SRU-ATC-2020-10

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/30

Beslissing van het Advocatentuchtcollege
Naar aanleiding van de klacht van:

[klager],
klager,
procederend in persoon,

tegen

[verweerder],
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
verweerder,

1. Het verloop van de procedure
1.1 Bij schrijven van 8 augustus 2019 heeft klager bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna de Deken) een klacht ingediend tegen verweerder;
1.2 De Deken heeft de klacht met bijbehorende producties op 28 november 2019 ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het tuchtcollege);
1.3 De klacht is behandeld op 13 maart 2020 ter zitting van het tuchtcollege, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
1.4 De beslissing is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Klager heeft verweerder benaderd voor rechtsbijstand. In dat kader heeft verweerder op verzoek van klager conservatoir derdenbeslag doen leggen ten laste van [naam] en Wood Source International N.V.
Verweerder heeft op 10 mei 2019 de vanwaardeverklaring van die gelegde beslagen verzocht.

2.2 Verweerder heeft voorts namens klager verweer gevoerd in een kortgedingzaak aangelegd door [naam] en Wood Source International N.V. (hierna [naam] e.a.) tegen klager ter opheffing van de gelegde beslagen. De vordering van [naam] e.a. voornoemd is afgewezen en de beslagen zijn in stand gebleven.

2.3 Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek van de advocaat van [naam]e.a., mr. C. Algoe, en de bereidwilligheid van klager eveneens bemiddeld om tot een oplossing te geraken. Op grond hiervan is er een dadingsovereenkomst opgesteld met overwegingen, bedingen en voorwaarden. Deze dadingsovereenkomst is op 29 mei 2019 door de betrokken partijen, klager en [naam] in persoon en in de hoedanigheid van Direkteur van Wood Source International N.V. getekend, waarbij de handtekeningen zijn gelegaliseerd door notaris mr. J.A. Jadnanansing residerende te Paramaribo.

3. De klacht en het verweer
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 van de Advocatenwet door zijn belangen niet zorgvuldig te hebben behartigd.
Klager meent dat verweerder, bij het opstellen van de dadingsovereenkomst niet zijn belangen als cliënt heeft gediend, maar juist die van de tegenpartij.
Tevens stelt klager dat verweerder hem heeft gedwongen de dadingsovereenkomst te ondertekenen. Tenslotte stelt klager dat de verrichtingen van verweerder het door hem gevraagde honorarium niet rechtvaardigen.

3.2 Verweerder heeft verweer gevoerd. Het tuchtcollege komt zover nodig hierop terug in de beoordeling.

4. De beoordeling
4.1 Verweerder stelt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met de zorgplicht genoemd in artikel 37 van de Advocatenwet.
Volgens verweerder heeft klager zelf aangegeven dat hij wenst mee te werken aan een permanente oplossing, omdat hij niet zijn hele leven lang in onmin wil leven met [naam], die zijn schoonzoon is, en zijn dochter. Dit is de reden waarom er een dading tot stand is gekomen tussen partijen.
Verweerder ontkent dat hij klager heeft gedwongen om de dadingsovereenkomst te ondertekenen. Verweerder voert voorts aan dat verweerder op de hoogte was van de inhoud van de dadingsovereenkomst en dat deze is ondertekend ten overstaan van de notaris. mr. J.A. Jadnanansingh, die de handtekeningen heeft gelegaliseerd.
Ten aanzien van het gevraagde honorarium, heeft verweerder verklaard dat hij aan klager heeft voorgehouden dat zijn honorarium bedraagt USD 10.000,=.

4.2 Klager heeft niet weersproken dat hij wenste mee te werken aan een permanente oplossing omdat hij niet zijn hele leven lang in onmin wilde leven met [naam], die zijn schoonzoon is, en zijn dochter. Ook heeft hij niet weersproken dat dit de reden is waarom een dadingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen partijen. Klager heeft evenmin weersproken dat hij kennis droeg van de inhoud van de dadingsovereenkomst en dat deze is ondertekend ten overstaan van de notaris die de handtekeningen heeft gelegaliseerd.
Indien klager het niet eens was met de inhoud van de dadingsovereenkomst had hij die niet moeten ondertekenen. Klager heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die erop duiden dat hij de dadingsovereenkomst onder druk heeft moeten ondertekenen.
De stelling van klager dat verweerder, bij het opstellen van de dadingsovereenkomst niet zijn belangen als cliënt heeft gediend, maar juist die van de tegenpartij, is daarom niet aannemelijk.
Het tuchtcollege komt daarom niet tot enige verwijtbaarheid aan de zijde van verweerder. Verweerder heeft dus niet gehandeld in strijd met zijn zorgplicht jegens klager.

4.3 Voor wat betreft de hoogte van het honorarium van verweerder oordeelt het tuchtcollege als volgt.
Gebleken is dat partijen thans verwikkeld zijn in een rechtsproces met betrekking tot de hoogte van het door klager aan verweerder te betalen honorarium.
Op grond van de door verweerder verrichtte werkzaamheden acht het tuchtcollege het door verweerder gevraagde honorarium vooralsnog niet bovenmatig. Het tuchtcollege komt tot deze vaststelling na het marginaal onderzoek in de onderhavige zaak. In het rechtsproces waarin partijen thans verwikkeld zijn, zal uiteindelijk over de rechtmatigheid van de hoogte van het honorarium worden beslist.
In ieder geval komt het tuchtcollege niet tot de slotsom dat verweerder ten aanzien van het honorarium, heeft gehandeld in strijd met zijn zorgplicht jegens klager.

4.4 Het tuchtcollege komt op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen tot de conclusie dat de klacht van klager ongegrond is, en zal dienovereenkomstig beslissen.

4.5 Het tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5. De beslissing

Het tuchtcollege:
Verklaart de klacht tegen [verweerder] ongegrond.

Aldus gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, plv. voorzitter, mr. S. Sheombar en mr. J.R. Wouter, leden, en door de plv. voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 09 oktober 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris, De plv. voorzitter,

w.g.mr. M.S. Wesenhagen w.g.mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran

De leden,

w.g. mr. S. Sheombar
w.g. mr. J.R. Wouter

Voor eensluitend afschrift

De secretaris van het ATC,

mr. M.S. Wesenhagen

Ingevolge artikel 56 van de Advocatenwet kan van de beslissingen van het Tuchtcollege gedurende dertig dagen na de ontvangst van het afschrift hoger beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie aan de daarbij door:
de klager die de klacht die tot de beslissing heeft geleid, heeft ingediend, indien:
de klacht geheel of ten dele ongegrond is verklaard; bij gegrondbevinding van de klacht, het verzoek in artikel 45 lid 6 bedoeld wordt afgewezen;
de Deken, welke de klacht die tot de beslissing heeft geleid, ter kennis van het Tuchtcollege heeft gebracht, indien de klacht geheel of ten dele ongegrond is verklaard;
de advocaat jegens wie de beslissing is genomen.

Het beroep wordt ingesteld bij een met redenen omklede memorie, in drievoud in te dienen bij de griffie van het Hof van Justitie en vergezeld van drie afschriften van de beslissing waartegen beroep is ingesteld.

SRU-K1-2020-37

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-1581
30 oktober 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

DOES TRAVEL SERVICE N.V.,
gevestigd aan de Burenstraat 4 te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. G. Castelen, advocaat,

tegen

KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V. (KLM),
gevestigd en kantoorhoudend aan de Hofstraat 1 te Paramaribo,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, advocaat.

Partijen zullen hierna eiseres en gedaagde of afzonderlijk Does Travel Service en KLM worden genoemd.

1. Het procesverloop

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 02 juli 2020 met producties op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 16 juli 2020;
  • de conclusies van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusies van dupliek met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2. De feiten

Op grond van de niet weersproken stellingen en producties kan in dit geding van het volgende worden uitgegaan.

2.1 Bij Staatsbesluit van 24 december 2007 (S.B. 2007 no. 131), hierna het Staatsbesluit genoemd, is een minimum commissie voor gecertificeerde IATA (International Air Transport Association) reisagenten vastgesteld met de bedoeling de bestaanszekerheid van die reisagenten te garanderen. Luchtvaartmaatschappijen die erkend zijn door de Staat Suriname en internationale luchtvervoersdiensten in Suriname verkopen via reisagenten en via het IATA – BSP (Bank Settlement Plan van de IATA) verrekenen, zijn verplicht de commissie te betalen aan de IATA reisagenten met wie zij een agenturen overeenkomst hebben. De commissie is met ingang van 1 januari 2008 vastgesteld op 6% over het basisvliegtarief en de gepubliceerde brandstoftoeslag (en).

2.2 KLM heeft bij brief van 9 juni 2020 met referentie MTB aan Does Travel Service meegedeeld dat met ingang van 9 juli 2020 de KL Ticketing Authority tijdelijk stop gezet wordt conform IATA resolutie 818g 2.5.1.2. en Does Travel Service geen KL tickets meer kan “issuen”.

2.3 De IATA resolutie 818g 2.5.1.2. luidt:

“any BSP Airline having granted Ticketing Authority to an Agent, may cancel such authority in respect of the Agent, or any Location of the Agent by so notifying the Agent in writing or by updating the relevant information online through the BSP link system.”

2.4 Does Travel Service heeft bij betekend schrijven van 19 juni 2020 KLM gesommeerd haar brief van 9 juni 2020 in te trekken en haar besluit ongedaan te maken.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Does Travel Service vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. De brief van, de kantonrechter leest verbeterd, in plaats van 19, 09 juni 2020 met als kenmerk MTB althans het daarin genomen besluit nietig te verklaren of te schorsen in haar werking;
B. KLM te veroordelen een dwangsom ad € 50.000, – tot een maximum van € 2.000.000, – dan wel een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, aan Does te betalen voor elke keer dat zij, KLM, weigerachtig is het vonnis uit te voeren of te gehengen en gedogen;
C. KLM te veroordelen aan Does Travel Service te betalen het bedrag wegens schade bestaande uit gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten inclusief advocaatkosten ad € 5.000, – dan wel een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen bedrag.

Voorts is veroordeling van KLM in de proceskosten gevorderd.

3.2 Does Travel Service heeft kort gezegd aan de vordering ten grondslag gelegd dat KLM onrechtmatig jegens haar handelt door in strijd met het Staatsbesluit met ingang van 9 juli 2020 de KL Ticketing Authority tijdelijk stop te zetten met gebruikmaking van IATA resolutie 818g 2.5.1.2. zodat zij geen KL tickets kan uitgeven.

3.3 KLM voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van het gevorderde is voldoende aannemelijk en Does Travel Service zal in het kort geding worden ontvangen.

4.2 KLM is primair van mening dat het Staatsbesluit geen stand kan houden, omdat een wettelijke grondslag die op grond van het legaliteitsbeginsel vereist is ontbreekt. KLM baseert dit op haar interpretatie van het Staatsbesluit dat de Regering KLM gebiedt een commissie van 6% te betalen op straffe van nietigheid van een overeengekomen lagere vergoeding, terwijl niet bij wet in die beperking is voorzien. KLM concludeert dat het Staatsbesluit daarom nietig is en buiten toepassing dient te worden gelaten. Subsidiair meent KLM dat voor zover wel sprake is van die beperking, het Staatsbesluit haar niet in de weg kan staan haar gewijzigd commercieel beleid met het oog op kostenbesparing vooral ingegeven door – kort gezegd – de druk van de Covid-19 pandemie, uit te voeren.

4.3 Does Travel Service stelt zich op het standpunt dat in het Staatsbesluit geen sprake is van belastingen, van straffen of handhaven van straffen, in welk geval een andere wettelijke grondslag vereist zou zijn. De opvatting van KLM is volgens Does Travel Service onbegrijpelijk, omdat aan KLM niets in de weg heeft gestaan, zo zij meende dat het Staatsbesluit in strijd met het legaliteitsbeginsel was vastgesteld, om in de in de afgelopen 13 jaar de rechtmatigheid van het Staatsbesluit te doen toetsen door de onafhankelijke rechter.

4.4 Allereerst overweegt de kantonrechter dat de Wet Veiligheid en Beveiliging Burgerluchtvaart (S.B. 2002, No. 24, hierna WVBB genoemd) en het Surinaams Luchtvaartbesluit 1935 tot het kader van de Burgerluchtvaartwetgeving van Suriname horen. Tevens omvat het wettelijk kader voor de burgerluchtvaart van Suriname het Verdrag inzake Internationale Burgerluchtvaart, tot stand gekomen in Chicago, op 7 december 1944, inclusief de daarbij behorende Bijlagen en alle wijzigingen daarvan en aanvullingen daarop voor zover geratificeerd door Suriname. Regelingen – artikel 43 lid 3 WVBB – zijn bepalingen die geregelde onderwerpen omvatten of waaruit internationale verplichtingen voortvloeien uit de Burgerluchtvaartwetgeving en uitgevaardigd zijn door de minister belast met de burgerluchtvaart. Besluiten zijn volgens de WVBB bepalingen, procedures en andere wettelijke maatregelen die zijn uitgevaardigd in overeenstemming met de WVBB en andere eisen van nationaal recht. De hier bedoelde Regelingen en Besluiten zijn eveneens onderdeel van de Burgerluchtvaartwetgeving van Suriname.

4.5 Voorts overweegt de kantonrechter dat uit artikel 3 sub k WVBB voortvloeit dat de minister belast met de burgerluchtvaart bevoegd is maatregelen voor vergoedingen vast te stellen voor dienstverlening binnen het kader van de Burgerluchtvaartwetgeving. In het Staatsbesluit is – samengevat – overwogen dat het wenselijk is een minimum commissie voor IATA reisagenten vast te stellen en is bij of krachtens staatsbesluit de te betalen commissie bepaald. De vaststelling is blijkens artikel 2 lid 1 “van tijd tot tijd” bedoeld, kennelijk van tijdelijke aard. Voorts kunnen met betrekking tot het bepaalde over de vastgestelde vergoeding ad 6% in artikel 2 lid 2 nadere regels worden vastgesteld. De redactie, systematiek en inhoud van het Staatsbesluit brengen onmiskenbaar met zich mee dat sprake is van een zogenoemd “uitvoeringsbesluit”. Anders dan KLM meent, is de kantonrechter van oordeel dat daarbij noch de verplichting tot betaling van de commissie – die KLM overigens opvat als een aan haar opgelegde beperking van haar recht het eigen commercieel beleid gestalte te geven – noch het rechtsgevolg van nietigheid in artikel 2 lid 2 van het Staatsbesluit, zijn aan te merken als bestuursrechtelijke sancties. Voor zover van belang merkt de kantonrechter in dit verband nog op dat strafbepalingen binnen de thans geldende Burgerluchtvaartwetgeving van Suriname zijn neergelegd in de artikelen 40 en 41 van de WVBB. Het verweer van KLM dat het Staatsbesluit de vereiste wettelijke grondslag ontbeert wordt op grond van het voorgaande verworpen.

4.6 KLM heeft bij dupliek als productie 5 de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, hierna de Overeenkomst genoemd, overgelegd. Dit document heeft zij overgelegd als onderbouwing van haar standpunt dat zij voorzieningen mag treffen voor de bevordering van het luchtvervoer en de verkoop van vliegbiljetten. KLM beroept zich daarbij op artikel 7 lid 1 van de Overeenkomst. Does Travel Service heeft de Overeenkomst niet weersproken en is in haar conclusie tot uitlating verder ingegaan op artikel 7 van de Overeenkomst en wel lid 4 inhoudende dat de activiteiten worden verricht in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de andere Overeenkomstsluitende Partij.

Hoewel KLM zich hierover niet meer heeft kunnen uitlaten oordeelt de kantonrechter dat partijen bij repliek onder randnummer 7 en bij dupliek onder randnummer 11 hun standpunten over dit onderdeel van het partijdebat zodanig hebben kunnen stellen dat KLM niet in haar belang is geschaad.

4.7 Uit artikel 7 lid 1 juncto artikel 1 van de Overeenkomst vloeit voort dat KLM een door de luchtvaartautoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden aangewezen luchtvaartmaatschappij is, om internationale luchtdiensten te exploiteren zoals door partijen bij de Overeenkomst bepaald op de routes zoals in de van toepassing zijnde Bijlage omschreven. De kantonrechter oordeelt dat het standpunt van Does Travel Service hout snijdt dat die activiteiten ex artikel 7 lid 4 van de Overeenkomst verricht zullen moeten worden in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de andere Overeenkomstsluitende Partij, in dit geval de Republiek Suriname. De positie van KLM als aangewezen luchtvaartmaatschappij brengt met zich dat zij rechten en verplichtingen aan de Overeenkomst ontleent. Op die grond is KLM in het onderhavige geval dan ook gehouden uitvoering te geven aan artikel 2 lid 1 en 2 van het Staatsbesluit, totdat daarin wijziging zal zijn gekomen. De kantonrechter verwijst, voor zover van belang, nog naar artikel 6 van de Overeenkomst waarin is voorzien in een procedure ter beslechting van geschillen over tarieven tussen de Overeenkomstsluitende Partijen. In de onderhavige procedure is evenwel gesteld noch gebleken dat een dergelijke procedure is ingezet noch dat de brief van 09 juni 2020 als uitkomst van die procedure aan Does Travel Service is verstuurd. Aan een beoordeling wordt dan ook niet toegekomen.

4.8 Het voorgaande brengt mee dat de vordering tot schorsing van de werking van het besluit in de brief van 09 juni 2020 afkomstig van KLM met als kenmerk MTB zal worden toegewezen.

4.9 Aan een bespreking van de overige standpunten van partijen wordt niet toegekomen nu deze niet tot een ander resultaat zullen leiden.

4.10 De gevorderde dwangsom zal gemitigeerd worden toegewezen.

4.11 De gevorderde vergoeding van schade bestaande uit gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten en advocaatkosten zal als niet onderbouwd worden afgewezen.

4.12 KLM zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Schorst de werking van het besluit in de brief afkomstig van KLM van 09 juni 2020 met als kenmerk MTB.

5.2 Veroordeelt KLM tot betaling van een dwangsom ad SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse Dollar) tot een maximum van SRD 1.000.000, – (een miljoen Surinaamse Dollar) aan Does Travel Service te betalen voor elke keer of dag dat KLM weigert dit vonnis uit te voeren dan wel te gehengen en gedogen.

5.3 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt KLM in de kosten van het geding aan de zijde van Does Travel Service tot aan deze uitspraak begroot op SRD 350, – (driehonderdvijftig Surinaamse Dollar).

5.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op vrijdag 30 oktober 2020 te Paramaribo, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-36

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-1619
13 november 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [Eiser sub A],
B. [Eiser sub B],
beiden wonend te Paramaribo,
eisers,
gemachtigde: mr. A. Karg, advocaat,

tegen

A. RUSLAND, GREGORY,
B. FATEHMOHAMED, IRSHAAD MOHAMED,
C. ETNEL, PATRICIA,
D. LAU, ANDY SIE,
E. ABAUNA, LEENDERT,
F. DAAN, ROSELINE,
G. HOEVER, DOROTHY,
H. OEMAR, RONNY,
I. PIGOT, HESDY,
J. RENFRUM-COUTINHO, RUTH,
allen voornoemd in hoedanigheid van bestuurder (Hoofdbestuurslid) van rechtspersoon de politieke vereniging ‘NATIONALE PARTIJ SURINAME’,
zitting of kantoorhoudend te Paramaribo aan de Johan Adolf Pengelstraat 77,
K. DE POLITIEKE VERENIGING NATIONALE PARTIJ SURINAME, afgekort NPS, rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudend aan de Johan Adolf Pengelstraat 77,
gedaagden,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat.

Partijen zullen hierna eisers en gedaagden of afzonderlijk ‘[eisers]’ en ‘Rusland e.a.’ worden genoemd.

1. Het procesverloop

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 10 juli 2020 met producties op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 11 juli 2020 gevolgd door de vordering tot vermindering van eis, inhoudend – kort gezegd – de vorderingen om een Congres bijeen te roepen om te beslissen over
    I. deelname aan een samenwerkingsverband met politieke en andere organisaties,
    II. kandidaatstelling van kandidaat-ministers en
    III. kandidaatstelling van een Presidentskandidaat en Vicepresidentskandidaat in te trekken, welke vordering van eisvermindering door de kantonrechter is toegewezen;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, of niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1 De Nationale Partij Suriname, hierna NPS genoemd, is opgericht op 29 september 1946. NPS heeft haar Statuten voor het laatst in mei 2019 gewijzigd. Het Huishoudelijk Reglement van NPS, hierna HR genoemd, is vastgesteld en goedgekeurd op de vergadering van het Congres op 9 oktober 2009.

2.2 De secretaris van NPS heeft namens de voorzitter, gedaagde sub A, de leden van het Hoofdbestuur uitgenodigd voor een spoedvergadering van het Hoofdbestuur op zaterdag 11 juli 2020 om 10.00 uur. Op de agenda stond onder meer “Voordrachten ivm de functie van minister voor de ministeries van a. Onderwijs, Wetenschappen en Cultuur en b. Ruimtelijke Ordening en Milieu.”

2.3 Namens het Congresbestuur van NPS hebben de voorzitter en secretaris het Congresbestuur van NPS het Hoofdbestuur, gemachtigden van de Afdelingen, vertegenwoordigers van de Adviesraad, vertegenwoordigers van de Jongerenraad, leden van de Nationale Assemblee en vertegenwoordigers van het Japin uitgenodigd voor het bijwonen van een Buitengewoon Congres van de Partij op zaterdag 11 juli 2020 om 11.00 uur. “Verkrijgen van goedkeuring voor de samenwerking in de Coalitie en deelname aan de Regering” en “Behandeling van voordrachten van kandidaat Ministers” behoorden onder meer tot de agendapunten.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [eisers] vorderen na eiswijziging, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden sub A tot en met K te veroordelen:

IV. alle boeken en bescheiden, houdende financiële verslaglegging, over te dragen en daartoe toegang te bieden op een Congres uiterlijk binnen negentig dagen na betekening van het te wijzen vonnis;
V. volledige medewerking te verlenen of alles wat bevorderlijk mocht zijn te ondernemen, waaronder het verstrekken van noodzakelijke documenten, het doen van bekendmakingen, ondertekenen van akten, benoemen van deskundigen, evenals overige feitelijke handelingen en rechtshandelingen om te bewerkstelligen dat uiterlijk binnen negentig dagen na het te wijzen vonnis een Congres te houden ter verkiezing van het Hoofdbestuur, een Voorzitter en Ondervoorzitter van gedaagde sub K;
VI. e.e.a. onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 50.000, – per dag of keer dat een of meer gedaagden in strijd handelen met de veroordelingen als hiervoor gevorderd;
VII. het te wijzen vonnis te gehengen en gedogen.

3.2 Aan hun vorderingen leggen [eisers] – samengevat – ten grondslag dat gedaagde sub A, althans het hoofdbestuur onder zijn leiding, heeft verzuimd de aangekondigde statutenwijziging vorm te geven en te realiseren, de notulen van tal van organen te arresteren of te concipiëren en voor een correcte financiële verslaglegging zorg te dragen, wat strijdig is met de Statuten, het Huishoudelijk Reglement en de normen van goed bestuur. Gedaagde sub A treedt, zonder grondslag voor voortgezet voorzitterschap van gedaagde sub K, vanaf 21 mei 2019 in die hoedanigheid op.

3.3 Rusland e.a. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van het gevorderde is gelet op de naderende datum van verkiezing van de President en Vice President en de kabinetsformatie voldoende aannemelijk geacht en [eisers] zijn op die grond in het kort geding ontvangen.

4.2 Rusland e.a. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers], omdat zij menen dat laatstgenoemden de onderhavige vordering niet in hoedanigheid van leden van NPS hebben ingesteld. Verder stellen Rusland e.a. dat ook indien de eisers als individuele leden de vordering zouden hebben ingesteld, zulks in strijd zou zijn met artikel 9, de kantonrechter begrijpt artikel 9 lid 2, Statuten. Daarin is bepaald dat behoudens het Congresbestuur alleen het Hoofdbestuur en de Algemene Ledenvergadering van ten minste drie afdelingen van NPS de bevoegdheid tot het eisen van een Congres toekomt. Ook werpen Rusland e.a. op dat eisers, zoals in de voorliggende zaak is gevorderd, geen overdracht van en toegang tot de betreffende documenten kunnen afdwingen van gedaagden sub A tot en met J, omdat laatstgenoemden de bevoegdheid missen zelfstandig te beschikken over de boeken en bescheiden van NPS.

4.3 [eisers] voeren hiertegen aan dat zij geruime tijd lid zijn van de politieke vereniging NPS in de zin van het Decreet Politieke Organisaties jo. artikel 4 Statuten. Zij stellen dat op de vereniging volgens artikel 4 HR de verplichting rust hen het bewijs van lidmaatschap te verstrekken. Echter, zo stellen zij, heeft NPS onvoldoende uitvoering hieraan gegeven.

4.4 De deelvorderingen onder IV en V houden in dat NPS op een te houden Congres uitvoering geeft aan het in die deelvorderingen verder gevorderde. De kantonrechter overweegt als uitgangspunt voor de beoordeling dat statuten een noodzaak zijn voor een vereniging, omdat slechts in de statuten het verenigingsverband voldoende wordt bepaald. Deze geïdentificeerde noodzaak sluit aan bij jurisprudentie waarin is geoordeeld dat de regeling waaruit van een georganiseerd lichaam blijkt, voor een vereniging nodig is, zie C. Asser, Rechtspersonenrecht, 2012.

4.5 Artikel 7 lid 1 Statuten bepaalt dat het Congres het hoogste orgaan van NPS is. Het orgaan bestaat uit afgevaardigden van de Afdelingen en Onder-Afdelingen, het Hoofdbestuur, leden van de Partij die lid zijn van volksvertegenwoordigende lichamen, leden van de Partij die lid zijn van de Staatsraad, leden van de Partij die lid zijn van de Raad van Ministers, leden van de Adviesraad en afgevaardigden van de Jongerenraad. Voorts kan elk lid van de Partij als toehoorder worden toegelaten. Uit artikel 7 lid 1 en artikel 9 lid 2 Statuten (hiervoor aangehaald onder 4.2) vloeit lidmaatschap van NPS als voorwaarde voort om deel te mogen nemen in de onderscheiden organen van de vereniging.

4.6 De beoordeling raakt in de kern de vraag of zich in de onderhavige zaak een kennelijke aanwezigheid dan wel afwezigheid van hoedanigheid van eisers als leden van NPS in hun vordering voordoet. NPS onderscheidt volgens artikel 4 Statuten haar leden in gewone leden, junior leden, buitengewone leden en ereleden. [eisers] stellen weliswaar dat zij lid zijn van NPS in de zin van het Decreet Politieke Organisaties jo. artikel 4 Statuten, maar zij weerspreken het gemotiveerd verweer van Rusland e.a. niet dat zij niet in die hoedanigheid, dat is als leden van NPS, de vordering hebben ingesteld. In hun repliek werpen [eisers] integendeel op dat Rusland e.a. de verplichting om het bewijs van lidmaatschap aan hen te verstrekken niet hebben uitgevoerd.

4.7 Het had daarom op de weg van [eisers] gelegen zich als in rechte optredende partij zodanig te stellen, dat de vereiste hoedanigheid uitdrukkelijk werd geduid. Immers, het bestaan van een bepaalde rechtsband tussen de procespartij (eisers) en het betwiste recht is vereist om in rechte op te treden tegen schending van dat recht. Dit klemt te meer nu uit de artikelen 7 lid 1 en 9 lid 2 Statuten uitdrukkelijk het lidmaatschap vereiste voortvloeit. Dat eisers hebben nagelaten hun hoedanigheid als procespartij te duiden en onweersproken gelaten hebben dat zij niet in de hoedanigheid van leden van NPS onder meer het houden van een Congres hebben gevorderd, maakt aannemelijk dat in dit geding sprake is van een kennelijke afwezigheid van hoedanigheid.

4.8 Daar komt bij dat Rusland e.a. naar het oordeel van de kantonrechter zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat [eisers] een algemeen theoretisch belang geformuleerd hebben zonder daarbij te stellen welk persoonlijk en rechtstreeks belang zij menen te hebben bij de vorderingen. Geoordeeld wordt dat de gestelde feiten en omstandigheden aldus geen rechtsband van [eisers] met een bestreden subjectief recht construeren.

4.9 Het vorenstaande leidt ertoe dat [eisers] niet hebben voldaan aan het ontvankelijkheidsvereiste. Dit betekent dat zij niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

4.10 Eisers zullen als de niet ontvangen partij in de proceskosten veroordeeld worden.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Verklaart eisers niet ontvankelijk in hun vorderingen.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagden tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op vrijdag 13 november 2020 te Paramaribo, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-ATC-2020-9

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/29

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

De Stichting “[stichting 1]”,
klaagster,
hierna (ook) [stichting 1],
gevolmachtigde: dhr. [naam 1],

tegen

[naam 2],
verweerder,
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

Het verloop van de procedure

Bij brief door het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege) ontvangen op 29 oktober 2019 heeft de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken) de klacht ter kennis van het Tuchtcollege gebracht.

De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van vrijdag 28 februari 2020. Zowel klaagster als verweerder hebben producties overgelegd ter onderbouwing van hun stellingen en weren. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing was hierna aanvankelijk bepaald op 27 maart 2020 doch nader op heden.

2. De feiten

2.1. Op 09 juli 2009 is [stichting 1 ]een lening aangegaan met hypotheekstelling met de in het district [dictrict] gevestigde stichting “[stichting 2]”. Hierbij is het erfpachtsrecht – vervallende twee april tweeduizend en vijftig – op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot vierhonderd en tien zeven en veertig/honderdste meters, gelegen in het district [district 2], deel uitmakende van het voorland van het perceelland bekend als serie A van de vestigingsplaats [plaats] en nader aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels de dato zes en twintig januari 1976 met de letters AFGHK, als onderzetting verbonden.

2.2. Sedert 2015 heeft de schuldeiseres [stichting 2] met als procesgemachtigde mr. [verweerder] verschillende processen gevoerd contra [stichting 1] (schuldenares) bekend onder Ar. [no.1], Ar. [no.2], Ar. [no.3].

3. De klacht en het verweer

3.1. De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW).

3.2. Klaagster stelt -zakelijk weergegeven- dat de sommatie/saldo-opgave inhoudende de hoofdsom en achterstallige rente d.d. 04 juni 2019, hierna: de sommatie, valselijk is opgemaakt en ondertekend door verweerder en dat de sommatie klaagster nimmer heeft bereikt. Volgens klaagster heeft verweerder ten onrechte doen voorkomen alsof de sommatie in de brievenbus van het bestuurslid van klaagster is bezorgd.

3.3. Voorts stelt klaagster dat met de sommatie verweerder namens zijn cliënte de veiling heeft aangezegd, welke op 12 augustus 2019 zou plaatsvinden en indien de veiling voortgang zou hebben gehad zou deze tot benadeling van klaagster hebben kunnen leiden, omdat volgens klaagster de volledige rente reeds was kwijtgescholden door de cliënte van verweerder. Daarnaast stelt klaagster dat verweerder desondanks heeft geprobeerd de rente op een slinkse wijze te verhalen op haar.

3.4. Verder stelt klaagster dat in het deurwaardersexploit no. [nummer] d.d. 5 januari 2017 van [deurwaarder], waarbij de brief van verweerder d.d. 02 januari 2017 is betekend aan klaagster de passage onder voorbehoud van rechten niet staat vermeld. Klaagster heeft bij de Deken de brief van 02 januari 2017 onder ogen gehad, waarin de passage onder voorbehoud van rechten wel staat vermeld. Volgens klaagster heeft verweerder deze zinssnede achteraf erbij getypt in de brief.

3.5. Verweerder heeft verweer gevoerd, waarop voor zover nodig, in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1. Ter beoordeling ligt de vraag of verweerder verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.

4.2. Verweerder voert – zakelijk weergegeven – het volgende verweer. Volgens verweerder is aan klaagster voorgehouden dat onder voorbehoud van rechten alvast de hoofdsom moest worden betaald, maar dat klaagster dit niet heeft gedaan, waardoor verweerder in opdracht van zijn cliënte de hoofdsom en de rente dat nog niet was verjaard heeft geëxecuteerd. Verweerder is ervan uitgegaan dat zijn cliënte bevoegd en gerechtigd is tot het overgaan van executie, want het voorbehoud dat de kantonrechter in kort geding in het vonnis d.d. 25 oktober 2016, AR.No. [no.4] had gemaakt namelijk, dat klaagster binnen twee maanden na het vonnis een vordering in bodemprocedure moet indienen, is geschied. Volgens verweerder heeft hij gehandeld conform voornoemd vonnis en heeft de kantonrechter het voorbehoud niet gemaakt dat bij in kracht van gewijsde gegane vonnis daarover een beslissing moet zijn genomen. Verweerder voert verder aan dat de deurwaarder bij het scannen van de brief d.d. 02 januari 2017 kennelijk het gedeelte van “onder voorbehoud van rechten” abusievelijk heeft weggelaten.

4.3. Het Tuchtcollege heeft acht geslagen op de inhoud van de sommatie d.d. 04 juni 2019, waarvan klaagster vindt dat die valselijk is opgemaakt en ondertekend door verweerder en hem nimmer heeft bereikt. Het Tuchtcollege begrijpt dat de deurwaarder in opdracht van de cliënte van verweerder moest executeren en is van oordeel dat de sommatie niet gekwalificeerd kan worden als te zijn valselijk opgemaakt. De sommatie is in opdracht van de cliënte van verweerder opgemaakt en daar bestaat er bij het Tuchtcollege geen twijfel over. Klaagster is van mening dat verweerder heeft aangegeven dat de volledige rente wordt kwijtgescholden, maar dat verweerder in de sommatie toch de hoofdsom en de rente voor een bepaalde periode heeft opgebracht. Het Tuchtcollege gaat ervan uit dat de wijze van het betekenen van stukken een bevoegdheid is van de deurwaarder. Het eventuele nalaten, onzorgvuldigheid of slordigheid van een deurwaarder kan niet toegerekend worden aan de advocaat. Naar aanleiding van de insinuatie van klaagster als zou verweerder achteraf in de brief d.d. 02 januari 2017 de passage “onder voorbehoud van rechten” hebben opgenomen, is het Tuchtcollege van oordeel dat in voormelde brief die per deurwaardersexploit op 05 januari 2017 door [deurwaarder] is betekend aan klaagster, onder andere, in de laatste alinea staat vermeld: “Op grond hiervan wordt u dan ook gesommeerd om op uiterlijk vrijdag 13 januari 2017 uiterlijk 12:00 uur te mijne kantore, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de ter leen verkregen hoofdsom ad. USD 60.000 minus de gepleegde betaling van in totaal USD 3.000, brengende het saldo op USD 57.000. Mocht u aan deze sommatie geen gevolg geven, dan zal mijn cliënte opnieuw de executie aanzeggen en zijn de gevolgen geheel voor uw rekening.” Het Tuchtcollege is van mening dat uit het voorgaande duidelijk blijkt dat er een voorbehoud is opgemaakt. Verder begrijpt het Tuchtcollege uit de inhoud van het schrijven d.d. 17 januari 2017 inzake antwoord [stichting 1] op het schrijven van 02 januari 2017, overgelegd als productie 5 bij het klaagschrift, dat de kwijtschelding van de rente voorwaardelijk is geschied en dat klaagster binnen een bepaalde periode toch nog de hoofdsom moet betalen. Het Tuchtcollege komt tot de slotsom dat uit de inhoud van overgelegde stukken en het gehouden verhoor niet in rechte is komen vast te staan dat verweerder onbetamelijk heeft gehandeld jegens klaagster. Van enig tuchtrechtelijk verwijt aan de zijde van verweerder is dus niet gebleken, zodat de klacht tegen verweerder ongegrond zal worden verklaard.

4.4. Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig daar die voor de beslissing niet relevant zijn gebleken.

De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege verklaart de klacht tegen verweerder ongegrond.

Aldus gewezen door mr.A. Charan, voorzitter, mr. G. Ramai-Badal en mr. S. Sheombar, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 22 mei 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,De voorzitter,

w.g.w.g.
mr. M.S. Wesenhagenmr. A. Charan

De leden,
mr. G. Ramai-Badal
w.g.
mr.S. Sheombar
w.g.

 

SRU-ATC-2020-8

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/15

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[naam 1],
klaagster,
procederend in persoon,

tegen

[naam 2],

verweerster,
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, denavolgende beslissing uit.

1.Het verloop van de procedure

1.1 Bij brief door het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege) ontvangen op 07 maart 2019, heeft de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken) de klacht ter kennis van het Tuchtcollege gebracht.

1.2 De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van vrijdag 22 november 2019.Zowel klaagster als verweerster hebben producties overgelegd ter onderbouwing van hun stellingen en weren.Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

1.3 De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing is hierna bepaald op heden.

2. De feiten

2.1Klaagster is procespartij in een geding die verweerster namens haar cliënt [naam 3] tegen klaagster heeft ingesteld.

2.2 Op een fotocopie van een kwitantie staat, onder andere, vermeld (citaat):
Nr.___________
Ontvangen van: [klaagster],
Zevenhonderd en vijftig Sur Dollar,
opmaak brief + dw.ksten
Par’bo 13/10/2017,
SRD 750,= (einde citaat). Verder is er een stempel waarop,onder andere,staat vermeld: [verweerster], advocaat/attorney at law, Keizerstraat 40 bov, Ph: 411577 met een handtekening daarop.

3. De klacht en het verweer
1.1 De klacht houdt -zakelijk weergegeven – in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW).

1.2 Klaagster stelt – zakelijk weergegeven – dat verweerster ten onrechte een kwitantie op haar naam heeft uitgeschreven, terwijl klaagster nimmer een betaling aan verweerster heeft gedaan. Verder stelt klaagster dat het handschrift op de kwitantie niet van verweerster maar van [naam 3] is.

3.3 Verweerster heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Verweerster voert aan dat zij per abuis de in 2.2. genoemde kwitantie op naam van klaagster heeft uitgeschreven en dat zij haar verontschuldiging hiervoor heeft aangeboden aan klaagster, doch heeft laatstgenoemde deze niet geaccepteerd. Verweerster voert verder aan dat klaagster geen nadeel heeft ondervonden van deze omissie. Volgens verweerster is de kwitantie nimmer elders door haar gebruikt. Verweerster voert aan dat zij een andere kwitantie heeft uitgeschreven op naam van [naam 3]. Verweerster ontkent dat het handschrift op de kwitantie van [naam 3] is en volhardt dat de kwitantie door haar is uitgeschreven. Verweerster ontkent dat zij incorrect heeft gehandeld jegens klaagster.

4.2 Ter beoordeling ligt de vraag of verweerster verwijtbaar is terzake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoorde te betrachten jegens de klaagster. Het Tuchtcollege is van oordeel dat de kwestie terzake het handschrift op de kwitantie eventueel onderzocht dient te worden door de rechter die de zaak tussen partijen ter behandeling heeft en dat zulks niet ter beoordeling ligt van het Tuchtcollege. Het Tuchtcollege is verder van oordeel dat klaagster in casu, niet is geschaad in enig rechtens te respecteren belang aangezien niet gebleken is dat de kwitantie verder is gebruikt. Integendeel heeft verweerster aangegeven dat zij een andere kwitantie heeft uitgeschreven op naam van [naam 3].Het Tuchtcollege overweegt voorts dat klaagster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij nadeel heeft ondervonden of zal ondervinden van de kwitantie die per vergissing op haar naam is uitgeschreven. Voor zover klaagster een vrees voor de toekomst koestert vanwege de onderhavige kwitantie is die vrees in de visie van het Tuchtcollege volkomen ongegrond. Van enige verwijtbaarheid aan de zijde van verweerster is er dus ook geen sprake. De klacht is derhalve ongegrond gebleken.

4.3 Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig en zal dat achterwege laten.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege verklaart de klacht tegen verweerster ongegrond.

