SRU-HvJ-2015-17

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellante],
wonende te [district],
appellante,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende in [land],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. J.F. Echteld, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 17 mei 2011 (A.R.NO. 074847) tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiseres,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk [appellante] en [geïntimeerde].

1.Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • Het schrijven van de advocaat van appellante gedateerd 25 oktober 2011 – ingekomen ter griffie van het hof op 28 oktober 2011– waaruit blijkt dat appellante hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 17 mei 2011;
  • De pleitnota de dato 02 augustus 2013;
  • De antwoordpleitnota, onder overlegging van een productie, overgelegd de dato 06 december 2013;
  • De repliekpleitnota en uitlating productie de dato 17 januari 2014;
  • De dupliekpleitnota de dato 21 maart 2014;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 15 augustus 2014 doch nader op heden;

2.De beoordeling
2.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat [appellante] zal worden veroordeeld om aan haar te betalen Euro 1.204 plus SRD 1.630,-, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar.

2.2. De kantonrechter heeft bij vonnis van 17 mei 2011 [appellante] veroordeeld tot betaling van Euro 1.204,- en SRD. 1.430,-. Voorts is het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is [appellante] in de kosten van het geding aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, veroordeeld. Het meer of anders gevorderde is afgewezen;

2.1 [appellante] heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsman bij schrijven gedateerd 25 oktober 2011 – ingekomen ter griffie van het hof op 28 oktober 2011 – appèl aangetekend tegen het vonnis van 17 mei 2011. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest. De aangetekende dienstbrief zijdens de griffier is gedateerd 21 oktober 2011. Gelet op het voorgaande heeft [appellante] ingevolge het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep;

2.2.[appellante] heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende – ook in hoger beroep – vast tussen partijen:
2.2.1 Partijen hebben een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, betreffende de woning gelegen te Paramaribo aan de [adres]. De huurprijs bedroeg Euro 135,- per maand. [geïntimeerde] is de verhuurster en [appellante] de huurster.
2.2.2 Op 30 oktober 2007 heeft [appellante] de litigieuze woning ontruimd.

2.3 Naast voormelde vaststaande feiten heeft [geïntimeerde] – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep ten aanzien van [appellante] van belang – aan haar vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat [appellante] de huur onregelmatig betaalt getuige het feit dat zij vanaf de maand januari 2007 niet meer heeft voldaan aan haar betalingsverplichtingen, echter met uitzondering van 18 april – en 02 juni 2007 waarbij zij respectievelijk 100 – om 50 Euro heeft gestort, aldus t/m de maand oktober 2007 een saldo latende van Euro 1.240,-.

2.4 [appellante] heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – aangevoerd dat zij ontkent enige betalingsachterstand te hebben, daar [geïntimeerde] duidelijk aan haar heeft medegedeeld dat zij geen huur meer hoeft te betalen, mits zij de woning ontruimt. Dit heeft [appellante] gedaan in oktober 2007 omdat de woning die zij bezig was te bouwen reeds af was en zij haar intrek daarin kon nemen. [appellante] is dus geen enkel bedrag van € 1.240,- aan [geïntimeerde] verschuldigd.

2.5. In hoger beroep concludeert [appellante] tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en tot alsnog ontzegging van de vordering aan [geïntimeerde] casu quo haar in haar vordering niet te ontvangen.

2.6 Daartoe heeft [appellante] als grief tegen voormeld vonnis aangevoerd – kort samengevat en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang- dat de beoordeling van de kantonrechter geen deugdelijke basis heeft aangezien de kantonrechter bevoegd was om een der partijen een bewijsopdracht op te leggen. Maar afgezien daarvan kan [geïntimeerde] geen achterstallig huur meer vorderen, daar deze vordering ingevolge de wet reeds lang is verjaard. [appellante] blijft er bij dat zij met [geïntimeerde] de afspraak had gemaakt dat bij ontruiming zij geen huur meer behoefde te betalen. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij ten onrechte is veroordeeld tot betaling van de deurwaarderskosten, gerechtelijke – en buitengerechtelijke kosten aangezien de overeenkomst door de ontruiming reeds was ontbonden en [geïntimeerde] haar nodeloos in de kosten heeft gejaagd, daar artikel 9 van de overeenkomst geen toepassing meer vond.

2.7 [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop – in het hierna volgende voor zover voor de beslissing van belang – terug komen;

2.8 [geïntimeerde] heeft als formeel verweer aangevoerd dat alhoewel [appellante] binnen de wettelijke termijn hoger beroep heeft aangetekend, het ruim twee jaren heeft geduurd aleer zij haar pleitnota heeft ingediend. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij niet op de door de wet bepaalde wijze is opgeroepen om in hoger beroep te verschijnen. Gelet op het voorgaande heeft zij – althans zo vat het hof dat op – de niet – ontvankelijkheid van [appellante] bepleit. Naar het oordeel van het hof gaat het door [geïntimeerde] aangevoerd formeel verweer niet op.

2.9 Allereerst staat er in zijn algemeenheid geen sanctie op het laat indienen van een pleitnota en is het appointeringsbeleid een aangelegenheid van het hof, waar [appellante] geen invloed op kan uitoefenen. Met betrekking tot de wijze van oproeping van [geïntimeerde] om op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen blijkt uit het ten processe overgelegd oproepingsexploit de dato 13 maart 2013, no. 188, afkomstig van deurwaarder Tjanderdewkoemar Jhagroe, dat dat op rechtens juiste wijze is geschied. Gelet op al het voorgaande zal het door of namens [geïntimeerde] aangevoerd formeel verweer worden verworpen.

2.10 Het hof zal ingaan op de aangevoerde grief. Dienaangaande overweegt het hof dat uit de gedingstukken in eerste aanleg blijkt dat de kantonrechter in haar vonnis, onder meer, het navolgende heeft overwogen (citaat): “Gedaagde voert aan dat eiseres met haar had afgesproken dat indien zij de woning ontruimt, zij geen huur hoefde te betalen. Nu zij de woning van eiseres heeft ontruimd, is zij niets aan eiseres verschuldigd. Eiseres weerspreekt met gedaagde te zijn overeengekomen dat zij geen huur meer hoefde te betalen indien zij de woning zou ontruimen en stelt daartoe dat gedaagde zich op 10 oktober 2007 op kantoor bij de deurwaarder L. Gangaram Panday had aangemeld en medegedeeld dat zij pas in maart-april 2008 de achterstallige huur zou betalen, doch dat eiseres hiermede niet akkoord is gegaan. Desondanks blijft gedaagde in haar verweer volharden dat partijen wel zijn overeengekomen dat zij geen huur meer behoefde te betalen, zonder echter op het gemotiveerd verweer van eiseres het bewijsaanbod ter zake te doen. In stede daarvan voert gedaagde dat eiseres dient te bewijzen dat zij, gedaagde nog huurpenningen verschuldigd is. Daar het verweer van gedaagde niets anders inhoudt dan een betwisting van de stelling van eiseres, lag het op de weg van gedaagde te bewijzen dat partijen zijn overeengekomen dat zij geen huur hoeft te betalen als zij de woning had ontruimd. Nu gedaagde geen specifiek bewijsaanbod ter zake heeft gedaan zal de kantonrechter het ervoor moeten houden dat gedaagde nog achterstallig huur ad Euro 1.204,- aan eiseres verschuldigd is, zodat de vordering ter zake zal worden toegewezen.” (einde citaat). Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter terecht het voorgaande overwogen. Immers staat tussen partijen vast dat zij met elkaar een huurovereenkomst met betrekking tot de desbetreffende woning zijn aangegaan tegen een huurprijs van Euro 135,- per maand. Dat [appellante] vanaf januari 2007 de huur niet heeft betaald en per eind oktober 2007 de woning heeft ontruimd staat eveneens vast tussen partijen. Waar partijen met elkaar van mening over verschillen betreft het antwoord op de vraag of [appellante] over de periode januari 2007 tot en met oktober 2007 huurpenningen verschuldigd was aan [geïntimeerde]. [appellante] vindt dat zij met [geïntimeerde] had afgesproken dat indien zij zou ontruimen, zij geen huurpenningen meer behoefde te betalen terwijl [geïntimeerde] categorisch ontkent voormelde afspraak met [appellante] gemaakt te hebben.

2.11 [geïntimeerde] heeft ter staving van het tegendeel van de stelling van [appellante] een productie gedateerd 09 september 2006 in het geding gebracht (afkomstig van Hentimo Administratie-, Advies, en Bemiddelingskantoor). De inhoud van voormelde productie alsmede de daarop prijkende handtekening van [appellante] zijn door laatstgenoemde bloot ontkend terwijl zij – ook in hoger beroep- heeft nagelaten een gespecificeerd bewijsaanbod te doen ter zake van de door haar geponeerde stelling dat overeengekomen was dat – indien zij zou ontruimen – zij geen huur meer behoefde te betalen. Daarenboven heeft zij niet ontkend de stelling van [geïntimeerde] dat [appellante] op 18 april 2007 en 02 juni 2007 respectievelijk het bedrag van Euro 100 om Euro 50 heeft gestort, zodat dat in rechte is komen vast te staan. Het voorgaande staat – naar het oordeel van het hof – op gespannen voet met hetgeen [appellante] heeft aangevoerd en dat ertoe strekt dat afgesproken was dat zij geen huur meer behoefde te betalen. Immers rijst dan de vraag wat de ratio van voormelde betalingen dan zou zijn geweest. Nu [appellante] noch in eerste aanleg noch in hoger beroep een gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan terwijl dat op haar weg had gelegen, aangezien zij zich op een bevrijdend rechtsfeit beroept, bestaat er naar het oordeel van het hof geen behoefte om [appellante] ambtshalve met het bewijs daarvan te belasten. Aan het bloot aangevoerde verweer zijdens [appellante] dat het vorderingsrecht van [geïntimeerde] zou zijn verjaard zal het hof voorbij gaan aangezien dat niet feitelijk is onderbouwd.

2.12 Met betrekking tot hetgeen [appellante] heeft aangevoerd betreffende de deurwaarders-, gerechtelijke – en buitengerechtelijke kosten oordeelt het hof dat dat tussen partijen is overeengekomen en dat de kantonrechter derhalve terecht heeft overwogen en beslist dat dat dient te worden betaald door [appellante]. Aan het voorgaande doet de ontruiming door [appellante] niet af. Evenwel blijkt de kantonrechter zich kennelijk te hebben vergist met betrekking tot de hoogte van het gevorderd bedrag. De kantonrechter heeft het geldbedrag van SRD. 1.430,- toegewezen in stede van het gevorderd bedrag ad SRD. 1.630,- en heeft ter rechtvaardiging daarvan in het vonnis geen beweegreden aangegeven. Het voorgaande leidt naar het oordeel van het hof tot de slotsom dat het kennelijk een vergissing betreft zodat het vonnis van de kantonrechter op dat punt ambtshalve dient te worden vernietigd en opnieuw rechtdoende het oorspronkelijk gevorderd bedrag dient te worden toegewezen.

2.13 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de opgeworpen grief dient te worden verworpen en het beroepen vonnis voor het overige dient te worden bevestigd.

2.14 [appellante] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis;

3.De beslissing in hoger beroep
Het hof:
3.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 17 mei 2011, A.R. no. 074847, voor wat betreft punt 5.2. daarvan.

En opnieuw rechtdoende:

3.2 Veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] te betalen SRD. 1.630,- (Eenduizend en Zeshonderd en Dertig Surinaamse Dollar), zijnde de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten.

3.3 Bevestigt voor het overige het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 17 mei 2011, A.R.No. 074847, waarvan beroep, onder aanvulling van de beoordeling als hiervoor onder 2.9 en 2.10. aangegeven;

3.4 Veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en mr. A.C.Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 17 april 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend–Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat mr.F.F.P.Truideman, gemachtigde van appellante, terwijl geïntimeerde noch in person noch bij gemachtigde is verschenen.

 

SRU-HvJ-2015-16

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
A. [appellant sub A],
B. [appellante sub B],
beiden wonende in het [district],
appellanten, hierna gezamenlijk aangeduid als “[appellanten]”,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

tegen

[geintimeerde],
wonende te [stad], [land],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “[geintimeerde]”,
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 2 augustus 2010 (A.R. no. 091402) tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellanten] als gedaagden,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het op 20 juni 2014 bij vervroeging tussen partijen gewezen tussenvonnis.

Het verder procesverloop in hoger beroep
1.1 Het verder procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het proces-verbaal van het op 5 december 2014 gehouden getuigenverhoor.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De verdere beoordeling
2.1 Bij tussenvonnis van 20 juni 2014 is [geïntimeerde] toegelaten om door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen, te bewijzen dat er tussen partijen een huurovereen-komst heeft bestaan ten aanzien van de woning gelegen aan de [adres], alsmede welke huursom daarvoor is afgesproken.
Uit het proces-verbaal van het getuigenverhoor blijkt dat geen getuigen zijn opgebracht.
[geïntimeerde] heeft evenmin op andere wijze het hem opgedragen bewijs van zijn stellingen bijgebracht. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat niet is komen vast te staan dat er tussen partijen een huurovereenkomst heeft bestaan ten aanzien van de woning gelegen aan de [adres], zodat de door [geïntimeerde] gevorderde huursommen niet toewijsbaar zijn. Hetgeen in het bestreden vonnis onder 3.1 en 3.3 is besloten zal derhalve worden vernietigd.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
3.1 Vernietigt de besluiten genomen onder 3.1 en 3.3 van het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 2 augustus 2010 (A.R. no. 091402), waarvan beroep.
3.2 Bevestigt het onder 3.1 genoemd vonnis voor het overige.
Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. J.M. Jensen, Leden-Plaatsvervanger, en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 maart 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. E.Naarendorp, gemachtigde van appellanten, en geïntimeerde vertegenwoordigd doorzijn gemachtigde advocaat mr. S. Marica, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2014-6

HET HOF VAN JUS1TITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. [appellant sub A],
B. [appellante sub B],
beiden wonende in het [district],
appellanten, hierna gezamenlijk aangeduid als “[appellanten]”,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [stad], [land],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “[geïntimeerde]”,
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 2 augustus 2010 (A.R. 091402) tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellanten] als gedaagden,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellanten] op 2 november 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de memorie ex artikel 271 d.d. 26 november 2010, met producties;
  • de memorie van antwoord d.d. 3 augustus 2012;
  • de pleitnota d.d. 5 oktober 2012;
  • de antwoordpleitnota d.d. 2 november 2012;
  • de repliekpleitnota d.d. 18 januari 2013;
  • dupliekpleitnota met producties d.d. 15 maart 2013;
  • de nota ter uitlating producties zijdens [appellanten].

1.2 Het vonnis is nader bepaald op heden.

De ontvankelijkheid
2.1 [appellanten] zijn niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak. Het vonnis is bij griffiersbrief van 26 oktober 2010 aan partijen toegezonden. [appellanten] heeft bij schrijven van hun gemachtigde op 2 november 2010 appèl aangetekend.

2.2 Gelet op het voorgaande heeft [appellanten] tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de termijn van dertig dagen na dagtekening van de dienstbrief van de griffier der kantongerechten is geschied, zodat zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De procedure in eerste aanleg
3.1 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg –zakelijk weergegeven – gevorderd:
A. de tussen partijen bestaande huurovereenkomst te ontbonden, althans voor ontbonden te verklaren;
B. [appellanten] te veroordelen om binnen 1 week na het te wijzen vonnis de woning aan de [adres] te [district] te ontruimen;
C. [appellanten] te veroordelen, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om maandelijks te rekenen van 1 maart 2005 tot en met december 2006 aan hem te betalen de som van € 200,=, zijnde de maandelijks verschuldigde huurpenning en te rekenen van 1 januari 2007 tot aan de maand der algehele ontruiming de som van € 350,= zijnde de verschuldigde huurpenning over deze periode;
D. de som van € 750, zijnde de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten zoals overeengekomen.
3.2 De Kantonrechter heeft in zijn vonnis van 2 augustus 2010 de vordering, met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke kosten, toegewezen, zodanig dat [appellant sub A] binnen 1 maand na betekening van het vonnis de woning aan de [adres] diende te ontruimen.

De vordering en de grieven
4. [appellanten] concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot ontzegging van de vordering als zijnde ongegrond en onbewezen. [appellanten] heeft ter onderbouwing daarvan gesteld dat zij geen huurovereenkomst hebben gesloten met [geïntimeerde] en op hen dus geen verplichting rust tot betaling van huurpenningen. Zij zijn in oktober 2005 in de woning getrokken omdat [geïntimeerde] hen het dringend verzoek daartoe gedaan had; zij moesten de woning beheren en renoveren, hetgeen zij hebben gedaan.
Zij hebben de woning inmiddels ontruimd zodat enig daarop gericht vonnis onnodig is.

De beoordeling

De ontruiming
5.1 Het Hof oordeelt dat nu na het tussen partijen in eerste aanleg gewezen vonnis [appellanten] de woning heeft ontruimd, zodat er geen aanleiding toe bestaat dit deel van het in eerste aanleg gegeven besluit te vernietigen. Immers, voor de bewoning door [appellant sub A] is door elk van de partijen een andere grond aangedragen:
a. [appellanten] hebben in hoger beroep aangevoerd dat zij de woning in gebruik hebben gekregen van [geïntimeerde]. Dit zou tot gevolg hebben dat het gebruik door [geïntimeerde] is opgezegd en [appellanten] zonder recht of titel de woning bewoonden, zodat in eerste aanleg de ontruiming terecht is bevolen.
b. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gesteld dat [appellanten] op basis van een huurafspraak in de woning verbleven. Dit zou tot gevolg hebben dat de huurovereenkomst door [geïntimeerde] is opgezegd en door de kantonrechter in eerste aanleg is ontbonden, waarna terecht de ontruiming van de woning is gelast.
Geoordeeld wordt dat ook dat in eerste aanleg de ontruiming terecht is gelast, zodat dit deel van de beslissing zal worden bevestigd.

De grondslag voor bewoning
5.2 Tussen partijen is in geding op welke grondslag [appellanten] de betreffende woning hebben bewoond: gebruik dan wel een huurovereenkomst.
[geïntimeerde] heeft in beide instanties gesteld dat hij een huurafspraak heeft met [appellanten] [appellant sub A] heeft dit gemotiveerd betwist.
Aangezien [geïntimeerde] heeft verklaard dat hij het bewijs wenst te leveren dat er een huurovereenkomst bestond tussen partijen, zal hij in de gelegenheid daartoe worden gesteld.
Het Hof constateert daarbij dat in de door [geïntimeerde] overgelegde producties die zijns inziens het bestaan van de huurafspraak ondersteunen, verschillende bedragen worden genoemd voor de verschuldigde huur:
– in het e-mail bericht van [geïntimeerde] dd. 7 november 2007 gericht aan [appellanten] staat vermeld “Want zoals besproken is vind ik het betalen van huur vanaf maart 2005 (€ 200 p/m) een redelijk bedrag, vanaf januari 2007 is afgesproken dat er € 325 huur betaald zou worden”.
– in het e-mail bericht van [geïntimeerde] dd. 25 november 2007 gericht aan [appellanten] staat vermeld “Jullie hadden toestemming voor een periode van 4 mnd te blijven, dat is dus t/m feb 2005, vanaf die datum zou ik dus € 200 p/m redenen dit t/m december 2006. Vanaf janauari 2007 zou er € 350 betaald worden”.
– in de verklaring van [naam 1] d.d. 25 juni 2008 staat onder de tussen partijen gemaakte afspraken vermeld “Zij zou huur gaan betalen ad € 150 per maand vanaf maart 2005.
– in de verklaring van [naam 2] d.d. 30 januari 2013 staat onder de tussen partijen gemaakte afspraken vermeld “dat ze huur zou gaan betalen vanaf 1 maart 2005 a € 150.00 per maand. Dit tot 1 januari 2007. Daarna zou er € 350 betaald gaan worden tot de datum van overdracht.
Vanwege de geconstateerde discrepantie en de betwisting zijdens [appellanten] zal [geïntimeerde] tevens dienen te bewijzen welk bedrag aan huur verschuldigd was.

5.3 Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden.

De beslissing in hoger beroep
Het hof:
6.1 Stelt [geïntimeerde] in de gelegenheid door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen, te bewijzen dat er tussen partijen een huurovereenkomst heeft bestaan ten aanzien van de woning gelegen aan de [adres] , alsmede welke huursom daarvoor is afgesproken.

6.2 Bepaalt, dat het getuigenverhoor ter fine van het voorgaande zal worden gehouden op de terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 01 augustus 2014 te 10:30 uur, ten overstaan van een Rechter-Commissaris, als hoedanig hierbij wordt benoemd, mr.D.D.Sewratan, Fungerend-President van dit Hof;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr.A.C. Johanns,Lid-Plaatsvervanger en bij vervroeging door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 juni 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens hun gemachtigde, advocaat mr. E. Naarendorp en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens zijn gemachtigde, advocaat mr. S. Marica, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1990-15

PRO JUSTITIA
VONNIS 1990 No. 25

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter-plaats vervanger in het Tweede Kanton op 2 februari 1987 gewezen en uitgesproken tegen:

[verdachte];
oud 45 jaar;
van beroep [buschauffeur]; geboren in [land];
verblijf gehouden hebbende aan [adres] te [district],thands zonder bekende woon of verblijfplaats;
Gelet op het tijdstip door de vervolgingsambtenaar ingestelde hoger beroep;
Gelet op het ten deze tegen de behoorlijk middels aan plakking gedagvaarde niet verschene in hoger beroep verleende verstek;
Gehoord het Openbaar Ministerie;
Gelet op het onderzoek in beide instanties;
Overwegende, dat aan verdachte bij de inleidende akte van dagvaarding is ten laste gelegd, dat hij:
op of omstreeks [datum] althans in het jaar [jaar], te [district], in ieder geval in [land];
A. het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat bij gelegenheid van een botsing, aan- of overrijding met een door hem, verdachte, bestuurd motorrijtuig of bij gelegenheid van een handeling ter voorkoming van botsing met- aan- of overrijding door dat motorrijtuig een ander te weten [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (s) heeft bekomen, terwijl dat (die) letsel (s) door die botsing aan- of overrijding, danwel door die handeling ter voorkoming daarvan is veroorzaakt,hebbende hij, verdachte, op voormelde tijd en plaats als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig, personenauto, daarmede, hoogst roekeloos althans hoogst onvoorzichtig en/of onoplettend gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijweg naar [plaats] komende vanuit de richting van het [plaats 2] en gaande in de richting van de [weg], zonder er voor te zorgen dat –voormelde- personenauto voorzien was van twee onafhankelijk van elkaar deugdelijk werkende reminrichtingen, en bij het naderen van een voor hem uit op de linkerzijde van de Rijweg naar [plaats] in voormelde richting als hij, verdachte, zich voortbeweginend althans zich bevindend tweewielig rijwiel, het welk bestuurd werd door voornoemde [slachtoffer], die door hem, verdachte bestuurde personen auto niet, althans niet tijdig en/of voldoende afgeremd en/of niet tijdig en/of voldoende uitgeweken doch daarmede tegen voornoemde [slachtoffer] opgebotst of aangereden tengevolge van welke botsing of aanrijding [slachtoffer] voornoemd gewelddadig in aanraking is gekomen met een of meer harde vlakken en/of voorwerpen waarbij of waardoor voornoemde [slachtoffer] onder meer heeft bekomen (onder meer):
een gecompliceerder onderbeen fractuur,in ieder geval zwaar lichamelijk letsel,althans, indien en voorzover het onder A gestelde niet tot een vooroordeling mocht of zou kunnen leiden;hij als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig, personenauto, daarmede heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijweg naar [plaats] komende vanuit de richting van het [plaats 2] en gaande in de richting van de [weg] zonder er voor te zorgen dat voormelde personenauto voorzien was van twee onafhankelijk van elkaar deugdelijk werkende reminrichtingen, en bij het naderen van een voor hem uit op de linkerzijde van die Rijweg naar [plaats] in voormelde richting als hij, verdachte, zich voortbewegend althans zich bevindend tweedelig rijwiel, het welk bestuurd werd door voornoemde [slachtoffer] die door hem, verdachte bestuurde personenauto niet, althans niet tijdig en/of voldoende heeft afgeremd en/of niet tijdig en/of voldoende is uitgeweken doch daarmede tegen voornoemde [slachtoffer] is opgebotst of aangereden, door welke gedraging van hem verdachte, in ieder geval de vrijheid van het verkeer zonder noodzaak werd belemmerd of de veiligheid op die weg in gevaar werd gebracht of redelijkewijze was aan te nemen dat de veiligheid op die weg in gevaar kon worden gebracht.
Overwegende, dat de kantonrechter in diens vonnis door de daarin vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat verdachte het hem bij inleidende akte van dagvaarding sub A ten laste gelegde heeft begaan; te weten:
Op [datum] te [district], het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat bij gelegeheid van een botsing met een door hem, verdachte, bestuurd motorrijtuig een ander te weten [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsels heeft bekomen, terwijl die letsels door die botsing is veroorzaakt,hebbende hij, verdachte, op vermelde tijd en plaats als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig, personenauto, daarmede hoogst onvoorzichtig en onoplettend gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijweg naar [plaats] komende vanuit de richting van het [plaats 2] en gaande in de richting van de [weg], zonder er voor te zorgen dt voormelde personenauto voorzien was van twee onafhankelijk van elkaar deugdelijk werkende reminrichting, en bij het naderen van een voor hem uit op de linkerzijde van de Rijweg naar [plaats] in voormelde richting als hij, verdachte zich voortbewegend tweedelig rijwiel, hetwelk bestuurd werd door voornoemde [slachtoffer], die door hem, verdachte bestuurde personenauto niet tijdig geremd doch doormede tegen voornoemde [slachtoffer] opgebotst tengevolge van welke botsing [slachtoffer] voornoemd geweldadig in overtreding is gekomen met een of meer harde vlakken waarbij voornoemde [slachtoffer] onder meer heeft bekomen, een gecompliceerde onderbeen fractuur, in ieder geval zwaar lichamelijk letsel;met vrijspraak van het meer of anders te laste gelegde;
Overwegende, dat de kantonrechter het bewezen verklaarde heeft gekwalificeerd als; “Het aan zijn schuld bij gelegenheid van een aanrijding met een door hem bestuurd motorrijtuig te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, terwijl dat letsel door de aanrijding is veroorzaakt”.Misdrijf, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 20 lid 2 juncto artikel 2 lid 1 en lid 4 van de Rijwet 1971;en de verdachte te dier zake heeft veroordeeld tot;
a. gevangenisstraf voor de tijd van VIER WEKEN, met bevel dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een hierbij op TWEE JAREN bepaalde proeftijd aan een strafbaarfeit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen, met ontzegging van de bevoegdheid mottorrijtuigen te besturen voor de tijd van NEGEN MAANDEN, met bevel dat deze ontzegging niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later andere mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een hierbij op TWEE JAREN bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen.
b. een geldboete van DRIE HONDERD EN VIJFTIG GULDEN, met bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hechtenis voor de tijd van VIJF EN DERTIG DAGEN.
Overwegende, dat het Hof zich kan verenigen met en mitsdien overneemt hetgeen in het beroepen vonnis is overwogen en beslist, weshalve dit vonnis behoort te worden bevestigd;
Gezien de in het beroepen vonnis aangehaalde wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP BIJ VERSTEK
bevestigd het vonnis op 2 februari 1987 door de Kantonrechter-plaatsvervanger in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken tegen de verdachte [verdachte] waarvan beroep,
Aldus gewezen door de heren: Mr.S.Gangaram-Panday, fungerend-President, Mr.E.S.Ombre, lid, Mr.A.L.MAC Donald, lid-plaatsvervanger, in tegenwoordigheidvan mej.Mr.D.A.Ensberg, fungerend-Griffier, die dit vonnis hebben ondertekend en terstond hebben uitgegeven ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Woensdag, 11 juli 1990 door de fungerend-President voornoemd.

SRU-ATC-2020-13

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/19

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[klager],
klager,
procederend in persoon,

tegen

[verweerder],
verweerder,
de advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
procederend in persoon.

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Bij schrijven van 24 september 2018 heeft klager bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna de Deken) een klacht ingediend tegen verweerder;

1.2 De Deken heeft de klacht met bijbehorende producties op 07 maart 2019 ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het tuchtcollege).

1.3 De klacht is behandeld op 10 januari 2020 ter zitting van het tuchtcollege, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

1.4 De beslissing is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Klager had verweerder benaderd om, mede namens hem, een vordering aan te leggen bij de kantonrechter. Deze vordering was bekend onder A.R. nummer [no.1] en beoogde de juridische levering van een drietal percelen c.q. schadevergoeding.

2.2 De kantonrechter heeft voormelde vordering afgewezen bij vonnis d.d.1 november 2011. Uit dit vonnis blijkt onder meer dat de kantonrechter een deel van de vordering heeft afgewezen omdat eisers, waaronder klager, verzuimd hadden om de originele kwitanties over te leggen waaruit de betaling zou moeten blijken van de volledige koopsom van een perceel met [nummer].

2.3 Verweerder heeft mede namens klager hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter.

3. De klacht
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, een en ander als bedoeld in artikel 37 van de Advocatenwet. De klager stelt dat verweerder hem nimmer op de hoogte heeft gesteld om met de originele betalingsbewijzen naar [land] Suriname te komen. Hierdoor – zo begrijpt het tuchtcollege – is het vonnis in zijn nadeel uitgevallen. Klager stelt dat hij verweerder heeft voorgehouden dat hij alle voor het proces benodigde documenten bij zich heeft en dat verweerder deze moest opvragen indien die nodig waren voor het proces. Klager concludeert dat hij door toedoen van verweerder in zijn belangen is geschaad.

4. Het verweer
Volgens verweerder heeft hij steeds telefonisch contact gehad met klager die in het buitenland woonde als ook met diens zus, die zelf ook partij was in de genoemde zaak, die hier te lande woont, over de voortgang van de zaak. Zo heeft hij ook klager als diens zus op de hoogte gesteld van het verzoek van de rechter voor inzage van de originele documenten. Verweerder voert aan dat het zelf aan klager heeft gelegen dat hij de originele stukken niet heeft opgestuurd. Voorts voert verweerder aan dat hij hoger beroep had ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter maar op uitdrukkelijk verzoek van klager heeft hij het hoger beroep ingetrokken.

5. De beoordeling
5.1 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij als advocaat behoorde te betrachten jegens klager. Alhoewel klager behoorlijk op de hoogte is gesteld dat de onderhavige tuchtzaak zou worden behandeld heeft hij nagelaten om aanwezig te zijn op de zitting danwel zich behoorlijk te doen vertegenwoordigen. Het tuchtcollege is er daarom toe overgegaan om de zaak af te handelen op grond van de processtukken en het verhoor van verweerder.

5.2 Verweerder heeft blijven volhouden dat hij zowel klager als diens zus, die inmiddels is overleden, steeds op de hoogte heeft gehouden van het verloop van de zaak, alsook het verzoek van de rechter tot inzage in de originele documenten. Het tuchtcollege overweegt voorts dat uit het proces-verbaal van gehouden comparitie van partijen in de zaak bekend onder AR no. [no.1], gedateerd 3 april 2008, is gebleken dat de eisers in die zaak, waaronder ook klager, ter terechtzitting vertegenwoordigd waren door hun vertegenwoordiger in de persoon van [klager] alsook verweerder die toen hun advocaat was. Op die zitting heeft deze [klager] onder andere verklaard “…….Ik ben in gebreke gebleven om de kwitanties mee te nemen…..”. Dit voorgaande impliceert dat klager op de hoogte diende te zijn dat de originele kwitanties vereist waren ter terechtzitting. Het had dus aan klager gelegen om de originele documenten die in zijn bezit waren aan verweerder te doen toekomen. Nu hij dat niet heeft gedaan kan dit verweerder niet worden aangerekend. Verweerder is dus ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De klacht is derhalve ongegrond.

6. De beslissing
Het tuchtcollege:

Verklaart de klacht tegen [verweerder] ongegrond.

Aldus gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, plv. voorzitter, mr. G. Ramai-Badal en mr. J.R. Wouter, leden, en door de plv. voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 09 oktober 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van mr. S. Sheombar en mr. J.R. Wouter, alsmede de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris, De plv. voorzitter,
w.g. w.g.
Mr. M.S. Wesenhagen mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran

De leden,
w.g.
mr. G. Ramai-Badal
w.g.
mr. J.R. Wouter

Voor eensluitend afschrift
De secretaris van het ATC,
mr. M. S. Wesenhagen

 

SRU-ATC-2020-12

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/18

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[klager],
klager,
procederend in persoon,

tegen

[verweerder] ,
verweerder,
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
procederend in persoon.

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Bij schrijven van 24 september 2018 heeft klager bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna de Deken) een klacht ingediend tegen verweerder.

1.2 De Deken heeft de klacht met bijbehorende producties op 07 maart 2019 ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het tuchtcollege).

1.3 De klacht is behandeld op 10 januari 2020 ter zitting van het Tuchtcollege, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

1.4 De beslissing is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Klager had allereerst [verweerder], advocaat, benaderd die mede namens hem een vordering had aangelegd bij de kantonrechter in een perceelkwestie. Deze vordering was bekend onder A.R. nummer [nummer 1]. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen bij vonnis d.d. [datum]. Uit dit vonnis blijkt onder meer dat de kantonrechter een deel van de vordering heeft afgewezen omdat eisers, waaronder klager, verzuimd hadden om de originele kwitanties over te leggen waaruit de betaling zou moeten blijken van de volledige koopsom van een perceel met no. [nummer 2].

2.2 [verweerder] heeft mede namens klager hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter.

2.3 Klager heeft daarna verweerder benaderd om hem rechtsbijstand te verlenen.

2.4 Klager heeft na afstemming met verweerder het hoger beroep met betrekking tot het vonnis bekend onder A.R. nummer [nummer 1] doen intrekken. Verweerder heeft hierna een nieuwe vordering ingesteld bij de kantonrechter. Deze vordering is bekend onder A.R. nummer [nummer 3].

2.5 De kantonrechter heeft op 24 november 2015 vonnis gewezen in de zaak bekend onder A.R. nummer [nummer 3], waarbij klager (toen één van de eisers) niet ontvankelijk is verklaard in zijn vordering. De kantonrechter heeft aan de beslissing ten grondslag gelegd dat – althans zo begrijpt het tuchtcollege dat – over de zaak reeds onherroepelijk is beslist met als gevolg dat het vonnis bekend onder A.R. nummer [nummer 1] gezag van gewijsde heeft.

2.6 Tegen het vonnis van de kantonrechter bekend onder A.R. nummer [nummer 3] is er geen hoger beroep aangetekend.

3. De klacht
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, een en ander als bedoeld in artikel 37 van de Advocatenwet. Klager stelt daartoe dat verweerder de belangen van klager niet zorgvuldig heeft behartigd. Zo heeft verweerder hem geadviseerd om een nieuwe zaak aan te leggen en het eerder door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter bekend onder A.R. nummer [nummer 1] in te trekken alvorens hij zou starten met een nieuwe procedure bij de kantonrechter. Hij heeft op instigatie van verweerder onnodige kosten gemaakt.

4. Het verweer
Verweerder heeft verweer gevoerd. Het tuchtcollege zal – zover nodig – hierop terug komen in de beoordeling.

5. De beoordeling
5.1 Verweerder heeft als verweer aangevoerd – althans zo begrijpt het tuchtcollege – dat klager niet heeft voldaan aan artikel 40 Advocatenwet, met dien verstande dat klager in het buitenland woont en dat hij geen vertegenwoordiger heeft in Suriname. Het tuchtcollege gaat voorbij aan dit verweer, nu daarop geen sanctie is gesteld.

5.2 Naar het tuchtcollege begrijpt heeft de klacht betrekking op de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder. Het tuchtcollege stelt voorop dat zij mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt te beoordelen indien deze daarover klaagt. Evenwel heeft het tuchtcollege rekening te houden met de vrijheid die de advocaat heeft met de keuzes – zoals over procesrisico en kostenrisico – waarvoor de advocaat bij de behandeling van de zaak kan komen te staan. Echter, de vrijheid van de advocaat is niet onbeperkt maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat hij zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Tot die professionele standaard behoren het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en het informeren van de cliënt daarover. Het tuchtcollege zal aan de hand van deze maatstaven de klacht beoordelen.

5.3 Uit het door partijen over en weer gestelde staat vast dat klager op advies van verweerder het ingestelde hoger beroep tegen het vonnis d.d. 01 november 2011 bekend onder A.R. nummer [nummer 1] heeft doen intrekken. Ongeacht of dit na afstemming met klager is geweest, is het tuchtcollege van oordeel dat door de intrekking van het hoger beroep, klager de kans heeft gemist om fouten die in eerste aanleg zijn gemaakt, zoals het niet overleggen van de gevraagde originele kwitantie, alsnog te herstellen in hoger beroep. Van verweerder als professional mocht worden verwacht dat hij de inschatting had moeten maken dat indien de nieuwe door hem ingestelde vordering bakzeil zou halen – hetgeen ook is gebeurd, nu eisers in die vordering niet ontvankelijk zijn verklaard – alsnog de zaak in hoger beroep had kunnen slagen.

5.4 Wat verweerder ook kan worden aangerekend is dat hij ook in de nieuwe zaak bekend onder A.R. nummer [nummer 3], geen hoger beroep heeft aangetekend, wetende dat ook dat vonnis gezag van gewijsde zou hebben daardoor. Dit terwijl klager wel wilde dat er hoger beroep moest worden aangetekend tegen het vonnis in die zaak. Het verweer van verweerder dat hij heeft geweigerd om in hoger beroep te gaan tegen het vonnis op basis van no cure no pay, zoals door klager verzocht gaat niet op. De belangen van klager in acht nemende had verweerder wel hoger beroep moeten aantekenen en aan klager moeten voorhouden dat hij niet als zijn advocaat zou optreden in hoger beroep omdat hij niet kon instemmen met de voorwaarde “no cure no pay”. Het tuchtcollege komt dan ook tot de slotsom dat verweerder tekort is geschoten in zijn dienstverlening aan klager en derhalve tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Daarnaast is het tuchtcollege van oordeel dat verweerder – terecht zoals klager stelt – klager onnodig in de kosten heeft gejaagd.

5.5 Op grond van het hiervoor overwogene, in onderlinge samenhang beschouwd, acht het tuchtcollege de klacht tegen verweerder gegrond. Aan verweerder zal daarom worden opgelegd de maatregel van berisping.

5.6 Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

6. De beslissing
Het tuchtcollege:

Verklaart de klacht tegen [verweerder] gegrond.

Legt aan [verweerder] op de maatregel van berisping.

Aldus gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, plv. voorzitter, mr. S. Sheombar en mr. J.R. Wouter, leden, en door de plv. voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 09 oktober 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris, De plv. voorzitter,
w.g. w.g.
mr. M.S. Wesenhagen mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran

De leden,
mr. S. Sheombar
w.g.
mr. J.R. Wouter
w.g.

Voor een sluitend afschrift
De secretaris van ATC,
mr. M.S. Wesenhagen

Ingevolge artikel 56 van de Advocatenwet kan van de beslissingen van het Tuchtcollege gedurende dertig dagen na de ontvangst van het afschrift hoger beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie aan de daarbij door:

de klager die de klacht die tot de beslissing heeft geleid, heeft ingediend, indien:

a. de klacht geheel of ten dele ongegrond is verklaard; bij gegrondbevinding van de klacht, het verzoek in artikel 45 lid 6 bedoeld wordt afgewezen;
b. de Deken, welke de klacht die tot de beslissing heeft geleid, ter kennis van het Tuchtcollege heeft gebracht, indien de klacht geheel of ten dele ongegrond is verklaard;
c. de advocaat jegens wie de beslissing is genomen.
Het beroep wordt ingesteld bij een met redenen omklede memorie, in drievoud in te dienen bij de griffie van het Hof van Justitie en vergezeld van drie afschriften van de beslissing waartegen beroep is ingesteld.

SRU-K1-2020-58

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-3889

30 december 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [EISER SUB A],
in privé en in zijn hoedanigheid van erfgenaam van zijn echtgenote, nu wijlen
[naam],
wonende aan [adres 1] te [stad],
B. SURISHOPPING N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Wilhelminastraat no. 45-47 te Paramaribo,
eisers in conventie, tevens gedaagden in reconventie,
hierna te noemen, respectievelijk [eiser sub A] en de NV,
procederend in persoon,

tegen

A. REPUBLIC BANK (SURINAME) N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende aan het Kerkplein no. 1te Paramaribo,
B. STICHTING DELANO PEAK,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Vierkinderenweg no. 141 in het district Wanica,
C. [GEDAAGDE SUB C],
wonende aan [adres 2]in het [district],
gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie,
hierna afzonderlijk te noemen: de Bank, de Stichting en [gedaagde sub c],
gemachtigde van de Bank: mr. D.S. Kraag, advocaat,
gemachtigde van de Stichting en [gedaagde sub c]: mr. D. Moerahoe, advocaat.

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 04 december 2020 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de eiswijziging d.d. 08 december 2020;
  • de conclusie van eis die is genomen op 08 december 2020;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie aan zowel de zijde van de Bank als aan de zijde van de Stichting en [gedaagde sub c];
  • de conclusie van repliek in conventie, met een productie en antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie aan zowel de zijde van de Bank als aan de zijde van de Stichting en [gedaagde sub c];
  • de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

In conventie en in reconventie

2.1 Op 06 februari 2020 heeft de Bank de onroerende goederen aan [adres 3] en aan de [adres 4], van welke onroerende goederen [eiser sub A] en de NV de eigenaars waren, op de veiling doen verkopen. [Eiser sub A] en de NV hadden als zekerheid tot terugbetaling van een lening aan de Bank een hypotheek op deze onroerende goederen gevestigd ten behoeve van de Bank.

2.2 De Stichting heeft het onroerend goed aan de [adres 4] te Paramaribo op de veiling gekocht. [Gedaagde sub c] heeft het onroerend goed te [adres 3] te Paramaribo op de veiling gekocht.
Bij exploot van deurwaarder J.E. Febis d.d. 24 november 2020 zijn [eiser sub A] en de NV aangezegd om de onroerende goederen binnen 1 x 24 uur te ontruimen.

2.3 Op 03 februari 2020 hadden [eiser sub A] en de NV een vordering tot stopzetting van de hiervoor bedoelde veiling tegen de Bank ingesteld, in de zaak die tussen partijen bekend staat onder A.R. No. 20-0381. Bij vonnis van de kantonrechter d.d 06 februari 2020 is de vordering afgewezen. [Eiser sub A] en de NV hebben hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld. Zij zijn niet ontvankelijk verklaard in hoger beroep.

2.4 [Eiser sub A] en de NV hadden reeds in een viertal eerdere processen op grond van dezelfde gronden die zij in de zaak bekend onder A.R. No. 20-0381 hadden aangevoerd, stopzetting van de veiling van de onder 2.1 bedoelde onroerende goederen gevorderd. Al de vorderingen in de eerder tussen [eiser sub A] en de Bank gevoerde processen, die bekend staan onder A.R. No.’s 17-0238, 18-0314, 18-3788 en 20-0381, zijn geweigerd.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

In conventie en in reconventie

3.1 In conventie vorderen [eiser sub A] en de NV – na wijzing van eis – dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de opzegging van het krediet door de Bank op 14 juli 2015 schorst;
  2. de executie van het vonnis A.R. No. 20-0381 van 06 februari 2020 schorst, totdat de bodemrechter over de rechtsgeldigheid daarvan heeft beslist;
  3. de Stichting en [gedaagde sub c] verbiedt beheers- en beschikkingsdaden uit te voeren op de door hun op de veiling van 06 februari 2020 gekochte panden, totdat de bodemrechter over de rechtsgeldigheid daarvan heeft beslist;
  4. de Stichting verbiedt de ontruiming van [adres 4] uit te voeren, totdat de bodemrechter over de rechtsgeldigheid daarvan heeft beslist;
  5. de Bank veroordeelt als voorlopige voorziening de voorschotschade ten bedrage van US$ 1.800.000,- aan [eiser sub A] en de NV te voldoen, door storting op hun rekening bij de Hakrinbank N.V.;
  6. de Bank, de Stichting en [gedaagde sub c] veroordeelt tot betaling van een dwangsom ad US$ 10.000,- per dag, bij niet nakoming van dit vonnis.

3.2 In conventie leggen [eiser sub A] en de NV, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2,het volgende aan het gevorderde ten grondslag:

  • de opzegging van het krediet door de Bank was onterecht en aldus onrechtmatig;
  • de veiling van de onroerende goederen was onrechtmatig, omdat deze voor een lager bedrag zijn geveild dan de taxatiewaarde ad US$ 900.000,-;
  • als gevolg van deze onrechtmatige opzegging en veiling hebben [eiser sub A] en de NV schade geleden ad US$ 1.800.000,-; de Bank dient hen deze schade te vergoeden.

3.3 In reconventie:

a) vordert de Bank dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • [eiser sub A] en de NV veroordeelt in de voorlopige kosten voor juridische bijstand ad SRD 23.000,- (inclusief omzetbelasting), des de één betalend de ander zal zijn bevrijd, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf 08 december 2020;

b) vorderen de Stichting en [gedaagde sub c] dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [eiser sub A] en de NV veroordeelt, des de één betalend de ander zal zijn bevrijd en om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Stichting en [gedaagde sub c] te betalen het bedrag ad SRD 15.000,-, zijnde het honorarium voor rechtsbijstand.

3.4 In reconventie:

a) legt de Bank aan het gevorderde ten grondslag dat [eiser sub A] en de NV misbruik van het procesrecht maken door voor de vijfde maal ter zake hetzelfde onderwerp wederom een vordering in kort geding in te stellen. Dit, terwijl ze weten dat hetgeen zij vorderen geen kans van slagen zal hebben. Als gevolg hiervan wordt de Bank in kosten gejaagd, omdat zij in de positie wordt gebracht om juridische bijstand te moeten inwinnen;

b) leggen de Stichting en [gedaagde sub c] aan het gevorderde ten grondslag dat [eiser sub A] en de NV misbruik van procesrecht maken en aldus een onrechtmatige daad jegens hen plegen, als gevolg waarvan zij onnodig in de kosten voor juridische bijstand worden gejaagd. Met name hebben [eiser sub A] en de NV informatie verzwegen dat zij ter zake ditzelfde onderwerp al eerder 4 processen hebben gevoerd, in welke processen de vorderingen zijn afgewezen.

3.5 Partijen hebben over en weer verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1 In conventie

Wijziging van eis

4.1.1 De kantonrechter stelt vast dat [eiser sub A] en de NV op 08 december 2020 een wijziging van eis hebben gevorderd, welke zij op de eerste dag van de behandeling van de zaak ten processe hebben overgelegd. Aangenomen mag worden dat [eiser sub A] en de NV deze wijziging van eis aan de Bank, de Stichting en [gedaagde sub c] hebben doen toekomen en deze dus kennis dragen van de inhoud van deze wijziging van eis. Tevens mag worden aangenomen dat de Bank, de Stichting en [gedaagde sub c] verweer hebben kunnen voeren, hetgeen tot de slotsom leidt dat zij niet in hun verweer zijn geschaad. Mitsdien zal de gevorderde wijziging van eis worden toegestaan zoals deze reeds is verwerkt onder 3.1 in dit vonnis.

Het gevorderde onder 1

4.1.2 De kantonrechter constateert dat de opzegging van het krediet door de Bank sedert juli 2015 heeft plaatsgevonden en geenszins uit de stellingen van [eiser sub A] en de NV valt af te leiden wat het spoedeisend belang is van het gevorderde onder 1. Om na bijkans 4 jaren te stellen dat de opzegging onrechtmatig is, terwijl ter zake dit onderwerp reeds eerdere processen tussen partijen zijn gevoerd, acht de kantonrechter in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Bovendien is al hetgeen [eiser sub A] en de NV in de onderhavige zaak hebben gesteld in eerder tussen partijen gevoerde processen aan de orde geweest. Dat zulks het geval is, leidt de kantonrechter af uit de inhoud van het ten processe door [eiser sub A] en de NV overgelegd vonnis d.d. 06 februari 2020 in de zaak bekend onder A.R. No. 20-0381. Daar er geen nieuwe concrete feiten en omstandigheden zijn gesteld die opnieuw een inhoudelijke beoordeling over dit onderdeel kunnen rechtvaardigen, dient de kantonrechter conform de spelregels van het procesrecht het gevorderde onder 1 (schorsing van de opzegging van het krediet) als ongegrond te weigeren.

Het gevorderde onder 2

4.1.3 Het gevorderde onder 2, inhoudende schorsing van de executie van het vonnis van 06 februari 2020 bekend onder A.R. No. 20-1029, is volstrekt onbegrijpelijk voor de kantonrechter. Volstrekt onbegrijpelijk omdat het niet een veroordelend vonnis betreft óf een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. In dat licht brengt de kantonrechter [eiser sub A] en de NV in herinnering, dat slechts van vonnissen krachtens welke een partij of partijen zijn veroordeeld om iets te doen of na te laten en van vonnissen die uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaardschorsing van de tenuitvoerlegging kan worden gevorderd. Nu het bedoelde vonnis geen veroordelend vonnis betreft, dient het gevorderde onder 2 eveneens als ongegrond te worden geweigerd.

Het gevorderde onder 3, 4 en 6

4.1.4 Het gevorderde onder 3 heeft als grondslag dat de veiling van de onroerende goederen op 06 februari 2020 onrechtmatig is geschied. Zoals uit de feiten blijkt, hadden [eiser sub A] en de NV een vordering tot stopzetting van de veiling die op
06 februari 2020 zou plaatsvinden tegen de Bank ingesteld in de zaak bekend onder A.R. no. 20-0381, in welke zaak de kantonrechter per diezelfde datum vonnis heeft gewezen voordat de veiling zou plaatsvinden. De vordering tot stopzetting van de veiling is blijkens het vonnis geweigerd en zijn [eiser sub A] en de NV niet ontvankelijk verklaard in het hoger beroep dat zij tegen dit vonnis hadden ingesteld. De kantonrechter leidt uit de inhoud van dit vonnis af, en ook zoals de Bank terecht opwerpt, dat [eiser sub A] en de NV zich op dezelfde gronden beroepen als in de hiervoor vermelde zaak en dat deze zelfde gronden steeds weer aan de orde zijn geweest in vier eerdere kort gedingzaken bekend onder A.R. No. ‘s 17-0238, 18-0314, 183788 en 20-0381, in welke zaken de vorderingen van [eiser sub A] en de NV steeds zijn afgewezen. Daar reeds in de eerder tussen partijen gevoerde processen inhoudelijk over hetzelfde onderwerp is geoordeeld en er geen nieuwe conrete feiten en omstandigheden zijn gesteld om opnieuw een inhoudelijke beoordeling ter zake ditzelfde onderwerp te rechtvaardigen, zal als uitgangspunt moeten dienen dat de veiling niet onrechtmatig is geschied. Dit ook bekeken vanuit het licht dat het vonnis van 06 februari 2020 in de zaak bekend onder A.R. No. 20-0381 kracht van gewijsde heeft.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het gevorderde onder 3, 4 en 6 als ongegrond worden geweigerd.

De gevorderde schade onder 5

4.1.5 Op grond van hetgeen onder 4.1.2 en 4.1.4 is overwogen, is de slotsom dat de opzegging van het krediet door de Bank en veiling van de onroerende goederen niet als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt. Mitsdien kan van schade geen sprake zijn, zodat het gevorderde onder 5 eveneens als ongegrond zal worden geweigerd.

Proceskosten

4.1.6 [eiser sub A] en de NV zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

4.2 In reconventie

Misbruik van procesrecht

4.2.1 Vaststaat dat [eiser sub A] en de NV ter zake hetzelfde onderwerp vijf processen tegen de Bank hebben gevoerd, in welke processen de kantonrechters reeds inhoudelijk over deze zelfde geschilpunten hebben geoordeeld en [eiser sub A] en de NV ter zake steeds in het ongelijk zijn gesteld, zelfs in hoger beroep. De uitkomst in deze processen moest reeds een indicatie voor [eiser sub A] en de N.V. zijn dat de door hem gevorderde voorzieningen in de onderhavige zaak geen kans van slagen zouden hebben. Desondanks hebben zij ervoor gekozen om de onderhavige zaak met dezelfde geschilpunten waarover in eerder gevoerde processen inhoudelijk is geoordeeld in te dienen. Dit dient naar het oordeel van de kantonrechter worden bestempeld als te zijn misbruik van procesrecht en aldus als een onrechtmatige daad.
Voldoende aannemelijk is dat de Bank als gevolg van dit onrechtmatig handelen van [eiser sub A] en de NV schade heeft geleden, in die zin dat zij op stel en sprong een advocaat in de arm moest nemen om haar juridisch bij te staan in de onderhavige zaak en kosten in dit kader hebben gemaakt. Hetgeen hiervoor is overwogen geldt ook voor de Stichting en [gedaagde sub c] die op stel en sprong een advocaat in de arm moesten nemen om hen juridisch bij te kunnen staan in de onderhavige zaak. Derhalve dienen [eiser sub A] en de NV aansprakelijk te worden gesteld voor de kosten die de Bank, de Stichting en [gedaagde sub c] hebben gemaakt voor juridische bijstand bij wege van schadevergoeding.

De kantonrechter constateert dat de hoogte van de schade van partijen, zijnde het honorarium van de advocaat, van elkaar verschilt terwijl de grondslag van de vorderingen ter zake hetzelfde zijn. Uitgaande van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid en ook met het oog op het rechtszekerheidsbeginsel, zal de kantonrechter het gevorderde schadebedrag van de Bank tot een gelijke hoogte brengen met het gevorderde schadebedrag van de Stichting en [gedaagde sub c], en wel tot het bedrag ad SRD 1.5000,-

Proceskosten

4.2.2 [eiser sub A] en de NV zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing in conventie en in reconventie

De kantonrechter in kort geding:

5.1 In conventie

5.1.1 Staat toe de gevorderde wijziging van eis.

5.1.2 Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.1.3 Veroordeelt de [eiser sub A] en de NV in de proceskosten die aan de zijde van de Bank, de Stichting en [gedaagde sub c] zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

5.2 In reconventie

5.2.1 Veroordeelt [eiser sub A] en de NV, des de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om bij wege van voorschot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Bank te betalen het bedrag ad SRD 1.5000,- (Vijftienduizend Surinaamse Dollar).

5.2.2 Veroordeelt [eiser sub A] en de NV, des de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om bij wege van voorschot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Stichting en [gedaagde sub c] te betalen het bedrag ad SRD 1.5000,- (Vijftienduizend Surinaamse Dollar).

5.2.3 Veroordeelt [eiser sub A] en de NV in de proceskosten die aan de zijde van de de Bank, de Stichting en [gedaagde sub c] zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot nihil.

5.2.4 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis in conventie en in reconventie is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op woensdag 30 december 2020 te Parmaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. C.A. Wallerlei, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2015-15

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[APPELLANT],
thans wonend op [adres] in [land],
appellant, hierna aangeduid als “[appellant]”,
gemachtigde: mr. B.G. Beckles, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. R. Elgin, Officier van Justitie,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 1 oktober 2009 (A.R.no. 092476) tussen [appellant] als eiser en de Staat als gedaagde,
spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.


Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] op 5 oktober 2009 bij schrijven van zijn procesgemachtigde van 1 oktober 2009 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 3 december 2010;
  • de antwoord pleitnota d.d. 21 januari 2011;
  • de repliek pleitnota d.d. 4 februari 2011;
  • de dupliek pleitnota d.d. 1 april 2011;
  • het bij rolbeschikking d.d. 16 december 2011 gelasten van een comparitie van partijen;
  • het proces-verbaal van de op 16 maart 2012 gehouden comparitie van partijen;
  • de uitlating zijdens [appellant] d.d. 20 april 2012;
  • de uitlating zijdens de Staat d.d. 20 april 2012.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.


De ontvankelijkheid

2 [Appellant] is ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak. [appellant] heeft bij schrijven van zijn procesgemachtigde op 5 oktober 2009 appèl aangetekend. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, zodat hij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De beoordeling

3 Het gaat in deze zaak om het volgende.
3.1 [Appellant] heeft ten behoeve van de goudwinning een ponton geplaatst op de Marowijnerivier. [Appellant] heeft zijn werkzaamheden vanaf het ponton in november 2008 gestaakt.

3.2 In eerste aanleg heeft [appellant] gesteld dat de Staat, bij het voorbij varen na een “clean sweep” actie te Mama Ndjuka kreek, de door hem op de ponton aangestelde wachter heeft aangehouden en in verzekering gesteld. [Appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de Staat werd verboden zich verder onrechtmatig jegens hem te gedragen en dat de Staat werd bevolen hem niet te verhinderen, dan wel te belemmeren zijn ponton, zonder nadere beschrijving aan partijen bekend, af te voeren en te ontmantelen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van
SRD 100.000,= voor iedere dag dat de Staat in gebreke mocht blijven aan het te wijzen vonnis te voldoen.

3.3 De Staat heeft in reactie op de vordering in eerste aanleg bij conclusie van antwoord ontkend dat goederen van [appellant] in beslag zijn genomen. Weliswaar zijn volgens de Staat bij de voornoemde actie te Mama Ndjukakreek 5 pontons in beslag genomen en verbeurd verklaard nadat degenen die bij de actie zijn aangehouden wegens een economisch delict, op basis van artikel 27 van de Wet Economische Delicten de wens te kennen hadden gegeven de zaak buiten proces af te willen handelen.

3.4 [Appellant] heeft hierop werknemers gezonden om de ponton te ontmantelen en af te voeren. Hij heeft gesteld dat de werknemers door de Staat zijn aangehouden en in verzekering gesteld en dat de Staat hem ten onrechte verhindert de aan hem toebehorende ponton, waar geen beslag op rust, te ontmantelen en af te voeren. Hij heeft overgelegd kopieën van de op de werknemers betrekking hebbende bevelen tot inverzekeringstelling. De bevelen tot inverzekeringstelling hebben allen betrekking op de misdrijven omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 371, 370 en 386 van het Wetboek van Strafrecht.

3.5 De Staat heeft bij conclusie van dupliek erkend dat een viertal personen gewapend met de conclusie van antwoord in onderhavige rechtszaak hebben geprobeerd een ponton te stelen. De Staat heeft verder gepersisteerd bij hetgeen bij conclusie van antwoord is aangevoerd.
De Staat heeft tevens bij conclusie van dupliek aangevoerd dat [appellant] opkomt in het kader van politioneel optreden waarbij goederen in beslag zijn genomen. Het betreft derhalve een justitieel beslag, zodat artikel 460 van het Wetboek van Strafvordering toepasselijk is, welk artikel dwingendrechtelijk voorschrijft. De Staat heeft aangevoerd dat de rechter in kort geding op basis van voornoemd wetsartikel niet bevoegd is kennis te nemen van de vordering van [appellant].

3.6 De kantonrechter heeft in eerste aanleg de vordering afgewezen.
Daartoe is overwogen:
Zoals de kantonrechter in kort geding eiser begrijpt is er geen justitieel beslag op zijn ponton gelegd. Desondanks verhindert gedaagde hem zijn ponton af te voeren en te ontmantelen. Gedaagde weerspreekt deze stelling en ondanks deze weerspreking laat eiser na specifiek uiteen te zetten op welke wijze gedaagde hem verhindert zijn ponton af te voeren. Om die reden zal de door eiser gevraagde voorziening als niet voldoende aannemelijk worden geweigerd.”

3.7 [Appellant] heeft bij pleitnota de volgende grieven tegen het beroepen vonnis ingebracht:

  1. De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat hij heeft nagelaten specifiek uiteen te zetten op welke wijze de Staat hem verhindert de ponton af te voeren, aangezien in sub 5 van de conclusie van repliek is gesteld dat de werknemers die gezonden zijn om de ponton te ontmantelen, door de politie in opdracht van het Openbaar Ministerie zijn aangehouden en in verzekering gesteld terwijl er geen justitieel beslag op de ponton rustte. Als zijn werknemers zijn verhinderd, lag het voor de hand dat ook hij zou worden aangehouden en ingesloten, aldus [appellant].
  2. De kantonrechter is ten onrechte niet blijven stilstaan bij het feit dat de Staat op geen enkele wijze heeft aangetoond dat er wél een justitieel beslag op de ponton rustte.

3.8 De Staat heeft in de antwoord pleitnota allereerst aangevoerd dat [appellant] niet ontvankelijk is aangezien hij, nu hij opkomt tegen een beslag naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek, hij de verkeerde instantie heeft geadieerd.

3.9 [Appellant] heeft hierop in zijn repliek pleitnota gesteld dat de Staat in eerste aanleg heeft ontkend dat er een justitieel beslag rust op de ponton. Dit betekent volgens hem dat zijn werknemers zich vrijelijk mochten begeven op de ponton. Zij zijn echter opgepakt wegens (poging) tot diefstal. [Appellant] heeft gesteld dat in casu geen sprake is van een strafzaak, maar van onrechtmatig overheidshandelen jegens hem

3.10 De Staat heeft in zijn dupliekpleitnota erbij gepersisteerd dat [appellant], nu hij opkomt tegen een beslag gelegd tijdens een strafrechtelijk onderzoek, de verkeerde instantie heeft geadieerd.
De Staat heeft daarbij tevens aangevoerd dat [appellant] het Openbaar Ministerie had moeten dagvaarden omdat het Openbaar Ministerie met uitsluiting van elk ander orgaan verantwoordelijk is voor de opsporing en belast is met de vervolging van alle strafbare feiten

3.11 Ten aanzien van de exceptie van onbevoegdheid overweegt het Hof dat tussen partijen in het geding is of er sprake is van een justitieel beslag dat rust op een ponton die aan [appellant] toebehoort. Zowel [appellant] als de Staat stellen zich op het standpunt dat hiervan geen sprake is. De kantonrechter in kort geding is derhalve naar het oordeel van het Hof wel bevoegd kennis te nemen van de onderhavige vordering.

3.12 Het Hof constateert dat de Staat in eerste aanleg heeft erkend dat tijdens de “clean sweep” actie te Mama Ndjukakreek 5 pontons in beslag zijn genomen, maar heeft ontkend dat op enig goed van [appellant] justitieel beslag is gelegd.
Hier volgt naar dezerzijds oordeel niet uit dat de Staat de door [appellant] gestelde belemmering om de ponton af te voeren gemotiveerd heeft betwist. [Appellant] heeft de belemmering onder meer onderbouwd door bij conclusie van repliek te stellen dat de werknemers die hij heeft gezonden om de ponton te ontmantelen en af te voeren door de politie in opdracht van het Openbaar Ministerie zijn aangehouden en in verzekering gesteld. De Staat heeft dit feitelijk gebeuren erkend en heeft daarbij aangevoerd dat het betrof een viertal personen die een ponton wilden stelen. Hieruit volgt naar dezerzijds oordeel dat de Staat de door [appellant] gestelde wijze van belemmering niet heeft betwist, maar veeleer heeft betwist dat de betreffende ponton het eigendom was van [appellant]. Op [appellant] rustte derhalve niet de plicht nader specifiek uiteen te zetten op welke wijze de Staat hem heeft verhinderd zijn ponton af te voeren.
De in rechtsoverweging 3.6 van het bestreden vonnis weergegeven overweging van de kantonrechter kan derhalve geen stand houden.

3.13 Het Hof overweegt verder dat enerzijds [appellant] stelt dat de ponton waarop de vier werknemers wegens diefstal zijn aangehouden hem toebehoort, terwijl anderzijds de Staat aanvoert dat dit niet het geval is. De Staat heeft, uitgaande van dit standpunt, de werknemers van [appellant] aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van diefstal van de betreffende ponton.
De betwisting van de door [appellant] gestelde eigendom zou voor het Hof aanleiding (kunnen) zijn om [appellant] met het bewijs van zijn stellingen te belasten. Hiertoe zal evenwel niet worden overgegaan aangezien in de kortgeding procedure, waarbij het gaat om het treffen van voorlopige voorzieningen, de gewone wettelijke regelen met betrekking tot de te bezigen bewijsmiddelen en de daaraan toe te kennen bewijskracht, toepassing missen.
Dit heeft tot gevolg dat de gevraagde voorziening, als niet aannemelijk, niet toewijsbaar is. Het vonnis, waarvan beroep, zal dan ook worden bevestigd onder wijziging van gronden.

3.14 [Appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:
4.1 Bevestigt, onder wijziging van gronden, het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen de dato 1 oktober 2009, A.R.no. 092476, waarvan beroep;
4.2 Veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding aan de zijde van de Staat in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid, en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 oktober 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. H.A. Wekker namens advocaat mr. B.G. Beckles, gemachtigde van appellant, en geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne namens mr. R. Elgin, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2015-14

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

De naamloze vennootschap DE MORGENSTER N.V.,
gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
appellant, hierna aangeduid als “Morgenster N.V.”,
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen en
het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. D. Kraag, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 5 augustus 2010 (A.R.No. 091251) tussen Morgenster N.V. als eiseres *imeerder009098ft ingesteld;02 van het kantongerecht waaruit blijkt dat de gemachtigde en de Staat als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat Morgenster N.V. bij schrijven van zijn procesgemachtigde op 14 september 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 18 november 2011;
  • de antwoord pleitnota d.d. 2december 2011;
  • de repliek pleitnota d.d. 20 januari 2012;
  • de dupliek pleitnota d.d. 16 maart 2012.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De ontvankelijkheid
2. Morgenster N.V. is niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak. Het vonnis is bij griffiersbrief van 1 september 2010 aan partijen toegezonden. Morgenster N.V. heeft bij schrijven van haar gemachtigde op 14 september 2010 appèl aangetekend. Gelet op het voorgaande heeft Morgenster N.V. tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn van veertien dagen na dagtekening van de griffiersbrief is geschied, zodat zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De procedure in eerste aanleg
3.1 Morgenster N.V. heeft in eerste aanleg gevorderd:
a. de Staat te gelasten om binnen 24 uur na het uitspreken van het vonnis, dan wel binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, tot uitgifte aan Morgenster N.V. over te gaan van het gevraagd recht van grondhuur (voor de tijd van 40 jaren) ter uitoefening van de landbouw, veeteelt en visserij ten aanzien van het stuk grond – op een bijgaande figuratieve kaart d.d. 27 maart 1991 van de landmeter G.R. Liesdek aangeduid met de letters ABCDEF, vermoedelijk groot 340 ha., gelegen in het district Saramacca – en grenzende aan en achter de percelen bekend als no. 268, 269 en 270 aan de rechteroever van de [rivier], onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,= per dag, voor iedere dag dat de Staat mocht weigeren aan het vonnis te voldoen;
b. de Staat te veroordelen terzake van het vorenomschrevene aan Morgenster N.V. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen, al dan niet bij wege van voorschot, het bedrag groot USD 2.776.339.= vermeerderd met de wettelijke rente van 6% ’s jaars daarover vanaf de indiening van dit verzoekschrift tot aan die der algehele voldoening.

3.2 De kantonrechter heeft in het vonnis van 5 augustus 2010 partijen verwezen naar de gewone wijze van rechtspleging.

De vordering, de grieven en het verweer
4.1 Morgenster N.V. concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde.

4.2 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling
5. Het gaat in deze zaak om het volgende.

5.1. Morgenster N.V. heeft in eerste aanleg gesteld dat haar directeur, de heer [naam], hierna aangeduid als “[naam]” in het jaar 1968 in privé een perceelland, vermoedelijk groot 75 ha. gelegen in [district], aan de rechteroever van de [rivier], achter en grenzende aan de percelen, op de overzichtskaart van de Gouvernementslandmeter bekend als no’s. 269 en 270, ter uitoefening van de visvangst en de viscultuur in concessie heeft verkregen.
In 1973 heeft, volgens Morgenster N.V. [naam] het voormeld perceelland in huur verkregen ter uitoefening van de visvangst en de viscultuur. Morgenster N.V. heeft daarbij voorts gesteld dat bij de verlenging van de concessie in 1986/1987 van overheidswege aan [naam] is gevraagd op basis van de nieuwe wetgeving het voormeld perceelland in grondhuur aan te vragen.

5.2. Morgenster N.V. heeft een schrijven van 28 maart 1991 gericht aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen waarin staat:
“Geeft met verschuldigde eerbied te kennen: de N.V. Morgenster, (…),
dat zij behoefte heeft aan meer grond voor de uitbreiding van haar bedrijf
redenen waarom zij U hierbij beleefd verzoekt haar in Grondhuur voor de tijd van 40 jaren, ter uitoefening van de landbouw en de veeteelt af te staan: het stuk grond – op bijgaande figuratieve kaart d.d. 27 maart 1991 van de landmeter G.R. LIESDEK aangeduid met de letters ABCDEF, vermoedelijk groot 340 Ha, gelegen in [district] en grenzende aan – en achter de percelen bekend als No. [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3] aan de rechteroever van de [rivier].”
Het hierboven weergegeven schrijven is op 4 april 1991 ingediend en is voorzien van het LaD no. [nummer 4].

5.3 Morgenster heeft in eerste aanleg voorts gesteld dat de overheid nimmer heeft geantwoord op het door haar ingediend verzoek. Morgenster N.V. heeft eveneens gesteld dat zij vanaf 1998 beheersdaden heeft uitgeoefend op het aangevraagd perceelland en investeringen daarop heeft gepleegd tot een geraamd bedrag van USD 2.776.339,=. De investeringen zouden volgens Morgenster N.V. zijn gepleegd toen zij beheersdaden mocht uitoefenen op het aangevraagd perceelland. De Staat handelt volgens Morgenster N.V. in strijd met de artikelen 5 lid 4 en 6 lid 4 van het Decreet Uitgifte Domeingrond, artikel 3 van het Decreet Beginselen Grondbeleid, het vertrouwensbeginsel en/of het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van de correcte bejegening, hetgeen een onrechtmatige daad is. Morgenster N.V. heeft gesteld dat zij door dit handelen c.q. nalaten van de Staat ernstig is geschaad in haar bedrijfsactiviteiten, hebbende zij geen zakelijke rechten op het onroerend goed en dat het risico van verlies van vermogen en bedrijfinventaris onredelijk groot is, aangezien de Staatolie Maatschappij Suriname N.V. het perceelland eveneens in grondhuur heeft aangevraagd en daarop beheersdaden uitvoert die tot gevolg hebben dat er schade wordt toegebracht aan de door Morgenster aangelegde infrastructuur. De aangebrachte schade is geraamd op USD 2.776.339,=.

5.4 Morgenster heeft tegen het bestreden vonnis het volgende aangevoerd:
1. De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen “dat nu deze zaak naar Ons uit de stellingen van partijen ondubbelzinnig gebleken is, zonder onherstelbaar nadeel uitstel gedoogt om in een geding als het onderhavige genoegzaam te worden toegelicht, zullen Wij partijen naar de gewone wijze van rechtspleging verwijzen, onder verwijzing van eiseres als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit proces, nu toepassing van artikel 228 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering weigering van de gevraagde voorziening betekent”. Deze overweging is volgens Morgenster N.V. de facto taalkundig en juridisch bezien geen consistent geheel en ademt juist de geest uit van een niet logische formulering in een niet gemotiveerd kader.
De kantonrechter heeft daarbij ten onrechte overwogen dat dit hem ondubbelzinnig is gebleken uit de stellingen van partijen.
2. De kantonrechter heeft ten onrechte de zaak verwezen naar de gewone wijze van rechtspleging en Morgenster N.V. verwezen in de proceskosten.

5.5 De Staat heeft in eerste aanleg en in hoger beroep betwist dat sprake zou zijn van een spoedeisend belang zijdens Morgenster N.V..

5.6 Het Hof constateert dat uit de onder 5.4 weergegeven overweging van de kantonrechter blijkt dat er een zinsnede is komen weg te vallen. Uit hetgeen op
pagina 2 van de pleitnota in de vierde en vijfde alinea is gesteld, blijkt dat Morgenster N.V. tot dezelfde conclusie is gekomen en dat dit wegvallen niet gevolg heeft gehad dat de overweging die de kantonrechter heeft gehanteerd, onbegrijpelijk is geworden.

5.7 Morgenster N.V. heeft in haar pleitnota ter onderbouwing van het appèl gesteld dat haar vordering gebaseerd is op feiten en omstandigheden die genoegzaam indiceren dat haar rechten en belangen door handelingen van de Staat in een zodanige positie gemanoeuvreerd zijn dat er sprake is van onherstelbare schade die geen uitstel gedoogd. Dit zou volgens Morgenster N.V. ook gebleken zijn tijdens de gerechtelijke plaatsopneming. Morgenster N.V. is de mening toegedaan dat de aard van het rechtsgeschil van zodanige aard is dat de kantonrechter rechtens een voorziening bij voorraad had dienen te geven dan wel kunnen nemen.

5.8 In de antwoord pleitnota heeft de Staat aangevoerd dat Morgenster N.V. in de pleitnota heeft verzuimd aan te geven op welke feiten en omstandigheden zij doelt, noch waar de onherstelbare schade uit zou bestaan.

5.9 In de repliek pleitnota heeft Morgenster N.V. in dit kader verwezen naar de adviezen die door de respectieve instanties (Dienst Grondinspectie, Ressortleider van [district] van het Ministerie van L.V.V. en het Ministerie van L.V.V. (zelve)) zijn uitgebracht en haars inziens gewag maken van deze feiten c.q. deze feiten bevestigen. Uit de adviezen blijken volgens Morgenster N.V. ook de door haar gepleegde beheersdaden.
Morgenster N.V. heeft eveneens gesteld dat de door haar ten processe overgelegde foto’s de ingrijpende vernielingen en wijzigingen gepleegd door de Staatsolie Maatschappij Suriname N.V. adstrueren.

5.10 Het spoedeisend belang is naar dezerzijds voorlopig oordeel in voldoende mate gebleken uit het door Morgenster gesteld dreigend verlies van de door hem gepleegde investeringen op het aangevraagd terrein.

5.11 Het Hof overweegt allereerst dat op basis van de processtukken weliswaar blijkt dat Morgenster N.V. het recht van grondhuur heeft aangevraagd op het betreffend perceelland, maar dat dit niet tot gevolg heeft dat zij ten aanzien daarvan beheersdaden mocht verrichten. Aan het enkel indienen van een verzoek tot toekenning van een recht op domeingrond kan de aanvrager immers geen rechten ontlenen. De aanvrager is pas gerechtigd beheersdaden te verrichten nadat aan hem een toewijzende beschikking is uitgereikt. Het Hof is dan ook vooralsnog van oordeel dat indien en voor zover Morgenster N.V. nog voordat aan haar een toewijzende beschikking is uitgereikt investeringen heeft gepleegd op het door haar in grondhuur aangevraagd perceelland, zulks voor eigen rekening en risico is geschiedt. Naar het voorlopig oordeel van het Hof kan de Staat niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele financiële verliezen die Morgenster N.V. daardoor lijdt.

5.12 Het Hof constateert dat Morgenster N.V. heeft gesteld dat zij op basis van artikel 3 van het Decreet Beginselen Grondbeleid erop mocht vertrouwen dat het recht van grondhuur haar wordt toegewezen. Het Hof overweegt dat uit artikel 3 van voornoemd Decreet, waarin is bepaald dat rechten op domeingrond in beginsel toekomen aan hen die de grond bebouwen, bewonen en bewerken, niet valt af te leiden dat dit principe in alle gevallen zonder meer moet worden toegepast. Immers, dit wetsartikel stelt zelf dat het recht op de grond in beginsel toekomt aan degene die de grond bewerkt. Morgenster heeft derhalve naar dezerzijds voorlopig oordeel op basis van dit artikel niet terecht erop mogen vertrouwen dat het recht van grondhuur hem zou worden toegekend. De Staat komt bij aanvraag van domeingrond de vrijheid toe te beoordelen, mede in het licht van artikel 6 van het Decreet Uitgifte Domeingrond, of een aanvraag voor toewijzing in aanmerking komt.

5.13 Het Hof komt wel tot de voorlopige conclusie dat de Staat, gelijk Morgenster N.V. heeft gesteld, in casu heeft gehandeld in strijd met artikel 5 lid 4 van het Decreet Uitgifte Domeingrond. De Staat heeft immers het door Morgenster N.V. gestelde, namelijk dat van de Staat nimmer enige reactie is vernomen na de indiening van het betreffend verzoek, niet betwist. Door in strijd met voornoemde artikel van het Decreet Uitgifte Domeingrond te handelen, heeft de Staat onrechtmatig gehandeld jegens Morgenster N.V..
Naar dezerzijds voorlopig oordeel heeft de Staat in casu tevens gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, door Morgenster N.V. gedurende 23 jaren in onzekerheid te laten ten aanzien van het door hem in grondhuur aangevraagd perceelland.
Het voorgaande is voor het Hof aanleiding om in deze een voorlopige voorziening te treffen overeenkomstig de bedoeling van voornoemd decreet. De Staat zal, gezien de lange tijd die verstreken is sedert het indienen van de aanvraag door Morgenster N.V., worden bevolen om binnen twee maanden na de betekening van dit vonnis een besluit te nemen ten aanzien van de door Morgenster N.V. ingediende aanvraag en dit besluit uiterlijk twee weken daarna schriftelijk ter kennis te brengen van Morgenster N.V. op straffe van een na te noemen dwangsom.

5.14 De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

6.1 Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 5 augustus 2010 (A.R. 091251) en opnieuw recht doende:

6.2 Gelast de Staat om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis te beslissen op de door Morgenster N.V. op 4 april 1991 ingediende aanvraag (LaD no. [nummer 4]) en dit besluit uiterlijk twee weken daarna schriftelijk ter kennis van Morgenster N.V. te brengen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 3.000 (drieduizend Surinaamse dollar) per dag, het maximum van SRD 300.000,= (driehonderd duizend Surinaamse dollar) niet overschrijdend, voor iedere dag dat de Staat mocht nalaten aan dit vonnis te voldoen.

6.3 Veroordeelt de Staat in de kosten van het geding aan de zijde van Morgenster N.V. in eerste aanleg en in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op
SRD. 739,50,–.

6.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger, en w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 februari 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. F.M.S. Ishaak, gemachtigde van appellant, en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens advocaat mr. D.S. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2015-13

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. [APPELLANT SUB A],
B. [APPELLANT SUB B],
beiden wonende te [stad],
appellanten, hierna aangeduid als “[appellanten]”,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],
wonende te [stad],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “[geïntimeerde]”,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 27 juni 2006 (A.R.NO. 02-3648) tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie tevens gedaagde in reconventie en [appellanten] als gedaagden in conventie en eisers in reconventie in eerste aanleg,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handeling:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellanten] op 10 januari 2008 hoger beroep hebben ingesteld;
  • de pleitnota in conventie en in reconventie d.d. 07 januari 2011, met producties;
  • het antwoord pleitnota in conventie en in reconventie met producties overgelegd d.d. 15 april 2011;
  • het repliek pleitnota in conventie en in reconventie d.d. 20 mei 2011;
  • het dupliek pleitnota in conventie en in reconventie met productie overgelegd d.d. 17 juni 2011;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 07 oktober 2011, doch nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep

Partijen waren op de dag van de uitspraak (27 juni 2006) noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting aanwezig. Een afschrift van het vonnis is aan partijen per griffiersbrief d.d. 28 december 2007 verstrekt. [Appellanten] hebben bij schrijven van hun gemachtigde op 10 januari 2008 appèl aangetekend, weshalve [appellanten] tijdig appèl hebben aangetekend en ontvankelijk zijn daarin.

3. De feiten

3.1 [Appellanten] hebben bij onderhandse akte d.d. 11 november 1998 algemene volmacht verleend aan [geïntimeerde] en zijn echtgenote genaamd [naam 1], zowel aan hen tezamen als aan ieder van hen afzonderlijk, ten behoeve van beheer en administratie, het optreden in rechte, de afwikkeling van nalatenschappen en aannemen van – formele en materiële – schenkingen, en diverse bevoegdheden.

3.2 [Geïntimeerde] heeft de woning toebehorende aan [appellanten], gelegen aan [adres] te [stad], ingaande 01 mei 1998 verhuurd aan een derde voor de huurprijs van US$ 350,- per maand.

3.3 Tussen partijen was overeengekomen dat [geïntimeerde] een ‘waarnemingsloon’ van Nf 100,- per maand zou ontvangen van [appellanten].

3.4 [Appellanten] hebben ten behoeve van [geïntimeerde] de navolgende bedragen overgemaakt:

15 juni 1999

Nf 300,-

10 juli 1999

Nf 300,-

20 september 1999

Nf 300,-

15 november 1999

Nf 300,-

17 januari 2000

Nf 300,-

15 april 2000

Nf 300,-

15 april 2000

Nf 300,-

17 juli 2000

Nf 300,-

Totaal

Nf 2.300,-

3.5 [Geïntimeerde] heeft de navolgende bedragen aan huurpenningen ontvangen:

22 april 1998 US$ 800,- 1 juli 1999 US$ 350,-
7 juli 1998 US$ 350,- 1 augustus 1999 US$ 350,-
4 augustus 1998 US$ 350,- 1 september 1999 US$ 350,-
1 september 1998 US$ 350,- 1 oktober 1999 US$ 350,-
6 september 1998 US$ 350,- 1 november 1999 US$ 150,-
3 november 1998 US$ 350,- 1 december 1999 US$ 400,-
1 december 1998 US$ 350,- 1 januari 2000 US$ 300,-
1 januari 1999 US$ 350,- 14 augustus 2000 US$ 700,-
1 februari 1999 US$ 350,- 22 september 2000 US$ 300,-
1 maart 1999 US$ 350,- 19 januari 2001 US$ 1600,-
1 juni 1999 US$ 350,-    

—————————————————————————————————

In totaal aan huur ontvangen US$ 9.150,-

3.6 Voor de maanden april en mei 1999 heeft [geïntimeerde] 100 gram goud als betaling ontvangen en aan [appellanten] overgedragen.

3.7 Hoewel de woning in de periode januari 2000 tot en met augustus 2000 feitelijk niet was verhuurd, heeft [geïntimeerde] toch huurpenningen ad US$ 1.950,- ontvangen over die periode, omdat de voormalige huurder zijn inboedel in de woning had achtergelaten.

3.8 [Geïntimeerde] heeft de navolgende bedragen ten behoeve van [appellanten] overgemaakt:

  • door tussenkomst van ene [naam 2] op 01 juni 1998 : Nf 10.000,-
  • overmaking DSB op 05 mei 1999 : US$ 650
  • overmaking DSB op 25 oktober 2000 : US$ 1.700,-
  • ten overstaan van de politie op 30 mei 2002 : US$ 10.150,-

3.9 In verband met het overlijden van de vader van [appellant sub A] heeft [geïntimeerde] de navolgende uitgaven gedaan:

  • uitvaartkosten Hamdard d.d. 15 mei 2000 : Sf 850.000,-
  • opzetten/afbreken tent in mei 2000 : Sf 150.000,-

3.10 [Geïntimeerde] heeft het bedrag van Nf 100,- aan de zus van [appellant sub A], genaamd [naam 3], gegeven.

3.11 Op 20 mei 2002 heeft [appellant sub A] aangifte gedaan tegen [geïntimeerde] terzake verduistering en is [geïntimeerde] op 28 mei 2002 daarvoor in verzekering gesteld.

3.12 [Appellant sub A] heeft de onderhandse volmacht op naam van [geïntimeerde] en zijn echtgenote op 23 mei 2002 doen intrekken.

3.13 [Geïntimeerde] heeft op 06 september 2002 bij exploot no.504 van deurwaarder D. Hieralal, conservatoir beslag doen leggen op het perceelland groot 337,50 m², gelegen in het district Suriname aan de [straat], toebehorende aan [appellanten].

3.14 Bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 27 juni 2006 (A.R.no. 02-3648) in de zaak van [geïntimeerde] ca [appellanten], zijn [appellanten] in conventie onder andere veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van de som van US$ 3.251,81 en Nf 8.892,-, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf 19 september 2002 tot de dag der algehele voldoening; tevens is het gelegd conservatoir beslag van waarde verklaard en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard; de opheffing van het conservatoir beslag in reconventie is afgewezen.

4. De vorderingen in eerste aanleg

4.1 [Geïntimeerde] heeft in conventie gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [appellanten] te veroordelen om aan hem te betalen de som van US$ 49.996,53 verhoogd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening en het gelegd conservatoir beslag van waarde te verklaren.

4.2 [Appellanten] hebben in reconventie gevorderd om de opheffing te gelasten van het gelegd conservatoir beslag.

5. De grieven

[Appellanten] hebben grieven aangevoerd, welke als volgt kunnen worden verwoord:

Grief 1 neerkomende op verschuldigde huurontvangsten.

De Kantonrechter in eerste aanleg heeft ten onrechte met betrekking tot het bedrag van Nf 10.000,- door hun ontvangen door tussenkomst van ene [naam 2] – overwogen dat de enkele stelling dat dit bedrag geen huurgelden betreft, maar gelden afkomstig van de verkoop van een auto, onvoldoende is en dat [appellanten] op zijn minst nadere bijzonderheden over de verkoop van een auto hadden moeten verstrekken en of hadden moeten stellen dat [geïntimeerde] een auto voor hun had moeten verkopen. [Appellanten] hadden namelijk bij hun conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie een kwitantie d.d. 01 juni 1998 overgelegd, waaruit blijkt dat [geïntimeerde] een auto namens hen heeft verkocht. Overigens is de kwitantie niet van valsheid beticht, doch meent [geïntimeerde] dat instede van ‘verkoop van een auto’ had moeten staan ‘huurpenningen woning’, hetgeen onmogelijk is omdat [naam 2] de Nf 10.000,- op 23 mei 1998 van [geïntimeerde] heeft ontvangen, op welke datum de woning slechts 23 dagen was verhuurd. Voorts heeft [geïntimeerde] pas bij zijn conclusie van dupliek in reconventie gesteld dat de Nf 10.000,- huurgelden betreft. [appellanten] hebben zich daartegen niet kunnen verweren.

Grief 2 neerkomende op betaling advocaatkosten

Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen dat de advocaatkosten in verband met de Kort Gedingzaak van [appellanten] door [geïntimeerde] is betaald, omdat de kwitantie op naam van [geïntimeerde] staat. Echter, heeft [geïntimeerde] geen kwitantie voor de advocaatkosten overgelegd, slechts het vonnis in die zaak, hetwelk geen bewijs van betaling is.

Grief 3 neerkomende op de kosten voor het opknappen van de woning.

Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen dat [appellanten] niet hebben weersproken dat [geïntimeerde] de mondelinge opdracht van hen heeft gehad om de woning op te knappen en [geïntimeerde] de genoemde kosten heeft gemaakt. Dit, terwijl [geïntimeerde] duidelijk in zijn inleidend rekest heeft gesteld dat hij op grond van de volmacht gelden ontvangen en uitgegeven heeft. [appellanten] hebben het voorgaande weersproken door te stellen dat [geïntimeerde] krachtens de volmacht/het beheer niet bevoegd was de woning op te knappen c.q. gelden uit te geven. [geïntimeerde] heeft pas bij zijn conclusie van dupliek in reconventie aangevoerd de mondelinge opdracht te hebben gehad van [appellanten]. [Appellanten] hebben zich daartegen niet kunnen verweren. Als [geïntimeerde] daadwerkelijk uitgaven heeft gedaan ten behoeve van de woning, is dat voor eigen risico en rekening van [geïntimeerde] geweest. [Appellanten] zijn ervan uitgegaan dat de woning is opgeknapt met de gelden die zij hadden achtergelaten voor [geïntimeerde].

Grief 4 neerkomende op overige gemaakte kosten.

Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen dat uit de kwitanties blijkt dat de betalingen voor de inklaringskosten, verzekeringskosten en busrit kosten zijn gedaan door [geïntimeerde]. Dat de kwitanties op naam van [geïntimeerde] staan, is nog geen bewijs dat hij de betaling heeft verricht met eigen gelden. Ook ten aanzien van deze kosten meent [geïntimeerde] dat hij de uitgaven heeft gedaan krachtens de volmacht. Echter, was [geïntimeerde] daartoe niet bevoegd. Overigens wordt weersproken dat voornoemde uitgaven door [geïntimeerde] zijn betaald.

Grief 5 neerkomende op een nieuwe berekening.

De Kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat [geïntimeerde] teveel heeft betaald aan [appellanten], waardoor zij ten onrechte zijn veroordeeld tot betaling. [Appellanten] concluderen tenslotte dat een nieuwe berekening gemaakt zou moeten worden met in achtneming van de grieven 1 tot en met 4. [Appellanten] zullen bij hun repliek pleitnota de nieuwe berekening overleggen.

6. De vordering in Hoger Beroep

[Appellanten] concluderen in dit hoger beroep op deze gronden te vernietigen het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, althans zijn vordering te ontzeggen als zijnde ongegrond.

7. Het verweer

Met betrekking tot de door [appellanten] aangevoerde grieven heeft [geïntimeerde] gemotiveerd verweer gevoerd, waarop voor zover nodig in de beoordeling zal worden ingegaan.

8. De beoordeling

8.1 Met betrekking tot grief 1

8.1.1 Het Hof overweegt dat [geïntimeerde] in zijn inleidend verzoekschrift met betrekking tot de Nf 10.000,- de volgende omschrijving heeft gegeven:

U5. Verklaring van de heer [naam 2] dat hij van verzoeker (lees: [geïntimeerde]) een bedrag van Nf 10.000,= (tienduizend Nederlands courant) heeft ontvangen welk bedrag [naam 2] in Nederland gerekesteerde sub A, de heer [appellant sub A] heeft overhandigd;”

Bij hun conclusie van dupliek in conventie, hebben [appellanten] gesteld dat de Nf 10.000,- niet betreft ontvangen huurgelden. Ter adstructie hebben [appellanten] een kwitantie d.d. 01 juni 1998 overgelegd, waarop vermeld staat dat de heer [appellant sub A] van de heer [naam 2] Nf 10.000,- heeft ontvangen voor de verkoop van een auto door de heer [geïntimeerde], ondertekend door [appellant sub A].

[Geïntimeerde] heeft bij zijn conclusie van dupliek in reconventie betwist dat de door [appellant sub A] uitgeschreven kwitantie betreft de verkoop van een auto. Daar de heer [naam 2] de causa van de gelden niet kende, heeft [appellant sub A] op de kwitantie opgenomen ‘verkoop van een auto’, terwijl daar had moeten staan ‘huurpenningen woning in Suriname’. Voorts hebben [appellanten] zulks verzwegen om hun sociale uitkering niet in gevaar te brengen.

8.1.2 Voorop wordt gesteld dat de kwitantie d.d. 01 juni 1998 terzake ontvangen betaling door [appellant sub A] zelf is uitgeschreven, weshalve voornoemde kwitantie geen bewijs levert ten voordele van [appellant sub A]. Nu [appellanten] ook in hoger beroep niet nader zijn ingegaan op de bijzonderheden van de ‘verkochte auto’ en evenmin hebben gesteld dat [geïntimeerde] in bedoelde periode een auto voor hen moest verkopen, wordt het ervoor gehouden dat [appellanten] de Nf 10.000,- – waarvan de ontvangst door hun overigens niet wordt ontkend – hebben ontvangen als voorschot op te ontvangen huurpenningen, zoals door [geïntimeerde] is aangevoerd. De Nf 10.000,- is dus terecht afgetrokken van de verschuldigde huurpenningen. Grief 1 is daarom ongegrond.

8.2 Met betrekking tot grief 2

Het Hof overweegt dat, nu uit de overgelegde producties blijkt dat [geïntimeerde] op 02 februari 1999 aan mr. P.U.F. Truideman (lees: R.U.F. Truideman) heeft betaald Sf 250.000,- voor Kort Geding H.W. [appellant sub A] contra [naam 4] – welke kwitantie overigens niet van valsheid is beticht – het ervoor wordt gehouden dat [geïntimeerde] bedoelde kosten heeft voldaan. Meer nog, [appellanten] hebben niet gesteld noch is gebleken dat zij daartoe gelden hadden overgemaakt voor [geïntimeerde]. Grief 2 is daarom eveneens ongegrond.

8.3 Met betrekking tot grief 3

Voorop wordt gesteld dat [appellanten] niet betwisten dat de betreffende woning is opgeknapt.

Evenmin worden de kwitanties van valsheid beticht. Evenwel wordt enerzijds door hun in hun pleitnota gesteld dat de kosten voor eigen risico en rekening van [geïntimeerde] zijn daar zij nimmer de opdracht hebben gegeven, terwijl anderzijds wordt gesteld dat [appellanten] ervan zijn uitgegaan dat de woning is opgeknapt met de gelden die zij hadden achtergelaten voor [geïntimeerde], hetgeen zou blijken uit kwitanties op naam van [appellant sub A].

Nu er geen kwitanties met betrekking tot herstel van de woning op naam van [appellant sub A] zijn overgelegd, bezien tegen de achtergrond van de tegenstrijdige verklaringen van [appellanten] met betrekking tot het wel of niet bevoegd zijn van [geïntimeerde] om de woning op te knappen en de het persisteren van [geïntimeerde] bij de mondelinge opdracht benevens de kwitanties op naam van [geïntimeerde], wordt geconcludeerd dat [appellanten] de mondelinge opdracht tot herstel van de woning aan [geïntimeerde] hebben gegeven en dat [geïntimeerde] op basis van die opdracht de uitgaven heeft gedaan. Geconcludeerd wordt tot ongegrondheid van grief 3.

8.4 Met betrekking tot grief 4

De overige door [geïntimeerde] overgelegde kwitanties (inklaringskosten, verzekeringskosten en busrit kosten) zijn door [appellanten] evenmin van valsheid beticht. [Appellanten] hebben evenmin ontkend dat de uitgaven ten behoeve van hun zijn gedaan. [Appellanten] stellen enerzijds dat [geïntimeerde] de kosten niet uit eigen middelen heeft betaald, terwijl anderzijds wordt gesteld dat [geïntimeerde] niet bevoegd was om genoemde uitgaven te doen.

[Geïntimeerde] daarentegen beroept zich op de algemene volmacht. Nu het in casu betreft een algemene volmacht met betrekking tot alle zaken van [appellanten], bezien tegen de achtergrond van de blote ontkenning van [appellanten], wordt geconcludeerd dat

[geïntimeerde] de uitgaven ten behoeve van [appellanten] heeft gedaan op basis van bevoegdheid voortvloeiende uit de volmacht. Zij zijn dan ook gehouden deze kosten aan hem te vergoeden alsook de kosten voor het vervaardigen van een landkaart.

8.5 Met betrekking tot grief 5

Het Hof overweegt dat, nu [appellanten] geen nieuwe berekening hebben overgelegd zoals in hun pleitnota was aangegeven en de aangevoerde grieven ongegrond zijn bevonden, er geen feiten en of omstandigheden zijn gebleken die het Hof nopen tot een nieuwe berekening van de vordering van [geïntimeerde] op [appellanten]. [appellanten] zijn derhalve terecht veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van de in het vonnis (waarvan beroep) vermeldde bedragen en is het conservatoir beslag ter verzekering van het verhaal, dan ook terecht gelegd. Ook grief 5 is daarom ongegrond.

8.6 Nu de door [appellanten] aangevoerde grieven ongegrond zijn bevonden, zal het vonnis waarvan beroep bevestigd dienen te worden onder aanvulling van gronden.

8.7 [Appellanten] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, zoals nader begroot in het dictum.

9. De beslissing in Hoger Beroep

Het Hof:

9.1 Bevestigt het vonnis d.d. 18 januari 2005 (A.R.NO. 99-1050), waarvan beroep, onder aanvulling van gronden.

9.2 Veroordeelt [appellanten] in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

 

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en w.g. D.D. Sewratan door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 april 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. R. Sohansingh, gemachtigde van appellanten, en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld