SRU-HvJ-2020-18

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[VERZOEKSTER],
wonende in het district Wanica,
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Onderwijs, Volksontwikkeling en Cultuur,
ten rechte geheten het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 25 juli 2018;
  • de beschikking van het hof van 17 december 2018 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 januari 2019;
  • de processen-verbaal van het op 18 januari 2019 gehouden verhoor van partijen en de op 05 april 2019 gehouden voortzetting daarvan;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens [verzoekster] d.d. 17 mei 2019, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties en tot overlegging van relevante stukken zijdens de Staat d.d. 07 juni 2019, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoekster] d.d. 21 juni 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 06 december 2019, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [Verzoekster] is vanaf 01 oktober 1982 in dienst van het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (hierna: het ministerie). Zij is bij beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 23 oktober 2015, no. 18.539/15, te rekenen van 01 oktober 2013 in vaste dienst aangesteld in de functie van directeur VOJ op de MULO-school aan de [weg].

2.2 Het waarnemend hoofd van het Bureau Voortgezet Onderwijs Junioren, mevrouw [wnd. hoofd] (hierna: [wnd. hoofd]) heeft bij schrijven d.d. 21 september 2015, betreffende ‘Ontevredenheidsbetuiging’, aan [verzoekster] bericht dat het ministerie genoodzaakt is haar te muteren. De gronden voor de mutatie zijn in voormeld schrijven opgenomen.

2.3 [Verzoekster] is op 01 oktober 2015 aangesteld als schoolleider op de [school].

2.4 [Wnd. hoofd], thans hoofd van het Bureau Voortgezet Onderwijs Junioren, heeft bij schrijven d.d. 11 april 2017, VOJ/IH-L/JA/2408, betreffende ‘Ontevredenheidsbetuiging’, kort gezegd, aan [verzoekster] bericht dat het ministerie ontevreden is over haar performance als schooldirecteur op de [school].

2.5 Blijkens het mutatieformulier d.d. 14 september 2017, no. 2017, is het besluit genomen om [verzoekster] met ingang van 03 oktober 2017 als Biologie leerkracht te plaatsen op de [VOJ school] te [district] (hierna ook wel genoemd: het mutatiebesluit).

2.6 [Wnd. hoofd] heeft bij schrijven d.d. 14 september 2017, VOJ/IH-L/4862, betreffende ‘Ontevredenheidsbetuiging’, kort gezegd, aan [verzoekster] bericht dat het ministerie genoodzaakt is haar te muteren en dat zij in de functie van leerkracht zal worden gemuteerd. De gronden voor de mutatie zijn in voormeld schrijven opgenomen. [verzoekster] heeft dit schrijven ontvangen op 14 september 2017.

2.7 Bij schrijven d.d. 09 oktober 2017 heeft [verzoekster] aan de directeur van het ministerie onder meer het beroep gedaan het mutatiebesluit in heroverweging te nemen.

2.8 De procesgemachtigde van [verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 12 maart 2018 onder meer het volgende aan de minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (hierna: de minister) bericht:

“Geachte Minister,

Namens mijn cliënte, mevrouw [verzoekster], wens ik het volgende onder uw aandacht te brengen.

Mijn cliënte die werkzaam was als directeur/schoolleider op de [school] heeft in de afgelopen periode haar werkzaamheden stipt uitgevoerd tot een moment dat er tegen haar een hetze c.q. complot werd opgezet onder aanvoering van [mevrouw 1] (intussen gepensioneerde), [mevrouw 2] en [de heer].

Door de 3 (drie) laatst genoemde personen werd haar functioneren op de school ondraaglijk gemaakt en werden derden aangezet tot verzet zodat het functioneren haar onmogelijk werden gemaakt.

Uw ministerie heeft zonder daadwerkelijk hoor en wederhoor een beslissing genomen ten nadele van mijn cliënte en werd zij overgeplaatst naar een andere school als leerkracht, terwijl zij als schoolleider(directeur) functioneerde. De door u genomen beslissing is onterecht c.q. onrechtmatig en in strijd met de wet en wordt als een degradatie ervaren. Door uw beslissing heeft u mijn cliënte geestelijk kapot gemaakt, meer gelet op het feit dat uw beslissing niet gestoeld is op de werkelijke toedracht, waarbij interne controle van uw ministerie geen op- en aanmerkingen heeft gehad omtrent het functioneren van cliënte. De gepleegde handelingen worden met klem ontkend en betwist en naar het rijk der fabelen verwezen. Voorts is uw beslissing niet in overeenstemming met de gepleegde handelingen, voorzover die waar mochten zijn, qoud-non.

Mijn cliënte vraagt van genoegdoening en verzoekt u uw beslissing te herzien, althans terug te draaien en haar terug te brengen in haar oorspronkelijke functie n.l. directeur c.q. schoolleider. Dan maakt het haar niet uit op welke school.

Indien u hieraan geen gevolg geeft, zal ik genoodzaakt zijn namens cliënte rechtsmaatregelen tegen uw Ministerie te treffen.

Voorts deel ik u mede dat bij een eventueel proces alle kosten voor uw rekening zullen worden gebracht.

Hopende dat u het niet over zult laten komen.”

2.9 Op voormeld schrijven van de procesgemachtigde van [verzoekster] noch op diens rappelschrijven d.d. 22 maart 2018, d.d. 10 april 2018 en d.d. 22 mei 2018 is een reactie van de minister gekomen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoekster] vordert, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. de Staat zal worden gelast om onmiddelijk de beslissing d.d. 14 september 2017, waarbij zij is gemuteerd van schoolleider tot leerkracht, te herzien en haar terug te plaatsen in haar oorspronkelijke functie van schoolleider/schoolhoofd, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,- voor elke dag dat de Staat hiermee in gebreke mocht blijven;

B. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding (lees kennelijk: de advocaatkosten) ad SRD 6.000,-, welke als schade kan worden aangemerkt.

[verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven, aan haar vordering ten grondslag gelegd dat het mutatiebesluit onrechtmatig is, omdat dit besluit is genomen in strijd met artikel 25 van de Personeelswet (Pw) en voorts in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van een correcte bejegening.

[verzoekster] stelt voorts dat zij door de handelwijze van de Staat, daaronder begrepen het niet reageren op de brieven genoemd in 2.9, genoodzaakt was om rechtsbijstand in te roepen en dat de Staat gehouden is de kosten daarvan ad SRD 6.000,- aan haar te voldoen.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1 Vaststaat dat [verzoekster] ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. Deze wet is dan ook op haar van toepassing.

Het in 3.1 onder A gevorderde wordt aangemerkt als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald, in casu het verder achterwege laten van het besluit om het mutatiebesluit te herzien en [verzoekster] terug te plaatsen in haar oorspronkelijke functie van schoolleider/schoolhoofd. Het hof acht zich derhalve bevoegd kennis te nemen van dit deel van het gevorderde.

Het hof beschouwt de in 3.1 onder B gevorderde advocaatkosten als schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw. Het hof acht zich bevoegd om ook van dit deel van de vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

4.2 Ingevolge artikel 80 lid 2 sub c Pw zijn vorderingen als bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b en sub c Pw niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 Pw geacht wordt het besluit te hebben genomen. Artikel 78 lid 2 sub b Pw bepaalt dat een orgaan mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek.

Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] haar schriftelijk verzoek tot herziening van het mutatiebesluit op 12 maart 2018 aan de minister heeft doen toekomen. Vaststaat dat de minister nimmer daarop heeft beslist. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 78 lid 2 sub b Pw had de minister de ruimte tot 12 september 2018 om te beslissen op het verzoek van [verzoekster]. Nu de onderhavige vordering is ingesteld op 25 juli 2018, is [verzoekster] dus prematuur daarmee en zou zij dientengevolge in beginsel daarin niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Het hof overweegt echter dat de minister, naar vaststaat, ook gedurende dit geding niet heeft beslist op het verzoek van [verzoekster], zodat ervan wordt uitgegaan dat de minister alsnog een fictief besluit heeft genomen en wel een negatief besluit. Om deze reden acht het hof [verzoekster] wel ontvankelijk in haar vordering. Het aanhangig maken van de vordering betekent immers niet dat de minister niet meer op het verzoek hoefde te beslissen.

4.3 [Verzoekster] komt in dit geding op tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek tot herziening van het mutatiebesluit en tot terug plaatsing in haar oorspronkelijke functie van schoolhoofd.

Als onweersproken is komen vast te staan dat de Staat het besluit tot mutatie van [verzoekster] en wel in de lagere functie van leerkracht – zijnde een voor haar nadelig besluit – heeft genomen zonder het beginsel van hoor en wederhoor in acht te nemen en zonder een onderzoek in te stellen naar de vermeende handelingen van [verzoekster] die aan het mutatiebesluit ten grondslag zijn gelegd.

Reeds op deze gronden acht het hof het mutatiebesluit onrechtmatig. Geconcludeerd wordt dat [verzoekster] gegronde reden had te verzoeken dat het mutatiebesluit werd herzien en dat zij werd terug geplaatst in de functie van schoolhoofd. Naar het oordeel van het hof heeft de Staat, gelet op voormelde omstandigheden, ten onrechte achterwege gelaten om te beslissen zoals door [verzoekster] verzocht.

Overwogen wordt dat de Staat in alle redelijkheid niet tot het mutatiebesluit had kunnen komen, zeker nu de hiervoor genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet in acht zijn genomen bij het nemen van dit besluit, één en ander zoals hiervoor is overwogen. Het in 3.1 onder A gevorderde zal – voor zover [verzoekster] niet reeds met (vervroegd) pensioen is – derhalve worden toegewezen als in het dictum te melden.

Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat [verzoekster]s voorkeur uitgaat naar plaatsing op een school gelegen in Paramaribo Centrum of Paramaribo Zuid dan wel in het district Wanica.

Het hof acht voorts termen aanwezig om de gevorderde dwangsom te mitigeren en te maximeren.

4.4 De mede gevorderde advocaatkosten – die worden aangemerkt als schade – zijn niet weersproken door de Staat, zodat deze zullen worden toegewezen. Immers is komen vast te staan dat [verzoekster] deze kosten heeft moeten maken vanwege het onrechtmatig handelen van de Staat jegens haar.

4.5 De gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis zal worden afgewezen, nu het hof in eerste en hoogste aanleg beslist.

4.6 Ook de gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Veroordeelt de Staat – voor zover [verzoekster] niet reeds met (vervroegd) pensioen is – om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis [verzoekster] feitelijk in te zetten als schoolhoofd op een in Paramaribo of in het district Wanica gelegen VOJ school.

5.2 Veroordeelt de Staat om bij wege van schadevergoeding aan [verzoekster] te betalen de advocaatkosten ad SRD 6.000,- (zesduizend Surinaamse dollar).

5.3 Veroordeelt de Staat om aan [verzoekster] te betalen een dwangsom van SRD 1.000,- (eenduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan de in 5.1 vermelde veroordeling te voldoen, met dien verstande dat boven de som van SRD 100.000,- (eenhonderdduizend Surinaamse dollar) geen dwangsom meer wordt verbeurd.

5.4 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 21 februari 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. S.M.D. Sitaram namens advocaat mr. H.R. Schurman, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. K.S. Jakaoemo namens mr. R. Koendan, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-17

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[VERZOEKER],
wonende te Paramaribo,
verzoeker, hierna aangeduid als [verzoeker]”,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Justitie en Politie,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende op zijn Parket aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. P.J. Campagne, MLS, jurist verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie (hierna: het Hof), op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet (hierna: Pw) als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

    1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof d.d. 20 augustus 2019;

  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift d.d. 30 september 2019;

  • de beschikking gegeven door het Hof op 03 oktober 2019, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift met ingang van 03 oktober 2019 is verlengd met zes weken;

  • het verzoek tot verlenging termijn voor indiening verweerschrift d.d. 12 november 2019;

  • de beschikking gegeven door het Hof op 14 november 2019, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift met ingang van 14 november 2019 voor de laatste maal is verlengd met zes weken;

  • het verweerschrift zijdens de Staat ingediend ter griffie van het Hof op 20 december 2019;

  • de beschikking gegeven door het Hof op 13 mei 2020, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 19 juni 2020;

  • het proces-verbaal van het op 07 augustus 2020 gehouden verhoor van partijen;

  • het proces-verbaal van het op 21 augustus 2020 gehouden voortzetting van het verhoor;

  • de schriftelijke conclusies tot uitlating schikking zijdens partijen;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

  1. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1 [Verzoeker] is ambtenaar in de zin van de Pw en is voor regeling van zijn rechtspositie de Pw en de ter zake uitgevaardigde uitvoeringsvoorschriften op hem van toepassing;

2.2 [Verzoeker] is op 01 oktober 2003 als agent van politie in dienst getreden van het ministerie van Justitie en Politie en wel in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname en is werkzaam op de afdeling Algemene Inlichtingendienst in de rang van agent van politie eerste klasse;

2.3 In de nacht van donderdag 08 maart op vrijdag 09 maart 2018 omstreeks 04.00 uur was [verzoeker] betrokken bij een schietincident aan de [straat 1] te Paramaribo waarbij ene [naam] is geraakt door een kogel uit het dienstwapen van [verzoeker];

2.4 Op 01 februari 2019 is [verzoeker] op korpsrapport verschenen, waarbij hij uitgebreid is verhoord;

2.5 De Commissie van overleg in Politieambtenarenzaken heeft bij schrijven d.d. 11 juni 2019 aangegeven dat de gedragingen van [verzoeker] een ernstig plichtsverzuim opleveren en dat hij correctie behoeft, weshalve zij akkoord gaat met het strafvoorstel van ontslag;

2.6 [Verzoeker] is nimmer buiten functie gesteld en heeft tot op de dag van ontvangst van zijn ontslagbeschikking d.d. 07 augustus 2019 normaal zijn werkzaamheden uitgevoerd op de afdeling Algemene Inlichtingendienst. [Verzoeker] is laatstelijk beoordeeld inzake zijn volgende bevordering en heeft een positieve beoordeling gehad;

2.7 Aan [verzoeker] is bij schrijven d.d. 29 juli 2019 van de minister van Justitie en Politie, welk schrijven [verzoeker] op 07 augustus 2019 heeft ontvangen, ontslag verleend;

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert –zakelijk weergegeven- dat bij vonnis:

  1. De Staat zal worden veroordeeld om binnen 1 (een) week na uitspraak althans binnen een door het Hof in goede justitie te bepalen termijn de ontslagbeschikking d.d. 29 juli 2019 (K.A. [no ]) te vernietigen casu quo in te trekken en het dienstverband met [verzoeker] te herstellen met behoud van rang, salaris en emolumenten;
  2. De Staat zal worden veroordeeld om binnen 1 (een) week na uitspraak althans binnen een door het Hof in goede justitie te bepalen termijn [verzoeker] wederom toe te laten tot de werkvloer teneinde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten;

  3. De Staat zal worden veroordeeld tot een dwangsom van SRD. 5.000,- voor iedere dag dat de Staat nalaat om aan het gevorderde onder sub 1 en 2 te voldoen.

