SRU-HvJ-2008-10

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14297

 

[Appellant], wonende aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Kromme Elleboogstraat no.22 beneden, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. De Noten, advocaat, 

appellant,

t   e  g  e  n 

[Geintimeerde], echtgenote [appellant], wonende aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Wagenwegstraat 21 beneden, ten kantore van Mr. F. J. Leeflang, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. F. J. Leeflang, advocaat,

geïntimeerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 oktober 2005 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 17 november 2005, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat eiseres de navolgende vordering wenst in te stellen tegen: [appellant], wonende aan [adres], gedaagde;
  2. dat eiseres blijkens de hierbij overgelegde kopie van het Bewijs van Huwelijksvoltrekking op 25 mei 2001, in het [district], buiten gemeenschap van goederen bij notariële akte van notaris Mr.Rodrigues, is gehuwd met gedaagde;
  3. dat uit voormeld huwelijk geen kinderen zijn geboren;
  4. dat gedaagde woonplaats heeft binnen het Eerste  Kanton, bijgevolg het Eerste Kanton te [plaats] rechtsmacht heeft en bevoegd is tot kennisneming van de onderhavige vordering;
  5. dat het huwelijk van partijen duurzaam ontwricht is;
  6. dat de duurzame ontwrichting te wijten is aan de gedaagde om de navolgende redenen:

– eiseres is toegewijd lid van de religieuze genootschap der Jehova’s Getuigen, welks geloof ook door gedaagde eertijds werd beleden en voor eiseres doorslaggevend is geweest tot het aangaan  van het tussen partijen gesloten huwelijk. Echter  heeft gedaagde het  geloof der Jehova’s getuigen reeds geruime tijd verlaten en pleegt  herhaaldelijk handelingen die in strijd zijn met het geloof.

Ondermeer zij vermeld:

reeds geruime tijd worden fundamentele regels der Jehova’s Getuigen  door gedaagde op flagrante  wijze geschonden, hetgeen voor eiseres volstrekt onaanvaardbaar is;

– zo is gedaagde vervallen tot het ontplooien van politieke activiteiten, nota bene, binnen de echtelijke woning, wetend dat zulks ten ene male in  strijd is met de regels van het geloof.

Door deze handelwijze van gedaagde ontstaan er talrijke spanningen die  het leven van eiseres tot een ware hel maken.

– Reeds geruime tijd heeft gedaagde het gezinsleven volkomen  ontwricht door zich te ontrekken aan iedere vorm van normale  communicatie. Eiseres moet daarbij met lede ogen toezien dat  gedaagde de door haar bereide maaltijden weigert, in stede daarvan brengt zijn voormalige echtgenote iedere dag voedsel voor hem die dan demonstratief door hem in bijzijn van eiseres wordt genuttigd.

– Eiseres wordt door gedaagde regelmatig getreiterd en beledigd en  geestelijk gemarteld, waarbij gedaagde niet schroomt om eiseres bijnamen te benoemen en eiseres te vergelijken met lelijke dieren;

– Gedaagde  is een habituele gokker en vergokt daardoor de schaarse  middelen van het gezin;

  1. dat eiseres gerechtigd is op bovengenoemde grond tegen gedaagde  een vordering in te stellen tot echtscheiding.
  2. dat de echtelijke woning met inboedel in eigendom aan eiseres toebehoort en dientengevolge eiseres haar eigendomsrechten met  uitsluiting van gedaagde zal mogen uitoefenen met dien verstande dat zij niet verplicht zal zijn om gedaagde toe te laten tot de echtelijke woning  gedurende de loop van het geding.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

1a. tussen partijen op 25 mei 2001 in het ressort [plaats] met elkander gehuwd, de echtscheiding zal worden uitgesproken.

1b. te beschikken dat gedaagde binnen 1 maand na heden de echtelijke woning zal verlaten en eiseres niet verplicht zal zijn hem wederom de vrije toegang te verlenen.

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

  1. dat indien er sprake  is van ontwrichting van het gezin, hieraan met counseling zou kunnen worden gewerkt; indien er evenwel rechtens komt vast te staan, dat er sprake is van duurzame ontwrichting, dan is zulks te wijten aan eiseres zelf. In dat geval beroept gedaagde zich op artikel 263 Burgerlijk Wetboek, waarin wordt bepaald dat “de vordering tot echtscheiding wordt afgewezen, indien de duurzame ontwrichting in overwegende mate te wijten is aan de echtgenoot die de vordering heeft ingesteld, en de andere echtgenoot deswege tegen die vordering verweer voert”.
  2. dat toewijzing van de onder 1a van eiseres’s inleidend verzoekschrift gevorderde ontbinding van een huwelijk dat in het ressort Paramaribo zou zijn gesloten, terwijl genoemd ressort niet bestaat, naar gedaagde’s bescheiden mening, niet mogelijk is. 
  3. dat eiseres in het gevorderde onder 1.b. van haar   verzoekschrift, niet ontvankelijk dient te worden verklaart, aangezien zij niet over een executoriale titel beschikt (zie  Kort Geding DE MEES ca.  HIRALAL).

Gedaagde verzoekt de Kantonrechter, derhalve, voorbij te gaan, c.q. af te wijzen, al hetgeen door eiseres is gevorderd, aangezien:

A. toewijzing van de onder 1.a. van het verzoekschrift van eiseres gevorderde ontbinding van een huwelijk dat zou zijn voltrokken in een ressort dat niet bestaat (ressort [plaats]), niet mogelijk is;

B. op grond van het bepaalde in artikel 263 BW, de door eiseres gevorderde ontbinding niet kan worden toegewezen;

C. eiseres niet over een executoriale titel beschikt.

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter  bij vonnis van 19 oktober 2005 op de daarin opgenomen gronden:

De echtscheiding tussen [appellant] en [geïntimeerde], gehuwd op 25 mei 2001 te Paramaribo heeft uitgesproken;

De proceskosten heeft gecompenseerd tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal d.d. 17 november 2005 [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 19 oktober 2005;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Hariette Beatrix Verwey van 19  april 2006 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de gemachtigde  van appellant een memorie van grieven heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van geïntimeerde bij antwoord pleidooi producties heeft overgelegd, wordende de inhoud – alsmede die van de overgelegde produkties – hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, tussen appellant (toen gedaagde) en  geïntimeerde toen eiseres op 19 oktober 2005 in de zaak bekend onder Algemeen Register nummer 044267 eindvonnis is gewezen en uitgesproken, waarvan het dictum luidt:

– Spreekt uit de echtscheiding tussen [appellant] en [geïntimeerde], gehuwd op 25 mei 2001 te [plaats].

– Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen  kosten draagt.

Overwegende, dat, appellant tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld en wel  op 17 november 2005;

Overwegende, dat, appellant tegen het beroepen vonnis de navolgende grieven heeft  ontwikkeld  en voorgesteld, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Grief 1: de Kantonrechter heeft in het petitum in plaats van “het ressort [plaats]” gelezen  “het district [plaats]” hetgeen een inhoudelijke wijziging is van het in leidende  verzoekschrift en derhalve in strijd is met de wet.

Grief 2: De Kantonrechter heeft met een veronachtzaming van het verweer van appellant in eerste  aanleg gevoerd en hierop neerkomende dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk te  wijten was aan de verzoekster in eerste aanleg, in het midden gelaten aan wiens handeling de  duurzame ontwrichting te wijten was, en appellant toen gedaagde, getypeerd en  gekwalificeerd als de schuldige, hetgeen niet juist beoordeeld is.

Overwegende, dat geïntimeerde tegen de eerste grief ondermeer heeft aangevoerd dat deze  grief ongegrond is omdat het verbeterd lezen van het petitum, geen inhoudelijke beslissing is  van de Kantonrechter;

Overwegende aangaande voormelde grief 1, dat het Hof van oordeel is dat, nu in het, overigens niet door appellant betwiste, bewijs van de huwelijksvoltrekking afgegeven door de  Burgerlijke stand van Suriname, staat dat het huwelijk is voltrokken te [plaats], er in het petitum van het inleidende verzoekschrift sprake is van een kennelijke verschrijving; dat de Kantonrechter daarom terecht deze kennelijke verschrijving verbeterd heeft gelezen; dat van een inhoudelijke wijziging van het verzoekschrift geenszins sprake is en dat het Hof deze  grief dan ook verwerpt;

Overwegende, dat geïntimeerde tegen de tweede grief ondermeer heeft aangevoerd dat  het onbetwist is dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en dat die duurzame ontwrichting  in overwegende mate aan appellant te wijten was nu het gemeenschappelijk belijden van  het geloof der Jehova’s  Getuigen de grondslag vormde van het huwelijk van partijen en  appellant een afvallige van het geloof is geworden zodat dit  de belangrijkste  reden was  waarom zij de vordering tot echtscheiding heeft ingediend;

Overwegende aangaande voormelde grief 2, dat uit de door partijen aangedragen feiten en  omstandigheden vaststaat, dat het huwelijk der partijen duurzaam is ontwricht en dat die  duurzame ontwrichting naar Hofs oordeel aan ieder der partijen in belangrijke mate te wijten is;

Overwegende voorts, dat in punt 5 van de Memorie van Toelichting van het herziene  Huwelijksrecht 1973 is verwoord, dat de duurzame ontwrichting  van het huwelijk de wettelijke  grondslag vormt voor de vordering tot echtscheiding; dat de voornaamste vraag in dat geval  niet is of een der echtgenoten zich aan bepaalde gedragingen heeft schuldig gemaakt, maar  of het huwelijk als ontwricht beschouwd moet worden en herstel van dragelijke verhoudingen redelijkerwijs niet te verwachten is; dat de schuldvraag daarbij juridisch niet relevant is, behalve in geval dat datgene die de echtscheiding vordert de duurzame  ontwrichting heeft veroorzaakt en dus die ontwrichting in overwegende mate aan diens schuld te wijten is; dat in dat geval de vordering wordt afgewezen; dat laatstvermelde uitzonderinge situatie  in casu niet aan de orde is daar reeds is komen vast te staan dat de schuld van de  duurzame ontwrichting aan zowel appellant als geïntimeerde, ieder in belangrijke mate, te  wijten is;

Overwegende gelet op het voorgaande, dat het Hof van oordeel is dat de door appellant ontwikkelde grief 2 eveneens geen doel treft en dat de Kantonrechter terecht de vordering tot  echtscheiding  heeft toegewezen op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk, evenwel is die grond naar de mening van het Hof onvoldoende met redenen omkleed omdat daarin de beantwoording van de schuldvraag niet blijkt terwijl de Kantonrechter daar wel op  had moeten ingaan;

Overwegende, dat derhalve het vonnis  van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 19 oktober 2005 (A.R.No.044267) waarvan beroep onder aanvulling van gronden zal worden bevestigd;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt onder aanvulling  van de gronden, het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen  en uitgesproken op 19 oktober 2005, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen tot dusver begroot op SRD……….. 

Met inbegrip van de door het Hof aan diens  advocaat voor de door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD………………

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellant eveneens op SRD…………..

 

Aldus gewezen door de heren: Mr. D. D. Sewratan, Fungerend-

President, Mr. H. E. Struiken, Lid en Mr. A. Charan, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 mei 2008, in tegenwoordigheid van Mr. R. R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

w.g. R. R. Brijobhokun    w.g. D. D. Sewratan

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat Mr. H. Matawli namens advocaat Mr. E. De Noten, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

                                                                             

SRU-HvJ-2008-9

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO.14322 

 

ESSO STANDARD OIL S.A. LIMITED (BAHAMAS), rechtspersoon naar het recht van de Bahamas, mede kantoorhoudende aan de van ’ t Hogerhuysstraat no.17 te Paramaribo, ten deze domicilie kiezende aan de Costerstraat no.27, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.J.Blufpand, advokaat,

appellant in Kort Geding,                             

                                 t   e  g  e  n 

[Geïntimeerde], wonende aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Matagauriweg no.2 ten kantore van Mr.H.O.J.Lowe, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.O.J.Lowe, advokaat,

geintimeerde in Kort Geding,

 

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hovens interlocutoir vonnis van 24 augustus 2007 tussen 

partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hovens voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter comparitiezitting van 16 november 2007, de Rechter-Commissaris  het voorstel doet aan beide procespartijen om over een lumpsum te onderhandelen. Uitdrukkelijk deelt de Rechter-Commissaris mede dat partijen niet over het kosten aspect gaan onderhandelen, waarna de zaak verwezen werd naar de comparitiezitting van 23 november 2007 inzake voortzetting comparitie van partijen;

Overwegende, dat ter comparitiezitting van 23 november 2007, de gemachtigde van appellante, advokaat Mr.R.J.Blufpand heeft verklaard: “Woensdag j.l. 21 november 2007 hebben wij, mijn collega en ik, een bespreking gevoerd in Hotel Torarica. Er is uitgebreid gesproken over wat partijen verdeeld houdt, maar er is geen overeenstemming bereikt. Namens appellante wordt het Hof verzocht in de onderhavige zaak vonnis te wijzen”, waarna de zaak verwezen werd naar de rolzitting van 7 december 2007 inzake uitlating zijdens geïntimeerde;

Overwegende, dat de gemachtigde van geïntimeerde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating omtrent schikking heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat nu de zijdens het Hof ondernomen poging partijen in de onderhavige  zaak tot een vergelijk te doen komen, tevergeefs is geweest, zal het Hof, conform het zijdens partijen gedaan verzoek daartoe, beslissen als in het dictum van dit vonnis te melden;

Overwegende, dat nu, naar het Hof gebleken is, deze zaak niet spoedeisend is en in ieder geval zonder groot, laat staan onherstelbaar nadeel uitstel gedoogde, zal het Hof alsnog doende hetgeen de Kantonrechter in kort geding had moeten doen, onder vernietiging van het tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis de dato 27 april 2006 – partijen naar de gewone wijze van rechtspleging verwijzen ten einde voort te procederen;

Overwegende, dat het Hof de kosten van het onderhavige geding in beide instanties ten laste brengt van de  partij die uiteindelijk in het ongelijk zal worden gesteld;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in Kort Geding, gewezen en uitgesproken in de zaak tussen geïntimeerde als de eiser en appellante  als gedaagde en bekend in het  Algemeen Register onder nummer 05/5017;

EN VOORTS OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verwijst partijen naar de gewone wijze van rechtspleging ten einde voort te procederen;

Brengt de kosten van het onderhavige Kort Geding in beide instanties ten laste van diegene van partijen die uiteindelijk in het ongelijk zal worden gesteld;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.D.D.Sewratan, Lid en Mr.A.Charan, Lid-Plaatsvervanger  en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 18 januari 2008, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

          

Partijen, vertegenwoordgd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.R.J.Blufpand en Mr.H.O.J.Lowe, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.                                                                                            

                                                                                         

 

SRU-HvJ-2008-8

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME 

GENERALE ROL: 14342

 

  1. [Appellant sub A], rechtspersoon, thans gevestigd en kantoorhoudende [plaats] aan [straatnaam 1], voorheen bekend onder de vennootschappelijke naam “NV VSH Servicemij. United Suriname Service Company”;
  2. [Appellant sub B],  wonende te [plaats] aan [straatnaam 2], ten deze domicilie kiezende aan de Dr.Einaarstraat no. 8, 

door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld,  mr. F. F. P. Truideman, advocaat,

appellanten,

                             t e g e n

[Geïntimeerde], weduwe van [naam 1], wonende [plaats], ten deze domicilie kiezende aan de Henck Arronstraat no. 50, bij het Advocatenkantoor Carrilho / Kensmil, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. R. L. Kensmil, advocaat,

geïntimeerde,

 

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende  vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 3 juni 2003 en 15 mei 2006 tussen partijen gegeven;
  1. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 29 mei 2006, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten;

 

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geintimeerde]als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Dat eiseres de navolgende vordering wenst in te stellen tegen:
    A. [Appellant sub A], rechtspersoon, thans gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] aan [straatnaam 1], voorheen bekend onder de vennootschappelijke naam “NV VSH Servicemij. United Suriname Service Company”;
    B. [Appellant sub B], wonende te [plaats] aan [straatnaam 2], gedaagden;
    2. Dat blijkens de hierbij in fotocopie overgelegde Verklaring van Erfrecht opgemaakt door de te Paramaribo residerende notaris Mr. L. D. Hirasing, eiseres in gemeenschap van goederen gehuwd is geweest met haar op 28 januari 2002, te Paramaribo ab intestato overleden echtgenoot, [naam 1], uit welk huwelijk geboren is het nog in leven zijnde minderjarig kind [naam 2], over welk minderjarig kind eiseres van rechtswege de voogdij uitoefent; (Produktie 1)
    3. Dat blijkens voorschreven Verklaring van Erfrecht, eiseres en haar voornoemd minderjarig kind, de enigen zijn die gerechtigd zijn tot de onverdeelde nalatenschap van haar overleden echtgenoot;
    4. Dat tot de onverdeelde nalatenschap van de overleden echtgenoot van eiseres onder meer behoren 3150 (drieduizend eenhonderdenvijftig) der 6300 (zesduizenddriehonderd) geplaatste aandelen van het maatschappelijk kapitaal van gedaagde sub A.
    Als bewijs overlegt eiseres hierbij in fotocopie:
    Een exemplaar van de notulen van een op 25 juni 1998 te [plaats] gehouden Algemene Vergadering van aandeelhouders der genoemde vennootschap, waaruit blijkt, dat de overleden echtgenoot van eiseres destijds als enige aandeelhouder, tevens direkteur der vennootschap, als voorzitter der gehouden algemene vergadering van aandeelhouders is opgetreden (Produktie II)
    – Een exemplaar van de Statuten der Vennootschap (Produktie III)
    Een exemplaar van een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel te [plaats] d.d. 25 maart 2002, betreffende de inschrijving der vennootschap in vorenbedoeld register; (Produktie IV)
    5. Dat door voorschreven naamloze vennootschap in het gebouw gelegen te [plaats] aan [straatnaam 1], een winkelbedrijf voor de verkoop van onder meer tweede-handse auto-onderdelen wordt geëxploiteerd;
    6. Dat blijkens de hiervoren overgelegde Verklaring van Erfrecht, ingevolge de wet eiseres pro se en qualitate qua, de enige die gerechtigd is de rechten die verbonden zijn aan de tot de onverdeelde nalatenschap van haar overleden echtgenoot behorende 3150 aandelen in het maatschappelijk kapitaal van gedaagde sub A, uit te oefenen;
    7. Dat eiseres hierbij in fotocopie overlegt de notulen van de op 20 maart 2002, ten kantore van de notaris Ramdew Ramauter, gehouden bijzondere Algemene Vergadering van aandeelhouders van gedaagde sub A (Produktie V);
    8. Dat blijkens de overgelegde notulen der gehouden Bijzondere Algemene Vergadering van aandeelhouders der Vennootschap, ter vergadering aanwezig zijn geweest:
    – Gedaagde sub B, rechtmatig vertegenwoordigende 3150 (drieduizendeenhonderdenvijftig) der 6300 (zesduizenddriehonderd) der geplaatste aandelen van het maatschappelijk kapitaal van voorschreven vennootschap, welke door haar rechtmatig zijn verworven blijkens de hierbij in fotocopie overgelegde akte van eigendomsoverdracht d.d. 24 augustus 2000 opgemaakt en ondertekend door de erflater van eiseres; (Produktie VI)
    – Eiseres, rechtmatig vertegenwoordigende de overige 3150 aandelen van het maatschappelijk kapitaal der vennootschap, blijkende uit de hiervoren overgelegde Produktie II;
    9. Dat blijkens de overgelegde notulen ter vergadering voorts aanwezig zijn geweest:
    – [naam 3], ter vergadering vertegenwoordigd door gedaagde sub B, krachtens een onderhandse akte van volmacht,;
    – [Naam 4];
    – [Naam 5];
    10. Dat blijkens de notulen der vergadering de in het voorgaande sustenu genoemde personen zich ter vergadering als aandeelhouders der vennootschap zouden hebben gelegitimeerd middels akten van eigendomsverkrijging d.d. 26 juli 2000, elk vertegenwoordigende respectievelijk 650 (zeshonderdenvijftig) aandelen; 650 (zeshonderdenvijftig) aandelen en 850 (achthonderdenvijftig) aandelen in het maatschappelijk kapitaal;
    Eiseres wenst hierbij aan te tekenen, dat inzage van de hierboven bedoelde akten van eigendomsverkrijging, haar ter vergadering werd geweigerd, ondanks een daartoe gedaan verzoek;
    11. Dat bedoelde akten van eigendomsverkrijging van aandelen der vennootschap van de in het 8e sustenu genoemde personen als bijlagen werden gevoegd aan de aan eiseres door de notulist in afschrift toegezonden notulen, welke door hem van de gehouden vergadering van aandeelhouders zijn opgemaakt;

12. Dat eiseres nadrukkelijk wenst te stellen en hierbij aan te tekenen, dat de akten van eigendomsverkrijging van aandelen in de vennootschap der in het 8e sustenu genoemde personen, welke in fotokopie als Productie VII, VIII en IX aan de rechter worden overgelegd, vals zijn, althans valselijk zijn opgemaakt en ondertekend;

Eiseres verzoekt de rechter de hierboven overgelegde producties onder 1 tot en met IX als hierbij ingelast en geïnsereerd te beschouwen;
13. Dat eiseres de in het voorgaande sustenu bedoelde akten van eigendomsverkrijging van aandelen in het maatschappelijk kapitaal van gedaagde sub A, nadrukkelijk van valsheid wenst te betichten, aangezien eiseres de onder bedoelde akten geplaatste handtekening van de vervreemder der genoemde aandelen niet als handtekening van haar erflater erkent;
14. Dat eiseres wenst aan te tekenen, dat bij tegenspraak door gedaagden van het door eiseres in het 11e en 12e sustenu gestelde, gedaagden de echtheid der akten van eigendomsverkrijging der in het 8e  sustenu genoemde personen, zij gedaagden, de echtheid van bedoelde akten ingevolge de wet dan in rechte zullen moeten bewijzen;
15. Dat blijkens de hiervoren overgelegde notulen der gehouden Bijzondere Algemene Vergadering van aandeelhouders der vennootschap d.d. 20 maart 2002, de besluiten ter vergadering genomen, met name het besluit tot aanwijzing van gedaagde sub B als voorzitter der gehouden vergadering en het besluit genomen onder agenda punt 3 tot benoeming van gedaagde sub B tot directeur der vennootschap, met een meerderheid der uitgebrachte stemmen zouden zijn aangenomen;
16. Dat eiseres hierbij wenst aan te tekenen, dat blijkens de overgelegde notulen, zij eiseres, rechtmatig vertegenwoordigende 3150 der geplaatste aandelen van het maatschappelijk kapitaal, nadrukkelijk tegen zowel het voorstel tot de aanwijzing van gedaagde sub B als voorzitter der gehouden vergadering alsook tegen het voorstel tot de benoeming van gedaagde sub B tot directeur der vennootschap heeft gestemd, terwijl gedaagde sub B rechtmatig vertegenwoordigende 3150 aandelen ten gunste van bedoelde voorstellen heeft gestemd, weshalve ter vergadering van een staking der rechtens uitgebrachte stemmen sprake is geweest;
17. Dat de in de notulen gestelde meerderheid waarmee bedoelde voorstellen zouden zijn aangenomen, slechts is bereikt door het bijwonen der gehouden vergadering van aandeelhouders, door de in het 8e  sustenu genoemde personen, die evenwel geen, althans geen rechtmatige aandeelhouders zijn, weshalve het uitbrengen van stemmen door bedoelde personen over bedoelde besluiten als zijnde in strijd met de wet en met de Statuten der vennootschap, onrechtmatig is geweest, weshalve de besluiten tot de aanwijzing van gedaagde sub B tot voorzitter der vergadering en het besluit tot benoeming van gedaagde sub B tot directeur der vennootschap nietig zijn;
18. Dat het eiseres is gebleken, dat gedaagde sub A aan gedaagde sub B reeds gelegenheid verschaft om als directeur der voorschreven naamloze vennootschap op te treden, terwijl gedaagde reeds handelingen als zodanig verricht, waaronder het vervreemden van goederen behorende tot het vermogen van voorschreven vennootschap;
19. Dat gedaagden door als voorschreven te handelen zich jegens de overige aandeelhouders der vennootschap en hun rechthebbenden, waartoe eiseres in privé en q.q. gerechtigd tot de helft der geplaatste aandelen van het maatschappelijk kapitaal van voorschreven vennootschap behoort, schuldig maken aan een onrechtmatige daad, waardoor aan hen schade wordt toegebracht;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep:
I. 

Primair:
Voor recht te verklaren, dat de besluiten genomen op de op 20 maart 2002, in het gebouw aan de Heerenstraat no.6 te Paramaribo gehouden bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders van de [appellant sub A], met name het besluit tot aanwijzing van gedaagde sub B tot voorzitter der gehouden vergadering en het besluit tot benoeming van gedaagde sub B tot directeur der vennootschap nietig zijn, als zijnde besluiten genomen in strijd met de wet en de Statuten der vennootschap;
Subsidiair:
De besluiten genomen op de op 20 maart 2002, in het gebouw aan de Heerenstraat no.6 te Paramaribo gehouden bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders van de [appellant sub A], met name het besluit tot aanwijzing van gedaagde sub B tot voorzitter der gehouden vergadering en het besluit tot benoeming van gerekestreerde sub B tot directeur der vennootschap, als zijnde besluiten genomen in strijd met de wet en de Statuten der vennootschap, te vernietigen;
II. de besluiten genomen op de op 20 maart 2002 te Paramaribo gehouden bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders van de [appellant sub A], gevestigd en kantoorhoudende aan [straatnaam 1], met name het besluit tot aanwijzing van gedaagde sub B tot voorzitter der gehouden vergadering en het besluit genomen onder agendapunt 3 van de agenda der vergadering om gedaagde sub B tot directeur der vennootschap te benoemen te schorsen, althans op te schorten, totdat in het door eiseres tegen gedaagde sub B aanhangig gemaakte vordering ten principale over de rechtmatigheid der besluiten zal zijn beslist;
III. Gedaagde sub A te  gelasten om gedaagde sub B te verbieden als haar directeur op te treden en of als zodanig handelingen van welke aard dan ook te verrichten;
IV. Gedaagde sub B te verbieden om enige handeling als directeur der voorschreven naamloze vennootschap te verrichten of te doen verrichten, het openstellen van het winkelbedrijf van de vennootschap, gevestigd te [plaats] aan [straatnaam 1] inbegrepen, totdat over de rechtmatigheid van haar benoeming tot directeur der vennootschap in rechte zal zijn beslist, ingevolge de door eiseres daartoe ingestelde rechtsvordering ten principale;
V. Gedaagden te veroordelen tot een dwangsom van Sf. 20.000.000,= (Twintigmiljoengulden) aan de overige rechtmatige aandeelhouders der vennootschap c.q. eiseres te betalen, voor iedere keer, dat zij het door de rechter te geven verbod overtreedt;
VI. Gedaagden te  veroordelen in de kosten van het geding. 

Overwegende, dat te dienende dage, partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigde, advocaten mr. R. L. Kensmil en mr. F. F. P. Truideman, ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiseres alvorens voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift te concluderen een conclusie tot aanvulling en verbetering rekest heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat [appellant sub A] en [appellant sub B] als gedaagden partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – onder overlegging van productie’s, welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiseres haar vordering zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen  althans haar in deze niet ontvankelijk te verklaren;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusie van repliek onder overlegging van producties, welke hier als ingelast dient te worden beschouwd en bij conclusie van dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 3 juni 2003 in de daarin opgenomen gronden alvorens verder te beslissen een comparitie van partijen heeft gelast en iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat de door Kantonrechter bevolen comparitie van partijen is gehouden op 20 november 2003 waarvan een proces-verbaal is opgemaakt welke hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiseres hierna een conclusie  na gehouden comparitie van partijen heeft genomen, onder overlegging van producties, waarvan de inhoud – alsmede die van de overgelegde producties – hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde eveneens een conclusie na gehouden comparitie van partijen heeft genomen, waarna vonnis is bepaald; 

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 15 mei 2006 op de daarin opgenomen gronden:

Voor recht heeft verklaard dat de besluiten, genomen op de op 20 maart 2002 in het gebouw aan de Heerenstraat no. 6 gehouden bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders van de [appellant sub A] nietig zijn, met name het besluit tot aanwijzing van [APPELLANT SUB B] tot voorzitter der gehouden vergadering en het besluit tot benoeming van [APPELLANT SUB B] tot directeur der vennootschap.

De besluiten genomen op de voornoemde vergadering heeft geschorst, met name het besluit tot aanwijzing van [APPELLANT SUB B] tot voorzitter der gehouden vergadering en het besluit tot benoeming van [APPELLANT SUB B] tot directeur der vennootschap, totdat in het door [GEINTIMEERDE] tegen [APPELLANT SUB B] aanhangig gemaakte vordering ten principale over de rechtmatigheid der besluiten zal zijn beslist. 

[APPELLANT SUB A]. heeft gelast om [APPELLANT SUB B] te verbieden als haar directeur op te treden en of als zodanig handelingen van welke aard dan ook te verrichten. 

[APPELLANT SUB B] heeft verboden om enige handeling als directeur van [appellant sub A] te verrichten of te doen verrichten, inbegrepen het openstellen van het winkelbedrijf van de vennootschap, gevestigd te Paramaribo aan [straatnaam 1]. 

Gedaagden heeft veroordeeld om aan [GEÏNTIMEERDE] te betalen een dwangsom van SRD. 20.000= (twintigduizend Surinaamse Dollars), voor iedere keer dat zij in strijd handelen met dit vonnis. 

Dit vonnis voor wat betreft het condemnatoir gedeelte, 5.2 tot en met 5.5 uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. 

Gedaagden heeft veroordeeld in de kosten aan de zijde van [GEÏNTIMEERDE] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 50, 28 (vijftig en 28/100 Surinaamse Dollars). 

Het meer of anders gevorderde heeft afgewezen. 

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal d.d. 29 mei 2006 [appellant sub A] en [APPELLANT SUB B]  in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis van 15 mei 2006;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Denny Armand van Brussel van 26 maart 2007 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt,  dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellanten bij pleitnota  producties overgelegd, wordende de inhoud – alsmede die van de overgelegde producties – hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier, tussen de eiseres als geïntimeerde en gedaagden als appellanten in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer 12/1443 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 15 mei 2006 vonnis gewezen en uitgesproken is, waarvan het dictum luidt:
5.1. Verklaart voor recht dat de besluiten, genomen op de op 20 maart 2002 in het gebouw aan de Heerenstraat no.6 gehouden bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders van [appellant sub A] nietig zijn, met name het besluit tot aanwijzing van [APPELLANT SUB B] tot voorzitter der gehouden vergadering en het besluit tot benoeming van [APPELLANT SUB B] tot directeur der vennootschap.
5.2. Schorst de besluiten genomen op de voornoemde vergadering, met name het besluit tot aanwijzing van [APPELLANT SUB B] tot voorzitter der gehouden vergadering en het besluit tot benoeming van [APPELLANT SUB B] tot directeur der vennootschap, totdat in het door [GEÏNTIMEERDE] tegen [APPELLANT SUB B] aanhangig gemaakte vordering ten principale over de rechtmatigheid der besluiten zal zijn beslist.
5.3. Gelast [APPELLANT SUB A] om [APPELLANT SUB B] te verbieden als haar directeur op te treden en of als zodanig handelingen van welke aard dan ook te verrichten.
5.4. Verbiedt [APPELLANT SUB B] om enige handeling als directeur van [appellant sub A] te verrichten of te doen verrichten, inbegrepen het openstellen van het winkelbedrijf van de vennootschap, gevestigd te [plaats] aan [straatnaam 1].
5.5. Veroordeelt gedaagden om aan [GEÏNTIMEERDE] te betalen een dwangsom van SRD 20.000,– (twintigduizend Surinaamse Dollars), voor iedere keer dat zij in strijd handelen met dit vonnis.

5.6  Verklaart dit vonnis voor wat betreft het condemnatoir gedeelte, 5.2 tot en met 5.5 uitvoerbaar bij voorraad.
5.7. Veroordeelt gedaagden in de kosten aan de zijde van [GEÏNTIMEERDE] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 50,28 (Vijftig en 28/100 Surinaamse Dollars).
5.8. Wijst af het meer of anders gevorderde. 

Overwegende, dat appellanten als gedaagden in eerste aanleg niet persoonlijk bij de uitspraak in prima tegenwoordig zijn geweest en daarbij evenmin aanwezig was de advocaat, die volgens dat vonnis als hun gemachtigde optrad; 

Overwegende, dat, naar voorts uit het procesdossier blijkt, appellanten bij schrijven van hun advocaat, mr. F. F. P. Truideman, de dato 29 mei 2006 van het vonnis de dato 15 mei 2006 in hoger beroep zijn gekomen; 

Overwegende, dat, naar luid van artikel 264 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de termijn voor hoger beroep dertig dagen is gerekend van de dag der uitspraak of, indien de eiser in beroep bij de uitspraak niet tegenwoordig is geweest, van de dag waarop het eindvonnis hem volgens dit Wetboek is medegedeeld; 

Overwegende, dat de wetgever in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft voorgeschreven, dat de Griffier aan een partij die bij de uitspraak van een eindvonnis niet in persoon of bij gemachtigde tegenwoordig is, de inhoud van dat vonnis bij aangetekende dienstbrief moet mededelen; dat de bedoeling van deze wetsbepaling geen andere kan zijn dan dat ook de bij de uitspraak afwezige partijen van de inhoud van het eindvonnis op de hoogte zullen zijn, opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden; 

Overwegende, dat, naar het Hof gebleken is, de Kantonrechter conform het bepaalde in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de inhoud van het vonnis de dato 15 mei 2006 aan de appellanten bij aangetekende dienstbrief de dato 19 juni 2006 heeft doen mededelen; 

Overwegende, dat appellanten in casu conform artikel 264 lid 3 van gemeld Wetboek binnen dertig dagen nà 19 juni 2006 in hoger beroep hadden moeten komen van het vonnis de dato 15 mei 2006 en nu zij dat niet hebben gedaan is gemeld vonnis sedert 19 juni 2006 in kracht van gewijsde gegaan en mitsdien onherroepelijk geworden; 

Overwegende, dat het Hof mitsdien beslissen zal als in het dictum van dit vonnis te vermelden; bespreking van de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven geheel in het midden latend;
                      RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP

Verklaart appellanten niet ontvankelijk in hun tegen het vonnis de dato 15 mei 2006 aangetekend appel; 

Veroordeelt appellanten in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op SRD. 350,–; 

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD. 350,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellanten eveneens op SRD. 350,–.

Aldus gewezen door de heren: mr. J. R. Von Niesewand, President, mr. D. D. Sewratan, Lid en mr. A. Charan, Lid-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 16 mei 2008, in tegenwoordigheid van mr. R. R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

w.g. R. R. Brijobhokun        w.g. J. R. Von Niesewand

 

Partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advocaten mr. F. F. P. Truideman en mr. R. L. Kensmil, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

                                                                                                  

SRU-HvJ-2008-7

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL: 14350

 

[Appellant], wonende aan de [straatnaam] in het [district], ten deze domicilie kiezende aan de Prins Hendrikstraat no.43, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F. M. S. Ishaak, advocaat,

appellant,

t e g e n

[Geïntimeerde], wonende aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Kromme Elleboogstraat no. 3 ten kantore van het advocatenkantoor “METRIKO”, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. I. D. Kanhai, advocaat,

geïntimeerde,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende  vonnis  uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 oktober 2004 tussen partijen gegeven;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 12 november 2004, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

 TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

2 (lees: 1) dat eiser de hierna volgende vordering wenst in te stellen tegen a. [Gedaagde sub A] wonende aan de [straatnaam] in het [district] hierna te noemen gedaagde sub a

b. [Appellant], wonende aan de [straatnaam] in het [district] hierna te noemen gedaagde sub b

3 (lees: 2). dat de gedaagde sub a en gedaagde sub b met elkaar hebben een arbeidsrelatie. De gedaagde sub a is in dienst van de gedaagde sub b in de funktie  van hyster (heftruck) operator;

4 (lees: 3). dat de gedaagde sub a doende is geweest op 2 september 1999 een heftruck met draaiende motor te repareren, waarna de heftruck op hol is geslagen. De gedaagde sub a heeft gepoogd om de heftruck tot staan te brengen doch kwam hij tegen een aantal buizen aan waardoor de bromfiets  van eiser compleet werd beschadigd;

5 (lees: 4). dat door de gedaagde sub b een claim is ingediend doch de verzekeringsmaatschappij niet bereid is de schade uit te betalen één en ander vanwege het feit dat de gedaagde sub a niet in het bezit is van een rijbewijs. Een kopie uittreksel van de politie wordt hierbij ingesloten met het verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen aanmerken;

6 (lees: 5). dat de eiser door de handelwijze  van de gedaagde sub a erg veel schade  heeft geleden. De gedaagde sub a heeft naar het de eiser voorkomt niet de nodige zorgvuldigheid in acht genomen bij het repareren van de heftruck, terwijl daarenboven de remmen van de heftruck niet in orde waren, althans niet goed functioneerden, hetgeen de gedaagde sub a wist en of behoorde te weten;

7. dat de gedaagde sub b in zijn hoedanigheid als werkgever mede aansprakelijk is, althans is hij verantwoordelijk voor het verschaffen van ondeugdelijke machines;

8. dat de schade die eiser lijdt en nog zal lijden in totaal is begroot alsvolgt:

aanschaf nieuwe bromfiets Sf. 3.500.000

kosten vervanging vervoer ten behoeve van eiser Sf. 3.500.000

totaal Sf. 7.000.000

9. dat de gedaagden bij schrijven van de procesgemachtigde d.d. 23 mei 2001 zijn aangeschreven en gesommeerd de door eiser geleden schade te  voldoen. De gedaagden hebben zonder opgaaf van redenen zulks nagelaten en  blijven zij persisteren in hun wanpresterende houding.

10. dat de gedaagden door te handelen als hierboven de betamelijke  zorgvuldigheid jegens andermans goed en of recht hebben veronachtzaamd, althans inbreuk hebben gepleegd op het recht van eiser waardoor eiser schade lijdt zoals hierboven aangegeven.

11. dat het de eiser niet is gelukt het geschil hiergenoemd naar  tevredenheid in der minne af te doen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar zal worden verklaard bij voorraad op de minuut en  op alle dagen en uren, gedaagden des de een betalende de andere zal zijn  bevrijd zal worden veroordeeld alsvolgt:

  1. gedaagden des de een betalende de andere zal zijn bevrijd om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te voldoen de somma van 

SF 7.000.000 (zeven miljoen Surinaamse guldens)

  1. gedaagden zal worden veroordeeld  in de kosten van het geding.

Overwegende, dat [gedaagde sub A] en [appellant] partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser  niet in zijn vordering wordt ontvangen althans, dat deze hem wordt ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen: Kosten rechtens;

Overwegende, dat partijen vervolgens  bij conclusies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 19 oktober 2004 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagden heeft veroordeeld des de één betalende  de andere zal zijn bevrijd om tegen behoorlijke bewijs van kwijting aan eiser te betalen de som van Sf.3.500.000,– (Srd.3.500,–), althans de tegenwaarde daarvan in Srd, vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% s’ jaars vanaf 30 juli 2001 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.

De proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Het meer of anders gevorderde heeft afgewezen.

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal d.d. 12 november 2004 [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 19 oktober 2004;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Tjanderdewkoemar Jhagroe van 7 mei 2007 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt,  dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellant bij pleitnota produkties overgelegd, wordende de inhoud – alsmede die van de overgelegde – produkties hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden. 

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier, tussen  appellant als gedaagde sub B en geïntimeerde als eiser  op 19 oktober 2004 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton vonnis gewezen en uitgesproken is in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer  01/2920 waarvan het dictum luidt:

3.1. Veroordeelt gedaagden  des de een betalende de andere zal  zijn bevrijd om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen de som van Sf.3500.000,–,althans de tegenwaarde daarvan in SRD.3.500,–, zijnde vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% ’s jaars vanaf 30 juli 2001 tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

3.3. Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.4. Wijst het meer of anders gevorderde af.

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt, gedaagde sub B bij schrijven van zijn procesgemachtigde de dato 12 november 2004, appel heeft aangetekend tegen het vonnis, gewezen en uitgesproken op 19 oktober 2004;

Overwegende, dat appellant als gedaagde sub B in eerste aanleg noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting was verschenen;

Overwegende, dat de wetgever in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft voorgeschreven, dat de Griffier aan een  partij, die bij de uitspraak  van een eindvonnis niet in persoon of bij gemachtigde tegenwoordig is, de inhoud van dat vonnis bij aangetekende  dienstbrief moet mededelen;

dat de bedoeling van deze  wetsbepaling geen andere kan zijn dan dat ook de bij de uitspraak afwezige partijen van de inhoud van het eindvonnis op de hoogte zullen zijn, opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden;

Overwegende, dat nu zijdens appellant het tegendeel niet gesteld is en hij dat ook  niet heeft doen blijken, het Hof ervan uitgaat en tussen partijen als rechtens vaststaand aanneemt, dat de dienstbrief, zich in het procesdossier bevindend en van 15 november 2005 daterend, hem – appellant – alstoen wel heeft bereikt;

Overwegende, dat nu appellant, naar eerder overwogen, op 12 november 2004 tegen eerder aangehaald eindvonnis heeft geappelleerd, en het het Hof niet gebleken is, dat appellant andermaal, en wel na ontvangst van bedoelde dienstbrief heeft geappelleerd, gaat het Hof ervan uit dat hij – appellant – niet conform de bij de wet voorgeschreven wijze gebruik gemaakt heeft van het middel van hoger beroep hebbende hij – appellant -, daar te vroeg van gebruik gemaakt;

Overwegende, dat appellant in zijn tegen het vonnis de dato 12 november 2004 aangetekend hoger beroep, dan ook niet ontvankelijk is;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

 

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verstaat, dat appellant niet op de bij de wet voorgeschreven wijze hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis de dato 19 oktober 2004;

Verklaart appellant niet ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep;

Veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op SRD……..

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD………..

Bepalende het Hof het salaris van de appellant eveneens op SRD……..

 

Aldus gegeven door de heren: mr. J. R. Von Niesewand, President, mr. A. A. Hermelijn en mr. A. Charan, Leden-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 4 april 2008, in tegenwoordigheid van mr. R. R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

 

w.g. R.R. Brijobhokun        w.g. J.R. von Niesewand

 

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. R. van Excel namens zijn gemachtigde, advocaat mr. F. M. S. Ishaak en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A. Kanhai namens zijn gemachtigde, advocaat mr. I. D. Kanhai, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

Voor Afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie

namens deze,

mr. R.R. Brijobhokun, Wnd.Subst.-Griffier

 

SRU-HvJ-2008-6

 HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL: 14361

A. [Appellant sub A], weduwe van [naam 1],

B. [Appellant sub B], student, beiden wonende aan [adres 1], ten deze domicilie kiezende aan Einaarstraat no.8, door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld,  mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

appellanten,

t e g e n

[Geïntimeerde], industrieel, wonende aan [adres 2],            

geïntimeerde,

 

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende  vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 7 april 2003 tussen partijen gewezen;
  1. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 24 april 2003, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten;

 

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [GEÏNTIMEERDE] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat eiser de volgende vordering wenst in te stellen tegen:
  1. [Appellant sub A], weduwe van [naam 1],
  2. [Appellant sub B], student, beiden wonende  aan [adres 1], gedaagden;
  3. dat [appellant sub A] op 25 september 1980 te Paramaribo is bevallen van een kind van het mannelijk geslacht aan welke de voornamen zijn gegeven van  [appellant sub B];
  4. dat GEDAAGDE SUB A eind tachtiger jaren in contact is gekomen met [naam 1], uit welke verhouding een relatie ontstond en op aandringen van de  gedaagde sub A is zij op 22 april 1995 te Paramaribo met [naam 1], zonder het maken van huwelijksvoorwaarden in het huwelijk getreden, nadat laatstgenoemde reeds bij testament had voorzien in hetgeen  moest gebeuren na zijn overlijden;
  5. dat [naam 1], zoon van eiser, kort voor en bij de voltrekking van voormeld huwelijk met toestemming van de moeder de gedaagde sub 2, [appellant sub B], heeft erkend als zijn natuurlijk kind en deze bij het opvolgend huwelijk gewettigd;
  6. dat eiser als vader tevens bloedverwant van [naam 1], nu wijlen, en de jure grootvader en bloedverwant van [APPELLANT SUB B] tegen deze erkenning wenst op te komen, vermits deze is gedaan in strijd met de werkelijkheid, aangezien [naam 1] niet de biologische vader is (geweest) van voornoemd kind;
  7. dat gedaagde die thans op leeftijd is, vreest dat, indien hij niet tegen deze wettiging c.q. erkenning opkomt, gedaagde sub B ten onrechte in zijn nalatenschap waarvan het kind erfgenaam zal worden, zou kunnen profiteren ten NADELE van de overige kinderen en bloedverwanten van eiser;
  8. dat de biologische zoon van de eiser, [naam 1], die op 14 januari 1998 te Paramaribo is overleden, reeds in 1991 in zijn nalatenschap heeft voorzien waarbij hij zijn latere echtgenote, de gedaagde sub A en diens zoon, die bij het huwelijk op 22 april 1995 erkend c.q. gewettigd werd als  in het testament is aangegeven heeft bedacht;
  9. dat eiser, gezien het bovenstaande, genoodzaakt is om de betwisting van de erkenning in rechte in te roepen, vermits hij recht  en belang daartoe heeft;
  10. dat eiser dan ook zal vorderen dat geldig zal worden verklaard de betwisting van de erkenning c.q. de wettiging, gedaan door zijn zoon, [naam 1], bij akte van de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Paramaribo dd. 22 april 1995 van de minderjarige [APPELLANT SUB B] voorheen geheten [naam 2], geboren op 25 september 1980 te Paramaribo, op gronden alvorens aangegeven.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis geldig zal worden verklaard de betwisting van de erkenning gedaan door [naam 1], bij akte van de ambtenaar van de Burgerlijke  Stand te Paramaribo op 22 april 1995 van de minderjarige: [appellant sub B], geboren op 25 september 1980 te Paramaribo. 

Kosten rechtens;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiser een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot verbetering heeft overgelegd en  doorhaling heeft gevraagd dat gedaagde als moeder voogdes optreedt van  haar zoon [appellant sub B] aangezien hij de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

Overwegende, dat [appellant sub A] en [appellant sub B] als gedaagden partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser zijn vordering zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen althans hem in deze niet ontvankelijk zal worden verklaard;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 7 april 2003 op de daarin opgenomen gronden:

De betwisting van de erkenning geldig, gedaan door [naam 1], bij akte van de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Paramaribo op 22 april 1995 van de minderjarige [appellant sub B], geboren op 25 september 1980 te Paramaribo geldig heeft verklaard;

Gedaagden heeft veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 72.535,–;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal d.d. 24 april 2003 [appellant sub A] en [appellant sub B] in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis van 7 april 2003;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Denny Armand van Brussel van 6 november 2007 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt,  dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de geïntimeerde per deurwaardersexploit opgeroepen was om op de terechtzitting van 7 maart 2008 aanwezig te zijn, doch is hij niet verschenen, waarna de gemachtigde van appellanten, advocaat mr. B.A.H. Pick namens advocaat mr. F.F.P. Truideman recht op stukken heeft gevraagd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, tussen appellanten als gedaagden en geïntimeerde als eiser op 7 april 2003 vonnis gewezen en uitgesproken is in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer 01/3063, waarvan het dictum luidt: Verklaren geldig  de betwisting van de erkenning, gedaan door [naam 1], bij akte  van de ambtenaar van de Burgerlijke Stand  te Paramaribo op 22 april 1985 van de minderjarige [appellant sub B], geboren op 25 september 1980 te Paramaribo;

Veroordelen gedaagden in de proceskosten, aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 72.535,–;

Overwegende, dat, naar voorts uit het procesdossier blijkt, appellanten noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen zijn;

Overwegende, dat de wetgever in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft voorgeschreven, dat de Griffier aan een partij  die bij de uitspraak van een eindvonnis  niet in persoon  of bij gemachtigde  tegenwoordig is, de inhoud van dat vonnis  bij aangetekende dienstbrief moet mededelen;

dat de bedoeling van deze wetsbepaling geen andere kan zijn dan dat ook de bij de uitspraak afwezige partijen van de inhoud  van het eindvonnis  op de hoogte zullen zijn opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden;

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt, aan appellanten bij dienstbrief de dato 28 oktober 2004 de inhoud van het van 7 april 2003 daterend eindvonnis is medegedeeld; 

Overwegende, dat appellanten, naar tevens uit het procesdossier blijkt, bij van 23 april 2003 daterend schrijven van hun raadsman, mr. F.F.P. 

Truideman, welk schrijven gericht  werd aan de Griffier der Kantongerechten, op 24 april 2003 in hoger beroep zijn gekomen van het van 7 april 2003 daterend eindvonnis;

Overwegende, dat appellanten, naar het oordeel van het Hof, ingevolge  artikel 264 lid 3 jo artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, appél hadden moeten aantekenen binnen dertig dagen nà 28 oktober 2004 en niet binnen dertig dagen nà 7 april 2003;

Overwegende, dat de consequentie van het zojuist overwogene is, dat appellanten, door voortijdig van het middel van hoger beroep gebruik te maken, daarin niet ontvankelijk verklaard zullen worden;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verstaat dat appellanten niet overeenkomstig de terzake geldende wettelijke bepalingen van het middel van hoger beroep gebruik hebben gemaakt;

Verklaart de appellanten niet ontvankelijk in het door hen ingestelde hoger beroep; 

Veroordeelt de appellanten in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op SRD.nihil;

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD.150,–;

Bepalende het Hof het salaris van  de advocaat van de geïntimeerde eveneens op SRD.150,–;

Aldus gegeven door de heren: mr. J.R. von Niesewand, President, mr. A.A. Hermelijn en mr. A. Charan, Leden-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 4 april 2008, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

 

w.g. R.R. Brijobhokun     w.g. J.R. von Niesewand

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. H.P. Boldewijn namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellanten, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

SRU-HvJ-2005-13

  HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME.

A-490                                                                                                           

[Verzoeker], wonende aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Mr.F.H.R.Lim A Postraat no.1, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.Kruisland, advokaat,

verzoeker,

t  e  g  e  n 

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,  met name Het Ministerie van Financien, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domicilie hebbende te diens Parkette  aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,

verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

(Betalend)    Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Verzoeker wenst bij deze de navolgende vordering in te stellen tegen de STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze op de voet van artikel 146 lid 2 van de Grondwet vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domicilie hebbende te diens Parkette  aan de  Gravenstraat (lees thans: Henck Arronstraat) no.3, te Paramaribo, verweerder.
  2. Verzoeker is, nadat hij krachtens beschikking van de Minister van Financien van juni 1962 was aangesteld in dienst van verweerder als ambtenaar bij de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen bij Resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 8 mei 2000 no.3030, op de voet van de Organisatiebeschikking Belastingdienst (G.B.1970 no.41) en de Resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 22 mei 1987 (S.B.1987 no.38) benoemd tot Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen, tevens Hoofd van de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen. Verzoeker is mitsdien ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet en de bepalingen van de Personeelswet inzake de rechtspositie van landsdienaren zijn dan ook op verzoeker van toepassing.
  3. Bij Resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 12 oktober 2001 [kenmerk] is verzoeker uit de sub 2 vermelde funktie van Hoofd van de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen ontheven, welke ontheffing volgens de bepalingen daarvan van kracht werd met ingang van de dag volgende op die waarop voormelde resolutie te zijner kennis werd gebracht. Verzoeker legt voormelde resolutie hierbij over.
  4. De sub 3 vermelde resolutie is vanwege het terzake bevoegde gezag  van de President van de Republiek Suriname op 15 oktober 2001, overeenkomstig artikel 5 lid 2 sub a van de Personeelswet, aan verzoeker overhandigd en mitsdien is verzoeker met ingang van 16 oktober 2001 uit de sub 2 vermelde funktie ontheven.
  5. Ingevolge artikel 23 lid 5 van de Personeelswet en er is geen enkele andere bepaling in enige wettelijke regeling die over de ontheffing van een ambtenaar uit zijn funktie handelt kan een ambtenaar door het te zijnen aanzien bevoegde gezag uit de door hem beklede funktie worden ontheven. Ten aanzien van verzoeker is de President van de Republiek Suriname het bevoegde gezag, zulks ingevolge artikel 3 lid 2 van de Personeelswet, aangezien aan verzoekers rang van Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen een minimum bezoldiging is verbonden, welke meer bedraagt dan die van een direkteur van een departement, zoals blijkt uit de sub 2 vermelde resolutie. De President is terzake dan ook exclusief bevoegd en dat brengt met zich mede, dat hij alleen uit eigen hoofde kan handelen en zijn beslissing niet gegrond kan zijn op het besluit van een ander staatsorgaan. Echter in de sub 3 vermelde resolutie is gesteld, dat verzoeker ingevolge de beslissing van de Raad van Ministers van 12 september 2001 wordt ontheven. De besluitvorming terzake van verzoekers ontheffing is dan ook reeds om die reden strijdig met de wet, ondeugdelijk en mitsdien rechtens van onwaarde.
  6. Ingevolge artikel 23 lid 5 van de Personeelswet kan een ambtenaar, zoals verzoeker is, slechts uit de door hem beklede funktie worden ontheven, indien het belang van de staatsdienst zulks vordert. Zulks betekent, dat in het betreffende ontheffingsbesluit duidelijk moet worden gesteld, dat het belang van de staatsdienst de ontheffing noodzakelijk doet zijn, want dan alleen kan het de ontheffing vorderen. Echter in de sub 3 vermelde resolutie komt nergens naar voren dat het belang van de staatsdienst de ontheffing zou vorderen. Bovendien het begrip “belang van de dienst” is uitermate vaag, aangezien het tal van aspecten van de overheidsdienst betreft, maar ook in tal van  opzichten van uitoefening van overheidsgezag door de betrokken funktionaris raakt. Het beginsel van rechtszekerheid voor de ambtenaar als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur brengt dan met zich, dat hij exact behoort te weten, welke feiten en omstandigheden de ten aanzien van hem genomen beslissing hebben teweeggebracht en dat het terzake bevoegde gezag hem daaromtrent informeert uit hoofde van de aan voormeld beginsel inherente motiveringsplicht als algemeen  beginsel van behoorlijk bestuur. Zulks behoort uit het besluit dan zelf te blijken en wel om de volgende redenen:
  1. een burger in het algemeen, maar een ambtenaar in het bijzonder moet bij aantasting van zijn rechten of belangen zich kunnen beklagen daaromtrent bij de rechter, zoals duidelijk vastgelegd in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van de American Convention on Human Rights, maar dan behoort de gelaedeerde ook te weten, welke de gronden zijn waarop die aantasting heeft plaatstgehad en behoort niet achteraf de overheid  de mogelijkheid te hebben allerlei redenen te gaan bedenken, die mogelijk  bij de besluitvorming geen enkele rol hebben gespeeld:
  2. de Staat dient zijn burgers in het algemeen, doch zijn ambtenaren, die tevens zijn werknemers zijn, open en eerlijk tegemoet te treden op grond dat zijn besluiten democratisch gelegitimeerd moeten zijn, met andere woorden zij behoort zoveel mogelijk openlijk verantwoording af te leggen voor haar besluiten.

Voorts is verzoeker voorafgaande aan het nemen van voormelde ontheffingsbeslissing niet gehoord of anderszins in de gelegenheid gesteld zijn belangen terzake te verdedigen, zodat verweerder niet op zorgvuldige wijze voormeld besluit heeft voorbereid.

Verweerder heeft dan ook terzake de navolgende  algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, t.w.:

a. het beginsel van rechtszekerheid voor de ambtenaar;

b. het beginsel van de motiveringsplicht;

c. het beginsel van verplichting tot hoor en wederhoor;

d. het beginsel van zorgvuldigheid in de voorbereiding van besluiten.

7. Een ambtenaar heeft in beginsel recht en aanspraak op handhaving in zijn funktie, omdat zijn maatschappelijke positie daardoor (mede) bepaald wordt en dus het in deze gaat om een rechtens te beschermen belang, hetgeen onder meer tot uiting komt in artikel 26 lid 1 jo.artikel 27 lid 1 sub b van de Grondwet. Verzoekers carriére is door de sub 3 vermelde ontheffing ernstig gestagneerd, hetgeen op ernstige wijze tekort doet aan verzoekers mogelijkheden zich op het vakgebied van de douane verder te ontplooien.

8. Op grond van het sub 5, 6 en 7 gestelde heeft verzoeker dan ook recht en belang te vorderen, dat de sub 3 vermelde resolutie van de President van de Republiek Suriname zal worden nietig verklaard.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis de Resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d.12 oktober 2001 [kenmerk], waarbij verzoeker uit zijn funktie van Inspecteur, Hoofd van de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen werd ontheven, zal worden nietig verklaard, althans vernietigd, Kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer is  aangevoerd;

  1. Verweerder ontkent  en betwist al hetgeen niet woordelijk door hem wordt erkend onder aanbod van bewijs conform recht en wet.
  2. Verweerder vraagt zich af of verzoeker in het 5e sustenu van zijn inleidend  rekest bedoelt dat de President van de Republiek Suriname ingevolge artikel 3 lid 2 P.W. tot een Presidentieel besluit tot ontheffing gehouden is, aangezien niet duidelijk uit de verf komt wat verzoeker bedoelt en waarheen hij met voormelde stelling wil. De beslissing van de Raad van Ministers heeft slechts interne werking en het staat de President van de Republiek Suriname als hoogste executieve macht vrij deze beslissing tot grondslag te maken van zijn administratiefrechtelijke rechtshandeling – zijnde een resolutie volgens artikel 3 lid 2 P.W.. Vandaar dat niets mankeert aan de besluitvorming  terzake verzoekers ontheffing.
  3. Verzoeker is in enkele sessies die de Direkteur der Belastingen namens het bevoegde gezag met hem had geinformeerd omtrent de ontheffing en het belang van de dienst dat zulks vordert. Een twistpunt tussen partijen kan zijn of het belang van de dienst dat aan verzoeker is medegedeeld ook tot uitdrukking had moeten komen in voormelde resolutie. Deze rechtsvraag ligt dan ter beoordeling van het Hof.
  4. Het zal verzoeker niet zijn ontgaan in de aan hem gedane mededelingen c.q. hoor sessies dat verweerder een afweging van belangen heeft toegepast waarbij aan het belang van verzoeker voldoende gewicht is toegekend. Overigens heeft deze ontheffing conform de terzake geldende bepalingen van de P.W. plaatsgevonden.
  5. Overigens zal vernietiging van de resolutie – quod non – niet ten detrimente mogen zijn van het algemeen belang in casu belangen van derden.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans hem deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen.

Overwegende, dat  ingevolge ‘s Hofs  beschikking van 2 juni 2003 ten dage voor verhoor van partijen bepaald in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.Kruisland en de gemachtigde van verweerder, advokaat  Mr.A.R.Baarh, die hebben verklaard gelijk in het daarvan, opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker bij pleitnota produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op 22 oktober 2004, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker sedert juni 1962 in dienst is van verweerder, laatstelijk in de funktie van inspecteur der invoerrechten en accijnzen tevens hoofd van deze dienst, weshalve hij ambtenaar is in de zin van de Personeelswet;

Overwegende, dat ook indien met verzoeker ervan uit wordt gegaan dat hij tijdig het verzoekschrift ter griffie van het Hof van Justitie heeft ingediend – waarvoor er inderdaad veel te zeggen is – dan nog kan hem deze vordering niet baten, vermits hij opkomt tegen een ontheffing, uitgevaardigd tegen hem bij resolutie d.d.12 oktober 2001 [kenmerk], waar de Personeelswet in artikel 79 en de door het Hof ontwikkelde vaste rechtspraak op dit stuk, geen ruimte laat aan het Hof die ontheffing zondermeer te toetsen, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen, die hier niet zijn gesteld noch gebleken;

Overwegende, dat verzoeker dan ook niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door: Mr.K.Pultoo, Fungerend-President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 21 januari 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

  

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.C.A.Bleau namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.Kruisland en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat  Mr.A.R.Baarh,  zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

                                                                                                              

SRU-HvJ-2005-12

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-491                                                                               

[Verzoeker], wonende [plaats] aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Koninginnestraat no.10, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat

verzoeker,

t  e  g  e  n

DE STAAT SURINAME,  rechtspersoon, met name het Ministerie van Financien, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijnen Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.Kraag, advokaat,

verweerder,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend)     

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 3 december 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat  de door het Hof bevolen enquête niet is gehouden;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na niet gehouden enquête zijdens verweerder onder overlegging van produkties heeft genomen, waarvan de inhoud – alsmede die van de overgelegde produkties – hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker vervolgens een hier als geinsereerd aan te merken  schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarna partijen  vonnis hebben gevraagd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 4 november 2005, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 3 december 2004 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat verweerder, ten einde het van hem verlangde bewijs te leveren  bij daartoe strekkende conclusie de dato 15 juli 2005  ter terechtzitting van genoemde datum heeft doen overleggen een drietal  processen-verbaal in fotokopie, houdende verklaringen afkomstig van [naam 1], [verzoeker] en [naam 1], daterend van respectievelijk 5 maart 2001, 6 maart 2001 en 11 maart 2001, allen opgemaakt, gesloten  en getekend  door [naam 2], onder inspecteur van politie;

Overwegende, dat het Hof de inhoud van voormelde processen-verbaal in fotokopie als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd beschouwt;

Overwegende, dat verzoeker, zich over voormelde processen-verbaal in fotokopie uitlatend bij daartoe strekkende conclusie de dato 7 oktober 2005, heeft aangevoerd, dat, hoewel  verweerder in zijn conclusie tot uitlating  en overlegging van produkties melding maakt van processen-verbaal, hij – verzoeker – de beschikking over die processen-verbaal niet heeft gekregen; dat hij, verzoeker, zich benadeelt voelt in zijn verweer aangezien het een eis van “fair play” in het procesrecht is dat degene die bescheiden overlegt, die bescheiden ook aan de

wederpartij ter hand stelt;

Overwegende, dat het Hof te dien aanzien opmerkt, dat verzoeker over het hoofd ziet, dat verweerder voormelde processen-verbaal in fotokopie ter eerder gemelde terechtzitting in het onderhavige geding heeft gebracht teneinde te voldoen aan zijn bewijsopdracht en het van hem verlangde bewijs te leveren in verband waarmede verwezen wordt naar hetgeen  zijdens verweerder gesteld is in de alinea’s 3 tot en met 8 van de conclusie tot uitlating en overlegging produkties van 15 juli 2005;

Overwegende, dat verzoeker het in zijn betoog als hiervoren vermeld  blijkbaar heeft over de schriftelijke bewijslevering die als onderdeel van de conclusiewisseling plaatsvindt alsgevolg waarvan de procedure geen vertraging ondervindt;

Overwegende, dat verzoeker evenwel over het hoofd ziet, dat het in casu betreft een door een tussenvonnis ingeleide  bewijslevering;

Overwegende, dat het Hof opmerkt, dat in het algemeen tegen elk bewijs tegenbewijs toegelaten is;

Overwegende, dat het Hof wijders opmerkt, dat alleen na een getuigenverhoor een tegenverhoor van rechtswege door artikel 142 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opengesteld is;

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het zojuist overwogene van oordeel is, dat verzoeker in casu uitdrukkelijk tegenbewijs had moeten aanbieden tegen het door verweerder aangedragen schriftelijk bewijs, bestaande uit een drietal processen-verbaal, die van 5 maart 2001, 6 maart 2001 en van 11 maart 2001 dateren en opgemaakt, gesloten en getekend zijn door de onder inspecteur van politie [naam 2];

Overwegende, dat verzoeker dat tegenbewijs evenwel niet heeft aangeboden;

Overwegende, dat het Hof op grond van voormelde processen-verbaal in onderling verband en samenhang beschouwd bewezen acht en als tussen partijen rechtens vaststaand aanneemt, dat verzoeker:

omstreeks 8 – en 21 februari 2001 in strijd gehandeld heeft met de voorschriften die betrekking hebben op de afhandeling van geschenkzendingen, welk handelen ontduiking van rechten bij invoer tot gevolg heeft gehad met name:

dat hij van de 11 (elf) aangeboden pakketten door de heer [naam 1], slechts 2 pakketten heeft gevisiteerd;

dat hij van deze 11 (elf) pakketten slechts 2 (twee) pakketten met invoerrechten heeft belast;

dat hij van de heer [naam 1] Sf.1.000.000,– als gift heeft ontvangen voor de bewezen diensten;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat verweerder verzoeker zeer terecht plichtsverzuim verweten heeft dat het opleggen van de tuchtstraf van ontslag rechtvaardigt;

Overwegende, dat het Hof beslissen zal als in het dictum te melden;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Ontzegt verzoeker zijn vordering;

 

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 18 november 2005, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

 

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.Kraag  zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2005-11

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME    

A-499

 

[Verzoeker], wonende aan de [straatnaam] in het [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.Mangroelal, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME,  met name het Ministerie van Defensie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no.3 in het distrikt Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Sh.Mahadew,

verweerder,

 

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 19 november 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.S.Mangroelal en Mr.M.H.Van Lingen, vertegenwoordigster van verweerder, bijgestaan door Mr.Sh.Mahadew, gemachtigde van de Staat Suriname, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies tot uitlating hebben genomen, waarna  het Hof vonnis  in de zaak heeft bepaald op heden.

 TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 19 november 1994 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat partijen bij de van 14 januari 2005 daterende inlichtingencomparitie verschenen, hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende  de inhoud van voormeld proces-verbaal als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd  aangemerkt;

Overwegende, dat, naar uit het proces-dossier blijkt, verzoeker, alstoen gewezen Eerste Luitenant in vaste dienst in de funktie van Hoofd Inwendige dienst op het Ministerie van Defensie, ingedeeld bij de  Landmacht, bij resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 17 januari 2004 [kenmerk], te rekenen van 1 januari 1996 bevorderd is tot Kapitein;

Overwegende, dat verzoeker blijkens de daaraan ten grondslag gelegde feiten, die als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd worden aangemerkt, in onderdeel 1 van het petitum heeft gevorderd, hem – verzoeker – met terugwerkende kracht te benoemen in de funktie van Kapitein te rekenen vanaf 1 maart 1991 dan wel vanaf het moment dat het Hof in goede justitie geraden zal achten;

Overwegende, dat het Hof, naar aanleiding van voormeld gevorderde opmerkt, dat het krachtens artikel 79 van de Personeelswet mede in verband met artikel 82, lid 3 wettelijk bevoegd is een besluit van de overheid tegen een ambtenaar genomen nietig te verklaren, en een termijn te stellen, waarbinnen een nieuw besluit moet worden genomen, indien sprake is van strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

Overwegende, dat, naar blijkt uit de aan verzoeker zijn vordering ten grondslag gelegde stellingen, hij zich niet kan verenigen met het bij de resolutie van 17 januari 2004 [kenmerk] genomen besluit voor wat betreft de datum van ingang van zijn bevordering tot Kapitein, te weten 1 januari 1996, instede van 1 maart 1991;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat verzoeker mogelijk succes zou hebben met zijn actie indien hij ingevolge artikel 79 van de Personeelswet in verband met artikel 82 lid 3 had gevorderd nietig verklaring van de resolutie van 17 januari 2004 en tevens dat een termijn wordt gesteld waarbinnen een nieuw besluit zou worden genomen, waarbij de datum van verzoeker zijn bevordering tot Kapitein in zou gaan op 1 maart 1991, indien uit de aard der zaak ook zou zijn komen vast te staan, dat in strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur zou zijn gehandeld;

Overwegende, dat nu verzoeker niet de daarnet aangegeven rechtsgang heeft gevolgd en de resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 17 januari 2004 [kenmerk] van kracht gebleven is, dient het in onderdeel 1 van het petitum gevorderde te worden afgewezen;

Overwegende immers, dat toewijzing van het in onderdeel I van het petitum gevorderde niet zou kunnen plaatsvinden zonder in strijd te handelen met de Personeelswet c.q. eerder gemelde wettelijke voorschriften;

Overwegende, dat nu het in de onderdelen 2,3 en 4 van het petitum gevorderde sequeel is van het in onderdeel 1 daarvan gevorderde, dat zal worden afgewezen, dient het gevorderde in de onderdelen 2, 3 en 4 van het petitum hetzelfde lot te ondergaan;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Wijst de vordering van de verzoeker af;

 

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A. Valstein-Montnor, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 1 april 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

     Verzoeker vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.S.Mangroelal is bij de uitspraak ter terechtzitting  verschenen, terwijl de verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger  verschenen is.               

                                                                                      

 

SRU-HvJ-2005-10

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME.

A-501                                                                                                          

[Verzoeker], wonende in het [district] aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Einaarstraat no. 8, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat,

verzoeker,

t  e  g  e  n 

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, zetelende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Sh.Mahadew,

verweerder,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Betalend     

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 3 december 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen comparitie van partijen niet is gehouden;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder ter terechtzitting van 21 januari 2005 een fotokopie van een brief afkomstig van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij  heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies tot uitlating hebben genomen – onder overlegging van produkties – waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis had bepaald op 18 maart 2005, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat naar blijkt uit het procesdossier, verzoeker bij resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 10 november 1998 [kenmerk 1], destijds Stafambtenaar “A” 2e klasse in vaste dienst in de funktie van Ressortleider Nickerie-Oost op de Hoofdafdeling Regio-West van het Ministerie van Landbouw Veeteelt en Visserij [persoonnummer] ingevolge artikel 22 lid 1 sub a van de “Personeelswet” belast werd  met de waarneming van de funktie van Coordinator van de Hoofdafdeling Regio-West;

Overwegende, dat in het onderhavige geval waarin het gaat om de waarneming van een definitief opengevallen funktie, het bepaalde in artikel 22, 1ste lid, aanhef en sub 1 van toepassing is, luidende:“Een landsdienaar kan door of vanwege het bevoegde gezag met de waarneming van een funktie worden belast;

  1. voor de duur van een jaar, indien de funktie definitief is opengevallen en hij aan de wettelijke eisen van benoembaarheid daarin voldoet, terwijl daar, waar de waarneming langer dan een jaar heeft geduurd het 4e en 5e lid van hetzelfde artikel gelden. De daarin neergelegde bepalingen luiden:

“4. Indien een landsdienaar gedurende meer dan een maand achtereen belast is geweest met de waarneming van een funktie, en zijn salaris minder bedraagt dan het minimum waarop hij in geval van benoeming in die funktie aanspraak zou hebben, geniet hij voor de verdere duur van de waarneming een toelage overeenkomstig de daarvoor bij landsbesluit te stellen regelen.

  1. Zodra een landsdienaar gedurende meer dan een jaar in totaal een definitief opengevallen funktie heeft waargenomen en hij aan de wettelijke eisen voor benoembaarheid  daarin voldoet, wordt hij geacht, stilzwijgend in die funktie te zijn benoemd”;

Overwegende, dat niet ontkend kan worden, dat zowel voor het genieten van een waarnemingstoelage als voor het stilzwijgend benoemd geacht worden een aantal voorwaarden moet zijn vervuld. De eerste is dat de betrokken ambtenaar door of vanwege het bevoegde gezag met de waarneming van de funktie moet zijn belast;

Overwegende, dat dit in casu is geschied;

Overwegende, dat wijders opgemerkt zij, dat het belasten van een ambtenaar met de waarneming van een hogere, in casu leiding gevende taak door het daartoe bevoegde gezag verwachtingen wekt en impliceert, dat de daarvoor vereiste formaliteiten zijn vervuld;

Overwegende, dat het achterwege daarvan laten zonder aan de ambtenaar mede te delen dat aan zijn  taakvervulling een vormfout kleeft, die het intreden van wettelijk geregelde voordelen in de weg staat, in strijd is met het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur dat eist dat de andere partij eerlijk wordt behandeld;

Overwegende, voorts, dat nu geen argument voor het tegendeel is aangevoerd, moet worden aangenomen dat ook de andere voorwaarden in deze te weten het definitief opengevallen zijn van de waargenomen funktie en het voldaan hebben door verzoeker aan de wettelijke eisen van benoembaarheid zijn vervuld;

Overwegende, dat verzoeker, nu hij, naar gebleken is, voldeed aan alle wettelijke vereisten voor het bekleden van de funktie van Coördinator van de Hoofdafdeling Regio-West, aanspraak maakte op benoeming  in de rang van Hoofdambtenaar “A” 2e klasse, vanaf de dag dat hij langer dan een jaar belast is geweest met de waarneming van de funktie van Coordinator van de Hoofdafdeling Regio-West, dus met de ingang van 01 juli 1995 wordende hij geacht met ingang van die datum definitief te zijn benoemd in die funktie;

Overwegende, dat het Hof het in onderdeel a van het petitum gevorderde zal toewijzen nu de resolutie de dato 08 februari 2002 [kenmerk 2] niet alleen in strijd is met de wet c.q. de Personeelswet, doch ook met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dat besluiten ten nadele van betrokkenen, behoorlijk dienen te worden gemotiveerd, wat in casu  niet het geval is;

Overwegende, dat het Hof derhalve recht zal doen als in het dictum van dit vonnis te melden, nu het zijdens verweerder gevoerd verweer, waarvan de bespreking als volkomen irrelevant dan ook geheel in het midden kan blijven, het Hof niet tot een andere beslissing heeft doen komen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

  1. Verklaart nietig de resolutie van 08 februari 2002 [kenmerk 2];
  2. Gelast verweerder om te doen geschieden de aanstelling en salariëring  van verzoeker, respectievelijk als Coordinator  van de Hoofdafdeling van Regio-West van het Ministerie van landbouw, Veeteelt en Visserij volgens het bepaalde in artikel 22 lid 5 van de Personeelswet en diens bevordering als Hoofdambtenaar “A” 2e klasse, volgens het Staatsblad van de Republiek Suriname  1992  nr.95, alles met ingang van 1 juli 1995;

Weigert hetgeen verzoeker meer of anders gevorderd heeft;

 

Aldus gewezen door :  Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo en Mw.Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 1 april 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.A.M.Essed namens  zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman is bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen, terwijl  verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger verschenen is.

                                                                                             M.H.

 

SRU-HvJ-2005-9

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME                                                              

A-519

[Verzoeker], wonende aan [straatnaam] in het [district],  voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.Dulam, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, (HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE), zetelende te Paramaribo, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, gevestigd en kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Sh.Mahadew,

verweerder,

 

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende  vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat verzoeker te Paramaribo op 1 april 1989, althans in de maand april 1989, in dienst is getreden van het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie  en Politie, in de rang van agent van politie 1ste klasse;
  1. dat het Ministerie van Justitie en Politie bij beschikking van 25 oktober  2002, Justitie [kenmerk] uitgereikt op 09 december 2002, (door de Inspecteur van politie, de heer [naam 1] van de afdeling Interne Tuchtzaken), aan de verzoeker te kennen heeft gegeven dat verzoeker met ingang van 09 december 2002 is ontslagen en vanaf de maand januari 2003 geen salaris meer zal ontvangen;
  2. dat de verweerder het ontslag van verzoeker heeft gebaseerd op het feit dat hij onbetrouwbaar is en dat hij zijn plicht als ambtenaar van politie ernstig heeft verzaakt;
  3. dat het onjuist is dat de verzoeker als ambtenaar van politie 1ste klasse zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim; Verzoeker heeft op dinsdag 03 oktober 2000 in het cellenhuis van het politiebureau zijn dienst verricht; Daar verzoeker op dat moment de oudste was in de leeftijd van agent van politie 1ste klasse heeft hij op die bewuste dag gefunctioneerd als ploegcommandant;Vermeldenswaard is dat verzoeker samen met de agenten [naam 2], [naam 3] en de bewaker [naam 4] op de bewuste avond onder zich hadden 300 arrestanten; Over driehonderd (300) arrestanten moesten drie politiemannen bewaken en toezichthouden; de 300 arrestanten bevonden zich in de serie’s A,B,C,D van het cellenhuis van post Keizerstraat; Toen de verzoeker naar serie B begaf voor controle werkzaamheden heeft de agent [naam 2] van deze gelegenheid misbruik gemaakt en heeft zonder medeweten van verzoeker, stiekem, de drie arrestanten voor een moment laten vertrekken uit het cellenhuis van bureau Keizerstraat; De drie arrestanten m.n. [arrestant 1], [arrestant 2] en [arrestant 3] hebben tijdens het politioneel onderzoek volmondig bekend dat zij met toestemming van agent [naam 2] voor een moment mochten vertrekken; De verzoeker weet totaal niets van  de gepleegde handeling van agent [naam 2];
  1. dat verzoeker op woensdag 04 2000 door de politie was aangehouden en vervolgens in verzekering gesteld door de Hulp-Officier van Justitie Inspecteur [naam 5], verdacht van het feit omschreven in de artikelen 427 jo 72, 427 jo 73 van het Wetboek van Strafrecht;
  2. dat verzoeker door zijn aanhouding, inverzekeringstelling gegriefd en bezwaard heeft gevoeld en hiertegen een verzoekschrift heeft ingediend bij de Rechter-Commissaris Mr.E.S.Ombre om op grond van artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering onmiddellijk in vrijheid te worden gesteld daar verzoeker van mening was dat zijn aanhouding onrechtmatig was;
  3. dat na onderzoek door de Rechter-Commissaris Mr.E.S.Ombre is beslist dat de vrijheidsbeneming van verzoeker onrechtmatig is en dat hij onmiddellijk in vrijheid wordt gesteld;
  4. dat het Openbaar Ministerie zich heeft neergelegd bij de beslissing van de Rechter-Commissaris en heeft verder geen belang geacht in een strafrechterlijk onderzoek van verzoeker;
  5. dat bij de Rechter-Commissaris niet is gebleken dat de verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan een ernstig plichtsverzuim;
  6. dat bovendien bij het Openbaar Ministerie ook niet is gebleken dat verzoeker onbetrouwbaar is noch dat verzoeker zijn plichtsverzuim als ambtenaar van politie ernstig heeft verzaakt;
  7. dat bij Ministeriele beschikking van d.d.25 oktober 2002 de verzoeker wegens ernstig plichtsverzuim gestraft is met de tuchtstraf van ontslag uit de Staatsdienst ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het politie handvest;
  8. dat verzoeker bij het Ministerie van Justitie en Politie dan ook tegen het verleende ontslag heeft geprotesteerd als te zijn onjuist en dat hij zijn plicht als ambtenaar van politie niet heeft verzaakt;
  9. dat vermits als reeds gesteld het door het Ministerie van Justitie en Politie aan verzoeker verleende ontslag onrechtmatig is, de verzoeker herstel van de dienstbetrekking en doorbetaling van zijn salaris en andere aan hem toegekende emolumenten in rechte kan eisen en zulks ook hierbij doet;
  10. dat de verzoeker gerechtigd is van de verweerder te vorderen:

a.doorbetaling van zijn bruto maandelijkse salaris ad. F.805.000,– (Achthonderd en Vijfduizend Gulden);

b. doorbetaling van zijn netto maandelijkse salaris ad. SF.745.000,– (Zevenhonderd Vijf en Veertigduizend Gulden) per maand tot en met de dag waarop verzoeker wederom zijn werkzaamheden zal mogen hervatten en zal hebben hervat;

15.dat alhoewel de verweerder gehouden is voormelde salaris aan de verzoeker te vergoeden en de verzoeker wederom toe te staan om zijn werkzaamheden te hervatten en/of wederom in dienst te treden, verweerder daarmede tot op heden ingebreke is gebleven, niettegenstaande zij daartoe herhaaldelijk en dringend is aangemaand;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

  1. dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het besluit van de Minister van Justitie en Politie tot beëindiging van het dienstverband tussen verzoeker en de Staat Suriname vervat in de beschikking d.d. 25 oktober 2002 waarbij aan verzoeker onrechtmatig ontslag is verleend nietig te verklaren, althans te vernietigen;
  2. voor recht te verklaren dat de dienstbetrekking ingaande  09 december 2002 tussen verzoeker en de verweerder voortduurt;
  3. verweerder te veroordelen om aan verzoeker vanaf de maand 0 januari2003 tot op heden en voorts zolang de dienstbetrekking voortduurt en niet op rechtmatige wijze wordt beëindigd, danwel voor de duur van een andere door Uw Hof in goede justitie vast te stellen periode het overeengekomen loon, zoals aangegeven in alinea 14 van dit verzoekschrift te betalen, alsmede de bij Wet verschuldigde emolumenten;

Alles met de veroordeling van de verweerder in de kosten  van het geding.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

  1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen in het navolgende niet uitdrukkelijk wordt erkend.
  2. Verweerder erkent dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet en het Politiehandvest (G.B.1971 # 70).

Verweerder wenst een juiste weergave van het gebeurde te geven. 

  • In de nacht van 3 op 4 oktober 2000 hadden enkele arrestanten voor langere dan wel kortere tijd, in strijd met de ambtsinstructies zoals onder meer vervat in de Instructie Ambtenaren van Politie (G.B.1971 # 71), het cellenhuis verlaten en zich elders opgehouden.
  • Verzoeker, agent van politie 1e klasse, heeft op die bewuste nacht als ploegcommandant gefunctioneerd in vermeld cellenhuis.
  • Op 4 oktober 2000 is verzoeker door de Hulpofficier van Justitie [naam 5] inverzekering gesteld, daar er een redelijk vermoeden bestond dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit met name artikel 427; 427 jo 73 jo 72 van het Wetboek van Strafrecht.
  • Tevens is verzoeker door de Commissaris van politie [naam 6] bij beschikking d.d. 4 oktober 2000 ingevolge artikel 39 van het Politie handvest buiten functie gesteld.  Bij wijze van voorlopige maatregel, hangende het strafrechtelijk – of tuchtrechtelijk onderzoek, is verzoeker op grond van art. 41 lid 3 van het politiehandvest, geschorst.
  • Vervolgens is verzoeker door de Rechter-Commissaris in vrijheid gesteld.
  • Opgemerkt dient te worden dat noch de Rechter-Commissaris noch het Openbaar Ministerie de bevoegdheid heeft om te toetsen of  iemand zich schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) plichtsverzuim.
  • Daar er sprake was van een plichtsverzuim, waarbij er tevens een strafrechtelijk onderzoek werd ingesteld, werd ingevolge art.44 lid 2 de Procureur-Generaal in de gelegenheid gesteld zijn gevoelen daaromtrent te doen kennen. (d.d. 28 februari 2001).
  • Aan verzoeker is in persoon, conform art.44 lid 4 van het politiehandvest, op het gehouden Korpsrapport d.d. 4 juni 2001 medegedeeld dat hij voorgedragen wordt voor ontslag. Bij die gelegenheid mocht hij zich, conform art.44 lid 1, tevens mondeling verweren.
  • Het voorstel tot ontslag werd, op grond van art.32 van het politie handvest, ter advies voorgelegd aan de Commissie voor Overleg, welk advies op 24 september 2001 werd uitgebracht.
  • Op grond van het voorgaande werd aan verzoeker bij beschikking [kenmerk], wegens ernstig plichtsverzuim, de tuchtstraf van ontslag uit de Staatsdienst, opgelegd.

Verzoeker had op grond van art. 46 van het politiehandvest de mogelijkheid een administratief beroep in te stellen, wat hij heeft nagelaten.

Verzoeker is, ingevolge van art.47 van het politiehandvest, niet ontvankelijk in zijn vordering, daar zij is ingesteld meer dan een maand nadat de beslissing als bedoeld ter kennis van verzoeker (4 juni 2001) was gebracht, dan wel hij geacht wordt kennis daarvan te hebben genomen.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd;

dat verzoeker niet wordt ontvangen, in zijn vordering,althans deze hem als ongegrond zal worden ontzegd.

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 18 oktober 2004 ten dage voor verhoor van partijen bepaald in Raadkamer zijn verschenen verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr.S.Dulam, Mr.Sh.Mahadew, gemachtigde van de Staat Suriname en de heer Mr.R.E.Levens, Inspecteur van Politie der eerste klasse tevens Wnd-Hoofd Juridische Zaken van het Korps Politie Suriname, die hebben verklaard gelijk in het daarvan, opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker bij pleitnota een produktie  overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produktie  hier als ingelast  dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna vonnis hebben gevraagd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 15 juli 2005, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar luid van artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet, vorderingen als bedoeld in artikel 79, eerste lid, aanhef en onder a, niet ontvankelijk zijn, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht;

Overwegende, dat, naar luid, van artikel 1 lid 1 genoemde wet voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder: maand: tijdvak van dertig dagen;

Overwegende, dat verzoeker tijdens het verhoor van partijen in Raadkamer van 4 februari 2005 desgevraagd onder meer heeft verklaard: Bij beschikking van 25 oktober 2002 is aan mij ontslag verleend, hetwelk (lees: welke) aan mij op 9 december 2002 is uitgereikt;

Overwegende, dat, naar blijkt uit de aantekening van de Griffie van het Hof van Justitie het verzoekschrift ingekomen is ter Griffie op 9 januari 2003;

Overwegende, dat nu de ontslagbeschikking de dato 25 oktober 2002 aan verzoeker op 9 december 2002 is uitgereikt en verzoeker pas op 9 januari 2003 de vordering ingesteld heeft meer dan een maand nadat die beschikking ter kennis van hem is gebracht, dient hij – verzoeker – ingevolge artikel 80 lid 1, sub b van de Personeelswet niet ontvankelijk te worden verklaard in het in onderdeel a van het petitum gevorderde;

Overwegende, dat het Hof met betrekking tot het gevorderde in onderdeel b van het petitum opmerkt, dat nu het vonnis, op grond van de Personeelswet te wijzen en uit te spreken, of een constitutief of een codemnatoir karakter vermag te dragen danwel beiden en niet, beslist niet een declaratoir karakter, dient gemeld gevorderde wat de daaraan ten grondslag gelegde feiten ook moge zijn, als geen steun vindend in de wet met een niet – ontvankelijkverklaring te worden begroet;

Overwegende, dat nu het in onderdeel c van het petitum gevorderde sequeel is van het gevorderde in de onderdelen a en b van het petitum en dat gevorderde, naar eerder overwogen, met een niet – ontvankelijkverklaring zal worden begroet dient het in onderdeel c gevorderde hetzelfde lot te ondergaan;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker zowel in het onderdeel a als in onderdeel b en onderdeel c gevorderde niet-ontvankelijk;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door  de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag 5 augustus  2005 in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaat Mr.S.Dulam en Mr.Sh.Mahadew, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.