HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van
[APPELLANTE],
wonende in [district 1],
appellante,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,
tegen
[GEINTIMEERDE],
wonende in Nederland,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 07 oktober 2008 (A.R.NO. 051378) tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde sub A,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:
- De verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellante op 04 oktober 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
- De pleitnota de dato 04 november 2011;
- De antwoordpleitnota de dato 03 februari 2012;
- De repliekpleitnota de dato 02 maart 2012;
- De dupliekpleitnota de dato 01 juni 2012;
- De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 19 oktober 2012 doch nader op heden;
De beoordeling
- Het gaat in deze zaak om het volgende.
Appellante heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat geïntimeerde zal worden veroordeeld om ten overstaan van notaris mr. D. Alexander of diens waarnemer juridisch te leveren het erf met daarop staande gebouwen groot 278,50 m² gelegen in het [distrikt 2] ten zuiden van de [weg], deel uitmakende van de vestigingsplaats [plaats] en bekend als serie [letter] no.[nummer 1]. Voorts heeft zij gevorderd dat zij zal worden gemachtigd om indien geïntimeerde in gebreke mocht blijven om op plaats en tijd door voornoemde notaris of diens waarnemer of opvolger vast te stellen, te verschijnen te diens kantore voor de juridische levering c.q. transport van het voorschreven recht van grondhuur, of verschenen zijnde weigeren mocht aan bedoelde levering c.q. bedoeld transport mede te werken, dit vonnis in de plaats te doen stellen van de ontbrekende partijverklaring van geïntimeerde. Tevens vordert zij dat zal worden bepaald dat de aldus opgemaakte transportakte rechtsgeldig in de daartoe bestemde openbare registers kan worden overgeschreven en daardoor het recht van grondhuur op genoemd onroerend goed op de appellante zal overgaan. Daarnevens vordert zij dat geïntimeerde zal worden veroordeeld tegen kwijting te betalen het bedrag van SRD. 25.550,- vermeerderd met de rente hierover ad 6% per jaar vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening, alsmede het bedrag van SRD. 350,= per maand van en met de maand april 2005 tot en met de maand waarin de juridische levering zal hebben plaatsgevonden. Tenslotte vordert zij veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding.
1.1. De kantonrechter heeft bij vonnis van 07 oktober 2008 appellante niet ontvankelijk verklaard in haar vordering en haar in de proceskosten veroordeeld.
2.1. Appellante heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsman op 04 oktober 2010 appèl aangetekend tegen het vonnis van 07 oktober 2008. Tevens blijkt uit de gedingstukken dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg ter terechtzitting aanwezig zijn geweest en dat de Griffier bij aangetekend schrijven gedateerd 29 september 2010 voormeld vonnis aan partijen heeft doen toekomen. Gelet op het voorgaande heeft appellante ingevolge het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.
2.2. Appellante heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende – ook in hoger beroep – vast tussen partijen:
2.2.1. Op 26 februari 1972 zijn appellante en [naam 1] in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Op 15 februari 1983 is dit huwelijk middels inschrijving van het echtscheidingsvonnis in de daartoe bestemde registers ontbonden.
2.2.2. Tijdens het huwelijk had [naam 1] bij beschikking van 19 februari 1975 D no. [nummer 2] ter bebouwing en bewoning gekregen: “het erf groot 278,50 m² gelegen in het distrikt Suriname ten zuiden van de Oost-West verbinding, deel uitmakende van de vestigingsplaats Meerzorg en bekend als serie A no. 1a6”.
2.2.3. In een verzoekschrift getekend door appellante en [naam 1] d.d. 6 april 1983, welk verzoekschrift aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie was gericht, staat onder meer vermeld:
“Geeft met verschuldigde eerbied te kennen, [naam 1], wonende in het distrikt Suriname te Meerzorg Serie A no. 1a6.
Dat bij beschikking van 19 februari 1975 D no. 269, ter bebouwing en bewoning in huur is afgestaan, het erf groot 278,50 m², gelegen in het distrikt Suriname, ten Zuiden van de Oost-Westverbinding, deel uitmakende van de vestigingsplaats Meerzorg en bekend als serie A no. 1a6,
dat hij ter plaatse een huis heeft neergezet, en het erf heeft onderhouden, dat hij thans de opstallen en beplantingen op het bovengenoemde erf aan [naam 2], wonende in het distrikt Suriname te Meerzorg Serie A no. 1a6, die ten blijke van instemming dit verzoekschrift mede heeft ondertekend, wenst over te dragen.
Redenen waarom hij U verzoekt het daarheen te willen leiden dat het bovengenoemd erf op naam van [naam 2] wordt gesteld.”
2.2.4. [naam 1] is op 17 januari 1999 overleden. Zijn erfgenamen zijn, onder andere, geïntimeerde.
2.3. Naast voormelde vaststaande feiten heeft appellante – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing van belang – aan haar vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat geïntimeerde wanprestatie jegens haar pleegt aangezien zij danwel de overleden [naam 1] in strijd met hetgeen hij met appellante was overeengekomen eenzijdig het verzoekschrift van 6 april 1983 heeft ingetrokken en vervolgens heeft doen vervangen door het verzoek aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie om het erf als voormeld in grondhuur aan hem af te staan. Bedoelde erf is in grondhuur aan geïntimeerde afgestaan.
2.4. De geïntimeerde heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang- aangevoerd dat het huurrecht een persoonlijk karakter draagt en niet in een huwelijksgemeenschap kan vallen. Dat betekent in onderhavige zaak dan ook dat slechts wijlen [naam 1] zulks heeft verworven. De woning (beterschap) zou eventueel in de toen bestaande huwelijksgoederengemeenschap kunnen vallen, het perceelland echter niet. Voorts ontkent zij vanwege gebrek aan verificatoiren dat niet is voldaan aan de publicatieplicht en de plicht tot het vragen van advies aan de Districts-Commissaris. Voorts heeft geïntimeerde bij antwoord een exemplaar van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, bekend onder A.R. no. 99/3619 ten processe overgelegd en daaruit de navolgende overweging geciteerd en tot de hare gemaakt, te weten (begin citaat) “dat krachtens artikel 14 lid 1 van het decreet uitgifte domeingrond het recht van grondhuur een zakelijk recht is om het vrije genot te hebben van een stuk domeingrond onder gehoudenis om deze grond overeenkomstig de door de Staat daaraan bij de vestiging gegeven bestemming en bepalingen te benutten. Het recht wordt eenzijdig door de Staat verleend. Ingevolge dit artikel mag de burger niet beschikken over die domeingrond, behorende het erf immers de Staat toe. De gezamenlijke erfgenamen van [naam 1] beschikken niet over het voren omschreven erf en kan daarom ook niet veroordeeld worden tot levering daarvan” (einde citaat).
2.5. In hoger beroep concludeert appellante – kort gezegd – tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en opnieuw rechtdoende tot alsnog toewijzing van haar gerectificeerde vordering.
2.6. Daartoe heeft appellante tegen voormeld vonnis het navolgende aangevoerd. De kantonrechter is bij de beoordeling van appellante’s vordering ten onrechte er aan voorbij gegaan dat blijkens het fundamentum petendi appellante evident de juridische levering van het recht van grondhuur op het litigieuze perceelland wenst te vorderen. Indien de kantonrechter een comparitie van partijen had gehouden voor het verschaffen van inlichtingen dan was daarmede het processueel belang van beide partijen gediend. Door de beslissing van de kantonrechter zijn beide procespartijen onnodig verrast zonder dat hierdoor een oplossing is gekomen in het tussen partijen bestaand geschil. Voorts heeft appellante alsnog verzocht om het oorspronkelijk petitum te rectificeren in dier voege dat onder sub A van het petitum in de vierde regel tussen de woorden “leveren”… en “ het erf” worde toegevoegd de navolgende zinsnede: “het recht van grondhuur op..”.
2.7. Geïntimeerde heeft zich in hoger beroep – kort gezegd – verzet tegen toewijzing van de verzochte rectificatie van het petitum en geconcludeerd tot bevestiging van het beroepen vonnis.
2.8. Het hof zal allereerst ingaan op de verzochte rectificatie. Uit de gedingstukken in eerste aanleg blijkt dat appellante dat reeds bij repliek had verzocht (in het 2e sustenu). Geïntimeerde had zich daar niet tegen verzet maar de kantonrechter is daar in het vonnis niet op ingegaan. Thans verzoekt appellante dat andermaal en nu in hoger beroep terwijl geïntimeerde zich daar wel tegen verzet met een beroep op het bepaalde in de artikelen 271 e.v. WvBRv. Naar het oordeel van het hof is het verweer van geïntimeerde daartegen ongegrond. Immers blijkt niet dat het betreft een nieuwe eis casu quo een vermeerdering van eis. Evenmin blijkt dat door toewijzing daarvan het geding onredelijk wordt vertraagd casu quo geïntimeerde in haar belangen wordt geschaad. Derhalve zal het hof aan appellante ter zake van de gevorderde rectificatie – hetwelk eerder een aanvulling behelst -akte verlenen, onder voorbijgaan aan het daartegen gevoerd verweer zijdens geïntimeerde.
2.9. Thans zal het hof overgaan tot bespreking van de aangevoerde grief zijdens appellante. Naar het oordeel van het hof haalt de door appellante aangevoerde grief het niet in rechte en dient te worden verworpen. Gelet op het aangevoerde feitenmateriaal, te weten het feit dat het recht van grondhuur op het litigieuze perceelland is verleend aan de heer [naam 1], die inmiddels – op 17 januari 1999 – is overleden, terwijl geïntimeerde de enige erfgenaam is die weigert om aan de overdracht van het recht van grondhuur mede te werken, komt het hof tot de slotsom dat het recht van grondhuur niet door de erfgenamen van dhr. [naam 1] voornoemd kan worden overgedragen. Dienaangaande heeft de kantonrechter terecht overwogen dat de erfgenamen van de gewezen grondhuurder beschikkingsonbevoegd zijn om domeingrond over te dragen. Immers zijn de erfgenamen afhankelijk van de toestemming van de Staat om de overdracht te realiseren en kunnen zij niet eigenmachtig daartoe overgaan. In het verlengde hiervan kunnen zij daartoe evenmin worden veroordeeld. Immers dienen de erfgenamen indachtig het bepaalde in artikel 16 van het Decreet Uitgifte Domeingrond, binnen achttien (18) maanden na het overlijden van de gewezen grondhuurder èèn van hen aan te wijzen op wiens naam het recht van grondhuur zal overgaan, bij gebreke waarvan het recht van grondhuur van rechtswege vervalt en – behoudens overmacht – terug keert in de boezem van de Staat. Nu gesteld noch gebleken is dat de erfgenamen van [naam 1] binnen achttien (18) maanden na zijn overlijden één van hen hebben aangewezen op wie het recht van grondhuur zal overgaan casu quo er sprake zou zijn geweest van overmacht aan hun zijde, zal het hof het er in dit geding voor houden dat het litigieus perceelland is terug gekeerd in de boezem van de Staat en dat de erfgenamen van [naam 1] niet gerechtigd zijn om het recht van grondhuur daarop over te dragen. Het onderdeel van het gevorderde dat de geldvordering betreft komt als sequeel van de gevorderde overdracht van het litigieus recht van grondhuur evenmin voor bespreking in aanmerking.
2.10.Ten aanzien van het vermeend nalaten van de kantonrechter om een comparitie van partijen te gelasten teneinde inlichtingen in te winnen oordeelt het hof dat dat tot de beleidsvrijheid van de kantonrechter behoort die dat naar eigen inzichten en believen invult. Voor zover appellante stelt dat de kantonrechter een zgn, “verrassingsbeslissing” heeft gegeven oordeelt het hof dat geïntimeerde het daartoe strekkend verweer in eerste aanleg bij antwoord – onder aanhaling van het vonnis bekend in het A.R. onder no. 99/3619 – heeft aangevoerd en dat de kantonrechter daarop is ingegaan in het vonnis. Van een “verrassingsbeslissing” is er derhalve geen sprake geweest;
2.11.Gelet op al het voorgaande zal het hof voorbij gaan aan al hetgeen appellante dienaangaande heeft aangevoerd. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat het beroepen vonnis dient te worden bevestigd. De proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen zullen voor rekening van appellante dienen te komen en zullen worden begroot als in het dictum te melden;
- De beslissing in hoger beroep
Het hof:
3.1. Verleent appellante akte van rectificatie casu quo aanvulling van het petitum van het inleidend rekest als verzocht;
3.2. Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 07 oktober 2008, bekend in het Algemeen Register onder no. 051378, waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden.
3.3. Veroordeelt appellante in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;
Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. M.C. Mettendaf, Leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 20 maart 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan
Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. C.A. Meijnaar namens de gemachtigden van partijen, advocaat mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van appellante en advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van geïntimeerde.
Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld