SRU-RC-2019-3

RECHTER-COMMISSARIS BELAST MET DE BEHANDELING VAN STRAFZAKEN BIJ DE KANTONGERECHTEN
Beschikking ex artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering(SB 2008 no.21)

Gezien het verzoek van de vervolgingsambtenaar d.d. 6 juni 2019 ter vaststelling van een voorgeleidingsdatum voor de verdachte : [verdachte];

Gelezen de stukken, waaronder het bevel tot inverzekeringstelling, waaruit blijkt dat verdachte op 04 oktober 2011 in verzekering is gesteld terzake overtreding van de artikelen 2 en 4 van de Rijwet 1971;

Gehoord de verdachte voornoemd, die heeft verklaard gelijk gerelateerd staat in de daartoe opgemaakte verklaring, waarvan een afschrift aangehecht is aan deze beschikking;

Tav art. 2 Rijwet 1971
Overwegende, dat ten aanzien van dit feit wel een redelijk vermoeden van schuld voortvloeit,evenwel betreft het niet een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;

Tav art. 4 Rijwet 1971
Overwegende, dat uit de zich in het strafdossier bevindende stukken gebleken is dat verdachte betrokken is van een verkeersongeval waarbij er schade is toegebracht aan een ander voertuig terwijl verdachte bij aankomst van de politie niet ter plaatse is aangetroffen;

Overwegende dat, het toepasselijke artikel 4 lid 1a – verkort weergegeven- alsvolgt luidt:
“Het is de bestuurder van een rij- of voertuig verboden na een ongeval, ontstaan hetzij als gevolg van botsing, aan- of overrijding met dat rij- of voertuig, hetzij als gevolg van enige handeling ter voorkoming van botsing, aan- of overrijding met dat rij- of voertuig:
a. schade is toegebracht aan enig goed van een ander, door te rijden of weg te rijden of zich op andere wijze te verwijderen, voordat de identiteit van zijn persoon en voorzover het motorrijtuigen betreft, van het motorrijtuig en van degene die tijdens het ongeval het motorrijtuig bestuurde, behoorlijk is kunnen worden vastgesteld”;

Overwegende, dat voor strafbaarstelling van het bepaalde genoemd artikel- in casu vereist is dat de verdachte op de plaats van het ongeluk niet behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van diens identiteit en de identiteit van het door haar bestuurde motorrijtuig;

Overwegende, dat uit de zich in het strafdossier bevindende stukken de navolgende feitelijke gang van zaken kan worden afgeleid:

l. Blijkens het uittrekselrapport d.d. 1 juni 2019 opgemaakt door ambtenaar van politie [verbalisant]:

  • op 1 juni 2019 omstreeks 08:30 uur vond er een aanrijding plaats aan de [weg] dichtbij de [straat] tussen twee voertuigen Isuzu DMax kentekennummer [kentekennummer] en Toyota Vitz kentekennummer [kentekennummer] Het voertuig van de bestuurder [naam]. werd door de bestuurder van de Toyota Vitz aangereden en na de aanrijding reed de bestuurder van de Toyota Vitz door;
  • er was sprake van een doorrijder maar de doorrijder was klemgereden door bestuurder [naam];
  • bij aankomst van de politie op de locatie waar het voertuig was klemgereden werd de veroorzaker van de aanrijding niet aangetroffen;
  • het voertuig van de doorrijder de Toyota Vitzwerd onbeheerd aangetroffen;
  • aan de hand van de voertuig bescheiden die in het voertuig werden aangetroffen is gebleken dat het voertuig op naam staat van [naam 2] wonende aan de [straat 2] en dat het voertuig WA verzekerd is bij Self Reliance;
  • het voertuig van [naam] (DMax) vertoonde schade aan de linkerzijde van de achterlaadbak;
  • de Toyota Vitz vertoonde schade aan de voorzijde;
  • er was geen sprake van persoonlijke ongelukken;

ll. Op 2 juni 2019 verklaarde de benadeelde [naam] bij de ambtenaar van politie [verbalisant]. pg 12-13 alsvolgt:

  • na de aanrijding zag ik dat de bestuurder weg reed zonder te stoppen;
  • ik zette een achtervolging in en gekomen op de kruising van de [straat 3] en de [straat 4] lukte het mij om de bestuurder van de Toyota Vitz klem te rijden;
  • ik stapte uit mijn voertuig en liep naar de bestuurder toe ik zag dat het een vrouwspersoon van Braziliaanse komaf betrof die vermoedelijk onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde;
  • ik pakte vervolgens de contactsleutel af en belde naar de politie meldkamer;
  • na een uur gewacht te hebben op de politie, die maar niet kwam opdagen besloot ik zelf naar politie [wijk] te rijden;
  • na met de politie op de plaats te zijn gekomen bleek dat de bestuurder de plaats verlaten had en haar voertuig onbeheerd had gelaten;

lll. De verdachte heeft bij haar voorgeleiding bij de rechter-ommissarisverklaard zich niets meer te kunnen herinnen van de aanrijding.

Overwegende, dat de verdachte na de aanrijding is klemgereden door de benadeelde waarbij laatstgenoemde:

  • de gelegenheid had om de contactsleutel van het voertuig weg te nemen;
  • in aanwezigheid van de verdachte een (1) uur op de politie heeft gewacht;
  • de verdachte hierna is vertrokken van de plaats met achterlating van het voertuig met relevante autobescheiden;

Overwegende, dat naar het oordeel van de rechter-commissaris uit deze feitelijke gang van zaken kan worden afgeleid dat de verdachte voldoende gelegenheid geboden heeft tot vaststelling van haar identiteit en, tevens de identiteit van het motorrijtuig waardoor er ten aanzien van verdachte geen sprake van redelijk vermoeden van schuld aan de in het bevel in verzekering stelling genoemd strafbaar feit van artikel 4 Rijwet 1971;

Nu, als hierboven overwogen de inverzekeringstelling op grond van artikel 2 Rijwet 1971 wettelijke grondslag mist en, er ten aanzien van artikel 4 Rijwet 1971 geen redelijk vermoeden van schuld van verdachte bestaat dient haar inverzekeringstelling onrechtmatig verklaard te worden;

BESCHIKKENDE:
Verklaart de inverzekeringstelling onrechtmatig en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte voornoemd.

Aldus gegeven te Paramaribo op 7 juni 2019 door mr. D.G.W. KARAMAT ALI, Rechter-Commissaris, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. F. AMIRULLAH.

De fungerend-griffier,
De Rechter-Commissaris,

mr.F. AMIRULLAH
mr. D.G.W. KARAMAT ALI

SRU-K3-2015-1

KANTONGERECHT IN HET DERDE KANTON
Parketnummer: 1-9-04509
Vonnisnummer: 152
Datum uitspraak: 13 november 2015
Tegenspraak
Raadslieden : mr. F.F.P. Truideman en mr. R. Lobo, advocaten,

VONNIS
van de Kantonrechter in het Derde Kanton, zitting houdende te Paramaribo, in zaak van de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte]
geboren op [datum] in het [district 1],
wonende aan de [adres 1] in het [district 1] ,
van beroep visser,
gevangen gehouden.

1. Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van respectievelijk
09 juni 2014, 20 juni 2014, 11 juli 2014, 31 juli 2014, 02 oktober 2015, 22 oktober 2014,
14 november 2014, 28 november 2014, 12 december 2014, 09 januari 2015, 18 maart 2015,
30 maart 2015, 29 april 2015,15 mei 2015, 12 juni 2015, 10 juli 2015, 14 augustus 2015,
13 oktober 2015 en 13 november 2015.

2.De tenlastelegging
De verdachte staat terecht ter zake dat:
hij op een niet ander aan te duiden tijdstip gelegen in de periode van 04 augustus 2013 tot en met 08 augustus 2013, althans in het jaar 2013, in het [district], in ieder geval in Suriname:
tezamen en in vereniging met [medeverdachte] althans alleen, opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk [slachtoffer], van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk
– die [slachtoffer] met een eindhout, althans een hard en/of zwaar voorwerp, één of meer slag(en) toegebracht aan het hoofd, althans het lichaam en/of
– die [slachtoffer] aan de handen gekneveld en/of
– die [slachtoffer] met een houwer en/of mes, althans een scherp en/of snijdend en/of puntig voorwerp, één of meer steek- en /of snij- en/of kapverwondingen toegebracht op het hoofd, althans het lichaam en/of
– met een houwer en/of mes, althans een scherp en/of snijdend en/of puntig voorwerp het hoofd van die [slachtoffer] van het lichaam gescheiden,
tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.
Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de kantonrechter verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de kantonrechter
De kantonrechter is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de vervolging in de weg staan.

6.Schorsing der vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverweging
De verdediging beroept zich primair op bewijsuitsluiting en subsidiair op strafvermindering.
Ter zake het beroep op bewijsuitsluiting voert de verdediging het volgende aan:
Op 30 augustus 2013 had de rechter-commissaris de inverzekeringstelling van de verdachte rechtmatig geacht. Hiertegen heeft de verdediging hoger beroep ex artikel 54c Sv aangetekend. Het Hof van Justitie heeft in hoger beroep de inverzekeringstelling van de verdachte onrechtmatig verklaard en tevens zijn onmiddellijke invrijheidstelling bevolen, omdat er geen redelijk vermoeden van schuld was. Daar op het moment van de aanhouding van de verdachte er geen redelijk vermoeden van schuld was, zijn al de op dat moment en hierna verkregen bewijsmiddelen voortvloeiend uit het eerder gesteld onderzoek onrechtmatig verkregen.
Naar het oordeel van de kantonrechter gaat de verdediging uit van een onjuist standpunt, omdat uit het onrechtmatig verklaren van de inverzekeringstelling geenszins voortvloeit dat de verkregen bewijsmiddelen vanaf het moment van aanhouding onrechtmatig zijn verkregen. Overigens valt uit geen der wettelijke bepalingen in het wetboek van Strafvordering en evenmin uit de jurisprudentie af te leiden dat door het onrechtmatig verklaren van de inverzekeringstelling van een verdachte het bewijs dat vanaf de aanhouding van de verdachte is verkregen onrechtmatig is. Deinverzekeringstelling is een onderzoeksmaatregel, welke alleen mag worden toegepast om het onderzoek naar het vermoedelijk gepleegde strafbare feit te voltooien, dan wel om te verhinderen dat de verdachte dit onderzoek frustreert. Vanuit dat oogpunt verwerpt de kantonrechter het verweer van de verdediging.
Voorts voert de verdediging aan dat het DNA onderzoek zonder enige wettelijke grondslag is verricht, waardoor de privacy van de verdachte is geschonden. De verdediging acht niet uitgesloten dat de politie heeft geknoeid met het sporenmateriaal dat op inbeslag genomen voorwerpen aanwezig is enop het materiaal dat is afgenomen van het slachtoffer. Daarom moet het resultaat van het NFI als bewijsmiddel worden uitgesloten.
Naar het oordeel van de kantonrechter gaat hetgeen de verdediging aanvoert niet op, en wel op grond van de hierna volgende overwegingen.
Een wettelijke basis voor DNA onderzoek is ter bescherming van de privacy en de lichamelijke integriteit van ieder individu. In casu is in het kader van de waarheidsvinding celmateriaal van het slachtoffer onderzocht en niet van de verdachte, dus kan in casu geen sprake zijn van schending van de privacy van de verdachte.
Voor zover de verdediging betoogt dat de politie onzorgvuldig te werk is gegaan met het veiligstellen van de sporen c.q. het celmateriaal en daardoor het onderzoek onbetrouwbaar is, is dit voor de kantonrechter onvoldoende, omdat de verdediging heeft nagelaten aan te voeren aan welke criteria in zijn visie het veiligstellen van die sporen zou horen te voldoen en aan welke criteria er niet zou zijn voldaan. Bovendien is het een feit van algemeen bekendheid dat het NFI strenge criteria en protocollen ter zake het veiligstellen van sporen heeft. Zouden de forensische opsporingsambtenaren de voorschriften met betrekking tot het veiligstellen en bewaren van de sporen niet in acht nemen, dan zou het NFI het verzoek tot het verrichten van het onderzoek niet inwilligenen zulks vermelden.
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt de kantonrechter tot de slotsom dat van onrechtmatig verkregen bewijs geen sprake is en eraldus geen plaats is voor bewijsuitsluiting of, in geval van oplegging van een straf, vermindering van de hoogte daarvan.

8.Bewijsmiddelen
De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair telaste gelegde heeft begaan, en wel op grond van de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de hierna volgende bewijsmiddelen.

Proces-verbaal betreffende een telefonische melding d.d. 06 augustus 2013, op ambtsbelofte opgemaakt door agent van politie tweede klasse, [naam 1]:
“ Op dag, datum en tijdstip als hoger vermeld bevond ik mij onder begeleiding van agent [naam 2] op Pro Surveillance. Kort daarna werd het bericht ontvangen van de wacht dat er een ongewenst gast zich bij de woning van agent [naam 3] bevond. Naar aanleiding van de melding reed ik derwaarts voor onderzoek. Terplaatse aangekomen trof ik een manspersoon van hindoestaanse komaf die aangeschoten bleek te zijn voor de woning van agent [naam 3]. Bedoelde manspersoon gaf op te zijn genaamd [naam 4]. Tijdens een informatief gesprek verklaarde hij dat in de woonomgeving van het Nieuw bouwproject te [polder 1], in een der zijwegen een auto stond die is afgebrand. Naar aanleiding van de melding reed ik derwaarts voor onderzoek.
Terplaatse aangekomen zag ik dat er een auto die verwoest is door brand in een zijweg van de [polder 1] stond geparkeerd. Voor het voertuig en wel op de grond zag ik een kentekenplaat met als politie volg [nummer 1] die ook verwoest was door de brand.
PLAATSELIJK ONDERZOEK
“Het betreft in deze een voertuig dat reeds was afgebrand, en in een zijweg van de [polder 1] stond geparkeerd, zulks met front naar de zuidelijke richting. Voor het voertuig, en wel op de grond was er een kentekenplaat met als politie volg [nummer 1] die ook is verwoest door brand. De straat alwaar het voertuig was geparkeerd lijdt naar rijst arealen toe. Vanuit de hoofdweg tot waar het voertuig was geplaatst was ongeveer vijftig meters. De straat die naar het voertuig lijdt is ongeveer vier meters breed en de lozingen die evenwijdig lopen aan de straat staan onder hoogwied.
(…)
Naar mijn inzien kon het voertuig op zondag 04 augustus 2013 of op maandag 05 augustus 2013 aldaar zijn geplaatst, daar in de naaste omgeving van het voertuig het gras verschroeid was door brand. Daar er geen versmeulde resten werden aangetroffen, bestaat het vermoeden, dat het geruime tijd voor mijn komst ter plaatse het voertuig was uitgebrand. Het voertuig voelde ook niet warm aan. “

Proces-verbaal van aangifte door [naam 5] d.d. 08 augustus 2013, op ambtsbelofte opgemaakt door agent van politie eerste klasse, [naam 6]:
“ Op dag, datum en tijdstip als hoger vermeld werd telefonisch melding ontvangen van de aangever voornoemd dat er een lijk drijft in het [kanaal] nabij de pompgemaal aan de [weg 1] in dit district. Naar aanleiding hiervan begaf ik mij onder leiding van de Onderinspecteur van politie [naam 7] derwaarts voor onderzoek en moge het volgende worden vermeld:
(…)
Dat hij het beheer heeft over het Pompgemaal, dat nabij de kruising gevormd door de [weg 2]- en de [weg 1] staat. Heden zaterdag 8 augustus 2013, een tijdstip gelegen tussen 07.00 uur en 07.30 uur had hij het pompgemaal gecontroleerd. Toen was alles in orde bij het gemaal. Vanmiddag omstreeks 14.30 uur ging hij voor de tweede keer naar het gemaal om controle uit te voeren. Het [kanaal] waarin het pompgemaal is gebouwd en het kanaal aan de rechterzijde daar staan in verbinding middels een sluis. Tussen deze twee kanalen is er een dam. Het [kanaal] voedt dit kanaal met water. Deze sluis wordt ook beheerd door de aangever voornoemd.
Toen hij voor de tweede keer op controle uitging, besloot hij eerst de sluis, die deze twee kanalen met elkaar verbindt, te controleren. Bij nadering van de sluis rook hij een enorme stank. Hij is verder gaan controleren en zag een levenloos lichaam zonder hoofd drijven nabij de sluis.
Daar hij de schrik van zijn leven kreeg, snelde hij zich naar voren en zag een hoofd drijven in het water voor het pompgemaal. Het gemaal bevindt zich op ongeveer 61 meters, in de noordelijke richting, verwijderd van de sluis. Hij verwittigde de politie meteen hierover.
(…)
PLAATSELIJK-ONDERZOEK
Geografisch bekeken staat het pompgemaal ten oosten van de [weg 1] en wel nabij de kruising gevormd door de [weg 2]-, [weg 1]- en de [weg 3]. Het kanaal waarin het pompgemaal is gebouwd wordt het [kanaal] genoemd. Op aanwijzing van de aangever werd een hoofd van een mens drijvend aangetroffen in het water, bij de afzuigkleppen van genoemd pompgemaal. Het hoofd verkeerde in verre staat van ontbinding en vertoonde een kap verwonding op het hoofd en schrammen in het gelaat.
Aan de rechterzijde van het [kanaal] zulks, bekeken vanuit de straatzijde is er een dam aangelegd. Tussen deze dam en de [weg 3] is er een kanaal, dat met water gevoed wordt door het [kanaal]. Ongeveer 61 meters verwijderd van het gemaal, in de richting van EBS wordt de toevoer van water naar het kanaal langs de [weg 3] geregeld middels een sluis. Bij de sluis werd een onthoofde lichaam van een manspersoon drijvend op zijn rug aangetroffen in het water. Het ontzielde lichaam was in verre staat van ontbinding en was niet voorzien van lijfskleren (naakt). Het lijk vertoonde enkele, vermoedelijk, snij verwondingen op de rug en borst.
Het vermoeden bestaat dat het ontzielde lichaam via het [kanaal] uit de richting van de [dam] door het stromend water daar naar toe is gevoerd en bij het sluis is blijven steken. Verder is uit onderzoek gebleken dat de handen van het slachtoffer aan de polsen op zijn rug middels een stuk zwarte nylon touw waren gebonden. De identiteit van het ontzielde lichaam is nog niet bekend.
(…)
Naar aanleiding van de aangetroffen situatie werd de Hulp Officier van Justitie, (…), op de hoogte gesteld, die ter plaatse verscheen. Ook de arts Ramjattan werd ingeschakeld, die de dood vaststelde.”

Referte proces-verbaal betreffende achterhaling van de juiste personalia van het op donderdag 08 augustus 2013 aangetroffen onthoofde lichaam, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door de majoor van politie, [naam 8] :
“ (…)
Daar het niet werd uitgesloten, dat de verbrandde personenauto verband kon hebben met het op donderdag 08 augustus 2013 aangetroffen onthoofde lichaam van een man van het negroïde ras, werd via de Verkeers Technische Dienst, nagetrokken op wiens naam die staat ingeschreven.
(….)
Staande het onderzoek, werd op de Aangiftedienst van station [district 1] gerapporteerd, dat er op 08 augustus van het lopend jaar een bericht binnen was gekomen van de vermissing van een man die woonachtig moet zijn ten huize van familie [naam 9] aan de [adres 2]. Verder, dat iemand uit [district 2] had opgebeld met de mededeling, dat die persoon al langer dan een week vermist word. De dagrapporten van de diensten van 08 augustus 2013, werden opgevraagd en bleek, dat de persoon van [echtgenote slachtoffer], tegen 13.45 uur heeft gebeld met het verzoek of de politie van station [district 1], naar het adres van familie [NAAM 9] aan de [adres 2], kon gaan om te onderzoeken of haar echtgenoot [SLACHTOFFER], ter plaatse is.
(…)
Aangegeven moge worden, dat het duidelijk voor het onderzoek team werd, dat er een link bestond tussen de eigenaar c.q. gebruiker van de door de brand verwoestte personenauto; de persoon als vermist opgegeven door [echtgenote slachtoffer], en het op donderdag 08 augustus 2013, aangetroffen lichaam en hoofd in het [kanaal] in dit district.
(…)
Tijdens het telefonische onderhoud met de onder inspecteur van politie [naam 10], werd naar een beschrijving van de door haar bedoelde [SLACHTOFFER] gevraagd. Ze gaf daarbij aan, dat hij van het gemengd ras is; tenger van postuur; een lichte huidskleur heeft en altijd kaalgeknipt is. Verder dat hij een tatoeage aan zijn hals moet hebben. Het betreft volgens haar een afbeelding van een kop van een Ram en verschillende tatoeages, die zij op dat moment niet kon beschrijven, op zijn rechterbovenarm moest hebben.
Uitgaande van haar uitleg werd gevoeglijk aangenomen, dat het slachtoffer in de onderhavige zaak, de door haar bedoelde [SLACHTOFFER], kon zijn, temeer daar de door haar beschreven tatoeage op de hals van de opgegeven vermiste persoon, overeenkwam met die op de hals van het slachtoffer. Ze gaf verder aan, dat het haar bekend is, dat hij een liefdesrelatie heeft met een dame [NAAM 9], van de [adres 2] in het [district 1] .
(…)
Gezien het vorenstaande, werd de persoon van [NAAM 9], opgespoord aan de [adres 2], alwaar zij werd aangetroffen.
(…)
Uit het verder gesprek, werd ook duidelijk, dat zij de persoon van [SLACHTOFFER], met wie zij volgens zeggen, langer dan een jaar een liefdesrelatie heeft, op zondag 04 augustus 2013, tegen 23.30 uur, voor het laatst heeft gezien. Zij had volgens eigen zeggen nog ruzie met hem gehad, daar hij haar op de hoogte had gebracht, dat hij de dag daaropvolgend naar [district 2] zou afreizen.
(…)
Volgens haar zeggen was, zij tegen 23.30 uur van dezelfde avond naast hem in slaap gevallen en dat zij tegen 05.00 uur van maandag 05 augustus 2013 wakker was geworden en had ontdekt, dat hij niet meer op bed lag. Het was haar bij die gelegenheid ook opgevallen, dat de bordeaux gelakte personenauto van het handelsmerk “Toyota, levin” niet voor de deur stonde geparkeerd.
(…)
[NAAM 9], deed zich op een bepaald moment, ook ontvallen, dat ene [verdachte], mogelijk ook meer van de dood van [SLACHTOFFER], moest afweten. Ze gaf aan, dat zij en [SLACHTOFFER], voor ongeveer zes (6) weken naast familie [VERDACHTE], aan de [polder 2] in het district, hebben gewoond. Verder, dat het haar in die periode was opgevallen, dat [SLACHTOFFER], ietwat te intiem bezig was met de vrouw van [VERDACHTE]. Hij bracht volgens haar zeggen, teveel tijd met meerbedoelde vrouw door, en wel op momenten waarop haar echtgenoot en kinderen, niet thuis waren. Het laatste is volgens haar de reden geweest, dat zij het besluit had genomen om van dat adres te verhuizen en zich weer te gaan vestigen aan de [adres 2] in het district. Volgens haar zeggen had de door haar bedoelde [VERDACHTE], lucht gekregen van de bezoekjes van [SLACHTOFFER], aan zijn woning en dat hij in duidelijke bewoordingen aan derden zou hebben verteld, dat hij daarvoor niet gediend was. Volgens [NAAM 9], verscheen [VERDACHTE] voornoemd op woensdag 07 augustus 2013 heel onverwachts op haar werkplaats, zijnde de Surinaamse Post Spaarbank, om naar [SLACHTOFFER], te vragen. Het was volgens [NAAM 9], nooit eerder voorgevallen, dat [VERDACHTE], haar ter plaatse was komen opzoeken en werd die handeling, als zeer vreemd door haar bestempeld. Ook vanwege het feit, dat hij haar ter plekke had omhelst en had aangegeven, dat hij dacht, dat zij en [SLACHTOFFER] nog boos op hem waren, terwijl er volgens haar niks tussen hen was voorgevallen en bij die gelegenheid ruzie werd gemaakt. Hij zou haar bij die gelegenheid hebben voorgehouden, dat hij hem al geruime tijd telefonisch niet kon bereiken. Nadat zij hem had voorgehouden, dat hij naar [district 2] was afgereisd, verliet hij de plaats zonder achterlating van een boodschap voor [SLACHTOFFER] voornoemd.
(…)
Het onderzoek voortzettend, werd de persoon van [NAAM 9], omstreeks 13.20 uur overgebracht naar het lijkenhuis van het [ziekenhuis], alwaar het ontzielde lichaam aan haar werd getoond. [NAAM 9], kon het lijk niet herkennen aan het gezicht en postuur, maar wel aan de tatoeages, die zij bij eerdere ondervraging had beschreven, dus op de hals en rechterbovenarm.”

Proces-verbaal d.d. 20 augustus 2013 op ambtsbelofte opgemaakt door avp Miralam, F. betreffende resultaat van een onderzoek naar het voorkomen van bloesporen.
“ De bromfiets is in beslag genomen bij de verdachte [verdachte].
Er werden hierbij luminescenties waargenomen op:
De linker voorschokkenbreker
Op en onder de voorste staaf van het frame
Op de benzine toevoerslang
Op de plastieke verkasting van het frame onder de zitting en benzine tank
Op het versnellingshendel
Op de plastieken zak op de achterzitting
Over de gehele motorkap
Op de linker schokkenbreker
Naar aanleiding van het verkregen onderzoeksresultaat ….. kan gesteld worden dat de aangetroffen opgedroogde substanties bloedvoorkomens en wel menselijke bloedvoorkomens zijn.”

Proces-verbaal d.d. 2 september 2013 op ambtsbelofte opgemaakt door avp Miralam, F. betreffende resultaat van een onderzoek naar het voorkomen van bloesporen in de woning.
“Naar aanleiding van het verkregen onderzoeksresultaat ….. kan gesteld worden dat de aangetroffen verkleuringen op de vloer aan de rechterachterzijde van de koelkast, op de treden van de trap en de steunbalk en op de kinderbalk aan het plafond bloedvoorkomens en wel menselijke bloedvoorkomens zijn.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van Miralam, F., van de afdeling FO, d.d. 3 april 2014 bij de rechter-commissaris tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek:
“Ik ben samen met de collegae Djamad en Mangal afgereisd naar [district] voor het onderzoek. We hebben samen het onderzoek verricht op deze bromfiets.
Op uw vraag zeg ik, dat ik twee processen-verbaal heb opgemaakt, te weten:
1. betreffende het onderzoek op de bromfiets
2. betreffende het onderzoek in de woning.
Terugkomend op het onderzoek verricht op de bromfiets, deel ik u mede dat het resultaat was dat er sporen van menselijk bloed zijn gevonden op verschillende delen van de bromfiets aan de linkerzijde. Ik verwijs u naar het proces-verbaal, dat ik ter zake heb opgemaakt. In het proces-verbaal zijn ook foto’s toegevoegd waar de menselijke bloedsporen zijn gevonden.
De bromfiets werd in beslag genomen toen wij onderzoek daar verrichten. Het bevond zich in een bergruimte van het politiebureau te [district 1]. De bloedsporen bevonden zich vanaf de voorste modderkap tot de achter modderkap. De plaatsen waar de sporen zijn aangetroffen op de bromfiets zijn van dien aard dat je niet kan zeggen dat verdachte een letsel heeft opgelopen of dat het van een aanrijding is. De concentratie van bloedsporen was verspreid over de linkerzijde van de bromfiets en wel niet te hoog. Je zou het kunnen benoemen als bloedspatten patroon van sporen.
Op foto 29 aangehecht aan het proces-verbaal, die ik heb opgemaakt op zondag 25 augustus 2013 is te zien dat de testkit heeft gereageerd op menselijk bloed.
Ten aanzien van het onderzoek dat wij hebben verricht in de woning refereer ik ook naar het door mij opgemaakt proces-verbaal.
De sporen van menselijk bloed zijn gevonden op de vloer aan de rechter achterzijde van de koelkast, op de treden van de trap en de steunbalk en op de kinderbalk aan het plafond. Ik wil u erbij vermelden dat dit onderzoek drie dagen heeft geduurd.”.

Het proces-verbaal d.d. 30 oktober 2014 betreffende de gehouden descente op de plaatsdelict ([polder 2] in het [district 1]), met fotomateriaal, op ambtsbelofte opgemaakt door de buitengewoon agent van politie, Miralam Faraiza:
“Op foto 1 is de woning van de verdachte te zien. Het betreft een hoogbouw woning welke gedeeltelijk uit steen en gedeeltelijk uit hout is opgetrokken. Vanuit de straat is er een houten brug naar het erf toe. Het erf is niet omrasterd. Aan de achterzijde van het erf zijn er rijstvelden. Ook zijn er verschillende vruchtbomen op en rondom het erf. Aan de rechterzijde vanuit de straat bekeken is er een afdakje waaronder er een tractor is geplaatst. Ook aan de achterzijde van de woning is er een afdakje.
Foto 2 en foto 3: Volgens de verdachte stond het voertuig van het slachtoffer, dat naderhand afgebrand is aangetroffen, op het erf aan de linkerzijde. Het voertuig stond met front naar de straatzijde met draaiende motor.
Foto 5: De bovenverdieping van de woning van de verdachte is verdeeld in vier (4) kamers, een woonkamer en een balkon. In de kamer, sliepen de verdachte, samen met de medeverdachte en hun drie kinderen. De kinderen sliepen op een matras op de vloer, met hun hoofd aan de zijde van de klerenkast.
Foto 6: De verdachte gaf aan dat zijn vrouw (medeverdachte) sliep en dat hij bezig was op het internet met zijn telefoontoestel van het merk “LG”. Verder gaf hij aan dat hij iets hoorde lopen op het dak en dacht dat het om een awarie ging. Later hoorde hij iemand lopen in het huis. Hij stond op van het bed, liep naar de trap toe, keek naar beneden en zag niets. Hij liep toen naar het raam, schoof het gordijn open en keek naar buiten. Hij zag niets buiten.
Foto 7: Volgens de verdachte waren er toen geen houten latten (horizontaal en verticaal) aan het raam bevestigd.
Foto 8: De verdachte liep toen terug naar zijn slaapkamer. In de deurnaad van de kamer, aangeduid met pijl B op foto 8, zag hij een lichtschijnsel. Hij liep toen terug naar het raam en pakte een balk die onder het raam was gezet. Met de balk in zijn hand, sloeg hij met zijn ellebogen tegen de wand van de kamer vanwaar hij het schijnsel zag.
Foto 9: Plotseling zag hij iemand in het zwart gekleed voor hem staan.
Hij sloeg de persoon met de balk aan het hoofd en de nek. Volgens de verdachte viel de persoon voor de trap. Hij bracht hem weer slagen toe waardoor hij van de trap viel.
Ook verklaarde de verdachte dat de persoon die hij had geslagen op de trap, moet hebben gerend naar beneden. Toen de persoon op de vloer beneden lag, liep de verdachte ook naar beneden.
Volgens de verdachte zou de persoon het huis zijn binnengekomen via het raam bij de trap.
Voor de trap beneden zag de verdachte de persoon liggen met het hoofd richting straat, de [adres 1] , en benen richting achterzijde woning.
De verdachte sprong over de persoon heen, om naar de schakelaar te gaan, om het licht aan te doen. Verder gaf de verdachte aan dat er een houwer naast de vitrine kast was.
Foto 11: Volgens de verdachte was de bromfiets, die door de politie in beslag is genomen, bij de deur, vanuit de straat bekeken aan de rechterzijde.
De verdachte verklaarde dat het licht niet aan was en hij de deur niet kon openmaken.
Daar de verdachte het gevoel kreeg dat er iemand achter hem stond, keerde hij zich om, zag een glinsterend voorwerp, en hoorde de uitlating “mo djoek joe kierie”. Als reactie hierop pakte hij de houwer en maakte twee zwaaiende bewegingen.
Volgens de verklaring van de verdachte maakte hij de deur van de keuken daarna open en ging naar buiten.
Foto 12: Vanuit het terras beneden zag de verdachte een voertuig, met draaiende motor en open kofferbak geparkeerd op het erf aan de rechterzijde van de woning, dus het belendend perceel, bekeken vanuit de straatzijde.
De verdachte keerde volgens zijn verklaring terug naar de keuken en maakte het licht aan. Hij zag het slachtoffer op de buik liggen. Het slachtoffer was in het zwart gekleed en ongeschoeid. Daar herkende hij de persoon als te zijn het slachtoffer [slachtoffer].
Foto 13, 14 en 15: De verdachte [verdachte] keerde het slachtoffer om, hield hem aan zijn handen, liep achteruit en sleepte het slachtoffer naar het voertuig toe.
In de kofferbak van het voertuig zag de verdachte touw. Hiermee had hij de handen van het slachtoffer vastgebonden. Hij hield het slachtoffer aan zijn broeksband vast en laadde hem in de kofferbak.
Hierna liep de verdachte terug naar de keuken en maakte een deel van de vloer waar er bloed lag schoon. De kledingstukken die hij heeft gebruikt, plaatste hij ook in het voertuig. Hij verbrandde de kledingstukken samen met het voertuig.
Na het slachtoffer in het kanaal te hebben gedumpt kwam de verdachte terug naar huis en maakte de vloer en het plafond schoon.
Foto 16 en 17: De kledingstukken en andere spullen die hij had gebruikt om de vloer en het plafond schoon te maken heeft de verdachte in het kanaal dat voorlangs zijn woning loopt, en wel evenwijdig aan de [adres 1], gedumpt.
Foto 18 en 19: Volgens de verdachte zou het slachtoffer in een manjaboom aan de achterzijde van de woning hebben geklommen. Via deze manjaboom zou hij op het dak zijn gekomen en vervolgens bij het raam, via welk hij de woning zou hebben moeten betreden.”

Het proces-verbaal van het verhoor van de [getuige 1], d.d. 11 april 2014 bij de rechter-commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek:
“Ik ben werkzaam bij de recherche unit van het Korps Politie Suriname te [district 1].
Op 8 augustus 2013 is een lijk gevonden en naderhand is gebleken dat het lijk het stoffelijk overschot betrof van de persoon van [slachtoffer]. In die periode is een mevrouw, genaamd [naam 9], geweest op het politiebureau. Zij had een buitenechtelijke relatie met de persoon [slachtoffer]. In haar verklaring had zij aangegeven dat [slachtoffer] contact had met ene [verdachte], althans dat hij vaak aan huis ging bij [verdachte], ook al was hij niet thuis. Voornoemde [naam 9] concludeerde daaruit dat [slachtoffer] mogelijk een relatie had met de vrouw van [verdachte]. Voorts werd door de politie rekening gehouden met de mogelijkheid dat [verdachte] van deze relatie afwist en dat hij daarom mogelijk verantwoordelijk kon worden gesteld voor de gewelddadige dood van [slachtoffer].
Nadat de hulpofficier overleg had gepleegd met de officier van justitie ben ik tezamen met andere opsporingsambtenaren op zaterdag 10 augustus 2013 geweest ten huize van [verdachte] aan de [adres 1] in de [polder 2] in [district 1].
[verdachte] is toen kort gezegd aangehouden en kort ondervraagd, waarna met zijn toestemming en in zijn tegenwoordigheid een onderzoek werd verricht in zijn woning. De woning betreft een hoogbouw woning. In de keuken, die zich bevindt in de benedengedeelte van de woning zijn er een aantal goederen aangetroffen en in beslag genomen, zoals een houtenknuppel, een vlijmscherpe houwer, werpnetten, een paar hoge schoenen (zgn bootsmodel), een jeansbroek van het merk G-star en drie stuks mobiele toestellen.”

De verklaring van de [getuige 1], afgelegd ter terechtzitting van 02 oktober 2014:
“Ik ben betrokken geweest bij het onderzoek in deze zaak.
Ik ben eveneens geweest bij de aanhouding van de verdachte. Ik ben met leden van de afdeling F.O. geweest bij de woning van de verdachte.
(…) Er zijn tijdens het onderzoek door de Recherche goederen in beslag genomen, waaronder: een stuk steen, een houwer/een metalen pijp, een keukenmes. Op de houwer zaten er bloedsporen.
Ik was samen met Inspecteur [naam 11]. Er zijn ook visnetten en een knuppel in beslaggenomen. Het onderzoek in de woning heeft 2 á 3 dagen in beslag genomen. Wij zijn ook op het achtererf van de woning geweest.
Verder zijn er een paar laarzen in beslag genomen. De verdachte verklaarde dat hij die laarzen van een familielid had gehad.
(…) Wij hebben die goederen in beslag genomen, nadat het lijk was gevonden.”

De verklaring van de getuige, [naam 8] majoor van politie, afgelegd ter terechtzitting d.d. 31 juli 2014:
“Ik heb op verschillende momenten onderzoekingen in deze zaak verricht. Ik heb verhoren van de verdachten afgenomen.
Ik ben op 9 augustus 2013 naar [district 1] geweest nadat wij het bericht hadden ontvangen dat er een lijk was aangetroffen. Ik ben er geweest om assistentie te verlenen.
Daarna kregen wij het bericht dat er een voertuig was aangetroffen, dat verbrand was. Naar aanleiding van de nummerplaat hebben wij de eigenaar van het voertuig kunnen achterhalen.
Het lijk was onherkenbaar verbrand. Het lijk werd bij het [kanaal] aangetroffen op 8 augustus 2013. Er zijn aldaar geen sporen aangetroffen.
Bij de aanhouding van de verdachte [verdachte] werden er een paar zaken in zijn woning aangetroffen. Het bloed in de woning bleek na onderzoek van de afdeling F.O. dat het om menselijk bloed ging. Voorts zijn na de aanhouding van de verdachte [verdachte] in zijn woning enkele zaken aangetroffen en in beslaggenomen zoals een houwer, een knuppel, een chasnet, althans touw van die chasnetten.
Op die houwer waren er donkere plekken. Rekening houdende dat het slachtoffer is gehakt, is die houwer in beslag genomen.
Er is ook in die periode van 20 augustus 2013 een bromfiets in beslag genomen.
De in beslag genomen goederen zijn door de afdeling Forensische Opsporing [district] belicht om te weten als er menselijke bloedsporen op de goederen waren.
Wij hebben de verdachten geconfronteerd met het menselijk bloed op de goederen. De verdachten hebben verklaard dat het bloed vermoedelijk afkomstig was van vis/vlees/ de hond en eventueel “kamrawentje’.
Ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen werden de verdachte [verdachte] en zijn vrouw afzonderlijk gehoord. Ze gaven beiden uiteenlopende verklaringen, die niet schenen te kloppen.
Bij een nader onderzoek thuis bij de verdachte werden bloedsporen op een bromfiets aangetroffen. Van de afdeling F.O. kregen wij te horen dat het om menselijk bloed ging.
Ik heb onderzoekingen verricht bij het huis van de verdachte. Ik heb geen sporen van een auto bij verdachte thuis aangetroffen. Het onderzoek heeft niet uitgewezen hoe het voertuig aan de [weg 4] is aangekomen.”

Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 13 december 2013 betreffende het onderzoek naar biologische sporen en DNA-ondezoek naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot van [slachtoffer] in het [district] op 8 augustus 2012, opgemaakt naar waarheid door de NFI- deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA, dr. J. Warnaar, waarin genoemde NFI- deskundige onder meer het volgende vermeld:
“Onderzoek naar biologische sporen:
Alle bemonsteringen en stukjes textiel zijn onderzocht op de aanwezigheid van bloed. In de bemonsteringen AAGK3598NL en AAGK3599NL en op alle stukjes textiel is bloed aangetroffen. In de bemonstering AAGK3600NL is geen bloed aangetroffen.

DNA-onderzoek
Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:

AAGK3598NL#01een bemonstering (met bloed) van een bromfiets
AAGK3599NL#01een bemonstering (met bloed) van een motorkap
AAGK3600NL#01een bemonstering (zonder bloed) van een toevoerslang
AAGK3601NL#01een donkerkleurig stukje textiel (met bloed) van een linkerschoen
AAGK3601NL#02een lichtkleurig stukje textiel (met bloed) van een linkerschoen
AAGK3602NL#01een donkerkleurig stukje textiel (met bloed) van een rechterschoen
AAGK3602NL#02een lichtkleurig stukje textiel (met bloed) van een rechterschoen
AAGK3603een tand van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] (geboortedatum)
AAGK3604een referentiemonster botweefsel van het stoffelijk overschot van [slachtoffer]
Van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] is geen referentiemateriaal ontvangen. De DNA-profielen van de verdachten zijn daarom niet betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek

Resultaten, interpretatie en conclusie
Van de aangeleverde referentiemonsters tand AAGK3603NL en botweefsel AAGK3604NL van het stoffelijk overschot van het slachtoffer [slachtoffer] is een DNA-profiel verkregen. Dit DNA-profiel is vergeleken met de DNA-profielen van het sporenmateriaal.
Van het materiaal in de bemonstering AAGK3600NL#01 van een toevoerslang is geen DNA profiel verkregen.
Van het bloed in de bemonsteringen AAGK3598NL#01 van een bromfiets, AAGK3599NL#01 van een motorkap, AAGK3601NL#01 en AAGK3601NL#02 van een linkerschoen en AAGK3602NL#01 en AAGK3602#02 van een rechterschoen zijn DNA-profielen verkregen van een man. Deze DNA-profielen matchen met elkaar en met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] AAGK3603NL/AAGK3604NL. Dit betekent dat het bloed in deze bemonsteringen afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer].
De berekende frequentie van de DNA-profielen van het bloed in elk van de bemonsteringen is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man match met deze DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard.”

De verklaring van de getuige-deskundige, P. Tjin Liep Shie, afgelegd ter terechtzitting d.d. 12 december 2014:
“ De inbeslag genomen sporen in deze zaak zijn veilig gesteld. Het moment waarop de sporen aan mij zijn overgedragen, worden ze in een brandkast opgeslagen, waarvan ik alleen de sleutels heb.
De sporen moeten op een donkere en droge plaats worden opgeslagen.
De sporen zijn aan N.F.I. in Nederland overgedragen. Het Nederlands Forensisch Instituut hanteert zeer strenge criteria.
De deskundige Miralam praat over verkleuringen. Dat is een identificatie test. Er is een voorgeschreven methode (steriel watten staaf) welke gebruikt wordt om de aangetroffen sporen in beslag te nemen. Die worden dan opgestuurd naar Nederland tijdens het vooronderzoek. Ik heb het opgestuurd rapport ook gelezen. Daarin staat dat het om menselijk bloed gaat en ook expliciet van wie het bloed afkomstig is. Het opgestuurde materiaal blijft in Nederland. Het resultaat wordt opgestuurd naar Suriname.”

Het proces-verbaal d.d. 09 augustus 2013, betreffende het verhoor van [naam 9], welk proces-verbaal door de agent van politie 2e klasse, [naam 12], op ambtseed is opgemaakt:
“De vraag wordt aan mij gesteld wanneer ik [slachtoffer] voor het laatst gezien heb en verklaar ik aan u, dat ik op zondagavond 4 augustus samen met hem en mijn dochter thuis was. (…)
Diezelfde dag nog vertelde hij mij dat hij de volgende dag naar [district 2] moest om zijn “ding” te gaan doen. Ik was het niet hem eens en wilde samen met hem pas op woensdag naar [district 2] afreizen. Hij hield voet bij stuk dat hij naar [district 2] moest waarna wij tegen 23.30 uur zijn gaan slapen. (…)
De volgende ochtend werd ik precies tegen 05.00 uur wakker en merkte dat hij weg was zonder mij te groeten. (…)
U vraagt aan mij wat voor kleding hij voor het laatst aan had en verklaar ik aan u, dat ik niet precies weet wat hij aan had toen hij wegging aangezien ik nog sliep. U vraagt aan mij wat voor kleding hij de nacht tevoren aan had en geef ik u te kennen dat hij een blauwe lange jeansbroek aan had met grote zakken aan de zijkant. Hij had een witte trui aan met blauwe opschrift “PAIS”. In ieder geval kan ik u vertellen dat de kleding die hij de nacht tevoren aan had niet thuis meer te zien was en denk ik dat hij met dezelfde kleding is vertrokken.”

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige, [naam 9], d.d. 25 april 2014 bij de rechter-commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek:
“Ik ben vaker met [slachtoffer] geweest thuis bij [verdachte]. [verdachte] was onze buurman toen ik aan de [polder 2] woonde. De vrouw van [verdachte] werd [medeverdachte] genoemd. Naderhand heb ik begrepen dat zij [medeverdachte] is geheten.
Wij hebben ongeveer twee maanden gewoond op het adres aan de [polder 2]. Uit financiele overwegingen zijn wij terug verhuisd naar de [adres 2]. Ik had een idee dat [medeverdachte] en [slachtoffer] iets met elkaar hadden, omdat zij zodra wij daar op bezoek gingen, zij [slachtoffer] aan zijn lichaam betastte. Bij die gelegenheden zag ik dat [verdachte] vals keek naar [slachtoffer]. Met vals bedoel ik dat het leek alsof hij geïrriteerd was door het gedrag van die twee. Ik heb [slachtoffer] daarom geadviseerd om liever niet meer thuis bij [verdachte] te gaan.
Op uw vraag of [slachtoffer] een relatie met [medeverdachte] had, zeg ik u dat ik dat niet precies weet, maar aan de hand van de manier waarop [medeverdachte] met [slachtoffer] bezig was kwam de gedachte wel bij mij op.
[slachtoffer] heeft mij ook een keertje verteld, dat [medeverdachte] haar seksueel leven met haar man genaamd [verdachte] aan [slachtoffer] toevertrouwde. Zo vertelde [slachtoffer] mij, dat [medeverdachte] hem zou hebben verteld dat zij en haar man slechts een keer per de maand seks me elkaar hadden.
Aan [naam 13], dat is de vrouw die woonde achter het huis welke wij hadden gehuurd en tevens de verhuurder van het huis was had ik wel als reden voor de verhuizing gegeven, dat ik een vermoeden had, dat [slachtoffer] een verhouding had met [medeverdachte].
Op uw vraag of [slachtoffer] vaker telefoontjes kreeg nadat wij terug waren verhuisd naar de [adres 2], antwoord ik u bevestigend. [medeverdachte] belde steeds op de mobiele telefoon van [slachtoffer]. De telefoontjes kwamen merendeels in de nachtelijke uren. Soms 12.00 uur ’s avonds of 01.00 uur in de ochtend.
Op uw vraag zeg ik, dat ik het vreemd vond dat [verdachte] mij op woensdag 7 augustus 2013 was komen opzoeken op het werk.
Hij heeft mij toen gevraagd hoe het met mij gaat en of wij boos op hem zijn, omdat wij volgens hem lang niet thuis bij hem zijn geweest. Ik heb dat ontkend. Vervolgens vroeg hij mij of ik contact met [slachtoffer] had. Hierop reageerde hij door mij te vragen hoe ik dan contact met [slachtoffer] had.”

De verklaring van de getuige, [echtgenote slachtoffer] afgelegd ter terechtzitting d.d. 02 oktober 2014:
“(…) Ik was met [slachtoffer], (slachtoffer) getrouwd in het jaar 2011. [slachtoffer] is in december 2012 naar het [district 1] vertrokken om er te werken.
(…) Als [slachtoffer] in de bij mij in de stad was kreeg hij telefoontjes en hij werd eens boos. Hij zei later tegen mij dat een manspersoon het vermoeden had dat hij en relatie zou hebben met zijn vrouw.
Een vrouwspersoon belde hem ook vaker op. Ik weet wel dat het om een Hindoestaanse vrouw ging. Dat kon ik afleiden uit de woorden die [slachtoffer] sprak tegen de Hindoestaanse vrouw.”.

De verklaring van de [getuige 2], afgelegd ter terechtzitting van 28 november 2014:
“Ik ken de verdachte [verdachte] vanaf mijn jeugd. Ik had [verdachte] benaderd om naar Apoera te gaan, om samen met mij naar een defecte machine te gaan kijken. Dat was omstreeks 4 augustus 2013.
Ik heb op 1 augustus 2013 de afspraak met de verdachte [verdachte] gemaakt om naar Apoera te gaan. Ik heb de verdachte [verdachte] op 4 augustus 2013 thuis opgehaald voor 7.00 uur in de ochtend. Er was ook nog een andere arbeider bij. Ik heb hem weer thuis afgezet.
Het enige wat ik kan verklaren is dat ik [verdachte] thuis heb opgehaald en dat de reis op die dag naar Apoera niet is doorgegaan.”

De verklaring van de [getuige 3], afgelegd ter terechtzitting van 28 november 2014:
“ (…)In dit geval gaat het om de gegevens van de telefoonnummers [nummer 2 ] van de familie [verdachte] en [nummer 3] van het slachtoffer.
Er is contact geweest tussen deze 2 nummers.
Familie [verdachte] heeft gebeld naar het slachtoffer.
Op 3 augustus 2013 tijd 09.20 uur misscall. De beller en ontvanger waren beiden op locatie. [polder 2];
Er hebben op dat moment 3 contacten plaatsgevonden. Het 3e gesprek heeft 25 seconden geduurd en de locaties waren verschillend, namelijk de ontvanger bevond zich te [plaats 1] in [district 1];
Op dezelfde dag heeft de familie [verdachte] 2 miscalls geplaatst op het nummer van het slachtoffer. Er bevinden zich in [district] 1 meerdere masten. Als de ene overbelast is, gaat de call registratie naar een andere mast. Als alle masten overbelast zijn, krijgen we een “call fail”. De gesprekken tussen de 2 nummers duurden niet lang. Er zou sprake kunnen zijn van miscalls. Er is op 3 augustus 2013 op verschillende tijdstippen gebeld met het nummer van de familie [verdachte] naar het nummer van het slachtoffer. Er is een gesprek van ±48 seconden.
Er is op 5 augustus 2013 om 01.47 uur gebeld door het slachtoffer naar familie [verdachte] en het gesprek duurde 1.02 minuten, de locatie was van [polder 1]. Verder zijn er op verschillende momenten gesprekken gevoerd op bovengenoemde datum.”

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 02 oktober 2014;
“Ik heb het feit gepleegd. Ik had eerst ontkend.
Ik heb een gezin te verzorgen. Als ik het feit beken, komt het misschien in mijn voordeel uit.
Ik kende [slachtoffer] sedert het jaar 2010. Ik heb hem in het binnenland leren kennen. Ik zag hem in het jaar 2013 naast mij wonen. Ik herkende hem niet meer.
Hij kwam thuis bij mij en wij maakten opnieuw kennis met elkaar. We spraken met elkaar en ik liet hem samen met zijn vrouw, kennismaken met mijn vrouw.
Wij, [slachtoffer] en ik hadden geen hechte band. [slachtoffer] is in totaal 4 keer thuis bij mij geweest. Ik heb [slachtoffer] 1 augustus 2013 voor het laatst gezien bij de brug.
Op 10 augustus 2013 hoorde ik dat er een lijk was gevonden in het kanaal. Ik werd toen voor de 1ste keer gearresteerd. Ik beken dat ik het gedaan heb.
[slachtoffer] heeft in mijn huis ingebroken. Ik heb hem vermoord en ik heb die auto verbrand.
Dat voertuig is ergens anders gevonden. [slachtoffer] woonde naast mij, maar hij is op gegeven moment verhuisd. [slachtoffer] is op 4 augustus 2013 thuis bij mij geweest. Hij had aan mij gezegd dat hij naar de stad zou gaan. Ik weet het zeker, omdat ik op 3 augustus 2013 jarig was en hij is niet op mijn jaardag geweest. Ik zou na mijn jaardag naar Apoera gaan om te gaan werken. Ik hoorde op 4 augustus 2013 dat het werk op Apoera niet meer door zou gaan. Op 4 augustus 2013 ging ik naar mijn koeien kijken. Ik kwam thuis en ging later slapen. Op een gegeven moment hoorde ik de honden blaffen. Dat was omstreeks 23.00 uur. Ik hoorde iets op het dak lopen. Ik ging kijken maar zag niets. Bij de kamerdeur, die tegenover mijn kamer stond zag ik het licht van een lamp schijnen. In die kamer bergen wij spullen op. De honden blaften niet meer. Ik zag het licht in die kamer niet meer. Ik pakte een balk, die bij het raam werd gezet. Een balk van 2 bij 3. Ik sloeg met die balk tegen de houtenwand. De deur van die kamer ging open, de scharnieren kraakten en ik probeerde de persoon, die te voorschijn kwam met die balk te slaan. De persoon viel op de vloer. Ik sloeg hem nog 2 keer met die balk. De persoon stond op en rende van de trap. Terwijl hij van de trap rende, schopte ik een bezemstok tussen zijn benen, waardoor hij kwam te struikelen.
Hij stond op en hield een mes voor mij. Ik kreeg niet de kans om het licht aan te maken. Ik trok een houwer en probeerde daarmee het mes weg te slaan. Ik kon op dat moment de politie niet bellen, omdat alle telefoons in de kamer waren.
Ik zwaaide met de houwer en er spatte bloed. Ik hoorde hem wel schreeuwen. Ik zag dat de persoon voor mij gevallen was. Zijn hoofd was van het lichaam. Ik maakte het licht aan. Ik zag dat het [slachtoffer] was. Ik keek naar buiten en zag zijn wagen buiten staan met draaiende motor.
De kofferbak van de auto stond open. Het rechter portier stond ook open.
Mijn vrouw en kinderen lagen op dat moment te slapen. Mijn vrouw had haar medicijnen gedronken. Ik liep 40 a 50 m naar zijn voertuig. Ik liep terug naar het lichaam, welke ik gekapt had. Ik pakte het lichaam op, maar het zat onder bloed en gleed steeds terug. Het lijk lag op zijn buik.
Het gevecht heeft zich in de keuken afgespeeld. Nadat ik hem gekapt had lag zijn hoofd naar de kant van de trap. Ik sleepte hem over die stenen vloer aan zijn handen naar buiten. Het hoofd hing aan zijn vel. Het lijk gleed steeds weg.
Mijn keuken zat onder het bloed. Ik heb niet kunnen zien hoe het bloed spatte, omdat ik het licht nog niet had aangemaakt.
Ik sleepte het lijk naar zijn auto die openstond, maar ik kon het niet in de kofferbak krijgen, omdat het steeds teruggleed.
Ik zag een groen stuk touw in de kofferbak. Ik bond hem daarmee vast en kon zodoende het lijk in de kofferbak plaatsen.
Ik bond zijn handen vast op zijn rug en tilde hem op, plaatste hem in de auto. Ik heb hem alleen opgetild en in de kofferbak gezet. Ik heb hem bij handen en borst vastgebonden.
Het lijk had geen kleren aan, omdat bij de worsteling de kleren van het lijf waren gescheurd. Toen ik het licht had aangemaakt zag ik wie het was.
[slachtoffer] was de enige persoon, die wist dat ik er niet zou zijn. Ik weet niet wat hij daar is komen zoeken. Nadat ik hem in de kofferbak had geplaatst ben ik terug naar huis gelopen. Ik ben toen het huis gaan schoonmaken. Ik ben naar de [plaats 2] gereden en gooide het lijk in het kanaal. Ik had het lijk over die brug getrokken en in het kanaal gegooid. Ik heb alle stoffen (lapjes) waarmee ik de keuken had schoongemaakt in het kanaal gegooid. Ik maakte het licht aan in de auto en zag de aansteker. In het handschoenenkastje vond ik papier. Ik plaatste het papier op de achterbank en stak de auto in brand. Toen de auto in brand stond ben ik weggelopen. Toen ik het lijk naar de auto sleepte heb ik dat op blote voeten gedaan.
Ik heb het huis voor 6.00 uur s’morgens met een desinfectant schoongemaakt.
Ik gooide steeds het water weg als er bloed in zat. Ik liep steeds naar de sluis om het water weg te gooien. Het was 2 minuten lopen naar de sluis. Ik ben daarna mijn koeien gaan melken. Toen ik weer naar huis was gekeerd, was mijn vrouw al wakker. Ik had in de keuken alleen de vloer schoongemaakt.
Nadat ik hem gekapt had zaten mijn kleren ook onder bloed. Ik heb mijn kleren in het kanaal gegooid. Mijn kinderen slapen met ons in de kamer.
Ik heb mijn hart gelucht. De advocaten hebben mij gezegd, dat als ik zou bekennen ik strafvermindering kan krijgen. Mijn vrouw heeft niets gedaan. Mijn vrouw heeft niets gehoord toen ik bezig was met [slachtoffer]. Zij heeft geen enkele handeling gepleegd ten opzichte van [slachtoffer].”

De nadere verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 09 januari 2015:
“Ik heb het slachtoffer vanuit de zijkant gekapt met een houwer.
Ik heb mij later afgevraagd wat het slachtoffer zou komen stelen.
Het slachtoffer is via het raam van boven gelopen, omdat beneden alles op slot zat. Het slachtoffer heeft via de manjaboom gelopen, is dan via het 2de raam de woning binnengekomen.
Ik had het slachtoffer na de slag in het donker nog niet herkend. Ik herkende wel iemand in het donker. Ik zwaaide in zijn richting met een balk.
Het slachtoffer ging de trap al rennend af. Het was op dat moment pikdonker. Ik stapte over het slachtoffer die op de trap zat.
Ik wilde het licht aanmaken. Ik zag in het donker een schaduw op mij afkomen. De persoon had een capuchon over zijn hoofd. Op dat moment stonden het slachtoffer en ik tegenover elkaar. Het slachtoffer zei: “mi o djoek joe kiri.”. Ik pakte die houwer, zwaaide ermee in de richting van het slachtoffer en rende naar buiten.
Ik stond buiten op hem te wachten. Toen hij niet naar buiten kwam, ging ik kijken en merkte ik dat ik hem had gekapt.
Het moet tussen 23.00 en 24.00 uur zijn geweest waarop het geval is gebeurd.
Ik ken [slachtoffer]. Hij heeft ongeveer 2 weken naast mij gewoond. Hij vroeg mij vaker naar spullen. Ik had geen vermoeden dat hij een relatie had met mijn vrouw.
Mijn vrouw heeft niets gehoord, omdat ze medicijnen gebruikt.
[slachtoffer] wist dat ik er niet zou zijn. Ik heb achteraf gedacht dat hij of was komen stelen of hij was bij mijn vrouw gekomen. ”

De verklaring van de getuige-deskundige, dr. M. Chan, afgelegd ter terechtzitting d.d. 12 december 2014:
“ Ik heb de obductie op het lijk van [slachtoffer] gepleegd. Als de deskundige een conclusie neemt is het op basis van hetgeen hij te zien krijgt.
Een kapverwonding wordt met kracht aangebracht. Doorsnijden geschied met minder kracht.
In dit geval heb ik geconstateerd dat het om een kapverwonding gaat. Bij doorsnijden heb je te doen met een zaagverwonding oftewel een onregelmatige snijvlak.
Dat is te zien aan de oppervlakte van de huid.
Een capuchon hoeft geen belemmering te vormen als men met een heel scherp voorwerp heeft gesneden/gekapt.
Je kan het niet helemaal uitsluiten dat het lijk in het kanaal tegen scherpe voorwerpen zou zijn aangekomen. Als ik kijk naar de wondreactie, betrof het hier een ontbindend lijk. Er zijn geen zwarte verwondingen op het lijk aangetroffen. Als de verwondingen voor de dood zijn aangebracht, dan krijg je zwarte verkleuringen en dat is hier niet het geval geweest.
Het zou kunnen zijn dat de verwondingen in het kanaal zijn ontstaan.
De verwondingen aan de hals zijn niet in het kanaal gebeurd en dat is van rechts naar links gebeurd. Iemand die een ander kapt doet dat met een bepaalde kracht. In dit geval moet het slachtoffer lager dan de dader zijn geweest. Het slachtoffer moet zich in een lagere positie hebben bevonden. Het was een neerwaartse kapbeweging (dus van boven naar onder).
Bij het openen van de schedel heb ik inwendige bloedingen geconstateerd (zwarte verkleuringen). Dus de conclusie is dat het bij leven van het slachtoffer is gebeurd. Letsels met onregelmatige wondranden zijn verwondingen door een stompvoorwerp toegebracht. Als de persoon zo een stomp krijgt bij het hoofd kan het zijn dat slachtoffer buiten bewustzijn raakt.
In dit geval moet het slachtoffer lager hebben gezeten toen de dader hem had gekapt, Als beiden op dezelfde hoogte zouden zijn, dan zouden er snijverwondingen zijn. Het slachtoffer moet in een lagere positie zijn geweest. Ook als het slachtofer aan het bewegen was zou je wel kunnen kappen. Als er gesneden wordt krijg je op de huid een rechte lijn.
Het slachtoffer had 12 steekverwondingen. Misschien dat in het kanaal scherpe voorwerpen lagen.
De doodsoorzaak is de bloeding via de hoofdslagader.
Het zou wel mogelijk zijn geweest om het lijk bij de armen vast te houden en te vervoeren. De dader kon gewoon de handen onder de oksels van het lijk hebben geplaatst om het lijk te vervoeren.
De dader moet achter het slachtoffer hebben gestaan, omdat er gekapt is van rechts naar links.”

Het obductieverslag van de patholoog anatoom, drs. M.P.K. Chan, d.d. 10 maart 2014, waarin de volgende uiteenzetting over de doodsoorzaak van het [slachtoffer] is gegeven:
“Hoofd:
Aan het hoofd werd een deel van de hals gezien. Het hoofd was gesepareerd van het lichaam. Het behaarde hoofd toonde kort geknipt haar. Rechts op het behaarde hoofd, 6m van de middenlijn werd een wond gezien van 12x12cm met onregelmatige wondranden. 1cm hiervan verwijderd richting het rechter oor werd een tweede wond gezien met een stervormig aspect, afm. 5,5x3cm. Ook hier waren de wondranden rafelig. Aan de rechter zijde van het voorhoofd, 3,5cm van de middenlijn en naar links werd een grote onregelmatige wond gezien van 9,5x7cm. Deze wond liep naar de buitenste ooghoek. In de middenlijn en naar links werd een grote wond van 9,5x7cm gezien. Ook hier waren de wondranden rafelig. Links op het voorhoofd, 5,5cm van de middenlijn en 9cm boven het linkeroog werd een verticaal verlopende wond gezien met onregelmatige wondranden, afm 5,5x1cm. 1cm naar achteren toe werd een dwarsverlopende wond met ook onregelmatige wondranden afm 5,5x1cm gezien. 1cm hiervan verwijderd naar de kruin toe een derde wond, deze lag 5cm van de middenlijn, afm. 7x1cm. Naar de buitenzijde toe richting het linker oor en 3cm van het laatstgenoemde werd een vierde wond met onregelmatige wondranden van 3,5×0,5cm gezien. 1cm hiervoor gelegen werd er een wond met een tranendruppel aspect gezien. De punt was richting kruin. De wond meette 5,5x2cm. Het achterhoofd toonde links, 5cm van de linker oorlel en 2cm van de middenlijn een wond met onregelmatige wondranden, afm. 5x1cm. Aan de rechter zijde, 2cm van de middenlijn en 2,5cm van het eerder beschreven stervormig letsel werd nog een wond met onregelmatige wondranden gezien, afm. 5×0,5cm. De hals toonde schuin onder de rechter-oorlel een tatoeage, afm. 2,5×2,5cm, vermoedelijk in de vorm va een kop van een ram (sterrenbeeld/)
Boven het linker oog werden nog 2 ovale verwondingen gezien met scherpe wondranden. De eerste was 3cm boven het oog gelegen en meette 3×0,3cm. De tweede lag 2cm hieronder en meette 3,5×0,5cm. De wondrand toonde een zwarte kleur als teken van wondreactie.
Ogen: deze waren niet te beoordelen vanwege verre staat van ontbinding.
Neus: 2cm onder de neusbrug werd een dwarsverlopende verwonding gezien richting de linkerwnag, afm. 3,5x1cm. Deze wond toonde scherpe wondranden. De rechter neusvleugel toonde tekenen van posmortale dierenvraat. In het tussenschot ter plaatse van het linker neusgat werden 2 kleine scherpe verwondingen gezien, beide met afm van 0,5×0,1cm. Rechts 2,5cm van de middenlijn van de neus werd een schuinoplopende scherpe verwonding gezien, afm.1.3×0,2cm. Op de rechter wang werden twee kleine scherpe verwondingen gezien. De eerste was 1,5cm onder het oog en had een schuinverloop van links boven naar rechts onder, afm 1×0,2cm. De tweede was 2,5cm verwijderd van het eerstgenoemde en 3,5cm van de re-neusvleugel, afm 0,7×0,2cm.
Mond: er werd vaag aan de bovenzijde van de bovenlip een kort snor gezien. De onderzijde van de kin toonde een kleine baard. De rechter zijde van de bovenlip ontbrak als gevolg van posmortale dierenvraat. Rechts onder in de kaak, 3,5cm van de middenlijn werd een wond gezien met onregelmatige wondranden, af. 4,5x3cm. Het gebit toonde opvallen puntige hoektanden. Rechts onder werd een vulling van de tweede grote kies gezien. De bovenkaak ontbrak zowel de linker als rechter tweede kleine kies. Voorts vulling van zowel de linker als rechter tweede grote kies. De lipbandjes waren intact. De lipbandjes toonden geen overtuigende mechanische letsels.
Bij inspectie van de onderzijde van de hals werd een stuk van de kraakbeen van de luchtpijp waargenomen. Deze toonde een scherpe wondvlak passend bij een snij/kapverwonding. Bij inspectie van de halswervels werd eveneens een schepe wondvlak gezien. De huid van de hals toonde eveneens scherpe wondranden met een zwarte verkleuring (wondreactie).
(…)
Linkerarm en been:
Aan de voorzijde van de linkerschouder werd een grote wond met scherpe wondranden gezien, afm. 10x7cm. De onderliggende spieren toonden een zwarte verkleuring. Ter plaatse van de wond meerder maden. De bovenarm toonde in het bovenste 1/3 deel op 10,5cm van de oksel een dwars verlopende wond aan de buitenzijde van de bovenarm, afm. 4x3cm. Deze toonde gedeeltelijk scherpe wondranden. 4,5cm van de laatstgenoemde verwonding werd aan de buitenzijde van de linker bovenarm in een gebied van 7x7cm een 8-tal verwondiinezien allen met een ovaalvormig aspect en scherpe wondranden. De grootste afm bedroeg 1,5×0,5cm. De kleinste afm bedroeg 0,7×0,2cm. 2 daarvan waren vermoedelijk oppervlakkige snijverwondingen en de overige vermoedelijk steekverwondingen. Aan de binnenzijde van de bovenarm en 9cm van de oksel weer in een gebied van 4,5x3cm twee verwondingen gezien met scherpe wondranden. De eerste meette 3x1cm. De tweed was 2cm hieronder gelegen en meette 1,5×0,7cm. De binenzijde van de bovenarm toonde op 6,5cm van de laatstgenoemde wond een derde wond, afm. 1×0,8cm. Ook deze wond toonde gedeeltelijk scherpe wondranden. De onderarm en hand toonden geen afwijkingen. Het bovenbeen, ondereen en de voet toonden geen mechanische letsels.
Halsgebied: er werd geen hals aan het lichaam gezien. De hals was aan het hoofd. De overgang borst naar hals gebied toonde een forse wond met scherpe wondranden. Afm. 15x18cm. Centraal in de wond waren zichtbaar de luchtpijp en halswervel met een scherpe wondvlak. De halsspieren toonden een zwarte kleur als tekenen van een wondreactie(bloed in ontbinding).
Borstgebied: (…)
Buikgebied:
Links onder in de buik, 4cm onder het niveau van de navel en 9cm van de middenlijn werd een horizontaal verlopende wond gezien met scherpe wondranden. Afm. 2,5x1cm (oppervlakkige snijwond). In de schaamstreek, het boven de basis van de penis werde op een rij drie wonden gezien. De eerste lag links, 5cm van de middenlijn en meette 4x2cm. De twwede lag net boven de basis van de penis en meette 2,5x2cm. De derde lag 5cm van de middenlijn en meette 2×1,5cm. Bij sonderen werd er geen steekkanaal naar de diepte waargenomen, het beeld past bij oppervlakkige snijverwondingen.
Rug:
De rugzijde toonde links, 2cm onder het niveau van overgang hals naar ruggebied in een gebied van 10x3cm 5 letsels met scherpe wondranden. De grootste afm bedroeg 2,5×1,3cm en de kleinste afm bedroeg 0,6×0,1cm. Deze waren vermoedelijk kleine oppervlakkige steekverwondingen. Gemiddelde sonde lengte bedroeg 3cm. In de middenlijn werd 1,5cm verwijderd van de verwonding van de halsstreek een 4-tal kleine verticaal verlopende groene huidtekeningen gezien vermoedelijk kleine streepvormige tatoeages in een gebied van 1×1,5cm. Overige delen van de rug geen afwijkingen.
(….)
Inwendig:
Schedel/hersenen:
De slaapspier rechts toonde tekenen van bloedingen. De verwondingen verspreid over het behaarde hoofd en aan de voorzijde van het voorhoofd toonde aan de onderzijde van het behaarde hoofd een gering zwarte verkleuring als teken van bloeding. Bij inspectie van de schedel werden geen duidelijke fracturen waargenomen. Na verwijderen van het schedeldak werd een papperige hersenmassa gezien met een normale grijs groene kleur. Daartussen geen duidelijke bloed. De schedelbasis toonde inwendig geen fracturen.
(….)
Mondbodem hals preparaat:
Inspectie van de mondbodem-hals preparaat toonde doorneming van het schildklierbeen net onder het niveau van de adamsappel (niveau 4e-5e halswervel). Voorts werd fractuur van de linkerhoorn van het schildklierkraakbeen waargenomen. Het tongbeen was intact. De rechter hoorn van het schildklier kraakbeen was intact. Beide vleugels van het schildklier kraakbeen toonden een scherpe wondvalk t.g.v. een kapverwonding. Voorts doorneming van de slokdarm te plaatse van de kapverwonding.
Bij het vergelijken van het stukje wervelkolom vast aan het hoofd met de wervelkolom van het lichaam werd een overeenkomst van de wondvlakken t.p.v de kapverwonding gezien. De kapverwonding had een iets schuinverloop van rechts boven naar links onder. Ter plaatse van de kapverwonding wer doorneming van de halsslagaderen, adreen en ruggemerg waargenomen.
Inspectie van de bovenarm t.p.v het schoudergewricht toonde de kop van het opperarmbeen (humerus) een oppervlakkig wond met scherpe wondranden. Afm. 1,5×1,5cm met een diepte van 0,7cm. 1,5cm hierboven toonde het schouderdak (acromion) een losliggend botfragment 3×1,5cm. Deze 2 verwondingen lagen in de richting van de kapverwonding van de hals. De ter-plaatse gelegen weke delen toonden een zwarte verkleuring a.g.v. een bloeding.
Samenvattend:
Het betreft een stoffelijk overschot van een man met tekenen van onthoofding.
Het overlijden is t.g.v. onthoofding a.g.v. een kapverwonding in de halsstreek.”

De door de arts drs. R. Ramjatan op beroepseed opgemaakte geneeskundige verklaring d.d. 8 augustus 2016 betreffende de bevindingen van het lijk dat is aangetroffen in het kanaal, in welke geneeskundige verklaring het volgende staat vermeld:
“ Een lijk aangetroffen in kanaal, waarbij het hoofd en het lichaam gescheiden. Het hoofd vertoond diverse kapwonden.
Geslacht: mannelijk en vermoedelijk van creoolse komaf.
NB: Het lijk is zonder kleren aangetroffen.”

Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 10 augustus 2013, van de hierna in beslag genomen goederen van verdachte:
Een houtenknuppel, een houwer met bijbehorende zwartkleurige hoes en riem, drie (werp) visnetten (tjasnet), drie mobiletoestellen namelijk van de merken Nokia; Alcatel en LG. (alleen van het LG-mobieltoestel is niet voorzien van een simkaart), een zwarte hoge schoen (boots), een lichtblauwkleurige jeansbroek van het merk G-star.

Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 10 augustus 2013, van de hierna in beslag genomen goederen van verdachte:
Een paar (zwarte) hoge schoenen (KL-boots), vier jassen (jacks) respectievelijk twee groenkleurig, een lichtblauwe en een zwarte leren jas.

Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 10 augustus 2013, van de hierna in beslag genomen goederen van verdachte:
Een kindertrui vermoedelijk wit, met het opschrift “Baby”.

Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 11 augustus 2013, van de hierna in beslag genomen goederen van verdachte:
Een wit/crémegekleurde broeksdeel

9.Bewezenverklaring
Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de kantonrechter wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan, namelijk dat hij op een niet ander aan te duiden tijdstip gelegen in de periode van 04 augustus 2013 tot en met
08 augustus 2013, in het [district 1]opzettelijk en met voorbedachte rade [SLACHTOFFER], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,
– die [SLACHTOFFER] met een eindhout, één of meer slagen toegebracht aan het hoofd, althans het lichaam en
– die [SLACHTOFFER] aan de handen gekneveld enf
– die [SLACHTOFFER] met een houwer en mes, één of meer steek- en snij- en kapverwondingen toegebracht op het hoofd, althans het lichaam en
– met een houwer het hoofd van die [SLACHTOFFER] van het lichaam gescheiden,
tengevolge waarvan voornoemde [SLACHTOFFER] is overleden.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de kantonrechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

10.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie
10.1 Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
10.2Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:
moord (art. 349 Sr).

11. De strafbaarheid van verdachte
De verdediging heeft zich beroepen op noodweer en noodweerexcess.Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat het slachtoffer een indringer in de woning van de verdachte was.
Ter zake dit verweer oordeelt de kantonrechter als volgt.
Vaststaat dat het slachtoffer zich in de woning van de verdachte bevond. Dat het slachtoffer zich via het tweede raam aan de achterzijde van de woning de toegang tot woning van de verdachte zou hebben verschaft of zich zonder toestemming van de verdachte in de woning bevond, komt de kantonrechter ongeloofwaardig over.
De feiten en omstandigheden die tijdens het onderzoek ter terechtzitting en de gehouden descente op oktober 2013 aan het licht zijn gekomen geven een indicatie dat het voor een derde in casu het slachtoffer onmogelijk was om zich van buitenaf via één der bedoelde ramen de toegang tot de woning van de verdachte te verschaffen. Met name zijn aan de binnenzijde op de raamkozijnen van beide ramen zowel horizontaal als verticaal houtenlatten bevestigd.
De verdachte op zijn beurt heeft, na geconfronteerd te zijn met dit gegeven, tijdens de descente verklaard dat hij de houtenlatten na het feit zou hebben bevestigd. Ook deze verklaring komt de kantonrechter ongeloofwaardig over. Bovendien, ook al zouden de houtenlatten ten tijde van het feit nog niet zijn bevestigd dan nog komt de verklaring van de verdachte alszou het slachtoffer zich eerst via de manjaboom op het afdakje hebben begeven en vervolgens vanuit het afdakje via het tweede raam de woning zou zijn binnengedrongen ongeloofwaardig over. Dit, omdat niet te verklaren is waarom het slachtoffer zou kiezen voor het binnentreden van de woning via het verst gelegen raam, zijnde het tweede raam, instede van het dichtstbijzijnd gelegen raam, zijnde het eerste raam dat op korte afstand verwijderd staat van de manjaboom.
De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden geven een indicatie dat het slachtoffer zich alleen op uitnodiging in de woning van de verdachte kon bevinden.Toen het slachtoffer zich in de woning bevond heeft de verdachte hem met een eindhout slagen aan het hoofd toegebracht, als gevolg waarvan het slachtoffer van de trap is gevallen. Vervolgens heeft de verdachte met een houwer het hoofd van het lichaam van het slachtoffer gescheiden.
Volgens verklaring van de getuige deskundige bestaat de mogelijkheid dat een slachtoffer met slagen toegebracht aan het hoofd bewusteloos kan raken.Voorts heeft de getuige deskundige op grond van de bevindingen voortvloeiend uit de door hem gepleegde obductie op het lijk van het slachtoffer verklaard, dat de verdachte zich achter het slachtoffer bevond bij het scheiden van het hoofd van het lichaam van het slachtoffer met de houwer en het slachtoffer zich in een bukkende of knielende houding bevond. Deze verklaring van de getuige deskundige brengt de kantonrechter tot de slotsom dat het slachtoffer door de slagen kennelijk weerloos was en de verdachte gebruikmakend van de weerloosheid van het slachtoffer een houwer heeft genomen waarmede hij het hoofd van het slachtoffer van diens lichaam heeft gescheiden. Dat de verdachte werd aangevallen door het latere slachtoffer of dat deze op hem afkwam met een mes komt, gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, niet geloofwaardig over. Welke handelingen het slachtoffer naar de verdachte toe heeft kunnen plegen heeft de kantonrechter niet kunnen toetsen, omdat de verdachte volgens zijn verklaring alle mogelijke hulpmiddelen na de daad heeft weggemaakt en de verdachte zelf geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven waarom hij die hulpmiddelen heeft weggemaakt.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is voor de kantonrechter niet aannemelijk dat van een ogenblikkelijke aanranding waarbij de verdediging van lijf, eerbaarheid of goed van verdachte geboden was, sprake kon zijn geweest. Daarom wordt het beroep op noodweer verworpen. Nu een noodweersituatie niet aannemelijk is geweest, wordt ook het beroep op noodweerexcess verworpen.
Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat hij strafbaar is.

12. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De vervolging heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 15 mei 2015 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat de verdachte ter zake van het impliciet primair ten laste gelegde, zijnde moord, zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 15 jaren, met aftrek.

Het standpunt van de verdediging
De verdediging acht de eis van de vervolgingsambtenaar te veel en vraagt een lagere straf dan gevorderd is. Volgens het standpunt van de verdediging heeft het slachtoffer het geval uitgelokt en is de dood aan de schuld van het slachtoffer te wijten. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat niemand in de nacht in de woning van een ander gaat, terwijl de verdachte vermoedt van een relatie met zijn vrouw

Ten aanzien van de op te leggen straf
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De verdachte heeft het slachtoffer uitgenodigd in zijn woning en hem vermoord, omdat bij hem het vermoeden bestond dat het slachtoffer een relatie met zijn vrouw had. Toen het slachtoffer zich in de woning bevond, heeft de verdachte hem eerst enkele slagen met een eindhout op zijn hoofd toegebracht, als gevolg waarvan het slachtoffer van de trap naar beneden is gevallen. Vervolgens heeft de verdachte het hoofd van het lijf van het latere slachtoffer met een houwer gescheiden. Dit, terwijl het latere slachtoffer zich weerloos in een gebukte of knielende houding bevond.
De verdachte heeft ervoor gekozen om steeds andere verklaringen af te leggen over de toedracht van het gebeurde en alle hulpmiddelen weggemaakt. Daarmee heeft de kantonrechter geen enkel inzicht kunnen krijgen in de beweegredenen die de verdachte tot het plegen misdrijf hebben gebracht en evenmin in wat zich precies in de woning van de verdachte heeft voltrokken. Het staat verdachte geheel vrij een dergelijke houding aan te nemen, maar het gevolg daarvan is wel dat de kantonrechter het moet doen met feiten zoals die haar zijn gebleken op basis van de bewijsmiddelen. Als gevolg van de proceshouding van de verdachte blijven voor de nabestaanden veel vragen onbeantwoord omtrent de aanleiding van dit handelen die tot de dood van hun dierbare heeft geleid.
Tevens neemt de kantonrechter mee dat de verdachte geen enkel berouw heeft getoond na het plegen van het feit door zich steeds erop te beroepen dat het slachtoffer een indringer in zijn woning was en zich twee dagen na het feit te begeven naar de werkplek bij de vrouw met wie het slachtoffer een relatie had om te vragen hoe het met het slachtoffer gaat, terwijl het slachtoffer niet meer in leven was.
Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
De kantonrechter zal een zwaardere straf opleggen dan de straf die de vervolging heeft gevorderd, omdat de door de vervolging gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt. Alles afwegende komt de kantonrechter tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 (Achtien) jaar.
De in beslag genomen houwer en mes zullen verbeurd worden verklaard, omdat daarmee het misdrijf is gepleegd.

13.Toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9,11, 44, 50 en 349van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals dit gold ten tijde van het bewezenverklaarde.

14.Beslissing
De kantonrechter:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: moord;

Verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

Veroordeelt verdachte tot :
een gevangenisstraf voor de duur van 18 (Achtien) jaren,

Bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Beveelt zijn gevangenhouding.

Bijzondere straf
Verklaart verbeurd het in beslaggenomen mes en de houwer.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het derde kanton, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mw. L.J. De Rooy, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 november 2015.

Mw. L.J. De Rooymr.S.M.M. Chu

SRU-HvJ-2019-58

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: voorheen I.D. Kanhai, BSc., advocaat, vervolgens advocaat mr. S. Marica, (thans wijlen),

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer precies het Ministerie van Justitie en Politie,
rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, waarnemend substituut officier van justitie,
spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1.Het procesverloop
1.1Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 30 oktober 2012;
  • het verweerschrift d.d. 12 december 2012, met producties;
  • de beschikking van het hof van 21 januari 2013 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 01 maart 2013, welk verhoor is verplaatst naar 19 april 2013;
  • het proces-verbaal van het op 19 april 2013 gehouden verhoor van partijen;
  • de producties overgelegd door de Staat op 05 juli 2013;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal d.d. 01 november 2013 waaruit blijkt dat advocaat I.D. Kanhai, BSc. zich als gemachtigde van [verzoeker] aan de zaak heeft onttrokken;
  • de pleitnota, met een productie, overgelegd op 01 november 2013;
  • de antwoordpleitnota d.d. 17 januari 2014, met een productie;
  • de repliekpleitnota d.d. 04 juli 2014;
  • de dupliekpleitnota d.d. 01 augustus 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 20 februari 2015, doch nader op heden.

2.De feiten
2.1 [verzoeker] is op 01 april 2005 in dienst getreden bij het Korps Politie Suriname (KPS) van het Ministerie van Justitie en Politie. Hij was laatstelijk in vaste dienst bij het KPS in de rang van agent van politie 3e klasse.
2.2 Blijkens politiedossiers [nummer 1] d.d. 20 december 2010, [nummer 2] d.d. 07 januari 2011, [nummer 3] d.d. 02 februari 2011 en [nummer 4] d.d. 02 oktober 2011 zijn tegen [verzoeker] de navolgende aangiftes gedaan:
-op 21 september 2010 door [aangever 1] (hierna aangeduid als: [aangever 1]) ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
-op 16 december 2010 – de Staat vermeldt in zijn verweerschrift kennelijk abusievelijk: 16 december 2011 – door [aangever 2] (hierna aangeduid als: [aangever 2]) ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
-op 02 februari 2011 door [aangever 3] (hierna aangeduid als: [aangever 3]) ter zake van knevelarij en het aannemen van giften/beloften;
-op 13 december 2011 door [aangever 4] (hierna aangeduid als: [aangever 4]) ter zake van afpersing.
2.3 [verzoeker] is bij beschikking van de korpschef, de hoofdcommissaris van politie, D.W.D. Braam d.d. 07 februari 2011 te rekenen van dezelfde datum buiten functie gesteld wegens verdenking van ernstig plichtsverzuim.
2.4 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 21 februari 2011, Justitie [nummer 5], K.A. [nummer 6], is voormelde buitenfunctiestelling van [verzoeker] te rekenen van 14 februari 2011 ingevolge artikel 39 lid 3 sub c van het Politiehandvest met een week verlengd en is [verzoeker] met ingang van 21 februari 2011 ingevolge artikel 66 lid 2 sub a van de Personeelswet (Pw) geschorst in zijn ambt.
2.5 [verzoeker] is met ingang van 08 maart 2011 in verzekering gesteld wegens verdenking van het plegen van de misdrijven omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 430 en 427 van het Wetboek van Strafrecht.
2.6 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 08 oktober 2012, Justitie J. [nummer 7], K.A. [nummer 8] (hierna: de ontslagbeschikking), is aan [verzoeker] wegens ernstig plichtsverzuim ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst opgelegd. Daartoe is onder meer overwogen:
“dat uit het terzake ingesteld onderzoek zoals vastgelegd in een der strafdossier, is gebleken, dat agent [verzoeker] tegen het einde van de tweede week van januari 2011, de persoon van [aangever 3] , tussen 16.00 – 17.00 uur, als bestuurder van een goudkleurig voertuig van het merk Lexus GX, had staande gehouden, toen hij tijdens het rijden, een gesprek voerde op zijn mobiele telefoontoestel; dat agent [verzoeker] aan [aangever 3] had voorgehouden, dat de boete voor het bellen in het verkeer SRD. 200,- is en dat hij nog andere overtredingen had begaan. Deze was gevaarlijk rijden SRD. 500,- en nog voor een andere overtreding, die [aangever 3] zich niet meer kon heugen. De totale boete zou dan SRD. 1200,- bedragen;
dat [verzoeker] naderhand tot het besluit kwam, dat hij [aangever 3] een kans wilde geven, daar hij een oude man is, doch moest hij aan hem denken. Op de vraag van [aangever 3] hoe hij dat moest geschieden, hield [verzoeker] hem voor, dat hij hem een “soft” moest geven, waarop [aangever 3] hem een biljet van SRD. 100,- overhandigde;
dat [verzoeker] de persoon van [aangever 3] een week later wederom had staande gehouden en hield [verzoeker] hem voor, dat hij gevaarlijk reed en hem een boete van SRD. 500,- zou opleggen. Daar [aangever 3] hem herkende van de vorige keer, hield [verzoeker] hem wederom voor, dat hij rekening zal houden, aangezien hij een oude man is en liet hem gaan;
dat [verzoeker] ten aanzien van de geconstateerde overtredingen, hij de processenverbaal niet had opgemaakt en het geld ten onrechte ten eigen bate aangewend;
dat verder is gebleken dat [verzoeker] zich eerder schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, door op 21 september 2010, de persoon van [aangever 1], overal te molesteren en te bedreigen, toen zij weigerde op het liefdesaanzoek van [verzoeker] in te gaan;
dat [verzoeker] verder op 7 januari 2011, bij het constateren van een overtreding, na een achtervolging, de persoon van [aangever 2] op een onbehoorlijke wijze aansprak, onder het uiten van onwelvoeglijke taal en dreigementen;
dat [verzoeker] zich niet heeft gehouden aan de regels van de gedragscode van politie-ambtenaren, namelijk zich niet schuldig te maken aan strafbare feiten en overtredingen;
dat de gedragingen gepleegd door agent [verzoeker] niet alleen een strafbaar feit opleveren, maar zijn tevens in strijd met de ambtsinstructies zoals ondermeer vervat in de Instructie Ambtenaren van politie G.B. 1972 no. 82 en schaden deze het imago van het Korps Politie Suriname.
dat het voorgaande ernstig plichtsverzuim oplevert voor de heer [verzoeker] voornoemd, weshalve hij bij schrijven van de Hoofdcommissaris van politie, D. Braam, de dato 21 juni 2011 terzake ingebreke werd gesteld en in de gelegenheid werd gesteld zich te verweren;
dat agent [naam 1] in zijn mondeling verweer de dato 28 juni 2011 heeft ontkend, de persoon van [aangever 2] te hebben bedreigd, dat het om een valse aangifte gaat en hij juist uitgescholden werd;
dat op grond van het door agent [verzoeker] gepleegd plichtsverzuim, de argumenten aangehaald in zijn mondeling verweer op het gehouden korpsrapport de dato 28 juni 2011, waarbij meegenomen wordt het voorstel bij het overleg tussen de KC en de PG en het advies omtrent het ontslagvoorstel van het Overleg Orgaan in Politie-ambtenaren Zaken, het voorstel van ontslag aan agent [naam 1] dient te worden opgelegd;”
2.7 De ontslagbeschikking is op 18 oktober 2012 aan [verzoeker] uitgereikt.
2.8 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 22 oktober 2012 op grond van artikel 46 lid 1 onder c (lees kennelijk: van het Politiehandvest) beroep van het ontslagbesluit ingesteld bij de President van de Republiek Suriname (hierna: de President), waarbij de President is verzocht het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit te vernietigen althans nietig te verklaren. Een beslissing van de President op dit beroep is uitgebleven.

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis:
a. de ontslagbeschikking zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;
b.de Staat zal worden gelast [verzoeker] te rehabiliteren in de rang waarin hij diende voor de ontslagbeschikking;
c.[verzoeker] in de gelegenheid zal worden gesteld de bedongen arbeid op de normale wijze en in de functie die hij heeft bekleed voor de ontslagbeschikking te kunnen vervullen zonder enige hinder zijdens de Staat;
d.de Staat zal worden gelast het salaris aan [verzoeker] zoals door hem verdiend voor de ontslagbeschikking uit te betalen en daarmee voort te gaan;
e.de Staat zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere keer of dag dat hij in strijd met het hierboven gevorderde mocht handelen.
[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] is ambtenaar in de zin van de Personeelswet (Pw). Hij heeft zich gedurende zijn dienstperiode doen kennen als een plichtsgetrouwe ambtenaar, hetgeen blijkt uit de verschillende bevorderingen en zijn aanstelling tot agent van politie 3e klasse. De ontslagbeschikking berust op onware feiten en is daarenboven ondeugdelijk gemotiveerd en slordig. Dat de ontslagbeschikking in strijd is met het beginsel van een deugdelijke motivering blijkt uit het volgende: de rechtvaardigingsgrond voor het ontslag van [verzoeker] is niet gemotiveerd in de beschikking aangegeven, er is ook niet aangegeven waarom zo lang is gewacht met het ontslag, van een veroordelend vonnis is geen sprake en het is nog de vraag of sprake is van plichtsverzuim zoals bedoeld in de artikelen 61, 63 en 66 Pw. Het ontslag is voorts niet in overeenstemming met het resultaat van het onderzoek en wel om de volgende redenen: het resultaat van het onderzoek is nimmer aan [verzoeker] kenbaar gemaakt zoals verwoord in de ontslagbeschikking, [verzoeker] is nimmer in verzekering gesteld vanwege het strafbaar feit genoemd in de ontslagbeschikking en er is niet aangegeven waarom het verweer van [verzoeker] niet steekhoudend is. De ontslagbeschikking is tevens in strijd met de wet en wel op grond van het volgende: de ontslagbeschikking maakt gewag van het mondelinge verweer van agent [naam 1] terwijl dit niet de naam van [verzoeker] is, de ontslagbeschikking maakt ook gewag van het voorstel om agent [naam 1] ontslag op te leggen terwijl het besluit is genomen om aan [verzoeker] ontslag te verlenen en het ontslag staat in geen enkele evenredigheid met het verwijt en de diensttijd van [verzoeker]. Om voormelde redenen komt de ontslagbeschikking voor vernietiging in aanmerking.
3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling
Bevoegdheid
4.1.1 Rechtens staat tussen partijen vast dat [verzoeker] ambtenaar van politie is in de zin van artikel 1 van het Politiehandvest. Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a.tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b.tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c.tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:
a.betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b.tot verlaging van rang;
c.betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d.waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e.tot schorsing of ontslag.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.
4.1.2 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schade-vergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren.
Op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 Pw is het hof dan ook bevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder a en e gevorderde, respectievelijk de vordering strekkende tot nietigverklaring van het besluit waarbij aan [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag is opgelegd en de vordering tot oplegging van een dwangsom.
Het in 3.1 onder b en c gevorderde, te weten, kort gezegd, de rehabilitatie van [verzoeker] in zijn oude rang en zijn wedertewerkstelling, kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen. Het hof overweegt ten overvloede dat de gevorderde rehabilitatie, indien het hof wel bevoegd zou zijn daarvan kennis te nemen, niet zou kunnen worden toegewezen vanwege de onduidelijkheid van deze vordering. Immers, in geval het hof een besluit tot ontslag van een ambtenaar nietig verklaart, wordt dit ontslag geacht nimmer te zijn verleend en dient betrokkene weer in zijn oude rang. Het hof vermag in een dergelijk geval derhalve niet in te zien welke handeling dan nog van de Staat wordt verwacht.
Het hof begrijpt het in 3.1 onder d gevorderde aldus dat [verzoeker] tevens betaling van (achterstallig) salaris vordert. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit een besluit in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het gevorderde zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nietig te verklaren ontslagbesluit. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om ook van deze vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2.1 De Staat heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [verzoeker] ingevolge artikel 80 lid 3 sub a Pw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. De Staat heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Volgens voormeld artikel zijn vorderingen als bedoeld in artikel 79 lid 1 Pw voorts niet ontvankelijk indien overeenkomstig artikel 78 Pw beklag is gedaan, zolang daarop nog niet is beslist, dan wel vier maanden sedert de indiening van het beklag zijn verlopen zonder dat daarop een beslissing is gevolgd. [verzoeker] heeft op 22 oktober 2012 beklag gedaan bij de President ter zake van het ontslagbesluit en vervolgens reeds op 29 oktober 2012 (het hof begrijpt: 30 oktober 2012), zonder dat op het beklag was beslist, een vordering, onder meer inhoudende de nietigverklaring van de ontslagbeschikking, bij het hof ingesteld.
4.2.2 Het hof stelt voorop dat, anders dan de Staat meent, niet artikel 80 lid 3 Pw van toepassing is maar artikel 47 lid 4 van het Politiehandvest, aangezien het in casu betreft een vordering strekkende tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van de tuchtstraf van ontslag aan een politieambtenaar. Op grond van laatstgenoemde bepaling zijn vorderingen tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van een tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder e tot en met j van voormeld handvest – hieronder valt de tuchtstraf van ontslag – voorts niet-ontvankelijk:
a.indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat het besluit ter kennis van de gestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen;
b.indien overeenkomstig het bepaalde in artikel 46 beroep is ingesteld, zolang daarop nog niet is beslist;
c.indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat de beslissing op het onder b bedoeld beroep ter kennis van de bestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen.
Op grond van artikel 46 lid 2 van het Politiehandvest dient op het beroep – in casu beroep bij de President – uiterlijk binnen drie maanden te worden beslist. Hieruit volgt dat de President, indien hij niet binnen drie maanden op een bij hem ingesteld beroep heeft beslist, geacht wordt een fictief besluit te hebben genomen en wel een negatief besluit.
Vaststaat dat de ontslagbeschikking op 18 oktober 2012 aan [verzoeker] is uitgereikt, dat [verzoeker] op 22 oktober 2012 ingevolge artikel 46 lid 1 sub c van het Politiehandvest beroep heeft ingesteld bij de President en dat [verzoeker] op 30 oktober 2012 de vordering strekkende tot nietigverklaring van het ontslagbesluit bij het hof heeft ingesteld.
[verzoeker] zou, nu hij voormelde vordering reeds op 30 oktober 2012 bij het hof heeft ingesteld – acht dagen nadat hij op 22 oktober 2012 van het ontslagbesluit in beroep is gegaan bij de President – en hij derhalve de beslissing van de President op zijn beroep niet heeft afgewacht, bij strikte toepassing van artikel 47 lid 4 sub b van het Politiehandvest niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in zijn vordering. Het hof overweegt dienaangaande echter als volgt. Het doel van het rechtsmiddel van administratief beroep als bedoeld in artikel 46 van het Politiehandvest is de belanghebbende uitsluitsel te verschaffen of aan hem al dan niet terecht een tuchtstraf is opgelegd door een lager overheidsorgaan. Het is het hof bekend dat dit rechtsmiddel niet werkt, in die zin dat een beslissing van de President op een bij hem ingesteld beroep in de regel pleegt uit te blijven. In dit licht kan van [verzoeker] in alle redelijkheid niet worden verwacht de (fictieve) beslissing van de President op het ingestelde beroep af te wachten. Het hof acht [verzoeker] daarom ontvankelijk in zijn vordering strekkende tot nietigverklaring van het ontslagbesluit en derhalve ook in het gevorderde in 3.1 onder d en e dat als een sequeel daarvan heeft te gelden. Het daartoe strekkend verweer van de Staat wordt verworpen.
4.3.1 De Staat heeft ter zake van de stellingen van [verzoeker] dat de ontslagbeschikking op onware feiten berust en dat van een veroordelend vonnis geen sprake is, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat naar aanleiding van de verschillende aangiftes van strafbare feiten tegen [verzoeker], door de politie onderzoek is gedaan naar de feitelijke toedracht en dat de uit dat onderzoek gebleken feiten en omstandigheden betreffende de betrokkenheid van [verzoeker] bij bedoelde strafbare feiten categorisch in de ontslagbeschikking zijn weergegeven.
4.3.2 Naar het hof begrijpt betoogt [verzoeker], mede gelet op hetgeen hij ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen heeft verklaard alsmede hetgeen hij bij pleitnota en repliekpleitnota heeft gesteld, dat de Staat ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit onvoldoende bewijsmateriaal in handen had om dit besluit te rechtvaardigen. Vooropgesteld wordt dat het bij een disciplinair onderzoek niet gaat om de vaststelling van strafbare feiten, maar om de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven. Naar vaste jurisprudentie gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de in het strafrecht van toepassing zijnde zeer strikte bewijsregels. Aan de stelling dat van een veroordelend strafvonnis geen sprake is, komt derhalve niet de betekenis toe die [verzoeker] daaraan toegekend wil zien. In casu is voldoende dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat [verzoeker] zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

De aangifte van [aangever 1]
4.4.1 [aangever 1] heeft blijkens het proces-verbaal van aangifte d.d. 21 september 2010, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard. Zij heeft in mei 2010 een politieagent leren kennen. Hij had zich toen aan haar voorgesteld als te zijn geheten [naam 2]. Nadat zij zijn verzoek om een relatie met hem aan te gaan had afgewezen, heeft deze politieagent haar meerdere keren gemolesteerd, uitgescholden en gedreigd haar omver te rijden met zijn voertuig. Op 15 september 2010 liep zij met haar moeder in de Ramgoelamweg. Voormelde politieagent, gekleed in een blauw politieuniform, reed hen van achteren tegemoet in zijn crème gelakte Toyota Premio. Toen zij weigerde om naar hem toe gaan nadat hij haar riep, werden zij en haar moeder door hem uitgescholden en bedreigd omver gereden te worden. Dit was de derde keer dat hij deze bedreiging tegen haar heeft geuit.
4.4.2 [naam 3] – de moeder van [aangever 1] – heeft blijkens het proces-verbaal van verhoor d.d. 03 november 2010 de lezing van [aangever 1] bevestigd. Zowel [aangever 1] als haar moeder hebben bij een gehouden confrontatie [verzoeker] herkend als de politieagent die [aangever 1] lastig viel en die had gedreigd [aangever 1] en haar moeder omver te rijden met zijn voertuig.
4.4.3 [verzoeker] heeft blijkens het proces-verbaal van verhoor d.d. 27 december 2010 toegegeven [aangever 1] te kennen en haar voorgehouden te hebben dat hij [naam 2] heette. Hij verklaarde dit laatste bewust te hebben gedaan omdat hij in de toekomst geen problemen met [aangever 1] wilde hebben. [verzoeker] heeft tevens toegegeven [aangever 1] en haar moeder aan de Ramgoelamweg te zijn tegemoet gereden in zijn voertuig en hen te hebben uitgescholden. Hij ontkent echter [aangever 1] en haar moeder te hebben bedreigd.
4.4.4 Naar het oordeel van het hof kon de minister op grond van de geloofwaardig geachte verklaringen van [aangever 1] en haar moeder, tot de overtuiging komen dat [verzoeker] zich aan de aan hem verweten gedragingen jegens [aangever 1], zoals weergegeven in de ontslagbeschikking, schuldig heeft gemaakt. Aan de ontkenning van [verzoeker] dat hij [aangever 1] en haar moeder heeft bedreigd, kan als ongeloofwaardig worden voorbijgegaan. Het hof tekent wel aan dat de in de ontslagbeschikking genoemde datum van 21 september 2010 de aangifte van [aangever 1] betreft, en niet de datum waarop [verzoeker] de aan hem verweten gedragingen jegens [aangever 1] heeft geëtaleerd.

De aangifte van [aangever 2]
4.5.1 [aangever 2] heeft blijkens de processen-verbaal van aangifte d.d. 16 december 2010 en van verhoor d.d. 05 januari 2011, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard. Hij reed op 16 december 2010 over de Latourweg op weg naar huis. Op gegeven moment merkte hij dat hij door iemand rijdend in een grijs gelakte personenauto werd achtervolgd. Nadat hij zijn erf was opgereden en uit zijn voertuig was gestapt, zag hij dat het voertuig dat hem achtervolgde voor zijn inrit was gestopt. De bestuurder van dat voertuig, die niet was uitgestapt, riep hem naar zich toe en toonde hem een zwarte etui met het embleem van de politie. Toen hij zich ongeveer op een afstand van een meter van het voertuig bevond, vroeg deze bestuurder hem in het Surinaams: “Joe no sap tak joe moes stop tap a oekoe.” Toen hij de bestuurder vroeg om welke hoek het ging, haalde de bestuurder, zonder dat daartoe aanleiding bestond, een zwart vuistvuurwapen tevoorschijn, met de loop naar het stuur gericht, en vroeg de bestuurder aan hem in het Surinaams: “Soort wakamang joe wan play.” De bestuurder weigerde, onder het bezigen van schuttingtaal, zich op zijn verzoek wederom te legitimeren. Toen hij aangaf het kentekennummer van het voertuig van de bestuurder nodig te hebben, gaf de bestuurder hem, wederom onder het gebruik van schuttingtaal, te kennen dat hij voor het voertuig kon komen staan om het kentekennummer op te nemen. De bestuurder reed vervolgens weg. [aangever 2] heeft daarbij het kentekennummer van het voertuig, te weten: [nummer 9], kunnen noteren. Hij heeft zich door de handelwijze van de bestuurder bedreigd gevoeld. De uitdaging van de bestuurder om voor zijn voertuig te komen staan teneinde het kentekennummer te noteren, heeft hem het gevoel gegeven dat de bestuurder hem omver zou rijden. Hij is niet door de bestuurder bekeurd.
4.5.2 De politie heeft het door [aangever 2] genoteerde kentekennummer nagetrokken. Daarbij is gebleken dat het voertuig met dat kentekennummer staat geregistreerd op naam van [verzoeker].
4.5.3 Naar het oordeel van het hof kon de minister ook in dit geval tot de overtuiging komen dat [verzoeker] zich aan de aan hem verweten gedragingen jegens [aangever 2], zoals weergegeven in de ontslagbeschikking, schuldig heeft gemaakt. Het hof overweegt daartoe als volgt. De verklaring van [aangever 2] wordt geloofwaardig geacht. [verzoeker] heeft blijkens het proces-verbaal van verhoor d.d. 14 januari 2011 immers toegegeven dat hij [aangever 2] achterna is gereden nadat die een verkeersovertreding zou hebben begaan, dat hij zijn voertuig voor de inrit van de woning van [aangever 2] tot stilstand heeft gebracht, dat hij [aangever 2] in het Surinaams heeft toegeschreeuwd “Fa yu e rij so” en later “Soort waka mang yu wan pley” en dat hij zijn vuistvuurwapen tevoorschijn heeft gehaald. Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van [verzoeker] dat hij dit laatste heeft gedaan omdat [aangever 2] op een gegeven moment naar zijn zij greep waar zijn bovenkleding er bol uitzag, dat hij vermoedde dat [aangever 2] een wapen bij zich droeg en dat hij om die reden zijn vuistvuurwapen heeft geplaatst op de zitting van de stoel waarop hij zat. Veel aannemelijker is dat [verzoeker] zijn vuistvuurwapen heeft getoond aan [aangever 2] op de wijze zoals door [aangever 2] is aangegeven, aangezien [aangever 2], naar het oordeel van het hof, het vuistvuurwapen van [verzoeker] niet kon hebben waargenomen als dit op de zitting van de stoel was geplaatst, zoals [verzoeker] wil doen geloven. Ook is aannemelijk dat het door [verzoeker] tevoorschijn halen en tonen van het vuistvuurwapen aan [aangever 2], nu daartoe geen aanleiding bestond, bedoeld was ter bedreiging van [aangever 2]. Het hof acht derhalve niet geloofwaardig de ontkenning van [verzoeker] dat hij [aangever 2] heeft bedreigd. Het hof acht evenmin geloofwaardig de ontkenning van [verzoeker] dat hij krachttermen heeft gebruikt jegens [aangever 2]. Het is immers niet aannemelijk dat [verzoeker], die gemeend heeft [aangever 2] wegens een vermeende verkeersovertreding achterna te moeten rijden tot aan diens woning teneinde hem daarover aan te spreken, zulks in nette bewoordingen heeft gedaan, zeker als geloof moet worden gehecht aan zijn verklaring dat hij door [aangever 2] werd uitgescholden. Het hof tekent wel aan dat het onderhavige voorval zich niet heeft voorgedaan op 07 januari 2011, zoals kennelijk abusievelijk de in de ontslagbeschikking is vermeld, maar op 16 december 2010.

De aangifte van [aangever 3]
4.6.1 [aangever 3] heeft blijkens het proces-verbaal van aangifte d.d. 02 februari 2011, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard. In de tweede week van de maand januari 2011 reed hij in een goudkleurige Lexus GX 470 over de Zwartenhovenbrugstraat. Ter hoogte van de hoek met de Saramaccastraat werd hij staande gehouden door een politieagent. Deze politieagent hield hem voor dat hij diverse verkeersovertredingen had begaan en dat de boete in totaal SRD 1.200,- bedroeg. Op gegeven moment zei de politieagent dat hij [aangever 3] een kans wilde geven, maar dat hij, [aangever 3], hem daarvoor ‘een soft’ moest geven. Nadat hij de politieagent een biljet van SRD 100,- had gegeven, kon hij zijn weg vervolgen. Omstreeks 19 januari 2011 reed hij in een groengelakte Toyata Rav-4 over de dr. Sophie Redmondstraat. Voorbij de kruising met de Wanicastraat werd hij door dezelfde politieagent staande gehouden. Deze hield hem voor dat hij een verkeersovertreding had begaan en dat de boete SRD 500,- bedroeg. Hij noteerde het kentekennummer van het voertuig van de politieagent, zijnde [nummer 9]. Toen de politieagent dat merkte, mocht hij, [aangever 3], zijn weg vervolgen. Hij heeft geen bescheid ter zake van enige boete van de politieagent ontvangen.
4.6.2 De politie heeft het door [aangever 3] genoteerde kentekennummer nagetrokken. Daarbij is gebleken dat het voertuig met dat kentekennummer staat geregistreerd op naam van [verzoeker]. [aangever 3] heeft bij een gehouden confrontatie [verzoeker] herkend als de politieagent die hem, volgens zijn zeggen, tweemaal had staande gehouden wegens het begaan hebben van een verkeersovertreding en aan wie hij een bedrag van SRD 100,- heeft gegeven.
4.6.3 [verzoeker] heeft blijkens het proces-verbaal van verhoor d.d. 08 maart 2011 en het proces-verbaal d.d. 09 maart 2011 ontkend dat hij [aangever 3], rijdend in een Lexus GX 470, in de tweede week van de maand januari 2011 staande heeft gehouden in de Saramaccastraat wegens het begaan hebben van een verkeersovertreding en dat hij hem vervolgens heeft toegestaan om zijn weg te vervolgen na betaling van een bedrag van SRD 100,-. [verzoeker] heeft wel bevestigd dat hij [aangever 3], rijdend in een Toyota Rav-4, staande heeft gehouden in de dr. Sophie Redmondstraat wegens het begaan hebben van een verkeersovertreding. [verzoeker] heeft verklaard dat hij [aangever 3] bij die gelegenheid proces-verbaal heeft aangezegd, dat [aangever 3] weigerde een afschrift van het proces-verbaal in ontvangst te nemen en dat hij het afschrift op de motorkap van het voertuig van [aangever 3] heeft gelegd. [verzoeker] heeft tevens verklaard dat hij het proces-verbaal heeft opgestuurd.
4.6.4 Naar het oordeel van het hof kon de minister in dit geval niet tot de overtuiging komen dat [verzoeker] zich aan de aan hem verweten gedragingen jegens [aangever 3], zoals weergegeven in de ontslagbeschikking, schuldig heeft gemaakt. Het hof overweegt daartoe dat de verklaringen van [aangever 3] en [verzoeker] tegenover elkaar staan en dat het politiedossier onvoldoende ondersteuning biedt voor de lezing van [aangever 3]. De Staat heeft niet weersproken dat [verzoeker] het proces-verbaal ter zake van de bekeuring van [aangever 3] heeft opgestuurd. Uit het voorgaande volgt dat vorenbedoelde gedragingen van [verzoeker] niet aan zijn ontslag ten grondslag mochten worden gelegd. Nu dit wel is gebeurd, dient de vraag zich aan welke gevolgen hieraan verbonden moeten worden. Hierop wordt in 4.9 nader ingegaan.
4.7 Beoordeeld moet worden of de aan [verzoeker] verweten gedragingen jegens [aangever 1] en [aangever 2] plichtsverzuim opleveren en zo ja, of dit plichtsverzuim het ontslag van [verzoeker] rechtvaardigt. Naar het oordeel van het hof heeft de minister vorenbedoelde gedragingen van [verzoeker] terecht als ernstig plichtsverzuim aangemerkt, aangezien deze zo zeer indruisen tegen de kerntaak van de politie alsmede de voor politieambtenaren geldende gedragscode en hetgeen van een goed politieambtenaar mag worden verwacht. Daaraan doet niet af dat de aan [verzoeker] verweten gedragingen zich deels in de privésfeer hebben afgespeeld. Voorts wordt overwogen dat [verzoeker] begreep althans had kunnen begrijpen dat zijn handelwijze niet door de beugel kon, zodat deze hem kan worden toegerekend. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel nopen. Van [verzoeker] kan, anders dan hij zelf meent, in geen geval gezegd worden dat hij zich gedurende zijn dienstperiode heeft doen kennen als een plichtsgetrouwe ambtenaar. Ten slotte wordt overwogen dat [verzoeker] door zijn handelwijze in zodanige mate inbreuk heeft gemaakt op de integriteit van het korps en het aanzien en de betrouwbaarheid van het korps in de ogen van het publiek in zodanige mate in gevaar heeft gebracht, dat zijn ontslag niet als een onevenredige sanctie is te beschouwen.
Daarbij komt dat [verzoeker] blijkens het proces-verbaal van voorgeleiding d.d. 05 mei 2011 heeft toegegeven dat hij [naam 4] heeft bewogen tot het verduisteren van SRD 2.086,- toebehorende aan Texaco en tot afgifte van dit bedrag aan hem. [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, verklaard dat het zijn bedoeling was om het geld terug te betalen, maar dat zulks niet op tijd is gelukt en voorts dat hij het geld inmiddels wel heeft terugbetaald. Uit het politiedossier blijkt dat [naam 4] voornoemd, een met [verzoeker] bevriende minderjarige pompbediende werkzaam bij een pompstation van Texaco, naar aanleiding van dit voorval is aangehouden en in verzekering is gesteld.
Voorts heeft [verzoeker], naar aanleiding van een aangifte van [aangever 4] ter zake van afpersing d.d. 13 december 2011 op grond waarvan [verzoeker] op dezelfde dag in verzekering is gesteld, blijkens het proces-verbaal van verhoor d.d. 13 december 2011 toegegeven, kort gezegd, dat hij op 12 december 2011 aan [aangever 4], die zijn voertuig aan de Hofstraat nabij de kruising met de Burenstraat had geparkeerd, te kennen heeft gegeven dat deze een verkeersovertreding had begaan waarop een boete van SRD 500,- staat en [aangever 4] die boete ter plekke aan hem moest voldoen. [verzoeker] heeft voorts verklaard dat hij dit bedrag van [aangever 4] in ontvangst heeft genomen, dat hij dit bedrag ten eigen bate heeft aangewend en dat hij bereid is dit bedrag aan [aangever 4] terug te geven. Dit voorval heeft zich daarenboven voorgedaan gedurende de periode dat [verzoeker] was geschorst in zijn ambt.
Verder blijkt uit het politiedossier [nummer 10] d.d. 16 augustus 2010 dat [naam 5] op 16 augustus 2010 aangifte heeft gedaan tegen [verzoeker] wegens afpersing.
In zijn schrijven d.d. 10 februari 2011, gericht aan de hoofdcommissaris van politie tevens korpschef Braam, D., heeft de inspecteur van politie 2e klasse Cooman, R.M. bericht dat hem ter ore is gekomen dat [verzoeker] en [naam 1], zich schuldig maken aan het afzetten van personen die zij proces-verbaal aanzeggen wegens verkeersovertredingen en dat hij hen hierop heeft aangesproken en hen heeft gewaarschuwd zich niet te lenen voor dergelijke praktijken.
In een schrijven d.d. 17 juli 2012, gericht aan de minister van Justitie en Politie, heeft het plaatsvervangend hoofd van de afdeling Interne Tuchtzaken, de inspecteur van politie 3e klasse Jardim-Kartoredjo, I.S., gewag gemaakt van een gesprek met de onderinspecteur van politie Boldewijn, A., tevens chef van dienst te bureau Nieuwe Haven, waarbij laatstgenoemde heeft aangegeven dat hij [verzoeker] vaker heeft gewaarschuwd om zijn praktijken achterwege te laten, dat het erom ging dat [verzoeker] aan personen die een verkeersovertreding hadden begaan naderhand het voorstel deed om tegen betaling van een bedrag lager dan de opgelegde boete de verkeersovertreding te laten vervallen en dat in geval niet op dit voorstel werd ingegaan, [verzoeker] het proces-verbaal alsnog opmaakte. Het hof constateert dat de comparitiegevolmachtigde van de Staat, inspecteur van politie 2e klasse Prade, R., ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen een verklaring met dezelfde strekking heeft afgelegd.
Kortom, uit het politiedossier komt een beeld naar voren van een politieambtenaar die bij herhaling ernstig in de fout gaat, niet voor verbetering vatbaar is en derhalve niet in een gedisciplineerd korps als het KPS thuishoort. [verzoeker] kan in alle redelijkheid niet verlangen dat hij als politieambtenaar wordt gehandhaafd.
4.8 De Staat heeft betwist dat het resultaat van het onderzoek nimmer aan [verzoeker] kenbaar is gemaakt. De Staat heeft aangevoerd dat [verzoeker] naar aanleiding van het politieonderzoek in de gelegenheid is gesteld zich te verweren en dat hem is voorgehouden waartegen hij zich moest verweren. [verzoeker] heeft dit niet weersproken, zodat zulks in rechte tussen partijen is komen vast te staan. Het hof constateert in dit kader dat blijkens de voorlaatste overweging van de ontslagbeschikking, [verzoeker] (zie 4.10) in zijn mondeling verweer heeft ontkend [aangever 2] te hebben bedreigd.
Aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat in de ontslagbeschikking niet is aangegeven waarom zijn verweer niet steekhoudend is bevonden. Dit kan echter niet leiden tot nietigheid van het ontslagbesluit. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] ter zake van zijn verweer meer heeft aangevoerd dan in de ontslagbeschikking is opgenomen. Reeds hieruit volgt dat, gelet op de aan hem verweten gedragingen jegens [aangever 1] en [aangever 2], zijn verweer ontoereikend is.
4.9 Uit hetgeen in 4.7 is overwogen volgt dat het beroep van [verzoeker] op de onevenredigheid van het ontslag aan het plichtsverzuim, geen doel treft.
Het beroep van [verzoeker] op het motiveringsbeginsel treft evenmin doel, aangezien de ontslagbeschikking genoegzaam blijk geeft van het aan [verzoeker] verweten gedrag dat aan zijn ontslag ten grondslag is gelegd. Het hof tekent daarbij wel aan dat, gelijk in 4.6.4 reeds is overwogen, het aan [verzoeker] verweten gedrag jegens [aangever 3] niet aan het ontslag van [verzoeker] ten grondslag had mogen worden gelegd. Dit doet echter, naar het oordeel van het hof, geen afbreuk aan het ontslagbesluit, nu het ontslag kan worden gedragen door het overige aan [verzoeker] verweten gedrag.
Voor zover [verzoeker] betoogt dat het ontslagbesluit wegens onzorgvuldigheid nietig verklaard moet worden omdat de besluitvorming veel te lang heeft geduurd, volgt het hof [verzoeker] niet daarin. Hoewel er ruim vijftien maanden zijn verstreken tussen de dag waarop [verzoeker] ter gelegenheid van het gehouden korpsrapport mondeling verweer heeft gevoerd, zijnde 28 juni 2011, en de dag waarop het ontslagbesluit is genomen, zijnde 08 oktober 2012 – welk tijdsverloop erop wijst dat de Staat niet over één nacht ijs is gegaan – blijkt uit de in de laatste overweging van de ontslagbeschikking weergegeven procedure die aan het ontslagbesluit is voorafgegaan, niet van een onaanvaardbaar lang stilzitten van de Staat. Gegeven de ernst van het plichtsverzuim en gelet op het feit dat aan [verzoeker] bij het gehouden korpsrapport reeds te kennen is gegeven dat een voorstel tot zijn ontslag zal worden gedaan, ziet het hof onvoldoende aanleiding om aan de lange duur van de besluitvorming gevolgen te verbinden.
4.10 Aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat de Staat enige nalatigheid in de motivering van het ontslagbesluit kan worden verweten ter zake van de naamsverwisseling in de laatste en voorlaatste overweging van de ontslagbeschikking, waarbij in stede van [verzoeker] de naam van [naam 1] is vermeld. Dit levert, gelijk de Staat heeft aangevoerd, geen strijd met de wet op. Uit de overige overwegingen van de ontslagbeschikking blijkt duidelijk dat hier sprake is van een kennelijke schrijffout en dat niemand anders dan [verzoeker] is bedoeld, zodat vorenbedoelde nalatigheid niet de nietigheid van het ontslagbesluit tot gevolg kan hebben.
4.11 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het gevorderde in 3.1 onder a als ongegrond zal worden afgewezen.
4.12 Nu het ontslagbesluit in stand blijft, zal het in 3.1 onder d en e gevorderde, dat als een sequeel van het gevorderde in 3.1 onder a heeft te gelden, eveneens als ongegrond worden afgewezen.
4.13De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5.De beslissing
Het hof:
5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder b en c gevorderde.
5.2 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 18 oktober 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. H.A. Wekker namens advocaat
mr. V.V.C Pique, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mevrouw Jules namens mr. R.Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-RC-2019-2

RECHTER-COMMISSARIS BELAST MET DE BEHANDELING VAN STRAFZAKEN BIJ DE KANTONGERECHTEN

Beschikking ex artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering (SB 2008 no.21)

Gezien het verzoek van de vervolgingsambtenaar d.d. 13 maart 2019 ter vaststelling van een voorgeleidingsdatum voor de [verdachte];
Gezien de vordering bewaring van de verdachte voornoemd per ingaande 13 maart 2019 gedaan door de vervolgingsambtenaar op 13 maart 2019;
Gelezen de stukken, waaronder het bevel tot inverzekeringstelling, waaruit blijkt dat verdachte op 8 maart 2019 in verzekering is gesteld ter zake overtreding van de artikelen 295; 296; 298; 299; 300; 303 en 304 van het wetboek van Strafrecht;
Gehoord de verdachte voornoemd, die heeft verklaard gelijk gerelateerd staat in de daartoe opgemaakte verklaring, waarvan een afschrift aangehecht is aan deze beschikking;

Uit de stukken die de Rechter-Commissaris ten tijde van onderhavige toetsing ter beschikking stonden blijkt dat verdachte in beeld kwam na een anonieme melding van 06 juli 2018 inhoudende dat, hij zijn minderjarige stiefdochter seksueel misbruikt heeft en een kind verwekt heeft bij het slachtoffer.

Op grond van de verdenking zijn minderjarige stiefdochter seksueel misbruikt te hebben (ex. artikelen 295; 296; 298; 299; 300; 303 en 304 van het wetboek van Strafrecht) werd verdachte herhaald in verzekering gesteld t.w.:

  1. op 13 september 2018 en

  2. op 8 maart 2019

t.a.v. de 1e inverzekeringstelling:

  • de verdachte heeft vanaf het begin ontkend iets met slachtoffer gedaan te hebben en verklaard niet de verwekker van slachtoffer haar kind te zijn;

  • aanvankelijk verklaarde het slachtoffer dat verdachte de verwekker is maar, kwam naderhand op die verklaring terug onder aanvoering dat de eerdere verklaring niet op waarheid berust;

  • op 18 sept. 2018 werd verdachte door de vervolgingsambtenaar in vrijheid gesteld;

  • op 18 september 2018 werden van verdachte, het slachtoffer en het kind wangslijm afgenomen t.b.v. een DNA-vaderschapsonderzoek;

  • het opgestuurde referentie materiaal wordt op 24 september 2018 ontvangen door het MWI- forensisch DNA laboratorium;

t.a.v. de 2e inverzekeringstelling:

  • in het rapport van 31 januari 2019 opgemaakt door het MWI- forensisch DNA laboratorium wordt geconcludeerd dat, verdachte niet uitgesloten kan worden als de biologische vader van het kind; de kans op vaderschap is 99,999%;

  • op grond van deze ontwikkeling werd verdachte opgeroepen en op 8 maart 2019 wederom aangehouden en in verzekering gesteld;

  • tijdens de inverzekeringstelling is verdachte bij het (nader) verhoor door de politie geconfronteerd met het resultaat van het DNA-vaderschapsonderzoek;

  • evenzo is het slachtoffer nader gehoord en geconfronteerd met het resultaat van het DNA-vaderschapsonderzoek;

  • verdachte en het slachtoffer persisteren bij hun verklaring dat verdachte niet de verwekker is;

Overwegende, dat de Rechter-Commissaris ambtshalve dient te beoordelen of bij deze 2e inverzekeringstelling in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld is;

Overwegende, dat de Rechter-Commissaris uit eerder aangehaalde geschetste gang van zaken van oordeel is dat zich voorafgaande aan de 2e inverzekeringstelling nieuwe redengevende omstandigheden hebben aangediend waardoor de verdachte zijn tweede inverzekeringstelling niet onrechtmatig geacht kan worden;

Overwegende, dat nu onderhavige rechtmatigheidstoetsing van de inverzekeringstelling samen valt met de beoordeling van de vordering tot inbewaringstelling en naar het oordeel van de rechter-commissaris :

  • de verdenking ernstig genoeg is en;

  • de bewaring noodzakelijk wordt geacht;

Reden waarom de gevorderde bewaring verleend zal worden. Van deze beslissing tot bewaring van de verdachte wordt een afzonderlijke beschikking opgemaakt.

BESCHIKKENDE:
Verklaart inverzekeringstelling rechtmatig;

Aldus gegeven te Paramaribo op 15 maart 2019 door mr. D.G.W. KARAMAT ALI, rechter-commissaris, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. J. CHANDER-ROEPA.

De fungerend-griffier, De Rechter-Commissaris,

Mr. J. CHANDER- ROEPA Mr. D.G.W. KARAMAT ALI

SRU-RC-2019-1

R.M. Rechter – Commissaris belast met de behandeling van Strafzaken bij de Kantongerechten.

Parketnummer(s) 02361/19 BESCHIKKING INZAKE
RC- nummer(s) 628/19 BEWARING

De Rechter- Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten:
Gezien de vordering van de vervolgingsambtenaar d.d. 21 augustus 2019 strekkende tot uitvaardiging van een bevel tot bewaring tegen de verdachte(n): [verdachte] die wordt verdacht ter zake overtreding van de strafbare feiten zoals omschreven in de artikelen 349 jo 70; 347 jo 70; 362; 362 jo 70; 360 van het wetboek van Strafrecht;
Gezien de door de Vervolgingsambtenaar daarbij overgelegde stukken;

De beoordeling:

A) Feiten en omstandigheden

  1. Verdachte is op 7 augustus 2019 voor de duur van 7 dagen inverzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 349 jo 70; 347 jo 70; 362; 362 jo 70; 360 van het Wetboek van Strafrecht.

  1. Bij beschikking van de Rechter Commissaris d.d. 13 augustus 2019 is de vervolgingsambtenaar niet- ontvankelijk verklaard in diens vordering tot rechtmatigheidstoetsing.

  1. Verdachte – zijnde een vreemdeling- is na verstrijken van de termijn van de (strafvorderlijke) inverzekeringstelling vervolgens bij beschikking d.d. 21 augustus 2019 van de officier van justitie in verzekeringgesteld krachtens artikel 28 lid 1 b Vreemdelingenwet 1991. Zulks in het belang van de openbare orde of nationale veiligeheid daar ten aanzien van hem “ernstige reden bestaat om te verwachten dat zijn uitzetting zal worden gelast”.

B) Vordering van het Openbaar Ministerie

Thans is bij vordering d.d.21 augustus 2019 op grond van art. 55 Sv en 168 Sv de inbewaringstelling van verdachte gevorderd aangezien voldoende aanwijzing van schuld is ontstaan aan de artikelen 349 jo 70; 347 jo 70; 362; 362 jo 70; 360 van het Wetboek van Strafrecht .

C) Het oordeel van de Rechter- Commissaris

De Rechter- Commissaris stelt voorop dat op verdachte thans de maatregel van vreemdelingen inverzekeringstelling is toegepast. Deze maatregel heeft als doel zijn uitzetting te realiseren. Bij gemis aan een expliciete vermelding wordt uitgaande van het bepaalde in art. 28 lid 3 Vreemdelingenwet 1991 het ervoor gehouden dat deze beschikking is gegeven voor de volle termijn van ten hoogste een maand- derhalve verstrijkend op 13 september 2019. Met deze maatregel is door het Openbaar Ministerie bij de verdachte het vertrouwen opgewekt dat hij niet zou worden vervolgd. Derhalve rust op de overheid de plicht om verdachte uit te zetten.

D) Gevolgen van de gevorderde inbewaringstelling

Met de maatregel van inverzekeringstelling is nauw verbonden het doel van de officier van justitie om de uitzetting van de vreemdeling/ verdachte voorrang te geven boven zijn strafvervolging.
Aangezien deze inverzekeringstelling niet tot een ander doel gebruikt mag worden dient de Rechter Commissaris bij onderhavige beoordeling gelet op de geconstateerde verandering in de vervolgingsbeslissing te beoordelen of:

  1. een vervolgingsnoodzaak is ontstaan waardoor de omstandigheden noopten tot die verandering.

  2. of daarbij de beginselen van een goede procesorde in acht zijn genomen

T.a.v .de omstandigheden die hebben doen besluiten tot verandering

De Rechter Commissaris stelt vast dat uit het politiedossier :

  • blijkt dat onderzoekshandelingen naar de vermeende strafbare feiten dateren van 7, 8 en 10 augustus 2019, een periode gelegen vóór de ingangsdatum van de (vreemdelingen) inverzekeringstelling;
  • niet blijkt waarom voortzetting van de inverzekeringstelling niet meer gevorderd wordt danwel de vreemdeling niet meer voldoet aan de wettelijk gegeven omschrijvingen;
  • geen feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid op grond waarvan er sprake is een verandering van de voorgenomen uitzetting van de vreemdeling naar vervolging van betrokkene als verdachte;

De Rechter Commissaris concludeert, dat de vervolgingsambtenaar geen feiten en omstandigheden heeft aangedragen waaruit duidelijk blijkt van de vervolgingsnoodzaak en noodzaak om terug te komen op het besluit tot uitzetting en de strafprocedure voort te zetten. Dit was wel nodig omdat art. 55 Vreemdelingenbesluit 1995 bepaalt dat, “inverzekeringstelling zal worden opgeheven wanneer de vreemdeling niet meer voldoet aan de in artikel 28 lid 1 onder b van de Vreemdelingenwet 1991 gegeven omschrijving”. Terwijl met de gevorderde inbewaringstelling beoogt wordt het daarheen te leiden dat de vrijheidbeneming van de vreemdeling – nu als verdachte- voortduring heeft.

t.a.v. het in acht nemen van de beginselen van een goede procesorde

Gezien hetgeen hierboven is overwogen behoeft dit onderdeel geen verdere beoordeling.

Alles in overweging nemende is de rechter- commissaris van oordeel, dat het bovenomschreven gemis aan vervolgingsnoodzaak, in combinatie met de schending van het bij de vreemdeling /verdachte opgewekte vertrouwen dat hij zou worden uitgezet, een dusdanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert, dat hier slechts de sanctie van niet ontvankelijk verklaring van de officier van justitie in de gevorderde inbewaringstelling dient te volgen.

BESCHIKKENDE:
Verklaart de vervolgingsambtenaar niet- ontvankelijk in de gevorderde inbewaringstelling van de [verdachte]

Aldus gegeven te Paramaribo op 11 september 2019 door mr. D.G.W.KARAMAT ALI, Rechter-Commissaris, in tegenwoordigheid van de fungerend -griffier mr. J. CHANDER- ROEPA.

De fungerend- Griffier, De Rechter-Commissaris,

mr. J. CHANDER- ROEPA mr. D.G.W.KARAMAT ALI

SRU-HvJ-2019-57

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15339

18 oktober 2019

In de zaak van

[appellante],
wonende in het [district],
appellante,
hierna te noemen de vrouw,
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende in het [district],
geïntimeerde,
hierna te noemen de man,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 2 april 2008 bekend onder A.R.No. 07-3649 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat de vrouw op 25 april 2008 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota gedateerd 18 mei 2018;
  • het antwoordpleidooi gedateerd 6 juli 2018;
  • het repliekpleidooi gedateerd 2 november 2018;
  • het dupliekpleidooi gedateerd 16 november 2018.

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 15 maart 2019 doch nader op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep

Gesteld en evenmin is gebleken dat de vrouw niet binnen de wettelijk gestelde termijn hoger beroep heeft aangetekend tegen het beroepen vonnis, zodat zij ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep.

3. De vordering in hoger beroep

De vrouw vordert in hoger beroep om het beroepen vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de man af te wijzen.

4. De beoordeling

4.1 Het Hof neemt over de feiten zoals omschreven in het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 2 april 2008, bekend onder AR no. 07-3649 nu de vrouw daartegen geen grieven heeft aangevoerd.

4.2 De man heeft in eerste aanleg gevorderd – zakelijk weergegeven – dat de echtscheiding tussen partijen zal worden uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien, en voorts dat een datum zal worden bepaald voor het familieverhoor. De man heeft als grondslag hiervoor aangevoerd dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht. De man heeft in eerste aanleg gesteld dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk te wijten is aan verschillende oorzaken en dat partijen uit elkaar zijn gegroeid met dien verstande dat normale, constructieve communicatie tussen partijen niet meer mogelijk is. De man stelt verder dat alhoewel partijen in dezelfde woning verblijven, zij al jaren het bed niet meer delen omdat de vrouw een andere partner heeft met wie zij vleselijke gemeenschap heeft. Volgens de man is er elke dag ruzie en heeft de vrouw de kinderen zodanig opgehitst dat zij bang zijn om in bijzijn van de vrouw met hem te praten. De man stelt dat de vrouw hem ook heeft aangevallen met een mes, waarbij hij letsels heeft opgelopen en heeft hij hiervan aangifte gedaan tegen de vrouw. De man stelt verder dat hij zelf alles in huis moet doen voor hem en de kinderen; dat de vrouw in de ochtend vroeg uit huis gaat om haar vriend te ontmoeten en laat terug komt, terwijl de kinderen na school aan hun lot worden overgelaten. Volgens de man scheldt de vrouw hem elke dag vies en vuil uit welke situatie niet gezond is voor de opvoeding van de kinderen. De man stelt tenslotte dat op grond van het voorgaande de mogelijkheid tot herstel van het huwelijk is uitgesloten.

4.3 De kantonrechter heeft bij het beroepen vonnis de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en een datum bepaald voor het familieverhoor.

4.4 In eerste aanleg heeft de vrouw ontkend dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Ook de door de man aangevoerde gronden, zoals onder 4.2 is overwogen, heeft zij ontkend.
In hoger beroep beroept de vrouw zich erop dat de duurzame ontwrichting aan de man te wijten is nu hij de huwelijksgoederengemeenschap van partijen heeft uitgehold door de onroerende goederen middels een valse volmacht te plaatsen op naam van zijn jongere broer. De vrouw beroept zich erop dat nu de duurzame ontwrichting aan de man te wijten is, hij niet als aanlegger van de vordering mag optreden.

4.5 Naar het hof begrijpt beroept de vrouw zich op artikel 263 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin is bepaald dat de vordering tot echtscheiding wordt afgewezen, indien de duurzame ontwrichting in overwegende mate te wijten is aan de echtgenoot, die vordering heeft ingesteld en de andere echtgenoot deswege tegen die vordering verweer voert.

4.6 De man heeft in hoger beroep aangevoerd dat de kantonrechter reeds heeft beslist op het verweer van de vrouw met betrekking tot de valse volmacht. Ter onderbouwing hiervan heeft de man een kopie-vonnis gedateerd 18 maart 2014 bekend onder AR no. 07-4876 ten processe overgelegd, waaruit moet blijken dat de vordering van de vrouw ter zake is afgewezen.
De man persisteert in hoger beroep dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht, en thans zelfs al langer dan twaalf jaren. De man stelt verder dat deze ontwrichting te wijten is aan de vrouw die met verschillende partners was, wat de aanleiding was tot het verzoek tot echtscheiding. Volgens de man heeft hij de vrouw tot aan een pensioen (lees: pension) achtervolgd hetgeen de aanleiding is geweest dat er ruzie was tussen partijen en het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.
In dit hoger beroep heeft de vrouw niet meer vastgehouden aan haar in eerste aanleg gevoerde verweer dat er geen sprake is van een duurzame ontwrichting van het huwelijk terwijl de man daarin is blijven volharden. Hierdoor is de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen komen vast te staan.

4.7 Na de hiervoor genoemde weerlegging van de man dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan hem te wijten is en verder de gemotiveerde nadere uiteenzetting van de man ter onderbouwing van de door hem gestelde duurzame ontwrichting heeft de vrouw enkel gepersisteerd dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is, echter zonder nadere onderbouwing.
Nu de vrouw dit heeft nagelaten is haar stelling dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is niet in rechte komen vast te staan.
Om redenen als voormeld dient het vonnis van de kantonrechter als hiervoor vermeld te worden bevestigd, onder aanvulling van de gronden.

4.8 De proceskosten in hoger beroep zullen worden gecompenseerd tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten voldoet.

5. De beslissing

5.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 2 april 2008 bekend onder AR no. 07-3649, onder aanvulling van de gronden.

5.2 Compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen, in dier voege dat ieder de eigen kosten voldoet.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President,
mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en
door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 18 oktober 2019 in tegenwoordigheid van

mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. N.A.S. Ramnarain namens advocaat mr. I.S. Lalji, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. N.P. Soekra namens advocaat mr. D. Moerahoe, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-56

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoeker]
wonende in het [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: l.D. Kanhai BSc., advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer precies het Ministerie van Justitie en Politie,
ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Autar, waarnemend substituut officier van justitie,
spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1.Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 12 juni 2013;
  • het verweerschrift ingediend op 27 augustus 2013;
  • de beschikking van het hof van 03 oktober 2013 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 november 2013, welk verhoor is verplaatst naar 07 februari 2014;
  • het proces-verbaal van het op 07 februari 2014 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot aanbieding van aanvullende processtukken, met producties, zijdens de Staat overgelegd op 21 februari 2014;
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoeker] d.d. 04 april 2014;
  • de pleitnota d.d. 02 mei 2014;
  • de antwoordpleitnota overgelegd op 06 juni 2014;
  • de repliekpleitnota d.d. 18 juli 2014;
  • de dupliekpleitnota, met producties, overgelegd op 15 augustus 2014, kennelijk abusievelijk aangeduid als: reactie op pleitnota;
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoeker] d.d. 21 november 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 03 april 2015, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker] is omstreeks 2001 in dienst getreden bij het Korps Politie Suriname (KPS) van het Ministerie van Justitie en Politie. Hij was laatstelijk in vaste dienst bij het KPS in de rang van agent van politie 1e klasse.
2.2 [verzoeker] heeft in de ochtend van 11 mei 2012 meerdere schoten met zijn dienstvuistvuurwapen afgevuurd op de woning van zijn directe chef, de inspecteur van politie 3e klasse [naam 1], (hierna: [naam 1]). [verzoeker] is hiervoor strafrechtelijk vervolgd.
2.3 [verzoeker] is blijkens het strafdossier [nummer 1]91/2012 van de afdeling OPZ wegens verdenking van het plegen van strafbare feiten zoals omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 349 jo 70 jo 69, 347 jo 70 jo 69, 414, 345 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht, ingaande 11 mei 2012 bij beschikking van de toenmalige waarnemend korpschef, H.A. Tjin Liep Shie, te rekenen van even vermelde datum buiten functie gesteld en op basis van artikel 66 lid 2 sub a van de Personeelswet (Pw) geschorst in zijn ambt.
2.4 [verzoeker] is op 12 december 2012 in gebreke gesteld en in de gelegenheid gesteld zich te verweren. [verzoeker] heeft ter gelegenheid van het op 10 januari 2013 gehouden korpsrapport mondeling verweer gevoerd.
2.5 Bij beschikking van de minister van Justitie en Politie d.d. 11 maart 2013, Justitie no. J.[nummer 2] , K.A. [nummer 3] (hierna: de ontslagbeschikking), is aan [verzoeker] wegens ernstig plichtsverzuim ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst opgelegd. Daartoe is onder meer overwogen:
“(…);
dat de agent van politie 1e klasse [verzoeker] op dinsdag 08 mei 2012 is gerapporteerd terzake het niet in dienst verschijnen door zijn toenmalige afdelingshoofd de inspecteur van politie 3e klasse [naam 1] ;
dat agent [verzoeker], in de vroege ochtend van vrijdag 11 mei 2012 omstreeks 02:00 uur, met de aan hem vanwege de dienst in bruikleen afgestane dienstvuistvuurwapen van het merk Glock GCP 369, schoten afvuurde op de woning van de inspecteur van politie 3e klasse [naam 1], zijnde zijn afdelingshoofd;

dat op dat moment de inspecteur voornoemd en zijn gezin zich in de woning bevonden;

dat agent [verzoeker] met zijn handelingen niet alleen vernielingen heeft aangebracht aan de woning van inspecteur [naam 1], doch ook het risico heeft genomen dat de afgevuurde projectielen de inspecteur en zijn gezin dodelijk geraakt konden hebben, danwel letsels konden hebben veroorzaakt;

dat agent [verzoeker] daarbij onder invloed van inwendig gebruik van alcoholhoudende dranken verkeerde en zijn voertuig naar en van de woning heeft bestuurd, hetgeen in strijd is met de verkeersregels;

(…);
dat tijdens de voorgeleiding van agent [verzoeker], hij had toegegeven de schoten te hebben gelost omdat hij gefrustreerd was geraakt;
(…);
dat de gedragingen gepleegd door agent [verzoeker] niet alleen onrechtmatig zijn, doch ook in strijd zijn met de ambtsinstructies zoals ondermeer vervat in de Instructie Ambtenaren van Politie G.B. 1972 no. 82, de gedragscode en schaden deze het imago van het Korps Politie Suriname ernstig;

dat het voorgaande ernstig plichtsverzuim oplevert voor de heer [verzoeker] voornoemd weshalve hij bij schrijven van de toenmalige waarnemend korpschef, thans de korpschef, de hoofdcommissaris van politie, H.A. Tjin Liep Shie, de dato 12 december 2012 terzake ingebreke werd gesteld en derhalve in de gelegenheid werd gesteld zich te verweren;

dat agent [verzoeker] in zijn schrijven de dato 27 december 2012 heeft aangegeven zich mondeling te zullen verweren;

dat agent [verzoeker] in zijn mondeling verweer op het gehouden korpsrapport de dato 10 januari 2013 het volgende heeft verklaard: ‘ik bied mijn verontschuldigingen hierbij aan en verklaar dat het geenszins mijn bedoeling was om zulke handelingen te plegen. Ik raakte gefrustreerd en kon met niemand erover praten ondanks vele pogingen daartoe. Ik ben daarom emotioneel geraakt en heb mij tegoed gedaan aan alcohol en raakte daardoor dronken. Toen ik langs de woning van inspecteur [naam 1] reed heb ik mijn dienstvuistvuurwapen gespannen en geschoten op de woning van genoemde inspecteur zonder verder na te denken. Meneer [naam 1] deed al een hele tijd een aanzoek bij mij en maakte seksistische opmerkingen naar mij toe, doch gaf ik hem te kennen dat ik geen homo ben en geen relatie met hem wilde aangaan. Ik heb echter willen praten met de hoofdinspecteur van politie [naam 2], doch is het niet gelukt’;

dat agent [verzoeker] in strijd heeft gehandeld met artikel 10 van de Instructie Ambtenaren van Politie G.B. 1972 no. 82 luidende ‘de ambtenaar van politie gedraagt zich onder andere te allen tijde en onder alle omstandigheden zodanig, dat aan de waardigheid van zijn ambt geen afbreuk wordt gedaan en het aanzien van de politie niet wordt geschaad’;

dat agent [verzoeker] ook in strijd heeft gehandeld met de gedragscode voor ambtenaren van politie onder andere luidende ‘elk korpslid is eerlijk en oprecht, is betrouwbaar en straalt gezag uit, gedraagt zich als een voorbeeldfiguur onder andere door het Korps en het overheidsgezag op een positieve manier uit te dragen en zich niet schuldig te maken aan strafbare feiten en overtredingen’;

dat de beschuldigingen tegen agent [verzoeker] uitermate ernstig zijn en de commotie die door deze zaak is ontstaan het vertrouwen in de politie ernstig heeft ondermijnd;

dat gelet op al het gebeurde de Korpsleiding geen vertrouwen meer heeft in de agent van politie 1e klasse [verzoeker];

dat de zaak ter terecht zitting dient;

dat op grond van het door agent [verzoeker], gepleegd plichtsverzuim, de argumenten aangehaald in zijn schrijven de dato 27 december 2012 en zijn mondeling verweer op het gehouden korpsrapport de dato 10 januari 2013, wegens ernstig plichtsverzuim de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst aan hem dient te worden opgelegd;”
2.6 [verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 07 juni 2013 ontvangen.

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis:
a. de ontslagbeschikking zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;
b. de Staat zal worden gelast [verzoeker] te rehabiliteren in de rang waarin hij diende voor de ontslagbeschikking;
c. [verzoeker] in de gelegenheid zal worden gesteld de bedongen arbeid op de normale wijze en in de functie die hij heeft bekleed voor de ontslagbeschikking te kunnen vervullen zonder enige hinder zijdens de Staat;
d. de Staat zal worden gelast het salaris aan [verzoeker] zoals door hem verdiend voor de ontslagbeschikking uit te betalen en daarmee voort te gaan;
e. de Staat zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere keer of dag dat hij in strijd met het hierboven gevorderde mocht handelen.
[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] is ambtenaar in de zin van de Personeelswet (Pw). Zijn directe chef heeft een homo sensuele (het hof begrijpt: homoseksuele) relatie met hem willen aangaan en heeft hem vaker op de werkplek aangeraakt en betast. De tegen [verzoeker] ingestelde strafzaak ter zake van zijn handeling genoemd in 2.2 is nog in behandeling bij de strafrechter. De ontslagbeschikking berust op onware feiten. De ontslagbeschikking is daarenboven in strijd met het beginsel van een deugdelijke motivering, hetgeen uit het volgende blijkt: de rechtvaardigingsgrond voor het ontslag van [verzoeker] is niet gemotiveerd in de beschikking aangegeven, er is ook niet aangegeven waarom zo lang is gewacht met het ontslag, er is geen onderzoek gedaan naar de seksuele handelingen van zijn chef en het is nog de vraag of sprake is van plichtsverzuim zoals bedoeld in de artikelen 61, 63 en 66 Pw, aangezien uit het psychologisch rapport blijkt dat aan de handeling van [verzoeker] frustraties zijn voorafgegaan. De echtgenote van [verzoeker] had al vernomen dat hij een relatie met zijn chef was begonnen, hetgeen een gerucht betreft dat door de chef zelf is verspreid. Het ontslag is voorts niet in overeenstemming met de door [verzoeker] gepleegde handeling en de omstandigheden waaronder die is begaan en wel om de volgende redenen: [verzoeker] is nooit meegedeeld dat hij conform artikel 66 Pw is geschorst omdat er termen aanwezig zijn om hem voor te dragen voor ontslag, in het psychologisch rapport en het mondeling verweer is nadrukkelijk aangegeven onder welke omstandigheden het feit is gepleegd en voorts is in dit rapport nadrukkelijk aangegeven dat het korps geen mogelijkheden heeft deze persoonlijke omstandigheden op te vangen, er is niet aangegeven waarom het verweer van [verzoeker] niet steekhoudend is en er is geen onderzoek gedaan ter zake van de aantijgingen en het molest op de werkvloer en ten slotte blijkt uit de ontslagbeschikking niet dat de gevoelens van de procureur-generaal zijn gevraagd en overwogen, terwijl artikel 44 lid 2 van het Politiehandvest nadrukkelijk bepaalt dat alvorens wordt overgegaan tot het opleggen van een tuchtstraf de gevoelens van de procureur-generaal daaromtrent moeten worden meegenomen. De ontslagbeschikking is tevens in strijd met de wet omdat het ontslag in geen enkele evenredigheid staat met het verwijt en de diensttijd van [verzoeker]. Om voormelde redenen komt de ontslagbeschikking voor vernietiging in aanmerking.
3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling
Bevoegdheid
4.1.1 Rechtens staat tussen partijen vast dat [verzoeker] ambtenaar van politie in de zin van artikel 1 van het Politiehandvest is geweest. Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid, de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen –besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:
a. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b. tot verlaging van rang;
c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e. tot schorsing of ontslag.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.
4.1.2 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schade-vergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren.
Op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 Pw is het hof dan ook bevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder a en e gevorderde, respectievelijk de vordering strekkende tot nietigverklaring van het besluit waarbij aan een ambtenaar van politie de tuchtstraf van ontslag is opgelegd, als waarvan hier sprake is, en de vordering tot oplegging van een dwangsom.
Het in 3.1 onder b en c gevorderde, te weten, kort gezegd, de rehabilitatie van [verzoeker] in zijn oude rang en zijn wedertewerkstelling, kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen. Het hof overweegt ten overvloede dat de gevorderde rehabilitatie, indien het hof wel bevoegd zou zijn daarvan kennis te nemen, niet zou kunnen worden toegewezen vanwege de onduidelijkheid van deze vordering. Immers, in geval het hof een besluit tot ontslag van een ambtenaar nietig verklaart, wordt dit ontslag geacht nimmer te zijn verleend en dient betrokkene weer in zijn oude rang. Het hof vermag in een dergelijk geval derhalve niet in te zien welke handeling dan nog van de Staat wordt verwacht.
Het hof begrijpt het in 3.1 onder d gevorderde aldus dat [verzoeker] tevens betaling van (achterstallig) salaris vordert. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit een besluit in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nietig te verklaren ontslagbesluit. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om ook van deze vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2 Ingevolge artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest zijn vorderingen tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van een tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder e tot en met j van voormeld handvest – hieronder valt de tuchtstraf van ontslag – niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat het besluit ter kennis van de gestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen. [verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 07 juni 2013 ontvangen. Nu hij het verzoekschrift op 12 juni 2013 heeft ingediend, derhalve binnen voormelde termijn van een maand, is hij ontvankelijk in het gevorderde in 3.1 onder a en derhalve ook in het gevorderde in 3.1 onder d en e dat als een sequeel daarvan heeft te gelden.
4.3 Het hof volgt [verzoeker] niet in zijn stelling dat het ontslagbesluit op onware feiten berust. [verzoeker] heeft immers toegegeven zich schuldig te hebben gemaakt aan de aan hem verweten en in de ontslagbeschikking vermelde gedraging, te weten: het op 11 mei 2012 afvuren van schoten met zijn dienstvuistvuurwapen op de woning van [naam 1].
4.4 Beoordeeld moet worden of de aan [verzoeker] verweten gedraging ernstig plichtsverzuim oplevert, of dit plichtsverzuim hem kan worden toegerekend en of de opgelegde straf evenredig is te achten aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.
4.5 Naar het oordeel van het hof kon de minister de aan [verzoeker] verweten en in de ontslagbeschikking vermelde gedraging bezwaarlijk anders dan als ernstig plichtsverzuim aanmerken. Met deze gedraging die zo zeer indruist tegen de kerntaak van de politie heeft [verzoeker] ernstig afbreuk gedaan aan de waardigheid van zijn ambt en het aanzien van de politie ernstig geschaad alsmede zich schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, zulks in strijd met artikel 10 van de Instructie Ambtenaren van Politie en de gedragscode voor ambtenaren van politie. Het hof verwerpt derhalve de stelling van [verzoeker] dat het ontslagbesluit een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert.
4.6 Ten aanzien van de vraag of het plichtsverzuim [verzoeker] kan worden toegerekend overweegt het hof als volgt. Vooropgesteld wordt dat bij de vraag of sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim van belang is of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Naar het hof begrijpt betoogt [verzoeker] dat hij tot de aan hem verweten gedraging is overgegaan uit frustratie ter zake van het door hem gestelde seksueel molest zijdens [naam 1] en het nalaten van de korpsleiding om naar aanleiding van de klacht van [verzoeker] hierover, maatregelen tegen [naam 1] te treffen. [verzoeker] verwijst in dit kader naar het door hem in het geding gebrachte psychologisch rapport, opgemaakt door drs. H.E. Essed in opdracht van het openbaar ministerie, waarin ten aanzien van [verzoeker] onder meer het volgende wordt geconcludeerd: “Hij heeft zich danig gefrustreerd gevoeld om tot zulk ondoordacht, agressief en weinig effectief gedrag over te gaan. Van de ervaren politieman mocht een andere wijze van oplossen van zijn probleem verwacht worden. Toch zijn er verzachtende omstandigheden te vinden, in de situatie van onzakelijke en subjectieve gedragsuitingen zijdens zijn meerdere, waaraan hij werd blootgesteld indien zo. Indien schuldig bevonden aan het ten laste gelegde zou dat hem op grond van het bovenstaande mogen in iets verminderde mate mogen worden aangerekend.”
Naar het oordeel van het hof vindt het door [verzoeker] gestelde ten aanzien van het seksueel molest zijdens [naam 1] geen ondersteuning in het politie- noch het procesdossier. Het hof gaat voorbij aan de stelling van [verzoeker] dat de Staat geen onderzoek heeft gedaan naar zijn aantijgingen jegens [naam 1], nu het op de weg van [verzoeker] had gelegen om het bestaan van verzachtende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, hetgeen hij heeft nagelaten. Daarbij komt, naar het oordeel van het hof, dat uit het psychologisch rapport niet is gebleken van een zodanige stoornis als gevolg waarvan [verzoeker] de ontoelaatbaarheid van het afvuren van schoten met zijn dienstvuistvuurwapen op de woning van [naam 1] niet heeft kunnen inzien of niet in staat was overeenkomstig dat inzicht te handelen. Het hof gaat dan ook voorbij aan de conclusie uit het psychologisch rapport dat [verzoeker] in iets verminderde mate toerekenbaar zou zijn. Dit leidt tot de slotsom dat het plichtsverzuim volledig aan [verzoeker] kan worden toegerekend. Hieraan doet niet af dat [verzoeker] ten tijde van de aan hem verweten gedraging in beschonken toestand verkeerde, nu dit op zichzelf geen verontschuldigende factor bij de beoordeling van onder invloed daarvan gepleegd plichtsverzuim vormt.
4.7 Het hof acht het opgelegde strafontslag niet onevenredig aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Het gericht met een vuistvuurwapen schieten op de woning van [naam 1], waarin hij en zijn gezin op het moment van de beschieting aanwezig waren, is immers zo een ernstig vergrijp dat de zwaarste tuchtstraf van ontslag zonder meer gerechtvaardigd is. [verzoeker] mag van geluk spreken dat er geen slachtoffers zijn gevallen. [verzoeker] heeft door zijn handelwijze in ernstige mate inbreuk gemaakt op de integriteit van het korps en het aanzien en de betrouwbaarheid van het korps in de ogen van het publiek in ernstige mate in gevaar gebracht. Het hof kent verder grote betekenis toe aan het feit dat van [verzoeker] als ambtenaar van politie mag worden verwacht dat hij van onbesproken gedrag is. [verzoeker] had als ambtenaar van politie beter moeten weten. Het hof heeft bij zijn oordeel tevens betrokken dat de discipline onder de ambtenaren van politie, zoals [verzoeker], conform artikel 37 lid 1 van het Politiehandvest in militaire trant wordt gehandhaafd. De door [verzoeker] gestelde aanleiding tot de aan hem verweten gedraging, wat overigens daarvan zij, kan niet tot een ander oordeel leiden evenmin als de diensttijd van [verzoeker]. Hij kan in alle redelijkheid niet verlangen dat hij als ambtenaar van politie wordt gehandhaafd.
4.8 Het hof gaat voorbij aan de stelling van [verzoeker] dat hem nooit is meegedeeld dat hij conform artikel 66 Pw is geschorst omdat er termen aanwezig zijn om hem voor te dragen voor ontslag. Deze stelling is immers niet van belang voor de beoordeling of het ontslagbesluit al dan niet nietig verklaard moet worden.
4.9 Aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat in de ontslagbeschikking niet is aangegeven waarom zijn verweer niet steekhoudend is bevonden. Dit kan echter niet leiden tot nietigverklaring van het ontslagbesluit. De minister hoefde, naar het oordeel van het hof, in hetgeen [verzoeker] in zijn mondeling verweer heeft aangevoerd, geen aanleiding te vinden om tot een ander besluit te komen.
Aan [verzoeker] kan tevens worden toegegeven dat de ontslagbeschikking er geen blijk van geeft dat de procureur-generaal conform artikel 44 lid 2 van het Politiehandvest in de gelegenheid is gesteld om zijn gevoelens omtrent een op te leggen tuchtstraf te doen kennen. Hieromtrent wordt als volgt overwogen. De aan [verzoeker] verweten gedraging levert zo ernstig plichtsverzuim op dat de procureur-generaal, naar het oordeel van het hof, niet anders dan tot het ontslag van [verzoeker] zou zijn gekomen. Vorenbedoelde nalatigheid kan in dit specifieke geval derhalve niet tot nietigverklaring van het ontslagbesluit leiden.
4.10 Uit hetgeen in 4.7 is overwogen volgt dat het beroep van [verzoeker] op de onevenredigheid van het ontslag aan het plichtsverzuim, geen doel treft. Van strijd met artikel 79 lid 3 Pw, als waarvan [verzoeker] kennelijk uitgaat, is dan ook geen sprake.
Het beroep van [verzoeker] op het motiveringsbeginsel treft evenmin doel, aangezien de ontslagbeschikking genoegzaam blijk geeft van de aan hem verweten gedraging die aan zijn ontslag ten grondslag is gelegd.
Voor zover [verzoeker] betoogt dat het ontslagbesluit wegens onzorgvuldigheid nietig verklaard moet worden omdat de besluitvorming veel te lang heeft geduurd, volgt het hof hem niet daarin. Immers zijn tussen de dag waarop [verzoeker] ter gelegenheid van het gehouden korpsrapport mondeling verweer heeft gevoerd, zijnde 10 januari 2013, en de dag waarop het ontslagbesluit is genomen, zijnde 11 maart 2013, amper twee maanden verstreken.
4.11 Uit al het voorgaande volgt dat er geen grond is voor nietigverklaring van het ontslagbesluit. Dit leidt tot de slotsom dat het gevorderde in 3.1 onder a zal worden afgewezen.
4.12 Nu het ontslagbesluit in stand blijft, zal het in 3.1 onder d en e gevorderde, dat als een sequeel van het gevorderde in 3.1 onder a heeft te gelden, eveneens als ongegrond worden afgewezen.
4.13 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5.De beslissing
Het hof:
5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder b en c gevorderde.
5.2 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 18 oktober 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.
w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Guman namens advocaat I.D. Kanhai, BSc., gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mevrouw Jules namens mr. A. Autar, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-55

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoeker],
wonende in het [district] ,
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. S.G.R. Khoenkhoen, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Defensie,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. M.E. Danning,
spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1.Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 17 oktober 2012;
  • het verweerschrift met een productie d.d. 14 januari 2013;
  • de beschikking van het hof van 11 februari 2013 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 maart 2013, welk verhoor is verplaatst naar 19 juli 2013;
  • het proces-verbaal van het op 19 juli 2013 gehouden verhoor van partijen;
  • de pleitnota d.d. 17 januari 2014;
  • de antwoord pleitnota d.d. 21 maart 2013 (ten onrechte aangeduid als conclusie van dupliek);
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal waaruit blijkt dat [verzoeker] voor repliek en vervolgens de Staat voor dupliek heeft gepersisteerd.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 november 2014, doch nader op heden.

2.De feiten
2.1 [verzoeker] is in dienst geweest van de Staat in de rang van sergeant eerste klasse.
2.2 Bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 23 juli 2012, Bureau no. PW/no. [nummer 1] (hierna: de ontslagbeschikking) is aan [verzoeker] ingevolge artikel 35 lid 2 van de Wet rechtspositie militairen (WRM) juncto artikel 69 lid 2 sub k van de Personeelswet (Pw), ontslag uit Staats (militaire) dienst verleend wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van zijn verlof buiten bezwaar van den Lande. Daartoe is overwogen:
“- dat aan de sergeant der eerste klasse, in vaste dienst bij het Ministerie van Defensie, tewerkgesteld bij de Landmacht, de heer [verzoeker],(…) te rekenen van 01 april 2005 ingevolge artikel 35 lid 2 van de “Wet Rechtspositie Militairen”, juncto artikel 69 lid 2 sub k van de “Personeelswet”, ontslag is verleend, wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van zijn verlof buitenbezwaar van den Lande;
– dat bij vonnis van het Hof van Justitie van 17 februari 2012 A 767, de ontslagbeschikking van 13 oktober 2005 [nummer 2] van de sergeant der eerste klasse, de heer [verzoeker] nietig is verklaard;
– dat aan deze nietigverklaring ten grondslag ligt dat de heer [verzoeker] niet op rechtens juiste wijze in kennis is gesteld van het besluit van de Minister van Defensie om hem te ontslaan op grond van het niet hervatten van zijn dienst na afloop van zijn verlof buiten bezwaar van den lande en wel op 01 april 2005; en hij niet in de gelegenheid is gesteld zich te verweren voor het niet hervatten van zijn dienst op 01 april 2005;
– dat het salaris zal worden berekend vanaf 11 juni 2008 totdat het dienstverband op rechtsgeldige wijze wordt beëindigd, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 13 juli 2009 tot aan de dag van de daadwerkelijke betaling;
– dat de sergeant der eerste klasse, de heer [verzoeker], bij schrijven van de Onderdirecteur Personeel en Algemeen van het Ministerie van Defensie van 16 mei 2012 alsnog in de gelegenheid werd gesteld zich terzake schriftelijk te verweren;
– dat de heer [verzoeker] zich bij ongedateerd schrijven heeft verweerd, waarbij hij prive-omstandigheden zoals problemen met zijn minderjarige kinderen, het oprichten van een winkel in [plaats] en het hebben van een emotionele band met [plaats] heeft aangehaald als redenen voor het niet hervatten van zijn dienst na afloop van zijn verlof buitenbezwaar van den lande;
– dat deze redenen in het verweerschrift niet steekhoudend zijn bewezen. Dat per brief afkomstig van de Onderdirecteur personeel en Algemeen van 25 mei 2012 betrokkene in kennis is gesteld van de bevindingen en beslissing op zijn verweerschrift;
– dat de heer [verzoeker] door het stellen van zijn privebelang boven het dienstbelang gedurende ruim 3 jaar twijfels heeft doen ontstaan over zijn betrouwbaarheid als militair en wel als onderofficier, terwijl juist de militaire organisatie op de betrouwbaarheid van haar leden moet kunnen rekenen om haar grondwettelijke opgedragen taken te kunnen uitvoeren; met andere woorden betrokkene heeft zich zonder opgaaf van reden en zonder berichtgeving aan de dienst onttrokken van de aan hem opgedragen werkzaamheden;
– dat in verband met het voorgaande, betrokkene ingevolge artikel 35 lid 2 van de “Wet Rechtspositie Militairen”, juncto artikel 69 lid 2 sub k van de “Personeelswet”, uit Staats (militaire) dienst dient te worden ontslaan wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van zijn verlof buitenbezwaar van den Lande.”
2.3 De Staat heeft de ontslagbeschikking bij exploot van deurwaarder L. Tran van Can-Doesburg d.d. 14 augustus 2012, no. K-792, doen betekenen aan [verzoeker] middels afgifte van een afschrift daarvan aan de procureur-generaal.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de ontslagbeschikking zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard, met veroordeling van de Staat tot rehabilitatie van [verzoeker] in de rang waarin hij diende, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag voor iedere dag dat de Staat weigert aan het vonnis uitvoering te geven.
3.2 [verzoeker] heeft, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het ontslagbesluit nietig is omdat de Staat bij het nemen daarvan geen rekening heeft gehouden met de beginselen van behoorlijk bestuur, te weten: het motiverings-, het gelijkheids-, het fair play beginsel, het materiële zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van onderzoek en beslissing in het individuele geval en het proportionaliteitsbeginsel.
3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling
4.1 Blijkens artikel 58 WRM strekt de bevoegdheid van het hof als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken, zoals vastgelegd in de artikelen 79 tot en met 83 Pw, zich mede uit tot militaire ambtenarenzaken. In artikel 79 Pw zijn de vorderingen waarover het hof in eerste en hoogste aanleg bevoegd is te oordelen limitatief weergegeven. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring.
Gelet op het voorgaande is het hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Staat tot beëindiging van het dienstverband met een militaire ambtenaar, waarvan in het onderhavige geval sprake is.
Het hof is op grond van artikel 79 lid 5 Pw niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde. De mede gevorderde rehabilitatie van [verzoeker] in zijn oude rang kan niet worden gecategoriseerd onder vorenbedoelde limitatieve opsomming, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen.
Ten overvloede wordt overwogen dat voormelde vordering tot rehabilitatie, indien het hof wel bevoegd zou zijn daarvan kennis te nemen, niet zou kunnen worden toegewezen vanwege de onduidelijkheid van deze vordering. Immers, in geval het hof een besluit tot ontslag van een landsdienaar nietig verklaart, wordt dit ontslag geacht nimmer te zijn verleend en dient betrokkene weer in zijn oude rang. Het hof vermag in een dergelijk geval derhalve niet in te zien welke handeling dan nog van de Staat wordt verwacht.
4.2 Gelet op de door de Staat erkende stellingen van [verzoeker] staat rechtens tussen partijen vast dat [verzoeker], nadat zijn salaris over de maand augustus 2012 niet was uitbetaald, hierover in contact is getreden met het Ministerie van Defensie en dat hij door dit ministerie is verwezen naar de procureur-generaal, te wiens parket hij de ontslagbeschikking op 24 september 2012 in ontvangst heeft genomen. Door de indiening door [verzoeker] van het inleidend verzoekschrift op 17 oktober 2012 is hij binnen de gestelde wettelijke termijn van een maand opgekomen tegen het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit, zodat hij ontvankelijk is in zijn vordering.

Strijd met het motiveringsbeginsel
4.3 Het beroep van [verzoeker] op dit beginsel faalt. Het door hem gestelde levert geen inbreuk op dit beginsel op. De Staat heeft in de ontslagbeschikking, naar het oordeel van het hof, voldoende gemotiveerd overwogen, kort gezegd, dat [verzoeker] zijn privébelang heeft gesteld boven het dienstbelang en voorts dat hij, door zich zonder opgaaf van reden en zonder berichtgeving aan de dienst te onttrekken, gedurende ruim 3 jaar twijfels heeft doen ontstaan over zijn betrouwbaarheid als militair en wel als onderofficier, terwijl juist de militaire organisatie op de betrouwbaarheid van haar leden moet kunnen rekenen om haar grondwettelijk opgedragen taken te kunnen uitvoeren. In dit licht is het evident dat het dienstbelang door [verzoeker] is geschonden en alleszins begrijpelijk dat de Staat de betrouwbaarheid van [verzoeker] in twijfel heeft getrokken. Aan het door [verzoeker] gedaan bewijsaanbod ter zake van zijn betrouwbaarheid, wordt dan ook als niet ter zake dienend voorbijgegaan. Voorts is de omstandigheid dat [verzoeker] niet wegens desertie strafrechtelijk is vervolgd, zoals gesteld door [verzoeker], niet één die de administatie regardeert.

Strijd met het gelijkheidsbeginsel
4.4.1 [verzoeker] stelt voorts dat de Staat het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door gelijke gevallen niet gelijk te behandelen. Volgens [verzoeker] heeft de Staat hem namelijk ontslagen, terwijl andere militaire ambtenaren aan wie hetzelfde verwijt als hem is gemaakt, niet zijn ontslagen. [verzoeker] verwijst in dit kader naar het geval van de militair [naam 1].
4.4.2 De Staat heeft in zijn verweerschrift betwist in strijd te hebben gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. Hij voert aan niet bekend te zijn met het geval van de militair [naam 1]. Hij voert verder aan dat [verzoeker] er verstandig aan doet het geval van [naam 1] in het geding te brengen, zodat hij, de Staat, maar ook het hof kan oordelen of sprake is van gelijke gevallen die niet op soortgelijke wijze zijn afgehandeld.
4.4.3 In het licht van de betwisting door de Staat had het op de weg van [verzoeker] gelegen om zijn stelling dat de Staat het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden nader te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten. [verzoeker] heeft zich weliswaar bij pleitnota, naast het geval van de militair [naam 1], beroepen op de gevallen van [naam 2], [naam 3], [naam 4] en [naam 5], maar deze gevallen kunnen, anders dan [verzoeker] kennelijk meent, niet geacht worden zijn stelling te onderbouwen. Deze gevallen gaan – aldus [verzoeker] zelf – over militairen die bij strafvonnis zijn veroordeeld wegens het plegen van diverse strafbare feiten, terwijl het bij [verzoeker] erom gaat dat hij is ontslagen wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van verlof. Nu het niet om gelijke gevallen gaat en [verzoeker] geen andere feiten en omstandigheden ter adstructie van zijn stelling heeft aangedragen, moet daaraan als onvoldoende onderbouwd worden voorbijgegaan.

Strijd met het fair play beginsel
4.5.1 [verzoeker] stelt ook dat de Staat in strijd met het fair play beginsel heeft gehandeld en wel op grond van het volgende. De Staat is partijdig en wil [verzoeker] per se ontslaan. [verzoeker] was in 2008 (het hof begrijpt: 2005) reeds ontslagen, welk ontslag hij met succes heeft aangevochten. De Staat heeft hem daarna wederom ontslag verleend wegens hetzelfde eerder aan hem gemaakte verwijt en met toepassing van dezelfde wettelijke bepalingen. Voorts diende de Staat [verzoeker] in kennis te stellen van het ontslagbesluit, zodat [verzoeker] tijdig rechtsmiddelen daartegen kon aanwenden.
4.5.2 De Staat heeft in zijn verweerschrift betwist het fair play beginsel te hebben geschonden. Hij voert aan dat [verzoeker] bij schrijven van 25 mei 2012 in kennis is gesteld van de bevindingen over en de beslissing op zijn verweerschrift en dat [verzoeker], na een onjuist gebleken vaststelling, bij beschikking d.d. 23 juli 2012 is ontslagen. De Staat heeft ook aangevoerd dat op geen enkele wijze is gebleken dat [verzoeker] is gehinderd in het aanwenden van rechtsmiddelen.
4.5.3 Kern van het fair play beginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is, dat een bestuursorgaan de burger de gelegenheid biedt zijn procedurele kansen te benutten en de burger hierin niet op oneerlijke wijze benadeelt. Er moet met andere woorden ‘eerlijk spel’ worden gespeeld. Naar het oordeel van het hof is van strijd met dit beginsel geen sprake. Overwogen wordt dat de Staat, naar zijn gevolmachtigde, majoor Duurham, ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen heeft verklaard, de dienstbetrekking met [verzoeker] middels de bestreden ontslagbeschikking op rechtsgeldige wijze wilde beëindigen, nadat de beschikking d.d. 13 oktober 2005, waarbij [verzoeker] reeds in 2005 ontslag werd verleend, wegens de daaraan klevende gebreken door het hof nietig was verklaard. [verzoeker] is in dit kader in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt. Naar het oordeel van het hof kon de Staat (wederom) tot beëindiging van de dienstbetrekking met [verzoeker] overgaan, nu de grond voor het eerdere ontslag, te weten: het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van verlof buiten bezwaar van den Lande, recht overeind staat. Van de Staat kan immers in alle redelijkheid niet worden verwacht dat hij de dienstbetrekking met [verzoeker] laat voortduren. Voorts is van een belemmering van [verzoeker] om tijdig rechtsmiddelen tegen het ontslagbesluit te kunnen aanwenden, gelet op hetgeen hierboven in 4.2 is overwogen, niet gebleken. Het beroep op voormeld beginsel faalt.

Strijd met het materiële zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van onderzoek en beslissing in het individuele geval.
4.6.1 [verzoeker] stelt dat uit de ontslagbeschikking niet blijkt dat de Staat met zijn persoonlijke omstandigheden rekening heeft gehouden, zodat dit beginsel niet in acht is genomen. Het hof begrijpt uit de stellingen van [verzoeker] dat hij in dit kader (tevens) een beroep doet op artikel 63 lid 4 Pw. [verzoeker] stelt dat de Staat onder meer geen rekening heeft gehouden met de problemen met zijn minderjarige kinderen, die volgens hem mede redengevend zijn geweest voor het zich niet op tijd aanmelden voor de dienst. [verzoeker] stelt voorts dat de Staat voorafgaand aan het aan hem verleend ontslag, niet eens een gesprek heeft gevoerd met zijn kinderen om te weten wat de problemen waren en dat de Staat weigert een sociaal maatschappelijk onderzoek in te stellen naar zijn omstandigheden.
4.6.2 De Staat heeft in zijn verweerschrift betwist in strijd te hebben gehandeld met voormeld beginsel en geen rekening te hebben gehouden met artikel 63 lid 4 Pw. De Staat verwijst in dit kader naar de ontslagbeschikking waarin is overwogen dat [verzoeker] in zijn ongedateerd verweerschrift privéomstandigheden, zoals problemen met zijn minderjarige kinderen, het oprichten van een winkel in [plaats] en het hebben van een emotionele band met [plaats], heeft aangehaald als redenen voor het niet hervatten van zijn dienst na afloop van zijn verlof buiten bezwaar van den lande. De Staat voert aan dat [verzoeker] hiermee heeft aangegeven dat hij zijn privébelangen boven het dienstbelang stelt en dat hij niet de intentie had om zijn diensten te hervatten.
4.6.3 [verzoeker] faalt ook in zijn beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel. Het hof merkt op dat artikel 63 lid 4 Pw toepassing mist, aangezien het hier niet gaat om een tuchtstraf van ontslag wegens plichtsverzuim maar om ontslag dat is verleend anders dan wegens plichtsverzuim. Uit de ontslagbeschikking blijkt dat de Staat, gelijk hij heeft aangevoerd, wel rekening heeft gehouden met de door [verzoeker] vermelde redenen voor het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van zijn verlof, doch dat hij van oordeel is dat deze redenen niet steekhoudend zijn gebleken. Het hof overweegt dat de Staat de door [verzoeker] vermelde redenen heeft kunnen verwerpen, aangezien deze op zichzelf niet meebrengen dat [verzoeker] niet in staat geacht mocht worden zich op tijd aan te melden voor de dienst na afloop van zijn verlof.

Strijd met het proportionaliteitsbeginsel
4.7.1 [verzoeker] stelt, kort gezegd, dat de Staat het proportionaliteitsbeginsel heeft geschonden door hem de zwaarste (tucht)straf van ontslag op te leggen, terwijl de Staat gelet op de vaste jurisprudentie, volgens welke een tuchtrechtelijke sanctie in overeenstemming moet zijn met de ernst van het plichtsverzuim, een lichtere straf diende op te leggen.
4.7.2 Het beroep op dit beginsel faalt. Naar het oordeel van het hof is de aan [verzoeker] verweten gedraging, kort gezegd: het ruim 3 jaren lang niet aan het werk verschijnen na afloop van zijn verlof, zodanig ernstig dat het besluit tot het verlenen van ontslag als uiterste middel gerechtvaardigd is.
4.8 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de grondslag aan het gevorderde is komen te ontvallen, zodat de vordering dient te worden afgewezen.
4.9 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5.De beslissing
Het hof:
5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering tot rehabilitatie van [verzoeker] in de rang waarin hij diende.
5.2 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 7 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat S.M. Ramman, BSc. namens advocaat mr. S.G.R. Khoen Khoen, gemachtigde van verzoeker, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-54

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[appellant a],
[appellant b],
wonende te [plaats 1] in [land],
appellanten, hierna aangeduid als “[appellanten]”,
gemachtigde: mr. R.L. Kensmil, advocaat,

tegen

[geïntimeerde 1],
wonende te [plaats 1],[land],
[geïntimeerde 2],
wonende te [plaats 2],[land],
[geïntimeerde 3],
wonende te [plaats 1],[land],
[geïntimeerde 4],
wonende te [plaats 1],[land],
[geïntimeerde 5],
wonende te [plaats 1],[land],
[geïntimeerde 6],
wonende te [plaats 1],[land],
[geïntimeerde 7],
wonende te [plaats 1],[land], hierna gezamenlijk aangeduid als “[geïntimeerden]”,
[geïntimeerde 8] ,
wonende in het [district],
hierna aangeduid als “[geïntimeerde 8]”,
geïntimeerden,
gemachtigde voor [geïntimeerde 8]: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 14 november 2016 (A.R.No. 12-3949) tussen geïntimeerden als eisers en appellanten als gedaagden,
spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellanten] bij schriftelijke verklaring van hun procesgemachtigde op 22 november 2016 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 2 februari 2018, met een productie;
  • de antwoord pleitnota d.d. 16 maart 2018, met een productie;
  • de repliek pleitnota d.d. 6 april 2018;
  • de dupliek pleitnota d.d. 4 mei 2018.

[geïntimeerden] zijn, ondanks behoorlijke oproeping, in hoger beroep niet ter terechtzitting verschenen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De ontvankelijkheid
2.Partijen waren ter terechtzitting vertegenwoordigd op de dag van de uitspraak van het vonnis in eerste aanleg, d.d. 14 november 2016.
[appellanten] hebben bij schrijven van hun gemachtigde op 22 november 2016 appèl aangetekend.
Gelet op het voorgaande hebben zij tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn is geschied, zodat zij ontvankelijk zijn in het ingesteld hoger beroep.

De feiten
3.1 [appellanten] en [geïntimeerden] zijn de wettige kinderen van [naam 1] en [naam 2].
3.2 [naam 1], hierna aangeduid als “de moeder”, is op 15 augustus 2003 te [plaats1] overleden.
3.3 Mr. Pali Ferencz Wilhelm Sebök, notaris te [plaats 1], heeft in een door hem opgestelde verklaring van erfrecht d.d. 3 december 2003 verklaard dat [appellanten] en [geïntimeerden] gezamenlijk bevoegd zijn om over de goederen van de nalatenschap van de moeder te beschikken.
3.4 De onverdeelde nalatenschap van de moeder bestond uit een zestal in Suriname gelegen percelen waaronder een perceelland groot 4 ha., met de daarop staande gebouwen en beplantingen, gelegen in het [district] aan het [Pad], thans bekend als [adres] en deel uitmakende van het voormalig land van de [plantage] , hierna aangeduid als “het perceel”.
3.5 [geïntimeerden] hebben bij onderhandse overeenkomsten van 18 maart 2012, 29 maart 2012 en 30 maart 2012 verklaard dat zij hun aandeel in het perceel verkopen aan [geïntimeerde 8].

De procedure in eerste aanleg
4.1 [geïntimeerden] en [geïntimeerde 8] hebben in eerste aanleg gevorderd [appellanten] te veroordelen met hen over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van de moeder, van het perceel, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon alles volgens de wet. Bij repliek is gevorderd de eis aan te vullen met een zestal in die conclusie genoemde perceellanden.
4.2 De Kantonrechter heeft in het vonnis van 14 november 2016 [geïntimeerden] niet ontvankelijk verklaard in hun vordering en heeft [appellanten] veroordeelt om binnen een maand na de betekening van het vonnis met [geïntimeerde 8] over te gaan tot scheiding en deling van het perceelland behorende tot de nalatenschap van de moeder, met benoeming van een notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden der scheiding en deling zullen plaatsvinden en onzijdige personen namens partijen.
4.3 De kantonrechter heeft in de beoordeling die heeft geleid tot de beslissing het verweer van [appellanten] dat [geïntimeerde 8] geen erfgenaam is en de door [geïntimeerden] met [geïntimeerde 8] gesloten verkoopovereenkomsten niet rechtsgeldig zijn omdat deze gesloten dienden te worden met medewerking van alle erfgenamen, verworpen. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat [geïntimeerden] partiele scheiding en deling vorderen van de nalatenschap en wel slechts ten aanzien van het perceel. Geoordeeld is dat het ingevolge de Surinaamse rechtspraktijk en jurisprudentie partiele scheiding en deling is toegestaan, alsook de verkoop van de aandelen van een bepaalde tot de nalatenschap behorende zaak, zodat de met [geïntimeerde 8] gesloten overeenkomsten rechtsgeldig zijn en het gevorderde toewijsbaar is.

De vordering, de grieven en het verweer
5.1 [appellanten] concluderen in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van [geïntimeerden] en [geïntimeerde 8] om met hen over te gaan tot de scheiding en deling van alle zes percelen behorend tot de nalatenschap van de moeder, waarbij de overige vorderingen vermeld in eerste aanleg in het petitum worden toegewezen.
5.2 [appellanten] hebben ter onderbouwing van de vordering in hoger beroep gesteld dat zij veroordeeld zijn om met een niet-deelgerechtigde persoon over te gaan tot scheiding en deling van een perceel behorend tot de nalatenschap van de moeder.
Als grief is verder aangevoerd dat de verkoop van de 7/9de onverdeeld aandeel in het perceel is verricht zonder toestemming of medewerking van hen, [appellanten], zodat die verkoop elk rechtsgevolg ontbeert.
Voorts is aangevoerd dat de kantonrechter in eerste aanleg ervan uitgaat dat ingevolge de Surinaamse rechtspraktijk en jurisprudentie zowel partiele scheiding en deling is toegestaan, alsook de verkoop van de aandelen in een bepaalde tot de nalatenschap behorende onroerende zaak, maar dat de rechter geen rechtsbronnen noemt waaruit het een en ander zou blijken. Bestreden is dat zulks het geval is. Tevens is aangevoerd dat rechterlijke beslissingen niet in strijd mogen zijn met het bepaalde in artikel 365 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.).
5.3 [geïntimeerden] hebben verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling
6.1 Het Hof constateert dat [appellanten] zowel vernietiging van het vonnis in eerste aanleg gewezen, vorderen en bij pleitnota een reconventionele vordering instellen.
Artikel 182 lid 2 Rv bepaalt evenwel dat indien in eerste aanleg een eis in reconventie niet is gedaan, dit niet meer mag geschieden in hoger beroep.
Ingevolge artikel 183 Rv. moet de eis in reconventie dadelijk bij het antwoord van de verweerder in conventie worden gedaan.
Nu [appellanten] pas bij pleitnota (in hoger beroep) een eis in reconventie hebben gedaan zijn zij tardief. [appellanten] is derhalve niet ontvankelijk in de reconventionele vordering.
6.2 Het Hof begrijpt uit het verzoekschrift en het petitum dat in het inleidend verzoekschrift scheiding en deling van het perceel is gevorderd.
In artikel 1093 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat niemand verplicht is in een overdeelde boedel te blijven en dat de boedelscheiding te allen tijde kan worden gevorderd. Verkoop van een onverdeeld aandeel in een deel van de totale boedel staat op gespannen voet met dit wetsartikel. Daardoor ontstaan immers meerdere onverdeeldheden, zodat de boedelscheiding voor de deelgerechtigden die niet aan de verkoop hebben meegewerkt, wordt bemoeilijkt. Een dergelijke verkoop is derhalve slechts toegestaan indien de overige deelgerechtigden daarvoor toestemming hebben verleend.
In casu is zulks niet het geval.
[geïntimeerden] hebben hun aandeel in het perceel, dat deel uitmaakt van een grotere boedel, verkocht aan [geïntimeerde 8], zonder dat [appellanten] daartoe hun toestemming hebben verleend. [geïntimeerde 8] heeft derhalve weliswaar een vordering tot levering op [geïntimeerden] , maar [geïntimeerden] kunnen slechts tot levering overgaan indien het perceel aan hen wordt toegewezen. Zulks is evenwel (nog) niet het geval, zodat [geïntimeerde 8] naar het oordeel van het Hof niet ontvankelijk is in de gevorderde scheiding en deling.
Het in eerste aanleg gewezen vonnis kan derhalve geen stand houden en zal worden vernietigd.
6.3 In eerste aanleg hebben [geïntimeerden] bij conclusie van repliek gevorderd het inleidend verzoekschrift aan te vullen met zes tot de boedel behorende percelen.
Nu het petitum niet is aangevuld, en derhalve scheiding en deling is gevorderd van slechts een deel van de nalatenschap van de moeder, is de vordering niet toewijsbaar aangezien [appellanten] als de overige deelgerechtigden, zich tegen de partiële scheiding en deling verzetten.
6.4 [geïntimeerden] en [geïntimeerde 8] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep worden verwezen.

7. De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
7.1 Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 14 november 2016, A.R.No. 12-3949 en opnieuw recht doende:
I. Verklaart [geïntimeerde 8] niet ontvankelijk in zijn vordering.
II. Wijst de vordering van [geïntimeerden] af.
III. Veroordeelt [geïntimeerden] en [geïntimeerde 8] in de kosten aan de zijde van [appellanten] gevallen en tot aan de uitspraak van het vonnis in eerste aanleg begroot op nihil.
7.2 Veroordeelt [geïntimeerden] en [geïntimeerde 8] in de kosten van het geding aan de zijde van [appellanten] in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 610,–.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 18 oktober 2019 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. J.S. Tamsiran namens advocaat mr. R.L. Kensmil, gemachtigde van appellanten en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Guman namens advocaat
mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van geïntimeerden, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-53

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[appellant],
wonende te [district 1],
appellant, eiser in het incident, hierna aangeduid als “[appellant]”,
gemachtigde: mr. A. R. Baarh, advocaat,

tegen

[geïntimeerde 1] ,

[geïntimeerde 2] ,
[geïntimeerde 3] ,
[geïntimeerde 4] ,
[geïntimeerde 5] ,
[geïntimeerde 6] ,
[geïntimeerde 7] ,
[geïntimeerde 8] ,
[geïntimeerde 9] ,
allen wonende te [district 1],
geïntimeerden, gedaagden in het incident, gezamenlijk aangeduid als “[geïntimeerden]”,
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,
gelet op het door het Hof gewezen tussenvonnis van 5 april 2019 inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 13 januari 2009 in de gevoegde zaken bekend onder A.R. no. 06-2490 en A.R. no. 06-3539 tussen [appellant] als eiser en [naam 1] (hierna [naam 1]) als gedaagde .
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het verdere verloop van de procedure in de hoofdzaak
1.1. Het verloop van het geding blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • Voor het procesverloop tot 05 april 2019 wordt verwezen naar het tussenvonnis van die datum;
  • De Pleitnota overgelegd op 18 april 2019;
  • De Antwoordpleitnota overgelegd op 03 mei 2019;
  • Het schrijven van de gemachtigde van appellant d.d. 07 mei 2049, waarin is aangegeven, dat er zijdens appellant geen behoefte bestaat tot het nemen van een conclusie van repliek en waarin ook het verzoek wordt gedaan om vonnis te wijzen in onderhavige zaak;
  • Het schrijven van de gemachtigde van geïntimeerde d.d. 08 mei 2019, waarin is aangegeven, dat geïntimeerde afziet van het nemen van een conclusie van dupliek en waarin ook het verzoek wordt gedaan om vonnis te wijzen in onderhavige zaak;

1.2. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2.De feiten
Als zijnde enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans niet gemotiveerd weersproken dan wel erkend, alsmede op grond van de niet weersproken inhoud van de overgelegde producties, staan de navolgende feiten tussen partijen rechtens vast:
2.1. [naam 1] heeft een onderhandse volmacht doen opmaken, hetwelk ook is gelegaliseerd, daterend 21 november 2002, waarbij [naam 1] last en volmacht heeft gegeven aan [appellant] om voor en namens haar het perceelland, groot vier en veertig hectaren dertig aren en vier centiaren, aangeduid op de kaart van de landmeter J.G. van der Jagt, d.d. 5 november 2002 met de letters c’ GEDMN, gelegen in het [district 2] ten noorden van de [weg] en deel uitmakende van het gedeelte groot eenhonderd vier en vijftig hectaren negen en negentig aren en zes centiaren van de [plantage], te verkopen en in eigendom over te dragen aan de Stichting Pensioenfonds van de Surinaamsche Bank N.V. (hierna: de stichting). Ten aanzien van de koopsom staat -voor zover van belang- het navolgende in de volmacht vermeld:
“(…) voor een koopsom niet minder dan TWEE AMERIKAANSE DOLLARS (US$ 2,-) per vierkante meter, terwijl elk bedrag hierboven ten goede komt van de lasthebber, als commissie, zoals reeds door de lastgever met de gemachtigde was overeengekomen.”
2.2. [appellant] werd voorts ook gemachtigd om een optie tot verkoop aan de stichting aan te bieden voor het perceelland aangrenzend aan bovengenoemd perceel, welk perceelland de grootte had van ongeveer een en veertig hectaren drie en veertig aren en drie centiaren. Voor zover van belang staat het volgende in de volmacht aangegeven:
“(…) Voorts wordt de lasthebber gemachtigd om een optie tot verkoop voor gemeld bedrag per vierkante meter, te verlenen op het aan voormeld perceel aangrenzend perceel aan gemelde Stichting groot ongeveer een en veertig hectaren drie en veertig aren en drie centiaren.”
2.3.[appellant] heeft bij de koopovereenkomst gedateerd 19 december 2002 waarbij het onder 2.1. omschreven perceelland aan de stichting is verkocht, ook de optie tot koop aangeboden aan de stichting voor het aangrenzend perceelland. Dit optierecht was onherroepelijk verleend tot en met 31 mei 2005. In de voormelde koopovereenkomst staat voor zover van belang het volgende weergegeven:
“De verkoper verleent aan de koper het onherroepelijk recht om het hiervoor gemeld deel groot ongeveer een en veertig hectaren drie en veertig aren en dertig centiaren te kopen voor een bedrag van minimaal US $2,85 per vierkante meter welk recht onherroepelijk is tot 31 mei 2005.”
De stichting heeft in haar schrijven d.d. 19 april 2004 aangegeven, gebruik te willen maken van haar optierecht om ook het aangrenzend perceelland te kopen.
2.4 Voorts is in dit hoger beroep, als zijnde door [appellant] met onderbouwing door overlegging van een productie gesteld en door [geïntimeerden](rechtsopvolgers van [naam 1]) erkend, het volgende komende vast te staan.
[appellant] heeft van [naam 1] de opdracht gehad een perceelland voor en namens haar te verkopen. Ter accordering heeft [appellant] een bevestigingsbrief d.d. 25 september 2002 van de gemaakte afspraken naar [naam 1] gestuurd. Voor zover van belang staat het navolgende in deze brief weergegeven:
“Ter bevestiging van uw opdracht tot verkoop van het perceelland groot 85.773 ha., deel uitmakende van de [plantage] in het [district 2], gelegen ten noorden (linkerzijde) van de [weg] op circa 10 kilometer afstand van de brug over de [rivier], u in eigendom toebehorend, doe ik u bijgaande brief ter accordering toekomen.
Ik zal voor uw rekening bovengenoemd perceelland ten verkoop aanbieden voor de verkoopprijs van USD 2 per m2 k.k.
Met u is afgesproken dat in afwijking van het normale honorarium als intermediair de prijs die wordt verkregen boven de USD 2 per m2 als vergoeding voor mijn inzet zal gelden.
Deze verkoopopdracht is geldig tot uiterlijk 31 december 2002.”
Deze brief is voor akkoord ondertekend door [naam 1], [naam 2], [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 8].

De procedure in eerste aanleg
De vordering, grondslag daarvan en het verweer in eerste aanleg
3.1. [appellant] heeft in eerste aanleg bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven – gevorderd [naam 1] te veroordelen, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te betalen de som van USD 354.180,50 (Driehonderd vier en vijftig duizend eenhonderd tachtig 50/100 Amerikaanse Dollars) met de wettelijke rente daarover ad. 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening, met veroordeling van [naam 1] in de kosten van het geding.
3.2. [appellant] legt- voor zover van belang en zakelijk weergegeven – ten grondslag aan zijn vordering, dat [naam 1] jegens hem wanprestatie heeft gepleegd.
3.3. Partijen hebben over en weer verweer gevoerd.
3.4. De Kantonrechter heeft in haar vonnis d.d. 13 januari 2009 in de gevoegde zaken bekend onder A.R. no. 06-2490 en A.R. no. 06-3539, de vordering afgewezen en [appellant] veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Deze beslissing heeft de Kantonrechter – kort gezegd – gebaseerd op het feit dat voor wat betreft de machtiging met betrekking tot de optie tot verkoop van het aangrenzend perceel alleen is gebleken dat [appellant] een koopsom van USD 2,- per m2 mocht bedingen, maar dat het niet is komen vast te staan dat er hier ook sprake was van een commissie die door [appellant] verdiend zou worden bij het bedingen van een hogere koopsom.

De vordering, grieven en het verweer in hoger beroep
4.1 [appellant] verzoekt in hoger beroep om het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 13 januari 2009 in de gevoegde zaken bekend onder de A.R. no.’s 06-2490 en 06-3539 te vernietigen en opnieuw rechtdoende het oorspronkelijk verzoek toe te wijzen.
4.2 [appellant] heeft daartoe een tweetal grieven aangevoerd waarop het Hof in de verdere beoordeling zal ingaan. De grieven kunnen alsvolgt worden samengevat.
Grief 1.
Ten onrechte is de Kantonrechter in het bestreden vonnis er van uit gegaan dat uitsluitend hetgeen in de volmacht tot verkoop de dato 21 november 2002 is verwoord de afspraken tussen [naam 1] en [appellant] behelsde.
De Kantonrechter heeft over het hoofd gezien dat voorafgaand aan de volmacht tot verkoop de dato 21 november 2002 [naam 1] bij schriftelijke overeenkomst de dato 25 september 2002 aan [appellant] de opdracht had gegeven het perceelland groot 85.773 ha, deel uitmakende van de [plantage] in het [district 2], gelegen ten noorden (linkerzijde) van de [weg] op circa 10 kilometer afstand van de brug over de [rivier], aan [naam 1] in eigendom toebehorend, voor rekening van [naam 1] te verkopen en wel voor de verkoopprijs van USD.2,- per m2 k.k.; voorts dat tussen [appellant] en [naam 1] is afgesproken dat in afwijking van het normale honorarium als intermediair de prijs die wordt verkregen boven de USD.2, – per m2 als vergoeding voor de inzet van [appellant] zal gelden en ten slotte dat die verkoopopdracht geldig is tot uiterlijk 31december 2002.
[appellant] heeft verder gesteld dat voor zover de Kantonrechter ervan is uitgegaan dat de volmacht tot verkoop d.d. 21 november 2002 in de plaats is getreden van de overeenkomst d.d. 25 september 2002, dit een onjuist uitgangspunt is daar nergens in de (overeenkomst tot verlening van) volmacht tot verkoop van het onroerend goed d.d. 21 november 2002 is gesteld dat daarmee de overeenkomst d.d. 25 september 2002 is vervallen danwel dat daarvan wordt afgeweken.
Op basis van de volmacht d.d. 21 november 2002 en de overeenkomst d.d. 25 september 2002 staat volgens [appellant] vast dat hij zijn intermediair niet kosteloos verleende. De laatste zinssnede op pagina 1, 5e alinea in de volmacht tot verkoop d.d. 21 november 2002 luidende “zoals reeds door de lasthebber met de gemachtigde was overeengekomen” refereert naar de overeenkomst van 25 september 2002. Daarbij moet volgens [appellant] niet uit het oog worden verloren dat de aan hem gegeven opdracht om 85.773 ha te vervreemden is gerealiseerd in twee fasen.
Grief 2.
Ten onrechte heeft de Kantonrechter geoordeeld dat niet in rechte is komen vast te staan dat [appellant] recht had op een commissie gelijk aan elk bedrag boven de USD. 2, – per m2. Daarbij is de Kantonrechter voorbij gegaan aan het feit dat het intermediair van [appellant] niet pro deo was en heeft de Kantonrechter de wettelijke bepalingen neergelegd in artikel 1814 jo 468 BW eveneens ten onrechte buiten toepassing gelaten.

4.3.[geïntimeerden] heeft de grieven bestreden en verweer gevoerd, erop neerkomende dat de aangevoerde grieven geen stand kunnen houden, omdat er nergens uitdrukkelijk met [appellant] is overeengekomen dat hij aanspraak maakt op een commissie voor de verkoop van het aangrenzend perceelland. Bij de verdere beoordeling zal het Hof voor zover nodig daarop terug komen.

De beoordeling
5.1.Ten aanzien van grief 1:
Zoals in de feiten onder 2.4 weergegeven is in dit hoger beroep tevens komen vast te staan dat voorafgaande aan de volmacht tot verkoop de dato 21 november 2002 [naam 1] bij schriftelijke overeenkomst de dato 25 september 2002 aan [appellant] de opdracht had gegeven het perceelland groot 85.773 ha, deel uitmakende van de [plantage] in het [district 2], gelegen ten noorden (linkerzijde) van de [weg] op circa 10 kilometer afstand van de brug over de [rivier], aan [naam 1] in eigendom toebehorend, voor rekening van [naam 1] te verkopen en wel voor de verkoopprijs van USD.2,- per m2 k.k.; voorts dat tussen [appellant] en [naam 1] is afgesproken dat in afwijking van het normale honorarium als intermediair de prijs die wordt verkregen boven de USD.2,- per m2 als vergoeding voor de inzet van [appellant] zal gelden en ten slotte dat die verkoopopdracht geldig is tot uiterlijk 31 december 2002.
Uit deze overeenkomst blijkt naar het oordeel van het Hof duidelijk dat [naam 1] met [appellant] heeft afgesproken dat aan [appellant] de prijs boven USD.2,- als vergoeding voor de verkoop van het perceelland groot 85.773 ha voor diens werkzaamheden als intermediair dient te worden betaald.
Als zijnde door [naam 1]/ [geïntimeerden] niet weersproken is tevens komen vast te staan dat de verkoop van het perceelland groot 85.773 ha in twee fasen is geschied te weten eerst het deel groot 44,304 ha bij koopovereenkomst d.d. 19 december 2002 en daarna het deel groot ongeveer 41,433 ha naderhand vastgesteld groot 41.469 ha. door aanvaarding van de koopoptie door de stichting bij schrijven d.d. 19 april 2004 (prod. B bij het verzoekschrift van [appellant] in eerste aanleg bekend onder A.R.No. 062490) welk schrijven als volgt luidt:

“Paramaribo, 19 april 2004

De heer [appellant]
[adres]
[district 1]

Gebruik optie aankoop [plantage] 41,469 HA konform koopovereenkomst de dato 19 december 2002

Geachte heer [appellant],

Met referte aan de gesprekken tussen u en onze heer [naam 3] bevestigen wij dat wij gebruik maken van de optie tot koop van het perceelland groot 41.469 HA en deeluitmakende van de [plantage] gelegen in het [district 2] ten Noorden van de [weg].
Deze koop geschiedt onder de voorwaarden zoals die zijn vastgesteld onder het hoofdstuk Optie in onze koopovereenkomst van 19 december 2002:
De grootte van het perceelland bedraagt 41,469 HA
De koopsom is berekend op basis van 39,744 HA voor de prijs van USD.2,85 per m2
Het verschil van 1,7250 Ha is de reservering voor de helft van de aan te leggen weg aan weerszijden van de grenslijn NM- aangeduid op de kaart van landmeter J.G. van der Jagt van 17 februari 2004 – van het voormeld perceelland, met een totale breedte van 15 meters.
De totale koopsom bedraagt USD.1.132.704,00 en zal worden betaald zoals is overeengekomen.
De notariële overdracht van het perceelland vindt plaats na betaling van de koopsom.

Wij danken u voor uw medewerking.

Hoogachtend. Voor akkoord:
Stichting Pensioenfonds van(opm. Hof: voorzien van De Surinaamsche Bank N.V.een onleesbare handtekening)
(Opm. Hof: voorzien van twee onleesbare handtekeningen)De heer [appellant]”

Door het accepteren van de koopoptie is ten aanzien van het deel groot 41,469 ha een koopovereenkomst tot stand gekomen. Uit de bewoordingen van de verkoopdracht d.d. 25 september 2002 zoals weergegeven in 2.4 enerzijds en de hier boven weergegeven koopovereenkomst tussen [naam 1] / [geïntimeerden] en de stichting anderzijds is de verschuldigdheid van [naam 1]/[geïntimeerden] aan [appellant] van de overeengekomen commissie genoegzaam komen vast te staan.
Daaraan doet het verweer van [naam 1]/[geïntimeerden] als zou het perceel in kwestie aan derden zijn verkocht en dat [naam 1]/[geïntimeerden] uit dien hoofde “slechts” het boetebedrag van USD.100.000,- zal verbeuren niet af. Dit boetebeding regardeert immers niet [appellant] als intermediair, doch de koper van het onroerend goed, te weten de stichting, die indien nodig geacht dit beding tegen [naam 1]/[geïntimeerden] kan inroepen.
Voor wat betreft de hoogte van het door [naam 1]/[geïntimeerden] aan [appellant] verschuldigd bedrag wordt het navolgende overwogen. De koopsom van het verkochte deel van het perceelland groot 41,469 ha is berekend op basis van 39,744 ha voor de prijs van USD.2,85 per m2 aangezien tussen partijen (koper en verkoper) is bedongen dat de strook grond bestemd voor het aanleggen van een weg in totaal neerkomende op 1,7250 ha niet zal worden vergoed. De koopsom komt dus neer op USD.1.132.704,-. De prijs per m2 berekend over de oppervlakte van 41,469 ha is USD.1.132.704,- gedeeld door 414690 vierkante meters is USD.2,73144759.
Aan [appellant] is [naam 1]/[geïntimeerden] verschuldigd USD.2,73144759 minus USD.2,- is USD.0,73144759 maal 414690 vierkante meters. Dit komt neer op USD.303.324,-.
Een en ander brengt met zich dat grief 1 doel treft en dat het daartegen gevoerd verweer faalt.
Ten aanzien van grief 2:
Gelet op het feit dat grief 1 doel treft acht het Hof het niet nodig grief 2 aan een bespreking te onderwerpen. Immers is reeds komen vast te staan dat in casu het loon voor de bemiddelingswerkzaamheden uitdrukkelijk is vastgesteld in de verkoopopdracht d.d. 25 september 2002.
5.3 [naam 1]/[geïntimeerden] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis.
5.4 Tevens zullen de gelegde conservatoir derdenbeslagen van waarde worden verklaard nu de beslagformaliteiten in acht zijn genomen
5.5. Op grond van de hiervoren aangehaalde overwegingen, komt het hof tot de conclusie dat het beroepen vonnis van de Kantonrechter moet worden vernietigd en opnieuw rechtdoende zal worden beslist zoals na te melden in het dictum.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
6.1. Vernietigt het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 13 januari 2009 in de gevoegde zaken bekend onder A.R. no. 06-2490 en A.R. no. 06-3539 tussen [appellant] als eiser en [naam 1] als gedaagde, waarvan beroep;
En opnieuw rechtdoende:
6.2. Veroordeelt [geïntimeerden] om aan [appellant] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van USD 303.324,-. (Driehonderddrieduizend drie honderd en vierentwintig Amerikaanse Dollars) vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad. 6% per jaar vanaf 5 juli 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;
6.3 Verklaart van waarde het door deurwaarder D.Hieralal bij exploot d.d. 29 juni 2006 no.269 respectievelijk 30 juni 2006 no.271 gelegd conservatoir derdenbeslag onder mr. Derrick Alexander, notaris, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Prins Hendrikstraat no.32 respectievelijk onder de stichting Pensioenfonds van de Surinaamsche Bank n.v., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de H.A.E. Arronstraat no.26;
6.4.Veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten aan de zijde van [appellant] gevallen in eerste aanleg en in dit hoger beroep en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 800,–;
6.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-president, mr. A. Charan, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-plaatsvervanger en door de Fungerend-president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 5 juli 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtigde van appellant en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van geïntimeerden, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.