3.2 [Verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. De ontslagbeschikking staat bol van onwaarheden en verdraaide feiten. Deze onwaarheden en verdraaide feiten heeft [verzoeker] nader uiteengezet in zijn verzoekschrift. [Verzoeker] stelt voorts dat hij dan ook niet anders begrijpt dan dat de civiele schadeclaim van [naam] de reden is voor de Staat om [verzoeker] ontslag aan te zeggen, aangezien zulks ook in de overwegingen in de ontslagbeschikking is opgenomen. Dit blijkt onder andere uit het feit dat andere ambtenaren van politie zelfs bij een eventueel foutief optreden waarbij doden te betreuren waren, nimmer zijn ontslagen. Juist heeft de Staat de schade vergoed van de mogelijke slachtoffers in die zaken. Op 13 augustus 2019 heeft een Officier van Justitie nog een gevangenisstraf van twee jaar geheel voorwaardelijk gerekwireerd voor een politieman die wel degelijk gericht heeft geschoten op een vermoedelijke verdachte, terwijl de plaats helder verlicht was en de politie met vier man aanwezig was op de plaats van het delict. Ook deze politieman is nimmer buiten functie gesteld en werkt hij normaal door en is hem zeker geen ontslag aangezegd. [Verzoeker] ziet dan ook schending van het gelijkheidsbeginsel door de Staat die gelijke zaken niet gelijk behandeld. Daarnaast is [verzoeker] nimmer, ten tijde van het indienen van het verzoekschrift reeds 18 maanden na het incident, gedagvaard voor enig strafbaar feit. Indien het handelen van [verzoeker] een dermate ernstig strafbaar feit opleverde casu quo een dermate ernstig plichtsverzuim voorstelde, dat hem daarvoor ontslag is aangezegd, mocht worden verwacht dat hij ten spoedigste gedagvaard zou worden om zich te verantwoorden voor de kantonrechter. Het is evident dat [verzoeker] schrijnend onrecht wordt aangedaan door het handelen van de Staat en dat dit handelen tevens in strijd is met de wet en riekt naar détournement de pouvoir. De Staat handelt in strijd met alle in het rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder met het beginsel van deugdelijke feitelijke grondslag, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel;

3.3 De Staat heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij het verhoor van partijen verweer gevoerd. Het Hof komt – voor zover nodig – daarop terug in de beoordeling;

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar van politie in de zin van artikel 1 van het Politiehandvest is geweest, zodat dit handvest op hem van toepassing is. Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid, de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 Pw acht het Hof zich niet bevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 2 en 3 van het petitum, nu dit deel van de vordering niet betreft een gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een besluit dan wel een vordering tot schadevergoeding of het opleggen van een dwangsom om een besluit uit te voeren. Gelet op het voren overwogene acht het Hof zich wel bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder 1 van het petitum aangezien dat betreft nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst, wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Het Hof vat het gevorderde onder 1 van het petitum aldus op dat [verzoeker] vordert de nietigverklaring van de ontslagbeschikking in stede van veroordeling van de Staat tot vernietiging van de onderhavige ontslagbeschikking casu quo de intrekking daarvan. Immers heeft het debat tussen partijen zich daarop toegespitst en worden partijen hierdoor niet in hun belangen geschaad;

4.2 Het gevorderde onder 2 en 3 van het petitum dat betreft, kort gezegd, veroordeling van de Staat tot wedertewerkstelling van [verzoeker] onder verbeurte van een dwangsom, kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het Hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen;

Ontvankelijkheid

4.3 Ingevolge het bepaalde in artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest zijn vorderingen tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van een tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder e tot en met j van voormeld handvest – hieronder valt de aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf van ontslag -, niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat het besluit ter kennis van de gestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen. Het ontslagbesluit is op 07 augustus 2019 ontvangen door [verzoeker] en [verzoeker] heeft de onderhavige vordering ingesteld op 20 augustus 2019, derhalve binnen de termijn van een maand, zodat hij ontvankelijk is in de onderhavige vordering.

4.4 Waar gaat het in dit geding om ? [Verzoeker] die woonachtig is aan de [straat 2] te [wijk] bemerkte in de vroege ochtenduren van 8 op 9 maart 2018 tussen 02.30 uur en 03.00 uur dat een blauwgelakte auto stopte in de buurt van de auto van zijn buurvrouw die voor haar woning op straat geparkeerd stond. Iemand stapte uit en nam een accu weg uit de auto van zijn buurvrouw en stapte vervolgens weer in de gereedstaande auto waarna die auto wegreed in de richting van [straat 1] op [wijk]. [verzoeker] die de slaap niet kon vatten zat volgens zijn verklaring gekleed in zijn boxershort naar de televisie te kijken. Toen hij de diefstal bemerkte haastte hij zich om zich aan te kleden, zijn dienstwapen te pakken en ging hij vervolgens naar zijn buurvrouw teneinde haar te verwittigen omtrent de door hem geconstateerde diefstal van de accu. Daarna begaf [verzoeker] zich gewapend met zijn dienstwapen in de richting van [straat 1]. [verzoeker] zag aldaar een auto en dacht te doen te hebben met de auto waarin de dader met de gestolen accu was gestapt, zag iemand uit de auto stappen en zag de auto vervolgens terugrijden in zijn richting. In de zegenrijke veronderstelling verkerend dat hij met de daders van de diefstal van de accu te doen had, begaf [verzoeker] zich midden op het wegdek en maande de bestuurder tot stoppen aan. De bestuurder gaf geen gevolg aan de sommatie en reed in op [verzoeker] die genoodzaakt was om opzij te springen en enkele schoten te lossen in de richting van de wegrijdende auto ten gevolge waarvan de bestuurder in zijn rechterborststreek werd geraakt. Voornoemde bestuurder, [naam] genaamd, diende naderhand een schadeclaim in tegen [verzoeker] en de Staat bij de civiele rechter, de Staat gaf [verzoeker] de gelegenheid om zich te verweren en ongeveer achttien maanden na het incident werd [verzoeker] ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim. Tegen dit ontslag komt [verzoeker] op in dit geding;

4.5 De Staat heeft – zakelijk weergegeven – in zijn verweerschrift en bij het gehouden verhoor van partijen het volgende verweer gevoerd. [Verzoeker] had als ambtenaar van politie beter moeten weten en moeten handelen zoals de wet en aanverwante regelingen en dienstvoorschriften voorschrijven. [Verzoeker] heeft voorts niet concreet aangegeven in welke andere zaken de Staat slachtoffers heeft vergoed of een mildere tuchtstraf voor zwaardere vergrijpen heeft opgelegd en dat [verzoeker] nimmer is gedagvaard om zich te verantwoorden voor de strafrechter, is des Openbaar Ministerie en kan de Staat daarover geen uitspraak doen. Nergens in de Personeelswet of het Politie Handvest althans andere aanverwante regelingen wordt het toepassen van ordemaatregelen dwingend voorgeschreven. De Staat heeft beleidsvrijheid voor wat betreft het toepassen van voorlopige maatregelen. [Verzoeker] vertaalt hetgeen door de Commissie van Overleg in Politieambtenarenzaken is gesteld dat [verzoeker] correctie behoeft totaal verkeerd en bestempelt het derhalve onterecht als te zijn een onoverbrugbare contradictie. Een correctie waarbij de lichtste of de zwaarste tuchtstraf wordt opgelegd, blijft een correctie. Uit artikel 12 van het Politiehandvest blijkt wanneer en tegen wie er geweld gebruikt kan worden. Uit het dossier blijkt niet dat het (latere) slachtoffer aan die kwalificatie voldeed;

4.6 In het onderhavig geval dient de vraag te worden beantwoord of [verzoeker] zich al dan niet heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim zoals hem door de Staat wordt verweten en is vervat in de ontslagbeschikking. Naar het oordeel van het Hof levert voormeld handelen van [verzoeker] in de geschetste context geen ernstig plichtsverzuim op. Plichtsverzuim betekent volgens van Dale “Groot woordenboek van de Nederlandse taal” het volgende (citaat): het verzuimen van zijn plicht. Daaronder verstaat het Hof – kort gezegd – het overtreden van opgelegde verplichtingen, het overtreden van een voorschrift en het zich niet als een goed politieambtenaar gedragen. In casu heeft [verzoeker] zich in de visie van het Hof terecht met de zaak bemoeid toen hij de diefstal had opgemerkt. Het zou een ambtenaar van politie niet sieren om na ontdekking van diefstal van een accu op heterdaad, zich passief op te stellen en zich wederom ter ruste te begeven zonder op te treden. Overigens is er niet alleen sprake van heterdaad terwijl het feit gepleegd wordt maar ook kort daarna. Naar het oordeel van het Hof is er in eerste instantie geen sprake geweest van enig plichtsverzuim aan de zijde van [verzoeker]. Het standpunt van de Staat dat [verzoeker] telefonisch contact diende te maken met de politie en de komst van de politie diende af te wachten is in de visie van het Hof van elke realiteitszin ontbloot aangezien het algemeen bekend is dat de daders in die tussentijd al lang weg zouden zijn gegaan. Direct handelen was dus in de visie van het Hof geboden. Daarna is [verzoeker] in burgerkleding met zijn dienstvuistvuurwapen gelopen naar [straat 1] dat aangrenzend is aan de [straat 2] op [wijk]. In de [straat 1] zijnde zag [verzoeker] een voertuig waaruit iemand is uitgestapt en op dat moment onder die omstandigheden, in de vroege ochtenduren met straatverlichting die – naar algemeen bekend wordt verondersteld – kleurschakeringen er anders doet uitzien dan die in werkelijkheid is, heeft [verzoeker] aangenomen dat het om hetzelfde voertuig ging dat bij de diefstal van de accu uit de auto van zijn buurvrouw betrokken was. Toen [verzoeker] merkte dat het voertuig zijn richting op kwam besloot hij met zijn dienstwapen in de hand midden op straat te gaan staan teneinde de bestuurder tot stoppen aan te manen. Tot dusver constateert het Hof geen verkeerde of in strijd met de ambtsinstructie van politie gepleegde handeling zijdens [verzoeker]. De bestuurder van het voertuig negeert echter het stopteken van [verzoeker] en rijdt gewoon door waardoor [verzoeker] genoodzaakt is om opzij te springen en daarbij lost hij kennelijk drie schoten op het voertuig ten gevolge waarvan de bestuurder geraakt wordt. Naderhand blijkt het niet te gaan om het voertuig waarin de daders van de diefstal van de accu zaten maar om feestgangers die afgezet werden aan de [straat 1]. En toen was Leiden (in casu Paramaribo) in last;

4.7 In de nasleep van voormelde feitelijke gebeurtenissen wordt [verzoeker] ontslagen vanwege ernstig plichtsverzuim. In de visie van het Hof heeft [verzoeker] correct gehandeld tot aan het moment waarop hij heeft geschoten op het voertuig nadat de bestuurder daarvan zijn stopteken had genegeerd. De vraag die rijst is dan of op dat moment het schieten door [verzoeker] al dan niet gerechtvaardigd casu quo proportioneel was. En die vraag dient naar het oordeel van het Hof in ontkennende zin te worden beantwoord. Immers geeft artikel 12 van het Politiehandvest expliciet aan wanneer het gebruik van geweld door een ambtenaar van politie geoorloofd is. Daarvan is er in casu naar het oordeel van het Hof geen sprake geweest. Hoewel het Hof begrijpt dat [verzoeker] op dat moment onder de hiervoor geschetste omstandigheden in een bepaalde gemoedstoestand verkeerde, rechtvaardigt dat het schieten op het voertuig niet. Gelet op het voorgaande stelt het Hof vast dat [verzoeker] zich wel heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim;

4.8 Vervolgens komt aan de orde de vraag welke tuchtstraf in casu passend is. Ingevolge het bepaalde in artikel 44 van het Politiehandvest dient er daarbij gelet te worden op de ernst van het plichtsverzuim, de gevolgen van het plichtsverzuim, de omstandigheden waaronder het tuchtrechtelijk te straffen feit is begaan en het algemeen gedrag en de dienstijver van de ambtenaar, alsmede diens persoonlijke en huiselijke omstandigheden. Zoals uit het ingesteld onderzoek is gebleken heeft [verzoeker] eerder geen tuchtstraf opgelegd gekregen. Op grond van de door het Politiehandvest aangereikte criteria stelt het Hof vast dat het in dit geval gaat om plichtsverzuim en niet om ernstig plichtsverzuim. Daarnaast blijkt er, naar het oordeel van het Hof, onvoldoende rekening gehouden te zijn door de Staat met de omstandigheden waaronder het feit is begaan door [verzoeker] alsmede het algemeen gedrag en de dienstijver van [verzoeker] en diens persoonlijke en huiselijke omstandigheden. Door desondanks ernstig plichtsverzuim vast te stellen heeft de Staat zich in de visie van het Hof schuldig gemaakt aan schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten schending van het beginsel van deugdelijke feitelijke grondslag, het vertrouwensbeginsel alsmede schending van het rechtszekerheidsbeginsel zoals [verzoeker] in zijn verzoek terecht heeft aangevoerd. De grondslag van het gevorderde is derhalve in rechte komen vast te staan en zal het gevorderde worden toegewezen in voege als na te melden.;

4.9 Het Hof zal aan [verzoeker] ter zake van het door hem gepleegde plichtsverzuim ingevolge het bepaalde in artikel 82 lid 4 Pw juncto artikel 40 lid 1 onder h van het Politiehandvest en rekening houdend met de ernst van het plichtsverzuim, de gevolgen van dat plichtsverzuim, de omstandigheden waaronder het tuchtrechtelijk te straffen feit is begaan, het algemeen gedrag en dienstijver van [verzoeker] en diens persoonlijke en huiselijke omstandigheden, de tuchtstraf van schorsing voor een tijdvak van een maand met inhouding van bezoldiging opleggen, welke tuchtstraf het Hof passend acht voor het gegeven geval;

4.10 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking;

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van hetgeen [verzoeker] onder 2 en 3 van het petitum heeft gevorderd;

5.2 verklaart nietig het in de ontslagbeschikking van de Minister van Justitie en Politie K.A. [No.] de dato 29 juli 2019, vervatte besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst;

5.3 Legt aan [verzoeker] wegens plichtsverzuim op de tuchtstraf van schorsing voor een tijdvak van een (1) maand met inhouding van bezoldiging;

5.4 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-president voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 04 december 2020, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. S.C. Berenstein BSc.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat mr. Ch. Algoe, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne MLS, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-16

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te Paramaribo,
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
in deze het Ministerie van Justitie en Politie,
ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. K.S. Jakaoemo MICL, beleidsadviseur op het Ministerie van Justitie en Politie en verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het hof) op 11 december 2018;
  • het verweerschrift d.d. 10 januari 2019;
  • de beschikking van het hof van 08 mei 2019, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 juni 2019;
  • het proces-verbaal van het op 07 juni 2019 gehouden verhoor van partijen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 15 november 2019, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [Verzoeker] is als agent van politie 2e klasse in vaste dienst geweest bij het Korps Politie Suriname (KPS) van het Ministerie van Justitie en Politie. Hij was laatstelijk werkzaam bij het Regio Bijstandsteam Midden (hierna: RBT Midden) van het KPS.

2.2 [Verzoeker]heeft een buitenechtelijke relatie met ene [vrouw] (hierna aangeduid als: [vrouw]) gehad. Laatstgenoemde heeft op 26 april 2016 aangifte tegen [verzoeker] gedaan ter zake van mishandeling, bedreiging, belaging en vernieling van haar voertuig.

2.3 [Verzoeker] is bij brief van de waarnemend korpschef van het KPS, de commissaris van politie, A. Chin, d.d. 14 augustus 2017, [K.A.], in gebreke gesteld en in de gelegenheid gesteld zich te verweren ter zake van de aangifte van [vrouw]. Voormelde brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Hierbij wordt het volgende onder uw aandacht gebracht:

Uit de processen-verbaal, vervat in het dossier, voorzien van het [nummer] en K.A. nummer geheim, de dato 26 april 2016, opgemaakt door de majoor van politie Ost, C., van de afdeling Onderzoek Personeels Zaken, blijkt het volgende:

Op dinsdag 26 april 2016, deed [vrouw], aangifte van mishandeling, bedreiging, belaging en vernieling tegen u. U had ongeveer acht jaar geleden een liefdes relatie met [vrouw]. U maakte er een gewoonte (lees: van) om [vrouw] tijdens de relatie te mishandelen en u ging ook vreemd. Die relatie is beëindigd toen uw vrouw, zijnde een van de vrouwen waarmee u vreemd ging zwanger raakte. U trad toen in het huwelijk met uw vrouw. U vroeg [vrouw] nog steeds om een buitenechtelijke relatie, hetgeen zij steeds weigerde. U molesteerde en bedreigde [vrouw] telefonisch. U heeft [vrouw] zelfs ontvoerd bij het Havo scholen complex en trachtte haar eveneens te verkrachten, daarbij heeft u haar voertuig vernield. U heeft [vrouw] meerdere malen met de dood bedreigd. U heeft zelfs uw dienstvuistvuurwapen althans een wapen tegen het hoofd van [vrouw] gedrukt. [Vrouw] heeft zelfs via de rechter een beschermingsbevel tegen u aangevraagd. Ondanks aangifte gedaan door [vrouw] en een bevel van de rechter bent u nog steeds bezig [vrouw] te molesteren, dan wel berichten te sturen via WhatsApp en Facebook.

Uit het volgende blijkt;

  • dat u zich niet heeft gedragen zoals het een goed politieambtenaar betaamt, waardoor u afbreuk doet aan de waardigheid van uw ambt en het aanzien van de politie heeft geschaad;

  • dat u verdacht wordt van mishandeling gepleegd door een ambtenaar; bedreiging van enig misdrijf tegen het leven gericht gepleegd door een ambtenaar; belaging gepleegd door een ambtenaar en vernieling gepleegd door een ambtenaar;

Deze gedragingen van u zijn in strijd met de artikelen 360 jo 67; 345 jo 67; 345b jo 67 en 414 jo 67 van het Wetboek van Strafrecht alsook in strijd met artikel 10 lid 2 sub b zoals aangegeven in de Instructie Ambtenaren van Politie G.B. 1972 nummer 82 en met punt 3 leden 1, 2 en 3 van de Gedragscode voor Politieambtenaren, hetgeen u een ernstig plichtverzuim oplevert.”

2.4 [Verzoeker] heeft bij brief van 23 augustus 2017 verweer gevoerd. Hij heeft tevens mondeling verweer gevoerd ter gelegenheid van het op 26 oktober 2017 gehouden korpsrapport.

2.5 De minister van Justitie en Politie heeft bij beschikking d.d. 26 oktober 2018, Bureau no. J18/03040, K.A. no. 2437/18 (hierna: de ontslagbeschikking), besloten om aan [Verzoeker] wegens lichtverzuim (lees: plichtsverzuim) ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst op te leggen (hierna ook: het ontslagbesluit). Daartoe is het volgende overwogen:

“dat de ambtenaar van politie, [Verzoeker], (…) thans dienende in de rang van agent van politie tweede klasse (hierna te noemen betrokkene) in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname van het ministerie van Justitie en Politie, blijkens het dossier voorzien van het [administratie nummer] van de afdeling Onderzoek Personeelszaken, ervan wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan de stafbare [sic] feiten; mishandeling gepleegd door een ambtenaar; bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht door een ambtenaar; belaging gepleegd door een ambtenaar en vernieling door een ambtenaar, dan wel een plichtverzuim;

dat op dinsdag 26 april 2016, [vrouw], aangifte deed van mishandeling, bedreiging, belaging en vernieling tegen betrokkene;

dat betrokkene een buitenechtelijke relatie op na hield met [vrouw];

dat op een gegeven moment zij besloot om een punt achter die relatie te zetten;

dat [vrouw] steeds weigerde om door te gaan in de relatie, waarna betrokkene besloot om haar telefonisch te molesteren en te bedreigen;

dat betrokkene, [vrouw] zelfs heeft ontvoerd bij het Havo complex en trachtte haar eveneens te verkrachten, daarbij heeft hij haar voertuig ook vernield;

dat betrokkene meerdere malen [vrouw] [sic] heeft bedreigd met zijn dienstvuistvuurwapen, waarbij het wapen tegen haar hoofd gedrukt hield.

dat in het jaar 2013, betrokkene een bromfietser had aangereden, waarbij de bromfietser ten gevolge van de aanrijding zwaar lichamelijk letsel opliep en hij daarvoor één (1) week schorsing opgelegd kreeg.

dat in het jaar 2015, betrokkene een voertuig bestuurde, waarbij hij zodanig onder invloed van alcohol verkeerde, dat hij een stopteken van de dienstdoende agenten, die bezig waren met een verkeersactie negeerde;

dat betrokkene doorreed en moest worden klemgereden. In dat geval overschreed hij de maximum snelheid ter plaatse en werd eveneens een ademanalyse test afgenomen van betrokkene, waaruit bleek dat hij 740 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht had geblazen, terwijl bij wet vanaf 220 microgram strafbaar is gesteld;

dat deze zaak is besproken tussen de PG en KC, waarbij het strafvoorstel voor onthouding van bevordering voor de duur van twee jaren werd voorgesteld;

dat uit het vorenstaande is gebleken dat betrokkene zich meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan ernstige plichtverzuim, dat bij PG/KC overleg van 02 maart 2017 is voorgesteld hem de tuchtstraf van ontslag op te leggen.

dat betrokkene zich niet heeft gedragen zoals van een integere politie ambtenaar verwacht mag worden, waardoor hij afbreuk heeft gedaan aan de waardigheid van zijn ambt;

dat de handelingen en gedragingen gepleegd door betrokkene niet alleen strafbare feiten opleveren, doch ook in strijd zijn met de ambtsinstructies, zoals onder meer vervat in de artikelen 10 lid 2 onder [sic] van de instructie ambtenaren van politie G.B. 1972 no 82 en artikel 3 sub 1; 2 van de gedragscode voor ambtenaren van politie;

dat het voorgaande ernstig plichtsverzuim oplevert voor betrokkene, weshalve hij bij schrijven van de voormalige wnd. korpschef, de commissaris van politie A. Chin. de dato 14 augustus 2017, ter zake in gebreke werd gesteld en in de gelegenheid werd gesteld zich te verweren;

dat deze zaak op 2 maart 2017, alvorens op het korpsrapport te zijn behandeld, door de korpschef is besproken met de procureur-generaal, waarbij werd voorgesteld om betrokkene de tuchtstraf van ontslag op te leggen;

dat betrokkene in zijn mondeling verweer op het gehouden korpsrapport, de dato 26 oktober 2017, het volgende heeft aangegeven: ‘Ik had wel een relatie met [vrouw], maar heb haar nooit geslagen. Uit boosheid had ik delen van haar auto geslagen, maar heb haar daarvoor vergoed’:

dat op grond van het door betrokkene, gepleegd plichtverzuim, de argumenten aangehaald in zijn mondeling verweer op het gehouden korpsrapport de dato 26 oktober 2017, meegenomen het resultaat van het KC/PG overleg d.d. 02 maart 2017, aan betrokkene de tuchtstraf van ontslag dient te worden opgelegd;

dat de Commissie voor overleg in Politieambtenarenzaken bij schrijven d.d. 07 mei 2018 kenmerk Ag OO.no. 013/18, heeft geadviseerd om betrokkene te laten begeleiden door een deskundige om te leren omgaan met zaken in de relationele sfeer. Echter is de minister van Justitie en Politie afgeweken van dit besluit en heeft besloten betrokkene de tuchtstraf van ontslag op te leggen.”

2.6 De ontslagbeschikking is op 13 november 2018 aan [verzoeker] uitgereikt.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis:

  1. de Staat zal worden veroordeeld om binnen 1 (een) week na de uitspraak de ontslagbeschikking te vernietigen c.q. de intrekking daarvan zal worden bevolen en het dienstverband met [verzoeker] zal worden hersteld met behoud van rang, salaris en emolumenten;
  2. de Staat zal worden veroordeeld om binnen 1 (een) week na de uitspraak [verzoeker] wederom toe te laten tot de werkvloer teneinde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten;
  3. de Staat zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 5.000,- voor iedere dag dat de Staat nalaat om aan het gevorderde onder sub 1 en 2 te voldoen.

3.2 [Verzoeker] heeft, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. De feiten waarover [vrouw] (lees in het vervolg: [vrouw]) het in haar aangifte heeft, betreffen zaken die zich vier jaren voorafgaande aan de datum van de aangifte hebben voorgedaan. Op 14 augustus 2017 – zestien maanden later – werd [verzoeker] in gebreke gesteld en verweer aangezegd. [Verzoeker] heeft in zijn verweerschrift d.d. 23 augustus 2017 de beschuldigingen van [vrouw] genoegzaam weerlegd. De afdeling Onderzoek Politiezaken is er abusievelijk van uitgegaan dat er op 10 mei 2016 op verzoek van [vrouw] een beschermingsbevel was uitgevaardigd tegen [verzoeker]. Aangezien [vrouw] haar beschuldigingen op geen enkele wijze kon hard maken, is het gevraagde beschermingsbevel geweigerd. Inmiddels had [vrouw] ook aangegeven haar aangifte te zullen intrekken bij de afdeling Onderzoek Politiezaken. De relatie tussen [vrouw] en [verzoeker] dateert van vóór de indiensttreding van laatstgenoemde bij de Staat en is vrijelijk aangegaan door [vrouw]. [Verzoeker] heeft de afdeling Onderzoek Politiezaken verzocht een uitdraai van zijn mobiele toestel op te vragen, waaruit gelijk duidelijk zou worden hoe vaak [vrouw] hem belt en dat er geen enkele reden voor hem is om haar te bedreigen of telefonisch te molesteren. De afdeling Onderzoek Politiezaken heeft nagelaten dit onderzoek te plegen.

[Verzoeker] gaf op het op 26 oktober 2017 gehouden korpsrapport toe een relatie met [vrouw] te hebben gehad en uit boosheid vernielingen te hebben aangericht aan het voertuig van [vrouw], waarvoor hij haar heeft vergoed. [Verzoeker] ontkende [vrouw] ooit te hebben geslagen. Hij heeft sedert 26 oktober 2017 nooit meer iets over dit onderzoek vernomen en er werden geen sancties tegen hem getroffen.

Uit de ontslagbeschikking blijkt dat er alleen aandacht is besteed aan het mondelinge verweer dat [verzoeker] heeft gevoerd ter gelegenheid van voormeld korpsrapport. Er is totaal geen aandacht besteed aan het uitgebreid schriftelijke verweer van [verzoeker], het feit dat de schade is vergoed en [vrouw] bereid was de zaak in te trekken en dat [vrouw], ondanks daartoe ettelijke malen door de politie te zijn opgebeld, nimmer is verschenen op het confrontatieverhoor dat op aandringen van [verzoeker] is gehouden.

Daarnaast verbaast het [verzoeker] dat er zoveel aandacht wordt besteed aan de aangifte van [vrouw], terwijl hij nimmer ter zake daarvan is gedagvaard, vervolgd of veroordeeld. [Verzoeker] is zelfs nimmer buiten functie gesteld voor dit feit dat thans doorslaggevend is voor zijn ontslag.

Deze zaak is op 02 maart 2017, alvorens op het korpsrapport te zijn behandeld, door de korpschef besproken met de procureur-generaal, waarbij werd voorgesteld om [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag op te leggen. Dit betekent dat alvorens [verzoeker] zich kon verweren, de korpschef en de procureur-generaal al hadden besloten om [verzoeker] voormelde tuchtstraf op te leggen. De beslissing stond reeds vast zonder de zijde van het verhaal van [verzoeker] te vernemen, dus zonder het beginsel van hoor en wederhoor in acht te nemen. [Verzoeker] heeft zonder dat sprake is van strafrechtelijk bewijs, de zwaarste ambtelijke straf opgelegd gekregen.

Het is onbegrijpelijk dat de commissie voor overleg in politieambtenarenzaken op 07 mei 2017 heeft geadviseerd om [verzoeker] te laten begeleiden door een deskundige om te leren omgaan met zaken in de relationele sfeer, terwijl in de ontslagbeschikking is opgenomen dat de minister is afgeweken van dit besluit en heeft besloten om [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag op te leggen. [Verzoeker] is nimmer buiten functie gesteld of geschorst voor welk feit dan ook en hij mocht ervan uitgaan dat gekozen zou worden voor een lichtere tuchtstraf of het seponeren van de zaak, nu vanaf het gebeurde meer dan twee jaren zijn verlopen. De korpschef, de procureur-generaal en de minister waren allen bereid om [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag op te leggen zonder zijn schriftelijk verweer te lezen, zonder aandacht te besteden aan zijn conduitestaat en zonder hem een eerlijke kans te geven. [Verzoeker] heeft tot de dag van ontvangst van de ontslagbeschikking plichtsgetrouw zijn werk verricht bij RBT Midden.

Het is evident dat [verzoeker] een schrijnend onrecht wordt aangedaan door het handelen van de Staat en dat dit handelen in strijd is met de wet en riekt naar détournement de pouvouir.

[Verzoeker] is nimmer formeel middels een beschikking van de minister geschorst geworden, hetgeen tevens in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het rechtszekerheidsbeginsel.

Voormelde handelwijze van de Staat is in strijd met alle beginselen van behoorlijk bestuur, in bijzonder het beginsel van een deugdelijke feitelijke grondslag, het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar van politie in de zin van artikel 1 van het Politiehandvest is geweest, zodat dit handvest op hem van toepassing is. Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid, de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;

c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 Het in 3.1 onder 1 gevorderde strekt tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw juncto artikel 47 lid 3 van het Politiehandvest is het hof bevoegd kennis te nemen van een vordering tot nietigverklaring van een besluit waarbij aan een politieambtenaar een tuchtstraf, anders dan die bedoeld in artikel 40 lid 1 onder a tot en met d van het Politiehandvest, is opgelegd. Nu de aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf van ontslag niet valt onder vorenbedoelde opsomming, is het hof bevoegd kennis te nemen van dit deel van de vordering.

4.1.3 Het in 3.1 onder 2 en 3 gevorderde, kort gezegd, de veroordeling van de Staat tot wedertewerkstelling van [Verzoeker] onder verbeurte van een dwangsom, kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

4.2 Ingevolge artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest zijn vorderingen tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van een tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder e tot en met j van voormeld handvest – hieronder valt de aan [Verzoeker] opgelegde tuchtstraf van ontslag –, niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat het besluit ter kennis van de gestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen. Het ontslagbesluit is op 13 november 2018 ter kennis van [verzoeker] gebracht. Nu [verzoeker] de in 3.1 onder 1 vermelde vordering strekkende tot nietigverklaring van het ontslagbesluit op 11 december 2018 heeft ingesteld, derhalve binnen de termijn van een maand, is hij daarin ontvankelijk.

4.3.1 Naar het hof begrijpt betoogt [verzoeker] dat de Staat ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit onvoldoende bewijsmateriaal in handen had om dit besluit te rechtvaardigen.

Vooropgesteld wordt dat het bij een disciplinair onderzoek niet gaat om de vaststelling van strafbare feiten, maar om de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven. Naar vaste jurisprudentie gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de in het strafrecht van toepassing zijnde zeer strikte bewijsregels. Aan de stelling van [verzoeker] dat strafrechtelijk bewijs ontbreekt, komt derhalve niet de betekenis toe die hij daaraan toegekend wil zien. Vereist is dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat [verzoeker] zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

4.3.2 Het hof constateert dat de Staat het door de politie opgemaakte dossier naar aanleiding van de aangifte van [vrouw] tegen [verzoeker] – met de daarin opgenomen processen-verbaal – niet in het geding heeft gebracht.

Blijkens de ontslagbeschikking wordt [verzoeker] onder meer verweten dat hij vernielingen heeft aangebracht aan het voertuig van [vrouw]. [Verzoeker] heeft zowel bij zijn mondelinge verweer als in zijn verweerschrift d.d. 23 augustus 2017, alsook in het onderhavige geding, toegegeven zich hieraan schuldig te hebben gemaakt.

[Verzoeker] heeft in voormeld verweerschrift, alsook in het onderhavige geding, betwist zich schuldig te hebben gemaakt aan het overige hem verweten gedrag jegens [vrouw]. In het licht van deze betwisting had het op de weg van de Staat gelegen om nadere feiten of omstandigheden aan te dragen ter onderbouwing van zijn stelling dat [verzoeker] zich aan de overige hem verweten gedragingen jegens [vrouw] schuldig heeft gemaakt, hetgeen de Staat heeft nagelaten. Dit leidt tot de slotsom dat niet is komen vast te staan – en de Staat derhalve niet tot de overtuiging kon komen – dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan het overige hem verweten en in de ontslagbeschikking opgenomen gedrag jegens [vrouw]. De gestelde bedreiging (met een dienstvuistvuurwapen), ontvoering, poging tot verkrachting en het telefonisch molesteren van [vrouw] hadden derhalve niet aan het ontslagbesluit ten grondslag mogen worden gelegd.

4.3.3 Vast is komen te staan dat [verzoeker] vernielingen heeft aangebracht aan het voertuig van [vrouw], hetgeen mede aan het ontslagbesluit ten grondslag is gelegd. Het verweer van [verzoeker] dat het ontslagbesluit een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert, faalt derhalve. Dat het overige aan [verzoeker] verweten gedrag niet is komen vast te staan, maakt dit niet anders.

4.4 Naar het oordeel van het hof levert het door [verzoeker] aanbrengen van vernielingen aan het voertuig van [vrouw] plichtsverzuim op. Dit gedrag druist immers in tegen de kerntaak van de politie alsmede de voor politieambtenaren geldende gedragscode. Daaraan doet niet af dat deze gedraging zich in de privésfeer heeft afgespeeld noch dat [verzoeker] [vrouw] voor de schade aan haar voertuig heeft vergoed. [Verzoeker] diende zich immers als politieambtenaar ook in zijn privéleven te onthouden van bedoelde vernielingen. Voorts wordt overwogen dat [verzoeker] begreep althans had kunnen begrijpen dat zijn handelwijze niet door de beugel kon, zodat het plichtsverzuim hem kan worden toegerekend. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel nopen.

4.5.1 [Verzoeker] heeft zich erop beroepen dat hem een te zware tuchtstraf is opgelegd. Dit beroep slaagt. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Het hof stelt voorop dat recidive (herhaling van plichtsverzuim) een rol kan spelen bij de bepaling van de op te leggen straf, maar het gepleegde nieuwe plichtsverzuim wel in een aanvaardbare verhouding moet staan tot deze straf. Kortom, het nieuwe plichtsverzuim dat aanleiding heeft gegeven tot de oplegging van een bepaalde tuchtstraf, moet op zichzelf deze tuchtstraf rechtvaardigen.

Het hof overweegt dat het gepleegde plichtsverzuim, bestaande uit het aanbrengen van vernielingen aan het voertuig van [vrouw], het ontslag van [verzoeker] niet rechtvaardigt. Immers, in de visie van het hof staat dit tuchtontslag, waaraan vergaande gevolgen voor [verzoeker] zijn verbonden, niet in een redelijke verhouding tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan. Reeds op deze grond kan het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit niet in stand blijven.

De overige door [verzoeker] gestelde gronden voor de nietigheid van het ontslagbesluit, één en ander zoals weergegeven in 3.2, kunnen derhalve onbesproken blijven.

4.5.2 Aan het oordeel dat het gepleegd plichtsverzuim het ontslag van [verzoeker] niet rechtvaardigt, doet niet af dat in de ontslagbeschikking tevens is opgenomen het door de Staat gestelde eerdere plichtsverzuim waaraan [verzoeker] zich schuldig zou hebben gemaakt in 2013 en 2015, te weten, kort gezegd, het aanrijden van een bromfietser respectievelijk het rijden onder invloed van alcohol, het negeren van een stopteken van dienstdoende politieagenten en het overschrijden van de toegestane maximumsnelheid.

Voor zover het bedoeling van de Staat is geweest om het door [verzoeker] gepleegde plichtsverzuim, bestaande uit aanbrengen van vernielingen aan het voertuig van [vrouw], aan te grijpen om bovenbedoelde voorvallen uit 2013 en 2015 mede aan het ontslagbesluit ten grondslag te leggen, handelt de Staat in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Immers, de Staat heeft in de visie van het hof met name het recht verspeeld om [verzoeker] thans alsnog te bestraffen voor het in 2015 voorgevallene, nu de Staat – naar gebleken is – zulks toentertijd heeft nagelaten, ondanks blijkens de ontslagbeschikking uit het ter zake gevoerd overleg tussen de korpschef en procureur-generaal het voorstel tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van onthouding van bevordering voor de duur van twee jaren is voortgevloeid.

4.5.3 Uit het in 4.5.1 overwogene volgt dat de in 3.1 onder 1 vermelde vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit, zal worden toegewezen.

4.6 Het hof zal aan [verzoeker] ter zake van het door hem gepleegde plichtsverzuim ingevolge het bepaalde in artikel 82 lid 4 Pw juncto artikel 40 lid 1 onder h van het Politiehandvest de tuchtstraf van schorsing voor een tijdvak van twee weken met inhouding van bezoldiging opleggen, welke tuchtstraf het hof passend acht.

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder 2 en 3 gevorderde.

5.2 Verklaart nietig het in de beschikking van de minister van Justitie en Politie van 26 oktober 2018, Bureau no. J18/03040, K.A. no. 2437/18, vervatte besluit tot oplegging aan [Verzoeker] van de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst.

5.3 Legt aan [verzoeker] wegens plichtsverzuim op de tuchtstraf van schorsing voor een tijdvak van twee weken met inhouding van bezoldiging.

5.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 04 december 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat mr. Ch. Algoe, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne MLS namens mr. K.S. Jakaoemo MICL, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2020-42

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 20-1063
30 juli 2020

Vonnis in kortgeding in de zaak van:

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie], in privé en zijn hoedanigheid als direkteur van [bedrijf],
wonende en gevestigd aan [adres] te [district],
eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: [eiser in conventie, gedaagde in reconventie],
gemachtigde: mr. P. Baldew, advocaat,

tegen

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie], handelende onder de naam [bedrijf 2],
wonende aan [adres 2] te [district],
gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in reconventie],
gemachtigde: mr. I.A. Nazir, advocaat.

1. Het verloop vanhet proces
In conventie en in reconventie
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 23 maart 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die is genomen op 02 april 2020;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met producties;
  • de conclusie van dupliek in conventie en in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en in reconventie
2.1 Op 22 januari 2020 heeft [bedrijf 2], zijnde een rechtspersoon en hierna te noemen de NV, een verzoekschrift bij de kantonrechter ingediend tot verkrijging van toestemming tot het mogen leggen van conservatoir beslag op de roerende goederen van [bedrijf] en derdenbeslag onder 1) de Surinaamsche Bank N.V, Republic Bank (Suriname) N.V. en Hakrinbank N.V. op de gelden van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie], en wel als zekerheid tot betaling van door haar vermeend geleden schade die door haar begroot is op SRD 220.000,-.

2.2 De NV heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat [bedrijf] wanprestatie c.q. een onrechtmatige daad jegens haar pleegt, als gevolg waarvan zij schade ad SRD 173.490,15 lijdt. Daartoe heeft zij onder meer het volgende gesteld:

  • sedert 2010 heeft zij een distributie- en bruikleenovereenkomst met [bedrijf] gesloten, waarbij is overeengekomen dat de NV aan [bedrijf] brandstof en brandstofproducten levert en [bedrijf] uitsluitend bij de NV brandstof en brandstofproducten afneemt;
  • [bedrijf] heeft op 07 oktober 2019 en 14 oktober 2019 op rekening van de NV gekocht diverse brandstof en brandstofproducten voor een totaalbedrag van SRD 150.861,-;
  • [bedrijf] heeft niet voldaan aan haar plicht tot betaling van het hiervoor vermeld bedrag. Dit, ondanks zij daartoe door de NV in gebreke zou zijn gesteld;
  • middels een schrijven d.d. 12 november 2019 heeft de NV, vanwege de tussen haar en [bedrijf] verslechterde verstandhouding, de overeenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd en beëindigd;

2.3 Op 19 februari 2020 heeft de kantonrechter bij beschikking in de zaak bekend het verzoek van de NV , dat onder A.R. No. 20-0246 geregistreerd staat, tot het mogen leggen van het beslag toegestaan.

2.4 De NV heeft nadien bij exploot van deurwaarder,S.W. Niekoop, d.d. 03 maart 2020 no. R. 324, no. R. 325 en R. 326, ten laste van [bedrijf] conservatoir derden beslag gelegd onder respectievelijk De Surinaamsche Bank NV, de Republic Bank Suriname N.V. en de Hakrinbank N.V. op alle gelden, geldswaarden en/of goederen, welke deze instellingen van [bedrijf] onder zich hebben en/of verkrijgen.
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft bij exploot van de hiervoor genoemde deurwaarder d.d. 18 maart 2020 no. 385 revindicatoir beslag en sequestratie doen leggen op de in dit exploot omschreven roerende goederen.

2.5 De NV heeft middels exploot van de deurwaarder, S.W. Niekoop, d.d. 18 maart 2020 no. R. 330, de exploten van de beslagleggingen aan [bedrijf] doen betekenen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie en in reconventie
3.1 In conventie vordert [eiser in conventie, gedaagde inreconventie] dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
a)de gegeven verlofbeschikking d.d. 19 februari 2020 onder A.R. No. 20-0246 opschort, totdat in bodemprocedure anders zal zijn beslist;
b) [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gelast om binnen 1 x 1 uur, althans door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, de goederen zoals vermeld in het exploot van de deurwaarder d.d. 18 maart 2020 onder nummer 385, alsmede de brandstof welke is meegenomen, terug te plaatsen in de oorspronkelijke toestand op het bedrijf van waar die zijn meegenomen en dit onder toezicht van een deskundige van SOL of Go2 en ook de brandweer en NIMOS, met bepaling dat indien [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] geen gevolg zal geven aan de veroordeling een dwangsom zal verbeuren van SRD 10.000.000,- per dag;
c)gelast de opheffing en doorhaling van het gelegd conservatoirderden beslag bij exploot van de deurwaarder S.W. Niekoop d 03 maart 2020 onder de nummers R.324, R.325, R.326 bij de rechtspersonen, te weten: De Surinaamsche Bank N.V., Republic Bank (Suriname) N.V. en de Hakrinbank N.V.;
d) [gedaagde in conventie, eiser in reconventie]veroordeelt tot betaling van de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten alsmede het honorarium van de advocaat ad US$000,-;
e) [gedaagde in conventie, eiser inreconventie] veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] legt aan de gevorderde voorzieningen ten grondslag dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] onrechtmatig jegens hem handelt. Daartoe stelt hij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • de gelegde conservatoir derdenbeslagen onder de banken zijn van rechtswege komen te vervallen, omdat de NV de betekening van deze beslagleggingen binnen 7 dagen aan [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] moest betekenen;
  • in het beslagrekest heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] het mogen leggen van revindicatoir beslag niet gevorderd en evenmin sequestratie, waardoor de tanks en benzinepompen onrechtmatig zijn weggenomen;
  • [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] is het bedrag voor de brandstof en brandstofproducten d.d. 07 oktober 2019 en 14 oktober 2019 niet verschuldigd, omdat het bedrag verrekend moet worden met [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] voor al die jaren dat hij minimaal 30 cent per liter brandstof aan [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] zou moeten geven;
  • als gevolg van deze handelingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] wordt het verder exploiteren van het benzinestation van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] onmogelijk gemaakt.

3.3 [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft in conventie verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

3.4 In reconventie vordert [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a) [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] veroordeelt om aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] te betalen het bedrag van US$500,-,vermeerderd met 8% OB;
b) [eiser in conventie, gedaagde in reconventie]veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.5 In reconventie legt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] aan de gevorderde voorzieningen ten grondslag dat [eiser in cenventie, gedaagde in reconventie] misbruik maakt van procesrecht en aldus onrechtmatig jegens hem handelt. Daartoe voert hij onder meer het volgende aan:

  • [ eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft bewust verkeerde informatie vermeld in zijn verzoekschrift en verkeerde documenten overgelegd;
  • als gevolg van deze handeling heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] schade geleden, zijnde extra kosten die hij heeft moeten maken om zich behoorlijk in de onderhavige zaak te kunnen verweren;
  • [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] is aanspakelijk voor deze schade, welke voorlopig is begroot op US$ 2.500,-, vermeerderd met 8% OB.

3.6 In reconventie heeft [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordelingin conventie en in reconventie
4.1 In conventie

4.1.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde, hetgeen aanleiding geeft om [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] in het kort geding te ontvangen.

4.1.2 [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] werpt op dat [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] bewust zaken door elkaar haalt. In dat licht voert hij het volgende aan:

  • het verzoek tot het leggen van conservatoir derdenbeslag onder de drie bankinstellingen is gedaan door [bedrijf 2] bij de kantonrechter, welk verzoek staat geregistreerd onder A.R. No. 20-0246;
  • het verzoek tot het doen leggen van revindicatoir beslag en sequestratie is gedaan door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] bij de kantonrechter, welk verzoek staat geregistreerd onder A.R No. 19-4924.
    Ter staving van dit verweer beroept [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zich op het door hem ten processe overgelegde beslagrekest dat geregistreerd staat onder A.R. No. 19-4924, waaruit blijkt dat bij beschikking van de kantonrechter d.d. 04 maart 2020 [gedaagde in conventie, eiser in reconventie], zijnde een natuurlijke persoon als deelnemer aan het rechtsverkeer, toestemming heeft verkregen tot het doen leggen van het revindicatoir beslag met sequestratie.

4.1.3 [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] doet in reactie op het verweer van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] het verzoek om ten aanzien van het gelegd conservatoir derdenbeslag [bedrijf 2] als gedaagde sub B toe te voegen in het proces. Tegen dit verzoek heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] als bezwaar geopperd dat het toevoegen van een tweede gedaagde in strijd is met de wet en met behoorlijk procesrecht. De kantonrechter gaat voorbij aan het verzoek van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie], omdat het – zoals [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] terecht opwerpt – niet op de wet is gestoeld en het in strijd is met de beginselen van een goede procesorde. De wet kent wel het instituut van een tussenkomende derdepartij, welke is neergelegd in artikel 214 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, volgens welke bepaling de derde middels een incidentele vordering zelf het verzoek zou moeten doen om zich als derde partij in de hoofdzaak te voegen of er tussen te komen. Niet de procespartij in de hoofdzaak dient daartoe het verzoek te doen.

4.1.4 De kantonrechter constateert op basis van het verweer van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dat [eiser in conventie, gedaagde in reconventie], die wordt bijgestaan door een advocaat, in het verzoekschrift informatie door elkaar heeft gehaald waardoor het verzoekschrift en het petitum niet meer met elkaar stroken en niet meer te volgen zijn. Zo blijkt uit het verweer van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] en de inhoud van de door hem ten processe overgelegde producties dat er wel toestemming is verleend tot het doen leggen van revindicatoir beslag en sequestratie onder A.R. No. 19-4924, doch dat [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] uitgaat van het beslagrekest dat geregistreerd staat onder A.R. No. 20-0264. Het bovenstaande dient naar het oordeel van de kantonrechter als een obscuur libel te worden aangemerkt, [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de gevorderde voorzieningen.

4.1.5 Daar [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] niet ontvankelijk dient te worden verklaard, behoeven de overige stellingen en weren van partijen geen bespreking. Dit, omdat zij tot geen andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.1.6 [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] zal, als de niet ontvangen partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

4.2 In reconventie
4.2.1 De kantonrechter constateert dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft nagelaten te stellen wat het spoedeisend belang van het gevorderde is. Evenmin kan dit uit de gestelde feiten worden afgeleid. Om die reden zal [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, zodat de stellingen en weren in reconventie inhoudelijk geen bespreking behoeven.

4.2.2 [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zal, als de niet ontvangen partij, in de proceskosten worden veroordeeld die aan de zijde van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

5. De beslissingin conventie en in reconventie
De kantonrechter in kortgeding:

5.1 In conventie
5.1.1 Verklaart [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] niet ontvankelijk in de gevorderde voorzieningen.

5.1.2 Veroordeelt [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.2 In reconventie
5.2.1 Verklaart [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] niet ontvankelijk in de gevorderde voorzieningen.

5.2.2 Veroordeelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in de proceskosten aan de zijde van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 30 juli 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-41

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-3082
19 november 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

ENTERTAINMENT GROUP OF THE GUYANA’S NV,
gevestigd aan de Kleine Waterstraat no. 09 te Paramaribo,
eiseres in conventie, tevens gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: de NV,
gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan [adres] te [district]
gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat.

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 14 oktober 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die is genomen op 22 oktober 2020;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van repliek in conventie en dupliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De beoordeling in conventie en in reconventie
2.1 De kantonrechter constateert dat de NV ook opheffing vordert van een conservatoir beslag dat is gelegd op roerende goederen door de deurwaarder, Aniel Sewgobind, bij exploot d.d. 29 september 2020 no. 261. De NV verwijst ter staving van deze stelling naar productie III, welke zij bij het inleidend verzoekschrift heeft overgelegd. Echter blijkt dat productie III wel een exploot met als datum 29 september 2020 behelst, doch is het nummer hiervan 262 en niet nummer 261. Uit de inhoud van dit exploot valt af te leiden dat het een mededeling betreft van de gelegde conservatoir derdenbeslagen onder de bankinstellingen gedaan door [gedaagde] aan de NV en dat het niet betreft enig gelegd conservatoir beslag op roere de goederen.
De kantonrechter heeft bij het omspitten van het hele dossier het exploot betreffende het gelegde conservatoir beslag op roerende goederen niet aangetroffen. Daar dit exploot dient als verificatiemiddel voor de kantonrechter of alle door de NV vermelde gegevens ter zake kloppen, zal de NV in de gelegenheid worden gesteld om het bedoelde exploot alsnog ten processe over te leggen, en wel op de datum zoals hierna in de beslissing vermeld.

2.2 Iedere verdere beslissing in de onderhavige zaak zal worden aangehouden.

3. De beslissingin conventie en in reconventie
De kantonrechter in kort geding:
3.1 Stelt de NV in de gelegenheid om middels het nemen van een akte een fotokopie van het beslagexploot van de deurwaarder Aniel Sewgobind d.d. 29 september 2020, no. 261 alsnog ten processe over te leggen, en we lóf op de rolzitting van donderdag 26 november 2020 om 09.00 uur, zonder uitstel óf middels het deponeren van de akte met productie in een nette enveloppe, in de dropbox van Unit Kort Geding per diezelfde datum tot uiterlijk 13.00 uur, zonder uitstel, met vermelding van Unit Kort Geding, “BIJZONDER SPOED”, het A.R. nummer en naam van de advocaat als verzender op de enveloppe.

3.2 Bepaalt dat, na overlegging van het bedoelde exploot, het vonnis in de onderhavige zaak zal worden gewezen op donderdag 03 december 2020 om 08.30 uur.

3.3 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis in conventie en in reconventie is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 19 november 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr.S.J.S. Bradley, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-40

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-2227
20 augustus 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende aan [adres 1] te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

[gedaagde], moeder voogdes van de minderjarigen: [naam 1], [naam 2] en [naam 3].
wonende aan [adres 2] te [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 20 augustus 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 20 augustus 2020;
  • de aantekeningen van de griffier betreffende hetgeen partijen over weer bij het mondeling afpleiten en ter comparitie van partijen d.d. 20 augustus 2020 hebben aangevoerd.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten
2.1[erflater], hierna te noemen de overledene, is op 11 augustus 2020 op tragische wijze overleden. Eiser is de vader van de overledene.

2.2 De overledene had tot zijn overlijden een concubinaatrelatie met gedaagde. Uit die relatie zijn de kinderen [naam 1], [naam 2] en [naam 3] geboren.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
a) de geplande crematie van de overledene op heden 20 augustus 2020 stopzet, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 50.000,- of een door de kantonrechter in goede justitie te stellen dwangsom indien gedaagde in gebreke blijft uitvoering te geven hieraan;
b) gedaagde gelast het lijk van de overledene af te staan aan eiser, zodat eiser kan overgaan tot crematie volgens Hindoe rituelen bij het crematieoord te Weg naar Zee;
c)gedaagde veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 Eiser legt, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende aan zijn vordering ten grondslag:

  • hij kan zich niet erin terugvinden dat het lijk is afgestaan aan gedaagde;
  • hij en de naaste bloedverwanten hebben geen inspraak gehad bij de voorbereiding van de crematie van de overledene en worden evenmin betrokken bij de crematie, die op heden d.d. 20 augustus 2020 om 17.00 uur plaatsvindt;
  • hij wenst de overledene volgens Hindoe rituelen te cremeren, omdat de overledene het Hindoe geloof beleed;
  • gedaagde is niet met de overledene gehuwd geweest.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4.De beoordeling
4.1 Tijdens het mondeling afpleiten is aan het licht gekomen dat de crematie niet op heden plaatsvindt, zoals door eiser in het inleidend verzoekschrift is vermeld, doch op vrijdag 21 augustus 2020. De kantonrechter zal daarom verstaan dat de datum van de crematie zoals vermeld in het verzoekschrift dient te zijn: “vrijdag 21 augustus 2020”, instede van “heden 20 augustus 2020”.

4.2 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde, zodat eiser is ontvangen in het kort geding.

4.3 Ter comparitie van partijen heeft eiser op heden d.d. 20 augustus 2020 verklaard dat hij en de familie er bezwaar tegen hebben dat gedaagde belast is met de crematie en dat zij tezamen met de kinderen de crematie bijwoont, omdat de overledene niet met gedaagde gehuwd is geweest en hij en de familie niet op goede voet staan met gedaagde en de kinderen van de overledene. De kantonrechter begrijpt eiser zijn gevoelens en gedachtegang, doch leveren die geen rechtvaardigingsgrond op dat gedaagde en de drie kinderen geen bemoeienis met de crematie mogen hebben of de crematie mogen bijwonen. Het is immers gedaagde die 25 jaar lang liefde en leed met de overledene heeft gedeeld, in die zin dat uit die relatie drie kinderen zijn geboren, zij samen met de overledene bleef, voor hem kookte, de was voor hem deed, samen met hem naar het werk ging en voor hem zorgde als hij ziek was. Voorts is het lijk van de overledene door het Openbaar Ministerie aan gedaagde afgestaan en is het gedaagde die alles omtrent de crematie van de overledene zowel in logistieke zin als in financiële zin in orde heeft gemaakt, hetgeen al een indicatie geeft dat gedaagde als de levenspartner van de overledene wordt beschouwd.

4.4In tegenstelling tot wat eiser in het inleidend verzoekschrift heeft gesteld, is ter comparitie van partijen aan het licht gekomen dat ondanks gedaagde en de kinderen het christen geloof belijden, de crematie van de overledene te Weg naar Zee volgens Hindoe rituelen zal plaatsvinden. Dit, omdat het volgens verklaring van [naam 1], zijnde de dochter van de overledene, altijd de wens van de overledene is geweest om te Weg naar Zee volgens Hindoe rituelen te worden gecremeerd.

4.5 Uit hetgeen onder 4.3 en 4.4 is overwogen volgt, dat de gevorderde voorzieningen zullen worden geweigerd. De kantonrechter neemt ook in overweging dat eiser wel zal worden toegestaan om de crematie en rituelen bij te wonen.

4.6 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5.De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
5.1Verstaat dat de crematie op vrijdag 21 augustus 2020 zal plaatsvinden instede van donderdag 20 augustus 2020.

5.2 Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.3 Veroordeelt eiser als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 20 augustus 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2021-1

KANTONGERECHT
Kort geding

A.R. no. 21-0284
11 februari 2021

Vonnis in kort geding in de zaak van

SERGIO FREDERICK DAMIENTO AKIEMBOTO, in persoon en q.q. als lid van
De Nationale Assemblée,
wonende aan [adres],
eiser in kort geding,
hierna te noemen: “Akiemboto”,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk AMLCA, advocaat,

tegen

A. BEE, MARINUS, in de hoedanigheid van voorzitter van De Nationale Assemblée,
wonende aan [adres 2],
hierna te noemen: “Bee”,
B. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
hierna te noemen: “de Staat”,
gemachtigden: mr. M.G.A. Vos en mr. A.E. Veldman, advocaten,
gedaagden in kort geding.

1 Het verloop van de procedure

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:
• het verzoekschrift met producties dat op 04 februari 2021 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
• de conclusie van eis die mondeling is gedaan d.d. 05 februari 2021;
• de conclusies van antwoord met producties en uitlating producties;
• de conclusie van repliek;
• de conclusies van dupliek.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. Akiemboto is op 25 mei 2020 gekozen als lid van De Nationale Assemblée en is na daartoe te hebben bewilligd op 29 juni 2020 toegelaten als lid van De Nationale Assemblée.

2.2. Bij schrijven gedateerd 05 januari 2020 (lees: 2021) van Akiemboto gericht aan de President van de Republiek Suriname Zijne Excellentie Ch. Santokhi staat:
“(…)
Betreft : opzegging DNA- lidmaatschap

Zijne Excellentie,

Middels dit schrijven deel ik u mede, heden, op grond van de artikelen 68 lid 1 sub b van de Grondwet van de Republiek Suriname, 137 lid 2 en 141 lid 2 van de Kiesregeling mijn DNA- lidmaatschap opzeg. De redenen moeten worden gezocht in de maatschappelijke sfeer. Onder dankzegging verzoek ik u de nodige handelingen te doen uitvoeren.(…)”

2.3. Akiemboto heeft een exemplaar van bovenvermelde brief op 06 januari 2021 aan De Nationale Assemblée doen toekomen, welke geagendeerd is onder het no. 04/21.

2.4. Bij schrijven gedateerd 21 januari 2021 van Akiemboto gericht aan de President van de Republiek Suriname Zijne Excellentie Ch. Santokhi staat:
“(…)
Betreft : intrekking brief opzegging DNA- lidmaatschap

Zijne Excellentie,
Na ampele overwegingen, ingegeven door mijn respect voor het oproep van het traditioneel gezag, de achterban en enkele ondersteunende maatschappelijke groeperingen, verzoek ik u beleefd mijn eerder schrijven de dato 5 januari 2020 (lees: 2021) betreffende opzegging DNA- lidmaatschap als niet verzonden te beschouwen. Ik zal mijn termijn als gekozen DNA lid namens het district Brokopondo afmaken.(…)”

2.5. Bij schrijven gedateerd 21 januari 2021 van de President van de Republiek Suriname Zijne Excellentie Ch. Santokhi gericht aan de Voorzitter van De Nationale Assemblée staat:
“(…)
Geachte Voorzitter,
Bijgaand zenden wij u het schrijven dat wij van de heer S.F.D. Akiemboto ontvingen gedateerd 5 januari 2020 alsmede zijn schrijven naar ons gedateerd 21 januari 2021 waarin hij ons verzoekt om “zijn schrijven de dato 5 januari 2020 als niet verzonden te beschouwen.
Aangezien de heer Akiemboto per datum 5 januari 2020 (in beide schrijven genoemd) geen lid was van De Nationale Assemblée, kunnen wij geen rechtsgevolgen verbinden aan het schrijven d.d. 5 januari 2020.
Wij verzoeken u voorts de behandeling van beide schrijven integraal over te nemen.
Uw te nemen besluit terzake zien wij per ommegaande tegemoet.(…)”

2.6. Bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie N.M. Linger de dato01 februari 2021 no. 30 is aan De Nationale Assemblée t.a.v. Voorzitter Marinus Mee MSc. LL.B betekend een schrijven van Akiemboto gedateerd 01 februari 2021 waarin staat: “(…)
Betreft : Kennisgeving van aanwezigheid van Dhr. S.F.D. Akiemboto op
02 februari 2021

Paramaribo, 01 februari 2021

Geachte Voorzitter,
In navolging van mijn verzoek van 5 januari 2021 en mijn intrekkingsbrief van 21 januari 2021, zijn de procedures, zoals vastgelegd in artikel 68 van de Grondwet en de wet van 2016, houdende regels voor het beeindigen van het lidmaatschap van De Nationale Assemblée, niet ingezet.
Dit maakt dat ik derhalve nog lid ben van De Nationale Assemblée.

Via mijn fractie van de NDP heb ik vernomen dat er op dinsdag 02 februari 2021 een huishoudelijke vergadering wordt gehouden in het Parlement.
Het is opgevallen dat ik niet ben uitgenodigd voor de huishoudelijke vergadering van 2 februari 2021. Ook blijk ik op 28 en 29 januari 2021, onrechtmatig te zijn verwijderd uit de share folders waar elk DNA lid toegang tot heeft.
Ik stel u middels deze brief op de hoogte dat ik aanwezig zal zijn om de vergaderingen bij te wonen om mijn parlementair werk te kunnen voortzetten. U wordt tevens gevraagd mij per heden wederom toegang te verschaffen tot het systeem zodat ik mijn taken op de normale wijze kan functioneren.(…)”

2.7. Bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie L. Tran Van Can-Doesburg de dato 02 februari 2021 no. T-17 is aan Akiemboto betekend een schrijven van Bee gedateerd 02 februari 2021 waarin staat:
Uw onderwerp: Kennisgeving van aanwezigheid van Dhr. S.F.D. Akiemboto op
02 februari 2021

Geachte heer Akiemboto,
Uw schrijven d.d. 01 februari j.l. met bovenvermeld onderwerp is in goede orde ontvangen.
In reactie daarop deel ik u mede dat slechts personen die voor de huishoudelijke vergadering van heden zijn geconvoceerd tot de vergadering cq vergaderzaal toegelaten zullen worden alsmede het ondersteunend personeel van De Nationale Assemblée.
Alle overige personen zullen de toegang tot de vergaderzaal worden ontzegd. (…)”

2.8. Bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie N.M. Linger de dato 03 februari 2021 no. 024 is aan De Nationale Assemblée en de Voorzitter van De Nationale Assemblée betekend een schrijven van de gemachtigde van Akiemboto gedateerd 03 februari 2021 waarin staat: “(…)
Betreft : Kennisgeving van aanwezigheid van Dhr. S.F.D. Akiemboto op
02 februari 2021

Paramaribo, 03 februari 2021

Betreft: onmiddellijke toegang tot DNA en betaling schadeloosstelling inzake Akiemboto ca De Staat Suriname, meer specifiek DNA e.a,
(…)
Geachte Voorzitter,
In opdracht van mijn client, de heer drs. Sergio Frederick Damiento Akiemboto MBA, lid van De Nationale Assemblée bericht ik u en uw geacht college als volgt.
Op 2 februari 2021 is gebleken dat u client heeft geweerd om deel te nemen aan de vandaag geplande en gehouden huishoudelijke vergadering van De Nationale Assemblée. Bij schrijven d.d 1 februari 2021 heeft client u al als voorzitter van De Nationale Assemblée geinformeerd dat het hem is opgevallen dat hij geen convocatie voor de vandaag gehouden huishoudelijke vergadering heeft mogen ontvangen en dat hem eveneens is gebleken dat hij op 28 en 29 januari 2021 ten onrechte verwijderd is uit het digitaal systeem en geen toegang heeft tot het webportaal van De Nationale Assemblée en dat hij daardoor geen toegang meer heeft tot de shared folders, waar elk lid van De Nationale Assemblée toegang tot zou moeten hebben om hun werkzaamheden naar behoren uit te voeren.
Eveneens in dit schrijven heeft client u op de hoogte gesteld dat hij wel aanwezig zal zijn op de vergaderingen welke De Nationale Assemblée zal houden, teneinde zijn werkzaamheden als volsvertegenwoordiger voort te kunnen zetten. U bent verzocht het daarheen te leiden om per 1 februari client wederom toegang te verschaffen tot het digitaal systeem, zodat hij zijn taken op normale wijze zou kunnen voortzetten. Desalnietemin, heeft u deze gerechtvaardigde verzoeken van client naast u neergelegd en heeft u client geweerd om deel te nemen aan voornoemde vergadering en zelfs gepoogd om met hulp van de sterke arm client ten onrechte de toegang tot De Nationale Assemblée te ontzeggen.
Terwijl client aanwezig was in het gebouw van De Nationale Assemblée kreeg client het bericht van zijn echtgenoot dat u per deurwaardersexploot nummer T-17 (…)een schrijven betekent heeft, waarin u client heeft geinformeerd dat slechts personen die voor de huishoudelijke vergadering zijn geconvoceerd tot de vergadering toegelaten zullen worden alsmede het ondersteund personeel en dat alle overige personen de toegang tot de vergaderzaal zullen worden ontzegd
Bij aanvang van de huishoudelijke vergadering heeft u de vergadering geschorst en client erop geattendeerd dat hij de vergaderzaal zou moeten verlaten.
Vervolgens heeft client u gevraagd wat de reden hiertoe zou zijn en heeft u hem geinformeerd dat zulks zou betreffen de verschillende brieven die door client eerder verzonden zouden zijn. Het is client eveneens gebleken dat in tegenstelling tot de andere leden van De Nationale Assemblée, hij over januari 2021 geen schadeloosstelling heeft mogen ontvangen.
Het weren van client tot De Nationale Assemblée, het blokkeren van de toegang tot het systeem van De Nationale Assemblée alsook het stopzetten van de uitbetaling van de schadeloosstelling van client wordt door client als onrechtmatig en als zeer schade berokkenend ervaren. U heeft verwezen naar de eerdere brieven die client verzonden zou hebben.
Zoals u bekend heeft client op 5 januari 2020 (2020 is een verschrijving, doch is dit schrijven verzonden en afgegeven op 5 januari 2021) een schrijven verzonden waarin hij zijn ontslag zou hebben aangeboden aan de President van de Republiek Suriname, Zijne Excellentie dhr. Chandrikapersad Santokhi, conform artikel 68 van de Grondwet jo artikel 141 van de Kiesregeling. Op 21 januari 2021 heeft client dit eerder genoemd schrijven uitdrukkelijk ingetrokken wederom middels een brief gericht aan de President van de Republiek Suriname. Blijkens artikel 141 van de Kiesregeling is de ontslagprocedure niet voltooid doordat de President van de Republiek Suriname de ontslagbrief van client voor de ontvangst van de intrekkingsbrief had moeten doorgeleiden naar de voorzitter van De Nationale Assemblée. Hetgeen niet gebeurd is.
Weshalve, dat client de ontslagbrief had verzonden naar de President van de Republiek Suriname d.d. 21 januari 2021 deze rechtsgeldig ingetrokken is geworden en als niet verzonden beschouwd diende te worden. Het juridisch gevolg hiervan is dat client nog steeds lid is van De Nationale Assemblée en derhalve ook als zodanig geaccomodeerd en behandeld dient te worden. Bovendien heeft de President van de Republiek Suriname bij schrijven d.d. 21 januari 2021aangegeven dat hij geen rechtsgevolgen verbindt aan de eerste brief afkomstig van client.
In een vraaggesprek met ABC radiostation d.d. 27 januari 2021 heeft u in uw hoedanigheid van voorzitter van De Nationale Assemblée uitdrukkelijk aangegeven dat u reeds gesprekken heeft gevoerd met een mogelijke opvolger van client ter voorbereiding van de werkzaamheden die zij mogelijk zou moeten gaan uitvoeren. Hetgeen niet alleen als zeer prematuur, maar ook als hoogst onbehoorlijk wordt gekwalificeerd aangezien er geen vacature is ontstaan en alleen nadat CHS zulks heeft gevalideerd vastgesteld kan worden wie eventueel als opvolger kan worden gezien bij het openvallen van een plaats in een volksvertegenwoordigend lichaam van Suriname. Het is evident dat u een zeer ernstige onrechtmatige daad pleegt niet alleen jegens client, maar ook aan alle kiezers die client hebben gekozen om zitting te nemen in De Nationale Assemblée. Conform het geldend recht bent u als ook
De Nationale Assemblée hiervoor volledig aansprakelijk.
Gelet op het voorgaande wordt u thans uitdrukkelijk in gebreke gesteld en gesommeerd om binnen een uur na ontvangst van dit exploot, client wederom
toegang te verschaffen tot alle ruimtes van De Nationale Assemblée en het webportaal en alle andere digitale systemen.
Voorts client op gelijke wijze als alle andere leden van De Nationale Assemblée te behandelen en te accomoderen inbegrepen hem uit te nodigen voor alle komende vergaderingen en bijeenkomsten van De Nationale Assemblée. Verder hem zijn schadeloosstelling over januari 2021 volledig uit te betalen.
Voor zover u danwel De Nationale Assemblée nalatig mochten blijven om binnen de aangegeven termijn gevolg te geven aan deze sommatie zal client onverwijld alle hem ten dienste staande rechtsmiddelen aanwenden om zijn recht te vinden en de door hem geleden schade te mitigeren. (…)”

3 De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1. Akiemboto vordert bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle uren en alle dagen :
1. Bee en de Staat te gebieden om Akiemboto onmiddellijk na de ten deze te houden uitspraak danwel een door de kantonrechter te bepalen termijn totdat op rechtsgeldige wijze het lidmaatschap van Akiemboto tot De Nationale Assemblée zal zijn beeindigd, toegang te verschaffen tot het gebouw en alle bijbehorende ruimtes van De Nationale Assemblée, welke toegankelijk behoren te zijn voor alle leden van De Nationale Assemblée en het webportaal en alle andere digitale systemen van
De Nationale Assemblée, waar Akiemboto voorafgaand aan de blokkering reeds toegang tot had, op straffe van een dwangsom van SRD 500.000,– voor elke dag of keer dat Bee en de Staat weigeren mochten danwel nalatig blijven gevolg te geven aan dit gebod.

2. Bee en de Staat te verbieden om Akiemboto wederom de toegang tot de gebouwen en bijbehorende ruimtes van De Nationale Assembléete ontzeggen en te verbieden om Akiemboto wederom te blokkeren van toegang tot het webportaal en alle andere digitale systemen van De Nationale Assemblée, totdat op rechtsgeldige wijze het lidmaatschap van Akiemboto tot De Nationale Assemblée zal zijn beeindigd, op straffe van een dwangsom van SRD 500.000,– voor elke dag of keer dat Bee en de Staat in strijd met dit verbod mochten handelen.

3. Bee en de Staat te veroordelen om onmiddellijk na de ten deze te houden uitspraak danwel binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, alle activiteiten, welke ondernomen zijn of worden om tot invulling van een vacature over te gaan te stoppen, totdat op rechtsgeldige wijze het lidmaatschap van Akiemboto tot De Nationale Assemblée zal zijn beeindigd c.q. totdat in rechte een definitieve voorziening zal zijn gewezen, zulks op straffe van een dwangsom van SRD 100.000,– voor elk uur dat Bee en de Staat nalatig dan wel weigerachtig mochten blijven gevolg te geven aan deze veroordeling.

4. Bee te veroordelen om onmiddellijk na de ten deze te houden uitspraak althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn ertoe over te gaan om Akiemboto te convoceren voor alle geplande vergaderingen, bijeenkomsten en andere activiteiten, waartoe hij wel uitgenodigd zou zijn indien Bee en de Staat zijn lidmaatschap van De Nationale Assemblée als niet beeindigd hadden beschouwd, zulks op straffe van een dwangsom van SRD 500.000,– voor elke dag of keer dat Bee mocht weigeren dan wel nalatig blijft gevolg te geven aan deze veroordeling.

5. Bee en de Staat te veroordelen om binnen 1 dag na de ten deze te houden uitspraak danwel binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn over te gaan tot uitbetaling aan Akiemboto van de schadeloosstelling en alle bijbehorende emolumenten over de maand januari 2021.

6. Bee en de Staat te veroordelen om de stopzetting van de uitbetaling van de schadeloosstelling en alle bijbehorende emolumenten aan Akiemboto onmiddellijk na de ten deze te houden uitspraak althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn op te heffen totdat op rechtsgeldige wijze het lidmaatschap van Akiemboto tot De Nationale Assemblée zal zijn beeindigd zulks op straffe van een dwangsom van SRD 500.000,– voor elke dag of keer dat Bee en de Staat weigeren mochten dan wel nalatig blijven gevolg te geven aan deze veroordelen.

7. Bee en de Staat te verbieden om andermaal over te gaan tot het stopzetten van het uitbetalen van de schadeloosstelling en alle bijbehorende emolumenten aan Akiemboto, totdat Akiemboto zijn lidmaatschap tot De Nationale Assemblée op rechtsgeldige zal zijn beeindigd, zulks op straffe van een dwangsom van
SRD 500.000,– voor elke dag of keer dat Bee en de Staat in strijd handelen met dit verbod.

8. Bee en de Staat te veroordelen om des de een betaald de andere zal zijn bevriijd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting Akiemboto te vergoeden zijn voorlopige gevolgschade tot aan deze vordering begroot op USD 1670,– en SRD 1450,–, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar te rekenen vanaf de dag van indiening van onderhavige zaak tot aan de dag der algehele voldoening.

9. Bee en de Staat te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Akiemboto legt aan zijn vordering naast de vaststaande feiten ten grondslag dat
Bee het standpunt heeft ingenomen en acties heeft ondernomen alsof Akiemboto geen lid meer zou zijn van De Nationale Assemblée. Dit standpunt is onjuist omdat
de ontslagbrief is ingetrokken nog voordat ex artikel 141 van de Kiesregeling juncto artikel 4 van de Wet van 17 augustus 2016, houdende regels voor het beeindigen van het lidmaatschap van De Nationale Assemblée (hierna: Wet beeindigen lidmaatschap DNA) ,de beeindiging van het lidmaatschap was voltrokken. Voorts omdat de President niet conform artikel 141 lid 2 van de Kiesregeling heeft gehandeld door de brieven gedateerd 05 januari 2021 en 21 januari 2021 te sturen naar Bee en niet naar het volksvertegenwoordigend lichaam.
Bee en de Staat zijn gesommeerd en hebben geen gevolg gegeven aan de ingebrekestelling. Akiemboto wordt ten onrechte niet op gelijke wijze als andere leden van De Nationale Assemblée behandeld en wordt beknot in zijn rechten als lid van De Nationale Assemblée. Voorts is de schadeloosstelling van Akiemboto onrechtmatig stopgezet. Bee en de Staat handelen ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur. Door het onrechtmatig handelen c.q. nalaten van Bee en de Staat is Akiemboto genoodzaakt juridische deskundigheid in te huren ter verdediging van zijn rechten en het mitigeren van zijn schade.
Akiemboto heeft een bijzonder spoedeisend belang bij de vordering.

3.3. De kantonrechter komt indien nodig terug op het verweer van Bee en de Staat in de beoordeling.

4 De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van Akiemboto en het door hem gevorderde.

4.2. Akiemboto heeft een schrijven gedateerd 05 januari 2020 gericht aan de President van de Republiek Suriname betreffende de opzegging van zijn DNA- lidmaatschap.
De kantonrechter overweegt dat het overduidelijk is dat Akiemboto zich heeft vergist in het jaar en er sprake is van een kennelijke schrijffout. De door Akiemboto gemaakte schrijffout kan derhalve geen ontoelaatbare onduidelijkheid over de dagtekening van de brief hebben veroorzaakt en is aannemelijk dat de dagtekening 05 januari 2021 is.

4.3. De rechtsvraag die de kantonrechter in onderhavig geschil moet beantwoorden is of aannemelijk is dat het lidmaatschap van De Nationale Assemblée voor Akiemboto is beeindigd door de opzegging van het lidmaatschap bij de brief van 05 januari 2021.

4.4. Akiemboto stelt zich allereerst op het standpunt dat het ontslag is ingetrokken nog voordat ex artikel 141 van de Kiesregeling juncto artikel 4 Wet beeindiging lidmaatschap DNA, de beeindiging van het lidmaatschap was voltrokken
Daarnaast stelt hij dat de President niet conform artikel 141 lid 2 van de Kiesregeling heeft gehandeld door de brieven gedateerd 05 januari 2021 en 21 januari 2021 te sturen naar Bee doch niet naar het volksvertegenwoordigend lichaam.

4.5. Bee en de Staat hebben betoogd dat het rechtsgevolg bij ontslag op eigen verzoek van rechtswege intreedt door de wil van de volksvertegenwoordiger.
Aan de beeindiging van het lidmaatschap van De Nationale Assemblée gaat geen beeindigingproces vooraf noch is wettelijk een handeling van een andere autoriteit vereist om de beeindiging te voltooien. Akiemboto heeft door zijn ontslagbrief in te zenden aan de President, voldaan aan het bepaalde in artikel 141 lid 2 van de Kiesregeling en is zijn ontslag een feit.
Bee en de Staat voeren voorts aan dat de omstandigheid dat de procedure voor opvolging nog niet was ingezet ten tijde van ontvangst van de intrekkingsbrief, geen enkele wijziging brengt in het rechtsgevolg dat is ingetreden als gevolg van het ontslag op eigen verzoek. Zij stellen dat na het ingezonden ontslag, zuiver administratieve zaken voltooid dienen te worden om in de opvolging conform artikel 137 lid 3 van de Kiesregeling te voorzien. De Kiesregeling kent geen fatale termijn voor invulling van de vacature.

4.6. De kantonrechter zal de rechtsvraag op grond van terzake geldende relevante wettelijke regelingen dienen te beantwoorden.

In artikel 68 lid 1 onder b van de Grondwet is bepaald dat het lidmaatschap van
De Nationale Assemblée eindigt door ontslag op eigen verzoek.

Artikel 137 van de Kiesregeling luidt als volgt:
1. De voorzitter van het hoofdstembureau van het betrokken kiesdistrict geeft onmiddellijk kennis aan de President, het Onafhankelijk Kiesbureau, het Centraal Hoofdstembureau, wanneer een gekozene zijn verkiezing heeft aanvaard.
2. Gelijke kennisgeving geschiedt wanneer een kandidaat vóór de stemming komt te overlijden, wanneer een gekozene zijn verkiezing niet heeft aanvaard of de in artikel 136 lid 1 genoemde termijn heeft laten verstrijken, alsmede bij het openvallen van plaatsen van gekozen leden door ontslag, overlijden, terugroeping of om een andere reden.
3. Ter voorziening in de vacatures bedoeld in het vorige lid treden in de plaats, indien het De Nationale Assemblée betreft, de in de volgorde hoogst geplaatste niet-gekozen kandidaten van de lijst, waarop de plaats is opengevallen. Komen er op de lijst geen kandidaten meer voor, dan treedt in de opengevallen plaats, de in de volgorde hoogst geplaatste kandidaat-plaatsvervanger.

In artikel 141 van de Kiesregeling staat:
1. De leden van de volksvertegenwoordigende lichamen kunnen te allen tijde hun ontslag nemen.
2. Het wordt door hen ingezonden aan de President, die het ter kennis brengt van het volksvertegenwoordigend lichaam.
3. Wanneer een lid van De Nationale Assemblée of enig ander volksvertegen-woordigend lichaam een der vereisten verliest, houdt hij op lid te zijn van De Nationale Assemblée dan wel van het andere volksvertegenwoordigend lichaam.

In de Wet beeindigen lidmaatschap DNA staat:

  • in artikel 1 onder e: relevante documenten: documenten die aantonen dat de omstandigheden zijn ontstaan waardoor volgens artikel 68 van de Grondwet het lidmaatschap van een lid van De Nationale Assemblée eindigt, of die aantonen dat de gronden bestaan, voor terugroeping zoals in artikel 2 van deze wet vastgesteld;
  • in artikel 1 onder h: ontslagbrief: brief waarmee een lid aan de President aangeeft ontslag te nemen als lid van De Nationale Assemblée.

Artikel 2 onder b van voornoemde wet vermeldt dat het lidmaatschap van
De Nationale Assemblée eindigt ingevolge artikel 68 van de Grondwet door ontslag op eigen verzoek.
Voorts is in artikel 4 lid 1 onder a bepaald dat nadat de Voorzitter, betreffende een lid, door middel van het verkrijgen van tenminste een der in lid 4 van dit artikel genoemde relevante documenten, kennis heeft genomen van het mogelijk bestaan van omstandigheden zoals genoemd in de Grondwet , artikel 68 lid 1 onder a of b (dus overlijden of ontslag op eigen verzoek), doet deze daarvan mededeling in de eerstvolgende Huishoudelijke vergadering en overtuigt zich daarna ervan dat de mededelingen en procedures om te komen tot toelating van een nieuw lid, conform de Kiesregeling worden afgehandeld.

In de Memorie van Toelichting van de Wet beeindigen lidmaatschap DNA staat bij de toelichting op artikel 4: “ de Voorzitter van De Nationale Assemblée kan door het verkrijgen van tenminste een van de relevante documenten kennis nemen van het mogelijk bestaan van gronden voor het beeindigen van het lidmaatschap van De Nationale Assemblée ingevolge de gronden genoemd in artikel 68 van de Grondwet.
Artikel 68 geeft echter niet aan op welk moment het lidmaatschap precies eindigt en welke de noodzakelijke documenten zijn voor het effectueren van deze genoemde gronden. Deze wet is erop gericht om geheel objectief met zuiver administratieve hulpmiddelen, te kunnen vaststellen of zich een bepaalde situatie voordoet op grond waarvan het lidmaatschap van De Nationale Assemblée moet worden beeindigd volgens artikel 68 van de Grondwet (…) . Daartoe zijn zeer zorgvuldig in de wet opgenomen welke documenten zonder twijfel aantonen dat een situatie zich voordoet. “

4.7. De kantonrechter merkt op dat Akiemboto op 05 januari 2021 een brief heeft gericht aan de President van de Republiek Suriname waarin onder meer staat:
“(…) Middels dit schrijven deel ik u mede, heden, op grond van de artikelen 68 lid 1 sub b van de Grondwet van de Republiek Suriname, 137 lid 2 en 141 lid 2 van de Kiesregeling mijn DNA- lidmaatschap opzeg. (…). Onder dankzegging verzoek ik u de nodige handelingen te doen uitvoeren.(…)”

4.8. De kantonrechter overweegt dat de brief van 05 januai 2021 een ontslagbrief en derhalve een relevant document is in de zin van de Wet beeindigen lidmaatschap DNA, die zonder twijfel aantoont dat de situatie van ontslag op eigen verzoek zich voordoet. Immers in de brief is door Akiemboto aangegeven dat hij heden, aannemelijk is dat hij daarmee bedoelt 05 januari 2021, het lidmaatschap van De Nationale Assemblée opzegt en derhalve ontslag op eigen verzoek neemt.

De kantonrechter overweegt dat het ontslag een eenzijdige rechtshandeling is en betreft de duidelijk geuite wil door Akiemboto om zijn lidmaatschap van De Nationale Assemblée te beeindigen, waarbij deze wil middels de brief van 05 januari 2021 op grond van de Kiesregeling en de Wet beeindigen lidmaatschap van DNA, kenbaar is gemaakt aan de President en derhalve het lidmaatschap van De Nationale Assemblée terstond op 05 januari 2021 is geeindigd ingevolge artikel 68 lid 1 onder b van de Grondwet.

4.9. De kantonrechter overweegt dat de President ingevolge artikel 141 lid 2 van de Kiesregeling slechts de plicht heeft om het aan hem ingezonden ontslag, ter kennis te brengen van het volksvertegenwoordigend lichaam. De bedoeling van het in kennis brengen van het ontslag van het volksvertegenwoordigend lichaam is om te voorzien in de vacature. Dit wordt afgeleid uit artikel 137 van de Kiesregeling en uit artikel 4 van de Wet beeindigen lidmaatschap DNA

4.10. De kantonrechter overweegt voorts dat Akiemboto uitgaat van een verkeerd standpunt dat het ontslag is ingetrokken nog voordat ex artikel 141 van de Kiesregeling juncto artikel 4 van de Wet beeindigen lidmaatschap DNA, de beeindiging van het lidmaatschap was voltrokken. Immers, zoals eerder onder 4.8. is overwogen, is door het ontslag het lidmaatschap van Akiemboto terstond geeindigd en kon derhalve de ontslagbrief niet ingetrokken worden. Voor het intrekken van een ontslag op eigen verzoek en tot welk moment zulks zou kunnen, is door de wetgever niet voorzien en is derhalve aannemelijk dat op een ontslag op eigen verzoek niet kan worden teruggekomen.

4.11. De kantonrechter is van oordeel dat ook de stelling van Akiemboto dat de procedures, zoals vastgelegd in artikel 68 van de Grondwet en in de Wet beeindigen lidmaatschap DNA, niet zijn ingezet en hij derhalve nog lid is van De Nationale Assemblée, geen ondersteuning vindt in de wet.
De kantonrechter overweegt dat uit de relevante wettelijke regelingen niet wordt afgeleid en derhalve niet aannemelijk is dat het invullen van een opengevallen vacature welke is ontstaan door ontslag op eigen verzoek, aan een bepaalde termijn gebonden is.
De administratieve handelingen en de duur van de administratieve procedure betrekking hebbende op het invullen van de opengevallen vacature, waaronder het in kennis brengen van het ingezonden ontslag door de President van het volksvertegenwoordigend lichaam, de verrichtingen welke Bee als voorzitter van het volksvertegenwoordigend lichaam dient te plegen waaronder het doen van de mededeling van het ontslag door eigen verzoek van Akiemboto in de eerstvolgende Huishoudelijke vergadering en zich daarna ervan overtuigen dat de mededelingen en procedures om te komen tot toelating van een nieuw lid, conform de Kiesregeling worden afgehandeld, zijn niet aan termijnen gebonden en kan daaraan niet het door Akiemboto gestelde gevolg dat hij nog lid is van De Nationale Assemblée worden verbonden.

4.12. De kantonrechter overweegt dat nu aannemelijk is dat het lidmaatschap van Akiemboto door het ontslag op eigen verzoek terstond op 05 januari 2021 is geeindigd, daarmee ook alle privileges en voorzieningen die inherent aan het lid zijn van het volksvertegenwoordigend orgaan De Nationale Assemblée zijn komen weg te vallen. De slotsom is dat de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd.

4.13. De vordering tot veroordeling van Bee en de Staat in de advocaatkosten zal als niet op de wet te zijn gegrond, worden afgewezen. Ons rechtssysteem kent geen verplichte procesvertegenwoordiging. Het is een vrije keuze van Akiemboto geweest om zich in rechte te doen bijstaan en de gemaakte kosten moet hij zelf dragen.

4.14. De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren overbodig omdat de beoordeling daarvan niet tot een andere beslissing zal leiden.

4.15. Akiemboto zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding

5.1. Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2. Veroordeelt Akiemboto in de proceskosten aan de zijde van Bee en de Staat
gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. R.G. Chatterpal, kantonrechter in kort geding en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter in kort geding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 11 februari 2021, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2020-15

HET HOF VAN JUSTITIE
Meervoudige raadkamer
Datum: 15 december 2020

Beslissing van 15 december 2020
op het verzoek van CAIRO, Rodney Alexander klager, wonende te Paramaribo, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S. Sheombar, advocaat bij het hof van justitie, om het Openbaar Ministerie te bevelen tot het instellen van strafrechtelijke vervolging tegen het hoofd van Dienst Nationale Veiligheid, Luitenant – Kolonel, mevrouw Daniella Veira, hierna te noemen beklaagde.

1. Procesverloop
1.1 Klager heeft op 06 oktober 2020 het beklagschrift ingediend, waarin hij heeft verzocht dat op basis van artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), – zakelijk weergegeven en samengevat – het Openbaar Ministerie zal worden bevolen om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar aanleiding van de schriftelijke aangifte tegen beklaagde, waarna de strafrechtelijke vervolging en berechting van voornoemde Veira bij de Krijgsraad kan worden ingesteld.

1.2 Voormeld beklagschrift is in behandeling genomen op 15 december 2020 waarbij de klager, bijgestaan door zijn raadsvrouw en de waarnemend Procureur-Generaal zijn gehoord, zijnde daarvan proces-verbaal opgemaakt welke zich onder de processtukken bevindt.

1.3 Vervolgens is bepaald dat in deze zaak beschikking zal volgen.

2. Het standpunt van klager
2.1 Klager heeft ter onderbouwing van zijn beklag – kort en zakelijk weergegeven – en onder overlegging van stukken/bijlagen het volgende aangevoerd:

  • dat hij op 16/17 april 2020 op het politiebureau van het ressort Geyersvlijt aangifte heeft gedaan terzake van diefstal middels geweldpleging, opzettelijke vrijheidsberoving contra onbekenden ( vide kopie verklaring van Inspecteur van politie tweede klasse W.Sarabdjitsingh);
  • dat de gemelde strafbare feiten door het parket van de Procureur-Generaal zijn onderzocht en slechts heeft geresulteerd in de aanhouding, vervolging en berechting van [naam 1];
  • dat er inmenging in het politioneel onderzoek heeft plaatsgevonden door beklaagde, die aan de Korpschef van Politie, de heer R. Prade, te kennen heeft gegeven dat de inval in de woning van klager betrof een kwestie van nationale veiligheid en dat de aanpak en het onderzoek in deze zaak binnen het domein van de Dienst Nationale Veiligheid valt;
  • Klager had door tussenkomst van zijn toenmalige advocaat een schrijven d.d. 20 april 2020 gericht aan de Procureur – Generaal, waarin hij heeft verzocht om bescherming en mogelijkheid aangifte te doen tegen de intellectuele daders van de strafbare feiten tegen hem begaan ( vide kopie brief van mr. V.S. Balraj d.d. 20 april 2020), op welk schrijven nog geen reactie is ontvangen van het Openbaar Ministerie;
  • Klager vreest thans voor zijn leven en veiligheid, aangezien in het kader van de nationale veiligheid er opdracht is gegeven hem te elimineren en alle bewijzen die hij heeft weg te werken. Ook het paspoort van klager is zoekgemaakt, zodat hij, klager het land niet kan verlaten en het doelwit blijft;
  • Klager heeft dan ook rechtstreeks en levensbelang bij het allereerst aangeven van de strafbare feiten met alle bewijzen en vooral belang bij het opsporen, vervolgen en berechten van beklaagde, zulks op grond van art. 4 Sv.

3. De reactie van de Procureur-Generaal
3.1 De vervolging stelt zich op het standpunt kennis te hebben genomen van de schriftelijke stukken en wenst op te merken dat op het gesteldeschrijven van klager een reactieschrijven op 21 april 2020 gericht is aan mr. V.S. Balraj.

3.2 Het schrijven voornoemd van klager heeft erin geresulteerd dat:

  • de afdeling Kapitale Delicten is ingeschakeld voor het verrichten van een nader onderzoek.
  • De klager is opgeroepen om zich bij de afdeling Kapitale Delicten te vervoegen voor het onderzoek en de verzochtebescherming

3.3 Voorts is zijdens de vervolging aangegeven dat,er reeds een aanvang is gemaakt met een onderzoek in deze zaak van klager, waarbij eerst de persoon van [naam 1] als verdachte op 23 april 2020 is aangehouden. De beklaagde is op 20 mei 2020 als persoon gehoord alsook [naam 2] . Recentelijk, in november 2020, is de beklaagde als verdachte gehoord.

3.4 Voorts is door de vervolging aangegeven dat de beoordeling van de (voorlopige) onderzoeksresultaten, met zich bracht dat de status van de beklaagde veranderde in die van verdachte. Hetgeen, voor de vervolging aanleiding is om voorbereidingen te treffen in verband met de spoedige indiening van de vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek (GVO) tegen de beklaagde.
Naar de mening van de vervolging is hiermee genoegzaam gebleken van inspanningen naar aanleiding van de gedane aangifte en is de grond aan klager zijn beklagschrift komen weg te vallen. Daarom vordert de vervolging dat het Hof het verzoek of beklag van klager zal afwijzen.

4. De beoordeling
Ter beantwoording is de vraag of het door klager geschetste strafbaar feit niet vervolgd wordt of de vervolging niet wordt voortgezet waardoor het bevel tot inzetten of voortzetting van de vervolging gegeven moet worden?

4.1. Vooropgesteld dat art. 4 Sv. lid 1 alsvolgt luidt: “Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan kan de belanghebbende daarover beklag doen bij het Hof van Justitie. Het Hof kan de Procureur-Generaal opdragen te dien aanzien verslag te doen en kan voorts bevelen, dat de vervolging zal worden ingesteld of voortgezet”.

4.2 Nu klager een beroep doet op het bepaalde in artikel 4 Sv. is het Hof bevoegd kennis te nemen van het beklag.

4.3 Klager is ontvankelijk in zijn beklag, daar hij rechtstreeks belanghebbende is in de zinvan artikel 4 Sv.

4.4 Uit de stellingen van de vervolging welke niet weersproken zijn door klager houdt het Hof het ervoor dat naar aanleiding van klager zijn aangifte d.d. 16/ 17 april 2020 en zijn schrijven d.d. 20 april 2020 door de vervolging de volgende van belang zijnde strafvorderlijke handelingen verricht zijn- verkort weergeven- te weten:
– opsporen en vervolgen van [naam 1];
– aanmerken van de beklaagde, Veira Daniella, als verdachte;
– voorbereiden van de vordering tot het instellen van een GVO tegen de beklaagde.

Het Hof overweegt dienaangaande dat, het Openbaar Ministerie wettelijk dient in te staan voor de opsporing en vervolging van misdrijven. Voren aangehaalde onderzoeks-/vervolgingshandelingen zijn derhalve verricht op basis van die wettelijke bevoegdheden.

4.5 Uit deze geschetste gang van zaken maakt het Hof op dat de vervolging ( het Openbaar Ministerie) in casu niet stil heeft gezeten, in tegenstelling tot de bewering van de klager. Nu de vervolging reeds een aanvang heeft gemaakt met het politioneel onderzoek en de vervolging van de beklaagde in voorbereiding heeft, zijn er naar het oordeel van het Hof thans geen gronden aanwezig om de Procureur-Generaal op te dragen om tot vervolging c.q voortzetting van de vervolging over te gaan. Het verzoek van klager dient derhalve te worden afgewezen.

5. BESCHIKKENDE

Wijst af het door klager ingediend verzoek.

Aldus gegeven in Raadkamer te Paramaribo, op heden de 15 e december 2020 door
mr. M.C. Mettendaf, fungerend – president, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en
mr. J. Kasdipowidjojo, Lid – plaatsvervanger, bijgestaan door de waarnemend Substituut – Griffier, mr. G. A. Kisoensingh – JangbahadoerSingh.

w.g. G.A. Kisoensingh – JangbahadoerSingh w.g. M.C. Mettendaf
w.g. D.G.W. Karamat Ali
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

( mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2020-14

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 08 december 2020 door mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [ naam ] met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen conform artikel 61 Sv en hem onmiddellijk in vrijheid te doen stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. 14 december 2020, waarbij de behandeling van dit verzoek is bepaald voor maandag 21 december 2020 om 10.30 uur des voormiddags;

Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. C. Rasam, als Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. 21 december 2020;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadsvrouw eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud daarvan hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de Waarnemend Procureur-Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven dat – gelet op de inhoud van het strafdossier – de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker nog steeds aanwezig zijn en zal de vervolging zich derhalve verzetten tegen inwilliging van het verzoek tot invrijheidstelling van verzoeker;

Overwegende, dat uit het raadkamerdossier is gebleken dat verzoeker op 08 oktober 2020 in verzekering is gesteld ter zake verdenking van, onder meer, overtreding van de Anti-Corruptiewet, Money Laundering, verduistering, valsheid in geschrifte en deelneming Criminele Organisatie. Verzoeker zit derhalve al bijkans twee maanden en twee weken in detentie en de kern van zijn betoog strekt ertoe dat hij opdrachten heeft gehad van de Staat Suriname en die opdrachten heeft uitgevoerd en conform instructies van de toenmalige bevoegde autoriteiten heeft gedeclareerd waarna er gelden voor verrichte diensten voor hem zijn gestort dan wel overgemaakt op zijn bankrekening (althans zo vat het Hof dat op). Daarnaast heeft verzoeker, onder overlegging van documentatie, aangegeven dat hij gezondheidsproblemen heeft en dat zijn detentie een negatieve invloed heeft op zijn nogal fragiele gezondheidstoestand. In het verlengde daarvan heeft verzoeker verzocht om hem op humanitaire gronden in vrijheid te stellen zodat zijn gezondheidstoestand ten positieve wordt opgekrikt en hij in vrijheid verkerend zijn medewerking aan het onderzoek kan verlenen. Voorts heeft verzoeker aangegeven dat hij als politiek econoom een bepaalde reputatie heeft opgebouwd in de regio en dat hij er belang bij heeft dat zijn naam wordt gezuiverd van alle blaam. Verzoeker heeft er derhalve belang bij en is bereid zijn medewerking aan het verdere politioneel en strafrechtelijk onderzoek te verlenen teneinde zijn onschuld in deze te bewijzen, zodat er geen gevaar voor vlucht aanwezig is. Daarenboven heeft verzoeker aangegeven dat zijn paspoort in beslag is genomen door de justitiële autoriteiten zodat hij sowieso niet zou kunnen reizen;

Overwegende, dat uit het tot dusver ingesteld politioneel onderzoek er –naar het oordeel van het Hof– vooralsnog wel feiten en omstandigheden zijn gebleken die zouden kunnen worden gekwalificeerd als ernstige bezwaren ten aanzien van de verzoeker. Evenwel blijken er geen dringende redenen van maatschappelijke veiligheid of gevaar voor vlucht aanwezig te zijn, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming van verzoeker vorderen. In de visie van het Hof heeft verzoeker voldoende aannemelijk gemaakt dat hij gezondheidsproblemen heeft die maken dat hij heel moeilijk de detentie kan ondergaan aangezien de gezondheidszorg in detentie, gelet op zijn aandoeningen, niet adequaat genoemd kan worden. Eveneens heeft verzoeker aangegeven over een verblijfslocatie in een appartementencomplex te Paramaribo te beschikken alwaar hij verblijf kan houden gedurende het verdere verloop van het onderzoek. Het Hof heeft eveneens acht geslagen op het feit dat het paspoort van verzoeker in beslag is genomen door de justitiële autoriteiten waardoor het gevaar voor vlucht van verzoeker als buitenlander geminimaliseerd is terwijl het luchtruim van Suriname ondertussen ook is gesloten voor commerciële vluchten.

Het Hof is van oordeel dat – gelet op al het voorgaande – het verzoek van verzoeker op basis van humanitaire gronden voor toewijzing in aanmerking komt.
Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst toe het verzoek van de verzoeker, [naam].
Heft op het bevel tot verlenging bewaring d.d. 09 december 2020 van [naam].
Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van [naam].

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 21 december 2020 door: mr. A. Charan, fungerend – president, mr. D.G.W. Karamat Ali, lid en mr. J. Kasdipowidjojo, lid – plaatsvervanger, bijgestaan door de fungerend-griffier, mr. F. Amirullah.

SRU-K1-2020-39

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no 20-3567
03 december 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP KIRPALANI’S N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Maagdenstraat no. 17,
eiseres in conventie in kort geding,
gedaagde in reconventie in kort geding,
hierna te noemen: “Kirpalani’s”,
gemachtigde: mr. A.M. Linger, advocaat,

tegen

A. [naam BV], rechtspersoon,
statutair gevestigd te 3011 TA Rotterdam aan de Blaak 40 in Nederland,
kantoorhoudende in [district 1] aan [adres 1],

B. [naam NV ], rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende in [district 1] aan [adres 1],

C. [naam Stichting], rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende in [district 1 aan [adres1],
gedaagden in conventie in kort geding,
eisers in reconventie in kort geding,
hierna respectievelijk te noemen: “de BV, de NV en de Stichting”,
gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of – handelingen:

  • het verzoekschrift, dat met producties op 10 november 2020 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis d.d. 19 november 2020;
  • de conclusie van antwoord tevens van eis in reconventie met producties en uitlating producties;
  • de conclusie van antwoord in reconventie en uitlating producties

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

2.1. Bij onderhandse akte gedateerd 04 juni 2018 zijn Kirpalani’s en de de BV en de NV een kredietovereenkomst aangegaan voor het bedrag van US$ 2.250.000,– .

2.2. Bij onderhandse akte van 06 september 2018 is een addendum horende bij de overeenkomst van 04 juni 2018 overeengekomen waarbij de geldlening is uitgebreid tot de som van US$ 3.000.000,–.

2.3. Bij onderhandse akte de dato 8 april 2019 heeft Kirpalani’s ter verbruikleen kredietruimte tot de som van € 600.000,– aan de BV en de NV ter beschikking gesteld.

2.4. Bij vonnis in kort geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato

01 oktober 2020 in de zaak bekend onder A.R. [nummer 1] heeft de kantonrechter onder meer als volgt beslist:

“5.1. gelast de stopzetting van de openbare verkooop van de bij exploot [no.02] van deurwaarder L. Gangaram Panday gedateerd 15 augustus 2020, omschreven goederen welke openbare verkoop zal plaatsvinden op 08 oktober 2020 om 10.00 uur op het kantoor van notaris mr. V. Gangaram Panday of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo.
5.2. gelast de stopzetting van de openbare verkooop van de bij exploot [no.03] van deurwaarder L. Gangaram Panday gedateerd 15 augustus 2020, omschreven goederen welke openbare verkoop zal plaatsvinden op 08 oktober 2020 om 10.00 uur op het kantoor van notaris mr. V. Gangaram Panday of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo.
5.3. schorst alle door gedaagde (lees: Kirpalani’s) te treffen executie maatregelen op de percelen toebehorende aan de stichting, in afwachting van een uitspraak van de bodemrechter in de zaak bekend als [AR nummer].
5.4. veroordeelt gedaagde tot een dwangsom van SRD 1.00.000,–(…) voor iedere keer dat zij in strijd handelt met het bepaalde in sub 5.1 t/m 5.3 van dit vonnis tot een maximum van SRD 5.000.000,– (…).
5.5. veroordeelt gedaagde tot betaling aan eisers voor de kosten voor rechtsbijstand van US$ 10.800,– (…) inclusief 8% omzetbelasting.
5.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
5.7. veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van eisers gevallen en tot op heden begroot op SRD 700,– (…).
5.8. wijst af het meer of anders gevorderde.”

2.5. De in executoriale vorm uitgegeven grosse van bovenvermeld vonnis is bij exploot [no. 04] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie H. Chiragally de dato 08 oktober 2020 aan Kirpalani’s betekend en is aan haar onder meer bevel gedaan om binnen twee dagen aan requiranten tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de bedragen van US$ 10.800,– en SRD 700,–.

2.6. Bij exploot [no.05] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie S.W. Niekoop LL.B. de dato 21 oktober 2020 is aan [ de BV. ] en de [naam bedrijf] betekend een schrijven van de gemachtigde van Kirpalani’s waarin voor zover van belang staat:

“ (…) Krachtens de kredietovereenkomsten de dato 18 mei 2019, 04 juni 2018 en 08 april 2019 is de [naam bedrijf]. thans geheten [ de NV] en [de BV]. beiden hierna te noemen “DVE” de bedragen ad USD 3.438.133,77 (…) en EURO 676.231,38 (…) verschuldigd aan Kirpalani. De verschuldigde bedragen zijn reeds opeisbaar.
Ingevolge het vonnis d.d. 01 oktober 2020 bekend onder A.R. [nummer 1] is Kirpalani verschuldigd aan DVE de opeisbare bedragen ad USD 10.800,– (…) en SRD 700,–(…).
Bij deze deelt Kirpalani DVE mede dat zij ingevolge artikel 1446 van het Burgerlijk Wetboek overgaat tot compensatie van het door haar verschuldigd bedrag aan DVE met het bedrag, welke DVE aan Kirpalani verschuldigd is.
Betekende dus dat de bedragen USD 10.800,– (…) en SRD 700,–(…) in mindering worden gebracht van de bedragen USD 3.438.133,77 (…) en EURO 676.231,38 (…).”

2.7. Bij schrijven gedateerd 05 november 2020 van de gemachtigde van de BV, de NV en de Stichting aan de gemachtigde van Kirpalani’s staat voor zover van belang:

“(…) Artikel 1446 BW is hier niet van toepassing simpelweg omdat Kirpalani geen opeisbare vordering heeft, terwijl mijn clienten dat wel hebben op de Uwe!
Uw aandacht voorts voor het feit dat u onnodig [de Stichting] betrekt in dezeconstructie, vermits zij geen schuldenares is. Mutatis mutandis is Kirpsalani wel schuldenaar van de voornoemde Stichting, e.e.a. blijkt uit het eerdergenoemd vonnis. Het beroep op compensatie zijdens Kirpalani is dan ook evident onjuist. Clienten wensen m.b.t. het voormelde niet meer in conclaaf met Kirpalani te treden en hebben de executie ingezet.”

2.8. Bij exploot [no.06] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie S.S. Saheblal de dato 05 november 2020 is er executoriaal beslag gelegd op de in het exploit opgesomde aan Kirpalani’s toebehorende roerende goederen.

3. De vorderingen, de grondslagen van de vorderingen en het verweer

3.1.1. De vordering in conventie

Kirpalani’s vordert dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

I. de BV, de NV en de Stichting, zullen worden gelast om binnen 1 x 24 uur na het dezen te wijzen vonnis, althans binnen een door de kantonrechter vast te stellen termijn, de ten verzoeke van de BV, de NV en de Stichting gelegd executoriale beslag bij deurwaardersexploot [no.06] d.d. 05 november 2020 van de deurwaarder Stephen Soerdjpersad Saheblal op te heffen, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,– per dag voor iedere dag dat gedaagden in gebreke blijven aan het vonnis te voldoen.

II. de BV, de NV en de Stichting te verbieden over te gaan tot de verkoop van de in beslag genomen roerende goederen aangezegd bij deurwaardersexploot no. [no.06] d.d. 05 november 2020 van de deurwaarder Stephen Soerdjpersad Saheblal, welke verkoop zal plaatsvinden te Paramaribo op 04 december 2020 aan de Keizerstraat no. 160-166 ter plaatse der inbeslagneming.

III. de BV, de NV en de Stichting te veroordelen om bij wege van voorschot en tegen behoorlijk van kwijting aan Kirpalani’s te betalen het bedrag van US$ 10.800,– vermeerderd met de wettelijke rente van 6% ’s jaars vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening. Kosten rechtens.

3.1.2. De vordering in reconventie

De BV, de NV en de Stichting vorderen dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad, Kirpalani’s te veroordelen om bij wege van voorschot aan hen te betalen het bedrag van US$ 5.400,–, vermeerderd met 8% Omzetbelasting en de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 19 november 2020 tot en met de dag der algehele voldoening daarvan. Kosten rechtens.

3.2. De grondslagen van de vorderingen
3.2.1. in conventie

Kirpalani’s heeft aan de vordering naast de vaststaande feiten ten grondslag gelegd dat zij met de B.V. en de N.V. kredietovereenkomsten is aangegaan, waarbij zij kredieten heeft verstrekt en de B.V. en de N.V. de kredieten hebben ontvangen. De aan Kirpalani’s verschuldigde bedragen op grond van de kredietovereenkomsten zijn opeisbaar. Zowel de vordering van Kirpalani’s als de vordering van de B.V. en de N.V. staan vast en zijn opeisbaar, zodat de wettelijke schuldvergelijking kan intreden.

Kirpalani’s heeft na het bevel gedaan bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie H. Chiragally de dato 08 oktober 2020 [no.04], betaald middels compensatie en is niets verschuldigd aan de BV, de NV en de Stichting.

De BV, de NV en de Stichting hebben desondanks bij exploit [no.06] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie S.S. Saheblal de dato 05 november 2020 executoriaal beslag gelegd op de in het exploot opgesomde aan Kirpalani’s toebehorende roerende goederen.

De BV, de NV en de Stichting maken misbruik van hun executie bevoegdheid en hebben deze executie bevoegdheid uitgeoefend met als doel Kirpalani’s zowel financiele – als imago schade toe te brengen. De beslagen dienen dan ook opgeheven te worden en de aangezegde executoriale verkoop dient stopgezet te worden. Kirpalani’s heeft een spoedeisend belang bij een voorziening in kort geding aangezien de onrechtmatige verkoop van de in berslag genomen roerende gioederen zal geschieden op vrijdag 04 december 2020.

Kirpalani’s lijdt schade vanwege de noodzakelijke kosten welke zij heeft moeten maken voor het inroepen van rechtsbijstand om de opheffing van het door De BV, de NV en de Stichting gelegd onrechtmatig beslag te vorderen.

3.2.2. in reconventie

De BV, de NV en de Stichting hebben aan de vordering ten grondslag gelegd dat Kirpalani’s door te weigeren het vonnis van 01 oktober 2020 na te komen, te kwader trouw handelt en een onrechtmatige daad pleegt, als gevolg waarvan de BV, de NV en de Stichting schade lijden, bestaande uit de advocaatkosten. Kirpalani’s wist reeds voor de beslaglegging c.q. aangekondigde executie dat haar beroep op compensatie geen kans van slagen zou hebben en heeft er toch ervoor gekozen niet te voldoen aan het vonnis en om de BV, de NV en de Stichting thans opzettelijk op te zadelen met een proces. De BV, de NV en de Stichting hebben een spoedeisend belang bij hun vordering.

3.3. Het verweer in conventie en in reconventie

Op het in conventie en reconventie gevoerd verweer zal voor zover nodig hierna worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Gelet op de onderlinge samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie hierna gezamenlijk worden behandeld.

4.2. Bij vonnis gedateerd 01 oktober 2020 is Kirpalani’s veroordeeld tot betaling aan de BV, de NV en de Stichting van de kosten voor rechtsbijstand van US$ 10.800,– inclusief 8% omzetbelasting alsook de kosten van het geding begroot op SRD 700,–. Kirpalani’s heeft zich beroepende op de tussen partijen bestaande kredietovereenkomsten op het standpunt gesteld dat zij een opeisbare vordering heeft op de BV en de NV en dat de BV en de NV op grond van het vonnis een opeisbare vordering hebben op haar en zij derhalve op grond van artikel 1446 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), de vordering compenseert.

4.3. De BV, de NV en de Stichting hebben aangevoerd dat er een samenwerkingsovereenkomst tussen Kirpalani’s en de BV en de NV is gesloten en dat Kirpalani’s aldus niet alleen kredietverschaffer is en dat niet gesteld noch gebleken is dat het door Kirpalani’s geinvesteerd kapitaal reeds opeisbaar is en concluderen dat het beroep van Kirpalani’s op artikel 1446 BW onjuist is.

4.4. De kantonrechter merkt op dat de samenwerkingsovereenkomst niet ten processe is overgelegd. De kantonrechter overweegt dat op procespartijen de verplichting rust om voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. De kantonrechter merkt op dat Kirpalani’s slechts gewag maakt van de krediet-overeenkomsten en met geen woord rept over de samenwerkingsovereenkomst .

In het vonnis van 01 oktober 2020 worden bepaalde artikelen uit de samenwerkings-overeenkomst geciteerd. In het vonnis staat onder meer: “In artikel 1.2 en 1.3 van de samenwerkingsovereenkomst is door partijen gesteld dat gedaagde (lees: Kirpalani’s), de BV en de NV bij akten van 4 juni en van 20 september 2018 een overeenkomst zijn aangegaan die voorzag in het verstrekken aan de NV door gedaagde van een investeringskrediet van US$ 3,000,000 (…).Voorts is in artikel 1.4 door partijen gesteld “..dat de gewenste inbreng van Kirpalani’s bij de uitvoering van het project verder ging dan de kale financiering…” voorts is in artikel 2.3 bedongen: “Elke afzonderlijke kredietovereenkomst maakt deel uit van deze samenwerkingsovereenkomst en wordt beheerst door de principes van deze overeenkomst.” (..). artikel 1.4 waarin het volgende is gesteld: “Gaandeweg de uitvoering van de plannen bleek dat de gewenste inbreng van Kirpalani’s bij de uitvoering van het project verder ging dan de kale financiering en dat de wederzijdse betrokkenheid bij het project het karakter van een structurele samenwerking had. Partijen achten het nodig hun onderlinge verhouding en afspraken met betrekking tot het “Kippie-project” nader vast te leggen in deze samenwerkings-overeenkomst.”

Uit de conclusie van antwoord in conventie alsook uit het hierboven geciteerde uit het vonnis, waarbij de kantonrechter opmerkt dat de aangehaalde passage betreft een letterlijke aanhaling uit de samenwerkingsovereenkomst en niet het oordeel van de kantonrechter, is het aannemelijk dat Kirpalani’s niet alleen kredietverschaffer van de BV en de NV doch ook investeerder en zakelijke partner van de BV en de NV is. De kredietovereenkomsten staan derhalve niet los van de samenwerkings-overeenkomst, doch maakt elke afzonderlijke kredietovereenkomst deel uit van de samenwerkingsovereenkomst en wordt beheerst door de principes van de samenwerkingsovereenkomst.

4.5. De kantonrechter overweegt dat sec op grond van de kredietovereenkomsten, verondersteld zou kunnen worden dat Kirpalani’s een opeisbare vordering heeft op de BV en de NV. Echter nu, zoals hiervoren overwogen, de verhouding tussen partijen wordt beheerst door de samenwerkingsovereenkomst, en Kirpalani’s niet alleen kredietverschaffer is van de BV en de NV doch ook investeerder en zakelijke partner van de BV en de NV, kan niet zondermeer worden geoordeeld dat alleen op basis van de kredietovereenkomsten, die bovendien niet los staan van de samenwerkings-overeenkomst doch deel uitmaken van die samenwerkingsovereenkomst en worden beheerst door de principes van de samenwerkingsovereenkomst , Kirpalani’s een opeisbare vordering heeft. Kirpalani’s heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat zij een opeisbare vordering heeft.

4.6. De kantonrechter is van oordeel dat de BV, de NV en de Stichting, zich terecht op het standpunt stellen dat er geen sprake is van een opeisbare vordering van Kirpalani’s en het beroep op compensatie onjuist is.

4.7. De kantonrechter acht op grond van het vorenoverwogene de conclusie van Kirpalani’s dat de BV, de NV en de Stichting hun bevoegdheid tot het leggen van executoriaal beslag zouden hebben misbruikt, niet gerechtvaardigd.

4.8. De kantonrechter is van oordeel dat de BV, de NV en de Stichting geen misbruik van hun bevoegdheid maken door tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 01 oktober 2020 over te gaan. Zij hebben een in redelijkheid te respecteren belang bij gebruikmaking van hun bevoegdheid om tot de tenuitvoerlegging van het vonnis over te gaan.

4.9. De slotsom is dat de gevraagde voorzieningen van Kirpalani’s strekkende tot opheffing van het executoriale beslag en het verbieden om tot de verkoop van de in beslag genomen roerende goederen over te gaan, zullen worden geweigerd.

4.10. De vorderingen tot veroordeling van de BV, de NV en de Stichting en Kirpalani’s in de advocaatkosten zal als niet op de wet te zijn gegrond, worden afgewezen.

Ons rechtssysteem kent geen verplichte procesvertegenwoordiging. Het is een vrije keuze van partijen geweest om zich in rechte te doen bijstaan en de gemaakte kosten moeten zij zelf dragen.

4.11. Wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen nadere bespreking meer, nu dat niet tot een andere beslissing kan leiden.

4.12. Kirpalani’s zal in conventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld en in reconventie zullen de BV, de NV en de Stichting als de in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding

5.1 in conventie

5.1.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.1.2 Veroordeelt Kirpalani’s in de proceskosten aan de zijde van de BV, de NV en de Stichting gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.2 in reconventie

5.2.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2.2 Veroordeelt de BV, de NV en de Stichting in de proceskosten aan de zijde van Kirpalani’s gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. R.G. Chatterpal, kantonrechter in kort geding en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 03 december 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.