SRU-HvJ-2020-28

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende in [district],
appellant in kort geding,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

De Staat Suriname (in deze het Ministerie van Justitie en Politie),
rechtspersoon, zetelend te Paramaribo,
ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: [gemachtigde], MLS, jurist verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 30 mei 2019 bekend in het Algemeen Register onder no.19–1522 tussen appellant als eiser in kort geding en geïntimeerde als gedaagde in kort geding,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het procesverloopin hoger beroep
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het schrijven van de advocaat van appellant gedateerd 4 juni 2019 – ingekomen ter griffie der kantongerechten op 4 juni 2019 – waaruit blijkt dat appellant hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 30 mei 2019;
  • de pleitnota gedateerd 9 april 2020;
  • de antwoordpleitnota gedateerd 17 april 2020;
  • de repliekpleitnota gedateerd 23 april 2020 en ingekomen ter griffie van het hof op 24 april 2020;
  • de dupliekpleitnota gedateerd 29 april 2020;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 30 mei 2019. Appellant is bij de uitspraak bijgestaan door zijn gemachtigde ter terechtzitting verschenen terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting is verschenen. Nu appellant op 4 juni 2019 hoger beroep heeft ingesteld tegen het beroepen vonnis is dit ingevolge het bepaalde in artikel 235 WvBRv tijdig geschied en is hij ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep.

3. De vordering in hoger beroep
Appellant vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de vordering van appellant alsnog toe te wijzen.

4. Waarvan kan worden uitgegaan
Appellant heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten door de kantonrechter in eerste aanleg, weshalve van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Derhalve staat – ook in hoger beroep – het navolgende vast tussen partijen:
4.1.Appellant is op 4 april 2010 in verzekering gesteld en bij vonnis van 22 november 2010 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar onder aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
4.2. Appellant heeft kennis gekregen van het besluit dat zijn verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: VI) is afgewezen, tegen welk besluit hij op 5 april 2018 bezwaar heeft aangetekend bij de kantonrechter in het derde kanton op grond van artikel 33 van het Wetboek van Strafrecht.
4.3. Laatstbedoelde kantonrechter heeft bij beschikking van 17 mei 2018 het bezwaar van verzoeker (lees appellant) tegen de beslissing van de VI commissie d.d. 20 maart 2018 ongegrond verklaard.
4.4. Appellant heeft vanwege misdragingen in de inrichting twee maal een sanctie opgelegd gekregen. Deze sancties heeft hij reeds uitgezeten.
4.5.Bij schrijven van 14 februari 2019 van de gemachtigde van appellant is de geïntimeerde aangemaand om appellant binnen 48 uur voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Aan deze aanmaning heeft de geïntimeerde geen gevolg gegeven.
4.7. Na het uitzitten van de twee sancties heeft appellant bij verzoekschrift d.d. 20 februari 2019 een verzoek ingediend bij de kortgedingrechter en daarbij gevorderd – verkort weergegeven – hem op grond van het bepaalde in artikel 29 Sr. fysiek in vrijheid te stellen op straffe van een dwangsom. De kortgedingrechter heeft hem bij vonnis van 26 februari 2019 niet-ontvankelijk verklaard.
4.8 Bij verzoekschrift, ingediend op 16 april 2019 ter griffie van het kantongerecht in het eerste kanton, heeft verzoeker (lees appellant) wederom in kort geding gevorderd – verkort weergegeven – geïntimeerde te veroordelen om hem, appellant, binnen 1X24 uur na het vonnis lijfelijk in vrijheid te stellen op straffe van een dwangsom en tevens veroordeling van geïntimeerde in de advocaat- en proceskosten.
4.9 Bij vonnis d.d. 30 mei 2019 van de kantonrechter in het kanton in kort geding (bekend onder A.R.No.191522) is de vordering hiervoor in 4.8 weergegeven afgewezen en heeft appellant daartegen appel ingesteld welk thans in dit geding aan de orde is.

5. De beoordelingvan het geschil
5.1. Er zijn geen grieven aangevoerd betreffende de aanname van het spoedeisend belang bij de ingestelde vordering zijdens appellant door de kantonrechter weshalve ook in hoger beroep van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Daarenboven vloeit het spoedeisend belang eveneens voort uit de aard van het gevorderde;
5.2. Appellant heeft in eerste aanleg als eiser in kort geding het navolgende gevorderd: dat de kantonrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • de geïntimeerde (gedaagde in eerste aanleg) zal veroordelen om appellant binnen 1 x 24 uur na het vonnis lijfelijk in vrijheid te stellen op straffe van een dwangsom en voorts
  • de geïntimeerde (gedaagde in eerste aanleg) zal worden veroordeeld in de advocaatkosten ad SRD. 5.300,= en in de proceskosten.

5.3. Naast voormelde vaststaande feiten heeft appellant in eerste aanleg aan zijn vordering ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven en voor zover ten deze van belang – dat hij reeds twee derde deel van zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten. Voorts voert hij aan dat hij inmiddels ook al de sancties voor de misdragingen heeft uitgezeten. De VI–commissie had voor de twee misdragingen aangegeven dat de VI met zes maanden werd uitgesteld. Hij heeft echter geen nieuwe beoordeling van de VI–commissie gehad. Nu hij de zes maanden reeds heeft uitgezeten zou hij voorwaardelijk in vrijheid moeten worden gesteld. Geïntimeerde handelt onrechtmatig door appellant niet voorwaardelijk in vrijheid te stellen.
5.4. Bij vonnis van de kantonrechter in kort geding de dato donderdag 30 mei 2019 heeft de kantonrechter het gevorderde afgewezen en eiser (appellant) in de gedingkosten veroordeeld;
5.5. De Staat heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verweer gevoerd op welk verweer het hof – voor zover nodig – in het hierna volgende zal ingaan.
5.6. In de visie van het hof is het navolgende in casu aan de orde. Appellant stelt zich op het standpunt – kort gezegd – dat hij voorwaardelijk in vrijheid dient te worden gesteld terwijl geïntimeerde een andere mening is toegedaan. Het debat tussen partijen gaat allereerst over verandering van wetgeving en welke bepaling op appellant van toepassing is. Het “nieuwe” wetboek van strafrecht is in 2015 in werking getreden terwijl appellant reeds in 2010 werd veroordeeld. Tussen partijen is in confesso dat appellant op 5 april 2018 een bezwaarschrift ex artikel 33 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) heeft ingediend en dat de kantonrechter naar aanleiding daarvan bij beschikking de dato 17 mei 2018 het bezwaar ongegrond heeft verklaard. Daarmede is in de visie van het hof voormelde vraag beantwoord daar appellant door voormelde handeling impliciet heeft erkend dat zijn situatie valt onder de werking van het “nieuwe” wetboek van strafrecht. De discussie over de gunstigste bepalingen voor de verdachte hoeft derhalve niet meer te worden gevoerd aangezien appellant – indien hij van mening was geweest dat hij nog viel onder de werking van artikel 29 (oud) Sr.- niet bij de kantonrechter in strafzaken bezwaar zou hebben aangetekend tegen het uitblijven van VI maar gelijk de kortgedingrechter zou hebben geadieerd. Door de kortgedingrechter niet eerst te adiӫren maar bij de strafrechter bezwaar aan te tekenen heeft appellant impliciet de rechtsmacht van de strafrechter erkend en kan hij thans niet met succes een beroep doen op het feit dat hij nog valt onder de werking van artikel 29 van het “oude” wetboek van strafrecht. Al hetgeen appellant dienaangaande heeft aangevoerd gaat derhalve niet op en wordt dan ook verworpen.
5.7. Thans komt aan de orde de vraag of de kortgedingrechter als restrechter rechtsmacht toekomt in verband met de gevorderde VI van appellant. In de visie van het hof dient die vraag in ontkennende zin te worden beantwoord. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om het instituut van VI te koppelen aan het gerecht dat het vonnis heeft gewezen in de strafzaak. Met de invoering van het “nieuwe” wetboek van strafrecht heeft de wetgever kennelijk bewust het instituut van VI nader gestalte willen geven en is in artikel 29 lid 2 Sr. expliciet en imperatief voorgeschreven dat een veroordeelde in aanmerking dient te komen voor VI in tegenstelling tot het “oude” artikel 29 Sr. waarin de VI facultatief was geregeld (gelet op het woordje “kan” in die wetsbepaling). Daarbij zijn in artikel 30a Sr de gronden voor uitstel of weigering van de VI uiteengezet. Aangezien het partijdebat zich ook heeft uitgestrekt tot het bepaalde in artikel 30a lid 1 sub g is het hof van oordeel dat dat ook bespreking verdient. In dat kader is het van belang om vast te stellen dat de strafkamer van het hof in de zaak bekend onder SRU-HVJ-2019-4 en zoals gepubliceerd op de uitsprakendatabank van het Hof van Justitie (zie https://rechtspraak.sr/sru-hvj-2019-4/) heeft beslist dat hetgeen in artikel 30a lid 1 sub g is opgenomen niet een absoluut verbod oplevert aangezien zelfs de tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde ingevolge het bepaalde in artikel 28a lid 1 Sr na ommekomst van ten minste twintig jaren in aanmerking kan komen voor VI. Hetgeen de kantonrechter dienaangaande heeft vastgesteld in het beroepen vonnis komt het hof onjuist voor weshalve het beroepen vonnis op dat stuk zal worden vernietigd.
5.8. Thans komt het hof toe aan bespreking van de mogelijkheid van bezwaar tegen de afwijzing casu quo het uitblijven van een beslissing omtrent VI (fictieve weigering). Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. bestaat de mogelijkheid van bezwaar daartegen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. In casu heeft de strafrechter bij beschikking de dato 17 mei 2018 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en is ingevolge het bepaalde in artikel 27 lid 1 Sr. – hetwelk van overeenkomstige toepassing is verklaard op de regeling van VI in artikel 28a lid 5 Sr. – die beslissing niet aan enig rechtsmiddel onderworpen. Het hof stelt derhalve vast dat appellant de nationale rechtsmiddelen betreffende VI heeft uitgeput en thans de expiratie van de volledig opgelegde straf dient af te wachten alvorens hij lijfelijk in vrijheid kan worden gesteld. Immers is gesteld noch gebleken waarom het wettelijk appelverbod in dit specifiek geval doorbroken zou moeten worden. Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot – kort gezegd – het vermeend advies van de Procureur-Generaal in de hoedanigheid van voorzitter van de VI-Commissie met betrekking tot de VI van appellant, legt evenmin zoden aan de dijk voor appellant. Immers beroept appellant zich er op dat de Procureur-Generaal daarbij zou eerst hebben neergepend “VI 6 mnd aanhouden”, dat vervolgens zou hebben doorgehaald en daarna zou hebben neergepend: “VI afgewezen”. Aangezien voormelde doorhaling in het advies is voorzien van een paraaf van de Procureur-Generaal ontkomt het hof niet aan de indruk dat er evenzeer sprake kan zijn geweest van een verschrijving zijdens voornoemde functionaris hetwelk gecorrigeerd is geworden. Ingevolge de memorie van toelichting op de artikelen 28a t/m 33 Sr. is de rode draad dat steeds in concreto de belangen van de veroordeelde moeten worden afgewogen tegen de belangen van de maatschappij om de veroordeelde langer vast te houden. Daarbij speelt ook de VI-commissie een cruciale rol. Uitgangspunt is dat goed gedrag moet worden beloond, de veroordeelde blijk moet hebben gegeven klaargestoomd te zijn om terug te keren in de maatschappij en dat het gevaar voor recidive minimaal danwel uitgesloten wordt geacht. In casu blijkt appellant zich gedurende zijn detentie tot tweemaal toe misdragen te hebben hetgeen voor de strafrechter mede aanleiding is geweest om de bezwaren van appellant tegen het niet in aanmerking komen voor VI ongegrond te verklaren, welke beslissing onherroepelijk is. Van een dubbele bestraffing zoals de raadsvrouwe van appellant heeft aangevoerd is in de visie van het hof geen sprake geweest aangezien het algemeen bekend is dat misdragingen gedurende de detentie niet alleen tot interne tuchtstraffen kunnen leiden maar dat die ook van invloed kunnen zijn op het al dan niet in aanmerking komen voor VI.
5.9. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd komt het hof tot de slotsom dat de door appellant aangevoerde grieven ongegrond zijn gebleken. De consequentie van het voorgaande is evenwel niet dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Nu er een speciale met voldoende waarborgen omklede effectieve rechtsgang bestaat, appellant die rechtsgang reeds heeft geadieerd en een beslissing heeft verkregen, diende appellant in de visie van het hof door de kantonrechter niet ontvankelijk te worden verklaard in de ingestelde vordering. Gelet op het feit dat de kantonrechter in stede daarvan het gevorderde heeft afgewezen zal het hof alsnog doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen. Op grond van het voorgaande zal het beroepen vonnis worden vernietigd. Appellant geldt als de in het ongelijk gestelde partij en zal de kosten van het hoger beroep voor zijn rekening dienen te nemen.
5.10. Bespreking van de overige grieven en weren van partijen zal, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

6. De beslissingin hoger beroep
Het hof:

6.1. Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding de dato 30 mei 2019 en bekend in het Algemeen Register onder no. 19–1522, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

6.2. Verklaart appellant niet-ontvankelijk in de ingestelde vordering;

6.3. Veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-president, mr. A. Charan, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-plaatsvervanger, en uitgesproken door de Fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 15 mei 2020, in tegenwoordigheid van
mr.S.C.Berenstein,Fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen, advocaat mr. Ch. Algoe, gemachtigde van appellante en mr. P.J. Campagne MLS, gemachtigde van geïntimeerde.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2016-6

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Het incident in de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoekster,
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Defensie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M. Winter, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken
gewezen vonnis in het incident uit.

Het procesverloop in de hoofdzaak en in het incident
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift d.d. 08 juni 2015, met producties;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor verweerschrift, d.d. 20 juli 2015;
  • de beschikking van het Hof d.d. 23 juli 2015, waarbij de termijn voor verweerschrift m.i.v. 24 juli 2015 met 6 weken is verlengd;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor verweerschrift, d.d. 31 augustus 2015;
  • de beschikking van het Hof d.d. 10 oktober 2015, waarbij de termijn voor verweerschrift m.i.v. 04 september 2015 voor de laatste maal met 6 weken is verlengd;
  • het verweerschrift d.d. 15 oktober 2015;
  • het verzoek tot uitstel zijdens de gemachtigde van verzoekster d.d. 15 januari 2016;
  • het verzoek tot het aanhouden van bovengenoemde zaak voor onbepaalde tijd zijdens de gemachtigde van verzoekster d.d. 04 maart 2015;
  • de uitlating zijdens verweerster ten aanzien van het verzoek d.d. 04 maart 2015.

De motivering
De vordering in het incident en het verweer daartegen
1.1 De gemachtigde van verzoekster verzoekt bovengenoemde zaak voor onbepaalde tijd aan te houden.

1.2 Verweerster concludeert uit het verzoek, dat verzoekster blijkbaar geen belang meer bij haar vordering heeft. Zij vraagt primair om vonnis in de zaak en subsidiair verzet zij zich niet tegen een schorsing voor onbepaalde tijd.

De beoordeling van het incident en in de hoofdzaak

2.1 Het Hof begrijpt uit het schrijven van de gemachtigde van verzoekster d.d. 15 januari 2016 dat, ondanks diverse pogingen van de gemachtigde van verzoekster, verzoekster niet bereikt kan worden teneinde ter terechtzitting te verschijnen voor het verhoor van partijen. De gemachtigde van verzoekster verzoekt het Hof vervolgens bij schrijven d.d. 04 maart 2016, de zaak voor onbepaalde tijd aan te houden.

2.2 Een procespartij kan om hem moverende redenen vragen om het geding voor onbepaalde tijd aan te houden. In deze is het verzoek gedaan en het Hof begrijpt dat de aanleiding van het verzoek is het niet kunnen bereiken van verzoekster. Het Hof merkt op dat gedaagde zich in eerste instantie verzet tegen het verzoek, nu zij primair om vonnis vraagt. Het Hof overweegt mede naar aanleiding daarvan dat het door de gemachtigde van verzoekster gedane verzoek is gedaan, zonder enig zicht op de verdere behandeling van de zaak.
Het Hof is van oordeel dat een ieder recht heeft op behandeling van zijn/haar zaak binnen een redelijke termijn. Nu het verzoek is gedaan de zaak voor onbepaalde tijd aan te houden, overweegt het Hof dat dit een onredelijke vertraging van het proces met zich zal meebrengen. Het verzoek van de gemachtigde van verzoekster zal dan ook niet worden gehonoreerd.

2.3 De zaak zal worden terugverwezen naar de rol in de stand waarop het zich bevond ten tijde van het instellen van het incident, waarbij slechts eenmaal uitstel zal worden verleend.

De beslissing in het incident en in de hoofdzaak
Het Hof
:
3.1 Wijst af het verzoek tot aanhouding voor onbepaalde tijd;

3.2 Verwijst de zaak naar de rol van 3 juni 2016 voor het verhoor van partijen, met de kanttekening dat slechts eenmaal uitstel zal worden verleend.

Aldus gegeven door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.M. Praag en
mr.A.M.Nooitmeer-Rotsburg, leden-plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 mei 2016 in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. S.C. Berenstein.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Partijen, verweerder vertegenwoordigd door mr. M. Danning namens mr. M. Winter, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoekster noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr.M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-27

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende in [land],
appellant,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

tegen

[geintimeerde],
wonende in Neder[land],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. R.M.F. Oemar, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 27 januari 2016 (A.R. 15-3007) tussen geïntimeerde als eiser en appellant als gedaagde,
spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1.Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellant bij schriftelijke verklaring van zijn procesgemachtigde d.d. 12 februari 2016 en ingediend ter griffie van het kantongerecht op 16 februari 2016 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 4 mei 2018, met een productie;
  • de antwoordpleitnota d.d. 3 augustus 2018;
  • de repliekpleitnota d.d. 19 oktober 2018;
  • de dupliekpleitnota d.d. 7 december 2018.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bij vervroeging bepaald op heden.

2.De ontvankelijkheid
Gesteld noch is gebleken dat appellant niet binnen de bij wet gestelde termijn appel heeft aangetekend tegen het beroepen vonnis, zodat hij ontvankelijk is in zijn appel.

3.De feiten
3.1 Partijen zijn gerechtigden in de nalatenschappen van de erflaters [naam 1] en [naam 2] (hierna de erflaters). Appellant is gerechtigd tot 1/6 deel van de nalatenschap en geïntimeerde is gerechtigd tot 5/6 deel.
3.2 Tot de nalatenschap van de erflaters behoren een drietal onroerende goederen, te weten, één aan de [straat] te [district 1] en twee aan de [weg] in het [district 2] , en nader bij partijen bekend.
3.3 Tussen partijen zijn er zwarigheden gerezen bij de verdeling van de nalatenschap. De boedelnotaris, mr. M.A. Nannan Panday, heeft ten aanzien van de tussen partijen gerezen zwarigheden een proces-verbaal van zwarigheden opgemaakt gedateerd 4 maart 2014.

4.De procedure in eerste aanleg
4.1 Geïntimeerde, toen eiser, heeft bij verzoekschrift d.d. 6 juli 2015 – zakelijk weergegeven – aan de kantonrechter het verzoek gedaan om te beslissen op de tussen partijen gerezen zwarigheden.
4.2 De kantonrechter heeft bij vonnis d.d. 27 januari 2016, bekend onder A.R. no. 15-3007, het volgende beslist:
“5.1 De kantonrechter beveelt de boedelscheidende notaris om een akte van scheiding en deling op te maken tussen partijen, inhoudende:
– dat de onroerende goederen, zoals omschreven op pagina’s 3 en 4 van het proces-verbaal van zwarigheden, zullen worden toebedeeld aan [geïntimeerde] en dat hij ook alle lasten zal dragen die op deze onroerende goederen rusten;
– dat [geïntimeerde] bij wege van overbedeling aan [appellant] uitkeert een bedrag van SRD59.193,33 (…..) en wel binnen zes maanden na uitspraak van dit vonnis;
5.2 Door de ondertekening van de akte van scheiding en deling zullen partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar niets meer verschuldigd zijn op grond van enige gemeenschap…….
5.4 Verklaart dit vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad…….”.

4.3 De kantonrechter heeft zijn beslissing gegrond op de motivering dat appellant, toen gedaagde, akkoord ging met het voorstel dat de onroerende goederen aan eiser (thans geïntimeerde) werden toebedeeld en dat laatstgenoemde wegens overbedeling het deel van appellant in contanten uitkeert. Daarnaast is de kantonrechter uitgegaan van de waarde van de drie percelen die getaxeerd waren door de deskundige taxateur P. Khedoe, blijkens zijn taxatierapporten d.d. 12 januari 2016 en 13 januari 2016.

5.De beoordeling
5.1 Appellant concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de vordering van geïntimeerde te ontzeggen als te zijn ongegrond en onbewezen.
5.2 Appellant heeft ter onderbouwing van de vordering in hoger beroep gesteld dat het beroepen vonnis niet is gemotiveerd. Volgens appellant is juist hij bereid alle onroerende goederen zelf toebedeeld te krijgen en wenst hij de geïntimeerde uit te keren wegens overbedeling.
Het Hof gaat voorbij aan deze stelling van appellant. Het Hof is van oordeel dat nu geïntimeerde het grootste aandeel (5/6 deel) van de onroerende goederen bezit, het redelijk is dat deze onroerende goederen ook aan hem, geïntimeerde dus, worden toebedeeld en dat hij appellant uitkeert wegens overbedeling.
5.3 Appellant stelt voorts dat de onroerende goederen een hogere waarde hebben dan de getaxeerde waarde. Appellant heeft echter nagelaten om zijn stelling ter zake nader te onderbouwen met verificatoren.
Bovendien is de taxateur benoemd door de kantonrechter en appellant heeft tegen deze benoeming geen bezwaren gemaakt.
Het Hof gaat daarom ook voorbij aan deze stelling van appellant. Het Hof ziet verder geen aanleiding om het verzoek van appellant, om de onroerende goederen opnieuw te doen taxeren door drie taxateurs, toe te wijzen.
Het Hof komt dan ook tot de slotsom dat het beroepen vonnis van de kantonrechter dient te worden bevestigd onder aanvulling van de gronden.
5.4 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.
5.5 Appellant zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in hoger beroep worden verwezen.

6.De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
6.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 27 januari 2016 bekend onder A.R. no. 15-3007, onder aanvulling van de gronden.
6.2 Veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend president, mr. A. Charan en mr.I.S.Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 oktober 2020 in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. S.C. Berenstein.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. N.P. Soekra namens advocaat mr. D. Moerahoe, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat mr. R.M.F. Oemar, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2020-26

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking in de zaak van

[appellante] ,
hierna te noemen [appellante],
wonende te [district],
appellante,
gemachtigde: mr. C.S. Djajadi, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
hierna te noemen [geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. N. Rapprecht-Lui, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gegeven beschikking gedateerd 14 december 2015 (A.R. 15-4420) tussen geïntimeerde als eiser en appellante als gedaagde, heeft het Hof van Justitie, in naam van de Republiek, de navolgende beschikking gegeven.

1.Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellante op 17 december 2015 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota met producties d.d. 20 maart 2019;
  • de conclusie tot overlegging producties d.d. 20 maart 2019 zijdens [geïntimeerde];
  • het proces-verbaal van gehouden verhoor van [geïntimeerde] d.d. 20 maart 2019;
  • de antwoordpleitnota met producties d.d. 5 april 2019;
  • de repliekpleitnota met producties d.d. 17 mei 2019;
  • de dupliekpleitnota met producties d.d. 1 november 2019;
  • de conclusie tot uitlating d.d. 7 februari 2020 zijdens [geïntimeerde].

1.2 De rechtsdag voor het geven van de beschikking is nader bepaald op heden.

2.De ontvankelijkheid
Gesteld noch is gebleken dat [appellante] niet binnen de bij wet gestelde termijn appel heeft aangetekend tegen de beroepen beschikking, zodat zij ontvankelijk is in haar appel.

3.De feiten
3.1 [appellante] en [geïntimeerde] hebben een buitenechtelijke relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is op 28 oktober 2013 te Paramaribo geboren de minderjarige [naam] (hierna de minderjarige).
3.2 [appellante] is van rechtswege voogdes van de minderjarige.
3.3 [geïntimeerde] heeft zich bij verzoekschrift d.d. 6 oktober 2015 gewend tot de kantonrechter om aan hem verlof te verlenen om de minderjarige te mogen erkennen.
3.4 Bij beschikking van de kantonrechter d.d. 14 december 2015, bekend onder AR no. 15-4420 heeft de kantonrechter als volgt beschikt:
“Verlenen toestemming aan [geïntimeerde], wonende aan de [adres] te [district], om zijn minderjarig kind [naam] geboren op [datum] te [district], uit [appellante], te erkennen als zijn natuurlijk kind…..”.
3.5 De beroepen beschikking is op 3 mei 2016 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van het Centraal Bureau voor Burgerzaken (hierna ook: CBB).

4.De vordering in hoger beroep
[appellante] is het niet eens met de beroepen beschikking. Zij heeft geconcludeerd tot:
I. vernietigingvan de beschikkingd. 14 december 2015 met AR no. 154420;
II. weigeringvan hetgevorderde verlof om de minderjarige te erkennen;
III. doorhaling van de inschrijving van de beroepen beschikking in de daartoe bestemde registers van CBB;
IV. het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis (lees:de beschikking);
V. veroordeling van [geïntimeerde] tot betalingvan de proceskosten.

5.De beoordeling
5.1 [appellante] heeft als grief aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen:
“Overwegende, dat de redenen genoemd door gedaagde, kort gezegd neerkomende hierop dat gedaagde vindt dat de eiser het eerder niet wilde, en voorts dat gedaagde vindt dat eiser zich niet houdt aan afspraken en zal tegenwerken indien gedaagde haar moeder zou willen bezoeken in het buitenland, geen van allen redelijke gronden zijn om te weigeren dat tussen eiser en de minderjarige een juridische band wordt geschapen; om die reden zal het gevorderde worden toegewezen”.
Volgens [appellante] heeft de kantonrechter – zover van belang – niet meegewogen dat:

  • [geïntimeerde] herhaaldelijk heeft aangegeven, dat hij geen behoefte had om contact met de minderjarige te hebben indien partijen niet bij elkaar zouden blijven;
  • [geïntimeerde] had aangegeven, dat hij het besluit om de minderjarige al dan niet te erkennen overlaat aan [appellante];
  • pas op verzoek van [appellante] er een omgangsregeling tot stand is gekomen tussen [geïntimeerde] en de minderjarige;
  • [geïntimeerde] zich niet houdt aan de afgesproken omgangsregeling en alleen wanneer het hem goed uitkwam contact had met de minderjarige;
  • de minderjarige niet kan rekenen op [geïntimeerde], wat niet in het belang is van de minderjarige en ook niet bevorderlijk is voor zijn groei en ontwikkeling met name gezien het feit dat de minderjarige lijdt aan autisme.
  • de minderjarige in verband met zijn autisme regelmatig behandelingen ondergaat teneinde een zo goed mogelijke kwaliteit van leven te hebben;
  • door de erkenning het niet te doen is om steeds afstemming te moeten plegen met [geïntimeerde] voor het ondergaan van bepaalde medische behandelingen door de minderjarige vanwege zijn autisme.

Vanwege voormelde redenen acht [appellante] het niet in het belang van de minderjarige dat hij in juridische betrekking staat tot [geïntimeerde].
[appellante] is verder van mening dat de erkenning niet in stand kan blijven en dat de inschrijving van de beschikking in de daartoe bestemde registers van CBB in strijd is met de wet. Dit omdat zij tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter.
5.2 Ingevolge artikel 336 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), kan de toestemming van de moeder tot erkenning van het kind op verzoek van de vader worden vervangen door verlof van de kantonrechter, indien de moeder de toestemming onthoudt op kennelijk onredelijke gronden of indien zij haar wil niet kan verklaren.
In het onderhavige geval staat tussen partijen vast dat [geïntimeerde] de biologische vader is van de minderjarige.
Uit het betoog van [appellante] begrijpt het Hof dat zij van mening is dat de erkenning van de minderjarige door [geïntimeerde] niet in het belang is van de minderjarige.
Met de kantonrechter is het Hof het eens dat de door [appellante] aangevoerde redenen, één en ander zoals (nader) omschreven onder overweging 5.1 hiervoor, geen van allen redelijke gronden zijn om te weigeren dat tussen [geïntimeerde] en de minderjarige een juridische band wordt geschapen. Immers zal door de erkenning van de minderjarige door [geïntimeerde], ingevolge artikel 334 BW, een familierechtelijke betrekking bestaan tussen [geïntimeerde], diens bloedverwanten en de minderjarige, hetgeen zeker in het belang is van de minderjarige.
Het is het Hof ambtshalve ook niet gebleken dat er redelijke gronden zijn op grond waarvan het door [geïntimeerde] gevraagde verlof tot vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige zou moeten worden geweigerd. De kantonrechter heeft daarom in de visie van het Hof terecht het verzoek van [geïntimeerde] toegewezen. De door [appellante] aangevoerde grief zal dan ook worden verworpen en het Hof zal de beschikking van de kantonrechter ter zake bevestigen onder aanvulling van de gronden.
5.3 Uit het onderzoek is gebleken dat ondanks het ingestelde hoger beroep, de beroepen beschikking van de kantonrechter in de daartoe bestemde registers van het Centraal Bureau voor Burgerzaken is ingeschreven, hetgeen in strijd in met artikel 336 lid 4 BW. [appellante] heeft in dit geding in hoger beroep onder III van haar pleitnota verzocht de doorhaling van de hiervoor genoemde inschrijving.
Dit hoger beroep is niet het forum voor dit verzoek van [appellante], zodat zij niet ontvankelijk zal worden verklaard daarin. Het onder IV gevorderde zal hetzelfde lot ondergaan nu dit gevorderde een sequeel is van het onder III gevorderde.
5.4 De onder V gevorderde proceskosten zullen worden afgewezen nu dit onderdeel van het gevorderde niet op de wet is gestoeld.
5.5 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

6.De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
6.1 Bevestigt de beschikking van de kantonrechter d.d. 14 december 2015, bekend onder AR no. 15-4420, onder aanvulling van de gronden.
6.2 Verklaart [appellante] niet ontvankelijk in het door haar onder III en IV van haar pleitnota gevorderde.
6.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.
Aldus gegeven door mr. D.D. Sewratan, fungerend president, mr. A. Charan en mr.I.S.Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend–president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 18 december 2020 in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. S.C. Berenstein, BSc.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2020-25

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15544
4 december 2020

In de zaak van

[appellante],
wonende te [district],
appellante,
hierna te noemen de vrouw,
gemachtigde: voorheen mr. S.T. Sewdien, advocaat, thans mr. Y.S. Engkar, advocaat.

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde,
hierna te noemen de man,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 28 mei 2018 bekend onder AR no. 14–3513 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat de vrouw op 26 juli 2018 hoger beroep heeft ingesteld;
– de memorie van grieven met producties gedateerd 26 juli 2018;
– de mondelinge conclusie van pleidooi d.d. 3 mei 2019;
– het antwoordpleidooi met producties gedateerd 1 november 2019;
– het repliekpleidooi gedateerd 6 maart 2020;
– het dupliekpleidooi gedateerd 17 juli 2020.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Gesteld en evenmin is gebleken dat de vrouw niet binnen de gestelde termijn hoger beroep heeft aangetekend tegen het beroepen vonnis, zodat zij ontvankelijk is in het door haar ingestelde beroep.

3. De vordering in hoger beroep
De vrouw concludeert in hoger beroep dat het Hof het beroepen vonnis vernietigt en opnieuw rechtdoende zal beslissen dat de man wordt veroordeeld om over te gaan tot scheiding en deling van het onroerend goed, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon volgens de wet.

4. De feiten
4.1 Partijen hebben vanaf oktober 2009 tot en met augustus 2013 met elkaar samen gewoond. De relatie tussen partijen is beëindigd in augustus 2013.
4.2 Aan partijen behoort in eigendom toe een perceelland, bij partijen nader bekend.
4.3 In eerste aanleg heeft de vrouw – zakelijk weergegeven – gevorderd dat de man wordt veroordeeld om mee te werken aan de scheiding en deling van de goederengemeenschap c.q. mede-eigendom en schulden.
4.4 De kantonrechter heeft bij vonnis d.d. 28 mei 2018 bekend onder A.R. 14-3513 –voorzovervan belang – als volgt beslist:
“5.1 Veroordeelt gedaagde om binnen een maand na betekening van het vonnis, met eiseres over te gaan tot scheiding en deling van de tussen hen bestaande mede-eigendom, met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 4.2 en 4.3 van dit vonnis, met benoeming tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden der scheiding en deling zullen plaatsvinden, mr. K.E. Olff, danwel diens waarnemer of opvolger, voor zover partijen alsdan geen overeenstemming hebben kunnen bereiken omtrent een aan te wijzen notaris……”

5. De beoordeling
5.1 De vrouw heeft een memorie van grieven ingediend tegen het vonnis waarvan beroep.
Het Hof komt – zover van belang – daarop terug.
5.2 Zoals onder 4.4 is overwogen heeft de kantonrechter de scheiding en deling gelast met inachtneming van hetgeen overwogen is in dat vonnis onder 4.2 en 4.3.
Het Hof citeert de overwegingen 4.2 en 4.3 van het beroepen vonnis.
“4.2 De kantonrechter stelt voorop dat er in casu sprake is van vrijwillige mede-eigendom, weshalve de regels van scheiding en deling niet zonder meer van toepassing zijn in casu, omdat het aandeel van partijen eerst vastgesteld dient te worden op basis van de door hen gepleegde investeringen in het onroerend goed, nu niet gesteld of gebleken is dat partijen daaromtrent nadere afspraken hadden gemaakt.
Aangezien de samenleving tussen partijen is beëindigd, hebben partijen geen belang meer bij voortzetting van de mede-eigendom.
Naar het oordeel van de kantonrechter staat rechtens vast dat eiseres het onroerend goed op 29 augustus 2013 heeft verlaten met achterlating van gedaagde in de woning aldaar, alsook dat gedaagde vanaf december 2013 alleen de hypotheek- en andere schulden heeft afgelost en nog steeds aflost. De kantonrechter stelt voorop dat er tussen partijen geen gemeenschap van goederen bestaat, zodat de door partijen aangekochte roerende goederen aan hen toebehoort die het heeft aangekocht en in casu niet van belang is in de onderhavige zaak. Dit brengt met zich dat eiseres slechts een vordering heeft op gedaagde ter grootte van de door haar gepleegde investeringen. De door eiseres gevorderde scheiding en deling zal derhalve dienovereenkomstig worden gelezen en begrepen.
4.3 Met betrekking tot de gepleegde investeringen door eiseres overweegt de kantonrechter dat op basis van de door eiseres overgelegde producties, eiseres het bedrag van SRD4.300,- en €1.500,- heeft geïnvesteerd in het onroerend goed. Voorts heeft eiseres in totaal op de hypothecaire leningen van partijen, waaronder een persoonlijke lening van haar, in totaal afgelost het bedrag van SRD28.237,51 oftewel US$8.688,46 oftewel €6.406,68. De persoonlijke lening dient derhalve afgetrokken te worden van de door eiseres gepleegde investeringen.
De investeringen van eiseres bedragen derhalve SRD4.300,-+ € 1.500,- + €6.406,68 – de persoonlijke lening van eiseres.
Naar het oordeel van de kantonechter heeft eiseres eveneens recht op het bedrag van €50,- per maand, zijnde de helft van de huurpenningen van de benedenwoning, ingaande september 2013 tot aan de dag der verdeling, ongeacht of de huurders de huurpenningen doorbetaalden of niet, nu het eventueel niet-betalen van de huurpenningen door de huurders een beslissing is geweest van gedaagde, terwijl het onroerend goed aan beide partijen toebehoort.
Eveneens heeft eiseres recht op een vergoeding van het gebruik door gedaagde van de bovenwoning tot aan de datum van de verdeling, aangezien gedaagde gedurende deze periode alleen gebruik heeft mogen maken van de aan partijen gezamenlijk toebehorende woning. Gelet op de huur van de beneden woning, acht de kantonrechter het bedrag van €50,- per maand als vergoeding aan eiseres voor het gebruik van de bovenwoning door gedaagde gerechtvaardigd. Eiseres heeft ten aanzien van het gebruik van de woning tot en met mei 2018 derhalve van gedaagde te vorderen het bedrag van €100,- x 57 = € 5.700,-.
De investeringen van eiseres bedragen derhalve SRD4.300,- + €1.500,- + €5.700,- + €6.406,68 – de persoonlijke lening van eiseres.
Naar het oordeel van de kantonrechter zal de bij deze te benoemen notaris met inachtneming van het voorgaande de vordering van eiseres op gedaagde kunnen vaststellen, op grond waarvan eiseres haar aandeel in het onroerend goed zal dienen te schenken dan wel over te dragen op naam van gedaagde”. |
5.3 Het Hof constateert dat in overweging 4.2 en 4.3 van het beroepen vonnis, de kantonrechter een uiteenzetting heeft gegeven over het aandeel van de vrouw in de gemeenschap.
Door te beslissen dat bij de scheiding en deling meegenomen dient te worden hetgeen is overwogen onder 4.2 en 4.3 van de beslissing, heeft de kantonrechter naar het oordeel van het Hof meer toegewezen dan is gevorderd. Het komt het Hof voor dat de kantonrechter heeft beslist op eventuele zwarigheden die tussen partijen kunnen rijzen bij de scheiding en deling ten overstaan van de notaris, hetgeen niet aan de orde is in dit geding.
Het vonnis van de kantonrechter dient derhalve te worden vernietigd en het Hof zal verder beslissen als in het dictum te melden.
5.4 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.
5.5 Nu partijen deelgerechtigden zijn in het perceel zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt.

6. De beslissing
Het Hof:
6.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter d.d. 28 mei 2018 bekend onder A.R. no. 14-3513.
en opnieuw rechtdoende:
6.2 Veroordeelt de man om binnen een maand na betekening van dit vonnis met de vrouw over te gaan tot scheiding en deling van de tussen hen bestaande mede – eigendom
6.3 Benoemt tot notaris ten overstaan van wie de scheiding en deling zal plaatsvinden notaris mr. K.E. Olff, dan wel diens waarnemer of opvolger, indien partijen niet binnen een maand na de uitspraak overeenstemming bereiken over een boedelnotaris.
6.4 Benoemt tot onzijdig persoon voor de respectievelijke partijen, indien één hunner in gebreke mocht blijven op de voor de scheiding en deling bepaalde tijd en plaats te verschijnen of verschenen zijnde mochten weigeren tot de scheiding en deling mee te werken:
voor de vrouw: mr. B.A.H. Pick, advocaat,
voor de man: mr. L.E. Palmburg, advocaat,
6.5 Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt.
6.6 Weigert het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr.Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 4 december 2020 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-24

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: thans mr. H.S. Djasmadi, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Openbare Werken,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende op zijn Parket aan de Limesgracht no. 92
te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. B. Tjin Liep Shie, vervolgingsambtenaar,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: hof) d.d. 24 december 2015;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 5 februari 2016;
  • de beschikking gegeven door het hof op 9 februari 2016, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift met ingang van 10 februari 2016 is verlengd met zes weken;
  • Het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 21 maart 2016;
  • de beschikking gegeven door het hof op 22 maart 2016, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift met ingang van 23 maart 2016 voor de laatste maal is verlengd met zes weken;
  • de beschikking gegeven door het hof op 10 mei 2016, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 5 augustus 2016;
  • het proces-verbaal van het op 05 augustus 2016 gehouden verhoor van partijen;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 21 oktober 2016 en vervolgens nader op 2 augustus 2019;
  • bij rolbeschikking de dato 2 augustus 2019 is aan partijen gevraagd om afschriften van de stukken te fourneren aangezien het dossier in ongerede is geraakt;
  • verzoeker heeft vervolgens afschriften van de documenten ingediend ter griffie van het hof op 29 augustus 2019;
  • de conclusies tot uitlating met betrekking tot de gefourneerde documenten zijdens partijen respectievelijk de dato 17 januari 2020 en 07 februari 2020;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 20 november 2020 doch bij vervroeging op heden;

2. De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. [verzoeker] is sedert oktober [jaartal], dus al ruim 32 jaren, in vaste dienst bij de Staat in de functie van opzichter Bouw – en Woningtoezicht op de afdeling Bouw- en Woningtoezicht van het Ministerie van Openbare Werken;
2.2. Bij beschikking d.d. 24 juli 2015 onder [nummer] heeft de Staat [verzoeker] ontslagen uit Staatsdienst ingevolge artikel 61 lid 1 onder j van de Personeelswet (hierna:PW);
2.3. Een afschrift van die beschikking is per deurwaardersexploot d.d. 27 juli 2015 op het woonadres van [verzoeker] betekend aan een zijner huisgenoten. In de ontslagbeschikking wordt onder meer overwogen dat :

  • [verzoeker] een veldcontrole heeft uitgevoerd, waarbij is gebleken dat in afwijking van een bouwvergunning [nummer] werd gebouwd;
  • [verzoeker] de bouwwerkzaamheden had moeten stopzetten en de houder van de bouwvergunning op grond van de leden 1 en 2 van artikel 3 van de Bouwwet (G.B. 1957 no. 30 zoals laatstelijk gewijzigd bij G.B. 1972 no. 96, S.B. 1980 no. 116, S.B. 2002 no. 72) had moeten instrueren een gewijzigd bouwplan in te dienen zoals vermeld in artikel 3 lid 1 en lid 2 van de Bouwwet;

2.4. In de ontslagbeschikking is verder opgenomen dat [verzoeker] in strijd met vorengenoemde wetsartikelen heeft gehandeld door zelfstandig en naar eigen inzicht op de bouwvergunning [nummer] verleend in 2014, de kanttekening te plaatsen: “ Constructie wijziging i.p.v. betonvloer komt er een lichtere vloerconstructie van cementbord ([bedrijf]). Vanwege lichtere karakter alle schotels afm. [nummer 2]”, waarbij deze kanttekening voorzien is van zijn handtekening;
2.5. Ingevolge het in de beschikking bepaalde onder II, sub b, heeft [verzoeker] op 26 augustus 2015, op grond van artikel 78 lid 1 PW beklag ingesteld bij de President van de Republiek Suriname. Ingevolge artikel 78 lid 4 PW dient op het beklag binnen 3 maanden te worden beslist. Tot op heden is dit echter niet geschied;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1. [verzoeker] vordert –zakelijk weergegeven- dat bij vonnis van het hof:

  1. nietig zal worden verklaard de beschikking d.d. 24 juli 2015, [nummer 3] waarbij hij uit Staatsdienst is ontslagen;
  2. de Staat zal worden veroordeeld [verzoeker] weder te werk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag;
  3. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

3.2. [verzoeker] heeft –zakelijk weergegeven- naast voormelde vaststaande feiten het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Aangezien er op het beklag tot op heden niet is beslist is [verzoeker] ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 3 onder a PW gerechtigd onderhavige vordering in te stellen. Voorts heeft hij aangevoerd dat bij de betekening van de ontslagbeschikking de Staat ermee bekend was dat [verzoeker] op dat moment uitlandig was. Hierdoor is [verzoeker] in ernstige mate bemoeilijkt in zijn verweer, althans is hem de gelegenheid ontnomen om het beklag adequaat te doen. De Staat heeft door zo te handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, met name het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook materieel is de beschikking niet op de juiste wijze tot stand gekomen. Uit het verweerschrift van [verzoeker] blijkt dat hij heeft aangegeven dat de kanttekening die hij heeft geplaatst op de controlestrook niet in de plaats was van de toestemming welke op grond van de Bouwwet moet worden verstrekt voor een gewijzigd bouwplan. De aantekening was slechts om aan te geven wat de wijziging inhield teneinde toestemming hiervoor te verkrijgen. [verzoeker] geeft hierover expliciet aan dat hij niet zijn handtekening hierbij heeft geplaatst, maar een paraaf. Hij voert verder aan dat de door hem gehanteerde werkwijze in onderhavige geval als juist dient te worden aangemerkt, althans dat hij volgens de geldende gebruiken heeft gehandeld. Het is immers gebruik dat een gewijzigd bouwplan ook achteraf kan worden goedgekeurd. Gelet op het feit dat [verzoeker] jarenlang zonder problemen zijn werkzaamheden heeft uitgevoerd, is het onbegrijpelijk dat hetgeen de vergunninghouder heeft aangegeven, namelijk dat hij goedkeuring had van [verzoeker] voor zijn gewijzigd bouwplan, als vaststaand wordt aangenomen. Ingevolge de Bouwwet met name artikel 3 lid 1, dient een verzoek tot wijziging immers bij de directeur van het ministerie te worden gedaan en niet bij de opzichter. De goedkeuring voor een wijziging op een bouwplan dient ingevolge artikel 1, lid 1 Bouwwet bovendien te worden verleend door de directeur. Zulks behoort de vergunninghouder ook te weten en kan deze er niet zonder meer van uit zijn gegaan dat de goedkeuring was verleend. Uit het gevoerde verweer blijkt ook dat [verzoeker] het gestelde plichtsverzuim voldoende heeft weerlegd en is het derhalve onbegrijpelijk dat er wordt gesteld dat dit niet steekhoudend moet worden geacht. [verzoeker] is op grond van al het voornoemde van mening dat aan hem onterecht, althans op niet draagkrachtige gronden, de tuchtstraf van ontslag is opgelegd alsook dat deze disproportioneel is. [verzoeker] was ruim 32 jaren in dienst van de Staat en hoofdkostwinner van zijn gezin bestaande uit zijn echtgenote en 2 kinderen, waarvan één nog minderjarig was. Door het onrechtmatige ontslag wordt [verzoeker] onredelijk en onevenredig hard getroffen. De Staat heeft hier eveneens in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel en op grond van al het bovenstaande kan het ontslagbesluit niet worden gehandhaafd;
3.3. De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan;

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 PW acht het hof zich bevoegd kennis te nemen van het gevorderde in het petitum, nu het een vordering betreft tot – onder andere – nietigverklaring van een besluit van een overheidsorgaan;

Ontvankelijkheid
4.2. Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoeker] niet binnen de gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking zodat hij ontvankelijk is in de onderhavige vordering.
4.3. Waar gaat het in dit geding om ? [verzoeker] is ongeveer 32 jaren terug in dienst getreden van de Staat en was laatstelijk werkzaam bij het Ministerie van Openbare Werken, als opzichter op de afdeling Bouw- en Woningtoezicht. Bij beschikking van de Minister van Openbare Werken gedateerd 06 november 2014 werd hij geschorst voor de duur van drie (3) maanden met stilstand van bezoldiging. Daarbij is tevens aan [verzoeker] te kennen gegeven dat indien hij zich wederom schuldig zal maken aan een ontoelaatbare handeling, strengere tuchtrechtelijke maatregelen tegen hem zullen worden getroffen. De reden voor de schorsing lag in een belangenverstrengeling omdat een dochter van [verzoeker] die ook bouwkundige expertise bezit bouwtekeningen vervaardigde casu quo aanpaste en daarbij vermoedelijk gebruik maakte van de diensten casu quo kennis van [verzoeker] hetgeen indruiste tegen een uitdrukkelijk verstrekte beleidsinstructie. [verzoeker] stelt het niet eens te zijn geweest met deze schorsing maar het uiteindelijk te hebben gelaten voor wat het was. Vervolgens deed zich de situatie voor waarbij [verzoeker] bij een veldcontrole in vermoedelijk de maand oktober 2014 constateerde dat er in afwijking van de verleende bouwvergunning gebouwd werd. In plaats van de bouwwerkzaamheden stop te zetten en betrokkene te instrueren een gewijzigde bouwplan in te dienen volstond [verzoeker] met een kanttekening te plaatsen en deze te voorzien van zijn handtekening casu quo paraaf. De Staat kwalificeerde dit als ernstig plichtsverzuim met als resultaat de gewraakte ontslagbeschikking de dato 24 juli 2015. Voorafgaand aan de ontslagbeschikking kreeg [verzoeker] nog de gelegenheid om zich te verweren welk verweer niet steekhoudend werd bevonden door de Staat. [verzoeker] weerspreekt dat hij zich aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt terwijl de Staat voet bij stuk houdt dat er wel sprake is van ernstig plichtsverzuim;
4.4. De Staat heeft –zakelijk weergegeven–het volgende verweer gevoerd. [verzoeker] heeft in strijd met de wet en de geldende voorschriften gehandeld door tijdens veldwerkzaamheden, waarbij door hem geconstateerd was, dat er in afwijking met de verstrekte bouwvergunning werd gebouwd, een kanttekening en zijn paraaf te plaatsen op vermelde bouwvergunning. Kortom heeft [verzoeker] op vermelde vergunning geaccordeerd terwijl hij op basis van de wet en de geldende instructies zijdens het Ministerie van Openbare Werken, als opzichter de bouwwerkzaamheden had moeten stoppen en de vergunninghouder erop moeten attenderen dat hij een gewijzigd bouwplan moest indienen. Immers is vanuit de departementsleiding uitdrukkelijk de instructie gegeven dat indien bij controle wordt geconstateerd dat er in afwijking van een door de Directeur verleende bouwvergunning, bouwwerkzaamheden worden verricht, de belanghebbende dient te worden aangezegd de bouwwerkzaamheden stop te zetten en zulks tevens schriftelijk dient te worden gerapporteerd aan het verantwoordelijke afdelingshoofd;
4.5. In het onderhavig geval dient de vraag te worden beantwoord of [verzoeker] zich al dan niet heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim zoals hem door de Staat wordt verweten en is vervat in de ontslagbeschikking. Naar het oordeel van het hof levert voormeld handelen van [verzoeker] in de geschetste context geen plichtsverzuim op. Plichtsverzuim in het ambtenarenrecht betekent het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Daaronder verstaat het hof in de onderhavige context – kort gezegd – het overtreden van opgelegde verplichtingen, het overtreden van een voorschrift en het zich niet gedragen zoals een ambtenaar betaamt. In casu stelt [verzoeker] bij het verhoor van partijen dat hij op een bepaald moment door een collega-opzichter, een zekere [naam], werd gevraagd om de controle ter zake de uitbreiding van een zakenpand te doen. Na de weigering door [verzoeker] werd hij benaderd door een andere collega, genaamd [naam 2], die hem mededeelde vanwege logistieke redenen niet in staat te zijn om de veldcontrole uit te voeren waarna [verzoeker] zwichtte en ermee instemde om de controle voor zijn collega uit te voeren. Toen hij geconfronteerd werd met de afwijkingen van de bouwvergunning stelt [verzoeker] mondeling aangegeven te hebben dat de werkzaamheden gestopt moesten worden en dat de belanghebbende de stukken in orde moest maken. Vervolgens heeft [verzoeker]–na berekening van de belasting per vierkante meter- een aantekening gemaakt op de controlestrook dat vanwege een lichtere constructie de afmeting van de schotels van 1,80 meter bij 1,80 meter wel voldoende is en heeft hij uit praktische overwegingen zijn paraaf geplaatst. Het komt namelijk ook voor in de praktijk dat men zonder voorafgaande controle de fundering stort en daarna zand erover heen gooit waardoor de afmeting van de schotels niet meer kan worden vastgesteld;
4.6. In de visie van het hof had [verzoeker] in concreto conform de instructies anders kunnen handelen door bijvoorbeeld de werkzaamheden terstond stop te zetten maar nu hij dat uit praktische overwegingen nagelaten heeft terwijl niet gebleken is dat hij daardoor in enig opzicht is bevoordeeld casu quo dat er door zijn handelingen gemeen gevaar te duchten is geweest, komt het hof tot de slotsom dat er in casu geen sprake is geweest van plichtsverzuim. Het hof is van oordeel dat in casu evenmin gebleken is dat [verzoeker] met zijn handelingen heeft beoogd dat de betrokkene, om wie het gaat, werd bevoordeeld. Het plaatsen door [verzoeker] van de gewraakte tekst op de controlestrook en dat voorzien van zijn paraaf is onvoldoende om te concluderen dat [verzoeker] plichtsverzuim kan worden verweten zeker nu [verzoeker] aan betrokkene ook de uitdrukkelijke mededeling had gedaan dat de administratieve gang diende te worden gevolgd. Het verweer van [verzoeker] dienaangaande is in de visie van het hof wel steekhoudend gebleken. De Staat heeft immers niet weersproken dat het gebruik is dat een gewijzigd bouwplan ook achteraf kan worden goedgekeurd. Voorts kan niet slechts op grond van de verklaring van dhr. Dors als belanghebbende worden vastgesteld dat [verzoeker] middels het plaatsen van de gewraakte tekst goedkeuring heeft gegeven om verder te mogen bouwen terwijl [verzoeker] een andere toedracht schetst omtrent het plaatsen van de gewraakte tekst op de controlestrook. De vraag of [verzoeker] zich door voormelde handelwijze heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim dient in het verlengde hiervan in de visie van het hof uiteraard eveneens ontkennend te worden beantwoord. Hoewel [verzoeker] al eerder geschorst was en er dus op bedacht diende te zijn dat bij een volgende overtreding een zwaardere sanctie hem boven het hoofd hing, komt het het hof voor dat de ernst van het verzuim in casu niet de kwalificatie plichtsverzuim rechtvaardigt ;
4.7. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het hof tot de slotsom dat er in casu geen sprake is van het overtreden van opgelegde verplichtingen casu quo het overtreden van een voorschrift door [verzoeker]. Bij de beantwoording van de vraag of dat ernstig plichtsverzuim oplevert dienen alle relevante omstandigheden mede in aanmerking te worden genomen. Naar het oordeel van het hof leveren voormelde feitelijke handelingen van [verzoeker] geen plichtsverzuim op en kan er derhalve evenmin sprake zijn van ernstig plichtsverzuim. Door desondanks ernstig plichtsverzuim vast te stellen heeft de Staat zich in de visie van het hof schuldig gemaakt aan schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten schending van het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van een draagkrachtige motivering (het hof begrijpt: van een Overheidsbeslissing) en het handelen in strijd met het beginsel van zorgvuldige afweging van belangen. Immers had het op de weg van de Staat gelegen om alle relevante belangen van [verzoeker] (mede gelet op zijn langdurige staat van dienst en zijn kostwinnerschap) mede in ogenschouw te nemen alvorens de zwaarste sanctie, ontslag uit Staatsdienst, aan [verzoeker] op te leggen. Van het in acht hebben genomen van al het voorgaande heeft de Staat geen blijk gegeven. De grondslag van het gevorderde is derhalve in rechte komen vast te staan en zal het gevorderde worden toegewezen in voege als na te melden. De mede gevorderde weder tewerkstelling van [verzoeker] alsmede de mede gevorderde veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding kunnen niet worden gerubriceerd onder de limitatieve opsomming in artikel 79 lid 1 PW, weshalve die onderdelen van het gevorderde zullen worden afgewezen;
4.8. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het hof, als voor de beslissing niet langerrelevant zijnde, achterwege laten;

5. De beslissing
Het hof:

5.1. Verklaart nietig de beschikking d.d. 24 juli 2015, [nummer 2] waarbij [verzoeker] uit Staatsdienst is ontslagen;
5.2. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-president voornoemd bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 06 maart 2020, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. S.C. Berenstein.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C. Djajadi, gemachtigde van verzoeker, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-23

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

  1. [appellant 1];
  2. [appellant 2];
  3. [appellant 3];
  4. [appellant 4];
  5. [appellant 5];

allen wonende in [land];
appellanten;
verder ook aan te duiden als de erven;
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat;

tegen

1.[geïntimeerde 1];
2.STICHTING RUTU;
wonende, onderscheidenlijk gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo;
geïntimeerden;
verder ook aan te duiden als [geïntimeerde 1] en de stichting dan wel, gezamenlijk, als [geïntimeerden];
gemachtigde: mr. E. van der Hilst, advocaat.
Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 14 juli 2009 tussen de erven als eisers en [geïntimeerden] als gedaagden spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 24 november 2010, inhoudende dat de erven op diezelfde dag hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 14 juli 2009 gewezen tussen hen als eisers en [geïntimeerden] als gedaagden;
  • een pleitnota van 7 december 2012;
  • een antwoordpleidooi van 15 februari 2013;
  • een repliekpleitnota van 3 mei 2013;
  • een dupliekpleidooi van 7 juni 2013;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 1 november 2013 en vervolgens nader op 17 juli 2020, doch bij vervroeging op heden.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de erven daarin kunnen worden ontvangen.

Vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld, anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken, staan de volgende feiten tussen partijen vast.
De erven zijn de gezamenlijke erfgenamen van [naam], overleden te Paramaribo op 30 april 2001, hierna aan te duiden als de erflater.

De erflater heeft ten behoeve van [geïntimeerde 1] tot zekerheid van de voldoening van hetgeen hij uit enige hoofde aan deze verschuldigd mocht zijn enige malen een hypotheekrecht verleend, waaronder in elk geval:

  • bij op 22 september 1994 verleden en op 6 oktober 1994 ten hypotheekkantore ingeschreven akte een hypotheekrecht op een perceelland aan de [straat]te [district 1] tot een bedrag, oorspronkelijk groot Sf 7.000.000,=;
  • bij op 3 november 1993 verleden en op 17 november 1995 ten hypotheekkantore ingeschreven akte een hypotheekrecht op het recht van grondhuur op een perceelland in het [district 2] tot een bedrag, oorspronkelijk groot Sf 5.000.000,=.

Op 26 april 2002 heeft [geïntimeerde 1] een tweetal exploiten doen uitbrengen, te weten:

  • een exploit met nummer A165a, waarbij aan de erven een saldo-opgave werd betekend, volgens welke de erven als zodanig aan [geïntimeerde 1] verschuldigd waren per ultimo juni 2002 de som van Sf 350.528.510,=, alsmede de grosse van de hypotheekakte betreffende het landperceel aan de [straat], waarbij de erven voorts bevel werd gedaan tot betaling van in hoofdsom Sf 350.528.510,= en waarbij hun ten slotte werd aangekondigd dat bij de niet-voldoening aan dat bevel op 30 juli 2002 te 11.00 uur door de notaris mr. Jan Currie te Paramaribo zou worden overgegaan tot de openbare verkoop van het verhypothekeerde;
  • een exploit met nummer A166a, waarbij aan de erven dezelfde saldo-opgave werd betekend, alsmede de grosse van de hypotheekakte betreffende het recht van grondhuur in [district 2], met als voren bevel tot betaling en aanzegging van openbare verkoop van het recht van grondhuur in [district 2].
    Bij op 28 mei 2002 ter griffie ingediend verzoekschrift hebben de erven in kort geding gevorderd de openbare verkoping op te schorten die hun was aangezegd bij (na wijziging van het petitum bij incidentele eis) exploit nr A165a. Na verweer door [geïntimeerde 1] heeft de kantonrechter bij vonnis van 26 juli 2002 de vordering toegewezen in dier voege dat hij “de hierboven onder 3.3 vermelde openbare verkoop” opschortte totdat aan bepaalde voorwaarden voldaan zou zijn. Dit vonnis is op 30 juli 2002 aan [geïntimeerde 1] betekend. Zonder dat aan de door de kantonrechter geformuleerde voorwaarden voldaan was, is de openbare verkoop van het recht van grondhuur in [district 2] op diezelfde dag doorgegaan. Op de veiling is het recht van grondhuur gekocht door de stichting.

Verandering van eis
In eerste aanleg hebben de erven onder meer gevorderd:
“Voor recht te verklaren c.q. nietig te verklaren dat de door gedaagde gehouden veiling op 30 juli 2002 ten overstaan van notaris Mr. Jan Currie NIETIG EN VAN ONWAARDE is en rechtsgevolg ontbeert”.
In hoger beroep wensen zij hun petitum aan te vullen met het eventueel vernietigen van de veiling waardoor dat petitum thans gelezen zou moeten worden als:
“Voor recht te verklaren c.q. nietig te verklaren c.q. te vernietigen de door gedaagde gehouden veiling op 30 juli 2002 ten overstaan van notaris mr. Jan Currie waarbij in het openbaar is verkocht het onder b. van het petitum omschreven recht van grondhuur.”
[geïntimeerden] hebben zich tegen deze wijziging van de eis verzet.

Nu het hier niet om een nieuwe eis, maar om een aanvulling van de oorspronkelijke gaat en [geïntimeerden] er niet door in hun verdediging worden bemoeilijkt, zal het hof hun verzet verwerpen en op de vordering overeenkomstig de door de erven verlangde wijziging daarvan recht doen.

Beoordeling van het hoger beroep
De erven hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de veiling is gehouden ondanks het verbod van de kantonrechter van 26 juli 2002 en dat de stichting, waarbij [geïntimeerde 1] nauw betrokken is, niet te goeder trouw is geweest. [geïntimeerden] hebben hiertegen aangevoerd dat het verbod van de kantonrechter geen betrekking had op het recht van grondhuur in [district 2].
Bij het vonnis van 26 juli 2002 is opgeschort “de hierboven onder 3.3 vermelde openbare verkoop”. De enige in dat vonnis onder 3.3 vermelde openbare verkoop is die van “het hierboven onder 3.1 vermelde perceelland” en het enige in het vonnis onder 3.1 vermelde perceelland is een perceelland aan de [straat]. Uit niets blijkt dat de bevolen opschorting ook betrekking had op de verkoop die thans in dit hoger beroep aan de orde is of dat die verkoop in dat kort geding zelfs maar aan de orde is geweest. Wel blijkt (uit overweging 5 van het vonnis in kort geding) dat de kantonrechter ervan op de hoogte was dat de erflater meer hypotheekrechten ten behoeve van [geïntimeerde 1] had gevestigd, ook op 3 november 1995 en op nog andere data, maar daarover is door de kantonrechter niets beslist en dat kon ook niet want de erven hadden een dergelijke beslissing niet gevraagd.

De erven hebben aangevoerd dat beide veilingen op dezelfde dag en voor dezelfde notaris zouden plaats vinden en dat ze beide strekten tot verhaal van dezelfde vordering. Dat is juist en dat wettigt het vermoeden dat als zij ook ten aanzien van de veiling van het recht van grondhuur in [district 2] dezelfde vordering zouden hebben ingesteld, die vordering waarschijnlijk ook op dezelfde gronden zou zijn toegewezen. Maar de erven hebben dat nu eenmaal niet gedaan.

De erven stellen dat [geïntimeerde 1] misbruik heeft gemaakt van het feit dat in het vonnis als gevolg van verwarring slechts één exploit genoemd is. Daarbij gaan zij eraan voorbij dat die verwarring bij hen lag en blijkbaar tot gevolg had dat zij slechts één exploit in plaats van twee hadden genoemd en slechts tegen één openbare verkoop in plaats van twee opkwamen. Het lag niet op de weg van [geïntimeerden] om in te schatten wat daarvan de oorzaak was en de conclusie te trekken dat dat wel een vergissing zou zijn en dat het misbruik zou zijn daarop af te gaan. De erven konden tal van persoonlijke of zakelijke redenen hebben gehad om aan het ene bezit meer belang te hechten dan aan het andere en dus tegen de ene verkoop meer bezwaar te hebben dan tegen de andere en daarom slechts tegen één verkoop op te komen.

Op deze gronden verwerpt het hof de grieven en zal het het bestreden vonnis alsmede het daaraan voorafgegane tussenvonnis bevestigen met verwijzing van de erven in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep in kort geding:

Het Hof:
bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 14 juli 2009, A.R. no 054557, tussen partijen gewezen alsmede het daaraan vooraf gegane tussenvonnis van 12 februari 2008.

veroordeelt de erven in de kosten van het geding in hoger beroep en bepaalt deze, voor zover tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] gevallen op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. A. Johanns en mr. S.S.Nanhoe-Gangadin, Leden-Plaatsvervanger en door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 17 april 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C.Berenstein, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. E.F. van der Hilst, gemachtigde van geïntimeerden, terwijl appellanten noch in persoon noch bij gemachtigde zijn verschenen.

 

 

 

 

 

 

 

SRU-ATC-2021-1

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/ 27

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege
naar aanleiding van de klacht van:

[naam 1],
wonende in het district Wanica
klager,
gemachtigde: mr. H.S. Monorath, advocaat

tegen

[naam 2],
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
verweerster,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1. Bij brief door het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege) ontvangen op 28 oktober 2019, heeft de Deken van de Orde van Advocaten (hierna: de Deken) de klacht ter kennis van het Tuchtcollege gebracht.

1.2. De klacht is behandeld ter zittingen van het Tuchtcollege van 24 juli 2020 en 22 januari 2021. Klager heeft daarbij zijn klacht mondeling toegelicht. Van de behandeling zijn processen-verbaal opgemaakt door de secretaris, welke zich onder de processtukken bevinden.

1.3. Op 24 juli 2020 is een minnelijke regeling getroffen tussen partijen. Klager wenste een verontschuldigingsbrief van verweerster. Deze brief is op 27 juli 2020 door verweerster verzonden. Bij schrijven van 30 november 2020 heeft de gemachtigde van klager aangegeven dat klager zich niet kan terug vinden in de inhoud van de verontschuldigingsbrief.

1.4. Op de zitting van 22 januari 2021 heeft klager aangegeven dat de verontschuldigingsbrief voor hem geen zin meer heeft, aangezien [persoon 1] reeds is overleden en die verontschuldigingsbrief moest dienen om de waarheid boven water te brengen in dier voege erop neerkomend, dat klager geen gelden van [persoon 1] had verduisterd. Te dienende dage heeft klager bij monde van zijn gemachtigde aangegeven belang te hebben bij een beslissing van het Tuchtcollege.

1.5. De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing is hierna bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. Op 20 mei 2019 is klager op verzoek van een familie vriend, [persoon], bij verweerster geweest voor een zaak omtrent Stichting Sekrepatoe, voor wie verweerster als gemachtigde heeft opgetreden.

2.2. Klager heeft conform afspraak met Stichting Sekrepatoe de achterstand in de huurbetaling aangezuiverd t.b.v. [persoon 1], huurder, middels een deelbetaling van Euro 500,-. Echter is op de kwitantie aangegeven “rechtsbijstand inzake Woning Sekrepatoe/ [persoon 1].”, terwijl klager de betaling heeft gedaan als “aflossing deelbetaling” van de huurachterstand. Klager heeft daags daarna gebeld naar het kantoor van verweerster om de kwitantie te corrigeren. Hij kreeg de boodschap dat hij nog terug gebeld zou worden, hetgeen niet is gebeurd.

2.3. [persoon 1] kreeg de boodschap dat klager niets had betaald van de huurachterstand. Op 3 juni 2017 moest klager zich aanmelden bij de Politie van het Bureau Kwatta. Klager werd op verdenking van oplichting na een klacht gedaan door [persoon 1], in verzekering gesteld.

2.4. Klager heeft tijdens de inverzekeringstelling geprobeerd met verweerster in contact te treden hetgeen niet is gelukt daar verweerster niet bereikbaar was.

3. De klacht en het verweer
3.1. De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerster onzorgvuldig heeft gehandeld jegens klager. Ten onrechte stond op de kwitantie “rechtsbijstand inzake Woning stichting Sekrepatoe/[persoon 1] instede van “aflossing deelbetaling”. Klager vraagt het Tuchtcollege dat verweerster wordt gestraft voor het leed welke hij heeft moeten ondergaan en dat zijn naam wordt gezuiverd bij [persoon 1], Stichting Sekrepatoe en bij de Politie.

3.2. Bij verweerschrift d.d. 24 oktober 2019, heeft verweerster verweer gevoerd tegen de klacht, welk verweer voor zover van belang hierna kort en zakelijk is weergegeven.

3.2.1. Verweerster erkent met klager te hebben gesproken over de huurachterstand van [persoon 1] en de deelbetaling door klager van Euro 500,= ten hare kantore. Verweerster stelt “per abuis heeft de administratie op de kwitantie die aan [klager] is afgegeven vermeld, dat het een betaling voor rechtsbijstand betreft in plaats van een betaling van de achterstallige huur van de huurder”. Huurbetalingen door huurders worden volgens verweerster maandelijks afgedragen aan de verhuurder. De betaling van [klager] is op 5 juli 2019 afgedragen aan haar cliënte, samen met alle overige ten hoeve van haar cliënte ontvangen betalingen.

3.2.2. Verweerster stelt verder, dat zij op 4 juni 2019 werd gebeld door de kleindochter van [persoon 1] en begrepen heeft, dat [klager] ruim Euro 2820,- had ontvangen van [persoon 1] ter betaling aan de verhuurder, maar dat slechts Euro 500,- is betaald. [klager] kon geen verantwoording afleggen omtrent de besteding van de rest van het geld. Op grond hiervan is tegen [klager] aangifte gedaan. Verweerster ontkent dat de wijze waarop zij rechtsbijstand heeft verleend aan haar cliënte erin heeft geresulteerd, dat [klager] in verzekering is gesteld.

4. De beoordeling van het geschil
4.1. Tijdens de eerste zitting van het Tuchtcollege in deze zaak waren partijen het er over eens, dat verweerster bij wege van schikking een verontschuldigingsbrief zou sturen naar klager, de politie en naar de heer [persoon 1], zodat de naam van klager kon worden gezuiverd.
Verweerster heeft op 27 juli 2020 een concept van de verontschuldigingsbrief verzonden naar de gemachtigde van klager, mr. H. Monorath. Na ruim 4 maanden, bij schrijven van 30 november 2020, is namens klager het concept van de hand gewezen. Op de zitting van 22 januari 2021 heeft klager aangegeven dat de verontschuldigingsbrief voor hem geen zin meer heeft, omdat de [persoon 1] reeds is overleden en de naam van klager niet meer kan worden ontlast van beschuldigingen. Het Tuchtcollege stelt vast dat klager en/of zijn gemachtigde mogelijk tekort zijn geschoten en de verontschuldigingsbrief van verweerster niet tijdig hebben beoordeeld. In de tussentijd is [persoon 1] overleden, waardoor een verontschuldigingsbrief voor klager geen zoden aan de dijk legt. Het Tuchtcollege neemt als uitgangspunt dat geen der partijen in een proces kunnen worden gedwongen om een schikking aan te gaan. Verder was er geen termijn afgesproken, waarbinnen de verontschuldigingsbrief moest worden verzonden. Verweerster zelf heeft pas na ruim 4 maanden aan de bel getrokken middels haar schrijven naar het Tuchtcollege d.d. 18 december 2020, stellende dat er geen reactie van klager en/ of zijn procesgemachtigde over het concept van de verontschuldigingsbrief is gekomen. Partijen hebben aldus over en weer de zaak op hun beloop gelaten, waardoor er geen schikking is bereikt. Er zijn voor partijen verder hieraan geen gevolgen verbonden en het Tuchtcollege zal zich thans inhoudelijk buigen over de klacht.

4.2. Klager heeft daags na de betaling gebeld naar het kantoor van verweerster met het verzoek om de omschrijving van de kwitantie te veranderen, echter zonder resultaat. Klager stelt dat de foutieve omschrijving op de kwitantie voor de nodige problemen heeft gezorgd. Tijdens de inverzekeringstelling heeft klager getracht met verweerster in contact te treden om de zaak bij de politie op te helderen met betrekking tot de omschrijving op de kwitantie. Verweerster was echter niet bereikbaar.
Verweerster verweert zich onder aanvoering dat klager niet was ingesloten als gevolg van de omschrijving op de kwitantie maar wegens andere gelden welke hij niet kon verantwoorden, hierbij steunend op bijlage 3 overgelegd bij het verweer, zijnde een verklaring van [naam 3] gedateerd 24 oktober 2019, zijnde een kleindochter van [persoon 1]. De verklaring is op geen enkele wijze onderbouwd met andere bescheiden of informatie waarop de inhoud kan steunen. Ook is het geen verklaring van [persoon 1] zelf in wiens opdracht klager heeft gehandeld. Verder is het niet bekend hoe en op welke wijze [naam 3] aan de informatie is gekomen of op enigerlei wijze betrokken is geweest in de onderhavige kwestie. Het had op de weg van verweerster gelegen om die informatie te geven zodat de inhoud van die verklaring op objectieve gronden, op juistheid kon worden getoetst. Verweerster is derhalve tekort geschoten casu quo niet geslaagd de stelling van klager te weerleggen. Dit brengt in de visie van het Tuchtcollege met zich mee dat terughoudendheid en grote behoedzaamheid ten aanzien van de verklaring moet worden betracht.

4.3. Het Tuchtcollege stelt vast dat verweerster na 20 mei 2019 geen contact met klager heeft gehad, dit terwijl klager daags na de betaling contact had opgenomen met het kantoor van verweerster om de omschrijving op de kwitantie te veranderen. Hij zou nog worden terug gebeld. Voor klager was het naar het oordeel van het Tuchtcollege dus wel van belang dat de omschrijving op de kwitantie veranderd moest worden in “deelbetaling huurachterstand”. Dit is naar het oordeel van het Tuchtcollege een terechte doch onvruchtbare poging geweest zijdens klager. Immers, verweerster heeft in haar verweer aangegeven, dat er een administratieve fout is gemaakt. Verweerster is dus tekort geschoten om die administratieve fout te corrigeren. Immers, een omschrijving “rechtsbijstand inzake Woningstichting Sekrepatoe” / [persoon 1] C.E. wijkt helemaal af van de werkelijkheid waarvoor daadwerkelijk is betaald. De berekening van de achterstand en de afspraak van de deelbetaling hebben klager en verweerster ten kantore op 22 mei 2019 samen gemaakt, waarna de betaling is gedaan. Het belang voor klager om een correcte omschrijving op de kwitantie was genoegzaam aanwezig. Verder heeft verweerster op geen enkele andere wijze aannemelijk gemaakt, dat klager wegens andere reden dan de foutieve omschrijving op de kwitantie was ingesloten. Het Tuchtcollege is van oordeel dat er voldoende verband bestaat tussen de foutieve omschrijving op de kwitantie en de insluiting van klager door de politie aangezien de omschrijving op de kwitantie een vertekend beeld van de gang van zaken heeft teweeggebracht.

4.4. Aan een professionele rechtsbijstandverlener worden hoge eisen gesteld voor wat betreft de financiële huishouding. Immers, de ereregelen voor de Advocaten in Suriname stellen nadrukkelijk onder punt 9a, dat de advocaat de uiterste nauwgezetheid en zorgvuldigheid in geldelijke aangelegenheden moet betrachten. Deze verplichting geldt zeker ook in de relatie klager en verweerster. Zoals verweerster stelt heeft de administratie van verweerster fouten gemaakt, echter pleit dat de advocaat/verweerster in de visie van het Tuchtcollege niet vrij, aangezien verweerster verantwoordelijk is voor het handelen van personen die voor of namens haar handelingen verrichten. Daarom had het ook op de weg van de verweerster gelegen om de kwitantie te corrigeren. Verweerster heeft niet kordaat opgetreden en is schromelijk tekort geschoten om de naar haar zeggen foute omschrijving te corrigeren. Dit wist zij al daags nadat de kwitantie was uitgeschreven. Klager had gebeld om de correctie te plegen. Verweerster heeft een zorgplicht jegens klager als betaler namens [persoon 1]. Deze zorgplicht heeft zij in de visie van het Tuchtcollege verwaarloosd en geschonden.

4.5. De schending van de zorgplicht blijkt te meer uit het navolgende. Ervan uitgaande, dat het verweerster niet eerder dan op 4 juli 2019, zijnde de dag van het telefonisch onderhoud met [naam 3], ter ore is gekomen dat klager was ingesloten, heeft zij ondanks die wetenschap jegens de klager geen enkele handeling of actie gepleegd om de kwitantie te corrigeren of op enige manier berouw te tonen voor het leed welke klager heeft ondervonden. Ook na de aanhouding niet. Verweerster heeft gewoon de zaak aan zich voorbij laten gaan, naar het oordeel van het Tuchtcollege, zelfs genegeerd. Deze houding is zeker niet bevorderlijk voor het vertrouwen in de advocatuur. Het vertrouwen in de advocatuur is geschaad alsook de eer en goede naam van klager. Zaken kunnen met [persoon 1] vanwege zijn overlijden niet meer worden bijgelegd. De integriteit van klager is door de insluiting aangetast.

4.6. Op grond van al het voorgaande komt het Tuchtcollege tot het oordeel dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Zij heeft onzorgvuldig en derhalve onbetamelijk gehandeld jegens klager en wordt de klacht gegrond geacht.

4.7. Met betrekking tot de op te leggen maatregel is het Tuchtcollege van oordeel dat alhoewel verweerster “first offender” is, gezien de ernst van de zaak en de gevolgen daarvan voor klager, een berisping in casu een passende maatregel oplevert.

4.8. Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen niet relevant en zal dat achterwege laten.

5. De beslissing
Het Tuchtcollege:

Verklaart de klacht tegen verweerster gegrond.

Legt aan de verweerster de tuchtmaatregel van berisping op.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, voorzitter, mr. R.M.F. Oemar en mr. G. Ramai-Badal, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 26 februari 2021 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris, De voorzitter,
w.g. w.g.
mr. M.S. Wesenhagen mr. A. Charan

Voor afschrift De leden

De secretaris van ATC, mr. R.M.F. Oemar
w.g.
mr. G. Ramai-Badal
w.g.
mr. M.S. Wesenhagen

SRU-K1-2021-2

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-3141

25 februari 2021

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

[naam 1],
wonende aan [adres 1],
eiser,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, m.n. het Ministerie van Openbare Werken, vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie gevestigd en kantoorhoudende aan het Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gevolmachtigden: dhr. A.R. Kisoen medewerker van de afdeling Bouw en Woning Toezicht van het Ministerie van Openbare Werken en mr. E. Mohangoo, verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,

B. [naam 2] h.o.d.n. WAN XIANG INT. SI FANG AGENCY,
wonende aan [adres 2],
gemachtigde: mr. P. Baldew, advocaat,

gedaagden.

  1. Het verloop van het proces:

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 15 oktober 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis d.d. 05 november 2020;
  • de conclusie van antwoord van de zijde van gedaagde sub. B met producties;
  • de conclusie van antwoord van de zijde van gedaagde sub. A;
  • de op het doorlopend proces-verbaal gestelde rolbeschikking tot het houden van een descente;
  • het proces-verbaal van de op 21 december 2020 gehouden descente;
  • de conclusie van de zijde van gedaagde sub. B na de gehouden descente;
  • de conclusie van de zijde van gedaagde sub. A na de gehouden descente;
  • de conclusie tot wijziging van eis;
  • de conclusie van antwoord op het verzoek tot wijziging van eis van de zijde van gedaagde sub. B;
  • de conclusie van antwoord op het verzoek tot wijziging van eis van de zijde van gedaagde sub. A.

1.2. De uitspraak van het vonnis in het incident is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1. Eiser is eigenaar tevens bewoner van de woning staande op het perceel aan [straat 1] te [wijk] te [plaats].

2.2. Gedaagde heeft sub. B heeft van gedaagde sub. A vergunning verkregen om op het perceel op de hoek van [straat 1]-, [straat 2]- en [straat 3] te [wijk] te [plaats] een gebouw op te zetten met een andere bestemming dan voor bewoning.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

In de hoofdzaak

3.1. Eiser vordert, voor zover uitvoerbaar bij voorraad:

A. Gedaagde sub. B te gelasten de bouwwerkzaamheden op het perceel op de hoek van [straat 1]-, [straat 2]- en [straat 3] te [wijk] te [plaats] te staken totdat gedaagde sub. B beschikt over een rechtsgeldig tot stand gekomen bouwvergunning.

B. Te schorsen althans op te schorten de werking van de door gedaagde sub. A aan gedaagde sub. B verleende bouwvergunning zolang de litigieuze vergunning niet voldoet aan de in het verzoekschrift omschreven materiele en formele vereisten.

C. Gedaagde sub. A te gelasten de bouwwerkzaamheden op het perceel op de hoek van [straat 1]-, [straat 2]- en [straat 3] te [wijk] te [plaats] te doen staken en gestaakt te houden zolang een rechtsgeldige bouwvergunning met in achtneming van de materiele en formele vereisten aan gedaagde sub. B is verleend.

D. Al het voorgaande onder verbeurte van een dwangsom van SRD 150.000, – (een honderd vijftigduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat gedaagden in strijd met het in deze te wijzen vonnis handelen.

3.2. Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde sub. A aan gedaagde sub. B een bouwvergunning heeft verleend zonder dat voldaan is aan de in acht te nemen procedure.

3.3. Gedaagden hebben verweer gevoerd, welk verweer erop neer komt dat gedaagde sub. B stelt dat hij zich heeft gehouden aan de in de bouwvergunning gestelde voorwaarden. Gedaagde sub. A stelt dat de bouwvergunning is verleend met in achtneming van de daarvoor gestelde procedure. Op dit verweer komt de kantonrechter terug in de beoordeling voor zover van belang voor de beslissing van deze zaak.

In het incident

3.4. Eiser heeft bij conclusie gevraagd de eis te mogen wijzigen stellende dat blijkens het exploot no. 625 de dato 22 oktober 2020 van deurwaarder R. Sontono in kort geding zijn opgeroepen de staat Suriname met name het Ministerie van Openbare Werken en het Ministerie van Ruimtelijke Ordening en Milieu. Voorts dat de Staat Suriname het verzoekschrift in bovenvermelde zin heeft begrepen en verstaan getuige de door de staat Suriname overgelegde machtiging vervat in de brief van de Procureur-Generaal de dato 23 oktober 2020 kenmerk C.V. no. 186/20.

3.5. Gedaagde sub. A is van oordeel dat zij reeds heeft geantwoord als gemachtigde van de staat namelijk voor het Ministerie van Openbare Werken en het Ministerie van Ruimtelijke Ordening en Milieu. Gedaagde sub. B is van mening dat eiser door de wijziging van eis op een subtiele wijze de eis heeft vermeerderd en het onderwerp van de eis gewijzigd door zaken te stellen die niet gesteld zijn in het inleidend verzoekschrift. Voorts dat het geding, als gevolg van het voorgaande, onredelijk wordt vertraagd.

  1. De beoordeling

In het incident

4.1. Eiser stelt dat blijkens het exploot no. 625 de dato 22 oktober 2020 van deurwaarder R. Sontono in kort geding zijn opgeroepen de staat Suriname met name het Ministerie van Openbare Werken en het Ministerie van Ruimtelijke Ordening en Milieu. Voorts dat de Staat Suriname het verzoekschrift in bovenvermelde zin heeft begrepen en verstaan getuige de door de staat Suriname overgelegde machtiging vervat in de brief van de Procureur-Generaal de dato 23 oktober 2020 kenmerk C.V. no. 186/20. Eiser doet op grond van artikel 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het verzoek het inleidend verzoekschrift te wijzigen in diervoege dat ook het Ministerie van Ruimtelijke Ordening en Milieu wordt betrokken en opgeroepen in de onderhavige zaak. Gedaagde sub. A is van oordeel dat zij reeds heeft geantwoord als gemachtigde van de staat namelijk voor het Ministerie van Openbare Werken en het Ministerie van Ruimtelijke Ordening en Milieu. Gedaagde sub. B is van mening dat eiser door de wijziging van eis op een subtiele wijze de eis heeft vermeerderd en het onderwerp van de eis gewijzigd door zaken te stellen die niet gesteld zijn in het inleidend verzoekschrift. Voorts dat het geding, als gevolg van het voorgaande, onredelijk wordt vertraagd.
De kantonrechter is van oordeel dat de noodzaak tot het afzonderlijk oproepen van het Ministerie van Ruimtelijke Ordening en Milieu in deze zaak niet is gebleken nu de gevolmachtigde van de staat Suriname reeds voor het Ministerie van Regionale Ontwikkeling heeft geantwoord. Gelet op het voorgaande zal het afzonderlijk oproepen van het Ministerie van Regionale Ontwikkeling en Milieu in deze zaak de voortgang van deze zaak onredelijk vertragen. Op grond van het voorgaande zal de kantonrechter de wijziging van eis, welke inhoud het afzonderlijk oproepen van het Ministerie van Regionale Ontwikkeling en Milieu in deze zaak, afwijzen.

In de hoofdzaak

4.2. Eiser stelt dat gedaagde de aan hem verstrekte bouwvergunning niet rechtmatig heeft verkregen. Eiser stelt dat de in 7.1. van het inleidend verzoekschrift omschreven procedure en advisering niet hebben plaats gevonden. Voorts stelt eiser dat als gevolg van de door gedaagde sub. B ontplooide bouwwerkzaamheden inbreuk wordt gemaakt op zijn woongenot.
Gedaagde sub. B stelt dat hij doende is het bouwwerk af te bouwen en dat hij daarvoor een vergunning heeft. Gedaagde sub. B stelt dat de Districtscommissaris bij schrijven van 17 oktober 2019 DC no. 2145/19, een verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven voor de bouw van het pand en dat de overige omwonenden bij akte gedateerd 18 november 2020 hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen de door hem ontplooide bouwactiviteiten voor het opzetten van een magazijn. Gedaagde sub. A stelt dat de bouwvergunning aan gedaagde sub. B is verleend conform de regels die gelden voor het verkrijgen van een bouwvergunning. De kantonrechter is van oordeel dat de door eiser gestelde procedure van advisering van gedaagde sub. A door de districtscommissaris reeds in 2019 is geschied, en dat het consulteren van de omwonenden heeft plaats gevonden. Eiser heeft naar het oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk gemaakt dat de bouwvergunning aan gedaagde sub. B is verleend zonder dat de procedure voor het verkrijgen van de bouwvergunning in acht zijn genomen.
Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bouwvergunning welke door gedaagde sub. A is verleend aan gedaagde sub. B zonder dat de vereiste procedure tot het verkrijgen van een dergelijke vergunning doorlopen is, de kantonrechter de vordering tot schorsing van de bouwvergunning en het staken van de bouwwerkzaamheden zal afwijzen.

4.3. De kantonrechter zal op de overige stellingen en weren van partijen niet ingaan nu deze hem niet langer relevant voorkomen. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van gedaagden.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

In het incident

5.1. wijst af de gevorderde wijziging van eis,

In de hoofdzaak

5.2. wijst af het gevorderde,

5.3. veroordeelt eiser in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de gedaagden en tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, C.A. Wallerlei, en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter mr. S.J.S. Bradley op 25 februari 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2020-22

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
wonende in het [district],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. H.H. Veldkamp, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken, te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende op zijn Parket te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 11 maart 2016het verweerschrift d.d. 06 juni 2016;
  • de beschikking van het hof van 09 juni 2016 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 21 oktober 2016;
  • de processen-verbaal van het op 21 okober 2016 gehouden verhoor van partijen en van de voortzetting daarvan gehouden op respectievelijk 06 januari 2017, 19 mei 2017, 20 oktober 2017 en 01 december 2017;
  • de conclusie tot uitlating d.d. 04 mei 2018 zijdens [verzoekster], met producties;
  • de conclusie tot uitlating overgelegde producties d.d. 16 november 2018 zijdens de Staat, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating productie d.d. 04 januari 2019 zijdens [verzoekster], met producties;
  • de conclusie tot uitlating overgelegde producties d.d. 05 april 2019 zijdens de Staat, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating productie d.d. 17 mei 2019 zijdens [verzoekster].

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 01 november 2019, doch nader op heden.

2.De feiten
2.1 [verzoekster] is beleidsmedewerker (functiegroep 8, schaal 8A) in vaste dienst op de afdeling Voorlichting en Burgerparticipatie van het Ministerie van Regionale Ontwikkeling.
2.2 De ongedateerde beschikking van de ministers van Regionale Ontwikkeling en van Buitenlandse Zaken, kenmerk PZ/ED no.[nummer 1], maakt melding van het besluit van voormelde ministers tot overplaatsing van [verzoekster] te rekenen van 15 juni 2014 van het in 2.1 genoemd ministerie naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken (laatstgenoemd ministerie wordt hierna ook aangeduid als: het ministerie) met behoud van haar bezoldiging ad SRD 2.226,- per maand. Deze beschikking is slechts ondertekend door de minister van Regionale Ontwikkeling.
2.3 De minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) heeft bij schrijven d.d. 25 juli 2014, kenmerk [nummer 2], de Ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag (hierna: de ambassade) meegedeeld dat [verzoekster] ingaande 21 juli 2014 is gedetacheerd naar de ambassade in de functie van tweede ambassade secretaris. Blijkens voormeld schrijven bedraagt het maandelijkse bruto valuta inkomen van [verzoekster] € 2.522,51.
2.4 De minister heeft bij schrijven d.d. 22 juli 2015, kenmerk [nummer 3]/WGL/ODAD/wvk/2015, [verzoekster] meegedeeld dat de leiding van het ministerie heeft besloten haar per 01 oktober 2015 te muteren naar het Hoofdkantoor in Paramaribo.
2.5 [verzoekster] heeft een schrijven d.d. 09 november 2015, no. [nummer 4]/JP, gericht aan de directeur van Buitenlandse Zaken (hierna: de directeur). Dit schrijven houdt, zakelijk weergegeven, het volgende in:
[verzoekster] heeft zich conform de aan haar gegeven instructie op 01 oktober 2015 aangemeld op het hoofdkwartier van het ministerie te Paramaribo. Het is [verzoekster] echter niet duidelijk wat haar status is op het ministerie. Zij verlangt duidelijkheid omtrent de reden waarom zij niet optimaal ingezet kan worden op het ministerie en waarom zij niet wordt uitbetaald. Op instructie van mevrouw [naam 1], HRM adviseur op het kabinet van de minister, is [verzoekster] mondeling meegedeeld dat zij zich op 02 november 2015 moest aanmelden op het ministerie voor de aanvang van werkzaamheden op de afdeling Europa. [verzoekster] heeft zich van 03 november 2015 tot en met 06 november 2015 aangemeld op voormelde afdeling, maar is niet in de gelegenheid gesteld om de presentielijst te tekenen. Haar naam komt niet op de presentielijst voor en volgens mevrouw [naam 1] mag [verzoekster] haar naam niet daaraan toevoegen.
2.6 De directeur heeft bij schrijven d.d. 10 december 2015, PSMF [nummer 5], het volgende aan de waarnemend directeur van het Ministerie van Regionale Ontwikkeling bericht:
“Geachte mevrouw,
Hierbij deel ik u mede dat [verzoekster], die t.r.v. 15 juni 2014 ter beschikking is gesteld van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en tewerkgesteld was op de Ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag, te rekenen van 01 oktober 2015 gemuteerd is naar het hoofdkantoor van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Paramaribo.
Betrokkene wordt terekenen [sic] van 01 oktober 2015 wederom ter beschikking gesteld van uw ministerie.”

2.7 [verzoekster] heeft een schrijven d.d. 06 januari 2016 gericht aan de minister. Dit schrijven bevat vrijwel dezelfde inhoud als de in 2.5 genoemde brief. [verzoekster] heeft voorts aangegeven sinds het einde van haar detachering in onzekerheid te verkeren ten aanzien van de formalisering van haar rechtspositie.
2.8 De procesgemachtigde van [verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 25 januari 2016 (kennelijk abusievelijk gedateerd 25 januari 2015), ref. no. C.S.[nummer 6], onder meer het volgende aan de minister bericht:
“Geachte Minister,
Namens [verzoekster], (…), hierna te noemen cliënte, wordt hierdoor gaarne uw aandacht en medewerking gevraagd voor het volgende.
Zoals cliënte mij mededeelde is zij bij beschikking inzake overplaatsing t.n.v. [verzoekster], PZ/ED No. [nummer 1], ingaande 15 juni 2014 overgeplaatst van het Ministerie van Regionale Ontwikkeling naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Per schrijven van de voormalige Minister van Buitenlandse Zaken, de heer W.G. Lackin, gedateerd 25 juli 2014 is mijn cliënte gedetacheerd naar de post Den Haag in de functie van 2e Secretaris, althans de waarneming daarvan, waar zij voor iets langer dan een jaar in die functie heeft gediend. Per schrijven van de Minister van Buitenlandse Zaken, W.G. Lackin d.d. 22 juli 2015 werd cliënte teruggeroepen naar het Hoofdkwartier te Paramaribo met de opdracht dat zij haar werkzaamheden aldaar per 1 oktober 2015 diende aan te vangen.
Cliënte heeft gevolg gegeven aan de opdracht en zich op voormelde datum aangemeld op het Ministerie om haar werkzaamheden op het Hoofdkwartier te hervatten.
Cliënte heeft op de Ambassade langer dan een jaar in de functie van 2e Secretaris gediend, echter heeft zij haar volledig valuta Salaris in overeenstemming met betreffende functie niet mogen ontvangen. Aangezien zij op de post Den Haag is aangesteld in de functie van 2e Secretaris en een lager salaris heeft ontvangen dan een 2e Secretaris ontvangt, heeft zij in die functie waargenomen en dient haar een waarnemingstoelage toegekend te worden.
Cliënte heeft over de periode voorafgaande aan haar detachering t.w. in de periode 1 juli 2014 tot en met 20 juli 2014 evenmin salaris ontvangen. Ten slotte bent u als werkgever van mijn cliënte eveneens tekort geschoten door haar vanaf haar mutatie van de Ambassade Den Haag naar het Hoofdkantoor, in elk geval vanaf 1 oktober 2015 tot heden geen salaris uit te keren.
Cliënte heeft herhaalde malen verzocht om uitbetaling van haar salaris en om duidelijkheid omtrent haar rechtspositie, maar heeft tot heden daaromtrent geen antwoord van uw Ministerie gehad.

Middels dit schrijven wordt u verzocht kan het zijn, binnen een week na dagtekening van dit schrijven cliënte:

  1. Haar rechtens toekomend salaris uit te betalen vanaf 1 oktober 2015 en daarmee door te gaan tot het einde van de rechtsbetrekking tussen uw Ministerie en cliënte;
  2. Client haar salaris uit te keren over de periode 1 juli 2014 tot en met 20 juli 2014;
  3. Cliënte het verschil in salaris uit te keren in valuta tussen haar salaris van 2eAmbassade Secretaris en het salaris dat zij op de Post Den Haag daadwerkelijk heeft ontvangen.
    (…)

2.9 Op het schrijven van [verzoekster] dan wel haar procesgemachtigde vermeld in 2.5, 2.7 en 2.8 is geen reactie van het ministerie gekomen.
2.10 De waarnemend directeur Algemeen Beheer en Consulaire Zaken van het ministerie heeft bij schrijven d.d. 30 november 2017, PSMF/DAC-[nummer 7]/PZ/2017, onder meer het volgende aan de procesgemachtigde van de Staat bericht:

Gechte Mr. Vos,
Naar aanleiding van het schrijven van de Directeur van Regionale Ontwikkeling de dato 21 november 2017 no. [nummer 8]met betrekking tot het voorstel inzake case [verzoekster], gedaan door het wnd. Hoofd Personeelszaken, dhr. [naam 2] deel ik u hierbij mede dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken het besluit heeft genomen over te gaan tot uitvoering van het voorstel t.w.:

  • t.r.v. 1 juli 2014 de overplaatsing van het Ministerie van Regionale Ontwikkeling naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken;
  • rechtspositie over de periode van detachering;
  • t.r.v. 1 september 2016 de overplaatsing van het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar het Ministerie van Regionale Ontwikkeling.

Genoemde aspecten zal [sic] in nauw overleg met het Ministerie van Regionale Ontwikkeling worden ingezet.”

2.11 [verzoekster] heeft op 16 maart 2018 ontvangen de beschikking van de ministers van Regionale Ontwikkeling en van Buitenlandse Zaken d.d. 05 maart 2018, no. [nummer 9]. Deze beschikking luidt onder meer als volgt:
“(…)

OVERWEGENDE: dat [verzoekster] vooruitlopend op de formalisatie van haar overplaatsing naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken, haar werkzaamheden t.r.v. 15 juni 2014 heeft aangevangen op voornoemd Ministerie;

dat zijdens het Ministerie van Regionale Ontwikkeling respectievelijk d.d. 11 december 2014 no. [nummer 1] en d.d. 23 oktober 2015 no. [nummer 1], de conceptoverplaatsingsbeschikking is verzonden naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor afhandeling;

– dat [verzoekster] voornoemd, vanwege haar detachering naar de Ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag, ingaande 1 juli 2014 afgevoerd is van de betaalsrol van het Ministerie van Regionale Ontwikkeling, dit op uitdrukkelijk verzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken;

– dat [verzoekster] meergenoemd, vanaf de periode 15 juni 2014 tot en met 31 augustus 2016 gediend heeft op het Ministerie van Buitenlandse Zaken;

– dat de overplaatsing van [verzoekster] meergenoemd, gedurende de periode 15 juni 2014 tot en met 31 augustus 2016 nimmer is geformaliseerd;

– dat in het belang van de rechtspositie van [verzoekster] meergenoemd, het nodig wordt geacht deze overplaatsing alsnog te doen formaliseren.

HEBBEN BESLOTEN:
Op grond vanhetvorenoverwogene alsnog de formalisatie van de overplaatsing van [verzoekster] (…),Beleidsmedewerker (functiegroep 8, schaal 8A) in vaste dienst op de afdeling Voorlichting van het Ministerie van Regionale Ontwikkeling gedurende de periode 15 juni 2014 tot en met 31 augustus 2016 na wederzijdse overleg te doen plaatsvinden.
(…)
2.12 De raadsadviseur Personele Aangelegenheden heeft bij schrijven d.d. 25 mei 2018, no. [nummer 10]/RAPA/KP, het volgende aan de minister bericht:
“Onder verwijzing naar uw voorstel d.d. 05 april 2018, no. Geheim [nummer 11] betreffende de benoeming van [verzoekster], tot Tweede Ambassade Secretaris, deel ik u het volgende mede.

Voor de vervulling van de functie van Tweede Ambassade Secretaris is door het Centraal Staforgaan Formatiezaken en Efficiency vastgesteld dat de in deze functie te benoemen of aan te trekken functionaris naast een doctoraal of master opleiding, een diplomaten opleiding moet hebben afgerond en minimaal 2 (twee) jaar als Senior Desk Officer moet hebben gediend.

Nu is komen vast te staan dat [verzoekster] voornoemd niet voldoet aan bovengenoemde functievereisten, wordt dezerzijds geen toestemming verleend haar te benoemen in meergenoemde functie.”

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoekster] vordert, naar het hof begrijpt, dat bij vonnis de Staat zal worden veroordeeld:

  1. tot betaling aan haar van het achterstallige salaris ad SRD845,- vanaf 01 oktober 2015 tot 01 maart 2016, tegen (lees kennelijk: vermeerderd met) de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf rechtsingang tot de algehele voldoening, alsmede de 50% boeterente (lees kennelijk: de wettelijke verhoging van 50%) wegens vertraging in de uitbetaling;
  2. om daarmee voort te gaan tot het einde der rechtsbetrekking;
  3. om aan haaruit te keren het salaris ad SRD 2.600,- over de periode 01 juli 2014 tot en met 20 juli 2014, tegen (lees kennelijk: vermeerderd met) de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf rechtsingang tot de algehele voldoening, alsmede de 50% boeterente (lees kennelijk: de wettelijke verhoging van 50%) wegens vertraging in de uitbetaling;
  4. tot betaling aan haar van het verschil tussen het valutasalaris van de 2eambassade secretaris op basis van de vigerende regels van Buitenlandse Zaken (lees kennelijk: het Ministerie van Buitenlandse Zaken) en het valutasalaris dat zij daadwerkelijk op de ambassade in Den Haag heeft ontvangen vanaf haar detachering, tegen (lees kennelijk: vermeerderd met) de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf rechtsingang tot de algehele voldoening.

[verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoekster] heeft in hoofdzaak hetgeen is vermeld in het schrijven van haar procesgemachtigde d.d. 25 januari 2016 (zie 2.8) aan haar vordering ten grondslag gelegd. [verzoekster] stelt voorts, kort gezegd, dat de Staat zich schuldig maakt aan wanprestatie door haar maandelijkse salaris vanaf 01 oktober 2015 niet aan haar te betalen. Het achterstallige brutosalaris over de periode 01 oktober 2015 tot 31 januari 2016 bedraagt SRD 11.876,-, aldus [verzoekster]. Zij stelt verder dat de Staat wanprestatie pleegt en ook onrechtmatig handelt door niet aan haar te betalen haar salaris ad SRD 2.612,67 over de periode 01 juli 2014 tot en met 20 juli 2014, alsmede het verschil in valutasalaris van de 2e Secretaris op basis van de vigerende ambtelijke regels en het salaris dat zij daadwerkelijk op de post Den Haag heeft ontvangen in de periode van haar detachering, te weten van 25 juli 2014 tot 01 oktober 2015.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.1 De Staat heeft, naar het hof begrijpt, als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat het hof niet bevoegd is om kennis te nemen van het gevorderde. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat het gevorderde niet steunt op één van de drie limitatieve vorderingen waarover het hof ingevolge artikel 79 lid 1 Pw heeft te beslissen. [verzoekster] vordert betaling van loon en het gaat in haar visie aldus om nakoming van een betalingsverplichting, aldus de Staat. Volgens de Staat betreft het gevorderde dus niet de vergoeding van schade. De Staat heeft ter ondersteuning van zijn verweer verwezen naar het vonnis van het Hof van Justitie (HvJ) van 21 juni 1991, A-256, Velanti ca. de Staat Suriname, S.J. 1991, pag. 78 e.v.

4.1.2 Vaststaat dat [verzoekster] ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. Deze wet is dan ook op haar van toepassing. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;

c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.3 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren.

[verzoekster] vordert in 3.1 onder 1, 3 en 4, kort gezegd, achterstallig salaris. In haar stellingen ligt, naar het oordeel van hof, besloten dat de Staat door het achterstallige salaris niet aan haar te betalen, in strijd handelt met de Personeelswet.

Een vordering tot betaling van salaris is, gelijk de Staat heeft betoogd, niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het in 3.1 onder 1, 3 en 4 gevorderde aldus uit te leggen dat [verzoekster] geen betaling van het achterstallige salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van het (volledige) salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde.

Het hof beschouwt ook de mede gevorderde wettelijke rente als schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw.

Hetzelfde geldt, naar het oordeel van het hof, niet voor de mede gevorderde wettelijke verhoging in de zin van artikel 1614q van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze wettelijke verhoging, die de werkgever verschuldigd is bij niet-tijdige betaling van het salaris, is immers niet bedoeld als een (gefixeerde) schadevergoeding, maar als een prikkel om de werkgever te bewegen tot tijdige betaling (vgl. HR 05 januari 1979, NJ 1979, 207). Het hof is derhalve niet bevoegd om van dit deel van de vordering kennis te nemen.

Gelet op het voorgaande acht het hof zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw dan ook bevoegd om kennis te nemen van het in 3.1 onder 1, 3 en 4 gevorderde, met uitzondering van de mede gevorderde wettelijke verhoging van 50%.

4.1.4 Zoals onder 4.1.1 overwogen beroept de Staat zich op het vonnis van het hof van 21 juni 1991, A-256, inzake Velanti ca. de Staat Suriname, ter ondersteuning van zijn onbevoegdheidsverweer. Het hof heeft in het hiervoor vermelde vonnis verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot veroordeling van de Staat tot betaling van, kort gezegd, achterstallig salaris. Het hof heeft daartoe, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Overwegende, dat hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken (…) kan worden gevorderd limitatief is omschreven in artikel 79 der Personeelswet (vgl. Vs. H.v.J. d.d. 18 dec. ’70, S.J. 1970, No. 15);

Overwegende, dat het door verzoeker gevorderde niet kan worden toegewezen, omdat het Hof ingevolge artikel 79 lid 1 sub b van meergenoemde wet slechts bevoegd is tot kennisneming van vorderingen tot vergoeding van schade, welke voor een ambtenaar is voortgevloeid uit een besluit of handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, hebbende verzoeker geen zodanige besluit of dergelijke handeling gesteld en zijnde daarvan ook niet gebleken;

Overwegende, dat verzoeker mitsdien in zijn vordering niet kan worden ontvangen;”

Gelet op het in 4.1.3 overwogene staat voormeld vonnis niet in de weg aan de bevoegdheid van het hof om kennis te nemen van het in 3.1 onder 1, 3 en 4 gevorderde achterstallige salaris. Het hof verwijst hierbij tevens naar de heersende jurisprudentie van het hof in dit kader, waaronder HvJ 17 december 2010, A-690, Favery ca. de Staat Suriname en HvJ 03 juni 2011, A-684, Pinas ca. de Staat Suriname.

4.1.5 Het in 3.1 onder 2 gevorderde valt niet onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen.

4.1.6 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het onbevoegdheidsverweer van de Staat slechts doel treft ten aanzien van het in 3.1 onder 2 gevorderde en ten aanzien van de gevorderde wettelijke verhoging van 50%.

Vermeerdering van eis?
4.2 [verzoekster] heeft bij conclusie tot uitlating productie d.d. 17 mei 2019 – zijnde het laatste processtuk – naar het hof begrijpt, gesteld dat de Staat, nu de vertraging in de uitbetaling van voren bedoeld verschil in valutasalaris aan hem te wijten is en hij op de koop toe zijn toezegging om haar rechtspositie over de periode van haar detachering in orde te maken, weigert na te komen, de wettelijke verhoging van 50% aan haar dient te betalen.

Geconstateerd wordt dat [verzoekster], gelet op het door haar gevorderde, aan deze stelling geen gevolgtrekking heeft verbonden. Het hof zal deze stelling derhalve beschouwen als een bloot te kennen geven en daaraan voorbijgaan.

Voor zover [verzoekster] met voormelde stelling een vermeerdering van eis beoogde, in die zin dat tevens wordt gevorderd veroordeling van de Staat tot betaling van de – in artikel 1614q BW bedoelde – wettelijke verhoging van 50% wegens vertraging in de uitbetaling van het in 3.1 onder 4 gevorderde verschil in valutasalaris, zou dit gevorderde moeten worden afgewezen nu de Staat geen gelegenheid heeft gekregen om daarop te reageren.

Ontvankelijkheid
4.3.1 De Staat voert tevens een niet-ontvankelijkheidsverweer. De Staat heeft ten aanzien van de vorderingen vermeld in 3.1 onder 1 en 3, naar het hof begrijpt en kort gezegd, betoogd dat deze zijn ingesteld na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn van drie maanden, genoemd in artikel 80 lid 2 sub c Pw, en dat [verzoekster], derhalve daarmee tardief zijnde, daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4.3.2 Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De administratie van de Staat kenmerkt zich door de doorgaans trage wijze waarop zij ten aanzien van de rechtspositie van landsdienaren, besluiten neemt en deze schriftelijk vastlegt – zelfs na daartoe strekkende verzoeken van de belanghebbenden, op welke verzoeken vaak niet wordt gereageerd – dan wel door de wet verplichte handelingen verricht, waaronder het (tijdig) betalen van salaris en waarnemingstoelagen.

In de onderhavige zaak verwijt [verzoekster] de Staat, kort gezegd, niet het (volledige) (valuta)salaris aan haar te hebben betaald, zijnde de betaling van het salaris een voor de Staat verplichte handeling.

[verzoekster] heeft op haar beurt niet stilgezeten en heeft bij schrijven d.d. 09 november 2015 en d.d. 06 januari 2016, gericht aan respectievelijk de directeur en de minister (zie 2.5 en 2.7), zakelijk weergegeven, aandacht gevraagd voor haar rechtspositie. [verzoekster] heeft vervolgens bij schrijven van haar procesgemachtigde d.d. 25 januari 2016 de minister, kort gezegd, verzocht om over te gaan tot betaling aan haar van het door haar gestelde achterstallige salaris (zie 2.8). Vaststaat dat op geen der voornoemde brieven van [verzoekster] een reactie van de Staat is gevolgd. Ten slotte heeft [verzoekster], wegens het uitblijven van de betaling, op 11 maart 2016 de onderhavige vordering bij het hof ingesteld.

Gelet op het voorgaande, met name het niet stilzitten van [verzoekster] als hierboven bedoeld en de korte termijn waarbinnen de onderhavige vordering is ingesteld na het in 2.8 vermeld schrijven van de procesgemachtigde van [verzoekster] aan de minister, acht het hof [verzoekster] ontvankelijk in haar vordering.

Hiermee wordt het door de Staat gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer verworpen.

4.4 De Staat heeft in de loop van dit geding een schikkingsvoorstel gedaan aan [verzoekster], één en ander conform het schrijven van de waarnemend directeur Algemeen Beheer en Consulaire Zaken van het ministerie d.d. 30 november 2017 gericht aan de procesgemachtigde van de Staat (zie 2.10). Uit hetgeen de comparitiegevolmachtigde van de Staat, mevrouw [naam 3], hoofd Personeelszaken van het ministerie, ter terechtzitting van 01 december 2017 heeft verklaard, alsmede uit de conclusie tot uitlating overgelegde producties d.d. 16 november 2018 zijdens de Staat, begrijpt het hof dat het schikkingsvoorstel tevens inhoudt dat de Staat het achterstallige salaris van [verzoekster] over de perioden 01 juli 2014 tot en met 20 juli 2014 en 01 oktober 2015 tot en met 31 augustus 2016 zal betalen.

4.5 [verzoekster] heeft bij conclusie tot uitlating productie d.d. 04 januari 2019 erkend een bepaald bedrag van de Staat – naar het hof begrijpt in de maand november 2018 – ontvangen te hebben. Volgens [verzoekster] is het echter niet duidelijk op welke perioden dit bedrag betrekking heeft. [verzoekster] stelt voorts het salaris over de periode 01 juli 2014 tot en met 20 juli 2014 niet in dit bedrag teruggevonden te hebben. Zij heeft de Staat daarom om een overzicht of toelichting ter zake van het ontvangen bedrag gevraagd.

4.6 De Staat heeft in reactie hierop bij zijn conclusie tot uitlating overgelegde producties d.d. 05 april 2019, onder overlegging van een uitdraai van de loonslip ten name van [verzoekster] over de maand november 2018, aangevoerd dat de in voormelde maand gedane betalingen aan [verzoekster] betreffen de perioden 01 juli 2014 tot en met 20 juli 2014 en 01 oktober 2015 tot en met 31 augustus 2016.

4.7 Blijkens voren bedoelde loonslip zijn in de maand november 2018 onder meer aan [verzoekster] betaald de volgende bedragen aan (achterstallige) bezoldiging: SRD 1.484,-, SRD 6.744,- en SRD 18.168,-. [verzoekster] heeft netto een bedrag groot SRD 19.347,66 aan salaris ontvangen.

[verzoekster] heeft bij conclusie tot uitlating productie d.d. 17 mei 2019, naar het hof begrijpt, gesteld dat deze loonslip niet het volledige bedrag waarop zij aanspraak maakt, weergeeft, aangezien zij recht heeft op uitbetaling van salaris overeenkomstig haar functie van tweede ambassade secretaris (Fiso schaal 11A).

Het hof volgt [verzoekster] niet in deze stelling. [verzoekster] heeft, nog daargelaten de vraag of zij aanspraak maakt op betaling van salaris overeenkomstig de functie van tweede ambassade secretaris (Fiso schaal 11A), een dergelijke betaling niet in het onderhavige geding gevorderd. Zij heeft verder geen andere argumenten ter onderbouwing van haar stelling aangevoerd.

Het hof houdt het derhalve ervoor dat de Staat met voormelde, bij wege van schikking, in de maand november 2018 gedane betaling aan [verzoekster] heeft voldaan aan het gevorderde in 3.1 onder 1 en 3, zodat dit zal worden afgewezen.

Verschil in valutasalaris
4.8 Naar het hof begrijpt vordert [verzoekster] in 3.1 onder 4, mede gelet op haar stellingen, betaling van het verschil tussen het maandelijkse valutasalaris behorende bij de functie van tweede ambassade secretaris en het daadwerkelijk door haar genoten maandelijkse valutasalaris vanaf 25 juli 2014 tot 01 oktober 2015, zijnde de periode waarin zij was gedetacheerd naar de ambassade.

[verzoekster] heeft nagelaten voldoende feiten te stellen waaruit kan worden afgeleid hoeveel het door haar bedoelde verschil in (netto) valutasalaris maandelijks over voormelde periode bedraagt. Zij heeft derhalve niet voldaan aan haar stelplicht ter zake. Het gevorderde zal reeds hierom, ongeacht hetgeen [verzoekster] verder daaraan ten grondslag heeft gelegd, als onvoldoende feitelijk onderbouwd worden afgewezen.

4.9 De gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.10 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing

Het hof:
5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de in 3.1 onder 1 en 3 mede gevorderde wettelijke verhoging van 50%, alsmede van het in 3.1 onder 2 gevorderde.
5.2 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr.I.S.Chhangur-Lachitjaran, leden, en
w.g. D.D. Sewratan
door mr. A. Charan, fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 17 juli 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend–griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld