SRU-HvJ-2015-12

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

De Vereniging Sport Sociale en Culturele Vereniging, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante, hierna aangeduid als ”SSCV de Rest”,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,

tegen

A. De Vereniging de Surinaamse Voetbal Bond, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
hierna aangeduid als ”de SVB”,
B. [geïntimeerde sub B], in privé en in de hoedanigheid van bestuurder Voorzitter van de SVB;
C. [geïntimeerde sub C], in privé en in de hoedanigheid van bestuurder, Secretaris van de SVB;
D. [geïntimeerde sub D], in privé en in de hoedanigheid van bestuurder, Ondervoorzitter van de SVB;
E. [geïntimeerde sub E], in privé en in de hoedanigheid van bestuurder, 2e Secretaris van de SVB;
F. [geïntimeerde sub F], in privé en in de hoedanigheid van bestuurder, competitieleider van de SVB;
G. [geïntimeerde sub G], in privé en in de hoedanigheid van bestuurder 2e penningmeester van de SVB;
H. [geïntimeerde sub H], in privé en in de hoedanigheid van bestuurder, penningmeester van de SVB,
geïntimeerden,
gemachtigde voor alle geïntimeerden: mr. A.R. Baarh, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in kort geding uitgesproken vonnis van 21 april 2011 (A.R.No. 100674) tussen SSCV de Rest als eiseres en de geïntimeerden als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat SSCV de Rest bij schrijven van 4 mei 2011 op 5 mei 2011 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 2 december 2011;
  • de antwoord pleitnota d.d. 3 februari 2012;
  • de repliek pleitnota d.d. 2 maart 2012, met een productie;
  • de dupliek pleitnota d.d. 20 april 2012.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De ontvankelijkheid
2. Partijen zijn ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak, te weten 21 april 2011. SSCV de Rest heeft op 5 mei 2011 appèl aangetekend. Gelet op het voorgaande heeft SSCV de Rest tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn is geschied, zodat zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De procedure in eerste aanleg
3.1 Appellant heeft in eerste aanleg – zakelijk weergegeven – gevorderd bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle uren dagen:
I. De SVB te veroordelen binnen 1 x 24 uur na vonniswijzing de samenwerking tussen SSCV de Rest en SV Royal 95 zoals omschreven conform de reglementen van de SVB te erkennen en de gevolgen daarvan te respecteren en daartoe die handelingen te verrichten en te doen verrichten, die in verband daarmede noodzakelijk dan wel bevorderlijk zijn;
II. de SVB te veroordelen binnen 1 x 24 uur na vonniswijzing in de competitieplanning van alle lopende competities van de SVB waarin SSCV de Rest participeert duidelijk en eenduiding naar derden toe SSCV de Rest in te delen en te programmeren en daartoe verrichten en te doen verrichten en te doen verrichten, die in verband daarmede noodzakelijk dan wel bevorderlijk zijn.
III. op grond van omschreven onrechtmatig handelen of nalaten naast de SVB de gedaagden [geïntimeerde sub B], [geïntimeerde sub C], [geïntimeerde sub D], [geïntimeerde sub F], [geïntimeerde sub H], [geïntimeerde sub G] en [geïntimeerde sub E] hoofdelijk, te veroordelen aan SSCV de Rest alle schade te vergoeden.
IV. zal worden geschorst c.q. opgeschort de voortgang van alle competities van de SVB waarin SCV de Rest participeert totdat in bodemprocedure over de rechtmatigheid van handelen en nalaten van gedaagden zal zijn beslist, althans voor recht zal worden verklaard dat die handelingen of gedragingen nietig zijn althans vernietigbaar.
V. gedaagden allen afzonderlijk en/of tezamen zal/zullen worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000,– voor iedere dag of keer dat zij in strijd handelen met het van de kantonrechter verzochte vonnis.
VI. die voorzieningen zullen worden gegeven die de kantonrechter in het onderhavig geval geraden voorkomen.
VII. gedaagden zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding.

3.2 SSCV de Rest heeft ter onderbouwing van haar vordering onder meer gesteld dat zij en de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging SV Royal 95 in augustus 2008 zijn samengesmolten, waarbij laatstgenoemde in SSCV de Rest is opgegaan. De SVB weigert om de samenstelling te erkennen en om SSCV de Rest onder haar eigen naam aan de door de SVB georganiseerd competities deel te laten nemen. Deze handelingen van de SVB zijn onrechtmatig en SSCV de rest lijdt hierdoor veel schade. Gedaagden sub B tot en met H zijn, aldus SSCV de Rest, als bestuurders eveneens aansprakelijk voor het handelen en nalaten van de SVB.

3.3 De Kantonrechter heeft in het vonnis van 21 april 2011 de gevraagde voorziening geweigerd. De kantonrechter heeft daartoe het volgende overwogen: “Gedaagden betwisten de spoedeisendheid van de onderhavige vordering onder meer aanvoerende dat de competitie 2009-2010 reeds in augustus 2009 althans het begin van het 2e halfjaar 2009 is aangevangen, terwijl de onderhavige vordering dateert van februari 2010. ”Eiseres heeft niet althans niet gemotiveerd weersproken dat de competitie 2009 – 2010 reeds in augustus 2009 is begonnen, zodat dit rechtens vast staat tussen partijen. Gelet op het voorgaande, alsook de betwisting door gedaagden van het spoedeisend belang, had het aan eiseres gelegen om haar belang bij een onverwijlde voorziening op de voet van het bepaalde in artikel 226 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te motiveren. Nu zij dat heeft nagelaten en evenmin is gesteld of gebleken waarom in casu de loop van de gewone procedure niet kan worden afgewacht, zal aan eiseres – wegens gemis aan spoedeisend belang – de gevraagde voorziening worden geweigerd.”

De vordering, de grieven en het verweer
4.1 SSCV de Rest concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

4.2 SSCV de Rest heeft ter onderbouwing van het appèl bij pleitnota aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte:
I. haar oordeel mede heeft doen steunen en mede heeft gebaseerd op de overweging dat SSCV de Rest niet, althans niet gemotiveerd heeft weersproken dat de competitie 2009 – 2010 reeds in augustus 2009 is begonnen, zodat dit tussen partijen rechtens vast staat;
II. heeft overwogen dat SSCV de Rest heeft nagelaten haar belang bij een onverwijlde voorziening op de voet van het bepaalde in artikel 226 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te motiveren;
III. heeft overwogen dat SSCV de Rest niet heeft gesteld of althans uit haar stellingen niet is gebleken waarom in casu de loop van de gewone procedure niet kan worden afgewacht;
IV. gemis aan spoedeisend belang heeft overwogen en aangenomen;
V. de gevraagde voorzieningen heeft geweigerd.

4.3 Geïntimeerden hebben verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling
5.1 Geïntimeerden hebben als gedaagden in eerste aanleg bij conclusie van antwoord aangevoerd dat de vordering niet spoedeisend is omdat de competitie 2009 – 2010 reeds in augustus 2009, althans het begin van het tweede half jaar 2009 is aangevangen en SSCV de Rest op 11 februari 2010, dus twee dagen voor de aanvang van de tweede ronde van de competitie op 13 februari 2010, de vordering heeft ingediend ter griffie. Dit terwijl, aldus geïntimeerden, uit het 3e sustenu van het verzoekschrift blijkt dat SSCV de Rest reeds in augustus 2008 de SVB had geïnformeerd over de naamsverandering c.q. het samenwerkingsverband. Tevens is aangevoerd dat uit het 4e, 5e, 6e, maar vooral het 7e en 8e sustenu van het inleidend rekest blijkt dat SSCV de Rest vanaf de aanvang van de competitie (voetbalseizoen 2009 – 2010) weet dat de SVB haar niet erkent en bij de competitieprogrammering haar als SV Royal 95 heeft opgebracht. SSCV de Rest heeft volgens geïntimeerden vanaf de aanvang van het voetbalseizoen 2009 – 2010stilgezeten, terwijl onverwijld handelen toen reeds geboden was.

5.2 SSCV de Rest heeft in haar conclusie van repliek in eerste aanleg sub 5 het volgende gesteld:
“Gedaagden betwisten in punt 4 van hun conclusie van antwoord de spoedeisendheid van verzoeksters vordering en betichtigen in 4.1 verzoekster ervan sinds de aanvang van het voetbalseizoen 2009 – 2010 te hebben stilgezeten. Niets is minder waar, alle gesprekken en gevoerde correspondentie met de SVB en haar bestuurders hadden en hebben maar het resultaat van vertraging, afschepen, treiteren en nodeloze pesterij van verzoekster waardoor verzoekster veel schade heeft geleden en nog steeds lijdt.

Gedaagden hebben altijd de indruk gewekt de kwestie minnelijk te willen oplossen. Totdat het voor verzoekster duidelijk werd dat gedaagden een spelletje aan het spelen waren waarbij steeds opzettelijk de correspondentie door een andere bestuurder werd getekend (vide producties) en verzoekster steeds werd aangegeven dat de stukken of zoek waren of in het bezit van een andere functionaris waren. Immers de gevoerde correspondentie tussen verzoekster en gedaagden, althans gedaagde Sub A spreekt voor zich.

Verzoekster was genoodzaakt alle mogelijkheden als voorgeschreven bij de Statuten en Reglementen van de SVB proberen te bewandelen althans in te roepen alvorens U Kantonrechter in Kort Geding te adiëren.”

5.3 Het Hof constateert dat in het inleidend verzoekschrift in eerste aanleg SSCV de Rest onder meer het volgende heeft gesteld:
a. dat zij de SVB in augustus 2008 formeel per schrijven heeft geïnformeerd over de samensmelting en de SVB heeft gevraagd de volle medewerking aan de samensmelting te verlenen;
b. dat de SVB ertoe is over gegaan om de naam van de jeugdteams van SSCV de Rest die deelnemen in de diverse jeugdcompetities van de SVB eigendunkelijk te veranderen in SV Royal 95.
c. dat de SVB bij schrijven d.d. 17 september 2009 Re. 298/09/GVS, SSCV de Rest heeft medegedeeld dat de SVB wilde voldoen aan het verzoek van SSCV de Rest tot naamsverandering.
d. In haar antwoord schrijven d.d. 18 september 2009 heeft SSCV de Rest benadrukt dat aan het begin van het seizoen 2008 – 2009 SV Royal 95 en SSCV de Rest zijn samengesmolten, waarbij eerstgenoemde in laatstgenoemde is opgegaan.
e. dat zij bij de start van het voetbalseizoen 2009 – 2010 de SSCV de Rest bij de SVB heeft aangemeld en ingeschreven. Tot hun verbazing heeft de SVB bij de competitieprogrammering haar als SV Royal 95 opgebracht.
f. dat zij op 14 oktober 2009 een brief van de SVB heeft ontvangen waarin die stelt dat zij niet op brieven van SSCV de Rest kan ingaan omdat die niet bij de SVB is ingedeeld.
g. SSCV de Rest een schrijven d.d. 23 oktober 2009 heeft gericht aan de SVB om tot een oplossing te geraken. Zij heeft geen reactie ontvangen op dit schrijven.
h. dat de SVB op 6 december 2009 formeel in gebreke is gesteld en is gevraagd, dan wel gesommeerd om binnen acht dagen na ontvangst van het schrijven de samensmelting tussen SSCV de Rest en SV Royal 95 te erkennen en de (rechts) gevolgen daarvan te respecteren.
i. dat door de weigering van de SVB de samensmelting te erkennen de supportersschare drastisch is teruggelopen en veel sponsors vanwege de onduidelijke situatie hun gelden anders hebben gealloceerd. Hierdoor is SSCV de Rest veel inkomsten misgelopen en loopt zij nog steeds inkomsten mis.

5.4 Naar het oordeel van het Hof blijkt uit de door SSCV de Rest geponeerde stellingen dat reeds bij de start van de competitie 2009 – 2010 bekend was dat de SVB niet de door haar gewenste voorzieningen had getroffen. Dit blijkt uit haar stelling dat de SVB haar bij de competitieprogrammering heeft opgebracht als SV Royal 95. Een dergelijke programmering komt, naar algemeen bekend mag worden verondersteld, tot stand voordat de competitie van start gaat. Geïntimeerden hebben bij conclusie van antwoord in eerste aanleg aangevoerd dat de Competitie 2009 -2010 in augustus 2009, althans in het begin van het tweede halfjaar van 2009 van start is gegaan. Het Hof heeft de processtukken nagevorst, doch hieruit is niet gebleken dat SSCV de Rest dit heeft betwist, zodat naar dezerzijds oordeel de kantonrechter dit terecht als vaststaand heeft kunnen aannemen. Tegen de achtergrond van de betwisting van het spoedeisend karakter van de vordering door geïntimeerden, had het op de weg van SSCV de Rest gelegen om nader te betogen waarom het treffen van een voorlopige voorziening op korte termijn geboden was. Het Hof is met de kantonrechter van oordeel dat SSCV de Rest heeft nagelaten de spoedeisendheid nader te motiveren. In hoger beroep heeft SSCV de Rest, naar het Hof begrijpt, het spoedeisend karakter gemotiveerd door te wijzen op de financiële schade die zij heeft geleden en lijdt doordat sponsoren hun financiering hebben stopgezet. Echter vermag dit SSCV de Rest niet te baten, aangezien vanaf de aanvang van de competitie 2009 -2010 voor hen duidelijk was dat de SVB hen niet onder hun eigen naam liet deelnemen aan de competitie. Immers blijkt uit hun stellingen zelf dat de naam van de jeugdploegen door de SVB na de melding van de samensmelting is veranderd naar SV Royal 95. Zonder nadere motivering valt derhalve uit het teruglopen van het aantal supporters en het anders alloceren van de financiële middelen door de sponsoren, geen spoedeisend belang bij de onderhavige vordering af te leiden. Een nadere motivering zijdens SSCV de Rest is evenwel uitgebleven. Nu vaststaat dat de competitie 2009 – 2010 in augustus 2009, althans in het begin van het 2e halfjaar van 2009 is gestart, en het inleidend rekest in eerste aanleg is ingediend ter griffie op 11 februari 2010, ontbeert de vordering naar het oordeel van het Hof een spoedeisend belang. Voor een vordering in kort geding is essentieel dat sprake is van een spoedeisend karakter van de vordering, zodat bij gemis daarvan de gevraagde voorziening dient te worden geweigerd. Het vonnis in eerste aanleg gewezen zal dan ook worden bevestigd.

5.5 SSCV de Rest zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten in eerste aanleg en in hoger beroep gevallen aan de zijde van de geïntimeerden.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

6.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen de dato 21 april 2011, A.R.No.100674, waarvan beroep;

6.2 Veroordeelt SSCV de Rest in de kosten van het geding aan de zijde van geïntimeerden in beide instanties gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 oktober 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens de advocaten mr. D.S. Kraag en mr. A.R. Baarh, gemachtigden van partijen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2015-11

G.R. no. 14627

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

STICHTING PENDAWALIMA ,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Verlengde Gemenelandsweg no. 31 te Paramaribo,
appellante in de hoofdzaak en verzoekster in het incident,
hierna aangeduid als “de stichting”,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

[VERWEERSTER]
wonende aan [adres] in het [distrikt],
geïntimeerde in de hoofdzaak en verweerster in het incident,
hierna aangeduid als “[verweerster]”,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 13 januari 2009 (A.R.NO. 072391) tussen de stichting als gedaagde en [verweerster] als eiseres,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het eerder in deze zaak gewezen en uitgesproken preparatoir vonnis de dato 16 maart 2012.

  1. Het verdere procesverloop

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • De dupliekpleitnota de dato 20 april 2012;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 20 juli 2012 doch nader op heden;

2. De verdere beoordeling

2.1. Het hof neemt over en volhardt bij al hetgeen in voormeld preparatoir vonnis de dato 16 maart 2012 is overwogen en beslist. Ter uitvoering van het bepaalde in voormeld preparatoir vonnis heeft geïntimeerde een dupliekpleitnota genomen waarna de zaak in staat van wijzen is komen te verkeren.

2.2 Het gaat in deze zaak om het volgende. Bij vonnis van de kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste kanton de dato 13 januari 2009 is de tussen partijen gesloten koop- en verkoopovereenkomst respectievelijk gedateerd 11 oktober 1995 en 15 oktober 1996 ontbonden en is de stichting tot ontruiming met de gebruikelijke nevenvoorzieningen veroordeeld binnen twee maanden na betekening van het vonnis. Eveneens is de stichting veroordeeld tot betaling van de achterstallige huurpenningen tot en met ultimo maart 2006 bedragende US$ 64.350,= en doorbetaling van de verschuldigde huurpenningen ad US$ 750,= per maand vanaf april 2006 tot aan de dag der algehele ontruiming. Daarnevens is de stichting in de proceskosten ad SRD. 336,= veroordeeld alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad US$ 9.652,50, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde.

2.3 De stichting heeft op 3 juni 2009 appèl aangetekend tegen voormeld vonnis. Preliminair twisten partijen omtrent de vraag of de stichting al dan niet tijdig appèl heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de kantonrechter. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Uit de gedingstukken in eerste aanleg blijkt dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak van het vonnis aanwezig zijn geweest. Blijkens aangetekende dienstbrief de dato 30 april 2009 zijdens de griffier is voormeld vonnis van de kantonrechter aan de stichting toegezonden. Ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: WvBRv) had de stichting tot uiterlijk dertig dagen na 30 april 2009 en derhalve tot uiterlijk 30 mei 2009 de gelegenheid om tijdig appèl aan te tekenen tegen voormeld vonnis. Door pas op 3 juni 2009 appèl aan te tekenen is de stichting in beginsel tardief met het aantekenen van appel.

2.4 Ter rechtvaardiging van de verlate appèlaantekening heeft de stichting aangevoerd dat uit een ingesteld onderzoek bij Surpost is gebleken dat de aangetekende dienstbrief zijdens de griffier pas op 18 mei 2009 ter post is bezorgd en op 28 mei 2009 is uitgereikt op het adres alwaar de stichting is gevestigd en kantoor houdt. Derhalve had de stichting effectief slechts twee dagen om tijdig appèl aan te tekenen en levert de vertraging bij Surpost volgens de stichting een verontschuldigende omstandigheid op die een verlenging van de termijn voor het instellen van hoger beroep rechtvaardigt. In hoger beroep verzoekt de stichting derhalve voorwaardelijk om verlenging van de appèltermijn en [verweerster] verzet zich daartegen, onder aanvoering dat een eenmaal verstreken termijn niet verlengd kan worden en dat niet het hof maar de kantonrechter ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 4 WvBRv bevoegd is om de appèltermijn te verlengen. Naar het oordeel van het hof is het verzet zijdens [verweerster] gegrond en treft doel. Immers blijkt onomstotelijk dat de stichting tardief is met het aantekenen van appèl. Zij diende derhalve ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 4 WvBRv vanwege bijzondere omstandigheden om verlenging van de appèltermijn te hebben verzocht bij de kantonrechter –plaatsvervanger die het vonnis heeft gewezen. Het voorgaande heeft de stichting nagelaten. De door haar aangevoerde bijzondere omstandigheden zouden naar het oordeel van het hof wel kans van slagen hebben gehad indien het op tijd bij de juiste instantie was ingediend. Voormeld nalaten kan evenwel niet alsnog in hoger beroep worden gecorrigeerd aangezien de in het WvBRv genoemde termijnen van openbare orde zijn en er ten aanzien van uitzonderingen op de algemene regel stringente voorwaarden daarin zijn opgenomen, die zonder meer in acht dienen te worden genomen. Nu het hof ingevolge de wet de competentie ontbeert om een appèltermijn te verlengen heeft de stichting derhalve met dat verzoek bij een verkeerd adres aangeklopt.

2.5 Gelet op al het voorgaande rest het hof niets anders dan vast te stellen dat de stichting tardief is met het aantekenen van hoger beroep en zal zij niet ontvankelijk worden verklaard daarin. Zij zal, als de niet ontvangen partij, worden veroordeeld in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van [verweerster] gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis.

2.6 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het hof derhalve niet toe.

  1. De beslissing in hoger beroep

Het hof:

3.1 Verklaart de stichting niet ontvankelijk in het door haar ingesteld hoger beroep.

3.2 Veroordeelt de stichting in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van [verweerster] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 20 maart 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtigde van appellante, en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Mangroelal, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2012-8

GR- 14627

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

STICHTING PENDAWALIMA ,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Verlengde Gemenelandsweg no. 31 te Paramaribo,
appellante in de hoofdzaak en verzoekster in het incident,
hierna aangeduid als “de stichting”,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

[VERWEERSTER],
wonende aan [adres] in het [distrikt] Paramaribo,
geïntimeerde in de hoofdzaak en verweerster in het incident,
hierna aangeduid als “[verweerster]”,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 13 januari 2009 (A.R.NO. 072391) tussen de stichting als gedaagde en [verweerster] als eiseres,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

In de hoofdzaak:

  • De verklaring van de griffier waaruit blijkt dat de stichting op 03 juni 2009 hoger beroep heeft ingesteld;
  • Memorie van grieven d.d. 08 juni 2009, onder overlegging van producties;
  • Memorie van antwoord d.d. 02 maart 2011;
  • Pleitnota de dato 15 juli 2011;
  • Antwoordpleitnota de dato 07 oktober 2011;
  • Repliekpleitnota de dato 04 november 2011;

In het incident:

  • De incidentele conclusie tot wijziging eis de dato 04 november 2011;
  • De schriftelijke conclusie van antwoord in het incident;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 03 februari 2012 doch nader op heden;

De beoordeling

In het incident:

  1. De stichting verzoekt in het incident –kort samengevat- toestemming om haar petitum voorwaardelijk, indien nodig te wijzigen in dier voege dat tussen “behagen” en “vonnis” wordt ingelast : “de termijn waarbinnen appellante in hoger beroep mocht komen, te verlengen met 7 (zeven) dagen te rekenen van 28 mei 2009 of een door het Hof van Justitie in goede justitie te bepalen dag en datum;

  2. Aan het gevorderde legt de stichting –zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang – ten grondslag het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: BRv) waarbij twee termijnen kunnen worden verlengd, te weten: de termijn tot het indienen van de memorie van grieven en de termijn waarbinnen het hoger beroep moet worden ingesteld. Voorts heeft zij aangevoerd dat [verweerster] door deze wijziging in haar verdediging niet wordt bemoeilijkt noch wordt het proces hierdoor vertraagd;

  3. [Verweerster] heeft daartegenin aangevoerd dat het bepaalde in artikel 278 BRv zich met klem verzet tegen de wijziging van eis. Voorts voert zij aan dat in voormeld artikel limitatief drie gevallen genoemd zijn waar een nieuwe eis mag worden gedaan en daar valt een wijziging van de eis zoals in het onderhavige geval gedaan niet onder. Daarnevens heeft zij aangevoerd dat de stichting zich ten onrechte incidenteel appellante noemt aangezien daaronder volgens het bepaalde in artikel 274 e.v. BRv wordt verstaan de wederpartij van degene die in eerste instantie appel heeft aangetekend. De stichting heeft appel aangetekend en zij kan dus niet tevens als incidenteel appellant worden beschouwd;

  4. Na kennisname van de stellingen en weren van partijen komt het hof tot de slotsom dat [verweerster] kennelijk twee situaties door elkaar haalt. Immers betreft het in casu een wijziging casu quo aanvulling van eis en geen nieuwe eis in hoger beroep. Het bepaalde in artikel 278 BRv mist in casu derhalve toepassing. Naar het oordeel van het hof is in casu slechts van belang het antwoord op de vraag of [verweerster] door de verzochte voorwaardelijke wijziging casu quo aanvulling van het petitum onredelijk in zijn verdediging wordt bemoeilijkt casu quo het geding daardoor onredelijk wordt vertraagd. Naar het oordeel van het hof dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. Derhalve zal de verzochte voorwaardelijke wijziging casu quo aanvulling van het petitum worden toegestaan en zal aan de stichting terzake daarvan akte worden verleend. Het hof heeft in dit verband er mede acht op geslagen dat de grondslag van dit geding vormt een door [verweerster] in eerste aanleg geformuleerde petitum in het inleidend rekest naar aanleiding waarvan er een toewijzend vonnis is gevolgd waarvan het dictum (gedeeltelijk) is gebaseerd op het oorspronkelijke petitum zoals opgenomen in het inleidend rekest. Tegen voormeld vonnis komt de stichting op en heeft derhalve niet alszodanig een petitum geformuleerd maar wel grieven tegen het vonnis in eerste aanleg aangevoerd en daaraan een conclusie gekoppeld. Evenwel is preliminair aan de orde de vraag of de stichting tijdig het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangewend en is het kennelijk derhalve in dat kader dat de stichting heeft gemeend –althans zo vat het hof dat op- om voorwaardelijk, dus voor het geval het hof tot de slotsom komt dat de stichting niet tijdig het rechtsmiddel heeft aangewend, de appeltermijn op grond van het bepaalde in artikel 264 BRv te verlengen zoals verzocht;

  5. Wellicht ten overvloede overweegt het hof dat zoals [verweerster] terecht heeft aangevoerd de stichting zich ten onrechte heeft aangeduid als “incidenteel appellante”. Derhalve heeft het hof er in casu bewust voor gekozen om de stichting in het incident aan te duiden als verzoekster en [verweerster] als verweerster teneinde een “contradictio in terminis” te vermijden;

In de hoofdzaak:

  1. De hoofdzaak verkeert nog niet in staat van wijzen weshalve de beoordeling in de hoofdzaak vooralsnog zal worden aangehouden;

  2. In het verlengde hiervan zal de hoofdzaak naar de rol worden verwezen voor voort procederen in de stand van het nemen van een dupliekpleitnota zijdens [verweerster].

De beslissing

Het hof:

In het incident:

Verleent de stichting akte van wijziging casu quo aanvulling van het petitum in voege als na te melden;

Staat de stichting toe haar petitum voorwaardelijk, indien nodig, te wijzigen in dier voege dat tussen “behagen” en “vonnis” wordt ingelast: “de termijn waarbinnen appellante in hoger beroep mocht komen, te verlengen met 7 (zeven) dagen te rekenen van 28 mei 2009 of een door het Hof van Justitie in goede justitie te bepalen dag en datum”;

In de hoofdzaak:

Alvorens verder te beslissen;

Verwijst de hoofdzaak naar de rol voor het nemen van een dupliekpleitnota zijdens [verweerster];

De zaak zal daartoe worden afgeroepen ter rolle van de terechtzitting van Vrijdag 20 april 2012 des voormiddags te 08.30 uur;

Houdt iedere verdere beslissing aan;

In de hoofdzaak en in het incident.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. M.V. Kuldip Singh, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag, 16 maart 2012, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advocaten mr. A.R. Baarh en mr. S. mangroelal zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

SRU-HvJ-2015-10

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. [appellant 1],
B. [appellant 2],
beiden wonende in [district],
appellanten, hierna te noemen: [appellanten],
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district 2],
handelende in privé en als gemachtigde van:

  1. [geïntimeerde 1], wonende in [land],
  2. [geïntimeerde 2], wonende in [land],
  3. [geïntimeerde 3], wonende in [land],
  4. [geïntimeerde 4], wonende in [land],
  5. [geïntimeerde 5], wonende in [land],
  6. [geïntimeerde 6], wonende in [land] ,
    geïntimeerden, hierna te noemen: [geïntimeerden],
    gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 15 april 2010 (A.R. no. 09-2265) tussen [geïntimeerden] als eisers in kort geding *imeerder009098ft ingesteld;02 van het kantongerecht waaruit blijkt dat de gemachtigde en [appellanten] als gedaagden in kort geding,

spreekt de fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellanten] op 10 juni 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota met een productie d.d. 20 april 2012;
  • de antwoordpleitnota met producties d.d. 01 juni 2012;
  • de repliekpleitnota d.d. 15 juni 2012;
  • de dupliekpleitnota d.d. 20 juli 2012;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk gesteld op 19 oktober 2012, doch nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Partijen waren op de dag van de uitspraak (15 april 2010) niet ter terechtzitting aanwezig noch door een gemachtigde ter terechtzitting vertegenwoordigd. Een afschrift van vermeld vonnis is per griffiersbrief d.d. 01 juni 2010 aan partijen betekend. Nu [appellanten] op 10 juni 2010 appèl heeft aangetekend, is dit appèl binnen de door de wet gestelde termijn van 14 dagen geschied en kan [appellanten] daarin worden ontvangen.

3. De feiten
3.1 [geïntimeerde 1] was in gemeenschap van goederen gehuwd met de heer [erflater], welk huwelijk in 1975 door echtscheiding is ontbonden en uit welk huwelijk de geïntimeerden tevens lastgevers sub 1 tot en met sub 6 zijn geboren.

3.2 In het procesdossier bevinden zich onder meer twee koopakten, waarvan de handtekeningen door een notaris zijn gelegaliseerd, inhoudende dat:

  • [erflater] op 28 januari 2008 aan [appellant 1] de beterschap op het perceel aan [adres] heeft verkocht;
  • [erflater] op 29 januari 2008 aan [appellant 1] de Toyota [model], bouwjaar [jaar], kentekennummer [nummer] heeft verkocht.

3.3 [erflater] is op 22 mei 2008 hertrouwd met mevrouw [naam] en is daarna met haar aan [adres 2] de gaan wonen.

3.4 [erflater] is in januari 2009 overleden, achterlatende de geïntimeerden tevens lastgevers sub 1 tot en met sub 6 en mevrouw [naam] voornoemd, als zijn erfgenamen.

3.5 Op 8 februari 2009 heeft [appellanten] een aluminium boot, geregistreerd onder de naam [naam 2] en het no.[nummer 2], met trailer en een auto van het merk Toyota model [model], bouwjaar 1998, kentekennummer [nummer], aan [adres] weggenomen.

3.6 Op 15 februari 2009 heeft [appellanten] de garage aan [adres] afgebroken en de zinkplaten en balken daarvan meegenomen.

3.7 Bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad d.d. 15 april 2010 (A.R. no. 09-2265) van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding is [appellanten] onder meer veroordeeld om op eigen kosten de door haar afgebroken garage aan [adres], in de oorspronkelijke staat te herstellen en om aan [geïntimeerde 1] af te staan de in het vonnis omschreven aluminium boot met bijbehorende trailer en een motorvoertuig van het merk Toyota [model], zulks onder verbeurte van een dwangsom.

3.8 Zowel [geïntimeerde 1] als [appellant 1] hadden perceel no. [nummer 3] aan de [weg] in grondhuur aangevraagd, doch heeft [geïntimeerde 1] uiteindelijk daartoe de bereidverklaring d.d. 29 juli 2010 van de Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer ontvangen.

4. De vordering in eerste aanleg
[geïntimeerden] heeft in eerste aanleg in kort geding, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • [appellanten] te bevelen om op eigen kosten de garage aan [adres] in de oorspronke-lijke staat te herstellen;
  • [appellanten] te bevelen om aan haar af te staan de aluminium boot met trailer en de Toyota [model] bouwjaar [jaar];
  • [appellanten] te verbieden om [geïntimeerde 1] te molesteren of zich binnen een straal van 500 meter van de woning staande op het perceel aan [adres], te begeven;
  • alles op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag.

5. De grieven
[appellanten] heeft grieven aangevoerd, welke, zakelijk weergegeven, als volgt kunnen worden verwoord:
Grief 1 neerkomende op de rechtmatigheid van de afbraak van de garage [appellanten] stelt dat de kantonrechter ten onrechte ervan is uitgegaan dat [appellant 1] heeft erkend dat [geïntimeerde 1] woont aan [adres]. Tevens is de kantonrechter ten onrechte uitgegaan van de feitelijke situatie, daar zowel [appellant 1] als [geïntimeerde 1] het perceel aan [adres] in grondhuur heeft aangevraagd, terwijl [geïntimeerde 1] geen huurster is noch een titel op dit perceel heeft. Voorts is de garage niet door [geïntimeerde 1] gebouwd maar door wijlen [erflater], broer van [appellanten] en had [appellanten] toestemming voor de afbraak verkregen van de tweede echtgenote van wijlen [erflater].

Grieven 2 en 3 neerkomende op de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst tussen wijlen [erflater] en [appellant 1] resp. de afgifte van de boot
[appellanten] stelt dat de kantonrechter ten onrechte de ko[erflater] aan [appellant 1], terzijde heeft gelegd. Bovendien is [geïntimeede] geen erfgename noch partij bij de overeenkomst, weshalve zij de handelingen van wijlen [erflater] niet kan ontkennen. Daarenboven is het nummerbewijs van het voertuig niet relevant voor artikel 1998 van het Burgerlijk Wetboek (BW).Voorts wordt gesteld dat de aluminium boot reeds is afgestaan, terwijl de trailer nooit in het bezit is geweest van [appellanten]

Grief 4 neerkomende op niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde 1]
[appellanten] stelt dat [geïntimeerde 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen, daar zij geen verklaring van erfrecht heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij erfgename is.

6. De vordering in hoger beroep
[appellanten] concludeert in dit hoger beroep op deze gronden tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de gevorderde voorzieningen alsnog te ontzeggen.

7. Het verweer
[geïntimeerden] heeft de grieven van [appellanten] gemotiveerd weersproken onder overlegging van de navolgende producties:

  • een uittreksel van het Centraal Bureau voor Burgerzaken (CBB) d.d. 17 augustus 2010 ten name van [geïntimeerde 1];
  • een afschrift van een bereidverklaring van het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer (ROGB) d.d. 29 juli 2010 ten name van [geïntimeerde 1] met betrekking tot perceel no. [nummer 3] aan de [weg];
  • een verklaring van erfrecht d.d. 18 maart 2011;
  • een rapport met betrekking tot een echtheidsonderzoek van de handtekening van wijlen [erflater] d.d. 13 mei 2009.

Voor zover nodig zal het Hof bij de beoordeling nader ingaan op het door [geïntimeerden] gevoerd verweer.

8. De beoordeling
8.1 Met betrekking tot grief 4
[appellanten] heeft aangevoerd dat [geïntimeerde 1] niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vordering vanwege het ontbreken van een verklaring van erfrecht, waaruit blijkt dat zij gerechtigd is namens de overige geïntimeerden in rechte op te treden. In haar hoedanigheid als geïntimeerde pro se, kan zij de handeling van de erflater niet ontkennen omdat zij geen erfgename is.

Het Hof overweegt dat met de overlegging van de verklaring van erfrecht d.d. 18 maart 2011 in rechte is komen vast te staan dat de lastgevers, namens wie [geïntimeerde] als gemachtigde q.q. optreedt, tot de nalatenschap gerechtigd zijn. Aangezien zij als medegerechtigden bevoegd zijn goederen der nalatenschap die zich onrechtmatig onder derden bevinden van hen op te eisen, is [geïntimeerde 1] als lasthebber naar het oordeel van het Hof bevoegd onderhavige vordering in te stellen. Ten tijde van het instellen van de vordering had [geïntimeerde 1] een aanvraag gedaan voor uitgifte van het onderhavig perceelland in grondhuur, waardoor zij als belanghebbende dient te worden aangemerkt en deswege bevoegd is tot het instellen van de vordering pro se. Gelet op het vorenvermelde is [geïntimeerde 1] derhalve naar het oordeel van het Hof ontvankelijk in haar vorderingen pro se en q.q.
Grief 4 is derhalve ongegrond.

8.2 Met betrekking tot grief 1
[geïntimeerde 1] voert aan dat zij het perceelland aan [adres] reeds 45 jaren bewoont en een houten woning en opstallen op het perceelland heeft gebouwd. Zij heeft daartoe een uittreksel van CBB van 17 augustus 2010 overgelegd, waaruit blijkt dat haar adres “[adres]” is. Gedurende de behandeling in hoger beroep heeft [geïntimeerde 1] haar bereidverklaring tot uitgifte in grondhuur ter bebouwing en bewoning van het perceelland gelegen aan [adres], afkomstig van de Minister van ROGB en gedateerd 29 juli 2010, overgelegd. Hiermede staat thans in rechte vast dat [geïntimeerde 1] de belanghebbende van het perceelland aan [adres] is. Bovendien blijkt uit voornoemde bereidverklaring dat zij bij verzoekschrift d.d. 12 maart 2008 – dus reeds voor het instellen van de onderhavige vordering in eerste aanleg op 22 mei 2009 – de ‘[adres]’ heeft opgegeven als haar adres. Tegenover deze feitelijk onderbouwde stellingen van [geïntimeerde 1] betreffende haar adres, staat de blote ontkenning van [appellanten].

8.3 Het Hof overweegt dat uit het proces-verbaal van de op 8 december 2009 gehouden comparitie van partijen blijkt dat [geïntimeerde 1] onder andere heeft verklaard dat er 2 huizen op het erf gelegen aan [adres] waren. Zij verbleef in het huis voorin en wijlen [erflater] in het huis achterin, hetgeen [appellanten] niet heeft weersproken. [appellanten] heeft blijkens genoemd proces-verbaal daarop opgemerkt dat het perceel gelegen aan [adres] van [geïntimeerde 1] is, maar dat het een huurpacht perceel betreft hetwelk nu via de notaris is aangevraagd. Naar het oordeel van het Hof blijkt uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen niet dat [appellanten] heeft weersproken dat [geïntimeerde 1] op het perceelland woonachtig is. En uitgaande van de toen bestaande situatie, waarin [geïntimeerde 1] – als huurster en bewoonster van het perceel – en [appellant 1] het perceel in grondhuur hadden aangevraagd, is de kantonrechter naar het oordeel van het Hof terecht uitgegaan van de feitelijke situatie, waardoor grief 1 ongegrond is.

8.4 Met betrekking tot grieven 2 en 3
8.4.1 In eerste aanleg heeft [appellanten] zich ten aanzien van de rechtmatigheid van haar handelen onder meer beroepen op de koopovereenkomsten met [erflater] d.d. 28 en 29 januari 2008, waarbij aan [appellanten] de beterschap op het perceel aan [adres] is verkocht, alsmede de Toyota [model], bouwjaar [jaar], kentekennummer [nummer]. [geïntimeerde 1] heeft de echtheid van de handtekening van wijlen [erflater] betwist en zich beroepen op de nietigheid van die overeenkomsten, ter onderbouwing waarvan zij het resultaat van het door [bedrijf] Onderzoeks- en adviesbureau verrichte onderzoek naar de echtheid van de handtekening van wijlen [erflater] heeft overgelegd. De betwiste koopovereenkomsten konden volgens [geïntimeerden] derhalve niet langer tot bewijs van de gestelde koop van de beterschap van het onderhavige perceel en de koop van het voertuig dienen. [appellanten] heeft voornoemd echtheidsrapport gemotiveerd betwist. Het Hof is van oordeel dat de procedure in kort geding zich niet leent voor een onderzoek naar de echtheid van de handtekening, waardoor naar het voorlopig oordeel van het Hof geen rekening kon worden gehouden met die overeenkomsten, als gevolg waarvan de door [appellanten] gestelde grond voor haar optreden is komen weg te vallen.

8.4.2 Naar het voorlopig oordeel van het Hof kon na dat wegvallen evenmin een geslaagd beroep gedaan worden op het bepaalde in artikel 1998 BW. De stelling van [geïntimeerden] dat [appellanten] op zondag 08 februari 2009 naar het huis van [geïntimeerde 1] is gegaan en goederen heeft weggenomen, waaronder een auto van het merk Toyota model [model], bouwjaar [jaar], kentekennummer [nummer], is niet weersproken door [appellanten]. Voorts heeft [appellanten] tijdens de comparitie van partijen verklaard dat [geïntimeerden] had meegeholpen bij de aanschaf van de auto en dat zij erkent dat de kinderen Euro 3.000,- hebben betaald voor de auto, terwijl zij Euro 1.600,- heeft terugbetaald aan de kinderen. [geïntimeerden] heeft bevestigd dat de kinderen de auto hadden gekocht en dat deze op naam van wijlen [erflater] stond geschreven, terwijl zowel de koopovereenkomst als de betaling van Euro 1.600,- wordt betwist. Nu [appellanten] in de conclusie na gehouden comparitie van partijen niet nader is ingegaan op voornoemde betwisting, concludeert het Hof vooralsnog dat aannemelijk is geworden dat [geïntimeerden] de rechtmatige eigenaar van de auto is, waardoor het beroep op artikel 1998 BW niet opgaat. Bovendien, overweegt het Hof dat [appellanten] niet te goeder trouw is in het beroep, nu aannemelijk is geworden dat [appellanten] de auto onrechtmatig uit de garage van [geïntimeerde 1] heeft weggenomen.

8.5 Indachtig het onder 8.4 overwogene wordt geconcludeerd dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat de koop van de beterschap van het onderhavige perceel en de koop van het voertuig tot stand zijn gekomen. Evenmin kan [appellanten] zich beroepen op de verkregen toestemming van de tweede echtgenote van de erflater om de garage af te breken, nu uit de stellingen van partijen vooralsnog is gebleken dat de erflater met zijn tweede echtgenote heeft gewoond, althans woonde op perceel no. [nummer 4] aan de [weg], terwijl naar het voorlopig oordeel van het Hof aannemelijk is geworden dat [geïntimeerde 1] woont op perceel no. [nummer 3] aan de [weg], alwaar de garage is afgebroken. [appellanten] heeft naar het voorlopig oordeel van het Hof dus onrechtmatig gehandeld door de garage staande op perceel no.[nummer 3] aan de [weg] af te breken en zich het voertuig toe te eigenen.

8.6 [geïntimeerden] heeft erkend dat [appellanten] inmiddels de aluminium boot aan haar heeft afgestaan, weshalve het daarop betrekking hebbende onderdeel van grief 3 verder buiten beschouwing zal worden gelaten. [appellanten] heeft bij pleitnota onder grief 3 voorts aangevoerd dat zij de trailer nooit in haar bezit heeft gehad. Dit heeft [geïntimeerden] bij antwoordpleitnota onder punt 7 weersproken. Derhalve had het naar het oordeel van het Hof op de weg van [appellanten] gelegen bij repliekpleitnota daar nader op in te gaan en zo mogelijk feitelijk onderbouwd verweer te voeren. Echter heeft [appellanten] dit nagelaten waardoor geconcludeerd kan worden dat [appellanten]. de bij de boot behorende trailer wel in haar bezit heeft gehad, zodat zij gehouden is tot de teruggave daarvan aan [geïntimeerden].

8.7 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de grieven ongegrond zijn, waardoor het vonnis waarvan beroep, bevestigd zal worden onder aanvulling van gronden.

8.8 [appellanten] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerden] gevallen en wel zoals nader begroot in de beslissing.

9. De beslissing in hoger beroep in kort geding
Het Hof:

9.1 Bevestigt het vonnis d.d. 15 april 2010 (A.R. no. 09-2265) waarvan beroep, onder aanvulling van gronden.

9.2 Veroordeelt [appellanten] in de proceskosten aan de zijde van Riasat c.s. gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, lid, en mr. S.S. Nanhoe, lid-plaatsvervanger, en w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 februari 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellanten, en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van geïntimeerden, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2015-9

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende in [district],
appellant, hierna aangeduid als “[appellant]”,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigden: mr. M.J. Stekkel, jurist bij het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer en mr. J.M. Nibte, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 11 maart 2010 (A.R. 093526) tussen [appellant] als eiser de Staat als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op de in de onderhavige zaak tussen partijen gewezen tussenvonnissen van 19 oktober 2012 en 19 juli 2013.

Het verder procesverloop in hoger beroep
1.1 Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het proces-verbaal van de op 17 januari 2014 gehouden comparitie van partijen;
  • het proces-verbaal van de op 21 februari 2014 gehouden voortzetting van de comparitie van partijen;
  • de conclusie na comparitie van partijen zijdens de Staat d.d. 4 juli 2014;
  • de conclusie na comparitie van partijen zijdens [appellant] d.d. 18 juli 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De beoordeling
2 Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1 De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] om de Staat ertoe te veroordelen binnen een maand te beslissen op zijn verzoekschrift van
27 september 2006 afgewezen. Daartoe is overwogen dat niet [appellant] maar diens dochter [naam], als de belanghebbende, de vordering tegen de Staat had moeten instellen ter verkrijging van het zakelijk genotsrecht van grondhuur op het betreffend perceelland.

2.2. Het Hof is echter van oordeel dat deze overweging geen stand kan houden. Het verzoekschrift van 27 september 2006 strekt er weliswaar toe het recht van grondhuur te doen toekomen aan voornoemde dochter van [appellant], maar de vordering in eerste aanleg is erop gericht dat de Staat een besluit neemt ten aanzien van het verzoek dat [appellant] heeft gedaan. [appellant] heeft als degene die het verzoek heeft gedaan, het recht te vorderen dat de Staat een besluit neemt op het door hem ingediend verzoek, zodat hij ontvankelijk is in zijn vordering. Het bestreden vonnis zal derhalve worden vernietigd.

2.3 De Staat heeft als verweer aangevoerd dat [appellant] bij schrijven van 12 juli 2000 het verzoek heeft gedaan het recht van grondhuur op betreffend perceelland te doen toekomen aan de Stichting [stichting], hierna aangeduid als “de Stichting”. [appellant] heeft weliswaar gevraagd dit verzoek aan te houden, maar heeft het verzoek niet ingetrokken.
De Staat meent dat zij niet zonder meer ertoe kan overgaan een besluit te nemen op een later verzoek, zonder dat op een eerder ingediend verzoek is beslist.

2.4 [appellant] heeft hiertegenover ingebracht dat het verzoek om het recht van grondhuur op perceelland toe te kennen aan de Stichting, is ingetrokken. Daarbij is verwezen naar de brieven zijdens [appellant] d.d. 30 april 2001, 17 mei 2001, 21 mei 2007 en het schrijven van het Hoofd van de Dienst Grondinspectie van 20 juli 2007 aan het Hoofd van de Dienst der Domeinen.

2.5 Bij tussenvonnis van 19 juli 2013 is een comparitie gelast ter verstrekking van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke schikking. Dergelijke vereniging is niet bereikt.

2.6 Het Hof constateert dat in de door [appellant] aan de Staat gerichte brief van 30 april 2001 het verzoek is gedaan de behandeling van het verzoek ten aanzien van de Stichting even aan te houden tot nader bericht van [appellant]. In het schrijven van de procesgemachtigde van [appellant] van 17 mei 2001 is het volgende vermeld:
“Bij schrijven van 30 april 2001 is door mijn client(en) de heer [appellant] en zijn echtgenote … het verzoek gedaan voor de overdracht van het perceelland ter uitoefening van de land- of tuinbouw of veeteelt, groot 1.81 ha, gelegen aan de [weg] in [district], bekend als nummer [nummer].
Namens mijn cliente(n) trek ik hierbij bovenvermeld schrijven in.

Ik doe U hierbij namens mijn client(en) het verzoek bij hun schrijven d.d. 12 juli 2000 door hen gedaan verzoek om bovenvermeld perceelland over te dragen aan de Stichting [stichting]… aan te houden tot nader bericht mijnerzijds.”

Uit de hierboven vermelde brieven blijkt naar het oordeel van het Hof niet dat het verzoek tot toekenning van het recht van grondhuur aan de Stichting zijdens [appellant] is ingetrokken.

2.7 Het Hof constateert verder dat in het schrijven van [appellant] d.d. 21 mei 2007 aan de Staat onder meer het volgende is vermeld:
“dat hij daarna bij verzoekschrift dd. 12 juli 2000, onder La D. No. [nummer 2] ingediend op 29 maart 2001, had gevraagd het stuk grond te mogen overdragen aan de stichting [stichting];…

dat bij schrijven van zijn advocaat Mr. F.F.P. Truideman d.d. 17 mei 2001 aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen het verzoek heeft gedaan bovenvermelde overdracht in te trekken en nader bericht af te wachten;…

dat nogmaals onder uw aandacht wordt gebracht dat de stichting niet operationeel is en derhalve het verzoek tot overdracht aan de stichting wordt ingetrokken;”

Uit dit schrijven blijkt naar het oordeel van het Hof onomstotelijk dat [appellant] het ten behoeve van de Stichting gedane verzoek heeft ingetrokken. Weliswaar is het onjuist, gelijk reeds onder 2.6 van dit vonnis is overwogen, dat de door hem getrokken conclusie dat bedoeld verzoek reeds bij schrijven van zijn advocaat d.d. 17 mei 2001 is ingetrokken. Dit leidt ertoe dat ervan dient te worden uitgegaan dat bedoeld verzoek bij schrijven d.d. 21 mei 2007 is ingetrokken. Nu geconcludeerd is dat het verzoek is ingetrokken, houdt het door de Staat ten aanzien hiervan gevoerd verweer geen stand. Het staat een verzoeker naar het oordeel van het Hof vrij een door hem ten behoeve van een derde aan de Staat gedaan verzoek in te trekken. Het Hof begrijpt uit het door de Staat ten processe aangevoerde dat de Staat het nemen van een besluit uitstelt om te voorkomen dat de Stichting de Staat aanspreekt ter vergoeding van door haar geleden schade. Echter is zulks, nu het verzoek door [appellant] is ingetrokken, in dit geding niet relevant. Indien immers de Stichting door de intrekking schade lijdt, is niet de Staat, maar [appellant] daarvoor aansprakelijk. De vordering van [appellant] zal derhalve worden toegewezen.

2.8 De door [appellant] gevorderde dwangsom komt het Hof bovenmatig voor en zal derhalve gemitigeerd en gemaximaliseerd worden.

2.9 De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

3.1 Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 11 maart 2010, A.R. No. 093526 en opnieuw recht doende gelast de Staat om binnen twee maanden na de uitspraak over te gaan tot het nemen van een beslissing op de aanvraag van [naam] d.d. 27 september 2006, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 3.000,= (drieduizend Surinaamse Dollar) voor iedere dag dat de Staat nalatig blijft uitvoering te geven aan het vonnis, met dien verstande dat de maximaal te verbeuren dwangsom het bedrag van SRD 600.000 (zeshonderdduizend Surinaamse Dollar) niet te boven gaat.

3.2 Veroordeelt de Staat in de kosten van het geding aan de zijde van [appellant] in eerste aanleg en in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 372,–;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. D.G.W. Karamat Ali, Leden, en w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 maart 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. C.A. Meijnaar namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2012-7

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GENERALE ROL NO. 14658

[appellant], wonende aan de [weg] perceel 51 d Br. 173 in [district],
ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Einaarstraat no. 8,
voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F.F.P. Truideman, advocaat,
appellant in Kort Geding,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,
ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraaat no. 3 te Paramaribo,
voor wie als gemachtigde optreedt, mr. J. Nibte, advocaat en mr. M.J. Stekkel, gemachtigde geïntimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [appellant] zich bij verzoekschrift tot het Hof van Justitie heeft gewend, daarbij stellende:
1.dat de eiser de navolgende rechtsvordering in Kort Geding wenst in te stellen tegen De Staat Suriname, rechtspersoon, met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo, gedaagde;
2. dat aan de eiser bij overeenkomst/beschikking d.d. 11 december 1978 no. [nummer 1] het huurrecht is verleend op het perceelland groot 1.81 ha, gelegen aan de [weg] en bekend als perceel no. [nummer 2], met het verzoek de inhoud van deze overeenkomst/beschikking als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen;
3. dat de eiser bij schrijven d.d. 12 juli 2000 aan de gedaagde heeft gevraagd dat het litigieuze recht van huur in grondhuur wordt overgedragen aan de Stichting [stichting], met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen;
4. dat de eiser bij schrijven d.d. 27 september 2006 de Minister heeft gevraagd om het recht van grondhuur niet meer te verlenen aan de Stichting [stichting], maar aan zijn dochter [naam], met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen;
5. dat de gedaagde tot op heden op de aanvraag van de eiser d.d. 27 september 2006 niet heeft beslist, waardoor de eiser terzake in grote rechtsonzekerheid verkeert en heeft volgens artikel 158 GW het recht de rechter te naderen, daar hij het grondwettelijk recht heeft om door de organen van de Overheidsadministratie geïnformeerd te worden over de voortgang van zaken waar hij direct belang bij heeft en omtrent eindbeslissing, met betrekking tot het gevraagde;
6. dat de gedaagde dit grondwettelijke voorschrift op ernstige wijze heeft overschreden, zodat de eiser een dringend spoedeisend belang heeft om de hulp van de Kort Geding rechter in deze in te roepen, teneinde de gedaagde te gelasten op korte termijn een beslissing te nemen op het gedane verzoek van de eiser d.d. 27 september 2006;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren de gedaagde zal worden gelast om binnen een maand na de uitspraak, althans binnen een door de rechter in goede justitie te bepalen termijn over te gaan tot het nemen van een beslissing op de aanvraag d.d. 27 september 2006, waarbij het verzoek is gedaan het huurrrecht om te zetten in grondhuur ten name van [naam], bezitster van de Surinaamse Nationaliteit, van het perceelland groot 1.81 ha, gelegen in [district] aan de [weg] en bekend als no. [nummer 2], alles onder verbeurte van een dwangsom van Srd.20.000,– (twintigduizend surinaamse dollars), voor iedere dag dat de gedaagde nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven, Kosten rechtens;

Overwegende, dat ten dage voor antwoord bepaald, de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie van antwoord heeft genomen onder overlegging van produkties, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde producties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter in Kort Geding bij vonnis van 11 maart 2010 op de daarin opgenomen gronden:
De eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering;
Hem in de kosten van dit proces heeft verwezen, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 11 maart 2010;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Tjanderdewkoemar Jhagroe van 22 juli 2011 No. 429 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellant bij pleitnota producties overgelegd, wordende de inhoud – alsmede die van de overgelegde producties – hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op 19 oktober 2012, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
En alvorens verder te beslissen;
Gelast partijen, appellant in persoon en geïntimeerde deugdelijk vertegenwoordigd, desgewenst vergezeld van hun respectieve gemachtigden ter terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 7 december 2012 des voormiddags te 11:00 uur te verschijnen voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling;

Houdt iedere verdere beslissing aan;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. D.G.W. Karamatali, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 19 oktober 2012, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door mr. D.M. Peterhof namens zijn gemachtigde, advocaat mr. F.F.P. Truideman en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Amirkhan namens zijn gemachtigde, advocaat mr. J. Nibte, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2013-3

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GENERALE ROL NO. 14658

[appellant],
wonende aan de [weg] perceel 51 d Br. 173 in [district],
ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Einaarstraat no. 8,
voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F.F.P. Truideman, advocaat,
appellant in Kort Geding,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,
ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo,
voor wie als gemachtigde optreedt, mr. J. Nibte, advocaat en mr. M.J. Stekkel, gemachtigde,
geïntimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hoven interlocutoir vonnis van 19 oktober 2012 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ‘s Hoven voormeld vonnis is beslist en voorts;
Overwegende, dat bij de door het Hof bevolen en gehouden comparitie van partijen op 7 december 2012 zijn verschenen, de heer [appellant], appellant in persoon, mevrouw [naam], dochter van appellant, advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellant en mr. M.J. Stekkel, gemachtigde van het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond-en Bosbeheer, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd, waarna de voortzetting van comparitie van partijen is gehouden op 15 februari 2013 en zijn verschenen, de heer [appellant], appellant in persoon, mevrouw [naam], dochter van appellant, advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellant en mr. M.J. Stekkel, gemachtigde van het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond-en Bosbeheer, waarna de zaak verwezen is naar de civiele rolzitting van vrijdag, 15 maart 2013 inzake conclusie na gehouden comparitie van partijen;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 15 maart 2013 en 5 april 2013, de gemachtigden van partijen een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden comparitie van partijen heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Het gestelde in het 5e sustenu van de conclusie na gehouden comparitie van partijen van geïntimeerde geeft het Hof aanleiding andermaal een comparitie van partijen te gelasten tot het inwinnen van inlichtingen en meer in het bijzonder het beproeven van een minnelijke regeling.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:
En alvorens verder te beslissen;
Gelast partijen, ambtshalve om in persoon, verweerder deugdelijk vertegenwoordigd, desgewenst vergezeld van hun respectieve gemachtigden, om ter terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 1 november 2013 des voormiddags te 10:00 uur (TIEN UUR) te verschijnen voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een vereniging;

Bepaalt, dat deze comparitie van partijen zal worden gehouden ten overstaan van een Rechter-Commissaris, als hoedanig hierbij wordt benoemd, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid van het Hof van Justitie;

Houdt iedere verdere beslissing aan;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. D.G.W. Karamatali, Lid-Plaatsvervanger en w.g. D.D. Sewratan door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag, 19 juli 2013, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens zijn gemachtigde advocaat mr. F.F.P. Truideman en geintimeerde vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne namens zijn gemachtigde, mr. J.M. Stekkel, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2015-8

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van:

[appellante],
wonende te [district],
appellante, hierna (ook wel) aangeduid als [appellante], e.a
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende in [district 2],
geïntimeerde, hierna (ook wel) aangeduid als [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocate,

gelet op het door het Hof gewezen tussenvonnis van 03 januari 2014 inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 10 november 2008 (A.R.No. 08-0040) tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie tevens gedaagde in reconventie in kort geding tegen [appellante] als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie in kort geding alsmede tegen [gedaagde 1],[gedaagde 2] en [gedaagde 3] als gedaagden in conventie in kort geding,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • de verklaring van de griffier d.d. 18 maart 2009 waaruit blijkt dat [appellante] op 18 maart 2009 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 20 april 2012;
  • het antwoord pleitnota d.d. 03 augustus 2012;
  • het repliek pleitnota d.d. 05 oktober 2012, met een productie;
  • de dupliek pleitnota en uitlating productie d.d. 15 februari 2013;
  • het vonnis in het incident d.d. 03 januari 2014;
  • het proces-verbaal van het gehouden verhoor van partijen d.d. 25 maart 2014;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis welke is bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Partijen waren op de dag van de uitspraak van het vonnis waarvan beroep d.d. 10 november 2008, noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting aanwezig. Een afschrift van het vonnis is aan partijen per griffiersbrief d.d. 16 maart 2009 verstrekt. Nu [appellante] bij schrijven van haar gemachtigde op 18 maart 2009 appèl heeft aangetekend, is dit appèl tijdig geschied en kan zij daarin worden ontvangen.

3. De feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist en op grond van de inhoud van de overgelegde bescheiden, voorzover niet bestreden, staat het volgende tussen partijen vast.

3.1 De heer [gedaagde 3] (hierna: [gedaagde 3]) heeft door overschrijving van een afschrift der akte verkoop en koop d.d. 27 september 1984 in register C 943 onder nummer [nummer 1] op 04 oktober 1984 de eigendom verkregen van het perceelland, groot 781,55 m² met alhetgeen daaropstaat, gelegen in [district 3], thans [district], ten westen van de [weg] op de kaart van de landmeter Ing. Ch. Kanhai d.d. 21 december 1982 aangeduid met de letters ABCD en met het nummer 151 (hierna: het perceelland).

3.2 Blijkens akte d.d. 02 april 1991 verleden ten overstaan van de notaris, mr. Ramdew Ramautar, heeft de heer [naam], handelende als gevolmachtigde van de heer [gedaagde 3] en mevrouw [gedaagde 2], krachtens een onderhandse akte van lastgeving getekend te [district] d.d. 23 juli 1990, welke onderhandse akte van lastgeving door de lasthebber in tegenwoordigheid van de notaris en de na te noemen getuigen voor echt is erkend en ten blijke waarvan door allen ondertekend aan de minuutakte wordt vastgehecht, het perceelland aan [geïntimeerde] verkocht, welke akte op 11 april 1991 is overgeschreven in register C 1146 onder nummer [nummer 2].

3.3 [geïntimeerde] verhuurt vanaf het jaar 1991 het pand gelegen op het litigieuze perceelland aan derden.

3.4 [gedaagde 3] voornoemd is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met mevrouw [gedaagde 2], welk huwelijk op 22 april 1993 is ontbonden middels echtscheiding, waarbij partijen nimmer tot scheiding en deling zijn overgegaan.

3.5 Op 05 april 1993 wordt onder overlegging van een verklaring, gedagtekend 16 februari 1993, in het hypotheekregister aangetekend dat [gedaagde 3], krachtens artikel 173 van het Decreet C-11 van 11 maart 1981, Staatsblad no. 23, jegens de heer [geïntimeerde] heeft verklaard, dat hij de verkoop en levering van het in dit register onder nummer [nummer 2] omschreven percelen door zijn echtgenote, [gedaagde 2], nietig verklaard.

3.6 In de zaak bekend onder A.R.no.920475 van [appellante] tegen [gedaagde 3], [gedaagde 2], [geïntimeerde] en [naam], heeft [appellante] ondermeer gevorderd om de notariële akte d.d. 02 april 1991 nietig te verklaren althans te vernietigen met veroordeling van [gedaagde 3] en [gedaagde 2] tot levering van het perceelland aan [appellante]. Zij stelde daartoe dat zij het perceelland in of omstreeks de eerste helft van 1990 van [gedaagde 3] en [gedaagde 2] heeft gekocht en waarvoor zij ook de koopprijs van Sf 650.000,- aan hen had voldaan; voorts dat het perceelland bewust niet aan haar is geleverd, doch aan [geïntimeerde] en wel voor de koopsom van Sf 70.000,-, hetgeen in strijd is met de wet en goede zeden en dus een ongeoorloofde oorzaak oplevert, als gevolg waarvan de notariële akte ingevolge artikel 1341 lid 4 BW nietig is; Tenslotte stelde zij dat de bij voornoemde akte gebruikte volmacht niet ondertekend door [gedaagde 3], waardoor de koop/verkoop aan [geïntimeerde] nietig, althans vernietigbaar is.

3.7 Bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 22 juni 2004 in de zaak bekend onder A.R.no. 920475, is de vordering van [appellante] ontzegd, onder de overweging dat [appellante] er niet in was geslaagd het van haar verlangde bewijs van de gestelde koop/verkoop overeenkomst te leveren, waardoor deze niet in rechte was komen vast te staan.

3.8 Bij akte d.d. 13 juni 2007 verleden ten overstaan van de notaris mr. Christiaan Albert Calor, hebben de heer [gedaagde] en mevrouw [gedaagde 2], echtelieden, aan [appellante] verkocht en overgedragen de eigendom van de onverdeelde helft in het perceelland, welke akte op 18 juni 2007 is overgeschreven in register C 1798 onder nummer [nummer 3].

3.9 De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft bij vonnis in kort geding van 10 november 2008 (A.R.No. 08-0040), in de zaak van [geïntimeerde] tegen [appellante], [gedaagde], [gedaagde 2] en [gedaagde 3], ondermeer als volgt beslist:

  • in conventie de werking van de eigendomslevering, zoals opgenomen in de akte van 13 juni 2007, waarbij [gedaagde] en [gedaagde 2] de onverdeelde helft in het litigieuze perceelland aan [appellante] hebben verkocht en overgedragen, geschorst totdat in de bodemprocedure definitief hierover zal zijn beslist en [gedaagde 3] gelast om het in deze gewezen vonnis te gehengen en te gedogen, met de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis;
  • in reconventie de vordering afgewezen.

3.10 Henk heeft in de zaak tussen partijen bekend onder A.R.no. 08-0015 ondermeer de nietigheid van de akte d.d. 13 juni 2007 gevorderd.

4. De vorderingen in eerste aanleg

4.1 [geïntimeerde] heeft in conventie gevorderd om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:
I. De werking van de eigendomslevering, zoals opgenomen in de akte van 13 juni 2007, waarbij [gedaagde] en [gedaagde 2] de onverdeelde helft in het litigieuze perceelland aan [appellante] hebben verkocht en overgedragen, te schorsen althans op te schorten totdat in de bodemprocedure definitief hierover zal zijn beslist.
II. De bewaarder van de registers van het Hypotheekkantoor te gelasten de overschrijving op 18 juni 2007 van de akte van transport van 13 juni 2007 in register C 36078 en straatregister 86557, door te halen.
III. [gedaagde 3] te gelasten het in deze te wijzen vonnis te gehengen en te gedogen.

4.2 [appellante] heeft in reconventie gevorderd om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:
I. [geïntimeerde] te verbieden zich als eigenaar van het litigieuze perceelland te gedragen.
II. Voorts zich te onthouden van elke handeling of nalaten, die inbreuk maakt op de eigendomsrechten van [appellante], inclusief het zich vertonen op het litigieuze perceelland, alles op straffe van een direct opvorderbare dwangsom ad SRD 10.000,- voor iedere dag of keer dat gedaagde weigert aan het te wijzen vonnis te voldoen.

5. De grieven
[appellante] heeft in hoger beroep grieven aangevoerd welke als volgt kunnen worden verwoord:

Grief I: neerkomende op de nietigheid van de akte van transport d.d. 02 april 1991.
Ten onrechte neemt de kantonrechter in overweging 4.3 aan dat [geïntimeerde] in processuele zin als de vermoedelijke rechthebbende c.q. de eigenaar van het perceel moet worden aangemerkt op grond de overweging dat [geïntmeerde] het litigieuze perceel al zeker 16 jaren verhuurt en als zodanig als de bezitter mag worden aangemerkt. Dit, ondanks [appellante] duidelijk heeft bewezen dat de volmacht die [geïntimeerde] heeft gebruikt om de notariële akte van overdracht te bewerkstelligen om het perceel op zijn naam over te schrijven, nooit is ondertekend door [gedaagde 3], die als eigenaar in openbare registers geboekt stond. De akte van transport die is ondertekend met gebruikmaking van de niet-ondertekende volmacht, ontbeert dus van meet af aan rechtsgevolg. [geïntimeerde] is dus nooit eigenaar geworden noch is hij bezitter geweest, althans is hij nooit bezitter te goeder trouw geweest.

Grief II: neerkomende op een onterechte belangenafweging.
Ten onrechte overweegt de kantonrechter in overweging 4.4 dat [geïntimeerde] er alle belang bij heeft dat zijn vermeende eigendomsrechten hem ex artikel 604 lid 1 en 604 lid 2 BW geboden, niet illusoir worden gemaakt in die zin dat hij er alle belang bij heeft niet met een eventuele verkoop en overdracht van het litigieuze perceelland door gedaagden geconfronteerd te worden. De kantonrechter zelf spreekt van vermeende eigendomsrechten. Bij deze overweging heeft de kantonrechter dus een onjuiste belangenafweging gemaakt en op grond van vermeende rechten van [geïntimeerde] de balans in zijn richting zwaarder doen wegen, terwijl de belangen van [appellante] ten onrechte licht of van geen belang zijn bevonden hoewel haar eigendomsrechten wel bestaan. Zij is met name voor de helft eigenaar van het litigieuze perceelland, terwijl [gedaagde 3] voornoemd voor de andere helft eigenaar is.

Grief III: neerkomende op de ten onrechte afwijzing van de vordering in reconventie.
Ten onrechte overweegt de kantonrechter in overweging 4.7 dat op grond van de vermeende processuele vermoedens het onjuist zou zijn het door [appellante] in reconventie gevorderde toe te wijzen. Dit, terwijl al duidelijk gebleken is dat de processuele vermoedens waar de kantonrechter van uitgaat, onjuist zijn. Als de kantonrechter voor een moment de volmacht waarvan Henk gebruik heeft gemaakt bij het ondertekenen van de transport akte (lees: had gezien), dan had hij net als [appellante] direct gezien dat de handtekening van [gedaagde 3] ontbreekt, met andere woorden is [gedaagde 3] voornoemd onbevoegd vertegenwoordigd (lees: geweest). De transport akte ontbeert dus elke rechtskracht waarmee de grondslag die [appellante] stelt in rechte is komen vast te staan en de vordering in reconventie diende te worden toegewezen.

Grief IV: neerkomende op de ten onrechte veroordeling in de proceskosten.
Nu vaststaat dat de vordering in conventie diende te worden afgewezen en die in reconventie diende te worden toegewezen, is het rechtens duidelijk dat [appellante] ten onrechte is veroordeeld in de proceskosten.

6. De vordering in Hoger Beroep
[appellante] concludeert in dit hoger beroep op deze gronden te vernietigen het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de vordering in conventie af te wijzen en de vordering in reconventie toe te wijzen.

7. Het verweer
[geïntimeerde] heeft tegen de door [appellante] aangevoerde grieven verweer gevoerd erop neerkomende dat de aangevoerde grieven geen stand kunnen houden. Bij de beoordeling zal het Hof voor zover nodig daarop terug komen. [geïntimeerde] concludeert ten slotte dat hij zich kan verenigen met de beslissing van de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep ten aanzien van het gevorderde onder sub I en sub III van zijn inleidend verzoekschrift, doch kan hij niet meegaan met de ter zake gegeven beslissing in overweging 5.2 van het dictum van voormeld vonnis met betrekking tot het gevorderde onder II van zijn inleidend verzoekschrift. Henk voert hiertoe aan dat de kantonrechter onjuist tot de conclusie is gekomen dat de doorhaling van de overschrijving van de transport akte van 18 juni 2007 niet kan worden gevorderd. Het handhaven en herstellen van het bezit van een bezitter te goeder trouw brengt ook met zich mee dat ook de feitelijke situatie wordt teruggebracht in de toestand voor de verstoring in de vermoedelijke eigendom van de bezitter.

8. De verdere beoordeling

8.1 Het Hof volhardt geheel bij hetgeen in meergenoemd tussenvonnis is overwogen en beslist.

8.2 Het Hof heeft in vermeld tussenvonnis van 04 januari 2014, partijen in de gelegenheid gesteld de zaak mondeling te bepleiten, hetgeen ook is geschied.

8.3 De gemachtigde van [appellante] heeft voor zover van belang bij het mondelinge pleidooi aangevoerd dat uit de door haar bij repliekpleidooi overgelegde volmacht blijkt dat de handtekening van [gedaagde 3] daarop ontbreekt, daar hij de machtiging nooit heeft ondertekend. Op de volmacht zijn duidelijk te onderscheiden de handtekeningen van mevrouw [gedaagde 2], meneer [naam], de notaris Ramautar en twee andere handtekeningen die niet anders kunnen zijn dan van de getuigen in de akte genoemd. Als dus de handtekening van de eigenaar ontbreekt, kan er van een rechtsgeldige overdracht aan [geïntimeerde] nimmer sprake zijn en dus mocht de Kantonrechter in zijn vonnis er ook niet van uitgaan dat [geïntimeerde] al jaren beheersdaden onderneemt en zich daarom heeft gedragen als eigenaar en dus als eigenaar zou moeten worden aangemerkt.

8.4 [geïntimeerde] heeft voor zover van belang bij het mondelinge pleidooi aangevoerd dat de thans aan de orde zijnde rechtsvragen reeds zijn beantwoord door de Kantonrechter in het vonnis gewezen tussen partijen in 2004, welk vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Voorts was [appellante] geen partij bij de overeenkomst van 1991. Bovendien kan een machtiging die onvolkomenheden heeft worden bekrachtigd en is het niet zo dat alles daardoor nietig is.

8.5 Beoordeling met betrekking tot grief I.
Voorop wordt gesteld dat hoewel [appellante] geen partij was bij de overeenkomst c.q. de akte van 02 april 1991, zij hetzelfde perceelland in kwestie van [gedaagde 2] heeft gekocht in 2007, waardoor haar belang als ‘rechtsopvolger’ in rechte vast staat. Het Hof heeft kennis genomen van de door [appellante] overgelegde volmacht d.d. 23 juli 1990 en constateert vooralsnog – zoals gesteld door [appellante] en niet althans onvoldoende betwist door [geïntimeerde] – dat de volmacht slechts is ondertekend door mevrouw [gedaagde 2] en dat [gedaagde 3] de volmacht, als haar toenmalig echtgenoot, niet heeft mede-ondertekend. Dit wordt nog eens bevestigd door de aantekening gemaakt op 05 april 1993 in de openbare registers van de verklaring van nietigheid uitgesproken door [gedaagde 3] met betrekking tot de verkoop van het perceelland door [gedaagde 2] aan [geïntimeerde]. Naar het voorlopig oordeel van het Hof brengt het enkele feit dat [gedaagde 3] de volmacht niet heeft mede-ondertekend, niet met zich mee dat er geen sprake is van een rechtsgeldige overdracht van het perceelland aan [geïntimeerde]. Zoals terecht gesteld door [appellante] kan de andere echtgenoot, in casu [gedaagde 3], ingevolge artikel 173 BW middels een tot de wederpartij bij die handeling gerichte verklaring een dergelijke rechtshandeling vernietigen binnen een jaar nadat bedoelde rechtshandeling ter kennis is gekomen van die andere echtgenoot, in casu [gedaagde 3]. Nu niet aannemelijk is geworden dat de nietigverklaring door [gedaagde 3] is uitgesproken tegen [geïntimeerde], is naar het voorlopig oordeel van het Hof in ieder geval niet voldaan aan de vereiste van artikel 173 BW, zodat de aantekening in de openbare registers van voornoemde verklaring geen rechtsgevolgen heeft. Het voorgaande brengt met zich mee dat hoewel [gedaagde 3] de volmacht d.d. 27 juli 1990 niet heeft mede-ondertekend, het perceelland naar het voorlopig oordeel van het Hof rechtsgeldig door [gedaagde 2] aan [geïntimeerde] is verkocht en overgedragen bij akte d.d. 02 april 1991. De kantonrechter in eerste aanleg is dan ook terecht uitgegaan van het vermoeden van het eigendomsrecht van [geïntimeerde], weliswaar is de kantonrechter langs een andere weg tot het voorlopig oordeel gekomen. In zoverre zal verbetering van rechtsgronden geschieden. Grief I is derhalve ongegrond.

8.6 Beoordeling met betrekking tot grief II.
Nu het Hof voorshands heeft geconcludeerd dat het perceelland rechtsgeldig aan [geïntimeerde] is overgedragen bij akte d.d. 02 april 1991, wordt het ervoor gehouden dat [gedaagde 2] niet beschikkingsbevoegd was hetzelfde perceelland aan [appellante] over te dragen bij akte d.d. 13 juni 2007, immers kan [gedaagde 2] geen eigendomsrechten overdragen die zij niet (meer) heeft. Aangezien [geïntimeerde] in de zaak tussen partijen bekend onder A.R.no. 08-0015 ondermeer de nietigheid van de akte van overdracht aan [appellante] d.d. 13 juni 2007 heeft gevorderd, zal de vordering van [geïntimeerde] naar een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden toegewezen. Nu niet aannemelijk is geworden dat [appellante] eigenaar is geweest van de onverdeelde helft van het litigieuze perceelland, is naar het voorlopig oordeel van het Hof de kantonrechter in eerste aanleg daarom terecht voorbij gegaan aan aan het hetgeen [appellante] terzake heeft gesteld. Ook de tweede grief is ongegrond.

8.7 Beoordeling met betrekking tot grief III.
Nu de eigendomsrechten van [geïntimeerde] aannemelijk zijn geworden, terwijl aannemelijk is geworden dat [appellante] van een beschikkingsonbevoegde overgedragen heeft gehad, heeft de kantonrechter in eerste aanleg de vordering in reconventie terecht afgewezen. Ook deze grief faalt.

8.8 Beoordeling met betrekking tot grief IV.
Nu de door [appellante] aangevoerde grieven ongegrond zijn bevonden en de vordering in reconventie in eerste aanleg terecht is afgewezen, is [appellante] naar het voorlopig oordeel van het Hof als de in het ongelijk gestelde partij terecht veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg.

8.9 Met betrekking tot het door [geïntimeerde] gevoerd verweer dat de kantonrechter onjuist tot de conclusie is gekomen dat hij de doorhaling van de overschrijving van de transport akte d.d. 13 juni 2007 niet kon vorderen, wordt overwogen dat [geïntimeerde] incidenteel appèl had moeten instellen hiertegen. Hoewel [geïntimeerde] dit heeft nagelaten, overweegt het Hof ten overvloede dat de zaak in eerste aanleg een zaak in kort geding betrof en dat het karakter van bedoelde gedeelte van de vordering, namelijk het doorhalen van de overschrijving in de openbare registers, zich verzet tegen de aard van een beslissing in kort geding. De vordering tot doorhaling betreft namelijk een beslissing van definitieve aard waartoe de kort geding rechter onbevoegd is kennis te nemen.

8.10 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigd dienen te worden onder verbetering van rechtsgronden.

8.11 [appellante] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en zoals begroot in de beslissing.

9. De beslissing in hoger beroep in kort geding
Het Hof:

9.1 Bekrachtigt het vonnis van 10 november 2008 (A.R.No. 08-0040), waarvan beroep onder verbetering van rechtsgronden.

9.2 Veroordeelt [appellante] in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S.M.M. Chu, Leden en w.g. D.D. Sewratan door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 5 juni 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. A. Codrington namens mr. B.A. Halfhide, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens mr. S. Mangroelal, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-43

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 28 augustus 2015;
  • het verweerschrift ingediend op 25 januari 2016;
  • de beschikking van het hof van 25 januari 2016 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 20 mei 2016;
  • de productie zijdens de Staat overgelegd op 20 mei 2016;
  • de aantekeningen op het doorlopend proces-verbaal, waaruit blijkt dat het op 20 mei 2016 bepaalde verhoor van partijen wegens de afwezigheid van [verzoeker] en zijn procesgemachtigde is uitgesteld naar 15 juli 2016 onder peremptoirstelling en dat [verzoeker] en zijn procesgemachtigde op laatstgenoemde datum ook niet ter zitting zijn verschenen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 03 februari 2017, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker] is als ambtenaar in de rang van brigadier van politie in dienst bij het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie (hierna: het ministerie).

2.2 De Human Resource manager van het ministerie, de hoofdinspecteur van politie [naam] , heeft bij schrijven d.d. 17 september 2013, gericht aan het hoofd Hoofdstedelijke Dienst, de commissaris van politie [naam 2], gevraagd om [verzoeker] in verband met zijn bevordering in een naast hogere rang te beoordelen over de periode augustus 2012 tot en met februari 2013. Blijkens de daartoe opgemaakte beoordelingsstaat voldoet [verzoeker] aan de gestelde eisen en is het samenvattend oordeel “goed” gegeven. Uit deze beoordelingsstaat blijkt tevens dat het beoordelingsgesprek met [verzoeker] heeft plaatsgevonden op 09 oktober 2013.

2.3 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 04 september 2014 aan de korpschef van het Korps Politie Suriname (hierna: de korpschef), kort gezegd, het verzoek gedaan om zijn bevordering in de naast hogere rang spoedig een feit te doen zijn.

2.4 De korpschef heeft, in reactie op voormelde brief van [verzoeker], bij schrijven d.d. 13 oktober 2014, K.A. no. [nummer], onder meer het volgende aan [verzoeker] bericht:

“Onderwerp: reactie op uw schrijven

Geachte meneer,
Naar aanleiding van uw schrijven inzake verzoek om spoedige bevordering bericht ik u het volgende:
Per schrijven de dato 27 september 2013 heb ik u medegedeeld dat u vanwege het negatief resultaat van het antecedenten- en integriteitsonderzoek ongunstig bent beoordeeld over de periode van 02 februari 2009 en 02 februari 2012. U zou na 6 maanden herbeoordeeld worden.
Uit nader onderzoek is gebleken dat u zich in de herbeoordelingsperiode, te rekenen van 27 september 2013, wederom schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten c.q. ernstig plichtsverzuim. Ter zake hiervan werd u op gehouden korpsrapport de dato 30 april 2014 door mij medegedeeld van het voorstel mijnerzijds aan de minister van Justitie en Politie van onthouding van bevordering voor de duur van 01 jaar, zoals opgenomen in artikel 40 lid sub f van het Politiehandvest.
Op grond van het vorenstaande kan er door mij geen invulling worden gegeven aan uw verzoek.”

2.5 [verzoeker] heeft bij schrijven van zijn procesgemachtigde d.d. 02 februari 2015 aan de minister van Justitie en Politie (hierna: de minister) het verzoek gedaan om hem ten spoedigste te bevorderen tot majoor van politie. De minister heeft nimmer op dit verzoek beslist.

2.6 [verzoeker] is bij beschikking van de minister d.d. 07 december 2015, Bureau no. [nummer 2], K.A. no. [nummer 3], te rekenen van 09 augustus 2012 bevorderd tot majoor van politie (functiegroep 8B), onder toekenning van een bezoldiging van SRD 2.408,- per maand. Daartoe is als volgt overwogen:

dat de agent van politie 1e klasse, [verzoeker] bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 13 mei 2009 werd bevorderd tot brigadier van politie te rekenen van 02 februari 2009;

  • dat de brigadier van politie, [verzoeker] bij beschikking de dato 04 april 2012 Bureau no. [nummer 4] K.A. no. [nummer 5], de tuchtstraf van schorsing werd opgelegd voor de duur van zeven (7) dagen;
  • dat de brigadier van politie, [verzoeker] negatief was beoordeeld en is na zes (6) maanden herbeoordeeld en gunstig bevonden;
  • dat de brigadier van politie, [verzoeker] voldoet aan de criteria zoals vastgesteld in artikel 49 lid 2 van het Reglement Algemene Politie (G.B. 1972 no. 143) en wordt voorgedragen voor bevordering tot majoor van politie, te rekenen van 09 augustus 2012.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Staat zal worden veroordeeld om hem binnen twee weken na de betekening van het vonnis te bevorderen tot majoor van politie en hem de bijbehorende emolumenten toe te kennen, met terugwerkende kracht vanaf 02 februari 2012 of een door het hof in goede justitie te stellen datum, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vonnis. [verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] is gedurende de beoordelingsperiode van februari 2009 tot en met februari 2012 gunstig beoordeeld. Blijkens de in 2.2 genoemde beoordelingsstaat geldt hetzelfde voor de herbeoordelingsperiode van augustus 2012 tot en met februari 2013. [verzoeker] heeft hierdoor het recht verworven om bevorderd te worden tot de naast hogere rang, zijnde die van majoor van politie. [verzoeker] kan zich helemaal niet terugvinden in het voorstel van de korpschef om zijn bevordering voor een jaar aan te houden (zie 2.4). Er kleeft een motiveringsgebrek aan het schrijven van de korpschef d.d. 27 september 2013, K.A. no. [nummer 6], nu daarin gewag wordt gemaakt van een herbeoordelingsperiode te rekenen van 27 september 2013, terwijl bij de beoordeling van [verzoeker] op 09 oktober 2013 is aangegeven dat hij voldoet aan de gestelde eisen en derhalve het samenvattend oordeel “goed” is gegeven. [verzoeker] dient vanaf 02 februari 2009, thans langer dan zes jaren, in de rang van brigadier van politie. Nu [verzoeker] ten minste drie jaren de rang van brigadier van politie heeft vervuld en hij in het bezit is van een brigadiersdiploma, één en ander zoals bepaald in artikel 49 van het Reglement Algemene Politie, voldoet hij aan alle wettelijke vereisten voor bevordering tot majoor van politie. Aangezien de minister nimmer heeft beslist op het schriftelijk verzoek van [verzoeker] d.d. 02 februari 2015 tot bevordering tot majoor van politie, is er sprake van een fictieve weigering. Door het niet bevorderen van [verzoeker] is er sprake van willekeur dan wel schending van het gelijkheidsbeginsel, aangezien de meeste van zijn lichtingsgenoten reeds zijn bevorderd tot majoor van politie en inmiddels zijn voorgedragen voor bevordering tot onderinspecteur van politie. [verzoeker] heeft zich nimmer schuldig gemaakt aan enige laakbare handeling of gedraging en stelt zich op als een voorbeeldige leidinggevende. Hij heeft een goede staat van dienst.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar van politie is in de zin van artikel 1 van het Politiehandvest, zodat dit handvest op hem van toepassing is. Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. In artikel 79 Pw zijn de vorderingen waarover het hof in eerste en hoogste aanleg bevoegd is te oordelen limitatief weergegeven. Naar het oordeel van het hof kan de onderhavige vordering worden aangemerkt als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren is bepaald, in casu het verder achterwege laten om [verzoeker] vanaf 02 februari 2012 te bevorderen tot majoor van politie. Uit het voorgaande volgt dat het hof bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2 Op grond van artikel 80 lid 2 sub c Pw is een vordering als de onderhavige niet-ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 Pw geacht wordt het besluit te hebben genomen. Artikel 78 lid 2 sub b Pw bepaalt dat een orgaan mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek. Hieruit volgt dat de minister, nu hij binnen voormelde termijn niet uitdrukkelijk heeft beslist op het schriftelijk verzoek van [verzoeker] d.d. 02 februari 2015 tot zijn bevordering tot majoor van politie, geacht wordt op 02 augustus 2015 een fictief besluit te hebben genomen en wel een negatief besluit. [verzoeker] heeft de onderhavige vordering bij het hof ingesteld op 28 augustus 2015, derhalve binnen de termijn van drie maanden na 02 augustus 2015, zodat hij op grond van artikel 80 lid 2 sub c Pw daarin ontvankelijk is.

4.3 [verzoeker] is gedurende dit geding en wel bij de in 2.6 genoemde beschikking van de minister d.d. 07 december 2015 te rekenen van 09 augustus 2012 bevorderd tot majoor van politie, onder toekenning van de bij die rang behorende bezoldiging. Uit de onderhavige vordering blijkt dat [verzoeker] van mening is dat hij te rekenen van 02 februari 2012 diende te worden bevorderd. Naar het hof uit de overwegingen opgenomen in voormelde beschikking begrijpt, is [verzoeker] aanvankelijk negatief beoordeeld, vanwege een eerdere bij beschikking van de minister d.d. 04 april 2012 oplegde tuchtstraf van schorsing voor de duur van zeven dagen. Uit de beschikking d.d. 07 december 2015 blijkt voorts dat zes maanden na deze negatieve beoordeling een herbeoordeling van [verzoeker] heeft plaatsgevonden, die heeft geleid tot een voor hem gunstig resultaat. Daarna is hij voorgedragen voor bevordering tot majoor van politie te rekenen van 09 augustus 2012. [verzoeker] heeft deze gang van zaken niet weersproken, zodat het hof niet vermag in te zien waarom hij te rekenen van 02 februari 2012 in plaats van 09 augustus 2012 zou moeten worden bevorderd. Het hof gaat voorbij aan het beroep van [verzoeker] op schending van het gelijkheidsbeginsel, nu hij niet heeft gesteld laat staan heeft onderbouwd dat er in casu sprake is van gelijke gevallen, waarin de Staat niet gelijkelijk heeft gehandeld. Van enig handelen van de Staat in strijd met het verbod van willekeur is niet gebleken. Uit al het voorgaande volgt dat de Staat, door [verzoeker] te bevorderen tot majoor van politie te rekenen van 09 augustus 2012, reeds heeft voldaan aan de onderhavige vordering, zodat deze zal worden afgewezen.

4.4 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.5 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5. De beslissing
Het hof:
Wijst de vordering af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr.I.S.Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 17 april 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend–griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. S. Nanda namens mr. R. Koendan, gemachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in person noch bij gemachtigde is verschenen.
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-42

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigden: mr. M.D. Lau-Kerssenberg en mr. M.A. Gout, advocaten,

tegen

DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
domicilie hebbende te zijnen Parkette te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. M. Winter, vervolgingsambtenaar,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 29 december 2015;
  • het verweerschrift met producties ingediend op 04 mei 2016;
  • de beschikking van het hof van 30 mei 2016 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 oktober 2016;
  • de processen-verbaal van het op 07 oktober 2016 gehouden verhoor van partijen en van de voortzetting daarvan gehouden op respectievelijk 21 oktober 2016, 04 november 2016 en 02 december 2016;
  • de producties door de Staat overgelegd op 02 december 2016;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] d.d. 06 januari 2017, met producties;
  • de conclusie tot uitlating overgelegde stukken zijdens de Staat, overgelegd op 17 februari 2017.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 juli 2017, doch nader op heden.

De feiten
2.1 [verzoeker], leerkracht MBO (Natin) in vaste dienst bij het Openbaar Onderwijs, is bij beschikking van de ministers van Openbare Werken en van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 22 januari 2014, no. [nummer] no. [nummer 2] no. [nummer 3] [nummer 4], te rekenen van 01 november 2013 overgeplaatst naar het Ministerie van Openbare Werken (hierna ook wel aangeduid als: het ministerie) met behoud van zijn bezoldiging van SRD 2.477,- per maand.

2.2 [verzoeker] is vervolgens bij beschikking van de minister van Openbare Werken (hierna ook aangeduid als: de minister) d.d. 10 februari 2014, no. [nummer 5] no. [nummer 6], te rekenen van 11 december 2013 overgeplaatst van het Directoraat Openbaar Groen naar het Directoraat Civieltechnische Werken (Vuilophaal en Verwerking) van het ministerie, met behoud van zijn bezoldiging van SRD 2.477,- per maand.

2.3 De minister heeft bij circulaire d.d. 23 december 2013, gericht aan de (onder)directeuren, (beleids)adviseurs, (hoofd)beleidsmedewerkers, dienst- en afdelingshoofden en personeel van het ministerie, bekendgemaakt dat [verzoeker] ingaande 20 december 2013 wordt belast met de waarneming van de functie van onderdirecteur Dienstverlening.

2.4 Bij missive van de Raad van Ministers d.d. 28 februari 2014, no. [nummer 7], is goedgekeurd dat [verzoeker] te rekenen van 23 december 2013 wordt belast met de waarneming van de functie van onderdirecteur Dienstverlening van het Directoraat Bouwkundige Werken en Dienstverlening (hierna ook wel aangeduid als: de functie), onder toekenning van een waarnemingstoelage.

2.5 De minister heeft bij schrijven d.d. 29 juli 2014, Mow [nummer 8], het volgende aan de minister van Onderwijs en Volksontwikkeling bericht:

Betreft:
Weder tewerkstelling dhr. [verzoeker], BSc. op het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling
Collega,

Vanaf 20 december 2013 is dhr. [verzoeker], BSc. tewerkgesteld op het Ministerie van Openbare Werken alwaar hij belast is geworden met de waarneming van de functie van Onderdirecteur Dienstverlening. In de afgelopen periode is echter gebleken dat het functioneren van dhr. [verzoeker] niet heeft voldaan aan de verwachtingen van de departementsleiding.

Het handhaven van betrokkene op het Ministerie van Openbare Werken is derhalve niet langer opportuun, weshalve ik u vraag betrokkene wederom in de gelegenheid te stellen zich verdienstelijk te maken op het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling en wel per 1 augustus as.

2.6 De minister heeft [verzoeker] op 31 juli 2014 mondeling meegedeeld dat hij met onmiddellijke ingang geen werkzaamheden meer op het ministerie mocht verrichten en dat hij thuis nadere instructies moest afwachten.

2.7 De minister van Onderwijs en Volksontwikkeling ging in reactie op het in 2.5 vermeld schrijven d.d. 29 juli 2014 aanvankelijk akkoord met de wedertewerkstelling van [verzoeker] op dit ministerie, maar heeft vervolgens bij schrijven d.d. 22 oktober 2014, no. [nummer 9], het volgende aan de minister van Openbare Werken meegedeeld:

“Met referte aan uw schrijven d.d. 29 juli 2014 waarin gevraagd wordt de heer [verzoeker], BSc. te muteren van het Ministerie van Openbare Werken naar het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, kan gesteld worden dat zulks niet mogelijk is. De heer [verzoeker] heeft een overplaatsingsbeschikking, daterende 22 januari 2014 ontvangen waarin zijn mutatie naar het Ministerie van Openbare Werken is bekrachtigd door de ministers van beide ministeries. Er is geen andere beschikking die dat ongedaan maakt. Het is de persoon [verzoeker] die vrijwillig kan besluiten akkoord te gaan met de overplaatsing, anders is zulks met zijn beschikking in handen niet mogelijk.”

2.8 Het maandelijkse salaris van [verzoeker] werd, ook na diens overplaatsing te rekenen van 01 november 2013 naar het Ministerie van Openbare Werken, door het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling betaald. Laatstgenoemd ministerie heeft de betaling van het salaris van [verzoeker] vanaf oktober 2015 stopgezet.

2.9 [verzoeker] heeft bij schrijven van zijn procesgemachtigde mr. Lau-Kerssenberg d.d. 09 november 2015, kort gezegd, op de – nieuw aangetreden – minister het beroep gedaan om binnen twee weken na ontvangst van dit schrijven het daarheen te leiden dat zijn volledige salaris vanaf 01 oktober 2015 en zijn waarnemingstoelage vanaf 20 december 2013 met alle emolumenten per direct wordt uitbetaald door het Ministerie van Openbare Werken, bij gebreke waarvan hij genoodzaakt zal zijn om zijn rechten geldend te maken.

2.10 De minister heeft in reactie hierop bij schrijven d.d. 04 december 2015, SOW [nummer 10], onder meer het volgende aan mr. Lau-Kerssenberg bericht:

Naar aanleiding van uw schrijven gedateerd 9 november 2015 inzake uw client [verzoeker] BSc het volgende. Dhr. [verzoeker] heeft inderdaad een overplaatsingsbeschikking van het Ministerie van Onderwijs naar het Ministerie van Openbare Werken. Echter is betrokkene nimmer overgenomen door dit ministerie dus ook nimmer uitbetaald en op grond hiervan kan dit ministerie zijn salaris ook niet blokkeren.Bij schrijven van 29 juli 2014 Mow [nummer 11] heeft de voormalige Minister van Openbare Werken aangegeven dat dhr. [verzoeker] weder tewerk gesteld wordt op het Ministerie van Onderwijs. Als reactie hierop is door de Minister van Onderwijs aangegeven dat dit slechts mogelijk zou zijn met goedkeuring van dhr. [verzoeker] daar hij reeds over zijn overplaatsingsbeschikking beschikt.

Bij schrijven van 5 december 2014 Mow [nummer 12] is door de Minister van Openbare Werken voorgesteld dat dhr. [verzoeker] toch tewerkgesteld wordt op het ministerie van Onderwijs daar:

  • Hij een functie vervult binnen het onderwijs dat niet in de formatie van het ministerie van Openbare Werken voorkomt te weten Leerkracht MBO;
  • Hij niet naar tevredenheid van de departementsleiding gefunctioneerd heeft;
  • Hij reeds geruime tijd niet meer ingezet werd op Openbare Werken en nog altijd op de betaalsrol van het ministerie van Onderwijs voorkomt.

Aangezien dhr. [verzoeker] niet op de betaalsrol van het ministerie van Openbare Werken voorkomt, kan dezerzijds zijn salaris niet gedeblokkeerd worden. Hij zal zijn verzoek moeten richten aan het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling.”

2.11 Bij beschikking van de ministers van Openbare Werken en van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur d.d. 07 november 2016, no. [nummer 13], is besloten om [verzoeker] – volgens deze beschikking in vaste dienst bij het Openbaar Onderwijs – te rekenen van 01 november 2013 in de functie van chef Vuilverwerking over te plaatsen naar de Vuilophaal- en Vuilverwerkingsdienst van het Directoraat Civieltechnische Werken van het ministerie, met behoud van zijn bezoldiging van SRD 2.522,- per maand.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Staat zal worden veroordeeld om:

  1. binnen een week na de uitspraak aan [verzoeker] te betalen zijn maandelijkse salaris te rekenen van 01 oktober 2015, vermeerderd met alle verhogingen en emolumenten en de wettelijke rente ad 6% per jaar, vanaf de dag der rechtsingang tot aan de dag der algehele voldoening;
  2. binnen een week na de uitspraak aan [verzoeker] te betalen een waarnemingstoelage vanaf 20 november 2013 voor waarneming van de functie van onderdirecteur Dienstverlening van het Directoraat Bouwkundige Werken en Dienstverlening van het ministerie, vermeerderd met alle verhogingen en emolumenten en de wettelijke rente ad 6% per jaar, vanaf de dag der rechtsingang tot aan de dag der algehele voldoening;
  3. aan [verzoeker] te betalen de (buiten)gerechtelijke kosten geraamd op SRD4.675,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar, vanaf de dag der rechtsingang tot aan de dag der algehele voldoening;
  4. [verzoeker] weder tewerk te stellen, alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere dag of keer dat de Staat nalatig blijft om aan het vonnis gevolg te geven. [verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] heeft tot op heden geen toelage van het ministerie ontvangen voor de waarneming van de functie.[verzoeker] zit sedert 01 augustus 2014 thuis in opdracht van de minister, waardoor hij in een grote rechtsonzekere positie verkeert. Ingevolge artikel 30 (lees: artikel 30 lid 1) van de Personeelswet (Pw) wordt er op het salaris van een landsdienaar zonder zijn uitdrukkelijke machtiging geen bedragen gekort of ingehouden dan overeenkomstig de bepalingen van deze wet. Aangezien [verzoeker] de Staat niet heeft gemachtigd om zijn salaris in te houden en hij nog steeds ingevolge de beschikking d.d. 22 januari 2014 (zie 2.1) op het ministerie tewerk is gesteld, handelt de Staat in strijd met de bepalingen van de Personeelswet. [verzoeker] is sedert november 2013 overgeplaatst naar het Ministerie van Openbare Werken, zodat dit ministerie en niet het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling [verzoeker] zijn maandelijkse salaris moet doorbetalen. Het Ministerie van Openbare Werken weigert dit echter te doen. De Staat heeft op de aanmaning van [verzoeker] d.d. 09 november 2015 (zie 2.9) op 04 december 2015 een onbegrijpelijke reactie gegeven (zie 2.10), waarvan de inhoud in strijd is met de regels van de Personeelswet en voorts op onwaarheden berust. De Staat maakt zich door zijn handelwijze schuldig aan wanprestatie. De Staat handelt voorts in stijd met het zorgvuldigheids-, het vertrouwens-, het rechtszekerheids- en het gelijkheidsbeginsel. De Staat handelt tevens contrair het goed werkgeverschap. [verzoeker], die nog steeds bereid en in staat is de bedongen werkzaamheden te verrichten, heeft er alle belang bij dat hij zo snel mogelijk zijn werkzaamheden hervat, althans dat zijn (achterstallig) loon zo snel mogelijk wordt (door)betaald. De inkomsten uit loon strekken namelijk tot zijn levensonderhoud, de maandelijke aflossing van SRD 1.000,- voor zijn woonhuis en de aflossing per kwartaal voor zijn masteropleiding van USD. 1.385,-. Door de handelwijze van de Staat was [verzoeker] genoodzaakt om (buiten)gerechtelijke kosten te maken ten bedrage van SRD 4.675,-, welke kosten voor rekening van de Staat dienen te komen. Deze kosten zijn: advocaatkosten ad SRD 4.500,- en wel SRD 500,- voor een aanmaningsbrief en SRD 4.000,- voor proceskosten (lees kennelijk: honorarium), alsmede de deurwaarderskosten voorlopig begroot op SRD 175,- voor betekening van de aanmaningsbrief.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. Deze wet is dan ook op hem van toepassing. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. totgehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. totvergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. totoplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald. In artikel 79 lid 2 Pw zijn limitatief opgesomd de voor nietigverklaring vatbare besluiten. Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren. [verzoeker] vordert in 3.1 onder 1 betaling van achterstallig salaris vanaf 01 oktober 2015. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het in 3.1 onder 1 gevorderde zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht zich dan ook op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw bevoegd om van dit deel van de vordering kennis te nemen.

4.1.3 Het hof beschouwt de in 3.1 onder 2 en 3 gevorderde waarnemingstoelage respectievelijk buitengerechtelijke kosten eveneens als schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw. Het hof acht zich op grond van voormelde bepaling daarom bevoegd om ook van dit deel van de vordering kennis te nemen. Voor zover de Staat ter zake van de gevorderde buitengerechtelijke kosten – deze moeten worden onderscheiden van de gerechtelijke of proceskosten – een andere mening erop nahoudt, gaat hij uit van een onjuiste opvatting. Ten aanzien van de gerechtelijke of proceskosten, verwijst het hof naar het in 4.9 overwogene.

4.1.4 Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw tevens bevoegd kennis te nemen van de mede gevorderde dwangsom.

4.1.5 De in 3.1 onder 4 gevorderde wedertewerkstelling van [verzoeker], kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2 Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] de onderhavige vordering te laat heeft ingesteld bij het hof, zodat hij ontvankelijk is in het in 3.1 onder 1, 2 en 3 gevorderde.

Achterstallig salaris
4.3.1 Het hof stelt voorop dat uit de processtukken blijkt dat het één en ander flink mis is gegaan op het ministerie alwaar [verzoeker] vanaf 01 november 2013 middels de overplaatsingsbeschikking d.d. 22 januari 2014 (zie 2.1) was tewerkgesteld, als gevolg waarvan [verzoeker] vanaf oktober 2015 ten onrechte zijn maandelijkse salaris heeft moeten ontberen. Naar het oordeel van het hof kan het voorgaande de Staat worden aangerekend en heeft de Staat onrechtmatig gehandeld jegens [verzoeker].

4.3.2 De comparitiegevolmachtigde van de Staat, mevrouw mr. [naam], heeft ter terechtzitting van 02 december 2016 een salarisstrook ten name van [verzoeker] over de maand november 2016 overgelegd, waaruit volgens haar blijkt dat het achterstallige salaris aan [verzoeker] is betaald. Blijkens voormelde salarisstrook is een bedrag groot SRD 33.604,- aan achterstallige bezoldiging – naar het hof begrijpt over de periode van oktober 2015 tot en met oktober 2016 – betaald, alsmede het salaris over maand november 2016.

4.3.3 [verzoeker] heeft bij conclusie tot uitlating producties erkend dat de Staat in de maand november 2016 een (netto)bedrag groot SRD 28.443,54 op zijn rekening heeft gestort. [verzoeker] heeft echter betwist dat het volledige achterstallige salaris aan hem is betaald. Hij heeft, naar het hof begrijpt en kort gezegd, gesteld dat uit de salarisstrook van november 2016 blijkt dat de Staat ten onrechte bepaalde door hem, [verzoeker], met name genoemde componenten niet heeft betaald dan wel op het salaris heeft ingehouden. [verzoeker] heeft voorts gesteld dat de Staat heeft verzuimd om samen met voren bedoelde salarisstrook een financieel overzicht over de periode van november 2013 tot november 2016 over te leggen.

4.3.4 De Staat is niet inhoudelijk ingegaan op het door [verzoeker] ingenomen standpunt dat niet het volledige achterstallige salaris aan hem is betaald. De Staat heeft voren bedoeld financieel overzicht ook niet overgelegd. De Staat heeft, naar het hof begrijpt, betoogd dat het [verzoeker] vrijstaat zich te wenden tot zijn werkgever voor het verkrijgen van het door hem gewenste financieel overzicht en dat het ongepast is dat [verzoeker] zich ter zake hiervan tot het hof wendt, zonder hierover (eerst) met zijn werkgever afgestemd te hebben. Het hof volgt de Staat niet in dit betoog. [verzoeker] heeft onder meer ten aanzien van het achterstallige salaris een vordering ingesteld tegen de Staat, die thans aanvoert het achterstallige salaris inmiddels aan [verzoeker] te hebben betaald. Naar het oordeel van het hof mag van de Staat, die als ondeelbaar moet worden beschouwd, worden verwacht dat deze in het onderhavige geding – waarbij partijen van mening verschillen over de al dan niet volledige betaling van het achterstallige salaris – ter onderbouwing van het door hem aangevoerde een financieel overzicht overlegt waaruit niet alleen [verzoeker] maar ook het hof, dat over de vordering moet beslissen, zou kunnen afleiden dat het volledige achterstallige salaris inderdaad aan [verzoeker] is betaald. Het hof tekent hierbij aan dat voren bedoeld overzicht, nu [verzoeker] betaling van het achterstallige salaris vanaf oktober 2015 heeft gevorderd, slechts de periode vanaf oktober 2015 dient te betreffen. Het hof volgt de Staat, gelet op diens ondeelbaarheid, evenmin in zijn betoog dat [verzoeker] de vermeende onregelmatigheden ter zake het betaalde bedrag aan achterstallig salaris (eerst) intern met zijn, [verzoeker], werkgever zou moeten opnemen.

4.3.5 Het hof zal thans overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het in 3.1 onder 1 gevorderde achterstallige salaris vanaf 01 oktober 2015. [verzoeker] heeft ten eerste gesteld dat hij niet is betaald voor 167 uren aan overwerk, verricht in de periode van 23 november 2013 tot 19 december 2013. Het hof gaat voorbij aan deze stelling, omdat deze overuren niet geacht kunnen worden onderdeel te zijn van het achterstallige salaris vanaf oktober 2015.

4.3.6 Als niet weersproken staat rechtens tussen partijen vast dat [verzoeker] vanaf 01 oktober 2015 tot en met eind november 2016 niet medisch verzekerd was en dat de Staat (over deze periode) onterecht een bedrag van SRD 1.447,76 aan ‘SZF werknemers aandeel’ op zijn salaris heeft ingehouden. Het hof overweegt dat dit bedrag derhalve aan [verzoeker] dient te worden terugbetaald.

4.3.7 [verzoeker] heeft voorts, naar het hof begrijpt, gesteld dat hij als chef Vuilverwerking van het ministerie recht heeft op een jaarlijkse kledingtoelage van SRD 550,- vanaf het jaar 2014, maar dat deze toelage niet aan hem is betaald. [verzoeker] heeft zijn vermeende aanspraak op voormelde kledingtoelage niet onderbouwd. Voren bedoelde aanspraak blijkt immers niet uit de beschikking d.d. 07 november 2016 (zie 2.11) noch is deze anderszins gebleken. [verzoeker] heeft niet voldaan aan zijn stelplicht ter zake. Voor zover de onderhavige vordering ook betrekking heeft op voormelde kledingtoelage, zal dit onderdeel van het gevorderde worden afgewezen.

4.3.8 Voorts staat als niet weersproken rechtens tussen partijen vast dat [verzoeker] aanspraak maakt op de hieronder genoemde componenten, maar dat deze niet aan hem zijn betaald:

  • de onbelaste loonheffingskorting respectievelijk ad SRD 50,- per maand over de maanden oktober 2015 en november 2015, ad SRD 100,- per maand over de maanden december 2015 tot en met mei 2016 en ad SRD 125,- per maand over de maanden juni 2016 tot en met november 2016, bedragende deze in totaal SRD 100,- (2 x SRD 50,-) + SRD 600,- (6 x SRD 100,-) + SRD 750,- (6 x SRD 125,-) = SRD 1.450,-;
  • de koopkrachtversterking van SRD 100,- per maand over de maanden oktober 2015 tot en met december 2016, bedragende deze in totaal SRD 1.500,- (15 x SRD 100,-);
  • de gratificatie van SRD 100,- over de maand december 2015.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de Staat tevens een bedrag van SRD 3.050,- (SRD 1.450,- + SRD 1.500,- + SRD 100,-) aan [verzoeker] moet betalen.

4.3.9 [verzoeker] heeft verder gesteld dat het bedrag van SRD 45,-, zijnde het verschil tussen zijn maandelijkse bezoldiging van SRD 2.477,- op het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling en zijn maandelijkse bezoldiging van SRD 2.522,- vanaf zijn overplaatsing in november 2013 naar het Ministerie van Openbare Werken, vanaf november 2013 tot en met oktober 2015 niet aan hem is betaald. De Staat heeft dit niet weersproken, zodat dit rechtens vaststaat tussen partijen. Nu alleen het verschil in bezoldiging van SRD 45,- over de maand oktober 2015 kan worden beschouwd als te zijn onderdeel van het achterstallige salaris vanaf oktober 2015, dient slechts laatstgenoemd bedrag aan [verzoeker] te worden betaald. Als onderdeel van het achterstallige salaris vanaf oktober 2015 kan evenmin worden beschouwd het door [verzoeker] gestelde verschil in bezoldiging van SRD 45,- inzake zijn vakantie-uitkeringen van juli 2014 en juli 2015, zodat dit niet aan hem hoeft te worden betaald.

4.3.10 Uit het in 4.3.6, 4.3.8 en 4.3.9 overwogene volgt dat de Staat in totaal een bedrag van SRD 4.542,76 (SRD 1.447,76 + SRD 3.050,- + SRD 45,-) aan achterstallig salaris aan [verzoeker] moet betalen. Dit bedrag zal dan ook als het mindere van het in 3.1 onder 1 gevorderde worden toegewezen.

4.4 [verzoeker] heeft, kort gezegd, gesteld dat hij gedurende de periode waarin hij zorgverzekering ontbeerde, zelf zijn medische kosten moest betalen. Het hof beschouwt deze stelling als een bloot te kennen geven en gaat derhalve daaraan voorbij, nu [verzoeker] geen vergoeding van voren bedoelde – bovendien niet geconcretiseerde – medische kosten heeft gevorderd.

Waarnemingstoelage
4.5 De Staat heeft [verzoeker] aanspraak op een toelage voor de waarneming van de functie niet betwist. De Staat heeft bij conclusie tot uitlating overgelegde stukken aangevoerd dat de Raad van Ministers bij missive de toekenning van voren bedoelde toelage aan [verzoeker] reeds heeft goedgekeurd en dat de nadere formalisering daarvan reeds ter hand is genomen. Vaststaat dat [verzoeker] van 20 december 2013 tot en met 31 juli 2014 belast is geweest met de waarneming van de functie en derhalve aanspraak maakt op toekenning van een waarnemingstoelage ter zake. Dit leidt tot de slotsom dat het in 3.1 onder 2 gevorderde – voor zover de waarnemingstoelage over voormelde periode niet reeds aan [verzoeker] is betaald – zal worden toegewezen als in het dictum te melden.

Buitengerechtelijke kosten
4.6 De Staat heeft de door [verzoeker] gestelde en in 3.1 onder 3 gevorderde buitengerechtelijke kosten ad SRD 4.675,- niet weersproken. Vast is komen te staan dat [verzoeker] deze – als schade aan te merken – kosten heeft moeten maken vanwege het onrechtmatig handelen van de Staat jegens hem. Deze kosten zullen dan ook worden toegewezen.

4.7 De mede gevorderde dwangsom kan op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw worden opgelegd voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling, dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. De dwangsom is in casu niet gekoppeld aan een besluit of handeling, maar aan het in 3.1 onder 1, 2 en 3 gevorderde, te beschouwen als vorderingen tot vergoeding van schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw, zodat deze niet kan worden toegewezen.

4.8 De gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis zal worden afgewezen, nu het hof in eerste en hoogste aanleg beslist.

4.9 Ook de gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.10 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing
Het hof:
5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de in 3.1 onder 4 gevorderde wedertewerkstelling

5.2 Veroordeelt de Staat om bij wege van schadevergoeding aan [verzoeker] te betalen een bedrag van SRD 4.542,76 (vierduizend vijfhonderdtweeënveertig 76/100 Surinaamse dollar) aan achterstallig salaris, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf 29 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.3 Veroordeelt de Staat – voor zover de betaling van de na te noemen waarnemingstoelage aan [verzoeker] nog niet is geschied – om bij wege van schadevergoeding aan [verzoeker] te betalen de maandelijkse toelage voor de waarneming van de functie van onderdirecteur Dienstverlening van het Directoraat Bouwkundige Werken en Dienstverlening van het Ministerie van Openbare Werken, Transport en Communicatie te rekenen van 20 december 2013 tot en met 31 juli 2014, vermeerderd met alle verhogingen en emolumenten en met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf 29 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.4 Veroordeelt de Staat om bij wege van schadevergoeding aan [verzoeker] te betalen een bedrag van SRD 4.675,- (vierduizend zeshonderdvijfenzeventig 00/100 Surinaamse dollar) aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 29 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr.I.S.Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 15 mei 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend–griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Gout, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne MLS namens mr. M. Winter, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyvel