SRU-HvJ-2020-21

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de gevoegde zaken A-817 en A-903 van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, officier van justitie,
spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop in de zaak A-817 blijkt uit de volgende processtukken/ proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 14 augustus 2013;
  • het verweerschrift ingediend op 20 november 2013;
  • de beschikking van het hof van 03 januari 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 februari 2014;
  • het proces-verbaal van het op 07 februari 2014 gehouden verhoor van partijen en de op voormelde datum overgelegde bescheiden;
  • de processen-verbaal van de op 07 maart 2014 en 16 mei 2014 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen;
  • de schriftelijke uitlating zijdens de Staat d.d. 18 juli 2014;
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoeker] d.d. 17 oktober 2014, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating zijdens de Staat d.d. 19 december 2014.

1.2 Het procesverloop in de zaak A-903 blijkt uit de volgende processtukken/ proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 12 februari 2016;
  • het verweerschrift d.d. 20 juni 2016;
  • de beschikking van het hof van 01 december 2016 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 20 januari 2017, welk verhoor is verplaatst naar 17 maart 2017;
  • het proces-verbaal van het op 17 maart 2017 gehouden verhoor van partijen en de op voormelde datum door de Staat overgelegde bescheiden;
  • de conclusie tot overlegging van stukken zijdens de Staat d.d. 15 juni 2017, met producties;
  • de conclusie tot overlegging bescheiden zijdens [verzoeker] d.d. 16 juni 2017 (kennelijk abusievelijk gedateerd 16 juni 2016), met producties, overgelegd op 19 juni 2017;
  • de processen-verbaal van de op 21 juli 2017, 17 november 2017 en 16 maart 2018 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen en de op 17 november 2017 en 16 maart 2018 door de Staat overgelegde bescheiden;
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoeker] d.d. 08 maart 2018, overgelegd op 16 maart 2018;
  • het proces-verbaal van de op 18 mei 2018 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen en de op voormelde datum door de Staat overgelegde bescheiden;
  • de conclusie na verhoor van partijen zijdens [verzoeker] d.d. 01 maart 2019, met producties;
  • de conclusie na verhoor van partijen zijdens [verzoeker] d.d. 17 mei 2019, met producties;
  • de conclusie na verhoor van partijen zijdens de Staat d.d. 07 juni 2019 (aangeduid als de conclusie tot uitlating).

1.3 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis in de zaak A-817 en in de zaak A-903 was aanvankelijk bepaald op 06 februari 2015 respectievelijk 15 november 2019, doch nader op heden.

2.De feiten

In de zaak A-817
2.1 [verzoeker] is stafambtenaar B 3e klasse in vaste dienst bij de Departementsleiding van het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting (hierna ook aangeduid als: het ministerie) in de functie van medewerker Departementsleiding, ingedeeld in functiegroep 5 (schaal 5B). Hij is tewerkgesteld bij het Bureau Rechten van het Kind.

2.2 De directeur van Sociale Zaken (hierna: de directeur) heeft bij circulaire d.d. 10 oktober 2007, D [nummer 1], aan alle directieleden en beleidsadviseurs, de directeur der Stichtingen, de dienst- en afdelingshoofden en coördinatoren ter kennis gebracht dat met ingang van 01 juli 2007 [verzoeker] is aangesteld als coördinator van het Bureau Rechten van het Kind.

2.3 De Raad van Ministers heeft blijkens zijn missive d.d. 15 juli 2010, no.[nummer 2] /R.v.M, goedgekeurd dat [verzoeker] te rekenen van 01 juli 2007 wordt belast met de waarneming van de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind, onder toekenning van een waarnemingstoelage.

2.4 De procesgemachtigde van [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 14 januari 2013, voor zover van belang, onder meer het volgende aan de President van de Republiek Suriname (hierna: de President) bericht:
(…)
Namens mijn client roep ik uw medewerking in te bewerkstelligen dat:
1. de resolutie inhoudende toekenning waarnemingstoelage aan mijn client tot stand komt en ter kennis van mijn client wordt gebracht conform de person
2.de resolutie inhoudende benoeming van mijn cleint [sic] in de definitief opengevallen functie van Hoofd Bureau Rechten van het Kind, te rekenen van 01 juli 2008 tot stand komt en ter kennis van mijn client wordt gebracht conform de personeelswet.
(…)

De President heeft niet op dit schrijven gereageerd.

2.5 [verzoeker] is bij resolutie van de President d.d. 17 juli 2014, Bureau no. [nummer 3]985/14, no. 5442/14, te rekenen van 01 juli 2007 belast met de waarneming van de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind, onder toekenning van een waarnemingstoelage (hierna: de waarnemingstoelage).

In de zaak A-903

2.6 De feiten vermeld in 2.1 en 2.5 zijn tevens van toepassing op de zaak A-903.

2.7 De onderdirecteur Administratieve Diensten van het ministerie heeft bij schrijven d.d. 17 november 2014, [nummer 4] 3570/2014, met als onderwerp ‘terugstorting gelden ter zake case Playfair’, het volgende aan [verzoeker] bericht:

“Geachte heer [verzoeker],

De afdeling BRVK heeft in het jaar 2013 mevr. Carmen Playfair aangetrokken voor het verzorgen van trainingen tijdens de Inter Agency Child Conference (vide missive[nummer 5]/ORAG d.d. 3 mei 2013). Aangezien Mw. C. Playfair niet woonachtig is in Suriname en geen SRD rekening heeft in Suriname, werd er een verzoek gedaan vanuit de afdeling BRVK om de betaling van middelen op uw naam te laten uitvoeren, met inachtneming dat mevr. C. Playfair u hiertoe zou machtigen. Van het vorenstaande is er goedkeuring verleend vanuit Financien en een bestelbon is uitgeschreven conform missive [nummer 5]/ORAG d.d. 03 mei 2013 voor een totaalbedrag van SRD 67.605,00. In afwachting op overmaking van de middelen(betaling) door het ministerie van Financien is er toen met goedkeuring van de OD/AD aan u vooruitbetaald zodat het project uitgevoerd kon worden, met dien verstande dat u de voorgeschoten middelen terug zou storten bij de betaalmeester na storting op uw rekening. De storting van gelden door Financien op uw rekening heeft reeds plaatsgevonden. Volgens overzicht van de Centrale Betaaldienst is de betaling op 8 november 2013 voldaan hetgeen langer dan een jaar geleden is.

De terugstorting van gelden bij de betaalmeester heeft echter nog niet plaatsgevonden.

Bij deze wordt u gevraagd binnen 1 week na dagtekening de voorgeschoten gelden terug te storten en een schriftelijke reactie te geven omtrent het bovenstaande. Mocht de schriftelijke reactie niet naar volle tevredenheid zijn zal het ministerie genoodzaakt zijn maatregelen te treffen.”

2.8 De minister van Sociale Zaken en Volkshuisvesting (hierna: de minister) heeft bij schrijven d.d. 17 september 2015, kenmerk M[nummer 6]/’15, het volgende aan [verzoeker] bericht:

Geachte heer [verzoeker],

In verband met onregelmatigheden waaronder de case van de verhuurder [naam 1] tegen de staat Suriname m.n. het Ministerie van Sociale Zaken A.R no 152226 (de kantonrechter in het Eeste [sic] Kanton/ C.V. no 182/15) wordt u per heden, 17 september 2015 voor onbepaalde tijd ter beschikking gesteld van de directeur van Sociale Zaken.

2.9 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 30 oktober 2015 onder meer het volgende aan de directeur bericht:

Geachte directeur,

Middels dit schrijven deel ik u mede dat ik op heden 30 oktober 2015 een volgende deelbetaling heb voldaan, groot SRD. 40.000,-. Het betreft in dezen het project Carmen Playfair.

In december 2014 heb ik al SRD. 15.000,- voldaan. Met de terugstorting van het bedrag van heden komt de totale terugbetaling dus op SRD. 40.000,- + SRD. 15.000,- = SRD. 55.000,-. Er rest nog een bedrag van SRD. 12.605, waarvan ik thans met de Dienst Interne Controle bezig ben na te trekken hoe en op welke wijze deze middelen in projecten t.b.v. het ministerie zijn besteed.

Zie de bijlage als bewijs van de betaling van de SRD. 40.000,-.

Ik veronderstel dat u dit schrijven wenst door te geleden [sic] naar voor u relevante actoren. Ik doe er daarom drie exemplaren toekomen.

2.10 De minister heeft bij schrijven d.d. 04 november 2015, M[nummer 7]/’15, het volgende aan de (waarnemend) directeur bericht:

Betreft: Proces tot ontheffing van de heer [verzoeker]

Geachte directeur,

Refererend naar de PW artikel 23 vraag ik u als directeur van het Directoraat Soza om de heer [verzoeker] in de functie van medewerker Departementsleiding, belast met de waarneming van de functie Hoofd Bureau Rechten van het Kind (reeds ontlast en ter uwer beschikking) te (doen) ontheffen uit de functie van wnd. Hfd. BRVK. Ook wordt gevraagd om de heer [naam 2] te benoemen in de open gevallen functie.

Het besluit tot ontheffing is genomen nadat is gebleken dat de heer [verzoeker] zich heeft schuldig gemaakt aan het verwerpen van comptabele wetten en regels. Zie verslag Interne Controle d.d. 10 december 2014.

Daarnaast is gebleken dat de heer [verzoeker] recentelijk middelen heeft gestort op een rekening bij de Centrale Bank van Suriname zonder uw toestemming en of medeweten. Verder overlegde de betaalmeester [naam 3] mij op 3 november 2015 jl. een kwitantie waaruit blijkt dat de heer [verzoeker] contante middelen heeft overgedragen aan de betaalmester, ook zonder medeweten of goedkeuring van u en het hoofd van Begrotings en Financiele Zaken.

Ter continuering van de dienstverlening is het noodzakelijk dat de open gekomen functie Hfd. BRVK wordt ingevuld. De heer [naam 2] is bereid, bevoegd en bekwaam gevonden om te dienen in de voorgenoemde functie.

Hopende u geïnformeerd te hebben en ik kijk uit naar een spoedige en volledige medewerking met inachtneming van de personeelswet uwerzijds.

Een kopie van dit schrijven is verzonden aan [verzoeker].

2.11 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 24 november 2015, gericht aan de minister, gereageerd op de in 2.8 en 2.10 vermelde brieven.

2.12 De Centrale Landsaccountantsdienst heeft in opdracht van de minister van Financiën enkele onderzoeken verricht ter zake van vermeende onregelmatigheden op het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting betreffende [verzoeker], waarvan de bevindingen zijn neergelegd in de onderstaande rapporten:

  • managementletter d.d. 14 juni 2016, EPL/epl/[nummer 8]/16, inzake “Beheer en Toegang Donatiemiddelen Nos Kasitas”;
  • managementletter d.d. 19 augustus 2016, EPL/epl/[nummer 9]/16, inzake “beschikbaar gestelde middelen opvangtehuis slachtoffers mensenhandel”;
  • managementletter d.d. 18 oktober 2016, EPL/jhk/[nummer 10]/16, inzake “beschikbaar gestelde middelen consultant Playfair Inter-Agency Child Conference ‘Child Protection’”.

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

In de zaak A-817
3.1 [verzoeker] vordert, naar het hof begrijpt, dat de Staat bij vonnis zal worden veroordeeld om:
1. te rekenenvan 01 juli 2007 de van de functie van Hoofd Bureau Rechten van het Kind afgeleide waarnemingstoelage aan hem toe te kennen;
2.te rekenenvan 01 juli 2008 hem te benoemen in althans te bevorderen tot de functie van Hoofd Bureau Rechten van het Kind, onder toekenning aan hem van de bezoldiging c.q. het salaris behorende bij die functie;
3.de administratiefrechtelijke rechtshandeling (resolutie) dienodig is om het in sub 1 en sub 2 gevorderde te realiseren binnen 3 (drie) maanden na de veroordeling ter zake tot stand te brengen en afschrift hiervan ter kennis van hem te brengen ingevolge de Personeelswet (Pw), onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag voor iedere dag dat de Staat met de uitvoering van het vonnis in gebreke mocht blijven.
[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij reeds langer dan zes jaren onafgebroken de definitief opengevallen van functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind waarneemt, zonder dat de waarnemingstoelage aan hem is toegekend laatstaan uitbetaald en zonder dat hij definitief is benoemd in voormelde functie.
[verzoeker] stelt dat de Staat jegens hem de beginselen van behoorlijk bestuur schendt, bepaaldelijk die betrekkelijk zorgvuldig onderzoek, verbod van partijdigheid, concrete en evenredige belangenafweging, alsmede het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel. Volgens [verzoeker] handelt de Staat onrechtmatig jegens hem.
[verzoeker] stelt verder dat hij bij klaagschrift d.d. 14 januari 2013 zijn beklag ter zake heeft gedaan bij de President en dat de President tot op heden in gebreke is gebleven om op dit klaagschrift te reageren en een besluit te nemen.

In de zaak A-903
3.3 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat de Staat bij vonnis zal worden veroordeeld om de ingehouden althans stopgezette uitbetaling van de waarnemingstoelage binnen 1 (een) week na het vonnis te hervatten vanaf de datum van inhouding of stopzetting en voort te zetten totdat bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis zal zijn beslist over zijn definitieve benoeming in de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag voor elke dag dat de Staat met de uitvoering van het vonnis in gebreke mocht blijven.

3.4 [verzoeker] heeft, naar het hof begrijpt, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Uit zijn salarisslip van de maand januari 2016 is gebleken dat bij de uitbetaling van zijn salaris over voormelde maand de waarnemingstoelage ad SRD 4.085,- niet is betaald. De Staat is niet bevoegd, althans niet gerechtigd de aan [verzoeker] toekomende waarnemingstoelage in te houden, althans niet betaalbaar te stellen, nu geen overeenkomstig de Personeelswet tot stand gekomen en aan [verzoeker] ter kennis gebracht besluit van het bevoegde gezag ten grondslag ligt aan voormelde inhouding. De Staat is bovendien niet bevoegd, althans niet gerechtigd de waarnemingstoelage in te houden, aangezien het hof over de definitieve benoeming van [verzoeker] in de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind alsnog een beslissing dient te nemen in de zaak A-817, welke zaak in staat van wijzen verkeert. [verzoeker] gaat vooralsnog ervan uit dat hij definitief is benoemd in de door hem vanaf 01 juli 2007 tot heden waargenomen definitief vacante functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind, totdat het tegendeel is gebleken of komen vast te staan. De inhouding, althans stopzetting van de uitbetaling van de waarnemingstoelage is contra legem en in strijd met alle beginselen van behoorlijk bestuur.

In de zaken A-817 en A-903
3.5 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling in de zaken A-817 en A-903

In het incident
4.1.1 [verzoeker] heeft het verzoek gedaan dat de zaak A-903 en de zaak A-817 op dezelfde rol worden gebracht en dat dezelfde kamer van het hof in beide zaken vonnis wijst, althans dat de hiervoor genoemde zaken gevoegd worden behandeld.

4.1.2 De Staat heeft zich niet verzet tegen de vordering tot voeging.

4.1.3 In geval voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, mag daarvan voeging worden gevorderd.
Vooropgesteld wordt dat thans een vaste kamer van het hof als ambtenarenrechter in beginsel beslist in alle ambtenarenzaken.
In het onderhavige geval gaat het om de zaken A-817 en A-903 tussen dezelfde partijen, in welke zaken het feitencomplex deels overeenkomt. De juridische aspecten in beide zaken zijn weliswaar niet gelijk, maar zij vertonen wel een dusdanige samenhang dat sprake is van verknochte zaken. Beide zaken verkeren reeds in staat van wijzen.
Gelet op het voorgaande en op het belang uiteenlopende beslissingen zoveel mogelijk te vermijden, zal de vordering tot voeging worden toegewezen.

In de zaak A-817
Bevoegdheid
4.2.1 De Staat heeft, kort gezegd, als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat het hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van [verzoeker] tot zijn benoeming in althans bevordering tot de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind, omdat hetgeen van het hof als ambtenarenrechter kan worden gevorderd limitatief is omschreven in artikel 79 Pw en het gevorderde niet in bedoelde limitatieve opsomming voorkomt.

4.2.2 Ten aanzien van de bevoegdheidsvraag overweegt het hof als volgt. Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. Deze wet is dan ook op hem van toepassing. De vorderingen waarvan het hof bevoegd is kennis te nemen, zijn limitatief opgesomd in artikel 79 lid 1 Pw. Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.2.3 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren.
Naar het oordeel van het hof kan het in 3.1 onder 1 tot en met 3 gevorderde worden aangemerkt als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, in casu het verder achterwege laten om [verzoeker], kort gezegd, bij resolutie:
a. te rekenen van 01 juli 2007 de waarnemingstoelage toe te kennen;
b. te rekenen van 01 juli 2008 te benoemen in de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind, onder toekenning van het bij die functie behorende salaris.
Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw dan ook bevoegd om van het gevorderde in 3.1 onder 1 tot en met 3 kennis te nemen.
Het onbevoegdheidsverweer van de Staat faalt.

Ontvankelijkheid
4.3.1 Het in 2.4 vermeld schrijven van de procesgemachtigde van [verzoeker] d.d. 14 januari 2013 kan naar het oordeel van het hof, anders dan [verzoeker] stelt, niet als schriftelijk beklag in de zin van artikel 78 Pw bij de President worden beschouwd. In dit schrijven is immers niet aangegeven dat het beklag in de zin van voormeld artikel betreft noch is aangegeven over welk besluit van een lager gezag [verzoeker] zich beklaagt.

4.3.2 Het hof beschouwt voormeld schrijven eerder als een verzoek aan de President om te bewerkstelligen dat de resoluties inhoudende respectievelijk de toekenning van de waarnemingstoelage aan [verzoeker] en de benoeming van [verzoeker] in de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind tot stand komen, alsmede dat deze resoluties ter kennis van [verzoeker] worden gebracht. Vaststaat dat de President nimmer op dit schrijven heeft gereageerd.

4.3.3 Het hof houdt het, gelet op het feit dat [verzoeker] bij resolutie (zie 2.5) is belast met de waarneming van de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind, ervoor dat de President in dezen het ter zake bevoegde gezag is. [verzoeker] gaat, naar het oordeel van hof, door, kort gezegd, aan de President het verzoek te doen zijn – [verzoeker]s – rechtspositie bij resolutie te regelen, impliciet van hetzelfde uit.

4.3.4 Op grond van artikel 80 lid 2 sub c Pw is een vordering tot oplegging van een dwangsom in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw niet-ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 Pw geacht wordt het besluit te hebben genomen. Artikel 78 lid 2 sub b Pw bepaalt dat een orgaan, in casu de President, mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek. Hieruit volgt dat de President, nu hij nimmer uitdrukkelijk heeft beslist op het schriftelijk verzoek van [verzoeker] d.d. 14 januari 2013, geacht wordt op 14 juli 2013 een fictief besluit te hebben genomen en wel een negatief besluit. [verzoeker] heeft de onderhavige vordering bij het hof ingesteld op 14 augustus 2013, derhalve binnen de termijn van drie maanden na 14 juli 2013, zodat hij op grond van artikel 80 lid 2 sub c Pw daarin ontvankelijk is.

Toekenning waarnemingstoelage
4.4 Uit de processtukken blijkt dat de Staat in de loop van het geding in de zaak A-817 [verzoeker] heeft voorzien van de in 2.5 genoemde resolutie d.d. 17 juli 2014, waarbij [verzoeker] te rekenen van 01 juli 2007 is belast met de waarneming van de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind, onder toekenning van de waarnemingstoelage.
Hieruit volgt dat [verzoeker] geen belang meer heeft bij het in 3.1 onder 1 in combinatie met het in 3.1 onder 3 gevorderde, zodat dit zal worden afgewezen.

Benoeming in de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind
4.5 Ingevolge artikel 22 lid 5 Pw wordt een landsdienaar, zodra hij gedurende meer dan een jaar een definitief opengevallen functie heeft waargenomen en hij aan de wettelijke eisen van benoembaarheid daarin voldoet, geacht stilzwijgend in die functie te zijn benoemd.
Tussen partijen is niet geschil dat [verzoeker] te rekenen van 01 juli 2007 langer dan een jaar de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind heeft waargenomen. Als niet weersproken staat rechtens ook vast dat voormelde functie definitief is opengevallen in 2007 en dat in 2007 en ook daarna in het Ambtenaren Bezoldigingsbesluit geen omschrijving van de wettelijke eisen van benoembaarheid in voormelde functie bestond.
Dit leidt tot de slotsom dat [verzoeker] ingevolge artikel 22 lid 5 Pw, nu hij aan het daarin bepaalde voldoet, moet worden geacht te rekenen van 01 juli 2008 stilzwijgend in voormelde functie te zijn benoemd. Hij maakt er derhalve aanspraak op dat deze benoeming overeenkomstig de vigerende wettelijke regelingen schriftelijk wordt vastgelegd. De Staat heeft geen melding gemaakt van omstandigheden die voormelde vastlegging zouden beletten of onwenselijk maken voor de administratie. Naar het oordeel van het hof moet het achterwege laten van de vastlegging van de stilzwijgende benoeming van [verzoeker] in voormelde functie als een daad van willekeur worden beschouwd, althans als een daad in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Op grond van het voorgaande zal het in 3.1 onder 2 in combinatie met het in 3.1 onder 3 gevorderde worden toegewezen als in het dictum te melden.
Het hof acht termen aanwezig de gevorderde dwangsom te maximeren, met dien verstande dat boven de som van SRD 50.000,- geen dwangsom meer wordt verbeurd.
4.6 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

In de zaak A-903
4.8 Het hof constateert dat [verzoeker], na op 01 maart 2019 een conclusie na verhoor van partijen te hebben genomen, op 17 mei 2019 – zonder daarvoor een verklaring te geven – wederom een conclusie na verhoor van partijen heeft genomen.
Het hof overweegt dat [verzoeker] niet tweemaal kan concluderen na verhoor van partijen. Aan [verzoeker]s conclusie na verhoor van partijen d.d. 17 mei 2019 zal derhalve worden voorbijgegaan.

Bevoegdheid
4.9.1 De Staat heeft, kort gezegd, als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat het hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering vermeld in 3.3, omdat hetgeen van het hof als ambtenarenrechter kan worden gevorderd limitatief is omschreven in artikel 79 Pw en het gevorderde niet in bedoelde limitatieve opsomming voorkomt.

4.9.2 Ten aanzien van de bevoegdheidsvraag overweegt het hof als volgt. Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. Deze wet is dan ook op hem van toepassing. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a.tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
In artikel 79 lid 2 Pw zijn limitatief opgesomd de voor nietigverklaring vatbare besluiten.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.9.3 [verzoeker] vordert in 3.3 in essentie veroordeling van de Staat tot (door)betaling van de maandelijkse waarnemingstoelage. [verzoeker] stelt dat de inhouding althans stopzetting van de uitbetaling van de waarnemingstoelage in strijd is met de wet en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Volgens [verzoeker] handelt de Staat dus in strijd met de (Personeels)wet en voren bedoelde beginselen door de maandelijkse waarnemings-toelage niet aan hem (door) te betalen.

Een vordering tot (door)betaling van de waarnemingstoelage is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het Hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het Hof acht gronden aanwezig de onderhavige vordering aldus uit te leggen dat [verzoeker] geen (door)betaling van de maandelijkse waarnemingstoelage vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet (door)betalen van de maandelijkse waarnemingstoelage ter hoogte van de niet betaalde waarnemingstoelage, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde.
Het Hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om van de onderhavige vordering kennis te nemen.
Het onbevoegdheidsverweer van de Staat faalt.

Ontvankelijkheid
4.10 Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] de vordering vermeld in 3.3 te laat heeft ingesteld bij het hof, zodat hij daarin ontvankelijk is.

(Door)betaling van de waarnemingstoelage
4.11 Zoals reeds onder 4.5 hiervoor is overwogen, moet [verzoeker] worden geacht te rekenen van 01 juli 2008 stilzwijgend te zijn benoemd in de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind. Hieruit volgt dat [verzoeker], ongeacht hetgeen hij aan het in 3.3 gevorderde ten grondslag heeft gelegd, vanaf 01 juli 2008 in feite geen aanspraak meer maakt op de waarnemingstoelage. Reeds om deze reden is de onderhavige vordering niet toewijsbaar.
De mede gevorderde dwangsom zal als sequeel van de primaire vordering worden afgewezen.

4.12 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5.De beslissing

Het hof:

In het incident
5.1 Wijst toe de vordering tot voeging van de zaken A-817 en A-903.

In de zaak A-817
5.2 Veroordeelt de Staat om binnen 6 (zes) maanden na de betekening van dit vonnis vast te leggen dat [verzoeker] te rekenen van 01 juli 2008 stilzwijgend is benoemd in de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind van het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting, onder toekenning van het bij die functie behorende salaris.

5.3 Veroordeelt de Staat om aan [verzoeker] te betalen een dwangsom van SRD 1.000,- (eenduizend Surinaamse dollar) per dag, voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft aan de onder 5.2 vermelde veroordeling te voldoen, met dien verstande dat boven de som van SRD 50.000,- (vijftigduizend Surinaamse dollar) geen dwangsom meer wordt verbeurd.

5.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

In de zaak A-903
5.5 Wijst de vordering af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 17 juli 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend–griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan
Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

 

 

 

SRU-HvJ-2020-20

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district 1],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: I.D. Kanhai, BSc., advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer precies het Ministerie van Justitie en Politie, ten rechte vertegenwoordigd worden de door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. M.E. Danning, substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 11 maart 2016;
  • het verweerschrift d.d. 18 juli 2016;
  • de beschikking van het hof van 06 december 2016 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 03 februari 2017, welk verhoor is verplaatst naar 05 mei 2017;
  • het proces-verbaal van het op 05 mei 2017 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging van stukken zijdens de Staat d.d. 19 mei 2017, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] d.d. 16 juni 2017.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 05 januari 2018, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [verzoeker] en de Staat zijn een opleidingsovereenkomst, gedateerd 02 december 2013, aangegaan (hierna: de opleidingsovereenkomst), op grond waarvan [verzoeker] als politierekruut is toegelaten tot de basis politieopleiding. De opleidingsovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

OPLEIDINGSOVEREENKOMST MET DE POLITIEREKRUUT

De Republiek Suriname, vertegenwoordigd door de Korpschef van het Korps Politie Suriname, de hoofdcommissaris van politie, H.A. Tjin Liep Shie
en
[VERZOEKER], (…)
hierna te noemen, rekruut,

In aanmerking nemende:

Artikel 25 van het Politie Handvest (G.B. 1971 NO 70), het nodig is een opleidingsovereenkomst aan te gaan met hen die, zonder tot het Korps Politie Suriname te behoren een politiële opleiding te doen genieten;
(…)

Komen het volgende overeen:
Artikel 1:
Het Korps Politie Suriname verbindt zich om de rekruut een politiële opleiding te doen genieten.

Artikel 2:
1. Deze overeenkomst wordt aangedaan [sic] voor de duur van 12 maanden, ingaande 2 december 2013
2. Gedurende de tijd van de opleiding ontvangt de rekruut een vergoeding van SRD881,=naar ratio van schaal negen (9) van de Ambtenarenbezoldigingsreeks.

Artikel 3:
1. De rekruut verbindt zich om de opleiding te volgen en aan het daaraan verbonden examen deel te nemen.
(…)

Artikel 6:
1. De overeenkomst zal tussentijds worden ontbonden, indien:
(…)
c. De rekruut niet meer aan de voorindiensttredingbij het Korps gestelde eisen van geschiktheid voldoet.
(…)

Artikel 7:
1. De rekruut zal, na het met gunstig gevolg voltooien van de opleiding en bij gebleken geschiktheid, tot aspirant agent van politie worden benoemd.
(…)

2.2 De leiding van de politieacademie deelde [verzoeker] op 19 januari 2015 mee dat hij zich op 20 januari 2015 diende aan te melden op de afdeling Interne Tuchtzaken van het Korps Politie Suriname (KPS). Op laatstgenoemde datum ontving [verzoeker] een schrijven van de korpschef van het KPS (hierna: de korpschef) d.d. 13 januari 2015, K.A. DBB [nummer] /geh., met als onderwerp: ‘Beëindiging Opleidingsovereenkomst’, in welk schrijven is vervat het besluit van de korpschef tot ontbinding van de opleidingsovereenkomst en tot de verwijdering van [verzoeker] van de basis politieopleiding. Voormeld schrijven luidt als volgt:

“Hierbij wordt het volgende onder uw aandacht gebracht:
Het Korps Politie Suriname heeft in de maand december 2013 een opleidingsovereenkomst met u gesloten voor het genieten van een opleiding tot aspirant agent van politie (Basis Politie Opleiding).
Blijkens het rapport opgemaakt door de inspecteur van [sic] 3e klasse [naam 1] verbonden aan de Politieacademie blijkt het volgende:
U bent op dinsdag 30 december 2014 in het Academisch ziekenhuis opgenomen voor medische behandeling, als gevolg van een vermoedelijke gramoxone intoxicatie. Naar aanleiding hiervan heeft voornoemde inspecteur van politie u in voormeld ziekenhuis bezocht en u daarbij gevraagd wat er precies was gebeurd.
U vertelde hem hetzelfde verhaal dat uw vriendin, de buiten gewoon agent van politie [naam 2], reeds aan hem had verteld, namelijk:
Op maandag 29 december jongstleden had u samen met uw neef [naam 3] een perceel aan de [adres] in het [district 2] bespoten met het verdelgingsmiddel gramoxone. Bij die gelegenheid kwam op een gegeven ogenblik een hoeveelheid gramoxone op uw hand terecht, waarna u met die hand per abuis over uw mond had gewreven. In eerste instantie had u niets opgemerkt, maar naderhand voelde u een branderig gevoel aan uw lip en was deze tevens opgezwollen.
Voornoemde inspecteur van politie heeft een gesprek gevoerd met de internist Dr. [naam 4], onder wiens behandeling u bent, om naar uw gezondheidstoestand te informeren. Hierbij maakte voornoemde internist kenbaar, dat de letsels aan de binnenzijde van uw mond een sterke indicatie geven dat u op de één of andere manier toch wel een redelijke hoeveelheid gramoxone in uw mond moet hebben gehad. Voorts dat u het hebt uitgespuugd, omdat er geen sprake is van verdere inwendige beschadiging.
Voornoemde internist maakte ook de opmerking dat het heel opvallend is, dat u geen letsel van welk aard dan ook heb opgelopen op uw hand, althans op de plek van uw hand waarop de gramoxone volgens uw zeggen was terechtgekomen.
Op grond van het onderhavige en mede gelet op de letsels die u hebt opgelopen aan uw lip en aan de binnenzijde van uw mond, wordt hetgeen u hebt aangegeven, als kennelijk leugenachtig aangemerkt.
Derhalve wordt met één aangrenzende mate van waarschijnlijkheid aangenomen, dat u getracht heeft gramoxone in te nemen, ten einde zelfmoord te plegen.
Dit gedrag van u betaamt een politierekruut niet en schaadt het imago van het Korps Politie Suriname. Hieruit volgt dat u niet meer aan de voor indiensttreding bij het Korps Politie Suriname gestelde eisen van geschiktheid voldoet.
Derhalve wordt u op grond van artikel 6 lid 1 sub c van de Opleidingsovereenkomst met de Politierekruut uw overeenkomst met het Korps Politie Suriname per heden ontbonden en u wordt van de Basis Politie Opleiding verwijderd.
Tegen deze beslissing bestaat binnen zeven dagen na ontvangst van uw ontbindingsbesluit de mogelijkheid tot beroep bij de Minister van Justitie en Politie.
U wordt aangemaand, bij de tenuitvoerlegging van dit besluit, de aan u van Staatswege verstrekte kleding, schoeisel, lesmateriaal en andere attributen onverwijld in te leveren bij het waarnemend hoofd Werving en Opleiding.

2.3 Een schriftelijke verklaring van internist [naam 4] d.d. 23 januari 2015 luidt als volgt:
L.S.
Beste advocaat Moerahoe
Dhr. [verzoeker],. geboren [datum] heeft tijdens een periode van psychotische ontregeling gramoxone op zijn lippen aangebracht. Er was wel geen sprake van inwendige afwijkingen.

2.4 [verzoeker] is bij schrijven d.d. 26 januari 2015 in beroep gegaan bij de minister van Justitie en Politie (hierna ook aangeduid als: de minister) tegen het in het schrijven van de korpschef d.d. 13 januari 2015 vervatte besluit tot ontbinding van de opleidingsovereen-komst en tot de verwijdering van [verzoeker] van de elementaire politieopleiding. [verzoeker] heeft daarbij de minister verzocht voren bedoeld besluit van de korpschef nietig te verklaren, zodat hij weer wordt toegelaten tot de basis politieopleiding.

2.5 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 29 mei 2015 wederom beroep aangetekend bij de minister tegen voren bedoeld besluit van de korpschef. [verzoeker] heeft de minister daarbij het verzoek gedaan om hem toe te laten tot het KPS.

2.6 Bij schrijven d.d. 07 september 2015 is [verzoeker] andermaal in beroep gegaan, thans bij de nieuw aangetreden minister van Justitie en Politie, tegen voren bedoeld besluit van de korpschef. [verzoeker] heeft daarbij weer het verzoek gedaan om toegelaten te worden tot het KPS.

2.7 [verzoeker] heeft bij schrijven, ook gedateerd 07 september 2015, de nieuw aangetreden minister verzocht zijn zaak nader te bekijken.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis:
a. het besluit van de korpschef, gedateerd 13 januari 2015, voorzien van het kenmerkA. DBB [nummer]/geh. met als onderwerp “Beëindiging Opleidingsovereenkomst”, nietig zal worden verklaard, althans zal worden vernietigd;
b. de Staat zal worden gelast om binnen 1 (een) week na de uitspraak voormeld besluit van de korpschef ongedaan te maken;
c. de Staat zal worden gelast om binnen 1 (een) week na de uitspraak hem te rekenen van 20 januari 2015 te beëdigen tot buitengewoon agent van politie en hem als zodanig aan te stellen in de rang die hierbij van toepassing is;
d. de Staat zal worden gelast om hem vanwege de beëdiging tot buitengewoon agent van politie in aanmerking te doen komen voor het salaris en alle daarbij behorende emolumenten en hiermee voort te gaan;
e. de Staat zal worden veroordeeld tot het voldoen van een dwangsom ad SRD000,- voor elke dag of iedere keer dat de Staat in strijd met hetgeen onder de punten b en c is gevorderd, zal handelen;
f. de Staat zal worden veroordeeld in de betaling van de kosten van het geding, alsook de kosten van vastrecht ad SRD 60,-, de deurwaarderskosten ad SRD 275,- en de buitengerechtelijke kosten ad SRD 500,-.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij tot voor kort landsdienaar was op grond van de opleidingsovereenkomst. Aangezien hij de basis politieopleiding met goed gevolg had afgerond, zou hij op 20 januari 2015 beëdigd worden tot buitengewoon agent van politie.
[verzoeker] stelt voorts dat in het schrijven van de korpschef d.d. 13 januari 2015 (zie 2.2.) als meest verstrekkende grondslag voor het beëindigen van de opleidingsovereenkomst is aangehaald dat de inspecteur van politie 3e klasse, [naam 1] (hierna: [naam 1]), informatie van de internist drs. [naam 4] (hierna: [naam 4]) heeft bekomen, met name dat de letsels aan de binnenzijde van de mond van [verzoeker] de indicatie verstrekken dat laatstgenoemde op de één of andere manier toch wel een redelijke hoeveelheid gramoxone in zijn mond heeft gehad teneinde zelfmoord te plegen.
Hetgeen [naam 1] heeft verklaard is echter bezijden de waarheid, blijke zulks uit de verklaring van [naam 4] d.d. 23 januari 2015 (zie 2.3), aldus [verzoeker].
[verzoeker] kan zich niet verenigen met het in het schrijven van de korpschef d.d. 13 januari 2015 vervatte besluit tot ontbinding van de opleidingsovereenkomst en tot zijn verwijdering van de basis politieopleiding en wel op grond van het volgende. De korpschef is in dezen niet het bevoegde gezag en derhalve onbevoegd de opleidingsovereenkomst te ontbinden. Daarnaast is het zeer onmaatschappelijk en onfatsoenlijk dat de opleidingsovereenkomst kort voor afronding van de opleiding wordt onderbroken. Voorts heeft de korpschef [verzoeker] nooit in de gelegenheid gesteld om zich ten aanzien van de verklaringen van [naam 1] te verweren, alvorens [verzoeker] van de opleiding te verwijderen. Op grond hiervan is voormeld besluit van de korpschef, als zijnde in strijd met de Personeelswet, het Politiehandvest en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het beginsel van hoor en wederhoor, vatbaar voor nietigverklaring.
Op de diverse aan de Staat gerichte brieven is geen reactie ontvangen.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
4.1 De Staat voert als verweer aan dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in de onderhavige vordering. De Staat heeft daartoe aanvankelijk aangevoerd dat [verzoeker] de vordering bij het hof heeft ingesteld na het verstrijken van de daarvoor bepaalde wettelijke termijn.
Thans betoogt de Staat dat uit de – door hem in het geding gebrachte – opleidingsovereenkomst niet is gebleken dat de bepalingen van de Personeelswet of het Politiehandvest op [verzoeker] van toepassing zijn. In ieder geval behoort [verzoeker] niet tot het KPS, zodat hij geen ambtenaar is. Immers maakt de opleidingsovereenkomst volgens de Staat er gewag van dat, in aanmerking nemende artikel 25 van het Politiehandvest, het nodig is een opleidingsovereenkomst aan te gaan met hen, die zonder tot het KPS te behoren een politiële opleiding genieten, althans zo vat het hof dat op.
Naar het hof begrijpt, betoogt de Staat dat [verzoeker] niet bevoegd is om de onderhavige vordering bij het hof als gerecht in ambtenarenzaken in te stellen, nu de bepalingen van de Personeelswet of het Politiehandvest niet op hem van toepassing zijn.

4.2.1 Blijkens artikel 1 lid 1 Pw wordt onder ambtenaren verstaan: “personen die krachtens een aanstelling in bezoldigde dienst van het Land zijn”, onder arbeidscontractanten: “personen die krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst van het Land zijn” en onder landsdienaren: “ambtenaren en arbeidscontractanten”.
4.2.2 Volgens artikel 1 van het Politiehandvest wordt onder ambtenaren van politie verstaan: “tot het korps behorende officieren, onderofficieren en manschappen”.
4.2.3 Artikel 25 lid 2 van voormeld handvest luidt als volgt: “Door de President worden modellen vastgesteld van de overeenkomsten, welke worden aangegaan met hen, die zonder tot het korps te behoren een politiële opleiding genieten.”

4.3 Het niet-ontvankelijkheidsverweer van de Staat slaagt, zodat [verzoeker] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de onderhavige vordering. Het hof oordeelt daartoe als volgt.
[verzoeker] heeft in reactie op het verweer van de Staat aangegeven dat hij nooit heeft gesteld dat hij ambtenaar is, maar juist uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij landsdienaar was op grond van de opleidingsovereenkomst. Volgens hem is de opleidingsovereenkomst gebaseerd op artikel 25 van het Politiehandvest en is voormeld handvest reeds op deze grond op hem van toepassing.
Overwogen wordt dat het Politiehandvest van toepassing is op ambtenaren van politie in de zin van artikel 1 van dit handvest. Nu vaststaat dat [verzoeker] niet behoort tot de ambtenaren van politie in voormelde zin, is het Politiehandvest reeds hierom niet op hem van toepassing. Het feit dat in de opleidingsovereenkomst gewag wordt gemaakt van artikel 25 van voormeld handvest, maakt dit niet anders. Integendeel is in de opleidingsovereenkomst opgenomen dat artikel 25 van het Politiehandvest in aanmerking nemende, het nodig is een opleidingsovereenkomst aan te gaan met hen – in casu [verzoeker] – die zonder tot het KPS te behoren een politiële opleiding genieten, zoals terecht door de Staat is aangevoerd. De stelling van [verzoeker] dat het Politiehandvest wel op hem van toepassing is, wordt dan ook verworpen.

Thans rest de vraag of de bepalingen van de Personeelswet op [verzoeker] van toepassing zijn. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. De Personeelswet is van toepassing op landsdienaren, zijnde ambtenaren en arbeidscontractanten. De stelling van [verzoeker] dat hij landsdienaar is (geweest) brengt met zich mee dat hij, nu hij geen ambtenaar is, arbeidscontractant moet zijn (geweest).

Voor zover [verzoeker] ervan uitgaat dat hij arbeidscontractant is (geweest), overweegt het hof als volgt. Blijkens de artikelen 1, 2 en 3 lid 1 van de opleidingsovereenkomst is er sprake van een leerovereenkomst, waarbij [verzoeker] zich als politierekruut heeft verbonden de basis politieopleiding te volgen en aan het daaraan verbonden examen deel te nemen tegen een maandelijkse vergoeding. De in artikel 2 lid 1 van de opleidingsovereenkomst genoemde periode van 12 maanden moet als opleidingsperiode worden aangemerkt. Van door [verzoeker] verrichte productieve arbeid was, naar het oordeel van het hof, geen sprake. Derhalve moet worden aangenomen dat tussen partijen naast een leerovereenkomst niet ook nog een arbeidsovereenkomst krachtens artikel 15 Pw heeft bestaan. Al zou er sprake zijn van door [verzoeker] verrichte arbeid, dan zou deze naar de strekking van de opleidingsovereenkomst dienstbaar zijn aan de vorming en scholing van [verzoeker] en dus niet gericht zijn op profijt voor de Staat als werkgever. Nu de tussen partijen gesloten opleidingsovereenkomst uitsluitend een leerovereenkomst is en niet ook nog een arbeidsovereenkomst krachtens artikel 15 Pw, is niet in rechte komen vast te staan dat [verzoeker] arbeidscontractant in de zin van artikel 1 lid 1 Pw is (geweest). Hieraan doet, anders dan [verzoeker] meent, niet af dat hij de opleidingsovereenkomst is aangegaan met de Staat en evenmin dat hij als politierekruut op grond van artikel 2 lid 2 van de opleidingsovereenkomst gedurende de tijd van de opleiding in aanmerking kwam voor een vergoeding van de Staat naar ratio van schaal 9 van de ambtenarenbezoldigings–reeks.

Uit het voorgaande volgt dat de Staat terecht heeft aangevoerd dat de bepalingen van de Personeelswet en het Politiehandvest niet op [verzoeker] van toepassing zijn. [verzoeker] is derhalve niet bevoegd om de onderhavige vordering bij het hof in te stellen.

5. De beslissing
Het hof:
Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in de onderhavige vordering.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 07 augustus 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend–griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2020-45

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-2038
17 december 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

HOEFDRAAD, GILMORE ANDRÉ MSc., gewezen Minister van Financiën,
wonende aan de Eusieweg no. 40 te Paramaribo,

eiser,
hierna te noemen: Hoefdraad,
gemachtigden: mr. I.S. Lalji, mr. F.F.P. Truideman, mr. M. Dubois, allen advocaten,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN,
B. DE STAAT SURINAME, met name DE NATIONALE ASSEMBLÉE,
C. DE STAAT SURINAME, met name HET OPENBAAR MINISTERIE,
allen in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagden,
hierna te noemen, respectievelijk BIZA, DNA en OM,
gemachtigde van BIZA en OM: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,
gemachtigde van DNA: mr. A.E. Veldman, advocaat.

  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift dat op 11 augustus 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis die is genomen op 27 augustus 2020;
  • de conclusie van antwoord aan de zijde van BIZA en OM, met producties;
  • de conclusie van antwoord aan de zijde van DNA, met producties;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek aan de zijde van BIZA en OM, met producties;
  • de conclusie van dupliek aan de zijde van DNA, met producties;
  • de conclusie tot uitlating.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Hoefdraad heeft gedurende 2015 – 2020 het ambt van Minister van Financiën bekleed.

2.2 Op 23 april 2020 heeft de Procureur-Generaal (hierna afgekort PG) een vordering ex artikel 2 lid 1 van de Wet in Staat van Beschuldigingstelling en Vervolging Politieke Ambtsdragers (hierna afgekort WBVPA) bij DNA ingediend om Hoefdraad in staat van beschuldiging te stellen. De PG heeft in zijn begeleidend schrijven, krachtens welke hij de vordering heeft aangeboden c.q. ingediend, onder meer het volgende vermeld:

(…)

Overeenkomstig artikel 3 van voornoemde wet wordt u, hierbij aangeboden een opgave van de verdenking van gepleegde misdrijven alsmede de wettelijke bepalingen aangaande de strafbaarstelling van voormelde misdrijven. De opgave als boven bedoeld met bijbehorende producties, is vervat in een ambtsedig proces-verbaal d.d maandag 20april 2020, opgemaakt en afgesloten door de heer …), Hulpofficier van Justitie.

Ik moge u opmerkzaam maken dat, overeenkomstig artikel 10 van voormelde wet, De Nationale Assemblée beraadslaagt en besluit, omtrent de onderhavige vordering tot het in staat van beschuldiging stellen van voornoemde minister.

Van uw besluit als boven aangehaald vernemen wij per ommegaande van u, teneinde het Openbaar Ministerie in staat te stellen voort te gaan met een vordering gerechtelijk vooronderzoek, tegen voornoemde minister welke alsdan zal worden ingediend bij de Rechter Commissaris belast met de behandeling van strafzaken.”

2.3 Op 13 mei 2020 heeft DNA een hoorcommissie benoemd, die belast werd met het horen van Hoefdraad ter zake het verzoek van de PG. DNA heeft Hoefdraad in kennis gesteld van het verzoek van de PG om hem in staat van beschuldiging te stellen. De hoorcommissie heeft Hoefdraad in de gelegenheid gesteld zich ter zake de vordering van PG uit te laten, hetgeen Hoefdraad op 13 mei 2020 middels verweerschrift heeft gedaan.

In het verweerschrift stelt Hoefdraad zich op het standpunt dat het algemeen belang voorop dient te staan en dat afwijzing van de vordering van de PG op die grond gerechtvaardigd is. Aan het eind van het verweerschrift heeft hij verder het volgende betoogd: “In dit verband stel ik mij op het standpunt dat continuering van het bestuur van Suriname van eminent belang is. Dat is in het bijzonder het geval in deze moeilijke tijden van het Corona-pandemie en het daaraan gekoppelde belang te zorgen voor economisch en financieel herstel. Nu kort voor de verkiezingen een nieuwe bewindsman als minister van financiën aan te stellen zal een ontwrichtend effect hebben. Een regerings- en bestuurscrisis kan Suriname zich zeker op dit moment niet veroorloven”.

2.4 Vervolgens heeft DNA beraadslaagd en afwijzend beslist op de vordering van de PG. De PG heeft ter zake dit besluit geen mededeling van DNA ontvangen.

2.5 Op 20 juli 2020 heeft de PG een hernieuwde vordering tot het in staat van beschuldiging stellen van Hoefdraad bij DNA ingediend. De hernieuwde vordering heeft de PG middels een begeleidend schrijven aan DNA aangeboden, in welk schrijven – voor zover voor de beslissing in de onderhavige zaak van belang – het volgende is vermeld:

Bij brief d.d. 23 april 2020 kenmerk SPG 1026/20 (zie fotokopie aangehecht) heb ik aan de toenmalige voorzitter van de Nationale Assemblee mw (…) doen toekomen een vordering tot het in staat van beschuldiging stellen van de toen in functie zijnde Minister van Financiën de heer Hoefdraad, Gillmore Andre.

Uit mediaberichten vernam ik van de behandeling van de vordering in De Nationale Assemblee (DNA) en het genomen besluit.

Nimmer heb ik op mijn voormelde brief/vordering antwoord gekregen van de DNA voorzitter zoals bepaald in artikel 10 van de Wet in Staat van Beschuldigingstelling en Vervolging Politieke Ambtsdragers (S.B. 2001 no. 72 zoals gewijzigd bij SB 2007 no 101) en moge ik u derhalve vragen mij alsnog formeel te antwoorden op de bovenaangehaalde brief/vordering.

Gelet evenwel op de factor tijd en de stand van het onderhavig strafrechtelijk onderzoek alsook mede uitgaande van de media berichten omtrent de afwijzing van de voormelde vordering door De Nationale Assemblee, bied ik u hierbij een hernieuwd verzoek aan tot het in staat van beschuldiging stellen van de bovengenoemde gewezen minister van Financiën e.e.a op grond van het bepaalde in artikel 2 lid 1 e.v. van de boven aangehaalde wet.

De gronden van voormelde vordering zijn ongewijzigd gebleven terwijl bij de voortzetting van het strafrechtelijk onderzoek inmiddels een medewerker van de Centrale Bank van Suriname eveneens als verdachte is aangemerkt.

Aan deze hernieuwde vordering is overeenkomstig artikel 3 van de voormelde wet wederom voor gekozen om een opgave te doen van de verdenking van gepleegde misdrijven alsmede de wettelijke bepalingen aangaande de strafbaarstelling van de bedoelde misdrijven.

Aan de opgave als boven aangehaald zijn producties toegevoegd zoals vervat in een proces-verbaal d.d. 20 juli 2020 ambtsedig opgemaakt en afgesloten door dhr. D. (…), Hulpofficier van Justitie, van welk proces-verbaal met bijlagen een exemplaar hierbij is aangehecht en naar de inhoud waarvan ter bekorting wordt verwezen.

In het belang van de voortzetting van het strafrechtelijk onderzoek en overeenkomstig artikel 10 van de voornoemde wet, vraag ik u om mij per ommegaande in kennis te stellen van het besluit van De Nationale Assemblee aangaande deze vordering.”

2.6 Op 22 juli 2020 heeft DNA Hoefdraad in kennis gesteld van de hernieuwde vordering van de PG, en wel middels betekening daarvan door een deruwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname. Ook de gemachtigde(n) van Hoefdraad is (zijn) van de hernieuwde vordering in kennis gesteld.

2.7 Op 28 juli 2020 heeft (hebben) de gemachtigde(n) van Hoefdraad namens hem een schrijven d.d. 28 juli 2020 aan DNA gericht ter zake de hernieuwde vordering van de PG. In dat schrijven staat, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer het volgende vermeld:

(…)

Een tweede behandeling van dezelfde vordering is in strijd met het Reglement van Orde voor de Nationale Assemblée (“het Reglement”)

De PG biedt in zijn brief van 20 juli 2020 een “hernieuwd verzoek aan tot het in staat van beschuldiging stellen van de bovengenoemde gewezen Minister van Financiën (…)”. De PG erkent dat het hernieuwde verzoek tot in beschuldiging stellen identiek is aan het reeds door DNA afgewezen verzoek. Immers, zoals de PG stelt: “De gronden van voormelde vordering zijn ongewijzigd gebleven (…)”.

Wij stellen ons op het standpunt dat DNA een tweede vordering, die identiek is aan de reeds afgewezen vordering, niet in behandeling zou moeten nemen, om twee nader toe te lichten redenen.

In de eerste plaats, DNA heeft in deze kwestie reeds gesproken en haar besluiten dienen te worden gerespecteerd en nageleefd.

De Wet van 2001 biedt geen enkel aanknopingspunt voor het kennelijke standpunt van de PG dat hij een identieke vordering tot het in staat van van beschuldiging stellen, die eerder is afgewezen, nog een keer zou mogen indienen.

Verder is art. 59 van het Reglement van Orde van uw college helder:

“ Op eenmaal genomen besluiten wordt niet teruggekomen, tenzij op grond van gewichtige redenen in ’s Lands belang of nieuw opgekomen omstandigheden die bij het nemen van het besluit niet bekend waren, en indien bekend tot een ander oordeel zouden hebben kunnen leiden.”.

De hernieuwde vordering van de PG kan echter niet anders worden gezien als een nadrukkelijk beroep op DNA om juist wel terug te komen op een eerder genomen besluit. De vordering rept echter niet over gewichtige redenen in ’s Lands belang die hiertoe zouden nopen en de hernieuwde vordering onderstreept zelf dat er van nieuw opgekomen omstandigheden geen sprake is – de hernieuwde vordering rust op exact dezelfde gronden als de reeds afgewezen vordering.

Behandeling van de hernieuwde vordering komt daarom dan ook naar de overtuiging van ons in strijd met Art. 59 van het Reglement van Orde van DNA.

(…)

Een tweede behandeling van dezelfde vordering is in strijd met het strafvorderlijk ne-bis-in-idem begisel

De tweede reden waarom DNA de hernieuwde vordering van de PG niet in behandeling zou moeten nemen is gegrond in het ne-bis-in-idem beginsel. Dit houdt in dat een verdachte na beëindiging van diens vervolging niet opnieuw voor hetzelfde strafbare feit vervolgd mag worden.

Op basis van de Wet van 2001 ligt het vervolgingsmonopolie in het geval van ambtsdragers bij DNA.

(…)

Wij stellen ons op het standpunt dat vanwege vervolgingsmonopolie van DNA bij ambtsdragers, die daarmee in de plaats treedt van in andere gevallen door het OM te nemen vervolgingsbeslissingen, deze bepalingen op onze client van toepassing zijn. Er is in zijn geval sprake van a. een besluit tot niet-vervolging (afwijzing door DNA van de vordering tot in staat van beschuldiging stellen die op 23 april 2020 is ingediend); b. kennisgeving van dit besluit door publieke besluitvorming en alle media-aandacht.

Hiermee is gelet op het samenstel van art. 222 lid 2 en art. 226 lid 1 van het Wetboekvan Strafvordering de zaak tegen onze cliënt geëindigd. Dit betekent dat het OM de hernieuwde vordering niet had mogen indienen en dat DNA ook op deze grond deze onrechtmatige vordering niet in behandeling zou moeten nemen.

Conclusie

Gelet op bovenstaande geven wij uw college in overweging om de hernieuwde vordering van de Procureur-Generaal mr. R. Baidjnath Panday d.d. 20 juli 2020 niet in behandeling te nemen.”

2.8 Op 28 juli 2020 heeft DNA een Commissie benoemd die advies aan haar moest uitbrengen over de verdere behandeling van de hernieuwde vordering. Deze Commissie is op twee momenten bij elkaar gekomen, laatstelijk op 04 augustus 2020 opdat de voorzitter en leden van deze Commissie hun standpunten over de hernieuwde vordering konden kenbaar maken.

2.9 Op 04 augustus 2020 heeft de hiervoor genoemde Commissie in huishoudelijke vergadering het hierna volgende aan DNA geadviseerd ter zake de vordering van de PG:

– Conform artikel 8 van de Wet in Staat van Beschuldigingstelling en Vervolging Politieke Ambtsdragers, zal er geen onderzoekscommissie worden ingesteld. De commissie zoals opgenomen in aritkel 8 lid 1 van bovengenoemde wet zal een advies uitbrengen aan De Nationale Assemblee omtrent de hernieuwde vordering;

– dat artikel 59 van het Orde Reglement niet van toepassing is, vanwege het feit dat het een hernieuwde vordering betreft en geen heroverweging is van de afgewezen vordering; de hernieuwde vordering is dus niet in strijd met artikel 59 van het Orde Reglement;

– na bestudering van het verweer die gevoerd was door de gewezen Minister terzake de afgewezen vordering d.d. woensdag 13 mei 2020, heeft de Commissie besloten om de gewezen minister niet meer te laten horen door De Nationale Assemblee met betrekking tot de hernieuwde vordering. De Commissie stelt dat de gewezen Minister van Financien voldoende feiten heeft aangedragen in zijn verweer, die beoordeeld kunnen worden door De Nationale Assemblée;

– In zowel politiek-bestuurlijk opzicht alsook het algemeen belang acht de Commissie het nodig dat de in de staat van beschuldiging stelling van de gewezen bewindsman moet worden voortgezet;

– De Commissie stelt voor om over te gaan tot de behandeling van de hernieuwde vordering inzake het in staat van beschuldiging stellen van de gewezen bewindsman in een openbare plenaire vergadering (…)”.

2.10 Op 06 augustus 2020 heeft DNA in openbare vergadering bij meerderheid van stemmen op de vordering van de PG beslist en heeft de vordering toegewezen.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Hoefdraad vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle uren en dagen,:

1) schorst althans opschort het advies c.q. het besluit van de hoorcommissie en het eindbesluit van de openbare vergadering van DNA genomen op
06 augustus 2020 waarbij Hoefdraad ten aanzien van de tweede vordering van de Procureur-Generaal in staat van beschuldiging is gesteld, zonder hem te horen ten aanzien van de verweten feiten in afwachting van de beslissing van de gewone bodemrechter en wel totdat bij in kracht van gewijsde gegane vonnis over de rechtmatigheid van het advies van de hoorcommissie en het eindbesluit van DNA is beslist;

2) BIZA, DNA en OM, elk voor zich gelast het vonnis te gehengen en gedogen;

3) OM expliciet veroordeelt het eindbesluit als genoemd in punt 1 van het petitum te gehengen en te gedogen en OM verbiedt tot het overgaan van enige daad van opsporing en vervolging jegens Hoefdraad danwel enige aangevangen daad van opsporing en vervolging jegens Hoefdraad op grond van het eindbesluit als genoemd in punt 1 van het petitum onmiddellijk te staken;

4) het gevorderde onder 1 tot en met 3 onder verbeurte van een dwangsom van SRD 100.000,- per dag voor iedere dag dat Biza, DNA en OM, elk voor zich in strijd met het vonnis handelen;

5) BIZA, DNA en OM, elk voor zich, veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 Hoefdraad legt aan zijn vordering ten grondslag dat het door DNA gegeven advies en het op 06 augustus 2020 op de openbare vergadering van DNA genomen besluit op de vordering van de PG nietig zijn en dat BIZA, DNA en OM onrechtmatig jegens hem handelen. Daartoe stelt Hoefdraad, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • BIZA, DNA en OM hebben in strijd gehandeld met artikel 59 van het Reglement van Orde van De Nationale Assemblee (hierna aangeduid als het Reglement) en het ne bis in idem- beginsel geschonden;
  • DNA heeft in strijd gehandeld met het hoorrecht dat verplicht is gesteld in artikel 8 lid 2 van WBVPA en een essentieel onderdeel is van enige vordering die OM bij DNA indient;
  • hij heeft zich aan geen enkel strafbaar feit schuldig gemaakt, omdat alle handelingen van hem in staats belang en in algemeen belang zijn geschied;
  • DNA heeft niet conform artikel 48 en 49 van het Reglement beraadslaagd over de vordering.

3.3 BIZA, DNA en OM hebben elk afzonderlijk verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

  1. De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1 Het spoedeisend belang, dat niet voldoende gemotiveerd door BIZA, DNA en OM is weersproken, is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter. Hoefdraad wordt daarom ontvangen in het kort geding.

Gewezen politieke ambtsdrager

4.2 De kantonrechter stelt vast dat Hoefdraad ingevolge artikel 1 lid 1 sub d juncto artikel 1 lid 1 sub c WBVPA, vanwege de uitoefening van het ambt van minister gedurende 2015 – 2020, als een gewezen politieke ambtsdrager dient te worden aangemerkt. Mitsdien zijn de bepalingen die zijn neergelegd in WBVPA op hem van toepassing.

Formeel- c.q. onbevoegdheidverweer

4.3 BIZA, DNA en OM betogen bij wege van formeel verweer, met het oog op niet ontvankelijk verklaring van Hoefdraad in zijn vordering, dat de kort gedingrechter onbevoegd is van de onderhavige vordering kennis te nemen. Daartoe voeren zij – verkort en zakelijk weergegeven – aan, dat Hoefdraad de gronden waar hij zich op beroept aan de strafrechter dient voor te leggen en niet aan de civiele rechter, oftewel de kortgedingrechter. Volgens hun betoog is met het in staat van beschuldiging stellen een strafproces ingeleid en niet een civiel proces. Hoefdraad daarentegen stelt zich op het standpunt dat het hoorrecht waarop hij aanspraak maakt is geschonden, zodat de kantonrechter in kort geding wel bevoegd is van de onderhavige zaak kennis te nemen.

4.4 In het licht van het door BIZA, DNA en OM opgeworpen formeel c.q. onbevoegdheidsverweer, stelt de kantonrechter het volgende voorop. Het door DNA genomen besluit op de hernieuwde vordering van de PG, welke betrekking heeft op Hoefdraad, dient te worden aangemerkt als een bestuursrechtelijk besluit. Dit, omdat de PG als vervolgingsautoriteit en Hoefdraad als gewezen politieke ambtsdrager geen leden van DNA zijn en zij ten opzichte van DNA als derden dienen te worden aangemerkt die elk een belang te verdedigen hebben. Enerzijds heeft Hoefdraad een persoonlijk belang te verdedigen en wel om niet vervolgd te worden, anderzijds heeft de PG c.q. OM een algemeen maatschappelijk belang op het gebied van de vervolging te verdedigen.

Ingevolge artikel 10 van de Grondwet van de Republiek Suriname heeft een ieder – zoals Hoefdraad terecht stelt – bij aantasting van zijn rechten en vrijheden aanspraak op een eerlijke en openbare behandeling van zijn klacht binnen een redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Zoals uit de stellingen van Hoefdraad blijkt, beroept hij zich op schending van zijn vermeend hoorrecht. Het hoorrecht is op het gebied van het bestuursrecht inherent aan het beginsel van hoor en wederhoor. Dit beginsel van hoor en wederhoor dient elk bestuursorgaan bij het nemen van alle bestuursrechtelijke besluiten in acht te nemen, omdat bij het niet in acht nemen hiervan de belangen van rechtstreeks belanghebbenden kunnen worden geschaad.

Zoals reeds hiervoor is overwogen, dient het door DNA genomen besluit op de hernieuwde vordering van de PG te worden aangemerkt als een bestuursrechtelijk besluit. Hieruit volgt dat DNA dit beginsel van hoor en wederhoor dat inherent is aan het hoorrecht in acht dient te nemen bij de totstandkoming van bedoelde bestuursrechtelijk besluit. Nu Hoefdraad zich in zijn hoorrecht voelt aangetast, acht de kantonrechter in kort geding zich wel bevoegd van de onderhavige vordering kennis te nemen. Dat inmiddels een strafrechtelijke procedure is ingeleid, doet niet ter zake.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, verwerpt de kantonrechter het door BIZA, DNA en OM opgeworpen formeel c.q. onbevoegdheidsverweer.

Ne bis in idem-beginsel

4.5 Volgens het stanpunt van Hoefdraad is de vordering die de PG heeft ingediend indentiek aan de afgewezen vordering, hetgeen ingevolge artikel 59 van het Reglement verboden is en in strijd is met het ne bis in idem- beginsel. BIZA, DNA en OM delen dit standpunt niet en betogen in dat licht dat WBVPA geen verbod aan de PG oplegt tot het doen van een hernieuwde vordering tot het in staat van beschuldiging stellen. Ter onderbouwing van dit betoog, beroepen zij zich op het bepaalde in artikel 4 WBVPA.
Voorts betogen zij dat WBVPA een lex specialis is, terwijl het Reglement een lex generalis is, waaruit voortvloeit dat artikel 4 WBVPA voorrang geniet boven artikel 59 van het Reglement, zodat laatst vermeld artikel buiten beschouwing dient te worden gelaten.

4.6 De kantonrechter stelt ter zake dit geschilpunt het volgende voorop. Het ne bis in idem- beginsel houdt in, een verbod om – anders dan via het instellen van een rechtsmiddel – jegens dezelfde wederpartij een herhaalde vordering van gelijke inhoud en strekking in te stellen, welke een wettelijke grondslag dient te hebben. Dit beginsel is voor wat betreft strafrechtelijke procedures neergelegd in artikel 94 van het Wetboek van Strafrecht. Voor wat betreft de procedure inzake vorderingen tot het in staat van beschuldiging stellen in de zin van WBVPA, welke procedure naar haar aard als een bestuursrechtelijke procedure dient te worden aangemerkt, is er naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen wettelijk verbod aan de PG opgelegd om – voor zover de hernieuwde vordering als een identieke vordering dient te worden aangemerkt – dezelfde vordering in te stellen. Dat zulks het geval is, leidt de kantonechter af uit de artikelen 2 lid1 en 4 lid 1 WBVPA. Deze twee artikelen luiden onder meer als volgt:

Artikel 2 lid 1 WBVPA:

1. De vordering tot het in staat van beschuldiging stellen van politieke ambtsdragers of gewezen politieke ambtsdragers wordt aan De Nationale Assemblée gedaan door de Procureur-Generaal.”

Artikel 4 lid 1 WBVPA:

Op iedere vordering tot het in staat van beschuldigingstellen van een politieke ambtsdrager of gewezen politieke ambtsdrager wordt binnen negentig dagen na de indiening daarvan een eindbesluit genomen.

Uit het woord “iedere vordering” in artikel 4 lid 1 WBVPA blijkt, zoals BIZA, DNA en OM terecht betogen, dat DNA op iedere vordering van de PG dient te beslissen. Bovendien is in WBVPA geen enkele wettelijke bepaling opgenomen die de PG en de politieke ambtsdrager of gewezen politieke ambtsdrager de mogelijkheid biedt om in beroep te gaan tegen een door DNA genomen besluit op een vordering tot het in staat van beschuldiging stellen.

4.7 Voor zover Hoefdraad beoogt te stellen dat DNA geen anders luidende beslissing mocht nemen dan de beslissing op de eerste vordering, is de kantonrechter van oordeel dat slechts DNA de bevoegdheid toekomt om hierover inhoudelijk te oordelen. Zoals uit de inhoud van het op 04 augustus 2020 uitgebracht adviesrapport blijkt, heeft de commissie in huishoudelijke vergadering overwogen dat het nemen van een besluit op de hernieuwde vordering van de PG geen heroverweging is van de afgewezen vordering, zijnde de eerste vordering die de PG op 23 april 2020 bij DNA had ingediend. Nu DNA de wettelijke plicht heeft om hierover te oordelen en ook hierover heeft geoordeeld, zal de kantonrechter het ervoor moeten houden dat in casu geen sprake is van een terugkomen op een eerder genomen besluit en aldus geen sprake is van strijdigheid met artikel 59 van het Reglement. Dit, omdat WBVPA geen mogelijkheid biedt aan de PG en de politieke ambtsdrager of gewezen politieke ambtsdrager om in beroep te gaan tegen het besluit van DNA op de vordering van de PG inzake het in staat van beschuldiging stellen. Uit het bovenstaande volgt, dat evenmin sprake kan zijn van schending van het ne bis in idem-beginsel, welk beginsel in strafrechtelijke procedures geldt.

Het hoorrecht in de zin van ABVPA

4.8 DNA, BIZA en OM weerspreken het hoorrecht van Hoefdraad te hebben geschonden. In dat licht betogen zij dat DNA op grond van artikel 7 WBVPA de keus heeft om te bepalen of de vordering tot het in staat van beschuldiging stellen voor onmiddellijke beslissing vatbaar is. Voorts betogen zij dat volgens de redactie van artikel 8 lid 1 WBVPA de hoorplicht ontstaat als er een nader onderzoek wordt ingesteld en dat de commissie die was ingesteld, een commissie is in de zin van artikel 10 van het Reglement en niet een commissie van onderzoek in de zin van artikel 8 WBVPA.

4.9 Ter zake dit geschilpunt zijn de artikelen 7 en 8 WBVPA van belang.

In artikel 7 WBVPA is het volgende neergelegd:

“ De Nationale Assemblée overweegt in vergadering bijeen of de vordering, zoals bedoeld in de artikelen 2 en 3 voor onmiddellijke beslissing vatbaar is dan wel een nader onderzoek nodig is.”

In artikel 8 WBVPA is het volgende neergelegd:

  1. Indien De Nationale Assemblée besluit tot het instellen van een nader onderzoek, stelt zij de stukken in handen van een Commissie van Onderzoek door haar daartoe aan te wijzen.
  2. De Nationale Assemblée stelt in het geval genoemd in lid 1 de betreffende politieke ambtsdrager of de gewezen politieke ambtsdrager in de gelegenheid om te worden gehoord.
  3. Ingeval ingevolge lid 1 van dit artikel een Commissie van Onderzoek is benoemd geschiedt het horen van de politieke ambtsdrager of gewezen politieke ambtsdrager door die Commissie.
  4. Is een dergelijke Commissie niet benoemd dan wijst De Nationale Assemblée een Commissie aan die met het horen als voormeld wordt belast en stelt zij daartoe aan die Commissie de stukken ter beschikking.”

In samenhang met deze artikelen dient te worden gelezen de toelichting op artikel 3 WBVPA op pagina 11, waarin voor zover voor de beslissing in de onderhavige zaak van belang, het volgende staat vermeld:

De strekking van deze bepaling is vooreerst aan De Nationale Assemblee de gelegenheid te bieden om zich een oordeel te vormen over de vraag of het in deze inderdaad een misdrijf betreft in de uitoefening van zijn ambt door de politieke ambtsdrager gepleegd.

(…)

Voorts is de strekking van deze bepaling om, mede in verband met het bepaalde in artikel 6, de politieke ambtsdrager of gewezen politieke ambtsdrager de gelegenheid te bieden zich terzake voor te bereiden, indien en voorzover hij gehoord zou worden als aangegeven in artikel 8.”

De kantonrechter leidt uit de inhoud van deze artikelen en de geciteerde toelichting af, dat het hoorrecht pas aan de orde komt als DNA het besluit neemt om een nader onderzoek in te stellen door een daartoe in te stellen commissie van onderzoek voor het vergaren van informatie. Gebleken is dat er geen commissie van onderzoek is ingesteld, doch een commissie van horen die tot taak had om advies over de hernieuwde vordering van de PG uit te brengen. Het bovenstaande leidt tot de voorlopige slotsom dat, zoals BIZA, DNA en OM terecht opwerpen, van een nader onderzoek bij de hernieuwde vordering geen sprake is geweest en van het toekomen van enig hoorrecht aan Hoefdraad evenmin sprake kan zijn. Zoals blijkt uit de inhoud van de ten processe overgelegde producties, met name de beraadslagingen van gehouden huishoudelijke vergadering d.d. 04 augustus 2020, is het besluit genomen dat nader onderzoek niet nodig is en de hernieuwde vordering onmiddellijk voor een beslissing vatbaar is, hetgeen grondslag vindt in artikel 7 WBVPA.

4.10 Ten overvloede oordeelt de kantonrechter, dat ook al zou Hoefdraad het hoorrecht toekomen, dan nog zou zijn beroep op schending van dit recht niet opgaan, en wel op grond van de hierna volgende overwegingen.
De gemachtigde(n) van Hoefdraad heeft (hebben) op 28 juli 2020 middels een schrijven een reactie gegeven op de hernieuwde vordering van de PG, van welk schrijven de inhoud is weergeven onder 2.7 in dit vonnis. Per diezelfde datum heeft DNA beraadslaagd over de hernieuwde vordering van de PG, bij welke beraadslaging de standpunten van Hoefdraad zoals vervat in de brief van 28 juli 2020 zijn meegenomen. Dit schrijven van de gemachtigde(n), dient naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter te worden aangemerkt als een vorm van verweer die namens Hoefdraad is gevoerd tegen de hernieuwde vordering van de PG. In het schrijven maak (maken) de gemachtigde(n) van Hoefdraad ondubbelzinnig kenbaar dat de PG geen hernieuwde vordering mocht indienen, DNA de hernieuwde vordering niet in behandeling mocht nemen en dat DNA de PG niet zou moeten ontvangen in de vordering. De kantonrechter constateert dat de gemachtigde(n) van Hoefdraad in het schrijven, dan wel bij het kenbaar maken van zijn (hun) standpunt(en), zich geen enkele moeite heeft (hebben) getroost om het voorbehoud te maken om alsnog gebruik te maken van het aan Hoefdraad vermeend toekomend hoorrecht. Hoefdraad heeft naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter vanwege het niet maken van dit voorbehoud zijn vermeend hoorrecht verwerkt.

Beraadslaging over de hernieuwde vordering

4.11 Voor wat betreft het standpunt van Hoefdraad dat DNA bij de beraadslaging over de vordering van OM het bepaalde in artikel 48 en 49 van het Reglement niet in acht genomen, is de kantonrechter van oordeel dat zulks een interne aangelegenheid is tussen DNA en haar leden. Hoefdraad kan zich daarom niet niet beroepen op deze interne regelingen van DNA die zijn neergelegd in het Reglement.

Conclusie

4.12 Op grond van hetgeen onder 4.5 tot en met 4.11 is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat het beroep van Hoefdraad op nietigheid van het door DNA genomen besluit op de hernieuwde vordering van de PG niet opgaat. Van een onrechtmatig handelen gepleegd jegens Hoefdraad is geen sprake, zodat de gevorderde voorzieningen als ongegrond zullen worden geweigerd.

Proceskosten

4.13 Hoefdraad zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt Hoefdraad in de proceskosten die aan de zijde van BIZA, DNA en OM zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag

17 december 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste

Kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-K1-2020-44

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-3768
11 december 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [naam 1], in de hoedanigheid van lid van de politieke vereniging “Nationale Partij Suriname,
B. [naam 2], in de hoedanigheid van lid van de politieke vereniging “Nationale Partij Suriname,
C. [naam 3] , in de hoedanigheid van lid van de politieke vereniging “Nationale Partij Suriname,
D. MARENGO, ORPHEU, in de hoedanigheid van lid en hoofdbestuurslid van de politieke vereniging “Nationale Partij Suriname,
E. RENFURM-COUTHINO, RUTH, in de hoedanigheid van lid en hoofdbestuurslid van de politieke vereniging “Nationale Partij Suriname,
F. NESLO, SILENTA MARTHA CELESTE PETRA, in de hoedanigheid van lid en hoofdbestuurslid van de politieke vereniging “Nationale Partij Suriname,
G. [naam 4], in de hoedanigheid van lid van de politieke vereniging “Nationale Partij Suriname,
allen domicilie kiezende aan de Duikelaarstraat no. 12 te Paramaribo bij North West Legal,
eisers,
gemachtigde: mr. A.C.A. Karg, advocaat,

tegen

A. RUSLAND, GREGORY, in de hoedanigheid van hoofdbestuurslid van de politieke vereniging “Nationale Partij Suriname,
wonende aan [adres 1],
B. PAWIROREDJO, JERREL, in de hoedanigheid van hoofdbestuurslid van de politieke vereniging “Nationale Partij Suriname,
wonende aan [adres 2],
C. FATEHMOHAMED, IRSHAAD MOHAMED, in de hoedanigheid van hoofdbestuurslid van de politieke vereniging “Nationale Partij Suriname,
wonende aan [adres 3],
D. LEMMOB-ETNEL, PATRICIA, in de hoedanigheid van hoofdbestuurslid van de politieke vereniging “Nationale Partij Suriname,
wonende aan [adres 4],
E. LAU, SIE MAN, in de hoedanigheid van hoofdbestuurslid van de politieke vereniging “Nationale Partij Suriname,
wonende aan [adres 5],
F. ABAUNA, LEENDERT, in de hoedanigheid van hoofdbestuurslid van de politieke vereniging “Nationale Partij Suriname,
wonende in [district] ([dorp]/[ gebied]),
G. DAAN, ROSELINE, in de hoedanigheid van hoofdbestuurslid van de politieke vereniging “Nationale Partij Suriname,
wonende aan [adres 6],
H. HOEVER, DOROTHY ELAINE, in de hoedanigheid van hoofdbestuurslid van de politieke vereniging “Nationale Partij Suriname,
wonende aan [adres 7],
I. OEMAR, RONNY, in de hoedanigheid van hoofdbestuurslid van de politieke vereniging “Nationale Partij Suriname,
wonende aan [adres 8],
J. PIGOT, HESDY, in de hoedanigheid van hoofdbestuurslid van de politieke vereniging “Nationale Partij Suriname,
wonende aan [adres 9],
K. NATIONALE PARTIJ SURINAME, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Johan Adolf Pengelstraat no. 77 te Paramaribo,
gedaagden,
gemachtigde van allen: mr. G.R. Sewcharan, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het verzoekschrift dat met de producties op 26 november 2020 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die is genomen op 01 december 2020;
– de conclusie van antwoord, met producties;
– de conclusie tot uitlating producties aan de zijde van eisers, bij welke conclusie tot uitlating een productie is overgelegd;
– de conclusie tot uitlating productie aan de zijde van gedaagden.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Gedaagde sub K is een politieke vereniging met rechtspersoonlijkheid.
Het Congres is het hoogste orgaan van gedaagde sub K.
Het Hoofdbestuur vertegenwoordigt gedaagde sub K in en buiten rechte.

2.2 Eisers sub A tot en met D en eiser sub G zijn leden van gedaagde sub K. Eisers sub E tot en met F en gedaagden sub A tot en met J maken deel uit van het Hoofdbestuur van gedaagde sub K.

2.3 Op 22 mei 2016 is er een Congres gehouden. Op dit Congres zijn het huidige Hoofdbestuur van gedaagde sub K, dat onder leiding van gedaagde sub A staat, en het Congresbestuur van gedaagde sub K gekozen, waarbij de zittingstermijn van drie jaren is gewijzigd naar een zittingstermijn van vijf jaren. Het Congresbestuur heeft van het gehouden Congres een proces-verbaal opgemaakt, waarin is vervat het besluit dat de wijzigingen betreffende de zittingstermijn kunnen worden opgenomen in de Statuten en het Huishoudelijk Reglement van gedaagde sub K.

2.4 Op 10 juli 2020 hebben eisers sub A en B in de kort gedingzaak bekend onder A.R. No. 20-1619 een vordering tegen gedaagden ingesteld, inhoudende onder andere om gedaagden te veroordelen hun volledige medewerking te verlenen om uiterlijk binnen negentig dagen na het wijzen van het vonnis een Congres te houden ter verkiezing van het Hoofdbestuur, een Voorzitter en Ondervoorzitter van gedaagde sub K. Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 13 november 2020 zijn eisers niet ontvankelijk verklaard in hun vordering.

2.5 Op 28 oktober 2020 heeft het Hoofdbestuur van gedaagde sub K het besluit genomen om aan het Congres het voorstel te doen om op 06 december 2020 bestuursverkiezingen te houden voor het kiezen van een nieuw Hoofdbestuur en een nieuw Congresbestuur. Ter zake staat het volgende in de notulen vermeld:
“ (…)
2. Mededelingen: Afwezig met bericht S. Nesloo, O. Marengo, R, Cotinho en S. Lau.

Er wordt een discussie gevoerd over het reilen en zeilen binnen het Hoofdbestuur van de partij en het bestuur komt tot de conclusie dat het beter is om verkiezingen voor het HOOFD- en CONGRES bestuur te doen houden. Het voorstel wordt gedaan om het Congresbestuur te naderen voor het houden van de verkiezingen op 6 december 2020. Dit ondanks de termijn van het huidig Hoofd en Congresbestuur in mei 2021 vervalt.
Besluit: unaniem wordt besloten het Congres bestuur te vragen mee te werken om de verkiezingen voor het Hoofd en het Congres bestuur van de NPS op
6 december 2020 te doen plaatsvinden.”

2.6 Op 05 november 2020 heeft het Congresbestuur besloten om de verkiezingen van een nieuw Congres- en Hoofdbestuur op 13 december 2020 te houden.
In de Notulen van de gehouden vergadering van het Congresbestuur staat het volgende vermeld:
(…)
Voorzitter deelt mede dat er een schrijven is ontvangen van het Hoofdbestuur waarin aan het Congresbestuur wordt gevraagd goedkeuring te hechten aan de behoefte voor het houden van een verkiezing voor het Hoofd- en Congresbestuur. Als reden hiervoor wordt opgegeven dat er binnen het Hoofdbestuur een onwerkbare situatie is ontstaan door het disfunctioneren/niet participeren van enkele Hoofdbestuursleden. Ook is het voor het Hoofdbestuur onacceptabel dat bestuursbesprekingen en of besluiten continue voortijdig worden uitgereikt.

Ook de brief afkomstig van de Hoofdbestuursleden O. Marengo, R. Renfurm en S. Neslo – die aan de leden wordt voorgehouden – bevestigt dat de samenwerkingsrelatie binnen het Hoofdbestuur ernstig is verstoord en dit ernstige schade kan berokkenen aan de Partij.

Door het hoofdbestuur is aan het Congresbestuur gevraagd, gezien al het vorengaande, in overweging te nemen de verkiezing voor een nieuw Hoofd- en Congresbestuur – die in de maand mei van het volgend jaar zouden moeten plaatsvinden – eerder uit te schrijven en wel op 6 december a.s.
Na deze toelichting verstrekte informatie geeft de Voorzitter het woord aan de leden ten einde hun mening te verwoorden en tot een besluit te geraken.

Besluiten
Na ampele overwegingen besluit het Congresbestuur niet mee te gaan met het voorstel voor het uitschrijven van de verkiezing voor 6 december a.s maar met in achtneming van de Statuten en overige reglementen van de Partij de verkiezing voor een nieuw Hoofd- en Congresbestuur te doen plaatsvinden op 13 december a.s.”.

2.7 Op 07 november 2020 heeft gedaagde sub K het besluit van het Congresbestuur tot het houden van de verkiezingen als bedoeld onder 2.6, in een dagblad doen publiceren.

2.8 Op 13 november 2020 hebben 7 van de 11 afdelingen van gedaagde sub K kandidatenlijsten ingediend voor een nieuw Congresbestuur en een nieuw Hoofdbestuur van gedaagde sub K.

2.9 Op respectievelijk 22 mei 2016 en 27 mei 2018 heeft het Congres het besluit genomen de Statuten van gedaagde sub K van 20 januari 1996, hierna aangeduid als de Statuten, geheel te wijzigen. De gehele wijziging van de Statuten waartoe het Congres heeft besloten, zijn vervat in een notariële akte d.d. 08 mei 2019. Deze akte hebben alle hoofdbestuursleden, inclusief eisers sub D tot en met F, getekend. Op 16 oktober 2020 zijn de wijzigingen van de Statuten door de President van de Republiek Suriname goedgekeurd en gepubliceerd in het Advertentieblad van de Republiek Suriname.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden op de minuut en op alle dagen en uren:
I. de convocatie d.d. 05 november 2020, althans omstreeks deze periode voor een Congres van politieke vereniging “Nationale Partij Suriname” te houden op 13 december 2020, althans de rechtsgeldigheid daarvan, schorst, dan wel opschort, totdat over de rechtsgeldigheid daarvan door de rechter in een in te stellen bodemprocedure zal zijn beslist;
II. het besluit d.d. 05 november 2020, althans, omstreeks deze periode van het Congresbestuur om een Congres van politieke vereniging “Nationale Partij Suriname” te houden op 13 december 2020 met als agendapunten, “Verkiezingen Hoofdbestuur en Congresbestuur” en al het daarmee verband houdende, althans de rechtsgeldigheid daarvan, schorst, dan wel opschort, totdat over de rechtsgeldigheid daarvan door de rechter in een in te stellen bodemprocedure zal zijn beslist;
III. iedere toekomstige oproeping of bijeenroeping van een Congres van politieke vereniging “Nationale Partij Suriname” met als agendapunten of onderwerp, “Verkiezingen Hoofdbestuur en Congresbestuur” zonder bewijs van medewerking of instemming van de statutaire daartoe aan te zoeken personen of organen, verbiedt;
IV. alle besluiten te nemen of genomen ter gelegenheid van het Congres
d.d .13 december 2020 schorst, danwel opschort, totdat over de rechtsgeldigheid daarvan door de rechter in een in te stellen bodemprocedure zal zijn beslist;
V. voordracht, kandidatuur, bewilliging en benoeming van gedaagde sub A, tot en met J tot Voorzitter, dan wel lid van het Hoofdbestuur van gedaagde sub K opschort totdat in een bodemgeschil over de rechtsgeldigheid daarvan definitief is beslist;
VI. gedaagden A tot en met J ertoe veroordeelt om volledige medewerking te verlenen, althans al hetgeen bevorderlijk mocht zijn te ondernemen, waaronder het verstrekken van eventueel noodzakelijke documenten, het doen van bekendmakingen, ondertekenen van akten, benoemen van deskundigen, evenals overige feitelijke handelingen en rechtshandelingen, om te bewerkstelligen dat uiterlijk binnen negentig dagen, doch binnen niet minder dan zestig dagen na betekening van dit te wijzen vonnis een Congres te houden ter verkiezing van het Congresbestuur, het Hoofdbestuur, een Voorzitter en Ondervoorzitter van gedaagde sub K;
VII. gedaagden en alle organen van gedaagde sub K ertoe veroordeelt om het in deze te wijzen vonnis te gehengen en te gedogen;
VIII.als dwangsom bepaalt, het tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen bedrag van SRD 50.000,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag of iedere keer dat één of meer gedaagden in strijd met de hiervoor verzochte veroordeling handelen.

3.2 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagden onstatutair en onrechtmatig jegens hen handelen, en wel in die zin dat gedaagden in strijd met
het Congresbesluit d.d. 22 mei 2016 en de tot 16 oktober 2020 geldende Statuten van gedaagde sub K heimelijk op de Congres Bestuursvergadering d.d. 05 november 2020 plannen en voorbereidingen hebben getroffen tot het organiseren van spoedverkiezingen voor het Hoofd- en Congresbestuur op 13 december 2020. Daartoe stellen zij onder meer het volgende:
– op grond van het Congresbesluit van 22 mei 2016 was de zittingstermijn van het huidig Hoofd- en Congresbestuur tot vijf jaar verlengd. Reden hiertoe was gelegen in het feit dat de zittingstermijn van het huidig Hoofd- en Congresbestuur ingevolge artikel 15 van de Statuten van 20 januari 1996 van gedaagde sub K uiterlijk 21 mei 2019 zou verstrijken, terwijl de algemene en geheime verkiezingen voor volksvertegenwoordigende lichamen voor de Republiek Suriname op 25 mei 2020 zouden plaatsvinden. Dit besluit tot het blijven aanzitten als Hoofdbestuur dan de statutair toegestane zittingstermijn van 3 jaren is ondemocratisch en in strijd met artikel 15 van de Statuten;
– gedaagden hebben voor de mogelijkheid tot het indienen van kandidaatlijsten een kortere termijn (twee weken) gehanteerd, dan de termijn die is voorgeschreven in artikel 12, 26 en 32 van de Statuten, artikel 8 en 16 van het Huishoudelijk Reglement en artikel 20 van het Kiesreglement;
– eisers droegen geen kennis van de Statutenwijziging van gedaagde sub K die op 16 oktober 2020 gerealiseerd en rechtsgeldig is geworden, omdat gedaagden dit voor hen had verzwegen;
– gedaagden voldoen aan de vereisten voor verkiesbaarheid tot het Hoofdbestuur en Congresbestuur, doch worden zij door de onstatutaire gedragingen van gedaagden belemmerd in hun rechten om zich kandidaat te stellen; met name was de duur voor het afhalen van gewaarmerkte kandidaatlijsten en bewilligingsformulieren, die vereist zijn voor geldige kandidaatstelling, slechts van maandag 9 november 2020 tot en met woensdag 21 november 2020 open gesteld.

3.2 Gedaagden hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover het voor de beslissing van belang is, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
Spoedeisend belang
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit het feit dat de bijzondere algemene vergadering van het Congres van gedaagde sub K en de vergadering van het Congres ter verkiezing van een nieuw Hoofdbestuur en Congresbestuur van gedaagde sub K op zondag 13 december 2020 zal plaatsvinden. Mitsdien worden eisers in het kort geding ontvangen.

Zittingstermijn van het huidig Hoofd- en Congresbestuur
4.2 De kantonrechter begrijpt uit het betoog van eisers, dat zij het op 22 mei 2016 genomen Congresbesluit tot verlenging van de zittingsduur van het huidig Hoofd- en Congresbestuur in strijd met de Statuten achten en dat reeds vóór het verstrijken van de duur van de zittingstermijn de verkiezingen van een Hoofd- en Congresbestuur gehouden moesten worden.
De kantonrechter constateert, dat ondanks eisers het Congresbesluit onstatutair achten, zij zich toch erop beroepen dat de verkiezingen conform het Congresbesluit op 21 mei 2021 dienen plaats te vinden. Dit maakt het betoog van eisers volstrekt onbegrijpelijk, zodat de kantonrechter zal voorbijgaan aan dit betoog van eisers en het ervoor zal aannemen dat het op 22 mei 2016 genomen Congresbesluit niet in strijd met de Statuten is geschied en aldus rechtsgeldig is. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat eisers gedurende
22 mei 2016 tot en met het verstrijken van de zittingstermijn op 21 mei 2019 de mogelijkheid hadden om het Congres besluit juridisch aan te vechten. Nu zij zulks hebben nagelaten wordt die fase als een gepasseerd station aangemerkt.

Rechtsgeldigheid wijziging van de Statuten
4.3 Cruciaal voor de verdere beoordeling in de onderhavige zaak, is de beantwoording van de vraag of de Statuten van gedaagde sub K rechtsgeldig zijn gewijzigd.
De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van eisers dat de wijziging van de Statuten van gedaagde sub K niet op een rechtsgeldige wijze heeft plaatsgevonden en zij deze daarom niet rechtsgeldig achten. In reactie hierop voeren gedaagden aan dat de Statuten op 22 mei 2016 en 27 mei 2018 geheel zijn gewijzigd, waarbij de zittingsperioden van het Hoofd- en Congresbestuur zijn gewijzigd van drie naar vijf jaren. De gehele wijziging van de Statuten is volgens het verdere betoog van gedaagden, reeds door de President van de Republiek Suriname goedgekeurd en gepubliceerd in het Advertentieblad van de Republiek Suriname en dragen eisers allen hiervan kennis. Ter staving van hun verweer, beroepen gedaagden zich op een fotokopie van een afschrift van de gewijzigde Statuten welke is verleden ten overstaan van een notaris op 08 mei 2019.

4.4 Voor het beoordelen of de Statuten rechtsgeldig zijn gewijzigd, dient als uitgangspunt het bepaalde in artikel 31 van de Statuten van 20 januari 1996. Daarin is neergelegd dat wijziging van de Statuten alleen kan plaatsvinden door het Congres en wel met een meerderheid van tenminste twee/derde der uitgebrachte stemmen.
Gesteld noch gebleken is dat de wijziging van de Statuten in strijd met deze bepaling heeft plaatsgevonden, zodat de kantonrechter het ervoor zal moeten houden dat de wijziging rechtsgeldig is geschied.

Datum inwerking treden van de wijziging van de Statuten
4.5 Vaststaat dat de wijziging van de Statuten middels goedkeuring door de President van de Republiek Suriname en publicatie daarvan in het Advertentieblad van de Republiek Suriname op 16 oktober 2020 in werking is getreden, zodat de wijziging met ingang van laatst vermelde datum van toepassing wordt geacht. Alhoewel de wijziging van de Statuten met ingang van 16 oktober 2020 van toepassing wordt geacht, maakt dit de toepassing van de wijziging van de zittingstermijn op een veel eerdere datum, te weten
22 mei 2016 niet ongedaan. Dit, omdat – zoals reeds hiervoor onder 4.2 is overwogen – het beroep op ongeldigheid van de verlenging van de zittingstermijn tot vijf jaren al een gepasseerd station is. Daarbij brengt de kantonrechter eisers in herinnering dat – zoals zij zelf hebben gesteld – de verlenging van de zittingstermijn op 22 mei 2016 heeft plaatsgevonden vanwege de Algemene en Geheime verkiezingen die op 25 mei 2020 zouden plaatsvinden en dat gedaagde sub K – waarvan eisers en gedaagden sub A tot en met J allen deel van uitmaken – aan deze verkiezingen heeft deelgenomen.

Het “heimelijk” genomen besluit op de Congresvergadering van 05 november 2020
4.6 Gedaagden weerspreken “heimelijk”op de Congresvergadering een besluit te hebben genomen tot het houden van spoedverkiezingen van het Hoofd- en Congresbestuur. In dat licht voeren zij aan dat het Hoofdbestuur in haar vergadering van 28 oktober 2020 het initiatief heeft genomen om aan het Congres het voorstel te doen voor het doen houden van spoed bestuursverkiezingen, vanwege het wegvallen van het vertrouwen in eisers sub D tot en met F. Eisers sub D tot en met F die kennis van het bovenstaande kennis droegen, waren ook voor deze vergadering uitgenodigd, doch zijn zij niet verschenen voor het bijwonen van de vergadering. Ter staving van dit verweer beroepen gedaagden zich op de notulen ter zake de hiervoor bedoelde vergadering. Voorts voeren zij aan dat zij na de vergadering eisers sub D tot en met F gelijk in kennis hebben gesteld van het besluit dat op deze vergadering is genomen voor het doen van een voorstel aan het Congres tot het houden van spoed bestuursverkiezingen op 06 december 2020.
Uit de inhoud van deze notulen, in het bijzonder uit de mededelingen: “Afwezig met bericht S. Nesloo, O. Marengo, R, Cotinho en S. Lau,valt af te leiden dat eisers sub D tot en met F voor deze vergadering hebben afgezegd. Nu eisers sub D tot en met F ervoor hebben gekozen om af te zeggen voor de vergadering van het Hoofdbestuur, kunnen zij zich naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet met succes erop beroepen dat de Congresvergadering heimelijk is gehouden. Dit brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat van een “ heimelijk” gehouden Congresvergadering geenszins sprake is geweest.

Het al dan niet kennis dragen van de wijziging van de Statuten
4.7 Eisers betogen dat zij er geen kennis van droegen dat de Statuten waren gewijzigd en dat gedaagden de datum van de inwerkingtreding daarvan voor hen hebben verzwegen.
Gedaagden weerspreken gemotiveerd het bovenstaande en voeren daartoe aan dat eisers aanwezig waren op het Congres waar de wijziging is besproken en aangenomen. Voorts voeren gedaagden aan dat eisers zelf in het bezit zijn van de goedgekeurde en gepubliceerde gewijzigde Statuten.
Gelet op het gemotiveerd verweer van gedaagden, is voor de kantonrechter aannemelijk dat eisers kennis droegen van de wijziging van de Statuten en publicatie daarvan. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat de wijziging van de Statuten bij notariële akte d.d. 08 mei 2019 is vastgesteld en eisers sub D tot en met F deze akte, welke volledig en verplicht bewijs oplevert, hebben mede ondertekend.

Schending van de termijnen
4.8 Zoals hiervoor onder 4.3 en 4.4 is overwogen, zijn de Statuten van 20 januari 1996 rechtsgeldig gewijzigd, zodat de gewijzigde Statuten als uitgangspunt zouden moeten dienen voor de beantwoording van de vraag of de termijnen voor het uitschrijven van de verkiezingen en het indienen van kandidaatlijsen zijn geschonden. De kantonrechter stelt vast dat eisers de gevraagde voorzieningen, inclusief het beroep op schending van termijnen, hebben gebaseerd op de Statuten van 20 januari 1996. Dit, terwijl gedaagden bij het uitschrijven van de vervroegde verkiezing en alles rondom de te houden vervroegde verkiezingen, inclusief de in acht te nemen termijnen, hebben gebaseerd op de gewijzigde Statuten. Daar de gewijzigde Statuten niet als uitgangspunt voor eisers hebben gediend, doch de Statuten van 20 januari 1996, is de voorlopige slotsom dat gedaagden niet onstatutair en evenmin onrechtmatig jegens eisers hebben gehandeld. Hieruit volgt dat de gevorderde voorzieningen als ongegrond dienen te worden geweigerd.

4.9 In het licht van hetgeen onder 4.8 is overwogen, neemt de kantonrechter ook het hierna volgende in overweging. Eisers en gedaagden sub A tot en met J hebben elk een eigen visie over het besturen van gedaagde sub K. Dit heeft er kennelijk toe geleid dat al geruime tijd tot en met heden tussen partijen grote spanningen zijn ontstaan, waarbij gedaagden continu onstatutair gedrag en machtsconsolidatie worden verweten. Als gevolg hiervan is kennelijk grote onrust binnen gedaagde sub K ontstaan, met daaruit voortvloeiend de eerder door eisers sub A en B tegen gedaagden ingediende kort gedingzaak bekend onder A.R. No. 20-1619 en de onderhavige kort gedingzaak tussen partijen.
Vanwege de thans ontstane onrust die het besturen van gedaagde sub K onmogelijk schijnt te maken en de schade die hierdoor aan gedaagde sub K wordt berokkend, acht de kantonrechter het uitstellen van de eerder uitgeschreven verkiezingen niet raadzaam.

4.10 De kantonrechter constateert dat partijen goede bedoelingen schijnen te hebben met gedaagde sub K en maakt een voorzichtige inschatting dat na de verkiezingen de onrust binnen gedaagde sub K nog zal blijven bestaan. Daar partijen nog verder met elkaar in zee zullen moeten gaan binnen gedaagde sub K, worden zij aangeraden om middels het inschakelen van een onafhankelijke deskundige, te weten een mediator, de tussen hen bestaande spanningen intern op te lossen. Dit, omdat het niet intern oplossen hiervan nog tot vele andere processen zou kunnen leiden, hetgeen gedaagde sub K nog meer schade zou kunnen berokkenen.

De overige stellingen en weren
4.11 De overige stellingen en weren, die niet relevant worden geacht, behoeven geen bespreking omdat die tot geen andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

Proceskosten
4.12 Daar partijen allen deel uitmaken van gedaagde sub K, zal de kantonrechter de proceskosten tussen partijen compenseren, en wel in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
5.1 Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.2 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op vrijdag 11 december 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-43

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-4744

12 maart 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[EISERES], in haar hoedanigheid van voogdes over de minderjarigen: 1) [kind 1], 2) [kind 2] en 3) [kind 3],
wonende aan [adres 1],
eiseres,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

A. [GEDAAGDE SUB A],
wonende aan [adres 2],
gedaagde,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

B. [GEDAAGDE SUB B],
wonende aan [adres 3],
gedaagde,
procederend in persoon.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 24 januari 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 28 januari 2020;
  • de conclusie van antwoord aan de zijde van gedaagde sub A;
  • de conclusie van antwoord aan de zijde van gedaagde sub B, welke conclusie hij mondeling heeft genomen;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek aan de zijde van gedaagde sub A, met productie;
  • de conclusie van dupliek aan de zijde van gedaagde sub B;
  • de conclusie tot uitlating aan de zijde van eiseres;
  • de rolbeschikking d.d. 30 januari 2020, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • het proces-verbaal van hetgeen partijen ter comparitie van partijen d.d. 06 februari 2020 hebben verklaard;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen aan de zijde van eiseres;
  • de conclusie tot uitlating aan de zijde van gedaagde sub A.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1 Uit de relatie tussen eiseres en gedaagde sub A is op:

1) [geboortedatum 1] te [plaats] geboren: [kind 1],

2) [geboortedatum 2] te [plaats] geboren: [kind 2],
hierna aangeduid als de kinderen.

2.2 Eiseres is bij beschikking van de kantonrechter d.d. 03 juli 2012 in de zaak bekend onder A.R. No. 11-0049, benoemd tot voogdes van de hiervoor genoemde kinderen en gedaagde sub A tot toeziende voogd.

2.3 Uit de relatie tussen eiseres en gedaagde sub B is op [geboortedatum 3] te [plaats] geboren: [kind 3], hierna aangeduid als het kind. Gedaagde sub B heeft het kind erkend op 29 oktober 2015.

2.4 Eiseres heeft thans een nieuwe relatie.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert om, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) gedaagden te gelasten, om daartoe per exploot van de deurwaarder gevraagd zijnde, om binnen 1×24 uren steeds waar nodig mocht blijken, hun medewerking te verlenen in de ruimste zins des woords, opdat de kinderen met haar mogen meereizen naar het buitenland;

b) te bepalen, dat indien gedaagden niet voldoen aan het gevorderde onder a, eiseres bevoegd zal zijn het vonnis in de plaats te stellen van de nodige partij verklaring, dan wel toestemming van gedaagden;

c) één of meer beslissingen te geven, althans voorzieningen te treffen, zoals het de kantonrechter geraden voorkomt.

3.2 Eiseres legt tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende aan haar vordering ten grondslag:

  • zij is voornemens om omstreeks april 2019 te verhuizen naar Nederland, om aldaar haar leven voort te zetten met haar huidige partner en betere levensperspectieven te creëren voor haar en de kinderen;
  • voor het kunnen realiseren van haar doel, heeft zij de medewerking dan wel toestemming van gedaagden nodig, opdat de kinderen met haar kunnen meereizen;
  • gedaagden weigeren hun medewerking te verlenen dat de kinderen met eiseres meereizen, terwijl zij geen enkel te respecteren belang daartoe hebben. Zij is immers alleen belast met de volledige zorg over de kinderen;
  • gedaagden leveren geen wezenlijke bijdrage in de zorg en opvoeding van de kinderen.

3.3 Gedaagden hebben elk afzonderlijk verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt in voldoende mate uit de aard van het gevorderde. Om die reden is eiseres in het kort geding ontvangen.

4.2 Bij conclusie tot uitlating heeft eiseres akte van rectificatie van haar tweede voornaam gevorderd, in die zin dat waar “[voornaam -variant 1]” staat vermeld wordt gelezen: “”[voornaam -variant 2]”. Daar sprake is van een kennelijke schrijffout van de naam van eiseres en gedaagden niet in hun verweer zijn geschaad, zal de kantonrechter de gevorderde akte van rectificatie toestaan.

4.3 Uit de stellingen van eiseres begrijpt de kantonrechter het volgende. Haar huidige partner woont in Nederland. Zij heeft hier te lande geen goede toekomstperspectieven, omdat het in haar optiek niet goed gaat in Suriname. Dit, vanwege de hierna door haar opgesomde problemen in het land:

  • op onderwijsgebied gaat het niet goed;
  • in de financiële sector gaat dagelijks meer en meer kapot;
  • criminaliteit neemt toe;
  • kosten voor levensonderhoud nemen met de dag toe;
  • het levensstandaard neemt af;
  • werkloosheid neemt toe.

Daar in eiseres haar optiek Nederland haar goede toekomstperspectieven te bieden heeft, wenst zij zich voorgoed met de kinderen in Nederland te vestigen.

4.4 Gedaagde sub B heeft geen bezwaar dat het kind, [kind 3], voor goed met eiseres naar Nederland zal vertrekken. Daarom zal het gevorderde gericht tot gedaagde sub B worden toegewezen, zoals hierna in de beslissing is vermeld.

Daar eiseres en gedaagde sub B de ouders van het [kind 3] zijn, zullen de proceskosten tussen hen gecompenseerd worden. De compensatie van de proceskosten bestaat hierin, dat elk van hen de eigen kosten draagt.

4.5 Gedaagde sub A daarentegen, heeft wel bezwaar geopperd tegen het voorgoed vertrekken van de kinderen met eiseres naar Nederland.

Het bezwaar dat gedaagde sub A heeft geopperd is onder meer het volgende:

  • de kinderen krijgen niet de nodige zorg, waardoor hun schoolprestatie erg achteruitgaat;
  • de vrees bij hem bestaat dat de kinderen in Nederland ontspoort zullen raken, omdat zij heel veel zorg nodig hebben en eiseres hen die zorg thans niet kan bieden;
  • eiseres denkt puur aan haar eigen belang en niet aan dat van de kinderen;
  • de vrees bestaat bij gedaagde sub A dat hij elk contact met de kinderen zal verliezen als zij zich in Nederland zullen vestigen.

4.6 Vanwege het bezwaar dat gedaagde sub A heeft geopperd, heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gehouden om hierover met partijen van gedachten te wisselen, maar meer in het bijzonder met de kinderen om wie het gaat. Dit, om na te gaan hoe zij staan tegenover het voorgoed (permanent) vertrekken naar Nederland.

Ter comparitie van partijen is het volgende aan het licht gekomen:

  • de kinderen wonen bij eiseres en gaan des weekends naar gedaagde;
  • [kind 2] ([leeftijd]) doet het redelijk goed op school;
  • [kind 1] (leeftijd]) is in de pubertijd en heeft in het eerste kwartaal slecht gewerkt op school;
  • afhankelijk van het werkschema van gedaagde sub A, gaan de kinderen in het weekend naar gedaagde. Gedaagde sub A heeft zodoende een goede band met de kinderen;
  • gedaagde sub A betaalt geen alimentatie, maar hij geeft de kinderen wel geld;
  • gedaagde sub A geeft toe dat eiseres de kinderen een goede opvoeding heeft gegeven en ze goed verzorgt;
  • gedaagde sub A wenst de kinderen niet aan eiseres en de huidige partner van eiseres toe te vertrouwen, omdat in zijn optiek de kinderen niet naar hen luisteren en zij niet opgewassen lijken te zijn tegen de kinderen;
  • gedaagde sub A wil wel dat de kinderen een goede toekomst hebben, maar hij heeft zijn twijfels of zij een goede toekomst in Nederland zullen hebben;
  • de kinderen zijn al met vakantie naar Nederland geweest en hebben al een band met de huidige partner van eiseres en diens familie opgebouwd;
  • de kinderen geven aan dat zij hun vrienden en familie hier te lande zullen missen, indien zij permanent naar Nederland zouden vertrekken en dat zij verdrietig zullen zijn;
  • de kinderen wensen dat ook gedaagde sub A meegaat naar Nederland om zich aldaar te vestigen, omdat zij hem zullen missen.

4.7 De kantonrechter stelt het volgende voorop. Hoezeer het belang van het kind centraal dient te staan bij de te verrichten afweging van belangen, kunnen ook andere belangen zwaarder wegen. In dat licht is van belang het hoofdverblijf van de kinderen, het recht van elk van de gescheiden ouders een nieuwe relatie op te bouwen en zich elders te doen vestigen, de bijdrage van elk van de ouders in de opvoeding en verzorging van de kinderen en de mogelijkheden aan goede toekomstperspectieven voor de kinderen.

De kantonrechter zal daarom bij het nemen van een beslissing in de onderhavige zaak alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.

4.8 Vaststaat dat het hoofdverblijf van de kinderen bij eiseres is. Dit leidt tot de slotsom dat eiseres de hoofdopvoeder van de kinderen is. Wat ook vaststaat is dat eiseres een baan hier te lande heeft en grotendeels belast is met de verzorging van de kinderen. Ook gedaagde sub A heeft hier te lande een baan en een nieuwe relatie. De kinderen gaan des weekends naar gedaagde sub A. De voorzichtige conclusie is, dat gedaagde sub A slechts in het weekend belast is met de verzorging en opvoeding van de kinderen. De verklaring van gedaagde sub A dat eiseres de kinderen niet zou aankunnen en niet opgewassen zal zijn tegen de kinderen, trekt de kantonrechter in twijfel. Dit, omdat gedaagde sub A zelf ter comparitie van partijen heeft verklaard dat eiseres de kinderen een goede opvoeding heeft gegeven en hen goed verzorgt.

4.9 Gedaagde sub A heeft verklaard dat hij een goede toekomst voor de kinderen wenst. Dat de kinderen in Nederland een goede toekomst zullen hebben trekt gedaagde sub A in twijfel, doch heeft hij naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waarom hij dat in twijfel trekt. Dit, in tegenstelling tot eiseres die duidelijk heeft gesteld dat het in diverse sectoren hier te lande niet goed gaat en de kinderen hier te lande geen goede toekomstperspectieven zullen hebben. Het enige wat gedaagde sub A heeft aangevoerd, is dat de huidige partner van eiseres en eiseres zelf niet opgewassen zullen zijn tegen de kinderen.

4.10 Enige struikelblok wat nog rest voor gedaagde sub A, is het blijven onderhouden van het contact met de kinderen. Ter comparitie van partijen is gebleken dat eiseres optimaal telefonisch contact met gedaagde sub A heeft ten aanzien van de kinderen. Gezien de technologische mogelijkheden en de leeftijd van de kinderen, behoeft het blijven onderhouden van het contact tussen de kinderen en gedaagde sub A geen probleem te zijn. Wat wel niet mogelijk zal zijn bij het permanent vertrek van de kinderen naar Nederland, is het permanent in lijfelijk contact met de kinderen te zijn. Lijfelijk contact tussen de kinderen en gedaagde sub A zal wel mogelijk zijn, indien de kinderen met vakantie naar Suriname zouden komen of omgekeerd indien gedaagde sub A op vakantie naar Nederland zou gaan.

4.11 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.7 tot en met 4.10 is overwogen komt de kantonrechter tot de hierna volgende conclusie. Het gerechtvaardigd belang van gedaagde sub A is, zijn deel in de opvoeding en verzorging van de kinderen en het lijfelijk contact met hen. Dit gerechtvaardigd belang van gedaagde sub A is in vergelijking met dat van eiseres slechts een miniem deel van het geheel. Mede gelet hierop en het feit dat eiseres en de kinderen mogelijk betere toekomstperspectieven in Nederland zullen hebben, dient het gerechtvaardigd belang van gedaagde sub A, dat heel miniem is, te doen wijken voor het belang van eiseres om met de kinderen naar Nederland te vertrekken en zich aldaar permanent te vestigen. Dit, tegen de achtergrond dat eiseres, evenals gedaagde sub A, de vrijheid dient te hebben om haar leven in een ander land opnieuw in te richten.

4.12 De kantonrechter neemt ook in overweging de gevoelens van de kinderen dat zij zich nog niet in Nederland wensen te vestigen, doch speelt hierbij ook dat zij het overgrote deel van hun leven bij eiseres hebben doorgebracht. De inschatting kan nu al worden gemaakt dat het gemis van eiseres bij de kinderen groter zal zijn en dat de kinderen zich in dat geval niet terstond naar eiseres zullen kunnen begeven. Dit, vanwege de grote afstand vanuit Suriname naar Nederland en de hoge kosten die hieraan gekoppeld zijn. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, zal de door eiseres gevraagde voorziening worden toegewezen, zoals hierna in de beslissing is vermeld.

De kantonrechter kan niet nalaten om in het belang van de kinderen aan eiseres het advies te geven om de mogelijkheid te bekijken de kinderen deskundig te doen begeleiden in het land alwaar zij zich zullen vestigen. Dit, op grond van het feit dat de kantonrechter uit de verklaring van de kinderen heeft kunnen afleiden, dat zij er nog niet over heen zijn dat eiseres en gedaagde sub A zijn gescheiden. Voor de kinderen valt niet te begrijpen dat elk van hun ouders een nieuw leven aan het opbouwen is en dat samen vertrekken met hen naar Nederland uit den boze is.

4.13 Daar eiseres en gedaagde sub A de ouders van de kinderen zijn, acht de kantonrechter het redelijk en billijk de proceskosten tussen partijen te compenseren, met dien verstande dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Staat toe de gevorderde akte van rectificatie van de tweede voornaam van eiseres in het inleidend verzoekschrift en overige processtukken, met dien verstande dat waar “[voornaam- variant 1]” staat geschreven, als volgt zal worden gelezen: “[voornaam- variant 2]”.

5.2 Verleent bij gebreke van toestemming c.q medewerking van [gedaagde sub A], aan [eiseres], vervangende toestemming om in april 2020 met de minderjarige:

1) [kind 1], geboren op [geboortedatum 1] te [plaats], en

2) [kind 2], geboren op [geboortedatum 2] te [plaats], naar Nederland te vertrekken.

5.3 Verleent bij gebreke van toestemming c.q medewerking van [gedaagde sub B], aan [eiseres], vervangende toestemming om in april 2020 met de minderjarige:

[kind 3], geboren op [geboortedatum 3] te [plaats] naar Nederland te vertrekken.

5.4 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.5 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton,
mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.J.S. Bradley, op donderdag 12 maart 2020 te Paramaribo, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2020-19

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[VERZOEKSTER],
wonende te Paramaribo,
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde(n): voorheen mr. S. Marica en mr. V.V.C. Piqué, advocaten, thans mr. V.V.C. Piqué, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te diens Parkette aan de Limesgracht no. 92,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R.Y. Gravenbeek, substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het hof) op 01 april 2016;
  • de beschikking van het hof van 18 oktober 2016 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 november 2016, welk verhoor is verplaatst naar 06 januari 2017;
  • het proces-verbaal van het op 06 januari 2017 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen en overlegging van stukken, met producties, zijdens de Staat bij de griffier ingediend op 05 februari 2017;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden verhoor van partijen en uitlating producties, met een productie, zijdens [verzoekster] bij de griffier ingediend op 14 maart 2017;
  • het proces-verbaal van de op 19 mei 2017 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging van stukken na voortzetting verhoor van partijen, met producties, zijdens de Staat overgelegd op 07 juli 2017;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoekster] d.d. 01 december 2017.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 04 mei 2018, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [Verzoekster] is in vaste dienst op de afdeling Departementsleiding van het Ministerie van Justitie en Politie in de functie van hoofdbeleidsmedewerkster 1e klasse.

2.2 De directeur van Justitie en Politie (hierna: de directeur) heeft bij brief d.d. 28 juli 2015, J15/05376, [verzoekster] in de gelegenheid gesteld zich te verweren ter zake van de aan haar verweten gedraging, zoals tot uitdrukking gebracht in de eerste overweging van de hieronder in 2.7 genoemde beschikking.

[Verzoekster] heeft bij brief d.d. 30 juli 2015, gericht aan de directeur, verweer gevoerd.

2.3 De directeur heeft bij brief d.d. 02 september 2015, J15/06178, betreffende “buitenfunctiestelling”, het volgende aan [verzoekster] bericht:

“Geachte mevrouw,

Middels deze vraag ik uw aandacht voor het volgende.

Op 1 september 2015 heeft u [sic] zich in de werkruimte van de wnd. Onderdirecteur Algemeen Beheer een voorval voorgedaan, waarbij u documenten de dienst rakende uit de desbetreffende ruimte probeerde te verwijderen.

Hierbij moge vermeld worden dat het verwijderden van voormelde documenten slechts met toestemming van de Departementsleiding is toegestaan.

Naar aanleiding van dit voorval is er een onderzoek ingesteld naar de door u verrichtte handelingen door de afdeling fraude van het Korps Politie Suriname.

Aangezien deze handelingen niet binnen de dienst kunnen worden getolereerd en deze gedragingen plichtsverzuim voor u kunnen opleveren, wordt u bij deze in de gelegenheid gesteld zich binnen 2 (twee) dagen na dagtekening dezes, schriftelijk te verweren.

Gelet op de ernst van het feit en vooruitlopend op het strafrechtelijk onderzoek ter zake wordt u met toepassing van artikel 23 lid 1 van de Personeelswet, met ingang van de dag na ontvangst van dit schrijven, buiten functie gesteld.

Dit brengt met zich mee dat u gedurende de periode van de buitenfunctiestelling het terrein en de werkruimten van het ministerie van Justitie en Politie aan de Henck Arronstraat no. 1 niet mag betreden.

Uw verweer zie ik gaarne tegemoet.”

2.4 [Verzoekster] heeft op 03 september 2015 aangifte gedaan bij de politie tegen de directeur ter zake van lasterlijke aanklacht en lasterlijke verdachtmaking.

2.5 De minister van Justitie en Politie (hierna: de minister) heeft bij brief d.d. 05 september 2015, met als onderwerp “buitenfunctiestelling”, aan [verzoekster] bericht dat de buitenfunctie-stelling van [verzoekster] door haar wordt aangehouden en dat [verzoekster] zich op maandag 07 september 2015 normaal dient aan te melden voor het verrichten van haar werkzaamheden. De minister eiste wel dat [verzoekster] zich uiterlijk dinsdag 08 september 2015 om 07.00 uur ’s morgens bij haar zou verweren.

2.6 [verzoekster] heeft zich bij brief d.d. 07 september 2015, gericht aan de minister, verweerd. Dit verweerschrift luidt, voor zover van belang, onder meer als volgt:

“Excellentie,

Uw schrijven gedateerd 5 september 2015, heb ik op zaterdag 5 september 2015 ontvangen.

(…)

Ten aanzien van de verweeraanzegging van de directeur van 3 september 2015 J15/06178 terzake de beschuldiging van poging tot diefstal van dienststukken in de werkruimte van de Onderdirecteur Algemeen Beheer (ODAB), deel ik u mede dat ik daaromtrent niet alleen een verweerschrift (30 juli 2015) heb opgemaakt, maar door mij tevens aangifte is gedaan tegen de directeur terzake het opzettelijk aantasten van mijn goede naam en eer. Dit omdat de directeur op de bewuste dinsdag van 1 september laatstleden getuige is geweest van de criminele behandeling die ik heb gekregen van de aanwezige politie onder leiding van [de heer], waarbij mijn tas werd gecontroleerd voordat ik de ruimte van de ODAB mocht verlaten.

(…)”

2.7 [verzoekster] heeft op 10 december 2015 de beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 15 oktober 2015, Bureau no. J15/05941, no. 15.880/15 ontvangen. Deze beschikking (hierna ook aangeduid als: de schorsingsbeschikking) luidt, voor zover van belang, onder meer als volgt:

OVERWEGENDE:

dat de Hoofdbeleidsmedewerkster, ingedeeld in functiegroep 09 (schaal 09C) in vaste dienst bij de Departementsleiding van het Ministerie van Justitie en Politie, [verzoekster], geboren op [geboortedatum], [ID-nummer] en [persoonsnummer], op maandag 27 juli 2015 omstreeks 11.00u v.m., de afdeling Personele Zaken heeft betreden met de Wnd. Onderdirecteur van Justitie, belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Algemeen Beheer, waarbij zij de medewerkers van de afdeling Personele Zaken heeft opgedragen hun werkruimte terstond te verlaten, terwijl zij de bevoegdheid daartoe mist;

dat deze handelingen, die plichtsverzuim voor haar opleveren, niet getolereerd kunnen worden;

dat betrokkene, ingevolge het bepaalde in artikel 63 lid 2 van de bovenaangehaalde ‘Personeelswet’, bij schrijven van de Directeur van Justitie en Politie van 28 juli 2015 J. no. 15/05376, in de gelegenheid is gesteld zich binnen 03 (DRIE) werkdagen ter zake schriftelijk te verweren;

dat zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, zich terzake bij haar schrijven van 30 juli 2015 heeft verweerd, echter heeft zij het haar ten laste gelegde niet kunnen weerleggen, namelijk dat betrokkene niet is ingegaan op haar verweer, maar een rapportage van hetgeen op die dag heeft plaatsgevonden aangegeven;

dat betrokkene niet heeft kunnen aangeven waarom zij daar was om voormelde afdeling af te sluiten;

dat het derhalve nodig is aan betrokkene een tuchtstraf op te leggen.

HEEFT BESLOTEN:

I. Terzake voormeld, aan de Hoofdbeleidsmedewerkster, ingedeeld in functiegroep 09 (schaal 09C) in vaste dienst bij de Departementsleiding van het Ministerie van Justitie en Politie, [verzoekster] , [ID-nummer] en [persoonsnummer], wegens plichtsverzuim, op te leggen, de tuchtstraf van schorsing voor de duur van 03 (DRIE) dagen met inhouding van haar salaris over de schorsingperiode, ingevolge artikel 61 lid 1 sub h juncto artikel 30 lid 3 van de bovenaangehaalde ‘Personeelswet’.

II. Te bepalen, dat de in paragraaf I bedoelde schorsing door betrokkene zal worden ondergaan, op een nader door de Directeur van Justitie en Politie te bepalen tijdstip en dat de in paragraaf I bedoelde inhouding zal geschieden, op de eerste werkdag van de maand volgende op de dag waarop betrokkene van het besluit in kennis is gesteld.”

2.8 [Verzoekster] heeft bij brief d.d. 10 december 2015, betreffende “Verzoek correctie administratieve procedure”, de minister, kort gezegd, verzocht het daarheen te leiden dat het één en ander wordt gecorrigeerd en de schorsingsbeschikking wordt ingetrokken.

2.9 Bij beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 15 december 2015, Bureau no. J15/09311, no. 18.764/15, is aan [verzoekster] wegens plichtsverzuim, kort gezegd, de tuchtstraf van voorwaardelijk ontslag opgelegd. Deze beschikking luidt, voorzover van belang, onder meer als volgt:

OVERWEGENDE:

dat er op Dinsdag 01 september 2015, in de ruimte van de Wnd. Onderdirecteur van Justitie, belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Algemeen Beheer, een voorval heeft voorgedaan, waarbij de Hoofdbeleidsmedewerker, ingedeeld in functiegroep 09 (schaal 09C), in vaste dienst bij de Departementsleiding van het Ministerie van Justitie en Politie, [verzoekster], geboren op [geboortedatum], [ID-nummer] en [persoonsnummer], documenten de dienst rakende uit desbetreffende ruimte geprobeerd heeft te verwijderen;

dat het verwijderen van voormelde documenten slechts is toegestaan met toestemming van de Departementsleiding, waardoor het noodzakelijk is geweest van dit voorval een onderzoek in te laten stellen naar de handelingen van betrokkene door de afdeling fraude van het Korps Politie Suriname;

dat deze handelingen niet binnen de dienst kunnen worden getolereerd en deze gedragingen plichtsverzuim aan haar kunnen opleveren;

dat betrokkene, ingevolge het bepaalde in artikel 23 lid 1 van de ‘Personeelswet’, bij schrijven van de Directeur van Justitie en Politie van 02 september 2015 J. no. 15/06178, buiten functie is gesteld, te rekenen van de dag na ontvangst van voormeld schrijven;

dat bij schrijven d.d. 05 september 2015 SM 15/11063 van de Minister van Justitie en Politie de buitenfunctiestelling van betrokkene is ingetrokken, echter diende zij zich uiterlijk dinsdag 08 september 2015 om 07.00u ’s morgens ingevolge het bepaalde in artikel 63 lid 2 van de ‘Personeelswet’ ter zake schriftelijk te verweren;

dat zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, zich terzake bij haar schrijven van 07 september 2015 heeft verweerd, echter heeft zij het haar ten laste gelegde niet kunnen weerleggen, namelijk dat betrokkene niet is ingegaan op haar verweer, maar berschuldigingen [sic] heeft geuit aan het adres van de Directeur van Justitie en Politie ter zake aantasten van haar goede naam en eer;

dat het derhalve nodig is aan betrokkene een tuchtstraf op te leggen.

HEEFT BESLOTEN:

I. Terzake voormeld, aan de Hoofdbeleidsmedewerker (…) [verzoekster] (…) wegens plichtsverzuim, op te leggen, de tuchtstraf van ontslag (onder voorwaarde), ingevolge artikel 61 lid 1 onder j, juncto artikel 62 lid 3 van de ‘Personeelswet’, dat deze niet ten uitvoer zal worden gebracht, tenzij zij zich binnen een proeftijd van 02 (TWEE) jaren, wederom schuldig maakt aan een soortgelijke vorm van plichtsverzuim als waarvoor die bestreffing geld [sic] of enig ander plichtsverzuim.

II. Te bepalen, dat de in paragraaf I bedoelde proeftijd zal ingaan op de dag volgende op die waarop dit besluit ter kennis van betrokkene is gebracht.”

2.10 De waarnemend directeur heeft – met referte aan de in 2.8 genoemde brief van [verzoekster] d.d. 10 december 2015 – bij brief d.d. 14 januari 2016, J16/00007, onder meer [verzoekster] bericht dat de departementsleiding heeft besloten haar te rekenen van 18 januari 2016 op de Hoofdafdeling Delinquentenzorg tewerk te stellen.

2.11 [verzoekster] heeft een brief d.d. 09 maart 2016 aan de minister gericht, waarin zij, zakelijk weergegeven, aangeeft op 10 december 2015 de schorsingsbeschikking en op 09 maart 2016 een beschikking d.d. 15 oktober 2015, no. 15.880/159 (lees: no. 15.880/15), te hebben ontvangen, in welke beschikkingen aan haar worden opgelegd de tuchtstraffen van, kort gezegd, schorsing met inhouding van salaris respectievelijk voorwaardelijk ontslag. Voormelde brief behelst het verzoek aan de minister om deze beschikkingen te doen intrekken.

2.12 Deurwaarder H.B. Verwey maakt er in haar exploit d.d. 28 juni 2016, no. 128, melding van dat een afschrift van de hierboven in 2.9 genoemde beschikking d.d. 15 december 2015 aan [verzoekster] in persoon is betekend. Voormeld exploit vermeldt daarbij alleen het nummer J15.09311.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoekster] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard de beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 15 oktober 2015, no. 15-880/15, althans het daarin opgenomen besluit, welke beschikking [verzoekster] op 09 maart 2016 heeft ontvangen;

B. de Staat zal worden verboden om in de toekomst handelingen te verrichten c.q. besluiten te nemen op grond van de overweging dat [verzoekster] op maandag 27 juli 2015 omstreeks 11.00 uur v.m. de afdeling Personele Zaken heeft betreden met de waarnemend onderdirecteur van Justitie, belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Algemeen Beheer, waarbij [verzoekster] medewerkers van de afdeling Personele Zaken heeft opgedragen hun werkruimte terstond te verlaten, terwijl [verzoekster] de bevoegdheid daartoe mist, zulks onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- voor elke keer of dag dat de Staat in strijd handelt met deze veroordeling.

[verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoekster] heeft tegen de achtergrond van de als vaststaand aangenomen feiten, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. In de beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 15 oktober 2015, Bureau no. 15/05941, no. 15.880/15 (de schorsingsbeschikking), is vervat het besluit om aan [verzoekster] wegens plichtsverzuim op te leggen de tuchtstraf van schorsing voor de duur van drie dagen met inhouding van haar salaris over de schorsingsperiode. [verzoekster] heeft op 09 maart 2016 een tweede beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 15 oktober 2015, no. 15.880/15 (productie no. 5 bij het verzoekschrift), ontvangen, welke beschikking dezelfde datum en hetzelfde nummer heeft en dezelfde overwegingen bevat als de schorsingsbeschikking. [verzoekster] kan niet tweemaal voor hetzelfde vermeende plichtsverzuim c.q. hetzelfde feit worden gestraft, omdat dit in strijd is met het ‘ne bis in idem’-beginsel en met artikel 62 lid 4 Pw.

De tweede beschikking d.d. 15 oktober 2015, no. 15.880/15 (productie no. 5 bij het verzoekschrift), geeft in strijd met de waarheid aan dat de buitenfunctiestelling van [verzoekster] bij brief van de minister d.d. 05 september 2015 (zie 2.5) zou zijn ingetrokken, terwijl deze buitenfunctiestelling daarbij slechts zou zijn aangehouden.

De Staat heeft voorts in strijd gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel, het verbod van willekeur en het motiveringsbeginsel, aangezien het onrechtvaardig is dat [verzoekster] een dergelijke tuchtstraf – het hof begrijpt: de tuchtstraf van voorwaardelijk ontslag – moet ondergaan, terwijl zij reeds is gestraft, des te meer nu haar buitenfunctiestelling is aangehouden en de minister in haar brief d.d. 05 september 2015 niet heeft aangegeven waarvoor [verzoekster] zich zou moeten verweren. Bovendien betreft het onderwerp van voormelde brief “buitenfunctiestelling” en geen verweeraanzegging.

[verzoekster] vreest voor rancune aan de zijde van de Staat jegens haar, nu zij ten overstaan van het hof haar relaas doet en zij de tuchtstraf van voorwaardelijk ontslag opgelegd heeft gekregen.

De Staat handelt onrechtmatig jegens [verzoekster].

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Vaststaat dat [verzoekster] ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw, zodat deze wet op haar van toepassing is. Hetgeen van het hof als gerecht in ambtenarenzaken gevorderd kan worden, is limitatief omschreven in artikel 79 lid 1 Pw. Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg onder meer over vorderingen tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur.

Volgens artikel 79 lid 2 sub d Pw is een besluit waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, vatbaar voor nietigverklaring.

4.1.2 [Verzoekster] stelt, kort gezegd, dat zij op 09 maart 2016 een tweede beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken heeft ontvangen, waarin zou zijn vervat het besluit tot oplegging aan haar van de tuchtstraf van voorwaardelijk ontslag. Naar het hof begrijpt is deze beschikking gedateerd 15 december 2015, met als kenmerk Bureau no. J15/09311, no. 18.764/15. Het in 3.1 onder A gevorderde strekt dan ook tot de nietigverklaring van dit besluit. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub a juncto lid 2 sub d Pw bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

4.1.3 Het in 3.1 onder B gevorderde kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

4.2.1 Het hof stelt voorop dat [verzoekster] met vermelding van haar I.D.-nummer en persoonsnummer wordt genoemd in de eerste overweging van de schorsingsbeschikking (zie 2.7), maar dat kennelijk abusievelijk in het in deze beschikking vervatte besluit tot oplegging van de tuchtstraf van schorsing met inhouding van salaris niet is vermeld dat de tuchtstraf is opgelegd aan [verzoekster] en voorts dat ook abusievelijk een ander I.D.-nummer en persoonsnummer is genoemd.

4.2.2 De Staat voert, naar het hof begrijpt, als verweer aan dat [verzoekster] op grond van artikel 80 lid 1 sub b Pw niet-ontvankelijk is in de vordering vermeld in 3.1 onder A, omdat deze is ingesteld meer dan een maand nadat het besluit tot oplegging aan [verzoekster] van de tuchtstraf van schorsing te harer kennis is gebracht. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat [verzoekster] op 07 december 2015 kennis heeft genomen van vorenbedoeld besluit, terwijl zij de vordering op 01 april 2016 heeft ingesteld.

Het hof gaat voorbij aan dit verweer. Gebleken is dat [verzoekster] opkomt tegen de (tweede) beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 15 december 2015, Bureau no. J15/09311, no. 18.764/15. De Staat heeft niet gemotiveerd weersproken dat [verzoekster] deze beschikking heeft ontvangen op 09 maart 2016. Nu zij de onderhavige vordering heeft ingesteld op 01 april 2016 – dus binnen de bij wet gestelde termijn – is zij daarin ontvankelijk.

4.3.1 Blijkens de verweeraanzegging van de directeur d.d. 02 september 2015 (zie 2.3) wordt [verzoekster] verweten dat zij op 01 september 2015 heeft geprobeerd om documenten de dienst rakende te verwijderen uit de werkruimte van de waarnemend onderdirecteur Algemeen Beheer. Tevens is vermeld dat het verwijderen van bedoelde documenten slechts met toestemming van de departementsleiding is toegestaan en dat er naar aanleiding van dit voorval door de politie een onderzoek is ingesteld naar de handelingen

van [verzoekster]. Het hof begrijpt hieruit dat [verzoekster] tevens wordt verweten gehandeld te hebben zonder toestemming van de departementsleiding. [Verzoekster] diende zulks ook te begrijpen.

4.3.2 [Verzoekster] heeft zich naar aanleiding van de brief van de minister d.d. 05 september 2015 (zie 2.5) bij laatstgenoemde verweerd. In haar verweerschrift d.d. 07 september 2015 (zie 2.6) is [verzoekster] niet inhoudelijk ingegaan op de haar verweten gedraging, noch heeft zij weersproken zich daaraan schuldig te hebben gemaakt. Zij heeft slechts aangegeven dat zij daaromtrent een verweerschrift d.d. 30 juli 2015 heeft opgemaakt. Dit verweerschrift (productie no. 11 bij het verzoekschrift) betreft echter een eerder voorval dat zich heeft voorgedaan op 27 juli 2015, naar aanleiding waarvan [verzoekster] aangifte heeft gedaan tegen de directeur ter zake van het opzettelijk aantasten van haar goede naam en eer. Het door [verzoekster] bij verweerschrift d.d. 07 september 2015 gevoerde verweer is naar het oordeel van het hof ondeugdelijk, nu dit geen betrekking heeft op de haar verweten gedraging. In de visie van het hof kon de Staat tot de overtuiging komen dat [verzoekster] zich schuldig heeft gemaakt aan de haar verweten gedraging, aangezien [verzoekster] dit niet heeft weersproken.

4.3.3 Het hof constateert dat [verzoekster] ook in deze procedure niet heeft weersproken dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan de haar verweten gedraging, zoals verwoord in de beschikking d.d. 15 december 2015 (zie 2.9).

De Staat heeft de door [verzoekster] verrichte gedraging terecht aangemerkt als plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim kan [verzoekster] worden toegerekend. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel nopen. Het hof acht voorts de opgelegde tuchtstraf van voorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

4.4 Het hof concludeert uit de in 2.7 en 2.9 genoemde beschikkingen van 15 oktober 2015 en 15 december 2015 dat de tuchtstraffen van schorsing respectievelijk voorwaardelijk ontslag zijn opgelegd ter zake van twee verschillende feiten. De stelling van [verzoekster] dat voormelde tuchtstraffen aan haar zijn opgelegd bij twee afzonderlijke beschikkingen en wel op grond van dezelfde overwegingen en ter zake van hetzelfde feit, is dus niet juist en zal worden verworpen. Op grond van het voorgaande is niet komen vast te staan dat [verzoekster] tweemaal tuchtrechtelijk is gestraft voor hetzelfde feit, zodat haar beroep op het ‘ne bis in idem’-beginsel en op artikel 62 lid 4 Pw faalt.

4.5 Naar het hof begrijpt, betoogt [verzoekster] dat in de beschikking d.d. 15 december 2015 in strijd met de waarheid is vermeld dat haar buitenfunctiestelling bij brief van de minister d.d. 05 september 2015 is ingetrokken. Aan [verzoekster] kan worden toegegeven dat zulks inderdaad het geval is. Anders dan zij kennelijk meent, leidt deze misslag niet tot nietigheid van het in voormelde beschikking vervatte besluit tot de oplegging aan haar van de tuchtstraf van voorwaardelijk ontslag.

4.6 Blijkens artikel 23 lid 1 Pw kan een landsdienaar buiten functie worden gesteld, indien gronden aanwezig zijn voor het in overweging nemen van zijn schorsing of ontslag. Voor zover [verzoekster] meent dat de tuchtstraf van voorwaardelijk ontslag niet aan haar kon worden opgelegd omdat haar buitenfunctiestelling door de minister is aangehouden, gaat zij uit van een onjuist standpunt. Vorenbedoelde tuchtstraf kan immers ook worden opgelegd zonder dat sprake is van een daaraan voorafgaande buitenfunctiestelling.

4.7 Voor zover [verzoekster] betoogt dat de Staat het beginsel van hoor en wederhoor niet in acht genomen, omdat de minister in haar brief d.d. 05 september 2015 niet heeft aangegeven ter zake waarvan [verzoekster] zich moest verweren en het onderwerp van deze brief “buitenfunctiestelling” en geen “verweeraanzegging” betreft, volgt het hof haar niet daarin. In de verweeraanzegging van de directeur d.d. 02 september 2015 is immers aangegeven welk verwijt [verzoekster] werd gemaakt en [verzoekster] maakt in haar verweerschrift d.d. 07 september 2015, gericht aan de minister, gewag van de beschuldiging van poging tot diefstal van dienststukken uit de werkruimte van de onderdirecteur Algemeen Beheer. [verzoekster] wist dus wel degelijk welk verwijt haar werd gemaakt en zij heeft zich, daartoe in de gelegenheid gesteld, daartegen verweerd. Dat het onderwerp van de brief van de minister d.d. 05 september 2015 “buitenfunctiestelling” en geen “verweeraanzegging” betreft, kan worden gezien als een misslag zonder dat dit hoeft te leiden tot enige consequentie.

4.8 [Verzoekster] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de Staat in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel, het verbod van willekeur en het motiveringsbeginsel. Haar beroep op deze algemene beginselen van behoorlijk bestuur faalt derhalve.

4.9 Uit al het voorgaande volgt dat er geen grond is voor de nietigverklaring van het in de beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 15 december 2015, Bureau no. J15/09311, no. 18.764/15, vervatte besluit tot oplegging aan [verzoekster] van de tuchtstraf van voorwaardelijk ontslag. Het gevorderde in 3.1 onder A zal daarom worden afgewezen.

4.10 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal ook worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.11 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder B gevorderde.

5.2 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 20 november 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-18

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[VERZOEKSTER],
wonende in het district Wanica,
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Onderwijs, Volksontwikkeling en Cultuur,
ten rechte geheten het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 25 juli 2018;
  • de beschikking van het hof van 17 december 2018 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 januari 2019;
  • de processen-verbaal van het op 18 januari 2019 gehouden verhoor van partijen en de op 05 april 2019 gehouden voortzetting daarvan;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens [verzoekster] d.d. 17 mei 2019, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties en tot overlegging van relevante stukken zijdens de Staat d.d. 07 juni 2019, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoekster] d.d. 21 juni 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 06 december 2019, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [Verzoekster] is vanaf 01 oktober 1982 in dienst van het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (hierna: het ministerie). Zij is bij beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 23 oktober 2015, no. 18.539/15, te rekenen van 01 oktober 2013 in vaste dienst aangesteld in de functie van directeur VOJ op de MULO-school aan de [weg].

2.2 Het waarnemend hoofd van het Bureau Voortgezet Onderwijs Junioren, mevrouw [wnd. hoofd] (hierna: [wnd. hoofd]) heeft bij schrijven d.d. 21 september 2015, betreffende ‘Ontevredenheidsbetuiging’, aan [verzoekster] bericht dat het ministerie genoodzaakt is haar te muteren. De gronden voor de mutatie zijn in voormeld schrijven opgenomen.

2.3 [Verzoekster] is op 01 oktober 2015 aangesteld als schoolleider op de [school].

2.4 [Wnd. hoofd], thans hoofd van het Bureau Voortgezet Onderwijs Junioren, heeft bij schrijven d.d. 11 april 2017, VOJ/IH-L/JA/2408, betreffende ‘Ontevredenheidsbetuiging’, kort gezegd, aan [verzoekster] bericht dat het ministerie ontevreden is over haar performance als schooldirecteur op de [school].

2.5 Blijkens het mutatieformulier d.d. 14 september 2017, no. 2017, is het besluit genomen om [verzoekster] met ingang van 03 oktober 2017 als Biologie leerkracht te plaatsen op de [VOJ school] te [district] (hierna ook wel genoemd: het mutatiebesluit).

2.6 [Wnd. hoofd] heeft bij schrijven d.d. 14 september 2017, VOJ/IH-L/4862, betreffende ‘Ontevredenheidsbetuiging’, kort gezegd, aan [verzoekster] bericht dat het ministerie genoodzaakt is haar te muteren en dat zij in de functie van leerkracht zal worden gemuteerd. De gronden voor de mutatie zijn in voormeld schrijven opgenomen. [verzoekster] heeft dit schrijven ontvangen op 14 september 2017.

2.7 Bij schrijven d.d. 09 oktober 2017 heeft [verzoekster] aan de directeur van het ministerie onder meer het beroep gedaan het mutatiebesluit in heroverweging te nemen.

2.8 De procesgemachtigde van [verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 12 maart 2018 onder meer het volgende aan de minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (hierna: de minister) bericht:

“Geachte Minister,

Namens mijn cliënte, mevrouw [verzoekster], wens ik het volgende onder uw aandacht te brengen.

Mijn cliënte die werkzaam was als directeur/schoolleider op de [school] heeft in de afgelopen periode haar werkzaamheden stipt uitgevoerd tot een moment dat er tegen haar een hetze c.q. complot werd opgezet onder aanvoering van [mevrouw 1] (intussen gepensioneerde), [mevrouw 2] en [de heer].

Door de 3 (drie) laatst genoemde personen werd haar functioneren op de school ondraaglijk gemaakt en werden derden aangezet tot verzet zodat het functioneren haar onmogelijk werden gemaakt.

Uw ministerie heeft zonder daadwerkelijk hoor en wederhoor een beslissing genomen ten nadele van mijn cliënte en werd zij overgeplaatst naar een andere school als leerkracht, terwijl zij als schoolleider(directeur) functioneerde. De door u genomen beslissing is onterecht c.q. onrechtmatig en in strijd met de wet en wordt als een degradatie ervaren. Door uw beslissing heeft u mijn cliënte geestelijk kapot gemaakt, meer gelet op het feit dat uw beslissing niet gestoeld is op de werkelijke toedracht, waarbij interne controle van uw ministerie geen op- en aanmerkingen heeft gehad omtrent het functioneren van cliënte. De gepleegde handelingen worden met klem ontkend en betwist en naar het rijk der fabelen verwezen. Voorts is uw beslissing niet in overeenstemming met de gepleegde handelingen, voorzover die waar mochten zijn, qoud-non.

Mijn cliënte vraagt van genoegdoening en verzoekt u uw beslissing te herzien, althans terug te draaien en haar terug te brengen in haar oorspronkelijke functie n.l. directeur c.q. schoolleider. Dan maakt het haar niet uit op welke school.

Indien u hieraan geen gevolg geeft, zal ik genoodzaakt zijn namens cliënte rechtsmaatregelen tegen uw Ministerie te treffen.

Voorts deel ik u mede dat bij een eventueel proces alle kosten voor uw rekening zullen worden gebracht.

Hopende dat u het niet over zult laten komen.”

2.9 Op voormeld schrijven van de procesgemachtigde van [verzoekster] noch op diens rappelschrijven d.d. 22 maart 2018, d.d. 10 april 2018 en d.d. 22 mei 2018 is een reactie van de minister gekomen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoekster] vordert, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. de Staat zal worden gelast om onmiddelijk de beslissing d.d. 14 september 2017, waarbij zij is gemuteerd van schoolleider tot leerkracht, te herzien en haar terug te plaatsen in haar oorspronkelijke functie van schoolleider/schoolhoofd, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,- voor elke dag dat de Staat hiermee in gebreke mocht blijven;

B. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding (lees kennelijk: de advocaatkosten) ad SRD 6.000,-, welke als schade kan worden aangemerkt.

[verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven, aan haar vordering ten grondslag gelegd dat het mutatiebesluit onrechtmatig is, omdat dit besluit is genomen in strijd met artikel 25 van de Personeelswet (Pw) en voorts in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van een correcte bejegening.

[verzoekster] stelt voorts dat zij door de handelwijze van de Staat, daaronder begrepen het niet reageren op de brieven genoemd in 2.9, genoodzaakt was om rechtsbijstand in te roepen en dat de Staat gehouden is de kosten daarvan ad SRD 6.000,- aan haar te voldoen.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1 Vaststaat dat [verzoekster] ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. Deze wet is dan ook op haar van toepassing.

Het in 3.1 onder A gevorderde wordt aangemerkt als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald, in casu het verder achterwege laten van het besluit om het mutatiebesluit te herzien en [verzoekster] terug te plaatsen in haar oorspronkelijke functie van schoolleider/schoolhoofd. Het hof acht zich derhalve bevoegd kennis te nemen van dit deel van het gevorderde.

Het hof beschouwt de in 3.1 onder B gevorderde advocaatkosten als schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw. Het hof acht zich bevoegd om ook van dit deel van de vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

4.2 Ingevolge artikel 80 lid 2 sub c Pw zijn vorderingen als bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b en sub c Pw niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 Pw geacht wordt het besluit te hebben genomen. Artikel 78 lid 2 sub b Pw bepaalt dat een orgaan mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek.

Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] haar schriftelijk verzoek tot herziening van het mutatiebesluit op 12 maart 2018 aan de minister heeft doen toekomen. Vaststaat dat de minister nimmer daarop heeft beslist. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 78 lid 2 sub b Pw had de minister de ruimte tot 12 september 2018 om te beslissen op het verzoek van [verzoekster]. Nu de onderhavige vordering is ingesteld op 25 juli 2018, is [verzoekster] dus prematuur daarmee en zou zij dientengevolge in beginsel daarin niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Het hof overweegt echter dat de minister, naar vaststaat, ook gedurende dit geding niet heeft beslist op het verzoek van [verzoekster], zodat ervan wordt uitgegaan dat de minister alsnog een fictief besluit heeft genomen en wel een negatief besluit. Om deze reden acht het hof [verzoekster] wel ontvankelijk in haar vordering. Het aanhangig maken van de vordering betekent immers niet dat de minister niet meer op het verzoek hoefde te beslissen.

4.3 [Verzoekster] komt in dit geding op tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek tot herziening van het mutatiebesluit en tot terug plaatsing in haar oorspronkelijke functie van schoolhoofd.

Als onweersproken is komen vast te staan dat de Staat het besluit tot mutatie van [verzoekster] en wel in de lagere functie van leerkracht – zijnde een voor haar nadelig besluit – heeft genomen zonder het beginsel van hoor en wederhoor in acht te nemen en zonder een onderzoek in te stellen naar de vermeende handelingen van [verzoekster] die aan het mutatiebesluit ten grondslag zijn gelegd.

Reeds op deze gronden acht het hof het mutatiebesluit onrechtmatig. Geconcludeerd wordt dat [verzoekster] gegronde reden had te verzoeken dat het mutatiebesluit werd herzien en dat zij werd terug geplaatst in de functie van schoolhoofd. Naar het oordeel van het hof heeft de Staat, gelet op voormelde omstandigheden, ten onrechte achterwege gelaten om te beslissen zoals door [verzoekster] verzocht.

Overwogen wordt dat de Staat in alle redelijkheid niet tot het mutatiebesluit had kunnen komen, zeker nu de hiervoor genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet in acht zijn genomen bij het nemen van dit besluit, één en ander zoals hiervoor is overwogen. Het in 3.1 onder A gevorderde zal – voor zover [verzoekster] niet reeds met (vervroegd) pensioen is – derhalve worden toegewezen als in het dictum te melden.

Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat [verzoekster]s voorkeur uitgaat naar plaatsing op een school gelegen in Paramaribo Centrum of Paramaribo Zuid dan wel in het district Wanica.

Het hof acht voorts termen aanwezig om de gevorderde dwangsom te mitigeren en te maximeren.

4.4 De mede gevorderde advocaatkosten – die worden aangemerkt als schade – zijn niet weersproken door de Staat, zodat deze zullen worden toegewezen. Immers is komen vast te staan dat [verzoekster] deze kosten heeft moeten maken vanwege het onrechtmatig handelen van de Staat jegens haar.

4.5 De gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis zal worden afgewezen, nu het hof in eerste en hoogste aanleg beslist.

4.6 Ook de gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Veroordeelt de Staat – voor zover [verzoekster] niet reeds met (vervroegd) pensioen is – om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis [verzoekster] feitelijk in te zetten als schoolhoofd op een in Paramaribo of in het district Wanica gelegen VOJ school.

5.2 Veroordeelt de Staat om bij wege van schadevergoeding aan [verzoekster] te betalen de advocaatkosten ad SRD 6.000,- (zesduizend Surinaamse dollar).

5.3 Veroordeelt de Staat om aan [verzoekster] te betalen een dwangsom van SRD 1.000,- (eenduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan de in 5.1 vermelde veroordeling te voldoen, met dien verstande dat boven de som van SRD 100.000,- (eenhonderdduizend Surinaamse dollar) geen dwangsom meer wordt verbeurd.

5.4 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 21 februari 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. S.M.D. Sitaram namens advocaat mr. H.R. Schurman, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. K.S. Jakaoemo namens mr. R. Koendan, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-17

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[VERZOEKER],
wonende te Paramaribo,
verzoeker, hierna aangeduid als [verzoeker]”,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Justitie en Politie,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende op zijn Parket aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. P.J. Campagne, MLS, jurist verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie (hierna: het Hof), op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet (hierna: Pw) als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

    1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof d.d. 20 augustus 2019;

  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift d.d. 30 september 2019;

  • de beschikking gegeven door het Hof op 03 oktober 2019, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift met ingang van 03 oktober 2019 is verlengd met zes weken;

  • het verzoek tot verlenging termijn voor indiening verweerschrift d.d. 12 november 2019;

  • de beschikking gegeven door het Hof op 14 november 2019, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift met ingang van 14 november 2019 voor de laatste maal is verlengd met zes weken;

  • het verweerschrift zijdens de Staat ingediend ter griffie van het Hof op 20 december 2019;

  • de beschikking gegeven door het Hof op 13 mei 2020, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 19 juni 2020;

  • het proces-verbaal van het op 07 augustus 2020 gehouden verhoor van partijen;

  • het proces-verbaal van het op 21 augustus 2020 gehouden voortzetting van het verhoor;

  • de schriftelijke conclusies tot uitlating schikking zijdens partijen;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

  1. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1 [Verzoeker] is ambtenaar in de zin van de Pw en is voor regeling van zijn rechtspositie de Pw en de ter zake uitgevaardigde uitvoeringsvoorschriften op hem van toepassing;

2.2 [Verzoeker] is op 01 oktober 2003 als agent van politie in dienst getreden van het ministerie van Justitie en Politie en wel in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname en is werkzaam op de afdeling Algemene Inlichtingendienst in de rang van agent van politie eerste klasse;

2.3 In de nacht van donderdag 08 maart op vrijdag 09 maart 2018 omstreeks 04.00 uur was [verzoeker] betrokken bij een schietincident aan de [straat 1] te Paramaribo waarbij ene [naam] is geraakt door een kogel uit het dienstwapen van [verzoeker];

2.4 Op 01 februari 2019 is [verzoeker] op korpsrapport verschenen, waarbij hij uitgebreid is verhoord;

2.5 De Commissie van overleg in Politieambtenarenzaken heeft bij schrijven d.d. 11 juni 2019 aangegeven dat de gedragingen van [verzoeker] een ernstig plichtsverzuim opleveren en dat hij correctie behoeft, weshalve zij akkoord gaat met het strafvoorstel van ontslag;

2.6 [Verzoeker] is nimmer buiten functie gesteld en heeft tot op de dag van ontvangst van zijn ontslagbeschikking d.d. 07 augustus 2019 normaal zijn werkzaamheden uitgevoerd op de afdeling Algemene Inlichtingendienst. [Verzoeker] is laatstelijk beoordeeld inzake zijn volgende bevordering en heeft een positieve beoordeling gehad;

2.7 Aan [verzoeker] is bij schrijven d.d. 29 juli 2019 van de minister van Justitie en Politie, welk schrijven [verzoeker] op 07 augustus 2019 heeft ontvangen, ontslag verleend;

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert –zakelijk weergegeven- dat bij vonnis:

  1. De Staat zal worden veroordeeld om binnen 1 (een) week na uitspraak althans binnen een door het Hof in goede justitie te bepalen termijn de ontslagbeschikking d.d. 29 juli 2019 (K.A. [no ]) te vernietigen casu quo in te trekken en het dienstverband met [verzoeker] te herstellen met behoud van rang, salaris en emolumenten;
  2. De Staat zal worden veroordeeld om binnen 1 (een) week na uitspraak althans binnen een door het Hof in goede justitie te bepalen termijn [verzoeker] wederom toe te laten tot de werkvloer teneinde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten;

  3. De Staat zal worden veroordeeld tot een dwangsom van SRD. 5.000,- voor iedere dag dat de Staat nalaat om aan het gevorderde onder sub 1 en 2 te voldoen.

3.2 [Verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. De ontslagbeschikking staat bol van onwaarheden en verdraaide feiten. Deze onwaarheden en verdraaide feiten heeft [verzoeker] nader uiteengezet in zijn verzoekschrift. [Verzoeker] stelt voorts dat hij dan ook niet anders begrijpt dan dat de civiele schadeclaim van [naam] de reden is voor de Staat om [verzoeker] ontslag aan te zeggen, aangezien zulks ook in de overwegingen in de ontslagbeschikking is opgenomen. Dit blijkt onder andere uit het feit dat andere ambtenaren van politie zelfs bij een eventueel foutief optreden waarbij doden te betreuren waren, nimmer zijn ontslagen. Juist heeft de Staat de schade vergoed van de mogelijke slachtoffers in die zaken. Op 13 augustus 2019 heeft een Officier van Justitie nog een gevangenisstraf van twee jaar geheel voorwaardelijk gerekwireerd voor een politieman die wel degelijk gericht heeft geschoten op een vermoedelijke verdachte, terwijl de plaats helder verlicht was en de politie met vier man aanwezig was op de plaats van het delict. Ook deze politieman is nimmer buiten functie gesteld en werkt hij normaal door en is hem zeker geen ontslag aangezegd. [Verzoeker] ziet dan ook schending van het gelijkheidsbeginsel door de Staat die gelijke zaken niet gelijk behandeld. Daarnaast is [verzoeker] nimmer, ten tijde van het indienen van het verzoekschrift reeds 18 maanden na het incident, gedagvaard voor enig strafbaar feit. Indien het handelen van [verzoeker] een dermate ernstig strafbaar feit opleverde casu quo een dermate ernstig plichtsverzuim voorstelde, dat hem daarvoor ontslag is aangezegd, mocht worden verwacht dat hij ten spoedigste gedagvaard zou worden om zich te verantwoorden voor de kantonrechter. Het is evident dat [verzoeker] schrijnend onrecht wordt aangedaan door het handelen van de Staat en dat dit handelen tevens in strijd is met de wet en riekt naar détournement de pouvoir. De Staat handelt in strijd met alle in het rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder met het beginsel van deugdelijke feitelijke grondslag, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel;

3.3 De Staat heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij het verhoor van partijen verweer gevoerd. Het Hof komt – voor zover nodig – daarop terug in de beoordeling;

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar van politie in de zin van artikel 1 van het Politiehandvest is geweest, zodat dit handvest op hem van toepassing is. Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid, de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 Pw acht het Hof zich niet bevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 2 en 3 van het petitum, nu dit deel van de vordering niet betreft een gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een besluit dan wel een vordering tot schadevergoeding of het opleggen van een dwangsom om een besluit uit te voeren. Gelet op het voren overwogene acht het Hof zich wel bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder 1 van het petitum aangezien dat betreft nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst, wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Het Hof vat het gevorderde onder 1 van het petitum aldus op dat [verzoeker] vordert de nietigverklaring van de ontslagbeschikking in stede van veroordeling van de Staat tot vernietiging van de onderhavige ontslagbeschikking casu quo de intrekking daarvan. Immers heeft het debat tussen partijen zich daarop toegespitst en worden partijen hierdoor niet in hun belangen geschaad;

4.2 Het gevorderde onder 2 en 3 van het petitum dat betreft, kort gezegd, veroordeling van de Staat tot wedertewerkstelling van [verzoeker] onder verbeurte van een dwangsom, kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het Hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen;

Ontvankelijkheid

4.3 Ingevolge het bepaalde in artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest zijn vorderingen tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van een tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder e tot en met j van voormeld handvest – hieronder valt de aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf van ontslag -, niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat het besluit ter kennis van de gestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen. Het ontslagbesluit is op 07 augustus 2019 ontvangen door [verzoeker] en [verzoeker] heeft de onderhavige vordering ingesteld op 20 augustus 2019, derhalve binnen de termijn van een maand, zodat hij ontvankelijk is in de onderhavige vordering.

4.4 Waar gaat het in dit geding om ? [Verzoeker] die woonachtig is aan de [straat 2] te [wijk] bemerkte in de vroege ochtenduren van 8 op 9 maart 2018 tussen 02.30 uur en 03.00 uur dat een blauwgelakte auto stopte in de buurt van de auto van zijn buurvrouw die voor haar woning op straat geparkeerd stond. Iemand stapte uit en nam een accu weg uit de auto van zijn buurvrouw en stapte vervolgens weer in de gereedstaande auto waarna die auto wegreed in de richting van [straat 1] op [wijk]. [verzoeker] die de slaap niet kon vatten zat volgens zijn verklaring gekleed in zijn boxershort naar de televisie te kijken. Toen hij de diefstal bemerkte haastte hij zich om zich aan te kleden, zijn dienstwapen te pakken en ging hij vervolgens naar zijn buurvrouw teneinde haar te verwittigen omtrent de door hem geconstateerde diefstal van de accu. Daarna begaf [verzoeker] zich gewapend met zijn dienstwapen in de richting van [straat 1]. [verzoeker] zag aldaar een auto en dacht te doen te hebben met de auto waarin de dader met de gestolen accu was gestapt, zag iemand uit de auto stappen en zag de auto vervolgens terugrijden in zijn richting. In de zegenrijke veronderstelling verkerend dat hij met de daders van de diefstal van de accu te doen had, begaf [verzoeker] zich midden op het wegdek en maande de bestuurder tot stoppen aan. De bestuurder gaf geen gevolg aan de sommatie en reed in op [verzoeker] die genoodzaakt was om opzij te springen en enkele schoten te lossen in de richting van de wegrijdende auto ten gevolge waarvan de bestuurder in zijn rechterborststreek werd geraakt. Voornoemde bestuurder, [naam] genaamd, diende naderhand een schadeclaim in tegen [verzoeker] en de Staat bij de civiele rechter, de Staat gaf [verzoeker] de gelegenheid om zich te verweren en ongeveer achttien maanden na het incident werd [verzoeker] ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim. Tegen dit ontslag komt [verzoeker] op in dit geding;

4.5 De Staat heeft – zakelijk weergegeven – in zijn verweerschrift en bij het gehouden verhoor van partijen het volgende verweer gevoerd. [Verzoeker] had als ambtenaar van politie beter moeten weten en moeten handelen zoals de wet en aanverwante regelingen en dienstvoorschriften voorschrijven. [Verzoeker] heeft voorts niet concreet aangegeven in welke andere zaken de Staat slachtoffers heeft vergoed of een mildere tuchtstraf voor zwaardere vergrijpen heeft opgelegd en dat [verzoeker] nimmer is gedagvaard om zich te verantwoorden voor de strafrechter, is des Openbaar Ministerie en kan de Staat daarover geen uitspraak doen. Nergens in de Personeelswet of het Politie Handvest althans andere aanverwante regelingen wordt het toepassen van ordemaatregelen dwingend voorgeschreven. De Staat heeft beleidsvrijheid voor wat betreft het toepassen van voorlopige maatregelen. [Verzoeker] vertaalt hetgeen door de Commissie van Overleg in Politieambtenarenzaken is gesteld dat [verzoeker] correctie behoeft totaal verkeerd en bestempelt het derhalve onterecht als te zijn een onoverbrugbare contradictie. Een correctie waarbij de lichtste of de zwaarste tuchtstraf wordt opgelegd, blijft een correctie. Uit artikel 12 van het Politiehandvest blijkt wanneer en tegen wie er geweld gebruikt kan worden. Uit het dossier blijkt niet dat het (latere) slachtoffer aan die kwalificatie voldeed;

4.6 In het onderhavig geval dient de vraag te worden beantwoord of [verzoeker] zich al dan niet heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim zoals hem door de Staat wordt verweten en is vervat in de ontslagbeschikking. Naar het oordeel van het Hof levert voormeld handelen van [verzoeker] in de geschetste context geen ernstig plichtsverzuim op. Plichtsverzuim betekent volgens van Dale “Groot woordenboek van de Nederlandse taal” het volgende (citaat): het verzuimen van zijn plicht. Daaronder verstaat het Hof – kort gezegd – het overtreden van opgelegde verplichtingen, het overtreden van een voorschrift en het zich niet als een goed politieambtenaar gedragen. In casu heeft [verzoeker] zich in de visie van het Hof terecht met de zaak bemoeid toen hij de diefstal had opgemerkt. Het zou een ambtenaar van politie niet sieren om na ontdekking van diefstal van een accu op heterdaad, zich passief op te stellen en zich wederom ter ruste te begeven zonder op te treden. Overigens is er niet alleen sprake van heterdaad terwijl het feit gepleegd wordt maar ook kort daarna. Naar het oordeel van het Hof is er in eerste instantie geen sprake geweest van enig plichtsverzuim aan de zijde van [verzoeker]. Het standpunt van de Staat dat [verzoeker] telefonisch contact diende te maken met de politie en de komst van de politie diende af te wachten is in de visie van het Hof van elke realiteitszin ontbloot aangezien het algemeen bekend is dat de daders in die tussentijd al lang weg zouden zijn gegaan. Direct handelen was dus in de visie van het Hof geboden. Daarna is [verzoeker] in burgerkleding met zijn dienstvuistvuurwapen gelopen naar [straat 1] dat aangrenzend is aan de [straat 2] op [wijk]. In de [straat 1] zijnde zag [verzoeker] een voertuig waaruit iemand is uitgestapt en op dat moment onder die omstandigheden, in de vroege ochtenduren met straatverlichting die – naar algemeen bekend wordt verondersteld – kleurschakeringen er anders doet uitzien dan die in werkelijkheid is, heeft [verzoeker] aangenomen dat het om hetzelfde voertuig ging dat bij de diefstal van de accu uit de auto van zijn buurvrouw betrokken was. Toen [verzoeker] merkte dat het voertuig zijn richting op kwam besloot hij met zijn dienstwapen in de hand midden op straat te gaan staan teneinde de bestuurder tot stoppen aan te manen. Tot dusver constateert het Hof geen verkeerde of in strijd met de ambtsinstructie van politie gepleegde handeling zijdens [verzoeker]. De bestuurder van het voertuig negeert echter het stopteken van [verzoeker] en rijdt gewoon door waardoor [verzoeker] genoodzaakt is om opzij te springen en daarbij lost hij kennelijk drie schoten op het voertuig ten gevolge waarvan de bestuurder geraakt wordt. Naderhand blijkt het niet te gaan om het voertuig waarin de daders van de diefstal van de accu zaten maar om feestgangers die afgezet werden aan de [straat 1]. En toen was Leiden (in casu Paramaribo) in last;

4.7 In de nasleep van voormelde feitelijke gebeurtenissen wordt [verzoeker] ontslagen vanwege ernstig plichtsverzuim. In de visie van het Hof heeft [verzoeker] correct gehandeld tot aan het moment waarop hij heeft geschoten op het voertuig nadat de bestuurder daarvan zijn stopteken had genegeerd. De vraag die rijst is dan of op dat moment het schieten door [verzoeker] al dan niet gerechtvaardigd casu quo proportioneel was. En die vraag dient naar het oordeel van het Hof in ontkennende zin te worden beantwoord. Immers geeft artikel 12 van het Politiehandvest expliciet aan wanneer het gebruik van geweld door een ambtenaar van politie geoorloofd is. Daarvan is er in casu naar het oordeel van het Hof geen sprake geweest. Hoewel het Hof begrijpt dat [verzoeker] op dat moment onder de hiervoor geschetste omstandigheden in een bepaalde gemoedstoestand verkeerde, rechtvaardigt dat het schieten op het voertuig niet. Gelet op het voorgaande stelt het Hof vast dat [verzoeker] zich wel heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim;

4.8 Vervolgens komt aan de orde de vraag welke tuchtstraf in casu passend is. Ingevolge het bepaalde in artikel 44 van het Politiehandvest dient er daarbij gelet te worden op de ernst van het plichtsverzuim, de gevolgen van het plichtsverzuim, de omstandigheden waaronder het tuchtrechtelijk te straffen feit is begaan en het algemeen gedrag en de dienstijver van de ambtenaar, alsmede diens persoonlijke en huiselijke omstandigheden. Zoals uit het ingesteld onderzoek is gebleken heeft [verzoeker] eerder geen tuchtstraf opgelegd gekregen. Op grond van de door het Politiehandvest aangereikte criteria stelt het Hof vast dat het in dit geval gaat om plichtsverzuim en niet om ernstig plichtsverzuim. Daarnaast blijkt er, naar het oordeel van het Hof, onvoldoende rekening gehouden te zijn door de Staat met de omstandigheden waaronder het feit is begaan door [verzoeker] alsmede het algemeen gedrag en de dienstijver van [verzoeker] en diens persoonlijke en huiselijke omstandigheden. Door desondanks ernstig plichtsverzuim vast te stellen heeft de Staat zich in de visie van het Hof schuldig gemaakt aan schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten schending van het beginsel van deugdelijke feitelijke grondslag, het vertrouwensbeginsel alsmede schending van het rechtszekerheidsbeginsel zoals [verzoeker] in zijn verzoek terecht heeft aangevoerd. De grondslag van het gevorderde is derhalve in rechte komen vast te staan en zal het gevorderde worden toegewezen in voege als na te melden.;

4.9 Het Hof zal aan [verzoeker] ter zake van het door hem gepleegde plichtsverzuim ingevolge het bepaalde in artikel 82 lid 4 Pw juncto artikel 40 lid 1 onder h van het Politiehandvest en rekening houdend met de ernst van het plichtsverzuim, de gevolgen van dat plichtsverzuim, de omstandigheden waaronder het tuchtrechtelijk te straffen feit is begaan, het algemeen gedrag en dienstijver van [verzoeker] en diens persoonlijke en huiselijke omstandigheden, de tuchtstraf van schorsing voor een tijdvak van een maand met inhouding van bezoldiging opleggen, welke tuchtstraf het Hof passend acht voor het gegeven geval;

4.10 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking;

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van hetgeen [verzoeker] onder 2 en 3 van het petitum heeft gevorderd;

5.2 verklaart nietig het in de ontslagbeschikking van de Minister van Justitie en Politie K.A. [No.] de dato 29 juli 2019, vervatte besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst;

5.3 Legt aan [verzoeker] wegens plichtsverzuim op de tuchtstraf van schorsing voor een tijdvak van een (1) maand met inhouding van bezoldiging;

5.4 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-president voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 04 december 2020, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. S.C. Berenstein BSc.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat mr. Ch. Algoe, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne MLS, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-16

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te Paramaribo,
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
in deze het Ministerie van Justitie en Politie,
ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. K.S. Jakaoemo MICL, beleidsadviseur op het Ministerie van Justitie en Politie en verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het hof) op 11 december 2018;
  • het verweerschrift d.d. 10 januari 2019;
  • de beschikking van het hof van 08 mei 2019, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 juni 2019;
  • het proces-verbaal van het op 07 juni 2019 gehouden verhoor van partijen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 15 november 2019, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [Verzoeker] is als agent van politie 2e klasse in vaste dienst geweest bij het Korps Politie Suriname (KPS) van het Ministerie van Justitie en Politie. Hij was laatstelijk werkzaam bij het Regio Bijstandsteam Midden (hierna: RBT Midden) van het KPS.

2.2 [Verzoeker]heeft een buitenechtelijke relatie met ene [vrouw] (hierna aangeduid als: [vrouw]) gehad. Laatstgenoemde heeft op 26 april 2016 aangifte tegen [verzoeker] gedaan ter zake van mishandeling, bedreiging, belaging en vernieling van haar voertuig.

2.3 [Verzoeker] is bij brief van de waarnemend korpschef van het KPS, de commissaris van politie, A. Chin, d.d. 14 augustus 2017, [K.A.], in gebreke gesteld en in de gelegenheid gesteld zich te verweren ter zake van de aangifte van [vrouw]. Voormelde brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Hierbij wordt het volgende onder uw aandacht gebracht:

Uit de processen-verbaal, vervat in het dossier, voorzien van het [nummer] en K.A. nummer geheim, de dato 26 april 2016, opgemaakt door de majoor van politie Ost, C., van de afdeling Onderzoek Personeels Zaken, blijkt het volgende:

Op dinsdag 26 april 2016, deed [vrouw], aangifte van mishandeling, bedreiging, belaging en vernieling tegen u. U had ongeveer acht jaar geleden een liefdes relatie met [vrouw]. U maakte er een gewoonte (lees: van) om [vrouw] tijdens de relatie te mishandelen en u ging ook vreemd. Die relatie is beëindigd toen uw vrouw, zijnde een van de vrouwen waarmee u vreemd ging zwanger raakte. U trad toen in het huwelijk met uw vrouw. U vroeg [vrouw] nog steeds om een buitenechtelijke relatie, hetgeen zij steeds weigerde. U molesteerde en bedreigde [vrouw] telefonisch. U heeft [vrouw] zelfs ontvoerd bij het Havo scholen complex en trachtte haar eveneens te verkrachten, daarbij heeft u haar voertuig vernield. U heeft [vrouw] meerdere malen met de dood bedreigd. U heeft zelfs uw dienstvuistvuurwapen althans een wapen tegen het hoofd van [vrouw] gedrukt. [Vrouw] heeft zelfs via de rechter een beschermingsbevel tegen u aangevraagd. Ondanks aangifte gedaan door [vrouw] en een bevel van de rechter bent u nog steeds bezig [vrouw] te molesteren, dan wel berichten te sturen via WhatsApp en Facebook.

Uit het volgende blijkt;

  • dat u zich niet heeft gedragen zoals het een goed politieambtenaar betaamt, waardoor u afbreuk doet aan de waardigheid van uw ambt en het aanzien van de politie heeft geschaad;

  • dat u verdacht wordt van mishandeling gepleegd door een ambtenaar; bedreiging van enig misdrijf tegen het leven gericht gepleegd door een ambtenaar; belaging gepleegd door een ambtenaar en vernieling gepleegd door een ambtenaar;

Deze gedragingen van u zijn in strijd met de artikelen 360 jo 67; 345 jo 67; 345b jo 67 en 414 jo 67 van het Wetboek van Strafrecht alsook in strijd met artikel 10 lid 2 sub b zoals aangegeven in de Instructie Ambtenaren van Politie G.B. 1972 nummer 82 en met punt 3 leden 1, 2 en 3 van de Gedragscode voor Politieambtenaren, hetgeen u een ernstig plichtverzuim oplevert.”

2.4 [Verzoeker] heeft bij brief van 23 augustus 2017 verweer gevoerd. Hij heeft tevens mondeling verweer gevoerd ter gelegenheid van het op 26 oktober 2017 gehouden korpsrapport.

2.5 De minister van Justitie en Politie heeft bij beschikking d.d. 26 oktober 2018, Bureau no. J18/03040, K.A. no. 2437/18 (hierna: de ontslagbeschikking), besloten om aan [Verzoeker] wegens lichtverzuim (lees: plichtsverzuim) ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst op te leggen (hierna ook: het ontslagbesluit). Daartoe is het volgende overwogen:

“dat de ambtenaar van politie, [Verzoeker], (…) thans dienende in de rang van agent van politie tweede klasse (hierna te noemen betrokkene) in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname van het ministerie van Justitie en Politie, blijkens het dossier voorzien van het [administratie nummer] van de afdeling Onderzoek Personeelszaken, ervan wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan de stafbare [sic] feiten; mishandeling gepleegd door een ambtenaar; bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht door een ambtenaar; belaging gepleegd door een ambtenaar en vernieling door een ambtenaar, dan wel een plichtverzuim;

dat op dinsdag 26 april 2016, [vrouw], aangifte deed van mishandeling, bedreiging, belaging en vernieling tegen betrokkene;

dat betrokkene een buitenechtelijke relatie op na hield met [vrouw];

dat op een gegeven moment zij besloot om een punt achter die relatie te zetten;

dat [vrouw] steeds weigerde om door te gaan in de relatie, waarna betrokkene besloot om haar telefonisch te molesteren en te bedreigen;

dat betrokkene, [vrouw] zelfs heeft ontvoerd bij het Havo complex en trachtte haar eveneens te verkrachten, daarbij heeft hij haar voertuig ook vernield;

dat betrokkene meerdere malen [vrouw] [sic] heeft bedreigd met zijn dienstvuistvuurwapen, waarbij het wapen tegen haar hoofd gedrukt hield.

dat in het jaar 2013, betrokkene een bromfietser had aangereden, waarbij de bromfietser ten gevolge van de aanrijding zwaar lichamelijk letsel opliep en hij daarvoor één (1) week schorsing opgelegd kreeg.

dat in het jaar 2015, betrokkene een voertuig bestuurde, waarbij hij zodanig onder invloed van alcohol verkeerde, dat hij een stopteken van de dienstdoende agenten, die bezig waren met een verkeersactie negeerde;

dat betrokkene doorreed en moest worden klemgereden. In dat geval overschreed hij de maximum snelheid ter plaatse en werd eveneens een ademanalyse test afgenomen van betrokkene, waaruit bleek dat hij 740 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht had geblazen, terwijl bij wet vanaf 220 microgram strafbaar is gesteld;

dat deze zaak is besproken tussen de PG en KC, waarbij het strafvoorstel voor onthouding van bevordering voor de duur van twee jaren werd voorgesteld;

dat uit het vorenstaande is gebleken dat betrokkene zich meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan ernstige plichtverzuim, dat bij PG/KC overleg van 02 maart 2017 is voorgesteld hem de tuchtstraf van ontslag op te leggen.

dat betrokkene zich niet heeft gedragen zoals van een integere politie ambtenaar verwacht mag worden, waardoor hij afbreuk heeft gedaan aan de waardigheid van zijn ambt;

dat de handelingen en gedragingen gepleegd door betrokkene niet alleen strafbare feiten opleveren, doch ook in strijd zijn met de ambtsinstructies, zoals onder meer vervat in de artikelen 10 lid 2 onder [sic] van de instructie ambtenaren van politie G.B. 1972 no 82 en artikel 3 sub 1; 2 van de gedragscode voor ambtenaren van politie;

dat het voorgaande ernstig plichtsverzuim oplevert voor betrokkene, weshalve hij bij schrijven van de voormalige wnd. korpschef, de commissaris van politie A. Chin. de dato 14 augustus 2017, ter zake in gebreke werd gesteld en in de gelegenheid werd gesteld zich te verweren;

dat deze zaak op 2 maart 2017, alvorens op het korpsrapport te zijn behandeld, door de korpschef is besproken met de procureur-generaal, waarbij werd voorgesteld om betrokkene de tuchtstraf van ontslag op te leggen;

dat betrokkene in zijn mondeling verweer op het gehouden korpsrapport, de dato 26 oktober 2017, het volgende heeft aangegeven: ‘Ik had wel een relatie met [vrouw], maar heb haar nooit geslagen. Uit boosheid had ik delen van haar auto geslagen, maar heb haar daarvoor vergoed’:

dat op grond van het door betrokkene, gepleegd plichtverzuim, de argumenten aangehaald in zijn mondeling verweer op het gehouden korpsrapport de dato 26 oktober 2017, meegenomen het resultaat van het KC/PG overleg d.d. 02 maart 2017, aan betrokkene de tuchtstraf van ontslag dient te worden opgelegd;

dat de Commissie voor overleg in Politieambtenarenzaken bij schrijven d.d. 07 mei 2018 kenmerk Ag OO.no. 013/18, heeft geadviseerd om betrokkene te laten begeleiden door een deskundige om te leren omgaan met zaken in de relationele sfeer. Echter is de minister van Justitie en Politie afgeweken van dit besluit en heeft besloten betrokkene de tuchtstraf van ontslag op te leggen.”

2.6 De ontslagbeschikking is op 13 november 2018 aan [verzoeker] uitgereikt.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis:

  1. de Staat zal worden veroordeeld om binnen 1 (een) week na de uitspraak de ontslagbeschikking te vernietigen c.q. de intrekking daarvan zal worden bevolen en het dienstverband met [verzoeker] zal worden hersteld met behoud van rang, salaris en emolumenten;
  2. de Staat zal worden veroordeeld om binnen 1 (een) week na de uitspraak [verzoeker] wederom toe te laten tot de werkvloer teneinde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten;
  3. de Staat zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 5.000,- voor iedere dag dat de Staat nalaat om aan het gevorderde onder sub 1 en 2 te voldoen.

3.2 [Verzoeker] heeft, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. De feiten waarover [vrouw] (lees in het vervolg: [vrouw]) het in haar aangifte heeft, betreffen zaken die zich vier jaren voorafgaande aan de datum van de aangifte hebben voorgedaan. Op 14 augustus 2017 – zestien maanden later – werd [verzoeker] in gebreke gesteld en verweer aangezegd. [Verzoeker] heeft in zijn verweerschrift d.d. 23 augustus 2017 de beschuldigingen van [vrouw] genoegzaam weerlegd. De afdeling Onderzoek Politiezaken is er abusievelijk van uitgegaan dat er op 10 mei 2016 op verzoek van [vrouw] een beschermingsbevel was uitgevaardigd tegen [verzoeker]. Aangezien [vrouw] haar beschuldigingen op geen enkele wijze kon hard maken, is het gevraagde beschermingsbevel geweigerd. Inmiddels had [vrouw] ook aangegeven haar aangifte te zullen intrekken bij de afdeling Onderzoek Politiezaken. De relatie tussen [vrouw] en [verzoeker] dateert van vóór de indiensttreding van laatstgenoemde bij de Staat en is vrijelijk aangegaan door [vrouw]. [Verzoeker] heeft de afdeling Onderzoek Politiezaken verzocht een uitdraai van zijn mobiele toestel op te vragen, waaruit gelijk duidelijk zou worden hoe vaak [vrouw] hem belt en dat er geen enkele reden voor hem is om haar te bedreigen of telefonisch te molesteren. De afdeling Onderzoek Politiezaken heeft nagelaten dit onderzoek te plegen.

[Verzoeker] gaf op het op 26 oktober 2017 gehouden korpsrapport toe een relatie met [vrouw] te hebben gehad en uit boosheid vernielingen te hebben aangericht aan het voertuig van [vrouw], waarvoor hij haar heeft vergoed. [Verzoeker] ontkende [vrouw] ooit te hebben geslagen. Hij heeft sedert 26 oktober 2017 nooit meer iets over dit onderzoek vernomen en er werden geen sancties tegen hem getroffen.

Uit de ontslagbeschikking blijkt dat er alleen aandacht is besteed aan het mondelinge verweer dat [verzoeker] heeft gevoerd ter gelegenheid van voormeld korpsrapport. Er is totaal geen aandacht besteed aan het uitgebreid schriftelijke verweer van [verzoeker], het feit dat de schade is vergoed en [vrouw] bereid was de zaak in te trekken en dat [vrouw], ondanks daartoe ettelijke malen door de politie te zijn opgebeld, nimmer is verschenen op het confrontatieverhoor dat op aandringen van [verzoeker] is gehouden.

Daarnaast verbaast het [verzoeker] dat er zoveel aandacht wordt besteed aan de aangifte van [vrouw], terwijl hij nimmer ter zake daarvan is gedagvaard, vervolgd of veroordeeld. [Verzoeker] is zelfs nimmer buiten functie gesteld voor dit feit dat thans doorslaggevend is voor zijn ontslag.

Deze zaak is op 02 maart 2017, alvorens op het korpsrapport te zijn behandeld, door de korpschef besproken met de procureur-generaal, waarbij werd voorgesteld om [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag op te leggen. Dit betekent dat alvorens [verzoeker] zich kon verweren, de korpschef en de procureur-generaal al hadden besloten om [verzoeker] voormelde tuchtstraf op te leggen. De beslissing stond reeds vast zonder de zijde van het verhaal van [verzoeker] te vernemen, dus zonder het beginsel van hoor en wederhoor in acht te nemen. [Verzoeker] heeft zonder dat sprake is van strafrechtelijk bewijs, de zwaarste ambtelijke straf opgelegd gekregen.

Het is onbegrijpelijk dat de commissie voor overleg in politieambtenarenzaken op 07 mei 2017 heeft geadviseerd om [verzoeker] te laten begeleiden door een deskundige om te leren omgaan met zaken in de relationele sfeer, terwijl in de ontslagbeschikking is opgenomen dat de minister is afgeweken van dit besluit en heeft besloten om [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag op te leggen. [Verzoeker] is nimmer buiten functie gesteld of geschorst voor welk feit dan ook en hij mocht ervan uitgaan dat gekozen zou worden voor een lichtere tuchtstraf of het seponeren van de zaak, nu vanaf het gebeurde meer dan twee jaren zijn verlopen. De korpschef, de procureur-generaal en de minister waren allen bereid om [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag op te leggen zonder zijn schriftelijk verweer te lezen, zonder aandacht te besteden aan zijn conduitestaat en zonder hem een eerlijke kans te geven. [Verzoeker] heeft tot de dag van ontvangst van de ontslagbeschikking plichtsgetrouw zijn werk verricht bij RBT Midden.

Het is evident dat [verzoeker] een schrijnend onrecht wordt aangedaan door het handelen van de Staat en dat dit handelen in strijd is met de wet en riekt naar détournement de pouvouir.

[Verzoeker] is nimmer formeel middels een beschikking van de minister geschorst geworden, hetgeen tevens in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het rechtszekerheidsbeginsel.

Voormelde handelwijze van de Staat is in strijd met alle beginselen van behoorlijk bestuur, in bijzonder het beginsel van een deugdelijke feitelijke grondslag, het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar van politie in de zin van artikel 1 van het Politiehandvest is geweest, zodat dit handvest op hem van toepassing is. Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid, de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;

c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 Het in 3.1 onder 1 gevorderde strekt tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw juncto artikel 47 lid 3 van het Politiehandvest is het hof bevoegd kennis te nemen van een vordering tot nietigverklaring van een besluit waarbij aan een politieambtenaar een tuchtstraf, anders dan die bedoeld in artikel 40 lid 1 onder a tot en met d van het Politiehandvest, is opgelegd. Nu de aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf van ontslag niet valt onder vorenbedoelde opsomming, is het hof bevoegd kennis te nemen van dit deel van de vordering.

4.1.3 Het in 3.1 onder 2 en 3 gevorderde, kort gezegd, de veroordeling van de Staat tot wedertewerkstelling van [Verzoeker] onder verbeurte van een dwangsom, kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

4.2 Ingevolge artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest zijn vorderingen tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van een tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder e tot en met j van voormeld handvest – hieronder valt de aan [Verzoeker] opgelegde tuchtstraf van ontslag –, niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat het besluit ter kennis van de gestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen. Het ontslagbesluit is op 13 november 2018 ter kennis van [verzoeker] gebracht. Nu [verzoeker] de in 3.1 onder 1 vermelde vordering strekkende tot nietigverklaring van het ontslagbesluit op 11 december 2018 heeft ingesteld, derhalve binnen de termijn van een maand, is hij daarin ontvankelijk.

4.3.1 Naar het hof begrijpt betoogt [verzoeker] dat de Staat ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit onvoldoende bewijsmateriaal in handen had om dit besluit te rechtvaardigen.

Vooropgesteld wordt dat het bij een disciplinair onderzoek niet gaat om de vaststelling van strafbare feiten, maar om de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven. Naar vaste jurisprudentie gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de in het strafrecht van toepassing zijnde zeer strikte bewijsregels. Aan de stelling van [verzoeker] dat strafrechtelijk bewijs ontbreekt, komt derhalve niet de betekenis toe die hij daaraan toegekend wil zien. Vereist is dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat [verzoeker] zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

4.3.2 Het hof constateert dat de Staat het door de politie opgemaakte dossier naar aanleiding van de aangifte van [vrouw] tegen [verzoeker] – met de daarin opgenomen processen-verbaal – niet in het geding heeft gebracht.

Blijkens de ontslagbeschikking wordt [verzoeker] onder meer verweten dat hij vernielingen heeft aangebracht aan het voertuig van [vrouw]. [Verzoeker] heeft zowel bij zijn mondelinge verweer als in zijn verweerschrift d.d. 23 augustus 2017, alsook in het onderhavige geding, toegegeven zich hieraan schuldig te hebben gemaakt.

[Verzoeker] heeft in voormeld verweerschrift, alsook in het onderhavige geding, betwist zich schuldig te hebben gemaakt aan het overige hem verweten gedrag jegens [vrouw]. In het licht van deze betwisting had het op de weg van de Staat gelegen om nadere feiten of omstandigheden aan te dragen ter onderbouwing van zijn stelling dat [verzoeker] zich aan de overige hem verweten gedragingen jegens [vrouw] schuldig heeft gemaakt, hetgeen de Staat heeft nagelaten. Dit leidt tot de slotsom dat niet is komen vast te staan – en de Staat derhalve niet tot de overtuiging kon komen – dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan het overige hem verweten en in de ontslagbeschikking opgenomen gedrag jegens [vrouw]. De gestelde bedreiging (met een dienstvuistvuurwapen), ontvoering, poging tot verkrachting en het telefonisch molesteren van [vrouw] hadden derhalve niet aan het ontslagbesluit ten grondslag mogen worden gelegd.

4.3.3 Vast is komen te staan dat [verzoeker] vernielingen heeft aangebracht aan het voertuig van [vrouw], hetgeen mede aan het ontslagbesluit ten grondslag is gelegd. Het verweer van [verzoeker] dat het ontslagbesluit een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert, faalt derhalve. Dat het overige aan [verzoeker] verweten gedrag niet is komen vast te staan, maakt dit niet anders.

4.4 Naar het oordeel van het hof levert het door [verzoeker] aanbrengen van vernielingen aan het voertuig van [vrouw] plichtsverzuim op. Dit gedrag druist immers in tegen de kerntaak van de politie alsmede de voor politieambtenaren geldende gedragscode. Daaraan doet niet af dat deze gedraging zich in de privésfeer heeft afgespeeld noch dat [verzoeker] [vrouw] voor de schade aan haar voertuig heeft vergoed. [Verzoeker] diende zich immers als politieambtenaar ook in zijn privéleven te onthouden van bedoelde vernielingen. Voorts wordt overwogen dat [verzoeker] begreep althans had kunnen begrijpen dat zijn handelwijze niet door de beugel kon, zodat het plichtsverzuim hem kan worden toegerekend. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel nopen.

4.5.1 [Verzoeker] heeft zich erop beroepen dat hem een te zware tuchtstraf is opgelegd. Dit beroep slaagt. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Het hof stelt voorop dat recidive (herhaling van plichtsverzuim) een rol kan spelen bij de bepaling van de op te leggen straf, maar het gepleegde nieuwe plichtsverzuim wel in een aanvaardbare verhouding moet staan tot deze straf. Kortom, het nieuwe plichtsverzuim dat aanleiding heeft gegeven tot de oplegging van een bepaalde tuchtstraf, moet op zichzelf deze tuchtstraf rechtvaardigen.

Het hof overweegt dat het gepleegde plichtsverzuim, bestaande uit het aanbrengen van vernielingen aan het voertuig van [vrouw], het ontslag van [verzoeker] niet rechtvaardigt. Immers, in de visie van het hof staat dit tuchtontslag, waaraan vergaande gevolgen voor [verzoeker] zijn verbonden, niet in een redelijke verhouding tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan. Reeds op deze grond kan het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit niet in stand blijven.

De overige door [verzoeker] gestelde gronden voor de nietigheid van het ontslagbesluit, één en ander zoals weergegeven in 3.2, kunnen derhalve onbesproken blijven.

4.5.2 Aan het oordeel dat het gepleegd plichtsverzuim het ontslag van [verzoeker] niet rechtvaardigt, doet niet af dat in de ontslagbeschikking tevens is opgenomen het door de Staat gestelde eerdere plichtsverzuim waaraan [verzoeker] zich schuldig zou hebben gemaakt in 2013 en 2015, te weten, kort gezegd, het aanrijden van een bromfietser respectievelijk het rijden onder invloed van alcohol, het negeren van een stopteken van dienstdoende politieagenten en het overschrijden van de toegestane maximumsnelheid.

Voor zover het bedoeling van de Staat is geweest om het door [verzoeker] gepleegde plichtsverzuim, bestaande uit aanbrengen van vernielingen aan het voertuig van [vrouw], aan te grijpen om bovenbedoelde voorvallen uit 2013 en 2015 mede aan het ontslagbesluit ten grondslag te leggen, handelt de Staat in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Immers, de Staat heeft in de visie van het hof met name het recht verspeeld om [verzoeker] thans alsnog te bestraffen voor het in 2015 voorgevallene, nu de Staat – naar gebleken is – zulks toentertijd heeft nagelaten, ondanks blijkens de ontslagbeschikking uit het ter zake gevoerd overleg tussen de korpschef en procureur-generaal het voorstel tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van onthouding van bevordering voor de duur van twee jaren is voortgevloeid.

4.5.3 Uit het in 4.5.1 overwogene volgt dat de in 3.1 onder 1 vermelde vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit, zal worden toegewezen.

4.6 Het hof zal aan [verzoeker] ter zake van het door hem gepleegde plichtsverzuim ingevolge het bepaalde in artikel 82 lid 4 Pw juncto artikel 40 lid 1 onder h van het Politiehandvest de tuchtstraf van schorsing voor een tijdvak van twee weken met inhouding van bezoldiging opleggen, welke tuchtstraf het hof passend acht.

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder 2 en 3 gevorderde.

5.2 Verklaart nietig het in de beschikking van de minister van Justitie en Politie van 26 oktober 2018, Bureau no. J18/03040, K.A. no. 2437/18, vervatte besluit tot oplegging aan [Verzoeker] van de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst.

5.3 Legt aan [verzoeker] wegens plichtsverzuim op de tuchtstraf van schorsing voor een tijdvak van twee weken met inhouding van bezoldiging.

5.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 04 december 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat mr. Ch. Algoe, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne MLS namens mr. K.S. Jakaoemo MICL, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2020-42

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 20-1063
30 juli 2020

Vonnis in kortgeding in de zaak van:

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie], in privé en zijn hoedanigheid als direkteur van [bedrijf],
wonende en gevestigd aan [adres] te [district],
eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: [eiser in conventie, gedaagde in reconventie],
gemachtigde: mr. P. Baldew, advocaat,

tegen

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie], handelende onder de naam [bedrijf 2],
wonende aan [adres 2] te [district],
gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in reconventie],
gemachtigde: mr. I.A. Nazir, advocaat.

1. Het verloop vanhet proces
In conventie en in reconventie
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 23 maart 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die is genomen op 02 april 2020;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met producties;
  • de conclusie van dupliek in conventie en in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en in reconventie
2.1 Op 22 januari 2020 heeft [bedrijf 2], zijnde een rechtspersoon en hierna te noemen de NV, een verzoekschrift bij de kantonrechter ingediend tot verkrijging van toestemming tot het mogen leggen van conservatoir beslag op de roerende goederen van [bedrijf] en derdenbeslag onder 1) de Surinaamsche Bank N.V, Republic Bank (Suriname) N.V. en Hakrinbank N.V. op de gelden van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie], en wel als zekerheid tot betaling van door haar vermeend geleden schade die door haar begroot is op SRD 220.000,-.

2.2 De NV heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat [bedrijf] wanprestatie c.q. een onrechtmatige daad jegens haar pleegt, als gevolg waarvan zij schade ad SRD 173.490,15 lijdt. Daartoe heeft zij onder meer het volgende gesteld:

  • sedert 2010 heeft zij een distributie- en bruikleenovereenkomst met [bedrijf] gesloten, waarbij is overeengekomen dat de NV aan [bedrijf] brandstof en brandstofproducten levert en [bedrijf] uitsluitend bij de NV brandstof en brandstofproducten afneemt;
  • [bedrijf] heeft op 07 oktober 2019 en 14 oktober 2019 op rekening van de NV gekocht diverse brandstof en brandstofproducten voor een totaalbedrag van SRD 150.861,-;
  • [bedrijf] heeft niet voldaan aan haar plicht tot betaling van het hiervoor vermeld bedrag. Dit, ondanks zij daartoe door de NV in gebreke zou zijn gesteld;
  • middels een schrijven d.d. 12 november 2019 heeft de NV, vanwege de tussen haar en [bedrijf] verslechterde verstandhouding, de overeenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd en beëindigd;

2.3 Op 19 februari 2020 heeft de kantonrechter bij beschikking in de zaak bekend het verzoek van de NV , dat onder A.R. No. 20-0246 geregistreerd staat, tot het mogen leggen van het beslag toegestaan.

2.4 De NV heeft nadien bij exploot van deurwaarder,S.W. Niekoop, d.d. 03 maart 2020 no. R. 324, no. R. 325 en R. 326, ten laste van [bedrijf] conservatoir derden beslag gelegd onder respectievelijk De Surinaamsche Bank NV, de Republic Bank Suriname N.V. en de Hakrinbank N.V. op alle gelden, geldswaarden en/of goederen, welke deze instellingen van [bedrijf] onder zich hebben en/of verkrijgen.
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft bij exploot van de hiervoor genoemde deurwaarder d.d. 18 maart 2020 no. 385 revindicatoir beslag en sequestratie doen leggen op de in dit exploot omschreven roerende goederen.

2.5 De NV heeft middels exploot van de deurwaarder, S.W. Niekoop, d.d. 18 maart 2020 no. R. 330, de exploten van de beslagleggingen aan [bedrijf] doen betekenen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie en in reconventie
3.1 In conventie vordert [eiser in conventie, gedaagde inreconventie] dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
a)de gegeven verlofbeschikking d.d. 19 februari 2020 onder A.R. No. 20-0246 opschort, totdat in bodemprocedure anders zal zijn beslist;
b) [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gelast om binnen 1 x 1 uur, althans door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, de goederen zoals vermeld in het exploot van de deurwaarder d.d. 18 maart 2020 onder nummer 385, alsmede de brandstof welke is meegenomen, terug te plaatsen in de oorspronkelijke toestand op het bedrijf van waar die zijn meegenomen en dit onder toezicht van een deskundige van SOL of Go2 en ook de brandweer en NIMOS, met bepaling dat indien [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] geen gevolg zal geven aan de veroordeling een dwangsom zal verbeuren van SRD 10.000.000,- per dag;
c)gelast de opheffing en doorhaling van het gelegd conservatoirderden beslag bij exploot van de deurwaarder S.W. Niekoop d 03 maart 2020 onder de nummers R.324, R.325, R.326 bij de rechtspersonen, te weten: De Surinaamsche Bank N.V., Republic Bank (Suriname) N.V. en de Hakrinbank N.V.;
d) [gedaagde in conventie, eiser in reconventie]veroordeelt tot betaling van de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten alsmede het honorarium van de advocaat ad US$000,-;
e) [gedaagde in conventie, eiser inreconventie] veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] legt aan de gevorderde voorzieningen ten grondslag dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] onrechtmatig jegens hem handelt. Daartoe stelt hij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • de gelegde conservatoir derdenbeslagen onder de banken zijn van rechtswege komen te vervallen, omdat de NV de betekening van deze beslagleggingen binnen 7 dagen aan [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] moest betekenen;
  • in het beslagrekest heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] het mogen leggen van revindicatoir beslag niet gevorderd en evenmin sequestratie, waardoor de tanks en benzinepompen onrechtmatig zijn weggenomen;
  • [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] is het bedrag voor de brandstof en brandstofproducten d.d. 07 oktober 2019 en 14 oktober 2019 niet verschuldigd, omdat het bedrag verrekend moet worden met [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] voor al die jaren dat hij minimaal 30 cent per liter brandstof aan [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] zou moeten geven;
  • als gevolg van deze handelingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] wordt het verder exploiteren van het benzinestation van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] onmogelijk gemaakt.

3.3 [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft in conventie verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

3.4 In reconventie vordert [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a) [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] veroordeelt om aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] te betalen het bedrag van US$500,-,vermeerderd met 8% OB;
b) [eiser in conventie, gedaagde in reconventie]veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.5 In reconventie legt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] aan de gevorderde voorzieningen ten grondslag dat [eiser in cenventie, gedaagde in reconventie] misbruik maakt van procesrecht en aldus onrechtmatig jegens hem handelt. Daartoe voert hij onder meer het volgende aan:

  • [ eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft bewust verkeerde informatie vermeld in zijn verzoekschrift en verkeerde documenten overgelegd;
  • als gevolg van deze handeling heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] schade geleden, zijnde extra kosten die hij heeft moeten maken om zich behoorlijk in de onderhavige zaak te kunnen verweren;
  • [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] is aanspakelijk voor deze schade, welke voorlopig is begroot op US$ 2.500,-, vermeerderd met 8% OB.

3.6 In reconventie heeft [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordelingin conventie en in reconventie
4.1 In conventie

4.1.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde, hetgeen aanleiding geeft om [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] in het kort geding te ontvangen.

4.1.2 [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] werpt op dat [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] bewust zaken door elkaar haalt. In dat licht voert hij het volgende aan:

  • het verzoek tot het leggen van conservatoir derdenbeslag onder de drie bankinstellingen is gedaan door [bedrijf 2] bij de kantonrechter, welk verzoek staat geregistreerd onder A.R. No. 20-0246;
  • het verzoek tot het doen leggen van revindicatoir beslag en sequestratie is gedaan door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] bij de kantonrechter, welk verzoek staat geregistreerd onder A.R No. 19-4924.
    Ter staving van dit verweer beroept [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zich op het door hem ten processe overgelegde beslagrekest dat geregistreerd staat onder A.R. No. 19-4924, waaruit blijkt dat bij beschikking van de kantonrechter d.d. 04 maart 2020 [gedaagde in conventie, eiser in reconventie], zijnde een natuurlijke persoon als deelnemer aan het rechtsverkeer, toestemming heeft verkregen tot het doen leggen van het revindicatoir beslag met sequestratie.

4.1.3 [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] doet in reactie op het verweer van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] het verzoek om ten aanzien van het gelegd conservatoir derdenbeslag [bedrijf 2] als gedaagde sub B toe te voegen in het proces. Tegen dit verzoek heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] als bezwaar geopperd dat het toevoegen van een tweede gedaagde in strijd is met de wet en met behoorlijk procesrecht. De kantonrechter gaat voorbij aan het verzoek van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie], omdat het – zoals [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] terecht opwerpt – niet op de wet is gestoeld en het in strijd is met de beginselen van een goede procesorde. De wet kent wel het instituut van een tussenkomende derdepartij, welke is neergelegd in artikel 214 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, volgens welke bepaling de derde middels een incidentele vordering zelf het verzoek zou moeten doen om zich als derde partij in de hoofdzaak te voegen of er tussen te komen. Niet de procespartij in de hoofdzaak dient daartoe het verzoek te doen.

4.1.4 De kantonrechter constateert op basis van het verweer van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dat [eiser in conventie, gedaagde in reconventie], die wordt bijgestaan door een advocaat, in het verzoekschrift informatie door elkaar heeft gehaald waardoor het verzoekschrift en het petitum niet meer met elkaar stroken en niet meer te volgen zijn. Zo blijkt uit het verweer van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] en de inhoud van de door hem ten processe overgelegde producties dat er wel toestemming is verleend tot het doen leggen van revindicatoir beslag en sequestratie onder A.R. No. 19-4924, doch dat [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] uitgaat van het beslagrekest dat geregistreerd staat onder A.R. No. 20-0264. Het bovenstaande dient naar het oordeel van de kantonrechter als een obscuur libel te worden aangemerkt, [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de gevorderde voorzieningen.

4.1.5 Daar [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] niet ontvankelijk dient te worden verklaard, behoeven de overige stellingen en weren van partijen geen bespreking. Dit, omdat zij tot geen andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.1.6 [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] zal, als de niet ontvangen partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

4.2 In reconventie
4.2.1 De kantonrechter constateert dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft nagelaten te stellen wat het spoedeisend belang van het gevorderde is. Evenmin kan dit uit de gestelde feiten worden afgeleid. Om die reden zal [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, zodat de stellingen en weren in reconventie inhoudelijk geen bespreking behoeven.

4.2.2 [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zal, als de niet ontvangen partij, in de proceskosten worden veroordeeld die aan de zijde van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

5. De beslissingin conventie en in reconventie
De kantonrechter in kortgeding:

5.1 In conventie
5.1.1 Verklaart [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] niet ontvankelijk in de gevorderde voorzieningen.

5.1.2 Veroordeelt [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.2 In reconventie
5.2.1 Verklaart [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] niet ontvankelijk in de gevorderde voorzieningen.

5.2.2 Veroordeelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in de proceskosten aan de zijde van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 30 juli 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.