SRU-HvJ-2012-11

GR- 14671

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. DE STICHTING RUTU,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
B. [Appellant sub B],
wonende te [plaats],
appellanten,
hierna (ook) aangeduid als respectievelijk “de stichting” en “[appellant sub B]”,
gemachtigde: mr. E. van der Hilst, advocaat,

tegen

A. [Geïntimeerde sub A],
B. [Geïntimeerde sub B],
beiden wonende te [plaats],
geïntimeerden,
hierna (ook) aangeduid als respectievelijk “[geïntimeerde sub A]” en “[geïntimeerde sub A]”,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 20 juni 2006 (A.R.NO. 040170) tussen appellanten als gedaagden en geïntimeerden als eisers,
spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • De verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellanten op 29 juni 2006 hoger beroep hebben ingesteld;
  • Ten dage voor het nemen van een pleitnota peremptoir  bepaald is er geen pleitnota genomen;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna  nader bepaald op heden.

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1. Geïntimeerden hebben in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang, gevorderd:
A. voor recht te verklaren dat zij overeenkomstig de vaststellingsovereenkomst d.d. 3 juli 2000 de schuld aan appellanten in zijn geheel hebben voldaan en dat zij aan appellanten als onverschuldigd hebben betaald het bedrag van Euro 7.813,62.
B. Elk van de appellanten te veroordelen om binnen een week na de uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn te (doen) royeren de hypotheken die bij akten van respectievelijk notaris mr. L.D. Hirasingh en mr. J. Currie d.d. 27 december 1996 (register B deel 1066 no. 8491) en 10 maart 1999 (register B deel 1117 no. 6697) ten behoeve van appellanten en ten laste van geïntimeerden en de stichting op de aan geïntimeerden toebehorende onroerende goederen zijn gevestigd.
C. Appellanten te veroordelen om aan geïntimeerden te betalen het bedrag van Euro 7.813,62 vermeerderd met de rente hierover ad 6% per jaar vanaf 13 januari 2004 tot aan de dag der algehele voldoening.
D. De stichting te veroordelen de eerder genoemde onroerende goederen binnen een week, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn terug te leveren aan geïntimeerden, vrij van hypotheken en beslagen en daartoe de vereiste notariёle akte te doen opmaken en te ondertekenen.
E. Elk van de appellanten te veroordelen tot betaling van een dwangsom van sf. 10.000.000,- voor iedere dag dat zij in gebreke blijven aan het voormelde te voldoen danwel in strijd daarmee te handelen.

1.2. De kantonrechter heeft de vorderingen van geïntimeerden bij vonnis van 20 juni 2006 toegewezen en daartoe, onder meer, overwogen dat gebleken is dat zij inderdaad aan hun betalingsverplichtingen hebben voldaan.

2.1 Appellanten hebben blijkens de aantekening van de griffier op 29 juni 2006 appel aangetekend tegen het vonnis van 20 juni 2006. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat appellanten vertegenwoordigd door mr. N.B. San A Yong namens hun gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest. Gelet op het voorgaande hebben appellanten ingevolge het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering binnen de termijn van dertig dagen gerekend vanaf de dag der uitspraak en derhalve tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk zijn in het ingesteld hoger beroep.
2.2. Appellanten hebben evenwel binnen de daarvoor bij artikel 271 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde termijn geen memorie van grieven ingediend en evenmin hebben zij een pleitnota in hoger beroep ten processe overgelegd, hoewel zij daartoe ruimschoots de gelegenheid hebben gehad op de terechtzittingen in hoger beroep de dato 04 mei 2012, 01 juni 2012, 06 juli 2012 en 03 augustus 2012.
2.3. Nu appellanten geen grieven tegen het beroepen vonnis hebben aangevoerd en het hof ambtshalve evenmin feiten en/of omstandigheden zijn gebleken die een vernietiging van het beroepen vonnis zouden rechtvaardigen, rest er niets anders dan het vonnis waarvan beroep te bevestigen;
2.4. Appellanten zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten.

De beslissing in hoger beroep
Het hof:

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton de dato 20 juni 2006, waarvan beroep;

Veroordeelt appellanten in de gedingkosten aan de zijde van geïntimeerden in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal en mr. M.V. Kuldip Singh, Leden-Plaatsvervanger en

                                                      w.g. A. Charan
door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 16 november 2012, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein                 w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Mangroelal namens hun gemachtigde, advocaat mr. E. van der Hilst en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Amirkhan namens hun gemachtigde, advocaat mr. E.C.M. Hooplot, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

SRU-HvJ-2012-10

G.R.No. 14695

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
A. [Appellant sub A],
B. [Appellant sub B],
C. [Appellant sub C],
allen wonende in het [district 1],
appellanten, gedaagden in eerste aanleg (hierna ook aangeduid als “[appellanten]”),
gemachtigde: mr. N.B. San A Jong, advocaat,

tegen

A. [Geïntimeerde sub A],
B. [Geïntimeerde sub B],
C. [Geïntimeerde sub C] ,
D. [Geïntimeerde sub D],
E. [Geïntimeerde sub E],
F. [Geïntimeerde sub F],
G. [Geïntimeerde sub G],
H. [Geïntimeerde sub H],
I. [Geïntimeerde sub I],
J. [Geïntimeerde sub J],
K. [Geïntimeerde sub K],
L. [Geïntimeerde sub L],
M. [Geïntimeerde sub M],
N. [Geïntimeerde sub N],
O. [Geïntimeerde sub O],
sub A, J, L, M en N, wonende in het [district 1],
sub B, I, K, O, wonende in het [district 2],
sub C, D, E, F, G en H, wonende in het [district 3],
geïntimeerden, eisers in eerste aanleg (hierna ook aangeduid als de “[geïntimeerden]),
gemachtigde: mr. T.S. Sewdien, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Derde Kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 27 december 2011 bekend onder A.R. 115245 tussen partijen als [appellant] en geïntimeerden als eisers,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:

De in rechtsoverweging 2 van het bestreden vonnis vermelde feiten, waartegen geen grieven zijn gericht of anderszins bezwaar is gemaakt, dienen ook in hoger beroep tot uitgangspunt.
Het gaat in dit geding om het volgende.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit het volgende processtukken:

  • pleitnota d.d. 16 maart 2012, houdende vier grieven, met productie;
  • antwoord pleitnota en uitlating productie d.d. 23 maart 2012 met producties;
  • repliek pleitnota en uitlating productie d.d. 3 april 2012 met producties;
  • dupliek pleitnota en uitlating productie d.d. 20 april 2012 met producties;
  • de conclusie tot uitlating productie met productie zijdens appellanten;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens geïntimeerden.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
Het appel is ontvankelijk omdat het binnen de door de wet gestelde termijn is aangetekend.

De beoordeling
1. Geïntimeerden zijn de weduwe en de kinderen van de overleden [naam] (hierna [naam]). [naam] is op 6 november 2011 overleden te Paramaribo. Het stoffelijk overschot van [naam] is nog niet begraven.

2. De geïntimeerden hebben na aanvulling van eis (primair) ondermeer gevorderd om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle
dagen en uren:
De [appellanten] te verbieden om op welke wijze dan ook een inbreuk te plegen op hun besluit en de uitvoering daarvan, om het stoffelijk overschot van hun echtgenoot en vader [naam] te begraven te [plaats] aan de bovenloop van de Suriname rivier in het [district 1] conform diens geloof in Jezus Christus en de geloofsgemeenschap van de Volle Evangelische Gemeente en dat de familie en de zijnen voornoemde begrafenis zullen gehengen en gedogen onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 10.000,– voor elke keer waarop zij in strijd handelen met het ten deze te wijzen vonnis des de één betalende de ander zal zijn bevrijd.
Tevens hebben zij ondermeer gevorderd dat zij worden gemachtigd om ter uitvoering van het ten deze te wijzen vonnis desnoods de hulp van de Sterke Arm in te roepen.

3. De geïntimeerden hebben aan hun vordering kort weergegeven – ten grondslag gelegd dat [naam] die behoorde tot de Awana-lo en lid was van de Volle Evangelie Gemeente, de toestemming heeft van de Granman van het [district 1], Belfon Aboikonie, om te [plaats] te wonen, te sterven en te worden begraven. Tevens hebben zij gesteld dat de districtscommissaris eveneens toestemming heeft verleend dat [naam] te [plaats] mag worden begraven en dat de overige familie zich tegen vermelde begrafenis verzet.

4. De [overige familie] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering. In de eerste plaats heeft zij aangevoerd dat de geïntimeerden onderworpen zijn aan de beslissing van de oudsten van de Awana-lo (onderstam) en bovenal van het geldend stamrecht. Vervolgens voert zij aan dat [plaats] geen dorp is maar een kost grond. Voorts dat zij geen bemoeienis wil hebben met het lijk van [naam] maar dat zij zich verzet tegen de begrafenis van [naam] te [plaats]. Dat de plaats waar [naam] zal worden begraven geen begraafplaats is en dat volgens de Saramacaanse regels en normen en de Saramacaanse traditie het niet geoorloofd is om op betreffende plaats een begraafplaats in te richten, aldus de [appellant].

5. Bij vonnis van de Kantonrechter van 27 december 2011 bekend onder AR.No. 115245 waarvan beroep, heeft de Kantonrechter in kort geding onder meer de [appellanten] verboden om op welke wijze dan ook inbreuk te plegen op het besluit van de geïntimeerden en de uitvoering daarvan, om het stoffelijk overschot van hun echtgenoot en vader [naam] te begraven te [plaats] aan de bovenloop van de Suriname Rivier in het [district 1] conform diens geloof in Jezus Christus en de geloofsgemeenschap van de Volle Evangelie Gemeente;
Tevens zijn de geïntimeerden door de Kantonrechter gemachtigd om, indien de [appellanten] zich niet houdt aan het verbod genoemd, de hulp van de Sterke Arm in te roepen teneinde hen bij te staan bij de uitvoering van het vonnis. Voorts is de [appellanten] veroordeeld tot het betalen van een dwangsom aan de geïntimeerden van SRD. 10.000,– (tienduizend Surinaamse dollar) per keer, het totaal van SRD. 50.000,– niet te boven gaand, indien zij zich niet houden aan het voornoemde verbod des de een betalend de anderen bevrijd zullen zijn;
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

6. De [overige familie] heeft in hun pleitnota vier grieven opgeworpen. De grieven een tot en met drie komen voor gezamenlijke bespreking in aanmerking omdat zij betrekking hebben op de redenen van het verzet om [naam] te begraven te [plaats]. Zij stelt dat [plaats] geen dorp is omdat het niet voldoet aan de daaraan door de Minister van Regionale Ontwikkeling gestelde eisen en dat voor het inrichten van een begraafplaats de toestemming van de districtscommissaris van [district 1] is vereist en daarnaast de goedkeuring/toestemming van de Granman van dat gebied. Zij stelt tevens dat deze toestemming/goedkeuring van de Granman niet is verleend en de toestemming van de districtscommissaris eveneens ontbreekt. Voorts stelt zij dat de Kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat de vereiste toestemming door de Granman is verleend en de toestemming van de districtscommissaris om [naam] te [plaats] te begraven, is gegeven. Zij vraagt, naar het Hof begrijpt, vernietiging van het bestreden vonnis en concludeert tot alsnog niet-ontvankelijk verklaring van de weduwe en de kinderen Jabinie in hun vordering althans hun vordering te ontzeggen als zijnde ongegrond en onbewezen.

7. De geïntimeerden hebben gemotiveerd gesteld dat de Granman toestemming/goedkeuring heeft gegeven om [naam] te begraven te [plaats]. Deze stellingen hebben zij onderbouwd met producties. Tevens hebben zij gesteld dat de districtscommissaris toestemming heeft gegeven c.q. de toezegging heeft gedaan om [naam] te begraven te [plaats], welke stellingen zij eveneens hebben onderbouwd met producties. De [overige familie] bestrijdt deze stellingen eveneens gemotiveerd en onderbouwd en blijft daarin volharden. Op deze stellingen komt het Hof naderhand nog terug.

8. Het Hof overweegt dat het Surinaams recht toepasselijk is op het gehele grondgebied van de Republiek Suriname. Vaststaat dat [plaats] is gelegen in het [district 1]. Omdat het [district 1] deel uitmaakt van het grondgebied van Suriname is ook aldaar het Surinaams recht toepasselijk. Vooropgesteld wordt dat de bronnen van het Surinaams recht van hiërarchie zijn: 1) Verdrag, 2) Wet, 3) Jurisprudentie en 4) Gewoonte. Artikel 80 van de Grondwet van de Republiek Suriname bepaalt ondermeer dat wetten onschendbaar zijn behoudens het bepaalde in de artikelen 106, 137 en 144, daarvan. In casu is er geen sprake van een geval als bedoeld in de laatstgemelde wetsartikelen.

9. De artikelen 1, 15 en 16 van de wet van 23 augustus 1926 tot vaststelling van bepalingen betrekkelijk het begraven en cremeren van lijken, de begraafplaatsen en crematoria en de begrafenisrechten zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2007 no. 91 (Begrafeniswet) waarop de overige familie zich beroept, bepaalt ondermeer het volgende:

Artikel 1: Elke overleden persoon of dood geboren kind wordt in een gesloten kist begraven op een bij of krachtens deze wet aangelegde of toegelaten begraafplaats of gecremeerd in een bij of krachtens deze wet opgericht of toegelaten crematorium tenzij in deze wet anders is bepaald.

Artikel 15: Het bestuur zorgt voor de aanleg van een of meer algemene begraafplaatsen, wanneer en waar het dit nodig acht. Bijzondere begraafplaatsen kunnen worden aangelegd met verlof van de president.
Verlof tot het aanleggen van een bijzondere begraafplaats tbv de leden ener kerkelijke gemeente wordt aan het bestuur dier gemeente niet geweigerd, dan wanneer de aangewezen plaats niet aan de wettelijke plaatsen voldoet.

Artikel 16: Ten behoeve der bevolking van Plantages en gronden kan door eigenaar of huurder, mits op de in het volgend artikel bepaalde afstand van elk bebouwd gedeelte, een plaats voor het begraven van lijken worden aangelegd.
De aanleg geschiedt niet dan na verkregen verlof en op aanwijzing van de betrokken Districts-Commissaris.
Bij weigering van het verlof staat beroep open bij de Procureur-Generaal.

De stelling van de geïntimeerden dat de districtscommissaris toestemming heeft gegeven c.q. toezegging heeft gedaan om [naam] te [plaats], te begraven wordt onderbouwd door het citeren van uitspraken die de D.C. zou hebben gedaan in bespreking met partijen en andere personen die aanwezig waren bij die besprekingen. Uit het antwoordpleitnota wordt, voor zover hier van belang, alsvolgt geciteerd wat volgens de aanwezigen de D.C. zou hebben verklaard:

8 november 2011 (pag 10):
“………………..
De D.C. zou de nabestaanden ondersteunen in hun besluit om [naam] te begraven te [plaats]. Daarom moesten ze met spoed een brief aan de DC richten en naar Nw. Aurora reizen voor een bespreking met de familie van [naam] over diens besluit begraven te worden te [plaats].
De D.C. zegt zij zich niet ongerust hoeven te maken. Hij gaf 2 mogelijkheden om [naam] te begraven.
De eerste was een korte weg, namelijk begraven worden in de stad.
De andere mogelijkheid was een lange weg, waarbij het lijk wordt begraven op [plaats] volgens zijn volle Evangelie geloof. Hij gaf aan dat bij de tweede mogelijkheid er onderhandeld zou moeten worden met de familie, maar het doel zou uiteindelijk bereikt worden. Bij een vervolg gesprek geeft hij bij de tweede mogelijkheid aan niet te weten hoe het zou eindigen.
…..
De D.C. vraagt dat E.C.S. een brief met spoed richt aan hem, waarin wordt opgenomen het recht als kerk om [naam] op [plaats] te begraven. Hij zal de Granman onmiddellijk bellen, en indien nodig zelfs de President contacten. Hij zal zorgen voor de begrafenis met politie begeleiding.

Aan de D.C. wordt gevraagd om een brief voor nieuw Aurora, waarbij hij aangeeft als D.C. geen bezwaar te hebben dat het lijk van [naam] begraven wordt op [plaats]. Hij geeft aan geen problemen te hebben om de brief af te geven, waarin zijn toestemming voor het begraven van [naam] op [plaats] is vastgelegd, maar vraagt zich af wat voor waarde het zal hebben voor de familie hoofden voor nieuw Aurora. Bij een ander gesprek thuis bij de familie geeft hij hetzelfde aan, en dit is vastgelegd op cd……..”

21 november 2011 (Pag 11):
“….
Bij dit gesprek gaf de D.C. aan niet te weten hoe dit proces zou eindigen.
…ze reageren nu anders dan beloofd was. Ik kan niet alleen over de drempel. Welke bevoegdheid heb ik als D.C.?
……..”

03 december 2011 )pag 11):
“….
De D.C. heeft toegezegd een brief te zullen geven waarin hij toestemming voor de begrafenis van [naam] te [plaats] is vastgelegd, voorzien van een stempel. Want wat hem betreft heeft hij geen moeite dat [naam] begraven wordt te [plaats]. Hij kan zelf beargumenteren waarom want hij heeft dat boekje van [naam] gelezen. En zijn toestemming kan hij als Hulp Officier van Justitie sanctioneren met militaire en politie begeleiding. Zijn enige bezorgdheid was, wat voor effect zal het hebben voor de mensen van Nieuw Aurora.
……..

Ik zeg het je, als D.C. kan ik een brief geven, dat jij van de D.C. toestemming hebt om het lijk te begraven te [plaats]. En ik zal politie agenten en militairen meegeven om het lijk te begeleiden naar de begraafplaats. Maar weet jij wat bij de mensen aan de andere kant speelt ?”.
Daarna heeft [Geïntimeerde sub D] gevraagd dat hij (de D.C.) voor ons de toestemming vast legt op papier, zodat de mensen kunnen zien dat Suriname één is, want zij beweren dat de huwelijkswetten niet verder dan tot Atjonie van toepassing zijn, maar dat is niet waar. We zullen geen misbruik maken van die brief om te keer te gaan maar we zullen met de toestemming in handen door gaan met onderhandelen om onze nederige houding te blijven tonen.
…….
Wat de D.C. betreft hij heeft geen moeite een brief mee te geven met de verklaring, dat hij geen problemen erin ziet het lijk te begraven te [plaats]. Maar de vraag is welke effect zal het hebben voor de mensen aan de andere kant. Aan wie zal de brief overhandigd worden ? Zal die persoon het verstaan ? Er zullen mensen zijn die zich zullen afvragen, wie is de D.C.. Ik kan de brief zelf voorzien van argumenten uit het boek van de vader en stempel van de overheid, maar welke effect zal die brief hebben?”.

Het Hof leidt uit deze bewoordingen, indien en voor zover ze door de D.C. zijn gebezigd, af dat de D.C. steeds in beraadslaging is geweest met de familie en derden en zelfs komt het hof voor dat hij luidop nadenkend heeft gesproken. Niet valt uit deze bewoordingen af te leiden dat hij tot een definitieve beslissing is gekomen danwel een verlof in de zin van artikel 16 van de begrafeniswet heeft verleend.

Voorts is niet gesteld danwel gebleken dat hij de aanwijzing zoals vereist ingevolge artikel 16 van de begrafeniswet heeft gedaan. Dit komt het hof logisch voor daar blijkens genoemd artikel 16 de aanwijzing volgt na verlofverlening hetgeen niet heeft plaatsgevonden.

Nu niet is gesteld en evenmin is gebleken dat krachtens artikel 15 van dezelfde wet, te
[plaats] een algemene begraafplaats is aangelegd mag ervan worden uitgegaan dat aldaar een algemene begraafplaats ontbreekt.

10. Het Hof begrijpt dat de geïntimeerden met de stelling, dat het in het binnenland traditie en gebruik is dat de Granman degene is die aanwijst waar er mag worden begraven en dat zij daarom reeds aan de toestemming/goedkeuring van de Granman om [naam] te begraven te [plaats] het recht ontlenen om die begrafenis aldaar te doen plaatsvinden, een beroep doen op gewoonterecht. Echter artikel 2 van de Wet van 4 september 1868 no. 17, houdende Algemene Bepalingen der Wetgeving van Suriname (G.B. 1868 no. 14), gelijk zij luidt na de daarin aangebrachte wijzingen bij G.B. 1893 no. 35, G.B. 1914 no. 32, G.B. 1918 no. 28, S.B. 1975 no. 171 (Wet AB), bepaalt dat gewoonte geen recht geeft dan alleen wanneer de wettelijke regelingen daarop verwijzen. Daarnaast zijn er, voor zover kon worden nagetrokken, geen wettelijk regelingen die wijzen op de door de geïntimeerden gestelde gewoonterecht. Zij kunnen derhalve rechtens geen beroep daarop doen. Echter komt het het Hof voor dat de consultaties van de Granman en de toestemming die de Granman verleent van belang is voor de D.C. in het kader van de zorgvuldigheid die hij in acht dient te nemen, rekening houdende met de gevoelens van de plaatselijke bevolking en het traditioneel plaatselijk bestuur, bij het nemen van een besluit z.a. in casu om tot verlofverlening te kunnen overgaan.

11. Uit hetgeen is overwogen in de rechtsoverwegingen 8 tot en met 10 van dit vonnis volgt dat, de aangevoerde grieven 1 tot en met 3 slagen zodat als na te melden zal worden beslist.

12. Grief vier betreffende de veroordeling door de Kantonrechter van de dwangsom komt, gelet op de overwegingen van het Hof bij het beoordelen van de grieven een tot en met drie, niet meer voor bespreking in aanmerking.

13. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het bestreden vonnis worden vernietigd en de vordering alsnog worden afgewezen.

14. De geïntimeerden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in beide instanties worden veroordeeld.

De beslissing in Kort Geding:

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering alsnog af;

veroordeelt de geïntimeerden in de kosten van de procedure van beide instanties, en begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 6 juli 2012, in tegenwoordigheid van
mr. R.R. Brijobhokun, Waarnemend Substituut-Griffier.

 

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. H.H. Veldkamp namens hun gemachtigde, advocaat mr. N.B. San A Jong en geïntimeerden vertegenwoordigd door hun gemachtigde, advocaat mr. T.S. Sewdien, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

SRU-HvJ-2012-9

G.R.No. 14696

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
A. [appellant sub A],
B. [appellant sub B],
C. [appellant sub C] ,
D. [appellant sub D],
E. [appellant sub E],
F. [appellant sub F],
G. [appellant sub G],
H. [appellant sub H],
I. [appellant sub I],
J. [appellant sub J],
K. [appellant sub K],
L. [appellant sub L],
M. [appellant sub M],
N. [appellant sub N],
O. [appellant sub O],

sub A, J, L, M en N, wonende in het [district 1],
sub B, I, K, O, wonende in het [district 2],
sub C, D, E, F, G en H, wonende in het [district 3],
geïntimeerden, eisers in eerste aanleg (hierna ook aangeduid als de “[appellanten]),
gemachtigde: mr. T.S. Sewdien, advocaat,

tegen

De Staat Suriname, met name
a. de Procureur-Generaal, bij het Hof van Justitie van Suriname,
b. het Ministerie van Regionale Ontwikkeling,
c. de Districts Commissaris van het [district 1],
bestuursressort Boven Suriname (hierna ook aangeduid als de Staat Suriname),
domicilie kiezende te Paramaribo,
geïntimeerden, gedaagden in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter van het Eerste Kanton uitgesproken vonnis in kort geding d.d. 20 februari 2012 (A.R.No. 120502) tussen appellanten als eisers en geïntimeerden als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

  • pleitnota d.d. 4 mei 2012, houdende grieven, met productie;
  • antwoord pleitnota en uitlating productie d.d. 18 mei 2012 met producties;
  • repliek pleitnota en uitlating productie d.d. 25 mei 2012;
  • dupliek pleitnota d.d. 1 juni 2012.

De beoordeling
1. Het appél is ontvankelijk omdat het binnen de door de Wet gestelde termijn is aangetekend.

2. Tussen partijen staat het volgende vast:

  • appellanten zijn de weduwe en de kinderen van de overleden [naam] (hierna [naam]),
  • [Naam] is op 6 november 2011 overleden te Paramaribo. Het stoffelijk overschot van [naam]is nog niet begraven.

3. Bij vonnis van 27 december 2011 bekend onder A.R.No. 115245 heeft de Kantonrechter in Kort Geding onder meer de overige [familie] verboden om op welke wijze dan ook inbreuk te plegen op het besluit van de [appellanten] en de uitvoering daarvan, om het stoffelijk overschot van hun echtgenoot en vader [naam] te begraven te [plaats] aan de bovenloop van de Suriname Rivier in het [district 1] conform diens geloof in Jezus Christus en de geloofsgemeenschap van de Volle Evangelie Gemeente;
Tevens zijn de [appellanten] door de Kantonrechter gemachtigd om, indien de [overige familie] zich niet houdt aan het verbod genoemd, de hulp van de Sterke Arm in te roepen teneinde hen bij te staan bij de uitvoering van het vonnis.
Voorts is de [overige familie] veroordeeld tot het betalen van een dwangsom aan de [appellanten] van SRD. 10.000,– (tienduizend Surinaamse dollar) per keer, het totaal van SRD. 50.000,– niet te boven gaand, indien zij zich niet houden aan het voornoemde verbod des de een betalend de anderen bevrijd zullen zijn;
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4. De [overige familie] verzet zich tegen de begrafenis van [naam] te [plaats]. Naar aanleiding van vermeld verzet hebben de [appellanten] ter uitvoering van het vonnis van de Kantonrechter van 27 december 2011 bekend onder A.R.No. 115245 de hulp van de Sterke Arm ingeroepen, met name hebben zij gevraagd om politie begeleiding bij het vervoeren naar en begraven van het stoffelijk overschot van [naam] te [plaats]. Dit verzoek is niet gehonoreerd door de Staat Suriname. De [appellanten] hebben de Kantonrechter hierna geadieerd met het verzoek om bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad de Staat Suriname te veroordelen tot het verlenen van hulp van de Sterke Arm als bepaald in het vonnis van 27 december 2011 bekend onder A.R.No. 115245. Die gevraagde voorziening is geweigerd door de Kantonrechter in Kort Geding bij vonnis d.d. 20 februari 2012 bekend onder A.R.No. 120502, waarvan beroep.

5. Bij vonnis van het Hof van Justitie d.d. 6 juli 2012 is het vonnis van de Kantonrechter van 27 december 2011 bekend onder A.R. No. 115245 vernietigd en de oorspronkelijke vordering alsnog afgewezen. Nu, de [appellanten] aan hun vordering, die heeft geleid tot het vonnis van 20 februari 2012 bekend onder A.R. No. 120502, ten grondslag hebben gelegd dat de Staat Suriname geen uitvoering wenst te geven aan hetgeen is bepaald in het vonnis van 27 december 2011 bekend onder A.R.No. 115245, en dit laatst vermeld vonnis thans door het Hof is vernietigt en de oorspronkelijke vordering alsnog is afgewezen, is de grondslag van die vordering komen weg te vallen. Het Hof komt daarom niet meer toe aan de bespreking van de door de [appellanten] opgeworpen grieven.

6. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het vonnis van de Kantonrechter in Kort Geding d.d. 20 februari 2012 bekend onder A.R.No. 120502, waarvan beroep, worden bevestigd, zij het op andere gronden.

7. De [appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in beide instanties worden veroordeeld.

De beslissing in Kort Geding:

Het hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep; onder aanvulling van de gronden zoals vermeld onder rechtsoverweging 5.

veroordeelt de [appellanten] in de kosten van de procedure van beide instanties, en begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 6 juli 2012, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Waarnemend Substituut-Griffier.

w.g. R.R. Brijobhokun             w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door hun gemachtigde, advocaat mr. T.S. Sewdien en geïntimeerden vertegenwoordigd door hun gemachtigde, advocaat mr. A.W. van der San, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2024-6

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Meervoudige strafkamer
Beslissing van 14 oktober 2024

Op het hoger beroep ingediend door:

De vervolgingsambtenaar, MR. R. KOENDAN, namens het OPENBAAR MINISTERIE, appellant contra de verdachte [NAAM],

Het hoger beroep is gericht tegen de beschikking inzake beklag ex artikel 243 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: WvSv) van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 9 juli 2024, hierna te noemen de gewraakte beschikking;

1. Procesverloop
1.1 Mr. R. Koendan heeft namens het Openbaar Ministerie op donderdag 11 juli 2024 hoger beroep ex artikel 232 Sv. aangetekend bij het Hof van Justitie (hierna: Hof) tegen de gewraakte beschikking van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 9 juli 2024.

1.2 Het Hof heeft op 12 juli 2024 bepaald dat de behandeling van het beroepschrift in raadkamer zal plaatsvinden op maandag 12 augustus 2024 om 11.00 uur des voormiddags.

1.3 De behandeling van het beroepschrift in Raadkamer heeft plaatsgevonden op maandag 12 augustus 2024, zijnde daarvan door de griffier proces-verbaal opgemaakt hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

1.4 Daarna is bepaald dat in deze zaak een beslissing zal volgen op heden.

2. Het standpunt van appellant
Appellant heeft ter onderbouwing van het beroep – voor zover van belang – als grieven aangevoerd dat:
2.1. primair de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek en dat de beschikking van de Kantonrechter wordt vernietigd, omdat appellant heeft gemerkt dat de termijn van 3 dagen niet in acht is genomen bij het indienen van het bezwaarschrift. De dagvaarding is op 12 juni 2024 betekend aan de verdachte. Het bezwaarschrift van de verdachte is wel gedateerd 14 juni 2024, maar uit de oproepbeschikking van de kantonrechter blijkt dat het bezwaarschrift is ingediend op 18 juni 2024. Naar de mening van appellant moest [naam] niet-ontvankelijk verklaard worden door de Kantonrechter. Hieraan is de Kantonrechter voorbij gegaan.

2.2. secundair de beschikking van de Kantonrechter wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar de terechtzitting om verder behandeld te worden. Appellant is van mening dat de Kantonrechter onterecht heeft geoordeeld dat de feiten en omstandigheden geen ernstige bezwaren opleveren tegen de verdachte en dat aan de hand van het onderzoek er geen termen aanwezig zijn dat er sprake zou kunnen zijn van Money Laundering. Het gaat erom dat de belastingdienst heeft gevraagd om een onderzoek in te stellen, omdat is gebleken dat het zuiver inkomen dat de verdachte aangeeft bij de belastingdienst helemaal niet overeenkomt met het uitgavenpatroon van hem. Er is een onderzoek geweest en het blijkt dat de verdachte meerdere ondernemingen en vermoedelijk meerdere inkomsten heeft
die de belastingdienst niet heeft bereikt. De verdachte heeft maar één bedrijf geregistreerd bij de belastingdienst terwijl hij zelf heeft aangegeven dat hij meerdere bedrijven heeft. Er is onderzoek gedaan bij MI-GLISS waaruit blijkt dat deze verdachte 22 eigendomspercelen heeft. Deze eigendomspercelen zijn ondergebracht in 14 stichtingen. Deze verdachte geeft aan dat hij 2 keer geld geleend heeft bij zijn oom die in Amerika woont, maar het is opmerkelijk dat hij die investeringen heeft gedaan voordat hij geld geleend heeft bij zijn oom. Zijn oom is ook gehoord en hij geeft aan dat hij in het jaar 2021 een lening had verstrekt aan [naam]. De verdachte geeft aan dat hij een tweede lening heeft genomen bij zijn oom in de tweede helft van het jaar 2022 waarbij hij een bedrag van USD 3.3 miljoen heeft geleend en waarvan hij een schuldbekentenis heeft die echter alleen door hem is ondertekend. Aan de hand van het vermogen van de verdachte heeft hij voordat de leningen zijn verstrekt investeringen gepleegd. Hij heeft percelen contant gekocht en betaald. Een bedrag van EURO 1 miljoen is 8 tot 9 jaar geleden contant betaald om percelen aan te schaffen. De verdachte heeft tot nu toe niet kunnen aantonen hoe hij aan de gelden is gekomen. Zijn legale bron van inkomsten kan dus niet geverifieerd worden. De belastingdienst heeft in hun schrijven aangegeven dat er sprake is van belastingontduiking. In de jurisprudentie heeft de Hoge Raad aangegeven dat vermogensbestanddelen afkomstig van de belastingontduiking ook vallen onder vermogen dat afkomstig is van een misdrijf. Verder geeft de wet limitatief aan wanneer er sprake is van buitenvervolgingstelling en de Kantonrechter heeft dat niet kunnen motiveren.

3. De reactie van de verdediging van de verdachte.
3.1. De verdediging stelt dat zij duidelijk aannemelijk en aantoonbaar hebben gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend en wel op 14 juni 2024. Het stuk is ingediend op 14 juni 2024 en verwerkt op een andere datum. Dit kan nooit aan [naam] worden toegerekend.

3.2. De Rechter-Commissaris is op enig moment tot de conclusie gekomen dat de
inverzekeringstelling ten aanzien van [naam] niet langer noodzakelijk was.

3.3. De dagvaarding is te lichtvaardig. Volgens Tekst en Commentaar biedt de procedure zoals die geregeld is in art. 243 Sv. een waarborg tegen een lichtvaardige dagvaarding en daarmee tegen een nodeloze openbare terechtzitting voor [naam] en dient derhalve de vraag gesteld te worden of het “hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter, later oordelend, door de door hem geleverde bewijsvoering het ten laste gelegde feit geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten.’’ Verder wordt in Tekst en Commentaar gesteld “ook de doeltreffendheid van (juridische verweren) dient met inachtneming van het summiere karakter van de procedure te worden beoordeeld.”

3.4. Bij het toepassen van het criterium is de Kantonrechter het ook eens geweest met wat de verdediging naar voren heeft gebracht dat het G.V.O. niet die bewijzen heeft kunnen verzamelen die het ten laste gelegde feit zal kunnen bewijzen en dat het dientengevolge hoogst onwaarschijnlijk is dat de Kantonrechter het ten laste gelegde feit deels of geheel bewezen zal achten.

4. De gewraakte beschikking
De Kantonrechter heeft in de gewraakte beschikking – kort gezegd – overwogen dat de feiten en omstandigheden geen ernstige bezwaren opleveren ten aanzien van de verzoeker/verdachte van de aan hem verweten feiten. Verder dat aan de hand van het onderzoek geen termen aanwezig zijn dat er sprake zou kunnen zijn van Money Laundering. De kantonrechter komt tot de slotsom dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat hij later oordelend tot een gehele of gedeeltelijke bewezenverklaring zal komen en derhalve acht de Kantonrechter termen aanwezig die de buitenvervolgingstelling van de verzoeker/verdachte rechtvaardigen.

5. De beoordeling
5.1. Ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidsverweer dat is opgeworpen door de vervolging oordeelt het Hof als volgt. Naar het oordeel van het Hof heeft de verdediging voldoende aannemelijk gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend en wel op 14 juni 2024. Nu de dagvaarding op 12 juni 2024 aan de verdachte is betekend is het bezwaarschrift met inachtneming van de termijn van drie dagen zoals bedoeld in artikel 243 lid 1 Sv.
ingediend, weshalve het daartoe strekkend verweer van de vervolging zal worden verworpen. Aan het voorgaande doet niet af dat de Kantonrechter in de oproepingsbeschikking als datum van indiening van het bezwaarschrift de datum van 18 juni 2024 heeft vermeld. Immers heeft dezelfde Kantonrechter in de beroepen beschikking de datum van 14 juni 2024 als indieningsdatum van het bezwaarschrift vermeld (zie aanhef van de beschikking van de Kantonrechter alsmede het kopje “ontvankelijkheid voor het indienen van het bezwaarschrift”). Gelet op het voorgaande zal het Hof het er in casu voor houden dat de vermelding van de datum van 18 juni 2024 als indieningsdatum in de oproepbeschikking op een verschrijving berust.

5.2. De centrale vraag waar het in casu om draait is of er in casu al dan niet sprake is van een lichtvaardige vervolging casu quo dat de verdachte op ontoereikende gronden in het openbaar dient terecht te staan. De vervolging beantwoordt deze vraag in ontkennende zin terwijl de verdediging en de Kantonrechter voormelde vraag in bevestigende zin beantwoorden. Het Hof zal in het hierna volgende op deze vraag ingaan.

5.3. In de visie van het Hof betreft het in dit kader een summier onderzoek en zal het Hof niet volledig op de stoel van de zittingsrechter gaan zitten maar slechts op het puntje van die stoel plaatsnemen. Die positionering op de stoel van de zittingsrechter doet na kennisname van het strafdossier in samenhang bezien met de tenlastelegging zoals die in de dagvaarding is opgenomen, de balans in de richting van de vervolging omslaan. De door de vervolging aangevoerde gronden bieden vooralsnog in de visie van het Hof voldoende aanleiding om de verdachte op toereikende gronden in het openbaar te doen terechtstaan. Al hetgeen de verdediging diengaande heeft aangevoerd wordt met het voorgaande geacht te zijn besproken en verworpen.

5.4. De consequentie van al hetgeen hiervoor is overwogen is dat het hoger beroep gegrond is weshalve de gewraakte beschikking zal worden vernietigd. Opnieuw rechtdoende zal het bezwaar gegrond worden verklaard en zal de zaak worden terug verwezen naar de Kantonrechter ter afdoening met in achtneming van de beslissing van Hof.

6. Beslissing in hoger beroep

6.1. Verklaart het ingesteld hoger beroep tegen de gewraakte beschikking gegrond;

6.2. Vernietigt de beschikking van de Kantonrechter gegeven in het Tweede Kanton op 9 juli 2024, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

6.3. Verwijst de zaak terug naar de Kantonrechter in het Tweede Kanton ter afdoening met inachtneming van de beslissing van het Hof;

6.4. De zaak zal daartoe worden afgeroepen ter rolle van een nader door de Kantonrechter in het Tweede Kanton vast te stellen datum en tijdstip;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 14 oktober 2024 door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.J.S. Bradley en mr. C. L. Ravenberg, rechters met bijstand van mevrouw Z.T.B. de Lisle, LL.B., ad hoc Fungerend-Griffier.

w.g. Z. de Lisle   w.g. A. Charan
                            w.g. S. Bradley
                            w.g. C. Ravenberg

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2024-5

Beslissing
HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Meervoudige strafkamer
Beslissing van 11 november 2024

op het hoger beroep ingediend door:
VEIRA, DANIELLE REANA KARIN,
wonende aan de [adres] te [plaats], appellante,
advocaten: mr. J. Kraag en mr. C.A.F. Meijnaar,

Het hoger beroep is gericht tegen de beschikking inzake klaagschrift ex artikel 243 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: WvSv) van de Krijgsraad in eerste aanleg de dato 12 februari 2024, hierna te noemen de gewraakte beschikking;

1.Procesverloop

1.1. De advocaten van appellante hebben op dinsdag 20 februari 2024 een beroepschrift ex artikel 232 jo artikel 243 WvSv ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) tegen de gewraakte beschikking;

1.2. Voormeld beroepschrift is in behandeling genomen op 11 maart 2024 en vervolgens voortgezet op respectievelijk 22 april 2024, 24 juni 2024, 22 juli 2024 en 14 oktober 2024 waarbij appellante en de waarnemend Procureur – Generaal zijn gehoord, zijnde daarvan processen-verbaal opgemaakt welke zich onder de processtukken
bevinden.

1.3. Daarna is bepaald dat op 11 november 2024 in deze zaak een beslissing zal volgen.

2.Het standpunt van appellante
Appellante heeft ter onderbouwing van het beroep – voor zover van belang – de
navolgende grieven aangevoerd:

1.1. De dagvaarding is te lichtvaardig. Veira Danielle is voor 6 strafbare feiten gedagvaard, maar de Krijgsraad heeft ten aanzien van de laatste 3 strafbare feiten die in de dagvaarding zijn opgenomen geen overweging opgenomen in de beschikking.

1.2. Tijdens het G.V.O. zijn er feiten aangehaald waaruit duidelijk blijkt dat je Veira Danielle ten aanzien van Overtreding van de Vuurwapenwet en oplichting geen verwijt zou kunnen maken. Uit het G.V.O blijkt duidelijk dat ten aanzien van Overtreding van de Vuurwapenwet er een beleid is binnen de Dienst Nationale Veiligheid (hierna: D.N.V.) dat er wapenpasjes en wapens worden verstrekt aan burgers. Het feit dat Veira Danielle hiervoor wordt vervolgd terwijl anderen voorheen en nog steeds wapenpasjes en wapens verstrekken aan burgers niet worden vervolgd, is naar onze mening in strijd met de algemene beginselen van een behoorlijk strafprocesrecht namelijk het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.

1.5. Ten aanzien van oplichting dan wel poging tot oplichting is gebleken dat er geen aangifte zou zijn gedaan door de voormalige Procureur-Generaal. Hij is slechts door de politie gehoord en dus niet onder ede gehoord. Hij is van mening dat hij slechts op één brief een beslissing heeft genomen. Bij oplichting zou er een formele aangifte moeten zijn. Als het een operatie is van D.N.V. om een onderneming te beveiligen en Veira, Danielle als hoofd van D.N.V. die handelingen heeft uitgevoerd dan zou er geen sprake kunnen zijn van oplichting, omdat zij die hoedanigheid had van hoofd van D.N.V.

1.6. In de beschikking wordt er verwezen naar enkele processen-verbaal en ik begrijp dat er bij een bezwaarschrift een summierlijke toets zou moeten plaatsvinden, maar bij een summierlijke toets zou het dossier wel moeten worden doorgenomen vooral wanneer er een G.V.O. heeft plaatsgevonden. In de beschikking van de Krijgsraad zult U zien dat er delen van de verhoren worden geciteerd die bij de politie zijn afgelegd. De toenmalige Korpschef Prade geeft in zijn verklaring onder ede afgelegd bij de Rechter-Commissaris aan dat hij uit de woorden van mevrouw Veira, Danielle heeft begrepen dat zij niet zeker wist dat het om een D.N.V. actie ging en dat zij hem heeft aangegeven dat zij het zou onderzoeken. De vraag is dan of je als Krijgsraad hieraan voorbij moet gaan tijdens de summierlijke toets. Ook de verklaringen van [naam 1] geven aan dat Veira, Danielle toevallig te weten is gekomen dat er een actie werd uitgevoerd.

1.7. Ten aanzien van de zaken zoals medeplegen aan gijzeling en huisvredebreuk zijn wij van mening dat je Veira Danielle niet terecht zal moeten laten staan. Hierbij zal zij zaken van D.N.V. moeten uitkleden. Bij de Rechter-Commissaris heeft zij ook moeten uitleggen hoe die organisatie werkt. Om haar geen verwijt te kunnen maken moet je eerst weten hoe de organisatie werkt. Het lijkt lichtvaardig als Veira Danielle dit in het openbaar zou moeten doen terwijl er nu al verklaringen zijn die voor haar ontlastend zouden kunnen zijn.

1.8. Verder wordt haar medeplegen van diefstal verweten terwijl de persoon van [naam 2] bij wie de spullen van [naam 3] zijn aangetroffen door de Kantonrechter is vrijgesproken van diefstal dan wel heling en het Openbaar Ministerie is daarbij ook niet in beroep gegaan. Het is dan niet redelijk dat Veira, Danielle diefstal wordt verweten.

3.De reactie van de Vervolgingsambtenaar

De vervolgingsambtenaar heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat zij zich terug kan vinden in de beslissing en de overwegingen van de Krijgsraad en dat zij persisteert bij de reactie van de auditeur-militair. Zij doet het verzoek aan het Hof om de beschikking van de Krijgsraad te bevestigen en het hoger beroep van appellante ongegrond te verklaren.

4.De beoordeling

4.1. Appellante is op 20 februari 2024 in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de Krijgsraad d.d. 12 februari 2024 hetwelk op 15 februari 2024 aan haar is betekend. Gelet op het bepaalde in artikel 232 Sv is appellante tijdig in hoger beroep gekomen en derhalve ontvankelijk in het hoger beroep.

4.2. De grieven en het verweer van de verdediging in onderling verband en samenhang beschouwend komt het Hof tot de slotsom dat het Hof zich kan verenigen met de overwegingen en de beslissing van de Krijgsraad.

4.3. Grief 1 betreft de vraag wat de consequentie is van het feit dat de Krijgsraad in de beroepen beschikking niet is ingegaan op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ten aanzien van de onderdelen IV tot en met VI van de tenlastelegging. Grief 2 behelst min of meer hetzelfde als grief 1 met als aanvulling dat de Krijgsraad bewust geen acht heeft geslagen op getuigenverklaringen die tijdens het gerechtelijk voor onderzoek ten overstaan van de Rechter-Commissaris onder ede zijn afgelegd.

4.4. Het Hof zal beide grieven – gelet op de onderlinge samenhang daarvan – simultaan aan een bespreking onderwerpen. Naar het oordeel van Hof nodigen de door de verdediging opgeworpen grieven uit tot een integrale inhoudelijke bespreking/beoordeling van de zaak. Op die uitnodiging zal het Hof – gelet op het karakter van de bezwaarschriftprocedure – niet ingaan. Met betrekking tot het feit dat de Krijgsraad met geen woord gerept zou hebben omtrent de onderdelen IV tot en met VI van de tenlastelegging is het Hof van oordeel dat het voorgaande niet als consequentie heeft dat de beschikking van de Krijgsraad aan vernietiging onderhevig is. Immers is dat een overweging ten overvloede geweest van de Krijgsraad en heeft de Krijgsraad in wezen – in de visie van het Hof – met de dragende overweging “ In de visie van de Krijgsraad – gelet op minimale inhoud van verklaringen van bepaalde personen zoals hierboven vermeld – noopt het tot verder diepgaand onderzoek en zal het derhalve niet hoogst onwaarschijnlijk zijn dat de Krijgsraad later oordelend, tot een gehele of gedeeltelijke bewezenverklaring van de aan klaagster ten laste gelegde feiten zal komen. Blijkens de literatuur (zie Prof. Mr. G.J.M. Corstens, het Nederlands Strafprocesrecht, 2e druk, pagina 475) dienen feitelijke verweren niet ten gronde in het kader van deze procedure, doch slechts marginaal te worden beoordeeld. Voorts dient de bezwaarschriftrechter niet zelf op de stoel van de zittingsrechter te gaan zitten, maar op het puntje daarvan en moet ex ante marginaal toetsen. Cruciaal is daarbij het antwoord op de vraag of de verdachte al dan niet op ontoereikende gronden in het openbaar terecht dient
te staan.’’, de kern aan de orde gesteld.

4.5. Het Hof kan zich – zoals eerder aangegeven – verenigen met deze zienswijze van de Krijgsraad. De grieven die zijn aangevoerd door de verdediging worden met het voorgaande geacht te zijn besproken en verworpen. In de visie van het Hof betreft de bezwaarschriftprocedure een summiere procedure waarbij slechts het tipje van de spreekwoordelijke sluier wordt gelicht. En bij het lichten van het tipje van de spreekwoordelijke sluier blijkt het in de visie van het Hof niet te gaan om een lichtvaardige vervolging casu quo dat de verdachte op ontoereikende gronden in het openbaar zal moeten terecht staan.

4.6. Op grond van het bovenstaande zal het Hof de grieven van de appellante ongegrond verklaren en de beschikking van de Krijgsraad bevestigen.

5. Beslissing in hoger beroep

5.1 Verklaart het ingesteld hoger beroep tegen de gewraakte beschikking ongegrond;

5.2 Bevestigt de beschikking van de Krijgsraad in eerste aanleg de dato 12 februari 2024, waarvan beroep;

5.3 Verwijst de zaak terug naar de Krijgsraad in eerste aanleg ter afdoening met inachtneming van de beslissing van het Hof;

5.4. De zaak zal daartoe worden afgeroepen ter rolle van een nader door de Krijgsraad vast te stellen datum en tijdstip;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 11 november 2024 door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en kolonel D. Kamperveen, rechters, met bijstand van mevrouw Z.T.B. de Lisle, LL.B., ad hoc Fungerend-Griffier.

w.g. Z. de Lisle    w.g. A. Charan
                            w.g. S. Punwasi
                            w.g. D.Kamperveen

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-K1-2025-7

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR No. 202502040
23 mei 2025

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. OPTSU, rechtspersoonlijkheid bezittende politieke organisatie gevestigd te Paramaribo,
B. RAMNANDANLAL, HENK RADJINDER, wonende in het [district] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
C. TAUS, MOEHAMMAD IMRAAN, wonende te [plaats],
D. KOENDJBIHARIE, ANIEL, wonende te [plaats],
E. D-TV EXPRESS NV, gevestigd te Paramaribo,
hierna gezamenlijk te noemen: “OPTSU e.a.”,
hierna afzonderlijk te noemen: “OPTSU, Ramnandanlal, Taus Koendjbiharie en D-TV NV”,
eisers,
gemachtigde: mr. A.W.R. Kanhai, advocaat,

tegen

A. RAPAR BROADCASTING NETWORK NV, gevestigd te Paramaribo,
hierna te noemen: “RBN NV”,
gemachtigde: mr. Ch. A. Algoe, advocaat,

B. SANTOKHI, CHANDRIKAPERSAD, in persoon, als President van de Republiek Suriname en als voorzitter van de Verenigde Hervormingspartij, wonende in het district Wanica en kantoorhoudende te Paramaribo,
hierna te noemen: “Santokhi, de President en de voorzitter van de VHP”,
gemachtigde: mrs. A.R. Baarh en N.A.S Ramnarain, advocaten,
gedaagden.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • de verzoekschriften welke met producties op 21 mei 2025 is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 23 mei 2025;
  • de conclusie van antwoord met productie van de zijde van RBN NV;
  • de conclusie van antwoord van de zijde van Santokhi in persoon, de President en voorzitter VHP;
  • de mondelinge conclusie van repliek van de zijde van OPTSU e.a.
  • de mondelinge conclusie van dupliek van de zijde van de RBN NV;
  • de mondelinge conclusie van dupliek van de zijde van Santokhi, in persoon, als President en als voorzitter van de VHP;
  • de aantekeningen van de griffier.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 De President heeft, in verband met de te houden algemene vrije verkiezingen op zondag 25 mei 2025, bij resolutie de dato 12 mei 2025 bureau no. 9061/25 maatregelen getroffen welke inhouden dat het vanaf vrijdag 23 mei 2025 te 24.00 uur tot en met maandag 26 mei 2025 te 12.00 uur het verboden is om onder andere politieke propaganda via de media en publieke bijeenkomsten te houden.

2.2 Voor zaterdag 24 mei 2025 om 10.00 uur is aangekondigd een live mediashow van President Chan Santokhi via radio en televisie van RBN NV.

2.3 RBN NV heeft bij brief de dato 23 mei 2025 aan het gerecht kenbaar gemaakt dat zij afziet van het programma Kal Aaj Aur Kal waarin de president van de Republiek Suriname als gast zou optreden.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 OPTSU e.a. vorderen dat de kantonrechter in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

a. RBN NV verbiedt om op 24 mei 2025 een programma uit te zenden via de radio en/of de televisie en/of de virtuele zender en/of weblink, waarin Santokhi zij het in persoon, President of voorzitter van de VHP participeert, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 500.000, – (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar).
b. RBN NV gelast om binnen 01 (één) uur na de uitspraak van het in deze te wijzen vonnis, een advertentie plaatst inhoudende dat Santokhi niet zal participeren in radio en/of televisie programma’s welke door of vanwege haar uitgezonden zal worden op 24 mei 2025, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 100.000, – (één honderdduizend Surinaamse dollar) voor elk uur dat RBN NV in strijd handelt met het gevorderde.
c. Santokhi verbiedt om op 24 mei 2025 te participeren aan radio en/of televisie programma’s, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 100.000, – (één honderdduizend Surinaamse dollar).
d. RBN NV en Santokhi verbiedt om te handelen in strijd met de resolutie van de President de dato 12 mei 2025, no. 961/25 onder verbeurte van een dwangsom van SRD 100.000, – (één honderdduizend Surinaamse dollar) voor elke keer dat zij in strijd handelen met het gevorderde.
e. RBN NV veroordeelt om aan hen te betalen SRD 20.000, – (twintigduizend Surinaamse dollar) zijnde het honorarium van hun gemachtigde.
f. RBN NV en Santokhi veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 OPTSU e.a. leggen aan hun vordering ten grondslag dat in strijd met de resolutie van de President de dato 12 mei 2025, no. 9061/25 Santokhi zal participeren aan een radio/televisie programma, terwijl hij kandidaat is voor de op 25 mei 2025 te houden algemene en vrije verkiezingen.

3.3 RBN NV heeft bij brief de dato 23 mei 2025 kenbaar gemaakt dat zij afziet van het programma Kal Aaj Aur Kal waarin de president van de Republiek Suriname als gast zou optreden.

3.4 OPTSU e.a. hebben hun eis verminderd, wat inhoud dat het gevorderde onder a en b niet meer meegenomen wordt in de beoordeling van deze zaak.

3.5 RBN NV en Santokhi hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 RBN NV e.a. stellen dat OPTSU, als gevolg van het feit dat het gewraakte programma geen voorgang zal vinden, geen belang heeft bij haar vordering, omdat RBN NV het voor 24 mei 2025 aangekondigd interview met de President geen voorgang zal laten plaatsvinden. Alhoewel het door RBN NV aangekondigd programma geen voortgang zal vinden en OPTSU e.a. hun vordering hebben verminderd, met wat door hen in a en b is gevorderd, nog overeind blijft de beslissing over wat in c t/m f is gevorderd. De kantonrechter zal derhalve OPTSU e.a. ontvangen in hun vordering van c t/m f.

4.2 OPTSU e.a. hebben, zakelijk weergegeven, gesteld dat bij resolutie van de President de dato 12 mei 2025 bureau no. 9061/25 maatregelen zijn getroffen welke inhouden dat het vanaf vrijdag 23 mei 2025 te 24.00 uur tot en met maandag 26 mei 2025 te 12.00 uur verboden is om onder andere politieke propaganda via de media en publieke bijeenkomsten te houden. Dat participatie van Santokhi aan een live praatprogramma met zich mee zal brengen dat de President en de voorzitter van de VHP worden vereenzelvigd. Dat de participatie van Santokhi aan een praatprogramma als propaganda zou kunnen worden aangemerkt.

RBN NV heeft, zakelijk weergegeven, dat haar praatprogramma KAAK gasten uitnodigt voor een vraaggesprek om informatie, meningen of inzichten te verkrijgen. Dat politieke propaganda betrekking heeft op het verspreiden van informatie, ideeën of argumenten met als doel de publieke opinie te beïnvloeden. Dat politieke propaganda gekenmerkt wordt door het gebruik van sterke taal, symbolen of beelden om emoties op te wekken, het weglaten of verdraaien van feiten om een eenzijdig beeld te scheppen, steeds terugkerende slogans of boodschappen om ze in de geheugen te prenten en het aanwijzen van een gemeenschappelijke vijand. Terwijl voorlichting neutraal en feitelijk behoort te zijn. Dat OPTSU e.a. aannemen dat elk optreden van de President een politiek optreden is. Dat resolutie 9061/25 onder andere tot doel heeft om politieke propaganda via media en politieke bijeenkomsten te verbieden ter voorkoming van verstoring van de openbare orde op weg naar de verkiezingen. Dat resolutie 9061/25 nimmer tot doel heeft om de President de mogelijkheid te ontnemen om met de bevolking te communiceren.

Santokhi heeft, zakelijk weergegeven, gesteld dat OPTSU e.a. bloot beweren dat het luister- en kijkpubliek geen onderscheid zal kunnen maken tussen de President en de voorzitter van de VHP. Dat het electoraat een praatprogramma niet als propaganda zullen interpreteren. De vordering van OPTSU e.a. gebaseerd is op blote vermoedens dat hij in strijd met resolutie 9061/25 zal handelen. Dat het artikel van het journalistencollectief geen bewijs is dat er sprake is van overtreding van resolutie 9061/25. Dat er in deze van vereenzelviging van de President en de voorzitter van de VHP geen sprake is

4.3 De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van OPTSU e.a. dat er sprake is van vereenzelviging van de President met de voorzitter van de VHP. Naar het oordeel van de kantonrechter is er sprake van vereenzelviging wanneer gedragingen en verplichtingen van een rechtspersoon door de doorbreking van de rechtspersoonlijkheid aan een ander worden toegerekend. Daarvan is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is in het onderhavig geval daarvan geen sprake. In het onderhavig geval is er naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter sprake van het feit dat Santokhi tegelijk de functie van President en van voorzitter van de VHP bekleed, waardoor er mogelijk bij personen in de samenleving verwarring zou kunnen ontstaan over de functie waarin Santokhi op het moment van het afstaan van het interview optreedt, geven de op handen zijnde verkiezingen. Voorts dat de door Santokhi, bij het interview verstrekte informatie door bepaalde personen als propaganda kunnen worden aangemerkt.

4.4 De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van OPTSU e.a. dat het optreden van de President in een praatprogramma zou betreffen politieke propaganda. OPTSU e.a. hebben geen feiten en of omstandigheden gesteld waaruit zou moeten blijken dat Santokhi het oogmerk heeft om politieke propaganda te maken bij zijn deelname aan het praatprogramma. De kantonrechter zal daarom de vordering tot het verbieden van RBN NV e.a. om het verbod in resolutie 9061/25 te overtreden afwijzen.

4.5 De kantonrechter zal de vordering van OPTSU e.a. om RBN NV te veroordelen om het honorarium van hun gemachtigde te voldoen afwijzen. Een dergelijke vordering kan, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, slechts worden toegewezen wanneer zou komen vast te staan dat er sprake is van misbruik van het procesrecht door RBN NV. Niet aannemelijk is gemaakt dat RBN NV zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van procesrecht.

4.6 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van
partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.7 OPTSU e.a. zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van RBN NV e.a. welke tot op heden is begroot op SRD 7.500, – (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar) elk zijnde het liquidatietarief.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 wijst af het gevorderde,

5.2 veroordeelt OPTSU e.a., des de een betalende de andere zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van RBN NV e.a. welke tot op heden is begroot op SRD 7.500, – (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar) elk,

5.3 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de
kantonrechter in Kort geding in het eerste kanton mr. C.A. Wallerlei op 23 mei 2025 te Paramaribo, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2004-8

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14177

SURINAM LEISURE COMPANY A.V.V., rechtspersoon naar het recht van Aruba, gevestigd te Aruba, [adres 1 ] mede kantoorhoudend te Paramaribo aan [adres 2 ], voor wie als gemachtigden optreden, Mr.E.Naarendorp, Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.F.Kruisland, advokaten,        appellante in conventie en in reconventie in Kort Geding,

 t   e  g  e  n 

STICHTING DIM, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan [adres 3], voor wie als gemachtigden optreden , Mr.A.R.Baarh en Mr.F.F.P.Truideman, advokaten, geintimeerde in conventie en in reconventie in Kort Geding,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs beschikking van 21 november 2003 en het interlocutoir vonnis van 20 februari 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:                        

In conventie en in reconventie:

Overwegende, dat het Hof overneemt en volhardt bij hetgeen daaromtrent in laatstvermeld vonnis is overwogen en beslists en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, partij  [appellant] vertegenwoordigd door [naam 1], tevens bijgestaan door haar gemachtigden advokaten Mr.E.Naarendorp, Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.F.Kruisland; Partij stichting Dim vertegenwoordigd door [naam 2 ] eveneens bijgestaan door haar gemachtigden advokaten Mr.A.R.Baarh en Mr.F.F.P.Truideman, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast  te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna – eveneens hier als ingelast te beschouwen – schriftelijke conclusies na gehouden comparitie van partijen hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 18 juni 2004, doch nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

In conventie en in reconventie:

Overwegende, dat het  Hof volhardt bij het tussenvonnis van 20 februari 2004 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

In conventie:

Overwegende, dat appellante ter gelegenheid van de op 19 april 2004 gehouden inlichtingencomparitie – voor zover ten deze van belang – heeft verklaard, dat het aantal personeelsleden in dienst van haar 286 bedraagt; dat deze personeelsleden in vaste dienst van haar – appellante – zijn; dat het aantal personeelsleden in vaste dienst van haar – appellante – de eerste twee jaren 200 bedroeg, welk aantal naderhand toenam en dat dat aantal momenteel 286 bedraagt; dat de investeringen door haar – appellante – in gedeelten van het bedrijfspand hebben bedragen US$ 500.000, waarvan het bedrag van 4.3 miljoen US$ geinvesteerd is in de gehele infrastructuur van het gebouw, terwijl de rest besteed is aan de aanschaf van machines; dat zij – appellante – per werknemer gemiddeld US$ 350 (per maand, naar het Hof aanneemt) betaalt; dat het totale bedrag neerkomt op 286 x US$ 350; dat behalve voormeld bedrag, betaalt zij – appellante – voor medische voorziening, transport etc.etc.; dat de werknemers ook aandelen hebben in de winst; dat haar werknemers, geregistreerd zijn bij het Ministerie van Arbeid; dat de werknemers verzekerd zijn tegen ongevallen en voor medische behandeling in aanmerking komen;

Overwegende, dat geintimeerde voormelde verklaring niet, althans niet gemotiveerd heeft betwist, zodat naar ’s Hoven voorlopig oordeel, de juistheid daarvan tussen partijen thans in rechte vaststaat;

Overwegende wijders, dat nu het tegendeel niet gebleken is, het Hof ervan uitgaat en mitsdien aanneemt, dat appellante noch op korte – noch middellange termijn de beschikking zal hebben over adequate ruimte, althans over ruimte geschikt om daarin haar bedrijf onder te brengen en de exploitatie daarvan te continueren;

Overwegende, dat het Hof met betrekking tot de uitgaven die geintimeerde gedaan heeft, de lening door haar gesloten, het contract met een aannemer aangegaan en de andere afspraken door haar met derden gemaakt, opmerkt, dat zij – geintimeerde – daartoe overgegaan is zonder rekening te hebben gehouden met de mogelijkheid van het aantekenen van hoger beroep door appellante en het feit dat het Hof, anders dan de Kantonrechter heeft beslist, zou kunnen beslissen, zodat het Hof aan de zijdens geintimeerde gepleegde verrichtingen, aangehaald in het proces-verbaal ter gelegenheid van de gehouden inlichtingencomparitie, als prematuur, voorbijgaat;

Overwegende, dat nu bevestiging van het beroepen vonnis ongetwijfeld de ontruiming door appellante van de ruimte(n) waarin haar bedrijf gevestigd is tot gevolg zal hebben, doch het Hof de gevolgen van een dergelijke beslissing voor, in het bijzonder de 286 werknemers met betrekking tot hun positie c.q. rechtspositie, niet voldoende kan overzien, rest het Hof niets anders dan onder vernietiging van het beroepen vonnis, de gevraagde voorziening alsnog te weigeren, ook al is op deze grond voor weigering van de gevraagde voorziening in het onderhavige geding geen beroep gedaan, nu de aard van het onderhavige geding afwijking  van de regel dat de appelrechter slechts tot taak heeft de aangevoerde grieven te onderzoeken, ook voor het appel in kort geding zal gelden, in casu nodig maakt;

Overwegende toch, dat het bijzondere karakter van de onderhavige procedure meebrengt dat de rechter die van oordeel is, dat hij de gevolgen van een door hem te geven beslissing niet voldoende kan overzien, de vrijheid moet hebben op die grond de gevraagde voorziening te weigeren, ook al is op deze grond voor afwijking van de vordering in kort geding geen beroep gedaan;

Overwegende, dat dit zowel voor de eerste aanleg, waarin deze bevoegdheid van de Kantonrechter in Kort Geding erkenning vindt als voor het hoger beroep, geldt (zie Doek c.s.nt.5 bij aant.1 op art 291 Rv.)

Overwegende, dat het Hof, bespreking van de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven als niet langer relevant geheel in het midden latend, beslissen zal als in het dictum van dit vonnis te melden, met veroordeling van geintimeerde in de kosten van beide instanties; 

In reconventie:

Overwegende, dat nu het Hof aan de hand van de tussen partijen gewisselde gedingstukken zowel in prima als in hoger beroep en de door hen verschafte inlichtingen ter gelegenheid van de blijkens het daarvan opgemaakt proces-verbaal gehouden inlichtingencomparitie, gebleken is, dat deze zaak zonder onherstelbaar nadeel uitstel gedoogt om op de gewone wijze voor de kantonrechter zelve te worden behandeld, zal het Hof  partijen naar de gewone wijze van rechtspleging verwijzen, onder verwijzing van appellante in de proceskosten, nu toepassing van artikel 228 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waar het Hof in casu van uitgaat, weigering van de gevraagde voorziening betekent;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

In conventie en in reconventie:

Vernietigt het vonnis in kort geding gewezen en uitgesproken op 30 juli 2003 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

In conventie:

Weigert alsnog de gevraagde voorziening aan geintimeerde;

Veroordeelt geintimeerde in de kosten  van beide instanties aan de zijde van appellante gevallen en begroot:

in eerste aanleg op SRD 125 ;

en in hoger beroep op SRD 125;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaten  voor het door hen gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 125 ;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaten van geintimeerde eveneens op SRD 125 ;

In reconventie:

Verwijzen partijen naar de gewone wijze van rechtspleging;

Veroordeelt geintimeerde in de kosten van beide instanties aan de zijde van appellante gevallen en begroot:

in eerste aanleg op SRD 125 ;

en in hoger beroep op SRD 125 ;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaten voor het door hen gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 125 ;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaten van geintimeerde eveneens op SRD 125 ;

In conventie en in reconventie:

Aldus gewezen door : Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo, Lid en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Lid-Plaatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 16 juli 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.N.P.Tjin A Djie namens  haar gemachtigden, advokaten Mr.E.Naarendorp, Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.F.Kruisland en geintimeerde vertegenwoordigd door haar gemachtigden, advokaten Mr.A.R.Baarh en Mr.F.F.P.Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen. 

SRU-aa–2769

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14177

SURINAM LEISURE COMPANY A.V.V., rechtspersoon naar het recht van Aruba, gevestigd te Aruba, [adres 1] mede kantoorhoudend te Paramaribo aan [adres 2], voor wie als gemachtigden optreden, Mr.E.Naarendorp, Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.F.Kruisland, advokaten,    appellante in conventie en in reconventie in Kort Geding,

t   e  g  e  n 

STICHTING DIM, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan [adres 3], voor wie als gemachtigden optreden, Mr.A.R.Baarh en Mr.F.F.P.Truideman, advokaten, geintimeerde in conventie en in reconventie in Kort Geding,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs beschikking van 21 november 2003 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:                        

In conventie en in reconventie:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voormelde beschikking is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna over en weer repliek – en dupliek pleidooi hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 23 januari 2004, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

In conventie en in reconventie:

Overwegende, dat het Hof termen aanwezig acht te gelasten een comparitie van partijen tot het verschaffen van inlichtingen, welke comparitie het Hof tevens dienstbaar zal maken aan het beproeven van een vereniging;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:      

In conventie en in reconventie:

Alvorens verder te beslissen:

Gelast partijen ambtshalve – deugdelijk vertegenwoordigd – desgewenst vergezeld van haar advokaten om ter terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 26 maart 2004 des voormiddags te Half Negen Uur te verschijnen tot het verschaffen van inlichtingen welke comparitie het Hof tevens dienstbaar zal maken aan het beproeven van een vereniging;

Bepaalt, dat deze comparitie van partijen zal worden gehouden ten overstaan van een Rechter-Commissaris, als hoedanig wordt benoemd de Waarnemend-President van het Hof voornoemd;

Houdt elke verdere beslissing aan;

Aldus gewezen door : Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo, Lid en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Lid-Plaatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 20 februari 2004, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.N.P.K.Tjin A Djie namens haar gemachtigden, advokaten Mr.E.Naarendorp, Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.F.Kruisland en geintimeerde vertegenwoordigd door haar gemachtigde advokaat Mr.A.R.Baarh  mede namens Mr.F.F.P.Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

                                                                   

                                                                           

SRU-HvJ-2004-6

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14176

SURINAM LEISURE COMPANY A.V.V., rechtspersoon naar het recht van Aruba, gevestigd te Aruba, [adres 1], mede kantoorhoudend te Paramaribo aan de [adres 2], voor wie als gemachtigden optreden, Mr.E.Naarendorp, Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.F.Kruisland, advokaten,  appellante in Kort Geding,

t   e  g  e  n 

STICHTING DIM, rechtspersoon, domicilie kiezende aan de [adres 3], voor wie als gemachtigden optreden, Mr.A.R.Baarh en Mr.F.F.P.Truideman, advokaten, geintimeerde in Kort Geding,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien`s Hofs interlocutoir vonnis van 20 februari 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende dat het Hof verwijst naar en overneemt hetgeen bereids in voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, partij  [appellant]. vertegenwoordigd door [naam1], tevens bijgestaan door haar gemachtigden advokaten Mr.E.Naarendorp, Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.F.Kruisland, Partij Stichting Dim vertegenwoordigd door [naam2], eveneens bijgestaan door haar gemachtigden advokaten Mr.A.R.Baarh en Mr.F.F.P.Truideman, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast  te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna – eveneens hier als ingelast te beschouwen – schriftelijke conclusies na gehouden comparitie van partijen hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 18 juni 2004, doch nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat nu het Hof aan de hand van de tussen partijen gewisselde gedingstukken, zowel in prima als in hoger beroep en de door hen verschafte inlichtingen ter gelegenheid van de op 19 april 2004 gehouden inlichtingencomparitie, blijkens het daarvan opgemaakt proces-verbaal gebleken is, dat deze zaak zonder onherstelbaar nadeel uitstel gedoogt om op de gewone wijze voor de Kantonrechter zelve te worden behandeld, zal het Hof partijen naar de gewone wijze van rechtspleging verwijzen, onder verwijzing van appellante in de proceskosten, nu toepassing van artikel 228 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waar het Hof van uitgaat, weigering van de gevraagde voorziening betekent;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Vernietigt het vonnis in kort geding gewezen en uitgesproken op 30 juli 2003 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verwijst  partijen naar de gewone wijze van rechtspleging;

Veroordeelt  appellante in de kosten van beide instanties aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot:

in eerste  aanleg op SRD Nihil.

en in hoger beroep op SRD Nihil.

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaten voor het door hen gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 250.

Bepalende het Hof het salaris van de advokaten van appellante eveneens op SRD 250.

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo, Lid en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Lid-Plaatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag, 16 juli 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Partijen, appellante  vertegenwoordigd door advokaat  Mr.N.P.K.Tjin A Djie namens haar gemachtigden, advokaten Mr.E.Naarendorp, Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.F.Kruisland en geintimeerde vertegenwoordigd door haar gemachtigden, advokaten  Mr.A.R.Baarh en  Mr. F.F.P.Truideman, zijn bij de  uitspraak ter terechtzitting verschenen.

                                            

SRU-HvJ-2004-5

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14176

SURINAM LEISURE COMPANY A.V.V., rechtspersoon naar het recht van Aruba, gevestigd te Aruba,[adres 1], mede kantoorhoudend te Paramaribo aan de [adres 2], voor wie als gemachtigden optreden, Mr.E.Naarendorp, Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.F.Kruisland, advokaten, appellante in Kort Geding,

t   e  g  e  n 

STICHTING DIM, rechtspersoon, domicilie kiezende aan de [adres 3], voor wie als gemachtigden optreden, Mr.A.R.Baarh en Mr.F.F.P.Truideman, advokaten, geintimeerde in Kort Geding,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 30 juli 2003 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 1 augustus 2003, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt dat [appellant]. als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Eiseres heeft krachtens de overeenkomst van huur en verhuur van 6 juni 1998 (in de oorspronkelijke Engelse tekst aangeduid als ‘Lease Agreement’) gehuurd de begane grond en de eerste  verdieping van het gebouw staande aan de [adres 2], voor de duur van 15 jaren, te rekenen van 28 februari 1998. De betreffende overeenkomst wordt hierbij als produktie no.1 overgelegd, met verzoek de inhoud daarvan, zomede die van de na over te leggen produkties, als hier letterlijk aangehaald en ingelast aan te merken.
  2. Door koop op de veiling is gedaagde op 4 juni 2003 eigenares geworden van het pand waarvan het gehuurde deel uitmaakt. De openbare verkoop in kwestie heeft plaats gehad op 29 mei 2003, krachtens het bepaalde in artikel 1207 van het Burgerlijk Wetboek en de akte van krediethypotheek van 3 september 1998. Uw aandacht wordt erop gevestigd dat de huurovereenkomst van een vroegere datum is dan de hypotheekvestiging, waardoor de huur niet aangetast kon en kan worden door de bepalingen van de hypotheekakte.
  3. Eiseres heeft vanaf de dag van de openbare verkoop, zelfs nog vóór de overschrijving van het proces verbaal  van de veiling in de registers van het Hypotheekkantoor, moeten ervaren dat gedaagde het recht op ongestoord huurgenot van eiseres niet respecteert en aanhoudend pogingen in het werk stelt om haar bedrijfsvoering te frustreren en stil te leggen. De reeks van handelingen in kwestie zijn opgesomd op de bijgaande produktie no.2.
  4. De voormelde gedragingen zijn afkomstig van personeel in dienst van gedaagde al of niet in opdracht van gedaagde, althans en in ieder geval van personen voor wier handelen in deze gedaagde verantwoordelijk is. Het resterend gedeelte van het gebouw, met uitzondering van het door    eiseres gehuurde gedeelte, is in gebruik  bij gedaagde en de gewraakte handelingen vinden vanuit  dit resterend gedeelte plaats.
  5. Deze door of namens gedaagde verrichtte handelingen, althans de gedragingen waarvoor zij verantwoordelijk is, vormen een voortdurende en ernstige inbreuk op het recht op  ongestoord huurgenot van eiseres, welk huurgenot inzonderheid aan haar verschaft moet worden door gedaagde die rechtens immers de verhuurder in alle rechten en verplichtingen is opgevolgd.
  6. Door het vorenvermelde handelen van gedaagde wordt de continuiteit en voortbestaan van het bedrijf van eiseres acuut en onmiddellijk ernstig in gevaar gebracht, met alle wellicht onherstelbare en nadelige gevolgen van dien, niet alleen voor de aandeelhouders van eiseres, maar vooral voor de circa 300 werknemers die rechtstreeks van het bedrijf afhankelijk zijn.
  7. Eiseres is gerechtigd om te vorderen dat gedaagde verboden wordt gedragingen als voormeld, die een feitelijke en rechtsstoornis inhouden en in het algemeen al een onrechtmatige daad opleveren en in dezen in het bijzonder wanprestatie constitueren, voort te zetten en heeft een spoedeisend belang bij een voorziening bij voorraad;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minute:

a. Gedaagde zal worden verboden dat door of namens haar enige inbreuk wordt gepleegd op het recht op het volle huurgenot van eiseres

b. Gedaagde voorts meer in het bijzonder zal worden verboden om anders dan na uitdrukkelijke afspraak met eiseres en door de Rechter nader vast te stellen condities  het gehuurde te betreden een en ander slechts voor controle door gedaagde op een juist gebruik van het gehuurde door eiseres.

c. Gedaagde zal worden verboden om de door eiseres te doen betreden tijdens de uren waarop het casino operationeel is.

d. Gedaagde zal worden verboden om hetzij mondeling, hetzij middels geschriften bij het publiek de indruk te wekken, althans te doen ontstaan, als zou het casino gesloten zijn, althans niet langer toegankelijk zijn.

e. Gedaagde zal worden veroordeeld tot de betaling van een dwangsom van SRG 100.000.000,– (honderd miljoen gulden) voor iedere keer, dat gedaagde in strijd met dit vonnis handelt, hetwelk doende, enzovoorts, Kosten rechtens;

Overwegende, dat stichting Dim als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – onder overlegging van produkties – welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiseres in haar vordering niet zal worden ontvangen althans haar deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 30 juli 2003 op de daarin opgenomen gronden:

De gevraagde  voorzieningen heeft geweigerd;

Eiseres heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant]. in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van  30 juli 2003;

Overwegende, dat bij exploot van deurwaarder Jerry Eugene Febis van 6 augustus 2003 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 17 oktober 2003 advokaat Mr.F.F.P.Truideman zich mede als gemachtigde van geintimeerde heeft gesteld;

Overwegende, dat de gemachtigden van appellante een pleitnota hebben overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd; hebbende zij tevens een schriftelijke incidentele conclusie van eis t genomen, waarbij zij hebben verzocht:

dat bij provisionele voorziening, de tenuitvoerlegging van het vonnis, waarvan beroep, zal worden verboden, zolang er in de voorliggende zaak in hoger beroep geen beslissing is gegeven.

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna respectievelijk repliek en dupliek pleidooi hebben genomen, hebbende de gemachtigden van appellante tevens een produktie overgelegd; waarvan de inhoud hier als ingelast dient te  worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk  had bepaald op 23 januari 2004, doch nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof termen aanwezig acht te gelasten een comparitie van partijen tot het verschaffen van inlichtingen, welke comparitie het Hof tevens dienstbaar zal maken aan het beproeven van een vereniging;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:      

Gelast partijen ambtshalve – deugdelijk vertegenwoordigd – desgewenst vergezeld van haar advokaten om ter terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 26 maart 2004 des voormiddags te Half Negen Uur te verschijnen tot het verschaffen van inlichtingen welke comparitie het Hof tevens dienstbaar zal maken aan het beproeven van een vereniging;

Bepaalt, dat deze comparitie van partijen zal worden gehouden ten overstaan van een Rechter-Commissaris, als hoedanig wordt benoemd de Waarnemend-President van het Hof voornoemd;

Houdt elke verdere beslissing aan;

Aldus gewezen door Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo, Lid en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Lid-Plaatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag, 20 februari 2004, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

 

Partijen, appellante vertegenwoordigd door haar gemachtigden, advokaat Mr.E.Naarendorp, advokaat Mr.N.P.K.Tjin A Djie namens advokaat Mr.F.Kruisland en Mr.T.Gangaram Panday namens Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerde vertegenwoordigd door haar gemachtigden, advokaat Mr.A.R.Baarh  en  advokaat Mr.F.F.P.Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.