qualified to perform the Contract satisfactorily”.

Gunning van Opdracht
Gunning Criteria
38.1 Met inachtneming van ITB 37.1, zal de Opdrachtgever de gunning van de opdracht toekennen aan de Bieder wiens bid bepaald is geworden het laagst geëvalueerde bid te zijn en die substantieel voldoet aan het Bid document, met dien verstande voorts dat is vastgesteld dat de Bieder gekwalificeerd wordt geacht om het contract naar tevredenheid uit te voeren.

“39. Notification of Award
39.1 Prior to the expiration of the period of bid validitiy, the Employer shall notify the successful Bidder, in writing, via the Letter of Acceptance included in the Contract Forms, that its Bid has been accepted. At the same time, the Employer shall also notify all other Bidder of the results of the bidding, and shall publish in an appropriate newspaper or Gazette and IsDB website online, the results identifying the bid and lot numbers and the following information: (i)name of each Bidder who submitted a Bid; (ii) bid prices as read out at Bid Opening; (iii) name and evaluated prices of each Bid was evaluated; (iv) name of bidder whose bids were rejected and the reasons for their rejection; and (v) name of the winning Bidder, and the Price it offered, as well as the duration and summary scope of the contract awarded.

39.2 Until a formal contract is prepared and executed, the notification of award shall constitute a binding Contract.

39.3 The Employer shall promptly respond in writing to unsuccessful Bidder who, after notification of award in accordance with ITB 39.1, requests in writing the grounds on which its bid was not selected.

39. Kennisgeving van de gunning
39.1 Voor de expiratie van de periode van geldigheid van de bid, zal de Opdrachtgever de winnende Bieder, schriftelijk informeren, via de Aanvaardingsbrief (Letter of Acceptance), bijgevoegd bij de Contractformulieren, dat zijn bid is geaccepteerd. Tegelijkertijd, zal de Opdrachtgever ook al de andere Bieders op de hoogte stellen van het resultaat van de gunning en zal het publiceren in een geschikte krant of blad en IsDB website online, de resultaten de bid en lotnummers identificerend en de volgende informatie: (i) naam van iedere Bieder die een bid heeft ingediend; (ii) bid prijzen zoals aangegeven bij de Bid Opening; (iii) naam en geëvalueerde prijzen van iedere bid dat geëvalueerd was; (iv) naam van de Bieders wiens bid afgewezen zijn en de reden waarom ze afgewezen zijn; en (v) naam van de winnende Bieder, de aangeboden prijs, alsook de duur en verkorte bestek van de gunningsopdracht.

39.2 Totdat er een formeel contract wordt voorbereidt en uitgevoerd, zal de kennisgeving van de gunning beschouwd worden als een bindend contract.

39.3 De Opdrachtgever zal meteen schriftelijk reageren naar ieder verliezende bieder die na de kennisgeving van de gunning, conform ITB 39.1, het schriftelijk verzoek doet om gronden te weten waarom zijn Bid niet was geselecteerd.

40.Signing of Contract
40.1 Promptly upon notification, the Employer shall send the successful Bidder the Contract Agreement.
40.2 Within twenty-eight (28) days of receipt of the Contract Agreement, the successful Bidder shall sign, date, and return it to the Employer.

  1. Het tekenen van het contract

40.1 Onmiddellijk na kennisgeving, zal de Opdrachtgever de gewonnen Bieder de Contract Overeenkomst toesturen.

40.2 Binnen achtentwintig (28) dagen van ontvangst van de Contract Overeenkomst, zal de gewonnen Bieder tekenen, dateren en deze terugsturen naar de Opdrachtgever.

5.2.2 NEQXTEP heeft overgelegd het schrijven d.d. 30 juni 2017 (zie citaat onder 4.6 hiervoor), afkomstig van de projectcoördinator en gericht aan haar, met als onderwerp “Kennisgeving van gunning van opdracht Gezondheidszorg faciliteiten”. NEQXTEP heeft tevens overgelegd een vertaling van dit document in het Nederlands, waarvan de inhoud niet is betwist door de Staat e.a. Het Hof gaat daarom uit van de juistheid daarvan. In het Nederlands komt de vertaling van het genoemd schrijven – zover van belang – neer op het volgende:

“……Geachte Heer,

Wij zijn verheugd u te informeren dat uw bid inzending voldeed aan de meeste vereisten die aangegeven waren in het bidding document en daarom werd goed gekeurd als laagst geëvalueerde

bid en geschikt is bevonden voor contract onderhandeling door de evaluatie commissie en het financieringsinstituut OFID.

Gebaseerd op het bovenstaande, wensen wij onmiddellijk over te gaan tot contract onderhandeling betreffende MVG HSSP RDG [nummer 2] – [weg], MVG HSSP RDG [nummer 3] – [plaats 1] and MVG HSSP RDG [nummer 1] – [plaats 2]….”.

5.2.3 In de artikelen 39.1 en 39.2 van de ITB komt naar voren dat de opdrachtgever de winnende bieder, schriftelijk zal informeren dat zijn bid is geaccepteerd, en voorts dat totdat er een formeel contract wordt voorbereid en uitgevoerd, de kennisgeving van de gunning zal worden beschouwd als een bindend contract.

Nu het schrijven van 30 juni 2017 als onderwerp (in het Nederlands vertaald) heeft “Kennisgeving van gunning van opdracht Gezondheidzorg faciliteiten”, komt het Hof tot de conclusie dat met dit schrijven, NEQXTEP ervan uit mocht gaan dat haar bid was geaccepteerd en heeft zij deze kennisgeving terecht beschouwd als een bindend contract, één en ander conform de artikelen 39.1 en 39.2 van de ITB.

Het Hof is van oordeel dat hiermee ook de overeenkomst van aanneming van werk tussen partijen tot stand is gekomen en wel met betrekking tot de volgende gebouwen:

– MVG HSSP RDG [nummer 2]– [weg];

– MVG HSSP RDG [nummer 3] – [plaats 1];

– MVG HSSP RDG [nummer 1] – [plaats 2].

5.2.4 Het verweer van de Staat e.a. dat OFID eerst haar goedkeuring diende te geven aan de totstandkoming van de overeenkomst gaat niet op nu dit niet blijkt uit de ITB. Indien het van belang was dat OFID eerst haar goedkeuring diende te geven aleer de overeenkomst tot stand kwam had het aan de Staat e.a. gelegen om dit nadrukkelijk kenbaar te maken aan de bieders, waaronder NEQXTEP. De verwijzing van de Staat e.a. naar de notulen van de prebid meeting d.d. 1 maart 2017 is hiervoor onvoldoende. Immers, de mededeling op die meeting met betrekking tot de goedkeuring door OFID, is gedaan naar aanleiding van een vraag die gesteld is door één van de bieders. Het hof verwijst hiervoor naar de door de Staat e.a. bij conclusie van dupliek in eerste aanleg overgelegde productie 3, die betrekking heeft op de notulen van de prebid meeting van 1 maart 2017, met name punt 17 op pagina 7. Was die vraag niet gesteld door één van de bieders, dan was ook niet kenbaar gemaakt dat OFID een rol te vervullen had bij de totstandkoming van de overeenkomst.

5.2.5 Bovendien is het niet logisch dat eerst aan de bieder wordt medegedeeld dat het project aan hem wordt gegund en pas daarna de goedkeuring van OFID wordt gevraagd. Het komt het hof logischer voor dat de Staat e.a. eerst OFID vraagt om haar goedkeuring voor de toewijzing van het project aan een bepaalde bieder en dat pas daarna aan de bieder wordt medegedeeld dat het project aan hem zal worden gegund.

Nu de projectcoördinator bij schrijven d.d. 30 juni 2017 aan NEQXTEP de kennisgeving van gunning voor de bouw van drie gebouwen is medegedeeld, kan ervan uit worden gegaan dat OFID toen al haar goedkeuring had gegeven voor de toewijzing aan NEQXTEP.

5.2.6 Thans komt aan de orde de vraag of de Staat gehouden is de (finale) overeenkomsten toe te sturen naar NEQXTEP dan wel deze overeenkomsten na te komen, zoals door NEQXTEP is gevorderd onder I van het petitum.
Naar het Hof begrijpt, beroept de Staat zich erop dat zij de overeenkomst niet kan nakomen omdat de OFID geen goedkeuring heeft gegeven daaraan.
Alhoewel het Hof het eens is met het standpunt van NEQXTEP dat uit de ITB niet blijkt dat de goedkeuring van OFID van belang was bij de totstandkoming van de overeenkomst, kan niet eraan worden voorbijgegaan dat OFID de financier is van het project en dus een belangrijke rol heeft in het geheel. Het hof concludeert dat nu OFID geen goedkeuring heeft gegeven aan het project het ook te verwachten is dat zij het project niet zal financieren. De Staat zal dan ook in de onmogelijkheid verkeren om de overeenkomsten met NEQXTEP na te komen. Hierdoor heeft NEQXTEP dus ook geen belang bij de toezending van de overeenkomsten. Om deze reden dient het onder I van het petitum gevorderde te worden geweigerd.

5.2.7 Op grond van het voorgaande is het Hof van oordeel dat de kantonrechter ten onrechte onder 3.22 heeft overwogen dat NEQXTEP ervan op de hoogte was en er rekening mee diende te houden dat uiteindelijk de financier ook de goedkeuring moest geven aan het bod alvorens de Staat tot de finale overeenkomst kon komen. Immers – zo blijkt uit hetgeen is overwogen onder 5.2.5 – op het moment waarop aan NEQXTEP bij schrijven d.d. 30 juni 2017 werd medegedeeld door de projectcoördinator dat de PMU aan haar heeft toegekend de bouw van drie van de gebouwen, kon gemakshalve ervan uit worden gegaan dat OFID toen al haar goedkeuring had gegeven aan de toewijzing aan NEQXTEP en hoefde NEQXTEP dus helemaal geen rekening meer te houden met een rol van OFID bij de finale overeenkomst. Dit blijkt overigens ook niet uit de ITB.

5.2.8 De conclusie van de kantonrechter in overweging 3.23 van het beroepen vonnis, dat NEQXTEP rekening ermee hadden moeten houden dat de Staat afhankelijk was van goedkeuring van de OFID, is niet te volgen.
Immers, het standpunt van OFID (achteraf) om geen goedkeuring te geven aan het project is – terecht zoals NEQXTEP heeft gesteld – gegrond op de beschuldiging van de Staat e.a. aan het adres van NEQXTEP ter zake fraude. Deze beschuldiging blijkt achteraf ten onrechte te zijn geweest, hetgeen ook is erkend door de Staat e.a. NEQXTEP hoefde dus geen rekening ermee te houden dat de Staat afhankelijk was van goedkeuring van OFID omdat de Staat zichzelf in de situatie heeft gebracht dat OFID achteraf geen goedkeuring heeft gegeven voor de toewijzing. Het Hof verwijst hiervoor naar de nadere uitwerking hiervan in overweging 5.4 tot en met 5.4.3 van dit vonnis.

5.2.9 Bij dupliekpleidooi hebben de Staat e.a. aangevoerd dat er op instructie van OFID een nieuwe aanbestedingsprocedure op 17 september 2019 is opgestart voor de bouw van de poliklinieken te [plaats 2], [plaats 4] en [weg]. Voor deze openbare aanbesteding is een compleet nieuw bestek opgesteld met nieuwe ontwerpen en een nieuw architect. Volgens de Staat e.a. bestaat het project niet meer in zijn oorspronkelijke vorm. Ter onderbouwing van zijn stelling hebben de Staat e.a. overgelegd een productie getiteld “SPECIFIC PROCUREMENT NOTICE”.
NEQXTEP heeft het door de Staat e.a. terzake aangevoerde niet weersproken, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. Zij, NEQXTEP, stelt dat de door de Staat e.a. overgelegde productie betreft de bekendmaking zoals die in de krant, Times of Suriname, op 17 september 2019 is verschenen.

Het Hof is van oordeel dat, nu er een nieuwe aanbestedingsprocedure op 17 september 2019 is opgestart voor de bouw van de poliklinieken te [plaats 2], [plaats 4] en [weg], en er voor deze openbare aanbesteding een compleet nieuw bestek is opgesteld met nieuwe ontwerpen en een nieuw architect, ook om deze reden het onder I van het petitum gevorderde niet toewijsbaar is. Immers, het project bestaat niet meer in zijn oorspronkelijke vorm, zodat toewijzing van het gevorderde tot gevolg zou hebben dat de Staat niet zou kunnen voldoen aan de veroordeling.

Verbod houden van re-tender

5.3 Onder II van het petitum vordert NEQXTEP dat aan de Staat een verbod zal worden opgelegd om terzake de bouw van de hiervoor genoemde poliklinieken een nieuwe inkoop (re-tender) te houden.

Aangezien, zoals overwogen onder 5.2.9, er op 17 september 2019 al een nieuwe aanbestedingsprocedure is opgestart voor de bouw van de poliklinieken te [plaats 2], [plaats 4] en [weg], is de kantonrechter van oordeel dat het door NEQXTEP ter zake gevorderde is achterhaald en daarom dient te worden geweigerd.

NEQXTEP stelt verder dat zij bewust is uitgesloten van deelname aan de tweede aanbesteding op grond van de nieuwe extra voorwaarde vermeld in de stukken van de aanbesteding. Deze voorwaarde is dat de bieder ervaring moet hebben met de bouw van gezondheidscentra terwijl het voor het eerst was dat gezondheidscentra als de onderwerpelijke in Suriname werden gebouwd. Wat er ook van zij, indien NEQXTEP meent schade te hebben geleden door handelingen of nalaten van de Staat e.a. zal zij zich daarop moeten richten voor verhaal.

Gezondheidscentrum MVG HSSP RDG [nummer 5]-[plaats 3]

5.4 Grief II
NEQXTEP heeft – ten aanzien van dit onderdeel – als grief tegen het vonnis aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte het volgende heeft overwogen in het vonnis:

“3.27 De kantonrechter overweegt dat, alhoewel de NV stelt dat het project van [plaats 3] aan haar had moeten worden toegewezen, de Staat dat heeft betwist. De NV heeft verder de gronden niet voldoende onderbouwd om aannemelijk te maken dat zij aanspraak maakte op de toewijzing en dat de niet-toewijzing onrechtmatig is. Op grond hiervan zal het gevorderde worden afgewezen.”

NEQXTEP heeft zich erop beroepen dat, ingevolge artikel 38.1 ITB, de opdracht tot de bouw van dit gezondheidscentrum aan haar moet worden toegekend. Dit, omdat zij de laagste inschrijving heeft gedaan hiervoor.
In eerste aanleg hebben de Staat e.a. tegen deze stelling aangevoerd dat het niet juist is dat de aanbesteder verplicht is om het werk te gunnen aan de laagste inschrijver.
Ook wordt gelet op de uitvoeringscapaciteit alsmede op de door de aannemer te stellen uitvoeringsgaranties. De Staat e.a. voeren verder aan dat ingevolge artikel 37.1 ITB, de aanbesteder zich het recht voorbehoudt om voor toekenning van het contract elk aanbod te verwerpen. Daarnaast is dit project reeds aan een andere aannemer gegund, die al een aanvang met de bouwwerkzaamheden heeft gemaakt.
Als reactie hierop heeft NEQXTEP in onderdeel 10 van haar conclusie van repliek, aangevoerd dat zij niet alleen één van de laagste inschrijvingen heeft gedaan maar haar inschrijvingen waren tevens “substantially responsive”, conform artikel 38.1 van de ITB. NEQXTEP stelt verder dat tegen de regels van de ITB het 4e project ([plaats 3]) aan een derde te weten bouwbedrijf Vasilda is gegund .

5.3.1 Na deze nadere stellingname van NEQXTEP zijn de Staat e.a. niet meer teruggekomen op hun oorspronkelijk verweer.

Tegen dit licht bezien is de overweging van de kantonrechter dat NEQXTEP de gronden niet voldoende heeft onderbouwd om aannemelijk te maken dat zij aanspraak maakte op de toewijzing en dat de niet-toewijzing onrechtmatig is, onbegrijpelijk.
Naar het oordeel van het Hof heeft NEQXTEP – terecht zoals door haar aangevoerd – juist voldoende gesteld en bewezen dat zij op grond van toepasselijke regels in aanmerking diende te komen voor het project van [plaats 3]. Het zijn juist de Staat e.a. die hebben nagelaten deugdelijk te motiveren waarom genoemd project toch is gegund aan een ander bedrijf dan NEQXTEP, ondanks het feit dat laatstgenoemden op grond van de toepasselijke regels in aanmerking diende te komen voor de gunning van dat project. Het Hof merkt op dat het een Staat, die de verplichting heeft om voor haar burgers te zorgen, niet siert op om te merken dat NEQXTEP zou kunnen vorderen eventueel door haar geleden schade indien zij meent door de feitelijke gang van zaken te zijn benadeeld. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur brengen met zich dat van een Staat wordt verwacht dat zij transparant is en deugdelijk motiveert waarom er een bepaald besluit wordt genomen.

Het Hof is van oordeel dat nu NEQXTEP voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dat zij aan alle voorwaarden voldeed voor de gunning van de bouw van het gezondheidscentrum te [plaats 3], zij in beginsel in aanmerking diende te komen voor de gunning voor de bouw van dit project.

Evenwel is het Hof van oordeel dat het door NEQXTEP ten aanzien van dit onderdeel onder III van het petitum gevorderde, dient te worden geweigerd nu als niet weersproken in rechte is komen vast te staan dat dit project aan een derde is gegund en inmiddels ook is afgerond door die derde. Ook de door NEQXTEP gevorderde schade nader op te maken bij staat zal worden geweigerd, nu de aard van het kort geding zich verzet tegen een dergelijke vordering.

