SRU-K1-2020-41

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-3082
19 november 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

ENTERTAINMENT GROUP OF THE GUYANA’S NV,
gevestigd aan de Kleine Waterstraat no. 09 te Paramaribo,
eiseres in conventie, tevens gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: de NV,
gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan [adres] te [district]
gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat.

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 14 oktober 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die is genomen op 22 oktober 2020;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van repliek in conventie en dupliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De beoordeling in conventie en in reconventie
2.1 De kantonrechter constateert dat de NV ook opheffing vordert van een conservatoir beslag dat is gelegd op roerende goederen door de deurwaarder, Aniel Sewgobind, bij exploot d.d. 29 september 2020 no. 261. De NV verwijst ter staving van deze stelling naar productie III, welke zij bij het inleidend verzoekschrift heeft overgelegd. Echter blijkt dat productie III wel een exploot met als datum 29 september 2020 behelst, doch is het nummer hiervan 262 en niet nummer 261. Uit de inhoud van dit exploot valt af te leiden dat het een mededeling betreft van de gelegde conservatoir derdenbeslagen onder de bankinstellingen gedaan door [gedaagde] aan de NV en dat het niet betreft enig gelegd conservatoir beslag op roere de goederen.
De kantonrechter heeft bij het omspitten van het hele dossier het exploot betreffende het gelegde conservatoir beslag op roerende goederen niet aangetroffen. Daar dit exploot dient als verificatiemiddel voor de kantonrechter of alle door de NV vermelde gegevens ter zake kloppen, zal de NV in de gelegenheid worden gesteld om het bedoelde exploot alsnog ten processe over te leggen, en wel op de datum zoals hierna in de beslissing vermeld.

2.2 Iedere verdere beslissing in de onderhavige zaak zal worden aangehouden.

3. De beslissingin conventie en in reconventie
De kantonrechter in kort geding:
3.1 Stelt de NV in de gelegenheid om middels het nemen van een akte een fotokopie van het beslagexploot van de deurwaarder Aniel Sewgobind d.d. 29 september 2020, no. 261 alsnog ten processe over te leggen, en we lóf op de rolzitting van donderdag 26 november 2020 om 09.00 uur, zonder uitstel óf middels het deponeren van de akte met productie in een nette enveloppe, in de dropbox van Unit Kort Geding per diezelfde datum tot uiterlijk 13.00 uur, zonder uitstel, met vermelding van Unit Kort Geding, “BIJZONDER SPOED”, het A.R. nummer en naam van de advocaat als verzender op de enveloppe.

3.2 Bepaalt dat, na overlegging van het bedoelde exploot, het vonnis in de onderhavige zaak zal worden gewezen op donderdag 03 december 2020 om 08.30 uur.

3.3 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis in conventie en in reconventie is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 19 november 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr.S.J.S. Bradley, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-40

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-2227
20 augustus 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende aan [adres 1] te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

[gedaagde], moeder voogdes van de minderjarigen: [naam 1], [naam 2] en [naam 3].
wonende aan [adres 2] te [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 20 augustus 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 20 augustus 2020;
  • de aantekeningen van de griffier betreffende hetgeen partijen over weer bij het mondeling afpleiten en ter comparitie van partijen d.d. 20 augustus 2020 hebben aangevoerd.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten
2.1[erflater], hierna te noemen de overledene, is op 11 augustus 2020 op tragische wijze overleden. Eiser is de vader van de overledene.

2.2 De overledene had tot zijn overlijden een concubinaatrelatie met gedaagde. Uit die relatie zijn de kinderen [naam 1], [naam 2] en [naam 3] geboren.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
a) de geplande crematie van de overledene op heden 20 augustus 2020 stopzet, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 50.000,- of een door de kantonrechter in goede justitie te stellen dwangsom indien gedaagde in gebreke blijft uitvoering te geven hieraan;
b) gedaagde gelast het lijk van de overledene af te staan aan eiser, zodat eiser kan overgaan tot crematie volgens Hindoe rituelen bij het crematieoord te Weg naar Zee;
c)gedaagde veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 Eiser legt, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende aan zijn vordering ten grondslag:

  • hij kan zich niet erin terugvinden dat het lijk is afgestaan aan gedaagde;
  • hij en de naaste bloedverwanten hebben geen inspraak gehad bij de voorbereiding van de crematie van de overledene en worden evenmin betrokken bij de crematie, die op heden d.d. 20 augustus 2020 om 17.00 uur plaatsvindt;
  • hij wenst de overledene volgens Hindoe rituelen te cremeren, omdat de overledene het Hindoe geloof beleed;
  • gedaagde is niet met de overledene gehuwd geweest.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4.De beoordeling
4.1 Tijdens het mondeling afpleiten is aan het licht gekomen dat de crematie niet op heden plaatsvindt, zoals door eiser in het inleidend verzoekschrift is vermeld, doch op vrijdag 21 augustus 2020. De kantonrechter zal daarom verstaan dat de datum van de crematie zoals vermeld in het verzoekschrift dient te zijn: “vrijdag 21 augustus 2020”, instede van “heden 20 augustus 2020”.

4.2 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde, zodat eiser is ontvangen in het kort geding.

4.3 Ter comparitie van partijen heeft eiser op heden d.d. 20 augustus 2020 verklaard dat hij en de familie er bezwaar tegen hebben dat gedaagde belast is met de crematie en dat zij tezamen met de kinderen de crematie bijwoont, omdat de overledene niet met gedaagde gehuwd is geweest en hij en de familie niet op goede voet staan met gedaagde en de kinderen van de overledene. De kantonrechter begrijpt eiser zijn gevoelens en gedachtegang, doch leveren die geen rechtvaardigingsgrond op dat gedaagde en de drie kinderen geen bemoeienis met de crematie mogen hebben of de crematie mogen bijwonen. Het is immers gedaagde die 25 jaar lang liefde en leed met de overledene heeft gedeeld, in die zin dat uit die relatie drie kinderen zijn geboren, zij samen met de overledene bleef, voor hem kookte, de was voor hem deed, samen met hem naar het werk ging en voor hem zorgde als hij ziek was. Voorts is het lijk van de overledene door het Openbaar Ministerie aan gedaagde afgestaan en is het gedaagde die alles omtrent de crematie van de overledene zowel in logistieke zin als in financiële zin in orde heeft gemaakt, hetgeen al een indicatie geeft dat gedaagde als de levenspartner van de overledene wordt beschouwd.

4.4In tegenstelling tot wat eiser in het inleidend verzoekschrift heeft gesteld, is ter comparitie van partijen aan het licht gekomen dat ondanks gedaagde en de kinderen het christen geloof belijden, de crematie van de overledene te Weg naar Zee volgens Hindoe rituelen zal plaatsvinden. Dit, omdat het volgens verklaring van [naam 1], zijnde de dochter van de overledene, altijd de wens van de overledene is geweest om te Weg naar Zee volgens Hindoe rituelen te worden gecremeerd.

4.5 Uit hetgeen onder 4.3 en 4.4 is overwogen volgt, dat de gevorderde voorzieningen zullen worden geweigerd. De kantonrechter neemt ook in overweging dat eiser wel zal worden toegestaan om de crematie en rituelen bij te wonen.

4.6 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5.De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
5.1Verstaat dat de crematie op vrijdag 21 augustus 2020 zal plaatsvinden instede van donderdag 20 augustus 2020.

5.2 Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.3 Veroordeelt eiser als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 20 augustus 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2021-1

KANTONGERECHT
Kort geding

A.R. no. 21-0284
11 februari 2021

Vonnis in kort geding in de zaak van

SERGIO FREDERICK DAMIENTO AKIEMBOTO, in persoon en q.q. als lid van
De Nationale Assemblée,
wonende aan [adres],
eiser in kort geding,
hierna te noemen: “Akiemboto”,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk AMLCA, advocaat,

tegen

A. BEE, MARINUS, in de hoedanigheid van voorzitter van De Nationale Assemblée,
wonende aan [adres 2],
hierna te noemen: “Bee”,
B. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
hierna te noemen: “de Staat”,
gemachtigden: mr. M.G.A. Vos en mr. A.E. Veldman, advocaten,
gedaagden in kort geding.

1 Het verloop van de procedure

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:
• het verzoekschrift met producties dat op 04 februari 2021 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
• de conclusie van eis die mondeling is gedaan d.d. 05 februari 2021;
• de conclusies van antwoord met producties en uitlating producties;
• de conclusie van repliek;
• de conclusies van dupliek.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. Akiemboto is op 25 mei 2020 gekozen als lid van De Nationale Assemblée en is na daartoe te hebben bewilligd op 29 juni 2020 toegelaten als lid van De Nationale Assemblée.

2.2. Bij schrijven gedateerd 05 januari 2020 (lees: 2021) van Akiemboto gericht aan de President van de Republiek Suriname Zijne Excellentie Ch. Santokhi staat:
“(…)
Betreft : opzegging DNA- lidmaatschap

Zijne Excellentie,

Middels dit schrijven deel ik u mede, heden, op grond van de artikelen 68 lid 1 sub b van de Grondwet van de Republiek Suriname, 137 lid 2 en 141 lid 2 van de Kiesregeling mijn DNA- lidmaatschap opzeg. De redenen moeten worden gezocht in de maatschappelijke sfeer. Onder dankzegging verzoek ik u de nodige handelingen te doen uitvoeren.(…)”

2.3. Akiemboto heeft een exemplaar van bovenvermelde brief op 06 januari 2021 aan De Nationale Assemblée doen toekomen, welke geagendeerd is onder het no. 04/21.

2.4. Bij schrijven gedateerd 21 januari 2021 van Akiemboto gericht aan de President van de Republiek Suriname Zijne Excellentie Ch. Santokhi staat:
“(…)
Betreft : intrekking brief opzegging DNA- lidmaatschap

Zijne Excellentie,
Na ampele overwegingen, ingegeven door mijn respect voor het oproep van het traditioneel gezag, de achterban en enkele ondersteunende maatschappelijke groeperingen, verzoek ik u beleefd mijn eerder schrijven de dato 5 januari 2020 (lees: 2021) betreffende opzegging DNA- lidmaatschap als niet verzonden te beschouwen. Ik zal mijn termijn als gekozen DNA lid namens het district Brokopondo afmaken.(…)”

2.5. Bij schrijven gedateerd 21 januari 2021 van de President van de Republiek Suriname Zijne Excellentie Ch. Santokhi gericht aan de Voorzitter van De Nationale Assemblée staat:
“(…)
Geachte Voorzitter,
Bijgaand zenden wij u het schrijven dat wij van de heer S.F.D. Akiemboto ontvingen gedateerd 5 januari 2020 alsmede zijn schrijven naar ons gedateerd 21 januari 2021 waarin hij ons verzoekt om “zijn schrijven de dato 5 januari 2020 als niet verzonden te beschouwen.
Aangezien de heer Akiemboto per datum 5 januari 2020 (in beide schrijven genoemd) geen lid was van De Nationale Assemblée, kunnen wij geen rechtsgevolgen verbinden aan het schrijven d.d. 5 januari 2020.
Wij verzoeken u voorts de behandeling van beide schrijven integraal over te nemen.
Uw te nemen besluit terzake zien wij per ommegaande tegemoet.(…)”

2.6. Bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie N.M. Linger de dato01 februari 2021 no. 30 is aan De Nationale Assemblée t.a.v. Voorzitter Marinus Mee MSc. LL.B betekend een schrijven van Akiemboto gedateerd 01 februari 2021 waarin staat: “(…)
Betreft : Kennisgeving van aanwezigheid van Dhr. S.F.D. Akiemboto op
02 februari 2021

Paramaribo, 01 februari 2021

Geachte Voorzitter,
In navolging van mijn verzoek van 5 januari 2021 en mijn intrekkingsbrief van 21 januari 2021, zijn de procedures, zoals vastgelegd in artikel 68 van de Grondwet en de wet van 2016, houdende regels voor het beeindigen van het lidmaatschap van De Nationale Assemblée, niet ingezet.
Dit maakt dat ik derhalve nog lid ben van De Nationale Assemblée.

Via mijn fractie van de NDP heb ik vernomen dat er op dinsdag 02 februari 2021 een huishoudelijke vergadering wordt gehouden in het Parlement.
Het is opgevallen dat ik niet ben uitgenodigd voor de huishoudelijke vergadering van 2 februari 2021. Ook blijk ik op 28 en 29 januari 2021, onrechtmatig te zijn verwijderd uit de share folders waar elk DNA lid toegang tot heeft.
Ik stel u middels deze brief op de hoogte dat ik aanwezig zal zijn om de vergaderingen bij te wonen om mijn parlementair werk te kunnen voortzetten. U wordt tevens gevraagd mij per heden wederom toegang te verschaffen tot het systeem zodat ik mijn taken op de normale wijze kan functioneren.(…)”

2.7. Bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie L. Tran Van Can-Doesburg de dato 02 februari 2021 no. T-17 is aan Akiemboto betekend een schrijven van Bee gedateerd 02 februari 2021 waarin staat:
Uw onderwerp: Kennisgeving van aanwezigheid van Dhr. S.F.D. Akiemboto op
02 februari 2021

Geachte heer Akiemboto,
Uw schrijven d.d. 01 februari j.l. met bovenvermeld onderwerp is in goede orde ontvangen.
In reactie daarop deel ik u mede dat slechts personen die voor de huishoudelijke vergadering van heden zijn geconvoceerd tot de vergadering cq vergaderzaal toegelaten zullen worden alsmede het ondersteunend personeel van De Nationale Assemblée.
Alle overige personen zullen de toegang tot de vergaderzaal worden ontzegd. (…)”

2.8. Bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie N.M. Linger de dato 03 februari 2021 no. 024 is aan De Nationale Assemblée en de Voorzitter van De Nationale Assemblée betekend een schrijven van de gemachtigde van Akiemboto gedateerd 03 februari 2021 waarin staat: “(…)
Betreft : Kennisgeving van aanwezigheid van Dhr. S.F.D. Akiemboto op
02 februari 2021

Paramaribo, 03 februari 2021

Betreft: onmiddellijke toegang tot DNA en betaling schadeloosstelling inzake Akiemboto ca De Staat Suriname, meer specifiek DNA e.a,
(…)
Geachte Voorzitter,
In opdracht van mijn client, de heer drs. Sergio Frederick Damiento Akiemboto MBA, lid van De Nationale Assemblée bericht ik u en uw geacht college als volgt.
Op 2 februari 2021 is gebleken dat u client heeft geweerd om deel te nemen aan de vandaag geplande en gehouden huishoudelijke vergadering van De Nationale Assemblée. Bij schrijven d.d 1 februari 2021 heeft client u al als voorzitter van De Nationale Assemblée geinformeerd dat het hem is opgevallen dat hij geen convocatie voor de vandaag gehouden huishoudelijke vergadering heeft mogen ontvangen en dat hem eveneens is gebleken dat hij op 28 en 29 januari 2021 ten onrechte verwijderd is uit het digitaal systeem en geen toegang heeft tot het webportaal van De Nationale Assemblée en dat hij daardoor geen toegang meer heeft tot de shared folders, waar elk lid van De Nationale Assemblée toegang tot zou moeten hebben om hun werkzaamheden naar behoren uit te voeren.
Eveneens in dit schrijven heeft client u op de hoogte gesteld dat hij wel aanwezig zal zijn op de vergaderingen welke De Nationale Assemblée zal houden, teneinde zijn werkzaamheden als volsvertegenwoordiger voort te kunnen zetten. U bent verzocht het daarheen te leiden om per 1 februari client wederom toegang te verschaffen tot het digitaal systeem, zodat hij zijn taken op normale wijze zou kunnen voortzetten. Desalnietemin, heeft u deze gerechtvaardigde verzoeken van client naast u neergelegd en heeft u client geweerd om deel te nemen aan voornoemde vergadering en zelfs gepoogd om met hulp van de sterke arm client ten onrechte de toegang tot De Nationale Assemblée te ontzeggen.
Terwijl client aanwezig was in het gebouw van De Nationale Assemblée kreeg client het bericht van zijn echtgenoot dat u per deurwaardersexploot nummer T-17 (…)een schrijven betekent heeft, waarin u client heeft geinformeerd dat slechts personen die voor de huishoudelijke vergadering zijn geconvoceerd tot de vergadering toegelaten zullen worden alsmede het ondersteund personeel en dat alle overige personen de toegang tot de vergaderzaal zullen worden ontzegd
Bij aanvang van de huishoudelijke vergadering heeft u de vergadering geschorst en client erop geattendeerd dat hij de vergaderzaal zou moeten verlaten.
Vervolgens heeft client u gevraagd wat de reden hiertoe zou zijn en heeft u hem geinformeerd dat zulks zou betreffen de verschillende brieven die door client eerder verzonden zouden zijn. Het is client eveneens gebleken dat in tegenstelling tot de andere leden van De Nationale Assemblée, hij over januari 2021 geen schadeloosstelling heeft mogen ontvangen.
Het weren van client tot De Nationale Assemblée, het blokkeren van de toegang tot het systeem van De Nationale Assemblée alsook het stopzetten van de uitbetaling van de schadeloosstelling van client wordt door client als onrechtmatig en als zeer schade berokkenend ervaren. U heeft verwezen naar de eerdere brieven die client verzonden zou hebben.
Zoals u bekend heeft client op 5 januari 2020 (2020 is een verschrijving, doch is dit schrijven verzonden en afgegeven op 5 januari 2021) een schrijven verzonden waarin hij zijn ontslag zou hebben aangeboden aan de President van de Republiek Suriname, Zijne Excellentie dhr. Chandrikapersad Santokhi, conform artikel 68 van de Grondwet jo artikel 141 van de Kiesregeling. Op 21 januari 2021 heeft client dit eerder genoemd schrijven uitdrukkelijk ingetrokken wederom middels een brief gericht aan de President van de Republiek Suriname. Blijkens artikel 141 van de Kiesregeling is de ontslagprocedure niet voltooid doordat de President van de Republiek Suriname de ontslagbrief van client voor de ontvangst van de intrekkingsbrief had moeten doorgeleiden naar de voorzitter van De Nationale Assemblée. Hetgeen niet gebeurd is.
Weshalve, dat client de ontslagbrief had verzonden naar de President van de Republiek Suriname d.d. 21 januari 2021 deze rechtsgeldig ingetrokken is geworden en als niet verzonden beschouwd diende te worden. Het juridisch gevolg hiervan is dat client nog steeds lid is van De Nationale Assemblée en derhalve ook als zodanig geaccomodeerd en behandeld dient te worden. Bovendien heeft de President van de Republiek Suriname bij schrijven d.d. 21 januari 2021aangegeven dat hij geen rechtsgevolgen verbindt aan de eerste brief afkomstig van client.
In een vraaggesprek met ABC radiostation d.d. 27 januari 2021 heeft u in uw hoedanigheid van voorzitter van De Nationale Assemblée uitdrukkelijk aangegeven dat u reeds gesprekken heeft gevoerd met een mogelijke opvolger van client ter voorbereiding van de werkzaamheden die zij mogelijk zou moeten gaan uitvoeren. Hetgeen niet alleen als zeer prematuur, maar ook als hoogst onbehoorlijk wordt gekwalificeerd aangezien er geen vacature is ontstaan en alleen nadat CHS zulks heeft gevalideerd vastgesteld kan worden wie eventueel als opvolger kan worden gezien bij het openvallen van een plaats in een volksvertegenwoordigend lichaam van Suriname. Het is evident dat u een zeer ernstige onrechtmatige daad pleegt niet alleen jegens client, maar ook aan alle kiezers die client hebben gekozen om zitting te nemen in De Nationale Assemblée. Conform het geldend recht bent u als ook
De Nationale Assemblée hiervoor volledig aansprakelijk.
Gelet op het voorgaande wordt u thans uitdrukkelijk in gebreke gesteld en gesommeerd om binnen een uur na ontvangst van dit exploot, client wederom
toegang te verschaffen tot alle ruimtes van De Nationale Assemblée en het webportaal en alle andere digitale systemen.
Voorts client op gelijke wijze als alle andere leden van De Nationale Assemblée te behandelen en te accomoderen inbegrepen hem uit te nodigen voor alle komende vergaderingen en bijeenkomsten van De Nationale Assemblée. Verder hem zijn schadeloosstelling over januari 2021 volledig uit te betalen.
Voor zover u danwel De Nationale Assemblée nalatig mochten blijven om binnen de aangegeven termijn gevolg te geven aan deze sommatie zal client onverwijld alle hem ten dienste staande rechtsmiddelen aanwenden om zijn recht te vinden en de door hem geleden schade te mitigeren. (…)”

3 De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1. Akiemboto vordert bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle uren en alle dagen :
1. Bee en de Staat te gebieden om Akiemboto onmiddellijk na de ten deze te houden uitspraak danwel een door de kantonrechter te bepalen termijn totdat op rechtsgeldige wijze het lidmaatschap van Akiemboto tot De Nationale Assemblée zal zijn beeindigd, toegang te verschaffen tot het gebouw en alle bijbehorende ruimtes van De Nationale Assemblée, welke toegankelijk behoren te zijn voor alle leden van De Nationale Assemblée en het webportaal en alle andere digitale systemen van
De Nationale Assemblée, waar Akiemboto voorafgaand aan de blokkering reeds toegang tot had, op straffe van een dwangsom van SRD 500.000,– voor elke dag of keer dat Bee en de Staat weigeren mochten danwel nalatig blijven gevolg te geven aan dit gebod.

2. Bee en de Staat te verbieden om Akiemboto wederom de toegang tot de gebouwen en bijbehorende ruimtes van De Nationale Assembléete ontzeggen en te verbieden om Akiemboto wederom te blokkeren van toegang tot het webportaal en alle andere digitale systemen van De Nationale Assemblée, totdat op rechtsgeldige wijze het lidmaatschap van Akiemboto tot De Nationale Assemblée zal zijn beeindigd, op straffe van een dwangsom van SRD 500.000,– voor elke dag of keer dat Bee en de Staat in strijd met dit verbod mochten handelen.

3. Bee en de Staat te veroordelen om onmiddellijk na de ten deze te houden uitspraak danwel binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, alle activiteiten, welke ondernomen zijn of worden om tot invulling van een vacature over te gaan te stoppen, totdat op rechtsgeldige wijze het lidmaatschap van Akiemboto tot De Nationale Assemblée zal zijn beeindigd c.q. totdat in rechte een definitieve voorziening zal zijn gewezen, zulks op straffe van een dwangsom van SRD 100.000,– voor elk uur dat Bee en de Staat nalatig dan wel weigerachtig mochten blijven gevolg te geven aan deze veroordeling.

4. Bee te veroordelen om onmiddellijk na de ten deze te houden uitspraak althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn ertoe over te gaan om Akiemboto te convoceren voor alle geplande vergaderingen, bijeenkomsten en andere activiteiten, waartoe hij wel uitgenodigd zou zijn indien Bee en de Staat zijn lidmaatschap van De Nationale Assemblée als niet beeindigd hadden beschouwd, zulks op straffe van een dwangsom van SRD 500.000,– voor elke dag of keer dat Bee mocht weigeren dan wel nalatig blijft gevolg te geven aan deze veroordeling.

5. Bee en de Staat te veroordelen om binnen 1 dag na de ten deze te houden uitspraak danwel binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn over te gaan tot uitbetaling aan Akiemboto van de schadeloosstelling en alle bijbehorende emolumenten over de maand januari 2021.

6. Bee en de Staat te veroordelen om de stopzetting van de uitbetaling van de schadeloosstelling en alle bijbehorende emolumenten aan Akiemboto onmiddellijk na de ten deze te houden uitspraak althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn op te heffen totdat op rechtsgeldige wijze het lidmaatschap van Akiemboto tot De Nationale Assemblée zal zijn beeindigd zulks op straffe van een dwangsom van SRD 500.000,– voor elke dag of keer dat Bee en de Staat weigeren mochten dan wel nalatig blijven gevolg te geven aan deze veroordelen.

7. Bee en de Staat te verbieden om andermaal over te gaan tot het stopzetten van het uitbetalen van de schadeloosstelling en alle bijbehorende emolumenten aan Akiemboto, totdat Akiemboto zijn lidmaatschap tot De Nationale Assemblée op rechtsgeldige zal zijn beeindigd, zulks op straffe van een dwangsom van
SRD 500.000,– voor elke dag of keer dat Bee en de Staat in strijd handelen met dit verbod.

8. Bee en de Staat te veroordelen om des de een betaald de andere zal zijn bevriijd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting Akiemboto te vergoeden zijn voorlopige gevolgschade tot aan deze vordering begroot op USD 1670,– en SRD 1450,–, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar te rekenen vanaf de dag van indiening van onderhavige zaak tot aan de dag der algehele voldoening.

9. Bee en de Staat te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Akiemboto legt aan zijn vordering naast de vaststaande feiten ten grondslag dat
Bee het standpunt heeft ingenomen en acties heeft ondernomen alsof Akiemboto geen lid meer zou zijn van De Nationale Assemblée. Dit standpunt is onjuist omdat
de ontslagbrief is ingetrokken nog voordat ex artikel 141 van de Kiesregeling juncto artikel 4 van de Wet van 17 augustus 2016, houdende regels voor het beeindigen van het lidmaatschap van De Nationale Assemblée (hierna: Wet beeindigen lidmaatschap DNA) ,de beeindiging van het lidmaatschap was voltrokken. Voorts omdat de President niet conform artikel 141 lid 2 van de Kiesregeling heeft gehandeld door de brieven gedateerd 05 januari 2021 en 21 januari 2021 te sturen naar Bee en niet naar het volksvertegenwoordigend lichaam.
Bee en de Staat zijn gesommeerd en hebben geen gevolg gegeven aan de ingebrekestelling. Akiemboto wordt ten onrechte niet op gelijke wijze als andere leden van De Nationale Assemblée behandeld en wordt beknot in zijn rechten als lid van De Nationale Assemblée. Voorts is de schadeloosstelling van Akiemboto onrechtmatig stopgezet. Bee en de Staat handelen ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur. Door het onrechtmatig handelen c.q. nalaten van Bee en de Staat is Akiemboto genoodzaakt juridische deskundigheid in te huren ter verdediging van zijn rechten en het mitigeren van zijn schade.
Akiemboto heeft een bijzonder spoedeisend belang bij de vordering.

3.3. De kantonrechter komt indien nodig terug op het verweer van Bee en de Staat in de beoordeling.

4 De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van Akiemboto en het door hem gevorderde.

4.2. Akiemboto heeft een schrijven gedateerd 05 januari 2020 gericht aan de President van de Republiek Suriname betreffende de opzegging van zijn DNA- lidmaatschap.
De kantonrechter overweegt dat het overduidelijk is dat Akiemboto zich heeft vergist in het jaar en er sprake is van een kennelijke schrijffout. De door Akiemboto gemaakte schrijffout kan derhalve geen ontoelaatbare onduidelijkheid over de dagtekening van de brief hebben veroorzaakt en is aannemelijk dat de dagtekening 05 januari 2021 is.

4.3. De rechtsvraag die de kantonrechter in onderhavig geschil moet beantwoorden is of aannemelijk is dat het lidmaatschap van De Nationale Assemblée voor Akiemboto is beeindigd door de opzegging van het lidmaatschap bij de brief van 05 januari 2021.

4.4. Akiemboto stelt zich allereerst op het standpunt dat het ontslag is ingetrokken nog voordat ex artikel 141 van de Kiesregeling juncto artikel 4 Wet beeindiging lidmaatschap DNA, de beeindiging van het lidmaatschap was voltrokken
Daarnaast stelt hij dat de President niet conform artikel 141 lid 2 van de Kiesregeling heeft gehandeld door de brieven gedateerd 05 januari 2021 en 21 januari 2021 te sturen naar Bee doch niet naar het volksvertegenwoordigend lichaam.

4.5. Bee en de Staat hebben betoogd dat het rechtsgevolg bij ontslag op eigen verzoek van rechtswege intreedt door de wil van de volksvertegenwoordiger.
Aan de beeindiging van het lidmaatschap van De Nationale Assemblée gaat geen beeindigingproces vooraf noch is wettelijk een handeling van een andere autoriteit vereist om de beeindiging te voltooien. Akiemboto heeft door zijn ontslagbrief in te zenden aan de President, voldaan aan het bepaalde in artikel 141 lid 2 van de Kiesregeling en is zijn ontslag een feit.
Bee en de Staat voeren voorts aan dat de omstandigheid dat de procedure voor opvolging nog niet was ingezet ten tijde van ontvangst van de intrekkingsbrief, geen enkele wijziging brengt in het rechtsgevolg dat is ingetreden als gevolg van het ontslag op eigen verzoek. Zij stellen dat na het ingezonden ontslag, zuiver administratieve zaken voltooid dienen te worden om in de opvolging conform artikel 137 lid 3 van de Kiesregeling te voorzien. De Kiesregeling kent geen fatale termijn voor invulling van de vacature.

4.6. De kantonrechter zal de rechtsvraag op grond van terzake geldende relevante wettelijke regelingen dienen te beantwoorden.

In artikel 68 lid 1 onder b van de Grondwet is bepaald dat het lidmaatschap van
De Nationale Assemblée eindigt door ontslag op eigen verzoek.

Artikel 137 van de Kiesregeling luidt als volgt:
1. De voorzitter van het hoofdstembureau van het betrokken kiesdistrict geeft onmiddellijk kennis aan de President, het Onafhankelijk Kiesbureau, het Centraal Hoofdstembureau, wanneer een gekozene zijn verkiezing heeft aanvaard.
2. Gelijke kennisgeving geschiedt wanneer een kandidaat vóór de stemming komt te overlijden, wanneer een gekozene zijn verkiezing niet heeft aanvaard of de in artikel 136 lid 1 genoemde termijn heeft laten verstrijken, alsmede bij het openvallen van plaatsen van gekozen leden door ontslag, overlijden, terugroeping of om een andere reden.
3. Ter voorziening in de vacatures bedoeld in het vorige lid treden in de plaats, indien het De Nationale Assemblée betreft, de in de volgorde hoogst geplaatste niet-gekozen kandidaten van de lijst, waarop de plaats is opengevallen. Komen er op de lijst geen kandidaten meer voor, dan treedt in de opengevallen plaats, de in de volgorde hoogst geplaatste kandidaat-plaatsvervanger.

In artikel 141 van de Kiesregeling staat:
1. De leden van de volksvertegenwoordigende lichamen kunnen te allen tijde hun ontslag nemen.
2. Het wordt door hen ingezonden aan de President, die het ter kennis brengt van het volksvertegenwoordigend lichaam.
3. Wanneer een lid van De Nationale Assemblée of enig ander volksvertegen-woordigend lichaam een der vereisten verliest, houdt hij op lid te zijn van De Nationale Assemblée dan wel van het andere volksvertegenwoordigend lichaam.

In de Wet beeindigen lidmaatschap DNA staat:

  • in artikel 1 onder e: relevante documenten: documenten die aantonen dat de omstandigheden zijn ontstaan waardoor volgens artikel 68 van de Grondwet het lidmaatschap van een lid van De Nationale Assemblée eindigt, of die aantonen dat de gronden bestaan, voor terugroeping zoals in artikel 2 van deze wet vastgesteld;
  • in artikel 1 onder h: ontslagbrief: brief waarmee een lid aan de President aangeeft ontslag te nemen als lid van De Nationale Assemblée.

Artikel 2 onder b van voornoemde wet vermeldt dat het lidmaatschap van
De Nationale Assemblée eindigt ingevolge artikel 68 van de Grondwet door ontslag op eigen verzoek.
Voorts is in artikel 4 lid 1 onder a bepaald dat nadat de Voorzitter, betreffende een lid, door middel van het verkrijgen van tenminste een der in lid 4 van dit artikel genoemde relevante documenten, kennis heeft genomen van het mogelijk bestaan van omstandigheden zoals genoemd in de Grondwet , artikel 68 lid 1 onder a of b (dus overlijden of ontslag op eigen verzoek), doet deze daarvan mededeling in de eerstvolgende Huishoudelijke vergadering en overtuigt zich daarna ervan dat de mededelingen en procedures om te komen tot toelating van een nieuw lid, conform de Kiesregeling worden afgehandeld.

In de Memorie van Toelichting van de Wet beeindigen lidmaatschap DNA staat bij de toelichting op artikel 4: “ de Voorzitter van De Nationale Assemblée kan door het verkrijgen van tenminste een van de relevante documenten kennis nemen van het mogelijk bestaan van gronden voor het beeindigen van het lidmaatschap van De Nationale Assemblée ingevolge de gronden genoemd in artikel 68 van de Grondwet.
Artikel 68 geeft echter niet aan op welk moment het lidmaatschap precies eindigt en welke de noodzakelijke documenten zijn voor het effectueren van deze genoemde gronden. Deze wet is erop gericht om geheel objectief met zuiver administratieve hulpmiddelen, te kunnen vaststellen of zich een bepaalde situatie voordoet op grond waarvan het lidmaatschap van De Nationale Assemblée moet worden beeindigd volgens artikel 68 van de Grondwet (…) . Daartoe zijn zeer zorgvuldig in de wet opgenomen welke documenten zonder twijfel aantonen dat een situatie zich voordoet. “

4.7. De kantonrechter merkt op dat Akiemboto op 05 januari 2021 een brief heeft gericht aan de President van de Republiek Suriname waarin onder meer staat:
“(…) Middels dit schrijven deel ik u mede, heden, op grond van de artikelen 68 lid 1 sub b van de Grondwet van de Republiek Suriname, 137 lid 2 en 141 lid 2 van de Kiesregeling mijn DNA- lidmaatschap opzeg. (…). Onder dankzegging verzoek ik u de nodige handelingen te doen uitvoeren.(…)”

4.8. De kantonrechter overweegt dat de brief van 05 januai 2021 een ontslagbrief en derhalve een relevant document is in de zin van de Wet beeindigen lidmaatschap DNA, die zonder twijfel aantoont dat de situatie van ontslag op eigen verzoek zich voordoet. Immers in de brief is door Akiemboto aangegeven dat hij heden, aannemelijk is dat hij daarmee bedoelt 05 januari 2021, het lidmaatschap van De Nationale Assemblée opzegt en derhalve ontslag op eigen verzoek neemt.

De kantonrechter overweegt dat het ontslag een eenzijdige rechtshandeling is en betreft de duidelijk geuite wil door Akiemboto om zijn lidmaatschap van De Nationale Assemblée te beeindigen, waarbij deze wil middels de brief van 05 januari 2021 op grond van de Kiesregeling en de Wet beeindigen lidmaatschap van DNA, kenbaar is gemaakt aan de President en derhalve het lidmaatschap van De Nationale Assemblée terstond op 05 januari 2021 is geeindigd ingevolge artikel 68 lid 1 onder b van de Grondwet.

4.9. De kantonrechter overweegt dat de President ingevolge artikel 141 lid 2 van de Kiesregeling slechts de plicht heeft om het aan hem ingezonden ontslag, ter kennis te brengen van het volksvertegenwoordigend lichaam. De bedoeling van het in kennis brengen van het ontslag van het volksvertegenwoordigend lichaam is om te voorzien in de vacature. Dit wordt afgeleid uit artikel 137 van de Kiesregeling en uit artikel 4 van de Wet beeindigen lidmaatschap DNA

4.10. De kantonrechter overweegt voorts dat Akiemboto uitgaat van een verkeerd standpunt dat het ontslag is ingetrokken nog voordat ex artikel 141 van de Kiesregeling juncto artikel 4 van de Wet beeindigen lidmaatschap DNA, de beeindiging van het lidmaatschap was voltrokken. Immers, zoals eerder onder 4.8. is overwogen, is door het ontslag het lidmaatschap van Akiemboto terstond geeindigd en kon derhalve de ontslagbrief niet ingetrokken worden. Voor het intrekken van een ontslag op eigen verzoek en tot welk moment zulks zou kunnen, is door de wetgever niet voorzien en is derhalve aannemelijk dat op een ontslag op eigen verzoek niet kan worden teruggekomen.

4.11. De kantonrechter is van oordeel dat ook de stelling van Akiemboto dat de procedures, zoals vastgelegd in artikel 68 van de Grondwet en in de Wet beeindigen lidmaatschap DNA, niet zijn ingezet en hij derhalve nog lid is van De Nationale Assemblée, geen ondersteuning vindt in de wet.
De kantonrechter overweegt dat uit de relevante wettelijke regelingen niet wordt afgeleid en derhalve niet aannemelijk is dat het invullen van een opengevallen vacature welke is ontstaan door ontslag op eigen verzoek, aan een bepaalde termijn gebonden is.
De administratieve handelingen en de duur van de administratieve procedure betrekking hebbende op het invullen van de opengevallen vacature, waaronder het in kennis brengen van het ingezonden ontslag door de President van het volksvertegenwoordigend lichaam, de verrichtingen welke Bee als voorzitter van het volksvertegenwoordigend lichaam dient te plegen waaronder het doen van de mededeling van het ontslag door eigen verzoek van Akiemboto in de eerstvolgende Huishoudelijke vergadering en zich daarna ervan overtuigen dat de mededelingen en procedures om te komen tot toelating van een nieuw lid, conform de Kiesregeling worden afgehandeld, zijn niet aan termijnen gebonden en kan daaraan niet het door Akiemboto gestelde gevolg dat hij nog lid is van De Nationale Assemblée worden verbonden.

4.12. De kantonrechter overweegt dat nu aannemelijk is dat het lidmaatschap van Akiemboto door het ontslag op eigen verzoek terstond op 05 januari 2021 is geeindigd, daarmee ook alle privileges en voorzieningen die inherent aan het lid zijn van het volksvertegenwoordigend orgaan De Nationale Assemblée zijn komen weg te vallen. De slotsom is dat de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd.

4.13. De vordering tot veroordeling van Bee en de Staat in de advocaatkosten zal als niet op de wet te zijn gegrond, worden afgewezen. Ons rechtssysteem kent geen verplichte procesvertegenwoordiging. Het is een vrije keuze van Akiemboto geweest om zich in rechte te doen bijstaan en de gemaakte kosten moet hij zelf dragen.

4.14. De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren overbodig omdat de beoordeling daarvan niet tot een andere beslissing zal leiden.

4.15. Akiemboto zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding

5.1. Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2. Veroordeelt Akiemboto in de proceskosten aan de zijde van Bee en de Staat
gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. R.G. Chatterpal, kantonrechter in kort geding en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter in kort geding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 11 februari 2021, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2020-15

HET HOF VAN JUSTITIE
Meervoudige raadkamer
Datum: 15 december 2020

Beslissing van 15 december 2020
op het verzoek van CAIRO, Rodney Alexander klager, wonende te Paramaribo, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S. Sheombar, advocaat bij het hof van justitie, om het Openbaar Ministerie te bevelen tot het instellen van strafrechtelijke vervolging tegen het hoofd van Dienst Nationale Veiligheid, Luitenant – Kolonel, mevrouw Daniella Veira, hierna te noemen beklaagde.

1. Procesverloop
1.1 Klager heeft op 06 oktober 2020 het beklagschrift ingediend, waarin hij heeft verzocht dat op basis van artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), – zakelijk weergegeven en samengevat – het Openbaar Ministerie zal worden bevolen om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar aanleiding van de schriftelijke aangifte tegen beklaagde, waarna de strafrechtelijke vervolging en berechting van voornoemde Veira bij de Krijgsraad kan worden ingesteld.

1.2 Voormeld beklagschrift is in behandeling genomen op 15 december 2020 waarbij de klager, bijgestaan door zijn raadsvrouw en de waarnemend Procureur-Generaal zijn gehoord, zijnde daarvan proces-verbaal opgemaakt welke zich onder de processtukken bevindt.

1.3 Vervolgens is bepaald dat in deze zaak beschikking zal volgen.

2. Het standpunt van klager
2.1 Klager heeft ter onderbouwing van zijn beklag – kort en zakelijk weergegeven – en onder overlegging van stukken/bijlagen het volgende aangevoerd:

  • dat hij op 16/17 april 2020 op het politiebureau van het ressort Geyersvlijt aangifte heeft gedaan terzake van diefstal middels geweldpleging, opzettelijke vrijheidsberoving contra onbekenden ( vide kopie verklaring van Inspecteur van politie tweede klasse W.Sarabdjitsingh);
  • dat de gemelde strafbare feiten door het parket van de Procureur-Generaal zijn onderzocht en slechts heeft geresulteerd in de aanhouding, vervolging en berechting van [naam 1];
  • dat er inmenging in het politioneel onderzoek heeft plaatsgevonden door beklaagde, die aan de Korpschef van Politie, de heer R. Prade, te kennen heeft gegeven dat de inval in de woning van klager betrof een kwestie van nationale veiligheid en dat de aanpak en het onderzoek in deze zaak binnen het domein van de Dienst Nationale Veiligheid valt;
  • Klager had door tussenkomst van zijn toenmalige advocaat een schrijven d.d. 20 april 2020 gericht aan de Procureur – Generaal, waarin hij heeft verzocht om bescherming en mogelijkheid aangifte te doen tegen de intellectuele daders van de strafbare feiten tegen hem begaan ( vide kopie brief van mr. V.S. Balraj d.d. 20 april 2020), op welk schrijven nog geen reactie is ontvangen van het Openbaar Ministerie;
  • Klager vreest thans voor zijn leven en veiligheid, aangezien in het kader van de nationale veiligheid er opdracht is gegeven hem te elimineren en alle bewijzen die hij heeft weg te werken. Ook het paspoort van klager is zoekgemaakt, zodat hij, klager het land niet kan verlaten en het doelwit blijft;
  • Klager heeft dan ook rechtstreeks en levensbelang bij het allereerst aangeven van de strafbare feiten met alle bewijzen en vooral belang bij het opsporen, vervolgen en berechten van beklaagde, zulks op grond van art. 4 Sv.

3. De reactie van de Procureur-Generaal
3.1 De vervolging stelt zich op het standpunt kennis te hebben genomen van de schriftelijke stukken en wenst op te merken dat op het gesteldeschrijven van klager een reactieschrijven op 21 april 2020 gericht is aan mr. V.S. Balraj.

3.2 Het schrijven voornoemd van klager heeft erin geresulteerd dat:

  • de afdeling Kapitale Delicten is ingeschakeld voor het verrichten van een nader onderzoek.
  • De klager is opgeroepen om zich bij de afdeling Kapitale Delicten te vervoegen voor het onderzoek en de verzochtebescherming

3.3 Voorts is zijdens de vervolging aangegeven dat,er reeds een aanvang is gemaakt met een onderzoek in deze zaak van klager, waarbij eerst de persoon van [naam 1] als verdachte op 23 april 2020 is aangehouden. De beklaagde is op 20 mei 2020 als persoon gehoord alsook [naam 2] . Recentelijk, in november 2020, is de beklaagde als verdachte gehoord.

3.4 Voorts is door de vervolging aangegeven dat de beoordeling van de (voorlopige) onderzoeksresultaten, met zich bracht dat de status van de beklaagde veranderde in die van verdachte. Hetgeen, voor de vervolging aanleiding is om voorbereidingen te treffen in verband met de spoedige indiening van de vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek (GVO) tegen de beklaagde.
Naar de mening van de vervolging is hiermee genoegzaam gebleken van inspanningen naar aanleiding van de gedane aangifte en is de grond aan klager zijn beklagschrift komen weg te vallen. Daarom vordert de vervolging dat het Hof het verzoek of beklag van klager zal afwijzen.

4. De beoordeling
Ter beantwoording is de vraag of het door klager geschetste strafbaar feit niet vervolgd wordt of de vervolging niet wordt voortgezet waardoor het bevel tot inzetten of voortzetting van de vervolging gegeven moet worden?

4.1. Vooropgesteld dat art. 4 Sv. lid 1 alsvolgt luidt: “Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan kan de belanghebbende daarover beklag doen bij het Hof van Justitie. Het Hof kan de Procureur-Generaal opdragen te dien aanzien verslag te doen en kan voorts bevelen, dat de vervolging zal worden ingesteld of voortgezet”.

4.2 Nu klager een beroep doet op het bepaalde in artikel 4 Sv. is het Hof bevoegd kennis te nemen van het beklag.

4.3 Klager is ontvankelijk in zijn beklag, daar hij rechtstreeks belanghebbende is in de zinvan artikel 4 Sv.

4.4 Uit de stellingen van de vervolging welke niet weersproken zijn door klager houdt het Hof het ervoor dat naar aanleiding van klager zijn aangifte d.d. 16/ 17 april 2020 en zijn schrijven d.d. 20 april 2020 door de vervolging de volgende van belang zijnde strafvorderlijke handelingen verricht zijn- verkort weergeven- te weten:
– opsporen en vervolgen van [naam 1];
– aanmerken van de beklaagde, Veira Daniella, als verdachte;
– voorbereiden van de vordering tot het instellen van een GVO tegen de beklaagde.

Het Hof overweegt dienaangaande dat, het Openbaar Ministerie wettelijk dient in te staan voor de opsporing en vervolging van misdrijven. Voren aangehaalde onderzoeks-/vervolgingshandelingen zijn derhalve verricht op basis van die wettelijke bevoegdheden.

4.5 Uit deze geschetste gang van zaken maakt het Hof op dat de vervolging ( het Openbaar Ministerie) in casu niet stil heeft gezeten, in tegenstelling tot de bewering van de klager. Nu de vervolging reeds een aanvang heeft gemaakt met het politioneel onderzoek en de vervolging van de beklaagde in voorbereiding heeft, zijn er naar het oordeel van het Hof thans geen gronden aanwezig om de Procureur-Generaal op te dragen om tot vervolging c.q voortzetting van de vervolging over te gaan. Het verzoek van klager dient derhalve te worden afgewezen.

5. BESCHIKKENDE

Wijst af het door klager ingediend verzoek.

Aldus gegeven in Raadkamer te Paramaribo, op heden de 15 e december 2020 door
mr. M.C. Mettendaf, fungerend – president, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en
mr. J. Kasdipowidjojo, Lid – plaatsvervanger, bijgestaan door de waarnemend Substituut – Griffier, mr. G. A. Kisoensingh – JangbahadoerSingh.

w.g. G.A. Kisoensingh – JangbahadoerSingh w.g. M.C. Mettendaf
w.g. D.G.W. Karamat Ali
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

( mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2020-14

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 08 december 2020 door mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [ naam ] met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen conform artikel 61 Sv en hem onmiddellijk in vrijheid te doen stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. 14 december 2020, waarbij de behandeling van dit verzoek is bepaald voor maandag 21 december 2020 om 10.30 uur des voormiddags;

Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. C. Rasam, als Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. 21 december 2020;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadsvrouw eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud daarvan hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de Waarnemend Procureur-Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven dat – gelet op de inhoud van het strafdossier – de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker nog steeds aanwezig zijn en zal de vervolging zich derhalve verzetten tegen inwilliging van het verzoek tot invrijheidstelling van verzoeker;

Overwegende, dat uit het raadkamerdossier is gebleken dat verzoeker op 08 oktober 2020 in verzekering is gesteld ter zake verdenking van, onder meer, overtreding van de Anti-Corruptiewet, Money Laundering, verduistering, valsheid in geschrifte en deelneming Criminele Organisatie. Verzoeker zit derhalve al bijkans twee maanden en twee weken in detentie en de kern van zijn betoog strekt ertoe dat hij opdrachten heeft gehad van de Staat Suriname en die opdrachten heeft uitgevoerd en conform instructies van de toenmalige bevoegde autoriteiten heeft gedeclareerd waarna er gelden voor verrichte diensten voor hem zijn gestort dan wel overgemaakt op zijn bankrekening (althans zo vat het Hof dat op). Daarnaast heeft verzoeker, onder overlegging van documentatie, aangegeven dat hij gezondheidsproblemen heeft en dat zijn detentie een negatieve invloed heeft op zijn nogal fragiele gezondheidstoestand. In het verlengde daarvan heeft verzoeker verzocht om hem op humanitaire gronden in vrijheid te stellen zodat zijn gezondheidstoestand ten positieve wordt opgekrikt en hij in vrijheid verkerend zijn medewerking aan het onderzoek kan verlenen. Voorts heeft verzoeker aangegeven dat hij als politiek econoom een bepaalde reputatie heeft opgebouwd in de regio en dat hij er belang bij heeft dat zijn naam wordt gezuiverd van alle blaam. Verzoeker heeft er derhalve belang bij en is bereid zijn medewerking aan het verdere politioneel en strafrechtelijk onderzoek te verlenen teneinde zijn onschuld in deze te bewijzen, zodat er geen gevaar voor vlucht aanwezig is. Daarenboven heeft verzoeker aangegeven dat zijn paspoort in beslag is genomen door de justitiële autoriteiten zodat hij sowieso niet zou kunnen reizen;

Overwegende, dat uit het tot dusver ingesteld politioneel onderzoek er –naar het oordeel van het Hof– vooralsnog wel feiten en omstandigheden zijn gebleken die zouden kunnen worden gekwalificeerd als ernstige bezwaren ten aanzien van de verzoeker. Evenwel blijken er geen dringende redenen van maatschappelijke veiligheid of gevaar voor vlucht aanwezig te zijn, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming van verzoeker vorderen. In de visie van het Hof heeft verzoeker voldoende aannemelijk gemaakt dat hij gezondheidsproblemen heeft die maken dat hij heel moeilijk de detentie kan ondergaan aangezien de gezondheidszorg in detentie, gelet op zijn aandoeningen, niet adequaat genoemd kan worden. Eveneens heeft verzoeker aangegeven over een verblijfslocatie in een appartementencomplex te Paramaribo te beschikken alwaar hij verblijf kan houden gedurende het verdere verloop van het onderzoek. Het Hof heeft eveneens acht geslagen op het feit dat het paspoort van verzoeker in beslag is genomen door de justitiële autoriteiten waardoor het gevaar voor vlucht van verzoeker als buitenlander geminimaliseerd is terwijl het luchtruim van Suriname ondertussen ook is gesloten voor commerciële vluchten.

Het Hof is van oordeel dat – gelet op al het voorgaande – het verzoek van verzoeker op basis van humanitaire gronden voor toewijzing in aanmerking komt.
Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst toe het verzoek van de verzoeker, [naam].
Heft op het bevel tot verlenging bewaring d.d. 09 december 2020 van [naam].
Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van [naam].

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 21 december 2020 door: mr. A. Charan, fungerend – president, mr. D.G.W. Karamat Ali, lid en mr. J. Kasdipowidjojo, lid – plaatsvervanger, bijgestaan door de fungerend-griffier, mr. F. Amirullah.

SRU-K1-2020-39

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no 20-3567
03 december 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP KIRPALANI’S N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Maagdenstraat no. 17,
eiseres in conventie in kort geding,
gedaagde in reconventie in kort geding,
hierna te noemen: “Kirpalani’s”,
gemachtigde: mr. A.M. Linger, advocaat,

tegen

A. [naam BV], rechtspersoon,
statutair gevestigd te 3011 TA Rotterdam aan de Blaak 40 in Nederland,
kantoorhoudende in [district 1] aan [adres 1],

B. [naam NV ], rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende in [district 1] aan [adres 1],

C. [naam Stichting], rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende in [district 1 aan [adres1],
gedaagden in conventie in kort geding,
eisers in reconventie in kort geding,
hierna respectievelijk te noemen: “de BV, de NV en de Stichting”,
gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of – handelingen:

  • het verzoekschrift, dat met producties op 10 november 2020 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis d.d. 19 november 2020;
  • de conclusie van antwoord tevens van eis in reconventie met producties en uitlating producties;
  • de conclusie van antwoord in reconventie en uitlating producties

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

2.1. Bij onderhandse akte gedateerd 04 juni 2018 zijn Kirpalani’s en de de BV en de NV een kredietovereenkomst aangegaan voor het bedrag van US$ 2.250.000,– .

2.2. Bij onderhandse akte van 06 september 2018 is een addendum horende bij de overeenkomst van 04 juni 2018 overeengekomen waarbij de geldlening is uitgebreid tot de som van US$ 3.000.000,–.

2.3. Bij onderhandse akte de dato 8 april 2019 heeft Kirpalani’s ter verbruikleen kredietruimte tot de som van € 600.000,– aan de BV en de NV ter beschikking gesteld.

2.4. Bij vonnis in kort geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato

01 oktober 2020 in de zaak bekend onder A.R. [nummer 1] heeft de kantonrechter onder meer als volgt beslist:

“5.1. gelast de stopzetting van de openbare verkooop van de bij exploot [no.02] van deurwaarder L. Gangaram Panday gedateerd 15 augustus 2020, omschreven goederen welke openbare verkoop zal plaatsvinden op 08 oktober 2020 om 10.00 uur op het kantoor van notaris mr. V. Gangaram Panday of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo.
5.2. gelast de stopzetting van de openbare verkooop van de bij exploot [no.03] van deurwaarder L. Gangaram Panday gedateerd 15 augustus 2020, omschreven goederen welke openbare verkoop zal plaatsvinden op 08 oktober 2020 om 10.00 uur op het kantoor van notaris mr. V. Gangaram Panday of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo.
5.3. schorst alle door gedaagde (lees: Kirpalani’s) te treffen executie maatregelen op de percelen toebehorende aan de stichting, in afwachting van een uitspraak van de bodemrechter in de zaak bekend als [AR nummer].
5.4. veroordeelt gedaagde tot een dwangsom van SRD 1.00.000,–(…) voor iedere keer dat zij in strijd handelt met het bepaalde in sub 5.1 t/m 5.3 van dit vonnis tot een maximum van SRD 5.000.000,– (…).
5.5. veroordeelt gedaagde tot betaling aan eisers voor de kosten voor rechtsbijstand van US$ 10.800,– (…) inclusief 8% omzetbelasting.
5.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
5.7. veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van eisers gevallen en tot op heden begroot op SRD 700,– (…).
5.8. wijst af het meer of anders gevorderde.”

2.5. De in executoriale vorm uitgegeven grosse van bovenvermeld vonnis is bij exploot [no. 04] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie H. Chiragally de dato 08 oktober 2020 aan Kirpalani’s betekend en is aan haar onder meer bevel gedaan om binnen twee dagen aan requiranten tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de bedragen van US$ 10.800,– en SRD 700,–.

2.6. Bij exploot [no.05] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie S.W. Niekoop LL.B. de dato 21 oktober 2020 is aan [ de BV. ] en de [naam bedrijf] betekend een schrijven van de gemachtigde van Kirpalani’s waarin voor zover van belang staat:

“ (…) Krachtens de kredietovereenkomsten de dato 18 mei 2019, 04 juni 2018 en 08 april 2019 is de [naam bedrijf]. thans geheten [ de NV] en [de BV]. beiden hierna te noemen “DVE” de bedragen ad USD 3.438.133,77 (…) en EURO 676.231,38 (…) verschuldigd aan Kirpalani. De verschuldigde bedragen zijn reeds opeisbaar.
Ingevolge het vonnis d.d. 01 oktober 2020 bekend onder A.R. [nummer 1] is Kirpalani verschuldigd aan DVE de opeisbare bedragen ad USD 10.800,– (…) en SRD 700,–(…).
Bij deze deelt Kirpalani DVE mede dat zij ingevolge artikel 1446 van het Burgerlijk Wetboek overgaat tot compensatie van het door haar verschuldigd bedrag aan DVE met het bedrag, welke DVE aan Kirpalani verschuldigd is.
Betekende dus dat de bedragen USD 10.800,– (…) en SRD 700,–(…) in mindering worden gebracht van de bedragen USD 3.438.133,77 (…) en EURO 676.231,38 (…).”

2.7. Bij schrijven gedateerd 05 november 2020 van de gemachtigde van de BV, de NV en de Stichting aan de gemachtigde van Kirpalani’s staat voor zover van belang:

“(…) Artikel 1446 BW is hier niet van toepassing simpelweg omdat Kirpalani geen opeisbare vordering heeft, terwijl mijn clienten dat wel hebben op de Uwe!
Uw aandacht voorts voor het feit dat u onnodig [de Stichting] betrekt in dezeconstructie, vermits zij geen schuldenares is. Mutatis mutandis is Kirpsalani wel schuldenaar van de voornoemde Stichting, e.e.a. blijkt uit het eerdergenoemd vonnis. Het beroep op compensatie zijdens Kirpalani is dan ook evident onjuist. Clienten wensen m.b.t. het voormelde niet meer in conclaaf met Kirpalani te treden en hebben de executie ingezet.”

2.8. Bij exploot [no.06] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie S.S. Saheblal de dato 05 november 2020 is er executoriaal beslag gelegd op de in het exploit opgesomde aan Kirpalani’s toebehorende roerende goederen.

3. De vorderingen, de grondslagen van de vorderingen en het verweer

3.1.1. De vordering in conventie

Kirpalani’s vordert dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

I. de BV, de NV en de Stichting, zullen worden gelast om binnen 1 x 24 uur na het dezen te wijzen vonnis, althans binnen een door de kantonrechter vast te stellen termijn, de ten verzoeke van de BV, de NV en de Stichting gelegd executoriale beslag bij deurwaardersexploot [no.06] d.d. 05 november 2020 van de deurwaarder Stephen Soerdjpersad Saheblal op te heffen, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,– per dag voor iedere dag dat gedaagden in gebreke blijven aan het vonnis te voldoen.

II. de BV, de NV en de Stichting te verbieden over te gaan tot de verkoop van de in beslag genomen roerende goederen aangezegd bij deurwaardersexploot no. [no.06] d.d. 05 november 2020 van de deurwaarder Stephen Soerdjpersad Saheblal, welke verkoop zal plaatsvinden te Paramaribo op 04 december 2020 aan de Keizerstraat no. 160-166 ter plaatse der inbeslagneming.

III. de BV, de NV en de Stichting te veroordelen om bij wege van voorschot en tegen behoorlijk van kwijting aan Kirpalani’s te betalen het bedrag van US$ 10.800,– vermeerderd met de wettelijke rente van 6% ’s jaars vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening. Kosten rechtens.

3.1.2. De vordering in reconventie

De BV, de NV en de Stichting vorderen dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad, Kirpalani’s te veroordelen om bij wege van voorschot aan hen te betalen het bedrag van US$ 5.400,–, vermeerderd met 8% Omzetbelasting en de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 19 november 2020 tot en met de dag der algehele voldoening daarvan. Kosten rechtens.

3.2. De grondslagen van de vorderingen
3.2.1. in conventie

Kirpalani’s heeft aan de vordering naast de vaststaande feiten ten grondslag gelegd dat zij met de B.V. en de N.V. kredietovereenkomsten is aangegaan, waarbij zij kredieten heeft verstrekt en de B.V. en de N.V. de kredieten hebben ontvangen. De aan Kirpalani’s verschuldigde bedragen op grond van de kredietovereenkomsten zijn opeisbaar. Zowel de vordering van Kirpalani’s als de vordering van de B.V. en de N.V. staan vast en zijn opeisbaar, zodat de wettelijke schuldvergelijking kan intreden.

Kirpalani’s heeft na het bevel gedaan bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie H. Chiragally de dato 08 oktober 2020 [no.04], betaald middels compensatie en is niets verschuldigd aan de BV, de NV en de Stichting.

De BV, de NV en de Stichting hebben desondanks bij exploit [no.06] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie S.S. Saheblal de dato 05 november 2020 executoriaal beslag gelegd op de in het exploot opgesomde aan Kirpalani’s toebehorende roerende goederen.

De BV, de NV en de Stichting maken misbruik van hun executie bevoegdheid en hebben deze executie bevoegdheid uitgeoefend met als doel Kirpalani’s zowel financiele – als imago schade toe te brengen. De beslagen dienen dan ook opgeheven te worden en de aangezegde executoriale verkoop dient stopgezet te worden. Kirpalani’s heeft een spoedeisend belang bij een voorziening in kort geding aangezien de onrechtmatige verkoop van de in berslag genomen roerende gioederen zal geschieden op vrijdag 04 december 2020.

Kirpalani’s lijdt schade vanwege de noodzakelijke kosten welke zij heeft moeten maken voor het inroepen van rechtsbijstand om de opheffing van het door De BV, de NV en de Stichting gelegd onrechtmatig beslag te vorderen.

