SRU-HvJ-2020-33

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de gevoegde zaken A-980 en A-983 van

[VERZOEKER],
wonende te Paramaribo,
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. H.A. Wekker, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Financiën,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/ proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties in de zaak A-980, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het hof) op 08 mei 2018;
  • het verzoekschrift met producties in de zaak A-983, ingediend ter griffie van het hof op 19 juni 2018;
  • het verweerschrift met een productie in de zaak A-983, ingediend op 28 augustus 2018;
  • de beschikking van het hof van 27 november 2018, waarbij het verhoor van partijen in de zaak A-980 is bepaald op 18 januari 2019;
  • het proces-verbaal van het op 18 januari 2019 gehouden verhoor van partijen in de zaak A-980, waaruit blijkt dat de procesgemachtigde van [verzoeker] het hof heeft verzocht de zaken A-980 en A-983 gevoegd te behandelen en de procesgemachtigde van de Staat zich daartegen niet heeft verzet;
  • de bescheiden in de zaak A-980 door [verzoeker] ingediend op 21 januari 2019;
  • de beschikking van het hof van 28 maart 2019, waarbij het verhoor van partijen in de zaak A-983 is bepaald op 05 april 2019, welk verhoor is verplaatst naar 17 mei 2019;
  • het proces-verbaal van het op 17 mei 2019 gehouden verhoor van partijen in de zaken A-980 en A-983, waaruit de mondelinge toestemming van het hof blijkt tot het gevoegd behandelen van voormelde zaken;
  • het proces-verbaal van de op 21 juni 2019 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen en de op voormelde datum zijdens [verzoeker] overgelegde conclusie tot overlegging van financiële documenten d.d. 21 juni 2019, met producties;
  • het schrijven zijdens de Staat d.d. 02 augustus 2019;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens de Staat d.d. 18 oktober 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis in de gevoegde zaken A-980 en A-983 was aanvankelijk bepaald op 05 juni 2020, doch nader op heden.

2. De feiten

In de zaak A-980

2.1 [verzoeker], in vaste dienst bij de Staat, is bij resolutie van de President van de Republiek Suriname (hierna: de President) d.d. 23 mei 2017, Bureau no. L.A.B. P/O no. 752, no. 3953/17, te rekenen van 09 december 2016 benoemd tot inspecteur, hoofd van de Dienst bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen en daarbij dienovereenkomstig bezoldigd volgens functiegroep 13, schaal 13A (hierna: de benoemingsresolutie).

2.2 De minister van Financiën (hierna: de minister) heeft bij schrijven d.d. 27 juni 2017, Sec. no. 467/17/Min., betreffende “enkele maatregelen m.b.t. de hervormingen binnen de dienst”, aan [verzoeker] bericht dat hij, de minister, in het kader van de inspanningen met betrekking tot het aanscherpen van de inningscapaciteit van de douanedienst enkele – in voormeld schrijven genoemde – voorzieningen heeft getroffen die per onmiddellijk ingaan, waaronder, kort gezegd:

  • het ontlasten van enkele adjunct-verificateurs van de afdeling D.I.C. en van het Visitatie Team en hun terbeschikkingstelling aan het hoofd van de dienst;
  • het versterken van de afdeling D.I.C. met andere adjunct-verificateurs;
  • de vervanging van de hoofden van de afdelingen D.I.C. en Entrepot;
  • het plaatsen van de algehele coördinatie van de verscherpte controle op de lading welke de Jules Sedney haven verlaat onder supervisie van het (nieuwe) hoofd van de afdeling D.I.C., de [verificateur];
  • het bepalen dat ten aanzien van deze verscherpte controle de [verificateur] zal rapporteren aan en daartoe instructies zal ontvangen van de minister;
  • het instellen van een speciaal team onder leiding van de [verificateur], welk team ten aanzien van de door de minister opgedragen werkzaamheden rechtstreeks zal ressorteren onder, uitsluitend opdrachten zal ontvangen en dienovereenkomstig zal rapporteren aan de minister;
  • het bepalen dat alle leden van voormeld team onbeperkte zicht- c.q. onderzoeks-mogelijkheden zullen krijgen binnen het Asycuda World-systeem en waar nodig trainingen zullen krijgen in het bedienen van dit systeem;
  • het bepalen dat de afdelingen D.I.C., Visitatie Team, Douanerecherche en de Visitatie-posten Jules Sedney en Kuldipsingh zullen rapporteren aan [verzoeker].

De minister heeft [verzoeker] tot slot meegedeeld dat van hem wordt verwacht al het nodige te doen zodat op correcte wijze en per onmiddellijk invulling wordt gegeven aan het voorgaande en waar nodig die aanvullende maatregelen.

2.3 De minister heeft bij schrijven d.d. 05 oktober 2017, Sec. no. 649/17/Min., het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:

“Geachte heer [verzoeker],

Het is mij gebleken dat door mij aan u doorgegeven instructies niet of niet volledig zijn uitgevoerd, waaronder het sluiten van de uitgangspoort na 15.00 uur. Ook de instructie met betrekking tot het verscherpen van de controle op de Kuldipsingh haven is nog niet uitgevoerd.

Verder zijn belangrijke voorgestelde maatregelen ter verbetering van de controle op de particuliere tijdelijke bergplaatsen buiten de haven, nog niet geïmplementeerd. Van deze particuliere tijdelijke bergplaatsen buiten het havencomplex is gebleken dat zij een heel zwakke controle te hebben, waardoor de staat inkomsten derft.

Verder is het mij niet gebleken dat er enige voortuitgang is geboekt in het onderzoek met betrekking tot de twee containers die de haven op 21 juli 2017 hebben verlaten zonder documenten. Ook met betrekking tot het reeds enige tijd aan de gang zijnde onderzoek ten aanzien [sic] vermoedelijke malversaties bij de uitvoer van hout is er nog geen zichtbaar resultaat. Ook de recente verduistering c.q. diefstal van in het Publiek Entrepôt opgeslagen goederen is zorgwekkend en zijn nog geen maatregelen getroffen tegen betrokkene(n).

Het moet niet als uitgesloten worden geacht dat de geringe omvang van het management team, drie leden, een drempel vormt voor het vlot afhandelen van deze vele zaken.

Reden waarom door mij besloten is om, voortuitlopend op de overige voordrachten daartoe, het management team bij de douane te versterken met de [Hoofdverificateur], ingaande woensdag 4 oktober 2017.

De [Hoofdverificateur], als lid van het management team, zal de leiding hebben over de Sectie ‘Groot Paramaribo’, waaronder de hierna volgende afdelingen:

  • het Douane Informatie Centrum (D.I.C.);
  • de particuliere entrepots alsook het Publiek Entrepot;
  • de tijdelijke bergplaatsen op- en buiten het havencomplex;
  • de Dr. Jules Sedney haven;
  • de Kuldisingh [sic] haven.

De leidinggevenden van de hier boven genoemde afdelingen zulllen met betrekking tot hun dagelijkse werkzaamheden hun instructies ontvangen van- en dien overeenkomstig rapporteren aan de [Hoofdverificateur].

Met betrekking tot de verscherpte controle blijven de eerder hierover genomen besluiten van kracht, met dien verstande dat alle besluiten ten aanzien van deze controle en de ladingen die het havencomplex verlaten genomen zullen worden in- en na overleg met de algehele coördinator van de verscherpte controle, de [Verificateur].

Van u wordt verwacht dat u het nodige doet om een vlotte invulling te geven hieraan en dat de [Hoofdverificateur] alle medewerking krijgt om zijn werkzaamheden te verrichten.

In de week van 23 oktober 2017 mag u nadere instructies verwachten.

Overtuigd van een vlotte uitvoering hiervan uwerzijds,

(…)”

2.4 [verzoeker] heeft op 30 april 2018 het schrijven van de minister d.d. 30 april 2018, Sec. no. 231/18/Min., ontvangen. Dit schrijven luidt onder meer als volgt:

“Geachte [verzoeker],

In verband met de voorgenomen hervormingen binnen het Ministerie alsook de reorganisatie van de werkprocessen, die onder andere tot gevolg hebben een algehele reorganisatie in het belang van de dienst, wordt u hierbij medegedeeld dat u ingaande 30 april 2018 wordt ontlast van uw werkzaamheden als Inspekteur-Hoofd van de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen. Zulks met behoud van salaris totdat u schriftelijk een standplaats wordt aangewezen.

Hiermede komt per die datum tevens de aan u toegekende, al dan niet aan de functie verbonden, toelagen en/of incentives te vervallen.

Gelet op het voorgaande wordt u gevraagd om per die datum alle onder u rustende documentatie (zowel “hard als soft”) met betrekkingen [sic] tot uw werkzaamheden bij de Inspectie der Directe Belastingen en/of het Directoraat der Belastingen alsook alle Staatseigendommen (laptop, sleutels, telefoon etc.) over te dragen aan de Directeur der Belastingen.

(…)”

In de zaak A-983

2.5 De feiten vermeld in 2.1 tot en met 2.4 zijn tevens van toepassing op de zaak A-983.

2.6 De minister heeft bij schrijven d.d. 23 juni 2017, Sec. no. 465-17/Min, het volgende aan [verzoeker] bericht:

“Geachte heer [verzoeker],

Hierbij deel ik u mede, dat per vrijdag 23 juni 2017 iedere container die de Jules Sedney Haven wordt uitgereden, aan een volledige controle moet worden onderworpen.

De controle werkzaamheden kunnen mede met ondersteuning van de Douane-Recherche en de Accijns Unit plaatsvinden. Voorts zal per dezelfde datum, de afgifte van containers uitsluitend van maandag tot en met vrijdag, tussen 07:00 en 15:00 uur, na de voorgeschreven controle moeten geschieden. Na afgifte dient deze container op dezelfde dag, vòòr 15:00 uur, de Haven te hebben verlaten. Afgifte van spoed zendingen en afgifte in het weekend, kan uitsluitend met schriftelijke toestemming van het Hoofd van de Dienst, nadat de lading aan de voorgeschreven controle is onderworpen.

Tenslotte vraag ik om de voertuigen genummerd PB 21 – 76 en 64 -82 GV te allen tijde toegang tot de stijger [sic] en de stripzone te verlenen.

(…)”

2.7 De minister heeft bij schrijven d.d. 31 januari 2018, Sec. no. 069/18/Min., betreffende ‘besluit inzake doorvoer c.q. wederuitvoer’, kort gezegd, aan [verzoeker] meegedeeld dat hij, de minister, mede gelet op de economische activiteiten die gepaard gaan met de doorvoer c.q. wederuitvoer naar Brazilië middels de zogenaamde schoeners, besloten heeft om ingaande 01 februari 2018 de doorvoer c.q. wederuitvoer naar Brazilië wederom toe te staan, onder stringente – in voormeld schrijven genoemde – voorwaarden.

2.8 [Verzoeker] heeft op 22 mei 2018 in zijn brievenbus per exploit van deurwaarder J.E. Febis d.d. 22 mei 2018, no. 511, de resolutie d.d. 19 mei 2018, no. 354/RP (hierna: de ontheffingsresolutie) ontvangen. In deze resolutie is vervat het besluit dat [verzoeker] ingevolge artikel 23 lid 5 Pw, vanwege redenen van organisatorische aard die moeten leiden tot een effectievere uitvoering van het dienstbelang, wordt ontheven uit de functie van hoofd van de Dienst bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen, met behoud van zijn bezoldiging (hierna: het ontheffingsbesluit).

Volgens de ontheffingsresolutie gaat de ontheffing in op de dag volgende op die waarop het ontheffingsbesluit ter kennis van [verzoeker] is gebracht.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

In de zaak A-980

3.1 [Verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis:

a. het besluit van de Staat d.d. 30 april 2018, Sec. no. 231/18 Min, waarbij hij ontlast wordt van zijn werkzaamheden als inspecteur, hoofd van de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen, zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;

b. de besluiten d.d. 27 juni 2017, Sec. no. 467/17/Min en d.d. 05 oktober 2017, Sec. no. 649/17 Min, zullen worden vernietigd, althans nietig zullen worden verklaard;

c. de Staat zal worden veroordeeld om hem binnen een uur na de uitspraak te rehabiliteren in zijn functie van inspecteur, hoofd van de Dienst der Invoerrechten Accijnzen en alles na te laten dat zijn functioneren bij de uitoefening van zijn werkzaamheden zou belemmeren c.q. hinderen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,- per dag, voor elke dag dat de Staat in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen.

[Verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [Verzoeker] heeft, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Hij is het niet eens met het in het in 2.4 genoemd schrijven d.d. 30 april 2018 vervatte besluit tot het ontlasten van hem van zijn werkzaamheden als inspecteur, hoofd van de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen en wel om de volgende redenen. Het besluit tot het ontlasten van een ambtenaar komt nergens in de Personeelswet voor als een maatregel en is derhalve in strijd met de wet. Voorts is dit besluit, voor zover het als een maatregel kan worden gekwalificeerd, door een onbevoegde genomen in strijd met artikel 3 lid 5 sub a Pw. Voormeld besluit is tevens in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het beginsel van hoor en wederhoor, het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van zuiverheid van oogmerk en fair play, het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Tot slot moest het besluit in een resolutie zijn vervat.

[verzoeker] is het evenmin eens met het besluit d.d. 27 juni 2017 (zie het in 2.2 genoemd schrijven), waarbij douaneambtenaren, die vanwege het disciplinaire karakter van de dienst hiërarchisch vallen onder zijn gezag en verantwoordelijkheid als inspecteur, hoofd van de Dienst bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen, hieraan worden onttrokken en rechtstreeks moeten rapporteren aan de Staat (het hof begrijpt: de minister). [Verzoeker] is het ook niet eens met het besluit d.d. 05 oktober 2017 (zie het schrijven vermeld in 2.3), waarbij taken en verantwoordelijkheden die rechtstreeks vallen onder en inherent zijn aan zijn functie, zonder overleg worden toebedeeld aan douaneambtenaren die hiërarchisch onder hem vallen, waardoor niet alleen zijn functie wordt uitgehold, maar er ook een situatie ontstaat van ‘een Staat in een Staat’. Deze besluiten zijn derhalve nietig en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het beginsel van hoor en wederhoor en van evenwichtigheid, het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van verbod van détournement de pouvoir, het motiverings- en fair play-beginsel.

In de zaak A-983

3.3 [Verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis:

Primair:

a. de ontheffingsresolutie zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;

b. de besluiten d.d. 23 juni 2017, Sec. no. 465-17/Min, d.d. 27 juni 2017, 467/17/Min, d.d. 05 oktober 2017, Sec. no. 649/17/Min en d.d. 31 januari 2018, Sec. no. 069/18 Min., zullen worden vernietigd, althans nietig zullen worden verklaard;

c. de Staat zal worden veroordeeld om hem binnen een uur na de uitspraak te rehabiliteren in zijn functie van inspecteur, hoofd van de Dienst der Invoerrechten Accijnzen en alles na te laten dat zijn functioneren bij de uitoefening van zijn werkzaamheden zou belemmeren c.q. hinderen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag, voor elke dag of keer dat de Staat in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen.

Subsidiair:

de Staat zal worden veroordeeld om aan hem te betalen een vergoeding voor geleden materiële en immateriële schade van SRD 1.000.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar.

[Verzoeker] vordert zowel primair als subsidiair tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten in beide instanties.

3.4 [Verzoeker] heeft, naar het hof begrijpt, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij het niet eens is met het ontheffingsbesluit en de motivering daarvan en wel om de volgende redenen. Voormeld besluit en de motivering daarvan zijn vals, heel vaag, onduidelijk en gezocht, omdat de Staat pas hiermee is gekomen nadat [verzoeker] in de kort geding zaak tussen partijen, bekend onder A.R. no. 18-1914, is opgekomen tegen het besluit waarbij hij werd ontlast van zijn functie. Het ontheffingsbesluit is verder in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het beginsel van hoor en wederhoor, het rechtszekerheidsbeginsel, de beginselen van opgewekt vertrouwen, van fair play, van verbod van détournement de pouvoir, van gelijkheid en evenwichtigheid, van zuiverheid van oogmerk, het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel.

Het ontheffingsbesluit is in strijd met artikel 5 Pw en artikel 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in de brievenbus van [verzoeker] gezet, zodat het in 2.8 genoemd exploit d.d. 22 mei 2018 nietig is.

Voorts is het besluit d.d. 05 oktober 2017 (zie het in 2.3 genoemd schrijven) nietig en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Immers komt dit besluit erop neer dat taken en verantwoordelijkheden die rechtstreeks vallen onder en inherent zijn aan de functie van [verzoeker], zonder overleg worden toebedeeld aan douaneambtenaren, die hiërarchisch onder het gezag en de verantwoordelijkheid van [verzoeker] vallen, waardoor deze douaneambtenaren aan dit gezag zijn onttrokken en rechtstreeks moeten rapporteren aan de minister en/of zijn lijfwacht. Hierdoor wordt niet alleen de functie van [verzoeker] uitgehold, maar ontstaat er ook een situatie van ‘een Staat in een Staat’.

[verzoeker] ondervindt veel last en hinder van de door de Staat genomen besluiten. De Staat heeft onrechtmatig gehandeld jegens [verzoeker], waardoor [verzoeker] zowel materiële als immateriële schade heeft geleden en nog steeds lijdt.

In de gevoegde zaken A-980 en A-983

3.5 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling in de gevoegde zaken A-980 en A-983

In de zaken A-980 en A-983

4.1 Het hof constateert dat partijen in de processtukken ten aanzien van de functie waarin [verzoeker] laatstelijk diende, afwisselend gewag maken van de benaming ‘inspecteur, hoofd van de Dienst bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen’ dan wel ‘inspecteur, hoofd van de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen’. Het hof gaat ervan uit dat eerstgenoemde benaming, zoals vermeld in de benoemingsresolutie (zie 2.1), de juiste is.

In de zaak A-980

Bevoegdheid

4.2.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. Deze wet is dan ook op hem van toepassing. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;

c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:

a. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;

b. tot verlaging van rang;

c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;

d. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;

e. tot schorsing of ontslag.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.2.2 Het in 3.1 onder a gevorderde strekt tot nietigverklaring van het in het schrijven d.d. 30 april 2018, Sec. no. 231/18/Min. (zie 2.4), vervatte besluit, waarbij [verzoeker] per dezelfde datum is ontlast van zijn werkzaamheden als inspecteur, hoofd van de Dienst bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen.

In voren bedoeld schrijven is tevens vermeld dat per voormelde datum de aan [verzoeker] toegekende, al dan niet aan zijn functie verbonden, toelagen en/of incentives komen te vervallen.

Vooropgesteld wordt dat [verzoeker] bij conclusie tot overlegging van financiële documenten d.d. 21 juni 2019 heeft overgelegd een fotokopie van zijn loonslip over de maand mei 2018. Daaruit blijkt dat in die maand normaal aan hem is uitbetaald zijn bezoldiging, de representatietoelage, emolumenten, alsmede vacatiegeld.

In artikel 79 lid 2 Pw zijn limitatief opgesomd de besluiten die voor nietigverklaring vatbaar zijn. Voren bedoeld besluit tot het ontlasten van [verzoeker] van zijn werkzaamheden kan niet daaronder worden gerangschikt, nu dit besluit gelet op het voorgaande ook niet het salaris betreft. Het hof acht zich daarom onbevoegd kennis te nemen van de in 3.1 onder a gevorderde nietigverklaring van dit besluit.

4.2.3 Het in 3.1 onder c gevorderde ondergaat hetzelfde lot, nu dit gevorderde een sequeel is van het in 3.1 onder a gevorderde.

4.2.4 [Verzoeker] vordert in 3.1 onder b nietigverklaring van de besluiten – kort gezegd, besluiten van de minister betreffende hervormings- en reorganisatiemaatregelen – vervat in de brieven d.d. 27 juni 2017, Sec. no. 467/17/Min. (zie 2.2) en d.d. 05 oktober 2017, Sec. no. 649/17/Min. (zie 2.3).

Volgens [verzoeker] komen deze besluiten erop neer dat douaneambtenaren worden onttrokken aan zijn gezag en discipline en dat zijn functie wordt uitgehold.

Voren bedoelde besluiten behoren, voor zover deze reeds geacht kunnen worden (mede) ten aanzien van [verzoeker] te zijn genomen, evenmin tot de in artikel 79 lid 2 Pw limitatief opgesomde besluiten die vatbaar zijn voor nietigverklaring, zodat het hof ook niet bevoegd is om kennis te nemen van het in 3.1 onder b gevorderde.

4.2.5 De gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

In de zaak A-983

Bevoegdheid

4.3.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. Deze wet is dan ook op hem van toepassing. Hetgeen van het hof als gerecht in ambtenarenzaken gevorderd kan worden, is limitatief omschreven in artikel 79 Pw. Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.3.2 Het in 3.3 primair onder a gevorderde strekt tot nietigverklaring van het in de ontheffingsresolutie vervatte ontheffingsbesluit, wegens strijd met de onder 3.4 genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Bij conclusie tot overlegging van financiële documenten d.d. 21 juni 2019 betoogt [verzoeker], naar het hof begrijpt, dat het ontheffingsbesluit, waarvan hij de gevolgen (mede) ervaart als inhouding op zijn salaris, tevens in strijd is met artikel 30 Pw. [verzoeker] voert daarbij, kort gezegd, aan dat op zijn salaris wordt ingehouden de onderstaande maandelijkse toelagen:

  • de toelage ad SRD 1.250,- als voorzitter van de ‘Commissie Douane-expediteur’, welke toelage hij genoot uit hoofde van zijn rang als inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen;
  • vanaf juni 2018, zijn vacatiegeld ad SRD 1.175,- en de representatietoelage ad SRD 784,-.

[verzoeker] heeft ter onderbouwing van de door hem gestelde inhoudingen op zijn salaris, zijn loonslips over de maanden mei 2018 en juni 2018 overgelegd.

[Verzoeker] heeft zich voorts beroepen op het vonnis van het Hof van Justitie (HvJ) van 01 oktober 1971, A-9, inzake Barend ca. het Rijksdeel Suriname, S.J. (A), no. 108.

4.3.3 Vooropgesteld wordt dat het bevoegde gezag ingevolge het bepaalde in artikel 23 lid 5 Pw een landsdienaar, indien het belang van de dienst zulks vordert, van zijn functie kan ontheffen. Het bevoegde gezag, in dezen de President, komt daarbij in beginsel beleidsvrijheid toe. Artikel 79 lid 4 Pw bepaalt dat het hof niet in de beoordeling treedt van hetgeen door het belang van de dienst wordt gevorderd, voor zover daaromtrent redelijkerwijs verschil van inzicht mogelijk is.

4.3.4 Blijkens de ontheffingsresolutie is [verzoeker] ingevolge het bepaalde in artikel 23 lid 5 Pw ontheven uit de functie van hoofd van de Dienst bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen, met behoud van zijn bezoldiging. Besluiten tot ontheffing van een ambtenaar uit zijn functie komen niet voor in de in artikel 79 lid 2 Pw opgenomen limitatieve opsomming van besluiten die vatbaar zijn voor nietigverklaring.

Volgens vaste rechtspraak is het hof derhalve niet bevoegd kennis te nemen van een vordering tot nietigverklaring van een ontheffingsbesluit, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen, die hier gesteld noch gebleken zijn. In dit kader wordt verwezen naar de heersende jurisprudentie van het hof, waaronder het vonnis inzake Barend ca. het Rijksdeel Suriname, hierboven in 4.3.2 genoemd, op welk vonnis [verzoeker] zich beroept, alsmede HvJ 21 januari 2005, A-490, inzake Van Lobbrecht ca. de Staat Suriname en HvJ 16 november 2007, A-438, inzake Campagne ca. de Staat Suriname.

Uit het voorgaande volgt dat [verzoeker]s beroep op meergenoemd vonnis van het hof van 01 oktober 1971, A-9, inzake Barend ca. het Rijksdeel Suriname, S.J. (A), no. 108, hem niet kan baten. Immers, in die zaak ging het om een met ontslag gelijk staande ontheffing, hetgeen hier niet aan de orde is.

De slotsom is dat het hof zich onbevoegd zal verklaren kennis te nemen van het in 3.3 primair onder a gevorderde.

4.3.5 Het hof wenst overigens nog op te merken dat, anders dan [verzoeker] heeft betoogd, uit de door hem overgelegde loonslips over de maanden mei 2018 en juni 2018 niet blijkt dat zijn ontheffing van invloed is geweest op het door hem genoten salaris. Immers, blijkt uit de loonslip van juni 2018 dat de representatietoelage ad SRD 784,50 in die maand, naar het hof begrijpt, onder de noemer overgangstoelage aan hem is uitbetaald.

Voorts kunnen de toelage ad SRD 1.250,- die hij als voorzitter van de ‘Commissie Douane-expediteur’ zou hebben genoten en het vacatiegeld ad SRD 1.175,-, welke [verzoeker] stelt niet meer te ontvangen, niet als onderdeel van het salaris in de zin van artikel 1 lid 1 Pw worden beschouwd, aangezien zij geen deel uitmaken van het totaal bedrag in geld waarop [verzoeker] uit hoofde van zijn dienstverband maandelijks aanspraak heeft. Volgens Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, dertiende, herziene uitgave, wordt onder vacatiegeld verstaan: “vergoeding toegekend voor een vacatie (ook b.v. voor het bijwonen van de zittingen van een lichaam (commissie enz.) waarvan men deel uitmaakt).”

4.3.6 Het in 3.3 primair onder b gevorderde strekt tot nietigverklaring van de besluiten – kort gezegd, besluiten van de minister betreffende controle werkzaamheden, hervormings- en reorganisatiemaatregelen en de doorvoer c.q. wederuitvoer naar Brazilië – vervat in de brieven d.d. 23 juni 2017, Sec. no. 465-17/Min (zie 2.6), d.d. 27 juni 2017, Sec. no. 467/17/Min. (zie 2.2), d.d. 05 oktober 2017, Sec. no. 649/17/Min. (zie 2.3) en d.d. 31 januari 2018, Sec. no. 069/18/Min. (zie 2.7).

Het hof is op dezelfde grond als vermeld in 4.2.4 onbevoegd kennis te nemen van dit deel van het gevorderde.

4.3.7 Het in 3.3 primair onder c gevorderde ondergaat hetzelfde lot als het in 3.3 primair onder a gevorderde, nu het daarvan een sequeel is.

4.4 [Verzoeker] beroept zich bij conclusie tot overlegging van financiële documenten d.d. 21 juni 2019 op de nietigheid van het ontheffingsbesluit, daartoe stellende dat dit besluit niet is ondertekend door de President, maar door de directeur van het Kabinet van de President, zulks in strijd met artikel 7 van het Staatsbesluit van 06 november 1996 (Besluit Vormgeving Wettelijke Regelingen, Staats- en Bestuursbesluiten), S.B. 1996, no. 54.

Dit beroep faalt. Uit het door [verzoeker] overgelegde afschrift van de ontheffingsresolutie blijkt dat de directeur Bestuurs- en Administratieve Aangelegenheden van het Kabinet van de President slechts voor afschrift heeft getekend. Onderaan voren bedoeld afschrift staat immers vermeld “De President van de Republiek Suriname, w.g. Desiré D. Bouterse (DESIRÉ D. BOUTERSE)”, hetgeen inhoudt dat de originele beschikking door de President is ondertekend, één en ander zoals door de Staat aangevoerd.

4.5 Het hof constateert dat [verzoeker] geen gevolgtrekking heeft verbonden aan zijn stelling dat het ontheffingsbesluit in strijd met artikel 5 Pw en artikel 6 Rv in zijn brievenbus is gezet, als gevolg waarvan het in 2.8 genoemd exploit d.d. 22 mei 2018 nietig zou zijn. Het hof zal deze stelling derhalve beschouwen als een bloot te kennen geven en daaraan voorbijgaan.

Overigens staat vast dat [verzoeker] het ontheffingsbesluit op 22 mei 2018 in zijn brievenbus heeft aangetroffen, daarvan kennis heeft genomen en ook daartegen is opgekomen in het onderhavige geding.

4.6 Nu het in 3.3 primair gevorderde niet kan worden toegewezen, zal het hof overgaan tot de beoordeling van het in 3.3 subsidiair gevorderde, te weten de vordering tot veroordeling van de Staat tot betaling van schadevergoeding ad SRD 1.000.000,- aan [verzoeker] voor door hem geleden materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 1 sub b Pw is het hof bevoegd tot kennisneming van vorderingen tot vergoeding van schade, welke voor een ambtenaar is voortgevloeid uit een besluit of het verrichten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. [verzoeker] heeft geen zodanig(e) besluit of handeling gesteld en daarvan is ook niet gebleken, zodat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het gevorderde.

Ten overvloede wordt overwogen dat het gevorderde, indien [verzoeker] daarin wel ontvankelijk zou zijn, als niet onderbouwd zou moeten worden afgewezen.

4.7 De gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

5. De beslissing

Het hof:

In de zaak A-980

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering.

In de zaak A-983

5.2 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.3 primair gevorderde.

5.3 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het in 3.3 subsidiair gevorderde.

In de zaken A-980 en A-983

5.4 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, lid, en mr. S. Nanhoe-Gangadin, plaatsvervangend lid, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 16 oktober 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. E.M. Redjopawiro namens advocaat mr. R.R. Lobo, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door Major Pengel namens mr. R. Rathipal, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2019-30

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 18-0539
23 juli 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende aan [adres] in [district],
eiser,
gemachtigde: mr. J.R. Wouter, advocaat,

tegen

A. [gedaagde]
wonende aan [adres 2] boven in [district 2],
B. [gedaagde 2],
wonende aan [adres 2] boven in [district 2],
C. [gedaagde 3],
gedaagden,
gemachtigde van gedaagden sub A en B: mr. M.A.J.S. Toekoen, advocaat,
gedaagde sub C niet verschenen.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 05 februari 2018 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 20 maart 2018;
  • de conclusie van antwoord, met productie;
  • de conclusie van repliek, met productie;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Gedaagde had, na daartoe verkregen toestemming van de kantonrechter, conservatoir beslag doen leggen op een vijftal onroerende goederen van eiseres en conservatoir derdenbeslag op de gelden van eiseres die zich onder de Hakrinbank N.V. bevinden.

2.2 Eiseres had in een kort gedingzaak bekend onder A.R. 16-1763 een vordering tot opheffing en doorhaling van het gelegde beslag op de onroerende goederen en opheffing van het gelegde conservatoir derdenbeslag tegen gedaagde ingesteld.
Bij vonnis van de kantonrechter in de hiervoor vermelde zaak d.d. 07 maart 2019 is de vordering van eiseres afgewezen.

2.3 In de hoofdzaak, zijnde de bodemzaak bekend onder A.R. No. 15-5002, had eiseres in reconventie ook een vordering tot opheffing en doorhaling van het gelegde beslag gevorderd. In de bodemzaak is bij vonnis van de kantonrechter d.d. 12 maart 2019 de vordering van eiseres in reconventie toegewezen, doch is het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.4 Partijen hebben beiden hoger beroep tegen het vonnis vermeld onder 2.3 aangetekend.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:
A)uitvoerbaar bij voorraad te verklaren het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton, bekend onder A.R. no. 15-5002 d.d. 12 maart 2019, waarbij de opheffing en doorhaling is gelast van het gelegde beslag op de percelen en het gelegde conservatoir derdenbeslag onderde Hakrinbank V.;
B) gedaagde te veroordelen deze veroordeling te gehengen en gedogen op straffe van een direct opvorderbare dwangsom van SRD000,-voor iedere dag of keer dat zij weigert het te wijzen vonnis te eerbiedigen c.q. na te leven.

3.2 Eiseres legt tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2 dat de kantonrechter over het hoofd heeft gezien om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dit, terwijl eiseres dit wel had medegevorderd.

Eiseres stelt als spoedeisend belang dat zij ernstig wordt gehinderd vanwege deze beslagen en het te lang zal duren voordat zij in hoger beroep alsnog de uitvoerbaar bij voorraad verklaring krijgt.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het door eiseres gestelde spoedeisend belang is in voldoende mate aannemelijk voor de kantonrechter. Daarom is zij in het kort geding ontvangen. Gedaagde stelt zich evenwel op het standpunt dat het spoedeisend belang ontbreekt vanwege het feit dat de vordering in de eerdere kort gedingzaak zou zijn afgewezen, doch gaat zij naar het oordeel van de kantonrechter uit van een onjuist standpunt. Zoals uit de feiten blijkt is in bodemprocedure, die een definitieve beslissing behelst, de vordering toegewezen en is dat gedeelte niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit nieuwe feit maakt het spoedeisend belang van eiseres in voldoende mate aannemelijk.

4.2 Gedaagde voert als formeel verweer dat eiseres niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de gevorderde voorzieningen, omdat eiseres in strijd handelt met het ne bis in idem beginsel. In dat licht voert zij aan dat eiseres geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in de kort gedingzaak bekend onder A.R. No. 16-1763 en zich aldus in het vonnis heeft berust.
Eiseres betoogt dat het beroep van gedaagde op het ne bis in idem beginsel niet opgaat, omdat haar vordering tot opheffing van de gelegde beslagen reeds bij vonnis in de zaak bekend onder A.R. No. 15-5002 is toegewezen en zij uitvoerbaar bij voorraad verklaring vraagt van dit vonnis.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter gaat het beroep van gedaagde op het ne bis in idembeginsel niet op. Zoals blijkt uit de feiten is in bodemprocedure geoordeeld over de vraag of de door gedaagde gelegde beslagen vexatoir dan wel onrechtmatig zijn. Daar reeds inhoudelijk is geoordeeld over dit geschil en het in de onderhavige kort gedingzaak niet meer aan de orde is, verwerpt de kantonrechter dit verweer. Waarover de kantonrechter in de onderhavige zaak dient te oordelen is de beantwoording van de vraag of de kantonrechter bevoegd is een reeds gewezen vonnis nader bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, indien zulks niet is bevolen. Gedaagde beroept zich er evenwel op dat het vonnis op grond van artikel 268 Rv van rechtswege is geschorst en eiseres zich daarom niet kan beroepen op de overwegingen vermeld in dat vonnis, doch gaat dit op grond van de hierna vermelde overwegingen niet op.
Ter zake het medegevorderde, te weten het uitvoerbaar bij voorraad verklaren, heeft de kantonrechter in het bedoelde vonnis niets overwogen en staat in het dictum (de beslissing) in reconventie niet vermeld dat het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Dit in onderling samenhang beschouwd en gelezen brengt de kantonrechter tot de slotsom dat, zoals eiseres terecht stelt, er een omissie is gepleegd in de beslissing. Daar het duidelijk is dat het een omissie betreft is de kantonrechter, anders dan door gedaagde wordt betoogd, wel bevoegd deze omissie te corrigeren dan wel het vonnis, waar nodig, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Vanuit proceseconomisch oogpunt bekeken is dit bovendien wenselijk, omdat eiseres in dit specifiek geval wederom een vordering tot opheffing in kort geding zou kunnen indienen.

4.3 Voorts werpt gedaagde op dat eiseres met het instellen van de onderhavige vordering misbruik maakt van het procesrecht, omdat zij op grond van artikel 57 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna afgekort Rv) de procedure van het hoger beroep dient af te wachten. Naar het oordeel van de kantonrechter gaat dit verweer evenmin op. Van misbruik van procesrecht is sprake als een geschil steeds opnieuw aan de kantonrechter in nieuwe rechtsgedingen wordt voorgelegd, zonder dat sprake is van nieuwe feiten. Zoals reeds hiervoor onder 4.2 is overwogen is de kern van het geschil de beantwoording van de vraag of de kantonrechter bevoegd is een reeds gewezen vonnis nader bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Gesteld noch gebleken is dat ter zake eerdere procedures omtrent dit gedeelte zijn geweest, zodat het beroep op misbruik van procesrecht faalt.

4.4 Nu gedaagde faalt in de door haar opgeworpen verweren, zullen de gevorderde voorzieningen van eiseres worden toegewezen. Voor wat betreft de medegevorderde dwangsom, acht de kantonrechter het op grond van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid wenselijk om de hoogte daarvan te matigen tot een bedrag van SRD 5.000,- per dag en te maximeren tot een bedrag ad SRD 150.000,-.

4.5 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak het vastrecht ad
SRD 50,- en de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder
ad SRD 500,-.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
5.1 Verklaart uitvoerbaar bij voorraad het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton, bekend onder A.R. No. 15-5002 de dato 12 maart 2019, waarbij de opheffing en doorhaling is gelast van:
het ten verzoeke van gedaagde gelegde conservatoir beslag bij exploot no. 119 van deurwaarder Stephen Soerdjpersad Saheblal d.d. 23 november 2015 te laste van eiseres, op de navolgende onroerende goederen:
1) het perceelland, groot vijfhonderd drieëntwintig vierkante meter, gelegen ten oosten van de [weg] te [district 3], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter R.R. Lieuw Kie Song d.d. 30 december 1987 met de letters ABCD en met het nummer 84;
2) het perceelland, groot vijfhonderd drieëntwintig vierkante meter, gelegen ten oosten van de [weg] te [district 3], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter R.R. Lieuw Kie Song d.d. 30 december 1987 met de letters ABCD en met het nummer 85;
3) het perceelland, groot vijfhonderd drieëntwintig vierkante meter, gelegen ten oosten van de [weg] te [district], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter R.R. Lieuw Kie Song d.d. 30 december 1987 met de letters ABCD en met het [nummer],
Welke percelen deel uitmaken van:

  1. het perceelland, groot twee hectaren en zestien aren, gelegen ten noorden van de Rijweg naar [gebied] achter de grond [gebied 2] aan de oostzijde van de weg naar Zee, aangeduid op de kaart van de landmeterR.F.A. delPrado d.d. 16 maart 1916 met de letters IKMN en op de projectkaart bekend als nummer 4;
  2. II.het perceelland ter grootte van twee hectaren en zestien aren, blijkens aantekening van de landmeterRaatgever d.d. 17 maart 1926, gesteld op de copiekaart van de landmeter J.C. de la Parra d.d. 18 november 1919 door figuur ADGH;
  3. het perceelland ter grootte van twee hectaren en zestien aren, blijkens aantekening van de landmeter H.Raatgever d.d. 17 maart 1926, gesteld op de copiekaart van de landmeter J.C. de la Parra d.d. 18 november 1919 door figuur BCGH, welke sub II en III vermelde percelen deel uitmaken van het perceelland ter grootte van vijf hectaren en veertig aren, aangeduid op de kaart van de landmeter A.Currie d.d. 3 oktober 1916 door figuur MNOP, gedeelte van het perceelland, groot twintig hectaren, gelegen ten noorden van de Rijweg naar [gebied] achter de grond [gebied 2] aan de oostzijde van de weg naar Zee, op de projectiekaart bekend onder letter A;
  4. het perceelland ter grootte van ongeveer drie hectaren en achtentachtig aren, deel uitmakende van het perceelland ter grootte van twintig hectaren, gelegen ten noorden van de Rijweg naar [gebied] achter de grond [gebied 2] aan de oostzijde van de geprojecteerde weg naar Zee, op de projectiekaart bekend onder nummer 4, welkeerstvermeldperceelland op de figuratieve kaart van de Gouvenementslandmeter W.L. Loth d.d. 11 december 1880 in verband met verschillende daarop gestelde aantekeningen wordt aangeduid met de letters ABOP, en
  5. het perceelland ter grootte van een hectare en tachtig aren, met al hetgeen daarop staat, deel van het hierboven vermeld perceel, op de projectiekaart bekend onder nummer 4, welkeerstvermeld perceel op de kaart van de landmeter J.C. de la Parra d.d. 18 november 1919 wordt aangeduid door figuur BCEF.

5.2 Verklaart uitvoerbaar bij voorraad het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton, bekend onder A.R. No. 15-5002 de dato 12 maart 2019, waarbij de opheffing is gelast van het ten verzoeke van gedaagde gelegde conservatoir derdenbeslag onder de Hakrinbank N.V. ten laste van eiseres, bij exploot no. 120 van deurwaarder Stephen Soerdjpersad Saheblal d.d. 23 november 2015.

5.3 Veroordeelt gedaagde de beslissing onder 5.1 en 5.2 te gehengen en gedogen op straffe van een direct opeisbare dwangsom van SRD 5.000,- (Vijfduizend Surinaamse Dollar) voor iedere dag of keer dat zij weigert de beslissing te eerbiedigen c.q. na te leven, tot een maximum van SRD 150.000,– (Eenhonderdduizend en Vijftig Surinaamse Dollar).

5.4 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.3 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten die aan de zijde van eiseres zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op SRD 550,- (Vijfhonderd en Vijftig Surinaamse Dollar).

5.6 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr.S.M.M.Chu,en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 07 november 2019 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-48

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-3762
04 december 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiser in conventie, gedaagde in reconventie sub A],
wonende aan [adres] te [district],
B. [eiser in conventie, gedaagde in reconventie sub B],
gevestigd aan [adres 2] te [district],
C.[eiser in conventie, gedaagde in reconventie sub C],
gevestigd aan [adres 3] te [district],
D. [eiser in conventie, gedaagde in reconventie sub D],
wonende aan [adres 4] te [district],
E. [eiser in conventie, gedaagde in reconventie sub E],
wonende aan [adres 5] te [district],
F. [eiser in conventie, gedaagde in reconventie sub F],
wonende aan [adres 6] in [district 2],
G. [eiser in conventie, gedaagde in reconventie sub G],
domicilie kiezende aan [adres 7] te [district],
eisers in conventie, tevens gedaagden in reconventie,
hierna te noemen: de schuldenaren,
gemachtigde: mr. M.D.Lau-Kerssenberg, advocaat,

tegen

SURICHANGE BANK N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan [adres 8] te [district],
gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie,
hierna te noemen: de Bank,
gemachtigde: mr. drs. M.S. Boedhoe, advocaat.

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 24 november 2020 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die is genomen op 27 november 2020;
  • de conclusie van antwoord in conventie, met producties en eis in reconventie;
  • de aantekeningen van de griffier inhoudende al hetgeen partijen over en weer tijdens het mondeling afpleiten na conclusie van antwoord hebben aangevoerd op 01 december 2020.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en in reconventie
2.1 Bij notariële akte:
1) d.d. 28 augustus 2012, welke akte is verleden ten overstaan van mr. V. Gangaram-Panday, kandidaat-notaris, thans notaris, optredend als plaatsvervanger van notraris mr. C.A. Calor hebben de Schuldenaren een hypotheek gevestigd op de viertal in de notariële akte omschreven onroerende goederen, als zekerheid tot voldoening van de door de Bank aan schuldenaar sub A en sub B verstrekte krediet tot een bedrag ad Euro 288.000,-;
2) d.d. 24 december 2012, welke akte is verleden ten overstaan van
mr. M. Kanhai, kandidaat-notaris, thans notaris, optredend als plaatsvervanger van notaris mr. C.A. Calor, hebben de Schuldenaren ten behoeve van de Bank een hypotheek gevestigd op een zestal in die akte omschreven onroerende goederen, als zekerheid tot voldoening van de door de Bank aan de schuldenaren verstrekte krediet tot een bedrag ad Euro 288.000,-;
3) d.d. 14 maart 2014, welke akte is verleden ten overstaan van mr. M. Kanhai, kandidaat-notaris, thans notaris, optredend als plaatsvervanger en waarnemend van het kantoor mr. C.Calor, hebben de Schuldenaren ten behoeve van de Bank een hypotheek gevestigd op een zestal in die akte omscheven onroerende goederen, als zekerheid tot voldoening van de door de Bank aan de schuldenaren verstrekte krediet tot een bedrag van Euro 210.000,-;
4) d.d. 8 december 2017, welke akte is verleden ten overstaan van mr. V. Gangaram-Panday, notaris in Suriname, hebben de Schuldenaren ten behoeve van de Bank een hypotheek gevestigd op een in die akte omscheven onroerend goed, als zekerheid tot voldoening van de door de Bank aan de schuldenaren verstrekte krediet tot een bedrag van Euro 182.000,-.

2.2 Bij exploot van de deurwaarder L. Gangaram Panday d.d. 24 oktober 2020, no. 67 zijn de Schuldenaren in gebreke gesteld te voldoen aan de schuld volgens de saldo-opgave en is de openbare verkoop aan hen aangezegd voor 09 december 2020 om 10.00 uur ten kantore van de in het exploot genoemde notaris.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie en in reconventie
3.1 In conventie vorderen de Schuldenarendat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde op de minuut en op alle dagen en uren beveelt de stopzetting van de openbare verkoop van de onroerende goederen zoals omschreven in het exploot no. 67 d.d. 24 oktober 2020 van de deurwaarder L. Gangarampanday om op woensdag 9 december 2020 des voormiddags om 10.00 uur, ten kantore van de aan hoofde deze genoemde notaris, mr. M. A. Nannan-Panday, aan de Prins Hendrikstraat no. 56-58 te Paramaribo, dan wel haar plaatsvervanger of opvolger, totdat in bodemprocedure is beslist.

3.1.1 In conventie leggen de Schuldenaren, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende aan het gevorderde ten grondslag:
a) de betekening vanhet exploit van aanzegging aan de schuldenaren is niet correct, omdat de Bank op 1 dag en op 1 tijdstip op grond van verschillende hypotheekakten met elk verschillende objecten tegelijkertijd zal veilen. Er zouden drie veilingen moeten plaatsvinden die ieder afzonderlijk zouden moeten worden betekend aan de Schuldenaren;
b) deSchuldenaren hebben geen behoorlijke gespecificeerde saldo-opgave van de Bank ontvangen bij de betekening van de aanzegging, doch hebben ze bij de betekening slechts een brief gedateerd 12 oktober 2020 ontvangen met daarin vermeld het totaal verschuldigde bedrag ad Euro 953.491,96, exclusief nog op te boeken rente en kosten. Evenmin zijn zij in gebreke gesteld om de schuld te voldoen;
c) de Bank heeft niet de nodige zorgplicht jegens deSchuldenaren in acht genomen, omdat ze bij de Bank een herstrukturering hebben aangevraagd, doch dat de Bank hun ter zake op de lange baan heeft gehouden en hun geen ruimte meer heeft geboden om de schuld af te kunnen lossen;
d) de Bank maakt misbruik van diens executiebevoegdheid, omdat deSchuldenaren ondanks de economische crisis in het landen door welke crisis ze zijn getroffen, in totaal nog USD 000,- op de schuld hebben afgelost;
e) de veiling van de onroerende goederen zal minder opbrengen, waardoor mogelijk een restschuld voor de schuldenaren zal ontstaan;
f) zij zullen volgens de door hun gemaakte prognose door de productie van hun waterfabriek en de vijf ondernemingen die zij hebben, meer inkomsten genereren om aan hun aflossingsverplichting jegens de Bank te kunnen voldoen.

3.2 In conventie heeft de Bank verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

3.3 In reconventie vordert de Bank dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a) de Schuldenaren veroordeelt in het voldoen de advocaatkosten ad SRD 15000,-, vermeerderd met de 8% omzetbelasting daarover;
b) één of meer beslissingen neemt zoals het de kantonrechter geraden voorkomt.

3.4 In reconventie legt de Bank aan het gevorderde ten grondslag dat de Schuldenaren een onrechtmatige daad jegens haar plegen door misbruik te maken van het procesrecht. Met name hebben de Schuldenaren al eerder een vordering met dezelfde grondslag en eis in dezelfde gerechtelijke instantie tegen de Bank ingesteld. Als gevolg van dit onrechtmatig handelen lijdt de Bank schade, zijnde de advocaatkosten.

3.5 In reconventie hebben de Schuldenaren verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
In conventie en in reconventie
4.1 In conventie
Spoedeisend belang
4.1.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van de Schuldenaren. Om die reden zullen zij worden ontvangen in het kort geding.

Niet ontvankelijkheidsverweer
4.1.2 De Bank werpt als formeel verweer op dat de Schuldenaren niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in het gevorderde, omdat zij misbruik maken van het procesrecht. Daartoe voert zij het volgende aan:

  • de Schuldenaren hadden in de kort gedingzaak bekend onder A.R No. 20-1029 dezelfde vordering met dezelfde strekking als de onderhavige ingesteld, welke vordering bij vonnis van de kantonrechter d.d. 27 maart 2020 is afgewezen;
  • tegen het kort gedingvonnis hebben de Schuldenaren geen hoger beroep aangewend, waardoor het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
    De Bank heeft ter staving van het door haar opgeworpen formeel verweer het vonnis in de zaak bekend onder A.R. No. 20-1029 als productie ten processe overgelegd.
    In reactie op dit verweer stellen de Schuldenaren dat er andere veilingomstandigheden zijn en er aldus geen sprake is van misbruik van procesrecht.

Ne bis in idem c.q. misbruik van procesrecht
4.1.3 De kantonrechter begrijpt uit het formeel verweer van de Bank dat deze zich beroept op het ne bis in idem – beginsel. Dit beginsel houdt in, een verbod om – anders dan via het instellen van een rechtsmiddel – jegens dezelfde wederpartij een herhaalde vordering van gelijke inhoud en strekking in te stellen. Uit vaste rechtspraak (verwezen wordt naar HR 16 december 1994, NJ 1995, 213) kan worden afgeleid dat schending van dit beginsel in een burgerlijk geschil op zichzelf geen grond is die kan leiden tot niet-ontvankelijkheid. Wel kan het beginsel een rol spelen bij de vraag of sprake is van misbruik van procesrecht door op dezelfde gronden een identieke vordering jegens dezelfde wederpartij in te stellen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich verzet tegen een herbeoordeling van deze vordering om te voorkomen dat deze procedure in feite als een verkapt hoger beroep dient. Dit is slechts anders indien sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die het opnieuw instellen van de vordering zouden kunnen rechtvaardigen.

4.1.4 De kantonrechter stelt op grond van de inhoud van het kort gedingvonnis in de zaak bekend onder A.R. No. 20-1019 vast, dat de vordering dezelfde is als de vordering in de onderhavige zaak. Voor wat betreft de grondslag van de vordering blijkt dat – in vergelijking met de hiervoor vermelde zaak – de Schuldenaren nieuwe gronden c.q. nieuwe feiten en /of omstandigheden hebben aandragen die het opnieuw instellen van dezelfde vordering rechtvaardigen. Nu de kantonrechter dient te oordelen over de nieuwe gronden c.q. feiten en/of omstandigheden, gaat naar het oordeel van de kantonrechter het beroep van de Bank op misbruik van procesrecht niet op. Het door de Bank opgeworpen formeel verweer wordt daarom verworpen.

Niet correcte betekening/aanzegging
4.1.5 De Schuldenaren stellen zich op het standpunt dat de aanzegging van de veiling niet correct is, omdat de Bank vanwege de verschillende hypotheekakten elk van de veilingen afzonderlijk aan hen diende aan te zeggen en te betekenen. De kantonrechter kan de Schuldenaren niet volgen in het standpunt, omdat in de aanzegging duidelijk is gespecificeerd welke onroerende goederen zullen worden geveild en op grond van welke hypotheekakten. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan deze stelling van de Schuldenaren, met welke stelling zij kennelijk de nietigheid van de aanzegging van de veiling beogen. Bovendien valt geenszins uit enige wettelijke bepaling af te leiden dat bij meerdere hypotheekakten met diverse objecten met dezelfde schuldenaar en bankinstelling, de aanzegging van elk der objecten afzondelijk dient te geschieden. Van belang is dat de schuldenaar dient te begrijpen en weten om welke veiling van welke objecten het gaat, zodat de schuldenaar tijdig hiertegen kan opkomen. Uit de inhoud van het inleidend verzoekschrift valt duidelijk af te leiden dat de Schuldenaren weten welke onroerende goederen, waar en op welke datum en tijdstip geveild zullen worden, omdat zij hiertegen in de onderhavige zaak opkomen.

Niet gespecificeerde saldo-opgave en ingebrekestelling
4.1.6 De Bank weerspreekt dat de Schuldenaren geen gespecificeerde saldo-opgave hebben ontvangen en niet ingebreke zijn gesteld. In dat licht voert zij aan dat de Schuldenaren de gespecificeerde saldo-opgave op twee momenten per brief hebben ontvangen en heeft ter staving hiervan ten processe overgelegd twee brieven gedateerd respectievelijk 06 augustus 2020 en 25 september 2020, bij welke brieven zij de Schuldenaren tevens in gebreke heeft gesteld. De kantonrechter leidt uit de inhoud van de twee hiervoor vermelde brieven – welke brieven de Schuldenaren niet van valsheid hebben beticht – af dat de saldo-opgave per krediet is gespecificeerd en dat de Schuldenaren ingebreke zijn gesteld te voldoen aan hun schuld. Tevens leidt de kantonrechter uit de inhoud van de twee brieven af dat vanwege het slecht betalingsgedrag van de Schuldenaren de Bank gebruik heeft gemaakt van diens bevoegdheid om de kredietovereenkomsten met de Schuldenaren op te zeggen, waardoor de Bank een direct opeisbare vordering op de Schuldenaren heeft.

Uitgangspunt bij stopzetting veiling
4.1.7 De kantonrechter stelt het volgende voorop. Uitgangspunt is dat een hypotheekhouder, in casu de Bank, ingevolge artikel 1207 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek (BW)bevoegd is om te allen tijde tot executie over te gaan, indien de schuldenaren in verzuim zijn met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheken tot zekerheid strekken. Dit kan volgens vaste jurisprudentie wel anders zijn, indien de hypotheekhouder in casu de Bank – medegelet op de belangen aan de zijde van de Schuldenaren die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van die bevoegdheid. Dan is sprake van misbruik van het recht van parate executie.

Verzuim voldoening schuld
4.1.8 Allereerst ligt ter beantwoording de vraag of de Schuldenaren in verzuim zijn met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheken tot zekerheid strekken. Zoals reeds hiervoor onder 4.1.6 is overwogen, heeft de Bank de kredieten opgezegd, zodat de saldoschuld met de overeengekomen renten en boeten geheel opeisbaar zijn. Uit de inhoud van de twee brieven respectievelijk d.d. 06 augustus 2020 en 25 september 2020 en de aflossingsstaten die de Bank als producties ten processe heeft overgelegd, leidt de kantonrechter af dat de Schuldenaren structureel gedurende 2017 tot en met heden betalingsachterstanden hadden die zij tot op heden niet hebben kunnen inlopen hetgeen de Bank de bevoegdheid geeft om de kredietovereenkomsten op te zeggen. Ondanks het feit dat de Schuldenaren in gebreke zijn gesteld tot voldoening van de opeisbare schuld hebben zij tot op heden niet voldaan aan hun betalingsverplichting jegens de Bank. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de Schuldenaren in verzuim zijn en daaruit voortvloeiend dat de Bank ingevolge artikel 1207 lid 2 BW bevoegd is gebruik te maken van het recht van parate executie.

Schending zorgplicht en misbruik executiebevoegdheid
5.1.9 Thans is aan de orde de beantwoording van de vraag of de Bank diens zorgplicht jegens de Schuldenaren heeft geschonden en misbruik maakt van diens executiebevoegdheid.
De Bank weerspreekt haar zorgplicht jegens de Schuldenaren te hebben geschonden en weerspreekt misbruik van executiebevoegdheid te maken. Daartoe voert zij gemotiveerd, middels onderbouwing van producties, aan dat de Schuldenaren onregelmatig voldeden aan hun aflossingsverplichtingen. Om die reden heeft de Bank in het jaar 2017 de eerder aan de Schuldenaren verstrekte kredieten herschikt. Ondanks de herschikking voldeden de Schuldenaren niet regelmatig aan hun aflossingsverplichtingen waardoor de reeds ontstane achterstand enorm is opgelopen in het jaar 2019. Tevens zijn de Schuldenaren op hun verzoek in het jaar 2019 door de Bank in de gelegenheid gesteld om twee van de onroerende goederen waarop hypotheek ten behoeve van de Bank rustte onderhands te verkopen teneinde de opgelopen achterstanden in te kunnen lopen. Desondanks hebben de Schuldenaren tot op heden de achterstanden niet kunnen inlopen. De kantonrechter komt op grond van de gemotiveerde en onderbouwde weerspreking van de Bank tot de voorlopige slotsom dat de Schuldenaren structureel niet voldeden en nog steeds niet voldoen aan hun betalingsverplichtingen en dat de Bank hen voldoende kansen heeft geboden om hun betalingsverplichtingen na te komen, zodat niet aannemelijk is dat de Bank haar zorgplicht jegens de Schuldenaren heeft geschonden en evenmin sprake is van misbruik van de executiebevoegdheid.

Rechtsverwerking
5.1.10 De Schuldenaren werpen bij conclusie van repliek op dat de Bank met het niet laten voortgaan van eerder aangezegde veilingen zij haar recht van parate executie heeft verwerkt en aldus niet kan overgaan tot de veiling. De kantonrechter kan de Schuldenaren niet volgen in deze stelling, omdat de Bank juist met deze handelingen heeft getoond coulant te zijn geweest ten opzichte van de Schuldenaren door hun nog kansen te hebben aangeboden om alsnog aan hun betalingsverplichtingen te kunnen voldoen. Het steeds weer aanbieden van kansen middels het geen voortgang laten vinden van eerder aangezegde veilingen leidt naar het oordeel van de kantonrechter niet tot rechtsverwerking, doch geeft juist een indicatie dat de Bank haar zorgplicht jegens de Schuldenaren in acht heeft genomen.

Belangenafweging
5.1.11 In het kader van de afweging van de belangen van de Bank tegen die van de Schuldenaren, heeft de kantonrechter in haar oordeel meegenomen hetgeen de Schuldenaren ter comparitie van partijen d.d. 01 december 2020 hebben aangevoerd, namelijk dat een andere bankinstelling zich bereid heeft verklaard de totale schuld die ze bij de Bank hebben volledig over te nemen. Ter zake zijn de Schuldenaren in de gelegenheid gesteld om een verklaring van die bankinstelling ten processe over te leggen waaruit dit kan worden afgeleid en is daartegenover de Bank in de gelegenheid gesteld een recente gespecificeerde saldo-opgave en de veilingkosten aan de kantonrechter te doen toekomen.
Uit de verklaring van de bankinstelling gedateerd 01 december 2020 leidt de kantonrechter af dat de schuldenaren bij de bankinstelling op 23 november 2020 het verzoek hebben ingediend voor een kredietbehoefte ad USD 500.000,-, doch blijkt geenszins hieruit enige indicatie van overname van de totale schuld van de Schuldenaren bij de Bank. Daar de opgelopen schuld van de Schuldenaren Euro 1.034.036,47 bedraagt en het bij de andere bankinstelling aangevraagde krediet deze schuld niet volledig zal dekken, zal de gevorderde voorziening worden geweigerd. Dit, omdat de schulden en de renten aan de zijde van de Schuldenaren zullen blijven oplopen en geen der partijen erbij gebaat zal zijn als de veiling zal worden stopgezet. Uitgaande van deze belangenafweging zal de gevorderde voorziening worden geweigerd.
De Schuldenaren voeren wel aan dat zij gedurende december 2020 tot en met oktober 2021 voldoende cashflow zullen hebben, doch is de kantonrechter ter zake niet voldoende overtuigd. De kantonrechter is niet voldoende overtuigd, omdat elke onderneming maandelijks vaste lasten heeft (onderhoud van machines, gebouwen, betaling van personeel/arbeiders, betaling van nutsvoorzieningen, etc.) en uit de ten processe overgelegde prognose niet valt af te leiden of deze maandelijkse vaste lasten zijn meegenomen en wat de hoogte van deze vaste lasten zijn.

Proceskosten
4.1.12 De Schuldenaren zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

4.2 In reconventie
Misbruik van procesrecht

4.2.1 Zoals onder 4.1.2 in dit vonnis is overwogen, is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van misbruik van procesrecht en is dus evenmin sprake van een onrechtmatige daad. Hieruit volgt dat het door de Bank gevorderde als ongegrond dient te worden geweigerd.

Proceskosten
4.2.2 De Bank zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
In conventie en in reconventie
De kantonrechter in kort geding:

5.1 In conventie
5.1.1 Weigert de gevorderde voorziening.

5.1.2 Veroordeelt de Schuldenaren in de proceskosten die aan de zijde van de Bank zijn gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.2 In reconventie
5.2.1 Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.2.2 Veroordeelt de Bank in de proceskosten die aan de zijde van de Schuldenaren zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot nihil

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesprokenop vrijdag 04 december 2020 te Parmaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-47

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-3045
14 oktober 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende in [land] en domicilie kiezende aan [adres] te [district],
eiser,
gemachtigde:mr. A.M. Linger, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan [adres 2] te [district],
gedaagde,
procederend in persoon.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op13 oktober 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 13 oktober 2020;
  • de aantekeningen van de griffier betreffende hetgeen partijen over weer ter comparitie van partijen d.d. 13 oktober 2020 hebben aangevoerd.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Gedaagde is op [datum 1] gehuwd met [erflater].
Laatst genoemde is op [datum 2] naar de afdeling Spoedeisende Hulp van het Academisch Ziekenhuis (afgekort SEH) door gedaagde binnengebracht, waarbij zij het leven heeft gelaten.

2.2 Eiser is de zoon van [erflater] (de overledene).
Eiser heeft in de zaak bekend onder A.R. No. 18-1100 nietigverklaring van het huwelijk tussen gedaagde en de overledene gevorderd.

2.3 Namens eiser heeft zijn gemachtigde op [datum 3] per mail aan SEH informatie opgevraagd omtrent de doodsoorzaak van de overledene en het verzoek gedaan voor het plegen van een obductie op het lijk van de overledene. In de mail is ter zake het volgende verwoord:
(…)
Mijn cliënt, woonachtig in [land], heeft op [datum 2] het bericht gehad dat zijn moeder is overleden. Dezelfde dag sprak hij nog met een tante van hem die naast zijn moeder woont en hij en zijn tante hebben zijn moeder horen schreeuwen.
De doodsoorzaak van zijn moeder is voor alsnog niet bekend.
Kunt u mij informatie doen toekomen met betrekking tot de vastgesteld dood van mevrouw [erflater] bij de Spoed Eisende Hulp? En kunt u het naartoe leiden dat er obductie op het lijk plaatsvindt, zodat de daadwerkelijke doodsoorzaak wordt vastgesteld?

2.4 Op [datum 3] heeft de gemachtigde van eiser per mail de volgende informatie van SEH ontvangen:
Mevr.[erflater], werd op [datum 2] omstreeks 16.06 u dood binnengebracht op de SEH, door haar echtgenoot en buurvrouw.
Het verhaal was dat mevr. aan het eten was en plotseling wegraakte. Ze klaagde eerder niet van pijn op de borst of andere klachten. Voor binnenkomst op de SEH zou ze al 30 min niet reageren; geen reden voor ons dus om te starten met reanimatie.
Bij het lichamelijk onderzoek: cyanotische (blauwige) verkleuring van het lichaam (ontstaat bij zuurstoftekort). Over de rest van het lichaam geen letsels waargenomen.

Gezien het bovenstaande, had de dienstdoende SEH arts geen reden om te denken aan
een misdrijf, en heeft daarom ook de politie niet ingeschakeld.
Als blijkt dat er nu een ander verhaal verteld wordt, is de SEH in deze niet de instantie om (achteraf) een obductie aan te vragen, de familie zou daarvan werk moeten maken. Alleen bij tekenen van misdrijf wordt de politie ingeschakeld, het lijk wordt in beslag genomen en obductie wordt aangevraagd.

De uiteindelijke doodsoorzaak kunnen we slechts vermoeden o.b.v. de informatie die we krijgen van omstanders.

In dit geval is door de dienstdoende SEH arts als vermoedelijke doodsoorzaak aangegeven: Respiratie insufficiëntie bij mogelijk Longembolie

2.5 Op 12 oktober 2020 heeft gedaagde aan eiser en de overige familie medegedeeld dat de crematie van de overledene op woensdag 14 oktober 2020 om half 3 namiddag zal plaatsvinden. De begrafenisonderneming die belast is met het verzorgen van de crematie is [naam begravenisonderneming].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
I) gedaagde verbiedt de voorgenomen crematie van de overledene op [datum 4] voort te zetten, met bepaling dat indien gedaagde hiertoe in gebreke mocht blijven eiser gerechtigd zal zijn de crematie zelf geen voortgang te laten vinden, desnoods met behulp van de sterke arm en op kosten van gedaagde;
II) gedaagde verbiedt om handelingen te verrichten met betrekking tot de crematie dan wel begrafenis van de overledene, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,-, voor iedere keer dat gedaagde hiermee in strijd handelt.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad pleegt. Daartoe stelt hij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • hij, eiser, is aansprakelijk voor de begrafenis of crematie van de overledene en niet gedaagde;
  • gedaagde heeft zonder overleg met de naaste bloedverwanten van de overledene de crematie bepaald, terwijl eiser ingevolge artikel 13 van de Begrafeniswet 1959 als naaste bloedverwant aansprakelijk is voor de crematie van de overledene.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde, zodat eiser is ontvangen in het kort geding.

4.2 Ter comparitie van partijen is aan het licht gekomen dat de overledene leed aan de ziekte van Alzheimer en het gedaagde is geweest die zich over haar ontfermde gedurende het huwelijk tot de dag van haar overlijden.

Tevens is aan het licht gekomen dat sedert het huwelijk van de overledene met gedaagde er continu een slechte verstandhouding tussen partijen en tussen de familie van de overledene en gedaagde is geweest, welke slechte verstandhouding naar de kantonrechter begrijpt tijdens bezoekjes van eiser aan huis bij de overledene uitmondde in vechtpartijen tussen eiser en gedaagde waarbij de politie vaak aan te pas moest komen. Volgens inschatting van de kantonrechter heeft de slechte en verstoorde verstandhouding met gedaagde er kennelijk naar toe geleid dat eiser en diens familie weinig of geen contact met de overledene hadden. Dit, terwijl de familie in dezelfde buurt van de overledene woont.
Op de dag van het overlijden van de overledene op [datum 2] hoorde eiser tijdens een telefonisch gesprek met zijn tante die naast de overledene woont op de achtergrond de overledene, zijnde zijn moeder, schreeuwen tijdens welk telefonisch gesprek zijn tante hem mededeelde dat het er vaak zo aan toegaat. Naar de kantonrechter het begrijpt doet het bovenstaande bij eiser het vermoeden rijzen dat de overledene middels een door gedaagde gepleegd misdrijf is overleden en hij, eiser om die reden een obductie op het lijk wenst opdat de juiste doodsoorzaak van de overledene door de patholoog anatoom kan worden vastgesteld.
Ofschoon er naar het oordeel van de kantonrechter uit het verslag van SEH – zoals weergegeven onder 2.4 – weinig concrete aanwijzingen zijn af te leiden dat de overledene aan een misdrijf is komen te overlijden, acht de kantonrechter het raadzaam dat eiser in de gelegenheid wordt gesteld om een obductie op het lijk van de overledene door de patholoog anatoom te doen plegen. Dit acht de kantonrechter raadzaam opdat voor eens en voor altijd een eind kan worden gemaakt aan de gedachte die bij eiser leeft dat zijn moeder, de overledene, aan een door gedaagde gepleegd misdrijf is komen te overlijden, partijen en de familie van de overledene daardoor het rouwproces beter zouden kunnen doorlopen en de crematie van de overledene op een vredige wijze kan plaatsvinden.

4.3 De kantonrechter begrijpt het verdriet waarin gedaagde thans verkeert welke hij op zijn eigen manier dient te verwerken en dat hij reeds alle kosten heeft betaald voor de crematie, doch vormt dit geen obstakel om de crematie te verschuiven totdat de obductie heeft plaatsgevonden. Simpelweg, omdat eiser als naaste bloedverwant van de overledene ingevolge artikel 13 lid 1 van de Begrafeniswet 1959 (G.B. 1959 no. 117) aansprakelijk is voor de crematie en dus ook aansprakelijk is voor alle kosten die daaruit voortvloeien. Blijkens dit artikel zijn naaste bloedverwanten aansprakelijk voor het doen plaatsvinden van de crematie of begrafenis en is nergens nergelegd dat niet-anderen (echtgenoot/echtgenote of aangetrouwde familieleden) hiervoor aansprakelijk zijn. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de door eiser gevorderde voorziening zal worden toegewezen, doch met dien verstande dat:

  • eiser opdraait voor alle kosten van de te plegen obductie en crematie;
  • gedaagde na de obductie de gelegenheid wordt geboden om de crematie bij te wonen of afscheid te nemen van het lijk van de overledene. Dit, omdat het – vanwege de slechte verstandhouding tussen partijen – gedaagde is geweest die tijdens het huwelijk de zware taak op zich had om de overledene die aan Alzheimer leed tot diens overlijden te verzorgen. Aan wie de slechte en verstoorde verstandhouding te wijten is geweest laat de kantonrechter in het midden.

4.4 Bij het nemen van de beslissing in de onderhavige zaak heeft de kantonrechter ook in overweging genomen dat:

  • volgens het verslag van SEH de familie het verzoek tot obductie mag doen;
  • eiser volgens zijn stelling reeds een gesprek met de patholoog anatoom heeft gehad en de obductie mogelijk op [datum 5] kan plaatsvinden en eiser voor alle kosten ter zake zal opdraaien;
  • de mogelijkheid bestaat dat de crematie niet op een vredige wijze zal plaatsvinden. Dit, vanwege de verstoorde verstandhouding tussen partijen en tussen gedaagde en de familie van de overledene en de gedachte die bij eiser leeft dat de overledene wegens een misdrijf is omgekomen.

4.5 Daar gedaagde gehuwd was geweest met de overledene en de overledene de moeder van eiser is geweest, acht de kantonrechter het redelijk en billijk de proceskosten tussen partijen te compenseren, zoals hierna in de beslissing vermeld.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
5.1 Verbiedt gedaagde de voorgenomen crematie van [erflater], op woensdag [datum 4] voort te zetten, met bepaling dat indien gedaagde hieraan geen gevolg geeft eiser gerechtigd zal zijn de crematie zelf geen voortgang te laten vinden, desnoods met behulp van de Sterke Arm.

5.2 Verbiedt gedaagde om handelingen te verrichten met betrekking tot de crematie dan wel begrafenis van [erflater], onder verbeurte van een dwangsom van SRD 2.000,- voor iedere keer dat gedaagde dit verbod overtreedt.

5.3 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Bepaalt dat eiser de obductie op het lijk van [erflater] mag doen plaatsvinden en belast wordt met alle te verrichten handelingen in dat kader en in verband met de crematie, met dien verstande dat:

  • eiser opdraait voor alle kosten ter zake obductie en crematie, inclusief de kosten die gedaagde reeds heeft gemaakt in het kader van de crematie die op heden 14 oktober 2020 zou plaatsvinden;
  • gedaagde tijdig door eiser of een familielid in kennis zal worden gesteld wanneer de crematie zal plaatsvinden;
  • gedaagde in de gelegenheid zal worden gesteld om op de dag van de crematie op een vredige wijze afscheid van de overledene te nemen.

5.5 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op woensdag
14 oktober 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton,mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-46

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-1910
29 oktober 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser in conventie],
wonende aan[adres] te [district],
eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: [naam],
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

[gedaagde in conventie],
[adres 2] hoek [straat] te [district],
gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie,
hierna te noemen: [naam 2],
gemachtigde: mr. J.R. Wouter, advocaat.

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 28 juli 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die is genomen op 06 augustus 2020;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met producties;
  • de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie, met producties;
  • de conclusie van dupliek in reconventie.

1.1. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en in reconventie
2.1 [naam] is eigenaar van het perceelland, groot 343,50m², met al hetgeen daarop staat, gelegen in [district] aan de [straat 2], bekend onder Nieuwe Wijk Letter B no. [nummer].
Op dit perceelland, hierna aangeduid als perceel A, staat een gebouw waarin een winkelbedrijf wordt geëxploiteerd.

2.2[naam 2] is eigenaar van het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 333,58m², gelegen te [district] op de hoek van de [straat 2] en de [straat 3], aangeduid op de kaart van de landmeter G.R. Liesdek d.d. 3 juli 1991 met de letter ABCD en bekend als Nieuwe Wijk letter B nummer [nummer], hierna aangeduid als perceel B.
Op perceel B bevindt zich een magazijn c.q. loods.

2.3 Tussen perceel A en perceel B is er een toegangspoort die toegang verschaft tot de ruimte tussen het gebouw van perceel A en de loods van perceel B.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie en in reconventie
3.1 In conventie vordert [naam] dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [naam 2] veroordeelt om onmiddellijk nadat dit vonnis is gewezen, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn:
1) zich niet meer begeeft op zijn perceel (perceel A);
2) stopt met het bedreigen, hinderen, verhinderen dan wel molesteren van [naam] en al degenen die zich namens [naam] op zijn erf bevinden althans begeven waaronder de winkelier en klanten die zich op het erf van [naam] bevinden;
3) stopt om [naam] en al degenen die zich namens [naam] op zijn erf bevinden, waaronder de winkelier en de klanten die zich op zijn erf bevinden (agressief) aan te spreken, met een misdrijf tegen het leven of enig ander misdrijf te bedreigen, of op enige wijze te molesteren of te verhinderen, althans te hinderen in het doen van inkopen in de winkel of het belendend vertrek van de winkel dat zich op het erf van [naam] bevindt;
4) [naam 2] veroordeelt om aan [naam] te betalen een dwangsom van SRD 50.000,-per dag voor elke dag dat [naam 2] in strijd mocht handelen met het door deze te wijzen vonnis;
5) [naam 2] veroordeelt in de proceskosten.

3.2 [naam] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [naam 2] een onrechtmatige daad jegens hem pleegt. Daartoe stelt hij onder meer het volgende:

  • vanaf 23 juli 2020 heeft [naam 2] het de winkelier de exploitatie van de winkel en toegang tot het belendend vertrek onmogelijk gemaakt door de winkelier persoonlijk en rechtstreeks te bedreigen en de winkelier op agressieve toon te kennen te geven het vertrek te sluiten en de verkoop te staken. Tevens heeft hij de aanwezeige klanten van de winkelier weggejaagden medegedeeld dat zij geen voet meer mogen zetten op perceel A;
  • als gevolg van dit handelen lijdt [naam] schade, daarin bestaande dat hij en de winkelier inkomsten derven wegens sluiting van het vertrek en het risico bestaat dat de winkelier de huurovereenkomst door deze handelingen zal annuleren.

3.3 In conventie heeft [naam 2] verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

3.4 In reconventie vordert [naam 2] dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a) [naam] veroordeelt om terstond na het wijzen van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalentermijn,[naam 2] vrijelijk en ongestoord de toegang tot hetzijerf van [naam], welke grenst aan het gebouw van [naam], te verschaffen, met machtiging van [naam 2] om bij weigering van [naam] om aan de uitgesproken veroordeling te voldoen, deze toegang zelf te verschaffen desnoods met behulp van de sterke arm;
b) [naam] gelast zich in de toekomst te onthouden van elke handeling welke erop gericht is [naam 2] wederom de vrije toegang tot zijn zijerf te onthouden, totdat door de bodemrechter definitief over het geschil tussen partijen met betrekking tot het aangrenzend gedeelte van hun percelen zal zijn beslist;
c) [naam] veroordeelt in de kosten van het geding.

3.5 In reconventie legt [naam 2] aan het gevorderde ten grondslag dat [naam] onrechtmatig jegens hem handelt. Daartoe stelt hij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • in het kader van zijn voornemen om de magazijnruimte te verhuren, heeft hij een aanvraag bij de nutsbedrijven SWM en EBS lopen voor het aanleggen van de nutsvoorzieningen. Tevens is de dakgoot van het magazijngebouw aan de zijde welke grenst aan het gebouw van [naam] dringend aan vervanging toe;
  • [naam] weigert zonder enige valide reden [naam 2] en de nutsbedrijven gebruik te laten maken van de toegangspoort c.q. het gedeelte van het erf welke zich tussen het gebouw van het winkelbedrijf en de magazijnruimte bevindt, waardoor de aansluiting van deze nutsvoorzieningen en vervanging van de dakgoot thans wordt bemoeilijkt.

3.6 In conventie heeft [naam] verweer gevoerd. De kantonrechter komtop dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
In conventie en in reconventie
4.1 In conventie
4.1.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde, zodat [naam] in het kort geding is ontvangen.

4.1.2 [naam 2] weerspreekt [naam] en de winkelier of diens klanten te hebben bedreigd of gemolesteerd. Integendeel heeft hij, aldus zijn verweer, altijd een vriendschappelijke relatie met de winkelier gehad en kent hij de winkelier al geruime tijd.
In reactie op dit verweer blijft [naam] in zijn stelling volharden dat [naam 2] de winkelier heeft bedreigd en beroept hij zich ter staving van zijn stelling op een schriftelijke verklaring van respectievelijk de winkelier [naam 3] d.d. 06 augustus 2020 en een verklaring van de partner van de winkelier, [naam 4] d.d. 06 augustus 2020, van welke schriftelijke verklaringen [naam] een fotokopie ten processe heeft overgelegd. [naam 2] beticht de verklaringen van intellectuele valsheid en blijft in zijn verweer volharden.

4.1.3 Naar de kantonrechter de stellingen van [naam] begrijpt, heeft [naam 2] hem en de winkelier bedreigd met fysiek geweld, dan wel met enig misdrijf tegen het leven gericht en beroept [naam] zich ter staving van die stellingen op de schriftelijke verklaringen die hij ten processe heeft overgelegd. De kantonrechter acht de schriftelijke verklaringen waar [naam] zich op beroept niet voldoende om zijn stellingen aannemelijk te maken, daar de vermeende handelingen vrij ernstig zijn, deze een strafbaar karakter in zich dragen en dat noch [naam] noch de winkelier aangifte ter zake tegen [naam 2] hebben gedaan. Bovendien leidt de kantonrechter uit de inhoud van de ten processe door partijen overgelegde producties het volgende af:

  • [naam] heeft perceel A op 15 april 2019 gekocht en heeft de eigendom hiervan op
    16 april 2019 verkregen. Hij is dus bijkans een jaar en zes maanden eigenaar van perceel A;
  • [naam 2] heeft perceel B op 05 maart 2013 gekocht en heeft de eigendom hiervan op 06 maart 2013 verkregen.Hij is dus al bijkans 7 jaren eigenaar van perceel B, dat grenst aan perceel A;
  • de winkelier, waarvan [naam] stelt dat deze door [naam 2] zou zijn bedreigd, exploiteert sedert 20 oktober 2013 het winkelbedrijf in het gebouw op perceel A.
    De hiervoor afgeleide en vermelde feiten in onderling samenhang beschouwd en gelezen, brengen de kantonrechter tot de voorlopige conclusie dat het gezamenlijk gebruik van de toegangspoort en de ruimte tussen de twee gebouwen waarover thans tussen partijen een geschil bestaat, al een bestaand gebruik tussen de vorige eigenaren was en dat dit gebruik naar mag worden aangenomen is overgegaan op de nieuwe eigenaren, zijnde [naam] en [naam 2].Hiervan uitgaande mag worden aangenomen dat [naam 2] en de winkelier elkaar al geruime tijd kennen en het onverklaarbaar is dat kort nadat [naam] de eigendom van perceel A verkrijgt de winkelier zich thans bedreigd voelt door [naam 2].
    Nu niet voldoende aannemelijk is dat de [naam] en de winkelier en diens klanten door [naam 2] zouden zijn bedreigd en gemolesteerd, zal de gevorderde voorziening in conventie als ongegrond worden geweigerd. Het komt de kantonrechter overigens onwaarschijnlijk voor dat in dergelijke gevallen waar bedreigingen van ernstige aard zich voordoen er geen aangifte bij de politie is of wordt gedaan. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de door [naam] gevorderde voorzieningen zullen worden geweigerd.

4.1.4 [naam] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

4.2 In reconventie
4.2.1 Het spoedeisend belang van [naam 2] blijkt uit de aarde van de stellingen en het gevorderde zelf, zodat hij wordt ontvangen in het kort geding.

4.2.2 [naam] beroept zich erop dat de ruimte tussen de gebouwen hem in eigendom toebehoort en dat zich in deze ruimte de hydrofoor, durowatertank en het vetrek voor de verkoop van loten bevinden. Tevens dient deze ruimte als magazijn van de winkelier, van welk gebruik [naam 2] op de hoogte is. Hij is niet gehouden om [naam 2] toegang tot dat gedeelte dat hem in eigendom toebehoort te verschaffen. Voorts ontkent hij dat de dakgoot van het magazijn van [naam 2] moet worden gerepareerd en voert in dat licht aan dat het slechts een smoes van [naam] is om op dat gedeelte waar de toegangspoort zich bevindt te komen. Uit de ten processe overgelegde foto’s leidt de kantonrechter af dat het magazijn al jaren daar moet hebben gestaan en de dakgoot wel aan vervanging toe is. Zoals reeds hiervoor onder 4.1.3 is overwogen, is het gebruik van de ruimte tussen beide gebouwen op de percelen een bestaand gebruik geweest en heeft [naam 2] geen ander alternatief dan gebruik te maken van die ruimte voor het plegen van restauraties aan het magazijn en het in orde maken van de aansluiting van nutsvoorzieningen die zich aan die zijde bevinden. Met het niet toestaan van het gebruik maken van de toegangspoort maakt [naam] naar het voorlopig oordeel misbruik van (eigendoms)recht, hetgeen onrechtmatig wordt geacht. Daar [naam 2] er redelijk belang bij heeft om de dakgoot te restaureren en de nutsvoorzieningen die zich aan die zijde bevinden in orde te maken, zullen de gevorderde voorzieningen worden toegewezen.

4.2.3 De kantonrechter kan niet nalaten partijen erop te wijzen dat zij buren van elkaar zijn en zij dat mogelijk jaren zullen blijven. In dat licht zullen zij in de toekomst nog het nodige van elkaar hebben te dulden en zullen zij eventuele onderlinge problemen met elkaar op een zakelijke wijze zien op te lossen. De kantonrechter geeft partijen daarom in overweging om de huidige problemen, die ook na dit vonnis zullen blijven bestaan, proberen in goed overleg op te lossen, al dan niet onder begeleiding van een (onpartijdige) derde, zijnde een mediator. Dat beide partijen dan water bij de wijn zullen moeten doen, zal onvermijdelijk zijn. Een minnelijke oplossing kan leiden tot een normalisering van de relatie tussen partijen en daarmee tot een rustiger bestaan voor beide partijen, die kennelijk familie zijn van elkaar. Dit, gelet op het feit dat zij beiden dezelfde familienaam dragen.

4.2.4 Vanwege de buren– en mogelijk familierelatie tussen partijen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.

5. De beslissing
In conventie en in reconventie
De kantonrechter in kort geding:
5.1 In conventie
5.1.1 Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.1.2 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.2 In reconventie
5.2.1Veroordeelt [naam] om binnen een week na de betekening van dit vonnis [naam 2] vrijelijk en ongestoord toegang tot het gedeelte dat ligt tussen het winkelbedrijf van [naam] en het magazijn van [naam 2] te verschaffen, totdat SWM en EBS de nutsvoorzieningen van het magazijn voor [naam 2] hebben afgerond en [naam 2] de dakgoot heeft verwisseld.

5.2.2 Machtigt [naam 2] om, indien [naam] weigert aan de veroordeling onder 5.2.1 te voldoen, zichzelf de toegang tot het gedeelte als bedoeld onder 5.2.1 te verschaffen, desnoods met behulp van de Sterke Arm.

5.2.3 Veroordeelt [naam] om zich in de toekomst te onthouden van elke handeling welke erop gericht is [naam 2] wederom de vrije toegang tot het gedeelte als omschreven onder 5.2.1 in dit vonnis te onthouden, totdat de bodemrechter definitief over dit geschil tussen partijen zal hebben beslist.

5.2.4 Verklaart hetgeen onder 5.2.1 tot en met 5.2.3 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.2.5 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.2.6 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis in conventie en in reconventie is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 29 oktober 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton,
mr.C.A. Wallerlei, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2020-32

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15-582
7 februari 2020

In de zaak van

[appellante],
wonende te [district],
appellante,
hierna te noemen de vrouw,
gemachtigde: mr. E. van der Hilst, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde,
hierna te noemen de man,
gemachtigde: mr. M. Dubois, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 24 februari 2014 bekend onder A.R.No. 13-2448 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat de vrouw op 19 mei 2014 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota gedateerd 15 maart 2019;
  • het antwoordpleidooi gedateerd 5 april 2019;
  • het repliekpleidooi gedateerd 17 mei 2019;
  • het dupliekpleidooi gedateerd 21 juni 2019.

1.2 De uitspraak van het vonnis, aanvankelijk bepaald op 16 oktober 2020, is thans bij vervroeging bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Gesteld en evenmin is gebleken dat de vrouw niet binnen de gestelde termijn hoger beroep heeft aangetekend tegen het beroepen vonnis, zodat zij ontvankelijk is in het door haar ingestelde beroep.

3. De vordering in hoger beroep
De vrouw vordert in hoger beroep om het beroepen vonnis te vernietigen en – naar het Hof begrijpt – opnieuw rechtdoende het verzoek van de man alsnog te weigeren.

4. De beoordeling
4.1 Het Hof neemt over de feiten zoals omschreven in het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 24 februari 2014, bekend onder A.R.No. 13-2448 nu de vrouw daartegen geen grieven heeft aangevoerd.

4.2 De man heeft in eerste aanleg gevorderd – zakelijk weergegeven – dat de echtscheiding tussen partijen zal worden uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien. De man heeft als grondslag hiervoor aangevoerd dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht omdat partijen reeds langer dan vijftien jaar niet meer samen leven op het gezamenlijk adres. Daarnaast is er geen sprake meer van een man-vrouw relatie en is herstel van het huwelijk dan ook niet meer mogelijk.

4.3 De kantonrechter heeft onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De kantonrechter heeft daartoe in overweging 4.3 van het vonnis, onder meer, overwogen dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in voldoende mate is komen vast te staan.

4.4 De vrouw heeft tegen voormeld vonnis als grief aangevoerd dat de kantonechter ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht. De vrouw voert verder aan dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk aan de man te wijten is. De vrouw heeft niet weersproken dat partijen reeds jaren gescheiden van elkaar leven en dat zij geen man-vrouw relatie meer met elkaar hebben, zodat hiermee – terecht zoals door de kantonrechter is geconstateerd – de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen een feit is.

4.1 Bij repliekpleitnota heeft de vrouw aangevoerd – althans zo begrijpt het Hof haar grief – dat de duurzame ontwrichting aan de man te wijten is. Ingevolge artikel 263 van het Burgerlijk Wetboek (BW), wordt de vordering tot echtscheiding afgewezen, indien de duurzame ontwrichting in overwegende mate te wijten is aan de echtgenoot, die de vordering heeft ingesteld en de andere echtgenoot deswege tegen die vordering verweer voert. Alhoewel de vrouw zich erop beroept dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen aan de man te wijten is, heeft zij niet gesteld dat deze duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is, één en ander zoals vereist in artikel 263 BW.

4.2 Voor zover de vrouw zich erop beroept dat de duurzame ontwrichting volledig aan de man te wijten is, gaat dit ook niet op. Ter onderbouwing van het voorgaande heeft de vrouw aangevoerd dat zij ettelijke keren gevraagd heeft aan de man om te werken aan hun huwelijk, echter zonder het gewenste resultaat. Voorts heeft zij voorgesteld om samen met de man in relatietherapie te gaan, zodat het huwelijk nog gered kon worden. Ook dit is geweigerd door de man. De vrouw voert verder aan dat de man nimmer een poging heeft gedaan om te werken aan herstel van de communicatie alsmede een goede verstandhouding binnen het huwelijk.
Naar het oordeel van het Hof rechtvaardigen deze door de vrouw gestelde feiten niet de conclusie dat de duurzame ontwrichting volledig aan de man te wijten is en ook niet dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is.

4.3 Het verweer van de vrouw dat de man uit de echtelijke woning is gegaan, rechtvaardigt evenmin de hiervoor genoemde conclusie, namelijk dat de duurzame ontwrichting volledig aan de man te wijten is. Immers, het spreekwoordelijke gezegde luidt “waar twee kijven hebben beiden schuld”.
Bovendien heeft de man hiertegen aangevoerd dat de communicatie tussen partijen en ook de verstandhouding tussen hen in die mate waren verslechterd dat hij het niet langer raadzaam achtte om in de echtelijke woning te vertoeven. Het Hof gaat daarom voorbij aan het door de vrouw ter zake gevoerde verweer.

4.5 Nu het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, is de echtscheiding tussen partijen terecht uitgesproken en dient het vonnis van de kantonrechter als hiervoor vermeld te worden bevestigd, onder aanvulling van de gronden.

4.6 De proceskosten in hoger beroep gevallen worden gecompenseerd tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

5. De beslissing
5.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 24 februari 2014 bekend onder A.R.No. 13-2448, onder aanvulling van de gronden.

5.2 Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president,
mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en
bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 7 februari 2020 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. M. Babulall namens
mr. E.F. van der Hilst, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Hok A Hin namens mr. M. Dubois, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-31

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

  1. [appellant 1],
  2. [appellant 2],
  3. [appellant 3],
  4. [appellant 4],
  5. [appellant 5],

Allen wonende in [land],
Appellanten,
Gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

  1. [geïntimeerde 1], hierna ook te noemen: [geïntimeerde 1],
  2. [geïntimeerde 2], hierna ook te noemen: [geïntimeerde 2],
  3. [geïntimeerde 3],
  4. [geïntimeerde 4],
  5. [geïntimeerde 5],

Allen wonende c.q. gevestigd te [district],
Geïntimeerden,
Gemachtigde: mr. E. van der Hilst, advocaat.

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 16 oktober 2007, A.R. no.044173, tussen appellanten als eisers en geïntimeerden als gedaagden spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het hierna volgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 30 oktober 2008, inhoudende dat appellanten op 30 oktober 2008 hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 16 oktober 2007 gewezen tussen appellanten als eisers en geïntimeerden als gedaagden;
  • een pleitnota van appellanten van 7 december 2012;
  • een pleitnota voor antwoord van geïntimeerden van 15 februari 2013;
  • een conclusie tot overlegging stamboom, met 1 productie, genomen door appellanten op 4 oktober 2013;
  • een conclusie tot uitlating overgelegde productie, genomen door geïntimeerden op 6 december 2013;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 4 april 2014 en vervolgens op 20 april 2018, doch bij vervroeging op heden.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
Het vonnis waarvan beroep is op 16 oktober 2007 uitgesproken. Blijkens aantekening van de griffier op dat vonnis waren noch partijen noch hun gemachtigden bij die uitspraak aanwezig.
Bij brief van 24 oktober 2008 is aan partijen een afschrift van het vonnis gestuurd. Op 30 oktober 2008 hebben appellanten hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellanten daarin kunnen worden ontvangen.

Overlijden van geïntimeerde mevr. [geïntimeerde 2],
Uit de bij conclusie van 4 oktober 2013 overgelegde inlichtingenstaat blijkt dat geïntimeerde [geïntimeerde 2] op 12 januari 2011 is overleden. Aangezien thans de behandeling ter terechtzitting reeds beëindigd is, behoeft ingevolge het bepaalde in artikel 187 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het geding niet geschorst te worden en kan tot uitspraak in hoger beroep worden overgegaan.

Beoordeling
Het onderhavige geschil betreft, kort samengevat, het volgende:
Appellanten zijn de erfgenamen van [erflater], hierna ook te noemen: [erflater], die op 30 april 2001 te [district] is overleden.
Bij onderhandse akte van 20 december 1994 heeft [erflater] verklaard last en volmacht te geven aan [geïntimeerde 1], “speciaal om voor en namens hem over te gaan tot de verkoop en levering van: het perceel land “(—)”gelegen in [district], aan de [straat]” (—) “ aan de voornoemde voornoemde lasthebber, de heer [geïntimeerde 1] of nader aan te wijzen koper”.
Op 5 januari 1995 heeft [geïntimideerde 1] ten overstaan van notaris Ramdew Ramautar verklaard dat hij, als gemachtigde van [erflater] enerzijds en van zijn echtgenote [geïntimideerde 2] anderzijds, eerder bedoeld perceel namens [erflater] had verkocht aan hemzelf in privė en aan [geïntimideerde 2], met dien verstande dat hij, [geïntimideerde 1], het vruchtgebruik verkreeg en [geïntimideerde 2] de blote eigendom. Ook verklaarde hij dat hijzelf in privė en als gemachtigde van [geïntimideerde 2] voormeld perceel had gekocht. Dit alles voor een som van vierhonderdduizend (Surinaamse) gulden, welke koopsom, aldus [geïntimideerde 1], tussen partijen was verrekend en waarvoor kwijting was verleend.
Appellanten vorderden in de eerste plaats een verklaring voor recht dat de notariële akte van verkoop en koop van 5 januari 1995 nietig is en geen rechtsgevolgen in het leven roept of heeft geroepen. Daarnaast vorderden zij de doorhaling van de met de koop en verkoop verbonden, ten hypotheekkantore geregistreerde overschrijvingen, inschrijvingen en aantekeningen.
De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep de vordering afgewezen. De dragende overwegingen in zijn vonnis luiden, voor zover hier van belang:

Uit de akte van lastgeving (—) blijkt dat de erflater last en volmacht heeft gegeven aan [geïntimideerde 1] speciaal om voor en namens hem (erflater) over te gaan tot de verkoop en levering van het eerder genoemde perceel aan de voornoemde lasthebber, de heer [geïntimideerde 1] (–) of nader aan te wijzen koper. De kantonrechter concludeert dat uit de notariële akte niet is gebleken dat [geïntimideerde 1] het recht van vruchtgebruik aan zichzelf heeft overgedragen zoals eisers willen doen geloven, maar dat hij genoemd recht heeft gekocht, hetgeen hij wel bevoegd was te doen volgens de akte van lastgeving. (—-)

De kantonrechter oordeelt voorts dat, gelet op eventuele belangenverstrengelingen, [geïntimideerde 1] had moeten nalaten om tegelijkertijd als lasthebber van erflater en als lasthebber van (—) zijn echtgenote op te treden bij de verkoop van het perceel aangezien de bevoegdheid tot het voornoemde niet uitdrukkelijk aan hem gegeven is door de erflater. De conclusie die eisers aan dit handelen van [geïntimideerde 1] verbinden, namelijk dat naar geldend recht moet worden aangenomen dat er sprake is van onbevoegde vertegenwoordiging en dat de betreffende akten derhalve nietig zijn, is echter onjuist. In casu zou er eventueel sprake kunnen zijn van onbehoorlijke vertegenwoordiging, indien eisers schade hadden geleden als gevolg van de eerder genoemde handelingen.

Appellanten hebben ėėn grief tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd. De grief luidt:
Ten onrechte overweegt de kantonrechter dat in casu van onbevoegde vertegenwoordiging geen sprake is, omdat appellanten geen schade zouden hebben geleden.

Met betrekking tot deze grief overweegt het hof als volgt:
Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat sprake zou kunnen zijn van onbehoorlijke vertegenwoordiging – en dus van wanprestatie van [geïntimideerde 1] als lasthebber – indien de door [geïntimideerde 1] uitgevoerde transacties hebben geleid tot schade van appellanten, in hun hoedanigheid van rechtverkrijgenden onder algemene titel van de erflater, [erflater]. Dat zou het geval zijn als die schade voor [geïntimideerde 1] voorzienbaar zou zijn geweest en hij de transacties desondanks, ten voordele van hemzelf of van derden, heeft laten doorgaan. Een dergelijke voorzienbare schade is echter niet door appellanten aangetoond en zelfs niet aannemelijk gemaakt en zij hebben in hoger beroep ook geen concreet bewijsaanbod dienaangaande gedaan. [erflater], die na de verkoop op 5 januari 1995 nog ruim zes jaar heeft geleefd, heeft kennelijk zelf nooit geprotesteerd tegen de wijze waarop [geïntimideerde 1] de lastgeving heeft uitgevoerd. Gesteld noch gebleken is, dat de koopsom ad 400.000 Surinaamse gulden lager zou zijn dan de werkelijke waarde van het verkochte perceel. [geïntimideerde 1] heeft een fotokopie overgelegd van een kwitantie die aangeeft dat [erflater] deze koopsom heeft ontvangen en appellanten hebben niet gesteld, laat staan aangetoond, dat deze kwitantie vals is. Appellanten voeren aan dat [erflater] grote schulden had aan [geïntimideerde 1] (hoewel de daadwerkelijke bedragen van deze schulden niet vaststaan en nog punt van geschil zijn in andere gerechtelijke procedures). Echter, ook als de koopsom niet is uitbetaald maar verrekend met de schulden van [erflater] aan [geïntimideerde 1], levert dat geen benadeling van [erflater] of zijn erfgenamen op.
De grief wordt verworpen.

Ambtshalve overweegt het hof het volgende:
In eerste aanleg hebben appellanten, toen eisers, onder meer aangevoerd dat de verkoop van 5 januari 1995 nietig is wegens strijd met artikel 1491 juncto 1489 BW.
In deze artikelen wordt op straffe van nietigheid aan lasthebbers van zaken met welker verkoop zij belast waren verboden om bij onderhandse verkoop van die zaken zelf als koper op te treden. Dit voorschrift is in de wet opgenomen teneinde het gevaar te beperken van belangenconflicten, die gemakkelijk kunnen ontstaan als de lasthebber zowel namens de lastgever optreedt als voor zichzelf.
In dit geval moet naar het oordeel van het hof de notariële akte van 5 januari 1995 aldus worden verstaan, dat [geïntimideerde 1] namens [erflater] het perceel land heeft verkocht aan [geïntimideerde 2] en dat toen bij wijze van samenval van rechtsmomenten op dat perceel het vruchtgebruik ten behoeve van [geïntimideerde 1] in privé is gevestigd. Verkoop door een lasthebber aan zijn (buiten gemeenschap van goederen gehuwde) echtgenote wordt door de wet niet met nietigheid bedreigd. Er is geen reden voor een ruimere interpretatie van de wet, waardoor ook deze overeenkomst van koop en verkoop nietig zou zijn, omdat de lastgever ([erflater]) [geïntimideerde 1] uitdrukkelijk voor verkoop aan zichzelf of een derde gemachtigd heeft en van schade voor [erflater] of zijn erfgenamen als gevolg van deze transactie niet is gebleken.

Het vonnis waarvan beroep moet bevestigd worden.
Appellanten zullen worden verwezen in de proceskosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 16 oktober 2007, A.R. no 044173, tussen partijen gewezen, waarvan beroep;

Veroordeelt appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden gevallen en, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. A. Johanns en mr. R.M. Praag, Leden–Plaatsvervanger en door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 17 april 2020, in tegenwoordigheid van mr.S.C.Berenstein, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. E.F. van der Hilst, gemachtigde van geïntimeerden, terwijl appellanten noch in persoon noch bij gemachtigde zijn verschenen.

SRU-HvJ-2020-30

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15176
26 november 2020

In de zaak van

  1. [verzoeker],
  2. [verzoeker 2],
  3. [verzoeker 3],
  4. [verzoeker 4],
  5. [verzoeker 5],
  6. [verzoeker 6],
  7. [verzoeker 7],
  8. [verzoeker 8],

hierna te noemen de erven [naam],
allen wonende in [district],
verzoekers,
gemachtigde: mr. J.C.P. Nannan Panday, advocaat,

tegen

a. [verweerder],
b. [verweerder 2],
echtelieden van elkaar,
hierna te noemen [naam 2] e.a.,
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in of buiten [land],
verweerders,
gemachtigde: mr. K.J. Hok-A-Hin, advocaat,

spreekt de fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van het Hof gedateerd 19 januari 2018. Het Hof volhardt bij de inhoud van dat tussenvonnis.

1. Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het proces-verbaal van gehouden verhoor van partijen d.d. 20 april 2018;
  • de conclusie houdende rectificatie c.q. wijziging van het rekest d.d. 20 april 2018;
  • de antwoordpleitnota met productie d.d. 1 juni 2018;
  • de repliekpleitnota met productie d.d. 6 juli 2018;
  • de dupliekpleitnota met productie d.d. 3 augustus 2018;
  • de conclusie tot uitlating d.d. 2 november 2018;

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [naam 2] e.a., als eisers in conventie en gedaagden in reconventie, hebben op 30 december 1992 een vordering aanhangig gemaakt tegen de gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie:

  • [gedaagde in conventie] en zijn echtgenote [eiser in reconventie] en
  • [gedaagde in conventie] en zijn echtgenote [eiser in reconventie].

2.2 De kantonrechter heeft – zover van belang – bij vonnis d.d. 17 oktober 1995 bekend onder A.R. no. 92–4709 als volgt beslist:

“In het incident:
Verklaren eisers niet ontvankelijk in hun vordering tot voeging van de voorliggende zaak met de zaak AR 916317 en in hun verzoek tot rolvoeging………

In de hoofdzaak:
In conventie:
Wijzen eisers’ primaire, subsidiaire en meer subsidiaire vordering af; ……..

In reconventie:
Alvorens verder te beslissen:

Gedaagden worden in de gelegenheid gesteld om op de terechtzitting van dinsdag 21 november 1995 aanvangende des v.m. te 8.30 uur, het in 6.2 vermelde bescheid over te leggen;
Laat eisers toe, bevelen hen zover nodig ambtshalve om door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen te bewijzen:
“dat het perceel in 1996 door de gemachtigde van [naam 3], te weten H.L. Kuhn, aan de vader van [verweerder] is verkocht en wel voor f.6.000”;………”

2.3 De kantonrechter heeft in dezelfde zaak bij vonnis d.d. 3 maart 1998 het volgende beslist:

“In reconventie:
Ontzegt aan eisers hun vorderingen ………”

2.4 [naam 2] e.a. hebben op 30 oktober 1995 hoger beroep aangetekend.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 De erven [naam] vorderen om bij vonnis het aanhangig gemaakte appel van 30 oktober 1995, bekend onder A.R. no. 92-4709 vervallen te verklaren van instantie.

3.2 De erven [naam] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de laatste rechtshandeling in de onderhavige zaak gepleegd door [naam 2] e.a. dateert van 30 maart 2013. Op geen enkele wijze is gebleken dat [naam 2] e.a. enige actie hebben ondernomen om het door hen ingestelde appel te doen behandelen. Zij, de erven [naam], hebben recht en belang dat aan deze zaak een eind komt en is het redelijk dat thans het verval van instantie zal worden uitgesproken.

3.2 [naam 2] e.a. hebben verweer gevoerd. Het Hof komt zover nodig daarop terug in de beoordeling.

4. De beoordeling
4.1[naam 2] e.a. hebben onder meer als verweer aangevoerd dat zij op 30 maart 2013 door tussenkomst van deurwaarder J.E. Febis de aanzegging en het desbetreffend proces-verbaal aan het Hof van Justitie hebben afgegeven. Volgens [naam 2] e.a. hebben zij alles gedaan wat in redelijkheid van hen te verwachten was. Het ligt niet aan hen dat het hoger beroep van de onderhavige zaak nog geen voortgang heeft gehad.

4.2 Tussen partijen staat rechtens vast dat [naam 2] e.a. hoger beroep hebben aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter d.d. 17 oktober 1995 A.R. No. 92-4709; voorts dat de laatste handeling in genoemde zaak dateert van 30 maart 2013, namelijk dat [naam 2] e.a. door tussenkomst van deurwaarder J.E. Febis de aanzegging en het desbetreffend proces-verbaal aan het Hof van Justitie (lees de griffier der Kantongerechten) hebben afgegeven.
Na deze handeling aan de zijde van [naam 2] e.a., diende de griffier van het kantongerecht ingevolge artikel 276 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (BRv) de stukken op te sturen naar het Hof van Justitie voor de behandeling in hoger beroep.

4.2.1 Ingevolge artikel 208 BRv vervalt alle instantie indien de zaak binnen drie jaren niet is voortgezet. Dit artikel beoogt naar het oordeel van het Hof de wederpartij van de partij die nalaat (verdere) proceshandelingen te verrichten, de mogelijkheid te bieden de zaak te doen beëindigen wegens onredelijke vertraging.
Naar het oordeel van het Hof is niet gebleken dat [naam 2] e.a. na het aantekenen van hoger beroep hebben nagelaten verdere proceshandelingen te verrichten. Integendeel hebben zij de van hun verlangde aanzegging van het hoger beroep aan de wederpartij gedaan en was het wachten op het moment waarop de stukken door de griffier van het kantongerecht zouden worden verzonden naar het Hof van Justitie voor de behandeling in hoger beroep. Het Hof concludeert derhalve dat de “vertraging” [naam 2] e.a. niet kan worden tegengeworpen.
De door de erven [naam] gevorderde verval van instantie zal om redenen als voormeld worden afgewezen.

4.3 Gezien het tijdsverloop en de omstandigheid dat de stukken in de zaak bekend onder A.R. no. 92-4709 nog niet zijn ontvangen door het Hof, heeft het Hof ambtshalve een onderzoek ingesteld naar de reden daarvan.
Gebleken is dat de griffier der kantongerechten vanwege een omissie de stukken niet heeft verzonden naar het Hof. Deze omissie zal worden hersteld zodat het proces bij het Hof van Justitie in hoger beroep zo spoedig mogelijk kan aanvangen.

4.4 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.5 De erven [naam] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten moeten dragen.

5.De beslissing
Het Hof
5.1 Wijst af het gevorderde.

5.2 Veroordeelt de erven [naam] in de proceskosten aan de zijde van [naam 2] e.a. gevallen en tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr.S.Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 4 december 2020, in tegenwoordigheid van mr.S.C.BerensteinBSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat mr. J.C.P. Nannan Panday, gemachtigde van verzoekers, terwijl verweerders noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-60

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

INTEGRA PORT SERVICES,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding,
verder ook aan te duiden als IPS,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

ALGEMENE HAVENARBEIDERSBOND,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
verder ook aan te duiden als AHAB,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 7 augustus 2014 (A.R.No. 13-5227) tussen AHAB als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, en IPS als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 8 augustus 2014, inhoudende dat IPS op diezelfde dag hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 7 augustus 2014 in kort geding gewezen tussen AHAB als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, en IPS als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie;
  • een pleitnota van 19 juni 2015;
  • een antwoordpleidooi van 7 augustus 2015;
  • een repliek pleitnota van 6 november 2015;
  • een dupliekpleidooi van 4 december 2015.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat IPS daarin kan worden ontvangen.

Rechtsoverweging
Het hof ziet in deze zaak aanleiding de verschijning van partijen te gelasten, in elk geval tot het verschaffen van inlichtingen, met name omtrent de ontwikkeling van zaken sedert de aanvang van dit geding, en voorts tot het bespreken van de mogelijkheden tot toekomstige ontwikkeling van de verhouding tussen partijen en van alles waarvan de bespreking voor de oplossing van het geschil dienstig kan zijn.

Partijen dienen zich door daartoe bevoegde functionarissen te doen vertegenwoordigen. Het hof heeft er geen bezwaar tegen als partijen of een hunner de Bemiddelingsraad uitnodigen ter terechtzitting vertegenwoordigd te zijn.

De beslissing in hoger beroep in kort geding:
Het Hof:
gelast partijen om, bevoegdelijk vertegenwoordigd, ter fine voormeld ter terechtzitting van het Hof van Justitie aan de Onafhankelijkheidsplein no. 4 te verschijnen op donderdag 21 juni 2018 om 11:00 uur;

houdt verder iedere beslissing aan.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr.S.C.Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. S.M.M. Chu

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. T.A.M. Kensmil namens advocaat mr.R.Sohansingh, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr.C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-29

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15724

16 oktober 2020
In de zaak van

[appellant],
wonende in [district],
appellant,
hierna te noemen de man,
gemachtigde: mr. I. Lalji, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende in [district],
geïntimeerde,
hierna te noemen de vrouw,
gemachtigde: mr. R.D. Neslo, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 9 juni 2014 bekend onder AR no. 13-1550 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat de man op 23 juli 2014 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota gedateerd 17 januari 2020;
  • het antwoordpleidooi gedateerd 7 februari 2020;
  • het repliekpleidooi gedateerd 6 maart 2020;
  • het dupliekpleidooi gedateerd 17 juli 2020.

1.2 De uitspraak van het vonnis, aanvankelijk bepaald op 5 februari 2021, is thans bij vervroeging bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Gesteld en evenmin is gebleken dat de man niet binnen de gestelde termijn hoger beroep heeft aangetekend tegen het beroepen vonnis, zodat hij ontvankelijk is in het door hem ingestelde beroep.

3. De vordering in hoger beroep
De man vordert in hoger beroep – naar het Hof begrijpt – om het beroepen vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de vrouw alsnog te weigeren.

4. Debeoordeling
4.1 Het Hof neemt over de feiten zoals omschreven in het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 9 juni 2014, bekend onder AR no. 13–1550 nu de man daartegen geen grieven heeft aangevoerd.

4.2 De vrouw heeft in eerste aanleg gevorderd – zakelijk weergegeven – dat de echtscheiding tussen partijen zal worden uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien.
De vrouw heeft als grondslag hiervoor aangevoerd dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht omdat partijen niet meer met elkaar samenwonen en dat enig zicht op verbetering van de situatie tussen partijen niet meer mogelijk is.

4.3 De kantonrechter heeft onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.De kantonrechter heeft daartoe in overweging 4.3 van het vonnis, onder meer, overwogen dat rechtens tussen partijen is komen vast te staan dat de vrouw de echtelijke woning verlaten heeft, aangezien zij de geestelijke mishandeling na ettelijke jaren meer dan zat was en dat partijen vanaf november 2013 niet meer met elkaar samenwonen.

4.4 De man heeft tegen voormeld vonnis aangevoerd dat de kantonechter ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat er sprake was van geestelijke mishandeling. Volgens hem heeft hij dit steeds weersproken en moest de vrouw met het bewijs hiervan worden belast, hetgeen niet is gebeurd. Volgens de man heeft de vrouw het huwelijk ontwricht en mocht zij om deze reden niet de aanlegger zijn van de vordering tot echtscheiding, op grond van de wet.

4.5 De man heeft niet weersproken dat partijen reeds jaren – en naar het Hof begrijpt langer dan 6 jaren – gescheiden van elkaar leven. Naar het oordeel van het Hof is hiermee dan ook komen vast te staan de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen, ongeacht of er sprake is van geestelijke mishandeling of niet.

4.6 Volgens de man is de duurzame ontwrichting van het huwelijk aan de vrouw te wijten en mocht zij ingevolge de wet dus niet de aanlegger zijn van de onderhavige vordering.Ingevolge artikel 263 van het Burgerlijk Wetboek (BW), wordt de vordering tot echtscheiding afgewezen, indien de duurzame ontwrichting in overwegende mate te wijten is aan de echtgenoot, die de vordering heeft ingesteld en de andere echtgenoot deswege tegen die vordering verweer voert.
Naar het Hof begrijpt beroept de man zich erop dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen in overwegende mate aan de vrouw te wijten is, één en ander zoals vereist in artikel 263 BW.
De man heeft evenwel nagelaten om zijn verweer ter zake nader te onderbouwen, zodat hij niet heeft voldaan aan zijn motiveringsplicht. Het Hof gaat daarom voorbij aan dit bloot verweer. Van de man mocht tenminste worden verwacht dat hij ook feiten en omstandigheden had aangevoerd waaruit kon blijken dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de vrouw te wijten is zoals vermeldt in artikel 263 BW.

4.7 Nu het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, is de echtscheiding tussen partijen terecht uitgesproken en dient het vonnis van de kantonrechter als hiervoor vermeld te worden bevestigd, onder aanvulling van de gronden.
4.8 Het verzoek van de man tot het houden van een comparitie van partijen, kennelijk om een poging te wagen het huwelijk alsnog te redden, zal worden afgewezen. De vrouw heeft immers ondubbelzinnig kenbaar gemaakt dat zij geen redenen ziet voor een comparitie zoals door de man voorgesteld. De vrouw heeft verder aangegeven, dat zij niet meer een samenleving wenst te vormen c.q. voort te zetten met de man. Het Hof ziet daarom ook geen aanleiding om een comparitie te gelasten.

4.9 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.10 De proceskosten in hoger beroep gevallen zullen worden gecompenseerd tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

5. De beslissing
Het Hof:
5.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 9 juni 2014 bekend onder AR no. 13-1550, waarvan beroep onder aanvulling van de gronden.

5.2 Compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt en betaalt.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president,
mr.mA.Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en
bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 16 oktober 2020 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat mr. I.S. LaLji, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch in person noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld