SRU-HvJ-2020-31

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

  1. [appellant 1],
  2. [appellant 2],
  3. [appellant 3],
  4. [appellant 4],
  5. [appellant 5],

Allen wonende in [land],
Appellanten,
Gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

  1. [geïntimeerde 1], hierna ook te noemen: [geïntimeerde 1],
  2. [geïntimeerde 2], hierna ook te noemen: [geïntimeerde 2],
  3. [geïntimeerde 3],
  4. [geïntimeerde 4],
  5. [geïntimeerde 5],

Allen wonende c.q. gevestigd te [district],
Geïntimeerden,
Gemachtigde: mr. E. van der Hilst, advocaat.

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 16 oktober 2007, A.R. no.044173, tussen appellanten als eisers en geïntimeerden als gedaagden spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het hierna volgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 30 oktober 2008, inhoudende dat appellanten op 30 oktober 2008 hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 16 oktober 2007 gewezen tussen appellanten als eisers en geïntimeerden als gedaagden;
  • een pleitnota van appellanten van 7 december 2012;
  • een pleitnota voor antwoord van geïntimeerden van 15 februari 2013;
  • een conclusie tot overlegging stamboom, met 1 productie, genomen door appellanten op 4 oktober 2013;
  • een conclusie tot uitlating overgelegde productie, genomen door geïntimeerden op 6 december 2013;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 4 april 2014 en vervolgens op 20 april 2018, doch bij vervroeging op heden.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
Het vonnis waarvan beroep is op 16 oktober 2007 uitgesproken. Blijkens aantekening van de griffier op dat vonnis waren noch partijen noch hun gemachtigden bij die uitspraak aanwezig.
Bij brief van 24 oktober 2008 is aan partijen een afschrift van het vonnis gestuurd. Op 30 oktober 2008 hebben appellanten hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellanten daarin kunnen worden ontvangen.

Overlijden van geïntimeerde mevr. [geïntimeerde 2],
Uit de bij conclusie van 4 oktober 2013 overgelegde inlichtingenstaat blijkt dat geïntimeerde [geïntimeerde 2] op 12 januari 2011 is overleden. Aangezien thans de behandeling ter terechtzitting reeds beëindigd is, behoeft ingevolge het bepaalde in artikel 187 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het geding niet geschorst te worden en kan tot uitspraak in hoger beroep worden overgegaan.

Beoordeling
Het onderhavige geschil betreft, kort samengevat, het volgende:
Appellanten zijn de erfgenamen van [erflater], hierna ook te noemen: [erflater], die op 30 april 2001 te [district] is overleden.
Bij onderhandse akte van 20 december 1994 heeft [erflater] verklaard last en volmacht te geven aan [geïntimeerde 1], “speciaal om voor en namens hem over te gaan tot de verkoop en levering van: het perceel land “(—)”gelegen in [district], aan de [straat]” (—) “ aan de voornoemde voornoemde lasthebber, de heer [geïntimeerde 1] of nader aan te wijzen koper”.
Op 5 januari 1995 heeft [geïntimideerde 1] ten overstaan van notaris Ramdew Ramautar verklaard dat hij, als gemachtigde van [erflater] enerzijds en van zijn echtgenote [geïntimideerde 2] anderzijds, eerder bedoeld perceel namens [erflater] had verkocht aan hemzelf in privė en aan [geïntimideerde 2], met dien verstande dat hij, [geïntimideerde 1], het vruchtgebruik verkreeg en [geïntimideerde 2] de blote eigendom. Ook verklaarde hij dat hijzelf in privė en als gemachtigde van [geïntimideerde 2] voormeld perceel had gekocht. Dit alles voor een som van vierhonderdduizend (Surinaamse) gulden, welke koopsom, aldus [geïntimideerde 1], tussen partijen was verrekend en waarvoor kwijting was verleend.
Appellanten vorderden in de eerste plaats een verklaring voor recht dat de notariële akte van verkoop en koop van 5 januari 1995 nietig is en geen rechtsgevolgen in het leven roept of heeft geroepen. Daarnaast vorderden zij de doorhaling van de met de koop en verkoop verbonden, ten hypotheekkantore geregistreerde overschrijvingen, inschrijvingen en aantekeningen.
De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep de vordering afgewezen. De dragende overwegingen in zijn vonnis luiden, voor zover hier van belang:

Uit de akte van lastgeving (—) blijkt dat de erflater last en volmacht heeft gegeven aan [geïntimideerde 1] speciaal om voor en namens hem (erflater) over te gaan tot de verkoop en levering van het eerder genoemde perceel aan de voornoemde lasthebber, de heer [geïntimideerde 1] (–) of nader aan te wijzen koper. De kantonrechter concludeert dat uit de notariële akte niet is gebleken dat [geïntimideerde 1] het recht van vruchtgebruik aan zichzelf heeft overgedragen zoals eisers willen doen geloven, maar dat hij genoemd recht heeft gekocht, hetgeen hij wel bevoegd was te doen volgens de akte van lastgeving. (—-)

De kantonrechter oordeelt voorts dat, gelet op eventuele belangenverstrengelingen, [geïntimideerde 1] had moeten nalaten om tegelijkertijd als lasthebber van erflater en als lasthebber van (—) zijn echtgenote op te treden bij de verkoop van het perceel aangezien de bevoegdheid tot het voornoemde niet uitdrukkelijk aan hem gegeven is door de erflater. De conclusie die eisers aan dit handelen van [geïntimideerde 1] verbinden, namelijk dat naar geldend recht moet worden aangenomen dat er sprake is van onbevoegde vertegenwoordiging en dat de betreffende akten derhalve nietig zijn, is echter onjuist. In casu zou er eventueel sprake kunnen zijn van onbehoorlijke vertegenwoordiging, indien eisers schade hadden geleden als gevolg van de eerder genoemde handelingen.

Appellanten hebben ėėn grief tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd. De grief luidt:
Ten onrechte overweegt de kantonrechter dat in casu van onbevoegde vertegenwoordiging geen sprake is, omdat appellanten geen schade zouden hebben geleden.

Met betrekking tot deze grief overweegt het hof als volgt:
Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat sprake zou kunnen zijn van onbehoorlijke vertegenwoordiging – en dus van wanprestatie van [geïntimideerde 1] als lasthebber – indien de door [geïntimideerde 1] uitgevoerde transacties hebben geleid tot schade van appellanten, in hun hoedanigheid van rechtverkrijgenden onder algemene titel van de erflater, [erflater]. Dat zou het geval zijn als die schade voor [geïntimideerde 1] voorzienbaar zou zijn geweest en hij de transacties desondanks, ten voordele van hemzelf of van derden, heeft laten doorgaan. Een dergelijke voorzienbare schade is echter niet door appellanten aangetoond en zelfs niet aannemelijk gemaakt en zij hebben in hoger beroep ook geen concreet bewijsaanbod dienaangaande gedaan. [erflater], die na de verkoop op 5 januari 1995 nog ruim zes jaar heeft geleefd, heeft kennelijk zelf nooit geprotesteerd tegen de wijze waarop [geïntimideerde 1] de lastgeving heeft uitgevoerd. Gesteld noch gebleken is, dat de koopsom ad 400.000 Surinaamse gulden lager zou zijn dan de werkelijke waarde van het verkochte perceel. [geïntimideerde 1] heeft een fotokopie overgelegd van een kwitantie die aangeeft dat [erflater] deze koopsom heeft ontvangen en appellanten hebben niet gesteld, laat staan aangetoond, dat deze kwitantie vals is. Appellanten voeren aan dat [erflater] grote schulden had aan [geïntimideerde 1] (hoewel de daadwerkelijke bedragen van deze schulden niet vaststaan en nog punt van geschil zijn in andere gerechtelijke procedures). Echter, ook als de koopsom niet is uitbetaald maar verrekend met de schulden van [erflater] aan [geïntimideerde 1], levert dat geen benadeling van [erflater] of zijn erfgenamen op.
De grief wordt verworpen.

Ambtshalve overweegt het hof het volgende:
In eerste aanleg hebben appellanten, toen eisers, onder meer aangevoerd dat de verkoop van 5 januari 1995 nietig is wegens strijd met artikel 1491 juncto 1489 BW.
In deze artikelen wordt op straffe van nietigheid aan lasthebbers van zaken met welker verkoop zij belast waren verboden om bij onderhandse verkoop van die zaken zelf als koper op te treden. Dit voorschrift is in de wet opgenomen teneinde het gevaar te beperken van belangenconflicten, die gemakkelijk kunnen ontstaan als de lasthebber zowel namens de lastgever optreedt als voor zichzelf.
In dit geval moet naar het oordeel van het hof de notariële akte van 5 januari 1995 aldus worden verstaan, dat [geïntimideerde 1] namens [erflater] het perceel land heeft verkocht aan [geïntimideerde 2] en dat toen bij wijze van samenval van rechtsmomenten op dat perceel het vruchtgebruik ten behoeve van [geïntimideerde 1] in privé is gevestigd. Verkoop door een lasthebber aan zijn (buiten gemeenschap van goederen gehuwde) echtgenote wordt door de wet niet met nietigheid bedreigd. Er is geen reden voor een ruimere interpretatie van de wet, waardoor ook deze overeenkomst van koop en verkoop nietig zou zijn, omdat de lastgever ([erflater]) [geïntimideerde 1] uitdrukkelijk voor verkoop aan zichzelf of een derde gemachtigd heeft en van schade voor [erflater] of zijn erfgenamen als gevolg van deze transactie niet is gebleken.

Het vonnis waarvan beroep moet bevestigd worden.
Appellanten zullen worden verwezen in de proceskosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 16 oktober 2007, A.R. no 044173, tussen partijen gewezen, waarvan beroep;

Veroordeelt appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden gevallen en, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. A. Johanns en mr. R.M. Praag, Leden–Plaatsvervanger en door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 17 april 2020, in tegenwoordigheid van mr.S.C.Berenstein, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. E.F. van der Hilst, gemachtigde van geïntimeerden, terwijl appellanten noch in persoon noch bij gemachtigde zijn verschenen.

SRU-HvJ-2020-30

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15176
26 november 2020

In de zaak van

  1. [verzoeker],
  2. [verzoeker 2],
  3. [verzoeker 3],
  4. [verzoeker 4],
  5. [verzoeker 5],
  6. [verzoeker 6],
  7. [verzoeker 7],
  8. [verzoeker 8],

hierna te noemen de erven [naam],
allen wonende in [district],
verzoekers,
gemachtigde: mr. J.C.P. Nannan Panday, advocaat,

tegen

a. [verweerder],
b. [verweerder 2],
echtelieden van elkaar,
hierna te noemen [naam 2] e.a.,
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in of buiten [land],
verweerders,
gemachtigde: mr. K.J. Hok-A-Hin, advocaat,

spreekt de fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van het Hof gedateerd 19 januari 2018. Het Hof volhardt bij de inhoud van dat tussenvonnis.

1. Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het proces-verbaal van gehouden verhoor van partijen d.d. 20 april 2018;
  • de conclusie houdende rectificatie c.q. wijziging van het rekest d.d. 20 april 2018;
  • de antwoordpleitnota met productie d.d. 1 juni 2018;
  • de repliekpleitnota met productie d.d. 6 juli 2018;
  • de dupliekpleitnota met productie d.d. 3 augustus 2018;
  • de conclusie tot uitlating d.d. 2 november 2018;

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [naam 2] e.a., als eisers in conventie en gedaagden in reconventie, hebben op 30 december 1992 een vordering aanhangig gemaakt tegen de gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie:

  • [gedaagde in conventie] en zijn echtgenote [eiser in reconventie] en
  • [gedaagde in conventie] en zijn echtgenote [eiser in reconventie].

2.2 De kantonrechter heeft – zover van belang – bij vonnis d.d. 17 oktober 1995 bekend onder A.R. no. 92–4709 als volgt beslist:

“In het incident:
Verklaren eisers niet ontvankelijk in hun vordering tot voeging van de voorliggende zaak met de zaak AR 916317 en in hun verzoek tot rolvoeging………

In de hoofdzaak:
In conventie:
Wijzen eisers’ primaire, subsidiaire en meer subsidiaire vordering af; ……..

In reconventie:
Alvorens verder te beslissen:

Gedaagden worden in de gelegenheid gesteld om op de terechtzitting van dinsdag 21 november 1995 aanvangende des v.m. te 8.30 uur, het in 6.2 vermelde bescheid over te leggen;
Laat eisers toe, bevelen hen zover nodig ambtshalve om door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen te bewijzen:
“dat het perceel in 1996 door de gemachtigde van [naam 3], te weten H.L. Kuhn, aan de vader van [verweerder] is verkocht en wel voor f.6.000”;………”

2.3 De kantonrechter heeft in dezelfde zaak bij vonnis d.d. 3 maart 1998 het volgende beslist:

“In reconventie:
Ontzegt aan eisers hun vorderingen ………”

2.4 [naam 2] e.a. hebben op 30 oktober 1995 hoger beroep aangetekend.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 De erven [naam] vorderen om bij vonnis het aanhangig gemaakte appel van 30 oktober 1995, bekend onder A.R. no. 92-4709 vervallen te verklaren van instantie.

3.2 De erven [naam] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de laatste rechtshandeling in de onderhavige zaak gepleegd door [naam 2] e.a. dateert van 30 maart 2013. Op geen enkele wijze is gebleken dat [naam 2] e.a. enige actie hebben ondernomen om het door hen ingestelde appel te doen behandelen. Zij, de erven [naam], hebben recht en belang dat aan deze zaak een eind komt en is het redelijk dat thans het verval van instantie zal worden uitgesproken.

3.2 [naam 2] e.a. hebben verweer gevoerd. Het Hof komt zover nodig daarop terug in de beoordeling.

4. De beoordeling
4.1[naam 2] e.a. hebben onder meer als verweer aangevoerd dat zij op 30 maart 2013 door tussenkomst van deurwaarder J.E. Febis de aanzegging en het desbetreffend proces-verbaal aan het Hof van Justitie hebben afgegeven. Volgens [naam 2] e.a. hebben zij alles gedaan wat in redelijkheid van hen te verwachten was. Het ligt niet aan hen dat het hoger beroep van de onderhavige zaak nog geen voortgang heeft gehad.

4.2 Tussen partijen staat rechtens vast dat [naam 2] e.a. hoger beroep hebben aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter d.d. 17 oktober 1995 A.R. No. 92-4709; voorts dat de laatste handeling in genoemde zaak dateert van 30 maart 2013, namelijk dat [naam 2] e.a. door tussenkomst van deurwaarder J.E. Febis de aanzegging en het desbetreffend proces-verbaal aan het Hof van Justitie (lees de griffier der Kantongerechten) hebben afgegeven.
Na deze handeling aan de zijde van [naam 2] e.a., diende de griffier van het kantongerecht ingevolge artikel 276 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (BRv) de stukken op te sturen naar het Hof van Justitie voor de behandeling in hoger beroep.

4.2.1 Ingevolge artikel 208 BRv vervalt alle instantie indien de zaak binnen drie jaren niet is voortgezet. Dit artikel beoogt naar het oordeel van het Hof de wederpartij van de partij die nalaat (verdere) proceshandelingen te verrichten, de mogelijkheid te bieden de zaak te doen beëindigen wegens onredelijke vertraging.
Naar het oordeel van het Hof is niet gebleken dat [naam 2] e.a. na het aantekenen van hoger beroep hebben nagelaten verdere proceshandelingen te verrichten. Integendeel hebben zij de van hun verlangde aanzegging van het hoger beroep aan de wederpartij gedaan en was het wachten op het moment waarop de stukken door de griffier van het kantongerecht zouden worden verzonden naar het Hof van Justitie voor de behandeling in hoger beroep. Het Hof concludeert derhalve dat de “vertraging” [naam 2] e.a. niet kan worden tegengeworpen.
De door de erven [naam] gevorderde verval van instantie zal om redenen als voormeld worden afgewezen.

4.3 Gezien het tijdsverloop en de omstandigheid dat de stukken in de zaak bekend onder A.R. no. 92-4709 nog niet zijn ontvangen door het Hof, heeft het Hof ambtshalve een onderzoek ingesteld naar de reden daarvan.
Gebleken is dat de griffier der kantongerechten vanwege een omissie de stukken niet heeft verzonden naar het Hof. Deze omissie zal worden hersteld zodat het proces bij het Hof van Justitie in hoger beroep zo spoedig mogelijk kan aanvangen.

4.4 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.5 De erven [naam] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten moeten dragen.

5.De beslissing
Het Hof
5.1 Wijst af het gevorderde.

5.2 Veroordeelt de erven [naam] in de proceskosten aan de zijde van [naam 2] e.a. gevallen en tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr.S.Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 4 december 2020, in tegenwoordigheid van mr.S.C.BerensteinBSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat mr. J.C.P. Nannan Panday, gemachtigde van verzoekers, terwijl verweerders noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-60

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

INTEGRA PORT SERVICES,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding,
verder ook aan te duiden als IPS,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

ALGEMENE HAVENARBEIDERSBOND,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
verder ook aan te duiden als AHAB,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 7 augustus 2014 (A.R.No. 13-5227) tussen AHAB als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, en IPS als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 8 augustus 2014, inhoudende dat IPS op diezelfde dag hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 7 augustus 2014 in kort geding gewezen tussen AHAB als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, en IPS als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie;
  • een pleitnota van 19 juni 2015;
  • een antwoordpleidooi van 7 augustus 2015;
  • een repliek pleitnota van 6 november 2015;
  • een dupliekpleidooi van 4 december 2015.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat IPS daarin kan worden ontvangen.

Rechtsoverweging
Het hof ziet in deze zaak aanleiding de verschijning van partijen te gelasten, in elk geval tot het verschaffen van inlichtingen, met name omtrent de ontwikkeling van zaken sedert de aanvang van dit geding, en voorts tot het bespreken van de mogelijkheden tot toekomstige ontwikkeling van de verhouding tussen partijen en van alles waarvan de bespreking voor de oplossing van het geschil dienstig kan zijn.

Partijen dienen zich door daartoe bevoegde functionarissen te doen vertegenwoordigen. Het hof heeft er geen bezwaar tegen als partijen of een hunner de Bemiddelingsraad uitnodigen ter terechtzitting vertegenwoordigd te zijn.

De beslissing in hoger beroep in kort geding:
Het Hof:
gelast partijen om, bevoegdelijk vertegenwoordigd, ter fine voormeld ter terechtzitting van het Hof van Justitie aan de Onafhankelijkheidsplein no. 4 te verschijnen op donderdag 21 juni 2018 om 11:00 uur;

houdt verder iedere beslissing aan.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr.S.C.Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. S.M.M. Chu

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. T.A.M. Kensmil namens advocaat mr.R.Sohansingh, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr.C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-29

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15724

16 oktober 2020
In de zaak van

[appellant],
wonende in [district],
appellant,
hierna te noemen de man,
gemachtigde: mr. I. Lalji, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende in [district],
geïntimeerde,
hierna te noemen de vrouw,
gemachtigde: mr. R.D. Neslo, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 9 juni 2014 bekend onder AR no. 13-1550 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat de man op 23 juli 2014 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota gedateerd 17 januari 2020;
  • het antwoordpleidooi gedateerd 7 februari 2020;
  • het repliekpleidooi gedateerd 6 maart 2020;
  • het dupliekpleidooi gedateerd 17 juli 2020.

1.2 De uitspraak van het vonnis, aanvankelijk bepaald op 5 februari 2021, is thans bij vervroeging bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Gesteld en evenmin is gebleken dat de man niet binnen de gestelde termijn hoger beroep heeft aangetekend tegen het beroepen vonnis, zodat hij ontvankelijk is in het door hem ingestelde beroep.

3. De vordering in hoger beroep
De man vordert in hoger beroep – naar het Hof begrijpt – om het beroepen vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de vrouw alsnog te weigeren.

4. Debeoordeling
4.1 Het Hof neemt over de feiten zoals omschreven in het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 9 juni 2014, bekend onder AR no. 13–1550 nu de man daartegen geen grieven heeft aangevoerd.

4.2 De vrouw heeft in eerste aanleg gevorderd – zakelijk weergegeven – dat de echtscheiding tussen partijen zal worden uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien.
De vrouw heeft als grondslag hiervoor aangevoerd dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht omdat partijen niet meer met elkaar samenwonen en dat enig zicht op verbetering van de situatie tussen partijen niet meer mogelijk is.

4.3 De kantonrechter heeft onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.De kantonrechter heeft daartoe in overweging 4.3 van het vonnis, onder meer, overwogen dat rechtens tussen partijen is komen vast te staan dat de vrouw de echtelijke woning verlaten heeft, aangezien zij de geestelijke mishandeling na ettelijke jaren meer dan zat was en dat partijen vanaf november 2013 niet meer met elkaar samenwonen.

4.4 De man heeft tegen voormeld vonnis aangevoerd dat de kantonechter ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat er sprake was van geestelijke mishandeling. Volgens hem heeft hij dit steeds weersproken en moest de vrouw met het bewijs hiervan worden belast, hetgeen niet is gebeurd. Volgens de man heeft de vrouw het huwelijk ontwricht en mocht zij om deze reden niet de aanlegger zijn van de vordering tot echtscheiding, op grond van de wet.

4.5 De man heeft niet weersproken dat partijen reeds jaren – en naar het Hof begrijpt langer dan 6 jaren – gescheiden van elkaar leven. Naar het oordeel van het Hof is hiermee dan ook komen vast te staan de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen, ongeacht of er sprake is van geestelijke mishandeling of niet.

4.6 Volgens de man is de duurzame ontwrichting van het huwelijk aan de vrouw te wijten en mocht zij ingevolge de wet dus niet de aanlegger zijn van de onderhavige vordering.Ingevolge artikel 263 van het Burgerlijk Wetboek (BW), wordt de vordering tot echtscheiding afgewezen, indien de duurzame ontwrichting in overwegende mate te wijten is aan de echtgenoot, die de vordering heeft ingesteld en de andere echtgenoot deswege tegen die vordering verweer voert.
Naar het Hof begrijpt beroept de man zich erop dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen in overwegende mate aan de vrouw te wijten is, één en ander zoals vereist in artikel 263 BW.
De man heeft evenwel nagelaten om zijn verweer ter zake nader te onderbouwen, zodat hij niet heeft voldaan aan zijn motiveringsplicht. Het Hof gaat daarom voorbij aan dit bloot verweer. Van de man mocht tenminste worden verwacht dat hij ook feiten en omstandigheden had aangevoerd waaruit kon blijken dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de vrouw te wijten is zoals vermeldt in artikel 263 BW.

4.7 Nu het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, is de echtscheiding tussen partijen terecht uitgesproken en dient het vonnis van de kantonrechter als hiervoor vermeld te worden bevestigd, onder aanvulling van de gronden.
4.8 Het verzoek van de man tot het houden van een comparitie van partijen, kennelijk om een poging te wagen het huwelijk alsnog te redden, zal worden afgewezen. De vrouw heeft immers ondubbelzinnig kenbaar gemaakt dat zij geen redenen ziet voor een comparitie zoals door de man voorgesteld. De vrouw heeft verder aangegeven, dat zij niet meer een samenleving wenst te vormen c.q. voort te zetten met de man. Het Hof ziet daarom ook geen aanleiding om een comparitie te gelasten.

4.9 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.10 De proceskosten in hoger beroep gevallen zullen worden gecompenseerd tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

5. De beslissing
Het Hof:
5.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 9 juni 2014 bekend onder AR no. 13-1550, waarvan beroep onder aanvulling van de gronden.

5.2 Compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt en betaalt.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president,
mr.mA.Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en
bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 16 oktober 2020 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat mr. I.S. LaLji, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch in person noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-28

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende in [district],
appellant in kort geding,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

De Staat Suriname (in deze het Ministerie van Justitie en Politie),
rechtspersoon, zetelend te Paramaribo,
ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: [gemachtigde], MLS, jurist verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 30 mei 2019 bekend in het Algemeen Register onder no.19–1522 tussen appellant als eiser in kort geding en geïntimeerde als gedaagde in kort geding,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het procesverloopin hoger beroep
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het schrijven van de advocaat van appellant gedateerd 4 juni 2019 – ingekomen ter griffie der kantongerechten op 4 juni 2019 – waaruit blijkt dat appellant hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 30 mei 2019;
  • de pleitnota gedateerd 9 april 2020;
  • de antwoordpleitnota gedateerd 17 april 2020;
  • de repliekpleitnota gedateerd 23 april 2020 en ingekomen ter griffie van het hof op 24 april 2020;
  • de dupliekpleitnota gedateerd 29 april 2020;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 30 mei 2019. Appellant is bij de uitspraak bijgestaan door zijn gemachtigde ter terechtzitting verschenen terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting is verschenen. Nu appellant op 4 juni 2019 hoger beroep heeft ingesteld tegen het beroepen vonnis is dit ingevolge het bepaalde in artikel 235 WvBRv tijdig geschied en is hij ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep.

3. De vordering in hoger beroep
Appellant vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de vordering van appellant alsnog toe te wijzen.

4. Waarvan kan worden uitgegaan
Appellant heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten door de kantonrechter in eerste aanleg, weshalve van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Derhalve staat – ook in hoger beroep – het navolgende vast tussen partijen:
4.1.Appellant is op 4 april 2010 in verzekering gesteld en bij vonnis van 22 november 2010 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar onder aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
4.2. Appellant heeft kennis gekregen van het besluit dat zijn verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: VI) is afgewezen, tegen welk besluit hij op 5 april 2018 bezwaar heeft aangetekend bij de kantonrechter in het derde kanton op grond van artikel 33 van het Wetboek van Strafrecht.
4.3. Laatstbedoelde kantonrechter heeft bij beschikking van 17 mei 2018 het bezwaar van verzoeker (lees appellant) tegen de beslissing van de VI commissie d.d. 20 maart 2018 ongegrond verklaard.
4.4. Appellant heeft vanwege misdragingen in de inrichting twee maal een sanctie opgelegd gekregen. Deze sancties heeft hij reeds uitgezeten.
4.5.Bij schrijven van 14 februari 2019 van de gemachtigde van appellant is de geïntimeerde aangemaand om appellant binnen 48 uur voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Aan deze aanmaning heeft de geïntimeerde geen gevolg gegeven.
4.7. Na het uitzitten van de twee sancties heeft appellant bij verzoekschrift d.d. 20 februari 2019 een verzoek ingediend bij de kortgedingrechter en daarbij gevorderd – verkort weergegeven – hem op grond van het bepaalde in artikel 29 Sr. fysiek in vrijheid te stellen op straffe van een dwangsom. De kortgedingrechter heeft hem bij vonnis van 26 februari 2019 niet-ontvankelijk verklaard.
4.8 Bij verzoekschrift, ingediend op 16 april 2019 ter griffie van het kantongerecht in het eerste kanton, heeft verzoeker (lees appellant) wederom in kort geding gevorderd – verkort weergegeven – geïntimeerde te veroordelen om hem, appellant, binnen 1X24 uur na het vonnis lijfelijk in vrijheid te stellen op straffe van een dwangsom en tevens veroordeling van geïntimeerde in de advocaat- en proceskosten.
4.9 Bij vonnis d.d. 30 mei 2019 van de kantonrechter in het kanton in kort geding (bekend onder A.R.No.191522) is de vordering hiervoor in 4.8 weergegeven afgewezen en heeft appellant daartegen appel ingesteld welk thans in dit geding aan de orde is.

5. De beoordelingvan het geschil
5.1. Er zijn geen grieven aangevoerd betreffende de aanname van het spoedeisend belang bij de ingestelde vordering zijdens appellant door de kantonrechter weshalve ook in hoger beroep van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Daarenboven vloeit het spoedeisend belang eveneens voort uit de aard van het gevorderde;
5.2. Appellant heeft in eerste aanleg als eiser in kort geding het navolgende gevorderd: dat de kantonrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • de geïntimeerde (gedaagde in eerste aanleg) zal veroordelen om appellant binnen 1 x 24 uur na het vonnis lijfelijk in vrijheid te stellen op straffe van een dwangsom en voorts
  • de geïntimeerde (gedaagde in eerste aanleg) zal worden veroordeeld in de advocaatkosten ad SRD. 5.300,= en in de proceskosten.

5.3. Naast voormelde vaststaande feiten heeft appellant in eerste aanleg aan zijn vordering ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven en voor zover ten deze van belang – dat hij reeds twee derde deel van zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten. Voorts voert hij aan dat hij inmiddels ook al de sancties voor de misdragingen heeft uitgezeten. De VI–commissie had voor de twee misdragingen aangegeven dat de VI met zes maanden werd uitgesteld. Hij heeft echter geen nieuwe beoordeling van de VI–commissie gehad. Nu hij de zes maanden reeds heeft uitgezeten zou hij voorwaardelijk in vrijheid moeten worden gesteld. Geïntimeerde handelt onrechtmatig door appellant niet voorwaardelijk in vrijheid te stellen.
5.4. Bij vonnis van de kantonrechter in kort geding de dato donderdag 30 mei 2019 heeft de kantonrechter het gevorderde afgewezen en eiser (appellant) in de gedingkosten veroordeeld;
5.5. De Staat heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verweer gevoerd op welk verweer het hof – voor zover nodig – in het hierna volgende zal ingaan.
5.6. In de visie van het hof is het navolgende in casu aan de orde. Appellant stelt zich op het standpunt – kort gezegd – dat hij voorwaardelijk in vrijheid dient te worden gesteld terwijl geïntimeerde een andere mening is toegedaan. Het debat tussen partijen gaat allereerst over verandering van wetgeving en welke bepaling op appellant van toepassing is. Het “nieuwe” wetboek van strafrecht is in 2015 in werking getreden terwijl appellant reeds in 2010 werd veroordeeld. Tussen partijen is in confesso dat appellant op 5 april 2018 een bezwaarschrift ex artikel 33 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) heeft ingediend en dat de kantonrechter naar aanleiding daarvan bij beschikking de dato 17 mei 2018 het bezwaar ongegrond heeft verklaard. Daarmede is in de visie van het hof voormelde vraag beantwoord daar appellant door voormelde handeling impliciet heeft erkend dat zijn situatie valt onder de werking van het “nieuwe” wetboek van strafrecht. De discussie over de gunstigste bepalingen voor de verdachte hoeft derhalve niet meer te worden gevoerd aangezien appellant – indien hij van mening was geweest dat hij nog viel onder de werking van artikel 29 (oud) Sr.- niet bij de kantonrechter in strafzaken bezwaar zou hebben aangetekend tegen het uitblijven van VI maar gelijk de kortgedingrechter zou hebben geadieerd. Door de kortgedingrechter niet eerst te adiӫren maar bij de strafrechter bezwaar aan te tekenen heeft appellant impliciet de rechtsmacht van de strafrechter erkend en kan hij thans niet met succes een beroep doen op het feit dat hij nog valt onder de werking van artikel 29 van het “oude” wetboek van strafrecht. Al hetgeen appellant dienaangaande heeft aangevoerd gaat derhalve niet op en wordt dan ook verworpen.
5.7. Thans komt aan de orde de vraag of de kortgedingrechter als restrechter rechtsmacht toekomt in verband met de gevorderde VI van appellant. In de visie van het hof dient die vraag in ontkennende zin te worden beantwoord. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om het instituut van VI te koppelen aan het gerecht dat het vonnis heeft gewezen in de strafzaak. Met de invoering van het “nieuwe” wetboek van strafrecht heeft de wetgever kennelijk bewust het instituut van VI nader gestalte willen geven en is in artikel 29 lid 2 Sr. expliciet en imperatief voorgeschreven dat een veroordeelde in aanmerking dient te komen voor VI in tegenstelling tot het “oude” artikel 29 Sr. waarin de VI facultatief was geregeld (gelet op het woordje “kan” in die wetsbepaling). Daarbij zijn in artikel 30a Sr de gronden voor uitstel of weigering van de VI uiteengezet. Aangezien het partijdebat zich ook heeft uitgestrekt tot het bepaalde in artikel 30a lid 1 sub g is het hof van oordeel dat dat ook bespreking verdient. In dat kader is het van belang om vast te stellen dat de strafkamer van het hof in de zaak bekend onder SRU-HVJ-2019-4 en zoals gepubliceerd op de uitsprakendatabank van het Hof van Justitie (zie https://rechtspraak.sr/sru-hvj-2019-4/) heeft beslist dat hetgeen in artikel 30a lid 1 sub g is opgenomen niet een absoluut verbod oplevert aangezien zelfs de tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde ingevolge het bepaalde in artikel 28a lid 1 Sr na ommekomst van ten minste twintig jaren in aanmerking kan komen voor VI. Hetgeen de kantonrechter dienaangaande heeft vastgesteld in het beroepen vonnis komt het hof onjuist voor weshalve het beroepen vonnis op dat stuk zal worden vernietigd.
5.8. Thans komt het hof toe aan bespreking van de mogelijkheid van bezwaar tegen de afwijzing casu quo het uitblijven van een beslissing omtrent VI (fictieve weigering). Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. bestaat de mogelijkheid van bezwaar daartegen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. In casu heeft de strafrechter bij beschikking de dato 17 mei 2018 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en is ingevolge het bepaalde in artikel 27 lid 1 Sr. – hetwelk van overeenkomstige toepassing is verklaard op de regeling van VI in artikel 28a lid 5 Sr. – die beslissing niet aan enig rechtsmiddel onderworpen. Het hof stelt derhalve vast dat appellant de nationale rechtsmiddelen betreffende VI heeft uitgeput en thans de expiratie van de volledig opgelegde straf dient af te wachten alvorens hij lijfelijk in vrijheid kan worden gesteld. Immers is gesteld noch gebleken waarom het wettelijk appelverbod in dit specifiek geval doorbroken zou moeten worden. Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot – kort gezegd – het vermeend advies van de Procureur-Generaal in de hoedanigheid van voorzitter van de VI-Commissie met betrekking tot de VI van appellant, legt evenmin zoden aan de dijk voor appellant. Immers beroept appellant zich er op dat de Procureur-Generaal daarbij zou eerst hebben neergepend “VI 6 mnd aanhouden”, dat vervolgens zou hebben doorgehaald en daarna zou hebben neergepend: “VI afgewezen”. Aangezien voormelde doorhaling in het advies is voorzien van een paraaf van de Procureur-Generaal ontkomt het hof niet aan de indruk dat er evenzeer sprake kan zijn geweest van een verschrijving zijdens voornoemde functionaris hetwelk gecorrigeerd is geworden. Ingevolge de memorie van toelichting op de artikelen 28a t/m 33 Sr. is de rode draad dat steeds in concreto de belangen van de veroordeelde moeten worden afgewogen tegen de belangen van de maatschappij om de veroordeelde langer vast te houden. Daarbij speelt ook de VI-commissie een cruciale rol. Uitgangspunt is dat goed gedrag moet worden beloond, de veroordeelde blijk moet hebben gegeven klaargestoomd te zijn om terug te keren in de maatschappij en dat het gevaar voor recidive minimaal danwel uitgesloten wordt geacht. In casu blijkt appellant zich gedurende zijn detentie tot tweemaal toe misdragen te hebben hetgeen voor de strafrechter mede aanleiding is geweest om de bezwaren van appellant tegen het niet in aanmerking komen voor VI ongegrond te verklaren, welke beslissing onherroepelijk is. Van een dubbele bestraffing zoals de raadsvrouwe van appellant heeft aangevoerd is in de visie van het hof geen sprake geweest aangezien het algemeen bekend is dat misdragingen gedurende de detentie niet alleen tot interne tuchtstraffen kunnen leiden maar dat die ook van invloed kunnen zijn op het al dan niet in aanmerking komen voor VI.
5.9. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd komt het hof tot de slotsom dat de door appellant aangevoerde grieven ongegrond zijn gebleken. De consequentie van het voorgaande is evenwel niet dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Nu er een speciale met voldoende waarborgen omklede effectieve rechtsgang bestaat, appellant die rechtsgang reeds heeft geadieerd en een beslissing heeft verkregen, diende appellant in de visie van het hof door de kantonrechter niet ontvankelijk te worden verklaard in de ingestelde vordering. Gelet op het feit dat de kantonrechter in stede daarvan het gevorderde heeft afgewezen zal het hof alsnog doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen. Op grond van het voorgaande zal het beroepen vonnis worden vernietigd. Appellant geldt als de in het ongelijk gestelde partij en zal de kosten van het hoger beroep voor zijn rekening dienen te nemen.
5.10. Bespreking van de overige grieven en weren van partijen zal, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

6. De beslissingin hoger beroep
Het hof:

6.1. Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding de dato 30 mei 2019 en bekend in het Algemeen Register onder no. 19–1522, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

6.2. Verklaart appellant niet-ontvankelijk in de ingestelde vordering;

6.3. Veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-president, mr. A. Charan, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-plaatsvervanger, en uitgesproken door de Fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 15 mei 2020, in tegenwoordigheid van
mr.S.C.Berenstein,Fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen, advocaat mr. Ch. Algoe, gemachtigde van appellante en mr. P.J. Campagne MLS, gemachtigde van geïntimeerde.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2016-6

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Het incident in de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoekster,
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Defensie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M. Winter, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken
gewezen vonnis in het incident uit.

Het procesverloop in de hoofdzaak en in het incident
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift d.d. 08 juni 2015, met producties;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor verweerschrift, d.d. 20 juli 2015;
  • de beschikking van het Hof d.d. 23 juli 2015, waarbij de termijn voor verweerschrift m.i.v. 24 juli 2015 met 6 weken is verlengd;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor verweerschrift, d.d. 31 augustus 2015;
  • de beschikking van het Hof d.d. 10 oktober 2015, waarbij de termijn voor verweerschrift m.i.v. 04 september 2015 voor de laatste maal met 6 weken is verlengd;
  • het verweerschrift d.d. 15 oktober 2015;
  • het verzoek tot uitstel zijdens de gemachtigde van verzoekster d.d. 15 januari 2016;
  • het verzoek tot het aanhouden van bovengenoemde zaak voor onbepaalde tijd zijdens de gemachtigde van verzoekster d.d. 04 maart 2015;
  • de uitlating zijdens verweerster ten aanzien van het verzoek d.d. 04 maart 2015.

De motivering
De vordering in het incident en het verweer daartegen
1.1 De gemachtigde van verzoekster verzoekt bovengenoemde zaak voor onbepaalde tijd aan te houden.

1.2 Verweerster concludeert uit het verzoek, dat verzoekster blijkbaar geen belang meer bij haar vordering heeft. Zij vraagt primair om vonnis in de zaak en subsidiair verzet zij zich niet tegen een schorsing voor onbepaalde tijd.

De beoordeling van het incident en in de hoofdzaak

2.1 Het Hof begrijpt uit het schrijven van de gemachtigde van verzoekster d.d. 15 januari 2016 dat, ondanks diverse pogingen van de gemachtigde van verzoekster, verzoekster niet bereikt kan worden teneinde ter terechtzitting te verschijnen voor het verhoor van partijen. De gemachtigde van verzoekster verzoekt het Hof vervolgens bij schrijven d.d. 04 maart 2016, de zaak voor onbepaalde tijd aan te houden.

2.2 Een procespartij kan om hem moverende redenen vragen om het geding voor onbepaalde tijd aan te houden. In deze is het verzoek gedaan en het Hof begrijpt dat de aanleiding van het verzoek is het niet kunnen bereiken van verzoekster. Het Hof merkt op dat gedaagde zich in eerste instantie verzet tegen het verzoek, nu zij primair om vonnis vraagt. Het Hof overweegt mede naar aanleiding daarvan dat het door de gemachtigde van verzoekster gedane verzoek is gedaan, zonder enig zicht op de verdere behandeling van de zaak.
Het Hof is van oordeel dat een ieder recht heeft op behandeling van zijn/haar zaak binnen een redelijke termijn. Nu het verzoek is gedaan de zaak voor onbepaalde tijd aan te houden, overweegt het Hof dat dit een onredelijke vertraging van het proces met zich zal meebrengen. Het verzoek van de gemachtigde van verzoekster zal dan ook niet worden gehonoreerd.

2.3 De zaak zal worden terugverwezen naar de rol in de stand waarop het zich bevond ten tijde van het instellen van het incident, waarbij slechts eenmaal uitstel zal worden verleend.

De beslissing in het incident en in de hoofdzaak
Het Hof
:
3.1 Wijst af het verzoek tot aanhouding voor onbepaalde tijd;

3.2 Verwijst de zaak naar de rol van 3 juni 2016 voor het verhoor van partijen, met de kanttekening dat slechts eenmaal uitstel zal worden verleend.

Aldus gegeven door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.M. Praag en
mr.A.M.Nooitmeer-Rotsburg, leden-plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 mei 2016 in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. S.C. Berenstein.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Partijen, verweerder vertegenwoordigd door mr. M. Danning namens mr. M. Winter, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoekster noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr.M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-27

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende in [land],
appellant,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

tegen

[geintimeerde],
wonende in Neder[land],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. R.M.F. Oemar, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 27 januari 2016 (A.R. 15-3007) tussen geïntimeerde als eiser en appellant als gedaagde,
spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1.Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellant bij schriftelijke verklaring van zijn procesgemachtigde d.d. 12 februari 2016 en ingediend ter griffie van het kantongerecht op 16 februari 2016 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 4 mei 2018, met een productie;
  • de antwoordpleitnota d.d. 3 augustus 2018;
  • de repliekpleitnota d.d. 19 oktober 2018;
  • de dupliekpleitnota d.d. 7 december 2018.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bij vervroeging bepaald op heden.

2.De ontvankelijkheid
Gesteld noch is gebleken dat appellant niet binnen de bij wet gestelde termijn appel heeft aangetekend tegen het beroepen vonnis, zodat hij ontvankelijk is in zijn appel.

3.De feiten
3.1 Partijen zijn gerechtigden in de nalatenschappen van de erflaters [naam 1] en [naam 2] (hierna de erflaters). Appellant is gerechtigd tot 1/6 deel van de nalatenschap en geïntimeerde is gerechtigd tot 5/6 deel.
3.2 Tot de nalatenschap van de erflaters behoren een drietal onroerende goederen, te weten, één aan de [straat] te [district 1] en twee aan de [weg] in het [district 2] , en nader bij partijen bekend.
3.3 Tussen partijen zijn er zwarigheden gerezen bij de verdeling van de nalatenschap. De boedelnotaris, mr. M.A. Nannan Panday, heeft ten aanzien van de tussen partijen gerezen zwarigheden een proces-verbaal van zwarigheden opgemaakt gedateerd 4 maart 2014.

4.De procedure in eerste aanleg
4.1 Geïntimeerde, toen eiser, heeft bij verzoekschrift d.d. 6 juli 2015 – zakelijk weergegeven – aan de kantonrechter het verzoek gedaan om te beslissen op de tussen partijen gerezen zwarigheden.
4.2 De kantonrechter heeft bij vonnis d.d. 27 januari 2016, bekend onder A.R. no. 15-3007, het volgende beslist:
“5.1 De kantonrechter beveelt de boedelscheidende notaris om een akte van scheiding en deling op te maken tussen partijen, inhoudende:
– dat de onroerende goederen, zoals omschreven op pagina’s 3 en 4 van het proces-verbaal van zwarigheden, zullen worden toebedeeld aan [geïntimeerde] en dat hij ook alle lasten zal dragen die op deze onroerende goederen rusten;
– dat [geïntimeerde] bij wege van overbedeling aan [appellant] uitkeert een bedrag van SRD59.193,33 (…..) en wel binnen zes maanden na uitspraak van dit vonnis;
5.2 Door de ondertekening van de akte van scheiding en deling zullen partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar niets meer verschuldigd zijn op grond van enige gemeenschap…….
5.4 Verklaart dit vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad…….”.

4.3 De kantonrechter heeft zijn beslissing gegrond op de motivering dat appellant, toen gedaagde, akkoord ging met het voorstel dat de onroerende goederen aan eiser (thans geïntimeerde) werden toebedeeld en dat laatstgenoemde wegens overbedeling het deel van appellant in contanten uitkeert. Daarnaast is de kantonrechter uitgegaan van de waarde van de drie percelen die getaxeerd waren door de deskundige taxateur P. Khedoe, blijkens zijn taxatierapporten d.d. 12 januari 2016 en 13 januari 2016.

5.De beoordeling
5.1 Appellant concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de vordering van geïntimeerde te ontzeggen als te zijn ongegrond en onbewezen.
5.2 Appellant heeft ter onderbouwing van de vordering in hoger beroep gesteld dat het beroepen vonnis niet is gemotiveerd. Volgens appellant is juist hij bereid alle onroerende goederen zelf toebedeeld te krijgen en wenst hij de geïntimeerde uit te keren wegens overbedeling.
Het Hof gaat voorbij aan deze stelling van appellant. Het Hof is van oordeel dat nu geïntimeerde het grootste aandeel (5/6 deel) van de onroerende goederen bezit, het redelijk is dat deze onroerende goederen ook aan hem, geïntimeerde dus, worden toebedeeld en dat hij appellant uitkeert wegens overbedeling.
5.3 Appellant stelt voorts dat de onroerende goederen een hogere waarde hebben dan de getaxeerde waarde. Appellant heeft echter nagelaten om zijn stelling ter zake nader te onderbouwen met verificatoren.
Bovendien is de taxateur benoemd door de kantonrechter en appellant heeft tegen deze benoeming geen bezwaren gemaakt.
Het Hof gaat daarom ook voorbij aan deze stelling van appellant. Het Hof ziet verder geen aanleiding om het verzoek van appellant, om de onroerende goederen opnieuw te doen taxeren door drie taxateurs, toe te wijzen.
Het Hof komt dan ook tot de slotsom dat het beroepen vonnis van de kantonrechter dient te worden bevestigd onder aanvulling van de gronden.
5.4 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.
5.5 Appellant zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in hoger beroep worden verwezen.

6.De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
6.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 27 januari 2016 bekend onder A.R. no. 15-3007, onder aanvulling van de gronden.
6.2 Veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend president, mr. A. Charan en mr.I.S.Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 oktober 2020 in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. S.C. Berenstein.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. N.P. Soekra namens advocaat mr. D. Moerahoe, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat mr. R.M.F. Oemar, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2020-26

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking in de zaak van

[appellante] ,
hierna te noemen [appellante],
wonende te [district],
appellante,
gemachtigde: mr. C.S. Djajadi, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
hierna te noemen [geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. N. Rapprecht-Lui, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gegeven beschikking gedateerd 14 december 2015 (A.R. 15-4420) tussen geïntimeerde als eiser en appellante als gedaagde, heeft het Hof van Justitie, in naam van de Republiek, de navolgende beschikking gegeven.

1.Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellante op 17 december 2015 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota met producties d.d. 20 maart 2019;
  • de conclusie tot overlegging producties d.d. 20 maart 2019 zijdens [geïntimeerde];
  • het proces-verbaal van gehouden verhoor van [geïntimeerde] d.d. 20 maart 2019;
  • de antwoordpleitnota met producties d.d. 5 april 2019;
  • de repliekpleitnota met producties d.d. 17 mei 2019;
  • de dupliekpleitnota met producties d.d. 1 november 2019;
  • de conclusie tot uitlating d.d. 7 februari 2020 zijdens [geïntimeerde].

1.2 De rechtsdag voor het geven van de beschikking is nader bepaald op heden.

2.De ontvankelijkheid
Gesteld noch is gebleken dat [appellante] niet binnen de bij wet gestelde termijn appel heeft aangetekend tegen de beroepen beschikking, zodat zij ontvankelijk is in haar appel.

3.De feiten
3.1 [appellante] en [geïntimeerde] hebben een buitenechtelijke relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is op 28 oktober 2013 te Paramaribo geboren de minderjarige [naam] (hierna de minderjarige).
3.2 [appellante] is van rechtswege voogdes van de minderjarige.
3.3 [geïntimeerde] heeft zich bij verzoekschrift d.d. 6 oktober 2015 gewend tot de kantonrechter om aan hem verlof te verlenen om de minderjarige te mogen erkennen.
3.4 Bij beschikking van de kantonrechter d.d. 14 december 2015, bekend onder AR no. 15-4420 heeft de kantonrechter als volgt beschikt:
“Verlenen toestemming aan [geïntimeerde], wonende aan de [adres] te [district], om zijn minderjarig kind [naam] geboren op [datum] te [district], uit [appellante], te erkennen als zijn natuurlijk kind…..”.
3.5 De beroepen beschikking is op 3 mei 2016 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van het Centraal Bureau voor Burgerzaken (hierna ook: CBB).

4.De vordering in hoger beroep
[appellante] is het niet eens met de beroepen beschikking. Zij heeft geconcludeerd tot:
I. vernietigingvan de beschikkingd. 14 december 2015 met AR no. 154420;
II. weigeringvan hetgevorderde verlof om de minderjarige te erkennen;
III. doorhaling van de inschrijving van de beroepen beschikking in de daartoe bestemde registers van CBB;
IV. het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis (lees:de beschikking);
V. veroordeling van [geïntimeerde] tot betalingvan de proceskosten.

5.De beoordeling
5.1 [appellante] heeft als grief aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen:
“Overwegende, dat de redenen genoemd door gedaagde, kort gezegd neerkomende hierop dat gedaagde vindt dat de eiser het eerder niet wilde, en voorts dat gedaagde vindt dat eiser zich niet houdt aan afspraken en zal tegenwerken indien gedaagde haar moeder zou willen bezoeken in het buitenland, geen van allen redelijke gronden zijn om te weigeren dat tussen eiser en de minderjarige een juridische band wordt geschapen; om die reden zal het gevorderde worden toegewezen”.
Volgens [appellante] heeft de kantonrechter – zover van belang – niet meegewogen dat:

  • [geïntimeerde] herhaaldelijk heeft aangegeven, dat hij geen behoefte had om contact met de minderjarige te hebben indien partijen niet bij elkaar zouden blijven;
  • [geïntimeerde] had aangegeven, dat hij het besluit om de minderjarige al dan niet te erkennen overlaat aan [appellante];
  • pas op verzoek van [appellante] er een omgangsregeling tot stand is gekomen tussen [geïntimeerde] en de minderjarige;
  • [geïntimeerde] zich niet houdt aan de afgesproken omgangsregeling en alleen wanneer het hem goed uitkwam contact had met de minderjarige;
  • de minderjarige niet kan rekenen op [geïntimeerde], wat niet in het belang is van de minderjarige en ook niet bevorderlijk is voor zijn groei en ontwikkeling met name gezien het feit dat de minderjarige lijdt aan autisme.
  • de minderjarige in verband met zijn autisme regelmatig behandelingen ondergaat teneinde een zo goed mogelijke kwaliteit van leven te hebben;
  • door de erkenning het niet te doen is om steeds afstemming te moeten plegen met [geïntimeerde] voor het ondergaan van bepaalde medische behandelingen door de minderjarige vanwege zijn autisme.

Vanwege voormelde redenen acht [appellante] het niet in het belang van de minderjarige dat hij in juridische betrekking staat tot [geïntimeerde].
[appellante] is verder van mening dat de erkenning niet in stand kan blijven en dat de inschrijving van de beschikking in de daartoe bestemde registers van CBB in strijd is met de wet. Dit omdat zij tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter.
5.2 Ingevolge artikel 336 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), kan de toestemming van de moeder tot erkenning van het kind op verzoek van de vader worden vervangen door verlof van de kantonrechter, indien de moeder de toestemming onthoudt op kennelijk onredelijke gronden of indien zij haar wil niet kan verklaren.
In het onderhavige geval staat tussen partijen vast dat [geïntimeerde] de biologische vader is van de minderjarige.
Uit het betoog van [appellante] begrijpt het Hof dat zij van mening is dat de erkenning van de minderjarige door [geïntimeerde] niet in het belang is van de minderjarige.
Met de kantonrechter is het Hof het eens dat de door [appellante] aangevoerde redenen, één en ander zoals (nader) omschreven onder overweging 5.1 hiervoor, geen van allen redelijke gronden zijn om te weigeren dat tussen [geïntimeerde] en de minderjarige een juridische band wordt geschapen. Immers zal door de erkenning van de minderjarige door [geïntimeerde], ingevolge artikel 334 BW, een familierechtelijke betrekking bestaan tussen [geïntimeerde], diens bloedverwanten en de minderjarige, hetgeen zeker in het belang is van de minderjarige.
Het is het Hof ambtshalve ook niet gebleken dat er redelijke gronden zijn op grond waarvan het door [geïntimeerde] gevraagde verlof tot vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige zou moeten worden geweigerd. De kantonrechter heeft daarom in de visie van het Hof terecht het verzoek van [geïntimeerde] toegewezen. De door [appellante] aangevoerde grief zal dan ook worden verworpen en het Hof zal de beschikking van de kantonrechter ter zake bevestigen onder aanvulling van de gronden.
5.3 Uit het onderzoek is gebleken dat ondanks het ingestelde hoger beroep, de beroepen beschikking van de kantonrechter in de daartoe bestemde registers van het Centraal Bureau voor Burgerzaken is ingeschreven, hetgeen in strijd in met artikel 336 lid 4 BW. [appellante] heeft in dit geding in hoger beroep onder III van haar pleitnota verzocht de doorhaling van de hiervoor genoemde inschrijving.
Dit hoger beroep is niet het forum voor dit verzoek van [appellante], zodat zij niet ontvankelijk zal worden verklaard daarin. Het onder IV gevorderde zal hetzelfde lot ondergaan nu dit gevorderde een sequeel is van het onder III gevorderde.
5.4 De onder V gevorderde proceskosten zullen worden afgewezen nu dit onderdeel van het gevorderde niet op de wet is gestoeld.
5.5 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

6.De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
6.1 Bevestigt de beschikking van de kantonrechter d.d. 14 december 2015, bekend onder AR no. 15-4420, onder aanvulling van de gronden.
6.2 Verklaart [appellante] niet ontvankelijk in het door haar onder III en IV van haar pleitnota gevorderde.
6.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.
Aldus gegeven door mr. D.D. Sewratan, fungerend president, mr. A. Charan en mr.I.S.Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend–president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 18 december 2020 in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. S.C. Berenstein, BSc.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2020-25

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15544
4 december 2020

In de zaak van

[appellante],
wonende te [district],
appellante,
hierna te noemen de vrouw,
gemachtigde: voorheen mr. S.T. Sewdien, advocaat, thans mr. Y.S. Engkar, advocaat.

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde,
hierna te noemen de man,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 28 mei 2018 bekend onder AR no. 14–3513 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat de vrouw op 26 juli 2018 hoger beroep heeft ingesteld;
– de memorie van grieven met producties gedateerd 26 juli 2018;
– de mondelinge conclusie van pleidooi d.d. 3 mei 2019;
– het antwoordpleidooi met producties gedateerd 1 november 2019;
– het repliekpleidooi gedateerd 6 maart 2020;
– het dupliekpleidooi gedateerd 17 juli 2020.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Gesteld en evenmin is gebleken dat de vrouw niet binnen de gestelde termijn hoger beroep heeft aangetekend tegen het beroepen vonnis, zodat zij ontvankelijk is in het door haar ingestelde beroep.

3. De vordering in hoger beroep
De vrouw concludeert in hoger beroep dat het Hof het beroepen vonnis vernietigt en opnieuw rechtdoende zal beslissen dat de man wordt veroordeeld om over te gaan tot scheiding en deling van het onroerend goed, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon volgens de wet.

4. De feiten
4.1 Partijen hebben vanaf oktober 2009 tot en met augustus 2013 met elkaar samen gewoond. De relatie tussen partijen is beëindigd in augustus 2013.
4.2 Aan partijen behoort in eigendom toe een perceelland, bij partijen nader bekend.
4.3 In eerste aanleg heeft de vrouw – zakelijk weergegeven – gevorderd dat de man wordt veroordeeld om mee te werken aan de scheiding en deling van de goederengemeenschap c.q. mede-eigendom en schulden.
4.4 De kantonrechter heeft bij vonnis d.d. 28 mei 2018 bekend onder A.R. 14-3513 –voorzovervan belang – als volgt beslist:
“5.1 Veroordeelt gedaagde om binnen een maand na betekening van het vonnis, met eiseres over te gaan tot scheiding en deling van de tussen hen bestaande mede-eigendom, met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 4.2 en 4.3 van dit vonnis, met benoeming tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden der scheiding en deling zullen plaatsvinden, mr. K.E. Olff, danwel diens waarnemer of opvolger, voor zover partijen alsdan geen overeenstemming hebben kunnen bereiken omtrent een aan te wijzen notaris……”

5. De beoordeling
5.1 De vrouw heeft een memorie van grieven ingediend tegen het vonnis waarvan beroep.
Het Hof komt – zover van belang – daarop terug.
5.2 Zoals onder 4.4 is overwogen heeft de kantonrechter de scheiding en deling gelast met inachtneming van hetgeen overwogen is in dat vonnis onder 4.2 en 4.3.
Het Hof citeert de overwegingen 4.2 en 4.3 van het beroepen vonnis.
“4.2 De kantonrechter stelt voorop dat er in casu sprake is van vrijwillige mede-eigendom, weshalve de regels van scheiding en deling niet zonder meer van toepassing zijn in casu, omdat het aandeel van partijen eerst vastgesteld dient te worden op basis van de door hen gepleegde investeringen in het onroerend goed, nu niet gesteld of gebleken is dat partijen daaromtrent nadere afspraken hadden gemaakt.
Aangezien de samenleving tussen partijen is beëindigd, hebben partijen geen belang meer bij voortzetting van de mede-eigendom.
Naar het oordeel van de kantonrechter staat rechtens vast dat eiseres het onroerend goed op 29 augustus 2013 heeft verlaten met achterlating van gedaagde in de woning aldaar, alsook dat gedaagde vanaf december 2013 alleen de hypotheek- en andere schulden heeft afgelost en nog steeds aflost. De kantonrechter stelt voorop dat er tussen partijen geen gemeenschap van goederen bestaat, zodat de door partijen aangekochte roerende goederen aan hen toebehoort die het heeft aangekocht en in casu niet van belang is in de onderhavige zaak. Dit brengt met zich dat eiseres slechts een vordering heeft op gedaagde ter grootte van de door haar gepleegde investeringen. De door eiseres gevorderde scheiding en deling zal derhalve dienovereenkomstig worden gelezen en begrepen.
4.3 Met betrekking tot de gepleegde investeringen door eiseres overweegt de kantonrechter dat op basis van de door eiseres overgelegde producties, eiseres het bedrag van SRD4.300,- en €1.500,- heeft geïnvesteerd in het onroerend goed. Voorts heeft eiseres in totaal op de hypothecaire leningen van partijen, waaronder een persoonlijke lening van haar, in totaal afgelost het bedrag van SRD28.237,51 oftewel US$8.688,46 oftewel €6.406,68. De persoonlijke lening dient derhalve afgetrokken te worden van de door eiseres gepleegde investeringen.
De investeringen van eiseres bedragen derhalve SRD4.300,-+ € 1.500,- + €6.406,68 – de persoonlijke lening van eiseres.
Naar het oordeel van de kantonechter heeft eiseres eveneens recht op het bedrag van €50,- per maand, zijnde de helft van de huurpenningen van de benedenwoning, ingaande september 2013 tot aan de dag der verdeling, ongeacht of de huurders de huurpenningen doorbetaalden of niet, nu het eventueel niet-betalen van de huurpenningen door de huurders een beslissing is geweest van gedaagde, terwijl het onroerend goed aan beide partijen toebehoort.
Eveneens heeft eiseres recht op een vergoeding van het gebruik door gedaagde van de bovenwoning tot aan de datum van de verdeling, aangezien gedaagde gedurende deze periode alleen gebruik heeft mogen maken van de aan partijen gezamenlijk toebehorende woning. Gelet op de huur van de beneden woning, acht de kantonrechter het bedrag van €50,- per maand als vergoeding aan eiseres voor het gebruik van de bovenwoning door gedaagde gerechtvaardigd. Eiseres heeft ten aanzien van het gebruik van de woning tot en met mei 2018 derhalve van gedaagde te vorderen het bedrag van €100,- x 57 = € 5.700,-.
De investeringen van eiseres bedragen derhalve SRD4.300,- + €1.500,- + €5.700,- + €6.406,68 – de persoonlijke lening van eiseres.
Naar het oordeel van de kantonrechter zal de bij deze te benoemen notaris met inachtneming van het voorgaande de vordering van eiseres op gedaagde kunnen vaststellen, op grond waarvan eiseres haar aandeel in het onroerend goed zal dienen te schenken dan wel over te dragen op naam van gedaagde”. |
5.3 Het Hof constateert dat in overweging 4.2 en 4.3 van het beroepen vonnis, de kantonrechter een uiteenzetting heeft gegeven over het aandeel van de vrouw in de gemeenschap.
Door te beslissen dat bij de scheiding en deling meegenomen dient te worden hetgeen is overwogen onder 4.2 en 4.3 van de beslissing, heeft de kantonrechter naar het oordeel van het Hof meer toegewezen dan is gevorderd. Het komt het Hof voor dat de kantonrechter heeft beslist op eventuele zwarigheden die tussen partijen kunnen rijzen bij de scheiding en deling ten overstaan van de notaris, hetgeen niet aan de orde is in dit geding.
Het vonnis van de kantonrechter dient derhalve te worden vernietigd en het Hof zal verder beslissen als in het dictum te melden.
5.4 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.
5.5 Nu partijen deelgerechtigden zijn in het perceel zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt.