Aldus gewezen door mr.A. Charan, voorzitter, mr. R.M.F. Oemar en mr.G. Ramai-Badal, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 24 januari 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,De voorzitter,
mr. M.S.Wesenhagenmr. A.Charan
De leden,
mr. R.M.F. Oemer
mr. G. Ramai-Badal

SRU-ATC-2019-3

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/04
Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:
[naam A]
klaagster,
procederend in persoon,

tegen

[naam B] ,
verweerder,
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Klaagster heeft op 17 juli 2018 een klacht met bijbehorende produkties ingediend bij de Deken van de Orde van Advocaten.

2. De Deken heeft de klacht op 12 februari 2019 ter kennis gebracht van het
Advocaten Tuchtcollege.

3. De klacht is behandeld ter zitting van het Advocaten Tuchtcollege op 08 maart
2019. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

4. De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 De erven [naam 1], waaronder ook klaagster en de cliёnt van verweerder zijn betrokken in de boedelafwikkeling van de nalatenschap van hun ouders [naam 2] en [naam 3]. Als boedelnotaris trad op mr. J.A. Jadnanansing.

2.2 Verweerder is de gemachtigde van [naam 4] (hierna [naam 4]), die een broer is van klaagster.

3. De klacht en het verweer
1. De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW).
Volgens klaagster heeft verweerder zich op een niet correcte wijze gedragen naar de overige erfgenamen. Ook heeft hij schofferende uitlatingen gedaan over de positie en mening van de boedelnotaris. Klaagster meent dat de aanwezigheid van verweerder voor vertraging zorgt bij de boedelafwikkeling en ook voor verwijdering tussen de erven. Klaagster stelt verder dat verweerder haar ongevraagd en ook per mail van adviezen heeft voorzien. Volgens klaagster heeft verweerder hoge commissie afspraken gemaakt met zijn cliёnt, [naam 4]. Tenslotte stelt klaagster dat verweerder heeft gezorgd voor vertraging in de boedelafwikkeling en totale verwijdering van de erfgenamen hier en overzee.

3.2 Verweerder heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij als advocaat behoorde te betrachten jegens de klaagster.

4.2 Verweerder voert zakelijk weergegeven aan dat klaagster niet zijn cliёnt is en dat hij niet in strijd met artikel 37 van de Advocatenwet heeft gehandeld. Verweerder ontkent de stelling van klaagster dat hij zich incorrect heeft gedragen jegens klaagster en de overige erfgenamen, danwel de boedenotaris. Verweerder voert tevens aan dat juist klaagster zich ernstig beledigend over hem heeft uitgelaten, hetgeen communicatie tussen hem en haar onmogelijk maakt. Verweerder heeft ter onderbouwing van het voorgaande enkele email-berichten overgelegd. Verweerder voert tenslotte aan dat klaagster misbruik maakt van het tuchtrecht om onterechte klachten in te dienen omwille van de oneigenlijke reden dat verweerder zich onttrekt als gemachtigde van [naam 4]. Verweerder legt een verklaring van [naam 4] over, onder andere inhoudende dat verweerder hem, [naam 4], niet heeft overvraagd.

4.3 Naar het oordeel van het tuchtcollege heeft klaagster niet kunnen onderbouwen dat verweerder zich niet correct heeft gedragen jegens haar, de overige erfgenamen en/of de boedelnotaris. Evenmin heeft klaagster kunnen onderbouwen dat de aanwezigheid van verweerder voor vertraging zorgt bij de boedelafwikkeling en/of verwijdering tussen de erven. Gezien het verweer van verweerder had van klaagster mogen worden verwacht dat zij concreet feiten en of omstandigheden presenteerde op grond waarvan haar verwijt naar verweerder toe kon worden getoetst. Klaagster heeft niet aannemelijk kunnen maken in welk concrete belang zij door het handelen of nalaten van verweerder als gemachtigde van [naam 4] is getroffen.

4.4 Voor wat betreft de stelling van klaagster dat verweerder hoge commissie afspraken heeft gemaakt met zijn cliënt, [naam 4], oordeelt het tuchtcollege als volgt. Het honorarium van de advocaat als (boedel)gemachtigde wordt, in tegenstelling tot de notariskosten, in overleg met de cliënt vastgesteld en valt derhalve buiten het domein van de overige erven. Niet is gesteld en evenmin is gebleken dat [naam 4], cliënt van verweerder, de mening is toegedaan dat het door verweerder vastgestelde honorarium niet evenredig is aan de door verweerder ten behoeve van hem verrichte werkzaamheden.
Het tuchtcollege komt tot de slotsom dat niet in rechte is komen vast te staan dat verweerder zich heeft schuldig gemaakt aan de hem verweten gedragingen.
Van enig tuchtrechtelijk verwijt aan de zijde van verweerder is er dus geen sprake, zodat de klacht tegen verweerder ongegrond zal worden verklaard.

4.5 Het tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege
5.1 verklaart de klacht tegen verweerder ongegrond.

Aldus gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, plv. voorzitter, mr. S. Sheombar en
mr. J.R. Wouter, leden, en door de plv. voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 21 oktober 2019 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
Mr. M.S. Wesenhagen

De plv. voorzitter,
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran

De leden,
mr. S. Sheombar
mr. J.R. Wouter

SRU-ATC-2019-2

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/21

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[naam 1],
klager,
procederend in persoon,

tegen

[naam 2],
verweerster,
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Klager heeft op 16 april 2018 een schrijven met bijbehorende producties ingediend bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken).

1.2 De Deken heeft op 22 maart 2019 bovenvermeld schrijven met bijbehorende producties van klager ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege).

1.3 De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van vrijdag 26 juli 2019, waarbij klager is gehoord. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

1.4 Verweerster heeft niet tijdig aanwezig kunnen zijn op de zitting en is in de gelegenheid gesteld om zich over het verhoor van klager uit te laten.De conclusie tot uitlating zijdens verweerster bevindt zich onder de processtukken.

2. De feiten
2.1 Klager is procespartij in de gedingen bekend onder AR. [no.1], AR. [no. 2] en AR.no. [no.3] tegen [naam 3] en [naam 4].

2.2 Verweester heeft als procesgemachtigde opgetreden voor [naam 3 ] en [naam 4] (hierna: gedaagden) in de gedingen genoemd onder punt 2.1. van onderhavige beslissing.

3. De klacht en het verweer
1.1 De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW).

Klager stelt – zakelijk weergegeven – dat verweerster in haar conclusies tot uitlating gebruik heeft gemaakt van onterechte stellingen c.q. uitlatingen die zeer grievend zijn alsook in strijd met de waarheid zijn gesteld. Dit blijkt met name uit de volgende passages in het rechtsproces bekend onder:
– AR. [no.1]: “Zijn rechtsvoorganger had namelijk gedaagden een blanco stuk laten tekenen en naderhand is hierop de (schriftelijke) overeenkomst getypt”;
– AR. [no. 2]: “Gedaagden zijn op een goedkope wijze het litgieuze onroerend goed kwijt geraakt aan verzoeker. Zijn rechtsvoorganger had namelijk gedaagden een blanco stuk laten tekenen en naderhand is hierop de (schriftelijke) koopovereenkomst getypt”;
– AR. [no.3]; “ zij waren -zijn nog steeds van mening – dat de rechtsvoorganger van verzoeker (erflater) op een slinkse wijze heeft getracht hen dit perceelland afhandig te maken door hen een blanco stuk te laten tekenen, waarop de koopovereenkomst is getekend”.
Volgens klager zou uit de voornoemde passages geconcludeerd kunnen worden dat zijn thans overleden vader niet te goeder trouw heeft gehandeld, althans een oplichter zou zijn geweest. Om het tegendeel te bewijzen heeft klager de originele koopovereenkomst met betalingskwitanties aan het Tuchtcollege getoond. Voorts stelt klager dat verweerster de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname (hierna de Ere-regelen) heeft geschonden en wel Ere-regel nummer 13 en 25. Verder stelt klager dat hij en zijn advocaat geen reactie meer hebben kunnen geven op de stelling van verweerster, daar de gewraakte passages pas bij conclusie van dupliek zijn gesteld.

3.3 Verweerster heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerster verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoorde te betrachten jegens klager.

4.2 Verweerster voert – zakelijk weergegeven – het volgende verweer.
De door verweerster namens haar cliënten ingediende conclusies bevat de zienswijze /het gevoel van hen en is geen uitdrukking van haar mening.Verweerster betwist dat zij de Ere-regelen heeft geschonden en ontkent op enige wijze de rechter of de tegenpartij te hebben misleid door de stellingen alsmede ongepaste uitlatingen te hebben gedaan ter motivatie hiervan. Volgens verweerster verwart klager haar positie met de positie van haar cliënten en wordt zij onterecht aansprakelijk gesteld door klager voor de door haar gedane uitlatingen in de gedingstukken.Voorts voert verweerster aan dat het niet juist is dat klager geen reactie meer kon geven op de uitlatingen zijdens haar cliënten, aangezien deze bij conclusie van dupliek zijn gesteld. In de zaak bekend onder AR. [no.3] is dit bij conclusie van antwoord gedaan en had klager de gelegenheid om bij conclusie van repliek daarop te reageren.

4.3 Het Tuchtcollege is van oordeel dat de rechter aan wie het geschil tussen de procespartjen is voorgelegd het bewijs van de door verweerster gedane stellingen in haar conclusies moet beoordelen en dat zulks niet ter beoordeling is van het Tuchtcollege.Het Tuchtcollege merkt op dat verweerster bij conclusie van antwoord in de zaak bekend onder AR. [no.3] de gedane stellingen heeft geponeerd en dat klager de gelegenheid heeft gehad om bij conclusie van repliek zich uit te laten hierover. Het Tuchtcollege is van oordeel dat de advocaat de belangen van zijn/haar cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat de cliënt hem verschaft en dat de advocaat in beginsel mag afgaan op de juistheid daarvan. De advocaat behoeft in beginsel niet af te wegen of het voordeel dat hij/zij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij/zij zich van bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Uiteraard dient de advocaat zich daarbij niet onnodig grievend casu quo krenkend uit te laten en dienen de Ere-regelen in acht te worden genomen. Voorts huldigt het Tuchtcollege het standpunt dat stellingen en weren die door de advocaat van de tegenpartij in een concreet gedingstuk worden aangevoerd in beginsel in dat geding dienen te worden beslecht voor zover dat relevant is voor de te nemen beslissing.Het Tuchtcollege komt tot de slotsom dat niet in rechte is komen vast te staan dat verweerster door de gebezigde stellingen niet correct heeft gehandeld jegens klager.Van enig tuchtrechtelijk verwijt aan de zijde van verweerster is er dus geen sprake, zodat de klacht tegen verweerster ongegrond zal worden verklaard.

4.4 Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig daar die voor de beslissing niet relevant zijn gebleken.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege:
1.1 verklaart de klacht tegen verweerster ongegrond.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, voorzitter, mr. G. Ramai-Badal en mr. J.R. Wouter, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 25 oktober 2019 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,De voorzitter,
Mr. M.S. Wesenhagenmr. A.Charan
De leden,
mr. G. Ramai-Badal
mr. J.R. Wouter

SRU-ATC-2020-7

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/25

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[naam 1],
klaagster,
gevolmachtigde: mr. E. Mohangoo, jurist,
hierna te noemen: “[klaagster]”,

tegen

[naam 2],
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
gemachtigde: mr. E.A. Glunder, advocaat,
hierna te noemen: “[verweerster]”,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1. Bij brief door het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege) ontvangen op 19 juli 2019, heeft de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken) de klacht ter kennis van het Tuchtcollege gebracht.

1.2. De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van vrijdag 22 november 2019 en vrijdag 29 november 2019.Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, hetwelk zich onder de processtukken bevindt,

1.3. De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing was hierna aanvankelijk bepaald op 24 januari 2020 doch nader op heden.

2. De feiten
2.1. [klaagster] is een jongere zus van [verweerster].
2.2. [klaagster] is procespartij in gedingen die [verweerster] tegen haar en de overige familieleden heeft ingesteld.

3. De klacht en het verweer
1.1. De klacht houdt -zakelijk weergegeven – in dat [verweerster] tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW). [klaagster] stelt -zakelijk weergegeven- dat zij op steenworp afstand woont van [verweerster] en door de gedragingen van [verweerster] is de band met de familieleden ernstig verstoord en is er een zeer onbehaaglijke sfeer in de woonomgeving geschapen. De onhoudbare leefsituatie verergerde toen [verweerster] werd beëdigd tot advocaat en [verweerster] herhaaldelijk over hetzelfde onderwerp van geschil, gedingen aanhangig heeft gemaakt tegen [klaagster] en de overige naaste familieleden, waarbij [klaagster] zich moet verweren en rechtsbijstand moet inroepen. Er zijn volgens [klaagster] 22 rechtszaken aangespannen en moest zij hierdoor steeds advocaatkosten betalen. [klaagster] stelt dat [verweerster] misbruik maakt van procesrecht. Volgens [klaagster] legt het geschil tussen partijen, die reeds zeventien jaren duurt, een psychische druk op haar en de overige naaste familieleden. [klaagster] stelt dat zij en de overige familieleden ook noodgedwongen rechtszaken moesten aanspannen tegen [verweerster]. Eén der rechtszaken werd ingesteld aangezien [verweerster], [klaagster] en de overige naaste familieleden enige tijd de toegang tot haar woning weigerde, waardoor zij de zieke vader van partijen, die bij [verweerster] verbleef, niet konden bezoeken. [klaagster] stelt verder dat [verweerster] diverse brieven heeft geschreven aan haar werkgever waarin [verweerster] haar negatief heeft beklad, waardoor haar goede naam en eer onterecht ernstig is aangetast. Voorts stelt [klaagster] dat het handelen van [verweerster] als advocaat onbetamelijk is.

3.2. [verweerster]heeft verweer gevoerd, waarop voor zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1. Ter beoordeling ligt voor de vraag of [verweerster] verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.

4.2. [verweerster] voert -zakelijk weergegeven – het volgende verweer.
[verweerster] voert aan dat zij als oudste kind van het gezin zich verplicht voelde om te zorgen voor haar ouders, jongere broer en zussen alsmede hen te ondersteunen en dat de problemen met de familie begonnen toen zij weigerde om opnieuw tickets te betalen voor hen. Volgens [verweerster] zijn opeenvolgende rechters misleid geworden door geknoei en vervalsingen gepleegd door [klaagster], waardoor haar ([verweerster]) perceel en woning op de veiling is gezet. Daarnaast voert [verweerster] aan dat er thans een rechtsproces loopt dat door [klaagster] aanhangig is gemaakt, inzake de ontruiming uit haar woning. [verweerster] voelt zich bestolen en voert aan dat zij volgens wettelijke procedures opkomt voor zichzelf en dat de problemen die zij met de familie heeft niets te maken hebben met haar functioneren als advocaat. Volgens [verweerster] heeft zij in privé een geschil met haar familie en niet als advocaat. [verweerster] vindt dat er geen wettelijke grond aanwezig is op grond waarvan [klaagster] kan zeggen dat zij haar taak als advocaat niet goed doet. [verweerster] ontkent dat zij misbruik maakt van procesrecht. [verweerster] betwist dat zij zich onbetamelijk heeft gedragen jegens [klaagster].

4.3. Het Tuchtcollege heeft alleen [klaagster] aangemerkt als klaagster, hoewel in haar klacht is vermeld dat zij mede namens haar moeder, broer en enkele overige naaste familieleden de klacht indient. Het Tuchtcollege is van oordeel dat er geen volmacht van de overige familieleden is overgelegd en dat [verweerster] niet de gelegenheid meer heeft gehad om zich uit te laten over de volmacht van de moeder van partijen d.d. 19 december 2019, die naderhand door [klaagster] op 20 december 2019 is overgelegd. Het Tuchtcollege is verder van oordeel dat de rechter aan wie het geschil tussen de procespartijen is voorgelegd zal uitmaken of er al dan niet sprake is van misleiding van de rechter zijdens [klaagster] en dat zulks niet ter beoordeling is van het Tuchtcollege. Het geschil tussen partijen is een slepende kwestie dat reeds jaren duurt. Het is het Tuchtcollege gebleken dat er handelingen zijn gepleegd door [verweerster] van zoveel jaren geleden, maar gezien het tijdsverloop zal het Tuchtcollege verder geen acht hierop slaan. Het Tuchtcollege overweegt eveneens dat partijen een mediator in de hand zouden moeten nemen, zoals in het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. [2008], bekend onder het AR.[no.1], is overwogen. Het Tuchtcollege is voorts van oordeel dat de persoon van [verweerster] en de advocaat [verweerster] niet van elkaar afgezonderd kunnen worden. Ingevolge de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname dient de advocaat, dus ook [verweerster] in en buiten de uitoefening van het beroep niets te doen wat haar stand zou kunnen schaden. Het Tuchtcollege is de mening toegedaan dat het niet van goed fatsoen betaamt dat [verweerster] haar bevoegdheden als advocaat heeft gebruikt om zaken in de familierechtelijke sfeer aan te kaarten bij de werkgever van [klaagster] zoals ter gelegenheid van het verhoor is gebleken. Voorts is het Tuchtcollege van oordeel dat [verweerster] bewust misbruik heeft gemaakt van haar hoedanigheid als advocaat om telkenmale civiele rechtsgeschillen bij de rechter aanhangig te maken tegen, onder andere klaagster, betreffende hetzelfde onderwerp van geschil. Daardoor is klaagster onnodig in de kosten gejaagd doordat ze genoodzaakt werd om zich telkenmale in rechte te doen bijstaan door een advocaat. Naar het oordeel van het Tuchtcollege dient ook daaraan paal en perk gesteld te worden.Het Tuchtcollege komt tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken en het gehouden verhoor in rechte is komen vast te staan dat [verweerster] onbetamelijk heeft gehandeld jegens [klaagster].[verweerster] heeft aldus, naar het oordeel van het Tuchtcollege, in strijd gehandeld met de betamelijkheid die zij als advocaat behoorde te betrachten ten opzichte van [klaagster]. Op grond van het voorgaande acht het Tuchtcollege de klacht tegen [verweerster] gegrond. Het Tuchtcollege zal daarom de in het dictum te bepalen maatregelen opleggen aan [verweerster].

4.4. Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig daar die voor de beslissing niet relevant zijn gebleken.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege:
5.1. Verklaart de klacht tegen [verweerster] gegrond.

5.2. Schorst [verweerster] om het beroep van advocaat uit te oefenen voor een periode van een jaar.

5.3. Bepaalt dat aan [verweerster] ingevolge het bepaalde in artikel 47 lid 2 van de Advocatenwet als bijzondere voorwaarde een verbod wordt opgelegd om met betrekking tot hetzelfde onderwerp van geschil te pocederen tegen [klaagster] gedurende een periode van twee jaren met ingang van de dag waarop deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, voorzitter, mr. R.M.F. Oemar en mr. G. Ramai-Badal, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 22 mei 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,De voorzitter,
w.g. w.g.
mr. M.S.Wesenhagenmr. A.Charan

De leden,
mr. R.M.F. Oemar
w.g.
mr. G. Ramai-Badal
w.g.

Ingevolge artikel 56 van de Advocatenwet kan van de beslissingen van het Tuchtcollege gedurende dertig dagen na de ontvangst van het afschrift hoger beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie aan de daarbij door:
de klager die de klacht die tot de beslissing heeft geleid, heeft ingediend, indien:
a. de klacht geheel of ten dele ongegrond is verklaard; bij gegrondbevinding van de klacht, het verzoek wordt afgewezen;
b. de Deken, welke de klacht die tot de beslissing heeft geleid, ter kennis van het Tuchtcollege heeft gebracht, indien de klacht geheel of ten dele ongegrond is verklaard;
c. de advocaat jegens wie de beslissing is genomen.
Het beroep wordt ingesteld bij een met redenen omklede memorie, in drievoud in te dienen bij de griffie van het Hof van Justitie en vergezeld van drie afschriften van de beslissing waartegen beroep is ingesteld.

Voor eensluitend afschrift
De secretaris van het ATC,
mr. M.S. Wesenhagen

SRU-ATC-2020-6

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 20/03

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[naam 1],
klager
procederende in persoon,

tegen

[naam 2]
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
verweerder,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1. Bij brief door het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege) ontvangen op 07 februari 2020, heeft de Deken van de Orde van Advocaten (hierna: de Deken) de klacht ter kennis van het Tuchtcollege gebracht.

1.2. De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van 22 mei 2020. Klager heeft daarbij zijn klacht mondeling toegelicht en aangevuld. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, welke zich onder de processtukken bevindt.

1.3. Vervolgens hebben partijen over en weer de gelegenheid gehad om het debat schriftelijk voort te zetten en daar hebben partijen gebruik van gemaakt, waarbij er zijdens klager eveneens additionele producties zijn overgelegd.

1.4. De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing is hierna bepaald op heden.

2. De feiten
2.1.Verweerder heeft in zijn antwoordpleidooi d.d. 7 juni 2019 in de zaak bekend in het G.R. onder [no1] inzake [bedrijf 1] (appellante(n)), gemachtigde [klager] contra [bedrijf 2] (geïntimeerde), gemachtigde [verweerder], in sustenu 6 op bladzijde 2 de navolgende bewoordingen gebezigd (citaat): “ …..Deze vileine opmerking reveleert het karakter van de scribent van de pleitnota dat hoort bij een ploert althans mislukkeling …. (einde citaat).

2.2. In de zaak A.R.[no. 2] in sustenu 5 van de Conclusie van Antwoord d.d. 26 oktober 2017 heeft verweerder het navolgende verwoord (citaat): “… Gedaagde gaat voorbij aan de lafhartige insinuaties aan het adres van haar functionarissen en dat van ingeschreven zaken…(einde citaat).

3. De klacht en het verweer
1. De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerder door het bezigen van voornoemde bewoordingen – zoals hiervoor onder de feiten aangegeven – in een conclusie casu quo pleitnota zijn beroepsethiek heeft veronachtzaamd en inbreuk heeft gepleegd op de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag ligt en ook nog zijn waarheidsplicht heeft geschonden. Het lijkt meer dan overtuigend dat in alle redelijkheid en billijkheid verweerder als te zijn een juridisch deskundige zich houdt aan de absolute fatsoensnormen en waarden en deze niet met de voeten treedt. Zeer afkeurenswaardig is dan ook dat klager als te zijn een non jurist, is gebombardeerd met laatdunkende betichtingen door de gemachtigde van de tegenpartij, verweerder. Klager voelt zich dan ook ten zeerste gekwetst, beledigd en aangetast in zijn goede naam en eer. Het gevolg is dat klager onherstelbare immateriële- en materiële schade heeft opgelopen en is er hier sprake van smaad. Dit handelen is eveneens strijdig met alle beginselen van een goede procesorde. Verwijzend naar artikel 64 Rv heeft verweerder ook nagelaten ex artikel 13 Ere-regelen (gedragscode) advocaten in acht te nemen.

3.2 Klager vraagt derhalve dat verweerder voor immateriële- en materiële schade waaronder het raadplegen van Rechtsgeleerden-, Doktershulp e.a. dan ook het schadebedrag ad SRD. 15.000,- dient te voldoen. Voorts vordert klager dat verweerder zijn verontschuldigingen schriftelijk aanbiedt aan klager, op straffe van een dwangsom van SRD. 50.000,- voor iedere dag, uur en minuut. Daarnaast vraagt klager (althans zo vat het Tuchtcollege dat op) om de nodige tuchtmaatregelen te treffen tegen verweerder.

3.3 Verweerder heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Alvorens inhoudelijk in te gaan op de stellingen en weren van partijen stelt het Tuchtcollege vast dat klager verzuimd heeft om in de aanhef van zijn klacht ingevolge het bepaalde in artikel 40 lid 4 van de Advocatenwet (hierna AW) zijn naam en woonplaats te vermelden. Ingevolge het bepaalde in artikel 40 lid 6 AW diende de Deken casu quo diens secretaris de gelegenheid te bieden aan klager om dit verzuim te herstellen hetgeen niet is geschied. Het Tuchtcollege zal volstaan met het voorgaande te constateren zonder daar enige consequentie aan te verbinden. Immers staat in de aanhef van de klacht wel de personalia van de klager vermeld, blijkende zulks uit naam, adres, telefoonnummers en e-mailadres (kennelijk een brievenhoofd). Uit de wirwar van stellingen in de klacht destilleert het Tuchtcollege met nadrukkelijk inlevingsvermogen, met name uit de aanhef en de stellingen zoals vervat in de klacht, dat klager zowel in persoon als qualitate qua als vertegenwoordiger van de rechtspersonen [bedrijf1] (anonimiseren) optreedt (dus pro sè en q.q.). Met het voorgaande wordt het niet-ontvankelijkheidsverweer van verweerder geacht te zijn besproken en verworpen.

4.2.Ten aanzien van het door klager gevorderde dat betreft – kort gezegd – het aanbieden van verontschuldigingen door verweerder aan klager op straffe van een dwangsom is het Tuchtcollege van oordeel dat dat niet kan worden gerubriceerd onder de limitatieve opsomming van tuchtrechtelijke maatregelen in artikel 45 lid 2 AW. Evenmin kan dat worden gerubriceerd onder de bijzondere voorwaarden zoals bedoeld in artikel 47 AW. Het daartoe strekkend onderdeel van het gevorderde is derhalve ongegrond gebleken.

4.3. Ter beoordeling ligt thans de vraag of verweerder zich heeft schuldig gemaakt aan enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Voorop gesteld wordt dat op advocaten, en dus ook op verweerder, van toepassing zijn de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname (hierna de Ere-regelen). Ingevolge Ere-regel nummer 25 dient de advocaat zich steeds in gepaste termen uit te laten en alles te vermijden wat tot ongewenste incidenten, in het bijzonder van persoonlijke aard, aanleiding kan geven. In casu is aan de orde de vraag of verweerder door zich te bedienen van de bewoordingen zoals die hiervoor onder de feiten (2.1. en 2.2.) zijn weergegeven, in een pleitnota en een conclusie in een concreet geding, tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het Tuchtcollege zal de gewraakte bewoordingen “vileine”, “ploert’ en “lafhartig” onder een loep plaatsen. Vileine betekent volgens het Nederlands woordenboek: snood, slecht, boosaardig, geniepig, gemeen, laag, venijnig. Ploert betekent volgens www.encyclo.nl: iemand die gemene streken uithaalt. Lafhartig betekent volgens www.encyclo.nl: bang, bangelijk, beschroomd, blode, blohartig, flauwhartig, laf van aard, niet moedig. Voormelde woorden op zichzelf beschouwd leveren in elk geval in de visie van het Tuchtcollege geen complimenten jegens klager op. Wordt gekeken naar de context waarin voormelde bewoordingen zijn gebruikt door verweerder in respectievelijk een conclusie van antwoord en in een antwoordpleidooi dan heeft klager in elk geval de kans gehad om in die concrete gedingen daarop in te gaan en eventueel van de behandelende gerechten te eisen dat verweerder die gebezigde bewoordingen – die bij klager veel ongerief schijnen te hebben veroorzaakt – terug neemt casu quo corrigeert. Daarvan is gesteld noch gebleken. Evenwel blijkt klager – zoals verweerder in de visie van het Tuchtcollege terecht heeft aangevoerd – zich in zijn stukken ook te bedienen van “scherpe” bewoordingen.Ter adstructie daarvan citeert het Tuchtcollege uit de van klager afkomstige pleitnota d.d. 5 april 2019 in de zaak G.R. [no.1] hetwelk door klager zelf als productie is overgelegd bij zijn klacht. In sustenu 3 heeft klager het over “misleiding”, arglist, bedrog en frauduleuze gepleegde handelingen. In sustenu 8 heeft klager het over “verdonkeremanen”. Al het voorgaande leidt in de visie van het Tuchtcollege tot de slotsom dat hoewel de verweerder zich in elk geval niet vleiend over klager heeft uitgelaten in de gewisselde stukken hetzelfde ook geldt voor klager die zich in de gewisselde stukken niet onbetuigd heeft gelaten. Uiteraard kunnen de vonken ervan af springen in de felheid van de rechtsstrijd maar dienen partijen zich bij hun woordkeus toch te houden aan de gangbare regels van moraal en fatsoen. In dit concreet geval zijn – naar het oordeel van het Tuchtcollege – beide partijen de grenzen van het ontoelaatbare dicht genaderd maar is het niet gebleken dat zij de grenzen van het toelaatbare hebben overschreden. De woordkeus van klager en verweerder in de gewisselde stukken verdienen geen “schoonheidsprijs” en kan het Tuchtcollege zich enigszins voorstellen dat partijen zich daar over en weer niet prettig bij voelen maar uiteindelijk hebben zij daar zelf voor gekozen en dienen zij te beseffen dat elke actie een reactie oplevert. In dit kader lijkt het dienstig om op te merken dat aan verweerder als professionele rechtsbijstandverlener toch wel hoge eisen worden gesteld qua uitdrukkingsvaardigheid in woord en geschrift. Hoewel verweerder – zoals hiervoor aangegeven – naar het oordeel van het Tuchtcollege de grenzen van het toelaatbare niet heeft overschreden lijkt het gepast om een waarschuwend signaal te geven in de richting van verweerder als professionele rechtsbijstandverlener aangezien verweerder met de gebezigde woordkeus toch wel de contouren van de grenzen van het ontoelaatbare zichtbaar heeft doen worden.

4.4. In de visie van het Tuchtcollege is uit het ingesteld onderzoek ter zitting na hoor en wederhoor niet gebleken dat verweerder onbetamelijk heeft gehandeld jegens klager door het bezigen van de gewraakte bewoordingen in de gewisselde processtukken. De klacht tegen verweerder is derhalve ongegrond gebleken.

4.5. Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig en zal dat achterwege laten.

5. De beslissing

Het Tuchtcollege:
Verklaart de klacht tegen verweerder ongegrond.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, voorzitter, mr. R.M.F. Oemar en mr. G. Ramai-Badal, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 24 juli 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
Mr. M.S. Wesenhagen
w.g

De voorzitter,
mr. A. Charan
w.g.

De leden,
mr. R.M.F. Oemar
w.g.
mr. G. Ramai-Badal
w.g.

SRU-ATC-2020-5

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

Naar aanleiding van de klacht in de zaken 19/22 en 19/23 van:

[naam],
klaagster,
procederend in persoon;

tegen

A. [verweerder sub A],
B. [verweerder sub B]
advocaten tegen wie de klacht is ingediend,
verweerders,
procederend in persoon;

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Klaagster heeft op 23 april 2019 een klacht met bijbehorende producties ingediend tegen verweerder bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken).

1.2 De Deken heeft de klacht op 07 mei 2019 ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege).

1.3 De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van dinsdag 30 juli 2019. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

1.4 De conclusies tot uitlating aan de zijde van klaagster enerzijds en de verweerders anderzijds.

1.5 De beslissing is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Klaagster is op 06 januari 2017, met ingang van 1 januari 2017, een dienstverleningsovereenkomst (hierna de overeenkomst) aangegaan met [N.V.] (hierna de N.V.) handelende onder naam [bedrijfsnaam].

2.2 Verweerders A en B hebben de functie van algemeen directeur respectievelijk financieel directeur van de N.V.

2.3 Artikel 7 van de overeenkomst bepaalt – zover van belang – het volgende:
“7.1 Beide partijen zijn bevoegd de overeenkomst te beëindigen middels opzegging, zoals bepaald in artikel 3 van de overeenkomst…..
7.3 De opdrachtnemer (lees klaagster) ziet gedurende de opzegtermijn erop toe dat de lopende opdrachten die bij haar in uitvoering zijn vóór de einddatum zoveel mogelijk worden voltooid op de voor de opdrachtgever gebruikelijke wijze.
7.4 De niet voltooide c.q. nog te voltooien opdrachten zullen gedurende de opzegtermijn door de opdrachtnemer aan een andere door de opdrachtgever aangewezen opdrachtnemer c.q. advocaat-werknemer aan de opdrachtgever verbonden, worden overgedragen op de voor de opdrachtgever gebruikelijke wijze.
7.5 In de opdrachten waarin nog te verrichten werkzaamheden door de cliënt reeds is betaald en/of waarin voor reeds verrichte werkzaamheden nog door de cliënt moet worden betaald, zullen over de vergoeding tussen opdrachtnemer en de andere door de opdrachtgever aangewezen opdrachtnemer c.q. advocaat-werknemer afspraken worden gemaakt. …….”.

2.4 Op 18 mei 2018 is de betreffende overeenkomst op verzoek van klaagster beëindigd en heeft zij sinds 01 juni 2018 een zelfstandige praktijk.

2.5 Bij haar vertrek heeft klaagster dossiers overgedragen aan de N.V. Tussen klaagster en de N.V. heeft nog geen financiële afrekening plaatsgevonden van door haar overgedragen dossiers.

3. De klacht en het verweer
3.1 De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat de verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in art. 37 Advocatenwet.
Klaagster stelt daartoe dat verweerders zich onvoldoende hebben ingespannen om met klaagster tot een voortvarende financiële afhandeling van de door haar overgedragen dossiers over te gaan, ondanks herhaalde verzoeken – zowel mondeling als schriftelijk – harerzijds daartoe. Volgens klaagster hebben verweerders door hun handelswijze, haar geduld onnodig op de proef gesteld. Daarnaast getuigt de houding van verweerders niet van respect c.q. collegialiteit, welke advocaten onderling jegens elkaar in acht behoren te nemen.

3.2 Verweerders hebben verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 De zaken bekend onder nummers 19/22 en 19/23 zullen vanwege hun verwevenheid gevoegd worden behandeld, één en ander zoals reeds uit de kop van de beslissing blijkt.

4.2 Verweerders voeren primair aan dat de onderhavige kwestie niet valt onder de sfeer van het tuchtrecht voor advocaten.
Volgens hen regardeert de klacht de uitvoering van de overeenkomst tussen klaagster en de N.V. Verweerder A is in de verhouding tussen klaagster en de N.V. slechts als algemeen directeur van de N.V. opgetreden. Van enig handelen uit hoofde van zijn bevoegdheden en verplichtingen zoals bedoeld in de Advocatenwet en de Ere regelen voor Advocaten in Suriname is in deze geen sprake. Door de kwestie aan het Tuchtcollege voor te leggen maakt klaagster misbruik van het voor advocaten geldende tuchtrecht. Verweerders concluderen op grond van het voorgaande tot niet ontvankelijk verklaring van klaagster.

4.2.1 Het Tuchtcollege stelt voorop dat ingevolge hoofdregel I onder a van de Ere regelen voor de Advocaten in Suriname, iedere advocaat, dus ook verweerders, in en buiten de uitoefening van het beroep moet nalaten iets te doen wat zijn stand zou kunnen schaden. Hieruit volgt dat verweerders niet alleen bij de uitoefening van hun beroep maar ook buiten de uitoefening van het beroep, moeten nalaten iets te doen wat het beroep zou kunnen schaden.
Dat verweerders bestuurders zijn van de N.V. en in die hoedanigheid een relatie hadden met klaagster, betekent dus niet dat zij daarom niet kunnen worden aangesproken op grond van de advocatenwet. Immers zijn zij naast bestuurders van de N.V. ook nog advocaat.
Nu verweerders advocaten zijn, en klaagster zich – naar het Tuchtcollege begrijpt – erop beroept dat zij in strijd hebben gehandeld met de zorg die zij als advocaat behoorden te betrachten jegens haar, is klaagster ontvankelijk in haar verzoek. Het ter zake door verweerders gevoerde verweer zal daarom worden verworpen.

4.3 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerders verwijtbaar zijn ter zake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoorden te betrachten jegens klaagster.
Verweerders voeren – zakelijk weergegeven – aan dat uit de tussen de N.V. en klaagster gesloten overeenkomst, met name het bepaalde bij art. 7.4 en 7.5, voortvloeit dat klaagster afspraken diende te maken met de andere aan de N.V. verbonden advocaten die de dienstverlening in de door klaagster overgedragen dossiers hebben voortgezet c.q. voortzetten. De afspraken zullen moeten aangeven hoe beide dienstverleners (de vertrekkende en de overnemende) het aan hen in elk overgedragen dossier toekomende gedeelte van het door de cliënt aan de N.V. betaalde honorarium onderling zullen verdelen. Zolang die afspraken niet zijn gemaakt, is de N.V. op geen enkele wijze bevoegd klaagster enige uitkering te doen uitbetalen die uit hoofde van de desbetreffende dossiers mochten zijn gedaan aan de N.V. Uitkeringen kunnen pas aan haar worden gedaan indien klaagster met de overnemende opdrachtnemers afspraken heeft gemaakt over het aandeel van elke opdrachtnemer (vertrekkende en overnemende) in relatie tot het aan hen gezamenlijk toekomende gedeelte van een overeengekomen honorarium en het desbetreffende honorarium ook door de N.V. is ontvangen.

4.4 Ingevolge hoofdregel II onderdeel 5a van de Ere-regelen, dient tussen advocaten een verhouding te bestaan van onderlinge welwillendheid en onderling vertrouwen.
Vaststaat dat de door klaagster gewenste financiële afhandeling niet heeft plaatsgevonden. Het Tuchtcollege is echter van oordeel dat niet is komen vast te staan dat zulks te wijten zou zijn aan onwelwillendheid van verweerders. Immers is door verweerder A, weliswaar ietwat verlaat, tot twee keer toe een concreet aanbod gedaan, te weten op 07 juni 2019 en 23 augustus 2019, om de onderhavige kwestie te bespreken, terwijl klaagster geen gebruik heeft gemaakt van dit aanbod. De reden van klaagster dat zij niet is ingegaan op het aanbod omdat zij de klacht reeds had ingediend, acht het Tuchtcollege niet valide. Immers, ook van klaagster mocht worden verwacht dat zij naar haar collega (verweerder A) toe een houding van welwillendheid etaleerde, en dus het aanbod accepteerde. Daarbij neemt het tuchtcollege ook in overweging dat eerst klaagster in gebreke is geweest door niet te voldoen aan haar verplichtingen voortvloeiende uit artikel 7.4 van de overeenkomst.
Ingevolge dat artikel diende klaagster binnen de opzegtermijn de niet voltooide c.q. nog te voltooien opdrachten aan een andere door de opdrachtgever aangewezen opdrachtnemer c.q. advocaat-werknemer, over te dragen. Dit heeft klaagster niet gedaan om haar moverende redenen, evenwel met instemming van verweerder A.
Dat klaagster geïrriteerd raakte en het gevoel had dat ze “aan het lijntje” werd gehouden is begrijpelijk omdat ze herhaaldelijk – minimaal 4 keren – heeft gevraagd voor de financiële afhandeling zonder het gewenste resultaat. De houding van verweerders om na herhaaldelijke verzoeken van klaagster, niet een concrete afspraak met haar te maken maar daarmee te wachten totdat de klacht was ingediend, verdient naar het oordeel van het Tuchtcollege geen schoonheidsprijs. Het verweer van verweerder B dat klaagster hem niet heeft benaderd, doet aan het voorgaande niets af. Als financieel directeur van de N.V., mocht van hem worden verwacht dat hij op de hoogte was van de ontwikkelingen tussen klaagster en de N.V. Evenwel kan hieruit niet worden geconcludeerd dat verweerders verwijtbaar zijn ter zake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaten behoorde te betrachten jegens klaagster.
Alhoewel er sprake is van een overeenkomst tussen klaagster en de N.V., verdient het naar het oordeel van het Tuchtcollege wel aanbeveling om – ondanks de wrijvingen tussen klaagster en verweerders – de financiële afhandeling als “goede” collega’s met elkaar af te wikkelen, en dit niet bewust aan te sturen op een civiele vordering. Deze aanbeveling ligt in de lijn van het eerder door verweerder A gedane aanbod om deze kwestie af te handelen door middel van een afspraak bij hem op kantoor.

4.5 Op grond van het voren overwogene, in onderlinge samenhang beschouwd, acht het Tuchtcollege de klacht ongegrond.

4.6 Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5. De beslissing
Het Tuchtcollege verklaart de klacht tegen verweerders ongegrond.

Aldus gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, plv. voorzitter, mr. S. Sheombar en mr. J.R. Wouter, leden, en door de plv. voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 10 januari 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
Mr. M.S. Wesenhagen

De plv. voorzitter,
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran

De leden,
mr. S. Sheombar
mr. J.R. Wouter