Rectificatie
5.4 Grief III
Onder IV van het petitum vordert NEQXTEP veroordeling van de Staat om de beschuldiging geuit in het schrijven d.d. 23 augustus 2017 bekend onder Ref. Nr.: hssp-17066 te rectificeren, zoals door haar verwoord.
Als grief (III) ten aanzien van dit onderdeel heeft NEQXTEP het volgende aangevoerd.
Ten onrechte heeft de kantonrechter het volgende overwogen in het vonnis:
“3.33 De kantonrechter overweegt dat op grond van het voorgaande het verweer van de Staat aannemelijk is geworden dat de rectificatie reeds heeft plaatsgevonden door dat de Staat de beschuldiging bij iedere betrokkene reeds heeft gerectificeerd. Dat gevorderde zal worden afgewezen.”
Volgens NEQXTEP heeft er geen rectificatie plaatsgevonden zoals door haar was geëist en waar zij op basis van de gestelde feiten aanspraak op maakt. 5.4.1 Bij schrijven gedateerd 23 augustus 2017 heeft PMU, NEQXTEP beschuldigd van fraude. Een kopie van dit schrijven is door NEQXTEP overgelegd, en geciteerd onder 4.8 hiervoor. PMU heeft van dit schrijven ook de volgende personen kopie-lezer gemaakt, te weten:

  • H.E. Gillmore Hoefdraad, Ministry of Finance;
  • Dr. Maureen van Dijk, Permanent Secretary, Ministry of Health,…
  • Natalia Salazar, OFID, Public Sector Operations Officer,….
  • Mr. Sadik Mohamed MD, MSc., Senior Health Specialist (HDE) IsDB,….”.

5.4.2 De Staat e.a. hebben niet althans niet gemotiveerd weersproken dat de beschuldiging van PMU aan het adres van NEQXTEP ten onrechte is geweest. De Staat e.a. hebben ten aanzien hiervan aangevoerd dat NEQXTEP geen belang meer heeft bij dit gevorderde omdat de beschuldiging reeds is ingetrokken, en zowel NEQXTEP en alle betrokkenen van de intrekking van de beschuldiging in kennis zijn gesteld. De Staat e.a. verwijzen hiervoor naar een brief gedateerd 19 september 2017 en gericht aan NEQXTEP, zoals geciteerd onder 4.10 hiervoor. NEQXTEP heeft overgelegd de vertaling in het Nederlands van de inhoud van de brief van 19 september 2017. De Staat e.a. hebben de inhoud van de vertaling niet betwist, zodat in rechte van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. Hieronder volgt het citaat van de vertaling van de brief van 19 september 2017 – zover van belang:

“Geachte heer,

…..Tot onze spijt delen wij u mede dat na zorgvuldige overweging, OFID zijn besluit niet zal terugdraaien en dus opnieuw een aanbesteding zal plaatsvinden van de Gezondheidscentra MVG HSSP RGD [nummer 2] – [weg], MVG HSSP RGD [nummer 3] – [plaats 1] en MVG HSSP RGD [nummer 4] – [plaats 2].

Kijkt u aub naar de brief “Terugdraaien besluit contract onderhandeling en diskwalificatie NEQXTEP Buildings N.V.” (annex 1) van het Ministerie van Volksgezondheid aan OFID en de instructies van OFID (annex2) aangehecht om de verwijzing te vergemakkelijken.

Let wel, dat de beschuldigingen naar uw adres in de brief gedateerd 23 augustus 2017 gebaseerd zijn op informatie gepresenteerd in uw bid indiening/aanbesteding. Echter, na grondige uitleg uwerzijds, is besloten dat deze beschuldigingen nietig worden verklaard. Daarom mag u participeren in een nieuwe aanbestedingsproces van eerder genoemde Gezondheidszorg Centra. (Health Care centers).

Hoogachtend,

[geïntimeerde B] Project coördinator.

……..”

5.4.3 Anders dan de kantonrechter, is het Hof van oordeel dat de rectificatie door de Staat niet heeft plaatsgevonden.

Met de formulering zoals gedaan in de brief gedateerd 19 september 2017, komt onvoldoende tot uiting dat NEQXTEP ten onrechte van fraude werd beschuldigd. Het is dan ook terecht dat de Staat op een behoorlijke wijze de rectificatie pleegt van de onterechte beschuldiging aan het adres van NEQXTEP. Dit, zeker nu niet is uitgesloten dat de weigering (achteraf) van OFID om mee te gaan met de gunning van de bouw van de projecten aan NEQXTEP het gevolg van de onterechte beschuldiging is geweest. Bovendien is het niet uitgesloten dat NEQXTEP in de toekomst nog schade kan ondervinden van deze onterechte beschuldiging.

Het vonnis van de kantonrechter zal daarom worden vernietigd, en de door NEQXTEP gevorderde rectificatie zal alsnog worden toegewezen als in het dictum te melden.

Evenwel zal de gevorderde dwangsom worden gemitigeerd als in het dictum te melden, nu deze het Hof bovenmatig voorkomt.

5.5 De door NEQXTEP gevorderde veroordeling van [geïntimeerde B] en [geïntimeerde C], om het vonnis te gehengen en te gedogen onder verbeurte van een dwangsom, zal worden geweigerd nu laatstgenoemden hebben gehandeld als vertegenwoordigers van de Staat.

5.6 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5.7 De Staat e.a. zullen, als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten moeten dragen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

6. De beslissing

Het Hof
6.1 Vernietigt het tussenvonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gedateerd 25 januari 2018 en het vonnis gedateerd 19 februari 2018 beiden bekend onder AR no. 17- 4356, waarvan beroep.

En opnieuw rechtdoende:

6.2 Veroordeelt de Staat om binnen een week na betekening van dit vonnis de beschuldiging geuit in het schrijven d.d. 23 augustus 2017 bekend onder Ref. Nr.: hssp – 17066 te rectificeren in dier voege dat hij schriftelijk aan NEQXTEP doet toekomen, onder toezending naar de in gemeld schrijven genoemde personen, het volgende in de Engelse taal verklaard:

“Hierbij verklaart de Staat Suriname, met name het Ministerie van Volksgezondheid althans de Project Management Unit (PMU), dat hij Neqxtep Buildings N.V. in het schrijven d.d. 23 augustus 2017, bekend onder Ref. Nr.: hssp – 17066, van fraude heeft beschuldigd. De door Neqxtep Buildings N.V. in haar inschrijvingsdocumenten gebruikte informatie heeft zij van de Staat Suriname, met name het Ministerie van Volksgezondheid althans de Project Management Unit (PMU), zelf ontvangen en niet van de architect AAC. De Staat Suriname betreurt deze zelf door haar gemaakte fout en biedt daarvoor zijn excuses aan Neqxtep Buildings N.V.”

6.3 Veroordeelt de Staat tot betaling van een dwangsom van SRD.5.000,= (vijfduizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat hij nalaat te voldoen aan de beslissing onder 6.2. en wel tot een maximum van SRD500.000,= (vijfhonderdduizend Surinaamse Dollar).

6.4 Veroordeelt de Staat e.a. in de proceskosten aan de zijde van NEQXTEP in eerste aanleg en in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 1230,– ( een duizend tweehonderd en dertig Surinaamse Dollar).

6.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S.Chhangur – Lachitjaran, leden en uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 17 januari 2020 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. C.S. Djajadi namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellante en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. E. Naarendorp namens advocaat mr. W.Siwpersad, gemachtigden van geïntimeerden, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2020-34

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

INTEGRA PORT SERVICES,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding,
verder ook aan te duiden als IPS,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

ALGEMENE HAVENARBEIDERSBOND,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
verder ook aan te duiden als AHAB,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 7 augustus 2014 (A.R. no. 13-5227) tussen AHAB als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, en IPS als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het eerder in deze zaak gewezen tussenvonnis van het Hof van Justitie d.d. 18 mei 2018.

1. Het procesverloop in hoger beroep
1.1. Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden d.d. 08 november 2018;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden;

2. De feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist en op grond van de inhoud van de overgelegde bescheiden, voor zover niet bestreden, staat het volgende tussen partijen vast.
2.1. AHAB is opgericht in 1989 en is een bepaalde periode inactief geweest. In 2013 is de bond weer actief geworden en heeft als leden onder andere ook werknemers van IPS.
2.2. AHAB heeft de directie van IPS aangegeven weer actief te zijn en gevraagd naar een kennismakingsgesprek met de directie. Echter is AHAB niet ontvangen en is aangegeven dat niet is gebleken dat AHAB werknemers van IPS vertegenwoordigd en dat IPS derhalve geen wettelijke verplichting heeft om gesprekken te voeren met AHAB.

3. De vorderingen in eerste aanleg

3.1 AHAB heeft in conventie gevorderd om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

A. IPS te bevelen AHAB de ruimte te bieden om op de in Suriname algemeen gangbare wijze in de verhouding van werkgever en vakvereniging van werknemers, binnen IPS de belangen van haar leden op voet van het bepaalde in artikel 31 jo 30 van de Grondwet te behartigen en omtrent belangen met AHAB te onderhandelen c.q. te communiceren;
B. IPS te verbieden om AHAB als vakvereniging van haar leden af te wijzen dan wel haar als zodanig functioneren te verhinderen c.q. niet te erkennen uitsluitend op grond dat zij niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 1 van het Decreet Erkenning Vakverenigingen Werknemers, zulks zolang zij wel voldoet aan de vereisten van artikel 31 van de Grondwet;
C. alle zodanig maatregelen te verordenen in het kader van het tussen partijen bestaande geschil, welke in het belang van partijen geraden wordt geacht;
D. IPS te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 100.000, = voor iedere dag waarop zij in strijd met of in afwijking handelt van enig onderdeel van de in het ten deze te wijzen vonnis te geven beslissing.

3.2 IPS heeft in reconventie gevorderd om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:
A. AHAB te verbieden om werknemers van IPS aan te zetten totaktiesvan welke aard dan ook tegen IPS;
B. AHAB te verbieden om werknemers van IPS te verhinderen hun werkzaamheden bij IPS uit te voeren;
C. AHAB te verbieden om haar vertegenwoordigers in hun hoedanigheid van bestuursleden van AHAB zonder toestemming van IPS te laten vertoeven op de werkplek van IPS;
alles op straffe van een dwangsom van SRD. 100.000, = per dag of per keer als AHAB aan IPS verschuldigd zal zijn, voor elke dag of elke keer dat zij het vonnis niet uitvoert.

4. De grieven
IPS heeft in hoger beroep een achttal grieven aangevoerd waarop het Hof in de verdere beoordeling zal ingaan. Daarbij zullen de vorderingen in conventie en in reconventie simultaan worden besproken.

5. De vordering in Hoger Beroep
IPS concludeert in conventie tot vernietiging van het vonnis, waarvan beroep, AHAB alsnog niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering althans haar vordering te ontzeggen als zijnde ongegrond en onbewezen en IPS haar vordering in reconventie toe te wijzen met veroordeling van AHAB in de kosten van beide instanties.

6. Het verweer
AHAB heeft tegen de door IPS aangevoerde grieven verweer gevoerd erop neerkomende dat de aangevoerde grieven geen stand kunnen houden. Bij de verdere beoordeling zal het Hof voor zover nodig daarop terug komen

7. De verdere beoordeling

7.1. Bij tussenvonnis van 18 mei 2018 is de verschijning van partijen gelast tot het verschaffen van inlichtingen, voornamelijk over de ontwikkeling van zaken sinds de aanvang van onderhavig geding en tot het bespreken van de mogelijkheden tot toekomstige ontwikkeling van de verhouding tussen partijen en van alles waarvan de comparitie voor de oplossing van het geschil dienstig kon zijn. Partijen dienden zich door daartoe bevoegde functionarissen te doen vertegenwoordigen en mochten partijen, desgewenst, de Bemiddelingsraad uitnodigen bij de comparitie van partijen aanwezig te zijn. Tijdens de comparitie van partijen is gebleken en is zo ook verwoord in het daartoe opgemaakt proces-verbaal dat het partijen niet is gelukt om tot een bevredigende oplossing te geraken teneinde het tussen hen ontstane geschil minnelijk op te lossen. Gelet hierop zal als volgt op de aangevoerde grieven worden ingegaan.

7.2. Grief 1
Grief 1 richt zich tegen overweging 5.1 van het bestreden vonnis waarin de kantonrechter het spoedeisend belang heeft aangenomen. De grief betoogt dat dit spoedeisend belang ontbreekt. AHAB heeft wel gesteld dat er zeer dringende zaken te bespreken zijn, maar dat is onjuist: nu IPS een onderneming is met een hoogstaande bedrijfsvoering en uitstekende werkomstandigheden, zijn er helemaal geen zaken die dringend in orde gemaakt moeten worden.
Dit betoog miskent dat de vorderingen van AHAB niet gaan om concrete klachten of desiderata betreffende concrete arbeidsvoorwaarden of arbeidsomstandigheden, maar om het algemene en grondwettelijk beschermde recht van werknemers om door bemiddeling van vakverenigingen met hun werkgever te kunnen communiceren en door vakverenigingen hun belangen te laten behartigen in plaats van dat alleen te kunnen doen op het individuele niveau waarop zij zo makkelijk, zoals IPS het zelf, zij het in ander verband, uitdrukt, “belemmerd worden door reële machtsverhoudingen die van invloed kunnen zijn op de totstandkoming van rechtsverhoudingen tussen private personen”, zoals met name het geval kan zijn bij arbeidsverhoudingen. Dat is een groot en spoedeisend belang. Monddoodheid van het personeel bedreigt de arbeidsvrede niet minder dan slechte werkomstandigheden.
Grief 1 wordt daarom verworpen.

7.3. Grief 2
Op de in eerste aanleg gehouden comparitie van partijen heeft de heer [naam] , die als vertegenwoordiger van IPS ter zitting verschenen was, onder meer gezegd:
“Ik erken het recht van mensen om zich te verenigen maar ik heb moeite met een bond waarin werknemers van de concurrent verenigd zijn. In Suriname komt het nergens voor dat 1 bond werknemers in 2 bedrijven vertegenwoordigt. Ik heb duidelijk gemaakt dat ik niet een bond van de concurrent in het bedrijf wil”.
De hierin doorklinkende weerstand van IPS tegen AHAB als een vakvereniging die werknemers in meer dan één onderneming verenigt, vindt zijn neerslag in grief 2 in het hoger beroep, die zich richt tegen de overweging van de kantonrechter dat er “noch wettelijke noch praktische bezwaren kunnen bestaan om tot erkenning van de vakbond [dwz van een vakbond voor een bedrijfstak in plaats van voor één onderneming] over te gaan”.

In deze grief betoogt IPS in de eerste plaats dat er wel degelijk een wettelijke belemmering bestaat en wel in artikel 1 sub c van het Decreet Erkenning Vakverenigingen Werknemers (hierna DEVW) waar aan de vakvereniging, waarmee de werkgever volgens dat artikel verplicht is omtrent het aangaan van een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) te onderhandelen, de eis wordt gesteld dat zij de werknemers in de onderneming op wie de cao van toepassing zal zijn, vertegenwoordigt. IPS leidt uit het gebruik van het woord “onderneming” in het enkelvoud af dat het instellen van een vakbond voor een bedrijfstak niet de bedoeling van de wetgever was.

Het hof acht deze uitleg van artikel 1 sub c onjuist. Dat de wet spreekt over een vakbond die de werknemers van de onderneming (te weten: waarvoor de cao zal gelden) vertegenwoordigt, wil helemaal nog niet zeggen dat die vakbond niet ook werknemers van andere ondernemingen mag vertegenwoordigen. Taalkundig zou men er hoogstens uit kunnen afleiden dat de wetgever slechts denkt aan cao’s voor één onderneming, ware het niet dat uit artikel 1 Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst blijkt dat, dat uitdrukkelijk niet de bedoeling is. Er is dus geen enkel wettelijk beletsel voor bedrijfstakgewijze vakorganisaties.

De door IPS geziene praktische bezwaren tegen een vakbond voor een bedrijfstak kunnen, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, geen reden zijn om een zo fundamenteel recht als dat van werknemers zich te verenigen in een vakbond en wel in de vakbond van eigen keuze, opzij te zetten. Ten overvloede overweegt het hof dat het die bezwaren zeer overdreven acht en het meent ook wel te begrijpen waarom IPS die bezwaren zo overschat. Het valt op, niet zo zeer in het pleidooi als wel in het betoog van de vertegenwoordiger van IPS ter comparitie in eerste aanleg, dat IPS in een vakbond waarin (ook) werknemers van de concurrent deelnemen, een vakbond van de concurrent ziet. Dat is echter een ernstige en gevaarlijke misvatting. Een vakbond is niet “van een onderneming” (dus van een werkgever), maar “van de leden” (dus van de werknemers). Op een arbeidsmarkt waar werkgevers eraan gewend zijn dat een vakbond niet “van de werkgever” is en daar vrede mee hebben en waar zij niet proberen hun in vakbonden georganiseerde werknemers te misbruiken om de concurrentie dwars te zitten, slinken de door IPS aangevoerde risico’s als sneeuw voor de zon. En daar wordt nog een ander risico door bestreden, namelijk het risico dat een werkgever als gevolg van de eerder genoemde reële machtsverhoudingen invloed krijgt op de interne verhoudingen en de besluitvorming binnen de vakbond. En dus ook het risico dat van die invloed misbruik wordt gemaakt en dat de vakbond verworden tot louter een personeelsvereniging, niet meer in de positie verkeert zich tegenover de werkgever op te kunnen stellen en daardoor niet meer in staat is zijn maatschappelijke functie als vakbond te vervullen. Door uitdrukkelijk niet alleen aan ondernemingsvakbonden en ondernemings-cao’s maar ook aan vakbonden voor bedrijfstakken en bedrijfstak cao’s te denken, heeft de Surinaamse wetgever voor zo een arbeidsmarkt gekozen.
Grief 2 is daarom ongegrond.

7.4. Grief 3
In het kader van het conflict tussen partijen is er in de periode van 12 tot en met 30 november 2013 een staking in het bedrijf van IPS geweest. De staking was door AHAB uitgeroepen, werd althans door haar gefaciliteerd. IPS acht deze staking een onrechtmatige, AHAB is de tegenovergestelde mening toegedaan. De kantonrechter heeft de staking rechtmatig geacht en daar komt deze grief tegenop.

De vraag naar de rechtmatigheid van de staking kan, ruim vier jaren na dato, in kort geding alleen nog van belang zijn voor de vraag of uit hoofde van onverwijlde spoed door IPS gevorderde onmiddellijke voorzieningen vereist zijn. Die gevorderde voorzieningen zijn door dwangsom versterkte verboden aan AHAB:

a. om werknemers van IPS aan te zetten totaktiesvan welke aard dan ook tegen IPS;
b. om de werknemers van IPS te verhinderen hun werkzaamheden bij IPS uit te voeren;
c. om haar vertegenwoordigers in hun hoedanigheid van bestuursleden van AHAB zonder toestemming van IPS te laten vertoeven op de werkplek van IPS.

Voor de beoordeling of deze voorzieningen toewijsbaar zijn acht het hof het niet nodig te oordelen over de rechtmatigheid of onrechtmatigheid van de staking van november 2013. Ongeacht de al dan niet rechtmatigheid van die staking zijn de gevorderde verboden zoals onder a. of c. bedoeld hoe dan ook niet toewijsbaar. Een algemeen verbod op “akties van welke aard dan ook tegen IPS” gaat evident te ver en zou dat zelfs gaan als AHAB helemaal geen vakvereniging zou zijn. Uit wat het Hof over grief 2 overwogen heeft en wat het over grief 4 nog zal overwegen, vloeit echter voort dat het Hof in AHAB wel degelijk een vakvereniging ziet, ook al is het (nu nog) geen vakvereniging in de zin van het Decreet Erkenning Vakverenigingen Werknemers. En als een vakvereniging mag bestaan, mag en moet zij ook voor de belangen van haar leden opkomen en dus ook actie voeren. Dat mag haar alleen verboden worden als de akties een onrechtmatig karakter hebben en niet op de enkele grond dat zij zich tegen een werkgever richten. Voor de gevorderde voorziening sub c. geldt iets dergelijks, IPS mag aan bepaalde personen (en ook aan vertegenwoordigers van AHAB) de toegang tot haar terrein en gebouwen ontzeggen, maar niet tot elke werkplek van IPS. IPS werkt immers niet alleen op eigen terrein, maar op allerlei plaatsen op de Haven, ook op plaatsen waar zij geen exclusieve zeggenschap heeft. Ook dit verbod gaat veel te ver en is niet toewijsbaar.

Het verbod onder b. is echter wel toewijsbaar en ook dat is niet afhankelijk van de al dan niet onrechtmatigheid van de staking van november 2013. Het is immers duidelijk dat het tijdens een staking, onverschillig of die rechtmatig of onrechtmatig is, nooit geoorloofd is werkwilligen te verhinderen hun werk te doen. Het grondwettelijk gewaarborgde stakingsrecht impliceert ook het recht om niet te staken.

Het beroepen vonnis zal derhalve voor wat betreft de beslissing op deze vordering in reconventie worden vernietigd en zal AHAB worden verboden om werkwillige werknemers van IPS te verhinderen hun werkzaamheden bij IPS uit te voeren op straffe van een te verbeuren dwangsom als na te melden.

7.5. Grief 4
Grief 4 bestrijdt de beslissingen die de kantonrechter onder 6.1 en 6.2 van het bestreden vonnis heeft gegeven. De grief betoogt dat de in hoofdstuk 5 van de Grondwet opgenomen grondrechten, waaronder die in de artikelen 30 en 31, slechts tot de overheid gericht zijn, dat de Grondwet geen burgerlijk recht creëert of constitueert dat de rechtsverhoudingen tussen burgers regelt en dat er nooit rechtens afdwingbare verplichtingen voor een burger tegenover een andere burger uit kunnen voortvloeien, zodat de kantonrechter in de bestreden beslissingen ten onrechte de in de genoemde artikelen voor de overheid gegeven normen rechtstreeks op de privaatrechtelijke rechtsverhouding tussen partijen van toepassing verklaard heeft.

Het Hof merkt allereerst op dat de artikelen 30 en 31 Grondwet niet voorkomen in hoofdstuk 5 (Grondrechten, persoonlijke rechten en vrijheden), maar in hoofdstuk 6 (Sociale, culturele en economische rechten en plichten).

Het Hof kan het ermee eens zijn dat de grondwettelijke bepalingen van hoofdstuk 5, maar tot op grote hoogte ook die van hoofdstuk 6 zich in het algemeen en in beginsel richten tot de overheid en op haar verplichtingen en verantwoordelijkheden leggen. Dat zij echter nooit van invloed zouden kunnen zijn op privaatrechtelijke rechtsverhoudingen tussen burgers, is te algemeen gesteld. De burger is gehoorzaamheid verschuldigd aan de wetten en de Grondwet is daar geen uitzondering op. Het hangt dus af van de aard van de grondrechten en de manier waarop zij in de grondwet zijn geformuleerd of burgers er rechtstreeks tegenover elkaar aan zijn gebonden en er een beroep op kunnen doen. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat zij als eerbiedwaardige beginselbepalingen, een sterke invloed hebben op de invulling van wat volgens ongeschreven recht, in het maatschappelijk verkeer betaamt. En daarmee, ook op wat juist niet betaamt en als onrechtmatig moet worden gezien.

Het Hof is van oordeel dat de artikelen 30 en 31 Grondwet wel enig privaatrechtelijk effect hebben. De eerbied voor de Grondwet die elke burger past, brengt met zich dat IPS het feit dient te eerbiedigen dat werknemers, ook haar werknemers, vrij zijn al dan niet lid te zijn van een vakvereniging (art. 30 lid 2 Grondwet) en dat daarbij aan een vakvereniging geen andere eisen gesteld worden dan dat zij als doel (niet noodzakelijkerwijze als enige doel) hebben de rechten en belangen van hun werknemers te behartigen. Overigens is deze verplichting in dit geding niet aan de orde. En niet is gesteld of gebleken dat IPS deze verplichting niet nakomt.

Daarnaast is IPS gehouden te erkennen dat AHAB, die als een vakvereniging in de zin van de artikelen 30 en 31 Grondwet te beschouwen is, krachtens artikel 31 Grondwet bevoegd is om de rechten en belangen van de werknemers die zij vertegenwoordigt te verdedigen en voor hen op te komen. De vraag die met betrekking tot de onder 6.1 en 6.2 van het bestreden vonnis gegeven beslissingen in verband met deze grief beantwoord dient te worden, is dus of datgene waartoe IPS in die beslissingen veroordeeld is, redelijkerwijze voortvloeit uit artikel 31 Grondwet. Bij toetsing van deze veroordelingen, zoals zij door de kantonrechter geformuleerd zijn, aan artikel 31 Grondwet, komt het Hof tot het oordeel dat die vraag bevestigend beantwoord moet worden, zodat grief 4 faalt.

Ten overvloede overweegt het Hof dat IPS niet gehouden is AHAB te erkennen als een vakbond in de zin van artikel 3 DEVW, met wie zij gehouden zou zijn te onderhandelen omtrent het aangaan van een cao. Daarvoor immers stelt het DEVW immers aanvullende eisen en partijen zijn het erover eens dat AHAB aan die aanvullende eisen niet voldoet. Dat zij ambieert om daaraan in de toekomst wel te gaan voldoen, doet daaraan niet af.

7.6. Grief 5
Grief 5 voert tegen de beslissing onder 6.1 van het bestreden vonnis voorts nog aan dat de daarin aan haar opgelegde verplichting volstrekt onbepaalbaar en dus onuitvoerbaar is. Daarmee kan het Hof zich niet verenigen. Grief 5 faalt dus ook. Wel moet IPS worden toegegeven dat die verplichting nogal onbepaald is en het bevel dus ook tamelijk vaag. Het Hof gaat ervan uit dat dit ook de reden is dat de kantonrechter ervan afgezien heeft deze beslissing met een dwangsom te versterken, zoals door AHAB wel gevraagd was. Dat heeft tot gevolg dat, als partijen over de concrete naleving van het bevel een verschil van inzicht hebben dat zij niet zelf kunnen oplossen, zij dat in een nieuw geding aan de rechter zullen moeten voorleggen.

7.7. Grief 6
Tegen de beslissing onder 6.2 van het bestreden vonnis voert deze grief aan dat IPS niet in staat is eraan te voldoen omdat verwezen wordt naar de eisen die artikel 31 Grondwet stelt, terwijl dat artikel helemaal geen eisen aan vakverenigingen stelt. Dat laatste is op zichzelf juist, maar het Hof begrijpt dat in het bestreden vonnis hier een kennelijke schrijffout is opgetreden en dat de kantonrechter bedoelde te verwijzen naar artikel 30 Grondwet. Dat artikel stelt wel een eis, namelijk dat de vereniging in kwestie zich (onder meer) de behartiging van de rechten en belangen als werknemer van haar leden ten doel stelt. Aan dat vereiste voldoet AHAB. Overigens moet IPS worden toegegeven dat ook deze veroordeling weinig bepaald is en dat ook voor deze veroordeling een versterking door dwangsom niet op haar plaats zou zijn. Een dwangsomveroordeling is hier door de kantonrechter terecht dan ook niet opgelegd. De grief faalt.

7.8. Grief 7
Grief 7 richt zich tegen de beslissing onder 6.3 van het bestreden vonnis waarin IPS veroordeeld wordt AHAB te ontvangen voor een kennismakingsbezoek. De grief voert daartegen aan dat de kantonrechter aldus meer heeft toegewezen dan AHAB gevorderd had. Dat is niet geheel juist, omdat AHAB wel had gevorderd dat de kantonrechter zodanige maatregelen zou treffen als in het belang van partijen geraden zou worden geacht. Evenwel moet in verband met grief 4 ook de vraag worden gesteld of een plicht tot het ontvangen voor een kennismakingsbezoek redelijkerwijs uit artikel 31 Grondwet voortvloeit. Dat is naar het voorlopig oordeel van het Hof niet het geval. Als een werkgever met een nieuwe vakbond te maken krijgt, ligt het wel voor de hand dat hij daarmee kennis maakt en dan is een kennismakingsbezoek wel verstandig, maar het Hof verwacht niet dat het belang van partijen met een gedwongen kennismakingsbezoek gediend is. Deze grief slaagt dus en onderdeel 6.3 van het bestreden vonnis zal worden vernietigd. Onderdeel 6.4, houdende een dwangsombepaling die uitsluitend op onderdeel 6.3 betrekking heeft, moet dat lot delen.

7.9. Grief 8
Deze grief betoogt dat de kantonrechter (met name met de beslissingen onder 6.1 en 6.2) een blijvende rechtsverhouding tussen partijen heeft vastgelegd, waartoe ingevolge artikel 226 Rv de bevoegdheid ontbreekt. Deze grief is ongegrond. De kantonrechter mag inderdaad geen blijvende voorzieningen treffen, maar dat is hier ook niet gebeurd. Deze voorzieningen zijn wel degelijk tijdelijk, gelden immers krachtens artikel 229 Rv slechts totdat de bodemrechter anders zou beslissen. Zij kunnen slechts een blijvend karakter krijgen als partijen beiden (en bij voorkeur in goed onderling overleg) besluiten op basis van de door de voorlopige voorziening geschapen en in beginsel tijdelijke situatie hun verhouding blijvend voort te zetten en van een bodemgeding af te zien. De grief faalt.

7.10 Nu in dit hoger beroep beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld voor wat betreft de conventionele en reconventionele vordering zullen de proceskosten worden gecompenseerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

8.De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het Hof:

In conventie:
8.1 Vernietigt de onderdelen 6.3, 6.4 en 6.5 van het dictum van het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kortgeding van 7 augustus 2014 (A.R. no. 13-5227), waarvan beroep, en bekrachtigt de onderdelen 6.1 en 6.2 van het dictum van genoemd vonnis, onder verbetering van rechtsgronden;

In reconventie:
8.2 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kortgeding van 7 augustus 2014 (A.R. no. 13-5227), voor wat betreft de onderdelen van het dictum vermeld onder 6.6 en 6.7 waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:
8.3 Verbiedt AHAB om de werkwillige werknemers van IPS te verhinderen hun werkzaamheden bij IPS uit te voeren;
8.4 Veroordeelt AHAB tot betaling van een dwangsom van SRD.10.000,- per keer dat zij het verbod onder 8.3 vermeld overtreedt en wel tot een maximum van SRD.100.000,-;

In conventie en in reconventie:

8.5 Compenseert de proceskosten tussen partijen gevallen in dit hoger beroep en in eerste aanleg in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;
8.6 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr.I.S.Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 17 april 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan
Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K.V. Alakhramsing namens advocaat mr. R. Sohansingh, gemachtigde van appellante, terwijl geïntimeerde noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

SRU-K1-2020-56

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-3082
03 december 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

ENTERTAINMENT GROUP OF THE GUYANA’S NV,
gevestigd aan de Kleine Waterstraat no. 09 te Paramaribo,
eiseres,
hierna te noemen:de NV,
gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

tegen

[GEDAAGDE],
wonende aan [adres] te [stad]
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat.

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het in de onderhavige zaak tussen partijen gewezen en uitgesproken tussenvonnis d.d. 19 november 2020;
  • de conclusie tot overlegging producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten in conventie en in reconventie

2.1 De NV exploiteert een hotel en casino. De NV is de werkgeefster van [gedaagde].

2.2 [Gedaagde] heeft door de deurwaarder, Aniel Sewgobind blijkens diens exploten allemaal gedateerd 28 september 2020 respectievelijk met de nummers 254, 255, 256, 257, 258, 259 en 260 (welke exploten als productie II bij het inleidend verzoekschrift zijn overgelegd) conservatoir derden beslag doen leggen op alle gelden en geldswaarden van de NV die zich onder de in de exploten genoemde bankinstellingen bevinden.

2.3 [Gedaagde] heeft, na een daartoe door haar ingediend verzoekschrift d.d. 03 augustus 2020 (dat als productie I bij het inleidend verzoekschrift is overgelegd), bij beschikking van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 21 september 2020 toestemming verkregen tot het mogen leggen van de beslagen als zekerheid tot betaling van een maximumbedrag van US$ 25.000,-.

2.4 [Gedaagde] heeft aan het verzoek tot het mogen leggen van de beslagen het volgende gesteld:

– zij maakt aanspraak op:
1) achterstallig vakantiegeld van 2015 tot en met 2018:
2) salaris van maart 2020 tot en met 22 april 2020;
3) vakantiegeld van januari 2020 tot en met 22 april 2020,
en
4) loon en vakantiegeld over de periode 22 april 2020 tot en met 22 oktober 2020,
welke bedragen in totaal zijn begroot op US$ 25.292,-.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

In conventie en in reconventie

3.1 In conventie vordert de NV dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I) de opheffing gelast van de door [gedaagde] gelegde conservatoir derdenbeslagen bij exploot van deurwaarder Anielkoemar Sewgobind die allemaal zijn gedateerd
28 september 2020 respectievelijk met de nummers: 254, 255, 256, 257, 258, 259 en 260 op de daarin vermelde bankinstellingen;

II) de opheffing gelast van het door [gedaagde] gelegde beslag bij exploot van deurwaarder Anielkoemar Sewgobind d.d 29 september 2020 no. 261 op de daarin vermelde roerende goederen ;

III) [Gedaagde] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de NV te betalen het bedrag van SRD 41.276,-, zijnde de advocaatkosten, inclusief 8% omzetbelasting;

IV) [Gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 In conventie legt de NV aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] een onrechtmatige daad jegens haar pleegt, omdat in casu tussen partijen een arbeidsgeschil bestaat en [gedaagde] tot de beslagleggingen is overgegaan zonder zich vooraf te wenden tot de Arbeidsinspectie. De gelegde beslagen zijn onrechtmatig en vexatoir. Daartoe stelt de NV, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • de NV heeft ter afwikkeling c.q. beëindiging van de dienstbetrekking tussen partijen aan [gedaagde] een lump sum ad SRD 54.000,- (zijnde 7 maanden x 50% van het maandelijks salaris ad SRD 1.5000,-) aangeboden tot betaling, doch heeft [gedaagde] dit aanbod afgewezen;
  • na afwijzing van dit aanbod heeft [gedaagde] conservatoir derdenbeslag doen leggen op de bankrekeningen van de NV, terwijl [gedaagde] vanwege haar functie als manager er kennis van draagt dat de NV geen andere bankrekeningen beschikt;
  • ondanks de NV een bankgarantie ter hoogte van een bedrag ad US$ 25.000,- aan [gedaagde] heeft aangeboden ter opheffing van de gelegde beslagen, wordt dit door [gedaagde] geweigerd;
  • als gevolg van deze beslaglegging lijdt de NV schade, bestaande uit advocaatkosten ad SRD 41.276,-, om haar juridisch te doen bijstaan in de onderhavige zaak.

3.3 [Gedaagde] heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

3.4 In reconventie vordert [gedaagde] dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a) de NV veroordeelt om bij wege van voorschot aan haar te voldoen de advocaatkosten ad SRD 12.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 14 oktober 2020 tot aan die der algehele voldoening;
b) de NV veroordeelt in de kosten van het geding.

3.5 In reconventie legt [gedaagde] aan haar vordering ten grondslag dat de NV haar onnodig in het onderhavige proces heeft betrokken, omdat zij toestemming van de kantonrechter heeft verkregen om de beslagen te mogen leggen. Als gevolg hiervan heeft zij een advocaat in de arm moeten nemen om haar juridisch te doen bijstaan. De NV is haar de in dit verband gemaakte advocaatkosten ad SRD 12.000,- verschuldigd.

3.6 In reconventie heeft de NV verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1 In conventie

Tussenvonnis

4.1.1 De kantonrechter volhardt bij de inhoud van het tussen partijen gewezen en uitgesproken tussenvonnis d.d. 19 november 2020.

Gevorderde onder II

4.1.2 De NV is middels het hiervoor vermeld tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om het exploot van deurwaarder Anielkoemar Sewgobind d.d. 29 september 2020 no. 261, waarnaar zij in het inleidend verzoekschrift verwijst als productie III, alsnog ten processe over te leggen, en wel peremptoir. Dit, omdat – zoals onder 2.1 in het tussenvonnis is overwogen – de productie III waar de NV naar verwijst een exploot betreft met als datum 29 september 2020 met no. 262, welk exploot een mededeling inhoudt van de gelegde conservatoir derdenbeslagen onder de bankinstellingen gedaan door [gedaagde] aan de NV en niet een exploot inhoudende beslaglegging op roerende goederen van de NV en dat de kantonrechter bij het omspitten van het hele dossier geen exploot van beslaglegging op roerende goederen van de NV heeft aangetroffen.
Instede van het hiervoor vermeld exploot ten processe over te leggen, heeft de NV de exploten d.d. 28 september 2020 no. 254 tot en met no. 260 ten processe overgelegd. Nu de NV, ondanks daartoe voldoende in de gelegenheid te zijn gesteld, het bedoelde exploot niet ten processe heeft overgelegd als verificatie dat er conservatoir beslag op roerende goederen van de NV is gelegd, zal zij ter voorkoming van verdere stagnatie in het onderhavige proces niet meer in de gelegenheid worden gesteld het bedoelde exploot ten processe over te leggen en niet ontvankelijk worden verklaard in het gevorderde onder II. De kantonrechter zal zich daarom toespitsen op de conservatoir gelegde derdenbeslagen van welke beslagen de exploten wel in het procesdossier zijn aangetroffen, zijnde het gevorderde onder I.

Spoedeisend belang

4.1.3 De NV stelt als spoedeisend belang dat zij vanwege de beslagleggingen niet kan voldoen aan de salarissen van haar overige werknemers alsmede aan haar betalingsverplichtingen jegens derden. [Gedaagde] heeft het bovenstaande niet weerspoken, zodat het spoedeisend belang voldoende aannemelijk is voor de kantonrechter.

Toetsingscriteria bij opheffing conservatoir derdenbeslag

4.1.4 Ingevolge artikel 591 lid 1van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), welk artikel analoog kan worden toegepast op conservatoir derdenbeslagleggingen, dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt of indien behoorlijke zekerheid is gesteld voor of betaling heeft plaatsgehad van de som voor welke het beslag gelegd is.

Het door [gedaagde] ingeroepen recht

4.1.5 De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is of de NV salaris is verschuldigd aan [gedaagde], doch bestaat tussen hen een geschil over de hoogte van het verschuldigde bedrag, waaronder de hoogte van het maandelijks loon. Zo stelt de NV zich op het standpunt dat het maandelijks door [gedaagde] genoten loon
SRD 1.5000,- bedraagt, terwijl [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat het maandelijks door haar genoten loon US$ 3.000,- bedraagt. Ter staving van hun standpunten hebben partijen elk producties ten processe overgelegd. Daar de producties, twee loonslips die de NV heeft overgelegd en 3 vouchers die [gedaagde] heeft overgelegd, de kantonrechter onvoldoende houvast bieden om te kunnen concluderen wat de hoogte van het tussen partijen overeengekomen maandelijks loon is en zij in hun standpunten blijven volharden, zullen zij dit geschilpunt in bodemprocedure dienen te beslechten.

4.1.6 Zoals reeds hiervoor onder 4.1.5 is overwogen is tussen partijen niet in geschil dat de NV salaris aan [gedaagde] verschuldigd is, zodat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door [gedaagde] ingeroepen recht is gebleken.

Behoorlijke zekerheid

4.1.7 De NV heeft ter staving van haar stelling dat zij aan [gedaagde] een bankgarantie heeft aangeboden een fotokopie hiervan ten processe overgelegd. De kantonrechter constateert dat [gedaagde] niet is ingegaan op deze stelling van de NV en de ter zake door de NV ten processe overgelegde productie, zodat deze stelling als niet weersproken en voldoende onderbouwd vaststaat. De kantonrechter leidt uit de inhoud van de door de NV ten processe overgelegde bankgarantie gedateerd 01 oktober 2020, met als kopstuk “procesgarantie”, af dat deze is gegeven tot het beloop van het bedrag ad US$ 25.000,-. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag waarvoor [gedaagde] toestemming van de kantonrechter heeft verkregen tot het leggen van de beslagen. Zoals uit artikel 591 lid1 Rv en artikel 599 RV blijkt, is de kantonrechter gehouden de gelegde conservatoir derdenbeslagen op te heffen, indien behoorlijke zekerheid is gesteld voor het bedrag voor welke het beslag gelegd is. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt, dat de door [gedaagde] gelegde conservatoir derdenbeslagen dienen te worden opgeheven, waaruit voortvloeit dat het gevorderde onder I dient te worden toegewezen.

Advocaatkosten als schadepost

4.1.8 Op grond van hetgeen onder 4.1.7 in dit vonnis is overwogen, komt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat [gedaagde] geen enkel te respecteren belang heeft om de gelegde conservatoir derdenbeslagen onder de bankinstellingen te blijven handhaven, en dienen de beslagleggingen daarom als onrechtmatig te worden aangemerkt.

4.1.9 Vaststaat dat de NV als gevolg van dit onrechtmatig beslag een advocaat in de arm moest nemen om haar juridisch te doen bijstaan en daardoor schade heeft geleden. Ter staving van de door haar geleden schade heeft de NV een factuur overgelegd, van welk factuur [gedaagde] de hoogte van het bedrag niet voldoende heeft weersproken. [Gedaagde] voert enkel en alleen aan dat deze onrechtmatig en bovenmatig zijn, maar onderbouwt zulks niet. Daar er vanuit de Surinaamse Orde van Advocaten geen richtlijnen zijn of bestaan voor de vaststelling van het honorarium van advocaten en [gedaagde] de hoogte van het schadebedrag niet in voldoende mate heeft weersproken, zal het gevorderde onder III worden toegewezen doch met uitzondering van de medegevorderde omzetbelasting ad SRD 2.976,-, het vastrecht ad SRD 100,- en deurwaarderskosten voor oproep eerste behandeling ad SRD 1.000,-. Dit, omdat:

– ingevolge artikel 10 lid 2 van de Wet Omzetbelasting 1997 niet de NV die gebruik maakt van juridische bijstand de belastingplichtige is, maar diegene die de justitiabele c.q. de NV juridische bijstand verleend;
– het medegevorderde vastrecht en deurwaarderskosten voor oproep ingevolge artikel 61 Rv vallen onder de proceskosten.

Proceskosten

4.1.10 [Gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.
Deze omvatten tot de dag van de uitspraak blijkens:

a) de kwitantie van betaling d.d 05 oktober 2020 het vastrecht ad SRD 50,-;

b) en blijkens het exploot van de deurwaarder Halima Chiragally d.d. 16 oktober 2020, no. 377, de kosten voor oproep ad SRD 430,-, welke tot de dag van de uitspraak neerkomen op een totaal bedrag van SRD 480,-.

Overige stellingen en weren

4.1.11 De overige stellingen en weren behoeven geen bespreking, omdat die niet relevant worden geacht en tot geen enkel andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.2 In reconventie

4.2. 1 Misbruik van procesrecht

De kantonrechter begrijpt uit de stelling van [gedaagde] dat de NV misbruik maakt van procesrecht door haar onterecht in het onderhavige proces te betrekken. De kantonrechter komt op grond van hetgeen in conventie is overwogen tot de slotsom dat [gedaagde] niet onterecht in het onderhavige proces is betrokken, zodat van misbruik van procesrecht geen sprake is en evenmin van een onrechtmatige daad. Daarom zal het gevorderde in reconventie worden geweigerd.

4.2.2 Proceskosten

[Gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing in conventie en in reconventie

De kantonrechter in kort geding:

5.1 In conventie

5.1.1 Heft op de gelegde conservatoir derdenbeslagen bij exploot van deurwaarder Anielkoemar Sewgobind d.d. 28 september 2020 respectievelijk met de nummers 254, 255, 256, 257, 258, 259 en 260 op de daarin vermelde bankinstellingen.

5.1.2 Veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de NV te betalen de som van SRD 37.200,- (Zevenendertigduizend en Tweehonderd Surinaamse Dollar).

5.1.3 Verklaart hetgeen onder 5.1.1 en 5.1.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.1.4 Verklaart de NV niet ontvankelijk in het gevorderde onder II.

5.1.5 Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten die aan de zijde van de NV zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op SRD 480,- (Vierhonderd en Tachtig Surinaamse Dollar).

5.1.6 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

5.2 In reconventie

5.2.1 Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.2.2 Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten die aan de zijde van de NV zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis in conventie en in reconventie is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 03 december 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2015-6

G.R. no. 14970

 

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

 

[De vrouw],

wonende te [adres 1],

appellante, hierna aangeduid als “de vrouw”,

gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, advocaat,

 

tegen

 

[De man],

wonende te [adres 2],

geïntimeerde, hierna aangeduid als “de man”,

gemachtigde: mr. G.A.T.T. Sitaram, advocaat,

 

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 9 december 2013 (A.R. no. 11-3400) tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde,

 

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat de vrouw op 20 januari 2014 hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota d.d. 21 november 2014;

– de antwoordpleitnota d.d. 5 december 2014;

– de repliekpleitnota d.d. 19 december 2014;

– de dupliekpleitnota d.d. 16 januari 2015, met producties, overgelegd op 6 februari 2015;

– de conclusie tot uitlating producties d.d. 20 februari 2015, zijdens de vrouw.

 

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

 

  1. De feiten

2.1 Partijen zijn op 29 december 1993 te Paramaribo, buiten gemeenschap van goederen, met elkaar gehuwd.

2.2 Door het huwelijk van partijen is het thans meerderjarige kind [kind 1], geboren op [geboortedatum 1] te Paramaribo en op 9 juli 1993 te Paramaribo erkend door de man, gewettigd. Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum 2] te Paramaribo geboren het thans nog minderjarige kind [kind 2].

2.3 Bij vonnis van 9 december 2013 is in conventie de echtscheiding tussen partijen uitgespro-ken en is de man in zijn vordering in reconventie niet-ontvankelijk verklaard.

2.4 Tegen dat vonnis heeft de vrouw hoger beroep aangetekend.

 

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

3.1 De vrouw heeft op 20 januari 2014 appel aangetekend tegen het vonnis van 9 december 2013.

3.2 De vrouw was bij de uitspraak van voormeld vonnis niet ter terechtzitting aanwezig.

3.3 De griffiersbrief waarmee het vonnis ter kennis is gebracht van de vrouw heeft als dagtekening 7 januari 2014, waardoor de vrouw tijdig het appel heeft aangetekend en

daarin ontvankelijk is.

 

  1. De grieven

4.1 De vrouw heeft als grieven tegen het vonnis aangevoerd:

  1. dat de kantonrechter terecht tot de conclusie is gekomen dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan de man is te wijten; dit, omdat de man jarenlang een bedekte relatie had met een ander en zijn huwelijksplicht jegens de vrouw ernstig heeft verzaakt; dat de kantonrechter echter ten onrechte de opbrengst van de door de vrouw verkochte onroerende goederen in haar beslissing heeft betrokken, waardoor er geen plaats zou zijn voor toewijzing van de alimentatie; de vrouw is wel degelijk behoeftig en kan niet voldoende inkomsten verwerven om voor een belangrijk deel in haar levensonderhoud te kunnen voorzien; dat zij genoodzaakt was het onroerend goed te verkopen en dat de koopsom gelijk is gebruikt voor haar hypotheekaflossing en medische kosten en daardoor van dat bedrag niets meer over is.
  2. dat de man directeur is van een NV en voldoende draagkracht heeft om alimentatie aan haar te kunnen betalen.
  3. dat haar huidige mate van behoeftigheid mede wordt bepaald door de stand van welvaart die de vrouw en de man tijdens hun huwelijk genoten; het huwelijk heeft meer dan 17 jaar geduurd.

 

4.2 Op grond van voormelde grieven vordert de vrouw dat het vonnis in eerste aanleg wordt vernietigd en opnieuw rechtdoende de alimentatievordering van de vrouw alsnog wordt toegewezen.

 

  1. De beoordeling

5.1 Het Hof merkt op dat tegen de beslissing in reconventie geen grieven zijn aangevoerd, zodat het ervoor wordt gehouden dat het appel slechts betrekking heeft op de conventionele vordering.

5.2 De man heeft op de grieven gereageerd en daarbij onder andere ten aanzien van de eerste grief aangegeven dat het niet juist is dat de kantonrechter tot de conclusie is gekomen dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan hem, de man, is te wijten; de man betwist voorts dat hij jarenlang een bedekte relatie had en zijn huwelijksplicht jegens de vrouw ernstig heeft verzaakt; hij voert aan dat de vrouw zich bedient van onwaarheden die zijn eer en goede naam schaden; hij verwijst naar het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden in eerste aanleg, tijdens welke comparitie van partijen de vrouw heeft verklaard dat de duurzame ontwrichting aan hen beiden in gelijke mate te wijten is. Hij voert verder op de grieven aan dat de vrouw niet behoeftig is. Hij voert aan dat zij een ondernemer is, hetgeen blijkt uit de stukken overgelegd in eerste aanleg. Hij voert voorts aan dat de vrouw wel degelijk de gelegenheid heeft gehad om iets voor zichzelf op te bouwen en verwijst daarbij naar haar beroep als masseuse en het feit dat zij in de gelegenheid is gesteld om een restaurant op te zetten, hetgeen ook is gebeurd. Hij betwist voorts dat het perceel aan de Koosstraat verkocht moest worden vanwege een daarop rustende hypotheekschuld. Op het perceel aan de Kolonistenweg rustte wel een hypotheekschuld. De opbrengst van de verkoop van het perceel aan de Koosstraat is niet aangewend voor het aflossen van de schuld op het perceel aan de Kolonistenweg. Hij voert aan dat de verkoop van het perceel aan de Koosstraat voldoende middelen voor de vrouw moet hebben opgebracht en als die middelen thans reeds op zijn dan moet dat worden toegeschreven aan haar verkwistend karakter. Hij betwist dat zijn bedrijf thans op een wijze draait dat hij voldoende inkomsten heeft om aan de vrouw alimentatie te betalen. Zijn bedrijf draait thans juist niet zo goed.

5.3 Het Hof overweegt dat de eerste grief van de vrouw, waartegen de man verweer heeft gevoerd, aanvangt met haar constatering dat de kantonrechter terecht de conclusie heeft getrokken dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is.

5.4 Naar het oordeel van het Hof blijkt, gelijk de man in zijn verweer in appel stelt, uit het vonnis in eerste aanleg niet dat de kantonrechter de conclusie heeft getrokken dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is.

5.5 De vraag of de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan een partij te wijten is houdt verband met het bepaalde in artikel 278 van het Burgerlijk Wetboek (BW) waarin is bepaald dat bij een echtscheidingsvonnis aan een echtgenoot ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud kan worden toegekend indien de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan de andere echtgenoot te wijten is.

5.6 Het Hof overweegt dat uit artikel 278 BW voortvloeit dat de vraag of de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is, eerst moet worden beantwoord alvorens wordt overgegaan tot de beoordeling van de behoeftigheid van de vrouw en de draagkracht van de man.

5.7 Het Hof overweegt dat, gelijk de man stelt, tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg ook door de vrouw is gesteld dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk aan beide partijen te wijten is.

5.8 Het Hof overweegt voorts dat de vrouw in haar repliekpleitnota in appel op deze verklaring ingaat en aangeeft dat zij daarmee niet heeft toegegeven dat de duurzame ontwrichting in gelijke mate te wijten is aan elk der partijen.

5.9 Het Hof is het niet eens met de vrouw en overweegt dat de verklaring van de vrouw als volgt is vervat in het proces-verbaal van de comparitie van partijen: “(…) Ten aanzien van de duurzame ontwrichting kan ik stellen dat die aan beide partijen te wijten is geweest.” Naar het oordeel van het Hof is een dergelijke verklaring wel op te vatten als een verklaring waarin de vrouw bevestigt dat de duurzame ontwrichting aan beide partijen te wijten is waardoor van een omstandigheid zoals bedoeld in artikel 278 BW, namelijk dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de andere echtgenoot te wijten zou zijn, geen sprake is.

5.10 Nu ingevolge artikel 278 BW de vordering tot uitkering tot levensonderhoud van de ene echtgenoot jegens de andere echtgenoot slechts kan slagen indien de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de andere echtgenoot te wijten is en van dit laatste in casu geen sprake is, is de door de vrouw tegen de man ingestelde vordering tot uitkering tot levensonderhoud niet toewijsbaar.

5.11 Het Hof komt op grond van het hiervoor overwogene niet toe aan de bespreking van de overige grieven en zal het vonnis van de kantonrechter waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden, bevestigen.

[De vrouw] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten.

 

  1. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 9 december 2013 waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden.

6.2 Veroordeelt [de vrouw] in de proceskosten in dit hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

 

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid, en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 oktober 2015, in tegenwoordig-heid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

 

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

 

 

 

 

 

 

 

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. A. Codrington namens advocaat

  1. H.R. Lim A Po, gemachtigde van appellante, en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. C. Rambharos namens advocaat mr. G.A.T.T. Sitaram, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

 

 

 

  1. M.E. van Genderen-Relyveld