6. De beslissing
Het Hof:
6.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter d.d. 28 mei 2018 bekend onder A.R. no. 14-3513.
en opnieuw rechtdoende:
6.2 Veroordeelt de man om binnen een maand na betekening van dit vonnis met de vrouw over te gaan tot scheiding en deling van de tussen hen bestaande mede – eigendom
6.3 Benoemt tot notaris ten overstaan van wie de scheiding en deling zal plaatsvinden notaris mr. K.E. Olff, dan wel diens waarnemer of opvolger, indien partijen niet binnen een maand na de uitspraak overeenstemming bereiken over een boedelnotaris.
6.4 Benoemt tot onzijdig persoon voor de respectievelijke partijen, indien één hunner in gebreke mocht blijven op de voor de scheiding en deling bepaalde tijd en plaats te verschijnen of verschenen zijnde mochten weigeren tot de scheiding en deling mee te werken:
voor de vrouw: mr. B.A.H. Pick, advocaat,
voor de man: mr. L.E. Palmburg, advocaat,
6.5 Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt.
6.6 Weigert het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr.Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 4 december 2020 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-24

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: thans mr. H.S. Djasmadi, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Openbare Werken,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende op zijn Parket aan de Limesgracht no. 92
te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. B. Tjin Liep Shie, vervolgingsambtenaar,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: hof) d.d. 24 december 2015;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 5 februari 2016;
  • de beschikking gegeven door het hof op 9 februari 2016, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift met ingang van 10 februari 2016 is verlengd met zes weken;
  • Het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 21 maart 2016;
  • de beschikking gegeven door het hof op 22 maart 2016, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift met ingang van 23 maart 2016 voor de laatste maal is verlengd met zes weken;
  • de beschikking gegeven door het hof op 10 mei 2016, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 5 augustus 2016;
  • het proces-verbaal van het op 05 augustus 2016 gehouden verhoor van partijen;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 21 oktober 2016 en vervolgens nader op 2 augustus 2019;
  • bij rolbeschikking de dato 2 augustus 2019 is aan partijen gevraagd om afschriften van de stukken te fourneren aangezien het dossier in ongerede is geraakt;
  • verzoeker heeft vervolgens afschriften van de documenten ingediend ter griffie van het hof op 29 augustus 2019;
  • de conclusies tot uitlating met betrekking tot de gefourneerde documenten zijdens partijen respectievelijk de dato 17 januari 2020 en 07 februari 2020;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 20 november 2020 doch bij vervroeging op heden;

2. De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. [verzoeker] is sedert oktober [jaartal], dus al ruim 32 jaren, in vaste dienst bij de Staat in de functie van opzichter Bouw – en Woningtoezicht op de afdeling Bouw- en Woningtoezicht van het Ministerie van Openbare Werken;
2.2. Bij beschikking d.d. 24 juli 2015 onder [nummer] heeft de Staat [verzoeker] ontslagen uit Staatsdienst ingevolge artikel 61 lid 1 onder j van de Personeelswet (hierna:PW);
2.3. Een afschrift van die beschikking is per deurwaardersexploot d.d. 27 juli 2015 op het woonadres van [verzoeker] betekend aan een zijner huisgenoten. In de ontslagbeschikking wordt onder meer overwogen dat :

  • [verzoeker] een veldcontrole heeft uitgevoerd, waarbij is gebleken dat in afwijking van een bouwvergunning [nummer] werd gebouwd;
  • [verzoeker] de bouwwerkzaamheden had moeten stopzetten en de houder van de bouwvergunning op grond van de leden 1 en 2 van artikel 3 van de Bouwwet (G.B. 1957 no. 30 zoals laatstelijk gewijzigd bij G.B. 1972 no. 96, S.B. 1980 no. 116, S.B. 2002 no. 72) had moeten instrueren een gewijzigd bouwplan in te dienen zoals vermeld in artikel 3 lid 1 en lid 2 van de Bouwwet;

2.4. In de ontslagbeschikking is verder opgenomen dat [verzoeker] in strijd met vorengenoemde wetsartikelen heeft gehandeld door zelfstandig en naar eigen inzicht op de bouwvergunning [nummer] verleend in 2014, de kanttekening te plaatsen: “ Constructie wijziging i.p.v. betonvloer komt er een lichtere vloerconstructie van cementbord ([bedrijf]). Vanwege lichtere karakter alle schotels afm. [nummer 2]”, waarbij deze kanttekening voorzien is van zijn handtekening;
2.5. Ingevolge het in de beschikking bepaalde onder II, sub b, heeft [verzoeker] op 26 augustus 2015, op grond van artikel 78 lid 1 PW beklag ingesteld bij de President van de Republiek Suriname. Ingevolge artikel 78 lid 4 PW dient op het beklag binnen 3 maanden te worden beslist. Tot op heden is dit echter niet geschied;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1. [verzoeker] vordert –zakelijk weergegeven- dat bij vonnis van het hof:

  1. nietig zal worden verklaard de beschikking d.d. 24 juli 2015, [nummer 3] waarbij hij uit Staatsdienst is ontslagen;
  2. de Staat zal worden veroordeeld [verzoeker] weder te werk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag;
  3. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

3.2. [verzoeker] heeft –zakelijk weergegeven- naast voormelde vaststaande feiten het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Aangezien er op het beklag tot op heden niet is beslist is [verzoeker] ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 3 onder a PW gerechtigd onderhavige vordering in te stellen. Voorts heeft hij aangevoerd dat bij de betekening van de ontslagbeschikking de Staat ermee bekend was dat [verzoeker] op dat moment uitlandig was. Hierdoor is [verzoeker] in ernstige mate bemoeilijkt in zijn verweer, althans is hem de gelegenheid ontnomen om het beklag adequaat te doen. De Staat heeft door zo te handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, met name het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook materieel is de beschikking niet op de juiste wijze tot stand gekomen. Uit het verweerschrift van [verzoeker] blijkt dat hij heeft aangegeven dat de kanttekening die hij heeft geplaatst op de controlestrook niet in de plaats was van de toestemming welke op grond van de Bouwwet moet worden verstrekt voor een gewijzigd bouwplan. De aantekening was slechts om aan te geven wat de wijziging inhield teneinde toestemming hiervoor te verkrijgen. [verzoeker] geeft hierover expliciet aan dat hij niet zijn handtekening hierbij heeft geplaatst, maar een paraaf. Hij voert verder aan dat de door hem gehanteerde werkwijze in onderhavige geval als juist dient te worden aangemerkt, althans dat hij volgens de geldende gebruiken heeft gehandeld. Het is immers gebruik dat een gewijzigd bouwplan ook achteraf kan worden goedgekeurd. Gelet op het feit dat [verzoeker] jarenlang zonder problemen zijn werkzaamheden heeft uitgevoerd, is het onbegrijpelijk dat hetgeen de vergunninghouder heeft aangegeven, namelijk dat hij goedkeuring had van [verzoeker] voor zijn gewijzigd bouwplan, als vaststaand wordt aangenomen. Ingevolge de Bouwwet met name artikel 3 lid 1, dient een verzoek tot wijziging immers bij de directeur van het ministerie te worden gedaan en niet bij de opzichter. De goedkeuring voor een wijziging op een bouwplan dient ingevolge artikel 1, lid 1 Bouwwet bovendien te worden verleend door de directeur. Zulks behoort de vergunninghouder ook te weten en kan deze er niet zonder meer van uit zijn gegaan dat de goedkeuring was verleend. Uit het gevoerde verweer blijkt ook dat [verzoeker] het gestelde plichtsverzuim voldoende heeft weerlegd en is het derhalve onbegrijpelijk dat er wordt gesteld dat dit niet steekhoudend moet worden geacht. [verzoeker] is op grond van al het voornoemde van mening dat aan hem onterecht, althans op niet draagkrachtige gronden, de tuchtstraf van ontslag is opgelegd alsook dat deze disproportioneel is. [verzoeker] was ruim 32 jaren in dienst van de Staat en hoofdkostwinner van zijn gezin bestaande uit zijn echtgenote en 2 kinderen, waarvan één nog minderjarig was. Door het onrechtmatige ontslag wordt [verzoeker] onredelijk en onevenredig hard getroffen. De Staat heeft hier eveneens in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel en op grond van al het bovenstaande kan het ontslagbesluit niet worden gehandhaafd;
3.3. De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan;

