SRU-HvJ-2020-41

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker]
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie c.q. de Minister van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het hof) op 18 maart 2016;
  • de beschikking van het hof van 02 januari 2017 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 17 februari 2017, welk verhoor is verplaatst naar 21 juli 2017;
  • het proces-verbaal van het op 21 juli 2017 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging van stukken zijdens de Staat d.d. 17 november 2017, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] d.d. 19 januari 2018, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens de Staat d.d. 06 april 2018.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 03 augustus 2018, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker], ambtenaar in dienst van de Staat, is in 2003 bevorderd tot penitentiaire ambtenaar 2e klasse.

2.2 In december 2014 zijn enkele penitentiaire ambtenaren van de lichting van [verzoeker] bevorderd tot de naast hogere rang. [verzoeker] bevond zich niet onder deze groep van bevorderde penitentiaire ambtenaren.

2.3 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 05 augustus 2015 van zijn procesgemachtigde, gericht aan de minister van Justitie en Politie (hierna: de minister), kort gezegd, zich erover beklaagd dat hij niet in december 2014 is bevorderd tot de naast hogere rang en de minister verzocht om hem binnen redelijke termijn te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse met terugwerkende kracht vanaf december 2014.

2.4 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 21 augustus 2015, gericht aan de directeur van de Penitentiaire Inrichting [plaats], bezwaar aangetekend tegen een door hem gekregen negatieve beoordeling over de periode van januari 2015 tot en met juni 2015. [verzoeker] heeft bij deze gelegenheid zich voorts erover beklaagd dat hij niet in december 2014 is bevorderd tot de naast hogere rang en voormelde directeur verzocht het daarheen te leiden dat hij binnen een redelijke termijn wordt bevorderd tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse met terugwerkende kracht vanaf december 2014. Een kopie van dit schrijven is onder meer verzonden aan de (nieuw aangetreden) minister en de onderdirecteur van Justitie belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Delinquentenzorg.

2.5 Bij schrijven d.d. 11 februari 2016, DZ/[nummer], met als onderwerp ‘reactie bezwaarschrift’, is namens de waarnemend onderdirecteur van Justitie belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Delinquentenzorg het volgende aan [verzoeker] bericht:

Penitentiaire ambtenaar [verzoeker],
Middels deze delen wij u mede dat bij de laatst gehouden bevorderingen in het jaar 2014 u vanwege uw groot aantal ziektedagen niet in aanmerking kwam voor bevorderingen in de naast hogere rang.
Wij doen er alles aan om u, zolang u aan de voorwaarden voldoet, bij de eerstvolgende bevorderingen te bevorderen in de naast hogere rang.

2.6 De minister heeft bij schrijven d.d. 16 februari 2016, SM [nummer 2], onder meer het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:

“Geachte heer,
Naar aanleiding van uw schrijven van 21 augustus 2015, wordt u als volgt bericht.
Uit onderzoek is komen vast te staan dat u niet bent voorgedragen voor bevordering in de naast hogere rang vanwege het feit dat u vaker ziek meld [sic] waardoor de dienst niet op u kan rekenen. Als gevolg van uw presentiegedrag zijn er correctiegesprekken met u gevoerd die helaas geen soelaas hebben geboden.
U bent niet alleen beoordeeld aan de hand van uw presentiegedrag maar ook aan de hand van alle gedragingen en handelingen binnen de dienst.

Penitentiaire ambtenaren die het niet nauw nemen met de dienst kunnen nimmer conform enkele bevorderingseisen worden benoemd.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. het genomen besluit van de Staat tot het verlies van aanspraak op bevordering van [verzoeker] zal worden vernietigd;
b. de Staat zal worden veroordeeld om [verzoeker] te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse en wel met terugwerkende kracht vanaf december 2007 en met behoud van anciënniteit;
c. de Staat zal worden veroordeeld om [verzoeker] te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse en wel met terugwerkende kracht vanaf december 2014, indien het hof niet meegaat met de ingangsdatum onder sustenu b, en met behoud van anciënniteit;
d. een dwangsom zal worden verbeurd van SRD 5.000,- per dag, voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft om uitvoering te geven aan het sub b of sub c gevorderde;
e. de Staat zal worden gelast aan [verzoeker] toe te kennen de bij de rang van penitentiaire ambtenaar 1ste klasse behorende bezoldiging en emolumenten vanaf december 2007, althans vanaf december 2014.[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Volgens het bevorderingsbeleid had [verzoeker] in 2007 moeten worden bevorderd tot de naast hogere rang en wel die van penitentiaire ambtenaar 1ste klasse. [verzoeker] heeft het als willekeur ervaren dat hij zonder deugdelijke motivering buiten de groep van in december 2014 bevorderde ambtenaren is gelaten. Hij ervaart het als een enorme domper dat hij, na 13 jaren in de rang van penitentiaire ambtenaar 2e klasse te hebben gediend, nog steeds niet is bevorderd tot een naast hogere rang. [verzoeker] heeft zich nimmer schuldig gemaakt aan enige laakbare handeling of gedraging. Hij heeft zich altijd opgesteld als een voorbeeldige leidinggevende en is nimmer in gebreke gesteld om zich te verweren voor enig plichtsverzuim. Kortom, hij heeft een goede staat van dienst als penitentiaire ambtenaar 2e klasse.[verzoeker] is op 18 augustus 2015 bekend geworden met een beoordelingsstaat, waarin is aangegeven dat hij negatief is beoordeeld over de periode van januari 2015 tot en met juni 2015. Hij heeft op 21 augustus 2015 bezwaar aangetekend tegen deze negatieve beoordeling (zie 2.4). De reden tot de negatieve beoordeling betreft de meerdere door [verzoeker] opgenomen ziekteverlofdagen. Dit kan echter nimmer leiden tot een negatieve beoordeling. [verzoeker] prestaties op de werkvloer dienen te worden meegenomen bij de beoordeling. [verzoeker] heeft op 16 februari 2016 het in 2.6 genoemd schrijven ontvangen, in welk schrijven is aangegeven dat hij niet zal worden bevorderd tot een naast hogere rang. In dit schrijven is tevens aangegeven dat hij door ziekte minder inzetbaar is voor de dienst. [verzoeker] kan zich niet hiermee verenigen. Hij is hernia patiënt en onder behandeling van de specialist [naam 1] (het hof begrijpt: [naam 1]). Laatstgenoemde heeft grondige onderzoeken gedaan en rust van belang gesteld. Volgens artikel 32 lid 1 sub f van het Penitentiair Besluit moet vorenbedoeld verlies van aanspraak op bevordering gezien worden als een door de Staat opgelegde tuchtstraf. [verzoeker] zal op grond van artikel 79 lid 2 sub d Pw nietigverklaring vorderen van het besluit vervat in het schrijven d.d. 16 februari 2016.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] (penitentiaire) ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw en artikel 1 lid 1 van het Penitentiair Besluit, zodat voormeld(e) wet en besluit op hem van toepassing zijn. Hetgeen van het hof als gerecht in ambtenarenzaken gevorderd kan worden, is limitatief omschreven in artikel 79 Pw. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg onder meer over vorderingen tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Volgens artikel 79 lid 2 sub d Pw is een besluit waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, vatbaar voor nietigverklaring.

4.1.2 Naar het hof begrijpt, gaat [verzoeker] ervan uit dat in het schrijven van de minister d.d. 16 februari 2016 (zie 2.6) is vervat het besluit tot oplegging aan hem van de in artikel 32 lid 1 sub f van het Penitentiair Besluit genoemde tuchtstraf, te weten: stilstand van bezoldiging, bestaande uit verlies van de aanspraak op bevordering en van die op periodieke verhogingen, voor een tijdvak van ten hoogste drie jaar. Het in 3.1 onder a gevorderde strekt dan ook tot de nietigverklaring van dit door [verzoeker] gestelde besluit. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub a juncto lid 2 sub d Pw dan ook bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

4.1.3 Het hof vat het in 3.1 onder b tot en met d gevorderde op als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald, in casu het verder achterwege laten van de Staat om [verzoeker] te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse en wel met terugwerkende kracht vanaf december 2007, althans vanaf december 2014 en met behoud van anciënniteit. Het hof acht zich derhalve op grond van voormelde bepaling bevoegd om ook van dit deel van de vordering kennis te nemen.

4.1.4 Het hof beschouwt het in 3.1 onder e gevorderde als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar is voortgevloeid uit een nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, in casu het nalaten van de Staat om aan [verzoeker] toe te kennen de bij de rang van penitentiaire ambtenaar 1ste klasse behorende bezoldiging en emolumenten vanaf december 2007, althans vanaf december 2014. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om van dit gevorderde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2.1 Ingevolge artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 1 sub a en lid 2 sub d Pw is een vordering tot nietigverklaring van een besluit, waarbij aan een (penitentiaire) ambtenaar een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, niet-ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. [verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat hij het in 2.6 genoemd schrijven van de minister d.d. 16 februari 2016, waarin zou zijn vervat het besluit tot oplegging aan hem van de door hem gestelde tuchtstraf (zie 4.1.2), op dezelfde datum heeft ontvangen. Nu [verzoeker] het verzoekschrift op 18 maart 2016 heeft ingediend, derhalve meer dan een maand na 16 februari 2016 – de maand februari 2016 telt immers 29 dagen –, is hij tardief met het in 3.1 onder a gevorderde en dient hij daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.2.2 Het hof overweegt ten overvloede dat ook in geval [verzoeker] wel ontvankelijk zou zijn in het in 3.1 onder a gevorderde, dit gevorderde niet zou kunnen worden toegewezen. Naar het oordeel van het hof kan immers het door [verzoeker] gehuldigde uitgangspunt, zoals weergegeven in 4.1.2, niet als juist worden aanvaard. De in het schrijven van de minister d.d. 16 februari 2016 gedane mededeling omtrent het uitblijven van de bevordering van [verzoeker] in 2014 is, anders dan [verzoeker] meent, geen besluit (in de zin van de Personeelswet) en allerminst een besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de door hem gestelde tuchtstraf, hoe zeer hij het ook als zodanig ervaart. In voormeld schrijven, niet zijnde een ministeriële beschikking, wordt [verzoeker] bovendien niet verweten zich aan enig plichtsverzuim schuldig te hebben gemaakt.

4.2.3 Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] het in 3.1 onder b tot en met e gevorderde te laat heeft ingesteld bij het hof, zodat hij daarin ontvankelijk is.

4.3 De comparitiegevolmachtigde van de Staat, [naam 2] (hierna: [naam 2]), directeur van de Penitentiaire Inrichting [plaats], heeft ter gelegenheid van het op 21 juli 2017 gehouden verhoor van partijen verklaard dat [verzoeker] op 28 december 2016 is bevorderd tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse en wel te rekenen van 01 januari 2016. [verzoeker] heeft zulks bevestigd, zodat het hof van de juistheid daarvan zal uitgaan. Het hof acht daarom termen aanwezig het in 3.1 onder b tot en met d gevorderde thans te lezen als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten door de Staat om [verzoeker] bevordering tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse te laten ingaan vanaf december 2007, althans vanaf december 2014 en wel met behoud van anciënniteit, zulks in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het voorgaande is niet van invloed op de bevoegdheid van het hof om van dit gevorderde kennis te nemen.

4.4.1 Thans dient beantwoord te worden de vraag of de Staat in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald, achterwege heeft gelaten om de bevordering van [verzoeker] tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse in te laten gaan vanaf december 2007, althans vanaf december 2014. Daarbij dienen alle relevante omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

4.4.2 Vooropgesteld wordt dat er een regeling met betrekking tot de bevordering van penitentiaire ambtenaren bestaat, welke regeling is opgenomen in de artikelen 42 en 43 van het op [verzoeker] van toepassing zijnde Reglement voor het Korps Penitentiaire Ambtenaren (G.B. 1973 no. 61, gelijk dit luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij S.B. 1983, no. 102). Artikel 42 lid 1 aanhef en onder d van voormeld reglement luidt als volgt:

“In aanmerking voor benoeming in de rang van penitentiaire ambtenaar der eerste klasse komt de penitentiaire ambtenaar der tweede klasse, die – onverminderd de eisen van geschiktheid voor de nieuwe rang en rekening houdende met de formatie een – diensttijd van tenminste vier jaren in die klasse heeft vervuld en in het bezit is van het Diploma-B penitentiaire ambtenaar.”

4.4.3 [naam 2] heeft ter zitting onweersproken dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken verklaard, dat de formatie het pas in 2014 toeliet dat de lichting van [verzoeker] in aanmerking kwam voor bevordering tot de naast hogere rang, zodat het hof van de juistheid daarvan zal uitgaan. [verzoeker] heeft immers niet beweerd dat lichtingsgenoten van hem in 2007, althans vóór 2014 zijn bevorderd tot de naast hogere rang – zijnde die van penitentiaire ambtenaar 1ste klasse – en zulks is ook niet gebleken.

4.4.4 Blijkens artikel 2 lid 3 van het Penitentiair Besluit geschiedt de aanstelling, bevordering, schorsing en ontslag van de penitentiaire ambtenaren door de minister, voor zover deze bevoegdheid niet aan een andere autoriteit is toegekend. De minister heeft bij schrijven d.d. 16 februari 2016 (zie 2.6) onder meer aan [verzoeker] bericht dat uit onderzoek is komen vast te staan dat hij (in 2014) niet is voorgedragen voor bevordering tot de naast hogere rang vanwege zijn vele ziektedagen, waardoor de dienst niet op hem kon rekenen. Dit vindt ondersteuning in hetgeen [naam 2] ter zitting heeft verklaard. Blijkens het door de Staat overgelegde overzicht van het presentiegedrag van [verzoeker] (productie no. 2 bij de conclusie tot overlegging van stukken zijdens de Staat d.d. 17 november 2017) had [verzoeker] in de periode 2007 tot en met 2014 in totaal 573 ziektedagen. [verzoeker] heeft voormeld overzicht niet betwist, zodat het hof van de juistheid van het aantal van 573 ziektedagen uitgaat. In de visie van het hof kon de Staat in alle redelijkheid reeds op grond van dit grote aantal ziektedagen, waardoor [verzoeker] in sterk vermindere mate inzetbaar was voor de dienst, tot het oordeel zijn gekomen dat [verzoeker] in december 2014 niet in aanmerking kwam voor bevordering tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse. Zulks ongeacht of al dan niet aan het bepaalde in artikel 42 lid 1 aanhef en onder d van het Reglement voor het Korps Penitentiaire Ambtenaren was voldaan. Dat [verzoeker] niets aan zijn ziekte kan doen, doet daar evenmin aan af. Gelet op het voorgaande is, ongeacht hetgeen [verzoeker] voorts heeft gesteld, niet komen vast te staan dat de Staat in strijd heeft gehandeld met het beginsel van verbod van willekeur door [verzoeker] in december 2014 niet te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse.

4.5 Uit hetgeen hierboven in 4.4.3 en 4.4.4 is overwogen, volgt dat de Staat niet in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald, achterwege heeft gelaten om de bevordering van [verzoeker] tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse te laten ingaan vanaf december 2007, althans december 2014. Het in 3.1 onder b tot en met d gevorderde zal dan ook worden afgewezen. Het in 3.1 onder e gevorderde, dat als een sequeel daarvan heeft te gelden, ondergaat hetzelfde lot.

4.6 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5. De beslissing
Het hof:
5.1 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het in 3.1 onder a gevorderde.

5.2 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr.I.S.Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 16 oktober 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. E.M. Redjopawiro namens advocaat mr. R.R. Lobo, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door Major Pengel namens mr. R. Koendan, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2021-4

Kantonrechter in Kort geding

A.R. no. 210733
24 maart 2021

Vonnis in de zaak van

A. [eiser sub A], wonende aan [adres 1] te [district],
B. [eiser sub B], wonende aan de [adres 2] te [district],
procederend in persoon,
eisers in kort geding,
tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Volksgezondheid, ten deze vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, gevestigd en kantoorhoudende aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,
gemachtigden: mr. C.B. Lachman en mr. M. Babulall, advocaten,
gedaagde in kort geding.

1. Het proces verloop:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 9 maart 2021 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van eis d.d. 11 maart 2021,
  • de mondelinge conclusie van antwoord, met producties, aangetekend in het proces-verbaal van de zitting van 11 maart 2021;
  • de conclusie van repliek, met producties,
  • de conclusie van dupliek, met producties,
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens eisers.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kort geding is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Ingevolge de Wet van 7 augustus 2020 houdende algemene regels in verband met de uitvoering van een burgerlijke uitzonderingstoestand afgekondigd ingevolge artikel 23 jo 72 onder c van de Grondwet (SB 2020 no. 151), genoemd de Wet Uitvoering Burgerlijke Uitzonderingstoestand, zijn bij Presidentieel besluit van 25 juli 2020 (SB 2020 no. 143 / PB 16/2020) een aantal maatregelen vastgesteld.

2.2 Artikel 1 van het Presidentieel besluit luidt alsvolgt:
“Vanaf 26 juli 2020 tot nader orde worden de volgende maatregelen voor een ieder verplicht gesteld:
a. het dragen van een mond- en neusbedekking;
b. het aanhouden van 1,5 meter fysieke afstand, de zogeheten Covid afstand en
c. het regelmatig desinfecteren van de handen. “

2.3 Naar de effectiviteit en de gevolgen van het dragen van een mond- en neusbedekking is door verschillende instanties onderzoek gedaan.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering
Eisers vorderen, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
– De maatregelen voortvloeiende uit de Wet Uitvoering Burgerlijke Uitzonderingstoestand, welke omstreeks juni 2020 in werking is getreden, waarbij het dragen van een mond- en neusbedekking c.q. mondkapje voor burgers van Suriname verplicht is gesteld om verspreiding van Covid-19 tegen te gaan, opschort totdat deze middels een definitieve voorziening zal zijn opgeheven;
Subsidiair:
– De gedaagde veroordeelt om naast het aanbevelen van mondkapjes de bevolking omstandig te informeren over het bestaan van wetenschappelijk bewijs dat mondkapjes medisch niet effectief zijn en dat zij integendeel zelfs schadelijk zijn voor de gezondheid, en voorts
Primair en subsidiair:
– Gedaagde veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag
Eisers hebben als grondslag voor het gevorderde vier gronden aangevoerd:

1. Het dragen van een mond- en neuskap draagt niet bij aan het tegengaan van de gevolgen van Covid-19
Het verplicht voorschrijven van het dragen van mond- en neusbedekking draagt niet bij aan het tegengaan van de gevolgen van Covid-19. Er bestaat geen enkel serieus bewijs dat mond- en neuskapjes helpen.
Op basis van veertig jaar wetenschappelijk onderzoek is er onvoldoende bewijs dat mond- en neuskapjes effectief zijn in het voorkomen van de verspreiding van virussen zoals het Covid-19 virus.
Eisers verwijzen naar de resultaten van de onderzoekers Ha’eri en Wiley uit 1980, onderzoekers van de Universiteit van Minnesota van oktober 2020, onderzoeken naar de effectiviteit van het dragen van maskers in de operatiekamer van 11 verschillende onderzoeksteams, van de onderzoekers van MacIntyre et al., van de Amerikaanse CDC, van de Deense RCT, van Oostenrijkse wetenschappers, van wetenschappers in de Amerikaanse staat Kansas, van professor dr. I. Kappstein van het Robert Koch Instituut, van professor Sarah Lebeer aan de Universiteit van Antwerpen, een onderzoek aan de Faculteit der Technologische Wetenschappen in Suriname, van Fikenzer et al. van juni 2020, van Yanis Roussel et al. en van de WHO zelf van onder andere juni 2020.
In meerdere rechtzaken in Nederland is door de rechter geoordeeld dat het nut van het dragen van mondkapjes beperkt en omstreden is.

2. Het dragen van mond- en neusbedekking is juist aantoonbaar schadelijk voor de gezondheid van burgers zowel fysiek als psychisch
Er is bij het dragen van een mond- en neuskap een risico op een toename van infecties van virussen, bacteriën en schimmels door langdurig en niet hygiënisch gebruik van mondkapjes, ook kunnen er allerlei andere negatieve gezondheidseffecten optreden. Voorts kan bij langdurig dragen van mondkapjes door burgers blijvende schade worden veroorzaakt. Het is niet rechtvaardig om zo verregaand in te grijpen in de grondrechten van burgers door ze te verplichten om een mondkapje te dragen terwijl het dragen schadelijk is en niet helpt. Gedaagde heeft zich niet gehouden aan het zorgvuldigheidsbeginsel bij de besluitvorming welke geleid heeft tot het verplichten van mondkapjes.

3. De verplichting om mond- en neusbedekking te dragen is in strijd met fundamentele mensenrechten zoals opgenomen in de Grondwet en Verdragen
Het verplichten tot het dragen van mond- en neusbedekking staat op gespannen voet met verschillende grondrechten zoals opgenomen in de Grondwet en Verdragen. De verplichting tot het dragen van een mond- en neusbedekking druist in tegen het universele grondrecht van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zoals geformuleerd in artikel 16 leden 1 en 2 en artikel 17 lid 1 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM.
Ook is er sprake van een onrechtmatige inbreuk op het recht op leven, welk recht in artikel 14 van de Grondwet is opgenomen. De schade welke op verschillende manieren aangericht wordt aan de gezondheid van burgers door het verplicht dragen van mond- en neusbedekking tast de kwaliteit van het leven van personen aan en kan hun leven potentieel zelfs in gevaar brengen. Burgers worden gedwongen om hun gezondheid en hun leven potentieel in gevaar te brengen.
Het staat niet ter discussie dat gedaagde een belangrijke taak heeft bij de bestrijding van infectieziekten zoals Covid-19. Echter kunnen fundamentele grondrechten niet zonder meer worden ingeperkt door gedaagde. Het verplicht stellen tot het dragen van een mond- en neusbedekking is een ernstige inperking van fundamentele grondrechten. Inbreuk op grondrechten zou slechts gerechtvaardigd zijn als vaststaat dat een dergelijke inbreuk bij wet geregeld is, een legitiem doel dient, strikt noodzakelijk, proportioneel en effectief is en niet schadelijk is voor de gezondheid.

4. Er is sprake van misleiding van de samenleving
Het doel van de mondkapjesmaatregel is om de bevolking wereldwijd psychologisch te manipuleren. Men probeert opzettelijk een klimaat van continu gevaar te creëren om de bevolking angst in te boezemen, zodat de bevolking makkelijk instemt met zelfs de meest draconische maatregelen, maatregelen die thuishoren in een politiestaat. Dat verklaart ook waarom de bevolking vanaf het begin wordt overspoeld met dagelijkse berichten over het aantal Covid-19 besmettingen en doden terwijl het al vroeg duidelijk was dat het Covid-19 virus niet gevaarlijker bleek te zijn dan andere virussen in omloop. Gelijktijdig met de angst campagne vanuit de staat en de media werd elk tegengeluid wereldwijd zwaar gecensureerd, niet alleen in de reguliere media maar ook op social media. Ook in wetenschappelijke kringen werd er gecensureerd. Onder het voorwendsel van de pandemie hebben autoriteiten in sommige landen hardhandig gereageerd met veiligheidsmaatregelen en noodmaatregelen om afwijkende meningen de kop in te drukken, onafhankelijke verslaggeving het zwijgen op te leggen en activiteiten van niet-gouvernementele organisaties te beperken.
Het voorgaande geldt ook voor Suriname. Het is gedaagde samen met de media gelukt om een grimmig klimaat te scheppen waar er een constante angst heerst hetgeen door de maatregelen van gedaagde langzaam verergerd wordt.
De gedaagde heeft in strijd met artikel 7 lid 1 van de Wet Uitvoering Burgerlijke Uitzonderingstoestand de bevolking misleid door de burgers de indruk te geven dat het dragen van mondkapjes medisch effectief is terwijl er overweldigend wetenschappelijk bewijs is dat mondkapjes medisch niet effectief zijn tegen de verspreiding van Covid-19 en zelfs schadelijk zijn voor de gezondheid. Hierdoor handelt de gedaagde onrechtmatig.

Het spoedeisend belang
Er is een spoedeisend belang. Een groot deel van de bevolking loopt als gevolg van de mondkapjes plicht het risico om daarvan grote en blijvende schade te ondervinden. Een onmiddellijke voorziening bij voorraad om een einde te maken aan het in gevaar brengen van de bevolking door gedaagde c.q. het onrechtmatig handelen van gedaagde tegen de bevolking is daarom dringend noodzakelijk.

4. Het verweer
Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling
5.1 Gedaagde heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd: 1. dat eisers geen belang hebben bij de vordering; zij stellen dat er fundamentele rechten geschonden zijn, echter heeft de Staat ingevolge artikel 23 van de Grondwet in verband met de Covid-19 pandemie de Wet Uitvoering Burgerlijke Uitzonderingstoestand uitgevaardigd waardoor de maatregelen wel getroffen hadden mogen worden; door gedaagde is ingesteld het Outbreak Management Team, bestaande uit medische experts en public health deskundigen; dit Outbreak Management Team geeft op basis van de geldende wetenschappelijke inzichten van onder andere de WHO, de Carfa en de CDC, adviezen aan de regering ter indamming en controle van de Covid-19 pandemie; 2. dat eisers geen spoedeisend belang hebben; de maatregelen dateren van augustus 2020; thans zijn wij zeven maanden verder waardoor niet kan worden gesteld dat er een spoedeisend belang is; immers, dan zouden de eisers eerder de vordering ingediend moeten hebben; 3. dat het niet uit de stellingen van eisers is gebleken dat het dragen van een mondkap nadelig is voor de gezondheid van de burgers en dat er geen gevallen bekend zijn in de Surinaamse samenleving waarbij burgers het door eisers genoemde gezondheidsnadeel hebben ondervonden van het dragen van een mondkap; dat aan die stelling dan ook voorbij gegaan moet worden; 4. dat het niet juist is dat uit onderzoek is gebleken dat mondkapjes nadelig zijn voor de gezondheid van de burgers; het onderzoek door de eisers aangehaald uit Denemarken is bekend; ook is bekend dat dat onderzoek is gedaan onder 0,1 % van de populatie waardoor het niet representatief is; het bedoelde onderzoek wordt internationaal gekwalificeerd als niet-doorslaggevend; 5. dat de onderzoeken door de eisers aangevoerd dateren van lang voor de Covid-19 pandemie en derhalve geen onderzoeken zijn die in verband met de pandemie zijn uitgevoerd of in verband gebracht kunnen worden met de pandemie; 6. dat uit een onderzoek van de International Journal of Environmental Research and Public Health van 11 augustus 2020, overgelegd door gedaagde, is gebleken dat bij gezonde personen, personen zonder luchtwegklachten, het opzetten van een masker voor langere tijd zelfs, geen veranderingen laat zien in de zuurstof- en koodioxide concentratie en tevens dat het opzetten van een masker geen effect heeft op het volume per inademing en op de ademhalingssnelheid; er is een lichte stijging van drie procent in de ademweerstand gezien, doch zonder verdere gezondheidsnadelen; ook is melding gemaakt van een negatieve impact van het dragen van maskers met name bij personen met een voorgeschiedenis van hoofdpijn; bij hun bleek dat bij het lang opzetten van een masker hoofdpijn optreedt; de onderzoekers stelden echter dat de voordelen met betrekking tot de besmettingsreductie en daaraan gekoppeld de infectie-complicaties en mortaliteit, vele malen groter waren dan het ongemak van hoofdpijn; 7. dat een toenemend aantal onderzoeken heeft uitgewezen dat het universeel beleid voor het dragen van maskers in verband kan worden gebracht met een vermindering van het aantal en het percentage van infecties en sterfgevallen; in deze onderzoeken wordt geen onderscheid gemaakt tussen de soorten maskers, stof, chirurgisch of N95 die in de gemeenschap worden gebruikt; deze associatie wordt verstrekt om dat in veel gevallen andere mitigatie strategieën zoals bijvoorbeeld sluiting van scholen en werkplekken, aanbevelingen voor sociale afstand en handhygiëne al waren toegepast voordat het beleid voor het dragen van maskers werd ingevoerd waarna de verminderingen werden waargenomen; een studie waarin de veranderingen en toenames in percentages in 15 staten in Amerika voor en na maskerplicht werden onderzocht toonden aan dat de infecties toenamen voordat de maskerplicht was ingevoerd en daarna aanzienlijk verminderden toen de maskerplicht kwam en verminderden naarmate de maskerplicht langer van kracht was; 8. dat uit de door gedaagde overgelegde onderzoeksrapporten en publicaties blijkt dat het dragen van mondmaskers wel effectief is bij het tegengaan van de spreiding van Covid-19, en daardoor bij het tegengaan van complicaties en mortaliteit en geen nadelig effect heeft op de gezondheid van dragers.

5.2 Eisers hebben gereageerd op het verweer van gedaagde en hebben daarbij onder andere het volgende aangevoerd: 1. dat zij wel een belang hebben en ook een spoedeisend belang omdat de gezondheid van de burgers in het geding is; 2. dat gedaagde de stellingen dat het dragen van mondkapjes niet effectief is en nadelig is voor de gezondheid, niet heeft weersproken; 3. dat gedaagde slechts heeft verwezen naar de Wet betreffende de uitzonderingstoestand terwijl er fundamentele rechten geschonden worden; ook heeft een ieder het recht op gezondheid ingevolge artikel 36 lid 1 en 2, waardoor de maatregel die nadelig is voor de gezondheid niet kan worden getolereerd; 4. dat er inderdaad in Suriname geen gegevens zijn over het nadelig effect van de mondkapjes op de gezondheid van burgers doch dat daardoor juist de vraag gesteld kan worden waarom een maatregel wordt opgelegd waarvan de effecten niet duidelijk zijn; dat geldt temeer nu er studies zijn gedaan in het buitenland waaruit het gezondheidsnadeel blijkt; eisers verwijzen daarbij nogmaals naar het onderzoek van MacIntyre et al. uit 2015; ook is uit de onderzoeken het risico op virale en bacteriële infecties gebleken en het risico op gezondheidsschade als gevolg van zuurstofgebrek of een kooldioxide-vergiftiging; 5. dat zij erbij blijven dat er maatregelen zijn doorgevoerd zonder dat de effectiviteit ervan is bewezen en zonder dat het korte- en lange termijn effect op de gezondheid voldoende bekend is; 6. dat het enkele feit dat enkele van de door hun aangehaalde wetenschappelijke studies van vóór de Covid-19 periode dateren, nog niet met zich meebrengt dat deze niet kunnen worden gebruikt voor het beleid van 2021; wereldwijd wordt dagelijks gebruik gemaakt van oudere wetenschappelijke studies; 7. dat het onderzoek van Denemarken wel representatief is; er hebben zesduizend personen aan meegedaan en de studie betrof een RCT studie; RCT studies worden beschouwd als de gouden standaard voor klinisch onderzoek; de overgelegde producties van gedaagde worden niet alszodanig beschouwd; de conclusies uit het kapsalon onderzoek waar 139 personen aan meededen zou dan ook als kleinschalig moeten worden aangemerkt; 8. dat ook het onderzoek op de USS Theodore Roosevelt niet kan worden gebruikt voor het maken van beleid omdat daar 382 personen aan hebben deelgenomen die en grotere kans op blootstelling hadden en alle informatie was gebaseerd op zelfrapportage; in dat onderzoek waren verschillende interventies gelijktijdig doorgevoerd waardoor het niet mogelijk is om te concluderen welke interventie heeft geleid tot het resultaat; 9. dat het door de gedaagde genoemde resultaat van een verhoging van 3% ademhalingsweerstand afkomstig is uit een onderzoek met een computersimulatie; uit een onderzoek onder proefpersonen gedaan door Fikenzer et al. in juni 2020 bleek dat er wel aanzienlijke negatieve effecten optreden bij het dragen van een masker; 10. dat het gebruik van computersimulaties ook in het begin van de pandemie hebben geleid tot verregaande maatregelen omdat met een computersimulatie was voorspeld dat er miljoenen doden zouden vallen; de voorspelling bleek niet lang daarna totaal verkeerd te zijn en niet in overeenstemming met de realiteit; 11. dat gedaagde de maatregelen verplicht stelt doch daar zelf niet in gelooft omdat regeringsleiders de maatregelen zelf niet naleven; zij verwijzen daarbij naar een aantal keren dat regeringsleiders zich niet aan de mondkapjesplicht hielden.

5.3 De kantonrechter overweegt met betrekking tot het belang en het spoedeisend belang dat eisers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij een spoedeisend belang hebben. Zij stellen zich onder andere op het standpunt dat de verplichting tot het dragen van mond- en neuskapjes nadelig is voor de gezondheid en dat het stellen van die verplichting in strijd is met grondrechten van de burgers. Die grondslag brengt met zich mee dat het een zaak is die spoedeisend is en waarvoor een voorziening bij voorraad gevorderd zou moeten kunnen worden, ongeacht het feit dat de verplichting reeds geruime tijd bestaat. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan het desbetreffende verweer van gedaagde.

5.4 De kantonrechter overweegt dat de vraag die partijen verdeeld houdt de vraag betreft of er gronden zijn om de verplichting om een mond- en neusbedekking te dragen op te schorten.
In hun grondslag noemen eisers – kort weergegeven – een viertal gronden namelijk:

1. Het dragen van een mond- en neuskap draagt niet bij aan het tegengaan van de gevolgen van Covid-19; er is onvoldoende bewijs dat het effectief is;

2. Het dragen van een mond- en neuskap is aantoonbaar schadelijk voor de gezondheid van burgers zowel fysiek als psychisch;

3. De verplichting om een mond- en neuskap te dragen is in strijd met fundamentele mensenrechten zoals opgenomen in de Grondwet en Verdragen

4. Gedaagde misleidt de samenleving door de burgers de indruk te geven dat het dragen van mond- en neuskapjes medisch effectief is terwijl wetenschappelijk bewezen is dat dat niet het geval is en het dragen van mond- en neuskapjes zelfs schadelijk is voor de gezondheid. De gedaagde handelt hierdoor onrechtmatig jegens haar burgers.

5.5.1 De kantonrechter stelt voorop dat het betreft een verplichting die bij Wet is opgelegd, zoals hierboven onder de feiten opgenomen, en wel in het uitvoeringsbesluit van de Wet van 7 augustus 2020 houdende algemene regels in verband met de uitvoering van een burgerlijke uitzonderingstoestand afgekondigd ingevolge artikel 23 jo 72 onder c van de Grondwet (SB 2020 no. 151). Het betreft het Presidentieel besluit van 25 juli 2020 (SB 2020 no. 143 / PB 16/2020).

5.5.2 De kantonrechter acht het van belang allereerst de artikelen van de Grondwet te bespreken die relevant zijn voor de beoordeling van dit geschil.

5.5.3 Ingevolge artikel 80 lid 2 van de Grondwet zijn alle wetten onschendbaar, behoudens het bepaalde in de artikelen 106, 137 en 144 lid 2. In dit verband is een verwijzing naar de Wet Algemene Bepalingen (SB 1945 no. 112) ook van belang, met name artikel 12 waarin is bepaald: “De rechter moet volgens de wettelijke bepalingen rechtspreken; hij mag in geen geval hare innerlijke waarde of billijkheid beoordelen.”

5.5.4 Ingevolge artikel 70 van de Grondwet is het vaststellen van wetten in formele zin opgedragen aan de Nationale Assemblee en de Regering gezamenlijk.

5.5.5 De Grondwetgever heeft met artikel 80 de toetsingsbevoegdheid van de rechter, om wetten te toetsen, afgebakend. Buiten het kader van de Grondwetsbepalingen heeft de rechter geen bevoegdheid om de innerlijke waarde van een wet te toetsen. In artikel 80 zijn de bepalingen genoemd die een uitzondering vormen op bedoelde onschendbaarheid. Het betreft, zoals hiervoor reeds genoemd, de artikelen 106, 137 en 144 lid 2 van de Grondwet. In artikel 106 van de Grondwet is bepaald dat binnen de Republiek Suriname geldende wettelijke bepalingen geen toepassing vinden, wanneer deze toepassing niet verenigbaar zou zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten, die hetzij voor, hetzij na de totstandkoming van de voorschriften zijn aangegaan. In artikel 137 van de Grondwet is bepaald dat voor zover de rechter in een concreet aan hem voorgelegd geval toepassing van een bepaling van een wet strijdig oordeelt met één of meer der in hoofdstuk 5 genoemde grondrechten, de rechter die toepassing ongeoorloofd verklaart. In artikel 144 lid 2 van de Grondwet komt de bevoegdheid van het Constitutioneel Hof aan de orde. (vide tevens het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 28 maart 2019; SRU-K1-2019-4)

5.6 De kantonrechter overweegt dat de vordering van eisers zo begrepen moet worden dat zij vorderen dat de bepaling met betrekking tot de verplichting van de mond- en neuskapjes wordt geschorst totdat door de rechter in een bodemprocedure of het Constitutioneel Hof een oordeel is gegeven over de vraag of de bepaling strijdig is met een ieder verbindende bepalingen van een verdrag of één of meer der in hoofdstuk 5 van de Grondwet genoemde grondrechten. Zij stellen als grondslag voorts dat inbreuk op grondrechten slechts gerechtvaardigd zou zijn als vaststaat dat een dergelijke inbreuk bij wet geregeld is, een legitiem doel dient, strikt noodzakelijk, proportioneel en effectief is en niet schadelijk is voor de gezondheid.

5.7 Eisers beroepen zich in hun grondslag op strijdigheid met de volgende grondrechten:
• het grondrecht van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zoals geformuleerd in artikel 16 leden 1 en 2 en artikel 17 lid 1 van de Grondwet;
• het grondrecht opgenomen in artikel 9 lid 1 van de Grondwet, het zelfbeschikkingsrecht, het recht van een ieder op fysieke, psychische en morele integriteit;
• het grondrecht opgenomen in artikel 14 van de Grondwet, namelijk het recht op leven.

5.8 Gedaagde heeft in haar verweer op dit verwijt aangevoerd dat artikel 23 van de Grondwet de gedaagde de bevoegdheid geeft om in geval van – onder andere – een uitzonderingstoestand de in de Grondwet genoemde grondrechten bij wet te onderwerpen aan beperkingen. De gedaagde stelt dat er sprake is van een uitzonderingstoestand omdat er een pandemie heerst die de volksgezondheid ernstig in gevaar brengt. Op 7 augustus 2020 is de Wet Uitvoering Burgerlijke Uitzonderingstoestand vastgesteld in verband met de bescherming van de volksgezondheid, de economie en de algemene veiligheid van burgers. De maatregelen waar eisers op doelen zijn enigszins beperkend, doch moesten getroffen worden in het belang van de volksgezondheid.

5.9 Eisers hebben op dat verweer gereageerd waarbij zij aanvoerden dat een ieder recht heeft op gezondheid en dat een beperking van de gezondheid van de burger niet kan worden toegestaan. Zij zijn verder gebleven bij hun stellingen dat het gebruik van mond- en neuskapjes niet effectief is en schadelijk is voor de gezondheid.

5.10 Gedaagde heeft met betrekking tot de effectiviteit van de maatregel en door eisers genoemde nadelige gevolgen voor de gezondheid aangevoerd dat de maatregel wel effectief is en dat het niet juist is dat het dragen van mondkapjes zodanige nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid dat de maatregel daarom niet genomen had mogen worden.

5.11 Beide partijen hebben producties overgelegd om hun respectieve stellingen te onderbouwen.

5.12.1 De kantonrechter overweegt dat voor de beoordeling van het geschil, naast de hiervoor besproken Grondwetsartikelen, tevens de rechtspraak van belang is. In casu is er immers sprake van dat gedaagde gebruik maakt van haar bevoegdheid ingevolge artikel 23 van de Grondwet doch stellen eisers dat gedaagde dat op een wijze doet die ongeoorloofd is. Het toetsingskader dat in de Nederlandse rechtspraak gehanteerd is, en voor de Surinaamse rechtspraktijk ook een goed toetsingskader vormt, is onder andere te vinden in de hierna volgende uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. Het Hof heeft daarin geoordeeld over een vordering in verband met een maatregel die bij wet was opgelegd in verband met de Covid-19 pandemie.

5.12.2 Het betreft een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 26 februari 2021 (ECLI:NL:GHDHA:2021:285) waarbij het Hof onder andere alsvolgt overwoog:

“De vraag welke maatregelen moeten worden getroffen ter bestrijding van de coronacrisis en of die maatregelen proportioneel en subsidiair zijn vergt primair een politieke afweging. Dat die politieke afweging met betrekking tot de invoering van de avondklok ook heeft plaatsgevonden, blijkt zowel uit de toelichting bij de Voortduringswet als uit het besluit van het kabinet om voorafgaand aan het instellen van de avondklok de Tweede Kamer te raadplegen. De civiele rechter – en zeker de rechter in kort geding – moet zich daarom terughoudend opstellen bij de beoordeling van de keuzes die de Staat binnen de grenzen van zijn beoordelings- en beleidsvrijheid maakt. Alleen als evident is dat de Staat onjuiste keuzes maakt en de Staat dus in redelijkheid niet voor het gevoerde beleid heeft kunnen kiezen, of wanneer de Staat een bevoegdheid aanwendt zonder dat daarvoor in de gegeven omstandigheden een wettelijke grondslag bestaat, is plaats voor rechterlijk ingrijpen…..”

“ In deze procedure is de vraag aan de orde of er sprake is van buitengewone omstandigheden die invoering van de avondklok noodzakelijk maken.
6.7.
Het begrip buitengewone omstandigheden is in de wet of de wetsgeschiedenis ………….niet gedefinieerd. Naar het oordeel van het hof is het zonder meer duidelijk dat er sprake is van buitengewone omstandigheden…………………….. Ondanks vele (vaak vergaande) maatregelen is het Covid-19 virus nog steeds niet uitgedoofd en is dit aan het muteren in (veelal) nog besmettelijkere varianten. Het wachten is uiteindelijk op voldoende vaccinatiemogelijkheden, maar zover is het nu nog niet, terwijl bovendien onzeker is of de thans bestaande vaccins onverminderd werken bij de nieuwe varianten.
6.8.
Volgens de regering is de situatie zeer zorgelijk, omdat twee epidemiologische situaties zich naast elkaar ontwikkelen, te weten het ‘oude’ Covid-19 virus en de veel besmettelijkere buitenlandse varianten die naar verwachting de boventoon zullen gaan voeren. Alles op alles moet worden gezet om het aantal besmettingen zo laag mogelijk te houden en zo te voorkomen dat Nederland wordt overspoeld met een derde golf bovenop de tweede. De regering baseert zich hierbij op het OMT (met specifieke deskundigheid), dat in verband hiermee dringend adviseert tot invoering van de avondklok omdat geen gelijkwaardige alternatieven voorhanden zijn.
6.9.
Naar het oordeel van het hof mag het kabinet in beginsel op de adviezen van het OMT afgaan. Niet voor niets is dit orgaan verantwoordelijk voor het tot stand komen van het best mogelijke professionele advies over de te nemen crisismaatregelen.7 De omstandigheid dat niet exact gewogen kan worden in hoeverre de tevens dringend geadviseerde bezoekbeperking mede effect sorteert, maakt niet dat daarmee de noodzaak van de avondklok ontbreekt of is vervallen. De Staat heeft voldoende onderbouwd dat de avondklok ook effect heeft, althans dat hij hier in redelijkheid van mag uitgaan…..”.
“……………… heeft nog gesteld dat het invoeren van de avondklok niet noodzakelijk is omdat het aantal besmettingen terugloopt, evenals de ziekenhuis- en IC-bezetting, terwijl het aantal besmettingen bovendien niet gelijk staat aan even zovele zieken en het om een ‘vrij onschuldig’ virus gaat. …………….. miskent hiermee dat het OMT ondanks de verminderde druk op de zorg uitvoerig en wetenschappelijk onderbouwd heeft toegelicht dat verder ingrijpen noodzakelijk is, met name in verband met de toename van de nieuwe varianten. Dit ter voorkoming van het risico – dit is geen zekerheid en hoeft en kan ook geen zekerheid (te) zijn – van versneld oplopende ernstige besmettingen en daarmee (over)belasting van de zorg. De stelling dat de “donkere wolk” die door het OMT is geschetst “nog nooit regen heeft opgeleverd” is een miskenning van de feitelijke toestand waarin Nederland sinds ongeveer een jaar verkeert en waarvan het kabinet mag oordelen dat die zodanig is dat een verergering moet worden voorkomen…..”
6.11.
“Al met al heeft de Staat daarom in redelijkheid kunnen oordelen dat er sprake was van buitengewone omstandigheden die invoering van de avondklok noodzakelijk maakten. …..
Uiteraard dienen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit bij de daadwerkelijke inzet van de Wbbbg wel in acht te worden genomen. Het hof zal hierna deze aspecten toetsen.
Proportionaliteit en subsidiariteit
6.12.
Niet in geschil is dat met de invoering van de avondklok diverse grondrechten worden beperkt, die onder meer zijn verankerd in internationale verdragen. Het gaat daarbij om het recht op bewegingsvrijheid (artikel 2 Vierde Protocol EVRM), het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM en artikel 10 Grondwet – Gw) en indirect de vrijheid van vergadering, betoging en het belijden van godsdienst en levensovertuiging (artikel 9 en artikel 10 EVRM en artikel 6 en artikel 9 Gw).
6.13.
Deze grondrechten bieden ruimte voor een inperking daarvan (onder meer) als dat noodzakelijk is voor de bescherming van de volksgezondheid. De Staat is tot deze bescherming verplicht op grond van artikel 22 Gw en de artikelen 2 en 8 EVRM. Een dergelijke inperking is mogelijk voor zover deze (i) een legitiem doel dient, (ii) bij de wet is voorzien en (iii) noodzakelijk is in een democratische samenleving. In dat laatste criterium ligt besloten dat de inperking van de grondrechten proportioneel moet zijn en dat er geen andere (lichtere) middelen moeten zijn om het beoogde doel te verwezenlijken. De Staat heeft hierbij een grote beoordelingsvrijheid (a wide margin of appreciation).
6.14.
Vast staat dat de inperking (i) een legitiem doel dient en (ii) bij wet is voorzien. De Staat heeft aangevoerd (iii) dat de maatregel ook proportioneel is. …………………………..
6.15.
Naar het oordeel van het hof is, gelet op de klemmende situatie waar de Staat blijkens het voorgaande vanuit mocht gaan, de maatregel van deze avondklok (iii) proportioneel en voldoet deze ook aan de eisen van subsidiariteit. Afwachten hoe de situatie zich ontwikkelt, ………….heeft de Staat in redelijkheid niet willen en hoeven doen. ….”

5.12.3 De kantonrechter acht op grond van de hiervoor genoemde wetgeving en rechtspraak het volgende kader van belang bij de beoordeling:
• er moet sprake zijn van buitengewone omstandigheden;
• de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit moeten in acht genomen worden bij het doorvoeren van maatregelen waarbij grondrechten worden beperkt;
• de civiele rechter, en zeker de rechter in kort geding, moet zich terughoudend opstellen bij de beoordeling van de keuzes die de gedaagde binnen de grenzen van zijn beoordelings- en beleidsvrijheid maakt, omdat de vraag welke maatregelen moeten worden getroffen ter bestrijding van de coronacrisis en of die maatregelen proportioneel en subsidiair zijn primair moet worden beantwoord door de regering en de wetgevende macht; alleen als het evident is dat de gedaagde bij het beperken van de grondrechten onjuiste keuzes maakt, dus in redelijkheid niet voor het gevoerde beleid heeft kunnen kiezen, is er plaats voor rechterlijk ingrijpen.

5.13 De kantonrechter overweegt dat er sprake is van buitengewone omstandigheden, evenals in de casus van het hiervoor bedoeld vonnis van het Hof. Daarom was gedaagde genoodzaakt de uitzonderingstoestand af te kondigen. Beoordeeld moet worden of de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht zijn genomen en of er sprake is van een situatie waarbij gedaagde bij het beperken van de grondrechten onjuiste keuzes heeft gemaakt waarbij in redelijkheid niet voor het gevoerde beleid gekozen had kunnen worden.

5.14 De kantonrechter overweegt dat de stellingen van eisers hierop neerkomen dat gedaagde onjuiste keuzes heeft gemaakt. De twee gronden die zij daarbij aanvoeren staan in verband met de proportionaliteit. Zij stellen in hun grondslag dat inbreuk op grondrechten slechts gerechtvaardigd zou zijn als vaststaat dat een dergelijke inbreuk strikt noodzakelijk, proportioneel en effectief is en niet schadelijk is voor de gezondheid.

5.15.1 Eisers stellen allereerst dat het dragen van mond- en neuskapjes niet effectief is. Zij stellen dat de verplichting om die reden niet doorgevoerd had mogen worden. In hun stellingen wijzen zij erop dat nu de maatregel niet effectief is, deze niet mocht worden doorgevoerd, temeer niet nu deze maatregel een inbreuk vormt op de grondrechten. Deze stellingen betreffen het proportionaliteitsbeginsel.

5.15.2 De gedaagde heeft op deze grond verweer gevoerd. Zij heeft aangevoerd dat het wel is gebleken dat de maatregel effectief is. Om haar verweer te onderbouwen heeft zij acht en twintig producties overgelegd waaronder een publicatie van de Centers for Disease Control and Prevention van november 2020 waarin is geconcludeerd dat verschillende onderzoeken leiden tot de slotsom dat het gebruik van mond- en neuskapjes leidt tot de vermindering van de spreiding van het Covid-19 virus en een tussentijdse richtlijn van de WHO van 1 december 2020 (pagina 8 en verder) waarin wordt geadviseerd over te gaan tot het dragen van maskers in de gevallen van “community or cluster transmission”.

5.15.3 De kantonrechter overweegt dat enerzijds eisers, blijkens de opsomming onder de grondslag, circa dertien onderzoeken hebben aangevoerd voor het onderbouwen van hun stelling. Anderzijds heeft gedaagde haar stelling onderbouwd met een achtentwintigtal publicaties, eveneens resultaten van wetenschappelijk onderzoek. De kantonrechter overweegt dat het evident is dat er in de wetenschappelijke wereld verschillende meningen bestaan over de effectiviteit en de gevolgen van het gebruik van mond- en neuskapjes. De kantonrechter overweegt dat, ondanks de meningsverschillen, uit het door gedaagde gevoerd verweer en de overgelegde producties, voldoende aannemelijk is geworden dat de inzichten van de WHO en andere internationale en nationale public health deskundigen, en het Outbreak Management Team, op wiens adviezen de besluiten van de gedaagde zijn gebaseerd, tot de conclusie leiden dat de maatregel wel effectief is. Zoals ook in de hiervoor genoemde rechtspraak is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde in beginsel op de adviezen van het Outbreak Management Team mag afgaan. De gedaagde heeft voldoende onderbouwd dat de maatregel effect heeft, althans dat zij hier in redelijkheid van mag uitgaan.

5.16.1 Eisers stellen ten tweede dat het dragen van mond- en neuskapjes schadelijk is voor de gezondheid van burgers, zowel fysiek als psychisch. Daardoor zou de verplichting om mond- en neuskapjes te dragen niet als maatregel mogen zijn doorgevoerd. Zij hebben om deze stelling te onderbouwen verwezen naar verschillende onderzoeken met betrekking tot het effect van de mondkapjes op het zuurstof- en kooldioxidegehalte in het bloed en het verhogen van het risico van virale en bacteriële besmettingen.

5.16.2 De gedaagde heeft ook op deze grond verweer gevoerd. Zij heeft aangevoerd dat het niet is gebleken dat het dragen van een mond- en neuskap een noemenswaardig effect heeft op het zuurstof- en kooldioxidegehalte in het bloed. Verder heeft zij aangevoerd dat er weliswaar ongemakken zijn gebleken doch dat deze ongemakken niet opwegen tegen het positieve effect dat het dragen van mond- en neuskapjes heeft op het indammen van de verspreiding van de pandemie en de daarmee gepaard gaande complicaties en mortaliteit. Om die reden hebben de WHO en andere internationale en nationale public health deskundigen, en het Outbreak Management Team, geadviseerd het dragen van een mond- en neuskap wel te verplichten. Ook ten aanzien van deze weren zijn door gedaagde enkele publicaties met onderzoeksresultaten overgelegd waaronder een publicatie van de American Thoracic Society waarin resultaten van een onderzoek zijn opgenomen betreffende de fysiologische effecten van het gebruik van mond- en neuskapjes. In die publicatie is de conclusie opgenomen dat er geen noemenswaardige gezondheidsproblemen ontstaan voor wat betreft het zuurstof- en kooldioxidegehalte in het bloed bij het dragen van een mond- en neuskap. Ook is in die publicatie ingegaan op het feit dat er geen redenen zijn om bezorgd te zijn over de veiligheid van het gebruik van de mond- en neuskapjes. Voorts is overgelegd een publicatie van de International Journal of Environmental Research en Public Health waarin is ingegaan op de fysiologische effecten van het dragen van een mond- en neuskap, waaronder het ontstaan van hoofdpijn, pijn aan het gezicht, acne, jeuk en huiduitslag. In die publicatie wordt echter geconcludeerd dat de hiervoor genoemde effecten veelal kunnen worden vermeden door een ander soort mond- en neuskap te gebruiken. In het artikel wordt gesteld dat het voordeel dat bereikt wordt door het gebruik van mond- en neuskapjes veel zwaarder wegen dan de nadelen die zijn genoemd. In de tussentijdse richtlijn van de WHO van december 2020 is op pagina 6 ingegaan op de nadelige effecten van het gebruik van mond- en neuskapjes en is op pagina 5 ingegaan op maatregelen die getroffen kunnen worden om de nadelige gevolgen van het dragen van een mond- en neuskap te vermijden.

5.16.3 De kantonrechter overweegt dat uit het door gedaagde gevoerd verweer en de overgelegde producties, voldoende aannemelijk is geworden dat de inzichten van de WHO en andere internationale en nationale public health deskundigen, en het Outbreak Management Team, op wiens adviezen de besluiten van de gedaagde zijn gebaseerd, tot de conclusie leiden dat er geen sprake is van zodanige nadelige gevolgen op de gezondheid door het dragen van een mond- en neuskap, dat de maatregel niet had mogen worden doorgevoerd. Evenals hiervoor overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde in beginsel op de adviezen van het Outbreak Management Team mag afgaan. De gedaagde heeft voldoende onderbouwd dat de maatregel niet leidt tot zodanige nadelige effecten voor de gezondheid van de dragers van een mond- en neusbedekking, dat de maatregel niet had mogen worden doorgevoerd, althans dat zij hier in redelijkheid van mag uitgaan.

5.17.1 De kantonrechter overweegt dat op grond van het hiervoor overwogene, de grondslag van eisers voor wat betreft de punten 1, 2 en 3 niet aannemelijk is geworden, met name de grondslag dat de maatregel niet had mogen worden doorgevoerd omdat de maatregel grondrechten beperkt terwijl de maatregel niet effectief is en schadelijk is voor de gezondheid.

5.17.2 De kantonrechter zal het deel van de grondslag, genoemd onder punt 4 van de grondslag, met betrekking tot de misleiding van de samenleving niet beoordelen nu dat deel van de grondslag niet valt onder de uitzondering op de onschendbaarheid van wetten zoals genoemd in artikel 80 lid 2 van de Grondwet.

5.18 De kantonrechter zal op grond van het voorgaande de gevraagde voorzieningen weigeren.

5.19 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en eisers, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de proceskosten.

6. De beslissing
6.1 Weigert de gevraagde voorzieningen;

6.2 Veroordeelt eisers in de kosten van dit geding aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter in kort geding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van woensdag 24 maart 2021, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2020-40

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
wonende in [district],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie c.q. de minister van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Rathipal, substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het hof) op 22 maart 2016;
  • de beschikking van het hof van 03 oktober 2016 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 21 oktober 2016;
  • de processen-verbaal van het op 21 oktober 2016 gehouden verhoor van partijen en de op 17 februari 2017 gehouden voortzetting daarvan, alsmede de op eerstgenoemde datum door de Staat overgelegde bescheiden;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens de Staat d.d. 21 juli 2017, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoekster] d.d. 03 november 2017 (kennelijk abusievelijk gedateerd: 03 november 217).

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 06 april 2018, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 De secretaris van de President van de Republiek Suriname (hierna: de President), mevr. [naam], heeft een lijst met meer dan tweehonderd namen van personen doen toekomen aan de minister van Justitie en Politie (hierna: de minister). Deze lijst is voorzien van het stempel van het kabinet van de President. Het was de bedoeling dat vorenbedoelde personen op voormeld ministerie geaccommodeerd zouden worden. [verzoekster] komt op deze lijst voor, (kennelijk) onder nummer [nummer].Voormelde lijst ging vergezeld van een door mevr. [naam] voornoemd ondertekend begeleidend schrijven d.d. 13 februari (het jaartal is niet leesbaar), luidende onder meer als volgt:

“Heer minister,

Aub, de juiste lijst. Gaarne de overige lijsten te vernietigen. Van deze lijst is een exemplaar aangeboden aan de minister van Binnenlandse Zaken.”

2.2 [verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 04 januari 2015, gericht aan de human resource manager van het Korps Politie Suriname (KPS), gesolliciteerd naar een betrekking bij het KPS en wel als interieurverzorgster.

2.3 Het waarnemend hoofd Personele Zaken van het Ministerie van Justitie en Politie, mevr. [naam 2] (hierna: [naam 2]), heeft bij schrijven d.d. 05 maart 2015, met als onderwerp ‘werkgeversverklaring’, het volgende aan de directeur van Justitie en Politie (hierna: de directeur) bericht:

Geachte directeur,
Naar aanleiding van de kanttekening gemaakt op het sollicitatie schrijven van mej. [naam 3] d.d. 2 januari 2015 wordt, conform de instructie, u 43-tal werkgeversverklaringen aangeboden.

Hopende u van dienst te zijn geweest.

2.4 Als bijlage bij het hierboven in 2.3 genoemd schrijven d.d. 05 maart 2015 is gevoegd een uitgeprinte lijst, getiteld ‘Overzicht werkgeversverklaring’, met daarop 43 namen van personen, genummerd 1 tot en met 43, onder vermelding van de functie, schaal en datum van indiensttreding (een 44ste naam is met de hand aan deze lijst toegevoegd).[verzoekster] komt onder nummer [nummer 2] op deze lijst voor, onder vermelding van de functie ‘schoonmaakster’, schaal ‘[nummer 3]B’ en datum van indiensttreding ‘02 maart 2015’.

2.5 Een door [naam 2] ondertekende werkgeversverklaring ten name van [verzoekster] d.d. 05 maart 2015 (hierna: de werkgeversverklaring), luidt als volgt:
“L.S.
(…)

V E R K L A R I N G
Ondergetekende verklaart hierdoor, dat mw. [verzoekster], geboren in [district] op [geboorte datum], te rekenen van 02 maart 2015 op arbeidsovereenkomst in overheidsdienst is getreden op het Ministerie van Justitie en Politie, in de functie van Schoonmaakster, onder het genot van een bruto-salaris conform functiegroep [nummer 3] (schaal [nummer 2]B) van SRD 1.014,= (EENDUIZEND EN VEERTIEN SURINAAMSE DOLLAR) per maand.

Wordende deze verklaring, onder voorbehoud van herziening bij onjuiste vaststelling van het bruto-salaris, op haar verzoek afgegeven, om te dienen waar zulks nodig mocht blijken.
(…)
De werkgeversverklaring is verzonden naar de woning van [verzoekster] in [district].

2.6 De waarnemend korpschef van het KPS heeft bij schrijven d.d. 03 februari 2016, K.A. no. [nummer 4], het volgende aan de minister meegedeeld:
Excellentie,
Naar aanleiding van het verzoek van agent van politie 1e klasse [naam 4] inzake onzekerheid indiensttreding van zijn wederhelft, bericht ik u het volgende.

In de periode van maart 2015 tot juni 2015 werd door het ministerie van justitie en politie aan het Korps Politie Suriname het verzoek gedaan 20 interieurverzorgsters waaronder [verzoekster], de levenspartner van agent [naam 4], in dienst te nemen.
Het KPS heeft hieraan niet meegewerkt omdat er enige onduidelijkheid was omtrent hun ontheffing, te werkstelling en uitbetaling. Achteraf bleek dat deze groep geen arbeidsstatus heeft binnen de Overheid. Op grond hiervan kan er geen goedkeuring worden gegeven aan geen van deze verzoekschriften.

2.7 De procesgemachtigde van [verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 16 februari 2016 een beroep gedaan op de minister om [verzoekster] op te roepen voor het verrichten van arbeid en haar conform de arbeidsovereenkomst uit te betalen.

2.8 Bij schrijven d.d. 17 februari 2016, SM [nummer 5], heeft de minister het volgende aan de agent van politie 1e klasse [naam 3], zijnde de levenspartner van [verzoekster], meegedeeld:

Geachte heer,
Naar aanleiding van uw audïentieaanvraag van 28 oktober 2015 waarbij u uw ontevredenheid uit over de sollicitatie van mevouw [verzoekster], wordt u als volgt bericht.
Uit informatie van het Korps Politie Suriname is gebleken dat mevrouw [verzoekster] behoort tot een groep personen die waren voorgedragen voor indiensttreding.
Vanwege onduidelijkheid inzake hun ontheffing, te werkstelling en betaling is aan de indiensttreding niet meegewerkt.

Hopende u voldoende te hebben geïnformeerd.

[verzoekster] heeft dit schrijven op 23 februari 2016 ontvangen.

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoekster] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. hetdoor de Staat genomen besluit totnon-activiteit zal worden vernietigd;
b. voorzover een besluit is genomen tot ontheffing van [verzoekster], ditbesluit zal worden vernietigd;
c. het besluit totniet–uitbetaling van het salaris van [verzoekster] zal worden vernietigd;
d. de Staat zal worden gelast om [verzoekster] werkzaamheden te doen verrichten, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,- per dag, voor iedere dag dat de Staat weigerachtig blijft om [verzoekster] werkzaamheden te laten verrichten;
e. de Staat zal worden veroordeeld tot betaling van het salaris van [verzoekster] en wel vanaf maart 2015, zijnde het maandelijkse brutosalaris van SRD1.104,- met de daarbij behorende emolumenten en tussentijdse verhogingen.
[verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoekster] heeft, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Zij is op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden van de Staat. Zij heeft na de mededeling van indiensttreding d.d. 24 augustus 2015 een leveringsbon ontvangen voor het afhalen van haar uniformen, zijnde twee rokken en twee blouses. [verzoekster] heeft meerdere malen verzocht om opgeroepen te worden voor het verrichten van werkzaamheden als interieurverzorgster en om betaling van haar salaris conform de arbeidsovereenkomst, zulks laatstelijk nog bij schrijven d.d. 16 februari 2016 (zie 2.7)
In het schrijven van de minister d.d. 17 februari 2016 (zie 2.8) is aangegeven dat er niet is meegewerkt aan de tewerkstelling en de betaling vanwege onduidelijkheid inzake haar ontheffing. [verzoekster] komt bij het hof in beroep tegen het besluit tot haar ontheffing, tot non-activiteit en tot het niet betalen van haar salaris, omdat zij nimmer hiervan in kennis is gesteld door de Staat. Zij is nimmer gehoord ter zake van het genomen besluit van non-activiteit en het uitblijven van betaling van haar salaris. [verzoekster] mag gerechtvaardigd erop vertrouwen dat zij middels een arbeidsovereenkomst in dienst is getreden van de Staat en dat zij recht heeft op een maandelijks brutosalaris van SRD 1.104,-. Wat haar vertrouwen nog meer rechtvaardigt is het feit dat zij eerdergenoemde leveringsbon van de Staat heeft ontvangen. Zulks mag derhalve gezien worden als een flagrante schending van het vertrouwensbeginsel. [verzoekster] heeft tevens moeten ervaren dat anderen die rond dezelfde periode een soortgelijke verklaring van indiensttreding in ontvangst hebben genomen, wel reeds zijn opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden en salaris ontvangen. De Staat handelt hiermee naar willekeur en in strijd met het gelijkheidsbeginsel.[verzoekster] wenst graag werkzaamheden te verrichten. De non-activiteit is niet aan haar te wijten. Zij heeft ingaande maart 2015 recht op salaris.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
4.1 De vraag die partijen in dit geding verdeeld houdt, is of tussen hen een arbeidsovereenkomst krachtens artikel 15 Pw zoals bedoeld in de werkgeversverklaring tot stand is gekomen. Het antwoord op deze vraag is reeds van belang voor de ontvankelijkheid van [verzoekster] in haar vordering. Immers, in geval tussen partijen geen arbeidsovereenkomst krachtens artikel 15 Pw tot stand is gekomen, is de Personeelswet niet van toepassing op [verzoekster] en kan zij dientengevolge niet door het hof als gerecht in ambtenarenzaken in haar vordering worden ontvangen. Ten aanzien hiervan overweegt het hof als volgt.

4.2 [verzoekster] beroept zich onder verwijzing naar de werkgeversverklaring op een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, althans op het gerechtvaardigd vertrouwen dat deze arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. [verzoekster] heeft op de zitting van 21 oktober 2016 ter aanvulling van haar stellingen, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende verklaard. Zij heeft in januari 2015 een sollicitatiebrief gestuurd naar het Ministerie van Justitie en Politie en naar het KPS. Zij is op 02 maart 2015 voor een sollicitatiegesprek uitgenodigd door voormeld ministerie, waarbij haar is gezegd om op een oproeping te wachten. Het sollicitatiegesprek heeft plaatsgevonden op voormeld ministerie. De mevrouw met wie zij het sollicitatiegesprek heeft gevoerd, wier naam haar onbekend is, heeft haar voorgehouden dat zij in dienst zou worden genomen. Eerdergenoemd ministerie heeft na 02 maart 2015 echter niets meer van zich laten horen. Zij krijgt geen salaris uitbetaald. In afwachting van haar indiensttreding had zij ontslag genomen bij haar vorige werkgever. De Staat heeft het voorgaande niet weersproken, zodat het hof van de juistheid daarvan zal uitgaan. Naar het hof begrijpt heeft [naam 2] het hierboven bedoelde sollicitatiegesprek met [verzoekster] gevoerd.

4.3 De comparitiegevolmachtigden van de Staat, te weten: mevrouw [naam 5] (hierna: [naam 5]), waarnemend human resource manager bij het KPS, en [naam 2], inmiddels hoofd Personele Zaken van het Ministerie van Justitie en Politie, hebben respectievelijk ter zitting van 21 oktober 2016 en 17 februari 2017 het één en ander verklaard omtrent de omstandigheden waaronder de werkgeversverklaring aan [verzoekster] is verstrekt. Uit hetgeen zij onweersproken hebben verklaard en uit de interne stukken die door de Staat zijn overgelegd bij conclusie tot overlegging van relevante stukken d.d. 21 juli 2017 is, zakelijk weergegeven, het volgende gebleken. [verzoekster] behoort tot een groep van meer dan tweehonderd personen die op het Ministerie van Justitie en Politie geaccommodeerd diende te worden (zie 2.1). Een aantal van hen is bij diverse afdelingen van het dienstonderdeel Justitie en bij het Korps Brandweer Suriname van voormeld ministerie geplaatst geworden, voor zover er daar vacatures waren en betrokkenen aan de desbetreffende functievereisten voldeden. [verzoekster] kon reeds vanwege het feit dat zij woonachtig is te [district 2] in [district] niet geplaatst worden bij het dienstonderdeel Justitie, nu dit dienstonderdeel daar geen afdeling heeft. Vervolgens is [verzoekster] geplaatst op een door de afdeling Personele Zaken van voormeld ministerie opgemaakte lijst met namen van personen, die door het KPS moesten worden geaccommodeerd. Deze lijst is samen met de desbetreffende sollicitatiebrieven, gestuurd naar het KPS. Het ministerie heeft daarbij het KPS, dat over een eigen budget beschikt en een eigen afdeling Personeelszaken en salarisadministratie heeft, voorgehouden dat het KPS zelf diende zorg te dragen voor de betaling van de salarissen van de op voormelde lijst voorkomende personen. Voormeld ministerie heeft het KPS echter niet voorzien van de stukken, benodigd voor het in dienst kunnen nemen van vorenbedoelde personen. Vanwege de personeelsstop is een ontheffing van de Raad van Ministers vereist voor het aantrekken van nieuw personeel. Niet is gebleken dat zo een ontheffing is verleend. De procedure voor het in dienst nemen van vorenbedoelde personen, waaronder [verzoekster], is derhalve niet gevolgd. Het KPS heeft de minister bij het in 2.6 vermeld schrijven d.d. 03 februari 2016 te kennen gegeven niet te zullen meewerken aan het in dienst nemen van deze personen. [naam 2] heeft op instructie van de minister werkgeversverklaringen opgemaakt ten name van de personen voorkomende op in de 2.4 genoemde lijst, waaronder [verzoekster], zonder dat sprake is van een met hen gesloten arbeidsovereenkomst. De werkgeversverklaringen waren bedoeld om betrokkenen, die woonachtig zijn in de districten, in staat te stellen (alvast) een bankrekening te kunnen openen. [naam 2] heeft de werkgeversverklaringen doen toekomen aan de directeur, die ze vervolgens heeft afgegeven aan de minister. De parlementariër [naam 6] heeft de werkgeversverklaringen aan betrokkenen verstrekt.

4.4 Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat partijen op 02 maart 2015 een arbeidsovereenkomst hebben gesloten, zodat de aan [verzoekster] verstrekte werkgevers-verklaring in strijd is met de werkelijkheid. Het hof merkt in dit kader op dat [verzoekster] ter zitting zelf heeft verklaard dat: 1. haar tijdens het sollicitatiegesprek is voorgehouden dat zij in dienst zou worden genomen – en niet dat zij in dienst is genomen – en 2. zij in afwachting van de indiensttreding ontslag had genomen bij haar vorige werkgever. [verzoekster] ging derhalve kennelijk zelf ervan uit dat partijen op 02 maart 2015 geen arbeidsovereenkomst hadden gesloten. Zelfs in geval ervan moet worden uitgegaan dat de door [verzoekster] ter zitting gebezigde bewoordingen ongelukkig zijn gekozen, doet zulks niet af aan hetgeen is verwoord in de eerste volzin van deze rechtsoverweging.

4.5 Het beroep van [verzoekster] op het gerechtvaardigd vertrouwen dat een arbeidsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, faalt. Daartoe wordt als volgt overwogen. Vast is komen te staan dat de werkgeversverklaring in strijd is met de werkelijkheid, zodat [verzoekster] daaraan geen vertrouwen kan ontlenen. De omstandigheid dat het geheel buiten de invloedssfeer van [verzoekster] lag dat de Staat het één en ander administratief niet correct heeft aangepakt, maakt dit niet anders. [verzoekster] kan voorts geen vertrouwen ontlenen aan de eerder door haar gestelde omstandigheid dat zij een leveringsbon voor het afhalen van uniformen van de Staat heeft ontvangen, nu zij ter zitting van 17 februari 2017 zelf heeft verklaard dat zij op eigen initiatief en op eigen kosten de uniformen heeft laten maken. [verzoekster] kan evenmin vertrouwen ontlenen aan het feit dat haar naam voorkomt op de in de conclusie tot uitlating producties d.d. 03 november 2017 genoemde lijsten, nu hieruit niet volgt dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. [verzoekster] heeft verder geen feiten of omstandigheden gesteld, waaruit kan worden geconcludeerd dat zij gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat partijen op enig moment na 02 maart 2015 wilsovereenstemming hebben bereikt over de in artikel 1613a van het Burgerlijk Wetboek genoemde essentiële onderdelen van de door haar gestelde arbeidsovereenkomst. Het hof acht in dit kader tevens van belang de omstandigheid dat [verzoekster] nimmer is opgeroepen om werkzaamheden als schoonmaakster voor de Staat te verrichten.

4.6 Het verdient overigens opmerking dat de handelwijze van de Staat, met name het verstrekken van werkgeversverklaringen zonder dat sprake is van een dienstverband, op zijn zachts uitgedrukt geen schoonheidsprijs verdient. Deze handelwijze is de directe aanleiding geweest voor het onderhavige geding.

4.7 Uit hetgeen in 4.4 en 4.5 is overwogen volgt dat niet is komen vast te staan dat op 02 maart 2015 of op enig ander moment een arbeidsovereenkomst conform artikel 15 Pw tussen partijen tot stand is gekomen. [verzoekster] is derhalve geen arbeidscontractant in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. De Personeelswet is daarom niet op haar van toepassing, zodat het hof als gerecht in ambtenarenzaken haar niet kan ontvangen in haar vordering.

4.8 Het hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5. De beslissing

Het hof:
Verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in de onderhavige vordering.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 16 oktober 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend–griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. E.M. Redjopawiro namens advocaat mr. R.R. Lobo, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door Major Pengel namens mr. R. Rathipal, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-39

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
16 oktober 2020

in de zaak van

[appellant],
wonende in het [district],
appellant in kort geding, hierna aangeduid als [appellant],
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het MINISTERIE van JUSTITIE en POLITIE,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie
van Suriname, kantoorhoudende aan de Limesgracht nr. 92 te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding, hierna aangeduid als de Staat,
gemachtigde: mr. P. Campagne MLS, jurist verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 26 april 2019 bekend in het Algemeen Register onder no. 19-1605 tussen [appellant] als eiser en de Staat als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1.Het procesverloopin hoger beroep
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het schrijven van de advocaat van [appellant] gedateerd 29 april 2019 – ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 02 mei 2019 – waaruit blijkt dat [appellant] hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 26 april 2019;
  • de pleitnota gedateerd 07 februari 2020;
  • de antwoordpleitnota gedateerd 06 maart 2020;
  • de repliekpleitnota gedateerd 03 april 2020;
  • de dupliekpleitnota gedateerd 07 augustus 2020;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2.De ontvankelijkheid van het beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 26 april 2019. Bij de uitspraak was [appellant], bijgestaan door zijn gemachtigde, ter terechtzitting verschenen terwijl de Staat niet vertegenwoordigd was. Nu [appellant] op 02 mei 2019 hoger beroep heeft ingesteld tegen het beroepen vonnis is dit ingevolge het bepaalde in artikel 235 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig geschied en is [appellant] ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep.

3.De vordering in hoger beroep
[appellant] vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter in kort geding, in eerste aanleg uitgesproken op 26 april 2019 in de procedure met A.R. No. 19-1605 tussen [appellant] als eiser en de Staat als gedaagde en opnieuw rechtdoende de vordering van [appellant] alsnog toe te wijzen, met veroordeling van de Staat in de kosten ( het Hof begrijpt: in beide instanties).

4.Waarvan kan worden uitgegaan
[appellant] heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten door de kantonrechter in eerste aanleg, weshalve van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Derhalve staat – ook in hoger beroep – het navolgende vast tussen partijen:

4.1. [appellant] is op 20 april 2018 in verzekering gesteld en bij vonnis van 22 november 2010 (het Hof begrijpt: 2018) in het tweede kanton veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden waarvan drie (het Hof begrijpt: maanden) voorwaardelijk en in het derde kanton tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 (het Hof begrijpt: maanden) voorwaardelijk.
4.2. [appellant] heeft kennis gekregen van het besluit dat zijn VI-verzoek is afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 30a lid 1 sub g van het Wetboek van Strafrecht.
4.3. Bij schrijven van 21 februari 2019 van de gemachtigde van [appellant] is de Staat aangemaand om [appellant] binnen 48 uur voorwaardelijk in vrijheid te stellen.
4.4. Aan deze aanmaning heeft de Staat geen gevolg gegeven.

5.De beoordeling van het geschil
5.1. [appellant] heeft in eerste aanleg als eiser in kort geding het navolgende gevorderd:

  • dat de kantonrechter bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:
    * de Staat zal veroordelen om [appellant] binnen 1 X 24 uur na het vonnis lijfelijk in vrijheid te stellen op straffe van een dwangsom en voorts
    * de Staat zal veroordelen in de advocaatkosten ad SRD. 5.000,= en in de proceskosten.

5.2. Naast voormelde vaststaande feiten heeft [appellant] in eerste aanleg aan zijn vordering ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven en voor zover ten deze van belang- dat hij reeds twee derde deel van zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten. Voorts heeft hij aangevoerd dat artikel 30a lid 1 sub g van het wetboek van Strafrecht in zijn geval niet van toepassing is omdat hij een gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen die onder de vier jaar ligt. De Staat handelt daarom onrechtmatig door [appellant] niet voorwaardelijk in vrijheid te stellen.
5.3. Bij vonnis van de kantonrechter in kort geding de dato 26 april 2019 heeft de kantonrechter de gevraagde voorzieningen geweigerd en [appellant] in de gedingkosten veroordeeld. [appellant] verzoekt het Hof om het beroepen vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende zijn vordering alsnog toe te wijzen, met veroordeling van de Staat in de kosten (het Hof begrijpt: in beide instanties). Daartoe heeft [appellant] grieven aangevoerd die in het hierna volgende aan een bespreking zullen worden onderworpen:
5.4. In de visie van [appellant] heeft de kantonrechter ten onrechte in het beroepen vonnis onder rechtsoverweging 5.7 het navolgende overwogen: “ De kantonrechter is van oordeel dat uit de hiervoor genoemde wetsartikelen blijkt dat met de formulering “is gesteld” steeds weer, en ook in artikel 30 a lid 1 onder g wordt gedoeld op een in de wet genoemd vastgesteld strafmaximum”.
5.5. De Staat heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verweer gevoerd op welk verweer het hof – voor zover nodig – in het hierna volgende zal ingaan.
5.6. In de visie van het Hof is het navolgende in casu aan de orde. [appellant] meent aanspraak te maken om voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld aangezien hij reeds twee/derde deel van de door de kantonrechter in eerste aanleg opgelegde straf heeft uitgezeten. De Staat daarentegen huldigt de opvatting dat ingevolge het bepaalde in artikel 30a lid 1 onder g van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr.) [appellant] niet in aanmerking komt om voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld aangezien hij zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet Verdovende Middelen en aan een misdrijf waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Hoewel het onvoorwaardelijk deel van de door de kantonrechter opgelegde gevangenisstraf een periode van vijftien (15) maanden bedraagt en dus onder de vier jaar ligt, huldigt de Staat de opvatting (althans zo vat het Hof dat op) dat in artikel 30a lid 1 onder g Sr met het woord “ is gesteld” bedoeld wordt de strafbedreiging door de wetgever gesteld en niet de door de kantonrechter opgelegde straf. [appellant] daarentegen gaat uit van het standpunt dat de wetgever met het woord “ is gesteld” als hiervoor aangegeven doelt op de opgelegde straf en niet op de door de wetgever gestelde strafmaximum.
5.7. Voor de goede orde zal het Hof het bepaalde in artikel 30a lid 1 onder g Sr in het hierna volgende citeren. In voormeld wetsartikellid is als weigeringsgrond voor voorwaardelijke invrijheidstelling het navolgende bepaald (begin citaat) “ de veroordeelde onherroepelijk is veroordeeld ter zake van misdrijven omschreven in de artikelen 295, 296, 297, 298, 347, 348, 348a, 349 en 349a alsmede ter zake van misdrijven in de Wet Verdovende Middelen waarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.” (einde citaat). Het punt dat partijen verdeeld houdt betreft de vraag of met het woord “ is gesteld” in voormeld wetsartikellid bedoeld wordt de strafbedreiging of de opgelegde straf. Hoewel het Hof zich ervan bewust is dat [appellant] inmiddels lijfelijk in vrijheid is gesteld (volgens de Staat op 14 juli 2019) zal het Hof toch ingaan op de fundamentele rechtsvraag die partijen verdeeld houdt. Voorafgaand daaraan wenst het Hof aan te geven dat nu de wetgever voor bezwaren betreffende het uitblijven van voorwaardelijke invrijheidstelling een speciale rechtsgang in het leven heeft geroepen hetwelk eveneens is gebleken effectief te zijn, de kortgedingrechter thans in beginsel niet meer –zoals in het recente verleden gebruikelijk was- als restrechter kan functioneren in zaken betreffende het uitblijven van voorwaardelijke invrijheidstelling. Daartoe is ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr bevoegd de rechter (casu quo het gerecht) die de vrijheidsstraf heeft opgelegd.
5.8. Thans zal het Hof ingaan op de vraag die partijen verdeeld houdt. Evenals de kantonrechter is het Hof van oordeel dat een wetssystematische en taalkundige interpretatie van de woorden “is gesteld” in voormeld wetsartikellid tot de slotsom leidt dat de wetgever met het bezigen van voormelde woorden het oog heeft gehad op de strafbedreiging en niet op de opgelegde straf. Hoewel de memorie van toelichting op voormelde wetsbepaling met geen woord daarover rept komt het het Hof voor dat indien de wetgever het oog had gehad op de opgelegde straf in de context van voormeld wetsartikellid dat met zoveel woorden zou zijn aangegeven. Nu dat niet is geschied en in voormelde context de woorden “is gesteld” in de visie van het Hof niet voor velerlei uitleg vatbaar zijn, zal de door [appellant] opgeworpen grief ongegrond worden verklaard. De overwegingen van andere kortgedingrechters in eerste aanleg zoals door de gemachtigde van [appellant] is aangevoerd en die contrair zijn aan hetgeen hiervoor is overwogen worden met het voorgaande geacht te zijn besproken en verworpen.
5.9. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat de door [appellant] aangevoerde grief zoals hiervoor weergegeven onder 5.4. niet gegrond is gebleken. De consequentie daarvan is dat het vonnis waarvan beroep – onder aanvulling van gronden als hiervoor overwogen – zal worden bevestigd en [appellant], als de in het ongelijk gestelde partij, zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
5.10. Bespreking van de overige grieven en weren van partijen zal, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

6. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:
6.1. Bevestigt, onder aanvulling van gronden als voormeld, het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken de dato 26 april 2019 en bekend in het Algemeen Register onder no. 19–1605, waarvan beroep;
6.2. Veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van de Staat gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en bij vervroeging uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 oktober 2020 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen, advocaat mr. Ch. Algoe en mr.P.J. Campagne MLS, gemachtigden van partijen.

SRU-HvJ-2020-38

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

Sport Vereniging Eendracht,
gevestigd en kantoorhoudende in het district Paramaribo,
appellante in kort geding,
verder ook te noemen: Eendracht,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

De Surinaamse Voetbal Bond,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
verder ook te noemen: de SVB,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,
Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 19 juli 2012, A.R.no. 12-2577, tussen Eendracht als eiseres en de SVB als gedaagde spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 2 augustus 2012, inhoudende dat Eendracht op 2 augustus 2012 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 19 juli 2012 in kort geding gewezen tussen Eendracht als eiseres en de SVB als gedaagde;
  • een pleitnota met 4 producties van Eendracht, overgelegd op 17 januari 2014;
  • een pleitnota van antwoord van de SVB, overgelegd op 4 juli 2014;
  • een pleitnota van repliek, overgelegd op 1 augustus 2014;
  • een pleitnota van dupliek, overgelegd op 17 oktober 2014.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
Partijen waren niet aanwezig bij de uitspraak van het vonnis van 19 juli 2012. Dit vonnis is op 24 juli door de griffier der kantongerechten aan partijen meegedeeld. Eendracht heeft vervolgens op 2 augustus 2012 hoger beroep tegen dat vonnis aangetekend.
Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Eendracht daarin kan worden ontvangen.

Beoordeling
1. Het geschil tussen partijen betreft, kort samengevat, het volgende:
Eendracht deed in juni 2012 mee aan het jaarlijks gehouden SVB/Integra Port Services Lidbondentoernooi. Na een wedstrijd tegen Sport Club Altona op 8 juni 2012 tekende zij bij de competitie commissie van de SVB protest aan, omdat in die wedstrijd een niet gerechtigde speler met Altona zou hebben meegespeeld. Het protest werd op 14 juni 2012 door de protest commissie van de SVB afgewezen en Eendracht ging daarvan in beroep bij het hoofdbestuur van de SVB. Het hoofdbestuur trok het besluit van de protest commissie in maar besloot tevens dat het protest van Eendracht opnieuw werd afgewezen. Eendracht diende vervolgens bij de kantonrechter een vordering in kort geding in. Deze vordering strekte er in hoofdzaak toe, dat het besluit van de SVB 18 juni 2012 zou worden geschorst, althans opgeschort, en dat aan de SVB zou worden gelast om de wedstrijd van Eendracht en Altona van 8 juni 2012 te laten overspelen. De kantonrechter verklaarde echter Eendracht niet-ontvankelijk in haar vordering, omdat, kort samengevat, artikel 9 sub g van de voor het lidbondentoernooi van 2012 geldende regels bepaalt dat de verenigingen die aan het toernooi deelnemen “zich verbinden om uitspraken van het hoofdbestuur van de SVB als definitief te accepteren en de Burgerrechter niet te adiëren”.
Op 8 augustus 2012, dus nadat Eendracht hoger beroep had aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter van 19 juli 2012, schreef de gemachtigde van Eendracht een brief aan de arbitrage commissie van de SVB. Hij verzocht in deze brief namens Eendracht aan de arbitrage commissie om het besluit van het hoofdbestuur van de SVB van 18 juni 2012 te vernietigen, het beroep van Eendracht alsnog gegrond te verklaren en “te handelen overeenkomstig de procedure, zoals in het Reglement voor de Jaarlijkse Nationale Competitie van de Surinaamse Voetbalbond is bepaald”. De SVB schreef op 23 augustus 2012 terug. De brief kwam er op neer dat de arbitrage commissie de zaak niet in behandeling zou nemen omdat de rechter in kort geding inmiddels uitspraak had gedaan “waardoor deze kwestie als zijnde afgedaan wordt beschouwd”.

2. De kantonrechter was in het vonnis waarvan beroep van oordeel dat Eendracht niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Hij baseerde dit oordeel op artikel 9 g van het hoofdstuk “Organisatie en Regels” van het namens de SVB uitgegeven programmaboek van het7e SVB/Integra Port Services Lidbondentoernooi 2012. Artikel 9 g. luidt, voor zover hier van belang: “De deelnemende verenigingen en lidbonden verbinden zich om uitspraken van het hoofdbestuur van de SVB als definitief te accepteren en de Burgerrechter niet te adiëren.”. De kantonrechter stelde dat de Commissie Lidbonden, die het toernooi onder auspiciën van de SVB en in nauwe samenwerking met de lidbonden organiseerde, bevoegd was om de regels voor het toernooi vast te stellen en dat alle deelnemende verenigingen gehouden waren on die regels na te leven. Daarom was Eendracht ook gehouden om het bepaalde in artikel 9g na te leven, aldus te kantonrechter.

3. Eendracht voert als grief tegen het vonnis van de kantonrechter aan, dat de kantonrechter ten onrechte Eendracht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar vordering. In haar toelichting op deze grief stelt zij dat niet de toernooiregels waar de kantonrechter van uitging van toepassing waren, maar de bepalingen van het reglement voor de jaarlijkse nationale competitie van de SVB. Volgens dit reglement is, aldus Eendracht, bij protesten van de bij de SVB aangesloten verenigingen niet het hoofdbestuur van de SVB de hoogste beroepsinstantie, maar de arbitrage commissie van de SVB. Eendracht verwijst daarbij onder andere naar artikel 22 van het competitie reglement. Artikel 1 lid 1 van dit artikel luidt:

In alle gevallen waarbij het hoofdbestuur van de SVB in beroep een besluit heeft genomen aangaande een ongerechtigde speler, alsook in de gevallen waarbij genoemd bestuur in beroep een besluit heeft genomen aangaande een transfer, is in hoogste en laatste instantie beroep mogelijk bij de Arbitrage commissie.

4. Met de kantonrechter is ook het hof van oordeel dat voor het protest van Eendracht de regels gelden, die in het toernooiboek 2012 onder de kop “Organisatie en regels” vermeld staan. Het slotartikel 10 van deze regels luidt:

In alle gevallen waarin de regelgeving c.q. sancties van het lidbondentoernooi niet specifiek voorziet, zijn de vigerende Regels, Bepalingen en Reglementen o.a. Competitie Reglement, Transfer Reglement, Statuten en het Huishoudelijk Reglement van de Surinaamse Voetbal Bond onverkort van toepassing.

Belangrijk is hier de beperking “ in alle gevallen waarin de regelgeving van het lidbondentoernooi niet specifiek voorziet”. De toernooiregels voorzien juist wel specifiek in de wijze waarop protesten tijdens het toernooi moeten worden behandeld. Heel duidelijk bepalen de toernooiregels hoe er geprotesteerd moet worden, wie daarover beslist, en hoe men van die beslissing in beroep kan gaan. Kennelijk wilden de organisatoren het beroep tegen beslissingen op protesten beperken tot één instantie. Dat is ook logisch, want bij een toernooi moet het resultaat van een protest snel duidelijk zijn.
Het hof is daarom van oordeel dat de arbitrage commissie van de SVB niet bevoegd was om van het beroep van Eendracht kennis te nemen, zodat de grief faalt.

5. Ambtshalve overweegt het hof het volgende.
Naar het oordeel van het hof kunnen de organisatoren van het toernooi de gang naar de rechter in kort geding niet voor alle gevallen afsluiten. Wanneer als gevolg van een onrechtmatige uitspraak van het hoofdbestuur van de SVB groot nadeel zou dreigen en er geen andere spoedprocedure met voldoende waarborgen voorhanden is, dan zou de benadeelde die een spoedeisend belang heeft zich tot de rechter in kort geding kunnen wenden, ook als dat in enig reglement wordt uitgesloten.

In dit geval is daar echter geen sprake van. De beslissing van het hoofdbestuur van de SVB was niet onrechtmatig, het nadeel dat Eendracht leed als gevolg van het meespelen van een beweerdelijk ongerechtigde speler in een enkele wedstrijd is allerminst concreet gemaakt en het hoofdbestuur had grote vrijheid bij het al dan niet toepassen van sancties, zodat voor een optreden door de rechter in kort geding hoe dan ook geen plaats was.

6.De kantonrechter heeft dus terecht in kort geding Eendracht niet-ontvankelijk verklaard. Zijn vonnis zal worden bevestigd en Eendracht zal worden verwezen in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep in kort geding:
Het Hof:
Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 juli 2012, A.R.no. 12-2577, in kort geding tussen partijen gewezen,
Veroordeelt Eendracht in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de SVB begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 15 mei 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. N.A.S. Ramnarain namens advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellante noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

SRU-HvJ-2020-37

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15704
4 december 2020

In de zaak van

[appellant]
in zijn hoedanigheid van advocaat en lid van de Surinaamse Orde van Advocaten,
domicilie gekozen hebbende te Paramaribo,
appellant in kort geding,
hierna te noemen [appellant],
procederend in persoon,

tegen

De Surinaamse Orde van Advocaten, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
hierna te noemen SOvA,
gemachtigde: voorheen mr. dr. G.N. Best, advocaat, thans mr. R. Sohansingh, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 25 juni 2019 bekend onder AR no. 19-1919 tussen [appellant] als eiser en SOvA als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1.Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat [appellant] op 25 juni 2019 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota met producties ingediend op 19 december 2019;
  • de antwoordpleitnota met producties ingediend op 10 januari 2020;
  • de repliekpleitnota ingediend op 24 januari 2020;
  • de dupliekpleitnota ingediend op 7 februari 2020.

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 19 juni 2020 doch nader op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 25 juni 2019. [appellant] heeft op dezelfde dag, te weten 25 juni 2019 appèl aangetekend. Dit is binnen de bij wet gestelde termijn. [appellant] is dus ontvankelijk in het door hem ingestelde appèl.

3. De vordering in hoger beroep
[appellant] vordert in hoger beroep:
I. vernietiging van het vonnis van de kantonrechter gedateerd25 juni 2019 met A.R. no. 19-1919, en opnieuw rechtdoende de vordering alsnog toe te wijzen;
II. uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis;
III. veroordeling van SOvA in de proceskosten.

4.De feiten
4.1 [appellant] is lid van de SOvA.
4.2 De verkiezing voor de Raad van Bestuur van de Orde stond gepland voor 23 maart 2019. [naam 1] (hierna [naam 1]) en [naam 2] (hierna [naam 2]) hadden zich als kandidaat verkiesbaar gesteld voor de functie van Deken.
4.3 Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 22 maart 2019, bekend onder A.R. no. 19-1069, heeft de kantonrechter de kandidaatstelling van [naam 1] voor de functie van Deken ongeldig verklaard.
4.4 Bij verzoekschrift d.d. 20 maart 2019 was door de advocaten die zich kandidaat hadden gesteld tegen de lijst van [naam 1], bij de rechter in kort geding gevorderd dat [naam 3] (hierna [naam 3]) werd uitgesloten van deelname aan de verkiezing voor de functie van Deken.
De kantonrechter heeft bij vonnis d.d. 22 maart 2019 met A.R. no. 19-1087 de gevraagde voorziening geweigerd.
4.5 Op 23 maart 2019 zijn verkiezingen gehouden voor de Raad van Bestuur van de Orde.
De leden van verkiezingscommissie waren:

  • [naam 4] (voorzitter),
  • [naam 5] (secretaris),
  • [naam 6] (lid),
  • [naam 7] (lid) en
  • [naam 8] (lid).

4.6 Op 23 maart 2019, nadat de verkiezingen waren gehouden, heeft de verkiezingscommissie een proces-verbaal opgemaakt van de gehouden verkiezingen waarin is opgenomen dat [naam 3] is gekozen tot Deken.
4.7[naam 3] heeft ingevolge de Advocatenwet binnen een week schriftelijk te kennen gegeven dat zij haar verkiezing aanvaardt.
4.8 In eerste aanleg heeft [appellant] – zakelijk weergegeven – gevorderd dat de uitslag van de door de SOvA op 23 maart 2019 gehouden verkiezing van de Raad van Bestuur wordt opgeschort totdat over de rechtsgeldigheid van de verkiezingen c.q. de verkiezing van de Deken in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist.
4.9 Bij vonnis van de kantonrechter in kort geding d.d. 25 juni 2019 bekend onder A.R. no. 19-1919 is de door [appellant] gevraagde voorziening geweigerd.

5.De beoordeling
5.1 [appellant] heeft grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter. Als grief I voert hij aan dat de rechter ten onrechte onder 2.3 van de feiten het volgende heeft overwogen: “In de periode voor de verkiezingen heeft [naam 3] zich verkiesbaar gesteld voor de functie van Deken van de Orde”.
Volgens [appellant] heeft de kandidaatstelling van [naam 3] in strijd met het verkiezingsreglement plaatsgevonden, zodat haar verkiesbaarheid niet als feit kon worden aangenomen. [appellant] meent dat [naam 3] zich niet verkiesbaar heeft gesteld voor de functie van Deken. Ter onderbouwing van deze grief heeft [appellant] overgelegd een afschrift van een verklaring afgelegd door één van de leden van de verkiezingscommissie van de SOvA.
Deze verklaring is gedateerd 20 maart 2019 en gericht aan [naam 2], advocaat. In deze verklaring is, zo ver van belang, het volgende opgenomen:
“Ingevolge onze gespreken (lees gesprekken) van maandag 18 maart 2019 en dinsdag 19 maart 2019 verklaard (lees verklaart) ondergetekende, in zijn hoedanigheid van lid van de verkiezingscommissie ter verkiezing van de deken en leden van de Raad van Bestuur van de Surinaamse Orde van Advocaten, dat [naam 3] zich als lid verkiesbaar heeft gesteld voor de Raad van Bestuur van de Surinaamse Orde van Advocaten en niet als deken. Wij hebben als commissie haar kandidaatstelling als lid op de lijst van [naam 1] goedgekeurd en niet als kandidaat voor de positie van deken. Het door de voorzitter van de verkiezingscommissie gestelde [naam 4] is in strijd met de waarheid……”.
[appellant] heeft voorts aangevoerd dat de verkiezingscommissie de kandidaatstelling van [naam 3] voor de verkiezing tot lid van de Raad van Bestuur heeft gewijzigd terwijl de kandidaatstellingstermijn reeds verstreken was. Dit, omdat het toen duidelijk was geworden dat [naam 1], die zich kandidaat had gesteld voor de functie van Deken, uitgesloten zou worden om aan de verkiezing mee te doen. Dit heeft tot gevolg gehad dat zowel [naam 3], [naam 1] als [naam 2] kandidaat waren voor de functie van Deken.
[appellant] heeft het verzoek gedaan om [naam 8] en de overige leden van de verkiezingscommissie, als informant, ter zake te horen.

5.1.1 De SOvA heeft als formeel verweer aangevoerd dat grief I een nieuw verweer is welke [appellant] uitsluitend bij memorie van grieven had kunnen voeren en concludeert dat het Hof voorbij gaat aan deze grief en het gedane verzoek tot getuigenverhoor.
Dit verweer zal worden verworpen.
Het recht op een eerlijk proces brengt met zich dat ook indien de appellant, in casu [appellant], geen memorie van grieven heeft genomen, het Hof in zijn oordeel moet betrekken hetgeen de appellant bij pleidooi heeft aangevoerd ter ondersteuning van stellingen en weren.
Door het hoger beroep is de zaak in de volle omvang aan het oordeel van het Hof als appelrechter onderworpen en dient het Hof, ook bij gebreke van een memorie van grieven, in zijn beoordeling te betrekken hetgeen [appellant] als appellant bij gelegenheid van zijn pleidooi naar voren heeft gebracht om door hem in eerste aanleg aangevoerde stellingen en weren toe te lichten, te verbeteren en aan te vullen.
Bovendien, ook indien het juist is dat het door [appellant] aangevoerde ter zake grief I pas in hoger beroep aan de orde is gesteld, is de SOvA niet geschaad in haar verdediging. Zij heeft immers de gelegenheid gehad om daarop te reageren bij antwoord- en dupliekpleidooi.
5.2 De SOvA voert tevens aan dat de kantonrechter een rechtsfeit heeft vastgesteld dat [naam 3] zich voorafgaand aan de verkiezingen, verkiesbaar heeft gesteld voor de functie van Deken van de Orde. Volgens de SOvA heeft de kantonrechter terecht het voorgaande overwogen. Dit blijkt immers – aldus de SOvA – genoegzaam uit het in eerste aanleg bij conclusie van antwoord als productie 1 overgelegd schrijven van de voorzitter van de verkiezingscommissie, waarin hij verklaart dat de kandidaatstelling van [naam 3] voor de functie van deken is goedgekeurd. Daarnaast blijkt voormeld rechtsfeit volgens de SOvA ook uit het door [appellant] bij inleidend verzoekschrift als productie 2 overgelegd proces-verbaal van de Verkiezingscommissie d.d. 23 maart 2019. In dit proces-verbaal heeft de verkiezingscommissie de kandidaatstelling van alle kandidaten, inclusief [naam 3], goedgekeurd.
De SOvA betoogt verder dat de door [appellant] overgelegde verklaring van het ene lid van de verkiezingscommissie d.d. 20 maart 2019, één en ander zoals omschreven onder 5.1 hiervoor, kan worden aangemerkt als te zijn volstrekt ongeloofwaardig en onbetrouwbaar.
Dit, – althans zo begrijpt het Hof dat– omdat dit lid ook het proces-verbaal van de verkiezingscommissie waarin staat vermeld dat:
(i) drie (3) kandidaten zich voor de functie van Deken verkiesbaar hebben gesteld, waaronder [naam 3];
(ii) de kandidaatstelling van alle kandidaten door de verkiezingscommissie zijn goedgekeurd;
(iii) [naam 3] is verkozen tot Deken en
(iv) de verkiezingscommissie de verkiezing van [naam 3] bindend heeft verklaard, heeft medeondertekend.

5.2.1 Na dit gemotiveerd verweer van de SOvA is [appellant] blijven volharden in zijn stelling dat [naam 3] zich in strijd met het verkiezingsreglement verkiesbaar heeft gesteld, met name dat zij zich niet verkiesbaar heeft gesteld voor de functie van Deken. Zoals reeds eerder overwogen heeft [appellant] voorts aangevoerd dat de verkiezingscommissie de kandidaatstelling van [naam 3] voor de verkiezing tot lid van de Raad van Bestuur heeft gewijzigd terwijl de kandidaatstellingstermijn reeds verstreken was.
Gelet op het voorgaande acht het Hof het van belang om de leden van de verkiezingscommissie als informant te horen. Het gaat met name om de volgende personen te weten [naam 4] (voorzitter), [naam 5] (secretaris), [naam 6] (lid), [naam 7] (lid) en [naam 8] (lid).
Het Hof zal dan ook een datum daartoe bepalen, zoals in het dictum te melden.
Voorts acht het Hof het van belang om kennis te nemen van het verkiezingsreglement waar partijen gewag van maken in de gewisselde stukken maar welk zij niet ten processe hebben overgelegd. [appellant] zal – als de meest gerede partij – in de gelegenheid worden gesteld om dit document uiterlijk een week voor de onder 6.3 aangegeven datum in te dienen bij de griffier.
5.3 Voor het overige zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

6.De beslissing
Het Hof:
6.1 Bepaalt dat de personen zoals omschreven onder 5.2 van de beoordeling als informanten zullen worden gehoord en wel met het doel zoals omschreven in de beoordeling.
6.2 Bepaalt dat de griffier de hiervoor genoemde personen zal oproepen voor voormeld doel en wel op dag en tijdstip als na te melden.
6.3 Bepaalt dat de zaak ter fine van het voorgaande zal worden afgeroepen ter rolle van de terechtzitting van donderdag 14 januari 2021 om 11.00 uur des voormiddags.
6.4 Stelt [appellant] in de gelegenheid om uiterlijk op 7 januari 2021 een exemplaar van het verkiezingsreglement bij de griffier in te dienen.
6.5 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S.Chhangur-Lachitjaran, leden enbij vervroeging uitgesproken door mr. D.D.Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 4 december 2020 in tegenwoordigheid van mr.S.C.Berenstein BSc, fungerend-griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

 

SRU-HvJ-2020-36

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant] ,
wonende te [district],
appellant, hierna aangeduid als ‘de man’
gemachtigde: mr. H.P. Boldewijn, advocaat,

tegen

[geïntimeerde] ,
wondende te [district],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ‘de vrouw’
gemachtigde: mr. E.F. van der Hilst, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 5 juli 2006 (A.R. no. 033750) tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam de van Republiek, het navolgend vonnis bij vervroeging uit:

1.Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de Griffier der Kantongerechten waaruit blijkt dat de man op 28 juli 2006 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota, overgelegd op 16 november 2007;
  • de antwoordpleitnota, overgelegd op 7 maart 2008;
  • de repliekpleitnota met productie, overgelegd op 15 mei 2015;
  • de dupliekpleitnota, overgelegd op 5 juni 2015;
  • de rechtsdag voor de uitspraak was hierna aanvankelijk bepaald op 16 oktober 2015 en vervolgens op 20 maart 2020, doch bij vervroeging op heden.

2. De feiten
2.1 Partijen zijn op 29 augustus 1981 te Paramaribo buiten gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.
2.2 De uit het huwelijk van partijen geboren kinderen zijn reeds meerderjarig, doch ten tijde van het proces in eerste aanleg (het jaar 2003) was één der kinderen, [naam] geboren op 10 augustus 1985 te Paramaribo, minderjarig.
2.3 De vrouw heeft op 2 oktober 2003 een verzoekschrift ingediend tot scheiding van tafel en bed met nevenvoorziening.
2.4 Bij provisionele beschikking van 22 januari 2004, A.R. no. 033750, heeft de kantonrechter als voorlopige voorziening (onder meer) de alimentatie van de vrouw vastgesteld op SRD 4500,- en de kinderalimentatie op SRD 1500, -.
2.5 Bij vonnis van 7 juli 2004 bekend onder A.R. no. 033750, heeft de kantonrechter in het eerste kanton, bij verstek, de scheiding van tafel en bed tussen partijen uitgesproken en het familieverhoor ter voorziening in de ouderlijke macht bepaald op 18 januari 2005; voorts heeft de kantonrechter alimentatie ten behoeve van de vrouw bepaald ten bedrage van SRD 4500,- per maand.
2.6 De man heeft bij verzoekschrift d.d. 4 maart 2005 verzet ingediend tegen voornoemd vonnis van de kantonrechter.
2.7 Bij vonnis van 5 juli 2006, A.R. no. 033750, heeft de kantonrechter in het eerste kanton de man tot goed opposant verklaard en het vonnis van de kantonrechter d.d. 7 juli 2004, waarvan verzet, bevestigd met uitzondering van de alimentatie ten behoeve van de vrouw en deze, opnieuw rechtdoende, op een bedrag van SRD 800,- per maand bepaald ingaande de datum van inschrijving van het vonnis in de registers van de Burgerlijke Stand.
2.8 Tegen voormeld vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.

3. De ontvankelijkheid van het beroep
De man en zijn gemachtigde zijn op de dag van de uitspraak van het vonnis waarvan beroep d.d. 5 juli 2006, ter terechtzitting aanwezig geweest. Voor de vrouw was namens haar gemachtigde, mr. Halfhuid ter terechtzitting aanwezig. Omdat de man bij schrijven van zijn gemachtigde d.d. 26 juli 2006, ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 28 juli 2006, appel heeft aangetekend, is dit tijdig geschied en kan hij daarin worden ontvangen.

4. De vordering in eerste aanleg
4.1 De man heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd dat:

  1. hij tot goed opposant zal worden verklaard;
  2. het verstekvonnis van 7 juli 2004 bekend onder A.R. no. 033750, zal worden vernietigd en opnieuw rechtdoende geopposeerde niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar oorspronkelijke vordering, althans deze haar te ontzeggen, als zijnde ongegrond en niet bewezen;
  3. de vrouw wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

5. De grieven
De door de man aangevoerde grieven kunnen als volgt worden samengevat:
I. Een vonnis waarbij de scheiding van tafel en bed is uitgesproken kan nimmer in de registers van de Burgerlijke Stand worden ingeschreven, doch bij de Griffie der Kantongerechten, zodat het vonnis van de kantonrechter d.d. 7 juli 2004 bekend onder A.R. no. 033750, onjuist is en derhalve vernietigd dient te worden.
II. De kantonrechter heeft bij de bepaling van het alimentatiebedrag onvoldoende rekening gehouden met de financiële mogelijkheden van de man. De kantonrechter heeft slechts volstaan met de overweging: “(…) Onder de gegeven omstandigheden acht de kantonrechter het redelijk en billijk dat de man het bedrag van SRD 800,- per maand aan alimentatie ter voorziening van de vrouw zal betalen. (..)”. Op geen enkele wijze is aangegeven welke (financiële) omstandigheden tot de bepaling van voormeld bedrag aanleiding hebben gegeven.

6.De vordering in hoger beroep
De man verzoekt in hoger beroep het vonnis, waarvan beroep, te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog het gevorderde in eerste aanleg af te wijzen.

7. Het verweer
De vrouw heeft verweer gevoerd concluderende dat de inschrijving in het huwelijks–goederenregister slechts een formaliteit ter voldoening aan een publiciteitsplicht is. Wanneer het vonnis niet wordt ingeschreven in het huwelijksgoederenregister zijn partijen ook gescheiden van tafel en bed; de rechtskracht van het vonnis is niet afhankelijk van de inschrijving.
Voorts heeft de vrouw als verweer aangevoerd dat de provisonele beschikking van 22 januari 2004, waarin de alimentatie is bepaald op SRD 4.500,00, van kracht blijft totdat in hoger beroep is beslist. De kantonrechter heeft wel voldoende rekening gehouden met de financiële omstandigheden van de man en daardoor de alimentatie, van SRD 4500,- (vierduizend vijfhonderd Surinaamse dollar), teruggebracht naar SRD 800,- (achthonderd Surinaamse dollar).

8.De beoordeling
8.1 Alvorens in te gaan op de grieven constateert het Hof dat de man bij conclusie van repliek heeft aangevoerd dat hij zich niet kan terugvinden in de scheiding van tafel en bed, hebbende hij in eerste aanleg geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring, dan wel ontzegging van de vordering van de vrouw.
8.2 Het Hof overweegt dat ingevolge de wet, met name artikel 286 jo. 262 BW, scheiding van tafel en bed op dezelfde grond als echtscheiding, te weten duurzame ontwrichting, kan worden gevorderd. De vrouw heeft aan haar vordering tot scheiding van tafel en bed duurzame ontwrichting ten grondslag gelegd. Zij heeft in haar verzoekschrift in eerste aanleg gesteld dat de duurzame ontwrichting gelegen is in het feit dat de man een buitenechtelijke relatie op na houdt en dat zulks de reden is dat hij al geruime tijd niet in de echtelijke woning samen woont. De man heeft de duurzame ontwrichting van het huwelijk niet betwist en heeft tevens onvoldoende gemotiveerd waarom hij zich niet kan vinden in de scheiding van tafel van bed. Het Hof is van oordeel dat, nu de vrouw voldoende onderbouwing aan het door haar gevorderd verzoek tot scheiding van tafel en bed heeft gegeven en de man zijn betwisting onvoldoende gemotiveerd heeft, de duurzame ontwrichting vast staat. Het vonnis waarbij de vordering tot scheiding van tafel en bed is uitgesproken zal worden bevestigd met inachtneming van het volgende.
8.3 De wet, met name artikel 298 BW, stelt de inschrijving van een vonnis, waarbij de scheiding van tafel en bed is uitgesproken, in het huwelijksgoederenregister, gehouden ter Griffie van het Kantongerecht, niet verplicht, maar bij het achterwege laten kan de scheiding van tafel en bed niet worden tegengeworpen aan onkundige derden. Inschrijving in de registers van de Burgerlijke Stand is niet nodig: het huwelijk blijft immers in stand. De scheiding van tafel en bed komt tot stand zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en daarom is de rechtskracht van het vonnis niet afhankelijk van de inschrijving. Het Hof is van oordeel dat er in het onderhavige sprake is van een kennelijke verschrijving. Gelet op het voorgaande wordt de eerste grief verworpen.
8.4 Ingaand op de tweede aangevoerde grief overweegt het Hof dat deze zich richt op de vaststelling het levensonderhoud ten behoeve van de vrouw. De man vindt het toegewezen bedrag te hoog en komt daartegen in hoger beroep op. Enerzijds speelt dus de draagkracht van de man een rol, anderzijds de behoefte van de vrouw. De man stelt dat de vrouw een eigen bedrijf heeft waaruit zij inkomsten genereert, terwijl hij aan de andere kant het door de kantonrechter vastgestelde bedrag als wurgend ervaart. De vrouw daarentegen ontkent met klem dat zij een eigen bedrijf heeft. Derhalve heeft zij behoefte aan een bijdrage in haar levensonderhoud. De man is volgens haar wel in staat het door de kantonrechter vastgestelde bedrag te voldoen.
8.5 Naar het oordeel van Hof is voldoende vast komen te staan dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud omdat de man zonder overlegging van enig bewijsmiddel heeft aangevoerd dat de vrouw een eigen bedrijf heeft, terwijl de vrouw dat ontkent. De man heeft daarmee niet aan zijn stelplicht voldaan. Het Hof acht de man in staat om het door de kantonrechter vastgesteld bedrag van SRD 800,- per maand aan de vrouw te betalen aangezien hij in eerste aanleg verklaard heeft dat hij bereid en in staat is om ten behoeve van het minderjarig kind een bedrag van SRD 1000,- per maand te betalen. In de vonnissen in eerste aanleg van 7 juli 2004 en 5 juli 2006 is de man niet veroordeeld tot het betalen van alimentatie aan het – destijds – minderjarige kind. Gelet op het voorgaande zal ook deze grief worden verworpen.
8.6 Het Hof stelt vast dat de vrouw bij haar conclusie van antwoord in hoger beroep heeft aangevoerd dat de man niet in verzet is gekomen en ook geen hoger beroep heeft aangetekend tegen de provisionele beschikking van 22 januari 2004, waarbij de kantonrechter als voorlopige voorziening de alimentatie van de vrouw heeft vastgesteld op een bedrag van SRD 4500,- en de kinderalimentatie heeft vastgesteld op een bedrag van SRD 1500,. Volgens de vrouw heeft dit tot gevolg dat de voorlopige voorziening met betrekking tot haar levensonderhoud blijft doorlopen totdat in hoger beroep definitief is beslist.
8.7 Het Hof overweegt dat ingevolge de wet, met name artikel 263 Rv, van vonnissen en beschikkingen, welke aan het eindvonnis voorafgaan, slechts hoger beroep mag worden ingesteld tegelijk met het beroep van het eindvonnis. Nu de man niet (tegelijk) met het beroep tegen het eindvonnis hoger beroep heeft ingesteld tegen de provisionele beschikking van 22 januari 2004, blijft de in die beschikking getroffen voorlopige voorziening van kracht tot aan de dag van deze uitspraak met dien verstande dat de kinderalimentatie doorloopt tot aan de meerderjarigheid van het destijds minderjarig kind.
8.8 Omdat partijen echtgenoten zijn is er aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

9. De beslissing in Hoger Beroep
Het Hof:
9.1 vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover de ingangsdatum is gesteld aan de datum van inschrijving van het vonnis in de Registers van de Burgerlijke Stand;
en opnieuw rechtdoende:
9.2 veroordeelt de man om aan de vrouw met ingang van heden een bedrag van SRD 800,- per maand te betalen ten titel van levensonderhoud.
9.3 compenseert de proceskosten tussen partijen in beide instanties, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewraten, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. S.M.M.Chu, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 maart 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. M. Babulall namens mr. E.F. van der Hilst, gemachtigde van geïntimeerde.

 

SRU-HvJ-2018-61

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
1.[verzoeker 1]
2.[verzoeker 2]
3.[verzoeker 3]
4.[verzoeker 4]
5.[verzoeker 5]
6.[verzoeker 6]
7.[verzoeker 7]
8.[verzoeker 8]
allen wonende aan de [adres 1] in het [district],
verzoekers,
gemachtigde: mr. J.C.P. Nannan Panday,
advocaat,

tegen

a.[verweerder a]
b.[verweerder b], echtelieden van elkaar,
zonder bekende woon- en of verblijfplaats in en buiten Suriname,
verweerders,
gemachtigde: mr. K.J. Hok- A- Hin, advocaat,

Overwegende ten aanzien van de feiten:
Gezien het verzoekschrift met bijbehorende producties, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 12 juni 2017, afkomstig van verzoekers, welk verzoekschrift strekt tot vervv van instantie van het aanhangig gemaakte appel van 30 oktober 1995, in de zaak van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis d.d. 17 oktober 1995 bekend onder A.R. No. 92-4709;
Gezien het bestreden vonnis d.d. 17 oktober 1995 in de zaak bekend onder A.R.No.92-4709;
Gezien de overige zich in het procesdossier bevindende bescheiden;

Overwegende ten aanzien van het recht:
Verzoekers vorderen om bij vonnis het door verweerders aanhangig gemaakte appel van 30 oktober 1995 in de zaak tussen partijen, bekend onder A.R.No. 924709, vervallen te verklaren van instantie.
Verzoekers hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat bij schrijven van de toenmalige advocaat mr. B.A. Halfhide d.d. 30 oktober 1995 er namens [verweerder a] en [verweerder b] (verweerders) voornoemd appel werd aangetekend tegen het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis d.d. 17 oktober 1995 bekend onder A.R.No. 92-4709; dat de laatste rechtshandeling in deze dateert van 30 oktober 1995; dat verweerders zijn blijven stilzitten en dat op geen enkele wijze is gebleken dat zij enige actie tot op heden hebben ondernomen om het door hen ingestelde appel te doen behandelen; dat verzoekers recht en belang hebben dat aan voormelde zaak een eind komt en is het redelijk dat thans het verval van instantie zal worden uitgesproken door het Hof van Justitie;

Uit de stukken blijkt dat mr. B.A. Halfhide, toen advokaat van verweerders, bij schrijven d.d. 31 januari 2012 gericht aan de griffier der kantongerechten heeft gevraagd onderhavige zaak, waarvan appel was aangetekend en ook de appelkosten waren voldaan, te doen behandelen c.q. door te sturen naar het Hof van Justitie; voorts dat genoemde advokaat bij brief d.d. 15 januari 2013 zich heeft onttrokken als advokaat van verweerders; dat bij brief van 15 januari 2013 thans de advokaat mr. K.J. Hok-A-Hin zich heeft gesteld als procesgemachtigde van verweerders inzake de behandeling van de zaak in hoger beroep; dat bij exploot van deurwaarder J.E.Febis van 30 maart 2013, [nummer] aan [naam] en [verzoeker 1] het hoger beroep is aangezegd;

Gelet op het bepaalde in artikel 211 wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient voorafgaand aan het vervallen van instantie partijen ter terechtzitting te zijn opgeroepen en, voor zover verschenen, te worden gehoord; Uit de stukken blijkt niet dat deze oproeping reeds heeft plaatsgevonden, weshalve verzoekers in de gelegenheid worden gesteld alsnog deze oproeping te doen bij deurwaardersexploot en wel op de volgende wijze; dat uit een produktie gehecht aan de conclusie van dupliek in conventie repliek in conventie in eerste aanleg d.d. 21 juni 1994 is gebleken dat verweerders vermoedelijk als adres hebben [adres 2] verzoekers derhalve bij deurwaardersexploot de verweerders dienen op te roepen bij voorkeur op hun woonadres als voormeld en, indien mocht blijken dat verweerders niet op genoemd adres woonachtig zijn en hun feitelijk woonadres niet verder bekend mocht zijn, ten kantore van hun procesgemachtigde de advokaat mr. K.J. Hok A Hin op dag en datum als na te melden;

ledere verdere beslissing wordt aangehouden;

Rechtdoende:

En alvorens verder beslissen:
Bepalen dat de zaak zal dienen bij het Hof van Justitie op vrijdag 20 april 2018 des voormiddags te half negen uur en dat verweerders zullen worden opgeroepen, op hun vermoedelijke woonadres de [adres] c.q. ten kantore van de advokaat mr. K.J. Hok A Hin teneinde alsdan te verschijnen op onderhavige verzoekschrift te worden gehoord;

Houden iedere verdere beslissing aan;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. J.J. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en
w.g. D.D. Sewratan
door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 januari 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. J.C.P. Nannan Panday, gemachtigde van appellanten, terwijl geïntimeerden noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

 

 

SRU-K1-2020-57

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-1504
05 november 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[GEDAAGDE SUB A],
wonende aan de [adres] te [stad],
en
STICHTING PRODUCTIEF SURINAME,
gevestigd aan de Mohamed Ajoebweg no. 10 (hoek Antigua en Barbudaweg) te Paramaribo,
eisers,
gemachtigde: mr. V.S. Balradj, advocaat,

tegen

AIB BANK N.V., rechtspersoon naar Arubaans recht,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Wilhelminastraat no. 36 te Oranjestad op Aruba,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, Jr., advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of – handelingen:

  • het verzoekschrift dat met producties op 03 juni 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 16 juli 2020;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens eisers.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 22 december 2017 hebben eisers met gedaagde een overeenkomst gesloten, bij welke overeenkomst zij – voor zover voor de beslissing van belang – het volgende zijn overeengekomen:

2. De Schuldenaren zullen uiterlijk per 31 december 2017 aan de Banken voldoen de som van US.$ 7.500.000,- (…) middels girering daarvan naar een door de Banken aan de Schuldenaren schriftelijk op te geven rekeningnummer onder vermelding van referentie: “City Settlement”, zulks vrij van beslagen, kosten en overige lasten.

(…)

4. Onder de opschortende voorwaarde van de realisatie van de ontvangst door de Banken van de som van US.$ 7.500.000,- als onder punt 2 vermeld alsmede van de verzochte informatie en formaliteiten als onder punt 3 vermeld, verlenen de Banken hierbij volledige kwijting aan de Schuldenaren van hun verplichtingen onder de Kredietfaciliteit, en de Banken zullen binnen veertien kalenderdagen vanaf de ontvangst als zojuist bedoeld overgaan (i) tot het royement en de opheffing van alle zekerheidsrechten welke zij houden ten laste van de Schuldenaren in verband met de Kredietfaciliteit en de nakoming van de verplichtingen daaronder, en (ii) tot de intrekking of beëindiging van de rechtsprocedures tussen hen in verband met de nakoming van de Kredietfaciliteit en met de nakoming van de verplichtingen daaronder.

(…)

8) Met de realisatie door de Schuldenaren van de ontvangst door de Banken van de som van US.$ 7.500.000,- als onder punt 2 vermeld, en de nakoming van de overige verplichtingen over en weer onder punt 3 en 4 vermeld, zullen partijen in verband met de Kredietfaciliteit en de nakoming van de verplichtingen daaronder, over en weer niets meer verschuldigd zijn aan elkaar, gelijk zij niets meer van elkaar te vorderen zullen hebben.”

2.2 In de overeenkomst zijn eisers aangeduid als de “Schuldenaren” en de Banken, waaronder gedaagde, als de “Banken”.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen dat de kanotnrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a. gedaagden (lees gedaagde) veroordeelt om binnen 24 uur na datum vonnis over te gaan dan wel alle medewerking te verlenen die leiden tot het royeren van alle zekerheidsrechten, in het bijzonder de hiervoor genoemde (krediet)hypotheken, als bedoeld in de overeenkomst tussen partijen;
b. bepaalt dat gedaagden (lees gedaagde) aan eisers een dwangsom verschuldigd zullen zijn van USD 25.000,- voor iedere dag dat gedaagde weigert aan dit vonnis te voldoen;
c. gedaagde te veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 Eisers leggen, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende aan het gevorderde ten grondslag:

  • zij hebben reeds voldaan aan al hetgeen gedaagde van hun te vorderen had;
  • ondanks gedaagde in het schrijven d.d. 27 september 2018 heeft kenbaar gemaakt dat eisers reeds het bedrag hebben voldaan en de zekerheidsrechten kunnen worden opgeheven, is het royement tot op heden achterwege gebleven.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd, op welk verweer de kantonrechter, voorzover nodig, terug komt bij de beoordeling.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1 Eisers stellen als spoedeisend belang dat zij het perceel waarop de zekerheidsrechten ten behoeve van gedaagde rusten, aan de koper overgedragen moet worden en hen thans een dreiging van ontbinding van de koop/verkoopovereenkomst boven het hoofd hangt. Het gevolg hiervan zal zijn dat eisers de ontvangen bedragen aan de koper zullen moeten terugbetalen.

Gedaagde weerspreekt het door eisers gestelde spoedeisend belang, doch naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende onderbouwd.

Het door eisers gestelde spoedeisend belang wordt daarom in voldoende mate aannemelijk geacht, zodat zij in het kort geding worden ontvangen.

Nakoming dading

4.2 De kantonrechter constateert dat partijen in het kader van een aantal tussen hen bestaande rechtsprocessen over een kredietfaciliteit en ter beëindiging van deze rechtsprocessen op 22 december 2017 een dading in de zin van artikel 1872 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek (SBW) met elkaar hebben gesloten. Eisers beogen met de onderhavige vordering volledige nakoming van de dading door gedaagde, omdat zij reeds hebben voldaan aan de voorwaarde tot betaling van het bedrag vermeld onder punt 2 van de dading.

Exceptio non adempleti contractus

4.3 Tussen partijen is in geschil, de beantwoording van de vraag of eisers hebben voldaan aan de voorwaarde tot intrekking of beëindiging van de rechtsprocedures tussen hun en gedaagde.

Gedaagde werpt op dat eisers wanprestatie jegens haar plegen, omdat zij de intrekking van de rechtszaak bekend onder A.R. No. 13-2527 niet hebben gerealiseerd en maakt zij thans om die reden gebruik van de exceptio non adempleti contractus, totdat de intrekking van de hiervoor vermelde rechtszaak heeft plaatsgevonden.

Hiertegenover stellen eisers dat het nog niet realiseren van de intrekking niet aan hun is gelegen, doch aan gedaagde zelf. Daartoe stellen zij dat de bedoelde rechtszaak op respectievelijk 3 december 2019 en 2 juni 2020 op de rol stond voor conclusie tot uitlating intrekking aan de zijde van gedaagde, doch dat gedaagde in beide gevallen heeft nagelaten deze proceshandeling (conclusie tot uitlating) te plegen waardoor de zaak thans voor vonnis staat. Ter staving van het bovenstaande beroepen eisers zich op de fotokopies van de rollen die zij ten processe hebben overgelegd. Uit de ten processe overgelegde fotokopies blijkt dat zoals eisers terecht stellen, gedaagde aan zet was om zich uit te laten over de intrekking. De te plegen proceshandeling die op de rollen staat vermeld, brengt de kantonrechter tot de slotsom dat eisers wel een brief tot intrekking van de bedoelde rechtszaak aan de behandelende kantonrechter in de bedoelde rechtszaak hebben doen toekomen en gedaagde heeft verzuimd om zich uit te laten over de intrekking. Nu gedaagde zelf in verzuim is geweest om zich over de intrekking uit te laten en de zaak thans voor vonnis staat, kan zij zich naar het oordeel van de kantonrechter niet met succes c.q. niet te goeder trouw beroepen op de exceptio non adempleti contractus. Hieruit volgt dat gedaagde dient te voldoen aan de dading. Bovendien hebben dadingen tussen partijen ingevolge artikel 1879 lid 2 SBW kracht van gewijsde in het hoogste ressort. Het gevorderde zal daarom als gegrond worden toegewezen, doch zal de dwangsom worden gematigd en zal gedaagde een andere termijn worden vergund tot nakoming dan de termijn die is gevorderd. Dit, omdat de kantonrechter zowel de dwangsom als de termijn niet redelijk en billijk acht.

Relevantie kwalificatie hypotheken

4.4 Het verweer van gedaagde, dat de hypotheken als derde- bankhypotheken moeten worden aangemerkt en de bank geen afstand van deze hypotheken heeft gedaan doet naar het oordeel van de kantonrechter niet ter zake. Uit de inhoud van de dading blijkt ondubbelzinnig dat gedaagde zich eraan heeft verbonden om na het voldoen aan het gireren van het bedrag ad US$ 7.500.000,- door eisers, alle zekerheidsinrechten zullen worden geroyeerd. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan dit verweer van gedaagde.

Proceskosten

4.5 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak: het vastrecht ad SRD 50,- en de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 366,-.

Overige stellingen en weren

4.6 De overige stellingen en weren van partijen behoeven geen bespreking, omdat die tot geen andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Veroordeelt gedaagde om binnen 1 week na betekening van dit vonnis over te gaan, dan wel alle medewerking te verlenen voor het royeren van alle zekerheidsrechten, in het bijzonder de (krediet)hypotheken die zijn vermeld in de tussen partijen gesloten overeenkomst van dading d.d. 22 december 2017.

5.2 Veroordeelt gedaagde tot het betalen van een dwangsom ad SRD 100.000,- (Eenhonderdduizend Surinaamse Dollar) per dag aan eisers, voor elke dag dat zij niet voldoet aan de veroordeling onder 5.1 van dit vonnis, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsommen het bedrag ad SRD 5.000.000,- (Vijfmiljoen Surinaamse Dollar) niet te bovengaan.

5.3 Verklaart hetgeen onder 5.1 en 5.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten die aan de zijde van eisers zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op SRD 416,- (Vierhonderd en Zestien Surinaamse Dollar).

5.5 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 05 november 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2020-35

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15451
17 januari 2020

In de zaak van

De naamloze vennootschap NEQXTEP BUILDINGS N.V.,
kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding,
hierna te noemen NEQXTEP,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

A.DE STAAT SURINAME,metname het Ministerie van Volksgezondheid, althans de Project Management Unit (PMU), in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie,
B.[geïntimeerdeB], in zijn hoedanigheid van Project Coördinator van PMU,
hierna te noemen [geïntimeerde B],
C.[geïntimeerdeC] ,in haar hoedanigheid van Procurement Specialist van PMU,
hierna te noemen [geïntimeerde C],
kantoorhoudende c.q. wonende te Paramaribo,
geïntimeerden in kort geding,
hierna tezamen te noemen de Staat e.a.,
gemachtigden: mr. E. Naarendorp en mr. W. Siwpersad, advocaten.
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken tussenvonnis van 25 januari 2018 en vonnis van 19 februari 2018 bekend onder AR no. 174356 tussen NEQXTEP als eiseres en de Staat e.a. als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding bij vervroeging uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat NEQXTEP op 20 februari 2018 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota gedateerd 4 januari 2019;
  • de antwoordpleitnota gedateerd 15 maart 2019;
  • de repliekpleitnota gedateerd 2 augustus 2019;
  • de brief van de gemachtigde van NEQXTEP gedateerd 15 oktober 2019 doch ontvangen op 16 oktober 2019;
  • de dupliekpleitnota met producties gedateerd 1 november 2019;
  • de conclusie tot uitlating producties gedateerd 15 november 2019.

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 6 maart 2020 doch bij vervroeging op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 19 februari 2018. NEQXTEP heeft op 20 februari 2018 appèl aangetekend. Dit is binnen de bij wet gestelde termijn. NEQXTEP is dus ontvankelijk in het door haar ingestelde appèl.

3. De vordering in hoger beroep
NEQXTEP vordert in hoger beroep:
I. vernietiging vanhet vonnis van de kantonrechter gedateerd 19 februari 2018 met AR no. 174356, en opnieuw rechtdoende de vordering alsnog toe te wijzen;
II. uitvoerbaarbij voorraad verklaring van het vonnis;
III. veroordeling van de Staat e.a. in de proceskosten.

4.De feiten
4.1 Omstreeks april 2017 heeft de Staat bouwbedrijven c.q. aannemers uitgenodigd om deel te nemen aan de inschrijving voor de bouw van een zevental gezondheidscentra. Het project staat bekend onder nummer NCB/Bno.: MVG/HSSP/RGD/[nummer 1].

4.2 [geïntimeerde B] en [geïntimeerde C] zijn respectievelijk Project Coördinator en Procurement specialist bij de Project Management Unit (PMU) voor de projecten.

4.3 Op het project is van toepassing de zogenoemde Procurement Documents waaronder de Instructions to Bidders (ITB).

4.4 Op 11 april 2017 hebben acht Surinaamse bouwbedrijven c.q. aannemers zich ingeschreven om in aanmerking te komen voor de opdracht tot de bouw van één of meer van de bedoelde gezondheidscentra. NEQXTEP heeft zich ingeschreven voor de bouw van vijf van de gebouwen.

4.5 In de ITB zijn onder meer de volgende – voor de onderhavige zaak van belang zijnde – artikelen opgenomen:

– artikel 38.1
“Subject to ITB 37.1, the Employer shall award the Contract to the Bidder whose offer has been determined to be the lowest evaluated bid and is substantially responsive to the Bidding Document, provided further that the Bidder is determined to be qualified to perform the Contract satisfactorily.

– artikel 39.2
“Until a formal contract is prepared and executed, the notification of award shall constitute a binding Contract”.

– artikel 40.1
“Promptly upon notification, the Employer shall send the successful Bidder the Contract Agreement”.

– artikel 40.2
“Within twenty-eight (28) days of receipt of the Contract Agreement, the successful Bidder shall sign, date, and return it to the Employer”.

4.6 Bij schrijven gedateerd 30 juni 2017 met als onderwerp Notification of Contract Award Health Care Facilities, is door de projectcoördinator ([geintimeerde B]) het volgende aan NEQXTEP medegedeeld:
“…..Dear Sir,
We are pleased to inform you that your bid submission complied with most of the requirements set forth in the bidding document and was therefore approved as lowest evaluated bid and found eligible for contract negotiation by the evaluation committee and the financing institute OFID.
Based on the above mentioned, we wish to engage immediately in contract negotiation regarding MVG HSSP RDG [nummer 2] – [weg], MVG HSSP RDG [nummer 3] – [plaats 1] and MVG HSSP RDG [nummer 1] – [plaats 2]….”.

4.7 In het hiervoor vermelde schrijven is tevens aan NEQXTEP gevraagd stappen te nemen om de uitvoeringszekerheid (Bank garantie) te verstrekken van 40% van de bid inzending of 60% van de bid inzending in geval van Garantieverzekering.

4.8 Bij schrijven gedateerd 23 augustus 2017 heeft de PMU wederom een schrijven gericht aan NEQXTEP waarin het volgende aan laatstgenoemde is medegedeeld:
…..During the process of revisiting the document of the Neqxtep Buildings N.V., we noticed that the site organization submitted was designed by Consultant AAC….
Based on article 3 Fraud and Corruption of the Bidding Document, where it stated that it is the Bank’s policy to require that Beneficiary’s (including beneficiaries of Bank financings), as well as bidders, suppliers, and contractors and their agents (whether declared or not), personnel, subcontractors, sub-consultants, service providers and suppliers, under Bank-financed contracts, observe the highest standards of ethics during the procurement and execution of such contracts.
In pursuance of this policy, the Ministry of Health cannot except, that Neqxtep Buildings N.V. deliberately used information produced by the Architect AAC for the submission of their bids…….
The above-mentioned violation is taken very serious by the Employer, the PMU the Opec Fund for International Development (OFID).
Based on the above mentioned we hereby inform you of the following: (i) the Employer and OFID do not accept your bid submissions, (ii) negotiation is cancelled immediately by the financing institute and (iii) Neqxtep N.V. is disqualified for the procurement of Civil works under component 1 (Primary Health Care Centers)

Yours faithfully,
[geïntimeerde B] Project Coordinator…..

Copy : = H.E. Gillmore Hoefdraad, Ministry of Finance,….
Dr. Maureen van Dijk, Permanent Secretary, Ministry of Health,…
Natalia Salazar, OFID, Public Sector Operations Officer,….
Mr. Sadik Mohamed MD, MSc., Senior Health Specialist (HDE) IsDB,….”.

4.9 In reactie op het hiervoor vermelde schrijven heeft NEQXTEP een schrijven gericht aan PMU. Dit schrijven is gedateerd 24 augustus 2017. Hierin is – zover van belang – het volgende verwoord:
….Dear Mr. [geintimeerde B],
Your observation that the site organization submitted “was designed by Consultant ACC (the architect)”is based on a serious misunderstanding from your side.
For your information the site organizations as submitted by us in the bids are edited versions of the digital files (“Situatieplan”) provided by PMU itself, with logo and legend from the architect AAC (see annex 1 for example “Situatieplan 1-[weg]”)…….
Due to the seriousness of your accusation and the consequences for Neqxtep Buildings NV we insist on immediate correction and that you inform all concerned on the shortest notice…….

Sincerely yours,
Neqxtep Buildings N.V. …..”.
4.10 Bij schrijven gedateerd 19 september 2017, heeft [geïntimeerde B] het volgende medegedeeld aan NEQXTEP.

Dear Sir,

……We regret to inform you that after due consideration, OFID will not be reversing its decision, and thus the healthcare centers MVG HSSP RGD [nummer 2]- [weg], MVG HSSP RGD [nummer 3]- [plaats 1] and MVG HSSP RGD [nummer 4] –[plaats 2] will be retendered.
Please see the letter “Reversing decision contract negotiation and disqualification NEQXTEP Buildings N.V.” (annex1) from the Ministry of Health to OFID and the instructions provided by OFID (annex 2) attached for your ease of reference.
Kindly note that the accusations made to your address in the letter dated August 23, 2017 are based on information presented in your bid submissions. However, after thorough explanation from your end, it is decided that these accusations are declared void. Therefore, you may participate in the re-tendering process of the afore mentioned Health Care Centers.

Yours faithfully,
[geïntimeerde B] Project Coordinator ……

Copy: H.E. Gillmore Hoefdraad, Ministry of Finance,….
Dr. Maureen van Dijk, Permanent Secretary, Ministry of Health,…
Natalia Salazar, OFID, Public Sector Operations Officer,….
Mr. Sadik Mohamed MD, MSc., Senior Health Specialist (HDE) IsDB,….”.

4.11 NEQXTEP heeft hierop gereageerd bij schrijven gedateerd 22 september 2017. In dit schrijven deelt NEQXTEP mede aan [geïntimeerde B] zich niet te kunnen terugvinden in het voorgaande en heeft geëist dat de beslissing om haar de bouwopdrachten te onthouden, wordt herzien alsook dat de beschuldiging wordt gerectificeerd.
4.12 In eerste aanleg heeft NEQXTEP – zakelijk weergegeven – gevorderd:
I.veroordeling vande Staat ombinnen vierentwintig uren na de uitspraak de overeenkomsten waarvan in artikel 40.1 van de ITB melding wordt gemaakt, toe te sturen naar NEQXTEP voor de bouw van de gezondheidscentra MVG HSSP RGD-[weg], MVG HSSP RGD [nummer 3]-[plaats 1], MVG HSSP RGD [nummer 1]-[plaats 2], in ieder geval [geïntimeerde B] te veroordelen om de met NEQXTEP ter zake tot stand gekomen overeenkomsten na te komen;
II. het opleggen van een verbod aan de Staat om ter zake de bouw van de in punt I genoemde gezondheidscentra een nieuwe inkoop, de zogenoemde re-tender te houden;
III. veroordeling van de Staat om binnen 24 uren na de uitspraak NEQXTEP, middels het in artikel 39.1 ITB vermelde document (letter of Acceptance) ook de bouw van het gezondheidscentrum MVG HSSP RDG [nummer 5]-[plaats 3] toe te kennen (Notification of Award), subsidiair veroordeling van de Staat tot het betalen van de door NEQXTEP geleden schade op te maken bij staat;
IV.veroordeling van de Staat om de beschuldiging geuit in het schrijven van 23 augustus 2017 bekend onder Ref. Nr.:hssp–1706te rectificeren, in dier voege dat hij schriftelijk, onder toezending naar de in gemeld schrijven genoemde personen, het volgende in de Engelse taal verklaart:’
“Hierbij verklaren wij dat wij ten onrechte Neqxtep Buildings N.V. in het schrijven d.d. 23 augustus 2017, bekend onder Ref. Nr.: hssp-17066, van fraude hebben beschuldigd. De door Neqxtep Buildings N.V. in haar inschrijvingsdocumenten gebruikte informatie heeft zij van onszelf ontvangen en niet van architect AAC. Wij zijn dus in de fout gegaan en niet Neqxtep Buildings N.V. en betreuren deze door ons gemaakte fout en bieden Neqxtep Buildings N.V. onze oprechte excuses hiervoor aan”.
V. veroordeling van[geïntimeerde B] en[geïntimeerde C] om de beslissingen te gehengen en te gedogen;
VI.veroordeling vande Staat e.a. tot betalen van een dwangsom voor elk uur dat zij nalaten aan een van de in het vonnis uitgesproken veroordelingen te voldoen;
VII.veroordeling vande Staat e.a. in de proceskosten.

4.13 NEQXTEP heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.
De Staat is gebonden aan de overeenkomsten met betrekking tot de bouw van de drie gezondheidscentra MVG HSSP RGD- [weg], MVG HSSP RGD [nummer 3]-[plaats 1], MVG HSSP RGD [nummer 1]-[plaats 2] en dient die dus ook na te komen. Daarnaast heeft NEQXTEP de laagste inschrijving gedaan voor de bouw van het gezondheidscentrum MVG HSSP RDG [nummer 5]-[plaats 3]. Op grond hiervan moet de opdracht, ingevolge artikel 38.1 ITB, aan haar, NEQXTEP, worden toegekend.
Ten onrechte is zij beschuldigd van fraude nu NEQXTEP de door haar gebruikte informatie bij haar inschrijving verkregen heeft van de PMU.

4.14 De kantonrechter heeft de vordering van NEQXTEP afgewezen en NEQXTEP veroordeeld in de proceskosten.

4.15 Gedurende het geding in hoger beroep is gebleken dat er een nieuwe aanbestedingsprocedure is opgestart en wel op 17 september 2019, voor de bouw van de poliklinieken te [plaats 2], [plaats 4] en [weg].
Voor deze openbare aanbesteding is een compleet nieuw bestek opgesteld met nieuwe ontwerpen en een nieuw architect.

5.De beoordeling
5.1 NEQXTEP heeft drie (3) grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter.

Grief I heeft betrekking op de vorderingen zoals weergegeven onder I en II van het petitum ter zake de overeenkomsten met betrekking tot de gezondheidscentra MVG HSSP RGD-[weg], MVG HSSP RGD [nummer 3]-[plaats 1], MVG HSSP RGD [nummer 1]-[plaats 2], en het houden van een re-tender.
Grief II heeft betrekking op de vordering onder III van het petitum en wel met betrekking tot het gezondheidscentrum MVG HSSP RDG [nummer 5]-[plaats 3].
NEQXTEP.
Grief III heeft betrekking op de vordering tot rectificatie zoals weergegeven onder IV van het petitum.
Voor een goed overzicht zal het hof overgaan tot bespreking van de grieven en tegelijkertijd de vorderingen waarop deze grieven respectievelijk betrekking hebben en wel in de hiervoor genoemde volgorde.
Overeenkomsten bouw gezondheidscentra [weg], [plaats 1] en [plaats 2]

5.2 Grief I
Volgens NEQXTEP heeft de kantonrechter ten onrechte het volgende overwogen in het eindvonnis.
“3.20 De kantonrechter overweegt dat ten aanzien van dit geschilpunt het standpunt van de Staat aannemelijk is geworden. Allereerst wordt het door de Staat gestelde feit dat zij de overeenkomst niet kan aangaan zonder toestemming van de financier, de OFID, aannemelijk uit de overgelegde correspondentie met de OFID. Uit die correspondentie blijkt dat de Staat aangeeft aan de OFID dat zij de NV een geschikte bieder vindt waarmee het contract kan worden gesloten en de OFID zich op het standpunt stelt dat zij geen goedkeuring zal geven en dat er een re-tender gehouden moet worden.

3.21 Ook blijkt uit de notulen van de ‘pre-bid meeting’ gehouden op 1 maart 2017, welke vergadering is bijgewoond door de NV en welke notulen aan de NV zijn verstrekt, dat de NV op 1 maart 2017 op de hoogte was van de volgende feiten:

  • Dat de OFID als kredietfonds is genoemd als partner bij de projecten;
  • Dat bij de mededelingen de OFID is genoemd als de financier;
  • Dat de toewijzing van de projecten door de OFID moet worden goedgekeurd (punt 16 van de notulen). De PMU heeft daar aangegeven dat zij ernaar zal streven dat de toewijzingsperiode zo kort als mogelijk zal worden gehouden;

3.22 De kantonrechter is van oordeel dat op grond van het hiervoor overwogene aannemelijk is geworden dat de NV ervan op de hoogte was en er rekening mee diende te houden dat uiteindelijk de financier ook de goedkeuring moest geven aan het bod alvorens de Staat tot de finale overeenkomst kon komen;

3.23 Om die reden is de kantonrechter van oordeel dat de gebondenheid van Staat zich niet zover uitstrekt dat zij ook gebonden kan worden gehouden wanneer de OFID weigert om goedkeuring te geven aan het contract.

De vraag of de Staat derhalve na afronding van de onderhandelingen onrechtmatig handelt of verwijtbaar wanprestatie pleegt door een re-tender te houden omdat de OFID geen goedkeuring geeft aan het contract moet naar het oordeel van de kantonrechter ontkennend beantwoord worden. Immers, de Staat is afhankelijk van een goedkeuring van de OFID en de NV had daar rekening mee moeten houden.

3.24 De kantonrechter is van oordeel dat op grond van het hiervoor overwogene het onder I en II van het petitum gevorderde moet worden afgewezen.”
Immers, zo vervolgt NEQXTEP haar grief, nergens uit de toepasselijke regels blijkt dat de OFID de bevoegdheid toekomt om achteraf te bepalen dat zij aan een reeds tot stand gekomen overeenkomst de uitvoering kan onthouden. In het onderhavige geval waren de overeenkomsten tot stand gekomen.

Zo overweegt de kantonrechter immers ook expliciet onder 3.14:

“Om die reden acht de kantonrechter het aannemelijk dat er wel sprake was van een overeenkomst waarbij de Staat zich tegenover de N.V. heeft verbonden om het contract met betrekking tot de drie locaties uit te voeren. Artikel 39.2 van de ITB is daarom van toepassing op het document van 30 juni 2017.”.

5.2 Primair dient de vraag te worden beantwoord of er een overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen tussen NEQXTEP enerzijds en de Staat Suriname anderzijds.

De Staat e.a. stellen zich op het standpunt dat voor de totstandkoming van de overeenkomst van belang is dat partijen niet alleen overeenstemming bereiken over de volledige inhoud van de te sluiten overeenkomst, maar voorts is van belang dat de financier, (OFID) ook zijn goedkeuring hecht aan de te sluiten overeenkomst.

5.2.1 Het Hof is van oordeel dat dit standpunt van de Staat e.a. niet kan worden afgeleid uit de ITB.
De door de Staat e.a. gegeven uiteenzetting over het moment waarop de overeenkomst tussen partijen tot stand komt is een heel andere dan hetgeen is verwoord in de ITB. De Staat heeft niet weersproken dat de ITB van toepassing is op het project. Ook is niet gesteld en evenmin gebleken dat partijen op enig moment geheel dan wel gedeeltelijk zijn afgeweken van de ITB. Naar het oordeel van het Hof dient daarom te worden uitgegaan van de inhoud van de ITB, voor wat betreft de totstandkoming van de overeenkomst. In dit kader zijn van belang de artikelen 38, 39 en 40 van de ITB.

5.2.2 Voor een goed overzicht van de hiervoor genoemde artikelen zal het Hof deze artikelen, die in het Engels zijn verwoord, citeren. Het Hof zal daarnaast ook citeren de vertaling in het Nederlands zoals die is overgelegd door NEQXTEP, waarvan de inhoud niet is betwist door de Staat e.a.

“F. Award of Contract
Award Criteria
38.1 Subject to ITB 37.1, the Employer shall award the Contract to the Bidder whose offer has been determined to be the lowest evaluated bid and is substantially responsive to the Bidding Document, provided further that the Bidder is determined to be qualified to perform the Contract satisfactorily”.

Gunning van Opdracht
Gunning Criteria
38.1 Met inachtneming van ITB 37.1, zal de Opdrachtgever de gunning van de opdracht toekennen aan de Bieder wiens bid bepaald is geworden het laagst geëvalueerde bid te zijn en die substantieel voldoet aan het Bid document, met dien verstande voorts dat is vastgesteld dat de Bieder gekwalificeerd wordt geacht om het contract naar tevredenheid uit te voeren.

“39. Notification of Award
39.1 Prior to the expiration of the period of bid validitiy, the Employer shall notify the successful Bidder, in writing, via the Letter of Acceptance included in the Contract Forms, that its Bid has been accepted. At the same time, the Employer shall also notify all other Bidder of the results of the bidding, and shall publish in an appropriate newspaper or Gazette and IsDB website online, the results identifying the bid and lot numbers and the following information: (i)name of each Bidder who submitted a Bid; (ii) bid prices as read out at Bid Opening; (iii) name and evaluated prices of each Bid was evaluated; (iv) name of bidder whose bids were rejected and the reasons for their rejection; and (v) name of the winning Bidder, and the Price it offered, as well as the duration and summary scope of the contract awarded.

39.2 Until a formal contract is prepared and executed, the notification of award shall constitute a binding Contract.

39.3 The Employer shall promptly respond in writing to unsuccessful Bidder who, after notification of award in accordance with ITB 39.1, requests in writing the grounds on which its bid was not selected.

39. Kennisgeving van de gunning
39.1 Voor de expiratie van de periode van geldigheid van de bid, zal de Opdrachtgever de winnende Bieder, schriftelijk informeren, via de Aanvaardingsbrief (Letter of Acceptance), bijgevoegd bij de Contractformulieren, dat zijn bid is geaccepteerd. Tegelijkertijd, zal de Opdrachtgever ook al de andere Bieders op de hoogte stellen van het resultaat van de gunning en zal het publiceren in een geschikte krant of blad en IsDB website online, de resultaten de bid en lotnummers identificerend en de volgende informatie: (i) naam van iedere Bieder die een bid heeft ingediend; (ii) bid prijzen zoals aangegeven bij de Bid Opening; (iii) naam en geëvalueerde prijzen van iedere bid dat geëvalueerd was; (iv) naam van de Bieders wiens bid afgewezen zijn en de reden waarom ze afgewezen zijn; en (v) naam van de winnende Bieder, de aangeboden prijs, alsook de duur en verkorte bestek van de gunningsopdracht.

39.2 Totdat er een formeel contract wordt voorbereidt en uitgevoerd, zal de kennisgeving van de gunning beschouwd worden als een bindend contract.

39.3 De Opdrachtgever zal meteen schriftelijk reageren naar ieder verliezende bieder die na de kennisgeving van de gunning, conform ITB 39.1, het schriftelijk verzoek doet om gronden te weten waarom zijn Bid niet was geselecteerd.

40.Signing of Contract
40.1 Promptly upon notification, the Employer shall send the successful Bidder the Contract Agreement.
40.2 Within twenty-eight (28) days of receipt of the Contract Agreement, the successful Bidder shall sign, date, and return it to the Employer.

  1. Het tekenen van het contract

40.1 Onmiddellijk na kennisgeving, zal de Opdrachtgever de gewonnen Bieder de Contract Overeenkomst toesturen.

40.2 Binnen achtentwintig (28) dagen van ontvangst van de Contract Overeenkomst, zal de gewonnen Bieder tekenen, dateren en deze terugsturen naar de Opdrachtgever.

5.2.2 NEQXTEP heeft overgelegd het schrijven d.d. 30 juni 2017 (zie citaat onder 4.6 hiervoor), afkomstig van de projectcoördinator en gericht aan haar, met als onderwerp “Kennisgeving van gunning van opdracht Gezondheidszorg faciliteiten”. NEQXTEP heeft tevens overgelegd een vertaling van dit document in het Nederlands, waarvan de inhoud niet is betwist door de Staat e.a. Het Hof gaat daarom uit van de juistheid daarvan. In het Nederlands komt de vertaling van het genoemd schrijven – zover van belang – neer op het volgende:

“……Geachte Heer,

Wij zijn verheugd u te informeren dat uw bid inzending voldeed aan de meeste vereisten die aangegeven waren in het bidding document en daarom werd goed gekeurd als laagst geëvalueerde

bid en geschikt is bevonden voor contract onderhandeling door de evaluatie commissie en het financieringsinstituut OFID.

Gebaseerd op het bovenstaande, wensen wij onmiddellijk over te gaan tot contract onderhandeling betreffende MVG HSSP RDG [nummer 2] – [weg], MVG HSSP RDG [nummer 3] – [plaats 1] and MVG HSSP RDG [nummer 1] – [plaats 2]….”.

5.2.3 In de artikelen 39.1 en 39.2 van de ITB komt naar voren dat de opdrachtgever de winnende bieder, schriftelijk zal informeren dat zijn bid is geaccepteerd, en voorts dat totdat er een formeel contract wordt voorbereid en uitgevoerd, de kennisgeving van de gunning zal worden beschouwd als een bindend contract.

Nu het schrijven van 30 juni 2017 als onderwerp (in het Nederlands vertaald) heeft “Kennisgeving van gunning van opdracht Gezondheidzorg faciliteiten”, komt het Hof tot de conclusie dat met dit schrijven, NEQXTEP ervan uit mocht gaan dat haar bid was geaccepteerd en heeft zij deze kennisgeving terecht beschouwd als een bindend contract, één en ander conform de artikelen 39.1 en 39.2 van de ITB.

Het Hof is van oordeel dat hiermee ook de overeenkomst van aanneming van werk tussen partijen tot stand is gekomen en wel met betrekking tot de volgende gebouwen:

– MVG HSSP RDG [nummer 2]– [weg];

– MVG HSSP RDG [nummer 3] – [plaats 1];

– MVG HSSP RDG [nummer 1] – [plaats 2].

5.2.4 Het verweer van de Staat e.a. dat OFID eerst haar goedkeuring diende te geven aan de totstandkoming van de overeenkomst gaat niet op nu dit niet blijkt uit de ITB. Indien het van belang was dat OFID eerst haar goedkeuring diende te geven aleer de overeenkomst tot stand kwam had het aan de Staat e.a. gelegen om dit nadrukkelijk kenbaar te maken aan de bieders, waaronder NEQXTEP. De verwijzing van de Staat e.a. naar de notulen van de prebid meeting d.d. 1 maart 2017 is hiervoor onvoldoende. Immers, de mededeling op die meeting met betrekking tot de goedkeuring door OFID, is gedaan naar aanleiding van een vraag die gesteld is door één van de bieders. Het hof verwijst hiervoor naar de door de Staat e.a. bij conclusie van dupliek in eerste aanleg overgelegde productie 3, die betrekking heeft op de notulen van de prebid meeting van 1 maart 2017, met name punt 17 op pagina 7. Was die vraag niet gesteld door één van de bieders, dan was ook niet kenbaar gemaakt dat OFID een rol te vervullen had bij de totstandkoming van de overeenkomst.

5.2.5 Bovendien is het niet logisch dat eerst aan de bieder wordt medegedeeld dat het project aan hem wordt gegund en pas daarna de goedkeuring van OFID wordt gevraagd. Het komt het hof logischer voor dat de Staat e.a. eerst OFID vraagt om haar goedkeuring voor de toewijzing van het project aan een bepaalde bieder en dat pas daarna aan de bieder wordt medegedeeld dat het project aan hem zal worden gegund.

Nu de projectcoördinator bij schrijven d.d. 30 juni 2017 aan NEQXTEP de kennisgeving van gunning voor de bouw van drie gebouwen is medegedeeld, kan ervan uit worden gegaan dat OFID toen al haar goedkeuring had gegeven voor de toewijzing aan NEQXTEP.

5.2.6 Thans komt aan de orde de vraag of de Staat gehouden is de (finale) overeenkomsten toe te sturen naar NEQXTEP dan wel deze overeenkomsten na te komen, zoals door NEQXTEP is gevorderd onder I van het petitum.
Naar het Hof begrijpt, beroept de Staat zich erop dat zij de overeenkomst niet kan nakomen omdat de OFID geen goedkeuring heeft gegeven daaraan.
Alhoewel het Hof het eens is met het standpunt van NEQXTEP dat uit de ITB niet blijkt dat de goedkeuring van OFID van belang was bij de totstandkoming van de overeenkomst, kan niet eraan worden voorbijgegaan dat OFID de financier is van het project en dus een belangrijke rol heeft in het geheel. Het hof concludeert dat nu OFID geen goedkeuring heeft gegeven aan het project het ook te verwachten is dat zij het project niet zal financieren. De Staat zal dan ook in de onmogelijkheid verkeren om de overeenkomsten met NEQXTEP na te komen. Hierdoor heeft NEQXTEP dus ook geen belang bij de toezending van de overeenkomsten. Om deze reden dient het onder I van het petitum gevorderde te worden geweigerd.

5.2.7 Op grond van het voorgaande is het Hof van oordeel dat de kantonrechter ten onrechte onder 3.22 heeft overwogen dat NEQXTEP ervan op de hoogte was en er rekening mee diende te houden dat uiteindelijk de financier ook de goedkeuring moest geven aan het bod alvorens de Staat tot de finale overeenkomst kon komen. Immers – zo blijkt uit hetgeen is overwogen onder 5.2.5 – op het moment waarop aan NEQXTEP bij schrijven d.d. 30 juni 2017 werd medegedeeld door de projectcoördinator dat de PMU aan haar heeft toegekend de bouw van drie van de gebouwen, kon gemakshalve ervan uit worden gegaan dat OFID toen al haar goedkeuring had gegeven aan de toewijzing aan NEQXTEP en hoefde NEQXTEP dus helemaal geen rekening meer te houden met een rol van OFID bij de finale overeenkomst. Dit blijkt overigens ook niet uit de ITB.

5.2.8 De conclusie van de kantonrechter in overweging 3.23 van het beroepen vonnis, dat NEQXTEP rekening ermee hadden moeten houden dat de Staat afhankelijk was van goedkeuring van de OFID, is niet te volgen.
Immers, het standpunt van OFID (achteraf) om geen goedkeuring te geven aan het project is – terecht zoals NEQXTEP heeft gesteld – gegrond op de beschuldiging van de Staat e.a. aan het adres van NEQXTEP ter zake fraude. Deze beschuldiging blijkt achteraf ten onrechte te zijn geweest, hetgeen ook is erkend door de Staat e.a. NEQXTEP hoefde dus geen rekening ermee te houden dat de Staat afhankelijk was van goedkeuring van OFID omdat de Staat zichzelf in de situatie heeft gebracht dat OFID achteraf geen goedkeuring heeft gegeven voor de toewijzing. Het Hof verwijst hiervoor naar de nadere uitwerking hiervan in overweging 5.4 tot en met 5.4.3 van dit vonnis.

5.2.9 Bij dupliekpleidooi hebben de Staat e.a. aangevoerd dat er op instructie van OFID een nieuwe aanbestedingsprocedure op 17 september 2019 is opgestart voor de bouw van de poliklinieken te [plaats 2], [plaats 4] en [weg]. Voor deze openbare aanbesteding is een compleet nieuw bestek opgesteld met nieuwe ontwerpen en een nieuw architect. Volgens de Staat e.a. bestaat het project niet meer in zijn oorspronkelijke vorm. Ter onderbouwing van zijn stelling hebben de Staat e.a. overgelegd een productie getiteld “SPECIFIC PROCUREMENT NOTICE”.
NEQXTEP heeft het door de Staat e.a. terzake aangevoerde niet weersproken, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. Zij, NEQXTEP, stelt dat de door de Staat e.a. overgelegde productie betreft de bekendmaking zoals die in de krant, Times of Suriname, op 17 september 2019 is verschenen.

Het Hof is van oordeel dat, nu er een nieuwe aanbestedingsprocedure op 17 september 2019 is opgestart voor de bouw van de poliklinieken te [plaats 2], [plaats 4] en [weg], en er voor deze openbare aanbesteding een compleet nieuw bestek is opgesteld met nieuwe ontwerpen en een nieuw architect, ook om deze reden het onder I van het petitum gevorderde niet toewijsbaar is. Immers, het project bestaat niet meer in zijn oorspronkelijke vorm, zodat toewijzing van het gevorderde tot gevolg zou hebben dat de Staat niet zou kunnen voldoen aan de veroordeling.

Verbod houden van re-tender

5.3 Onder II van het petitum vordert NEQXTEP dat aan de Staat een verbod zal worden opgelegd om terzake de bouw van de hiervoor genoemde poliklinieken een nieuwe inkoop (re-tender) te houden.

Aangezien, zoals overwogen onder 5.2.9, er op 17 september 2019 al een nieuwe aanbestedingsprocedure is opgestart voor de bouw van de poliklinieken te [plaats 2], [plaats 4] en [weg], is de kantonrechter van oordeel dat het door NEQXTEP ter zake gevorderde is achterhaald en daarom dient te worden geweigerd.

NEQXTEP stelt verder dat zij bewust is uitgesloten van deelname aan de tweede aanbesteding op grond van de nieuwe extra voorwaarde vermeld in de stukken van de aanbesteding. Deze voorwaarde is dat de bieder ervaring moet hebben met de bouw van gezondheidscentra terwijl het voor het eerst was dat gezondheidscentra als de onderwerpelijke in Suriname werden gebouwd. Wat er ook van zij, indien NEQXTEP meent schade te hebben geleden door handelingen of nalaten van de Staat e.a. zal zij zich daarop moeten richten voor verhaal.

Gezondheidscentrum MVG HSSP RDG [nummer 5]-[plaats 3]

5.4 Grief II
NEQXTEP heeft – ten aanzien van dit onderdeel – als grief tegen het vonnis aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte het volgende heeft overwogen in het vonnis:

“3.27 De kantonrechter overweegt dat, alhoewel de NV stelt dat het project van [plaats 3] aan haar had moeten worden toegewezen, de Staat dat heeft betwist. De NV heeft verder de gronden niet voldoende onderbouwd om aannemelijk te maken dat zij aanspraak maakte op de toewijzing en dat de niet-toewijzing onrechtmatig is. Op grond hiervan zal het gevorderde worden afgewezen.”

NEQXTEP heeft zich erop beroepen dat, ingevolge artikel 38.1 ITB, de opdracht tot de bouw van dit gezondheidscentrum aan haar moet worden toegekend. Dit, omdat zij de laagste inschrijving heeft gedaan hiervoor.
In eerste aanleg hebben de Staat e.a. tegen deze stelling aangevoerd dat het niet juist is dat de aanbesteder verplicht is om het werk te gunnen aan de laagste inschrijver.
Ook wordt gelet op de uitvoeringscapaciteit alsmede op de door de aannemer te stellen uitvoeringsgaranties. De Staat e.a. voeren verder aan dat ingevolge artikel 37.1 ITB, de aanbesteder zich het recht voorbehoudt om voor toekenning van het contract elk aanbod te verwerpen. Daarnaast is dit project reeds aan een andere aannemer gegund, die al een aanvang met de bouwwerkzaamheden heeft gemaakt.
Als reactie hierop heeft NEQXTEP in onderdeel 10 van haar conclusie van repliek, aangevoerd dat zij niet alleen één van de laagste inschrijvingen heeft gedaan maar haar inschrijvingen waren tevens “substantially responsive”, conform artikel 38.1 van de ITB. NEQXTEP stelt verder dat tegen de regels van de ITB het 4e project ([plaats 3]) aan een derde te weten bouwbedrijf Vasilda is gegund .

5.3.1 Na deze nadere stellingname van NEQXTEP zijn de Staat e.a. niet meer teruggekomen op hun oorspronkelijk verweer.

Tegen dit licht bezien is de overweging van de kantonrechter dat NEQXTEP de gronden niet voldoende heeft onderbouwd om aannemelijk te maken dat zij aanspraak maakte op de toewijzing en dat de niet-toewijzing onrechtmatig is, onbegrijpelijk.
Naar het oordeel van het Hof heeft NEQXTEP – terecht zoals door haar aangevoerd – juist voldoende gesteld en bewezen dat zij op grond van toepasselijke regels in aanmerking diende te komen voor het project van [plaats 3]. Het zijn juist de Staat e.a. die hebben nagelaten deugdelijk te motiveren waarom genoemd project toch is gegund aan een ander bedrijf dan NEQXTEP, ondanks het feit dat laatstgenoemden op grond van de toepasselijke regels in aanmerking diende te komen voor de gunning van dat project. Het Hof merkt op dat het een Staat, die de verplichting heeft om voor haar burgers te zorgen, niet siert op om te merken dat NEQXTEP zou kunnen vorderen eventueel door haar geleden schade indien zij meent door de feitelijke gang van zaken te zijn benadeeld. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur brengen met zich dat van een Staat wordt verwacht dat zij transparant is en deugdelijk motiveert waarom er een bepaald besluit wordt genomen.

Het Hof is van oordeel dat nu NEQXTEP voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dat zij aan alle voorwaarden voldeed voor de gunning van de bouw van het gezondheidscentrum te [plaats 3], zij in beginsel in aanmerking diende te komen voor de gunning voor de bouw van dit project.

Evenwel is het Hof van oordeel dat het door NEQXTEP ten aanzien van dit onderdeel onder III van het petitum gevorderde, dient te worden geweigerd nu als niet weersproken in rechte is komen vast te staan dat dit project aan een derde is gegund en inmiddels ook is afgerond door die derde. Ook de door NEQXTEP gevorderde schade nader op te maken bij staat zal worden geweigerd, nu de aard van het kort geding zich verzet tegen een dergelijke vordering.

Rectificatie
5.4 Grief III
Onder IV van het petitum vordert NEQXTEP veroordeling van de Staat om de beschuldiging geuit in het schrijven d.d. 23 augustus 2017 bekend onder Ref. Nr.: hssp-17066 te rectificeren, zoals door haar verwoord.
Als grief (III) ten aanzien van dit onderdeel heeft NEQXTEP het volgende aangevoerd.
Ten onrechte heeft de kantonrechter het volgende overwogen in het vonnis:
“3.33 De kantonrechter overweegt dat op grond van het voorgaande het verweer van de Staat aannemelijk is geworden dat de rectificatie reeds heeft plaatsgevonden door dat de Staat de beschuldiging bij iedere betrokkene reeds heeft gerectificeerd. Dat gevorderde zal worden afgewezen.”
Volgens NEQXTEP heeft er geen rectificatie plaatsgevonden zoals door haar was geëist en waar zij op basis van de gestelde feiten aanspraak op maakt. 5.4.1 Bij schrijven gedateerd 23 augustus 2017 heeft PMU, NEQXTEP beschuldigd van fraude. Een kopie van dit schrijven is door NEQXTEP overgelegd, en geciteerd onder 4.8 hiervoor. PMU heeft van dit schrijven ook de volgende personen kopie-lezer gemaakt, te weten:

  • H.E. Gillmore Hoefdraad, Ministry of Finance;
  • Dr. Maureen van Dijk, Permanent Secretary, Ministry of Health,…
  • Natalia Salazar, OFID, Public Sector Operations Officer,….
  • Mr. Sadik Mohamed MD, MSc., Senior Health Specialist (HDE) IsDB,….”.

5.4.2 De Staat e.a. hebben niet althans niet gemotiveerd weersproken dat de beschuldiging van PMU aan het adres van NEQXTEP ten onrechte is geweest. De Staat e.a. hebben ten aanzien hiervan aangevoerd dat NEQXTEP geen belang meer heeft bij dit gevorderde omdat de beschuldiging reeds is ingetrokken, en zowel NEQXTEP en alle betrokkenen van de intrekking van de beschuldiging in kennis zijn gesteld. De Staat e.a. verwijzen hiervoor naar een brief gedateerd 19 september 2017 en gericht aan NEQXTEP, zoals geciteerd onder 4.10 hiervoor. NEQXTEP heeft overgelegd de vertaling in het Nederlands van de inhoud van de brief van 19 september 2017. De Staat e.a. hebben de inhoud van de vertaling niet betwist, zodat in rechte van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. Hieronder volgt het citaat van de vertaling van de brief van 19 september 2017 – zover van belang:

“Geachte heer,

…..Tot onze spijt delen wij u mede dat na zorgvuldige overweging, OFID zijn besluit niet zal terugdraaien en dus opnieuw een aanbesteding zal plaatsvinden van de Gezondheidscentra MVG HSSP RGD [nummer 2] – [weg], MVG HSSP RGD [nummer 3] – [plaats 1] en MVG HSSP RGD [nummer 4] – [plaats 2].

Kijkt u aub naar de brief “Terugdraaien besluit contract onderhandeling en diskwalificatie NEQXTEP Buildings N.V.” (annex 1) van het Ministerie van Volksgezondheid aan OFID en de instructies van OFID (annex2) aangehecht om de verwijzing te vergemakkelijken.

Let wel, dat de beschuldigingen naar uw adres in de brief gedateerd 23 augustus 2017 gebaseerd zijn op informatie gepresenteerd in uw bid indiening/aanbesteding. Echter, na grondige uitleg uwerzijds, is besloten dat deze beschuldigingen nietig worden verklaard. Daarom mag u participeren in een nieuwe aanbestedingsproces van eerder genoemde Gezondheidszorg Centra. (Health Care centers).

Hoogachtend,

[geïntimeerde B] Project coördinator.

……..”

5.4.3 Anders dan de kantonrechter, is het Hof van oordeel dat de rectificatie door de Staat niet heeft plaatsgevonden.

Met de formulering zoals gedaan in de brief gedateerd 19 september 2017, komt onvoldoende tot uiting dat NEQXTEP ten onrechte van fraude werd beschuldigd. Het is dan ook terecht dat de Staat op een behoorlijke wijze de rectificatie pleegt van de onterechte beschuldiging aan het adres van NEQXTEP. Dit, zeker nu niet is uitgesloten dat de weigering (achteraf) van OFID om mee te gaan met de gunning van de bouw van de projecten aan NEQXTEP het gevolg van de onterechte beschuldiging is geweest. Bovendien is het niet uitgesloten dat NEQXTEP in de toekomst nog schade kan ondervinden van deze onterechte beschuldiging.

Het vonnis van de kantonrechter zal daarom worden vernietigd, en de door NEQXTEP gevorderde rectificatie zal alsnog worden toegewezen als in het dictum te melden.

Evenwel zal de gevorderde dwangsom worden gemitigeerd als in het dictum te melden, nu deze het Hof bovenmatig voorkomt.

5.5 De door NEQXTEP gevorderde veroordeling van [geïntimeerde B] en [geïntimeerde C], om het vonnis te gehengen en te gedogen onder verbeurte van een dwangsom, zal worden geweigerd nu laatstgenoemden hebben gehandeld als vertegenwoordigers van de Staat.

5.6 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5.7 De Staat e.a. zullen, als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten moeten dragen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

6. De beslissing

Het Hof
6.1 Vernietigt het tussenvonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gedateerd 25 januari 2018 en het vonnis gedateerd 19 februari 2018 beiden bekend onder AR no. 17- 4356, waarvan beroep.

En opnieuw rechtdoende:

6.2 Veroordeelt de Staat om binnen een week na betekening van dit vonnis de beschuldiging geuit in het schrijven d.d. 23 augustus 2017 bekend onder Ref. Nr.: hssp – 17066 te rectificeren in dier voege dat hij schriftelijk aan NEQXTEP doet toekomen, onder toezending naar de in gemeld schrijven genoemde personen, het volgende in de Engelse taal verklaard:

“Hierbij verklaart de Staat Suriname, met name het Ministerie van Volksgezondheid althans de Project Management Unit (PMU), dat hij Neqxtep Buildings N.V. in het schrijven d.d. 23 augustus 2017, bekend onder Ref. Nr.: hssp – 17066, van fraude heeft beschuldigd. De door Neqxtep Buildings N.V. in haar inschrijvingsdocumenten gebruikte informatie heeft zij van de Staat Suriname, met name het Ministerie van Volksgezondheid althans de Project Management Unit (PMU), zelf ontvangen en niet van de architect AAC. De Staat Suriname betreurt deze zelf door haar gemaakte fout en biedt daarvoor zijn excuses aan Neqxtep Buildings N.V.”

6.3 Veroordeelt de Staat tot betaling van een dwangsom van SRD.5.000,= (vijfduizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat hij nalaat te voldoen aan de beslissing onder 6.2. en wel tot een maximum van SRD500.000,= (vijfhonderdduizend Surinaamse Dollar).

6.4 Veroordeelt de Staat e.a. in de proceskosten aan de zijde van NEQXTEP in eerste aanleg en in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 1230,– ( een duizend tweehonderd en dertig Surinaamse Dollar).

6.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S.Chhangur – Lachitjaran, leden en uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 17 januari 2020 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. C.S. Djajadi namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellante en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. E. Naarendorp namens advocaat mr. W.Siwpersad, gemachtigden van geïntimeerden, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.