SRU-ATC-2020-4

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 20/02
Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[naam 1],
klager,
procederend in persoon,

tegen

[naam 2],
verweerder,
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Bij brief door het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege) ontvangen op
07 februari 2020 heeft de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken) de klacht ter kennis van het Tuchtcollege gebracht.

1.2. De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van vrijdag 22 mei 2020.
Klager heeft producties overgelegd ter onderbouwing van zijn stellingen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

1.3. De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing was hierna aanvankelijk bepaald
op 26 juni 2020 doch nader op heden.

2. De feiten
2.1. Klager heeft schriftelijk een tuchtklacht tegen [advocaat] ingediend bij verweerder in de periode toen laatstgenoemde de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten was.

3. De klacht en het verweer
3.1. De klacht houdt -zakelijk weergegeven – in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW).

3.2.Klager stelt -zakelijk weergegeven- dat verweerder twee aanbiedingsbrieven in de tuchtklacht genoemd in 2.1. naar het Tuchtcollege heeft verzonden waarvan de inhoud met betrekking tot de reden waarom de klacht is doorgestuurd naar het Tuchtcollege niet op waarheid berust.
Klager stelt voorts dat verweerder de eerste aanbiedingsbrief niet heeft ingetrokken en de tweede aanbiedingsbrief is geantidateerd. Volgens klager riekt het voorgaande naar fraude en heeft verweerder in strijd gehandeld met alle beginselen van een goede procesorde, het procesreglement en met de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname ex. artikelen 13, 15 en 26.
Klager stelt verder dat verweerder de Advocatenwet heeft vertrapt aangezien verweerder zich onbereikbaar, weigerachtig en onbereidwillig heeft opgesteld naar klager toe. Volgens klager heeft verweerder zijn beroepsethiek veronachtzaamd en heeft verweerder inbreuk gepleegd op de waardigheid, de rechtschapenheid en de kiesheid.
Kortom klager beklaagt zich over het leugenachtig, neerbuigend, onfatsoenlijk en afkeurenswaardig gedrag van verweerder.

3.3. Klager verzoekt derhalve dat verweerder:
– tuchtrechtelijk wordt veroordeeld en schriftelijk wordt verwezen naar zijn plichtethiek;
– schriftelijk zijn excuses aanbiedt aan klager, zulks onder betaling van een dwangsom van SRD 50.000,= (Vijftig Duizend Surinaamse Dollar) voor iedere dag, uur en minuut dat verweerder niet aan hetgeen is gevorderd mocht meewerken.

3.4. Verweerder heeft verweer gevoerd, waarop voor zover nodig, in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1.Ter beoordeling ligt de vraag of verweerder verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.

4.2. Allereerst dient het Tuchtcollege te beoordelen of klager kan worden ontvangen in zijn klacht. Verweerder heeft primair aangevoerd dat hij niet rechtstreeks betrokken is geweest als advocaat van klager in de zin van artikel 37 AW, zodat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klacht. Verweerder voert verder aan dat hij klager in zijn hoedanigheid van Deken voldoende heeft bijgestaan bij het doorgeleiden van zijn tuchtklacht en heeft hij ingevolge de artikelen 40, 41 en 42 AW aan zijn verplichtingen als Deken voldaan.
Volgens verweerder heeft hij getracht te bemiddelen tussen klager en [advocaat], de advocaat tegen wie de klacht is ingediend, doch is er hiervan niets terecht gekomen daar laatstgenoemde te kennen heeft gegeven dat de klacht doorgestuurd moet worden naar het Tuchtcollege. Verweerder heeft vervolgens de tuchtklacht doorgestuurd naar het Tuchtcollege.

4.3.Ten aanzien van de vraag of klager kan worden ontvangen in zijn klacht, overweegt het Tuchtcollege als volgt:
Het Tuchtcollege stelt voorop dat het geregelde tuchtrecht in artikel 37 AW en volgende blijkens de memorie van toelichting op de Advocatenwet betrekking heeft op gedragingen van advocaten “als zodanig” en het beoogt het algemeen belang met het waarborgen van een behoorlijke beroepsuitoefening te dienen. De advocaat die zijn taak als Deken uitoefent is in de visie van het Tuchtcollege niet werkzaam in zijn hoedanigheid van advocaat van een procespartij.
In dit geval betreft het dus een klacht tegen de Deken qualitate qua. Aan de klacht legt klager ten grondslag hetgeen hiervoor is weergegeven onder 3.2. In de artikelen 40, 41, 42 en 43 AW zijn de taken en bevoegdheden van de Deken in het kader van de Tuchtrechtspraak aangegeven. Door de klager is niet gesteld en evenmin is uit de behandeling gebleken dat verweerder in strijd met het bepaalde in voormelde wetsartikelen zou hebben gehandeld. Nu vorenvermelde wetsartikelen de actieradius van de Advocatenwet met betrekking tot het functioneren van de Deken qualitate qua omlijnen en klager de grondslag van zijn klacht niet daarop heeft gebaseerd, dient de klager – in de visie van het Tuchtcollege – niet ontvankelijk te worden verklaard.

4.4. Voor zover klager bedoelt dat verweerder tuchtrechtelijk aansprakelijk is ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt, heeft hij in de visie van het Tuchtcollege volstaan met kwalificaties aan te geven. Deze kwalificaties zijn niet feitelijk onderbouwd door klager zodat het Tuchtcollege niet in staat is om dat te toetsen

4.5. Aan de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het Tuchtcollege niet toe.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Aldus gewezen door mr.A. Charan, voorzitter, mr. R.M.F.Oemar en mr. G. Ramai-Badal, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 24 juli 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
w.g.
mr. M.S.Wesenhagen

De voorzitter,
w.g.
mr. A.Charan

De leden,
mr. R.M.F. Oemar
w.g.
mr. G. Ramai-Badal
w.g.

SRU-RC-2019-6

RECHTER-COMMISSARIS BELAST MET DE BEHANDELING VAN STRAFZAKEN BIJ DE KANTONGERECHTEN

Gezien het verzoek tot invrijheidstelling ingediend op 27 december 2018, door mr.R.R. Lobo, raadsman van verzoeker/ verdachte:[verzoeker/verdachte];

Gezien de stukken, waaronder:

  • het bevel tot inverzekeringstelling, waaruit blijkt dat verzoeker/ verdachte voornoemd op 13 december 2018 in verzekering is gesteld op verdenking van het begaan van de misdrijven vastgelegd in de artikelen 426;427;429 en 430 van het Wetboek van Strafrecht;
  • de beschikking van de rechter-commissaris, mr. S.J. Bradley, gegeven d.d. 20 december 2018, waarbij de inverzekeringstelling van de verzoeker/ verdachte voornoemd rechtmatig is verklaard;
  • het bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling d.d. 18 december 2018 en ingaande op 20 december 2018;
  • het proces-verbaal betreffende de behandeling van onderhavig verzoekschrift op 7 januari 2019;

Gehoord de verzoeker/ verdachte voornoemd, die heeft verklaard gelijk gerelateerd staat in de daartoe opgemaakte verklaring, waarvan een afschrift aangehecht is aan deze beschikking;

Gehoord de raadsman mr.R. Lobo;

Gehoord de vervolgingsambtenaar, mr. B. Tjin Liep Shie;

1. Ontvankelijkheid van verzoeker/ verdachte:
De vervolgingsambtenaar heeft aangevoerd dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu in de periode van verlenging van de inverzekeringstelling door een verdachte geen beroep kan worden gedaan op het bepaalde in artikel 54a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering ( Sv).

2. De relevante feiten

  • verzoeker/ verdachte zijn inverzekeringstelling is verlengd per ingaande 20 december 2018 voor de duur van dertig dagen;
  • de raadsman van verdachte mr. S. Dulam heeft op dezelfde dag (20 december 2018) een verzoek tot invrijheidstelling ingediend op grond van art.54a lid 1 Sv ( bij beschikking van de RC van 24 december 2018 is het verzoek afgewezen);
  • vervolgens heeft de raadsman van de verdachte mr. R. Lobo op 27 december 2018 wederom een verzoek tot invrijheidstelling op grond van art. 54a lid 1 Sv ingediend.

Beoordeling
De wetstekst van artikel 54a lid 1 Sv luidt: “uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van aanhouding, wordt de verdachte ten einde te worden gehoord, voor de rechter- commissaris geleid. Onverminderd het bepaalde in de eerste volzin van dit lid, kan de verdachte onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling om zijn invrijheidstelling verzoeken”

Naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie ( HvJ 29 september 2009 inz. [naam] en HvJ 4 december 2009 inz. [naam 2]) moet de mogelijkheid voor de verdachte openstaan om in de periode van de verlenging van de inverzekeringstelling gebruik te maken van het bepaalde in artikel 54a Sv. Immers, kan het nimmer de bedoeling zijn geweest om rechten of waarborgen van de verdachte, te beperken tot slechts de eerste fase van de inverzekeringstelling.

In het onderhavige is er sprake van tijdens de verlenging van de inverzekeringstelling meerdere verzoeken tot invrijheidstelling doen op grond van artikel 54a lid 1 Sv.De Rechter-Commissaris is van oordeel dat:

  1. uit de wetstekst en haar memorie van toelichting niet blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was naast de mogelijkheid om gedurende periode van de inverzekeringstelling een tweede of meerdere toetsmomenten mogelijk te maken;
  2. voorts dat in lijn met de genoemde beschikkingen van het Hof van Justitie evenmin is gebleken van de mogelijkheid om tijdens de verlenging van de inverzekeringstelling een tweede of meerdere toetsmomenten mogelijk te maken.

Het onderhavig verzoek tot invrijheidstelling zal daarom beschouwd moeten worden als een verzoek die buiten de sfeer van art. 54a Sv valt en dus niet op de wet gestoeld is. Verzoeker/verdachte zal daarom niet- ontvankelijk verklaard moeten worden in zijn verzoek.

BESCHIKKENDE:
Verklaart verzoeker/verdachte niet- ontvankelijk in zijn verzoek.

Aldus gegeven te Paramaribo 11 januari 2019 door mr. D.G.W. KARAMAT ALI, rechter-commissaris, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. CHANDER-ROEPA.

De Griffier,
De Rechter-Commissaris,

mr.J.CHANDER-ROEPAmr. D.G.W. KARAMAT ALI

SRU-ATC-2020-3

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 20/04

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege
naar aanleiding van de klacht van:

[naam A],
klager,
procederend in persoon,

tegen

[naam B],
verweerster,
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Bij brief door het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege) ontvangen op
07 februari 2020 heeft de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken) de klacht ter kennis van het Tuchtcollege gebracht.

1.2. De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van vrijdag 22 mei 2020.
Klager heeft producties overgelegd ter onderbouwing van zijn stellingen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

1.3. De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing was hierna aanvankelijk bepaald
op 26 juni 2020 doch nader op heden.

2. De feiten
2.1. Klager is de CEO van de [Stichting].

2.2. Verweerster heeft [Stichting] juridisch bijgestaan in rechtsprocessen.

2.3. Verweerster heeft de ex-echtgenote van klager, mw [naam], juridisch bijgestaan in een rechtszaak inzake scheiding en deling na ontbinding van het huwelijk tussen klager en mw. [naam] voornoemd.

3. De klacht en het verweer
3.1. De klacht houdt -zakelijk weergegeven – in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW).

3.2. Klager stelt -zakelijk weergegeven- dat verweerster zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling aangezien zij zaken heeft gedaan voor de [Stichting], waarvan klager en zijn ex-vrouw de enige aandeelhouders waren en tegelijkertijd heeft verweerster ook de zaak betreffende scheiding en deling voor zijn ex-vrouw gedaan. Volgens klager heeft verweerster kennis gedragen van de financiën van zowel klager als zijn ex-vrouw en die informatie gebruikt in de zaak betreffende scheiding en deling hetwelk door verweerster namens zijn ex-vrouw aanhangig was gemaakt.
Voorts stelt klager dat verweerster zich op een zeer onfatsoenlijke en afkeurenswaardige wijze heeft gedragen naar hem toe bij het opvragen van zijn dossier. Volgens klager heeft hij sinds 2010 en wederom op 28 maart 2019 het dossier opgevraagd bij verweerster en uiteindelijk mocht hij het dossier op 21 juni 2019 bij verweerster ophalen, waarbij hij op een stuk voor ontvangst moest tekenen voor de aan hem afgegeven documenten. Volgens klager heeft verweerster in voornoemd stuk vermeld: “Ik heb nimmer als (proces)gemachtigde van u, [klager], opgetreden in een zaak.” Klager die het niet eens is met deze zinsnede heeft toen onder het stuk geschreven: “Ik persisteer niet eens te zijn met deze zinsnede en teken alleen voor ontvangst van de overeengekomen en vermelde stukken.” Volgens klager blijkt achteraf dat hij een incompleet dossier heeft ontvangen van verweerster.
Verder stelt klager dat hij tijdens een telefoongesprek d.d. 14 mei 2019 met de volgende denigrerende woorden door verweerster werd bejegend: “Iemand zoals jij” en “Ik heb meer verstand dan u.”
Volgens klager heeft verweerster in deze haar beroepsethiek veronachtzaamd en inbreuk gepleegd op de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid.

3.3. Klager verzoekt derhalve dat verweerster:
– schriftelijk haar verontschuldigingen aanbiedt aan klager en een dwangsom van SRD 50.000,= (Vijftig Duizend Surinaamse Dollar) wordt opgelegd voor iedere dag, uur en minuut indien verweerster zou weigeren zulks te doen;
– de nodige berisping en tuchtrechtelijke maatregelen worden opgelegd.

3.4. Verweerster heeft verweer gevoerd, waarop voor zover nodig, in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1.Ter beoordeling ligt de vraag of verweerster verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.

4.2.Verweerster voert -zakelijk weergegeven – het volgende verweer.
Verweerster voert aan dat zij de [Stichting] juridisch heeft bijgestaan in rechtsprocessen en niet klager in privé. Verweerster voert verder aan dat zij niet wist of kon weten dat klager en zijn ex-vrouw aandeelhouders waren van de [Stichting]. Volgens verweerster staat in het uittreksel van de Kamer van Koophandel en Fabrieken niets vermeld over aandeelhouderschap en heeft zij nimmer inzage gehad in de privé-rekening van klager.
Verweerster weerspreekt dat er sprake is van belangenverstrengeling door het verlenen van juridische bijstand aan de ex-echtgenote van klager, aangezien zij klager niet in persoon heeft bijgestaan in de rechtszaken. Verweerster voert aan dat zij de ex-echtgenote van klager heeft bijgestaan in een scheiding en deling na ontbinding van het huwelijk tussen haar en klager en dat zij nimmer betrokken is geweest als gemachtigde in de echtscheidingszaak.
Volgens verweerster heeft zij nimmer geweigerd om klager zijn dossier terug te geven en heeft de afgifte van het dossier aan verweerder langer geduurd, aangezien het om een lijvig dossier gaat en de administratieve verwerking van de stukken veel tijd in beslag heeft genomen. Volgens verweerster heeft zij bij de afgifte van het dossier klager laten tekenen voor ontvangst en heeft klager toen nimmer aangegeven dat bepaalde stukken ontbreken, terwijl hij het dossier wel minutieus heeft geïnventariseerd.
Verweerster ontkent niet dat zij in conversaties met klager scherpe woorden heeft gebruikt. Volgens verweerster benadert klager haar op een bepaalde manier waarvan zij niet gediend is.

4.3. Het Tuchtcollege stelt bij de beoordeling voorop dat ingevolge de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname de advocaat verplicht is in de uitoefening van het beroep de hem toevertrouwde belangen te verdedigen naar eer en geweten en zoals de eisen ener goede rechtsbedeling hem dat voorschrijven en daarbij steeds de goede trouw in acht te nemen.
Naar het oordeel van het Tuchtcollege is het de advocaat in beginsel niet toegestaan om tegen een cliënt of een voormalige cliënt van hem/haar in rechte op te treden. De advocaat dient zich niet in een situatie te begeven waardoor hij/zij in een belangenconflict met zijn (voormalige) cliënt geraakt, terwijl voorts de (voormalige) cliënt erop moet kunnen vertrouwen dat vertrouwelijke informatie toevertrouwd aan zijn advocaat niet tegen hem kan worden gebruikt in een opvolgende procedure.

4.4. Het Tuchtcollege is van oordeel dat uit de aan haar gepresenteerde feiten in deze zaak niet is gebleken dat klager in privé is aan te merken als een (voormalige) cliënt van verweerster. Nu klager in privé niet kan worden aangemerkt als een (voormalige) cliënt van verweerster is van belangenverstrengeling ook geen sprake. Klager heeft evenmin bewijs aangedragen waaruit zou moeten blijken dat verweerster kennis droeg van de financiële gegevens van klager in privé en daarvan gebruik gemaakt in de zaak van de ex-vrouw van klager. Verder dan het uitspreken van vermoedens is klager in de visie van het Tuchtcollege niet gekomen. De daartoe strekkende grondslag van de klacht zal derhalve worden verworpen.

4.5. Het Tuchtcollege komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat uit de inhoud van de overgelegde stukken en het gehouden verhoor niet in rechte is komen vast te staan dat verweerster onbetamelijk heeft gehandeld jegens klager. Dat er scherpe bewoordingen zijn gebezigd tijdens conversaties door verweerster jegens klager doen aan voorgaande vaststelling niet af, aangezien verweerster de context daarvan bij de behandeling van de klacht heeft geschetst. Van het verzaken van haar plichtethiek zoals klager heeft aangevoerd is daarbij niet gebleken.
Van enig gegrond tuchtrechtelijk verwijt aan de zijde van verweerster is dus niet gebleken, zodat de klacht tegen verweerster ongegrond zal worden verklaard.

4.6. Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig daar die voor de beslissing niet relevant zijn gebleken.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege verklaart de klacht tegen verweerster ongegrond.

Aldus gewezen door mr.A. Charan, voorzitter, mr. R.M.F. Oemar en mr. G. Ramai-Badal, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 24 juli 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
w.g.
mr. M.S. Wesenhagen

De voorzitter,
w.g.
mr. A. Charan

De leden,
mr. R.M.F. Oemar
w.g.
mr. G. Ramai-Badal
w.g.

SRU-ATC-2019-1

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/06

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[naam A],
klager,
procederend in persoon,

tegen

[naam B],
verweerster,
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Klager heeft op 04 februari 2019 een schrijven met bijbehorende producties ingediend bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken).

1.2 De Deken heeft op 22 februari 2019 bovenvermeld schrijven met bijbehorende producties van klager ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege).

1.3 De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van vrijdag 26 juli 2019. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

2. De feiten
2.1 Klager is verwikkeld in rechtsprocessen inzake de nalatenschap van wijlen zijn ouders en wordt juridisch bijgestaan door zijn procesgemachtigde, mr. S. Mangroelal.

2.2 Verweerster treedt als procesgemachtigde op voor één der erfgenamen van de overleden ouders, te weten: [naam].

3. De klacht en het verweer
3.1 De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW).

Klager stelt – zakelijk weergegeven – dat verweerster met de door haar gebezigde woordkeus in haar verzoekschriften en conclusies tot uitlating, hem en zijn echtgenote, nu wijlen, consequent onterecht heeft gecriminaliseerd, beklad, beledigd en geïntimideerd. Volgens klager is dit reeds begonnen in het verzoekschrift tot beslaglegging waarbij onder andere is aangegeven: “gegronde vrees voor verduistering”. Volgens klager komen de beslagstukken terecht in handen van derden.
Voorts stelt klager dat hij de woordkeus in enkele passages van verweerster ervaart als een criminele bejegening. Verder is klager het oneens met de mening van verweerster dat het verslag d.d 09 juni 2014 dat door hem is opgemaakt ongeloofwaardig is en verzoekt het Tuchtcollege om een oordeel hierover te geven.

3.3 Verweerster heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerster verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoorde te betrachten jegens klager.

4.2 Verweerster voert – zakelijk weergegeven – het volgende verweer.
De door verweerster namens haar cliënt ingediende verzoekschriften en conclusies tot uitlating bevat de informatie van haar cliënt en is geen uitdrukking van haar mening. De gebezigde woorden: “gegronde vrees voor verduistering” zijn volgens verweerster niet bedoeld om klager te criminaliseren, maar zijn een passage uit artikel 591 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verweerster ontkent dat zij klager onterecht heeft gecriminaliseerd, beklad, beledigd en geïntimideerd.

4.3 Het Tuchtcollege is van oordeel dat de rechter aan wie het geschil tussen de procespartijen is voorgelegd het bewijs van de door verweerster gedane stellingen in haar conclusies en overgelegde gedingstukken moet beoordelen en dat zulks niet ter beoordeling is van het Tuchtcollege.
Het Tuchtcollege gaat ervan uit dat klager een verduidelijking van de door verweerster gebezigde bewoordingen kon hebben besproken met zijn procesgemachtigde.
Het Tuchtcollege is van oordeel dat de advocaat de belangen van zijn/haar cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn/haar cliënt hem/haar verschaft en dat de advocaat in beginsel mag afgaan op de juistheid daarvan. De advocaat behoeft in beginsel niet af te wegen of het voordeel dat hij/zij voor zijn/haar cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij/zij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij/zij daarmee aan de wederpartij toebrengt.
Uiteraard dient de advocaat zich daarbij niet onnodig grievend casu quo krenkend uit te laten en dienen de Ere-regelen in acht te worden genomen. Met het bezigen van de wettelijke terminologie in de gedingstukken heeft verweerster in casu in de visie van het Tuchtcollege de grens van het toelaatbare niet overschreden.
Het Tuchtcollege komt tot de slotsom dat niet in rechte is komen vast te staan dat verweerster door de gebezigde stellingen niet correct heeft gehandeld jegens klager.
Van enig tuchtrechtelijk verwijt aan de zijde van verweerster is er dus geen sprake, zodat de klacht tegen verweerster ongegrond zal worden verklaard.

4.4 Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig daar die voor de beslissing niet relevant zijn gebleken.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege:
5.1 verklaart de klacht tegen verweerster ongegrond.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, voorzitter, mr. G. Ramai-Badal en mr. J.R. Wouter, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 25 oktober 2019 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
mr. M.S. Wesenhagen

De voorzitter,
mr. A.Charan

De leden,
mr. G. Ramai-Badal
mr. J.R. Wouter

SRU-ATC-2020-2

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/20

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[naam 1],
klaagster,
procederend in persoon,

tegen

[naam 2],
verweerder,
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Klaagster heeft een schrijven gedateerd 06 juni 2018 ingediend bij de Wnd. President van het Hof van Justitie, mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, en heeft een kopie van voornoemd schrijven naar onder andere de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken) gestuurd.

1.2 De Deken heeft op 14 maart 2019 bovenvermeld schrijven van klaagster ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege).

1.3 De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van vrijdag 22 november 2019. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

1.4 De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Klaagster is procespartij in de gedingen die verweerder namens zijn cliënt tegen klaagster heeft ingesteld.

3. De klacht en het verweer
3.1 De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW).

Klaagster stelt – zakelijk weergegeven– dat verweerder herhaaldelijk dezelfde vordering bij dezelfde instantie tegen haar instelt, terwijl er reeds vonnis is gewezen in de zaak dat in het voordeel van haar is uitgesproken. Volgens klaagster maakt verweerder misbruik van procesrecht. Voorts stelt klaagster dat verweerder zich onbetamelijk naar haar toe heeft gedragen, aangezien hij een dreigbrief voor haar had opgestuurd om de woning waarin zij verblijft te ontruimen en had hij haar een keer gebeld met een bepaalde toon in zijn stem.

3.2 Verweerder heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij als advocaat behoorde te betrachten jegens klaagster.

4.2 Verweerder voert – zakelijk weergegeven – het volgende verweer.
De door verweerder namens zijn cliënt ingediende vordering betreft een ontruimingsvordering. Verweerder heeft namens zijn cliënt in bodemprocedure een vordering aanhangig gemaakt jegens klaagster en vervolgens heeft hij op grond van andere gronden in kort geding een vordering tegen haar ingesteld. Volgens verweerder heeft hij klaagster slechts één keer gebeld om haar uit te nodigen voor een gesprek op zijn kantoor en is de brief die klaagster een dreigbrief noemt een aanmaningsbrief. Verweerder voert aan dat hij klaagster voldoende tijd heeft gegeven om de woning te ontruimen en heeft hij gewoon zijn regulier werk gedaan. Verweerder betwist dat hij zich onbetamelijk heeft gedragen jegens klaagster.

4.3 Het Tuchtcollege is van oordeel dat de rechter aan wie het geschil tussen de procespartijen is voorgelegd zal uitmaken of er sprake is van misbruik van procesrecht wegens het herhaaldelijk instellen van dezelfde vordering en dat zulks niet ter beoordeling is van het Tuchtcollege.
Conform Ere-regel nummer 25 dient een advocaat zich steeds in gepaste termen uit te laten en alles te vermijden wat tot ongewenste incidenten, in het bijzonder van persoonlijke aard, aanleiding kan geven. Nu klaagster de brief die zij van verweerder heeft ontvangen en als bedreigend heeft ervaren niet heeft overgelegd, kan het Tuchtcollege niet beoordelen of verweerder zich op een dergelijke wijze heeft uitgelaten jegens klaagster. Het Tuchtcollege heeft evenwel acht geslagen op de inhoud van een brief d.d. 14 januari 2014 waarvan klaagster heeft aangegeven dat het weliswaar een andere brief is maar dat de inhoud min of meer hetzelfde is. Naar het oordeel van het Tuchtcollege verdient de inhoud van de brief de kwalificatie van een reguliere aanmaning en kan niet worden gekwalificeerd als een “dreigbrief”. Met betrekking tot de door verweerder gebezigde toon bij een gevoerd telefoongesprek met klaagster komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat dat – na weerspreking door verweerder – onvoldoende aannemelijk is gemaakt door klaagster.
Het Tuchtcollege komt tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken en het gehouden verhoor niet in rechte is komen vast te staan dat verweerder incorrect heeft gehandeld jegens klaagster.
Van enig tuchtrechtelijk verwijt aan de zijde van verweerder is er dus geen sprake, zodat de klacht tegen verweerder ongegrond zal worden verklaard.

4.4 Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig daar die voor de beslissing niet relevant zijn gebleken.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege verklaart de klacht tegen verweerder ongegrond.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, voorzitter, mr. R.M.F. Oemar en mr. G. Ramai-Badal, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 24 januari 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
mr. M.S.Wesenhagen

De voorzitter,
mr. A.Charan

De leden,
mr. R.M.F. Oemar
mr. G. Ramai-Badal

SRU-RC-2019-5

RECHTER-COMMISSARIS BELAST MET DE BEHANDELING VAN STRAFZAKEN BIJ DE KANTONGERECHTEN

Gezien het verzoek tot invrijheidstelling ingediend op 19 februari 2019, door
mr.F.F.P. Truideman, raadsman van verzoeker/ verdachte:[verzoeker/verdachte];

Gezien de stukken, waaronder:

  • het bevel tot inverzekeringstelling, waaruit blijkt dat verzoeker/ verdachte voornoemd op 17 januari 2019 in verzekering is gesteld op verdenking van het begaan van de misdrijven vastgelegd in de artikelen 188 van het Wetboek van Strafrecht, art. 3 lid 1a en B Sub A, B en C jo art. 11 jo art. 12 Wet Verdovende Middelen;
  • het bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling d.d. 22 januari 2019 en ingaande op 24 januari 2019;
  • de beschikking van de rechter-commissaris, mr. I.S. Chhangur- Lachitjaran, gegeven d.d. 18 februari 2019, waarbij de bewaring van de verzoeker/ verdachte voornoemd is bevolen per ingaande 23 februari 2019;
  • het proces-verbaal betreffende de behandeling van de opening van het GVO en de behandeling van de vordering inbewaringstelling d. 14 februari 2019;

Gehoord de verzoeker/ verdachte voornoemd, die heeft verklaard gelijk gerelateerd staat in de daartoe opgemaakte verklaring, waarvan een afschrift aangehecht is aan deze beschikking;

Gehoord de raadsman mr. F.F.P. Truideman;

Gehoord de vervolgingsambtenaar, mr. R.Elgin;

Ontvankelijkheid van verzoeker/ verdachte:
De vervolgingsambtenaar heeft aangevoerd dat, op de vordering tot inbewaringstelling in aansluiting op de opening van het GVO door de rechter-commissaris is beslist dat de vrijheidsbeneming moet voortduren in verband met het GVO.Aangezien de rechtelijke toetsing van de vrijheidsbeneming reeds heeft plaatsgevonden moet verzoeker naar de mening van de vervolgingsambtenaar niet-ontvankelijk worden verklaard in diens verzoek tot invrijheidstelling.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat:

  • verzoeker / verdachte thans verlengd in verzekering is gesteld;
  • de inbewaringstelling van verzoeker/ verdachte per ingaande 23 februari 2019 een aanvang zal hebben;
    Om die redenen staat naar de mening van de raadsman voor verzoeker/ verdachte op grond van art. 54a Sv de mogelijkheid open om in deze periode van de verlenging van de inverzekeringstelling de rechter-commissaris om zijn invrijheidstelling te verzoeken.

Vaststaande feiten

  • op 6 februari 2019 is de inbewaringstelling van verzoeker/ verdachte door de vervolgingsambtenaar gevorderd;
  • op 14 februari 2019 is verzoeker/ verdachte geleid voor de rechter-commissaris in verband met de opening van het Gerechtelijk Vooronderzoek (GVO);
  • de vordering tot inbewaringstelling is vervolgens in aansluiting op de opening van het GVO door de rechter-commissaris behandeld;
  • verzoeker/verdachte is in het kader van de gevorderde bewaring met bijstand van zijn raadslieden Bsc. I.D. Kanhai, mrs. F.F.P. Truideman en C. Rambaros gehoord;
  • bij beschikking d.d. 18 februari 2019 is ten aanzien van verzoeker/verdachte het bevel bewaring voor de tijd van dertig dagen per ingaande 23 februari 2019 gegeven.

De beoordeling
Aan de orde is de vraag of verzoeker/verdachte onder de boven aangehaalde omstandigheden om zijn invrijheidstelling kan vragen op grond van art. 54a Sv?

  1. De wetstekst van artikel 54a lid 1 Sv luidt- voorzover van belang- : “uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van aanhouding, wordt de verdachte ten einde te worden gehoord, voor de rechter- commissaris geleid. Onverminderd het bepaalde in de eerste volzin van dit lid, kan de verdachte onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling de rechter-commissaris om zijn invrijheidstelling verzoeken.”Naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie ( HvJ 29 september 2009 inz Bharos S. en HvJ 4 december 2009 inz. Koendjbiharie L.) moet de mogelijkheid voor de verdachte openstaan om ook in de periode van de verlenging van de inverzekeringstelling gebruik te maken van het bepaalde in artikel 54a Sv.
  2. 54a Sv waarborgt het recht van de verdachte om gedurende de verlenging van de inverzekeringstelling eenmaal een beroep te doen op rechtelijke toetsing van zijn vrijheidsbeneming. Derhalve is het begrijpelijk dat die verzochte rechtelijke toetsing alleen kan plaatsvinden voordat een rechtelijke toetsing heeft plaatsgevonden in het kader van de bewaring van en/ of het GVO tegen een verdachte.
  3. In het onderhavige is de vordering tot inbewaringstelling in aansluiting op de opening van het GVO door de rechter-commissaris behandeld en kon daarbij over de noodzaak van voorlopige hechtenis worden geoordeeld omdat, aanstonds duidelijk was dat:
  • de vrijheidsbeneming moest voortduren in verband met het GVO;
  • het ook uit oogpunt van doelmatigheid gewenst was de vordering zoveel mogelijk simultaan met de opening van het GVO te behandelen;
    Met deze aanpak is tevens voorkomen dat de verzoeker/verdachte binnen een periode van enkele dagen tweemaal voor de rechter-commissaris moest worden geleid: eerst in verband met de opening van het GVO, en vervolgens opnieuw in verband met de behandeling van de vordering inbewaringstelling.

4. De rechtelijke toetsing van verzoeker/ verdachte zijn vrijheidsbeneming in het kader van het GVO en de gevorderde bewaring hebben plaatsgevonden op 14 februari 2019. Hierna deed de verzoeker/ verdachte op 19 februari 2019 op grond van art. 54a Sv een verzoek tot rechtelijke toetsing van zijn vrijheidsbeneming.
5. Blijkens de strekking en het systeem van de betrekkelijke bepaling heeft de wetgever niet de bedoeling dat de verdachte in verband met de rechtelijke toetsing van zijn vrijheidsbeneming binnen de periode van de (verlengde) inverzekeringstelling tweemaal voor de rechter-commissaris kan worden geleid.

Nu, vaststaat dat de rechtelijke toetsing van verzoeker/verdachte zijn verdere vrijheidsbeneming met het oog op het GVO en de gevorderde bewaring reeds heeft plaatsgevonden op 14 februari 2019, moet onderhavig verzoek beschouwd worden als één die buiten de sfeer van artikel 54a lid 1 Sv valt en daardoor niet op de wet gestoeld is; dit verzoek zal daarom ook niet- ontvankelijk verklaard moeten worden.

BESCHIKKENDE:
Verklaart verzoeker/verdachte niet- ontvankelijk in zijn verzoek tot invrijheidstelling.

Aldus gegeven te Paramaribo op 26 februari 2019 door mr. D.G.W. KARAMAT ALI, Rechter-Commissaris, in tegenwoordigheid van de Griffier mr. S.MULLER-BIEKMAN.

De Griffier,
De Rechter-Commissaris,

mr.S.MULLER-BIEKMAN
mr. D.G.W. KARAMAT ALI

SRU-K1-2018-34

Kantonrechter in Kort geding

A.R. no. 163701

8 februari 2018

Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van

[eiser], wonende in [land],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. drs. M-S Boedhoe, advocaat,
hierna te noemen: “[eiser]”,

tegen

[gedaagde], wonende in het [district],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. R. R. Lobo, advocaat,
hierna te noemen: “[gedaagde]”.

  1. Het proces verloop:

In het incident en in de hoofdzaak

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 21 juli 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van antwoord, met productie,
  • de conclusie tot schorsing en hervatting van het geding zijdens de wettelijk vertegenwoordiger van [eiser],
  • de conclusie tot hervatting van het geding zijdens [gedaagde].

1.2 De uitspraak van het vonnis in het incident in kortgeding is bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1 De kantonrechter overweegt dat het geding is geschorst op 10 augustus 2017 in verband met het feit dat [eiser] die bij de aanvang van dit geding nog minderjarig was en werd vertegenwoordigd door zijn moeder als wettelijke vertegenwoordiger van hem, op 16 juli 2017 meerderjarig is geworden. Gevorderd is dat het geding wordt voortgezet ten name van de meerderjarige [eiser].

2.2 [gedaagde] heeft in zijn conclusie tot hervatting aangegeven dat hij het noodzakelijk vindt dat een geboorte akte wordt overgelegd omdat uit het overgelegde uittreksel uit de gemeente ‘s Gravenhage niet voldoende blijkt dat [eiser] inmiddels meerderjarig is geworden.

2.3 De kantonrechter overweegt dat de geboorte datum wel voldoende uit de overgelegde documenten blijkt, met name uit de copie van het uittreksel uit de basisregistratie van de gemeente ‘s Gravenhage en uit de akte van koop en verkoop van 2 november 2005 verleden ten overstaan van notaris J. Currie. Hierdoor zal de zaak worden hervat ten name van [eiser], zoals reeds is doorgevoerd in de aanhef van dit vonnis.

2.4 In de hoofdzaak zal worden voortgeprocedeerd.

3. De beslissing

In het incident

3.1 Hervat het geding ten name van [eiser];

In de hoofdzaak

3.2 Stelt [gedaagde] in de gelegenheid zijn conclusie van dupliek te nemen;

3.3 Roept daartoe deze zaak af voor de zitting van donderdag 8 maart 2018 om 09.00 uur des voormiddags;

3.4 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 8 februari 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-35

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-2648

01 oktober 2020

Vonnis in kort geding

in de zaak:

1. [eiser 1], rechtspersoon, hierna te noemen “de BV”,
2. [eiser 2] rechtspersoon, voorheen [naam] hierna te noemen “de NV”,
3. [eiser 3], rechtspersoon, hierna te noemen “de stichting” allen kantoorhoudende aan [adres 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
eisers,
gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

tegen

[gedaagde], rechtspersoon gevestigd en kantoorhoudende aan [adres 2] te [ district 2],
gedaagde,
gemachtigde: mr. Anne-Marel M. Linger, advocaat.

  1. Het verloop van het proces:

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 09 september 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis d.d. 14 september 2020;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1. Bij onderhandse akte gedateerd 04 juni 2018 zijn de BV en de NV met gedaagde een kredietovereenkomst aangegaan voor het bedrag van US$ 2,250,000. – (tweemiljoen tweehonderd en vijftigduizend Amerikaanse dollar). De stichting heeft op 18 mei en 04 juni 2018 krediethypotheek verleend aan gedaagde strekkende tot zekerheid voor het verstrekte krediet aan de BV en de NV, op het recht van grondhuur vervallende op 26 september 2042 op het perceelland groot vijftien hectare een are en dertig centiare (15.0130 ha) gelegen in [district 1], ten zuiden van het verlengde van de [straat 1] bekend als [adres 3], straatregistratie [nummer]. Voorts is tot zekerheid voor het verstrekte krediet afgegeven het nog te verkrijgen recht van grondhuur op een stukland van 7.8 ha waarvoor een bereidverklaring is verstrekt onder LAD [no. 01]. Voorts zijn door de stichting in fiduciair eigendomovergedragen aan gedaagde de voorraden gelegen aan [adres 1]

2.2. Bij onderhandse akte van 06 september 2018 is een addendum horende bij de overeenkomst van 04 juni 2018 overeengekomen waarbij het bedrag voor de geldlening wordt uitgebreid naar US$ 3,000,000. – (driemiljoen Amerikaanse dollar).

2.3. Bij onderhandse akte van 08 april 2019 zijn gedaagde, de BV en de NV een samenwerkingsovereenkomst kippie-project aangegaan.

2.4. Bij onderhandse akte van 23 augustus 2019 zijn de stichting en gedaagde een optieovereenkomst aangegaan, waarbij gedaagde de mogelijkheid werd geboden tot aankoop van alle bezittingen en bedrijfsactiviteiten van de BV, de NV en de stichting voor een prijs van US$ 2,500,000. – (tweemiljoen vijfhonderdduizend Amerikaanse dollar).

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1. Eisers vorderen, voor zover uitvoerbaar bij voorraad:

a) Gedaagde te verbieden om over te gaan tot het in het openbaar verkopen van de in het exploot [no.02] van deurwaarder L. Gangaram Panday gedateerd 15 augustus 2020, omschreven goederen welke openbare verkoop zal plaatsvinden op 08 oktober 2020 om 10.00 uur op het kantoor van notaris mr. V. Gangaram Panday of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo.
b) Gedaagde te verbieden om over te gaan tot het in het openbaar verkopen van de in het exploot [no.03] van deurwaarder L. Gangaram Panday gedateerd 15 augustus 2020, omschreven goederen welke openbare verkoop zal plaatsvinden op 08 oktober 2020 om 10.00 uur op het kantoor van notaris mr. V. Gangaram Panday of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo.
c) Schorsing van c.q. op te schorten alle door gedaagde te treffen executie maatregelen van de percelen toebehorende aan de stichting, in afwachting van een uitspraak van de bodemrechter in de zaak bekend als [AR nummer].
d) Gedaagde te veroordelen tot een dwangsom van SRD 10.000.000, – (tienmiljoen Surinaamse dollar) voor iedere keer dat zij in strijd handelt met in sub. A t/m C gevorderde.
e) Gedaagde te veroordelen tot betaling aan eisers de kosten voor rechtsbijstand van US$ 10,800. – (tienduizend achthonderd Amerikaanse dollar) inclusief 8% omzetbelasting.
f) Gedaagde te veroordelen om aan eisers te betalen alle kosten gemaakt met betrekking tot de onderhavige veiling.
g) Gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde misbruik maakt van haar executierecht.

3.3. Gedaagde heeft verweer gevoerd, op dit verweer komt de kantonrechter terug in de beoordeling voor zover van belang voor de beslissing van deze zaak.

  1. De beoordeling

4.1. Eisers stellen dat zij en gedaagde partners zijn in het Kippie-project waarbij gedaagde de financiële partner is die tevens belast is met het management van het project. Gedaagde ontkent dat de rechtsverhouding tussen partijen primair het karakter van een zakelijke samenwerking c.q. partnerschap is. In het geding is gebracht een onderhandse akte gedateerd 08 april 2019, ondertekend door partijen, waarin gedaagde, de BV en de NV een samenwerkingsovereenkomst Kippie-project zijn aangegaan Gedaagde heeft het bestaan van de samenwerkingsovereenkomst niet ontkend. Op grond van artikel 1896 levert de in het geding gebrachte akte volledig bewijs op dat gedaagde, de BV en de NV een samenwerkingsovereenkomst zijn aangegaan.

In artikel 1.2 en 1.3 van de samenwerkingsovereenkomst is door partijen gesteld dat gedaagde, de BV en de NV bij akten van 04 juni en van 06 september 2018 een overeenkomst zijn aangegaan die voorzag in het verstrekken aan de NV door gedaagde van een investeringskrediet van US$ 3,000,000. – (driemiljoen Amerikaanse dollar). Voorts is in artikel 1.4 door partijen gesteld “…dat de gewenste inbreng van [gedaagde] bij de uitvoering van het project verder ging dan de kale financiering …”. Voorts is in artikel 2.3 bedongen: “Elke afzonderlijke kredietovereenkomst maakt deel uit van deze samenwerkingsovereenkomst en wordt beheerst door de principes van deze overeenkomst.” De verstrekte geldmiddelen die op basis van de overeenkomst welke in de akte van 04 juni en van 06 september 2018 het karakter had van kredietverlening onder hypotheekstelling is bij het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst gewijzigd in een investeringskrediet van gedaagde aan de NV waarbij gedaagde meer verplichtingen heeft dan die van kredietverschaffer. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter hebben partijen met het gestelde in artikel 1.2, 1.3, 1.4 en 2.3 van de samenwerkingsovereenkomst het karakter van de bij akte van 04 juni en van 06 september 2018 verstrekte geldlening tegen hypotheekstelling gewijzigd in een investeringskrediet en onderworpen aan de principes van de samenwerkingsovereenkomst. Op grond van het voorgaande is de kredietverlening van gedaagde aan de NV onderdeel geworden van de samenwerking van partijen en kan het daardoor niet afzonderlijk worden bezien. Op grond van het voorgaande maakt, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, gedaagde misbruik van de bevoegdheid die zij heeft verkregen op grond van artikel 1207 van het Burgerlijk Wetboek, door de kredietverlening los te koppelen van de samenwerking tussen haar en de eisers.

Op grond van artikel 1.4 waarin het volgende is gesteld: “Gaandeweg de uitvoering van de plannen bleek dat de gewenste inbreng van [gedaagde] bij de uitvoering van het project verder ging dan de kale financiering en dat de wederzijdse betrokkenheid bij het project het karakter van een structurele samenwerking had. Partijen achten het nodig hun onderlinge verhouding en afspraken met betrekking tot het “Kippie-project” nader vast te leggen in deze samenwerkingsovereenkomst.” en wat in artikel 3.1 van de samenwerkingsovereenkomst is gesteld namelijk:“…, zal [gedaagde] aanspraak maken voordracht en benoeming van drie van de vijf leden van de RvC. De RvC functie bestrijkt zowel [de BV], als [de NV]. waarbij tevens bepaald is dat het maximaal aantal commissarissen vijf personen zal zijn.” Blijkt dat gedaagde in de samenwerking met partijen meer is dan alleen een kredietverschaffer. Gedaagde kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter zich niet zondermeer onttrekken aan de door haar aangegane samenwerking met eisers en zich beroepen op de overeenkomst vervat in de akten van 04 juni en 06 september 2018, omdat de samenwerkingsovereenkomst nog intact is en de rechtsverhouding van partijen daardoor wordt beheerst. De kantonrechter zal daarom de vordering van eisers om gedaagde te verbieden om tot het in het openbaar verkopen van de goederen over te gaan, omschreven in de exploten [no.02] en [no.03] gedateerd 15 augustus 2020 van deurwaarder L. Gangaram Panday, toewijzen.

4.2. De vordering van eisers tot schorsing van c.q. het op schorten van alle door gedaagde te treffen executie maatregelen op de percelen toebehorende aan de stichting, in afwachting van een uitspraak van de bodemrechter in de zaak bekend als [AR nummer] zal worden toegewezen nu blijkt dat de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen nog intact is en gedaagde ondanks dat toch probeert om goederen van de stichting op grond van de overeenkomst van 04 juni en 06 september 2018 te executeren.

4.3. Ter verzekering van de uitvoering van het in dit vonnis bepaalde zal de kantonrechter de vordering tot het veroordelen van gedaagde tot een dwangsom voor iedere keer dat zij in strijd handelt met het in dit vonnis bepaalde toewijzen. Gedaagde zal worden veroordeeld tot een handelen of een nalaten waarvoor op grond van artikel 492 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een veroordeling tot een dwangsom is toegestaan. De kantonrechter zal echter de gevorderde dwangsom mitigeren.

4.4. De vordering om gedaagde te veroordelen tot betaling aan eisers de kosten voor rechtsbijstand zal worden toegewezen. Nu naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter gedaagde misbruikt maakt van het executierecht welke zij heeft verkregen op grond van de hypotheekstelling van de goederen van de stichting, zij de schade welke eisers daardoor lijden zal moeten vergoeden.

4.5. De vordering tot veroordeling van gedaagde om aan eisers te betalen alle kosten gemaakt met betrekking tot de onderhavige veiling zal worden afgewezen. Eisers hebben onvoldoende gesteld om deze vordering te kunnen beoordelen.

4.6. De kantonrechter zal op de overige stellingen en weren van partijen niet ingaan nu deze hem niet langer relevant voorkomen. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de eisers.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1. gelast de stopzetting van de openbare verkoop van de bij exploot [no.02] van deurwaarder L. Gangaram Panday gedateerd 15 augustus 2020, omschreven goederen welke openbare verkoop zal plaatsvinden op 08 oktober 2020 om 10.00 uur op het kantoor van notaris mr. V. Gangaram Panday of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo.

5.2. gelast de stopzetting van de openbare verkoop van de bij exploot [no.03] van deurwaarder L. Gangaram Panday gedateerd 15 augustus 2020, omschreven goederen welke openbare verkoop zal plaatsvinden op 08 oktober 2020 om 10.00 uur op het kantoor van notaris mr. V. Gangaram Panday of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo.

5.3. schorst alle door gedaagde te treffen executie maatregelen op de percelen toebehorende aan de stichting, in afwachting van een uitspraak van de bodemrechter in de zaak bekend als [AR nummer].

5.4. veroordeelt gedaagde tot een dwangsom van SRD 1.000.000, – (een miljoen Surinaamse dollar) voor iedere keer dat zij in strijd handelt met het bepaalde in sub. 5.1 t/m 5.3 van dit vonnis tot een maximum van SRD 5.000.000, – (vijfmiljoen Surinaamse dollar).

5.5. veroordeelt gedaagde tot betaling aan eisers voor de kosten voor rechtsbijstand van US$ 10,800. – (tienduizend achthonderd Amerikaanse dollar) inclusief 8% omzetbelasting.

5.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

5.7. veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van eisers en tot op heden begroot op SRD 700, – (zevenhonderd Surinaamse dollar).

5.8. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton mr. C.A. Wallerlei en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, op 01 oktober 2020, in tegenwoordigheid van de griffier

SRU-K1-2020-34

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-1500

01 oktober 2020

Vonnis in kort geding

in de zaak:

  1. [naam 1], wonende aan [straat 1], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  2. [naam 2], wonende aan [straat 2], [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  3. [naam 3], wonende in het [plaats 1]in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  4. [naam 4], wonende aan [straat 3], [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  5. [naam 5], wonende in [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  6. [naam 6], wonende aan [straat 4], [plaats 1 ]in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  7. [naam 7], wonende te [plaats 3] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  8. [naam 8], wonende aan [straat 5] [no. 1], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  9. [naam 9], wonende in het [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  10. [naam 10], wonende aan [straat 6] [no. 2], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  11. [naam 11], wonende aan [straat 1], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  12. [naam 12], wonende in het [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  13. [naam 13], wonende te [plaats 3] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  14. [naam 14], wonende te [plaats 3] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  15. [naam 15], wonende aan [straat 7] [no. 3], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  16. [naam 16], wonende in het [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Pararmaribo,
  17. [naam 17], wonende aan de Macousistraat te [plaats 3] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  18. [ naam 18], wonende aan [straat 7] [no. 3], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Pararmaribo,
  19. [naam 19], wonende in het [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  20. [naam 20], wonende aan [straat 8], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  21. [naam 21], wonende te [plaats 1]in [district] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  22. [naam 22], wonende te [plaats 3] in [district] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,

eisers in conventie,
gedaagden in reconventie,
gemachtigde: mr. E.A. Dennen, advocaat,

tegen

[bedrijfsnaam], rechtspersoon gevestigd en kantoorhoudende aan de [straat 8] [no. 4] te [district 2],

gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat.

  1. Het verloop van het proces:

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 25 juni 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis d.d. 02 juli 2020;
  • de conclusie van antwoord en van eis in reconventie;
  • de conclusie van repliek en van antwoord in reconventie;
  • de akte van gedaagde in conventie met het verzoek aan de kantonrechter om een comparitie van partijen te gelasten ter beproeving van een schikking, waarvan op het doorlopend procesverbaal de beschikking van de kantonrechter is gesteld;
  • het proces-verbaal van de op 07 augustus 2020 gehouden comparitie van partijen;
  • de conclusie van eisers in conventie/gedaagden in reconventie na gehouden comparitie van partijen;
  • de conclusie van gedaagde in conventie/eiseres in reconventie na gehouden comparitie van partijen.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1. Eisers in conventie zijn op arbeidsovereenkomst in dienst van gedaagde.

2.2. Eisers in conventie hebben op 24 maart 2020 aan gedaagde mede gedeeld de bedongen arbeid niet te zullen verrichten, zolang gedaagde geen zorg draagt voor adequate beschuttingsmiddelen (N95 stofmaskers) ter bescherming van hun gezondheid.

2.3. Gedaagde in conventie heeft eisers bij brief van 29 april 2020 medegedeeld dat hun arbeidsovereenkomst niet gecontinueerd zal worden en aan hen is een afvloeiingsregelingaangeboden.

2.4. [werknemers organisatie], die eisers in conventie vertegenwoordigd bij gedaagde wanneer het betreft het aangaan van collectieve arbeidsvoorwaarden, heeft bij brief van 30 april 2020 gedaagde gevraagd of zij voor overleg met haar kan worden uitgenodigd om afspraken te maken over de verbetering van de positie van de onderneming, waaronder doch niet beperkt tot occupational safety and health.

2.5. Het hoofd van de Dienst der Arbeidsinspectie heeft bij brief van 29 april 2020 kenmerk [Arb.No.] met als onderwerp beoordeling stofmasker gedaagde in conventie mede gedeeld dat de door haar aan haar werknemers verstrekte mondkapjes ongeschikt zijn om de werknemerste beschermen tegen de gezondheidsrisico’s die zij lopen door het werken in een werkomgevingwaar zij worden bloot gesteld aan houtstof.

2.6. Bij brief van 06 mei 2020 hebben eiseres in conventie gedaagde mede gedeeld dat zij bereid zijn hun werkzaamheden te verrichten onder veilige en aanvaardbare arbeidsomstandigheden.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

In conventie

3.1. Eisers vorderen, voorzover uitvoerbaar bij voorraad:

a) Gedaagde te veroordelen om eisers tot het werk toe te laten bij gebreke waarvan zij een dwangsom van SRD 5.000, – (vijfduizend Surinaamse dollar) verbeuren voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft uitvoering te geven aan het in deze te wijzen vonnis.
b) Gedaagde te veroordelen om aan eisers te betalen het loon over de maand mei 2020 en daarmee doorgaan totdat de dienstbetrekking met hen rechtsgeldig zal zijn geëindigd.
c) Gedaagde te veroordelen om aan eisers te betalen een verhoging vanwege te late betaling van het loon op grond van artikel 1614q van het Burgerlijk Wetboek.
d) Gedaagde te veroordelen om aan eisers te betalen de advocaat en deurwaarderskosten van SRD 3.756, – (drieduizend zevenhonderd zes en vijftig Surinaamse dollar) vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar, vanaf 25 juni 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.
e) Gedaagde te veroordelen om aan eisers te betalen de in de toekomst te maken deurwaarders kosten van SRD 1.100, – (een duizend een honderd Surinaamse dollar) vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar, vanaf 25 juni 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.
f) Gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat hun dienstbetrekking voortduurt en dat zij nog aanspraak maken op doorbetaling van het loon.

3.3. Gedaagde heeft verweer gevoerd, op dit verweer komt de kantonrechter terug in de beoordeling voorzover van belang voor de beslissing van deze zaak.

In reconventie

3.4. Eiseres vordert, voorzover uitvoerbaar bij voorraad:

a) Opschorting c.q. schorsing van de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst totdat deze op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd.
b) Gedaagden te veroordelen om het in deze te wijzen vonnis te dulden, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse dollar) voor elke dag of keer dat zij geen gevolg geven aan het in deze te wijzen vonnis.
c) Gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

3.5. Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat zij vanwege tegenvallende bedrijfsresultaten niet meer in staat is de dienstbetrekking met gedaagden voort te zetten.

3.6. Gedaagden hebben verweer gevoerd, op dit verweer komt de kantonrechter terug in de beoordeling voorzover van belang voor de beslissing van deze zaak.

  1. De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1. Eisers in conventie stellen dat gedaagde in conventie hun loon vanaf mei 2020 niet heeft uitbetaald ondanks dat zij gedaagde daartoe herhaaldelijk hebben aangesproken. Gedaagde in conventie heeft verweer gevoerd welk verweer erop neerkomt dat eisers in conventie hun loon is opgebouwd uit een basisloon, een onregelmatigheidstoeslag en een toeslag voor representatie en/of voor meer en verantwoordelijk werk. Gedaagde inconventie stelt dat eisers in conventie geen arbeid verrichten waardoor zij geen aanspraak maken op de toelagen. Voorts stelt gedaagde dat zij geen loon aan eisers verschuldigd is omdat zij niet is aangemaand en gesommeerd om het achterstallig loon over de maand mei 2020 en de daarop volgende maanden uit te betalen.

Eisers in conventie hebben, via hun vakvereniging, aan gedaagde kenbaar gemaakt dat zij in staat en bereid zijn de bedongen arbeid te verrichten, mits zij de beschikking krijgen over de juiste beschuttingsmiddelen ter bescherming van hun gezondheid. Voorts hebben eisers in conventie aan gedaagde in conventie aangeboden om tijdelijk aangepast werk te verrichten. Eisers in conventie stellen dat gedaagde in conventie aan hen heeft gevraagd om hun zakdoek als stofmasker te gebruiken en deze nat te houden om zich te beschermen tegen de houtstof dat vrijkomt bij de verwerking van de boomstammen. Eisers in conventie kregen vervolgens zelfgemaakte stofmaskers gemaakt van jeans stof in plaats van N95 stofmaskers. De door gedaagde in conventie vervaardigde stofmaskers zijn ter beoordeling voorgelegd aan het hoofd van de Dienst der Arbeidsinspectie, welke stofmaskers door het hoofd van de Dienst der Arbeidsinspectie zijn afgekeurd, omdat deze maskers geen adequate bescherming bieden aan eisers tegen het inademen van fijne stofdeeltjes vanwege het feit dat destofmaskers niet voorzien zijn van een filter. Het hoofd van de Dienst der Arbeidsinspectie concludeert derhalve dat het gebruik van de door gedaagde in conventie vervaardigde stofmaskers wordt afgeraden omdat de zichtbare en onzichtbare (fijn) houtstof schade aan de gezondheid en welzijn van eisers kan bezorgen die de in de omgeving van de houtzaagmachines werkzaam zijn. De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde in conventie haar verplichting om een veilige werkomgeving instant te houden niet is nagekomen door geen adequate beschuttingsmiddelen aan eisers in conventie ter beschikking te stellen om hun werk te verrichten in een omgeving waar fijn stof vrijkomt. Op grond van artikel 1614x van het Burgerlijk Wetboek is gedaagde in conventie verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen, waarin of waarmee zij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden, alsmede omtrent het verrichten van de arbeid zodanige regelingen te treffen en aanwijzingen te geven, dat eisers in conventie tegen gevaar voor hun gezondheid en welzijn zover zijn beschermd, als redelijkerwijs in verband met het werken met of in de nabijheid van een houtzaagmachine, gevorderd kan worden. Voorts heeft gedaagde in conventie op grond van artikel 20 van het Besluit Stofbestrijding S.B. 1981 no. 71 de verplichting maatregelen te treffen ter bescherming van eisers in conventie die werkzaam zijn in een omgeving, waarin ziektevormende dan wel inert of hinderlijke stof aanwezig is. De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer van gedaagde in conventie dat vanwege de COVID-19 situatie N95 stofmaskers niet te verkrijgen zijn. Gelet op de aard van het door gedaagde in conventie uitgeoefend bedrijf, zou gedaagde in conventie vanwege het feit dat stofmaskers steeds beschikbaar moeten zijn voor haar werknemers in het bedrijf, deze steeds in voldoende hoeveelheid voorradig moeten hebben.

Op grond van artikel 1614d van het Burgerlijk Wetboek verliezen eisers in conventie hun aanspraak op het loon niet, indien zij bereid zijn de bedongen arbeid te verrichten, doch gedaagde in conventie daarvan geen gebruik heeft gemaakt door eigen schuld of zelfs ten gevolge van haar persoonlijk betreffende toevallige verhindering. Het niet verrichten van de bedongen arbeid door eisers in conventie is een direct gevolg van het feit dat gedaagde in conventie haar verplichting tot het instant houden van een veilige werkomgeving niet is nagekomen. Het niet verrichten van de bedongen arbeid door eisers in conventie is aan de schuld van gedaagde in conventie gelegen, doordat zij er niet voor heeft gezorgd dat de stofmaskers in voldoende mate beschikbaar zijn ten behoeve van de bescherming van de gezondheid en welzijn van haar werknemers. Gedaagde in conventie is daarom verplicht het loon aan eisers in conventie door te betalen.

4.2. Gedaagde in conventie stelt dat het loon van eisers in conventie is opgebouwd uit een basisloon, een onregelmatigheidstoeslag en een toeslag voor representatie en of meer en verantwoordelijk werk en dat eisers in conventie omdat zij niet werken geen aanspraak maken op hun loon en hun toeslagen. Eisers in conventie stellen dat de door gedaagde aangehaalde toeslagen een vast onderdeel zijn van het aan eisers in conventie verschuldigd loon gelet op het feit dat in de arbeidsovereenkomst noch op de loonstrook van eisers in conventie een nadere specificatie is gegeven waaruit opgemaakt kan worden dat deze toeslagen geen vast onderdeel vormen van het loon. De kantonrechter is van oordeel dat nu er in de arbeidsovereenkomst noch op de loonstrook van eiseres in conventie een nadere specificatie is gegeven voor de toeslagen, de toeslagen een vast onderdeel vormen van het loon. Gedaagde in conventie is derhalve het basisloon en de toeslagen verschuldigd aan eisers in conventie. De vordering tot betaling van een verhoging wegens te late betaling van het loon zal worden toegewezen. De kantonrechter stelt de verhoging op 10% van het te vorderen loon voor elke loonuitbetaling waarbij gedaagde in conventie heeft verzuimd om het loon uiterlijk op de laatste dag van de maand uit te betalen.

4.3. De vordering van eisers in conventie tot veroordeling van gedaagde in conventie om hen onmiddellijk te werk te stellen zal worden afgewezen. Gedaagde in conventie heeft op grond van de met eisers in conventie gesloten arbeidsovereenkomst het recht om de werkkracht van eisers in conventie te gebruiken in haar onderneming. Gedaagde in conventie is in het algemeen niet verplicht eisers in conventie te werk te stellen, wel blijft de verplichting voor gedaagde in conventie bestaan om het loon aan eisers in conventie door te betalen, als zij bereid zijn de bedongen arbeid te verrichten maar gedaagde in conventie geen gebruik daarvan heeft gemaakt door eigen schuld of ten gevolgen van een aan haar toekomende toevallige verhindering. De gedaagde in conventie is slechts verplicht eisers in conventie te werk te stellen, indien het inkomen en de carrière van eisers in conventie afhankelijk is van het verrichten van arbeid. Niet gesteld nog gebleken is dat het inkomen en de carrière van eisers in conventie afhankelijk is van het verrichten van arbeid.

4.4. De vordering van eisers in conventie tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen, nu blijkt dat gedaagde in conventie als gevolg van het feit dat zij haar verplichting tot het op tijd betalen van het loon aan eisers in conventie niet is nagekomen, eisers in conventie gedwongen waren rechtskundige bijstand in te roepen om hun rechten geldend te maken. Gedaagde in conventie zal daarom worden veroordeeld in de kosten voor rechtsbijstand. De vordering tot veroordeling van gedaagde om aan eisers te betalen de in de toekomst te maken deurwaarderskosten zal worden afgewezen. In een eventuele kosten veroordeling ligt naar het oordeel van de kantonrechter ook besloten de kosten die nog gemaakt moeten worden ter uitvoering van het vonnis. De kantonrechter stelt slechts vast de kosten tot aan de uitspraak van het vonnis.

4.5. De kantonrechter zal op de overige stellingen en weren van partijen niet ingaan nu deze hem niet langer relevant voorkomen. Gedaagde in conventie zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de eisers in conventie.

4.6. De vordering van eiseres in reconventie tot opschorting van de arbeidsovereenkomst met gedaagden in reconventie zal worden afgewezen. De arbeidsovereenkomsten van gedaagden in reconventie kunnen in de uitvoering daarvan worden geschorst door overmacht ontstane gebeurtenissen van tijdelijk aard. De arbeidsovereenkomst van gedaagden kan ook worden geschorst wanneer gedaagden weigeren passende arbeid te verrichten. Niet gesteld noch gebleken is dat er sprake is van door overmacht ontstane gebeurtenissen van tijdelijke aard noch dat er sprake is van weigering van gedaagden om passende arbeid te verrichten.

4.7. De kantonrechter zal op de overige stellingen en weren van partijen niet ingaan nu deze hem niet langer relevant voorkomen. Eiseres in reconventie zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de gedaagden in reconventie.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

In conventie

5.1. veroordeelt gedaagde om aan eisers bij wege van voorschot te betalen het loon vanaf mei 2020 tot aan de dag van de rechtsgeldige beëindiging van de dienstbetrekking met eisers, vermeerderd met een verhoging van wege te late betaling van 10% over het te vorderen loon voor elke loonuitbetaling waarbij gedaagde het loon niet heeft betaald op uiterlijk de laatste dag van de maand waarover het loon moest worden uitbetaald.

5.2. veroordeelt gedaagde om aan eisers te betalen SRD 3.756, – (drieduizend zevenhonderd zes en vijftig Surinaamse dollar).

5.3. Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van eisers en tot op heden begroot op SRD 700, – (zevenhonderd Surinaamse dollar).

5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

5.5. wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie

5.6. wijst af het gevorderde.

5.7. veroordeelt eiseres in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de gedaagden

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton mr. C.A. Wallerlei en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, op 01 oktober 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-RC-2019-4

Rechter-commissaris belast met de behandeling van Strafzaken bij de Kantongerechten

Verzoek tot invrijheidstelling ex artikel 54a Sv

De Rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten;

Gezien het verzoek tot invrijheidstelling van de verdachte: [verdachte];

Gezien de stukken, waaronder een bevel tot inverzekeringstelling d.d. 24 juli 2019 en de verlenging daarvan d.d. 29 juli 2019;

Gehoord de verdachte en zijn raadsman I.D. Kanhai, B.Sc.;

Gehoord de vervolgingsambtenaar mr. N.Maikoe;

Overwegende, dat uit de overgelegde stukken vooralsnog de navolgende feiten en omstandigheden zijn voortgekomen:

Op woensdag 24 juli 2019 tegen 18.10 uur reed het slachtoffer kort voor de aanrijding over [straat 1] komende vanuit [straat 2] en gaande in die van [straat 3] terwijl de verdachte over de [straat 3] reed komende vanuit [straat 4] en gaande in die van [straat 5].

Gekomen op de kruising gevormd door de [straat 1] en [straat 3], alwaar het verkeer over [straat 1] voorrang geniet boven het verkeer over [straat 3], verzuimde de verdachte voorrang te verlenen aan het verkeer op [straat 1], in deze het slachtoffer met als gevolg de aanrijding tussen de door verdachte bestuurde auto en de door het slachtoffer bestuurde bromfiets.

Het slachtoffer is op vrijdag 26 juli 2019 als gevolg van de opgelopen verwondingen in het Academisch Ziekenhuis komen te overlijden.

Verdachte, die de Venezolaanse nationaliteit bezit, is ook in het bezit van een verblijfsvergunning om in Suriname te verblijven voor de periode van 15 maart 2018 tot 15 maart 2020. Uit een stempel in het paspoort van verdachte blijkt dat zij op 17 juli 2019 in Suriname vanuit het buitenland is binnengekomen. Verdachte is in het bezit van een geldig Venezolaans nationaal rijbewijs. Verdachte is niet in het bezit van een Surinaams paspoort, een rijtoestemmingsbewijs als bedoeld in artikel 37i lid 1 van het Rijbesluit 1957 (zoals gewijzigd bij het Staatsbesluit van 24 februari 2009 SB. 2009 no. 23) noch een internationaal rijbewijs.

Overwegende, dat de cruciale vraag aan de orde is of verdachte aangemerkt kan worden als een persoon die niet in het bezit was van een geldig rijbewijs ten tijde van de aanrijding, één en ander als bedoeld in artikel 7 van de Rijwet 1971;

Overwegende, dat als uitvloeisel van het bepaalde in artikel 7 lid 5 van de Rijwet 1971 het Staatsbesluit van 24 februari 2009 (SB. 2009 no. 23) is uitgevaardigd tot wijziging van het Rijbesluit 1957 waarin in artikel 37i lid 1 is verwoord, zakelijk weergegeven, dat het degene die in het bezit is van een geldig buitenlands nationaal rijbewijs als bedoeld in artikel 7 lid 5 van de Rijwet 1971 toegestaan is om daarmee in Suriname een motorrijtuig over de weg te besturen indien:
a. het buitenlands nationaal rijbewijs is afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit in het buitenland;
b. de bestuurder in het bezit is van een vanwege de Procureur Generaal door het Hoofd van de Afdeling Verkeer van het Korps Politie Suriname afgegeven bewijs houdende toestemming (rijtoestemmingsbewijs) om in Suriname met een buitenlands nationaal rijbewijs een motorrijtuig over een weg te besturen;

Overwegende, dat in lid 7 van genoemd artikel 37i lid 1 is bepaald dat “het bepaalde in lid 1 onder b van dit artikel niet van toepassing is op door de Minister aangewezen categorieën van personen”; dat hieruit volgt dat bepaalde categorieën van personen door de minister kunnen worden aangewezen, aan wie, zonder in het bezit te zijn van het rijtoestemmingsbewijs, is toegestaan een motorrijtuig op de weg in Suriname te besturen;

Overwegende, dat bij beschikking van de minister van Justitie van 2 juli 2009 no.3500/09, houdende aanwijzing categorieën van personen ter uitvoering van artikel 37i lid 7 van het Rijbesluit 1957 (S.B. 2009 no.94) als de bedoelde categorieën van personen is aangewezen personen die voor vakantie of zakelijke doeleinden in Suriname verblijven voor een periode van niet langer dan 14 dagen;

Overwegende, dat thans de vraag dient te worden beantwoord of verdachte, die, na aankomst uit het buitenland, 7 dagen in Suriname verbleef voor zakelijke doeleinden (zij zou haar voertuig verkopen en terugreizen naar Chili volgens haar verklaring) en die wel in het bezit is van een geldig nationaal rijbewijs afgegeven door de bevoegde autoriteiten van Venezuela, het land waarvan zij de nationaliteit bezit, aangemerkt kan worden als een persoon niet in het bezit zijnde van een geldig rijbewijs omdat ze een verblijfsvergunning van Suriname bezit; dat met andere woorden de vraag dient te worden of het hebben van een verblijfsvergunning voor verdachte in haar situatie een beletsel oplevert om te behoren tot de categorie van personen die voor een periode van maximaal 14 dagen zonder rijtoestemmingsbewijs een motorvoertuig mogen besturen op de weg;

Overwegende, dat, naar oordeel van de rechter-commissaris, voornoemde vraag negatief dient te worden beantwoord daar deze beperking nergens in de wettelijke regelingen is neergelegd;

Overwegende, dat, derhalve de thans geldende wettelijke regelingen in die zin dienen te worden begrepen, dat het elke vreemdeling, die in het bezit is van een geldig nationaal rijbewijs van het land waarvan hij/zij de nationaliteit heeft en die in Suriname voor vakantie of zakelijke doeleinden verblijft, gedurende maximaal 14 dagen na binnenkomst in Suriname, is toegestaan een motorrijtuig (van de categorie waarvoor het rijbewijs is afgegeven) in Suriname te besturen op de weg, ongeacht of die vreemdeling al dan niet ook een verblijfsvergunning van de Surinaamse autoriteiten bezit;

Overwegende, dat het voren overwogene tot de conclusie leidt dat verdachte in casu niet aangemerkt kan worden als zijnde niet in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs ten tijde van de aanrijding; dat dientengevolge er onvoldoende feiten en omstandigheden aanwezig zijn die leiden tot een redelijk vermoeden van schuld dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het haar verweten strafbaar feit verwoord in artikel 20 lid 3 van de Rijwet;

Overwegende, dat het vorenoverwogene tot de conclusie leidt dat de inverzekeringstelling en de verlenging daarvan als onrechtmatig kunnen worden gekwalificeerd weshalve het verzoek dient te worden toegewezen;

Beschikkende:

Wijst het verzoek tot invrijheidstelling van de [verdachte] toe en beveelt diens onmiddellijke invrijheidstelling.

Aldus gegeven te Paramaribo op 6 augustus 2019 door mr. D.D. Sewratan, rechter-commissaris, in tegenwoordigheid van de griffier mevr. Mr. E. Ommen-Dors.

De griffier, De rechter-commissaris,

mevr. Mr. E. Ommen-Dors mr. D.D. Sewratan