SRU-HvJ-2020-34

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

INTEGRA PORT SERVICES,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding,
verder ook aan te duiden als IPS,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

ALGEMENE HAVENARBEIDERSBOND,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
verder ook aan te duiden als AHAB,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 7 augustus 2014 (A.R. no. 13-5227) tussen AHAB als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, en IPS als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het eerder in deze zaak gewezen tussenvonnis van het Hof van Justitie d.d. 18 mei 2018.

1. Het procesverloop in hoger beroep
1.1. Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden d.d. 08 november 2018;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden;

2. De feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist en op grond van de inhoud van de overgelegde bescheiden, voor zover niet bestreden, staat het volgende tussen partijen vast.
2.1. AHAB is opgericht in 1989 en is een bepaalde periode inactief geweest. In 2013 is de bond weer actief geworden en heeft als leden onder andere ook werknemers van IPS.
2.2. AHAB heeft de directie van IPS aangegeven weer actief te zijn en gevraagd naar een kennismakingsgesprek met de directie. Echter is AHAB niet ontvangen en is aangegeven dat niet is gebleken dat AHAB werknemers van IPS vertegenwoordigd en dat IPS derhalve geen wettelijke verplichting heeft om gesprekken te voeren met AHAB.

3. De vorderingen in eerste aanleg

3.1 AHAB heeft in conventie gevorderd om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

A. IPS te bevelen AHAB de ruimte te bieden om op de in Suriname algemeen gangbare wijze in de verhouding van werkgever en vakvereniging van werknemers, binnen IPS de belangen van haar leden op voet van het bepaalde in artikel 31 jo 30 van de Grondwet te behartigen en omtrent belangen met AHAB te onderhandelen c.q. te communiceren;
B. IPS te verbieden om AHAB als vakvereniging van haar leden af te wijzen dan wel haar als zodanig functioneren te verhinderen c.q. niet te erkennen uitsluitend op grond dat zij niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 1 van het Decreet Erkenning Vakverenigingen Werknemers, zulks zolang zij wel voldoet aan de vereisten van artikel 31 van de Grondwet;
C. alle zodanig maatregelen te verordenen in het kader van het tussen partijen bestaande geschil, welke in het belang van partijen geraden wordt geacht;
D. IPS te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 100.000, = voor iedere dag waarop zij in strijd met of in afwijking handelt van enig onderdeel van de in het ten deze te wijzen vonnis te geven beslissing.

3.2 IPS heeft in reconventie gevorderd om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:
A. AHAB te verbieden om werknemers van IPS aan te zetten totaktiesvan welke aard dan ook tegen IPS;
B. AHAB te verbieden om werknemers van IPS te verhinderen hun werkzaamheden bij IPS uit te voeren;
C. AHAB te verbieden om haar vertegenwoordigers in hun hoedanigheid van bestuursleden van AHAB zonder toestemming van IPS te laten vertoeven op de werkplek van IPS;
alles op straffe van een dwangsom van SRD. 100.000, = per dag of per keer als AHAB aan IPS verschuldigd zal zijn, voor elke dag of elke keer dat zij het vonnis niet uitvoert.

4. De grieven
IPS heeft in hoger beroep een achttal grieven aangevoerd waarop het Hof in de verdere beoordeling zal ingaan. Daarbij zullen de vorderingen in conventie en in reconventie simultaan worden besproken.

5. De vordering in Hoger Beroep
IPS concludeert in conventie tot vernietiging van het vonnis, waarvan beroep, AHAB alsnog niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering althans haar vordering te ontzeggen als zijnde ongegrond en onbewezen en IPS haar vordering in reconventie toe te wijzen met veroordeling van AHAB in de kosten van beide instanties.

6. Het verweer
AHAB heeft tegen de door IPS aangevoerde grieven verweer gevoerd erop neerkomende dat de aangevoerde grieven geen stand kunnen houden. Bij de verdere beoordeling zal het Hof voor zover nodig daarop terug komen

7. De verdere beoordeling

7.1. Bij tussenvonnis van 18 mei 2018 is de verschijning van partijen gelast tot het verschaffen van inlichtingen, voornamelijk over de ontwikkeling van zaken sinds de aanvang van onderhavig geding en tot het bespreken van de mogelijkheden tot toekomstige ontwikkeling van de verhouding tussen partijen en van alles waarvan de comparitie voor de oplossing van het geschil dienstig kon zijn. Partijen dienden zich door daartoe bevoegde functionarissen te doen vertegenwoordigen en mochten partijen, desgewenst, de Bemiddelingsraad uitnodigen bij de comparitie van partijen aanwezig te zijn. Tijdens de comparitie van partijen is gebleken en is zo ook verwoord in het daartoe opgemaakt proces-verbaal dat het partijen niet is gelukt om tot een bevredigende oplossing te geraken teneinde het tussen hen ontstane geschil minnelijk op te lossen. Gelet hierop zal als volgt op de aangevoerde grieven worden ingegaan.

7.2. Grief 1
Grief 1 richt zich tegen overweging 5.1 van het bestreden vonnis waarin de kantonrechter het spoedeisend belang heeft aangenomen. De grief betoogt dat dit spoedeisend belang ontbreekt. AHAB heeft wel gesteld dat er zeer dringende zaken te bespreken zijn, maar dat is onjuist: nu IPS een onderneming is met een hoogstaande bedrijfsvoering en uitstekende werkomstandigheden, zijn er helemaal geen zaken die dringend in orde gemaakt moeten worden.
Dit betoog miskent dat de vorderingen van AHAB niet gaan om concrete klachten of desiderata betreffende concrete arbeidsvoorwaarden of arbeidsomstandigheden, maar om het algemene en grondwettelijk beschermde recht van werknemers om door bemiddeling van vakverenigingen met hun werkgever te kunnen communiceren en door vakverenigingen hun belangen te laten behartigen in plaats van dat alleen te kunnen doen op het individuele niveau waarop zij zo makkelijk, zoals IPS het zelf, zij het in ander verband, uitdrukt, “belemmerd worden door reële machtsverhoudingen die van invloed kunnen zijn op de totstandkoming van rechtsverhoudingen tussen private personen”, zoals met name het geval kan zijn bij arbeidsverhoudingen. Dat is een groot en spoedeisend belang. Monddoodheid van het personeel bedreigt de arbeidsvrede niet minder dan slechte werkomstandigheden.
Grief 1 wordt daarom verworpen.

7.3. Grief 2
Op de in eerste aanleg gehouden comparitie van partijen heeft de heer [naam] , die als vertegenwoordiger van IPS ter zitting verschenen was, onder meer gezegd:
“Ik erken het recht van mensen om zich te verenigen maar ik heb moeite met een bond waarin werknemers van de concurrent verenigd zijn. In Suriname komt het nergens voor dat 1 bond werknemers in 2 bedrijven vertegenwoordigt. Ik heb duidelijk gemaakt dat ik niet een bond van de concurrent in het bedrijf wil”.
De hierin doorklinkende weerstand van IPS tegen AHAB als een vakvereniging die werknemers in meer dan één onderneming verenigt, vindt zijn neerslag in grief 2 in het hoger beroep, die zich richt tegen de overweging van de kantonrechter dat er “noch wettelijke noch praktische bezwaren kunnen bestaan om tot erkenning van de vakbond [dwz van een vakbond voor een bedrijfstak in plaats van voor één onderneming] over te gaan”.

In deze grief betoogt IPS in de eerste plaats dat er wel degelijk een wettelijke belemmering bestaat en wel in artikel 1 sub c van het Decreet Erkenning Vakverenigingen Werknemers (hierna DEVW) waar aan de vakvereniging, waarmee de werkgever volgens dat artikel verplicht is omtrent het aangaan van een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) te onderhandelen, de eis wordt gesteld dat zij de werknemers in de onderneming op wie de cao van toepassing zal zijn, vertegenwoordigt. IPS leidt uit het gebruik van het woord “onderneming” in het enkelvoud af dat het instellen van een vakbond voor een bedrijfstak niet de bedoeling van de wetgever was.

Het hof acht deze uitleg van artikel 1 sub c onjuist. Dat de wet spreekt over een vakbond die de werknemers van de onderneming (te weten: waarvoor de cao zal gelden) vertegenwoordigt, wil helemaal nog niet zeggen dat die vakbond niet ook werknemers van andere ondernemingen mag vertegenwoordigen. Taalkundig zou men er hoogstens uit kunnen afleiden dat de wetgever slechts denkt aan cao’s voor één onderneming, ware het niet dat uit artikel 1 Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst blijkt dat, dat uitdrukkelijk niet de bedoeling is. Er is dus geen enkel wettelijk beletsel voor bedrijfstakgewijze vakorganisaties.

De door IPS geziene praktische bezwaren tegen een vakbond voor een bedrijfstak kunnen, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, geen reden zijn om een zo fundamenteel recht als dat van werknemers zich te verenigen in een vakbond en wel in de vakbond van eigen keuze, opzij te zetten. Ten overvloede overweegt het hof dat het die bezwaren zeer overdreven acht en het meent ook wel te begrijpen waarom IPS die bezwaren zo overschat. Het valt op, niet zo zeer in het pleidooi als wel in het betoog van de vertegenwoordiger van IPS ter comparitie in eerste aanleg, dat IPS in een vakbond waarin (ook) werknemers van de concurrent deelnemen, een vakbond van de concurrent ziet. Dat is echter een ernstige en gevaarlijke misvatting. Een vakbond is niet “van een onderneming” (dus van een werkgever), maar “van de leden” (dus van de werknemers). Op een arbeidsmarkt waar werkgevers eraan gewend zijn dat een vakbond niet “van de werkgever” is en daar vrede mee hebben en waar zij niet proberen hun in vakbonden georganiseerde werknemers te misbruiken om de concurrentie dwars te zitten, slinken de door IPS aangevoerde risico’s als sneeuw voor de zon. En daar wordt nog een ander risico door bestreden, namelijk het risico dat een werkgever als gevolg van de eerder genoemde reële machtsverhoudingen invloed krijgt op de interne verhoudingen en de besluitvorming binnen de vakbond. En dus ook het risico dat van die invloed misbruik wordt gemaakt en dat de vakbond verworden tot louter een personeelsvereniging, niet meer in de positie verkeert zich tegenover de werkgever op te kunnen stellen en daardoor niet meer in staat is zijn maatschappelijke functie als vakbond te vervullen. Door uitdrukkelijk niet alleen aan ondernemingsvakbonden en ondernemings-cao’s maar ook aan vakbonden voor bedrijfstakken en bedrijfstak cao’s te denken, heeft de Surinaamse wetgever voor zo een arbeidsmarkt gekozen.
Grief 2 is daarom ongegrond.

7.4. Grief 3
In het kader van het conflict tussen partijen is er in de periode van 12 tot en met 30 november 2013 een staking in het bedrijf van IPS geweest. De staking was door AHAB uitgeroepen, werd althans door haar gefaciliteerd. IPS acht deze staking een onrechtmatige, AHAB is de tegenovergestelde mening toegedaan. De kantonrechter heeft de staking rechtmatig geacht en daar komt deze grief tegenop.

De vraag naar de rechtmatigheid van de staking kan, ruim vier jaren na dato, in kort geding alleen nog van belang zijn voor de vraag of uit hoofde van onverwijlde spoed door IPS gevorderde onmiddellijke voorzieningen vereist zijn. Die gevorderde voorzieningen zijn door dwangsom versterkte verboden aan AHAB:

a. om werknemers van IPS aan te zetten totaktiesvan welke aard dan ook tegen IPS;
b. om de werknemers van IPS te verhinderen hun werkzaamheden bij IPS uit te voeren;
c. om haar vertegenwoordigers in hun hoedanigheid van bestuursleden van AHAB zonder toestemming van IPS te laten vertoeven op de werkplek van IPS.

Voor de beoordeling of deze voorzieningen toewijsbaar zijn acht het hof het niet nodig te oordelen over de rechtmatigheid of onrechtmatigheid van de staking van november 2013. Ongeacht de al dan niet rechtmatigheid van die staking zijn de gevorderde verboden zoals onder a. of c. bedoeld hoe dan ook niet toewijsbaar. Een algemeen verbod op “akties van welke aard dan ook tegen IPS” gaat evident te ver en zou dat zelfs gaan als AHAB helemaal geen vakvereniging zou zijn. Uit wat het Hof over grief 2 overwogen heeft en wat het over grief 4 nog zal overwegen, vloeit echter voort dat het Hof in AHAB wel degelijk een vakvereniging ziet, ook al is het (nu nog) geen vakvereniging in de zin van het Decreet Erkenning Vakverenigingen Werknemers. En als een vakvereniging mag bestaan, mag en moet zij ook voor de belangen van haar leden opkomen en dus ook actie voeren. Dat mag haar alleen verboden worden als de akties een onrechtmatig karakter hebben en niet op de enkele grond dat zij zich tegen een werkgever richten. Voor de gevorderde voorziening sub c. geldt iets dergelijks, IPS mag aan bepaalde personen (en ook aan vertegenwoordigers van AHAB) de toegang tot haar terrein en gebouwen ontzeggen, maar niet tot elke werkplek van IPS. IPS werkt immers niet alleen op eigen terrein, maar op allerlei plaatsen op de Haven, ook op plaatsen waar zij geen exclusieve zeggenschap heeft. Ook dit verbod gaat veel te ver en is niet toewijsbaar.

Het verbod onder b. is echter wel toewijsbaar en ook dat is niet afhankelijk van de al dan niet onrechtmatigheid van de staking van november 2013. Het is immers duidelijk dat het tijdens een staking, onverschillig of die rechtmatig of onrechtmatig is, nooit geoorloofd is werkwilligen te verhinderen hun werk te doen. Het grondwettelijk gewaarborgde stakingsrecht impliceert ook het recht om niet te staken.

Het beroepen vonnis zal derhalve voor wat betreft de beslissing op deze vordering in reconventie worden vernietigd en zal AHAB worden verboden om werkwillige werknemers van IPS te verhinderen hun werkzaamheden bij IPS uit te voeren op straffe van een te verbeuren dwangsom als na te melden.

7.5. Grief 4
Grief 4 bestrijdt de beslissingen die de kantonrechter onder 6.1 en 6.2 van het bestreden vonnis heeft gegeven. De grief betoogt dat de in hoofdstuk 5 van de Grondwet opgenomen grondrechten, waaronder die in de artikelen 30 en 31, slechts tot de overheid gericht zijn, dat de Grondwet geen burgerlijk recht creëert of constitueert dat de rechtsverhoudingen tussen burgers regelt en dat er nooit rechtens afdwingbare verplichtingen voor een burger tegenover een andere burger uit kunnen voortvloeien, zodat de kantonrechter in de bestreden beslissingen ten onrechte de in de genoemde artikelen voor de overheid gegeven normen rechtstreeks op de privaatrechtelijke rechtsverhouding tussen partijen van toepassing verklaard heeft.

Het Hof merkt allereerst op dat de artikelen 30 en 31 Grondwet niet voorkomen in hoofdstuk 5 (Grondrechten, persoonlijke rechten en vrijheden), maar in hoofdstuk 6 (Sociale, culturele en economische rechten en plichten).

Het Hof kan het ermee eens zijn dat de grondwettelijke bepalingen van hoofdstuk 5, maar tot op grote hoogte ook die van hoofdstuk 6 zich in het algemeen en in beginsel richten tot de overheid en op haar verplichtingen en verantwoordelijkheden leggen. Dat zij echter nooit van invloed zouden kunnen zijn op privaatrechtelijke rechtsverhoudingen tussen burgers, is te algemeen gesteld. De burger is gehoorzaamheid verschuldigd aan de wetten en de Grondwet is daar geen uitzondering op. Het hangt dus af van de aard van de grondrechten en de manier waarop zij in de grondwet zijn geformuleerd of burgers er rechtstreeks tegenover elkaar aan zijn gebonden en er een beroep op kunnen doen. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat zij als eerbiedwaardige beginselbepalingen, een sterke invloed hebben op de invulling van wat volgens ongeschreven recht, in het maatschappelijk verkeer betaamt. En daarmee, ook op wat juist niet betaamt en als onrechtmatig moet worden gezien.

Het Hof is van oordeel dat de artikelen 30 en 31 Grondwet wel enig privaatrechtelijk effect hebben. De eerbied voor de Grondwet die elke burger past, brengt met zich dat IPS het feit dient te eerbiedigen dat werknemers, ook haar werknemers, vrij zijn al dan niet lid te zijn van een vakvereniging (art. 30 lid 2 Grondwet) en dat daarbij aan een vakvereniging geen andere eisen gesteld worden dan dat zij als doel (niet noodzakelijkerwijze als enige doel) hebben de rechten en belangen van hun werknemers te behartigen. Overigens is deze verplichting in dit geding niet aan de orde. En niet is gesteld of gebleken dat IPS deze verplichting niet nakomt.

Daarnaast is IPS gehouden te erkennen dat AHAB, die als een vakvereniging in de zin van de artikelen 30 en 31 Grondwet te beschouwen is, krachtens artikel 31 Grondwet bevoegd is om de rechten en belangen van de werknemers die zij vertegenwoordigt te verdedigen en voor hen op te komen. De vraag die met betrekking tot de onder 6.1 en 6.2 van het bestreden vonnis gegeven beslissingen in verband met deze grief beantwoord dient te worden, is dus of datgene waartoe IPS in die beslissingen veroordeeld is, redelijkerwijze voortvloeit uit artikel 31 Grondwet. Bij toetsing van deze veroordelingen, zoals zij door de kantonrechter geformuleerd zijn, aan artikel 31 Grondwet, komt het Hof tot het oordeel dat die vraag bevestigend beantwoord moet worden, zodat grief 4 faalt.

Ten overvloede overweegt het Hof dat IPS niet gehouden is AHAB te erkennen als een vakbond in de zin van artikel 3 DEVW, met wie zij gehouden zou zijn te onderhandelen omtrent het aangaan van een cao. Daarvoor immers stelt het DEVW immers aanvullende eisen en partijen zijn het erover eens dat AHAB aan die aanvullende eisen niet voldoet. Dat zij ambieert om daaraan in de toekomst wel te gaan voldoen, doet daaraan niet af.

7.6. Grief 5
Grief 5 voert tegen de beslissing onder 6.1 van het bestreden vonnis voorts nog aan dat de daarin aan haar opgelegde verplichting volstrekt onbepaalbaar en dus onuitvoerbaar is. Daarmee kan het Hof zich niet verenigen. Grief 5 faalt dus ook. Wel moet IPS worden toegegeven dat die verplichting nogal onbepaald is en het bevel dus ook tamelijk vaag. Het Hof gaat ervan uit dat dit ook de reden is dat de kantonrechter ervan afgezien heeft deze beslissing met een dwangsom te versterken, zoals door AHAB wel gevraagd was. Dat heeft tot gevolg dat, als partijen over de concrete naleving van het bevel een verschil van inzicht hebben dat zij niet zelf kunnen oplossen, zij dat in een nieuw geding aan de rechter zullen moeten voorleggen.

7.7. Grief 6
Tegen de beslissing onder 6.2 van het bestreden vonnis voert deze grief aan dat IPS niet in staat is eraan te voldoen omdat verwezen wordt naar de eisen die artikel 31 Grondwet stelt, terwijl dat artikel helemaal geen eisen aan vakverenigingen stelt. Dat laatste is op zichzelf juist, maar het Hof begrijpt dat in het bestreden vonnis hier een kennelijke schrijffout is opgetreden en dat de kantonrechter bedoelde te verwijzen naar artikel 30 Grondwet. Dat artikel stelt wel een eis, namelijk dat de vereniging in kwestie zich (onder meer) de behartiging van de rechten en belangen als werknemer van haar leden ten doel stelt. Aan dat vereiste voldoet AHAB. Overigens moet IPS worden toegegeven dat ook deze veroordeling weinig bepaald is en dat ook voor deze veroordeling een versterking door dwangsom niet op haar plaats zou zijn. Een dwangsomveroordeling is hier door de kantonrechter terecht dan ook niet opgelegd. De grief faalt.

7.8. Grief 7
Grief 7 richt zich tegen de beslissing onder 6.3 van het bestreden vonnis waarin IPS veroordeeld wordt AHAB te ontvangen voor een kennismakingsbezoek. De grief voert daartegen aan dat de kantonrechter aldus meer heeft toegewezen dan AHAB gevorderd had. Dat is niet geheel juist, omdat AHAB wel had gevorderd dat de kantonrechter zodanige maatregelen zou treffen als in het belang van partijen geraden zou worden geacht. Evenwel moet in verband met grief 4 ook de vraag worden gesteld of een plicht tot het ontvangen voor een kennismakingsbezoek redelijkerwijs uit artikel 31 Grondwet voortvloeit. Dat is naar het voorlopig oordeel van het Hof niet het geval. Als een werkgever met een nieuwe vakbond te maken krijgt, ligt het wel voor de hand dat hij daarmee kennis maakt en dan is een kennismakingsbezoek wel verstandig, maar het Hof verwacht niet dat het belang van partijen met een gedwongen kennismakingsbezoek gediend is. Deze grief slaagt dus en onderdeel 6.3 van het bestreden vonnis zal worden vernietigd. Onderdeel 6.4, houdende een dwangsombepaling die uitsluitend op onderdeel 6.3 betrekking heeft, moet dat lot delen.

7.9. Grief 8
Deze grief betoogt dat de kantonrechter (met name met de beslissingen onder 6.1 en 6.2) een blijvende rechtsverhouding tussen partijen heeft vastgelegd, waartoe ingevolge artikel 226 Rv de bevoegdheid ontbreekt. Deze grief is ongegrond. De kantonrechter mag inderdaad geen blijvende voorzieningen treffen, maar dat is hier ook niet gebeurd. Deze voorzieningen zijn wel degelijk tijdelijk, gelden immers krachtens artikel 229 Rv slechts totdat de bodemrechter anders zou beslissen. Zij kunnen slechts een blijvend karakter krijgen als partijen beiden (en bij voorkeur in goed onderling overleg) besluiten op basis van de door de voorlopige voorziening geschapen en in beginsel tijdelijke situatie hun verhouding blijvend voort te zetten en van een bodemgeding af te zien. De grief faalt.

7.10 Nu in dit hoger beroep beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld voor wat betreft de conventionele en reconventionele vordering zullen de proceskosten worden gecompenseerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

8.De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het Hof:

In conventie:
8.1 Vernietigt de onderdelen 6.3, 6.4 en 6.5 van het dictum van het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kortgeding van 7 augustus 2014 (A.R. no. 13-5227), waarvan beroep, en bekrachtigt de onderdelen 6.1 en 6.2 van het dictum van genoemd vonnis, onder verbetering van rechtsgronden;

In reconventie:
8.2 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kortgeding van 7 augustus 2014 (A.R. no. 13-5227), voor wat betreft de onderdelen van het dictum vermeld onder 6.6 en 6.7 waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:
8.3 Verbiedt AHAB om de werkwillige werknemers van IPS te verhinderen hun werkzaamheden bij IPS uit te voeren;
8.4 Veroordeelt AHAB tot betaling van een dwangsom van SRD.10.000,- per keer dat zij het verbod onder 8.3 vermeld overtreedt en wel tot een maximum van SRD.100.000,-;

In conventie en in reconventie:

8.5 Compenseert de proceskosten tussen partijen gevallen in dit hoger beroep en in eerste aanleg in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;
8.6 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr.I.S.Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 17 april 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan
Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K.V. Alakhramsing namens advocaat mr. R. Sohansingh, gemachtigde van appellante, terwijl geïntimeerde noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

SRU-K1-2020-56

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-3082
03 december 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

ENTERTAINMENT GROUP OF THE GUYANA’S NV,
gevestigd aan de Kleine Waterstraat no. 09 te Paramaribo,
eiseres,
hierna te noemen:de NV,
gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

tegen

[GEDAAGDE],
wonende aan [adres] te [stad]
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat.

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het in de onderhavige zaak tussen partijen gewezen en uitgesproken tussenvonnis d.d. 19 november 2020;
  • de conclusie tot overlegging producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten in conventie en in reconventie

2.1 De NV exploiteert een hotel en casino. De NV is de werkgeefster van [gedaagde].

2.2 [Gedaagde] heeft door de deurwaarder, Aniel Sewgobind blijkens diens exploten allemaal gedateerd 28 september 2020 respectievelijk met de nummers 254, 255, 256, 257, 258, 259 en 260 (welke exploten als productie II bij het inleidend verzoekschrift zijn overgelegd) conservatoir derden beslag doen leggen op alle gelden en geldswaarden van de NV die zich onder de in de exploten genoemde bankinstellingen bevinden.

2.3 [Gedaagde] heeft, na een daartoe door haar ingediend verzoekschrift d.d. 03 augustus 2020 (dat als productie I bij het inleidend verzoekschrift is overgelegd), bij beschikking van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 21 september 2020 toestemming verkregen tot het mogen leggen van de beslagen als zekerheid tot betaling van een maximumbedrag van US$ 25.000,-.

2.4 [Gedaagde] heeft aan het verzoek tot het mogen leggen van de beslagen het volgende gesteld:

– zij maakt aanspraak op:
1) achterstallig vakantiegeld van 2015 tot en met 2018:
2) salaris van maart 2020 tot en met 22 april 2020;
3) vakantiegeld van januari 2020 tot en met 22 april 2020,
en
4) loon en vakantiegeld over de periode 22 april 2020 tot en met 22 oktober 2020,
welke bedragen in totaal zijn begroot op US$ 25.292,-.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

In conventie en in reconventie

3.1 In conventie vordert de NV dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I) de opheffing gelast van de door [gedaagde] gelegde conservatoir derdenbeslagen bij exploot van deurwaarder Anielkoemar Sewgobind die allemaal zijn gedateerd
28 september 2020 respectievelijk met de nummers: 254, 255, 256, 257, 258, 259 en 260 op de daarin vermelde bankinstellingen;

II) de opheffing gelast van het door [gedaagde] gelegde beslag bij exploot van deurwaarder Anielkoemar Sewgobind d.d 29 september 2020 no. 261 op de daarin vermelde roerende goederen ;

III) [Gedaagde] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de NV te betalen het bedrag van SRD 41.276,-, zijnde de advocaatkosten, inclusief 8% omzetbelasting;

IV) [Gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 In conventie legt de NV aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] een onrechtmatige daad jegens haar pleegt, omdat in casu tussen partijen een arbeidsgeschil bestaat en [gedaagde] tot de beslagleggingen is overgegaan zonder zich vooraf te wenden tot de Arbeidsinspectie. De gelegde beslagen zijn onrechtmatig en vexatoir. Daartoe stelt de NV, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • de NV heeft ter afwikkeling c.q. beëindiging van de dienstbetrekking tussen partijen aan [gedaagde] een lump sum ad SRD 54.000,- (zijnde 7 maanden x 50% van het maandelijks salaris ad SRD 1.5000,-) aangeboden tot betaling, doch heeft [gedaagde] dit aanbod afgewezen;
  • na afwijzing van dit aanbod heeft [gedaagde] conservatoir derdenbeslag doen leggen op de bankrekeningen van de NV, terwijl [gedaagde] vanwege haar functie als manager er kennis van draagt dat de NV geen andere bankrekeningen beschikt;
  • ondanks de NV een bankgarantie ter hoogte van een bedrag ad US$ 25.000,- aan [gedaagde] heeft aangeboden ter opheffing van de gelegde beslagen, wordt dit door [gedaagde] geweigerd;
  • als gevolg van deze beslaglegging lijdt de NV schade, bestaande uit advocaatkosten ad SRD 41.276,-, om haar juridisch te doen bijstaan in de onderhavige zaak.

3.3 [Gedaagde] heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

3.4 In reconventie vordert [gedaagde] dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a) de NV veroordeelt om bij wege van voorschot aan haar te voldoen de advocaatkosten ad SRD 12.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 14 oktober 2020 tot aan die der algehele voldoening;
b) de NV veroordeelt in de kosten van het geding.

3.5 In reconventie legt [gedaagde] aan haar vordering ten grondslag dat de NV haar onnodig in het onderhavige proces heeft betrokken, omdat zij toestemming van de kantonrechter heeft verkregen om de beslagen te mogen leggen. Als gevolg hiervan heeft zij een advocaat in de arm moeten nemen om haar juridisch te doen bijstaan. De NV is haar de in dit verband gemaakte advocaatkosten ad SRD 12.000,- verschuldigd.

3.6 In reconventie heeft de NV verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1 In conventie

Tussenvonnis

4.1.1 De kantonrechter volhardt bij de inhoud van het tussen partijen gewezen en uitgesproken tussenvonnis d.d. 19 november 2020.

Gevorderde onder II

4.1.2 De NV is middels het hiervoor vermeld tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om het exploot van deurwaarder Anielkoemar Sewgobind d.d. 29 september 2020 no. 261, waarnaar zij in het inleidend verzoekschrift verwijst als productie III, alsnog ten processe over te leggen, en wel peremptoir. Dit, omdat – zoals onder 2.1 in het tussenvonnis is overwogen – de productie III waar de NV naar verwijst een exploot betreft met als datum 29 september 2020 met no. 262, welk exploot een mededeling inhoudt van de gelegde conservatoir derdenbeslagen onder de bankinstellingen gedaan door [gedaagde] aan de NV en niet een exploot inhoudende beslaglegging op roerende goederen van de NV en dat de kantonrechter bij het omspitten van het hele dossier geen exploot van beslaglegging op roerende goederen van de NV heeft aangetroffen.
Instede van het hiervoor vermeld exploot ten processe over te leggen, heeft de NV de exploten d.d. 28 september 2020 no. 254 tot en met no. 260 ten processe overgelegd. Nu de NV, ondanks daartoe voldoende in de gelegenheid te zijn gesteld, het bedoelde exploot niet ten processe heeft overgelegd als verificatie dat er conservatoir beslag op roerende goederen van de NV is gelegd, zal zij ter voorkoming van verdere stagnatie in het onderhavige proces niet meer in de gelegenheid worden gesteld het bedoelde exploot ten processe over te leggen en niet ontvankelijk worden verklaard in het gevorderde onder II. De kantonrechter zal zich daarom toespitsen op de conservatoir gelegde derdenbeslagen van welke beslagen de exploten wel in het procesdossier zijn aangetroffen, zijnde het gevorderde onder I.

Spoedeisend belang

4.1.3 De NV stelt als spoedeisend belang dat zij vanwege de beslagleggingen niet kan voldoen aan de salarissen van haar overige werknemers alsmede aan haar betalingsverplichtingen jegens derden. [Gedaagde] heeft het bovenstaande niet weerspoken, zodat het spoedeisend belang voldoende aannemelijk is voor de kantonrechter.

Toetsingscriteria bij opheffing conservatoir derdenbeslag

4.1.4 Ingevolge artikel 591 lid 1van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), welk artikel analoog kan worden toegepast op conservatoir derdenbeslagleggingen, dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt of indien behoorlijke zekerheid is gesteld voor of betaling heeft plaatsgehad van de som voor welke het beslag gelegd is.

Het door [gedaagde] ingeroepen recht

4.1.5 De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is of de NV salaris is verschuldigd aan [gedaagde], doch bestaat tussen hen een geschil over de hoogte van het verschuldigde bedrag, waaronder de hoogte van het maandelijks loon. Zo stelt de NV zich op het standpunt dat het maandelijks door [gedaagde] genoten loon
SRD 1.5000,- bedraagt, terwijl [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat het maandelijks door haar genoten loon US$ 3.000,- bedraagt. Ter staving van hun standpunten hebben partijen elk producties ten processe overgelegd. Daar de producties, twee loonslips die de NV heeft overgelegd en 3 vouchers die [gedaagde] heeft overgelegd, de kantonrechter onvoldoende houvast bieden om te kunnen concluderen wat de hoogte van het tussen partijen overeengekomen maandelijks loon is en zij in hun standpunten blijven volharden, zullen zij dit geschilpunt in bodemprocedure dienen te beslechten.

4.1.6 Zoals reeds hiervoor onder 4.1.5 is overwogen is tussen partijen niet in geschil dat de NV salaris aan [gedaagde] verschuldigd is, zodat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door [gedaagde] ingeroepen recht is gebleken.

Behoorlijke zekerheid

4.1.7 De NV heeft ter staving van haar stelling dat zij aan [gedaagde] een bankgarantie heeft aangeboden een fotokopie hiervan ten processe overgelegd. De kantonrechter constateert dat [gedaagde] niet is ingegaan op deze stelling van de NV en de ter zake door de NV ten processe overgelegde productie, zodat deze stelling als niet weersproken en voldoende onderbouwd vaststaat. De kantonrechter leidt uit de inhoud van de door de NV ten processe overgelegde bankgarantie gedateerd 01 oktober 2020, met als kopstuk “procesgarantie”, af dat deze is gegeven tot het beloop van het bedrag ad US$ 25.000,-. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag waarvoor [gedaagde] toestemming van de kantonrechter heeft verkregen tot het leggen van de beslagen. Zoals uit artikel 591 lid1 Rv en artikel 599 RV blijkt, is de kantonrechter gehouden de gelegde conservatoir derdenbeslagen op te heffen, indien behoorlijke zekerheid is gesteld voor het bedrag voor welke het beslag gelegd is. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt, dat de door [gedaagde] gelegde conservatoir derdenbeslagen dienen te worden opgeheven, waaruit voortvloeit dat het gevorderde onder I dient te worden toegewezen.

Advocaatkosten als schadepost

4.1.8 Op grond van hetgeen onder 4.1.7 in dit vonnis is overwogen, komt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat [gedaagde] geen enkel te respecteren belang heeft om de gelegde conservatoir derdenbeslagen onder de bankinstellingen te blijven handhaven, en dienen de beslagleggingen daarom als onrechtmatig te worden aangemerkt.

4.1.9 Vaststaat dat de NV als gevolg van dit onrechtmatig beslag een advocaat in de arm moest nemen om haar juridisch te doen bijstaan en daardoor schade heeft geleden. Ter staving van de door haar geleden schade heeft de NV een factuur overgelegd, van welk factuur [gedaagde] de hoogte van het bedrag niet voldoende heeft weersproken. [Gedaagde] voert enkel en alleen aan dat deze onrechtmatig en bovenmatig zijn, maar onderbouwt zulks niet. Daar er vanuit de Surinaamse Orde van Advocaten geen richtlijnen zijn of bestaan voor de vaststelling van het honorarium van advocaten en [gedaagde] de hoogte van het schadebedrag niet in voldoende mate heeft weersproken, zal het gevorderde onder III worden toegewezen doch met uitzondering van de medegevorderde omzetbelasting ad SRD 2.976,-, het vastrecht ad SRD 100,- en deurwaarderskosten voor oproep eerste behandeling ad SRD 1.000,-. Dit, omdat:

– ingevolge artikel 10 lid 2 van de Wet Omzetbelasting 1997 niet de NV die gebruik maakt van juridische bijstand de belastingplichtige is, maar diegene die de justitiabele c.q. de NV juridische bijstand verleend;
– het medegevorderde vastrecht en deurwaarderskosten voor oproep ingevolge artikel 61 Rv vallen onder de proceskosten.

Proceskosten

4.1.10 [Gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.
Deze omvatten tot de dag van de uitspraak blijkens:

a) de kwitantie van betaling d.d 05 oktober 2020 het vastrecht ad SRD 50,-;

b) en blijkens het exploot van de deurwaarder Halima Chiragally d.d. 16 oktober 2020, no. 377, de kosten voor oproep ad SRD 430,-, welke tot de dag van de uitspraak neerkomen op een totaal bedrag van SRD 480,-.

Overige stellingen en weren

4.1.11 De overige stellingen en weren behoeven geen bespreking, omdat die niet relevant worden geacht en tot geen enkel andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.2 In reconventie

4.2. 1 Misbruik van procesrecht

De kantonrechter begrijpt uit de stelling van [gedaagde] dat de NV misbruik maakt van procesrecht door haar onterecht in het onderhavige proces te betrekken. De kantonrechter komt op grond van hetgeen in conventie is overwogen tot de slotsom dat [gedaagde] niet onterecht in het onderhavige proces is betrokken, zodat van misbruik van procesrecht geen sprake is en evenmin van een onrechtmatige daad. Daarom zal het gevorderde in reconventie worden geweigerd.

4.2.2 Proceskosten

[Gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing in conventie en in reconventie

De kantonrechter in kort geding:

5.1 In conventie

5.1.1 Heft op de gelegde conservatoir derdenbeslagen bij exploot van deurwaarder Anielkoemar Sewgobind d.d. 28 september 2020 respectievelijk met de nummers 254, 255, 256, 257, 258, 259 en 260 op de daarin vermelde bankinstellingen.

5.1.2 Veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de NV te betalen de som van SRD 37.200,- (Zevenendertigduizend en Tweehonderd Surinaamse Dollar).

5.1.3 Verklaart hetgeen onder 5.1.1 en 5.1.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.1.4 Verklaart de NV niet ontvankelijk in het gevorderde onder II.

5.1.5 Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten die aan de zijde van de NV zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op SRD 480,- (Vierhonderd en Tachtig Surinaamse Dollar).

5.1.6 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

5.2 In reconventie

5.2.1 Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.2.2 Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten die aan de zijde van de NV zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis in conventie en in reconventie is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 03 december 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2015-6

G.R. no. 14970

 

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

 

[De vrouw],

wonende te [adres 1],

appellante, hierna aangeduid als “de vrouw”,

gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, advocaat,

 

tegen

 

[De man],

wonende te [adres 2],

geïntimeerde, hierna aangeduid als “de man”,

gemachtigde: mr. G.A.T.T. Sitaram, advocaat,

 

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 9 december 2013 (A.R. no. 11-3400) tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde,

 

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat de vrouw op 20 januari 2014 hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota d.d. 21 november 2014;

– de antwoordpleitnota d.d. 5 december 2014;

– de repliekpleitnota d.d. 19 december 2014;

– de dupliekpleitnota d.d. 16 januari 2015, met producties, overgelegd op 6 februari 2015;

– de conclusie tot uitlating producties d.d. 20 februari 2015, zijdens de vrouw.

 

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

 

  1. De feiten

2.1 Partijen zijn op 29 december 1993 te Paramaribo, buiten gemeenschap van goederen, met elkaar gehuwd.

2.2 Door het huwelijk van partijen is het thans meerderjarige kind [kind 1], geboren op [geboortedatum 1] te Paramaribo en op 9 juli 1993 te Paramaribo erkend door de man, gewettigd. Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum 2] te Paramaribo geboren het thans nog minderjarige kind [kind 2].

2.3 Bij vonnis van 9 december 2013 is in conventie de echtscheiding tussen partijen uitgespro-ken en is de man in zijn vordering in reconventie niet-ontvankelijk verklaard.

2.4 Tegen dat vonnis heeft de vrouw hoger beroep aangetekend.

 

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

3.1 De vrouw heeft op 20 januari 2014 appel aangetekend tegen het vonnis van 9 december 2013.

3.2 De vrouw was bij de uitspraak van voormeld vonnis niet ter terechtzitting aanwezig.

3.3 De griffiersbrief waarmee het vonnis ter kennis is gebracht van de vrouw heeft als dagtekening 7 januari 2014, waardoor de vrouw tijdig het appel heeft aangetekend en

daarin ontvankelijk is.

 

  1. De grieven

4.1 De vrouw heeft als grieven tegen het vonnis aangevoerd:

  1. dat de kantonrechter terecht tot de conclusie is gekomen dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan de man is te wijten; dit, omdat de man jarenlang een bedekte relatie had met een ander en zijn huwelijksplicht jegens de vrouw ernstig heeft verzaakt; dat de kantonrechter echter ten onrechte de opbrengst van de door de vrouw verkochte onroerende goederen in haar beslissing heeft betrokken, waardoor er geen plaats zou zijn voor toewijzing van de alimentatie; de vrouw is wel degelijk behoeftig en kan niet voldoende inkomsten verwerven om voor een belangrijk deel in haar levensonderhoud te kunnen voorzien; dat zij genoodzaakt was het onroerend goed te verkopen en dat de koopsom gelijk is gebruikt voor haar hypotheekaflossing en medische kosten en daardoor van dat bedrag niets meer over is.
  2. dat de man directeur is van een NV en voldoende draagkracht heeft om alimentatie aan haar te kunnen betalen.
  3. dat haar huidige mate van behoeftigheid mede wordt bepaald door de stand van welvaart die de vrouw en de man tijdens hun huwelijk genoten; het huwelijk heeft meer dan 17 jaar geduurd.

 

4.2 Op grond van voormelde grieven vordert de vrouw dat het vonnis in eerste aanleg wordt vernietigd en opnieuw rechtdoende de alimentatievordering van de vrouw alsnog wordt toegewezen.

 

  1. De beoordeling

5.1 Het Hof merkt op dat tegen de beslissing in reconventie geen grieven zijn aangevoerd, zodat het ervoor wordt gehouden dat het appel slechts betrekking heeft op de conventionele vordering.

5.2 De man heeft op de grieven gereageerd en daarbij onder andere ten aanzien van de eerste grief aangegeven dat het niet juist is dat de kantonrechter tot de conclusie is gekomen dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan hem, de man, is te wijten; de man betwist voorts dat hij jarenlang een bedekte relatie had en zijn huwelijksplicht jegens de vrouw ernstig heeft verzaakt; hij voert aan dat de vrouw zich bedient van onwaarheden die zijn eer en goede naam schaden; hij verwijst naar het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden in eerste aanleg, tijdens welke comparitie van partijen de vrouw heeft verklaard dat de duurzame ontwrichting aan hen beiden in gelijke mate te wijten is. Hij voert verder op de grieven aan dat de vrouw niet behoeftig is. Hij voert aan dat zij een ondernemer is, hetgeen blijkt uit de stukken overgelegd in eerste aanleg. Hij voert voorts aan dat de vrouw wel degelijk de gelegenheid heeft gehad om iets voor zichzelf op te bouwen en verwijst daarbij naar haar beroep als masseuse en het feit dat zij in de gelegenheid is gesteld om een restaurant op te zetten, hetgeen ook is gebeurd. Hij betwist voorts dat het perceel aan de Koosstraat verkocht moest worden vanwege een daarop rustende hypotheekschuld. Op het perceel aan de Kolonistenweg rustte wel een hypotheekschuld. De opbrengst van de verkoop van het perceel aan de Koosstraat is niet aangewend voor het aflossen van de schuld op het perceel aan de Kolonistenweg. Hij voert aan dat de verkoop van het perceel aan de Koosstraat voldoende middelen voor de vrouw moet hebben opgebracht en als die middelen thans reeds op zijn dan moet dat worden toegeschreven aan haar verkwistend karakter. Hij betwist dat zijn bedrijf thans op een wijze draait dat hij voldoende inkomsten heeft om aan de vrouw alimentatie te betalen. Zijn bedrijf draait thans juist niet zo goed.

5.3 Het Hof overweegt dat de eerste grief van de vrouw, waartegen de man verweer heeft gevoerd, aanvangt met haar constatering dat de kantonrechter terecht de conclusie heeft getrokken dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is.

5.4 Naar het oordeel van het Hof blijkt, gelijk de man in zijn verweer in appel stelt, uit het vonnis in eerste aanleg niet dat de kantonrechter de conclusie heeft getrokken dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is.

5.5 De vraag of de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan een partij te wijten is houdt verband met het bepaalde in artikel 278 van het Burgerlijk Wetboek (BW) waarin is bepaald dat bij een echtscheidingsvonnis aan een echtgenoot ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud kan worden toegekend indien de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan de andere echtgenoot te wijten is.

5.6 Het Hof overweegt dat uit artikel 278 BW voortvloeit dat de vraag of de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is, eerst moet worden beantwoord alvorens wordt overgegaan tot de beoordeling van de behoeftigheid van de vrouw en de draagkracht van de man.

5.7 Het Hof overweegt dat, gelijk de man stelt, tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg ook door de vrouw is gesteld dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk aan beide partijen te wijten is.

5.8 Het Hof overweegt voorts dat de vrouw in haar repliekpleitnota in appel op deze verklaring ingaat en aangeeft dat zij daarmee niet heeft toegegeven dat de duurzame ontwrichting in gelijke mate te wijten is aan elk der partijen.

5.9 Het Hof is het niet eens met de vrouw en overweegt dat de verklaring van de vrouw als volgt is vervat in het proces-verbaal van de comparitie van partijen: “(…) Ten aanzien van de duurzame ontwrichting kan ik stellen dat die aan beide partijen te wijten is geweest.” Naar het oordeel van het Hof is een dergelijke verklaring wel op te vatten als een verklaring waarin de vrouw bevestigt dat de duurzame ontwrichting aan beide partijen te wijten is waardoor van een omstandigheid zoals bedoeld in artikel 278 BW, namelijk dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de andere echtgenoot te wijten zou zijn, geen sprake is.

5.10 Nu ingevolge artikel 278 BW de vordering tot uitkering tot levensonderhoud van de ene echtgenoot jegens de andere echtgenoot slechts kan slagen indien de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de andere echtgenoot te wijten is en van dit laatste in casu geen sprake is, is de door de vrouw tegen de man ingestelde vordering tot uitkering tot levensonderhoud niet toewijsbaar.

5.11 Het Hof komt op grond van het hiervoor overwogene niet toe aan de bespreking van de overige grieven en zal het vonnis van de kantonrechter waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden, bevestigen.

[De vrouw] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten.

 

  1. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 9 december 2013 waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden.

6.2 Veroordeelt [de vrouw] in de proceskosten in dit hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

 

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid, en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 oktober 2015, in tegenwoordig-heid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

 

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

 

 

 

 

 

 

 

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. A. Codrington namens advocaat

  1. H.R. Lim A Po, gemachtigde van appellante, en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. C. Rambharos namens advocaat mr. G.A.T.T. Sitaram, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

 

 

 

  1. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-ATC-2020-11

UITSPRAAK
HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE

no. 20/07

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[klager],
klager,
procederende in persoon,

tegen

[verweerder],
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
verweerder,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Bij brief door het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege) ontvangen op 26 juni 2020, heeft de Deken van de Orde van Advocaten (hierna: de Deken) de klacht ter kennis van het Tuchtcollege gebracht.

1.2. De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van 28 augustus 2020. [klager] heeft daarbij zijn klacht mondeling toegelicht en [verweerder] heeft zich mondeling verweerd. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, welke zich onder de processtukken bevindt.

1.3. De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing was hierna aanvankelijk bepaald op 23 oktober 2020 doch nader op heden.

2. De feiten

2.1. [verweerder] heeft namens zijn toenmalige cliënte, [naam], een zaak aanhangig gemaakt tegen [klager], bekend in het A.R. onder no. 11-730, in welke zaak [klager] werd bijgestaan door advocaat mr. S. Sheombar.

2.2. Gaandeweg het proces heeft de toenmalige cliënte van [verweerder] ter comparitie aangegeven dat zij [verweerder] nooit de opdracht te hebben gegeven om een zaak tegen [klager] in te stellen en verklaarde zij nooit een koop verkoop overeenkomst over een perceel te zijn aangegaan of een overeenkomst te hebben getekend.

3. De klacht en het verweer

3.1. De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat [verweerder] door het aanhangig maken van voormelde zaak [klager] onnodig kosten heeft laten maken en nog steeds met stress en spanning op een uitspraak wacht. [klager] stelt dat hij door de handelwijze van [verweerder] niet alleen in zijn vermogen is benadeeld maar ook in onzekerheid verkeert over zijn rechten als eigenaar van het perceel, aangezien er nog geen uitspraak is gedaan.

3.2. [klager] vraagt derhalve dat een gepaste maatregel tegen [verweerder] zal worden genomen.

3.3. [verweerder] heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1. Alvorens inhoudelijk in te gaan op de stellingen en weren van partijen stelt het Tuchtcollege vast dat [klager] verzuimd heeft om de ingediende klacht te ondertekenen conform het bepaalde in artikel 40 lid 3 van de Advocatenwet (hierna AW). Ingevolge het bepaalde in artikel 40 lid 6 AW diende de Deken casu quo diens secretaris de gelegenheid te bieden aan [klager] om dit verzuim te herstellen hetgeen niet is geschied. Het Tuchtcollege zal volstaan met het voorgaande te constateren zonder daar enige consequentie aan te verbinden aangezien [klager] bij de mondelinge behandeling van de klacht heeft aangegeven achter de inhoud van de klacht te staan en gesteld noch gebleken is dat door het niet ondertekenen van de klacht [verweerder] in enig rechtens te respecteren belang is geschaad.

4.2. Ter beoordeling ligt thans de vraag of [verweerder] zich al dan niet schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Voorop gesteld wordt dat op advocaten, en dus ook op [verweerder], van toepassing zijn de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname (hierna de Ere-regelen). Ingevolge Ere-regel nummer 25 dient de advocaat zich steeds in gepaste termen uit te laten en alles te vermijden wat tot ongewenste incidenten, in het bijzonder van persoonlijke aard, aanleiding kan geven. In casu is aan de orde de vraag of [verweerder] tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.3. In de visie van het Tuchtcollege is uit het ingesteld onderzoek ter zitting na hoor en wederhoor niet gebleken dat [verweerder] onbetamelijk heeft gehandeld jegens [klager] door het aanhangig maken van de civiele procedure in conventie bekend in het Algemeen Register onder nummer 11-0730 namens [naam] voornoemd. Immers wordt de advocaat op zijn woord geloofd voor wat betreft het optreden namens een cliënte in rechte. Het feit dat de cliënte naderhand heeft ontkend opdracht aan [verweerder] gegeven te hebben om een zaak aanhangig te maken doet aan het voorgaande niet af. Immers is gesteld noch gebleken dat voornoemde [klager] een desaveuprocedure tegen [verweerder] aanhangig heeft gemaakt terwijl [verweerder] volhardt in zijn stelling dat hij opdracht heeft gehad van [klager] voornoemd. De stelling van [klager] dat [verweerder] ter zitting ten overstaan van de Kantonrechter zou hebben verklaard dat hij de originele documenten zou hebben gezien, is weersproken door [verweerder] en wordt verder nergens door gestaafd. Het had immers op de weg van [klager] gelegen om dat nader te adstrueren, hetgeen hij heeft nagelaten. De stelling van [klager] dat hij schade (materieel en immaterieel) zou hebben geleden ten gevolge van de gewraakte procedure is onder de hamer geweest van de Kantonrechter bij wege van een reconventionele vordering in bovengenoemde civiele procedure en daarin is er inmiddels vonnis gewezen en uitgesproken. Voor zover [klager] zich daarmede niet kan verenigen dient hij rechtsmiddelen daartegen aan te wenden. Voorts is gesteld doch niet gebleken dat [verweerder] documenten heeft vervalst en op grond van vervalste documenten een civiele zaak tegen [klager] aanhangig heeft gemaakt. Immers stelt [verweerder] de documenten van zijn toenmalige cliënte [naam] voornoemd te hebben ontvangen en een alternatief scenario daaromtrent is niet aannemelijk geworden in rechte. Dat de cliënte van [verweerder] naderhand heeft aangegeven geen documenten te hebben vervalst leidt ipso jure niet tot de conclusie dat het dan [verweerder] moet zijn geweest die de documenten heeft vervalst. Voor de aanname daarvan is er nog meer feitenmateriaal benodigd hetgeen tijdens het onderzoek van deze tuchtklacht niet boven water is gekomen. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien leidt in de visie van het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht tegen [verweerder] is gebleken ongegrond te zijn.

4.4. Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig en zal dat achterwege laten.

5. De beslissing

Het Tuchtcollege:

Verklaart de klacht tegen [verweerder] ongegrond.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, voorzitter, mr. R.M.F. Oemar en mr. G. Ramai-Badal, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 27 november 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Wouter en mr. G. Ramai-Badal, leden, alsmede de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
mr. M.S. Wesenhagen

De voorzitter,
mr. A. Charan

De leden,
mr. R.M.F. Oemar
mr. G. Ramai-Badal

 

 

 

SRU-HvJ-2015-5

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
[APPELLANTE],
wonende in [district 1],
appellante,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

 

tegen

 

[GEINTIMEERDE],

wonende in Nederland,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

 

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 07 oktober 2008 (A.R.NO. 051378) tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde sub A,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • De verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellante op 04 oktober 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
  • De pleitnota de dato 04 november 2011;
  • De antwoordpleitnota de dato 03 februari 2012;
  • De repliekpleitnota de dato 02 maart 2012;
  • De dupliekpleitnota de dato 01 juni 2012;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 19 oktober 2012 doch nader op heden;

De beoordeling

  1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

Appellante heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat geïntimeerde zal worden veroordeeld om ten overstaan van notaris mr. D. Alexander of diens waarnemer juridisch te leveren het erf met daarop staande gebouwen groot 278,50 m² gelegen in het [distrikt 2] ten zuiden van de [weg], deel uitmakende van de vestigingsplaats [plaats] en bekend als serie [letter] no.[nummer 1]. Voorts heeft zij gevorderd dat zij zal worden gemachtigd om indien geïntimeerde in gebreke mocht blijven om op plaats en tijd door voornoemde notaris of diens waarnemer of opvolger vast te stellen, te verschijnen te diens kantore voor de juridische levering c.q. transport van het voorschreven recht van grondhuur, of verschenen zijnde weigeren mocht aan bedoelde levering c.q. bedoeld transport mede te werken, dit vonnis in de plaats te doen stellen van de ontbrekende partijverklaring van geïntimeerde. Tevens vordert zij dat zal worden bepaald dat de aldus opgemaakte transportakte rechtsgeldig in de daartoe bestemde openbare registers kan worden overgeschreven en daardoor het recht van grondhuur op genoemd onroerend goed op de appellante zal overgaan. Daarnevens vordert zij dat geïntimeerde zal worden veroordeeld tegen kwijting te betalen het bedrag van SRD. 25.550,- vermeerderd met de rente hierover ad 6% per jaar vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening, alsmede het bedrag van SRD. 350,= per maand van en met de maand april 2005 tot en met de maand waarin de juridische levering zal hebben plaatsgevonden. Tenslotte vordert zij veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding.

1.1. De kantonrechter heeft bij vonnis van 07 oktober 2008 appellante niet ontvankelijk verklaard in haar vordering en haar in de proceskosten veroordeeld.

2.1. Appellante heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsman op 04 oktober 2010 appèl aangetekend tegen het vonnis van 07 oktober 2008. Tevens blijkt uit de gedingstukken dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg ter terechtzitting aanwezig zijn geweest en dat de Griffier bij aangetekend schrijven gedateerd 29 september 2010 voormeld vonnis aan partijen heeft doen toekomen. Gelet op het voorgaande heeft appellante ingevolge het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

2.2. Appellante heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende – ook in hoger beroep – vast tussen partijen:

2.2.1. Op 26 februari 1972 zijn appellante en [naam 1] in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Op 15 februari 1983 is dit huwelijk middels inschrijving van het echtscheidingsvonnis in de daartoe bestemde registers ontbonden.

2.2.2. Tijdens het huwelijk had [naam 1] bij beschikking van 19 februari 1975 D no. [nummer 2] ter bebouwing en bewoning gekregen: “het erf groot 278,50 m² gelegen in het distrikt Suriname ten zuiden van de Oost-West verbinding, deel uitmakende van de vestigingsplaats Meerzorg en bekend als serie A no. 1a6”.

2.2.3. In een verzoekschrift getekend door appellante en [naam 1] d.d. 6 april 1983, welk verzoekschrift aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie was gericht, staat onder meer vermeld:

“Geeft met verschuldigde eerbied te kennen, [naam 1], wonende in het distrikt Suriname te Meerzorg Serie A no. 1a6.

Dat bij beschikking van 19 februari 1975 D no. 269, ter bebouwing en bewoning in huur is afgestaan, het erf groot 278,50 m², gelegen in het distrikt Suriname, ten Zuiden van de Oost-Westverbinding, deel uitmakende van de vestigingsplaats Meerzorg en bekend als serie A no. 1a6,

dat hij ter plaatse een huis heeft neergezet, en het erf heeft onderhouden, dat hij thans de opstallen en beplantingen op het bovengenoemde erf aan [naam 2], wonende in het distrikt Suriname te Meerzorg Serie A no. 1a6, die ten blijke van instemming dit verzoekschrift mede heeft ondertekend, wenst over te dragen.

Redenen waarom hij U verzoekt het daarheen te willen leiden dat het bovengenoemd erf op naam van [naam 2] wordt gesteld.”

2.2.4. [naam 1] is op 17 januari 1999 overleden. Zijn erfgenamen zijn, onder andere, geïntimeerde.

2.3. Naast voormelde vaststaande feiten heeft appellante – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing van belang – aan haar vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat geïntimeerde wanprestatie jegens haar pleegt aangezien zij danwel de overleden [naam 1] in strijd met hetgeen hij met appellante was overeengekomen eenzijdig het verzoekschrift van 6 april 1983 heeft ingetrokken en vervolgens heeft doen vervangen door het verzoek aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie om het erf als voormeld in grondhuur aan hem af te staan. Bedoelde erf is in grondhuur aan geïntimeerde afgestaan.

2.4. De geïntimeerde heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang- aangevoerd dat het huurrecht een persoonlijk karakter draagt en niet in een huwelijksgemeenschap kan vallen. Dat betekent in onderhavige zaak dan ook dat slechts wijlen [naam 1] zulks heeft verworven. De woning (beterschap) zou eventueel in de toen bestaande huwelijksgoederengemeenschap kunnen vallen, het perceelland echter niet. Voorts ontkent zij vanwege gebrek aan verificatoiren dat niet is voldaan aan de publicatieplicht en de plicht tot het vragen van advies aan de Districts-Commissaris. Voorts heeft geïntimeerde bij antwoord een exemplaar van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, bekend onder A.R. no. 99/3619 ten processe overgelegd en daaruit de navolgende overweging geciteerd en tot de hare gemaakt, te weten (begin citaat) “dat krachtens artikel 14 lid 1 van het decreet uitgifte domeingrond het recht van grondhuur een zakelijk recht is om het vrije genot te hebben van een stuk domeingrond onder gehoudenis om deze grond overeenkomstig de door de Staat daaraan bij de vestiging gegeven bestemming en bepalingen te benutten. Het recht wordt eenzijdig door de Staat verleend. Ingevolge dit artikel mag de burger niet beschikken over die domeingrond, behorende het erf immers de Staat toe. De gezamenlijke erfgenamen van [naam 1] beschikken niet over het voren omschreven erf en kan daarom ook niet veroordeeld worden tot levering daarvan” (einde citaat).

2.5. In hoger beroep concludeert appellante – kort gezegd – tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en opnieuw rechtdoende tot alsnog toewijzing van haar gerectificeerde vordering.

2.6. Daartoe heeft appellante tegen voormeld vonnis het navolgende aangevoerd. De kantonrechter is bij de beoordeling van appellante’s vordering ten onrechte er aan voorbij gegaan dat blijkens het fundamentum petendi appellante evident de juridische levering van het recht van grondhuur op het litigieuze perceelland wenst te vorderen. Indien de kantonrechter een comparitie van partijen had gehouden voor het verschaffen van inlichtingen dan was daarmede het processueel belang van beide partijen gediend. Door de beslissing van de kantonrechter zijn beide procespartijen onnodig verrast zonder dat hierdoor een oplossing is gekomen in het tussen partijen bestaand geschil. Voorts heeft appellante alsnog verzocht om het oorspronkelijk petitum te rectificeren in dier voege dat onder sub A van het petitum in de vierde regel tussen de woorden “leveren”… en “ het erf” worde toegevoegd de navolgende zinsnede: “het recht van grondhuur op..”.

2.7. Geïntimeerde heeft zich in hoger beroep – kort gezegd – verzet tegen toewijzing van de verzochte rectificatie van het petitum en geconcludeerd tot bevestiging van het beroepen vonnis.

2.8. Het hof zal allereerst ingaan op de verzochte rectificatie. Uit de gedingstukken in eerste aanleg blijkt dat appellante dat reeds bij repliek had verzocht (in het 2e sustenu). Geïntimeerde had zich daar niet tegen verzet maar de kantonrechter is daar in het vonnis niet op ingegaan. Thans verzoekt appellante dat andermaal en nu in hoger beroep terwijl geïntimeerde zich daar wel tegen verzet met een beroep op het bepaalde in de artikelen 271 e.v. WvBRv. Naar het oordeel van het hof is het verweer van geïntimeerde daartegen ongegrond. Immers blijkt niet dat het betreft een nieuwe eis casu quo een vermeerdering van eis. Evenmin blijkt dat door toewijzing daarvan het geding onredelijk wordt vertraagd casu quo geïntimeerde in haar belangen wordt geschaad. Derhalve zal het hof aan appellante ter zake van de gevorderde rectificatie – hetwelk eerder een aanvulling behelst -akte verlenen, onder voorbijgaan aan het daartegen gevoerd verweer zijdens geïntimeerde.

2.9. Thans zal het hof overgaan tot bespreking van de aangevoerde grief zijdens appellante. Naar het oordeel van het hof haalt de door appellante aangevoerde grief het niet in rechte en dient te worden verworpen. Gelet op het aangevoerde feitenmateriaal, te weten het feit dat het recht van grondhuur op het litigieuze perceelland is verleend aan de heer [naam 1], die inmiddels – op 17 januari 1999 – is overleden, terwijl geïntimeerde de enige erfgenaam is die weigert om aan de overdracht van het recht van grondhuur mede te werken, komt het hof tot de slotsom dat het recht van grondhuur niet door de erfgenamen van dhr. [naam 1] voornoemd kan worden overgedragen. Dienaangaande heeft de kantonrechter terecht overwogen dat de erfgenamen van de gewezen grondhuurder beschikkingsonbevoegd zijn om domeingrond over te dragen. Immers zijn de erfgenamen afhankelijk van de toestemming van de Staat om de overdracht te realiseren en kunnen zij niet eigenmachtig daartoe overgaan. In het verlengde hiervan kunnen zij daartoe evenmin worden veroordeeld. Immers dienen de erfgenamen indachtig het bepaalde in artikel 16 van het Decreet Uitgifte Domeingrond, binnen achttien (18) maanden na het overlijden van de gewezen grondhuurder èèn van hen aan te wijzen op wiens naam het recht van grondhuur zal overgaan, bij gebreke waarvan het recht van grondhuur van rechtswege vervalt en – behoudens overmacht – terug keert in de boezem van de Staat. Nu gesteld noch gebleken is dat de erfgenamen van [naam 1] binnen achttien (18) maanden na zijn overlijden één van hen hebben aangewezen op wie het recht van grondhuur zal overgaan casu quo er sprake zou zijn geweest van overmacht aan hun zijde, zal het hof het er in dit geding voor houden dat het litigieus perceelland is terug gekeerd in de boezem van de Staat en dat de erfgenamen van [naam 1] niet gerechtigd zijn om het recht van grondhuur daarop over te dragen. Het onderdeel van het gevorderde dat de geldvordering betreft komt als sequeel van de gevorderde overdracht van het litigieus recht van grondhuur evenmin voor bespreking in aanmerking.

2.10.Ten aanzien van het vermeend nalaten van de kantonrechter om een comparitie van partijen te gelasten teneinde inlichtingen in te winnen oordeelt het hof dat dat tot de beleidsvrijheid van de kantonrechter behoort die dat naar eigen inzichten en believen invult. Voor zover appellante stelt dat de kantonrechter een zgn, “verrassingsbeslissing” heeft gegeven oordeelt het hof dat geïntimeerde het daartoe strekkend verweer in eerste aanleg bij antwoord – onder aanhaling van het vonnis bekend in het A.R. onder no. 99/3619 – heeft aangevoerd en dat de kantonrechter daarop is ingegaan in het vonnis. Van een “verrassingsbeslissing” is er derhalve geen sprake geweest;

2.11.Gelet op al het voorgaande zal het hof voorbij gaan aan al hetgeen appellante dienaangaande heeft aangevoerd. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat het beroepen vonnis dient te worden bevestigd. De proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen zullen voor rekening van appellante dienen te komen en zullen worden begroot als in het dictum te melden;

 

  1. De beslissing in hoger beroep

Het hof:

3.1. Verleent appellante akte van rectificatie casu quo aanvulling van het petitum van het inleidend rekest als verzocht;

3.2. Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 07 oktober 2008, bekend in het Algemeen Register onder no. 051378, waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden.

3.3. Veroordeelt appellante in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. M.C. Mettendaf, Leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 20 maart 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. C.A. Meijnaar namens de gemachtigden van partijen, advocaat mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van appellante en advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van geïntimeerde.

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-ATC-2021-2

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
No. 20/06

Beslissing van het Advocatentuchtcollege

Naar aanleiding van de klacht van:

[Klager],
klager,
procederend in persoon,

tegen

[Verweerder],
verweerder,
de advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Dit blijkt uit het volgende:

  • bij schrijven van 12 september 2019 heeft klager bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna de Deken) een klacht ingediend tegen verweerder;
  • de Deken heeft de klacht met bijbehorende producties op 28 mei 2020 ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het tuchtcollege);
  • de klacht is behandeld op 09 oktober 2020 ter zitting van het tuchtcollege, waarvan proces-verbaal is opgemaakt;
  • klager heeft hierna op 11 oktober 2020 per email producties toegezonden aan het tuchtcollege;
  • de conclusie tot uitlating met producties zijdens verweerder d.d. 12 oktober 2020;
  • de conclusie tot uitlating met producties zijdens klager;
  • verweerder heeft tenslotte gepersisteerd.

1.2 De beslissing is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Op 29 juni 2018 heeft klager verweerder benaderd voor rechtsbijstand in een geldvorderingszaak tegen de persoon van [naam]. Klager heeft ter voorbereiding van de zaak diverse relevante documenten overhandigd aan verweerder. Tot deze documenten behoorde ook een onderhandse schriftelijke vrijwaring, volgens klager ondertekend door [naam] voornoemd.

2.2 Verweerder vond die schriftelijke vrijwaring een redelijke basis om bij de rechter een verzoek tot beslaglegging ten behoeve van klager te doen. Aangezien klager zich niet kon terugvinden in het door verweerder gevraagde honorarium heeft hij aan verweerder het verzoek gedaan om een pas op de plaats te maken.

2.3 Klager heeft hierna een andere advocaat benaderd om het proces op te starten. Het proces staat bekend onder A.R. no. [nummer]. Hiervan heeft klager geen mededeling gedaan aan verweerder.
In het proces bekend onder A.R. no. [nummer] heeft verweerder zich gesteld als gemachtigde van [naam].

3. De klacht
De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld een en ander als bedoeld in artikel 37 van de Advocatenwet. Volgens klager heeft verweerder de door klager aan hem verstrekte informatie en documenten in het hiervoor vermelde proces gebruikt tegen klager zelf ten behoeve van de tegenpartij.

4. De beoordeling
4.1 Verweerder voert aan dat hij slechts een intake gesprek heeft gehad met klager over de zaak en dat klager voor het laatst aan hem heeft voorgehouden dat hij een andere manier had gevonden om de zaak op te lossen. Hij heeft hierna niets meer vernomen van klager. Verweerder werd door een vrouw – achteraf gebleken namens [naam]- benaderd voor het verlenen van rechtsbijstand. Pas toen hij de documenten van deze mevrouw bekeek constateerde hij dat klager de tegenpartij was en dat de zaak betrekking had op de door klager en hem, verweerder, eerder besproken case. Uit de toen aan hem overhandigde documenten merkte hij op dat klager inmiddels beslag had doen leggen door tussenkomst van een andere advocaat, maar dat klager hem daarover niet had geïnformeerd. Gebleken was dat het beslag gelegd was op een perceel van [naam]. Verweerder verklaart verder de mevrouw te hebben voorgehouden dat klager eerder bij hem is geweest voor rechtsbijstand in dezelfde case, maar dat hij verder geen opdracht van klager had gehad. Aangezien er geen bezwaren waren aan de zijde van [naam] heeft verweerder op diens verzoek een kort geding aangespannen tegen klager tot opheffing van het beslag. Volgens verweerder heeft hij geen documenten en/of informatie van klager gebruikt in het proces welke hij gevoerd heeft ten behoeve van [naam]. Verweerder meent ook dat er geen sprake is van belangenverstrengeling.

4.2 De vraag die in het onderhavige geval dient te worden beantwoord, is of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld nu hij als advocaat is opgetreden voor de tegenpartij nadat hij eerder door klager was benaderd in dezelfde zaak. Vast staat tussen partijen dat verweerder voor dezelfde zaak was benaderd door klager terwijl verweerder ook uitgebreid was geïnformeerd over de zaak door klager. Hierdoor beschikte verweerder ook over vertrouwelijke informatie over de zaak. Onder deze omstandigheden had van verweerder verwacht mogen worden dat hij – alvorens te besluiten op te treden als advocaat voor de tegenpartij – niet alleen [naam] had geïnformeerd over zijn “relatie” met klager maar vooral klager had moeten informeren over zijn voornemen om als advocaat op te treden voor de tegenpartij [naam]. Immers, de cliënt mag erop vertrouwen dat wat hij de advocaat toevertrouwt, onderdeel is van de vertrouwelijkheid en dat dit niet tegen hem wordt gebruikt. Aangezien het dezelfde zaak betrof was het niet onvermijdelijk dat datgene wat klager in alle vertrouwen had medegedeeld aan verweerder ook tegen hem zou worden gebruikt. Ingevolge het onder hoofdregel I onder b van de Ere-regelen voor de advocaten in Suriname (hierna de Ere-regelen) bepaalde, dient de advocaat in de uitoefening van het beroep de hem toevertrouwde belangen te verdedigen voor zover en zoals eer en geweten en de eisen ener goede rechtsbedeling hem dat veroorloven of voorschrijven, en steeds de goede trouw in acht te nemen. Door op te treden als advocaat voor de tegenpartij van klager in dezelfde zaak, nadat hij uitgebreid daarover was geïnformeerd door klager en laatstgenoemde niet hierover te hebben ingelicht heeft verweerder in strijd gehandeld met de hiervoor vermelde regel van de Ere-regelen, hetgeen tuchtrechtelijk verwijtbaar is en in strijd met de zorgplicht als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet.

4.3 Het beroep van verweerder dat hij slechts een intake gesprek heeft gehad met klager gaat niet op. Verweerder heeft immers herhaaldelijk, zowel telefonisch als over de mail, informatie over de zaak ontvangen van klager waarbij hij klager tevens heeft geadviseerd over de mogelijkheid tot het leggen van beslag ten laste van de tegenpartij.Naar het oordeel van het tuchtcollege kan in deze fase niet meer worden gesproken van “slechts” een intake gesprek, ongeacht de omstandigheid dat verweerder en klager nog bezig waren te onderhandelen over de prijs.

4.4 Op grond van het hiervoor overwogene, in onderlinge samenhang beschouwd, acht het tuchtcollege de klacht tegen verweerder gegrond. Het tuchtcollege acht het passend en geboden om aan verweerder op te leggen de maatregel van een enkele waarschuwing. Hierbij neemt het tuchtcollege ook mee de omstandigheid dat klager heeft nagelaten om verweerder te informeren dat hij geen prijs meer stelde op de diensten van verweerder en dat hij een andere advocaat had benaderd om hem bij te staan, hetgeen wel van klager mocht worden verwacht.

4.5 Het tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5. De beslissing
Het tuchtcollege:

Verklaart de klacht tegen verweerder gegrond.

Legt aan verweerder op de maatregel van een enkele waarschuwing.

 

Aldus gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, plv. voorzitter, mr. S. Sheombar en J.R. Wouter, leden, en door de plv. voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 08 januari 2021 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

 

 

De secretaris, De plv. voorzitter,

 

w.g. w.g.

Mr. M.S. Wesenhagen mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran

 

De leden,

w.g.
mr. S. Sheombar

 

w.g
mr. J.R. Wouter

 

 

 

 

SRU-HvJ-2015-4

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende in [adres 1],
appellant, hierna aangeduid als [appellant],
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [adres 2],
geïntimeerde, hierna aangeduid als [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. L. Punwasi-Raghoebier, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 9 februari 2010 (A.R. no. 070015) tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] bij schrijven van zijn procesgemachtigde op 10 maart 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 6 juli 2012;
  • de antwoordpleitnota d.d. 15 maart 2013;
  • de repliekpleitnota d.d. 5 april 2013;
  • de dupliekpleitnota d.d. 17 januari 2014, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [appellant] d.d. 21 februari 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De ontvankelijkheid
2 [appellant] is niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak. Het vonnis is bij griffiersbrief van 19 februari 2010 aan partijen toegezonden.
[appellant] heeft bij schrijven van zijn procesgemachtigde op 10 maart 2010 appèl aangetekend.
Gelet op het voorgaande heeft [appellant] tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn is geschied, zodat hij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De feiten
3.1 [geïntimeerde] en de zoon van [appellant] hebben een duurzame relatie gehad, die inmiddels is gestrand.

3.2 [geïntimeerde] heeft op 10 augustus 2006 een stuk ondertekend dat als kop draagt “verkoopvolmacht”.
In dit stuk staat – voor zover van belang – het volgende:
“[geintimeerde], (…)
verklaren hierbij LAST EN VOLMACHT te geven aan [appellant], (…)
tot de verkoop en levering van:
1. het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot eenduizend tweehonderd vijf en negentig, zeven en zestig/honderdste vierkante meters, gelegen in het distrikt Wanica, aangeduid op de kaart van de landmeter H. Soedhwa de dato zes en twintig maart negentienhonderd acht en negentig met de letters ILKJ en met het nummer 4,
2. het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot eenduizend tweehonderd vijf en negentig, zeven en zestig/honderdste vierkante meters, gelegen in het distrikt Wanica, aangeduid op de kaart van de landmeter H. Soedhwa de dato zes en twintig maart negentienhonderd acht en negentig met de letters LMNK en met het nummer 5,
3. het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot eenduizend tweehonderd vijf en negentig, zeven en zestig/honderdste vierkante meters, gelegen in het distrikt Wanica, aangeduid op de kaart van de landmeter H. Soedhwa de dato zes en twintig maart negentienhonderd acht en negentig met de letters MPON en met het nummer 6,
(…)
Aan zichzelve of aan derden, voor een zodanige koopsom als de lasthebber zal goed vinden, de koopsom te ontvangen en daarvoor te kwijten, alle nodige akten en stukken te passeren en te tekenen, het verkochte te leveren in eigendom en verder alles te doen wat tot voormeld einde nodig zal zijn, zonder enige nadere lastgeving te behoeven, alles met de macht van substitutie.”

3.3 Op het onder 3.2 vermeld stuk, hierna aangeduid als “de verkoopvolmacht”, is namens de burgemeester van gemeente ’s-Gravenhage aangetekend dat het betreffend stuk is gezien voor legalisatie van de handtekening van [geïntimeerde].

3.4 [appellant] heeft, met gebruikmaking van de verkoopvolmacht, bij akte van koop en verkoop d.d. 29 september 2006 verleden voor notaris mr. drs. P. Bishoen, de onder 3.2 genoemde percelen, hierna aangeduid als “de percelen”, aan zichzelf verkocht. In deze akte – hierna aangeduid als “de verkoopakte” – is vermeld dat de koopsom
SRD 11.661,= bedroeg, welke som geld de verkoper verklaarde ten volle van de koper te hebben ontvangen en waarvoor kwijting is verleend.

3.5 Bij verklaring van 10 november 2006 ten overstaan van een in Nederland residerende notaris is door [geïntimeerde] de verkoopvolmacht ingetrokken. Bij schrijven d.d. 14 november 2006 van notaris G.M.R.S. Ramautar is [appellant] bericht dat de hem verleende onderhandse volmacht d.d. 10 augustus 2006 door [geintimeerde] is ingetrokken en buiten werking is gesteld.

3.6 [geïntimeerde] heeft, na daartoe verkregen toestemming, bij exploot van deurwaarder
Tj. Jhagroe d.d. 15 januari 2007, no. 40, conservatoir beslag doen leggen op de percelen.

De procedure in eerste aanleg
4.1 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, zoals de kantonrechter en het Hof begrijpen, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair: de verkoopakte te vernietigen, althans nietig te verklaren;
Subsidiair: [appellant] te veroordelen om aan [geïntimeerde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een schadevergoeding ten bedrage van € 58.305,15 met kosten begroot op € 60.000,=, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf
26 januari 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.
[geïntimeerde] heeft tevens gevorderd de vanwaardeverklaring van de gelegde conservatoire beslagen.

4.2 De kantonrechter heeft in het vonnis van 9 februari 2010:
a. de verkoopakte vernietigd;
b. het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
c. het gelegd conservatoir beslag van waarde verklaard;
d. [appellant] veroordeeld in de proceskosten;
e. het meer of anders gevorderde afgewezen.
De kantonrechter heeft daartoe onder meer overwogen dat [appellant] de door [geïntimeerde] gestelde wijze van totstandkoming van de verkoopvolmacht niet heeft betwist en heeft geconcludeerd dat [appellant] misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat [geïntimeerde] in hem heeft gesteld. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [geïntimeerde] gedwaald, zodat de verkoopakte die met gebruikmaking van de verkoopvolmacht tot stand is gekomen, vernietigbaar is.

De vordering, de grieven en het verweer
5.1 [appellant] concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot ontzegging althans niet-ontvankelijk verklaring van de vordering van [geïntimeerde].

5.2 [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn vordering het volgende aangevoerd:
– [geïntimeerde] heeft de volmacht gaaf en onvoorwaardelijk erkend en moest, als zij
het niet eens was met de handelingen van appellant, overeenkomstig de wet rekening
en verantwoording vragen en daarna evenwel zijn handelingen bestrijden;
– de beslissing van de kantonrechter dat hij, [appellant] misbruik heeft gemaakt van het
door [geïntimeerde] in hem gesteld vertrouwen is simplistisch en onbegrijpelijk, daar [geïntimeerde] niet geestelijk gestoord is en door het ondertekenen van de volmacht zowel haar handtekening als hetgeen boven de handtekening staat heeft erkend.
[geïntimeerde] heeft dwaling niet als grondslag voor haar vordering gesteld. De kantonrechter heeft de grondslag van het verzoekschrift geheel verlaten door met het instituut van dwaling te werken. De kantonrechter heeft ondeugdelijk de verkoopakte vernietigd en in strijd met de wet het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
– de kantonrechter heeft ten onrechte de gelegde conservatoire beslagen van waarde
verklaard, daar zulks slechts ter sprake komt bij een geldvordering of levering van een roerend of onroerend goed en niet bij de vernietiging.

5.3 [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling
6.1 Het Hof stelt voorop dat de kantonrechter bevoegd is op basis van de door eiser in een rechtsgeding gestelde feiten, de grondslag van de vordering aan te vullen.
In casu heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg gesteld dat:
– [appellant] haar gevraagd heeft een overeenkomst op te stellen waaruit blijkt tot
welke beheersdaden ten aanzien van de percelen hij bevoegd is;
– zij een dergelijk stuk heeft laten opmaken en heeft gezonden aan [appellant];
– [appellant] van oordeel was dat het stuk niet voldeed, waarna hij voorstelde de
overeenkomst op te maken omdat hij dat beter kon formuleren; als vastgoed-
handelaar had hij dergelijke stukken vaak voor anderen opgemaakt;
– [appellant] vervolgens een ander stuk heeft opgemaakt en via Surpost heeft
gefaxt aan [geïntimeerde], met de instructie het bij de gemeente te ondertekenen;
– zij [appellant] gevraagd heeft waarom het stuk zo geformuleerd is, waarop
[appellant] antwoordde dat het een gangbare (reguliere) formulering was voor
iedereen die gemachtigd werd om werkzaamheden uit te voeren zoals hij dat zou
moeten doen op bedoelde percelen en dat ze in hem alle vertrouwen moest stellen;
– zij vervolgens het stuk heeft ondertekend bij de gemeente.
De hierboven weergegeven stellingen van [geïntimeerde] adstrueren naar het oordeel van het Hof de door de kantonrechter aan de vordering ten grondslag gelegde dwaling zijdens [geïntimeerde]. Aan het ter zake gevoerd verweer van [appellant] zal dan ook worden voorbij- gegaan.

6.2 Het Hof heeft de conclusies zijdens [appellant], zowel in eerste aanleg als in hoger beroep overgelegd, minutieus nagespeurd, doch heeft geen bewisting aangetroffen van de onder 6.1 weergegeven stellingen van [geïntimeerde]. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat de kantonrechter terecht heeft geconcludeerd dat [geïntimeerde] heeft gedwaald, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat haar wil niet overeenstemde met de verklaring vervat in de verkoopvolmacht. Nu [geïntimeerde] het standpunt heeft ingenomen dat zij bij het ondertekenen van de verkoopvolmacht heeft gedwaald, kan uit het ondertekenen van deze volmacht niet worden afgeleid dat zij hetgeen boven haar handtekening staat vermeld, middels de ondertekening heeft erkend.
De verkoopvolmacht is vernietigbaar, nu tussen partijen vaststaat dat die als gevolg van een dwaling aan de zijde van [geïntimeerde] tot stand is gekomen, gelijk door de kantonrechter in eerste aanleg terecht is geconcludeerd.
De door [appellant] gevorderde vernietiging van het besluit van de kantonrechter om de verkoopakte te vernietigen zal dan ook worden afgewezen.

6.3 Het Hof is het evenwel ten aanzien van het bij voorraad uitvoerbaar verklaren van de vernietiging van de verkoopakte met [appellant] eens dat, nu geen van de in de artikelen 55 en 56 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering genoemde mogelijkheden zich in de onderhavige casus voordoet, daartoe ten onrechte is besloten. Dit deel van het vonnis zal dan ook worden vernietigd.

6.4 Ten aanzien van de vanwaardeverklaring van de gelegde beslagen merkt het Hof op dat conservatoire beslagen dienen ter bewaring van een (vermeend) recht van de eiser in een rechtsgeding. Het Hof vermag niet in te zien dat, gelijk in casu het geval is, bewaring van het (vermeend) eigendomsrecht niet middels conservatoire beslagen en de vanwaardeverklaring daarvan zou kunnen plaatsvinden. Vermeld zij dat [appellant] niet heeft gemotiveerd waarom dit niet zou kunnen, zodat aan het door hem aangevoerde zal worden voorbijgegaan.

6.5 [appellant], als de merendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

7.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato
9 februari 2010, A.R. no. 070015 met uitzondering van hetgeen daarin onder 5.2 is beslist.

7.2 Veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid, en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger, en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 februari 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat
mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellant, en geïntimeerde vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advocaat mr. L. Punwasi-Raghoebier, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2020-55

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-0574
06 augustus 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiser sub A],
B. [eiser sub B], echtelieden,
beiden wonende aan de [adres] te [stad],
eisers, hierna gezamenlijk te noemen de echtelieden,
gemachtigde:mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat,

tegen

BOEDEL- EN ONROEREND GOED CONSULTANTS N.V. (afgekort BOCON N.V.),|
gevestigd en kantoorhoudende aan de Indirah Ghandiweg no. 703 in het district Wanica,
gedaagde, hierna te noemen de NV,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat.

  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op15 februari 2019 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 21 februari 2019;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Blijkens de exploten van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, C.N. Sitaram, d.d. 22 januari 2019, no’s 25,26,27 en 28, heeft de NV ten behoeve van zichzelf en ten laste van de echtelieden conservatoir derdenbeslag doen leggen op de gelden van de echtelieden onder respectievelijk de Surinaamsche Bank N.V., de Hakrinbank N.V., de Republic Bank Suriname N.V. en de Surichange Bank N.V.Het gelegde beslag dient ter verzekering tot betaling van een vermeende schadebedrag ad € 90.000,- door de echtelieden aan de N.V.

De NV heeft de echtelieden van deze beslagleggingen mededeling gedaan bij exploot van de deurwaarder C.N. Sitaram d.d. 24 januari 2019 no. 31.

2.2 Voor het doen leggen van het hiervoor bedoelde beslag heeft de NV toestemming van de kantonrechter verkregen bij beschikking
d.d. 14 januari 2019, na een door haar daartoe ingediend verzoekschrift. De NV heeft aan haar verzoek tot het verkrijgen van toestemming het hierna volgende ten grondslag gelegd:

  • de echtelieden hadden op 21 augustus 2007 conservatoir beslag doen leggen op aan de NV in eigendom toebehorende onroerend goederen, en wel tot verhaal van een vordering ad Euro 79.882,- die de echtelieden op de NV meenden te hebben;
  • de echtelieden wisten dat de kernactiviteit van de NV is het verkavelen van de onroerende goederen en doorverkopen van de kavels in huurkoop en/of contant aan derden;
  • doordat de NV vanwege de beslaglegging genoodzaakt werd jegens haar kopers wanprestatie te plegen en zij als gevolg hiervan schade leed, had zij om haar schade te beperken het verzoek aan de kantonrechter gedaan om het door de echtelieden gelegde beslag op te heffen;
  • de kantonrechter had bij vonnis in kort geding d.d. 14 februari 2008 de gelegde beslagen op grond van vormfouten opgeheven; de echtelieden die dit hadden zien aankomen hebben hangende dat geding op 29 januari 2008 opnieuw conservatoir beslag doen leggen op de onroerende goederen;
  • doordat de kopers bleven aandringen op de levering van hun kavels, heeft de NV eerst via de notaris aan de echtelieden garantie aangeboden tegen opheffing van dit beslag, welke garantie door de echtelieden is afgewezen;
  • nadien heeft de NV op 16 juni 2008 aan de echtelieden een bankgarantie ad Euro 80.000,- doen toekomen, opdat de beslagen konden worden opgeheven;
  • bij vonnis van de kantonrechter d.d. 08 juni 2010 (A.R. No. 07-5344) is de vordering tot van waardeverklaring van het gelegde beslag ten aanzien van één van de echtelieden afgewezen en is de ander niet ontvankelijk verklaard in de vordering. Vervolgens hebben de echtlieden hoger beroep tegen dit vonnis aangetekend;
  • in het jaar 2013 heeft de NV aan de echtelieden het verzoek gedaan de bankgarantie terug te geven in afwachting op de beslissing in hoger beroep;
  • de echtelieden hebben geweigerd de bankgarantie af te geven. In hoger beroep is de vordering van de echtelieden tegen de NV afgewezen;
  • als gevolg van dit beslag heeft de NV schade geleden ad Euro 82.200,- en
    SRD 861,-, omdat zij tot aan de teruggave van de garantie aan de bank over het bedrag 0,05% aan provisie per kwartaal oftewel per jaar Euro 1600,- dient te betalen en zij over de als contra-garantie geblokkeerde bedrag een renteverlies leed van minimaal 6% per jaar;
  • de echtelieden zijn aansprakelijk voor de door de NV geleden schade, omdat zij de afgifte van de bankgarantie van de NV hebben afgedwongen door misbruik te maken van knellende en onweerstaanare omstandigheden waaronder de NV was komen te verkeren.
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 De echtelieden vorderen dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnisuitvoerbaar bij voorraad,:

  • de opheffing gelast van de gelegde conservatoir derdenbeslagen bij de deurwaardersexploten d.d. 22 januari 2019 met de nummers 25, 26, 27 en 28, alle afkomstig van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, C.N. Sitaram, ten verzoeke van de NV onder de Surinaamsche Bank N.V. en de Handels-, Krediet- en Industrie Bank N.V. (Hakrinbank N.V.), Republic Bank (Suriname) N.V. en Surichange bank N.V op alle gelden en/of geldswaarden die zij aan de echtelieden verschuldigd zijn of mochten worden.

Mede is gevorderd veroordeling van de NV in de proceskosten.

3.2 De echtelieden leggen aan hun vordering ten grondslag dat de gelegde conservatoirderdenbeslagenonrechtmatig zijn geschied en vexatoir zijn. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • zij hebben het beslag gelegd niet met het oogmerk om de NV te schaden, maar slechts omdat zij meenden dat zij een vordering op de NV hadden. Zij zijn daarom geen schade aan de NV verschuldigd;
  • zij zijn de kosten die de NV heeft gemaakt voor de bankgarantie niet verschuldigd, omdat zij destijds geen misbruik van recht hebben gemaakt.

De echtelieden stellen als spoedeisend belang dat zij gepensioneerden zijn en zij vanwege het beslag niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

  1. De beoordeling

4.1 De NV weerspreekt dat de echtelieden een spoedeisend belang hebben, omdat zij geen beslag heeft doen leggen op het pensioen van eisers. Eisers kunnen dus vrijelijk over hun pensioen beschikken, waardoor de voorziening in hun levensonderhoud niet in het gedrang is. Voorts voert de NV aan dat zij inmiddels op 4 februari 2019 het ten laste van eisers onder de Hakrinbank NV en de Republic Bank (Suriname) NV gelegd beslag heeft opgeheven.

In reactie op dit verweer blijven de echtelieden volharden in hun stelling dat zij een spoedeisend belang hebben, omdat zij al geruime tijd de zeventig jaar gepasseerd zijn en vanwege het beslag niet kunnen beschikken over hun spaartegoeden om op een adequate wijze in hun levensonderhoud te voorzien en hun betalingsverplichtingen jegens derden te voldoen. Zij stellen verder dat zij er geen kennis van dragen dat de NV de gelegde beslagen onder de Hakrinbank NV en Republic Bank (Suriname) NV reeds had opgeheven en dat de NV de beslagen kennelijk heeft opgeheven, omdat zij er hoogstwaarschijnlijk kennis van draagt dat de echtelieden niet bankieren bij deze bankinstellingen.

Bij conclusie van dupliek blijft de NV volharden in het verweer dat de echtelieden geen spoedeisend belang hebben en voert daartoe verder aan dat het haar bekend is dat de man als gepensioneerde staf-medewerker van de Shell een ruim en waardevast pensioen heeft en zij daarop geen beslag heeft gelegd. Voorts voert zij aan dat de echtelieden geen inzicht in hun financiele situatie noch inlichtingen over de omvang van hun pensioen hebben verstrekt, waaruit blijkt dat zij hun spaartegoeden nodig hebben.

De kantonrechter gaat voorbij aan hetgeen de NV bij conclusie van dupliek heeft aangevoerd, omdat de echtelieden hierop niet hebben kunnen reageren. Al hetgeen de echtelieden bij conclusie van repliek verder hebben aangevoerd, maken het voor de kantonrechter voldoende aannemelijk dat zij nog een spoedeisend belang hebben bij de onderhavige vordering. Om die reden worden zij nog ontvangen in het kort geding.

4.2 Allereerst ligt ter beantwoording de vraag of de echtelieden aansprakelijk zijn voor de schade die de NV meent te hebben geleden als gevolg van de door de echtelieden gelegde conservatoir beslagen, die achteraf onterecht bleken te zijn geschied.
Ter beantwoording van de hiervoor gestelde vraag dient voor de kantonrechter als richtsnoer het arrest van de Hoge Raad 15 april 1965, NJ 1965, no. 331.

De echtelieden beroepen zich erop dat zij, gelet op de overweging onder 4.2 van het tussen partijen gewezen vonnis van kantonrechter d.d. 16 oktober 2014 in de zaak bekend onder A.R. No. 13-2703, de kosten die de NV voor de bankgarantie heeft gemaakt niet verschuldigd zijn, omdat zij dit niet met elkaar zijn overeengekomen. Volgens hun betoog is de door de NV aan hen verstrekte bankgarantie tot opheffing van het destijds gelegd conservatoir beslag gebaseerd op een overeenkomst en diende de NV in het kader van het verbintenissenrecht met de echtelieden te zijn overeengekomen dat zij, indien hun vordering werd afgewezen, de gemaakte kosten van die bankgarantie zouden moeten betalen. In dat licht beroepen zij zich op overweging 4.2 in het hiervoor vermelde vonnis, welke onder meer als volgt luidt: “naar het oordeel van de kantonrechter strekt een bankgarantie weliswaar net als een conservatoir beslag tot zekerheid, maar is overigens geheel van een andere aard dan een conservatoir beslag. Een bankgarantie berust immers op een overeenkomst. Nu partijen tegen opheffing van het beslag door gedaagden een regeling hebben getroffen die erop neerkomt dat eisers een bankgarantie doet stellen ten behoeve van gedaagden, is de Kantonrechter van oordeel dat alleen een uitspraak, waarbij afwijzend wordt beslist op de vordering van gedaagde en die in kracht van gewijsde is gegaan, de bankgarantie kan doen vervallen. Dit betekent dat eisers slechts binnen de mogelijkheden die het overeenkomstenrecht biedt, kan ontkomen aan de gevolgen van de door haar getroffen regeling.”

Naar het oordeel van de kantonrechter gaat het beroep van de echtelieden op bovenstaande stelling niet op, en wel op grond van de hierna volgende overwegingen.

Uitgangspunt in het eerder vermeld arrest is dat een beslagene er verzekerd van moet kunnen zijn dat de beslaglegger, in geval diens vordering waarvoor beslag is gelegd wordt afgewezen, hem de door het beslag veroorzaakte schade vergoedt, omdat alleen dan gerechtvaardigd kan worden geacht dat ter verzekering van een vordering waarvan het bestaan in rechte nog niet is vastgesteld, conservatoir beslag wordt gelegd en daardoor aan anderen het vrije beschikkingsrecht over hun eigendommen wordt ontnomen. Een beslaglegger handelt daarbij voor eigen risico, in die zin dat hij, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag veroorzaakte schade dient te vergoeden, ook indien niet gezegd kan worden dat hij bij het leggen van het beslag lichtvaardig heeft gehandeld. Tot die schade kunnen behoren de kosten van een ter opheffing van het beslag afgegeven bankgarantie.

Vaststaat dat de vordering die de echtelieden op de NV meenden te hebben op basis waarvan zij beslag op de onroerende goederen van de NV hadden gelegd zowel in eerste aanleg als in hoger beroep zijn afgewezen, zodat de echtelieden naar analogie van het hiervoor vermeld arrest aansprakelijk zijn voor de schade die de NV meent te hebben geleden als gevolg van die beslaglegging. Het is dus geen vereiste dat de beslagene met de beslaglegger zou moeten zijn overeengekomen dat de beslagene de gemaakte kosten van de bankgarantie zou moeten vergoeden indien de vordering van de beslagene zou zijn afgewezen.

4.3 Thans ligt ter beoordeling de beantwoording van de vraag of er gronden zijn tot opheffing van de gelegde derdenbeslagen die nog rusten onder De Surinaamsche Bank NV en de Surichange Bank NV. In dat licht stelt de kantonrechter het volgende voorop. Volgens artikel 596 lid 1 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt, of indien behoorlijke zekerheid is gesteld voor of betaling heeft plaatsgehad van de som voor welke het beslag gelegd is. Dit brengt blijkens HR 14 juni 1996, NJ 1997/481 mee, dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen in de kortgedingprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is. Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.

4.4 Niet in geschil is, dat de NV ter opheffing van de gelegde beslagen en ter bespreking van haar schade vanwege de beslaglegging een bankgarantie heeft gegeven. In dat licht rijst de vraag of de NV kosten heeft gemaakt bij het afgeven van de bankgarantie. Het is een feit van algemene bekendheid dat er kosten zijn verbonden bij het verstrekken van een bankgarantie. De echtelieden hebben het tegendeel hiervan niet aannemelijk kunnen maken, waaruit volgt dat zij de ondeugdelijkheid van de door de NV gepretendeerde vordering niet aannemelijk hebben gemaakt. Op grond hiervan gaat het beroep van de echtelieden op misbruik van beslagrecht door de NV niet op.

4.5 De echtelieden hebben geen zekerheid aangeboden tot opheffing van de overige beslagen, zodat het belang van de NV bij handhaving van het beslag zwaarder dient te wegen dan het belang van de echtelieden bij opheffing van de twee nog rustende derdenbeslagen onder de Surinaamsche Bank NV en de Surichange Bank NV. Hieruit volgt dat de gevorderde voorziening zal worden geweigerd.

4.6 De overige stellingen en weren van partijen die niet relevant worden geacht voor een beslissing in de onderhavige zaak,zullen buiten beschouwing worden gelaten. Dit, omdat die tot geen ander uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.7 De echtelieden zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt de echtelieden in de proceskosten die aan de zijde van de NV zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 06 augustus 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-54

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-0170
08 oktober 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser 1],
[eiser 2],
beiden wonende in [land], domicilie kiezende aan de Julianastraat no. 63 te Paramaribo bij N.V. 4 Justice Advocaten,
eisers,
gemachtigde: mr. E. Van der Hilst, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan de [adres] [plaats]in [land],
gedaagde,
gemachtigde: mr. Gail A.T.T. Sitaram, advocaat.

1.Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 16 januari 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die is genomen op 06 februari 2020;
  • de conclusie van antwoord, met productie;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2.De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 22 januari 2002 in de zaak tussen partijen bekend onder A.R. No. 20-3163, hierna aangeduid als het vonnis, zijn eisers in reconventie veroordeeld om aan gedaagde te betalen de som ad. US$ 107.455,- naar de koers van de betaaldag.
2.2 Eisers hebben blijkens het exploot van 18 december 2008 no. [nummer 1] van de deurwaarder, T. Jhagroe, op grond van het vonnis executoriaal beslag doen leggen op het hierna omschreven aan eisers in eigendom toebehorend onroerend goed: “het perceel gelegen aan de [straat], bekend als N.W. letter D nummer 9”.
Het proces-verbaal van beslaglegging is op 20 december 2002 overgeschreven in register D deel 66 onder [nummer 2].
2.3 Op 05 november 2014 heeft gedaagde zijn vordering voortvloeiend uit het vonnis gecedeerd aan Stichting Viamonte, hierna te noemen de Stichting.
Blijkens het exploot van de deurwaarder, R. Bhoelan, d.d. 09 april 2015 no. 301 heeft gedaagde de cessie op de hiervoor vermelde datum aan eisers doen betekenen.
2.4 De Stichting heeft vanwege de cessie uit hoofde van het vonnis executoriaal beslag doen leggen op hetzelfde onroerend goed als vermeld onder 2.2, welk beslag was overgeschreven op 09 juni 2016 in register D deel 84 onder [nummer 3] .
2.5 Op 27 augustus 2019 hebben eisers de volledige schuld die voortvloeide uit het vonnis en welke aan de Stichting was gecedeerd aan de Stichting voldaan, voor welke betaling de Stichting kwijting aan eisers heeft verleend. Vanwege de betaling van de volledige schuld is het door de Stichting gelegde executoriale beslag opgeheven.
2.6 Het door gedaagde gelegde executoriale beslag van 18 december 2002 is tot op heden op het onroerend goed blijven rusten.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen dat de kantonrechter in kort geding, de opheffing en doorhaling gelast van het door gedaagde gelegde executoriale beslag.
3.2 Eisers leggen, tegen de achtergerond van de feiten vermeld onder 2, dat het beslag geen enkele grondslag meer heeft.
3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Eisers stellen als spoedeisend belang dat zij het onroerend goed hebben verkocht en overgedragen met het beslag, onder voorwaarde dat gedaagde het beslag binnen 6 maanden na de datum van indiening van de onderhavige vordering zou opheffen.
Gedaagde weerspreekt het door eisers gestelde spoedeisend belang en concludeert op basis hiervan dat eisers niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering.
In dat licht voert hij aan dat eisers sedert de uitspraak van het gewezen vonnis d.d. 15 augustus 2005 in de zaak bekend onder A.R. No. 02-1237 hebben stilgezeten. Tevens beroept gedaagde zich in dat licht op het nieuwe procesreglement van Unit Kort Geding dat de vordering tot opheffing van het beslag op een onroerend goed niet valt onder de categorie spoed.
In reactie op het bovenstaande verweer blijven eisers in hun stellingen volharden, waarbij zij nader onderbouwen dat het spoedeisend belang ligt in het feit dat zij het onroerend goed noodgedwongen hebben moeten verkopen en overdragen met het door gedaagde gelegde beslag en hun een vordering van de koper te wachten staat indien zij niet ervoor zorg dragen dat het bedoelde beslag wordt opgeheven. Hiertegenover staat dat gedaagde bij conclusie van dupliek is blijven persisteren in het verweer, zonder nader in te gaan op de gemotiveerde stellingen van eisers. Derhalve acht de kantonrechter het door eisers gestelde spoedeisend belang voldoende aannemelijk, zodat het verweer van gedaagde wordt verworpen en eisers worden ontvangen in het kort geding. Bovendien betreft het in casu een executoriale beslaglegging hetgeen reeds een indicatie geeft dat er executie dreigt en het spoedeisend belang reeds hierin besloten ligt.
4.2 De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag of de grondslag van de beslaglegging is komen weg te vallen.
Gedaagde werpt op dat hij er niet van op de hoogte is wat de Stichting na de cessie allemaal precies heeft gedaan. Wat gedaagde met dit verweer beoogt is niet duidelijk voor de kantonrechter. Voor zover gedaagde met dit verweer beoogt op te werpen dat hij vanwege het vonnis nog een vordering op eisers heeft en uit dien hoofde het door hem gelegde executoriaal beslag op het onroerend goed gehandhaafd dient te worden, slaagt gedaagde naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter de plank mis.
Met de betekening van de cessie door de cessionaris, zijnde de Stichting, aan eisers heeft slechts de Stichting de bevoegdheid om de aan haar gecedeerde vordering van eisers te innen. Uit de inhoud van de ten processe door eiseres overgelegde producties, die niet van valsheid zijn beticht, leidt de kantonrechter onomstotelijk vast dat eisers de vordering uit hoofde van het vonnis volledig aan de Stichting hebben voldaan. Nu gedaagde vanaf het moment van de betekening van de cessie aan eisers niet meer de bevoegdheid heeft om de vordering voortvloeiend uit het vonnis van eisers te innen en eisers de vordering na de betekening volledig aan de Stichting hebben voldaan, is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter de grondslag voor het blijven handhaven van het door gedaagde gelegde executoriale beslag komen weg te vallen. Simpelweg, omdat eisers na de betekening bevrijdend aan de cessionaris, zijnde de Stichting, hebben betaald.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de voorlopige slotsom dat gedaagde met het blijven handhaven van de beslaglegging misbruik maakt van diens bevoegdheid tot executie. Daar zulks grond oplevert tot opheffing van het gelegde executoriale beslag, zal de gevorderde voorziening als gegrond worden toegewezen.
4.3 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak het vastrecht ad SRD 50,- en de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 350,-.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
5.1 Heft op en gelast de doorhaling van het door gedaagde bij exploot no. [nummer 1] van de deurwaarder T. Jhagroe d.d. 18 december 2002 gelegde executoriaal beslag, overgeschreven op 20 december 2002 in register D deel 66 onder [nummer 2] op het erf gelegen aan de [straat,] bekend als N.W. Letter D nummer 9.
5.2 Verklaart hetgeen onder 5.1 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.
5.3 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten die aan de zijde van eisers zijn gevallen en tot aan de uitspraak zijn begroot op SRD 400,- (Vierhonderd Surinaamse Dollar).

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 08 oktober 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M.Chu, in aanwezigheid van de griffier.

 

 

SRU-K1-2020-53

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 20-1909
06 augustus 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiseres],
wonende aan de [adres] in het [district] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. R.A. V-A Malahe, advocaat,

tegen

SURICHANGE BANK N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Dr. Sophie Redmondstraat no. 7 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. drs. M-Sh. Boedhoe, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 28 juli 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 30 juli 2020;
  • de conclusie van antwoord, met een productie;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 De zoon van eiseres heeft van een NV gekocht: “het perceelland groot 411,34m², gelegen in het [district] , aan de [adres], aangeduid op de kaart van de landmeter met de letters abcd en het nummer 28”, hierna aangeduid als het perceel.
2.2 Zij heeft tezamen met haar zoon een gebouw opgezet op het perceel.
2.3 Op 20 juni 2020 heeft eiseres per exploot van een deurwaarder een aanzegging van gedaagde ontvangen dat het perceel op 06 augustus 2020 zal worden geveild.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde veroordeelt om de veiling geen voortgang te doen plaatsvinden.
3.2 Eiseres legt aan het gevorderde ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens haar pleegt en stelt daartoe, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:
– op 11 juli 2020 heeft eiseres samen met haar zoon aan gedaagde kenbaar gemaakt bereid te zijn de hypotheek af te lossen;
– ondanks het feit zij al de door gedaagde opgevraagde documenten heeft opgestuurd, hebben de onderhandelingen en gesprekken tot op heden geen bevredigend resultaat opgeleverd;
– zij heeft er belang bij dat de openbare verkoop wordt stopgezet, omdat zij investeringen heeft gepleegd op het perceel.
3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt zelf uit de aard van het gevorderde, te weten de openbare verkoop die op donderdag 06 augustus 2020 a.s. zal plaatsvinden.
4.2 Gedaagde werpt op dat zij geen enkele rechtsrelatie heeft met eiseres en er daarom geen reden is voor haar om een procedure tot openbare verkoop tegen eiseres in te stellen. Voorts werpt gedaagde op dat zij reeds opdracht aan de notaris heeft gegeven om de aangezegde openbare verkoop geen voortgang te doen plaatsvinden. Ter staving hiervan beroept zij zich op de brief gedateerd
28 juli 2020 die zij naar de notaris heeft verzonden. In de brief die gericht is aan de notaris mr. D. Kalisingh, heeft gedaagde de gegeven opdracht als volgt verwoord: “Middels deze verzoeken wij u om de te houden veiling d.d. 06 augustus 2020 t.l.v. dhr. [naam 1]., mevr. [naam 2]. en N.V. Covan Bouw en Constructie en Stichting Vania en Zusters stop te zetten.
Uit dit verweer begrijpt de kantonrechter dat gedaagde zich erop beroept dat eiseres geen enkel belang heeft en aldus niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het gevorderde.
4.3 De kantonrechter constateert dat eiseres, die wordt bijgestaan door een advocaat, niet volledig is geweest in haar stellingen. Zo heeft zij niet gesteld ten overstaan van welke notaris en op welk tijdstip de openbare verkoop zal plaatsvinden. Vanwege het korte tijdsbestek zal de kantonrechter vanuit proceseconomisch oogpunt, maar ook mede vanwege het feit dat de door eiseres overgelegde producties niet omvangrijk zijn, pogen de nodige informatie uit de producties te halen.
4.4 Uit de inhoud van het exploot van aanzegging van de openbare verkoop, dat op 20 juni 2020 is betekend aan eiseres, leidt de kantonrechter af dat de hypotheek op het perceelland is gevestigd ten behoeve van gedaagde en ten laste van vier schuldenaren, te weten: [naam 2], Stichting Vania en Zusters, [naam 1] en N.V. Covan Bouw en Constructie en dat het perceelland nog ten name staat van N.V. Covan Bouw en Constructie.
Tevens leidt de kantonrechter uit de inhoud van het exploot van aanzegging af dat de aangezegde openbare verkoop op dondedag 06 augustus 2020 om 10.00 uur des voormiddag ten kantore van de notaris mr. D. Kalasingh zal plaatsvinden.
Dit alles in onderling samenhang gelezen en beschouwd, met de brief van gedaagde d.d. 28 juli 2020, geven de kantonrechter een indicatie dat eiseres stopzetting vordert van de veiling die ten kantore van de hiervoor genoemde notaris zal plaatsvinden en van welke aangezegde veiling gedaagde, zoals zulks uit de inhoud van de brief d.d. 28 juli 2020 blijkt, aan de notaris de opdracht heeft gegeven deze stop te zetten. Nu gedaagde reeds de opdracht tot stopzetting van de veiling heeft gegeven, heeft eiseres naar het oordeel van de kantonrechter geen gerechtvaardigd belang meer bij de onderhavige vordering. Hieruit volgt dat gedaagde slaagt in het door haar opgeworpen formeel verweer, zodat eiseres niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het gevorderde.
4.5 Eiseres zal, als de niet ontvangen partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5.De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
5.1 Verklaart eiseres niet ontvankelijk in het gevorderde.
5.2 Veroordeelt eiseres als de niet ontvangen partij in de proceskosten die aan de zijde van gedaagde zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 06 augustus 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in aanwezigheid van de griffier.