3.2.2. in reconventie

De BV, de NV en de Stichting hebben aan de vordering ten grondslag gelegd dat Kirpalani’s door te weigeren het vonnis van 01 oktober 2020 na te komen, te kwader trouw handelt en een onrechtmatige daad pleegt, als gevolg waarvan de BV, de NV en de Stichting schade lijden, bestaande uit de advocaatkosten. Kirpalani’s wist reeds voor de beslaglegging c.q. aangekondigde executie dat haar beroep op compensatie geen kans van slagen zou hebben en heeft er toch ervoor gekozen niet te voldoen aan het vonnis en om de BV, de NV en de Stichting thans opzettelijk op te zadelen met een proces. De BV, de NV en de Stichting hebben een spoedeisend belang bij hun vordering.

3.3. Het verweer in conventie en in reconventie

Op het in conventie en reconventie gevoerd verweer zal voor zover nodig hierna worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Gelet op de onderlinge samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie hierna gezamenlijk worden behandeld.

4.2. Bij vonnis gedateerd 01 oktober 2020 is Kirpalani’s veroordeeld tot betaling aan de BV, de NV en de Stichting van de kosten voor rechtsbijstand van US$ 10.800,– inclusief 8% omzetbelasting alsook de kosten van het geding begroot op SRD 700,–. Kirpalani’s heeft zich beroepende op de tussen partijen bestaande kredietovereenkomsten op het standpunt gesteld dat zij een opeisbare vordering heeft op de BV en de NV en dat de BV en de NV op grond van het vonnis een opeisbare vordering hebben op haar en zij derhalve op grond van artikel 1446 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), de vordering compenseert.

4.3. De BV, de NV en de Stichting hebben aangevoerd dat er een samenwerkingsovereenkomst tussen Kirpalani’s en de BV en de NV is gesloten en dat Kirpalani’s aldus niet alleen kredietverschaffer is en dat niet gesteld noch gebleken is dat het door Kirpalani’s geinvesteerd kapitaal reeds opeisbaar is en concluderen dat het beroep van Kirpalani’s op artikel 1446 BW onjuist is.

4.4. De kantonrechter merkt op dat de samenwerkingsovereenkomst niet ten processe is overgelegd. De kantonrechter overweegt dat op procespartijen de verplichting rust om voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. De kantonrechter merkt op dat Kirpalani’s slechts gewag maakt van de krediet-overeenkomsten en met geen woord rept over de samenwerkingsovereenkomst .

In het vonnis van 01 oktober 2020 worden bepaalde artikelen uit de samenwerkings-overeenkomst geciteerd. In het vonnis staat onder meer: “In artikel 1.2 en 1.3 van de samenwerkingsovereenkomst is door partijen gesteld dat gedaagde (lees: Kirpalani’s), de BV en de NV bij akten van 4 juni en van 20 september 2018 een overeenkomst zijn aangegaan die voorzag in het verstrekken aan de NV door gedaagde van een investeringskrediet van US$ 3,000,000 (…).Voorts is in artikel 1.4 door partijen gesteld “..dat de gewenste inbreng van Kirpalani’s bij de uitvoering van het project verder ging dan de kale financiering…” voorts is in artikel 2.3 bedongen: “Elke afzonderlijke kredietovereenkomst maakt deel uit van deze samenwerkingsovereenkomst en wordt beheerst door de principes van deze overeenkomst.” (..). artikel 1.4 waarin het volgende is gesteld: “Gaandeweg de uitvoering van de plannen bleek dat de gewenste inbreng van Kirpalani’s bij de uitvoering van het project verder ging dan de kale financiering en dat de wederzijdse betrokkenheid bij het project het karakter van een structurele samenwerking had. Partijen achten het nodig hun onderlinge verhouding en afspraken met betrekking tot het “Kippie-project” nader vast te leggen in deze samenwerkings-overeenkomst.”

Uit de conclusie van antwoord in conventie alsook uit het hierboven geciteerde uit het vonnis, waarbij de kantonrechter opmerkt dat de aangehaalde passage betreft een letterlijke aanhaling uit de samenwerkingsovereenkomst en niet het oordeel van de kantonrechter, is het aannemelijk dat Kirpalani’s niet alleen kredietverschaffer van de BV en de NV doch ook investeerder en zakelijke partner van de BV en de NV is. De kredietovereenkomsten staan derhalve niet los van de samenwerkings-overeenkomst, doch maakt elke afzonderlijke kredietovereenkomst deel uit van de samenwerkingsovereenkomst en wordt beheerst door de principes van de samenwerkingsovereenkomst.

4.5. De kantonrechter overweegt dat sec op grond van de kredietovereenkomsten, verondersteld zou kunnen worden dat Kirpalani’s een opeisbare vordering heeft op de BV en de NV. Echter nu, zoals hiervoren overwogen, de verhouding tussen partijen wordt beheerst door de samenwerkingsovereenkomst, en Kirpalani’s niet alleen kredietverschaffer is van de BV en de NV doch ook investeerder en zakelijke partner van de BV en de NV, kan niet zondermeer worden geoordeeld dat alleen op basis van de kredietovereenkomsten, die bovendien niet los staan van de samenwerkings-overeenkomst doch deel uitmaken van die samenwerkingsovereenkomst en worden beheerst door de principes van de samenwerkingsovereenkomst , Kirpalani’s een opeisbare vordering heeft. Kirpalani’s heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat zij een opeisbare vordering heeft.

4.6. De kantonrechter is van oordeel dat de BV, de NV en de Stichting, zich terecht op het standpunt stellen dat er geen sprake is van een opeisbare vordering van Kirpalani’s en het beroep op compensatie onjuist is.

4.7. De kantonrechter acht op grond van het vorenoverwogene de conclusie van Kirpalani’s dat de BV, de NV en de Stichting hun bevoegdheid tot het leggen van executoriaal beslag zouden hebben misbruikt, niet gerechtvaardigd.

4.8. De kantonrechter is van oordeel dat de BV, de NV en de Stichting geen misbruik van hun bevoegdheid maken door tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 01 oktober 2020 over te gaan. Zij hebben een in redelijkheid te respecteren belang bij gebruikmaking van hun bevoegdheid om tot de tenuitvoerlegging van het vonnis over te gaan.

4.9. De slotsom is dat de gevraagde voorzieningen van Kirpalani’s strekkende tot opheffing van het executoriale beslag en het verbieden om tot de verkoop van de in beslag genomen roerende goederen over te gaan, zullen worden geweigerd.

4.10. De vorderingen tot veroordeling van de BV, de NV en de Stichting en Kirpalani’s in de advocaatkosten zal als niet op de wet te zijn gegrond, worden afgewezen.

Ons rechtssysteem kent geen verplichte procesvertegenwoordiging. Het is een vrije keuze van partijen geweest om zich in rechte te doen bijstaan en de gemaakte kosten moeten zij zelf dragen.

4.11. Wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen nadere bespreking meer, nu dat niet tot een andere beslissing kan leiden.

4.12. Kirpalani’s zal in conventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld en in reconventie zullen de BV, de NV en de Stichting als de in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding

5.1 in conventie

5.1.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.1.2 Veroordeelt Kirpalani’s in de proceskosten aan de zijde van de BV, de NV en de Stichting gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.2 in reconventie

5.2.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2.2 Veroordeelt de BV, de NV en de Stichting in de proceskosten aan de zijde van Kirpalani’s gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. R.G. Chatterpal, kantonrechter in kort geding en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 03 december 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2020-13

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN HET OPENBAAR MINISTERIE tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. 20 november 2020 terzake de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling van de verdachte, ADHIN, MICHAEL ASHWIN (ex art.54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Verdachte voornoemd is op 16 november 2020 in verzekering gesteld terzake de artikelen 278;278 jo 67; 278 jo 73; 278 jo 72;382; 382 jo 67; 382 jo 73; 382 jo 72; 381; 381 jo 67; 381 jo 73; 381 jo 72; 414; 414 jo 67; 414 jo 73; 414 jo 72 van het wetboek van Strafrecht.

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van de inhoud het schriftuur van grieven (ex artikel 54c lid 2 van het wetboek van Strafvordering ) d.d. 23 november 2020 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier. Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van 23 november 2020 bepaald dat behandeling van het beroepschrift in raadkamer op 24 november 2020 om 12:00uur des namiddags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
– de waarnemend Procureur Generaal, mr.G. Paragsingh, namens het Openbaar Ministerie;
– de verdachte, bijgestaan door zijn raadslieden, I.D. Kanhai, Bsc. en mr. F.F.P. Truideman, advocaten bij het Hof van Justitie.

Beschikking van de Rechter- Commissaris
Bij beschikking d.d. 20 november 2020 heeft de Rechter-Commissaris (hierna: RC) belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten de inverzekeringstelling van de verdachte voornoemd onrechtmatig verklaard en diens onmiddellijke invrijheidstelling gelast.

Grieven van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) is op 23 november 2020 in beroep gegaan tegen de beschikking en heeft met het oog op de vernietiging van de beschikking van de RC en het alsnog rechtmatig doen verklaren van de inverzekeringstelling van de verdachte voornoemd, grieven opgeworpen.
De grieven van het OM richten zich in grote lijnen op de zienswijze van de RC, namelijk dat de Wet In Staat van Beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers, hier van toepassing is. Hiertoe heeft het OM onder andere aangevoerd dat, de verdachte in de periode 19 juli 2020- 11 augustus 2020 de hoedanigheid van Vice President van de Republiek Suriname en dus politieke ambtsdrager niet meer bezat. De vermeende strafbare feiten zijn gepleegd door de persoon Adhin waardoor de Wet In Staat van Beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers, niet van toepassing is en heeft de inverzekeringstelling van verdachte overeenkomstig het wetboek van Strafvordering plaatsgevonden.

Het standpunt van de verdediging
Op het verweer van de verdediging komt het Hof voor zover nodig hierna terug.

Ontvankelijkheid
Door de verdediging is aangevoerd dat het OM niet- ontvankelijk verklaard moet worden omdat:
1. het beroepschrift niet op de wettelijke voorgeschreven wijze is ingediend bij de griffier van de RC.
2. de grieven niet binnen de wettelijke vierentwintig uren en dus te laat kenbaar gemaakt zijn aan het Hof van Justitie (hierna: Hof); Betoogd is dat de beslissing van RC op vrijdag 20 november 2020 omstreeks 16:00 uur bekend was, terwijl de grieven eerst op maandag 23 november 2020 omstreeks 15:00 uur ingediend zijn.

Het OM heeft in reactie aangegeven dat er conform de wet is gehandeld bij de indiening van de grieven. Het beroep is binnen de wettelijke beroepstermijn van drie dagen na de beslissing van de RC ingesteld. Op maandag 23 november 2020 ontving het OM de beschikking d.d. 20 november 2020 op schrift van de RC. Na ontvangst van de beschikking heeft de vervolging eveneens op 23 november 2020 het beroepschrift simultaan met de grieven bij de griffier van de RC ingediend.

De beoordeling door het Hof
De relevante leden van artikel 54c Sv (SB 2008 no. 21) luiden alsvolgt:

Art. 54c lid 2 Sv:
“Het beroep wordt schriftelijk ingesteld bij de griffier van de rechter-commissaris, die het onmiddellijk doorgeleidt naar de griffier van het Hof van Justitie; binnen vierentwintig uren dienen de grieven aan het Hof kenbaar te worden gemaakt.”

Art. 54c lid 4 Sv:
“Ingeval van een ingesteld beroep door de vervolgingsambtenaar als bedoeld in lid 1 van dit artikel, wordt de invrijheidstelling van de verdachte voor ten hoogste drie dagen gestuit.”

Tav punt 1
1. Uit de zich in Hof dossier bevindende stukken is niet gebleken van de door de verdediging geschetste gang van zaken. Aangezien het instellen van het beroep door het OM overeenkomstig de wet heeft plaatsgevonden wordt het terzake gevoerde verweer verworpen.

Tav punt 2
2. Uit de redactie van het verweer van de verdediging begrijpt het Hof dat er zijdens de verdediging twee momenten worden onderscheiden t.w.:
A) het instellen van het beroep en;
B) het kenbaar maken van de grieven aan het Hof.
Dienaangaande brengt het Hof in herinnering dat, in de zaak [naam] (HvJ d.d. 20 juli 2005) is bepaald dat, “een redelijke wetstoepassing meebrengt dat de termijn van 24 uur geldt voor zowel het kenbaar maken van grieven aan het Hof van Justitie als voor het instellen van het hoger beroep”.

3. Alsvoren aangegeven is het vaste jurisprudentie dat de in artikel 54c lid 2 wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) genoemde 24 uur geldt, zowel voor het instellen van het beroep als voor het kenbaar maken van de grieven aan het Hof. Bij de beoordeling van onderhavig verweer zal derhalve dienovereenkomstig zowel het ingestelde beroep als de ingediende grieven betrokken worden. Van belang is tevens de beantwoording van de vraag wanneer de termijn van 24 uur een aanvang neemt?

4. De wet vermeldt niet wanneer deze termijn een aanvang neemt. Blijkbaar heeft de wetgever die bepaling, over het hoofd gezien. Door de rechtspraak is voorzien in die leemte. In de eerder genoemde zaak [ naam], is dienaangaande [bij door de verdachte ingesteld beroep
(toevoeging: Hof)] overwogen dat, “een redelijke wetstoepassing met zich brengt dat moet worden aangenomen dat de periode van 24 uur begint te lopen vanaf de uitreiking van het afschrift van de beschikking van de rechter-commissaris aan de verdachte”.

In het beroepschrift d.d. 23 november 2020 ondertekend door de Advocaat Generaal mr. G. Paragsingh is opgenomen dat“ de beschikking gegeven op vrijdag 20 november 2020 door de rechter-commissaris is ontvangen op het Parket op maandag 23 november 2020”.
Het Hof begrijpt hieruit dat, het OM het moment van de ontvangst van de beschikking opschrift – naar analogie van de uitreiking aan de verdachte- aanmerkt als de formele kennisgeving.

Het Hof kan zich niet verenigen met het standpunt van het OM en overweegt dienaangaande als volgt;
– In tegenstelling tot bepalingen betreffende de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan de verdachte, voorziet het wetboek van Strafvordering (art. 515 Sv ev.) niet in bepalingen betreffende die kennisgeving aan het OM c.q. de vervolgingsambtenaar.
– In de praktijk is daarom in dit gemis van een wettelijke regeling voorzien door afhandeling op basis van werkafspraken aangaande de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen door het Kabinet van de Rechter Commissaris aan het OM .

5. In het onderhavig geval is de beschikking van de RC gegeven op de vrijdag middag en kort daarna (omstreeks 16:00 uur) digitaal via whatsapp foto naar de aangewezen functionaris van het OM en de raadsman verzonden. De ontvangst van het bericht is in raadkamer bevestigd. Evenwel is door het OM opgemerkt dat de foto’s wazig waren. Naar het oordeel van het Hof doet deze opmerking van het OM niets af aan het doel van de verzending. Immers, het had op de weg van het OM gelegen om een zonodig leesbaar exemplaar (foto) op te vragen al dan niet met gebruikmaking van andere (communicatie) mogelijkheden. Aangezien het OM op de gebruikelijke wijze de elektronische kennisgeving heeft ontvangen moet aan die ontvangst het rechtsgevolg verbonden worden welke gelijk is aan de verzending van de beschikking opschrift. Dientengevolge is vrijdag 20 november 2020 (16:00 uur) het tijdstip waarop de vervolgingsambtenaar kennis heeft gekregen van de beschikking van de RC.

6. De RC heeft de inverzekeringstelling van de verdachte onrechtmatig verklaard en diens onmiddellijke invrijheidstelling gelast. Het uitgangspunt met betrekking tot beslissingen tot opheffing van de inverzekeringstelling of verlenging van de inverzekeringstelling is dat deze dadelijk uitvoerbaar zijn (ex.art. 64 Sv). De uitzondering hierop vormt het geval waarbij de vervolgingsambtenaar in beroep gaat tegen het bevel tot invrijheidstelling (ex art. 54c lid1 Sv). In welk geval de invrijheidstelling voor de duur van ten hoogste drie dagen wordt gestuit.

Blijkens de Memorie van Toelichting op dit artikel (vide SB 2012 no. 61) is het uitgangspunt bij de invoering van de beroepsmogelijkheid voor zowel de verdachte als de vervolgingsambtenaar dat de verdachte (toevoeging Hof: door het beroep) zo min mogelijk in zo min mogelijk in zijn rechten wordt beperkt.

Naar het oordeel van het Hof ziet het OM zich hierdoor gesteld voor de spoedige instelling van het beroep en wel binnen 24 uur nadat aan het OM mededeling is gedaan van de beslissing van de RC. Het Hof preciseert dat uit de tekst van artikel 54a Sv en 54c Sv, “de wetsgeschiedenis, de doelstellingen ervan en het onderling verband” volgt dat de ingang van de wettelijke stuitingstermijn – bij een naderhand door de vervolgingsambtenaar ingesteld beroep, geacht wordt te zijn het moment waarop de RC het bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling heeft gegeven (dagtekening van die beschikking).

7. Ten aanzien van onderhavig beroepschrift met schriftuur van grieven is het moment van indiening bij de griffier van de RC op maandag 23 november 2020 om 14:50 uur. Vervolgens zijn de stukken op gelijke datum op de griffie van het Hof ontvangen om 15:55 uur. In lijn met het overwogene onder punt 5 is het OM met de indiening op maandag 23 november 2020 te laat. Het verweer van de verdediging op dit punt is geslaagd en het OM zal als hieronder te beslissen niet-ontvankelijk verklaard moeten worden in het ingesteld beroep.

8. Uit deze feitelijke gang van zaken vermeld onder punt 7 concludeert het Hof dat, de periode van stuiting van de invrijheidstelling van verdachte korte tijd na de indiening van het beroepschrift op 23 november 2020 is komen te vervallen, waardoor het bevel van de RC tot zijn onmiddellijke invrijheidstelling inwerking trad voordat het Hof een aanvang maakte met de behandeling op dinsdag 24 november 2020. Om die redenen zal een (verdere) detentie beschouwing zijdens het Hof achterwege blijven.

9. Aangezien het OM niet- ontvankelijk verklaard zal worden in het ingesteld beroep komt het Hof niet toe aan de (inhoudelijke) bespreking van de overige grieven.

BESCHIKKENDE:
Verklaart het Openbaar Ministerie niet- ontvankelijk in het ingesteld beroep tegen de beschikking van de Rechter- Commissaris gegeven d.d. 20 november 2020 tegen de verdachte ADHIN, MICHAEL ASHWIN.

Deze beschikking is gegeven te Paramaribo op 24 november 2020 in raadkamer van het Hof van Justitie door mr. M.C. Mettendaf, fungerend –president, mr.D.G.W. Karamat Ali, lid,mr. J. Kasdipowidjojo, lid- plaatsvervanger, bijgestaan door de wnd substituut- griffier, mr. G.A. Kisoensingh- JangbahadoerSingh.

w.g. G.A. Kisoensingh – JangbahadoerSingh

w.g. M.C. Mettendaf
w.g. D.G.W. Karamat Ali
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-K1-2020-38

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-3724
24 november 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

ADHIN, MICHAEL ASHWIN,
wonende te Paramaribo en domicilie kiezende aan de Kromme Elleboogstraat no. 1 te Paramaribo,
eiser,
gemachtigden: mr. F.F.P. Truideman en I.D. Kanhai Bsc, advocaten,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G. Paragsingh, Advocaat-Generaal.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het verzoekschrift dat met de producties op 23 november 2020 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 24 november 2020;
– de aantekeningen van de griffier betreffende al hetgeen partijen tijdens het mondeling afpleiten d.d. 24 november 2020 over en weer hebben aangevoerd.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Op 16 november 2016 is eiser aangehouden en in verzekering gesteld.

2.2 Eiser is in verzekering gesteld op grond van verdenking van het plegen van strafbare feiten.

2.3 Op 18 november 2020 heeft de Officier van Justitie een vordering ex-artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering (afgekort Sv) bij de Rechter-commissaris ingesteld, inhoudende een vordering tot toetsing of de inverzekeringstelling van eiser al dan niet rechtmatig is.

2.4 Op 20 november 2019 heeft de Rechter-Commissaris bij beschikking de inverzekeringstelling onrechtmatig geacht en de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser gelast.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren:
a) gedaagde veroordeelt om binnen 1 uur na de uitspraak eiser lijfelijk in vrijheid te stellen, zulks onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000.000,- voor ieder uur dat gedaagde in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;
b) gedaagde veroordeelt in de proceskosten.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde onrechtmatig matig handelt jegens hem, als gevolg van welk handelen hij schade lijdt en zal lijden. Daartoe stelt hij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:
– gedaagde heeft in strijd met artikel 54c lid 1 Sv niet binnen de termijn van drie dagen schriftelijk het beroepschrift ingediend;
– de termijn van hoger beroep dient als een fatale termijn te worden aangemerkt en eiser wordt thans zonder enige grondslag van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang van eiser blijkt uit de aard van het gevorderde zelf. Daarom is hij in het kort geding ontvangen.

4.2 Eiser heeft de hierna volgende rectificatie gevorderd:
– in sustenu 7 dient instede van “19 november en 20 november” te worden gelezen: “20 november en 21 november”;
– in sustenu 9 dient het woord “artikel”, vermeld op de vierde regel, komen te vervallen.
De kantonrechter zal de gevorderde akte rectificatie toestaan, omdat gedaagde hierdoor niet in zijn verweer is geschaad.

4.3 Gedaagde heeft als formeel verweer opgeworpen dat eiser niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het gevorderde, omdat hij prematuur is met de onderhavige vordering. Daartoe heeft hij het hierna volgende aangevoerd. Hij heeft op 23 november 2020 omstreeks 11.00 uur formeel de beschikking van de Rechter-Commissaris ontvangen en heeft gisteren omstreeks 14.45 uur schriftelijk het hoger beroep en de grieven tegen de gewraakte beschikking ingediend. Op heden d.d. 24 november 2020 vindt, aldus het verdere verweer van gedaagde, omstreeks 12.00 uur de behandeling in hoger beroep plaats.
Eiser heeft beaamd dat de behandeling van de gewraakte beschikking op heden in hoger beroep zal plaatsvinden.

4.4 Nu eiser heeft beaamd dat de behandeling van het hoger beroep tegen de gewraakte beschikking op heden zal plaatsvinden, komt naar het oordeel van de kantonrechter hiermee de grondslag van het door eiser gevorderde weg te vallen. Hieruit volgt dat eiser niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het gevorderde en dat gedaagde slaagt in het door hem opgeworpen formeel verweer.
Of het rechtsmiddel van hoger beroep al dan niet binnen de in artikel 54c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn heeft plaatsgevonden en of de termijn van hoger beroep als een fatale termijn dient te worden aangemerkt, laat de kantonrechter in het midden. Dit, omdat slechts het Hof van Justitie de bevoegdheid heeft om hierover te oordelen en niet de kantonrechter in kort geding die in eerste aanleg oordeelt. Anders zou het zijn, indien eiser helemaal geen toegang zou hebben tot een speciaal hiervoor aangewezen forum en de kort gedingrechter als “restrechter” hierover zou moeten oordelen.

4.5 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
5.1 Staat toe de gevorderde akte van rectificatie.

5.2 Verklaart eiser niet ontvankelijk in de gevorderde voorziening.

5.3 Veroordeelt eiser in de proceskosten die aan de zijde van gedaagde zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil

Dit vonnis is gewezen en er openbare terechtzitting uitgesproken op dinsdag
24 november 2020 te Paramaribodoor de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr.S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2020-12

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

20 november 2020

In de zaak van

CAIRO, Rodney Alexander,
wonende te Paramaribo,
verzoeker, hierna aangeduid als “Cairo”, `
ge(vol)machtigde: voorheen I.D. Kanhai BSc., advocaat, vervolgens mr. G.M. Leter, advocaat, thans drs. A. Biharie,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer precies het Ministerie van Defensie,
ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen (WRM) juncto artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het hof) op 08 augustus 2017;
  • de beschikking van het hof van 05 maart 2018, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 20 april 2018, welk verhoor is verplaatst naar 06 juli 2018;
  • het proces-verbaal van het op 06 juli 2018 gehouden verhoor van partijen;
  • het schrijven van advocaat I.D. Kanhai BSc. d.d. 19 oktober 2018, waarbij hij zich als procesgemachtigde van Cairo onttrekt aan de zaak;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal d.d. 16 november 2018, waaruit blijkt dat mr. G.M. Leter zich stelt voor Cairo;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken met bijbehorende producties zijdens de Staat d.d. 16 november 2018 (kennelijk abusievelijk gedateerd: 16 november 2017);
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken en uitlating producties met bijbehorende producties, zijdens Cairo overgelegd op 15 februari 2019;
  • het schrijven van advocaat mr. G.M. Leter d.d. 14 maart 2019, waarbij zij zich als procesgemachtigde van Cairo onttrekt aan de zaak;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens de Staat d.d. 07 juni 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 15 november 2019, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 De Staat is op 04 juli 2012 een arbeidsovereenkomst voor de duur van drie jaren met Cairo aangegaan (hierna: de arbeidsovereenkomst). De arbeidsovereenkomst is in 2015 met gelijke duur verlengd.

2.2 Cairo heeft reeds bij aanvang van vorenbedoelde dienstbetrekking een geneeskundig onderzoek ondergaan.

2.3 De voormalige procesgemachtigde van Cairo, advocaat I.D. Kanhai BSc., heeft bij brief d.d. 27 juli 2017, gericht aan de minister van Defensie (hierna: de minister), onder meer aangegeven op welke gronden Cairo moet worden voorzien van een aanstelling in vaste dienst. Deze gronden zijn in hoofdzaak tevens hieronder in 3.2 vermeld. Voormelde brief d.d. 27 juli 2017 luidt voor zover van belang als volgt:

“(…)

Resumerend

  • Dat cliënt recht heeft op een aanstelling in vaste dienst en wel te rekenen vanaf zijn datum van indiensttreding, zijnde 04 juli 2012;

  • Dat zijn overplaatsing naar het ministerie van Financiën wordt geformaliseerd, en wel in dier voege, dat in de beschikking expliciet wordt opgenomen, dat hij vanwege de overplaatsing niet zal worden gedemilitariseerd en ook niet in salaris achteruit zal gaan;

  • Dat zijn bevordering tot Korporaal wordt geformaliseerd en dat zijn salaris dienovereenkomstig wordt aangepast;

  • Dat cliënt recht heeft op het verkrijgen van een werkgeversverklaring;

  • Dat zijn naam en eer gezuiverd dienen te worden, omdat hij nooit het idee heeft gehad en nog minder een poging heeft ondernomen om een aanslag te plegen tegen de hoogste militaire gezagsdrager, het Staatshoofd enof de Regering van de Republiek Suriname.

Op grond van al het bovenstaande wordt bij deze een beroep op u gedaan, om het daarheen te leiden, zodat de rechtspositie van cliënt niet wordt aangetast. Dat aan cliënt binnen een week na ontvangst van dit schrijven wordt kenbaar gemaakt wat zijn huidige rechtspositie is en dat daarbij alle hoger aangehaalde zaken conform wet en recht worden rechtgetrokken.

Indien u nalaat om binnen de gestelde termijn aan het hoger aangehaalde gevolg te geven, zullen wij genoodzaakt zijn om namens cliënt een rechtsvordering tegen de Staat Suriname, met name het ministerie van Defensie in te stellen en worden gevorderd, dat cliënt schadeloos wordt gesteld voor alle schade die hij heeft geleden en nog lijdt vanwege het hoger omschreven onwettelijk en onrechtmatig handelen.

(…)”

2.4 De hierboven in 2.3 vermelde brief d.d. 27 juli 2017 is bij exploot d.d. 02 augustus 2017, no. 723, van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, R. Sontono, aan de minister betekend.

2.5 De waarnemend directeur van Defensie, kolonel J.R. Antonius, heeft bij brief d.d. 06 juni 2018, ref. no. DD/18-1065, betreffende “expiratie arbeidsovereenkomst”, het volgende aan Cairo bericht:

“Geachte Korporaal,

De op 04 juli 2012 met u aangegane arbeidsovereenkomst, welke op 04 juli 2015 verlengd is voor een periode van 03(drie) jaren, zal op 04 juli 2018 expireren. Zijdens het Ministerie van Defensie is er geen voornemen het dienstverband met u voort te zetten.

Op grond van het bovenstaande stel ik vast dat de met u aangegane arbeidsovereenkomst per 04 juli 2018 zal expireren. Met het oog op het voorgaande dient u uw tegoed aan vakantieverlof op te nemen.

In verband met het voorgaande maakt u ingevolge artikel 39 van de Wet Rechtspositie Militairen, juncto artikel 28 lid 3 van de Personeelswet, artikel 1614b van het Surinaams Burgerlijk Wetboek, te rekenen van 04 juli 2018 geen aanspraak op salaris of andere emolumenten en geneeskundige zorg ten laste van het ministerie van Defensie/Nationaal Leger.”

2.6 De hierboven in 2.5 genoemde brief d.d. 06 juni 2018 is bij exploot d.d. 06 juni 2018, no. Q-184, van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, L. Tran van Can-Doesburg, aan Cairo betekend.

2.7 Voornoemde waarnemend directeur van Defensie heeft bij brief d.d. 06 juni 2018, ref. no. DD 1065/18, betreffende “expiratie arbeidsovereenkomst tnv kpl Cairo, Rodney”, het volgende aan het hoofd Beveiliging van de minister van Financiën, D. Calor, bericht:

“Geachte heer Calor,

Middels deze geef ik u aan dat de arbeidsovereenkomst van de Korporaal in dienst bij het Ministerie van Defensie, thans ter beschikking gesteld van het Ministerie van Financiën, de heer Cairo, Rodney (…) niet verlengd zal worden.

Betrokkene zijn arbeidsovereenkomst zal per 04 juli 2018 expireren. Aan betrokkene wordt medegedeeld zijn tegoed aan vakantieverlof alvast op te nemen. U wordt verzocht betrokkene niet meer in te zetten voor werkzaamheden tot de expiratie van de arbeidsovereenkomst.

Hopende u geinformeerd te hebben.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Cairo vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Staat zal worden:

I. gelast om binnen 1 (een) week na uitspraak van het vonnis zijn rechtspositie in overeenstemming te brengen met onder andere de bepalingen van artikel 13 lid 3 juncto artikel 14 WRM en wel in dier voege dat hij in aanmerking komt voor een aanstelling in vaste dienst en wel te rekenen vanaf de datum van zijn indiensttreding;

II. gelast om binnen 1 (een) week na uitspraak van het vonnis zijn mutatie naar het Ministerie van Financiën te formaliseren en wel in dier voege dat in de beschikking expliciet wordt opgenomen dat hij vanwege de mutatie niet zal worden gedemilitariseerd en ook niet in salaris achteruit zal gaan;

III. gelast om binnen 1 (een) week na uitspraak van het vonnis zijn bevordering c.q. benoeming tot korporaal te formaliseren en zijn salaris dienovereenkomstig bij te stellen;

IV. gelast erop toe te zien dat hij niet wordt gehinderd in het verkrijgen van een werkgeversverklaring;

V. gelast om de bepalingen van de Personeelswet en de Wet rechtspositie militairen ter zake van het verlenen van verlof in acht te nemen;

VI. gelast om binnen 1 (een) week na uitspraak van het vonnis schriftelijk aan hem te kennen te geven dat de door de Staat gedane uitlating als zouden hij en zijn collega’s bezig zijn met het beramen van een coup, niet op waarheid berust en hem dientengevolge te rehabiliteren;

VII. veroordeeld tot betaling van een dwangsom ad SRD 10.000,- voor iedere dag of keer dat in strijd wordt gehandeld met het gevorderde onder I tot en met VI;

VIII. veroordeeld om binnen 1 (een) week na uitspraak van het vonnis bij wege van schadevergoeding aan hem te betalen het bedrag van SRD 2.500.000,-, zijnde vergoeding van de schade die hij heeft geleden wegens de onterechte beschuldigingen aan zijn adres en de gevolgen die dit voor hem en zijn gezin heeft;

IX. veroordeeld om bij wege van schadevergoeding aan hem te betalen het bedrag van SRD 7.500,-, zijnde de advocaatkosten die hij noodzakelijkerwijs moest betalen ter bescherming en handhaving van zijn rechten.

Cairo vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten, alsmede dat het hof één of meer beslissingen geeft die het geraden voorkomt.

3.2 Cairo heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Cairo is krachtens de arbeidsovereenkomst in militaire dienst van de Staat en is dientengevolge militaire arbeidscontractant. Krachtens artikel 11 lid 1 WRM gaat aan de aanstelling van een militaire ambtenaar een geneeskundig onderzoek vooraf. In lid 3 (het hof begrijpt: lid 2) van voormeld artikel is bepaald dat de aanstelling slechts mogelijk is van personen die bij een geneeskundig onderzoek lichamelijk geschikt zijn bevonden. Gezien het feit dat Cairo vanwege de resultaten van het geneeskundig onderzoek mocht deelnemen aan de Elementaire Algemene Opleiding en hij deze opleiding met goed gevolg heeft afgerond, kan geconcludeerd worden dat hij medisch gezien geschikt is voor aanstelling tot militaire ambtenaar. Ondanks het feit dat Cairo vanwege de resultaten van het geneeskundig onderzoek recht had op aanstelling als militaire ambtenaar, blijkt dat hij tot op heden op arbeidsovereenkomst in dienst is en aldus niet van een tijdelijke noch vaste aanstelling is voorzien. De Staat handelt aldus in strijd met artikel 9 WRM, omdat Cairo reeds bij de aanvang van de dienstbetrekking recht had op een aanstelling als militaire ambtenaar. Artikel 13 lid 3 WRM bepaalt uitdrukkelijk hoe gehandeld dient te worden, indien blijkt dat van Staatswege een arbeidsovereenkomst is gesloten in een ander geval dan voorzien in artikel 9 lid 1 WRM. Met inachtneming van de bepalingen, onder meer opgenomen in artikel 14 WRM, is het vanzelfsprekend dat Cairo recht heeft op een aanstelling in vaste dienst.

Gezien de omstandigheid dat de Staat in strijd heeft gehandeld met artikel 14 WRM dient ervan uitgegaan te worden dat Cairo vanaf zijn indiensttreding op 04 juli 2012 militaire ambtenaar is, omdat de met hem gesloten arbeidsovereenkomst nietig, althans vernietigbaar is. Cairo wenst ter verduidelijking aan te tekenen dat, hoewel de onderhavige rechtszaak onder meer de bedoeling heeft de geldigheid van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 13 lid 3 WRM aan te tasten, de inhoud daarvan, voor wat betreft de rechtspositie van Cairo, wel bewijs biedt voor zijn stellingen.

Cairo is onlangs tewerk gesteld bij het Ministerie van Financiën. Aangezien het verzoek tot overplaatsing van hem afkomstig is, heeft hij hiertegen geen bezwaar. Echter mag de mutatie niet tot gevolg hebben dat hij ter zake van de overplaatsing wordt gedemilitariseerd, omdat dit nooit is overeengekomen. Het is echter alleszins noodzakelijk dat de overplaatsing middels een beschikking wordt geformaliseerd, zodat dit definitief vaststaat.

Voorts heeft de Staat, ondanks het feit dat Cairo thans de rang van korporaal bekleedt, tot op heden nagelaten zijn benoeming (het hof begrijpt: de bevordering) te formaliseren en zijn salaris dienovereenkomstig aan te passen.

Verder heeft de administratie meerdere keren geweigerd om aan Cairo een werkgeversverklaring te verstrekken, terwijl hij dit dringend nodig heeft voor het afwikkelen van zijn financiële zaken. Aangezien hij alle recht heeft op deze verklaring, kan deze handeling als onrechtmatig worden gekwalificeerd. Cairo ondervindt als gevolg hiervan schade, voor welke schade de Staat aansprakelijk kan worden gesteld.

Voorts heeft de Staat Cairo en vier van zijn collega’s ervan beschuldigd dat zij bezig zijn met het beramen van een coup. Cairo kan deze zware beschuldiging niet zomaar naast zich neerleggen, gezien de consequenties daarvan op zijn functioneren binnen de organisatie. Een onderzoek ter zake van de aantijgingen heeft nimmer plaatsgevonden. Cairo heeft mede naar aanleiding van voormelde beschuldiging en het feit dat hij zijn werkterrein niet mocht betreden, overplaatsing gevraagd naar een ander ministerie. Voormelde beschuldiging is uiteraard ook van invloed op de veiligheid van het gezin van Cairo en de relatie met zijn partner, omdat zij alle reden hebben om terug te denken aan een bepaalde periode in de geschiedenis van de Republiek Suriname ter zake van militairen die verdacht werden van het beramen van een staatsgreep en de consequenties die dit voor hen heeft gehad. Cairo en zijn gezin hebben als gevolg van deze valse beschuldiging schade geleden en lijden nog schade, voor welke schade de Staat aansprakelijk kan worden gesteld. Bij de berekening van de omvang van de schade, begroot op SRD 2.500.000,-, is met het volgende rekening gehouden:

  • voor het geval Cairo, als gevolg van de beschuldiging, de schande die en het gevaar dat daaraan kleeft, mocht besluiten om niet meer in overheidsdienst te blijven, moet hij met voormeld bedrag in staat zijn een eigen bedrijf op te starten om zodoende in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin te kunnen voorzien;
  • indien Cairo, in het uiterste geval, mocht besluiten om samen met zijn gezin zijn heil in het buitenland te zoeken, moet hij daarin kunnen voorzien.

Gezien het feit dat Cairo niet over de nodige deskundigheid beschikt om een vordering als de onderhavige in te stellen en te verdedigen en de hieraan verbonden uitgaven het rechtstreeks gevolg zijn van het onrechtmatig gedrag van de Staat, is het alleszins redelijk en billijk dat de advocaatkosten ad SRD 7.500,- door de Staat in de vorm van schadevergoeding worden vergoed.

De Staat heeft niet binnen de termijn gesteld in de sommatiebrief d.d. 27 juli 2017 (zie 2.3) op deze brief gereageerd.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Vaststaat dat Cairo militaire arbeidscontractant is geweest in de zin van artikel 1 WRM, welke wet dan ook op hem van toepassing is. Ingevolge artikel 58 WRM strekt de bevoegdheid van het hof als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken, zoals vastgelegd in de artikelen 79 tot en met 83 Pw, zich mede uit tot militaire ambtenarenzaken. Blijkens artikel 83 Pw zijn de bepalingen van hoofdstuk 6 – hieronder vallen artikelen 78 tot en met 82 Pw (de rechtsmiddelen) – van overeenkomstige toepassing op arbeidscontractanten, zoals Cairo, en op vorderingen betreffende arbeidsovereenkomsten, welke door het land zijn gesloten.

Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;

c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schade-vergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren.

Het hof vat het in 3.1 onder I, III en VII gevorderde op als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging aan de Staat van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet (juncto de Wet rechtspositie militairen) bepaalde, in casu voor het verder achterwege laten om, kort gezegd:

  1. Cairo te voorzien van een aanstelling in vaste dienst en wel te rekenen van de datum van zijn indiensttreding;

  2. de bevordering van Cairo tot korporaal te formaliseren en zijn salaris dienovereenkomstig aan te passen.

Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw derhalve bevoegd om kennis te nemen van het in 3.1 onder I, III en VII gevorderde.

Het in 3.1 onder II, IV, V en VI (in combinatie met VII) gevorderde valt niet onder de limitatieve opsomming van artikel 79 Pw, zodat het hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen.

Naar het oordeel van het hof kan het in 3.1 onder VIII gevorderde niet worden beschouwd als een vordering tot vergoeding van schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw. Cairo heeft immers de gevorderde schadevergoeding gekoppeld aan de vermeende onterechte beschuldiging aan zijn adres, terwijl de wetgever is uitgegaan van een koppeling aan een genomen besluit of een niet of niet tijdig genomen besluit dan wel het verrichten of nalaten van een handeling door de Staat in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Cairo heeft geen zodanig(e) besluit of handeling gesteld en daarvan is ook niet gebleken. Het hof zal zich derhalve eveneens onbevoegd verklaren om van dit deel van de vordering kennis te nemen.

Het in 3.1 onder IX gevorderde kan daarentegen wel worden aangemerkt als een vordering tot vergoeding van schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw, zodat het hof bevoegd is daarvan kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

4.2 Ingevolge artikel 80 lid 2 sub c Pw zijn vorderingen als bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b en sub c Pw niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 Pw geacht wordt het besluit te hebben genomen. Artikel 78 lid 2 sub b Pw bepaalt dat een orgaan mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek.

De in 2.3 vermelde brief d.d. 27 juli 2017 behelst het verzoek van Cairo aan de minister, zijnde in dezen het bevoegde gezag, om de daarin aangehaalde zaken in orde te maken. Voormeld schrijven is op 02 augustus 2017 aan de minister betekend. Gelet op het bepaalde in artikel 78 lid 2 sub b Pw had de minister tot 02 februari 2018 de ruimte om te beslissen op het verzoek van Cairo. Tussen partijen is niet in geschil dat de minister nimmer op dit schrijven heeft gereageerd. Nu de onderhavige vordering reeds is ingesteld op 08 augustus 2017, is Cairo in feite prematuur daarmee en zou hij dientengevolge in beginsel daarin niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Het hof overweegt echter dat de minister, naar vaststaat, ook gedurende dit geding niet heeft beslist op het verzoek van Cairo, zodat ervan wordt uitgegaan dat de minister alsnog een fictief besluit heeft genomen en wel een negatief besluit. Om deze reden acht het hof Cairo wel ontvankelijk in het in 3.1 onder I, III, VII en IX gevorderde. Het aanhangig maken van de vordering betekent immers niet dat de minister niet meer op het verzoek van Cairo hoefde te beslissen.

4.3.1 In artikel 9 lid 1 WRM zijn limitatief opgesomd de personen met wie en de functies waarvoor een arbeidsovereenkomst kan worden gesloten. Artikel 9 lid 1 aanhef en onder a WRM bepaalt dat arbeidsovereenkomsten slechts kunnen worden gesloten met personen die bij een geneeskundig onderzoek als bedoeld in artikel 11 lid 1 niet geschikt voor aanstelling tot militaire ambtenaar zijn bevonden doch om bijzondere redenen wel onder de krijgstucht moeten vallen.

4.3.2 Artikel 11 WRM luidt als volgt:

“1. Aan de aanstelling van een militaire ambtenaar gaat, volgens regelen bij staatsbesluit te stellen en behoudens de daarbij te bepalen uitzonderingen, een geneeskundig onderzoek vooraf. (…)
2. Aanstelling is slechts mogelijk van personen die:
a. de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt;
b. de Surinaamse nationaliteit bezitten;
c. niet bij een geneeskundig onderzoek als bedoeld in lid 1 lichamelijk ongeschikt zijn bevonden, en
d. niet bij een, volgens door de Minister te stellen regelen ingesteld, veiligheidsonderzoek ongeschikt zijn bevonden.
3. Aanstelling geschiedt hetzij in vaste hetzij in tijdelijke dienst.

(…)”

4.3.3 Artikel 13 lid 3 WRM luidt als volgt:

“Indien blijkt dat van Staatswege een arbeidsovereenkomst is gesloten in een ander geval dan voorzien in artikel 9 lid 1 wordt de betrokkene alsnog, met terugwerkende kracht tot de datum waarop die overeenkomst is ingegaan, tot militaire ambtenaar aangesteld. Deze aanstelling kan niet een vermindering van salaris ten gevolge hebben.”

4.3.4 Artikel 14 lid 1 WRM luidt als volgt:

“Aanstelling in tijdelijke dienst is slechts mogelijk:
a. van personen, die op grond van de resultaten van een geneeskundig onderzoek als bedoeld in artikel 11 lid 1, niet aanstonds in aanmerking komen voor een aanstelling in vaste dienst;
b. van personen, die nog niet voldoen aan een der vereisten gesteld in artikel 11 lid 2 onder a en b;
c. op proef.”

4.4.1 Cairo komt in dit geding op tegen het uitblijven van een beslissing op de sommatiebrief d.d. 27 juli 2017 (zie 2.3).

4.4.2 Vaststaat dat Cairo bij de aanvang van zijn indiensttreding in juli 2012 een geneeskundig onderzoek heeft ondergaan. Tussen partijen is niet in geschil dat Cairo bij dit onderzoek geschikt is bevonden (voor aanstelling tot militaire ambtenaar). Naar het oordeel van het hof moet het de Staat, zo niet reeds in juli 2012, in ieder geval in augustus 2017 – na ontvangst van de sommatiebrief d.d. 27 juli 2017 – zijn gebleken dat hij buiten de gevallen voorzien in artikel 9 lid 1 WRM een arbeidsovereenkomst met Cairo heeft gesloten. Ingevolge het bepaalde in artikel 13 lid 3 WRM diende de Staat Cairo daarom met terugwerkende kracht tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst is ingegaan – zijnde 04 juli 2012 – tot militaire ambtenaar aan te stellen.

4.4.3 Cairo heeft een door de Staat aan hem verstrekte werkgeversverklaring d.d. 17 augustus 2015 in het geding gebracht. Daarop is aangetekend dat de procedure voor vaste aanstelling reeds is ingezet.

Voorts heeft de comparitiegevolmachtigde van de Staat, J. Finkie, stafmedewerker Personeelsaangelegenheden van het Ministerie van Defensie, ter zitting verklaard dat een militaire arbeidscontractant na drie jaren in dienst te zijn geweest in aanmerking komt voor een aanstelling als militaire ambtenaar.

Ten tijde van het verzenden van de sommatiebrief d.d. 27 juli 2017, was Cairo reeds vijf jaren in dienst van de Staat.

4.4.4 Als niet weersproken is rechtens komen vast te staan dat Cairo in aanmerking komt voor een aanstelling en wel een aanstelling in vaste dienst. Feit is dat deze aanstelling, zelfs nadat Cairo in 2015 is toegelaten tot de elementaire commando opleiding en hij deze opleiding in 2016 met goed gevolg heeft afgerond, achterwege is gebleven. De Staat heeft hiervoor geen verklaring gegeven.

Geconcludeerd wordt dat Cairo gegronde reden had te verzoeken dat hij van een aanstelling in vaste dienst wordt voorzien. Naar het oordeel van het hof heeft de Staat, gelet op de in 4.4.2 en 4.4.3 genoemde omstandigheden, ten onrechte achterwege gelaten om te beslissen zoals door Cairo verzocht.

Overwogen wordt dat het de Staat, gelet op het belang van Cairo, in alle redelijkheid niet vrijstond de arbeidsovereenkomst per 04 juli 2018 te laten expireren, zonder Cairo eerst van een vaste aanstelling te voorzien. Door de arbeidsovereenkomst toch te laten expireren heeft de Staat onrechtmatig gehandeld jegens Cairo.

Naar het oordeel van het hof moet Cairo geacht worden na vorenbedoelde expiratiedatum in dienst van de Staat te zijn gebleven, hetgeen betekent dat de Staat gehouden is zijn verplichtingen als werkgever jegens Cairo na te komen. Het in 3.1 onder I gevorderde zal daarom worden toegewezen als in het dictum te melden.

Het hof acht voorts termen aanwezig om de mede gevorderde dwangsom te mitigeren en te maximeren.

4.5 Het hof volgt Cairo niet in zijn stelling dat de Staat heeft nagelaten om zijn bevordering tot korporaal te formaliseren en zijn salaris dienovereenkomstig aan te passen. Zulks is immers niet komen vast te staan op grond van de door Cairo zelf in het geding gebrachte producties, te weten een ‘MUTATIEFORMULIER EN KENNISGEVING T.A.V. BEVORDERING VAN ARBEIDSCONTRACTANT PERSONEEL VAN HET MINISTERIE VAN DEFENSIE’ ten name van Cairo d.d. 01 maart 2017, een salarisopgave ten name van Cairo over de maand juni 2017 en een overzicht van het verloop van de bezoldiging van Cairo te rekenen van 04 juli 2012 tot en met 01 januari 2017. Het in 3.1 onder III (in combinatie met VII) gevorderde zal dan ook worden afgewezen.

4.6 De gevorderde advocaatkosten – die worden aangemerkt als schade – zijn niet weersproken door de Staat, zodat deze zullen worden toegewezen. Immers is komen vast te staan dat Cairo deze kosten heeft moeten maken vanwege het onrechtmatig handelen van de Staat jegens hem.

4.7 De gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis zal worden afgewezen, nu het hof in eerste en hoogste aanleg beslist.

4.8 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.9 Cairo heeft tevens gevorderd dat het hof één of meer beslissingen geeft die het geraden voorkomt. Dit gevorderde is onduidelijk en zal daarom ook worden afgewezen.

4.10 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder II, IV, V, VI en VIII gevorderde.

5.2 Veroordeelt de Staat om binnen vier maanden na betekening van dit vonnis Cairo in aanmerking te doen komen voor een aanstelling in vaste dienst en wel te rekenen vanaf de datum van zijn indiensttreding, zijnde 04 juli 2012, met dien verstande dat zulks geen vermindering van zijn salaris tot gevolg heeft.

5.3 Veroordeelt de Staat om bij wege van schadevergoeding aan Cairo te betalen de advocaatkosten ad SRD 7.500,- (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar).

5.4 Veroordeelt de Staat om aan Cairo te betalen een dwangsom van SRD 1.000,- (eenduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft aan de in 5.2 vermelde veroordeling te voldoen, met dien verstande dat boven de som van SRD 50.000,- (vijftigduizend Surinaamse dollar) geen dwangsom meer wordt verbeurd.

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, Mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door mr. A. Charan, fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 20 november 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. D.D. Sewratan w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen, de heer A.R. Cairo, verzoeker en de heer G. Burke namens mr. R. Koendan, gevolmachtigde van verweerder.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-RC-2020-1

RECHTER-COMMISSARIS BELAST MET DE BEHANDELING
VAN STRAFZAKEN BIJ DE KANTONGERECHTEN

Beschikking ex artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering(SB 2008 no.21)

Gezien het verzoek van de vervolgingsambtenaar d.d. 18 november 2020 ter vaststelling van een voorgeleidingsdatum voor de verdachte, ADHIN, MICHAEL ASHWIN;

Gelezen de stukken, waaronder het bevel tot inverzekeringstelling, waaruit blijkt dat verdachte op 16 november 2020 in verzekering is gesteld ter zake de artikelen 278; 278 jo 67; 278 jo 73; 278 jo 72; 382; 382 jo 67; 382 jo 73; 382 jo 72; 381; 381 jo 67; 381 jo 73; 381 jo 72; 414; 414jo 67; 414 jo 73; 414 jo 72 van het Wetboek van Strafrecht;

Overwegende, dat door de President van de Republiek Suriname richtlijnen zijn gegeven en maatregelen zijn getroffen die specifiek gericht zijn op aanpak casu quo het voorkomen of minimaliseren van de verspreiding van het SARS-COV-2/ COVID -19 virus alsmede de gevolgen hiervan waardoor de verdachte telefonisch en in persoon met inachtneming van de SARS-COV-2/ COVID -19 maatregelingen is gehoord door de rechter-commissaris;

Gehoord de verdachte voornoemd, die heeft verklaard gelijk gerelateerd staat in de daartoe opgemaakte verklaring, waarvan een afschrift aangehecht is aan deze beschikking;

Overwegende, dat de inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden in het belang van het onderzoek naar strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;

Overwegende dat verdachte en zijn medeverdachten worden verweten te zijn medepleger van valsheid in geschrifte, verduistering en vernieling van media-apparatuur toebehorende aan de Staat Suriname;

Overwegende, de raadslieden van de verdachte Adhin bij monde van dhr. I. Kanhai BSc.- zakelijk weergegeven – hebben aangevoerd dat hun cliënt onrechtmatig in verzekering is gesteld omdat hij onschuldig is; dat hun cliënt nimmer de intentie heeft gehad om de apparatuur bij zich te houden. Voorts dat niet kan worden bewezen dat hun cliënt de apparatuur heeft vernield; dat bij de afgifte door medeverdachte [naam 1] van de apparatuur bij het Kabinet van de vicepresident, er geen controle is uitgevoerd en drie (3) maanden daarna de verdachte geen vernieling kan worden verweten. De raadslieden hebben tevens als formeel verweer – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hun cliënt in staat van beschuldiging diende te worden gesteld omdat, indien mocht blijken dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan hetgeen hem wordt verweten, deze feiten zouden zijn gepleegd in zijn betrekking van politieke ambtsdrager;

Overwegende, dat op 11 augustus 2020 media-apparatuur is bezorgd bij het Kabinet van de vicepresident door de verdachte voornoemd. Deze apparatuur is direct onderworpen aan een controle door medewerkers van de ICT-afdeling van voornoemd kabinet en werd geconstateerd dat ze opzettelijk waren beschadigd c.q. vernield;

Overwegende, dat de verdachte Adhin bij zijn verhoor bij de politie heeft verklaard dat hij de opdracht heeft gegeven aan de verdachten [naam 1] en [naam 2] om voor hem na te gaan welke apparatuur afgeschreven kon worden; dat door medeverdachten [naam 1] en [naam 2] apparatuur is afgeschreven. De bedoeling hiervan was volgens de verdachte Adhin om goederen te schenken aan het Doveninstituut aan wie hij een pand aan de Nassylaan ter beschikking zou stellen en deze zou doen inrichten met afgeschreven meubilair en apparatuur. De getuige [naam 3] van het Doveninstituut heeft verklaard dat haar nimmer is medegedeeld dat het pand dat zij ter beschikking zou krijgen, zou worden ingericht;

Overwegende, dat naar aanleiding van bovenvermelde opdracht van de verdachte Adhin, [naam 2] een Memo Afschrijving Media Equipment d.d. 8 juli 2020 – heeft opgemaakt welke door de medeverdachte Adhin akkoord is bevonden en ondertekend; de verdachte Adhin zegt dat hij de inhoud hiervan slechts grammaticaal heeft getoetst. Uit onderzoek is gebleken dat de apparatuur in kwestie allen zijn aangeschaft één en een half jaar voor de afschrijving en dat voor de afschrijving ten aanzien van ICT-apparatuur minimaal vijf (5) jaren geldt en voor meubilair minimaal tien (10) jaren. Daarnaast is gebleken dat medeverdachte [naam 2] niet bevoegd was de memo te schrijven en de afschrijving niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden;

Overwegende, dat medeverdachte [naam 2] heeft verklaard dat hij een deel van de apparatuur bij zich had omdat die in opdracht van medeverdachte Adhin aan hem, door [naam 4] en [naam 5] was afgegeven met de bedoeling om deze tot nadere instructie bij zich te houden. Hij heeft deze gedurende vier (4) dagen bij zich gehouden en heeft hij de apparaten gebracht voor de verdachte Adhin, omdat hij bang was dat er een inval door de politie bij hem zou worden gepleegd. Hij vermoedt dat de bedoeling van het brengen van de apparatuur naar Adhin was dat hij deze zelf zou gebruiken;

Overwegende, dat de medeverdachte [naam 1] bij zijn verhoor verschillende verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot de plaats waar hij apparatuur is gaan ophalen en waar hij deze naartoe heeft vervoerd. Dat de medeverdachte [naam 1] heeft verklaard dat apparatuur en meubilair waren opgeslagen in het pand gelegen aan de Nassylaan en dat hij die heeft moeten verwijderen; dat aan hem mededeling is gedaan dat de huur van het pand is opgezegd en hij het pand moest ontruimen. Deze verklaring is nimmer bevestigd. In tegensteling tot deze verklaring van de medeverdachte [naam 1] heeft de verdachte Adhin verklaard dat het meubilair en apparatuur dat geschonken zou worden aan het Doveninstituut, niet kon blijven in het pand aan de Nassylaan omdat het daar onveilig zou zijn. Uiteindelijk heeft de medeverdachte [naam 1] verklaard dat hij in opdracht van de verdachte Adhin de goederen thuis bij hem, Adhin, heeft opgehaald en deze vervolgens heeft afgegeven op het Kabinet van de vicepresident;

Overwegende, dat de medeverdachte [naam 1] heeft verklaard dat, toen hij de apparatuur bij de woning van de verdachte Adhin is gaan ophalen, Adhin hem een lijst heeft overhandigd en hij met die lijst gecontroleerd heeft welke apparatuur aan hem is afgestaan waarna hij de goederen heeft meegenomen en deze heeft afgeven op het Kabinet van de vicepresident. De verdachte Adhin verklaart in tegenstrijd hiermede niet te hebben geweten wie degene is geweest die de apparatuur vanachter de deur van zijn woning heeft weggehaald maar later te hebben vernomen dat de medeverdachte [naam 1] degene was;

Overwegende, dat in tegenstelling tot het verweer van de raadslieden is gebleken dat de door de medeverdachte [naam 1] afgegeven media-apparatuur bij het Kabinet van de vicepresident direct na afgifte is gecontroleerd door een van de ICT-deskundigen en is gebleken dat deze opzettelijk waren beschadigd c.q. vernield;

Overwegende, dat op grond van het bovenstaande blijkt dat in opdracht van de verdachte Adhin onbevoegdelijk de Memo Afschrijving Media Equipment d.d. 8 juli 2020 door de medeverdachte [naam 2] is opgemaakt, welke akkoord is bevonden en ondertekend door de verdachte Adhin, en media-apparatuur onbevoegdelijk is afgeschreven. Een deel deze apparatuur was op het moment van die onbevoegdelijk afschrijving slechts anderhalf jaar terug aangeschaft en bleek na terug te zijn gebracht naar het Kabinet van de vicepresident te zijn beschadigd en zichtbaar vernield. De goederen zijn op verschillende locaties ondergebracht en waren allen gedurende enige tijd bij de verdachte en zijn medeverdachten. Na de onbevoegdelijke afschrijving is een deel van deze apparatuur nog voor de dienst gebruikt terwijl er is verklaard dat de apparaten als niet geschikt voor de dienst waren afgeschreven;

Overwegende, dat de verklaringen van de verdachten tegenstrijdig zijn;

Overwegende, dat uit de aanwezige processen-verbaal, welke vooraf zijn gegaan aan de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte, voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken, welke een redelijk vermoeden van schuld opleveren tegen verdachte voor de in het bevel tot inverzekeringstelling genoemde strafbare feiten;

Overwegende, dat voor de beantwoording van de vraag of de inverzekeringstelling rechtmatig is, niet uitsluitend de aanwezigheid van een redelijk vermoeden van schuld dient te worden beantwoord maar ook moet worden nagegaan of de regels van het procesrecht in acht zijn genomen. Ten aanzien van dit laatste geldt het volgende: de opdracht van de verdachte Adhin die heeft geleid tot de Memo Afschrijving Media Equipment d.d. 8 juli 2020 heeft plaatsgehad tijdens zijn Ambtsperiode als vicepresident en deze, behalve onbevoegdelijk, gelet op bovenstaande feiten, mogelijk ook valselijk is opgemaakt en kan dit feit worden beschouwd als een feit gepleegd in de betrekking van zijn ambt. Als uitvloeisel van deze handeling zijn deze goederen op één of meerder momenten verduisterd, daarna teruggebracht op kabinet van de vicepresident en bleken zij opzettelijke te zijn beschadigd c.q. vernield. De verdachte Adhin diende ingevolge de Wet In Staat van Beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers (S.B. 2001 no. 72) eerst in staat van beschuldiging te worden gesteld. De stelling van het Openbaar Ministerie welke erop neerkomt dat deze wet pas van toepassing zou zijn op de verdachte Adhin indien tegen hem een daad van vervolging was ingesteld wordt verworpen, omdat dit in strijd zou zijn met de ratio van artikel 140 van de Grondwet en ter uitvoering daarvan, de Wet In Staat van Beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers;

Overwegende, dat op grond van al hetgeen is overwogen de inverzekeringstelling onrechtmatige dient te worden verklaard.

BESCHIKKENDE:

Verklaart de inverzekeringstelling onrechtmatig en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte ADHIN, MICHEAL ASHWIN
Aldus gegeven te Paramaribo op 20 november 2020 door mr. S.S.S. Wijnhard, rechter-commissaris, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mw. Z.K. Lamsberg LLB.

De fungerend-griffier, De rechter-commissaris,

mw. Z.K. Lamsberg LLB. mr. S.S.S. Wijnhard