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 PW acht het hof zich bevoegd kennis te nemen van het gevorderde in het petitum, nu het een vordering betreft tot – onder andere – nietigverklaring van een besluit van een overheidsorgaan;

Ontvankelijkheid
4.2. Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoeker] niet binnen de gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking zodat hij ontvankelijk is in de onderhavige vordering.
4.3. Waar gaat het in dit geding om ? [verzoeker] is ongeveer 32 jaren terug in dienst getreden van de Staat en was laatstelijk werkzaam bij het Ministerie van Openbare Werken, als opzichter op de afdeling Bouw- en Woningtoezicht. Bij beschikking van de Minister van Openbare Werken gedateerd 06 november 2014 werd hij geschorst voor de duur van drie (3) maanden met stilstand van bezoldiging. Daarbij is tevens aan [verzoeker] te kennen gegeven dat indien hij zich wederom schuldig zal maken aan een ontoelaatbare handeling, strengere tuchtrechtelijke maatregelen tegen hem zullen worden getroffen. De reden voor de schorsing lag in een belangenverstrengeling omdat een dochter van [verzoeker] die ook bouwkundige expertise bezit bouwtekeningen vervaardigde casu quo aanpaste en daarbij vermoedelijk gebruik maakte van de diensten casu quo kennis van [verzoeker] hetgeen indruiste tegen een uitdrukkelijk verstrekte beleidsinstructie. [verzoeker] stelt het niet eens te zijn geweest met deze schorsing maar het uiteindelijk te hebben gelaten voor wat het was. Vervolgens deed zich de situatie voor waarbij [verzoeker] bij een veldcontrole in vermoedelijk de maand oktober 2014 constateerde dat er in afwijking van de verleende bouwvergunning gebouwd werd. In plaats van de bouwwerkzaamheden stop te zetten en betrokkene te instrueren een gewijzigde bouwplan in te dienen volstond [verzoeker] met een kanttekening te plaatsen en deze te voorzien van zijn handtekening casu quo paraaf. De Staat kwalificeerde dit als ernstig plichtsverzuim met als resultaat de gewraakte ontslagbeschikking de dato 24 juli 2015. Voorafgaand aan de ontslagbeschikking kreeg [verzoeker] nog de gelegenheid om zich te verweren welk verweer niet steekhoudend werd bevonden door de Staat. [verzoeker] weerspreekt dat hij zich aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt terwijl de Staat voet bij stuk houdt dat er wel sprake is van ernstig plichtsverzuim;
4.4. De Staat heeft –zakelijk weergegeven–het volgende verweer gevoerd. [verzoeker] heeft in strijd met de wet en de geldende voorschriften gehandeld door tijdens veldwerkzaamheden, waarbij door hem geconstateerd was, dat er in afwijking met de verstrekte bouwvergunning werd gebouwd, een kanttekening en zijn paraaf te plaatsen op vermelde bouwvergunning. Kortom heeft [verzoeker] op vermelde vergunning geaccordeerd terwijl hij op basis van de wet en de geldende instructies zijdens het Ministerie van Openbare Werken, als opzichter de bouwwerkzaamheden had moeten stoppen en de vergunninghouder erop moeten attenderen dat hij een gewijzigd bouwplan moest indienen. Immers is vanuit de departementsleiding uitdrukkelijk de instructie gegeven dat indien bij controle wordt geconstateerd dat er in afwijking van een door de Directeur verleende bouwvergunning, bouwwerkzaamheden worden verricht, de belanghebbende dient te worden aangezegd de bouwwerkzaamheden stop te zetten en zulks tevens schriftelijk dient te worden gerapporteerd aan het verantwoordelijke afdelingshoofd;
4.5. In het onderhavig geval dient de vraag te worden beantwoord of [verzoeker] zich al dan niet heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim zoals hem door de Staat wordt verweten en is vervat in de ontslagbeschikking. Naar het oordeel van het hof levert voormeld handelen van [verzoeker] in de geschetste context geen plichtsverzuim op. Plichtsverzuim in het ambtenarenrecht betekent het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Daaronder verstaat het hof in de onderhavige context – kort gezegd – het overtreden van opgelegde verplichtingen, het overtreden van een voorschrift en het zich niet gedragen zoals een ambtenaar betaamt. In casu stelt [verzoeker] bij het verhoor van partijen dat hij op een bepaald moment door een collega-opzichter, een zekere [naam], werd gevraagd om de controle ter zake de uitbreiding van een zakenpand te doen. Na de weigering door [verzoeker] werd hij benaderd door een andere collega, genaamd [naam 2], die hem mededeelde vanwege logistieke redenen niet in staat te zijn om de veldcontrole uit te voeren waarna [verzoeker] zwichtte en ermee instemde om de controle voor zijn collega uit te voeren. Toen hij geconfronteerd werd met de afwijkingen van de bouwvergunning stelt [verzoeker] mondeling aangegeven te hebben dat de werkzaamheden gestopt moesten worden en dat de belanghebbende de stukken in orde moest maken. Vervolgens heeft [verzoeker]–na berekening van de belasting per vierkante meter- een aantekening gemaakt op de controlestrook dat vanwege een lichtere constructie de afmeting van de schotels van 1,80 meter bij 1,80 meter wel voldoende is en heeft hij uit praktische overwegingen zijn paraaf geplaatst. Het komt namelijk ook voor in de praktijk dat men zonder voorafgaande controle de fundering stort en daarna zand erover heen gooit waardoor de afmeting van de schotels niet meer kan worden vastgesteld;
4.6. In de visie van het hof had [verzoeker] in concreto conform de instructies anders kunnen handelen door bijvoorbeeld de werkzaamheden terstond stop te zetten maar nu hij dat uit praktische overwegingen nagelaten heeft terwijl niet gebleken is dat hij daardoor in enig opzicht is bevoordeeld casu quo dat er door zijn handelingen gemeen gevaar te duchten is geweest, komt het hof tot de slotsom dat er in casu geen sprake is geweest van plichtsverzuim. Het hof is van oordeel dat in casu evenmin gebleken is dat [verzoeker] met zijn handelingen heeft beoogd dat de betrokkene, om wie het gaat, werd bevoordeeld. Het plaatsen door [verzoeker] van de gewraakte tekst op de controlestrook en dat voorzien van zijn paraaf is onvoldoende om te concluderen dat [verzoeker] plichtsverzuim kan worden verweten zeker nu [verzoeker] aan betrokkene ook de uitdrukkelijke mededeling had gedaan dat de administratieve gang diende te worden gevolgd. Het verweer van [verzoeker] dienaangaande is in de visie van het hof wel steekhoudend gebleken. De Staat heeft immers niet weersproken dat het gebruik is dat een gewijzigd bouwplan ook achteraf kan worden goedgekeurd. Voorts kan niet slechts op grond van de verklaring van dhr. Dors als belanghebbende worden vastgesteld dat [verzoeker] middels het plaatsen van de gewraakte tekst goedkeuring heeft gegeven om verder te mogen bouwen terwijl [verzoeker] een andere toedracht schetst omtrent het plaatsen van de gewraakte tekst op de controlestrook. De vraag of [verzoeker] zich door voormelde handelwijze heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim dient in het verlengde hiervan in de visie van het hof uiteraard eveneens ontkennend te worden beantwoord. Hoewel [verzoeker] al eerder geschorst was en er dus op bedacht diende te zijn dat bij een volgende overtreding een zwaardere sanctie hem boven het hoofd hing, komt het het hof voor dat de ernst van het verzuim in casu niet de kwalificatie plichtsverzuim rechtvaardigt ;
4.7. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het hof tot de slotsom dat er in casu geen sprake is van het overtreden van opgelegde verplichtingen casu quo het overtreden van een voorschrift door [verzoeker]. Bij de beantwoording van de vraag of dat ernstig plichtsverzuim oplevert dienen alle relevante omstandigheden mede in aanmerking te worden genomen. Naar het oordeel van het hof leveren voormelde feitelijke handelingen van [verzoeker] geen plichtsverzuim op en kan er derhalve evenmin sprake zijn van ernstig plichtsverzuim. Door desondanks ernstig plichtsverzuim vast te stellen heeft de Staat zich in de visie van het hof schuldig gemaakt aan schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten schending van het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van een draagkrachtige motivering (het hof begrijpt: van een Overheidsbeslissing) en het handelen in strijd met het beginsel van zorgvuldige afweging van belangen. Immers had het op de weg van de Staat gelegen om alle relevante belangen van [verzoeker] (mede gelet op zijn langdurige staat van dienst en zijn kostwinnerschap) mede in ogenschouw te nemen alvorens de zwaarste sanctie, ontslag uit Staatsdienst, aan [verzoeker] op te leggen. Van het in acht hebben genomen van al het voorgaande heeft de Staat geen blijk gegeven. De grondslag van het gevorderde is derhalve in rechte komen vast te staan en zal het gevorderde worden toegewezen in voege als na te melden. De mede gevorderde weder tewerkstelling van [verzoeker] alsmede de mede gevorderde veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding kunnen niet worden gerubriceerd onder de limitatieve opsomming in artikel 79 lid 1 PW, weshalve die onderdelen van het gevorderde zullen worden afgewezen;
4.8. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het hof, als voor de beslissing niet langerrelevant zijnde, achterwege laten;

5. De beslissing
Het hof:

5.1. Verklaart nietig de beschikking d.d. 24 juli 2015, [nummer 2] waarbij [verzoeker] uit Staatsdienst is ontslagen;
5.2. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-president voornoemd bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 06 maart 2020, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. S.C. Berenstein.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C. Djajadi, gemachtigde van verzoeker, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld