UITSPRAAK
HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 20/07
Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege
naar aanleiding van de klacht van:
[klager],
klager,
procederende in persoon,
tegen
[verweerder],
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
verweerder,
procederend in persoon,
De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.
1. Het verloop van de procedure
1.1. Bij brief door het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege) ontvangen op 26 juni 2020, heeft de Deken van de Orde van Advocaten (hierna: de Deken) de klacht ter kennis van het Tuchtcollege gebracht.
1.2. De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van 28 augustus 2020. [klager] heeft daarbij zijn klacht mondeling toegelicht en [verweerder] heeft zich mondeling verweerd. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, welke zich onder de processtukken bevindt.
1.3. De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing was hierna aanvankelijk bepaald op 23 oktober 2020 doch nader op heden.
2. De feiten
2.1. [verweerder] heeft namens zijn toenmalige cliënte, [naam], een zaak aanhangig gemaakt tegen [klager], bekend in het A.R. onder no. 11-730, in welke zaak [klager] werd bijgestaan door advocaat mr. S. Sheombar.
2.2. Gaandeweg het proces heeft de toenmalige cliënte van [verweerder] ter comparitie aangegeven dat zij [verweerder] nooit de opdracht te hebben gegeven om een zaak tegen [klager] in te stellen en verklaarde zij nooit een koop verkoop overeenkomst over een perceel te zijn aangegaan of een overeenkomst te hebben getekend.
3. De klacht en het verweer
3.1. De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat [verweerder] door het aanhangig maken van voormelde zaak [klager] onnodig kosten heeft laten maken en nog steeds met stress en spanning op een uitspraak wacht. [klager] stelt dat hij door de handelwijze van [verweerder] niet alleen in zijn vermogen is benadeeld maar ook in onzekerheid verkeert over zijn rechten als eigenaar van het perceel, aangezien er nog geen uitspraak is gedaan.
3.2. [klager] vraagt derhalve dat een gepaste maatregel tegen [verweerder] zal worden genomen.
3.3. [verweerder] heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.
4. De beoordeling
4.1. Alvorens inhoudelijk in te gaan op de stellingen en weren van partijen stelt het Tuchtcollege vast dat [klager] verzuimd heeft om de ingediende klacht te ondertekenen conform het bepaalde in artikel 40 lid 3 van de Advocatenwet (hierna AW). Ingevolge het bepaalde in artikel 40 lid 6 AW diende de Deken casu quo diens secretaris de gelegenheid te bieden aan [klager] om dit verzuim te herstellen hetgeen niet is geschied. Het Tuchtcollege zal volstaan met het voorgaande te constateren zonder daar enige consequentie aan te verbinden aangezien [klager] bij de mondelinge behandeling van de klacht heeft aangegeven achter de inhoud van de klacht te staan en gesteld noch gebleken is dat door het niet ondertekenen van de klacht [verweerder] in enig rechtens te respecteren belang is geschaad.
4.2. Ter beoordeling ligt thans de vraag of [verweerder] zich al dan niet schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Voorop gesteld wordt dat op advocaten, en dus ook op [verweerder], van toepassing zijn de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname (hierna de Ere-regelen). Ingevolge Ere-regel nummer 25 dient de advocaat zich steeds in gepaste termen uit te laten en alles te vermijden wat tot ongewenste incidenten, in het bijzonder van persoonlijke aard, aanleiding kan geven. In casu is aan de orde de vraag of [verweerder] tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
4.3. In de visie van het Tuchtcollege is uit het ingesteld onderzoek ter zitting na hoor en wederhoor niet gebleken dat [verweerder] onbetamelijk heeft gehandeld jegens [klager] door het aanhangig maken van de civiele procedure in conventie bekend in het Algemeen Register onder nummer 11-0730 namens [naam] voornoemd. Immers wordt de advocaat op zijn woord geloofd voor wat betreft het optreden namens een cliënte in rechte. Het feit dat de cliënte naderhand heeft ontkend opdracht aan [verweerder] gegeven te hebben om een zaak aanhangig te maken doet aan het voorgaande niet af. Immers is gesteld noch gebleken dat voornoemde [klager] een desaveuprocedure tegen [verweerder] aanhangig heeft gemaakt terwijl [verweerder] volhardt in zijn stelling dat hij opdracht heeft gehad van [klager] voornoemd. De stelling van [klager] dat [verweerder] ter zitting ten overstaan van de Kantonrechter zou hebben verklaard dat hij de originele documenten zou hebben gezien, is weersproken door [verweerder] en wordt verder nergens door gestaafd. Het had immers op de weg van [klager] gelegen om dat nader te adstrueren, hetgeen hij heeft nagelaten. De stelling van [klager] dat hij schade (materieel en immaterieel) zou hebben geleden ten gevolge van de gewraakte procedure is onder de hamer geweest van de Kantonrechter bij wege van een reconventionele vordering in bovengenoemde civiele procedure en daarin is er inmiddels vonnis gewezen en uitgesproken. Voor zover [klager] zich daarmede niet kan verenigen dient hij rechtsmiddelen daartegen aan te wenden. Voorts is gesteld doch niet gebleken dat [verweerder] documenten heeft vervalst en op grond van vervalste documenten een civiele zaak tegen [klager] aanhangig heeft gemaakt. Immers stelt [verweerder] de documenten van zijn toenmalige cliënte [naam] voornoemd te hebben ontvangen en een alternatief scenario daaromtrent is niet aannemelijk geworden in rechte. Dat de cliënte van [verweerder] naderhand heeft aangegeven geen documenten te hebben vervalst leidt ipso jure niet tot de conclusie dat het dan [verweerder] moet zijn geweest die de documenten heeft vervalst. Voor de aanname daarvan is er nog meer feitenmateriaal benodigd hetgeen tijdens het onderzoek van deze tuchtklacht niet boven water is gekomen. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien leidt in de visie van het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht tegen [verweerder] is gebleken ongegrond te zijn.
4.4. Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig en zal dat achterwege laten.
5. De beslissing
Het Tuchtcollege:
Verklaart de klacht tegen [verweerder] ongegrond.
Aldus gewezen door mr. A. Charan, voorzitter, mr. R.M.F. Oemar en mr. G. Ramai-Badal, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 27 november 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Wouter en mr. G. Ramai-Badal, leden, alsmede de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.
De secretaris,
mr. M.S. Wesenhagen
De voorzitter,
mr. A. Charan
De leden,
mr. R.M.F. Oemar
mr. G. Ramai-Badal