SRU-ATC-2020-11

UITSPRAAK
HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE

no. 20/07

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[klager],
klager,
procederende in persoon,

tegen

[verweerder],
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
verweerder,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Bij brief door het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege) ontvangen op 26 juni 2020, heeft de Deken van de Orde van Advocaten (hierna: de Deken) de klacht ter kennis van het Tuchtcollege gebracht.

1.2. De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van 28 augustus 2020. [klager] heeft daarbij zijn klacht mondeling toegelicht en [verweerder] heeft zich mondeling verweerd. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, welke zich onder de processtukken bevindt.

1.3. De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing was hierna aanvankelijk bepaald op 23 oktober 2020 doch nader op heden.

2. De feiten

2.1. [verweerder] heeft namens zijn toenmalige cliënte, [naam], een zaak aanhangig gemaakt tegen [klager], bekend in het A.R. onder no. 11-730, in welke zaak [klager] werd bijgestaan door advocaat mr. S. Sheombar.

2.2. Gaandeweg het proces heeft de toenmalige cliënte van [verweerder] ter comparitie aangegeven dat zij [verweerder] nooit de opdracht te hebben gegeven om een zaak tegen [klager] in te stellen en verklaarde zij nooit een koop verkoop overeenkomst over een perceel te zijn aangegaan of een overeenkomst te hebben getekend.

3. De klacht en het verweer

3.1. De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat [verweerder] door het aanhangig maken van voormelde zaak [klager] onnodig kosten heeft laten maken en nog steeds met stress en spanning op een uitspraak wacht. [klager] stelt dat hij door de handelwijze van [verweerder] niet alleen in zijn vermogen is benadeeld maar ook in onzekerheid verkeert over zijn rechten als eigenaar van het perceel, aangezien er nog geen uitspraak is gedaan.

3.2. [klager] vraagt derhalve dat een gepaste maatregel tegen [verweerder] zal worden genomen.

3.3. [verweerder] heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1. Alvorens inhoudelijk in te gaan op de stellingen en weren van partijen stelt het Tuchtcollege vast dat [klager] verzuimd heeft om de ingediende klacht te ondertekenen conform het bepaalde in artikel 40 lid 3 van de Advocatenwet (hierna AW). Ingevolge het bepaalde in artikel 40 lid 6 AW diende de Deken casu quo diens secretaris de gelegenheid te bieden aan [klager] om dit verzuim te herstellen hetgeen niet is geschied. Het Tuchtcollege zal volstaan met het voorgaande te constateren zonder daar enige consequentie aan te verbinden aangezien [klager] bij de mondelinge behandeling van de klacht heeft aangegeven achter de inhoud van de klacht te staan en gesteld noch gebleken is dat door het niet ondertekenen van de klacht [verweerder] in enig rechtens te respecteren belang is geschaad.

4.2. Ter beoordeling ligt thans de vraag of [verweerder] zich al dan niet schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Voorop gesteld wordt dat op advocaten, en dus ook op [verweerder], van toepassing zijn de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname (hierna de Ere-regelen). Ingevolge Ere-regel nummer 25 dient de advocaat zich steeds in gepaste termen uit te laten en alles te vermijden wat tot ongewenste incidenten, in het bijzonder van persoonlijke aard, aanleiding kan geven. In casu is aan de orde de vraag of [verweerder] tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.3. In de visie van het Tuchtcollege is uit het ingesteld onderzoek ter zitting na hoor en wederhoor niet gebleken dat [verweerder] onbetamelijk heeft gehandeld jegens [klager] door het aanhangig maken van de civiele procedure in conventie bekend in het Algemeen Register onder nummer 11-0730 namens [naam] voornoemd. Immers wordt de advocaat op zijn woord geloofd voor wat betreft het optreden namens een cliënte in rechte. Het feit dat de cliënte naderhand heeft ontkend opdracht aan [verweerder] gegeven te hebben om een zaak aanhangig te maken doet aan het voorgaande niet af. Immers is gesteld noch gebleken dat voornoemde [klager] een desaveuprocedure tegen [verweerder] aanhangig heeft gemaakt terwijl [verweerder] volhardt in zijn stelling dat hij opdracht heeft gehad van [klager] voornoemd. De stelling van [klager] dat [verweerder] ter zitting ten overstaan van de Kantonrechter zou hebben verklaard dat hij de originele documenten zou hebben gezien, is weersproken door [verweerder] en wordt verder nergens door gestaafd. Het had immers op de weg van [klager] gelegen om dat nader te adstrueren, hetgeen hij heeft nagelaten. De stelling van [klager] dat hij schade (materieel en immaterieel) zou hebben geleden ten gevolge van de gewraakte procedure is onder de hamer geweest van de Kantonrechter bij wege van een reconventionele vordering in bovengenoemde civiele procedure en daarin is er inmiddels vonnis gewezen en uitgesproken. Voor zover [klager] zich daarmede niet kan verenigen dient hij rechtsmiddelen daartegen aan te wenden. Voorts is gesteld doch niet gebleken dat [verweerder] documenten heeft vervalst en op grond van vervalste documenten een civiele zaak tegen [klager] aanhangig heeft gemaakt. Immers stelt [verweerder] de documenten van zijn toenmalige cliënte [naam] voornoemd te hebben ontvangen en een alternatief scenario daaromtrent is niet aannemelijk geworden in rechte. Dat de cliënte van [verweerder] naderhand heeft aangegeven geen documenten te hebben vervalst leidt ipso jure niet tot de conclusie dat het dan [verweerder] moet zijn geweest die de documenten heeft vervalst. Voor de aanname daarvan is er nog meer feitenmateriaal benodigd hetgeen tijdens het onderzoek van deze tuchtklacht niet boven water is gekomen. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien leidt in de visie van het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht tegen [verweerder] is gebleken ongegrond te zijn.

4.4. Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig en zal dat achterwege laten.

5. De beslissing

Het Tuchtcollege:

Verklaart de klacht tegen [verweerder] ongegrond.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, voorzitter, mr. R.M.F. Oemar en mr. G. Ramai-Badal, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 27 november 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Wouter en mr. G. Ramai-Badal, leden, alsmede de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
mr. M.S. Wesenhagen

De voorzitter,
mr. A. Charan

De leden,
mr. R.M.F. Oemar
mr. G. Ramai-Badal

 

 

 

SRU-HvJ-2015-5

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
[APPELLANTE],
wonende in [district 1],
appellante,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

 

tegen

 

[GEINTIMEERDE],

wonende in Nederland,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

 

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 07 oktober 2008 (A.R.NO. 051378) tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde sub A,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • De verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellante op 04 oktober 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
  • De pleitnota de dato 04 november 2011;
  • De antwoordpleitnota de dato 03 februari 2012;
  • De repliekpleitnota de dato 02 maart 2012;
  • De dupliekpleitnota de dato 01 juni 2012;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 19 oktober 2012 doch nader op heden;

De beoordeling

  1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

Appellante heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat geïntimeerde zal worden veroordeeld om ten overstaan van notaris mr. D. Alexander of diens waarnemer juridisch te leveren het erf met daarop staande gebouwen groot 278,50 m² gelegen in het [distrikt 2] ten zuiden van de [weg], deel uitmakende van de vestigingsplaats [plaats] en bekend als serie [letter] no.[nummer 1]. Voorts heeft zij gevorderd dat zij zal worden gemachtigd om indien geïntimeerde in gebreke mocht blijven om op plaats en tijd door voornoemde notaris of diens waarnemer of opvolger vast te stellen, te verschijnen te diens kantore voor de juridische levering c.q. transport van het voorschreven recht van grondhuur, of verschenen zijnde weigeren mocht aan bedoelde levering c.q. bedoeld transport mede te werken, dit vonnis in de plaats te doen stellen van de ontbrekende partijverklaring van geïntimeerde. Tevens vordert zij dat zal worden bepaald dat de aldus opgemaakte transportakte rechtsgeldig in de daartoe bestemde openbare registers kan worden overgeschreven en daardoor het recht van grondhuur op genoemd onroerend goed op de appellante zal overgaan. Daarnevens vordert zij dat geïntimeerde zal worden veroordeeld tegen kwijting te betalen het bedrag van SRD. 25.550,- vermeerderd met de rente hierover ad 6% per jaar vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening, alsmede het bedrag van SRD. 350,= per maand van en met de maand april 2005 tot en met de maand waarin de juridische levering zal hebben plaatsgevonden. Tenslotte vordert zij veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding.

1.1. De kantonrechter heeft bij vonnis van 07 oktober 2008 appellante niet ontvankelijk verklaard in haar vordering en haar in de proceskosten veroordeeld.

2.1. Appellante heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsman op 04 oktober 2010 appèl aangetekend tegen het vonnis van 07 oktober 2008. Tevens blijkt uit de gedingstukken dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg ter terechtzitting aanwezig zijn geweest en dat de Griffier bij aangetekend schrijven gedateerd 29 september 2010 voormeld vonnis aan partijen heeft doen toekomen. Gelet op het voorgaande heeft appellante ingevolge het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

2.2. Appellante heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende – ook in hoger beroep – vast tussen partijen:

2.2.1. Op 26 februari 1972 zijn appellante en [naam 1] in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Op 15 februari 1983 is dit huwelijk middels inschrijving van het echtscheidingsvonnis in de daartoe bestemde registers ontbonden.

2.2.2. Tijdens het huwelijk had [naam 1] bij beschikking van 19 februari 1975 D no. [nummer 2] ter bebouwing en bewoning gekregen: “het erf groot 278,50 m² gelegen in het distrikt Suriname ten zuiden van de Oost-West verbinding, deel uitmakende van de vestigingsplaats Meerzorg en bekend als serie A no. 1a6”.

2.2.3. In een verzoekschrift getekend door appellante en [naam 1] d.d. 6 april 1983, welk verzoekschrift aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie was gericht, staat onder meer vermeld:

“Geeft met verschuldigde eerbied te kennen, [naam 1], wonende in het distrikt Suriname te Meerzorg Serie A no. 1a6.

Dat bij beschikking van 19 februari 1975 D no. 269, ter bebouwing en bewoning in huur is afgestaan, het erf groot 278,50 m², gelegen in het distrikt Suriname, ten Zuiden van de Oost-Westverbinding, deel uitmakende van de vestigingsplaats Meerzorg en bekend als serie A no. 1a6,

dat hij ter plaatse een huis heeft neergezet, en het erf heeft onderhouden, dat hij thans de opstallen en beplantingen op het bovengenoemde erf aan [naam 2], wonende in het distrikt Suriname te Meerzorg Serie A no. 1a6, die ten blijke van instemming dit verzoekschrift mede heeft ondertekend, wenst over te dragen.

Redenen waarom hij U verzoekt het daarheen te willen leiden dat het bovengenoemd erf op naam van [naam 2] wordt gesteld.”

2.2.4. [naam 1] is op 17 januari 1999 overleden. Zijn erfgenamen zijn, onder andere, geïntimeerde.

2.3. Naast voormelde vaststaande feiten heeft appellante – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing van belang – aan haar vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat geïntimeerde wanprestatie jegens haar pleegt aangezien zij danwel de overleden [naam 1] in strijd met hetgeen hij met appellante was overeengekomen eenzijdig het verzoekschrift van 6 april 1983 heeft ingetrokken en vervolgens heeft doen vervangen door het verzoek aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie om het erf als voormeld in grondhuur aan hem af te staan. Bedoelde erf is in grondhuur aan geïntimeerde afgestaan.

2.4. De geïntimeerde heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang- aangevoerd dat het huurrecht een persoonlijk karakter draagt en niet in een huwelijksgemeenschap kan vallen. Dat betekent in onderhavige zaak dan ook dat slechts wijlen [naam 1] zulks heeft verworven. De woning (beterschap) zou eventueel in de toen bestaande huwelijksgoederengemeenschap kunnen vallen, het perceelland echter niet. Voorts ontkent zij vanwege gebrek aan verificatoiren dat niet is voldaan aan de publicatieplicht en de plicht tot het vragen van advies aan de Districts-Commissaris. Voorts heeft geïntimeerde bij antwoord een exemplaar van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, bekend onder A.R. no. 99/3619 ten processe overgelegd en daaruit de navolgende overweging geciteerd en tot de hare gemaakt, te weten (begin citaat) “dat krachtens artikel 14 lid 1 van het decreet uitgifte domeingrond het recht van grondhuur een zakelijk recht is om het vrije genot te hebben van een stuk domeingrond onder gehoudenis om deze grond overeenkomstig de door de Staat daaraan bij de vestiging gegeven bestemming en bepalingen te benutten. Het recht wordt eenzijdig door de Staat verleend. Ingevolge dit artikel mag de burger niet beschikken over die domeingrond, behorende het erf immers de Staat toe. De gezamenlijke erfgenamen van [naam 1] beschikken niet over het voren omschreven erf en kan daarom ook niet veroordeeld worden tot levering daarvan” (einde citaat).

2.5. In hoger beroep concludeert appellante – kort gezegd – tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en opnieuw rechtdoende tot alsnog toewijzing van haar gerectificeerde vordering.

2.6. Daartoe heeft appellante tegen voormeld vonnis het navolgende aangevoerd. De kantonrechter is bij de beoordeling van appellante’s vordering ten onrechte er aan voorbij gegaan dat blijkens het fundamentum petendi appellante evident de juridische levering van het recht van grondhuur op het litigieuze perceelland wenst te vorderen. Indien de kantonrechter een comparitie van partijen had gehouden voor het verschaffen van inlichtingen dan was daarmede het processueel belang van beide partijen gediend. Door de beslissing van de kantonrechter zijn beide procespartijen onnodig verrast zonder dat hierdoor een oplossing is gekomen in het tussen partijen bestaand geschil. Voorts heeft appellante alsnog verzocht om het oorspronkelijk petitum te rectificeren in dier voege dat onder sub A van het petitum in de vierde regel tussen de woorden “leveren”… en “ het erf” worde toegevoegd de navolgende zinsnede: “het recht van grondhuur op..”.

2.7. Geïntimeerde heeft zich in hoger beroep – kort gezegd – verzet tegen toewijzing van de verzochte rectificatie van het petitum en geconcludeerd tot bevestiging van het beroepen vonnis.

2.8. Het hof zal allereerst ingaan op de verzochte rectificatie. Uit de gedingstukken in eerste aanleg blijkt dat appellante dat reeds bij repliek had verzocht (in het 2e sustenu). Geïntimeerde had zich daar niet tegen verzet maar de kantonrechter is daar in het vonnis niet op ingegaan. Thans verzoekt appellante dat andermaal en nu in hoger beroep terwijl geïntimeerde zich daar wel tegen verzet met een beroep op het bepaalde in de artikelen 271 e.v. WvBRv. Naar het oordeel van het hof is het verweer van geïntimeerde daartegen ongegrond. Immers blijkt niet dat het betreft een nieuwe eis casu quo een vermeerdering van eis. Evenmin blijkt dat door toewijzing daarvan het geding onredelijk wordt vertraagd casu quo geïntimeerde in haar belangen wordt geschaad. Derhalve zal het hof aan appellante ter zake van de gevorderde rectificatie – hetwelk eerder een aanvulling behelst -akte verlenen, onder voorbijgaan aan het daartegen gevoerd verweer zijdens geïntimeerde.

2.9. Thans zal het hof overgaan tot bespreking van de aangevoerde grief zijdens appellante. Naar het oordeel van het hof haalt de door appellante aangevoerde grief het niet in rechte en dient te worden verworpen. Gelet op het aangevoerde feitenmateriaal, te weten het feit dat het recht van grondhuur op het litigieuze perceelland is verleend aan de heer [naam 1], die inmiddels – op 17 januari 1999 – is overleden, terwijl geïntimeerde de enige erfgenaam is die weigert om aan de overdracht van het recht van grondhuur mede te werken, komt het hof tot de slotsom dat het recht van grondhuur niet door de erfgenamen van dhr. [naam 1] voornoemd kan worden overgedragen. Dienaangaande heeft de kantonrechter terecht overwogen dat de erfgenamen van de gewezen grondhuurder beschikkingsonbevoegd zijn om domeingrond over te dragen. Immers zijn de erfgenamen afhankelijk van de toestemming van de Staat om de overdracht te realiseren en kunnen zij niet eigenmachtig daartoe overgaan. In het verlengde hiervan kunnen zij daartoe evenmin worden veroordeeld. Immers dienen de erfgenamen indachtig het bepaalde in artikel 16 van het Decreet Uitgifte Domeingrond, binnen achttien (18) maanden na het overlijden van de gewezen grondhuurder èèn van hen aan te wijzen op wiens naam het recht van grondhuur zal overgaan, bij gebreke waarvan het recht van grondhuur van rechtswege vervalt en – behoudens overmacht – terug keert in de boezem van de Staat. Nu gesteld noch gebleken is dat de erfgenamen van [naam 1] binnen achttien (18) maanden na zijn overlijden één van hen hebben aangewezen op wie het recht van grondhuur zal overgaan casu quo er sprake zou zijn geweest van overmacht aan hun zijde, zal het hof het er in dit geding voor houden dat het litigieus perceelland is terug gekeerd in de boezem van de Staat en dat de erfgenamen van [naam 1] niet gerechtigd zijn om het recht van grondhuur daarop over te dragen. Het onderdeel van het gevorderde dat de geldvordering betreft komt als sequeel van de gevorderde overdracht van het litigieus recht van grondhuur evenmin voor bespreking in aanmerking.

2.10.Ten aanzien van het vermeend nalaten van de kantonrechter om een comparitie van partijen te gelasten teneinde inlichtingen in te winnen oordeelt het hof dat dat tot de beleidsvrijheid van de kantonrechter behoort die dat naar eigen inzichten en believen invult. Voor zover appellante stelt dat de kantonrechter een zgn, “verrassingsbeslissing” heeft gegeven oordeelt het hof dat geïntimeerde het daartoe strekkend verweer in eerste aanleg bij antwoord – onder aanhaling van het vonnis bekend in het A.R. onder no. 99/3619 – heeft aangevoerd en dat de kantonrechter daarop is ingegaan in het vonnis. Van een “verrassingsbeslissing” is er derhalve geen sprake geweest;

2.11.Gelet op al het voorgaande zal het hof voorbij gaan aan al hetgeen appellante dienaangaande heeft aangevoerd. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat het beroepen vonnis dient te worden bevestigd. De proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen zullen voor rekening van appellante dienen te komen en zullen worden begroot als in het dictum te melden;

 

  1. De beslissing in hoger beroep

Het hof:

3.1. Verleent appellante akte van rectificatie casu quo aanvulling van het petitum van het inleidend rekest als verzocht;

3.2. Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 07 oktober 2008, bekend in het Algemeen Register onder no. 051378, waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden.

3.3. Veroordeelt appellante in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. M.C. Mettendaf, Leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 20 maart 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. C.A. Meijnaar namens de gemachtigden van partijen, advocaat mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van appellante en advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van geïntimeerde.

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-ATC-2021-2

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
No. 20/06

Beslissing van het Advocatentuchtcollege

Naar aanleiding van de klacht van:

[Klager],
klager,
procederend in persoon,

tegen

[Verweerder],
verweerder,
de advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Dit blijkt uit het volgende:

  • bij schrijven van 12 september 2019 heeft klager bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna de Deken) een klacht ingediend tegen verweerder;
  • de Deken heeft de klacht met bijbehorende producties op 28 mei 2020 ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het tuchtcollege);
  • de klacht is behandeld op 09 oktober 2020 ter zitting van het tuchtcollege, waarvan proces-verbaal is opgemaakt;
  • klager heeft hierna op 11 oktober 2020 per email producties toegezonden aan het tuchtcollege;
  • de conclusie tot uitlating met producties zijdens verweerder d.d. 12 oktober 2020;
  • de conclusie tot uitlating met producties zijdens klager;
  • verweerder heeft tenslotte gepersisteerd.

1.2 De beslissing is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Op 29 juni 2018 heeft klager verweerder benaderd voor rechtsbijstand in een geldvorderingszaak tegen de persoon van [naam]. Klager heeft ter voorbereiding van de zaak diverse relevante documenten overhandigd aan verweerder. Tot deze documenten behoorde ook een onderhandse schriftelijke vrijwaring, volgens klager ondertekend door [naam] voornoemd.

2.2 Verweerder vond die schriftelijke vrijwaring een redelijke basis om bij de rechter een verzoek tot beslaglegging ten behoeve van klager te doen. Aangezien klager zich niet kon terugvinden in het door verweerder gevraagde honorarium heeft hij aan verweerder het verzoek gedaan om een pas op de plaats te maken.

2.3 Klager heeft hierna een andere advocaat benaderd om het proces op te starten. Het proces staat bekend onder A.R. no. [nummer]. Hiervan heeft klager geen mededeling gedaan aan verweerder.
In het proces bekend onder A.R. no. [nummer] heeft verweerder zich gesteld als gemachtigde van [naam].

3. De klacht
De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld een en ander als bedoeld in artikel 37 van de Advocatenwet. Volgens klager heeft verweerder de door klager aan hem verstrekte informatie en documenten in het hiervoor vermelde proces gebruikt tegen klager zelf ten behoeve van de tegenpartij.

4. De beoordeling
4.1 Verweerder voert aan dat hij slechts een intake gesprek heeft gehad met klager over de zaak en dat klager voor het laatst aan hem heeft voorgehouden dat hij een andere manier had gevonden om de zaak op te lossen. Hij heeft hierna niets meer vernomen van klager. Verweerder werd door een vrouw – achteraf gebleken namens [naam]- benaderd voor het verlenen van rechtsbijstand. Pas toen hij de documenten van deze mevrouw bekeek constateerde hij dat klager de tegenpartij was en dat de zaak betrekking had op de door klager en hem, verweerder, eerder besproken case. Uit de toen aan hem overhandigde documenten merkte hij op dat klager inmiddels beslag had doen leggen door tussenkomst van een andere advocaat, maar dat klager hem daarover niet had geïnformeerd. Gebleken was dat het beslag gelegd was op een perceel van [naam]. Verweerder verklaart verder de mevrouw te hebben voorgehouden dat klager eerder bij hem is geweest voor rechtsbijstand in dezelfde case, maar dat hij verder geen opdracht van klager had gehad. Aangezien er geen bezwaren waren aan de zijde van [naam] heeft verweerder op diens verzoek een kort geding aangespannen tegen klager tot opheffing van het beslag. Volgens verweerder heeft hij geen documenten en/of informatie van klager gebruikt in het proces welke hij gevoerd heeft ten behoeve van [naam]. Verweerder meent ook dat er geen sprake is van belangenverstrengeling.

4.2 De vraag die in het onderhavige geval dient te worden beantwoord, is of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld nu hij als advocaat is opgetreden voor de tegenpartij nadat hij eerder door klager was benaderd in dezelfde zaak. Vast staat tussen partijen dat verweerder voor dezelfde zaak was benaderd door klager terwijl verweerder ook uitgebreid was geïnformeerd over de zaak door klager. Hierdoor beschikte verweerder ook over vertrouwelijke informatie over de zaak. Onder deze omstandigheden had van verweerder verwacht mogen worden dat hij – alvorens te besluiten op te treden als advocaat voor de tegenpartij – niet alleen [naam] had geïnformeerd over zijn “relatie” met klager maar vooral klager had moeten informeren over zijn voornemen om als advocaat op te treden voor de tegenpartij [naam]. Immers, de cliënt mag erop vertrouwen dat wat hij de advocaat toevertrouwt, onderdeel is van de vertrouwelijkheid en dat dit niet tegen hem wordt gebruikt. Aangezien het dezelfde zaak betrof was het niet onvermijdelijk dat datgene wat klager in alle vertrouwen had medegedeeld aan verweerder ook tegen hem zou worden gebruikt. Ingevolge het onder hoofdregel I onder b van de Ere-regelen voor de advocaten in Suriname (hierna de Ere-regelen) bepaalde, dient de advocaat in de uitoefening van het beroep de hem toevertrouwde belangen te verdedigen voor zover en zoals eer en geweten en de eisen ener goede rechtsbedeling hem dat veroorloven of voorschrijven, en steeds de goede trouw in acht te nemen. Door op te treden als advocaat voor de tegenpartij van klager in dezelfde zaak, nadat hij uitgebreid daarover was geïnformeerd door klager en laatstgenoemde niet hierover te hebben ingelicht heeft verweerder in strijd gehandeld met de hiervoor vermelde regel van de Ere-regelen, hetgeen tuchtrechtelijk verwijtbaar is en in strijd met de zorgplicht als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet.

4.3 Het beroep van verweerder dat hij slechts een intake gesprek heeft gehad met klager gaat niet op. Verweerder heeft immers herhaaldelijk, zowel telefonisch als over de mail, informatie over de zaak ontvangen van klager waarbij hij klager tevens heeft geadviseerd over de mogelijkheid tot het leggen van beslag ten laste van de tegenpartij.Naar het oordeel van het tuchtcollege kan in deze fase niet meer worden gesproken van “slechts” een intake gesprek, ongeacht de omstandigheid dat verweerder en klager nog bezig waren te onderhandelen over de prijs.

4.4 Op grond van het hiervoor overwogene, in onderlinge samenhang beschouwd, acht het tuchtcollege de klacht tegen verweerder gegrond. Het tuchtcollege acht het passend en geboden om aan verweerder op te leggen de maatregel van een enkele waarschuwing. Hierbij neemt het tuchtcollege ook mee de omstandigheid dat klager heeft nagelaten om verweerder te informeren dat hij geen prijs meer stelde op de diensten van verweerder en dat hij een andere advocaat had benaderd om hem bij te staan, hetgeen wel van klager mocht worden verwacht.

4.5 Het tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5. De beslissing
Het tuchtcollege:

Verklaart de klacht tegen verweerder gegrond.

Legt aan verweerder op de maatregel van een enkele waarschuwing.

 

Aldus gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, plv. voorzitter, mr. S. Sheombar en J.R. Wouter, leden, en door de plv. voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 08 januari 2021 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

 

 

De secretaris, De plv. voorzitter,

 

w.g. w.g.

Mr. M.S. Wesenhagen mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran

 

De leden,

w.g.
mr. S. Sheombar

 

w.g
mr. J.R. Wouter

 

 

 

 

SRU-HvJ-2015-4

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende in [adres 1],
appellant, hierna aangeduid als [appellant],
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [adres 2],
geïntimeerde, hierna aangeduid als [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. L. Punwasi-Raghoebier, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 9 februari 2010 (A.R. no. 070015) tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] bij schrijven van zijn procesgemachtigde op 10 maart 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 6 juli 2012;
  • de antwoordpleitnota d.d. 15 maart 2013;
  • de repliekpleitnota d.d. 5 april 2013;
  • de dupliekpleitnota d.d. 17 januari 2014, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [appellant] d.d. 21 februari 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De ontvankelijkheid
2 [appellant] is niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak. Het vonnis is bij griffiersbrief van 19 februari 2010 aan partijen toegezonden.
[appellant] heeft bij schrijven van zijn procesgemachtigde op 10 maart 2010 appèl aangetekend.
Gelet op het voorgaande heeft [appellant] tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn is geschied, zodat hij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De feiten
3.1 [geïntimeerde] en de zoon van [appellant] hebben een duurzame relatie gehad, die inmiddels is gestrand.

3.2 [geïntimeerde] heeft op 10 augustus 2006 een stuk ondertekend dat als kop draagt “verkoopvolmacht”.
In dit stuk staat – voor zover van belang – het volgende:
“[geintimeerde], (…)
verklaren hierbij LAST EN VOLMACHT te geven aan [appellant], (…)
tot de verkoop en levering van:
1. het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot eenduizend tweehonderd vijf en negentig, zeven en zestig/honderdste vierkante meters, gelegen in het distrikt Wanica, aangeduid op de kaart van de landmeter H. Soedhwa de dato zes en twintig maart negentienhonderd acht en negentig met de letters ILKJ en met het nummer 4,
2. het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot eenduizend tweehonderd vijf en negentig, zeven en zestig/honderdste vierkante meters, gelegen in het distrikt Wanica, aangeduid op de kaart van de landmeter H. Soedhwa de dato zes en twintig maart negentienhonderd acht en negentig met de letters LMNK en met het nummer 5,
3. het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot eenduizend tweehonderd vijf en negentig, zeven en zestig/honderdste vierkante meters, gelegen in het distrikt Wanica, aangeduid op de kaart van de landmeter H. Soedhwa de dato zes en twintig maart negentienhonderd acht en negentig met de letters MPON en met het nummer 6,
(…)
Aan zichzelve of aan derden, voor een zodanige koopsom als de lasthebber zal goed vinden, de koopsom te ontvangen en daarvoor te kwijten, alle nodige akten en stukken te passeren en te tekenen, het verkochte te leveren in eigendom en verder alles te doen wat tot voormeld einde nodig zal zijn, zonder enige nadere lastgeving te behoeven, alles met de macht van substitutie.”

3.3 Op het onder 3.2 vermeld stuk, hierna aangeduid als “de verkoopvolmacht”, is namens de burgemeester van gemeente ’s-Gravenhage aangetekend dat het betreffend stuk is gezien voor legalisatie van de handtekening van [geïntimeerde].

3.4 [appellant] heeft, met gebruikmaking van de verkoopvolmacht, bij akte van koop en verkoop d.d. 29 september 2006 verleden voor notaris mr. drs. P. Bishoen, de onder 3.2 genoemde percelen, hierna aangeduid als “de percelen”, aan zichzelf verkocht. In deze akte – hierna aangeduid als “de verkoopakte” – is vermeld dat de koopsom
SRD 11.661,= bedroeg, welke som geld de verkoper verklaarde ten volle van de koper te hebben ontvangen en waarvoor kwijting is verleend.

3.5 Bij verklaring van 10 november 2006 ten overstaan van een in Nederland residerende notaris is door [geïntimeerde] de verkoopvolmacht ingetrokken. Bij schrijven d.d. 14 november 2006 van notaris G.M.R.S. Ramautar is [appellant] bericht dat de hem verleende onderhandse volmacht d.d. 10 augustus 2006 door [geintimeerde] is ingetrokken en buiten werking is gesteld.

3.6 [geïntimeerde] heeft, na daartoe verkregen toestemming, bij exploot van deurwaarder
Tj. Jhagroe d.d. 15 januari 2007, no. 40, conservatoir beslag doen leggen op de percelen.

De procedure in eerste aanleg
4.1 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, zoals de kantonrechter en het Hof begrijpen, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair: de verkoopakte te vernietigen, althans nietig te verklaren;
Subsidiair: [appellant] te veroordelen om aan [geïntimeerde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een schadevergoeding ten bedrage van € 58.305,15 met kosten begroot op € 60.000,=, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf
26 januari 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.
[geïntimeerde] heeft tevens gevorderd de vanwaardeverklaring van de gelegde conservatoire beslagen.

4.2 De kantonrechter heeft in het vonnis van 9 februari 2010:
a. de verkoopakte vernietigd;
b. het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
c. het gelegd conservatoir beslag van waarde verklaard;
d. [appellant] veroordeeld in de proceskosten;
e. het meer of anders gevorderde afgewezen.
De kantonrechter heeft daartoe onder meer overwogen dat [appellant] de door [geïntimeerde] gestelde wijze van totstandkoming van de verkoopvolmacht niet heeft betwist en heeft geconcludeerd dat [appellant] misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat [geïntimeerde] in hem heeft gesteld. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [geïntimeerde] gedwaald, zodat de verkoopakte die met gebruikmaking van de verkoopvolmacht tot stand is gekomen, vernietigbaar is.

De vordering, de grieven en het verweer
5.1 [appellant] concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot ontzegging althans niet-ontvankelijk verklaring van de vordering van [geïntimeerde].

5.2 [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn vordering het volgende aangevoerd:
– [geïntimeerde] heeft de volmacht gaaf en onvoorwaardelijk erkend en moest, als zij
het niet eens was met de handelingen van appellant, overeenkomstig de wet rekening
en verantwoording vragen en daarna evenwel zijn handelingen bestrijden;
– de beslissing van de kantonrechter dat hij, [appellant] misbruik heeft gemaakt van het
door [geïntimeerde] in hem gesteld vertrouwen is simplistisch en onbegrijpelijk, daar [geïntimeerde] niet geestelijk gestoord is en door het ondertekenen van de volmacht zowel haar handtekening als hetgeen boven de handtekening staat heeft erkend.
[geïntimeerde] heeft dwaling niet als grondslag voor haar vordering gesteld. De kantonrechter heeft de grondslag van het verzoekschrift geheel verlaten door met het instituut van dwaling te werken. De kantonrechter heeft ondeugdelijk de verkoopakte vernietigd en in strijd met de wet het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
– de kantonrechter heeft ten onrechte de gelegde conservatoire beslagen van waarde
verklaard, daar zulks slechts ter sprake komt bij een geldvordering of levering van een roerend of onroerend goed en niet bij de vernietiging.

5.3 [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling
6.1 Het Hof stelt voorop dat de kantonrechter bevoegd is op basis van de door eiser in een rechtsgeding gestelde feiten, de grondslag van de vordering aan te vullen.
In casu heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg gesteld dat:
– [appellant] haar gevraagd heeft een overeenkomst op te stellen waaruit blijkt tot
welke beheersdaden ten aanzien van de percelen hij bevoegd is;
– zij een dergelijk stuk heeft laten opmaken en heeft gezonden aan [appellant];
– [appellant] van oordeel was dat het stuk niet voldeed, waarna hij voorstelde de
overeenkomst op te maken omdat hij dat beter kon formuleren; als vastgoed-
handelaar had hij dergelijke stukken vaak voor anderen opgemaakt;
– [appellant] vervolgens een ander stuk heeft opgemaakt en via Surpost heeft
gefaxt aan [geïntimeerde], met de instructie het bij de gemeente te ondertekenen;
– zij [appellant] gevraagd heeft waarom het stuk zo geformuleerd is, waarop
[appellant] antwoordde dat het een gangbare (reguliere) formulering was voor
iedereen die gemachtigd werd om werkzaamheden uit te voeren zoals hij dat zou
moeten doen op bedoelde percelen en dat ze in hem alle vertrouwen moest stellen;
– zij vervolgens het stuk heeft ondertekend bij de gemeente.
De hierboven weergegeven stellingen van [geïntimeerde] adstrueren naar het oordeel van het Hof de door de kantonrechter aan de vordering ten grondslag gelegde dwaling zijdens [geïntimeerde]. Aan het ter zake gevoerd verweer van [appellant] zal dan ook worden voorbij- gegaan.

6.2 Het Hof heeft de conclusies zijdens [appellant], zowel in eerste aanleg als in hoger beroep overgelegd, minutieus nagespeurd, doch heeft geen bewisting aangetroffen van de onder 6.1 weergegeven stellingen van [geïntimeerde]. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat de kantonrechter terecht heeft geconcludeerd dat [geïntimeerde] heeft gedwaald, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat haar wil niet overeenstemde met de verklaring vervat in de verkoopvolmacht. Nu [geïntimeerde] het standpunt heeft ingenomen dat zij bij het ondertekenen van de verkoopvolmacht heeft gedwaald, kan uit het ondertekenen van deze volmacht niet worden afgeleid dat zij hetgeen boven haar handtekening staat vermeld, middels de ondertekening heeft erkend.
De verkoopvolmacht is vernietigbaar, nu tussen partijen vaststaat dat die als gevolg van een dwaling aan de zijde van [geïntimeerde] tot stand is gekomen, gelijk door de kantonrechter in eerste aanleg terecht is geconcludeerd.
De door [appellant] gevorderde vernietiging van het besluit van de kantonrechter om de verkoopakte te vernietigen zal dan ook worden afgewezen.

6.3 Het Hof is het evenwel ten aanzien van het bij voorraad uitvoerbaar verklaren van de vernietiging van de verkoopakte met [appellant] eens dat, nu geen van de in de artikelen 55 en 56 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering genoemde mogelijkheden zich in de onderhavige casus voordoet, daartoe ten onrechte is besloten. Dit deel van het vonnis zal dan ook worden vernietigd.

6.4 Ten aanzien van de vanwaardeverklaring van de gelegde beslagen merkt het Hof op dat conservatoire beslagen dienen ter bewaring van een (vermeend) recht van de eiser in een rechtsgeding. Het Hof vermag niet in te zien dat, gelijk in casu het geval is, bewaring van het (vermeend) eigendomsrecht niet middels conservatoire beslagen en de vanwaardeverklaring daarvan zou kunnen plaatsvinden. Vermeld zij dat [appellant] niet heeft gemotiveerd waarom dit niet zou kunnen, zodat aan het door hem aangevoerde zal worden voorbijgegaan.

6.5 [appellant], als de merendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

7.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato
9 februari 2010, A.R. no. 070015 met uitzondering van hetgeen daarin onder 5.2 is beslist.

7.2 Veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid, en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger, en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 februari 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat
mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellant, en geïntimeerde vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advocaat mr. L. Punwasi-Raghoebier, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2020-55

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-0574
06 augustus 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiser sub A],
B. [eiser sub B], echtelieden,
beiden wonende aan de [adres] te [stad],
eisers, hierna gezamenlijk te noemen de echtelieden,
gemachtigde:mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat,

tegen

BOEDEL- EN ONROEREND GOED CONSULTANTS N.V. (afgekort BOCON N.V.),|
gevestigd en kantoorhoudende aan de Indirah Ghandiweg no. 703 in het district Wanica,
gedaagde, hierna te noemen de NV,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat.

  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op15 februari 2019 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 21 februari 2019;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Blijkens de exploten van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, C.N. Sitaram, d.d. 22 januari 2019, no’s 25,26,27 en 28, heeft de NV ten behoeve van zichzelf en ten laste van de echtelieden conservatoir derdenbeslag doen leggen op de gelden van de echtelieden onder respectievelijk de Surinaamsche Bank N.V., de Hakrinbank N.V., de Republic Bank Suriname N.V. en de Surichange Bank N.V.Het gelegde beslag dient ter verzekering tot betaling van een vermeende schadebedrag ad € 90.000,- door de echtelieden aan de N.V.

De NV heeft de echtelieden van deze beslagleggingen mededeling gedaan bij exploot van de deurwaarder C.N. Sitaram d.d. 24 januari 2019 no. 31.

2.2 Voor het doen leggen van het hiervoor bedoelde beslag heeft de NV toestemming van de kantonrechter verkregen bij beschikking
d.d. 14 januari 2019, na een door haar daartoe ingediend verzoekschrift. De NV heeft aan haar verzoek tot het verkrijgen van toestemming het hierna volgende ten grondslag gelegd:

  • de echtelieden hadden op 21 augustus 2007 conservatoir beslag doen leggen op aan de NV in eigendom toebehorende onroerend goederen, en wel tot verhaal van een vordering ad Euro 79.882,- die de echtelieden op de NV meenden te hebben;
  • de echtelieden wisten dat de kernactiviteit van de NV is het verkavelen van de onroerende goederen en doorverkopen van de kavels in huurkoop en/of contant aan derden;
  • doordat de NV vanwege de beslaglegging genoodzaakt werd jegens haar kopers wanprestatie te plegen en zij als gevolg hiervan schade leed, had zij om haar schade te beperken het verzoek aan de kantonrechter gedaan om het door de echtelieden gelegde beslag op te heffen;
  • de kantonrechter had bij vonnis in kort geding d.d. 14 februari 2008 de gelegde beslagen op grond van vormfouten opgeheven; de echtelieden die dit hadden zien aankomen hebben hangende dat geding op 29 januari 2008 opnieuw conservatoir beslag doen leggen op de onroerende goederen;
  • doordat de kopers bleven aandringen op de levering van hun kavels, heeft de NV eerst via de notaris aan de echtelieden garantie aangeboden tegen opheffing van dit beslag, welke garantie door de echtelieden is afgewezen;
  • nadien heeft de NV op 16 juni 2008 aan de echtelieden een bankgarantie ad Euro 80.000,- doen toekomen, opdat de beslagen konden worden opgeheven;
  • bij vonnis van de kantonrechter d.d. 08 juni 2010 (A.R. No. 07-5344) is de vordering tot van waardeverklaring van het gelegde beslag ten aanzien van één van de echtelieden afgewezen en is de ander niet ontvankelijk verklaard in de vordering. Vervolgens hebben de echtlieden hoger beroep tegen dit vonnis aangetekend;
  • in het jaar 2013 heeft de NV aan de echtelieden het verzoek gedaan de bankgarantie terug te geven in afwachting op de beslissing in hoger beroep;
  • de echtelieden hebben geweigerd de bankgarantie af te geven. In hoger beroep is de vordering van de echtelieden tegen de NV afgewezen;
  • als gevolg van dit beslag heeft de NV schade geleden ad Euro 82.200,- en
    SRD 861,-, omdat zij tot aan de teruggave van de garantie aan de bank over het bedrag 0,05% aan provisie per kwartaal oftewel per jaar Euro 1600,- dient te betalen en zij over de als contra-garantie geblokkeerde bedrag een renteverlies leed van minimaal 6% per jaar;
  • de echtelieden zijn aansprakelijk voor de door de NV geleden schade, omdat zij de afgifte van de bankgarantie van de NV hebben afgedwongen door misbruik te maken van knellende en onweerstaanare omstandigheden waaronder de NV was komen te verkeren.
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 De echtelieden vorderen dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnisuitvoerbaar bij voorraad,:

  • de opheffing gelast van de gelegde conservatoir derdenbeslagen bij de deurwaardersexploten d.d. 22 januari 2019 met de nummers 25, 26, 27 en 28, alle afkomstig van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, C.N. Sitaram, ten verzoeke van de NV onder de Surinaamsche Bank N.V. en de Handels-, Krediet- en Industrie Bank N.V. (Hakrinbank N.V.), Republic Bank (Suriname) N.V. en Surichange bank N.V op alle gelden en/of geldswaarden die zij aan de echtelieden verschuldigd zijn of mochten worden.

Mede is gevorderd veroordeling van de NV in de proceskosten.

3.2 De echtelieden leggen aan hun vordering ten grondslag dat de gelegde conservatoirderdenbeslagenonrechtmatig zijn geschied en vexatoir zijn. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • zij hebben het beslag gelegd niet met het oogmerk om de NV te schaden, maar slechts omdat zij meenden dat zij een vordering op de NV hadden. Zij zijn daarom geen schade aan de NV verschuldigd;
  • zij zijn de kosten die de NV heeft gemaakt voor de bankgarantie niet verschuldigd, omdat zij destijds geen misbruik van recht hebben gemaakt.

De echtelieden stellen als spoedeisend belang dat zij gepensioneerden zijn en zij vanwege het beslag niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

  1. De beoordeling

4.1 De NV weerspreekt dat de echtelieden een spoedeisend belang hebben, omdat zij geen beslag heeft doen leggen op het pensioen van eisers. Eisers kunnen dus vrijelijk over hun pensioen beschikken, waardoor de voorziening in hun levensonderhoud niet in het gedrang is. Voorts voert de NV aan dat zij inmiddels op 4 februari 2019 het ten laste van eisers onder de Hakrinbank NV en de Republic Bank (Suriname) NV gelegd beslag heeft opgeheven.

In reactie op dit verweer blijven de echtelieden volharden in hun stelling dat zij een spoedeisend belang hebben, omdat zij al geruime tijd de zeventig jaar gepasseerd zijn en vanwege het beslag niet kunnen beschikken over hun spaartegoeden om op een adequate wijze in hun levensonderhoud te voorzien en hun betalingsverplichtingen jegens derden te voldoen. Zij stellen verder dat zij er geen kennis van dragen dat de NV de gelegde beslagen onder de Hakrinbank NV en Republic Bank (Suriname) NV reeds had opgeheven en dat de NV de beslagen kennelijk heeft opgeheven, omdat zij er hoogstwaarschijnlijk kennis van draagt dat de echtelieden niet bankieren bij deze bankinstellingen.

Bij conclusie van dupliek blijft de NV volharden in het verweer dat de echtelieden geen spoedeisend belang hebben en voert daartoe verder aan dat het haar bekend is dat de man als gepensioneerde staf-medewerker van de Shell een ruim en waardevast pensioen heeft en zij daarop geen beslag heeft gelegd. Voorts voert zij aan dat de echtelieden geen inzicht in hun financiele situatie noch inlichtingen over de omvang van hun pensioen hebben verstrekt, waaruit blijkt dat zij hun spaartegoeden nodig hebben.

De kantonrechter gaat voorbij aan hetgeen de NV bij conclusie van dupliek heeft aangevoerd, omdat de echtelieden hierop niet hebben kunnen reageren. Al hetgeen de echtelieden bij conclusie van repliek verder hebben aangevoerd, maken het voor de kantonrechter voldoende aannemelijk dat zij nog een spoedeisend belang hebben bij de onderhavige vordering. Om die reden worden zij nog ontvangen in het kort geding.

4.2 Allereerst ligt ter beantwoording de vraag of de echtelieden aansprakelijk zijn voor de schade die de NV meent te hebben geleden als gevolg van de door de echtelieden gelegde conservatoir beslagen, die achteraf onterecht bleken te zijn geschied.
Ter beantwoording van de hiervoor gestelde vraag dient voor de kantonrechter als richtsnoer het arrest van de Hoge Raad 15 april 1965, NJ 1965, no. 331.

De echtelieden beroepen zich erop dat zij, gelet op de overweging onder 4.2 van het tussen partijen gewezen vonnis van kantonrechter d.d. 16 oktober 2014 in de zaak bekend onder A.R. No. 13-2703, de kosten die de NV voor de bankgarantie heeft gemaakt niet verschuldigd zijn, omdat zij dit niet met elkaar zijn overeengekomen. Volgens hun betoog is de door de NV aan hen verstrekte bankgarantie tot opheffing van het destijds gelegd conservatoir beslag gebaseerd op een overeenkomst en diende de NV in het kader van het verbintenissenrecht met de echtelieden te zijn overeengekomen dat zij, indien hun vordering werd afgewezen, de gemaakte kosten van die bankgarantie zouden moeten betalen. In dat licht beroepen zij zich op overweging 4.2 in het hiervoor vermelde vonnis, welke onder meer als volgt luidt: “naar het oordeel van de kantonrechter strekt een bankgarantie weliswaar net als een conservatoir beslag tot zekerheid, maar is overigens geheel van een andere aard dan een conservatoir beslag. Een bankgarantie berust immers op een overeenkomst. Nu partijen tegen opheffing van het beslag door gedaagden een regeling hebben getroffen die erop neerkomt dat eisers een bankgarantie doet stellen ten behoeve van gedaagden, is de Kantonrechter van oordeel dat alleen een uitspraak, waarbij afwijzend wordt beslist op de vordering van gedaagde en die in kracht van gewijsde is gegaan, de bankgarantie kan doen vervallen. Dit betekent dat eisers slechts binnen de mogelijkheden die het overeenkomstenrecht biedt, kan ontkomen aan de gevolgen van de door haar getroffen regeling.”

Naar het oordeel van de kantonrechter gaat het beroep van de echtelieden op bovenstaande stelling niet op, en wel op grond van de hierna volgende overwegingen.

Uitgangspunt in het eerder vermeld arrest is dat een beslagene er verzekerd van moet kunnen zijn dat de beslaglegger, in geval diens vordering waarvoor beslag is gelegd wordt afgewezen, hem de door het beslag veroorzaakte schade vergoedt, omdat alleen dan gerechtvaardigd kan worden geacht dat ter verzekering van een vordering waarvan het bestaan in rechte nog niet is vastgesteld, conservatoir beslag wordt gelegd en daardoor aan anderen het vrije beschikkingsrecht over hun eigendommen wordt ontnomen. Een beslaglegger handelt daarbij voor eigen risico, in die zin dat hij, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag veroorzaakte schade dient te vergoeden, ook indien niet gezegd kan worden dat hij bij het leggen van het beslag lichtvaardig heeft gehandeld. Tot die schade kunnen behoren de kosten van een ter opheffing van het beslag afgegeven bankgarantie.

Vaststaat dat de vordering die de echtelieden op de NV meenden te hebben op basis waarvan zij beslag op de onroerende goederen van de NV hadden gelegd zowel in eerste aanleg als in hoger beroep zijn afgewezen, zodat de echtelieden naar analogie van het hiervoor vermeld arrest aansprakelijk zijn voor de schade die de NV meent te hebben geleden als gevolg van die beslaglegging. Het is dus geen vereiste dat de beslagene met de beslaglegger zou moeten zijn overeengekomen dat de beslagene de gemaakte kosten van de bankgarantie zou moeten vergoeden indien de vordering van de beslagene zou zijn afgewezen.

4.3 Thans ligt ter beoordeling de beantwoording van de vraag of er gronden zijn tot opheffing van de gelegde derdenbeslagen die nog rusten onder De Surinaamsche Bank NV en de Surichange Bank NV. In dat licht stelt de kantonrechter het volgende voorop. Volgens artikel 596 lid 1 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt, of indien behoorlijke zekerheid is gesteld voor of betaling heeft plaatsgehad van de som voor welke het beslag gelegd is. Dit brengt blijkens HR 14 juni 1996, NJ 1997/481 mee, dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen in de kortgedingprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is. Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.

4.4 Niet in geschil is, dat de NV ter opheffing van de gelegde beslagen en ter bespreking van haar schade vanwege de beslaglegging een bankgarantie heeft gegeven. In dat licht rijst de vraag of de NV kosten heeft gemaakt bij het afgeven van de bankgarantie. Het is een feit van algemene bekendheid dat er kosten zijn verbonden bij het verstrekken van een bankgarantie. De echtelieden hebben het tegendeel hiervan niet aannemelijk kunnen maken, waaruit volgt dat zij de ondeugdelijkheid van de door de NV gepretendeerde vordering niet aannemelijk hebben gemaakt. Op grond hiervan gaat het beroep van de echtelieden op misbruik van beslagrecht door de NV niet op.

4.5 De echtelieden hebben geen zekerheid aangeboden tot opheffing van de overige beslagen, zodat het belang van de NV bij handhaving van het beslag zwaarder dient te wegen dan het belang van de echtelieden bij opheffing van de twee nog rustende derdenbeslagen onder de Surinaamsche Bank NV en de Surichange Bank NV. Hieruit volgt dat de gevorderde voorziening zal worden geweigerd.

4.6 De overige stellingen en weren van partijen die niet relevant worden geacht voor een beslissing in de onderhavige zaak,zullen buiten beschouwing worden gelaten. Dit, omdat die tot geen ander uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.7 De echtelieden zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt de echtelieden in de proceskosten die aan de zijde van de NV zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 06 augustus 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-54

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-0170
08 oktober 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser 1],
[eiser 2],
beiden wonende in [land], domicilie kiezende aan de Julianastraat no. 63 te Paramaribo bij N.V. 4 Justice Advocaten,
eisers,
gemachtigde: mr. E. Van der Hilst, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan de [adres] [plaats]in [land],
gedaagde,
gemachtigde: mr. Gail A.T.T. Sitaram, advocaat.

1.Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 16 januari 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die is genomen op 06 februari 2020;
  • de conclusie van antwoord, met productie;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2.De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 22 januari 2002 in de zaak tussen partijen bekend onder A.R. No. 20-3163, hierna aangeduid als het vonnis, zijn eisers in reconventie veroordeeld om aan gedaagde te betalen de som ad. US$ 107.455,- naar de koers van de betaaldag.
2.2 Eisers hebben blijkens het exploot van 18 december 2008 no. [nummer 1] van de deurwaarder, T. Jhagroe, op grond van het vonnis executoriaal beslag doen leggen op het hierna omschreven aan eisers in eigendom toebehorend onroerend goed: “het perceel gelegen aan de [straat], bekend als N.W. letter D nummer 9”.
Het proces-verbaal van beslaglegging is op 20 december 2002 overgeschreven in register D deel 66 onder [nummer 2].
2.3 Op 05 november 2014 heeft gedaagde zijn vordering voortvloeiend uit het vonnis gecedeerd aan Stichting Viamonte, hierna te noemen de Stichting.
Blijkens het exploot van de deurwaarder, R. Bhoelan, d.d. 09 april 2015 no. 301 heeft gedaagde de cessie op de hiervoor vermelde datum aan eisers doen betekenen.
2.4 De Stichting heeft vanwege de cessie uit hoofde van het vonnis executoriaal beslag doen leggen op hetzelfde onroerend goed als vermeld onder 2.2, welk beslag was overgeschreven op 09 juni 2016 in register D deel 84 onder [nummer 3] .
2.5 Op 27 augustus 2019 hebben eisers de volledige schuld die voortvloeide uit het vonnis en welke aan de Stichting was gecedeerd aan de Stichting voldaan, voor welke betaling de Stichting kwijting aan eisers heeft verleend. Vanwege de betaling van de volledige schuld is het door de Stichting gelegde executoriale beslag opgeheven.
2.6 Het door gedaagde gelegde executoriale beslag van 18 december 2002 is tot op heden op het onroerend goed blijven rusten.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen dat de kantonrechter in kort geding, de opheffing en doorhaling gelast van het door gedaagde gelegde executoriale beslag.
3.2 Eisers leggen, tegen de achtergerond van de feiten vermeld onder 2, dat het beslag geen enkele grondslag meer heeft.
3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Eisers stellen als spoedeisend belang dat zij het onroerend goed hebben verkocht en overgedragen met het beslag, onder voorwaarde dat gedaagde het beslag binnen 6 maanden na de datum van indiening van de onderhavige vordering zou opheffen.
Gedaagde weerspreekt het door eisers gestelde spoedeisend belang en concludeert op basis hiervan dat eisers niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering.
In dat licht voert hij aan dat eisers sedert de uitspraak van het gewezen vonnis d.d. 15 augustus 2005 in de zaak bekend onder A.R. No. 02-1237 hebben stilgezeten. Tevens beroept gedaagde zich in dat licht op het nieuwe procesreglement van Unit Kort Geding dat de vordering tot opheffing van het beslag op een onroerend goed niet valt onder de categorie spoed.
In reactie op het bovenstaande verweer blijven eisers in hun stellingen volharden, waarbij zij nader onderbouwen dat het spoedeisend belang ligt in het feit dat zij het onroerend goed noodgedwongen hebben moeten verkopen en overdragen met het door gedaagde gelegde beslag en hun een vordering van de koper te wachten staat indien zij niet ervoor zorg dragen dat het bedoelde beslag wordt opgeheven. Hiertegenover staat dat gedaagde bij conclusie van dupliek is blijven persisteren in het verweer, zonder nader in te gaan op de gemotiveerde stellingen van eisers. Derhalve acht de kantonrechter het door eisers gestelde spoedeisend belang voldoende aannemelijk, zodat het verweer van gedaagde wordt verworpen en eisers worden ontvangen in het kort geding. Bovendien betreft het in casu een executoriale beslaglegging hetgeen reeds een indicatie geeft dat er executie dreigt en het spoedeisend belang reeds hierin besloten ligt.
4.2 De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag of de grondslag van de beslaglegging is komen weg te vallen.
Gedaagde werpt op dat hij er niet van op de hoogte is wat de Stichting na de cessie allemaal precies heeft gedaan. Wat gedaagde met dit verweer beoogt is niet duidelijk voor de kantonrechter. Voor zover gedaagde met dit verweer beoogt op te werpen dat hij vanwege het vonnis nog een vordering op eisers heeft en uit dien hoofde het door hem gelegde executoriaal beslag op het onroerend goed gehandhaafd dient te worden, slaagt gedaagde naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter de plank mis.
Met de betekening van de cessie door de cessionaris, zijnde de Stichting, aan eisers heeft slechts de Stichting de bevoegdheid om de aan haar gecedeerde vordering van eisers te innen. Uit de inhoud van de ten processe door eiseres overgelegde producties, die niet van valsheid zijn beticht, leidt de kantonrechter onomstotelijk vast dat eisers de vordering uit hoofde van het vonnis volledig aan de Stichting hebben voldaan. Nu gedaagde vanaf het moment van de betekening van de cessie aan eisers niet meer de bevoegdheid heeft om de vordering voortvloeiend uit het vonnis van eisers te innen en eisers de vordering na de betekening volledig aan de Stichting hebben voldaan, is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter de grondslag voor het blijven handhaven van het door gedaagde gelegde executoriale beslag komen weg te vallen. Simpelweg, omdat eisers na de betekening bevrijdend aan de cessionaris, zijnde de Stichting, hebben betaald.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de voorlopige slotsom dat gedaagde met het blijven handhaven van de beslaglegging misbruik maakt van diens bevoegdheid tot executie. Daar zulks grond oplevert tot opheffing van het gelegde executoriale beslag, zal de gevorderde voorziening als gegrond worden toegewezen.
4.3 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak het vastrecht ad SRD 50,- en de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 350,-.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
5.1 Heft op en gelast de doorhaling van het door gedaagde bij exploot no. [nummer 1] van de deurwaarder T. Jhagroe d.d. 18 december 2002 gelegde executoriaal beslag, overgeschreven op 20 december 2002 in register D deel 66 onder [nummer 2] op het erf gelegen aan de [straat,] bekend als N.W. Letter D nummer 9.
5.2 Verklaart hetgeen onder 5.1 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.
5.3 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten die aan de zijde van eisers zijn gevallen en tot aan de uitspraak zijn begroot op SRD 400,- (Vierhonderd Surinaamse Dollar).

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 08 oktober 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M.Chu, in aanwezigheid van de griffier.

 

 

SRU-K1-2020-53

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 20-1909
06 augustus 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiseres],
wonende aan de [adres] in het [district] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. R.A. V-A Malahe, advocaat,

tegen

SURICHANGE BANK N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Dr. Sophie Redmondstraat no. 7 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. drs. M-Sh. Boedhoe, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 28 juli 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 30 juli 2020;
  • de conclusie van antwoord, met een productie;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 De zoon van eiseres heeft van een NV gekocht: “het perceelland groot 411,34m², gelegen in het [district] , aan de [adres], aangeduid op de kaart van de landmeter met de letters abcd en het nummer 28”, hierna aangeduid als het perceel.
2.2 Zij heeft tezamen met haar zoon een gebouw opgezet op het perceel.
2.3 Op 20 juni 2020 heeft eiseres per exploot van een deurwaarder een aanzegging van gedaagde ontvangen dat het perceel op 06 augustus 2020 zal worden geveild.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde veroordeelt om de veiling geen voortgang te doen plaatsvinden.
3.2 Eiseres legt aan het gevorderde ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens haar pleegt en stelt daartoe, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:
– op 11 juli 2020 heeft eiseres samen met haar zoon aan gedaagde kenbaar gemaakt bereid te zijn de hypotheek af te lossen;
– ondanks het feit zij al de door gedaagde opgevraagde documenten heeft opgestuurd, hebben de onderhandelingen en gesprekken tot op heden geen bevredigend resultaat opgeleverd;
– zij heeft er belang bij dat de openbare verkoop wordt stopgezet, omdat zij investeringen heeft gepleegd op het perceel.
3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt zelf uit de aard van het gevorderde, te weten de openbare verkoop die op donderdag 06 augustus 2020 a.s. zal plaatsvinden.
4.2 Gedaagde werpt op dat zij geen enkele rechtsrelatie heeft met eiseres en er daarom geen reden is voor haar om een procedure tot openbare verkoop tegen eiseres in te stellen. Voorts werpt gedaagde op dat zij reeds opdracht aan de notaris heeft gegeven om de aangezegde openbare verkoop geen voortgang te doen plaatsvinden. Ter staving hiervan beroept zij zich op de brief gedateerd
28 juli 2020 die zij naar de notaris heeft verzonden. In de brief die gericht is aan de notaris mr. D. Kalisingh, heeft gedaagde de gegeven opdracht als volgt verwoord: “Middels deze verzoeken wij u om de te houden veiling d.d. 06 augustus 2020 t.l.v. dhr. [naam 1]., mevr. [naam 2]. en N.V. Covan Bouw en Constructie en Stichting Vania en Zusters stop te zetten.
Uit dit verweer begrijpt de kantonrechter dat gedaagde zich erop beroept dat eiseres geen enkel belang heeft en aldus niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het gevorderde.
4.3 De kantonrechter constateert dat eiseres, die wordt bijgestaan door een advocaat, niet volledig is geweest in haar stellingen. Zo heeft zij niet gesteld ten overstaan van welke notaris en op welk tijdstip de openbare verkoop zal plaatsvinden. Vanwege het korte tijdsbestek zal de kantonrechter vanuit proceseconomisch oogpunt, maar ook mede vanwege het feit dat de door eiseres overgelegde producties niet omvangrijk zijn, pogen de nodige informatie uit de producties te halen.
4.4 Uit de inhoud van het exploot van aanzegging van de openbare verkoop, dat op 20 juni 2020 is betekend aan eiseres, leidt de kantonrechter af dat de hypotheek op het perceelland is gevestigd ten behoeve van gedaagde en ten laste van vier schuldenaren, te weten: [naam 2], Stichting Vania en Zusters, [naam 1] en N.V. Covan Bouw en Constructie en dat het perceelland nog ten name staat van N.V. Covan Bouw en Constructie.
Tevens leidt de kantonrechter uit de inhoud van het exploot van aanzegging af dat de aangezegde openbare verkoop op dondedag 06 augustus 2020 om 10.00 uur des voormiddag ten kantore van de notaris mr. D. Kalasingh zal plaatsvinden.
Dit alles in onderling samenhang gelezen en beschouwd, met de brief van gedaagde d.d. 28 juli 2020, geven de kantonrechter een indicatie dat eiseres stopzetting vordert van de veiling die ten kantore van de hiervoor genoemde notaris zal plaatsvinden en van welke aangezegde veiling gedaagde, zoals zulks uit de inhoud van de brief d.d. 28 juli 2020 blijkt, aan de notaris de opdracht heeft gegeven deze stop te zetten. Nu gedaagde reeds de opdracht tot stopzetting van de veiling heeft gegeven, heeft eiseres naar het oordeel van de kantonrechter geen gerechtvaardigd belang meer bij de onderhavige vordering. Hieruit volgt dat gedaagde slaagt in het door haar opgeworpen formeel verweer, zodat eiseres niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het gevorderde.
4.5 Eiseres zal, als de niet ontvangen partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5.De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
5.1 Verklaart eiseres niet ontvankelijk in het gevorderde.
5.2 Veroordeelt eiseres als de niet ontvangen partij in de proceskosten die aan de zijde van gedaagde zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 06 augustus 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-K1-2020-52

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 20-4028
22 december 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende aan de [adres 1] te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen
a.[gedaagde a],
b.[gedaagde b],
beiden wonende aan de [adres 2] te [district],
gemachtigde van beiden: mr. L. Punwasi-Raghoebier, advocaat.

1.Het verdere verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op de Griffie der Kantongerechten is ingediend d.d. 16 december 2020;
  • de conclusie eis die is genomen op 18 december 2020;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten
2.1 Eiser is, in de zaak die gedaagden jegens hem aanhangig hebben gemaakt en welke zaak bekend staat onder A.R. No. 17-1369, bij vonnis van de kantonrechter d.d. 23 juli 2020 veroordeeld om binnen 4 maanden na betekening van het vonnis de woning gelegen en staande aan de [adres 1] te [district] te ontruimen. Dit vonnis wordt hierna aangeduid als het ontruimingsvonnis.
2.2 Op 23 augustus 2020 hebben gedaagden het ontruimingsvonnis door een deurwaarder aan eiser doen betekenen.
Eiser heeft geen hoger beroep tegen het ontruimingsvonnis aangewend en dient uiterlijk 23 december 2020 de woning te ontruimen.

3. De vordering,de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
a)toestaat dat eiser kosteloos mag procederen tegen gedaagden;
b)bepaalt dat de ontruimingstermijn van 4 maanden zoals opgenomen in hetontruimingsvonnis wordt verlengd met 6 maanden, te rekenen vanaf
23 december 2020;
c)gedaagdenveroordeelt tot het gehengen en gedogen van het ten deze uit te spreken vonnis;
d)één of meer beslissingen te geven, zoals het de kantonrechter geraden voorkomt.

3.2 Eiser legt, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende aan het gevorderde ten grondslag:

  • vanwege de precaire financieel-economische omstandigheden gaat het hem niet lukken om de woning op 23 december 2020 te ontruimen, omdat de door hem te bouwen woning nog niet bewoonbaar is;
  • de woning van eiser moet voor de bewoonbaarheid nog voorzien worden van ramen en deuren, stroom en water;
  • ondanks hij aan gedaagden het schriftelijk verzoek heeft gedaan om de ontruimingstermijn te verlengen met 6 maanden, hebben gedaagden hierop niet gereageerd;
  • voor eiser dreigt thans een noodsituatie te ontstaan, omdat hij en zijn gezin op straat zullen belanden vanwege het niet beschikken over woonruimte naar minimale omstandigheden.

3.3 Gedaagden hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde, met name uit het feit dat eiser de woning op uiterlijk 23 december 2020 dient te ontruimen. Om die reden is hij in het kort geding ontvangen.

Kosteloos procederen
4.2 Eiser heeft het certificaat van onvermogen van de daartoe bevoegde instantie overgelegd om te staven dat hij onvermogend is om een advocaat te betalen voor juridische bijstand, zodat de kantonrechter hem zal vergunnen om kosteloos te procederen. Hieruit volgt dat het gevorderde onder a zal worden toegewezen.

Vaststelling titel tot ontruiming
4.3 De kantonrechter stelt het volgende vast. Gedaagden hebben op grond van het ontruimingsvonnis dat reeds in kracht van gewijsde is gegaan, een rechtsgeldige titel om tot ontruiming van eiser over te gaan. Aan eiser is een ontruimingstermijn van 4 maanden vergund, welke termijn ingaat een dag na betekening van het ontruimingsvonnis.
Eiser vraagt verlenging van de in het ontruimingsvonnis vermelde ontruimingstermijn en rijst thans de vraag of zulks mogelijk is.
Als uitgangspunt dient dat toewijzing van een dergelijke vordering slechts mogelijk is, indien de wetgever hierin heeft voorzien.

Wettelijke grondslag tot verlenging ontruimingstermijn
4.4 Gedaagden werpen op dat, anders dan bij de Huurbeschermingswet 1949, het Surinaams Burgerlijk Wetboek voor bruikleenovereenkomst geen regeling geeft tot verlenging van de ontruimingstermijn.
De kantonrechter stelt voorop dat de onderliggende rechtsverhouding die tussen partijen bestond bij toewijzing van de vordering tot ontruiming van belang is, om na te kunnen gaan of er een wettelijke grondslag is voor toewijzing van het gevorderde.
Uit de inhoud van het ontruimingsvonnis leidt de kantonrechter af, dat de onderliggende rechtsverhouding tussen partijen een bruikleenovereenkomst is geweest en geen huurovereenkomst, zodat de bepalingen van het Surinaams Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn.
Geenszins valt uit de bepalingen van het Surinaams Burgerlijk Wetboek af te leiden dat het mogelijk is de ontruimingstermijn voor bruikleenovereenkomsten van woningen te verlengen. Dit, in tegenstelling tot – zoals gedaagden terecht opwerpen – artikel 6 van de Huurbeschermingswet 1949 die daartoe wel de mogelijkheid biedt. Dit artikel dat nog van toepassing is op lopende ontruimingszaken die vóór de inwerkingtreding van de Huurwet Woonruimte 2020 (S.B. 2020 no. 53) zijn ingediend, luidt onder meer als volgt:
1. In alle gedingen tot ontruiming kan de rechter de huurder een termijn gunnen, binnen welke deze het gehuurde moet hebben ontruimd. In dat geval wordt de huurovereenkomst geacht tot het einde van die termijn te hebben voortgeduurd.
2. De rechter kan de termijn slechts eenmaal en wel met ten hoogste 2 maanden verlengen
3. het verzoek tot verlenging moet uiterlijk 4 weken voor het verstrijken van de eerste termijn worden gedaan.”.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt, dat het gevorderde onder b en daaruit voortvloeiend ook het gevorderde onder c en d enige wettelijke grondslag missen, zodat deze als ongegrond zullen worden geweigerd.

Proceskosten
4.5 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
5.1 Vergunt eiser om kosteloos te procederen.
5.2 Weigert de gevorderde voorzieningen.
5.3 Veroordeelt eiser in de proceskosten die aan de zijde van gedaagden zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op dinsdag 22 december 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-51

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-4187

08 oktober 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[EISER],
wonende in [land], verblijfhoudende aan [adres 1] te [stad],
eiser,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

[GEDAAGDE],
wonende aan [adres 2] te [stad],
gedaagde,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgene processtukken en – handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 01 november 2019 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 01 november 2019;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek;
  • de rolbeschikking d.d. 06 februari 2020;
  • de conclusie tot overlegging van een fotokopie van de kwitantie van betaling van het vastrecht.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Gedaagde heeft op 14 maart 2019 een vordering tot ontruiming tegen eiseres ingesteld in de kort gedingzaak bekend onder A.R. No. 19-0997. Het betreft de ontruiming van de woning staande en gelegen aan [adres 1] te Paramaribo.

2.2 In de hiervoor vermelde zaak is tegen eiseres (toen gedaagde) verstek verleend. De kantonrechter in het eerste kanton heeft op 09 mei 2019 de vordering van gedaagde (toen eiser) toegewezen, waarbij eiseres (toen gedaagde) bij verstek is veroordeeld tot ontruiming van de woning, welke ontruiming binnen een maand na de uitspraak zou moeten geschieden. Het verstekvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De kantonrechter is tot deze veroordeling gekomen op grond van de volgende overweging: “De gevraagde voorziening komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat zij zal worden toegewezen.

2.3 Gedaagde heeft op 06 september 2019, vanwege een schrijffout in het dictum van het verstekvonnis, in de kort gedingzaak bekend onder A.R. No. 19-3508 een vordering tot rectificatie van het verstekvonnis bij de kantonrechter ingediend. Ook in deze zaak is verstek tegen eiser verleend en is bij verstekvonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 11 september 2019 de vordering tot rectificatie toegewezen, hierna aangeduid als het rectificatie vonnis.

2.4 Gedaagde heeft zowel het verstekvonnis als het rectificatievonnis aan eiseres doen betekenen, en wel bij exploot van een deurwaarder d.d. 14 oktober 2019, no. 92.

2.5 Eiseres heeft op 25 oktober 2019 middels het indienen van een verzoekschrift bij de kantonrechter in het eerste kanton het rechtsmiddel van verzet tegen zowel het verstekvonnis als het rectificatievonnis aangewend.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) opschort, althans schorst de executie van het verstekvonnis, totdat in de zaak bij een in kracht van gewijsde gegane vonnis een beslissing is gegeven;

b) gedaagde verbiedt enige daad van executie te plegen m.b.t. het vestekvonnis, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 100.000,- voor iedere keer dat gedaagde in strijd mocht handelen met het door de kantonrechter uit te spreken vonnis;

c) één of meer beslissingen te geven zoals het de kantonrechter geraden voorkomt.

3.2 Eiseres legt, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, aan het gevorderde ten grondslag dat het verstekvonnis en rectificatievonnis apert onjuist zijn dan wel op een feitelijke en juridische misslag rusten. Daartoe stelt zij onder meer het volgende:

  • zij heeft de woning op het perceel samen met wijlen haar echtgenoot, [naam], die een halfbroer van gedaagde was, met toestemming van de overige erfgenamen gebouwd;
  • zij is eigenaresse van de woning, omdat de overige erfgenamen met haar zouden hebben afgesproken dat het stuk perceel waarop de woning is gebouwd in eigendom aan eiseres zou worden overgedragen;
  • gedaagde maakt misbruik van procesrecht, omdat eiseres sedert het jaar 2007 de woning op het perceel heeft gebouwd en gedaagde toentertijd geen stappen heeft ondernomen om de bouw stop te zetten.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen en de aard van de vordering zelf, in het bijzonder uit het feit dat met de betekening van het verstekvonnis gedaagde reeds is aangevangen met de executie van het verstekvonnis. Daarom is eiseres in het kort geding ontvangen.

4.2 Uitgangspunt van de kantonrechter is het in H.R. 22 april 1983, NJ 1984, no. 145, ontwikkelde Ritzen/Hoekstra criterium tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis. Dit criterium houdt in dat de kantonrechter in kortgeding de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts kan schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant, in casu gedaagde, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde, in casueiser, die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.3 De kantonrechter stelt voorop dat in het hiervoor aangehaalde arrest sprake is van een op tegenspraak gewezen vonnis, terwijl in de onderhavige zaak tussen partijen sprake is van een verstekvonnis waarbij de vordering tot ontruiming is toegewezen doch neemt dit niet weg dat de hiervoor vermelde criteria van toepassing zou kunnen zijn op de tenuitvoerlegging van verstekvonnissen.

Zoals dat gangbaar is bij verstek gewezen vonnissen, worden vorderingen in beginsel toegewezen indien deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen en wordt enkel rekening gehouden met de door de eisende partij aan diens vordering ten grondslag gelegde stellingen. In het geval van eiseres was de kantonrechter toen dus niet op de hoogte van de verweren die eiser thans in kort geding en – zoals dat uit het verzetrekest blijkt – ook in verzet voert.

4.4 Eiseres heeft feiten en of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten op grond waarvan klaarblijkelijk aan haar zijde een noodtoestand zal ontstaan.

De kantonrechter begrijpt ook uit de stellingen van eiseres dat zij zich erop beroept dat gedaagde misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot executie, welke tenuitvoerlegging eveneens een noodtoestand aan haar zijde zal doen ontstaan. Naar het oordeel van de kantonrechter kan van misbruik sprake zijn in het geval waarin de tenuitvoerlegging plaatsvindt op basis van een verstekvonnis en er rekening moet worden gehouden met de serieuze mogelijkheid dat de kantonrechter eiseres niet zou hebben veroordeeld, indien eiseres in de procedure die heeft geleid tot het verstekvonnis was verschenen en de in de onderhavige zaak aangedragen stellingen als verweer had aangevoerd.

Op voorhand valt geenszins uit te sluiten dat de stellingen van eiseres die als verweren kunnen worden aangemerkt in de verzetprocedure doel kunnen treffen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een situatie die misbruik van bevoegdheid oplevert. De kantonrechter neemt hierbij ook het hierna volgende in overweging. Wijlen de echtgenoot van eiseres was een halfbroer van gedaagde. Het perceel waarop de in het geding zijnde woning staat betreft een boedelperceel en lijkt het de kantonrechter onwaarschijnlijk dat eiseres tezamen met wijlen haar echtgenoot zonder toestemming van de overige erfgenamen of de erflater de woning heeft gebouwd. Bovendien is gesteld noch gebleken dat de erfgenamen, inclusief gedaagde, stappen hadden ondernomen om de bouw van de woning door eiseres en wijlen haar echtgenoot te doen stopzetten. Vanuit dat licht bekeken en het feit dat eiseres reeds verzet heeft aangewend, valt niet in te zien waarom gedaagde de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis niet kan aanhouden. Dit, temeer daar geenszins is gebleken dat gedaagde de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik waar tegenover staat dat de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis gedurende de behandeling van de verzetprocedure wel een noodtoestand aan de zijde van eiseres zal doen ontstaan. De noodtoestand zal daarin bestaan dat eiseres de woning die zij volgens haar stelling met toestemming van de overige erfgenamen heeft gebouwd inclusief haar investeringen daarin zal kwijtraken. Deze belangenafweging dient daarom in het voordeel van eiseres uit te vallen. Om die reden en ervan uitgaande dat gedaagde vanwege het onderhavige proces een pas op de plaats heeft gemaakt met de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, zullen de gevorderde voorzieningen onder a en b worden toegewezen zoals hierna in de beslissing vermeld.

4.5 Eveneens komt voor toewijzing in aanmerking de medegevorderde dwangsom, welke dwangsom als pressiemiddel eenmalig zal worden gekoppeld aan de gevorderde voorziening onder b.

4.6 De overige stellingen en weren van partijen behoeven geen bespreking, omdat die tot geen andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.7 Gedaagde zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak: het vastrecht ad SRD 50,- en de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 400,-.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Schort op de executie van het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 09 mei 2019, bekend onder A.R. No. 19-0997, gelijk zij luidt na verbetering bij vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 11 september 2019 onder A.R. No. 19-3508, totdat in de zaak bij een in kracht van gewijsde gegane vonnis een beslissing is gegeven.

5.2 Verbiedt gedaagde enige daad van executie te plegen met betrekking tot het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 09 mei 2019, bekend onder A.R. No. 19-0997, gelijk zij luidt na verbetering bij vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 11 september 2019 onder A.R. No. 19-3508, onder verbeurte van een eenmalige dwangsom ad SRD 1.000.000,- (Eenmiljoen Surinaamse Dollar).

5.3 Verklaart hetgeen onder 5.1 en 5.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres zijn gevallenen tot aan de dag van de uitspraak zijn begroot op SRD 450,- (Vierhonderd en Vijftig Surinaamse Dollar).

5.5 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 08 oktober 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S. M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-50

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-0674

12 november 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[EISERES],
wonende aan [adres 1] te [stad],
eiseres,
gemachtigde: mr. A.E. Veldman, advocaat,

tegen

[GEDAAGDE],
wonende aan [adres 2] te [stad],
gedaagde,
gemachtigde: mr. R. Bhoewar, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en handelingen:

  • het verzoekschrift dat met producties op 19 februari 2020 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 19 maart 2020;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiseres is eigenares van “het erf, groot vierhonderd een, vijf en tachtig/honderdste vierkante meter met al hetgeen daarop staat, gelegen te Paramaribo aan de [straat], op de kaart van de landmeter G.J. Eliazer d.d 18 januari 1981, vervaardigd naar de kaart van de landmeter G. Kanhai d.d. 27 mei 1976, aangeduid met letters ABCD, deel uitmakende het erf gelegen aan de [straat] en bekend als Nieuwe Wijk Letter B nummer 38/ 147.”, hierna aangeduid als het perceel.

2.2 Eiseres heeft het perceel verkregen middels overschrijving van de akte van openbare verkoop, gunning en kwijting in register C 2765 onder nummer 7653, 7654 en 7655 op 12 februari 2020 in de registers van het MI-Glis.

2.3 Op het perceel rust een conservatoir beslag dat bij exploot van deurwaarder H. Chiragally, d.d. 20 januari 2016, no. 83 ten behoeve van gedaagde is gelegd ten laste van de oorspronkelijke eigenaar, [naam]. Het proces-verbaal van beslaglegging is op dezelfde datum overgeschreven in register D deel 83 onder nummer 4931.

2.4 Eiseres heeft het perceel op de veiling gekocht voor het bedrag ad SRD 550.000,-, welk bedrag niet voldoende is geweest om de vordering van de executerende hypotheekhouder volledig te voldoen. De hoofdsom van de hoofdvordering waarvoor het hypotheek was gevestigd was USD 1.463.000,-.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • het door gedaagde gelegde conservatoir beslag opheft en de doorhaling daarvan gelast;
  • gedaagde veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 Eiseres legt aan het gevorderde ten grondslag dat gedaagde onrechtmatig jegens haar handelt door het blijven handhaven van het beslag. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • er is geen surplus overgebleven, waaruit gedaagde zijn vordering zou kunnen verhalen;
  • op het perceel is verhaal niet langer mogelijk, omdat het niet meer behoort tot het vermogen van de schuldenaar van gedaagde.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Gedaagde heeft bij conclusie van dupliek als formeel verweer opgeworpen dat eiseres niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het gevorderde, omdat opheffing van beslagen op percelen niet spoedeisend van aard is. De kantonrechter gaat voorbij aan dit verweer, omdat gedaagde met het pas opwerpen van dit verweer bij conclusie van dupliek in strijd handelt met de beginselen van een goede procesorde. Eiseres heeft hierdoor niet de gelegenheid om op het verweer te reageren en wordt aldus in haar verweer geschaad.

Voor de kantonrechter is het spoedeisend belang voldoende aannemelijk, zodat eiseres wordt ontvangen in het kort geding.

4.2 Gedaagde werpt op dat hij in strijd met de wet niet in kennis is gesteld van de gehouden openbare verkoop. De kantonrechter kan gedaagde niet volgen in dit verweer dan wel welk rechtsgevolg hij met dit verweer beoogt. Voor zover gedaagde een beroep op nietigheid van de openbare verkoop op het oog heeft, gaat dit niet op. Degene die zich hierop kan en mag beroepen, is de oorspronkelijke eigenaar van het perceel die de schuldenaar van de hypotheekhouder is geweest. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, gaat de kantonrechter voorbij aan het verweer.

4.3 In het licht van het verweer van gedaagde, dat hij zich vanwege de veiling benadeeld voelt, stelt de kantonrechter het volgende voorop. De vordering van de hypotheekhouder, is ingevolge de artikelen 1162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en 1163 BW preferent. Dit betekent dat bij de verdeling van de executie-opbrengst van de veiling eerst de vordering van de hypotheekhouder dient te worden voldaan, waarna de vordering van de concurrente schuldeiser, in casu gedaagde, aan bod komt. Ingevolge artikel 1241 BW juncto artikel 436 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vloeit voort dat de doorhaling van de overgeschreven beslagen van de niet batig geplaatsten zal moeten worden gelast. Uit de stelling van eiseres begrijpt de kantonrechter dat de opbrengst van de openbare verkoop niet toereikend was om volledig aan de vordering van de hypotheekhouder te voldoen. Gedaagde heeft dit niet weersproken, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid hiervan. Hieruit volgt dat het door gedaagde gelegde beslag dient te worden opgeheven, als zijnde niet batig geplaatst zodat de gevorderde voorziening dient te worden toegewezen.

4.4 De kantonrechter zal de proceskosten tussen partijen compenseren, omdat gesteld noch gebleken is dat gedaagde door eiseres in een eerder stadium is benaderd tot opheffing van het gelegde beslag en hem aldus geen onrechtmatige daad kan worden verweten.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Heft op en gelast de doorhaling van het conservatoir beslag dat ten verzoeke van gedaagde bij exploot van deurwaarder H. Chiragally is gelegd op het erf groot vierhonderd een, vijf en tachtig/honderdste vierkante meter met al hetgeen daarop staat, gelegen te Paramaribo aan de [straat], op de kaart van de landmeter G.J. Eliazer d.d 18 januari 1981, vervaardigd naar de kaart van de landmeter G. Kanhai d.d. 27 mei 1976, aangeduid met letters ABCD, deel uitmakende het erf gelegen aan de [straat] en bekend als Nieuwe Wijk Letter B nummer 38/ 147.”en is overgeschreven op 20 januari 2016 in register D deel 83 onder nummer 4931 ten kantore van M.I. Glis.

5.2 Verklaart hetgeen onder 5.1 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 12 november 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste Kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.